text
stringlengths
181
1.69M
label
stringclasses
11 values
num_pages
float64
1
502
split
stringclasses
4 values
1013 MM Amsterdam î T +31 20 305 74 10 | F +31 20 305 74 11 \ De Raad van de gemeente Amsterdam ellerman@sixlegal.nl | Postbus 202 www.sixlegal.nl ' 1000 AE Amsterdam | Beheer Derdengelden | ING Bank 67.87.01.288 Ô Tevens per e-mail: info@gemeenteraad.amsterdam.nl | DATUM DOSSIER PAGINA | 17 december 2018 62.658 U2 | UW REFERENTIE BETREFT AANTAL BIJLAGEN | Gemeenteblad 251718 Toeristenbelasting - | Geachte leden van de Raad, | A&O Hostels (hierna: A&O) heeft kennisgenomen van de publicatie in het Gemeenteblad | van de Verordening Toeristenbelasting 2019. Daaruit blijkt dat de toeristenbelasting voor | 2019 wordt verhoogd van 4% naar 7%. Dat betekent voor A&O een verhoging van maar | liefst 75% ten opzichte van 2018. Gelet op de doelgroep van A&O is dat een te forse | verhoging en A&O maakt daar dan ook bezwaar tegen. Ik licht dat hieronder toe. | A&O heeft hostels in een groot aantal landen in Europa. Een paar jaar geleden opende A&O | zijn hostel in Amsterdam Zuidoost. De vestiging van dit hostel is in nauw overleg met de | gemeente Amsterdam tot stand gekomen. De gemeente was enthousiast over het initiatief van | A&O om in Zuidoost een hostel te ontwikkelen, mede vanwege de positieve effecten op de | omgeving. Dat blijkt in de praktijk ook zo uit te pakken. | A&O richt zich met name op groepsreizen voor jongeren, waarbij schoolreizen en reizen in | verenigingsverband de hoofdmoot vormen. Maar ook gezinnen en individuele reizigers zijn Ô welkom. Het bijzondere aan het A&O concept is dat het goede accommodatie biedt, op een | centraal gelegen locatie en voor een zodanig lage prijs dat het ook voor mensen met een Ô beperkt budget mogelijk is om buitenlandse steden te bezoeken. | Met name voor scholen en verenigingen die met strakke budgetten werken, betekent de | aangekondigde verhoging een niet onaanzienlijke belemmering. A&O is dan ook van mening | Six Advocaten B.V. is gevestigd te Amsterdam en ingeschreven in het handelsregister onder nummer 34297931. Alle diensten en | (andere)werkzaamheden worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met Six Advocaten B‚V. Op de overeenkomst zijn van : toepassing de algemene voorwaarden van Six Advocaten B.V. Deze algemene voorwaarden, welke zijn in te zien op www.sixlegal.nl en op í verzoek kosteloos zullen worden toegezonden, bevatten onder meer een beperking van aansprakelijkheid. BTW nummer: NL8191.99.151.BO1. | | SIX ADVOCATEN DATUM DOSSIER PAGINA 17 december 2018 62.658 2/2 dat er in ieder geval een differentiatie zou moeten worden gemaakt naar type hotel dan wel naar locatie (zoals dat voorheen ook het geval was). Daar komt bij dat in dezelfde periode ook de BTW is verhoogd van 6% naar 9% voor het verstrekken van logies door hotels voor een korte periode. Ook die maatregel is pas in september 2018 kenbaar gemaakt en ook daarin is geen overgangstermijn opgenomen. A&O is zich ervan bewust dat dit een maatregel is van de Rijksoverheid waar de gemeente geen invloed op heeft, maar het cumuleert wel met de verhoging toeristenbelasting en daarom had de gemeente daar wel rekening mee dienen te houden. Daarnaast is A&O van mening dat in de Verordening Toeristenbelasting 2019 ten onrechte geen overgangsregeling is opgenomen. Een groot deel van de boekingen voor 2019 zijn, zeker wat de groepsreizen betreft, ruim voor 1 januari 2019 gemaakt. Dat betekent dat daarbij geen rekening is gehouden met de verhoging van de toeristenbelasting. A&O meent dan ook dat het redelijk zou zijn om, als toch wordt vastgehouden aan de aangekondigde verhoging, reserveringen die voor de datum van inwerkingtreding van de Verordening zijn gemaakt daarvan uit te sluiten. Weliswaar is in het coalitieakkoord melding gemaakt van de voorgenomen belastingverhoging, maar daar kon uiteraard met de boekingen onmogelijk rekening mee worden gehouden. A&O Hostels doet daarom een dringend beroep op uw Raad om de Verordening in bovengenoemde zin aan te passen. In afwachting van uw reactie, Met vriendelijke groet, 2 es Zo A Six Advocaten B.V. J.C. Ellerman | |
Raadsadres
2
val
Gemeente Bezoekadres Plein '40 '45 1 Amste rdam 1064 SW Amsterdam Nieuw-West Postbus 2003 1000 CA Amsterdam Telefoon 14020 2x Nieuwwest.amsterdam ‚nl Vergadering Bestuurscommissie Datum 25 maart 2015 Decos nummer Onderwerp OAR budget 2014 Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Nieuw-West Gezien de voordracht van de Kascommissie Besluit Goedkeuring te verlenen aan de Ouderenadviesraad (OAR) voor de verantwoording van het toegekende bedrag voor de periode: 01-01-2014 tot en met 31-12-2014. de heer H. Wink de heer A. Baâdoud stadsdeelsecretaris voorzitter
Besluit
1
val
> < gemeente Raadsinformatiebrief msterdam : : | Afdoening toezegging Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam Datum 17 oktober 2023 Portefeuille(s) Ruimtelijke Ordening en Groen Portefeuillehouder(s): Wethouder Reinier van Dantzig en wethouder Melanie van der Horst Behandeld door bestuurszaken.rd@amsterdam.nl Onderwerp Amsterdamse stadsbossen Geachte leden van de gemeenteraad, In de Groenvisie en Omgevingsvisie heeft het College een nieuw stadsbos aangekondigd. Om dit bos te kunnen aanleggen zijn we gestart met een kader, waarmee de Stadsbos-opgave kan worden uitgewerkt. In de vergadering van 22 februari 2023 heeft de wethouder Ruimtelijke ordening op een vraag van raadslid Tasliyurt (D66), toegezegd u via een raadsinformatiebrief nader te informeren over hoe het college aankijkt tegen Stadsbossen. Voor u ligt deze raadsinformatiebrief waarin we het kader en de vragen behandelen; 1 Definitie Amsterdams stadsbos 2 Kennisnemen van de vervolgstap van definitie naar strategie, hoe het college aankijkt tegen stadsbossen. 3 De afstemming over bestemmingsplan Cornelis Douwesterrein, ter plaatse van het bedrijf Winclove. En de aanvullende vraag over meetellen groen op privaat terrein in de groennormering. Ad: Definitie Amsterdams stadsbos De afgelopen jaren is vaak gesproken over (stads)bossen. In de Groenvisie, Omgevingsvisie en Coalitieakkoord 2022-2026 wordt het toevoegen van stadsbossen aan Amsterdam genoemd. Stadsbossen kunnen veel bijdragen aan een leefbare, gezonde en toekomstbestendige stad, een stadsbos verbetert de leefkwaliteit en verbindt natuur aan beleving en duurzaamheid. En een stadsbos biedt (noodzakelijke) ruimte voor ontspanning bij een toename van het aantal inwoners. Voor u ligt de definitie van een Amsterdams Stadsbos. Met deze definitie is het mogelijk om een Amsterdamse bosstrategie op te stellen. Een Amsterdams stadsbos ligt in of vlakbij stedelijk gebied, heeft een kroondekking (van de bomen) van minimaal 60% is en is hierdoor een koele plek in Amsterdam. Een stadsbos biedt ruimte aan mens, dier en plant. Amsterdammers kunnen hier recreëren, tot rust komen en zingeving ervaren. Daarnaast bieden stadsbossen veel ruimte aan biodiversiteit en ondertussen legt het CO2 vast. Een stadsbos is een ecosysteem zowel boven als onder de grond. De beplanting sluit aan op het omliggende landschap, de cultuurhistorie en de planten zijn genetisch autochtoon Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 17 oktober 2023 Pagina 2 van 4 (inheems). Een Amsterdams bos heeft een lange levensduur, waardoor de bovenstaande waarden optimaal tot ontwikkeling komen. In onderstaande afbeelding zijn de algemene kenmerken van het Amsterdamse Stadsbos opgenomen. Daarnaast zijn aan de hand van het schaalniveau, de specifieke kenmerken van het buurtbos, wijkbos en stadsrandbos weergegeven. & Buurtbos é Wijkbos Stadsrandbos … _10x10m=0,01 hatot 0,5 ha. * _0,5tot 30 ha * Min. 30 ha. en min. 400 m breed * 100% boomkroon bedekking *__60-80% boomkroon bedekking * _ Bestaat voor minstens 60% uit boomkruinen *_3typologiën, waaruit gekozen kan worden * Bij 5 ha #10.000 bomen, door natuurlijke =_Bij 30 ha *50.000 bomen, na natuurlijke successie »_1boomper lm? -kleine maat, 2100 successie +2.500 bomen +15.000 grote volwassen bomen bomen, door successie + 5/20 over * Door grootte is al meer zonering mogelijk, =_Bewat zowel plekken met rust als drukte * 5-20 grotere bomen en struikgewas zowel in biotopen als in gebruik =_Heeft een eigen karakter met typerende ecologie en =_ Verschillende vormen, maatwerk — * Recreatieve mogelijkheden; denk aan recreatiemogelijkheden langgerekt, groter to 0,5 ha eenvoudige paden, hiermee onderscheidt een *_Is een groene schakel die zowel stad als land versterkt *_ Planten met de buurt, eventueel vormen van stadsbos zich van een bosplantsoen. vormt een schakel in de groenblauwe structuur van de medebeheer (geen huidig beleid i.v.m. bomen) = Grotere positieve impact op biodiversiteit tov stad en metropoolregio. *_Aanplant bij voorkeur in open grond, maar bij buurtbos «Lange levensduur van 50 — 100+ jaar om optimaal de buurtbos is ander type terrein of aanplant niet * Financieel op niveau Groengelden en SHP positieve effecten (CO2, verkoeling, biodiversiteit) uitgesloten (is wel kostenverhogend) groen door bosontwikkeling te laten plaatsvinden » Keuze van de plekken ligt bij de SD. *_ Heeft een eigen identiteit, is een innovatieve …_ Beperkte recreatieve mogelijkheden; denk aan toevoeging aan het bestaande palet van stadsbossen paadje of bank in Amsterdam, kan het 5* stadsbos worden * Poëtische, stedelijke vertaling van een bos in de *_ Bedient Amsterdammers uit getransformeerde en stad — Bos-idylle nieuwe delen van de stad *_ Markant herkenbaar groen in 3/4 dimensies (ook =_Is voor iedere Amsterdammer goed bereikbaar en onder de grond) met duidelijke ingang en/ of toegankelijk omkadering, hiermee onderscheidt zich met *_ Scoort hoog in de waarden recreatie, gezondheid, bosplantsoen. beleving, biodiversiteit en duurzaamheid (t.o,v. Buurt- =_ Financieel op niveau Groen in de buurt en en Wijkbos) Groengelden. *_ Financieel op niveau Centrale stad, PNH en Rijk (EU) Ee NAN KLEIN NAAR GROOT Kenmerken van het Amsterdamse Stadsbos en de specifieke kenmerken op verschillende schaalniveaus. Met de nuancering in de definitie is het mogelijk om (in de toekomst) buurtbossen, wijkbossen en stadsrandbos(sen) te realiseren. De maat (grootte) van een bos is van belang voor de impact op de waarden voor de stad. Een buurtbosje heeft minder effect op bijvoorbeeld biodiversiteit dan een groter stadsrandbos, maar voor de waarde ‘beleving’ of ‘hitte! kan een buurtbos lokaal juist grote positieve impact hebben. In vervolgonderzoek worden de verschillende stadsrand-, wijk- en buurtbossen verder uitgewerkt naar een bosstrategie. Ad2 Vervolgstappen van definitie naar strategie Om tot nieuwe stadsbossen te komen zijn drie stappen nodig. Om met elkaar over hetzelfde te praten hanteren we bovenstaande definitie voor een Amsterdams stadsbos. Vervolgens vertalen we dit in een bosstrategie waarin staat welke stadsbossen waar gewenst zijn en op hoofdlijnen welke mogelijkheden ervoor zijn. Een stadsbos aanplanten (op elke schaal) is zeer complex in Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 17 oktober 2023 Pagina 3 van 4 Amsterdam, dus na de strategie zal met een uitvoeringsplan bepaald worden wat realistisch en haalbaar is. Dit zal altijd maatwerk zijn en in overleg met bijvoorbeeld de stadsdelen en aangrenzende gemeenten. De Amsterdamse bosstrategie is een verfijning van schaalniveau van de Landelijke bosstrategie en de Bosnotitie Provincie Noord-Holland. In ze kwartaal 2024 komen we bij u terug met de eerste resultaten van een locatieonderzoek voor een groter stadsbos. Voor de zomer 2024 komen we bij u terug met de resultaten van de Amsterdamse Bosstrategie. Voor het vervolgonderzoek zijn financiële middelen beschikbaar. Ad3 Afstemming bedrijfskavel in bestemmingsplan Cornelis Douwesterrein In de commissie RO zijn vragen gesteld over een bedrijfskavel in Amsterdam Noord (Winclove), namelijk of op een deel van het totale eigendom (bestaat uit twee kavels) een Tiny Forest (zeer klein type bos ontwikkelt door IVN, Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid), aangeplant mag worden. e _Na onderzoek op deze specifieke locatie is de uitkomst dat het bestemmingsplan Cornelis Douwesterrein geen beperkingen bevat. Dit initiatief wordt gezien als groenvoorziening behorend bij een bedrijf, namelijk het nieuwe laboratorium van Winclove ernaast. Het bestemmingsplan bevat verder geen beperkingen aan de omvang van de groenvoorziening, die hier in de weg zou staan. Dit initiatief is ook aan de Integrale Adviestafel van stadsdeel Noord besproken. e De vervolgvraag, of dit stadsbreed getrokken kan worden, volgt niet vanzelfsprekend. Bij andere initiatieven kan het oordeel anders uitpakken. Dit blijft maatwerk, afhankelijk van het initiatief en het bestemmingsplan. De afweging zal per aanvraag maatwerk blijven. e De vervolgvraag, wat de mogelijkheden zijn om bosaanplant op privaat terrein mee te laten tellen in de groennormering moet nog onderzocht worden, wij komen hier bij uv op terug in de bosstrategie. Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 17 oktober 2023 Pagina 4 van 4 Het college staat positief tegenover groen initiatieven op privaat terrein, om zo samen met de stad Amsterdam steeds groener te maken. In de hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, Reinier van Dantzig Wethouder Woningbouw en Stedelijke Ontwikkeling (AEN ED Melanie van der Horst Wethouder Groen
Brief
4
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 160 Datum akkoord college van b&w van 16 februari 2016 Publicatiedatum 19 februari 2016 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid N.T. Bakker van 11 januari 2016 inzake schimmigheid rondom servicekosten voor winkeliers op het Bos en Lommerplein. Aan de gemeenteraad Toelichting door vragensteller: Op 11 januari 2016 berichtte de Volkskrant over een rechtszaak tussen koffiewinkel- uitbater Dries Boussatta en vastgoedbeheermaatschappij WPM. Laatstgenoemde wordt schimmigheid verweten in het doorberekenen van servicekosten naar winkeliers. Een vaker voorkomend probleem, als we Detailhandel Nederland mogen geloven. Volgens de brancheorganisatie krijgen kleine winkeliers te vaak hoge en moeilijk controleerbare servicekosten in rekening gebracht door hun verhuurder. Veel winkeliers schakelen gezamenlijk een bureau in om hun servicekosten na te rekenen. Daarbij blijkt vaak dat er vreemde posten in de rekening verborgen zitten. Gezien het vorenstaande heeft het lid N.T. Bakker, namens de fractie van de SP, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: 1. Is het college bereid, te bemiddelen tussen de betrokken partijen op het Bos en Lommerplein om te komen tot een oplossing voor de problemen van de winkeliers? Graag een toelichting. Antwoord: Het is voor een gezond ondernemersklimaat van belang dat huurders van bedrijfs onroerend goed op een transparante en correcte wijze inzicht hebben in de totstandkoming van de hoogte van de kosten die bovenop hun huurprijs komen, zoals de servicekosten. Hiervan is volgens de ondernemer op het Bos en Lommerplein geen sprake. Het gaat in dit geval om een privaatrechtelijk conflict tussen een horecaondernemer en een vastgoedbeheerder, opererend namens de vastgoedeigenaar. Omdat deze zaak nu onder de rechter is, is een initiatief van de gemeente niet aan de orde. 1 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R Neng Î Gemeenteblad Datum Le bruari 2018 Schriftelijke vragen, maandag 11 januari 2016 2. Is het college bereid, een inventarisatie te maken onder haar lokale winkeliers om te kijken hoeverre en, zo ja, in welke omvang het probleem van schimmigheid rondom servicekosten ook in Amsterdam speelt? Graag een toelichting. Antwoord: Onderzoek naar privaatrechtelijke overeenkomsten in de horeca en de detailhandel met als doel meer inzicht te verkrijgen in de totstandkoming van zakelijke overeenkomsten van ondernemers is nodig als er een lokaal publiek belang in het geding is. Dit is naar de mening van het college niet het geval. 3. Is het college bereid, de mogelijkheden te onderzoeken — lokaal en landelijk — hoe kan worden afgedwongen dat door derden gefactureerde servicekosten specifieker worden toegelicht, zowel voor winkeliers als voor particulieren? Zo ja, welke mogelijkheden ziet het college hiervoor? Zo nee, waarom niet? Graag een toelichting. Antwoord: Als blijkt dat er in Nederland structurele problemen zijn met de servicekosten die aan winkeliers en horecaondernemers door de verhuurders van bedrijf onroerend goed in rekening worden gebracht en wanneer die niet via de geëigende kanalen tot een oplossing kunnen worden gebracht, ligt er een taak voor het ministerie van Economische Zaken. Wanneer de gemeente merkt dat dit probleem vaker speelt, zal het Paarse Krokodilteam een analyse doen en op zoek gaan naar een oplossing. De gemeente Amsterdam kan dit bijvoorbeeld aankaarten bij het ministerie. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 2
Schriftelijke Vraag
2
train
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Raadsnotulen Jaar 2020 Afdeling 2 Vergaderdatum 11 juni 2020 Publicatiedatum 26 juni 2020 Avondzitting op donderdag 11 juni 2020 Voorzitter: het raadslid de heer Torn Raadsgriffier: mevrouw Houtman Verslaglegging: mevrouw Smakman (Notuleerservice Nederland) De VOORZITTER heropent de vergadering om 19.32 uur. De VOORZITTER: Leden van de gemeenteraad, goedenavond allemaal. Als iedereen zou willen gaan zitten, dan gaan we weer verder. Heropen ik de vergadering. Meneer Vroege, meneer Mbarki, fijn dat u er allemaal weer bent. 19. Beschikbaar stellen van een extra (rendabel) krediet van 6,3 miljoen euro voor de installatie van reclamedisplays in metrostations. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 646) Dit punt is gehamerd. De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 646 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 20. Kennisnemen van het raadsadres met het verzoek tot detaillering van berekening canon bij overstap William Barlowlaan. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 651) Het kennisnemen van het raadsadres met het verzoek tot detaillering van berekening canon bij overstap William Barlowlaan. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 651) wordt uitgesteld tot de volgende raadsvergadering. 21. Kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 658) De VOORZITTER: Wij gaan in principe naar agendapunt 21. Dat betreft het kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. Ik kijk eventjes… De spreektijden zijn bekend. Er zijn al een aantal fracties door hun spreektijd heen. Ik kijk even of er al sprekers waren aangemeld. Anders doen we gewoon even kijken wie er… Dat staat in de partituur, die gebruik ik eigenlijk nooit. Maar in deze coronatijden moet dat natuurlijk wel. Ik begrijp dat het stuk gepiept is door mevrouw Nanninga, alleen zij heeft geen spreektijd meer. Maar heeft ook geen behoefte meer om het verder te behandelen, zie ik. Maar wie wel het woord hebben gevraagd zijn: mevrouw la Rose, mevrouw Simons, 1 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen de heer Blom, de heer Vroege en mevrouw Bakker. Dan zou ik eerst het woord willen geven aan mevrouw la Rose. Mevrouw la Rose, ga uw gang. U heeft het woord. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw la Rose. Mevrouw LA ROSE: Ja, ik kan beginnen? Nee, dat is prima. Goed. Voorzitter, ons leven wordt beheerst door twee virussen. Door COVID-19 en door institutioneel racisme. Beide kunnen dodelijk zijn. Alleen helaas het ene virus waart vrijwel vanuit het niets rond nu slachtoffers makend zonder aanziens des persoons. Van het tweede virus weten we al tijden dat het als kwade onderstroom rondwaart en staan we toe dat het haar slachtoffers zorgvuldig uitzoekt en zich daarbij richtend op uiterlijkheden van ras en afkomst. Voorzitter, voor bestrijding van het ene virus wordt nu wereldwijd met man en macht gewerkt aan een vaccin. Dat andere virus leek tot voor kort bijna niet uit te roeien en kon schijnbaar ongehinderd voortwoekeren, hoezeer velen van ons ook onze afschuw daarover uitspraken. Maar voorzitter, er blijft gelukkig altijd hoop, want we bevinden ons nu ten aanzien van dat tweede virus in ongekende tijden, die internationaal worden gekenschetst als mogelijk een big turning point in history. Ook hier in Nederland voelen zeer velen dat, volgens mij, ook zo. Dat momentum, voorzitter, die mogelijkheid tot uitroeiing van dat tweede virus, moeten we benutten met alles wat ons ten dienste staat. Deze voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit van het college biedt daar ruimte toe. Voorzitter, ik wil de wethouder dan ook complimenteren met wat er nu ligt. Maar, voorzitter, met daarbij de nuance dat de ontwikkelingen van de afgelopen weken het harde en goede werk aan dit beleid misschien wel heeft ingehaald. Dus, voorzitter, tegen het licht van de recente internationale en nationale ontwikkelingen zou ik van het college en de wethouder willen weten of de gemeente haar strategie en inspanningen op dit thema wil heroverwegen en herijken. Ziet de wethouder reden tot aanpassing en nog verdere aanscherping van het huidige beleid, zoals dat in de vandaag te bespreken nota wordt voorgesteld? Wordt een aangescherpte versie van deze nota dan de start van een nieuw tijdperk, ook voor onze stad Amsterdam? Voorzitter, een groot deel van de samenleving heeft zich openlijk gekeerd tegen racisme en discriminatie en tegen uitsluiting. En verwacht concrete actie van haar overheid. Mijn vraag aan de wethouder is of hij bereid is om nog meer verwachtingen uit onze samenleving op dit thema te omarmen en in concrete maatregelen te gieten? Meer praten, meer luisteren en vooral meer doen, lijken ons de opdrachten die vanuit de samenleving opklinken. Voorzitter, is de wethouder het met ons eens dat de stemming maatschappelijk zo is omgeslagen dat de urgentie voor verandering voor diversiteit, inclusie en tegen discriminatie zo hoog is dat zelfs het papier niet meer geduldig kan zijn? Tot slot, voorzitter, ik zie in de omvangrijke omslag in het onderwerp van racismeaanpak een impliciete opdracht voor de overheid om ingrijpend richting en vorm te geven aan het bestrijden hiervan. Mijn vraag aan de wethouder is of hij op korte termijn een inventarisatie kan maken van concrete maatregelen, welke aan het bestaande instrumentarium dienen te worden toegevoegd om het voortwoekeren van het tweede virus een definitief halt toe te roepen? De VOORZITTER: Dank u wel, mevrouw la Rose voor uw bijdrage in de eerste termijn. Ik zou graag het woord willen geven aan de volgende spreker. Dat is mevrouw Simons van de fractie van BIJ1, die nog 4 minuten en 20 seconden spreektijd heeft. Ga uw gang. 2 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Simons. Mevrouw SIMONS: Ik wil graag beginnen met een dank je wel aan de spreker voor mij, mevrouw la Rose, voor deze prachtige bijdrage. Ik kan die van harte ondersteunen. Protesten tegen anti-zwart racisme, institutioneel racisme en politiegeweld in de Verenigde Staten, over de hele wereld en ook hier in Amsterdam en door heel Nederland benadrukken de noodzaak om racisme en andere vormen van onderdrukking te erkennen, bespreekbaar te maken en te bestrijden. Dat doet dit college goed. En dat doet dit college een stuk beter dan het kabinet. Dat mag absoluut gezegd worden. Net als mevrouw la Rose denk ik echter dat we er nog lang niet zijn. Want ik ben benieuwd, hoe gaat het bijvoorbeeld met het inclusiever en diverser maken van de eigen gemeentelijke organisatie en deelnemingen? Wat zijn de resultaten tot nu toe? En hoe staat het ervoor met die antidiscriminatiecampagne? Er is geen Adviesraad diversiteit en integratie meer. En de adviesfunctie wordt tegenwoordig op een dynamische manier vormgegeven. Het college neemt hierin belangrijke stappen als het gaat om het overleggen met gemeenschappen. Ik ben benieuwd wat hiervan de uitkomsten zijn. Ik hoor graag een toelichting van de wethouder. Want ik maak me ook een beetje zorgen. Waarom is er geen centraal adviesorgaan meer dat ongevraagd advies kan geven waarvan de raad kan controleren of die adviezen ook daadwerkelijk worden opgevolgd? Naar aanleiding van de discussie die wereldwijd is losgebarsten, wil ik het college vragen wat hun positie is als het gaat om verwijzingen naar of het verheerlijken van kolonialisme en koloniaal geweld in de openbare ruimte. Vandaag nog ontving ik een bericht van het initiatief, het voornemen tot een VOC-speeltuin in de Czaar Peterbuurt. En van een bekende, heel oude supermarktketen kreeg ik een bericht dat ze zich willen gaan profileren volgens een VOC- mentaliteit. Is daar plek voor in onze stad”? In de brief van 25 mei aan de raad lijkt het namelijk dat er nog steeds moeite is om het woordje ‘omstreden’ te definiëren. Bij deze wil ik het college vragen of ze het met me eens is dat alle straatnamen die na het verdrag van Sumatra in 1871 en ten tijde van de Atjeh-oorlog van 1873 tot 1914 en na de koloniale geschiedenis van Nederland verwijzen, daar ook onder vallen? Dit geldt ook voor verwijzingen in de publieke ruimte naar aan Nederland verbonden racistische Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat in diezelfde periode. BIJ1 verzoekt het college om een inventarisatie te maken van niet alleen straatnamen, zoals de H — ik weet dat daar ook het proces al voor in gang is in samenwerking met studenten — maar dus ook beelden, monumenten, andere objecten in de openbare ruimte. Namen van bruggen, tunnels, overheidsgebouwen. Er is een hele lijst, denkt BIJ1. We zien die lijst graag geconcretiseerd. We hopen natuurlijk op een toezegging van de wethouder, want dan kunnen we in de commissie namelijk het debat aangaan over de verheerlijking van kolonialisme en koloniaal geweld in de openbare ruimte. Afsluitend, voorzitter, wil ik aandacht vragen voor twee punten. Ten eerste wil ik graag benoemen dat het goed is dat het college specifieke vormen van racisme, zoals moslimdiscriminatie, antisemitisme en anti-zwart racisme, benoemt. Het zou fijn zijn als er ook anti-Aziatisch racisme — een vorm van racisme hoofdzakelijk maar niet enkel gericht tegen mensen met Oost-Aziatische roots — ook specifiek wordt benoemd en meegenomen in de beleidsontwikkeling en uitvoering. Ten tweede, en tot slot, wil ik het college vragen, de wethouder hier aanwezig, of hij een toezegging kan doen dat hij zich zal inspannen om 3 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen op termijn ruimte te maken binnen het Programma gedeelde stad, ruimte voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis in de Indische Oceanische regio. We hebben wat op onze kerfstok als Nederland. (Mevrouw VAN SOEST: Mevrouw Simons, neemt u ook ouderendiscriminatie mee?) Ik heb mevrouw Van Soest in deze zaal al heel vaak laten weten dat wij zorgen delen als het gaat om ouderen, als het gaat om daklozen, als het gaat om mantelzorgers. BIJ1 strijdt voor een gelijkwaardige samenleving en sluit daarbij niemand uit. Zeker ouderen niet. (De heer VROEGE: Een vraag ter verduidelijking aan collega Simons. Het inventariseren van alle objecten in de openbare ruimte, beelden, bruggen en anders, dat is toch hoop ik bedoeld om eventueel meer informatie aan die namen te koppelen en niet om ze bijvoorbeeld ook weg te halen?) BIJ1 heeft er bewust voor gekozen om om een inventarisatie te vragen, omdat we denken dat het tijd is om het debat rondom dit zeer precaire onderwerp naar een hoger niveau te tillen. Al eerder hebben we een motie ingediend, die vroeg om uitleg, context, bij straatnaamborden. Wat ik net al zei, dat gebeurt gelukkig ook. Er is een project — hoe moet ik dat zeggen? Ik noem het maar even een project — voor opgestart in samenwerking met studenten. Dat geeft al aan — zeg ik via de voorzitter tegen de heer Vroege — dat we inderdaad openstaan voor dergelijke initiatieven. Dat sluit echter niet uit dat we wellicht, terwijl we met zijn allen deze discussie voeren, tot de conclusie komen dat er ook objecten, monumenten, bruggen, straatnamen en dergelijke, zijn waarvan we in de collectiviteit met elkaar kunnen concluderen dat ze heden ten dage niet meer passen in een stad die zich heel graag profileert als respect hebbend voor de diversiteit. De VOORZITTER: Dank u wel. Daarmee is ook uw spreektijd inmiddels in het rood gekomen, 28 seconden. Ik zou graag het woord willen geven aan de volgende spreker. Dat is de heer Blom van de fractie van GroenLinks, die nog ongeveer 3,5 minuut spreektijd heeft. Ga uw gang. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Blom. De heer BLOM: Voorzitter, in het kader van deze brief en uiteraard de huidige mondiale en nationale ontwikkeling wil ik even benoemen dat GroenLinks ontzettend solidair is met de huidige Black Lives Matter-beweging, die zich nu echt serieus ontwikkeld heeft tot een mondiale beweging. Uiteraard is deze beweging al een aantal jaren aan de gang, maar we zien echt dat we nu een kantelmoment bereikt hebben, wat volop ondersteund moet worden, wat ons betreft. Deze beweging is een voortzetting van de sociale strijd die sinds de afschaffing van de slavernij wordt gevoerd. En daarvoor natuurlijk door de Afro-Atlantische diaspora. Op dit moment heeft deze beweging inderdaad een internationaal bereik wat ongekend en een voortdurend revolutionaire beweging is en solidariteit en Afro-Atlantisch broederschap uitstraalt. Hun strijd is onze strijd. Namelijk de strijd tegen de vijandig politieke en extreemrechtse toon over de multiculturele samenleving. De strijd tegen toenemende ongelijkheid, nu nog meer versterkt door de coronacrisis. Mensen van kleur worden structureel, categorisch vaker getroffen door ongelijkheid in alle leefdomeinen. De strijd tegen institutioneel racisme, bijvoorbeeld in het onderwijs, de politie, de brandweer en onder andere instituten zoals de Belastingdienst. Ik moet eerlijk zeggen dat de huidige ontwikkeling laat zien dat wij niet per se — als het gaat over onze visie — ingehaald zijn door de actualiteit. Eigenlijk moet ik 4 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen zeggen dat ik deels bevestigd ben dat wij in Amsterdam best wel op de goede weg waren. Heel veel zaken die nu steeds meer mainstream- Ja, ik hoor het wel van- De VOORZITTER: Ik weet niet wat er gebeurt, maar u heeft een onderonsje. Oké, gaat u vooral verder. De heer BLOM: Ja. Heel veel zaken die nu steeds meer mainstream zijn, steeds meer genormaliseerd worden als het gaat om deze aandacht voor institutioneel racisme, die aandacht staat al benoemd in de brief. Dat is gewoon een ontzettend goede zaak. Maar dat betekent niet dat we ons niet bewust moeten zijn.… Daarom vind ik de vraag van mijn collega ook heel goed: op welke manier kunnen wij onze visie nog extra verscherpen? Tenslotte, voorzitter, ik denk dat de richting die in de brief wordt aangegeven, het aangaan van schurende gesprekken, een goede zaak is, dat is volgens mij de volwassenheid als samenleving waar we naartoe willen gaan. Ik ben er trots op dat wij als coalitie ons inzetten om groepen en werk in de stad te verbinden en te versterken. En vooral ook omdat al die groepen in de stad het volste recht hebben eigenaarschap te claimen in onze stad. Dank u wel, voorzitter. De VOORZITTER: Ik denk dat inderdaad uw fractiegenoot u dankbaar is, want u heeft nog 28 seconden over, om precies te zijn. Ik zie dat de heer Vroege afziet van een bijdrage in de eerste termijn. Dan zou ik tot slot nog het woord willen geven aan mevrouw Bakker van Partij voor de Dieren. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker. Mevrouw A.L. BAKKER: Ook dank voor de voortgangsbrief over de aanpak. Ik wil complimenten overbrengen aan de vorige sprekers, die zulke mooie woorden hebben uitgesproken in hun bijdrage zojuist. Discriminatie en uitsluiting is een complex probleem. Ik zie dat ook terug in de gelaagdheid van het beleid. Soms nog ongrijpbaar, omdat het in de brief gaat om steun aan initiatieven die we nog niet kennen en aan het opzetten van dialoog. Maar het benoemen van problemen en het faciliteren van gesprekken is een essentieel onderdeel van bewustwording wat nu nodig is voor verandering. De Partij voor de Dieren vindt het van het grootste belang dat iedereen zich vrij voelt zichzelf te zijn, gelijkwaardig behandeld wordt en alle ruimte heeft zich te ontplooien. De inschatting is dat lang niet alle situaties van discriminatie en uitsluiting worden gemeld en dus niet in beeld komen. Dat is een triest gegeven. Terwijl het bekende al erg genoeg is, zou het dan slechts het topje van de ijsberg zijn. Ik wil nog een keer stilstaan bij het feit dat recent meermaals in Oost een stel mannen werd uitgescholden en zelfs iemand slachtoffer werd van geweld, omdat ze hand in hand liepen en de daders dat simpelweg niet aanstond. Zij hebben dit publiek gemaakt, waardoor het nu breed zichtbaar is. Zelf loop ik ook graag af en toe hand in hand met mijn vriendin, maar ik vraag me geregeld af of dat nou wel zo verstandig is. Dat is in meerdere opzichten een zorgwekkend gevoel. In een aantal straten in Oost hebben bewoners uit solidariteit de regenboogvlag uitgehangen. Dat vind ik een hartverwarmende reactie. Maar het lost het probleem uiteindelijk niet op. Welke beleidslijnen zullen er volgens de wethouder wel degelijk toe leiden dat dit geweld eindelijk stopt? 5 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen Dan de overweldigende opkomst bij de antiracismedemonstraties die laat zien hoezeer dit leeft en hoezeer mensen het zat zijn en zich uitspreken. Het racistische, structurele politiegeweld in Amerika, dat is ronduit afgrijselijk en schokkend. Maar racisme is op zichzelf al verwerpelijk. En ook nog steeds aan de orde van de dag in Nederland. Dat moeten we hier in Amsterdam ook aanpakken. Gisteren waren wederom duizenden op de been in het Nelson Mandelapark. De burgemeester zei 's avonds dat dit moment moet worden aangegrepen om racisme zo breed mogelijk te bekijken. Dus ik vraag me af of de wethouder hierop in kan gaan. Ziet hij mogelijkheden om in zijn beleid de nadruk te leggen op het tegengaan van racisme? Ziet hij mogelijkheden voor eventuele verschuivingen of om bepaalde actiepunten te gaan versnellen? Voorzitter, ik wil de wethouder, maar bovenal alle betrokken organisaties en initiatieven die invulling geven aan het beleid, bedanken en aanmoedigen vooral door te gaan. Voorzitter, tot zover mijn bijdrage. De VOORZITTER: Dan zijn we, volgens mij, aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de raad. Dan zou ik graag wethouder Groot Wassink het woord willen geven om te reageren in de eerste termijn. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Groot Wassink. Wethouder GROOT WASSINK: Voorzitter, er zijn mij een aantal specifieke vragen gesteld en ook wat meer generieke bespiegelingen gehouden over hetgeen we ook de afgelopen periode niet alleen in Amsterdam, maar ook breder in ons land en de wereld, hebben gezien. Ik denk dat ook wij, als college, eigenlijk diep onder de indruk en ook wel geëmotioneerd zijn door de kracht van hetgeen we hebben gezien. Als je kijkt naar de demonstratie gisteren, als je kijkt ook naar andere momenten, dan is dat heel bijzonder. En dan is het bijzonder in een heleboel opzichten. Het is altijd heel bijzonder om eigenlijk niet zozeer de geboorte, maar zeker de versnelling in een emancipatiebeweging te zien. En naast die versnelling ook, wat mij betreft, heel duidelijk een verbreding, omdat als je kijkt wie er, zie je heel nadrukkelijk dat het een veel grotere groep mensen is dan je misschien bij sommige andere antidiscriminatiedemonstraties, waar ik in het verleden maar al te vaak aan heb deelgenomen, ziet. En dat is goed. En dat is mooi. Dat betekent dat ook de weerzin en de afkeer van racisme en discriminatie zich verbreedt in de samenleving. Dat betekent dat meer mensen in dit land bereid zijn om zich te verbinden in een actieve bijdrage aan het uitspreken van die weerzin. En zich uitspreken tegen uitsluiting en discriminatie. Dat is winst. Dat is iets positiefs. Dat is iets wat wij moeten koesteren. Het Parool had het gisteren over een historisch moment en ik denk dat dat waar is. Ik denk dat wij dat dus ook in die zin zo moeten zien. Tegelijkertijd zou ik wel- Want mevrouw la Rose — die ik overigens complimenteer met haar bijdrage — had het heel nadrukkelijk over racisme als een van de virussen. Ik zou er toch aan hechten om dat breder te zien. Racisme is een verschrikkelijke uitingsvorm van een breder probleem. Een breder probleem dat mensen om wie ze zijn niet worden geaccepteerd. Dat mensen om wie ze zijn rechten worden ontzegd, onderdrukt, niet krijgen waar ze net als ieder recht op hebben. Volgens mij, verschillen we niet van mening. En, volgens mij, hebben velen mij in de raad gevraagd in hoeverre de ontwikkelingen van de afgelopen tijd ons, als college, nou ook aansporen om te versnellen, om andere accenten te leggen en om meer te doen. U heeft gisteren een motie aangenomen die daar al een heel concreet voorstel voor deed. U weet ook dat ik daar gisteravond nog met de burgemeester over gesproken heb. Dat wij nu daar de 6 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen eerste afspraken over hebben staan. Dat ik er geld voor vrijgemaakt heb. En dat dat dus iets is wat we voortvarend ter hand zullen nemen. Weet ook dat ik eigenlijk hiervoor al de opdracht heb gegeven om de antidiscriminatiecampagne, een grote campagne, die we eigenlijk vanwege corona hadden uitgesteld tot september, versneld in wil zetten. En weet ook — u heeft eerder, ik meen, een week of twee geleden — dat de burgemeester en ik hebben toegezegd dat we over een paar onderwerpen — bijvoorbeeld als het gaat over geweld tegen LHBTIQ+-mensen dat onderzoek te doen. We zien dat op eigenlijk tal van verschillende terreinen als het gaat over het geweld tegen de LHBTIQ+-communities, als het gaat over antizwartgeweld, dat hoewel we — natuurlijk, dat vind je altijd van jezelf — vonden dat we daar een aardig programma voor hadden, dat we natuurlijk ook zien dat er meer nodig is. Ik heb afgelopen maandag een heel goed gesprek gehad ook met de LHBTIQ+-communities en de driehoek. Ik denk dat het bij de burgemeester ligt om u daarover te informeren, maar dat was een goed gesprek. Ik denk dat wij door ook onze contacten met de organisatoren van de demonstraties en ook bijvoorbeeld het actieonderzoek antizwartracisme, wat we al eerder hadden uitgezet, om te kijken waar we die versnelling kunnen aanbrengen, om te kijken waar we herprioritering kunnen aanbrengen, dat we meer dan bereid zijn dat te doen. Dus laat me, afgezien van de hele concrete zaken die ik u nu al heb toegezegd, wil ik ook met u kijken hoe ik daar vrij snel nog bij u op terug kan komen om aan te geven wat we daarin nog meer kunnen versnellen en in kunnen herijken. Kijk, mevrouw la Rose, u zei ook, misschien moeten we hier heel erg op focussen. Ik ben het heel erg met u eens. Maar tegelijkertijd mag dat niet leiden tot in zekere zin een concurrentieslag die ten koste gaat van andere groepen. We moeten die volle breedte behouden in het volle besef dat hier nu een nieuwe ontwikkeling gaande is van een weergaloze omvang en een intimiderende schoonheid, waar we nu juist de verbinding mee moeten leggen. Dat ben ik volstrekt met u eens. Maar die aanscherping is wenselijk. U zei ‘praten, luisteren, doen’, dat is precies wat wij ook van plan zijn. We zullen praten. U heeft daar gisteren zelf een initiatief voor genomen. We zullen luisteren, in gesprek met verschillende gemeenschappen. En we zullen doen, bijvoorbeeld door die campagnes te versnellen. En als daar nog additionele dingen in nodig zijn, staan we daarvoor open. Het papier zal altijd geduldig zijn. Maar ook ik zoek naar concrete maatregelen. En ook ik zal heel nadrukkelijk met ook bijvoorbeeld de bewindspersonen, die hier ook voor verantwoordelijkheid voor dragen, aandringen op concretere maatregelen. Dat heb ik eerder gedaan, maar zal ik ook blijven doen, omdat ik ook zie dat ook in Den Haag het momentum wel iets verandert. Waar eerder soms nog het idee bestond dat dit een grootstedelijke problematiek was, is het, denk ik, onvermijdelijk dat dit geen grootstedelijke problematiek is. Dit is een nationale kwestie. Dit is iets wat iedereen in dit land aangaat. Voor zover het niet iedereen in de wereld aangaat. Dan mevrouw Simons. U vroeg naar de eigen organisatie. Ik heb afgelopen weken met collega Meliani overleg gehad over de bestuursopdracht. Ik denk dat die echt elk moment naar u toe kan komen. Dus daar zou ik even naar moeten kijken. Over de campagne heb ik al iets gezegd. Het adviesorgaan. Ja, ik was echt niet tevreden over het adviesorgaan dat we hadden. Ik denk echt dat het een juiste beslissing was om die ook te ontbinden. Ik denk dat we nu, door ook het structurele overleg met gemeenschappen, daar een veel betere invulling voor gevonden hebben. U vroeg me naar verslagen van die gesprekken. Ik weet niet precies of daar nou altijd verslagen van gemaakt zijn. Ik wil best kijken of daar eens een keer een overzicht van is. Maar dat is dan wel iets wat ik ook met deelnemers wil bespreken, omdat het natuurlijk in de beslotenheid zit waar mensen ook de vrijheid 7 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen moeten hebben om te bespreken wat ze op hun lever hebben. Dat wil ik dus gewoon even onderzoeken. Ik deel de verwarring- Of dat nou verwarring is- Dat is niet het goede woord. Ik deel toch wel even de ‘hoezo, een VOC-speeltuin, wat is dat voor iets geks®”. Ik begrijp dat dat ook niet de naam is die wordt gehanteerd. Voor zover ik dat nu heb kunnen achterhalen is dat niet de naam die gangbaar is of ook officieel gegeven is aan de speeltuin die ontwikkeld is, die al in een veel eerdere fase — ik meen toch echt al een aantal jaren geleden — waartoe is besloten. Maar bij mijn weten is er dus nu geen sprake van dat we bordjes op gaan hangen met VOC-speeltuin. Dan over kolonialisme. Daar lopen we dan misschien toch wel wat uit elkaar. Ik vind het terecht dat u ook zegt, breng het nou in kaart. Ik wil best op het moment dat we ten aanzien van straatnamen dingen in kaart hebben gebracht nog eens kijken of dat ook over bruggen, beelden en anderszins is. Maar ik blijf er wel bij dat wij niet kunnen bepalen wat precies omstreden is, omdat ik echt vind dat je daar als politiek weg van moet blijven. En daarnaast weeg ik dat ook anders. Kijk, we kunnen er kort en lang over praten, maar J.P. Coen is een massamoordenaar, die de meest verschrikkelijke dingen op zijn geweten heeft. Daar is geen misverstand over. Maar de vraag is of het verwijderen van bijvoorbeeld een beeld of een naam helpt. Ik heb misschien wel liever dat wij ons bewust zijn en kennis opdoen van de volledige wetenschap van hetgeen in het verleden is voorgevallen. Misschien is het omdat ik historicus ben, maar ik denk dat kennis helpt tot beter begrip. En ik denk dat het weghalen in zekere zin dus ook het weghalen van kennis is. Dus we moeten daar, denk ik, op een ander moment eens wat langer over discussiëren. Maar ik ben daar zelf zeer terughoudend in, omdat ik dat echt ingewikkeld vind. En ja, ik vind bijvoorbeeld als een school besluit een naam te veranderen, prima, dat moet een school vooral doen. Maar, nou ja, ik zou er zelf terughoudend in zijn, omdat ik in die zin het delen van geschiedenis en het opdoen van kennis en daar een oordeel over vellen als individu misschien waardevoller vind dan het verwijderen van elementen uit onze geschiedenis, omdat ik er ten diepste van overtuigd ben dat wij ook de meest zwarte bladzijden uit onze geschiedenis ten volle ons moeten realiseren. (Mevrouw A.L. BAKKER: Over het niet willen verwijderen van alles wat een link heeft met een koloniaal verleden zei de wethouder dat hij een historicus is en uit dat oogpunt er belang aan hecht dat het blijft. Maar vindt hij niet dat het dan ook tot zijn recht kan komen in een museum waar het in de context geplaatst wordt? O, nee, maar dat kan zeker. Maar ik denk dat we terughoudend moeten zijn en voorzichtig moeten zijn met daar nu ferme uitspraken over doen. Omdat ik denk dat het ook echt een veel groter maatschappelijk debat nodig heeft. Ik zou gewoon daar niet te makkelijk stelling in willen nemen, omdat daar, wat mij betreft, allerlei vraagstukken achter zitten, bijvoorbeeld als die kennisverspreiding. Dus in die zin verdient dat, wat mij betreft, een veel zorgvuldigere bespreking dan dat we aan de hand van deze brief zouden kunnen doen. Maar dat neemt niet weg dat ik het een heel goede zaak zou vinden dat de meest zwarte bladzijden uit onze geschiedenis — of dat nou ons koloniaal verleden is of de rol van bepaalde overheidsinstanties in de Tweede Wereldoorlog — dat we ons dat allen, als burgers, ten volle bewust zijn. U vroeg ook, mevrouw Simons, naar de- (De heer TAIMOUNTI: Ik wil de wethouder bedanken voor de beantwoording. Toch even over dat onderwerp met betrekking tot het wel of niet weghalen. Kunt u zich voorstellen dat als we de standbeelden of welke monumenten er dan ook zijn, die leed vertegenwoordigen, laten staan, het ons dan juist herinnert aan het leed? En dat het ons daardoor 8 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen verdeelt in plaats van verbindt? Ziet u het ook niet als een optie dat als je die juist weghaalt, we meer naar verbinding gaan?) O, maar voorzitter, laat er geen misverstand over bestaan. Ik kan me daar van alles bij voorstellen, dat beelden leed veroorzaken. Ik kwam er tot mijn eigen ontluistering eerder deze week achter dat er nog steeds een verwijzing naar de Mijksenaarzaal in dit gebouw aanwezig is. Dat vond ik ingewikkeld. Dus ik kan me daar van alles bij voorstellen. Maar dat neemt niet weg dat ik vind dat dit kwesties zijn die je buitengewoon zorgvuldig met elkaar moet wisselen. En dat ik niet in deze vergadering daar een positie over inneem, omdat ik echt denk dat het niet iets is wat je alleen in de raad moet bespreken, maar een veel breder maatschappelijk gesprek moet laten zijn. Ik heb wel de positie — maar dat is een persoonlijke positie — dat ik het al heel wat zou vinden als we heel veel informatie over onze geschiedenis, als we er 100% in zouden slagen om onze kinderen de feiten te laten weten. Dat zou ik misschien nog wel belangrijker vinden. Mevrouw Simons vroeg naar het anti-Aziatische racisme. Dat hebben we onderdeel gemaakt van onze campagne die dus binnenkort start. Ik heb ook op heel korte termijn een gesprek met de verschillende gemeenschappen, omdat we ons er terdege van bewust zijn dat dat een zeer actueel en afgrijselijk verschijnsel is. U vroeg ook naar slavernij in Indisch-Oceanische regio. Heel nadrukkelijk is dat ook een element wat in de opdracht voor het onderzoek ten behoeve van mogelijke excuses is meegenomen. Dus daar hebben we absoluut oog voor. Ik zal er ook zeker nog naar kijken. De heer Blom vroeg naar de visie verscherpen. Heel graag. Hij had het over schurende gesprekken. Heel graag. Ik denk dat schurende gesprekken — dus ook onbehagen en dus ook het niet met elkaar eens zijn en dus ook je misschien wel af en toe ergeren — helpen, omdat ik denk dat uiteindelijk dat bijdraagt aan wederzijds begrip. Dat kan in een prettige Kumbaya-achtige sfeer. Maar soms is daar iets anders voor nodig. Soms is daarvoor nodig dat je je door bijvoorbeeld een harde opstelling van de een realiseert wat je eigen positie is. Dus schurende gesprekken zijn essentieel, wat mij betreft. Dat onderschrijf ik zeer. Mevrouw Bakker, u had het over meldingen. Ik ben het helemaal eens. U had het ook over die nare zaak in Oost, waar we natuurlijk ook eerder met elkaar over van gedachten hebben gewisseld. Inderdaad, Alle Kleuren Oost is daar ook zeer actief in geweest. Dat is heel goed. Maar dit laat maar zien, want dit is één kwestie. We hebben meerdere kwesties gezien. Dat alertheid en het in volle breedte bereid zijn te vechten tegen uitsluiting, tegen discriminatie in elke vorm dan ook, een kwestie is van lange adem, van permanente aandacht en concrete actie. Dank u wel. De VOORZITTER: Dank u wel, meneer de wethouder. Ik kijk nog even of er behoefte is aan een tweede termijn. Dat is het geval bij mevrouw la Rose van Partij van de Arbeid. Ga uw gang. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw la Rose. Mevrouw LA ROSE: Heel kort. Ik dank de wethouder voor de toezeggingen, ook voor versnelling van bepaalde acties, want dat is nodig. En ik wil nog even benadrukken — maar dat heeft u ook al gehoord — ik heb het dus gehad over een samenleving die zich openlijk keert tegen racisme, discriminatie en uitsluiting. En het is belangrijk dat wij, als overheid, vanuit de gemeente concrete acties hierop ondernemen. En dat dat ook zichtbaar is voor die samenleving, want daar gaat het om. Dank u wel. 9 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER: Een reactie van de wethouder? Dank u wel, dan zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn. De discussie wordt gesloten. De VOORZITTER: Dan gaan we in principe door naar het volgende agendapunt. En dan wens ik de wethouder succes met het uitzetten van zijn telefoon. Dat is gelukt. Heel goed. Een moment, hoor. We gaan zo door naar het volgende agendapunt. Dat wordt agendapunt 22. Maar we gaan even kort rouleren. Dus ik schors de vergadering voor twee minuten. De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. De VOORZITTER: Ik heropen in principe de vergadering, maar ik begreep dat de heer Blom heel kort het woord wilde. De heer BLOM: Ik was vergeten de schorsing aan te vragen. Tien minuten, heel even in conclaaf. De VOORZITTER: Tien minuten? De heer BLOM: Tien minuten. De VOORZITTER: Dus dan schorsen we tot 20.20 uur. De vergadering is geschorst tot 20.20 uur. De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. De VOORZITTER: Leden van de gemeenteraad. Ik heropen de vergadering. De heer Blom had net een schorsing gevraagd, maar die is er nu niet? Of wel. Nee. Maar we kunnen gewoon verder? Ik kijk even naar GroenLinks. Oké, top. Dan zijn we in principe bij agendapunt 22. Ik zit nog even met twee huishoudelijke mededelingen. Dat betreft allereerst agendapunt 33, het instemmen met het niet indienen van een zienswijze ten aanzien van het voorstel resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 van de Omgevingsdienst Noordzee Kanaalgebied. Daar was alleen Partij voor de Dieren die het woord had gevraagd, maar u ziet, volgens mij, af van uw bijdrage. Dus dan kunnen we er zo van uitgaan — dan gaan we er nog wel zo over stemmen — dat daar zo dadelijk niemand het woord over wil voeren. Dan weet iedereen dat alvast. Dat is huishoudelijke mededelingen 1. Dan hebben we ook nog huishoudelijke mededelingen 2. Dat betreft het volgende. Voor de schorsing, voor de dinerpauze, was er door de heer Boomsma aan de voorzitter gevraagd — dat was overigens toen met een andere voorzitter dan ik — om te kijken, kan het amendement 716 bij het jaarverslag technisch gezien überhaupt wel. Dat was eigenlijk de vraag. En zou dat wel op die manier in stemming kunnen worden gebracht. We 10 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen hebben daar even heel kritisch naar gekeken. Ik zou daar eigenlijk het volgende over willen zeggen. Technisch gezien kan het. Want wat er gebeurt, is dat beslispunt 1 uit de voordracht wordt gewijzigd — dat kan met copy-paste, op de computer is dat uit te voeren. Dus daar kan de raad voor stemmen. Vervolgens, als dat wordt aangenomen, zet de voorzitter en de griffier daaronder een handtekening. En dan is er een besluit genomen door de raad. Als we alleen naar de inhoud van het amendement kijken — en ik ga me er verder niet al te veel over uitlaten, omdat ik op zich natuurlijk als voorzitter wel neutraal ben — zie ik daar wel een paar vreemde zaken in. Namelijk dat er dan in staat dat de raad besluit om een reserve terug te laten draaien. En daarna ook over het vaststellen van het jaarverslag. Er staan dan ‘het jaarverslag vast te stellen na verwerking’. Dus het is wel een tekst die dan ontstaat die, volgens mij, multi-interpretabel is. Ik kan me als voorzitter voorstellen dat de raad kan het aannemen. De raad heeft ook het recht om besluiten te nemen die misschien niet helemaal duidelijk zijn. Of het verstandig is, dat is een tweede. Maar dat laat ik wel nadrukkelijk aan de raad. Ik heb in ieder geval als voorzitter geen instrument in handen om dit amendement te weigeren. Dus het amendement — tenzij natuurlijk de indieners hem wijzigen — moet ik gewoon zo dadelijk wel in stemming brengen, hoezeer ik ook wel denk dat er dan een raar besluit uit komt. Maar goed. Die waarschuwing wil ik wel even afgeven. En ‘raar’ in technische zin, niet inhoudelijk. De heer BOOMSMA: Dank, voorzitter, voor de toelichting. Ik denk dat het toch belangrijk is om goede besluiten te nemen. En ook al kan je technisch natuurlijk de tekst zo wijzigen, het klopt niet in die zin dat je als raad een besluit neemt. Je kunt dus niet besluiten om dingen te laten doen of na verwerking van een mutatie iets vast te stellen. Je stelt hem dan vast. Dus ik denk dat het gewoon beter is om dit even gewoon netjes te doen. Dus ik wil dan de indieners van het amendement verzoeken om dat even gewoon correct aan te passen, want ik denk dat dat beter is voor een goede besluitvorming. De VOORZITTER: De indieners, daar zitten die. Die knikten ‘nee’, volgens mij. Dat is meneer Biemond. Ik stel vast dat u ‘nee’ knikt, dus dan worden- De indieners zijn er, volgens mij, niet toe bereid. Dus dan is dit gewoon het amendement. Dus dit is het amendement. En dat wordt zo in stemming gebracht. En dan moet de raad daar maar over stemmen zo dadelijk. Dus dat is dan even terugkomend op uw opmerking van voor de pauze. Het is gewoon een toegestaan amendement. Er kan over worden gestemd en daar komt dan een besluit uit. We gaan het zien. Dat was even het rondje techniek. 22. Kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering' (nr.937.19). (Gemeenteblad afd. 1, nr. 648) De VOORZITTER: Dan gaan we naar agendapunt 22, het kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies. Daarvoor zijn ook een aantal moties ingediend. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 82° Motie van het lid Kilig inzake de Factsheet basisschooladvies (overgangsregelingen van scholen en het zoveel mogelijk voorkomen om leerlingen niet te laten doorstromen) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692). 11 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Het advies van de OCO over te nemen en met scholen in gesprek te gaan om leerlingen zoveel mogelijk te laten doorstromen naar het volgende jaar conform het OCO-advies en de scholen te motiveren om de door de OCO voorgestelde maatregelen over te nemen. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 83° Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (sancties voor scholen die onderadviseren) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 693). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Sancties op te leggen aan scholen die relatief vaak onderadviseren, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken ingediende klachten over onderadvisering als waarschuwing in keuzetools voor basisscholen te zetten. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 84° Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (gesprekken met het BBO voor aanpassing kernprocedure) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 694). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: In gesprek met het BBO te gaan om deze passages aan te passen op zo'n manier dat zij recht doen aan kansengelijkheid, zodat de thuissituatie minder een rol gaat spelen in het schooladvies. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Dan kijk ik heel even naar de leden die het woord gevraagd hebben. Dat is in principe allereerst mevrouw Simons, maar zij heeft geen spreektijd meer. Mevrouw de Jager van D66, zij heeft nog wel spreektijd. En mevrouw Kilig van DENK heeft spreektijd, mevrouw De Fockert heeft nog 21 seconden spreektijd, SP, de heer Schreuders heeft nog spreektijd en de heer Mbarki heeft ook nog spreektijd. Dan zou ik daarom het woord willen geven aan mevrouw De Jager. Maar mevrouw Simons heeft een punt van orde? Ja? Wat is het punt van orde? Mevrouw SIMONS: Voorzitter, ik vraag me af hoe ik mijn moties kan indienen, terwijl ik geen spreektijd meer heb. Ik zou er kort toch wel één zin over willen zeggen, zodat mijn collega’s weten waarom het een goed idee is daar voor te stemmen. 12 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER: Ja, maar dat is ingewikkeld. Volgens mij, heeft u nu gezegd dat u ze heeft ingediend. Dus ze zijn ingediend. En de wethouder zal ze zo dadelijk van een preadvies voorzien. Dat sowieso. Dat zal ze kort en bondig doen. Dan gaan wij naar de fractie van D66, mevrouw De Jager. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Jager. Mevrouw DE JAGER: Elke leerling Krijgt vanuit school een advies over het niveau van de middelbare school en onderadvisering betekent dat de leerling de eindtoets beter maakt dan het advies van school. Het onderzoek waar we het vandaag over hebben, laat zien dat vooral bij specifieke groepen speelt dat ze veel vaker met onderadvisering te maken krijgen: leerlingen met lager opgeleide ouders. Dat is zorgelijk. De VOORZITTER: Mevrouw de wethouder vroeg mij naar een nummer. Of niet? Excuus. Sorry dat wij u dan onderbreken. Mevrouw De Jager, gaat u verder. Mevrouw DE JAGER: Ik wil wel graag iets zeggen over de motie die BIJ1 heeft ingediend, want de motie wekt de suggestie dat het puur ligt aan vooroordelen van de leraar. In de trend van ‘dat kind zal dit niveau niet aankunnen’. En wil daarom sancties voor de scholen waar onderadvisering veel voorkomt. Daar wil D66 echt weg van blijven. Ik denk dat het complexer is dan simpele vooroordelen. Hiermee doet BIJ, in mijn ogen, de leraar te kort. Het gaat om het doorgronden van de oorzaken en bewustwording. En dan niet zozeer om bewustwording hier in de raad of bij ambtenaren, maar in de school. Ik wil daarom graag een oproep doen aan de schoolbesturen van het basisonderwijs in Amsterdam. En de oproep is: laat OIS onderzoek uitvoeren bij elke school. AMOS heeft dat als schoolbestuur nu als eerste laten doen. Het wordt aangeboden vanuit de gemeente aan alle schoolbesturen. Maak daar gebruik van. Laat OIS dat onderzoek uitvoeren naar het basisschooladvies. En dan wil ik eigenlijk aan de wethouder vragen om te rapporteren aan de raad welke schoolbesturen daaraan meedoen in het kader van benoemen en roemen, naming and faming. (Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Ik hoorde D66 zeggen dat ze vindt dat mevrouw Simons de leraren te kort doet. Ik wil daarop aan D66 vragen of zij niet vindt dat de leraren te kort wordt gedaan door toe te staan dat er nu leraren les kunnen gaan geven die geen opleiding hebben. En dat er heel veel leraren wel hun bevoegdheid hebben gehaald en er nu dus ook leraren onbevoegd voor de klas komen te staan als hybride docent bijvoorbeeld} Ja, ik ga het kort houden, vanwege de spreektijd. Het is een beetje een ander punt. Maar ik begrijp dat het belangrijk is, die bevoegdheid en dat we die hoog moeten houden. Tegelijkertijd zitten we natuurlijk met een enorm lerarentekort waar we wel iets mee moeten. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Kili. Mevrouw KILIG: Deze coronacrisis heeft ervoor gezorgd dat enkele leerlingen een achterstand hebben opgelopen. Sommigen zijn zelfs uit beeld geraakt. Daarnaast is het voor docenten momenteel niet hard te maken of het aan de leerlingen ligt, dat ze een achterstand hebben opgelopen of dat het aan de alternatieve vorm van onderwijsgeven ligt; of een combinatie van beide. Wat we wel weten, is dat de Onderwijs Consumenten 13 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Organisatie, het OCO, ziet dat er mogelijkheden zijn om uitval in te perken door dit jaar anders om te gaan met de overgangsregeling. Zij stellen voor om zoveel mogelijk leerlingen te laten overgaan. Op deze manier blijven leerlingen gemotiveerd en in ieder geval in beeld om aan hun achterstand te werken. Leerlingen die al moeilijk te motiveren waren, zullen bij het blijven zitten naar alle waarschijnlijkheid het helemaal opgeven en uit beeld geraken. Daarom dienen we een motie in om met scholen in gesprek te gaan om het advies van het OCO te volgen en maatregelen om uitval tegen te gaan over te nemen. Tot zover. De VOORZITTER: Dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is mevrouw De Fockert van GroenLinks, die daar 21 seconden de tijd voor heeft. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Fockert. Mevrouw DE FOCKERT: GroenLinks sluit zich aan bij het verzoek van mevrouw De Jager. De VOORZITTER: Nou, keurig. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Schreuders. De heer SCHREUDERS: Wij delen de analyse dat onderadvisering een groot en ernstig probleem is dat serieuze aandacht verdient. Het is nog schrijnender dat uit onderzoek blijkt dat de te lage schooladviezen in een stadsdeel als Zuidoost een nog groter probleem zijn dan in andere stadsdelen. Ik denk dat het belangrijk is om te werken aan bewustzijn onder leerkrachten en dat we hen moeten trainen om hogere verwachtingen te hebben van hun leerlingen. Ik denk dat we dat moeten doen met een positieve benadering en niet met sancties. De SP blijft de wethouder aansporen dit aan te pakken. Ik wil afsluiten met de vraag hoe het zit met het onderzoek van de gemeente naar onderadvisering en de bereidheid van scholen daaraan mee te werken. De VOORZITTER: Ik kijk even naar de volgende spreker. Dat is de heer Mbarki. Hij ziet af van zijn bijdrage. Dan zou ik graag het woord willen geven aan wethouder Moorman voor een kort en krachtig preadvies op de ingediende moties en een korte reactie op de bijdragen. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Moorman. Wethouder MOORMAN: Ik snap het natuurlijk, want we zitten in het vierde dagdeel en het is dus ook belangrijk dat we nog een beetje op tijd klaar zijn. Tegelijkertijd is het jammer, want dit zijn wel echt belangrijke onderwerpen die in de stad spelen. Over- en onderadvisering doet eigenlijk geen recht aan waar het hier over gaat. Het is begrijpelijk dat een kind soms een lager advies krijgt dan de Cito-toets, bijvoorbeeld als een leraar constateert dat een kind ontzettend veel bijles heeft gehad of allerlei toetstrainingen. Het komt zelfs weleens voor dat ouders Cito-toetsen kopen op Marktplaats bijvoorbeeld. En dan is het misschien best wel voorstelbaar dat het advies van de leraar lager ligt dan de Cito-toets. Tegelijkertijd is het ook voorstelbaar dat je het so niet goed doet op een Cito-toets en dat een advies hoger is. Dus het afwijken van een 14 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Cito-toets van een basisschooladvies is eigenlijk best wel voorstelbaar. Maar wat hier zo erg is, is dat de afwijking systematisch is voor verschillende groepen kinderen. We zien dus dat in de groep ondergeadviseerde kinderen eigenlijk heel andere kinderen zitten dan in de groep overgeadviseerde kinderen. Ik denk dat dat vooral is waar we het over moeten hebben en niet zozeer over de onderadvisering an sich. Met dat oog kijk ik ook naar uw vragen en naar de verschillende moties die zijn ingediend. Ik ben in de eerste plaats ontzettend blij dat u hier zoveel aandacht voor heeft. Want ik denk dat we dit alleen maar met elkaar kunnen oplossen als we er voortdurend op focussen. En ik denk inderdaad niet zozeer met sancties, maar vooral het benoemen en ook begrijpen wat het probleem is en hoe we het met elkaar kunnen oplossen. Want dat is de enige manier om inderdaad ook die oplossing te vinden. We zouden daarbij ook nog naar andere dingen moeten kijken. Ik denk dat een van de grote problemen van de onderadvisering ook het systeem an sich is. Het feit dat we op zo jonge leeftijd kinderen al in verschillende hokjes zetten. Daar kunnen we nu, op dit moment, niet in Amsterdam zomaar iets aan doen, maar dat proberen we natuurlijk al wel een beetje in beweging te krijgen met brede brugklassen, met bijvoorbeeld de PIEK-aanpak die u ook voor een groot heeft- Dus ik hoop ook dat we het steeds in dat licht blijven bekijken. Dan, voorzitter, is er een vraag gesteld door D66, die eerder ook al door GroenLinks aan de orde is gesteld. Het spijt me dat ik destijds weinig tijd daarvoor ook had om dat te beantwoorden. Maar ik zal dat nu wat uitgebreider — als u dat goedvindt, voorzitter — doen, omdat ik daarmee wel recht doe aan de raadsleden. Dat is over het rapporteren wie er meedoet aan het onderzoek. Je ziet aan zo’n onderzoek zoals AMOS ook heeft uitgevoerd dat dat echt de start is van het veranderen. Er kwamen daar ineens dingen naar boven, waarvan ook schooldirecteuren zeiden, ik was me dat eigenlijk niet bewust. Ik was eigenlijk niet bewust dat wij kinderen geen recht deden, want we dachten juist dat we ze heel veel recht deden, want we wilden ze meer tijd geven, we wilden ze niet zo pushen. Maar dat had uiteindelijk dus een negatief effect. En pas door dat onderzoek werd dat echt duidelijk, kwam dat aan het licht. Dus ik vind het heel belangrijk dat schoolbesturen dat onderzoek ook zelf gaan doen om van te leren. Niet zozeer om te zeggen, je doet het niet goed. Maar vooral om van te leren. Ik zal schoolbesturen dan inderdaad ook heel erg aansporen, meneer Schreuders, om dat zo goed mogelijk te doen. Ik heb zelf de aansporing niet zo nodig, maar ik zal wel samen met u schoolbesturen zo goed mogelijk ertoe aansporen. En ik zie er ook momentum voor. Ik zie dat heel veel schoolbesturen nu ook zelf aangeven, we moeten het niet verstoppen, we willen er inderdaad mee aan de slag. En ik zal zo goed mogelijk dat ook aan u rapporteren. Dat doe ik natuurlijk wel in samenspraak met de schoolbesturen. Dat kan ik niet zomaar afdwingen. Maar de informatie die ik kan krijgen, zal ik natuurlijk zo goed mogelijk met u delen. Dan kom ik, voorzitter, bij de moties. Ten eerste de motie van mevrouw Kili. Dat is motie 692. Dat eigenlijk heel specifiek over dit moment. Wat doet corona nou eigenlijk met het overgaan van leerlingen. We hebben natuurlijk in de krant al van meerdere scholen gelezen dat eigenlijk leerlingen allemaal over mogen bijvoorbeeld. Of dat sommige leerlingen een opstel moeten schrijven of ze wel of niet over mogen. Allemaal mooie aanpassingen op deze tijd. Maar om nou te zeggen ‘alle leerlingen moeten per definitie over’, vind ik ook een verkeerd signaal. Dan zitten we eigenlijk met zijn allen heel erg in die modus van, kinderen moeten zo snel mogelijk door het onderwijssysteem heen. Terwijl ze — en dat weten we ook — misschien in deze tijd wel ontzettend veel achterstanden oplopen. Dus is het dan wel zo verstandig om te zeggen, je moet door. Misschien moeten we wel zeggen, we moeten alle leerlingen een jaar extra geven. Dus ik 15 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen wil het eigenlijk vooral aan de professionaliteit laten van de leraren, ook van de ouders, aan de onderwijsinstelling, om te kijken hoe ze hier zo verstandig mogelijk mee om kunnen gaan. In plaats van nu met elkaar te verordonneren dat alle leerlingen per definitie over moeten als het misschien helemaal niet goed voor ze is. Dus ik denk dat we er op die manier naar moeten kijken. Dus over motie 692 — dat zult u begrijpen, voorzitter — kan ik dan niet zomaar meteen positief zijn. (Mevrouw KILIG: Ja, uiteraard zeggen we ook niet dat alle leerlingen automatisch natuurlijk zouden moeten overgaan. Het is natuurlijk wel alleen in deze tijd dat we merken dat ze op achterstand zijn geraakt. En dat dat vanwege de motivatie en het uit beeld verdwijnen van leerlingen juist goed kan zijn om ze gewoon wel mee te nemen en daar de aandacht op te richten, zodat er pas eventueel in het volgende jaar geëvalueerd kan worden of ze die achterstand ook daadwerkelijk hebben opgelopen vanwege de coronacrisis. En dat ze in ieder geval zijn meegenomen. Is de wethouder het daar niet mee eens?) Mevrouw Kilig, daar ben ik het natuurlijk volledig mee eens. Ik ga ervanuit — en ik heb daar ook gesprekken over met de schoolbesturen, zowel in het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs — dat er echt heel goed gekeken wordt naar welke leerlingen nou achterstanden hebben opgelopen en hoe die dan ook met bijvoorbeeld extra leertijd, misschien extra kopklassen- We hebben een fantastisch zomerprogramma deze zomer. Daar zullen we nog veel meer aan moeten doen om leerlingen de kans te geven om die achterstanden weer in te lopen en juist een enorme, mooie voorsprong te Krijgen. Dus daar ben ik het van harte mee eens. Om dan te zeggen, we gaan het helemaal focussen op alleen maar het overgaan naar het volgende leerjaar, daarvan vind ik ook dat u eigenlijk de professionaliteit van de leraren en de onderwijsinstellingen, die er uiteindelijk zelf over gaan, en ook de ouders die daarbij betrokken zijn, geen recht doet. Dan motie 693 van het lid Simons. Vaak is het bij dit soort dingen, voorzitter, ook maar net hoe je ernaar kijkt. Het is best een gevoelig debat, want je komt al snel in schuldvragen. Maar zo heeft mevrouw Simons het absoluut niet opgeschreven. Want mevrouw Simons kijkt gewoon goed naar de tekst en ziet ook dat er misschien bepaalde elementen in die tekst staan die er weleens toe zouden kunnen leiden dat daar perverse effecten uit voortkomen. Ik denk dat het heel verstandig is om op die manier inderdaad naar onze tekst te kijken, juist omdat het misschien wel een gevoelig onderwerp is. Dus ik ben over motie 693 eigenlijk heel positief en ga graag daarover in gesprek met de BBO. Dan hebben we motie 694. Die kwam al even aan de orde, voorzitter. Ik vertraag een beetje, omdat ik een vinger zag. (Mevrouw DE JAGER: Ik heb een vraag dan aan de wethouder over die motie. Want het spreekt echt over sanctie en ik zou dat-) Nee, dan heb ik- Ik haal ze door elkaar. Ja. De VOORZITTER: Dus 694 is positief preadvies. Wethouder MOORMAN: Excuus. Dank u wel, mevrouw De Jager. Wat ik net zei, dat ging over motie 694. En wat ik nu ga zeggen, gaat over motie 693. Daar had u natuurlijk net ook al even een debatje met elkaar over. Ik ben het eigenlijk wel met u eens. Want ik denk — en dat is ook een beetje waar we staan in het moment van het debat — want ik begrijp ook mevrouw Simons, dat er een moment komt dat je zegt, ik ben het gewoon zat. En het blijft gebeuren en het is systematisch. En we moeten er wat aan doen. Maar we zijn, in alle eerlijkheid, als het hierover gaat wel al heel lang bezig met daarover 16 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen te spreken, maar pas net begonnen met het erkennen. Ik denk ook dat wij leraren geen recht doen om meteen te zeggen, het is systematisch, maar het is ook bewust. Ik denk dat het bewustzijn, wat nu moet komen, dat dat al een enorm verschil kan maken. En ik denk dat als we uit de fase gaan van bewustzijn naar expres, dat er dan inderdaad — mocht dat zo zijn — een moment kan komen dat je zegt, nou, dan willen we daarop sanctioneren. Maar ik denk dat we het nog echt die kans wel moeten geven. De VOORZITTER: Ja, mevrouw Simons. (Mevrouw SIMONS: Nou ja, een heel korte vraag. Want dan wil ik alleen van de wethouder weten of zij enig idee heeft wanneer een goed moment is om die conclusie te trekken. Want ik ben echt bereid deze motie terug te trekken, uit te stellen. Maar dan heb ik ook iets nodig} Wethouder MOORMAN: Ik kan dat helaas niet pinpointen in de tijd. Was het maar waar. Er zijn meerdere debatten waarvan je zou zeggen, konden wij maar zeggen, en dan is het uitgebannen, dan is ongelijkheid niet meer aan de orde, dan weten we zeker dat iedereen een gelijke kans krijgt en dat is het moment dat we dat- Dat is een zichzelf evaluerend debat wat je vooral niet moet stoppen. Ik denk dat je dat ook moet laden met kennis, met cijfers, met onderzoek, met gesprek, met evaluatie. En in die fase zitten we nu. Dat is dus ook de reden dat we nu investeren in het gesprek. Investeren in het onderzoek van de scholen. Waarom mevrouw De Jager ook heel terecht zegt, we daar transparant over zijn. En dan is het, denk ik, ook aan u en aan mij natuurlijk om op een gegeven moment een moment in de tijd te bepalen: en nu vinden wij het eigenlijk niet meer voldoende als dat niet meer genoeg werkt. Maar ik heb ook nog wel echt vertrouwen, ook als ik zie wat er speelt in de samenleving, dat als we het echt in de ogen kijken, en het ook echt met ons volle bewustzijn zien, dat dat al een enorme oplossing gaat bieden. De VOORZITTER: Mevrouw Simons is nu echt door haar spreektijd heen. Dat zeg ik nog maar een keer. Helemaal. De motie wordt ingetrokken. Dat betreft dan motie 693, mevrouw Simons? Ja? Oké. Motie 693 is ingetrokken, voordat ik een fout maak. De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 693) maakt geen deel meer uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Dan zou ik de beraadslaging willen sluiten. Ja, dat kan. De discussie wordt gesloten. De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat wordt agendapunt 23. Dan zou ik de vergadering voor twee minuutjes willen schorsen voor een kleine logistieke schorsing. De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. 17 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 23. Kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 664) De VOORZITTER: Wij gaan weer heropenen. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is agendapunt 23, kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. Daarvoor zijn ingediend een drietal moties. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 85° Motie van het lid Van Renssen inzake de Strategie Klimaatadaptie (maatregelen eigen terrein) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 696). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: - Voor de uitvoeringsagenda te onderzoeken welke concrete maatregelen kunnen worden opgenomen voor het klimaatadaptief inrichten van 50% van het grondgebied van de stad dat in eigendom is van derden; - Daarbij de voorbeelden opgenomen in bovengenoemde Handreiking te betrekken; - Na te gaan in hoeverre deze maatregelen kunnen worden opgenomen in lokale regelgeving (zoals bestemmingsplan, verordening en/of omgevingsplan). De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 86° Motie van het lid Van Renssen inzake Strategie Klimaatadaptatie (onderzoek naar norm waterberging) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 697). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: - Te onderzoeken of in bepaalde gebieden van de stad de norm ten aangezien van het waterbergend vermogen hoger kan en moet worden gesteld dan 60 liter per m? bebouwd oppervlakte; -__Na afronding van het onderzoek zo nodig nadere eisen te stellen op grond van de Hemelwaterverordening. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 87° Motie van het lid Naoum Néhmé inzake concept Regionale Energiestrategie Noord- Holland Zuid (Geen windmolens bij de Gaasperplas en landelijk Noord) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 726). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: - Zoekgebied 5 (Gaasperplas / Driemond) en het alternatieve zoekgebied A in landelijk Noord te schrappen uit de RES als mogelijke locaties voor windenergie; 18 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen - Door te zoeken naar alternatieve locaties, zoals bij de A2 of de haven en naar alternatieve technologieën, zoals zon op water. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd mevrouw Van Renssen, mevrouw Bakker en mevrouw De Jager. Mevrouw Van Renssen heeft daarvoor nog 18 seconden de tijd en die krijgt ze nu ook. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Renssen. Mevrouw VAN RENSSEN: Het wordt steeds heter, het wordt ook steeds natter. Februari was de natste maand en mei was hartstikke droog, dat we een droogteplan hebben. Klimaatadaptatie is heel belangrijk. Het tegengaan van verharding is belangrijk. En daarom stelt GroenLinks voor om nu concrete maatregelen te nemen. Daarom hebben we twee moties ingediend. De VOORZITTER: Net niet gered. Twee seconden net niet. Net niet. Maar u heeft wel heel goed uw best gedaan. Daarvoor absoluut mijn complimenten. Ik ga heel even kijken naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Bakker van Partij voor de Dieren en zij heeft hierbij het woord. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker. Mevrouw A.L. BAKKER: Wij steunen de lijn van deze strategie. We hebben in de commissievergadering ook toezeggingen gekregen over het vervolgtraject. Namelijk, hierin aandacht houden voor de problemen van dieren. En dat er wordt meegenomen, we moeten anticiperen op de steeds hevigere storm. We willen nog wel benadrukken dat de urgentie van dit beleid stukken minder zou zijn als we eerder hadden ingegrepen en we het op de aarde niet tot zo’n uitputting hadden laten komen. Dit beleid is als allemaal kleine pleisters op grote wonden. Het moet gepaard gaan met meer groen en betere bescherming van het groen. Dat kan niet zonder geld, maar ik heb nog geen geld gezien, zowel hiervoor niet als voor de Groenvisie niet. Na de zomer spreken we ook over de evaluatie van de Bomenverordening. Ik nodig hierbij alle partijen uit om met mij aan voorstellen te werken. Uiteindelijk is een goed groenbeleid een onderdeel van klimaatadaptie. Dank u wel. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Jager. Mevrouw DE JAGER: Ik doe dit ook heel kort. Mijn complimenten aan de wethouder voor dit stuk. En aan de ambtenaren die vooral ook- Ik zie dat de gemeente de samenwerking zoekt, zoals binnen het netwerk Amsterdam Rainproof. En inderdaad, meer groen — daar gaan we het straks ook nog over hebben — dat is een van de belangrijke oplossingen in dit kader. Ik dien mede de motie in van GroenLinks over de Hemelwaterverordening. De VOORZITTER: Dan ga ik het woord geven aan wethouder Ivens voor de preadvisering van de moties en misschien nog een aantal vragen, die- Nou, volgens mij, 19 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen waren er helemaal niet zoveel vragen gesteld. Maar voor zijn termijn. U heeft het woord. Mevrouw Van Renssen. Mevrouw VAN RENSSEN: De motie van de VVD heb ik nog niet kunnen zien. Is die-? De VOORZITTER: Ik begreep net dat die er wel in zou moeten staan. Dan moet u eens even verversen. Bij de griffier staat hij erin. De motie zou u bekend voor kunnen komen, want hij was al ingediend bij een ander agendapunt, maar daar was de woordvoerder toen niet. Dus die is ingetrokken. Goed, het woord is aan de wethouder. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens. Wethouder IENS: Dank u wel voor die laatste motie van de VVD. Ga ik zo even naar de tribune kijken wat ook alweer ons preadvies was. Dus ik hoop dat mevrouw Van Doorninck me dat straks influistert, heb ik even aangegeven. De andere twee moties, daar kan ik wel wat over zeggen. Dat zijn moties 696 van lid Van Renssen. Die motie is eigenlijk niet helemaal in lijn met hoe we het nu hebben voorgesteld. We hebben nu echt voorgesteld, klimaat bestendigen beleid. We willen eerst bewustwording stimuleren, faciliteren en eventueel als laatste pas voorschrijven. En u vraagt eigenlijk al, onderzoek ook die laatste stap; verken welke mogelijkheden er ook zijn om voor te schrijven. Dus het past niet echt in de lijn die we hebben bij het voorstel klimaatadaptatie wat we hebben. Maar laat ik er eerlijk in zijn: u vraagt iets in kaart te brengen en hoe dat kan en dat in het vervolgtraject erbij te betrekken. U zegt nog niet, je moet het ook gelijk doen. We gaan natuurlijk eerst kijken, hoever komen we ook met die andere manieren. Ik wil het oordeel gewoon aan de raad laten. Ik kan de motie prima uitvoeren, maar ik laat het oordeel aan u of u hem wel of niet wil aannemen. 697, daartegen ga ik gewoon onomwonden zeggen, ik zou u adviseren om hem aan te nemen. Want het is een goede motie, 697, omdat we namelijk de norm voor waterberging- Het is goed dat we een norm hebben. Ik wil overigens niet bij klimaatadaptatie eindeloos in normendiscussies blijven hangen, ik wil vooral in maatregelendiscussies uiteindelijk komen. Maar in het kader van dat plan neerzetten, is het goed dat we bij die norm ook even goed kijken hoe dat zich verhoudt in de verschillende gebieden. Dan kijk ik nog even over motie — helpt u me nog even, voorzitter. De VOORZITTER: 726. Volgens mij, wilt u de aandacht vragen van mevrouw Van Doorninck. Of niet? Wethouder IVENS: Mevrouw Van Doorninek schudt nee, maar dat is meer dat ze de motie niet heeft. De VOORZITTER: Maar meer dat ze hem niet heeft. Zullen we anders heel even kijken- Exact. Een seconde schorsen. Of een minuutje, zodat mevrouw Van Doorninck het even kan bekijken. De vergadering is voor één minuut geschorst. De VOORZITTER schorst de vergadering. 20 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER heropent de vergadering. De VOORZITTER: De schorsing is voorbij. Excuses, het is ook het vierde dagdeel. Dat geldt ook voor de voorzitter. Ik heropen de vergadering. Ik zou het graag het woord willen geven aan wethouder Ivens. Meneer Ivens, ga uw gang. Wethouder IVENS: Motie 726 is net besproken bij de RES en daar ook toegelicht door de wethouder. Het preadvies is negatief. De VOORZITTER: Dat is duidelijk. Dank u wel. De discussie wordt gesloten. 24. Kennisnemen van de raadsbrief over programma bomen. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 665) De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt, ook met de heer Ivens. Dat is agendapunt 24. Is er behoefte aan een kleine logistieke schorsing? Het zijn dezelfde woordvoerders, denk ik, h@? Dan gaan we gewoon direct door. Agendapunt 24, De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 88° Motie van de leden Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer inzake de raadsbrief over het programma bomen (herplant bij het omvormen tot ecologische houtopstand) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: In kaart te brengen hoe herplant van levende bomen na vorming van ecologische houtsopstanden eerder dan pas na het vergaan daarvan kan plaatsvinden. De verschillende mogelijkheden daartoe, inclusief de daarmee gepaard gaande kosten per boom en houtopstand voor de behandeling van de begroting 2021 aan de Raad te presenteren. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd mevrouw De Jager, mevrouw Van Pijpen, die eigenlijk daar niet meer- Mevrouw VAN PIJPEN: Het was mijn motie ook trouwens, hoor, samen met- De VOORZITTER: U heeft het samen ingediend. O, c.s. Goed dat u dat zegt. Dat c.s. moet ik ook goed uitspreken. Partij voor de Dieren, mevrouw Bakker heeft ook het woord gevraagd. Dan zou ik eigenlijk het woord willen geven aan mevrouw De Jager op dit moment. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Jager. 21 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen Mevrouw DE JAGER: Bomen maken de stad mooier, zijn goed voor de luchtkwaliteit, regenbestendigheid, biodiversiteit. Dat is allemaal bekend. Daarom willen we graag meer bomen. En tegelijkertijd zijn we stad en geen bos. Dus we zoeken een balans naar het best haalbare. De basisafspraak is dat we het aantal bomen niet verder laten afnemen. In de verordening is vastgesteld dat voor elke boom die gekapt wordt er een nieuwe wordt geplant. Maar zelfs die basisregel is de afgelopen jaren niet nageleefd door de gemeente en dat vind ik onbehoorlijk bestuur. Er is een enorme achterstand met herplanten. De gemeente is de stad duizenden bomen schuldig. En dat moet rechtgezet worden. In de commissievergadering ben ik ervan overtuigd geraakt dat de wethouder er precies zo in zit. Zijn doel is om het komende plantseizoen een eerste inhaalslag te maken. Dat steun ik. Ik wil de wethouder graag vragen om te rapporteren aan de raad aan de start van het plantseizoen — dus dit najaar — over hoeveel bomen er klaar staan om de grond in te gaan. Want ik vind het namelijk te laat om pas volgend jaar een rapportage te krijgen. Want als het dan onverhoopt toch weer tegenvalt, lopen we achter de feiten aan. De VOORZITTER: Mevrouw De Jager, ik moet mevrouw Van Pijpen eigenlijk mijn excuses aanbieden, zie ik, want er staat hier weliswaar dat mevrouw Bakker de één initiatiefnemer is, maar dat is helemaal niet waar. Dat bent u. Dat is een fout van mij, maar dat is een vervelende fout. Dat is niet goed. Dus motie 705 is ingediend door mevrouw Van Pijpen en anderen. En u bent de eerste indiener, voor alle duidelijkheid daarover. Ik moet wel heel eerlijk zeggen, dat u eigenlijk geen spreektijd meer heeft. En ik ben ook streng voor anderen, dus helaas kan ik u niet het woord geven. Maar ik heb u natuurlijk wel net een beetje onrecht aangedaan door uw naam niet als eerste te noemen. Dus ik geef u toch tien, twintig seconden om het even kort toe te lichten. Ik zie dat de heer Flentge nog een nabrander heeft qua interruptie op mevrouw De Jager. Ga uw gang, meneer Flentge. (De heer FLENTGE: Volgens mij, gaat het om een bedrag van € 3.000 per boom. En het gaat om 250 per jaar. Zit er ook een dekking bij de motie?) Mevrouw DE JAGER: Ik denk dat u mij een vraag stelt over de motie die straks ingediend gaat worden over de ecologische houtopstand”? De VOORZITTER: Goed, de verwarring is compleet. Er wordt heel strak voorgezeten, maar niet heus. Even kijken. Ik ga hem even herpakken. Mevrouw Van Pijpen, u heeft uw respijtseconden. Ga uw gang. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Pijpen. Mevrouw VAN PIJPEN: Wij hebben een motie ingediend om na te gaan, om te onderzoeken wat er mogelijk is om de ecologische houtopstand al sneller ook te vervangen weer door bomen. Of niet te vervangen, maar ook weer herplant van bomen, daarop toe te zetten. Ecologische houtopstand, zeer belangrijk voor de biodiversiteit. Zijn we ook erg groot voorstander van. Maar een levende boom voegt toch ook nog een aantal waarden toe als het gaat over luchtkwaliteit en over klimaatadaptatie, waar we het net over hadden. Dus we hebben vooral een motie ingediend. 22 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen En dan ga ik maar meteen op de vraag in. Die vraagt om een overzicht van wat er mogelijk is en ook wat er aan kosten mee gepaard gaat om dat mogelijk te maken en dat aan te leveren door de wethouder voor de begroting 2021. De VOORZITTER: Geen behoefte aan een interruptie? Dan kijken we naar mevrouw Bakker die ook nog het woord had gevraagd. Ga uw gang, mevrouw Bakker. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker. Mevrouw AL. BAKKER: Ja, het gaat bepaald niet goed met het vervangingsprogramma van bomen in de stad. Er is een enorme achterstand als het gaat om de herplant. Volgens de laatste informatie moeten er de komende vier jaar jaarlijks dik 2000 bomen de grond in. Maar vorig jaar waren dit er slechts 215. Terwijl de bomen van groot belang zijn voor de leefbaarheid van Amsterdam, voor de biodiversiteit en voor de klimaatadaptatie. We hebben in de commissievergadering een humeurige wethouder gezien, die ook toegaf al behoorlijk chagrijnig te zijn geweest bij de aanvang van het programma, omdat de organisatie niet op orde was. Dat komt op mij hopeloos over. Voorzitter, ik wil twee punten maken. Het eerste is dat het de wethouder niet is gelukt om mij gerust te stellen dat het gaat lukken om alles op orde te brengen. Hij gaf zelf namelijk aan dat hij het nog maar moet zien dat het lukt. Ik kan daar geen genoegen mee nemen. Die bomen moeten gewoon de grond in. Dat is volgens onze eigen Bomenverordening zo. Dus ik wil van de wethouder horen dat hij de juiste maatregelen treft, zodat we gauw weer op schema liggen. Dan mijn tweede, en meteen ook laatste punt, over de zogenaamde ecologische houtopstanden. Vorig jaar zijn er binnen dit programma onveilige bomen op de kaplijst gezet die in bijvoorbeeld parken staan en die prima kunnen blijven staan als ze — om maar zo te zeggen — onthoofd worden. Dan blijft er dus een dode stronk staan, die veilig is. En dood hout is weer waardevol voor de ecologie, insecten, vogels, planten. En de raad nam hierover een motie van mij aan. En nu heeft de wethouder al tweehonderd van zulke bomen onthoofd — om maar even simpel uit te leggen — en als ecologische houtopstand een bijzondere beschermde status gegeven in het gemeentelijk bomensysteem. Dat zullen er vijfhonderd worden. Daar ben ik heel blij om. Ik wil hem daarom ook echt complimenten geven. Maar de wethouder compenseert hierbij niet met een levende boom. Vandaar ook de motie. Heel fijn, dank aan de collega’s van GroenLinks, D66 en Partij van de Arbeid. Terwijl dit wel begroot was, want in de cijfers van het vervangingsprogramma zaten deze bomen wel begroot in de Voorjaarsnota. Dus we hebben het geld klaarliggen. En nu onttrekken we dus een levende boom aan ons bomenbestand. In de brief staat dat er pas bij het geheel vergaan van de stronk herplant plaats zal vinden. Maar dit zal zo'n dertig jaar duren. Net als de vorige sprekers vind ik dus dat er eerder gecompenseerd moet worden en vandaar deze motie. Ik ben heel benieuwd hoe de wethouder hiernaar kijkt. De VOORZITTER: Met de motie, doelt u op dezelfde motie die u samen hebt ingediend met mevrouw Van Pijpen. Perfect. Motie 705. Dan zou ik het woord willen geven aan de wethouder om in ieder geval de motie te preadviseren. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens. 23 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen Wethouder IVENS: Nou weet ik niet zo goed hoe ik dat moet doen, want ik schijn weleens humeurig over te komen. En dat maakt kennelijk een hopeloze indruk. Laten we het er maar over hebben dat de commissie dan in de ochtend is en dan kom ik misschien wat humeuriger over, ik weet het niet. Het is helemaal niet dat ik helemaal humeurig van ben. Het is veel meer dat het me wel ergens… Er zit natuurlijk een irritatie. En als je ziet wat voor… U noemde de getallen, wat er vorig jaar geplant is. Ja, dan slik je wel even. Dan denk je, ja, dat hadden we toch echt anders willen zien. En dan kun je allerlei redenen voor hebben. Daar hebben we het in de commissie al over gehad waar dat vandaan komt, en dergelijke. Maar dat maakt mij niet hopeloos. Het maakt me hopelijk ook niet humeurig. Maar wel enigszins gedreven. Ik bedoel, ik heb wel echt flink wat gesprekken intern gehad van, jongens, wat gaan we nu doen? En er is nu echt een organisatie opgetuigd, die aangeven, we gaan het doen. Ja, moet ik het nog zien? Ja, natuurlijk zeg ik dat. Wat denkt u zelf? Ik bedoel, ik wil het eerst zien. Ik zie een organisatie. Ik zie het op papier goed geregeld staan. Maar ja, ik wil het niet op papier goed geregeld zien, ik wil het in de stad goed geregeld zien. Dus mevrouw De Jager, ja, ik ben bereid om voor het plantseizoen nog even aan te geven: waar staan we? Hebbe we dan nog dat gevoel wat we nu op papier zetten, denken we ook dat we dat in die praktijk gaan brengen. En aan het eind van het plantseizoen is het pas echt spannend, want dan weten we wat we ook echt gerealiseerd hebben. Dus ik ben het zowel met mevrouw De Jager als met mevrouw Bakker eigenlijk wel eens. Alleen ik hoop niet dat het overkomt als zijnde, we willen het niet, maar ik zie het helemaal niet meer zitten, ik zit met de handen in het haar. Ik wil juist aan de slag gaan om het op orde te brengen. Dan kom ik toch bij de motie. Want waar mevrouw De Jager zegt, ja, u wil de dingen op orde hebben — en daar zitten we hetzelfde in; daar zit ik zeker zo in — maar dat verandert wel als we wensen toe gaan voegen. Ik ben altijd voor extra wensen. Extra groene wensen lijkt een wethouder Groen overwegend positief. Dus ik ben altijd voor extra wensen. En hier wordt dus gevraagd om extra wensen in kaart te brengen. Maar dan zeg ik van, laten we dan ook eerlijk zijn. Mevrouw Bakker zegt terecht, ja, maar dat budget zou er eigenlijk zijn om al die bomen te vervangen. Ja, maar dat blijkt dus in de rekensom, die hele organisatie opgetuigd hebbende, dat ik helemaal geen budget heb om nog even 250 bomen extra erbij te gaan planten. Dan heb ik het nog niet eens over de ruimte. Dus ruimte en budget om dat te gaan doen, ontbreekt. En dan vraagt u mij om het in kaart te brengen. Nou, daar kan ik relatief kort over zijn: ik denk dat wij globaal voor de helft van de bomen plek kunnen vinden. Globaal. De andere helft zal vermoedelijk via een herplantfonds; moeten we betalen. En op die manier hopen dat er uiteindelijk een plek gevonden wordt. Maar als we dit gaan doen, wat hier beschreven wordt, dus dat we én de ecologische houtopstand- Nee, als we de bomen, de ecologische houtopstanden, weghalen en daar bomen neerzetten, dan hebben we globaal 700.000 euro elk jaar erbij nodig. 700.000 euro erbij. Dan kan ik het gewoon uitvoeren. Dus dan weet u wat er is. Willen we de ecologische houtopstand ook nog laten staan, dan heb ik dus ook nog extra ruimte nodig, die we zullen zoeken. En praten we ook nog dat er zo’n kleine 10.000 euro per jaar extra nodig is voor het beheren van extra bomen. Dus houtopstand en bomen. Dus dat is het cijfermatige overzichtje wat erachter zit. Met deze uitleg is eigenlijk de rest van de motie eigenlijk overbodig geworden. U weet waar het om gaat. En dan zou ik zeggen, laten we die 700.000 euro op tafel leggen. Dan gaan we aan de slag. Of laten we het nu niet boven de markt laten zweven, want dat vind ik vervelend, want ik ben hier bezig om hier dingen op orde te brengen. En dan weer iets nieuws boven de markt laten zweven zonder dat er ook maar zicht is op dat het ook gerealiseerd gaat worden, daarvan 24 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen moet ik eerlijk zeggen, daar bedank ik wel voor. Dat past niet helemaal in de lijn, zoals ik voorsta, dat we het nu eerst even goed op orde brengen. Dus 705 is op dit moment overbodig geworden. Dus ontraad ik deze motie. De VOORZITTER: Tenzij die 700.000 euro nu op tafel wordt gelegd, schat ik zo in. Wethouder IVENS: Moeten we even een rondje doen misschien. De VOORZITTER: Een inzamelingsactie houden. Goed. Mevrouw Bakker had een interruptie, volgens mij. (Mevrouw A.L. BAKKER: Ja, want de wethouder verloor mij op het moment dat hij onze motie bestempelde als extra wens. Want die 250 bomen die nu als houtopstand zijn gerealiseerd, waren al in de Voorjaarsnota opgenomen in de cijfers voor herplant. Dus dat budget, daar zaten de bomen al in. Dus kan hij daarop ingaan? Ik begrijp dat niet.) Wethouder VENS: Dat dacht ik aanvankelijk ook in de budgetten, dat dit gewoon kon uit de budgetten. Maar ik zie nu in deze organisatie, die opgetuigd is, dat het onder andere dicht geregeld is door die 250 bomen in houtopstand te doen. En ik zeg er even bij, ik denk dat het voor de parken, de bossen en de plekken waar het is, buitengewoon goed is. Want die houtopstanden creëren echt een diversiteit wat uiteindelijk voor ecologische waarden echt gigantisch stimuleert. Dus wat dat betreft ben ik daar positief over. Maar inderdaad, in die aanvankelijke rekensommen leek het dat wij die 700.000 euro niet hoefden te hebben. Want aanvankelijk dacht ik ook dat we hele programma konden financieren hiermee. Maar nu het goed doorgerekend is, nu de organisatie klaar staat, zijn dit de cijfers en weet u dus precies waar u aan toe bent. (Mevrouw AL. BAKKER: Begrijp ik dan goed dat als we deze niet ingeslagen waren, dat de wethouder er nog een probleem bij had gehad?) Even, dan had ik of deze weg alsnog in kunnen slaan. Ik bedoel, dat was een optie. Of we hadden nog steeds een financieel gat. Of ik had de achterstand in meer jaren ingelopen. U ziet dat ik nu de achterstand in een relatief korte periode in wil lopen. Er zijn allerlei varianten waar je mee kan puzzelen op dat moment. Maar ik denk dat hier voor de variant gekozen is, voor het snelste de situatie op orde en voor de mooiste ecologische waarde door én levende bomen én houtopstanden — dus een mooie ecologische meerwaarde — maar niet meer een levende boom met elkaar te combineren. De VOORZITTER: Ik kijk nog even rond of er behoefte is aan een tweede termijn. Een korte tweede termijn? Ja. Mevrouw Bakker, ga uw gang. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker. Mevrouw A.L. BAKKER: Even om samen te vatten. Voor mij is het duidelijk, deze motie ook. We komen geld te kort. De wethouder was voor een nog groter probleem komen te staan als we deze weg niet in waren geslagen. Maar ik zie hier allemaal coalitiepartijen die welwillend zijn en zeggen dat ze groen heel belangrijk vinden. Meer 25 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen bomen in de stad. Dus ik neem aan dat we eruit gaan komen. En dat we bij de volgende begroting echt veel meer geld voor groen kunnen uittrekken met elkaar. Dank u wel. De VOORZITTER: Wil de wethouder hier nog op reageren? Wethouder IVENS: Ja, dat past ons altijd. De wethouder Financiën zit nog in de zaal, dus ik moet alleen maar zeggen, daar wil ik niet op vooruit lopen. De VOORZITTER: Dan gaan we dit agendapunt afronden. De discussie wordt gesloten. De VOORZITTER: En gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat wordt agendapunt 25. Dat betreft het kennisnemen van de Woonbrief en de Factsheet woningmarkt. Is er behoefte aan een logistieke wijziging? Ja, oké, dan gaan we even kort schorsen. Ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken totdat… De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. 25. Kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 654) De VOORZITTER: Zit iedereen? Dan zou ik eigenlijk ook nu wel direct door willen gaan. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is agendapunt 25, kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 89° Motie van de leden Ceder en Boomsma inzake de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt (verkoop sociale huurwoningen aan bewoners zelf) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 704). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: - Corporaties te verzoeken om de woningen waarvan overwogen wordt om ze te verkopen allereerst aan de zittende bewoners ter koop aan te bieden; - _ Daarbij te onderzoeken of er een mogelijk doorverkoopverbod bijgevoegd kan worden. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd de heer Mbarki van de Partij van de Arbeid, de heer Ceder van de ChristenUnie — maar hij heeft geen spreektijd meer. Even kijken, mevrouw Simons, BIJ1. Zij heeft ook geen spreektijd meer. En de heer Hammelburg heeft nog wel spreektijd. Ik zou eigenlijk het woord willen geven aan de heer Mbarki van Partij van de Arbeid. 26 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen De heer FLENTGE: Voorzitter, mag ik mij nog toevoegen aan de sprekerslijst’? De VOORZITTER: Dat mag zeker, want u heeft nog spreektijd. Dan voeg ik de heer Flentge nog toe. Dan heeft de heer Mbarki in principe het woord. U staat echt als eerste erop, meneer Mbarki. Tenzij u ervan af ziet, hoor, dat mag ook. Mag ik wat stilte in de zaal? Dan krijgt de heer Mbarki het woord. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Mbarki. De heer MBARKI: Ik ga het heel kort houden. Ik heb namelijk een vraag. De vraag staat voor een groot deel ook in het licht van corona. Dus ik ben benieuwd hoe de wethouder kijkt naar de prestatieafspraken in deze huidige context waarin een huurverhoging van gemiddeld 3,1% is afgesproken. Ik ben benieuwd of de wethouder ook nadenkt over ideeën om bijvoorbeeld te kijken hoe we de huurverhogingen in verband met coronacrisis bijvoorbeeld uit kunnen stellen tot 1 oktober. Op dit moment vindt er in Amsterdam een bizarre ontwikkeling plaats die ogenschijnlijk ook lijkt op onrechtvaardigheid, omdat namelijk de huren van goedkope woningen sneller lijken te stijgen dan die van de duurdere. Dus ik ben benieuwd of we hier iets in kunnen betekenen. Dit was het, voorzitter. Dank u wel. De VOORZITTER: Dan geef ik het woord aan de volgende spreker, dat is de heer Hammelburg. U ziet af van uw bijdrage? Oké. De heer Flentge. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flentge. De heer FLENTGE: Er valt heel veel te zeggen over dit agendapunt, maar ik beperkt ook maar gewoon tot één onderdeel. Concrete vraag aan de wethouder. Het gaat me om de starters op de woonmarkt. Er was een noodknop aangekondigd, ooit, door het kabinet. Die is eigenlijk nooit gekomen. Tenminste, er is voorgesteld om 2,5% boven inflatie mocht er- Dat was alles bij elkaar een fikse huurverhoging van ongeveer 5%. Dat is wat het kabinet op dit moment biedt. Dat is heel weinig. Ik zou de wethouder willen vragen om toch nog — ik ben niet zo voor het op pad sturen van lobby’s, dus ik ga het geen lobby noemen — maar wel een poging te wagen om vooral de starters toch nog in Den Haag — misschien nog wel bij de Kamer, misschien is dat nog wel een interessante — en ook bij de minister daar navraag naar te doen. Want de starters zijn op dit moment eigenlijk degenen die op geen enkele manier een mogelijkheid krijgen om nog een beetje met een betaalbare huur binnen te komen. Dus ik kom nu even speciaal op voor deze groep, de starters op de woonmarkt. Ik wou de wethouder vragen om daar aandacht op te vestigen in zijn gesprekken met de Kamer en de minister. De VOORZITTER: Dan geef ik het woord aan wethouder Ivens voor een preadvies op motie 704 en de beantwoording van de gestelde vragen. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens. 27 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Wethouder IVENS: Drie totaal verschillende onderwerpen waar ik op mag reageren. Als eerste de motie, motie 704. Niet verder toegelicht hier, maar in de commissie uitgebreid besproken. Waarbij de vraag vanuit de ChristenUnie met name was van, is het niet beter als een zittende huurder de woning koopt. En dan met name ook in gebieden waarbij de woningen in de verkoop kunnen, oftewel, waar veel relatief veel sociale huur staat. Nou hebben we met het corporaat al afspraken gemaakt over hoeveel woningen- Dat in ieder geval de sociale woningvoorraad moet toenemen. Ze mogen wel wat verkopen, maar de sociale voorraad in totaal moet toenemen. En bij die verkopen afgesproken dat ze dat wat verspreid over de stad doen. Dus juist in gebieden waar relatief veel sociaal staat, laat daar dan- Liever hadden we geen verkopen, maar als het nodig is, laat ze dan daar landen. Dus dat was al bediend. Maar nu was de vraag ook nog van ja, aan wie moet je dan de woning verkopen. Het voorstel van uw collega, de heer Van der Heuvel in de commissie was, vraag het eerst aan de zittende bewoners. Op zich vind ik dat een prima suggestie om eerst de zittende huurder te vragen van, wilt u die woning hebben? Het gaat dus om de woningen die al in die verkoop komen. Dus ik ga geen woningen toevoegen aan de verkoop. En dan voor die woning ga ik eerst kijken, wil een zittende huurder hem kopen. Dat heeft de minste verstoringen voor wijken, voor buurten, noem maar op. Het is alleen maar die huurder, die heeft als eerste- En er is er eentje afgevinkt van de verkooplijst. Dus daar heb ik op zich geen grote bezwaren tegen. Een aantal corporaties werkt ook al wel op deze manier, zeg ik ook bij. Dus het kan op zich dat ik de corporaties daartoe oproep. Ik wil u wel een beetje voor effecten waarschuwen. De sociale huurder heeft een huur onder de € 720, anders is het niet meer sociale huur. De gemiddelde marktwaarde van de woning is hoog. De afslag die bij verkoop gehanteerd mag worden, is klein. Dus ik denk niet dat het tot een storm loopt van transacties en dat we daarmee de hele verkoop op deze manier kunnen doen. Maar ja, ik kan deze motie gewoon uitvoeren. (De heer HAMMELBURG: Ik kan de wethouder ook wel volgen in dit preadvies. Een inhoudelijke vraag nog hierover. Want ik begreep ook — dat was mijn veronderstelling ook — dat de meeste corporaties — al dan niet alle corporaties — in Amsterdam ook de regel hebben dat als ze dan die woning, die ze mogen verkopen in de verkoop zetten, eerst voor de vraagprijs moeten aanbieden aan sociale huurders van hun club. Is dat een correcte aanname? Of is dat alleen bijvoorbeeld de Alliantie die dat doet?) Ik weet niet zeker of ze dat allemaal doen. U stelt het nu ook op een andere manier dan wat deze motie deze motie, volgens mij, zei. In deze motie staat ‘de zittende huurder echt eerst te bedienen’. Dat doen ook al een aantal corporaties, zeg ik. Als ze dus bekendmaken, dit ga ik toevoegen aan de verkooplijst. Dat gebeurt niet zoveel meer, want de verkoopcijfers zijn behoorlijk groot in de afgelopen jaren geworden. En ze zijn meer juist blokken uit die verkoopvijver op dit moment aan het halen, dan aan het toevoegen. Maar mochten ze er iets aan toevoegen, dan voegen ze dat dan toe. Die redenatie die u heeft, dat ze in eerste instantie aan sociale huurders aanbieden, dat gebeurt zowel bij een aantal corporaties voor het middensegment. Dat zijn een aantal corporaties. Noem Eigen Haard, die is daar ook mee bezig met het middensegment huurwoningen. Als een aantal corporaties dat doet bij koopwoningen. Op zich is dat natuurlijk een heel charmant idee, want daarmee zorg je dat er ook weer een sociale verhuring bij komt. Dus dat zijn precies de dingen hoe je, als je toch verkopen hebt, op een slimme manier een maximaal effect kan bereiken. 28 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen (De heer FLENTGE: Ja, die zoekt nog even zijn weg bij deze motie. Dat komt, omdat ik wel snap dat dat positief is, dat snap ik wel. Tegelijkertijd zou ik toch ook aan de wethouder willen vragen, is het eerste wat we moeten doen en moeten willen niet het niet verkopen van woningen, van sociale huurwoningen?) Misschien had ik die randvoorwaarde nog een paar keer eerder moeten zeggen. Het liefste willen we niet verkopen, we willen een groei van de sociale woningvoorraad. Die hebben we afgesproken. Maar binnen dat gegeven zal er dus — en dat hebben we echt wel te accepteren — af en toe een woning verkocht worden, is onze inschatting. Binnen dat gegeven is deze motie uit te voeren. Maar nee, als u zegt, lees ik deze motie als een aansporing om meer te gaan verkopen? Nee, zeker niet, want dan had ik er ook geen positief preadvies op gegeven. (De heer FLENTGE: Ik vraag het ook eventjes, want die voorwaarde is natuurlijk wel essentieel. Ik weet wel hoe we erin staan hier inmiddels, want we zoeken natuurlijk naar manieren om zoveel mogelijk sociale huurwoningen toe te voegen en zo min mogelijk te verkopen. Maar ik denk dat de heer Ceder wellicht straks op zijn website en op zijn twitter misschien iets anders gaat verkopen. Daarom vraag ik er ook even specifiek naar, want ik denk dat meneer Ceder eigenlijk op zoek is naar een soort right toen buy, een soort tertiaans-achtige principes. Daar ben ik bang voor. En dat is natuurlijk gewoon alle ramen en alle deuren openzetten naar kapitalisme. En dan zullen alleen mevrouw Naoum Néhmé, misschien nog een andere fractie — Forum waarschijnlijk — misschien nog wel blij zijn. Dus daar vraag ik even expliciet naar.) De VOORZITTER: Graag stilte. Rust in de zaal. Wethouder IVENS: Het begin van de raad en het eind is wel helemaal omgedraaid. Nu word ik gevraagd om te oordelen over een raadslid. Dat vind ik wel heel bijzonder. Laat ik het zo zeggen, de heer Ceder is, net als u, mijn baas, opdrachtgever. En ik acht hem natuurlijk zeer hoog. Dus dat komt vast goed. (De heer FLENTGE: Maar daarmee concludeer ik — even alle gekheid op een stokje, het is een belangrijk onderwerp — dat er op geen enkele manier als u een positief preadvies geeft, suggereert of wil dat de verkoop van sociale huurwoningen stimuleren. Dit is alleen maar in het geval dat als er toch verkocht wordt door die vermaledijde verhuurheffing, die ik nooit mag noemen van de VVD — bij deze alsnog — dat dit aan de zittende huurder wordt aangeboden.) Ik heb net aangegeven dat ik in deze motie niet lees dat er meer verkocht moet worden. Ik zal hem in ieder geval ook niet op die manier uitvoeren, dat er meer verkocht wordt. Dus dan weet u dat vast. Als deze aangenomen wordt, in de uitvoering zal ik hem niet als een aansporing zien om meer te verkopen. Dan ben ik aangekomen bij twee vragen die me gesteld zijn. Een is over de huurverhoging van 3,1% gemiddeld, 2,6% inflatie plus 0,5% boven de inflatie die in Amsterdam is afgesproken. U weet het, Aedes, de woonbond, had afgesproken, er mag 1% boven inflatie in ons gebied. We hebben daar 0,5% van gemaakt. Ja, dat was nog voor corona. Nu denk je, dat halve procent is ook nog wel heftig. Daar ben ik het op zich helemaal mee eens. Ik heb in eerdere brieven ook al aangegeven hoe relatief makkelijk ook die halve procent eraf te halen is. lets korting op de verhuur. Dan moet ik er alles aan 29 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen doen aan de prestatieafspraken die we hadden. Dan hoeven we die huurverhoging niet bij te doen. Dus ja, ik ben het helemaal met u eens dat het goed zou zijn als er toch nog eens een keer heel goed naar die huurverhoging gekeken wordt. Het eerste gesprek, wat ik had met de minister toen corona was uitgebroken, ging hierover. Ging over die huurverhoging. Want we hebben het nu over de huurverhoging van de corporaties, hè. Huurwoningen particuliere sector, ik heb ze nog niet allemaal overzichtelijk. Maar die kunnen nog hoger zijn. Dus ja, het eerst wat ik heb gezegd, is deze huurverhoging nu nog wel het juiste om op tafel te laten liggen? Want het is een inflatie in 2019, die we gehad hebben. Ja, daar heb je niks aan als je in de coronacrisis je baan kwijtgeraakt bent, dat je daar nog eens voor moet betalen. Het huurprijsbeleid ligt wel bij de minister. Ik zeg er wel bij richting de heer Mbarki, dat de goedkope huren sneller stijgen dan de dure huurwoningen. Dat is op zich wel de bedoeling van die huursombenadering die daar ook vanuit het rijk bij bedacht is. Die huursombenadering is juist, het idee, de gedachte erachter is een beetje dat de woningen wat dichter bij elkaar komen te zitten in prijzen. En met de regels van passend toewijzen, is het de bedoeling dat je in ieder geval als je huurt of zacht rechterlijk bent, dat je onder de zogenaamde aftoppingsgrens blijft. En dat je dus een volledige huurtoeslag over het bedrag kunt ontvangen. Voor de rest wijs ik de heer Mbarki erop dat u er alweer een uitspraak over gedaan heeft. Want, volgens mij, in de vorige raad heeft u hier een motie over aangenomen, dat wij al hebben aangegeven dat wij eigenlijk geen huurverhoging willen. Ik heb nog één vraag. Dat ging over de huurstarters die de dupe zijn. Ik weet dat het hier in de raad enorm leeft, huurstarters. Huurprijzen die onbetaalbaar zijn. We waren, denk ik, allemaal wat teleurgesteld toen we laatst lazen dat er voor de huurstarter geen maatregelen genomen worden door de minister. Daarmee is de woonbrief ook alweer wat achterhaald, want daar zet ik nog in dat ik hoop dat de minister wel met mooie maatregelen komt voor de huurstarters. Ik laat graag dit Amsterdamse geluid, waarin we zeggen, we hebben verpleegkundigen en onderwijzers nodig, en daarvoor hebben we betaalbare woningen in het middensegment nodig voor huurstarters. Ik laat graag dat geluid ook nog richting Den Haag klinken. De VOORZITTER: Dan zijn we, volgens mij, aan het einde gekomen van de eerste termijn van agendapunt 25. Ik denk dat er geen behoefte is aan een tweede termijn. Nee. Mooi. De discussie wordt gesloten. 26. Kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 666) De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat wordt agendapunt 26, kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteveredeling. Zijn dat dezelfde woordvoerders, denk ik, die daarover het woord willen voeren? Dan zou ik graag willen kijken in mijn aantekeningen. Er zijn twee moties ingediend van mevrouw Simons. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 30 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 90° Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling (WOON! betrekken bij urgentie) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 714). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: WOON! te betrekken bij urgenties om de rechtsbijstand positie van Amsterdammers te versterken. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 91° Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling (nieuwe urgentiecategorie) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 715). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Amsterdammers die geen medische urgentie hebben, wel recht op een sociale woning hebben en geen woning hebben, op te nemen binnen de urgentiecategorie. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd de heer Hammelburg van D66. Hij heeft nog spreektijd, dus hij krijgt zo het woord. Mevrouw Simons heeft helaas geen spreektijd meer, dus haar kan ik helaas niet het woord geven. Mevrouw Kilig krijgt het woord en mevrouw De Jong van GroenLinks kan ik helaas ook niet het woord geven. Mevrouw KILIG: Voorzitter. De VOORZITTER: Een moment, hoor. Mevrouw KILIG: Ik zie af van mijn bijdrage. De VOORZITTER: Ja. Mevrouw De Jong heeft helaas geen spreektijd meer. De heer Mbarki heeft nog wel spreektijd, dus hij krijgt het woord. Dan zou ik als eerste het woord willen aan de heer Hammelburg van D66. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Hammelburg. De heer HAMMELBURG: Voorzitter, ik wil toch nog kort bevestigen wat ik in de commissie al heb gezegd. Dat is dat ik het fantastisch vind dat we tot deze nieuwe woonruimteverdeling zijn gekomen, ook met de omliggende gemeenten. Dat is toch echt een prestatie. Waar ik me nog wel een beetje zorgen over maak — en volgens mij, is dat wat mevrouw De Jong ook eerder al in de commissie heeft besproken, en andere partijen ook, de heer Mbarki, geloof ik — dat is de website, het nieuwe woningweb wat er gaat komen en hoe dat dan precies gaat. Ik weet niet meer welke partij het zei ooit in de commissie, maar als je nu gebruikmaakt van de website krijg je vaak niet eens een foto van een woning te zien. Dus als we die verbeterslag willen maken, hoort deze stap er ook daadwerkelijk wel bij. Daar wil ik het graag bij laten. 31 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER: Dan heeft de heer Mbarki nog het woord. Die ziet af. Dan zou ik graag de wethouder willen vragen kort te reageren op de heer Hammelburg en de twee moties van een kort preadvies te voorzien. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens. Wethouder IVENS: De heer Hammelburg weet het antwoord op zijn vraag, want dat hebben we in de commissie natuurlijk ook besproken. Ik ben het daar helemaal mee eens. Ik vind het ook goed dat u dat nog een keer aangeeft. Het is belangrijk dat die website verbeterd wordt en het veel aantrekkelijker en duidelijker aangeboden wordt. Zeker omdat we op een bepaalde manier gaan straffen als je niet meer komt. Ja, dan moet je toch gewoon wel weten waar je ‘ja’ tegen hebt gezegd of waar je op gereageerd hebt. Dus dat is er echt een voorwaarde bij. Op dit moment zijn we ook de kosten in kaart aan het brengen voor wat het is om die website te veranderen en dergelijke. Want ja, dat vraagt aan de corporaties wat. En daarmee — we hadden het net al even over de corporatie financiën — is het natuurlijk wel ook een reëel iets wat er ook bij gedaan moet worden. Dus daar bemoeien we ons ook vanuit dus die regionale stuurgroep — of hoe dat ding ook maar heet — wel mee. Ook al zijn de corporaties verantwoordelijk. Dan richting mevrouw Simons. U heeft twee moties ingediend. De eerste motie is WOON! te betrekken bij urgenties om de rechtsbijstandspositie van Amsterdammers te versterken. Ik had gehoopt vandaag iets beter duiding te kunnen krijgen, maar helaas lukt dat niet. WOON!, als je hulp nodig hebt voor hoe je woont, kun je altijd bij WOON! aankloppen en kan WOON! jou begeleiden. Dus dat deel kan al. Dat deel kan tot het traject gewoon adviserend van hoe een urgentie aan te vragen, uw urgentie is afgewezen, hoe moet ik nu verder? Daar kan WOON! allemaal in adviseren. Dat deel kan al. Als het gaat om WOON! ook een rol te geven in de formele urgentiecriteria — dus eigenlijk wat de gemeente als taak heeft, het verlenen van urgenties — om daar WOON! ook een rol in te geven, lijkt me niet verstandig. Om de reden dat 1, de gemeente hier echt vol verantwoordelijkheid zelf voor moet hebben. U zult mij erop afrekenen dat ik die achttienhonderd woningen zo goed mogelijk verdeel. En 2, om ook WOON! niet in de positie te brengen van aan de ene kant service verlenend richting de aanvrager, maar daarna ook toetsend. Dat lijkt me lastig. Dus ik moet eerlijk zeggen, ik kan niet zo goed uit de voeten met uw motie. Dus ofwel, hij is overbodig als u hem bedoelt zoals het eerste. Dan kan dit al. Dan staat WOON! mensen al bij. Als u bedoelt, WOON! moet een positie hebben, dan zou ik hem ontraden. Overbodig of ontraden, dat komt allebei op een negatief preadvies neer. 714 was dat. Voor 715 geldt dat ik de wens zeer goed begrijp. Want wat u zegt, iedereen die geen woning heeft, zou eigenlijk gewoon met urgentie een woning moeten hebben. Wij hebben eerder in de raad gezegd, wij vinden eigenlijk dat iedereen met een urgentie binnen drie maanden een woning moet hebben. Dat zou fantastisch zijn. ledereen die geen woning heeft, heeft binnen drie maanden een woning. Nu is alleen de praktijk wat lastiger, want dat betekent eigenlijk dat alle starters op dezelfde lijst komen. Dat zijn mensen die geen woning hebben. Die zetten we allemaal op één lijst. Die mogen allemaal gaan vechten om die… Het zijn achttienhonderd woningen. Een heleboel zijn uitstroom uit maatschappelijke opvang en dergelijke. Een hele hoop woningen gaan naar statushouders. Een hele hoop woningen gaan naar een groep mantelzorgers. Nou, noem maar op. Allemaal urgentiecategorieën. We hebben zo'n vierhonderd woningen over voor de mensen die een sociaal-medische indicatie krijgen. Dus een medische urgentie krijgen. Als we zeggen, we zetten alle starters daarop… Dat kan. Maar dat betekent de facto dat 32 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen degenen, die hem heel hard nodig hebben vanwege een medische grond, in plaats van die drie maanden — die al niet helemaal kunnen waarmaken — dat dat echt jaren wordt wachten. Dat betekent dat doorstromers helemaal niet meer aan de bak komen. Dus ik begrijp uw wens van de motie, maar ik denk dat u die wens niet bedient met deze motie. En ben dus ook negatief over motie 715. De VOORZITTER: Dank u wel voor de preadvisering. Dan kijk ik of er nog behoefte is aan een tweede termijn. Dat is niet het geval. Dan ronden we ook dit agendapunt af. De discussie wordt gesloten. 27. Kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit, Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 667) De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat betreft het kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit, Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. Daarvoor kijk ik even rond. Zijn het dezelfde woordvoerders? Waarschijnlijk, hê? Ja. Dan zou ik eerst even willen kijken, zijn er moties ingediend? Nee. Het woord hebben gevraagd de heer Mbarki, mevrouw De Jong — maar zij heeft geen spreektijd meer — de heer Flentge, hij heeft nog spreektijd. De heer Hammelburg, heeft nog een heel klein beetje spreektijd. Meneer Mbarki, mag ik u het woord geven? De heer Flentge als eerste? Oké, ga uw gang, meneer Flentge. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flentge. De heer FLENTGE: Nog steeds een groot, urgent thema, ondanks het feit dat er nu sinds afgelopen jaar daar flink veel aan gedaan en aan getrokken wordt vanuit de gemeente in ieder geval. Ook wel, ik merk het her en der, resoneren — om maar eens een mooi woord te gebruiken. Maar het prachtige onderzoek van AT5 liet toch wel zien onder welke erbarmelijke omstandigheden heel veel mensen in particuliere woningen en particuliere verhuurders zitten. En ook gewoon bij corporaties. Dat blijft natuurlijk nog steeds schokkend. De corporaties zijn opgericht voor een goed en betaalbaar, veilig, goed huis. Dus dat blijft nog steeds bizar. Ik heb laatste schriftelijke vragen ingediend over De Key, wederom over de Vogelbuurt. Het duurt eindeloos lang. Wij hebben daar in 2017 een zwartboek ingediend. En we zijn potverdikkie in 2020 en het is allemaal nog steeds niet aan de gang. En inmiddels krijgen de mensen wel gewoon huurverhogingen. Ik merk dat ik daar echt in toenemende mate woedend wordt. Dus het belooft een leuke, gezellige zomer te worden met De Key, heb ik weleens het idee weer. In het programma staat wel heel veel. Ik blijf de acties ook wel voeren met heel veel bewoners. Maar de vraag is eventjes, als ik een actie heb gevoerd — dat is mijn ervaring — met bewoners, dus als bewoners in actie komen en ik daarbij ondersteund heb, dat er dan een heel lang traject tussen bewoners en corporatie — soms ook met een particuliere verhuurder — loopt. En ik vraag me weleens af of de ondersteuning van bijvoorbeeld een organisatie als WOON! daarbij wel langdurig is. Of dat het alleen maar bij de opstart is. Of dat ze toch langer bij die bewoners- Want ze worden eigenlijk een beetje uitgewoond — om het maar letterlijk te 33 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen zeggen. Eindeloos lange onderhandelingstafels, eindeloos traineren, het duurt lang, ingewikkelde procedures. Het zijn mensen met een baan, die ook gewoon een gezin hebben. En die ook graag in een gezond huis willen wonen en aan de slag willen. Dus ik vraag me af of daar, in dat traject met WOON!, nog wat- Ik vraag het nu even door middel van een toezegging, even zoekend. En wellicht een andere keer misschien moet er nog een motie komen of moet er nog wat geld bij. Dat is allemaal bespreekbaar. Maar ik wil het nu even onderzoekend doen. In hoeverre kunnen wij die mensen iets beter begeleiden, zodat ze niet alles moeten doen in die eindeloze gevechten tegen de corporatie moeten proberen het tot een goed einde te brengen. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Mbarki. De heer MBARKI: Dank aan de heer Flentge. Ik kan door op zijn verhaal. Het is inderdaad een belangrijk thema. Vooral nu ook. Ik ben ook blij dat de wethouder zich vandaag heeft uitgesproken over de loden leidingen. Dat is natuurlijk ook een onderdeel van de woningen die niet helemaal past. Tenminste, die wij niet passend vinden als het gaat om de gezondheid van mensen ook. Wat betreft het programma. Ik heb drie concrete vragen. Ook hier weer, wat betekent de coronacrisis voor uw programma. Ik ben verder ook benieuwd naar de manier waarop de huurders worden betrokken hierbij. Dat zijn eigenlijk de twee vragen die ik heb. Het waren er drie, maar twee is genoeg. De VOORZITTER: Dan kijk ik naar de laatste spreker. Dat is de heer Hammelburg. Hij heeft nog 42 seconden. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Hammelburg. De heer HAMMELBURG: Heel kort. Ik kan me grotendeels aansluiten bij de woorden van de heren Flentge en Mbarki. Het is eigenlijk onverteerbaar dat Amsterdamse kinderen nog in schimmelwoningen opgroeien. Ik ben ook blij met de uitspraken van de heer Flentge over de loden leidingen. Ook daarvoor gaan we weer verder met een sessie na de zomer. Laten we deze strijd gewoon voortzetten. De VOORZITTER: Dan geef ik het woord aan de wethouder om te reageren. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens. Wethouder IVENS: Als eerste even over de loden leidingen. Ik hoop dat ik u vandaag niet verrast had met de uitspraken die er kwamen. Want het was slechts een brief waar wij een standpunt, wat we al eerder aan u kenbaar hadden gemaakt, waarin de G5 nu mee wilde doen. Want ik dacht, ik wil iets krachtiger staan als ik naar Den Haag ga. En die brief is aan minister Knops, dan wel minister Ollongren — ik weet nooit helemaal precies hoe die taakverdeling is, maar dat weet - Ik zie daar iemand, een expert, zeggen, Ollongren, zeg je dat? Nee. Dus die is richting het kabinet gestuurd om daar ook even heel duidelijk te maken dat die loden leidingen- Als we er echt afscheid van willen nemen, moeten we het ook gewoon gaan verbieden, want dat is de enige echt krachtige manier om te zorgen dat het ook echt nu afgerond wordt. Dan de coronacrisis. Daar hebben we het in de commissie ook al even over gehad. Ja, de coronacrisis is nog onvoldoende duidelijk wat dat voor de woningkwaliteit 34 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen exact betekent. Ik constateer niet dat corporaties op hun handen gaan zitten en er niet meer durven financieren. Ik constateer wel dat een aantal particulieren zich even afvragen, hé, hoe gaat de woningmarkt zich ontwikkelen? Dat is hopelijk heel tijdelijk. Ik constateer wel dat we een probleem hebben gehad met woningen in gaan. Want ja, dat was gewoon in de richtlijn: je moet geen woningen in gaan van vreemde mensen. Dus ja, als je geen bezoek mag krijgen, kun je ook niet een klusjesman op bezoek krijgen. Dus dat heeft natuurlijk een negatief effect gehad. Aan de andere kant, het programma gaat niet alleen over huurwoningen. Was het drukker bij de bouwmarkt dan ooit. Dus er zijn ook heel veel mensen die juist wel in hun woning hebben geïnvesteerd de afgelopen tijd. Dus ik denk, om heel eerlijk te zijn, dat de eerste tekenen van de eerste maanden van deze coronacrisis zijn dat van de huiseigenaar de woningkwaliteit verbeterd is. En bij de huurder het opknappen eventjes wat meer heeft stilgestaan. Dat is een beetje een inschatting. Gaan we aan het eind zien, want aan het eind van dit jaar maak ik weer een rapportage. Dan zien we natuurlijk ook wat de effecten helemaal waren. Dan de bewoners erbij betrekken. Laat ik daar niet al te veel over zeggen, omdat morgen in de commissiestukken uw kant op komt de vernieuwde kaderafspraken. Ze zijn weer wat aangepast. En wat de rol is van huurders in een heel traject als een grootschalige renovatie of sloop plaatsvindt. Daar hebben we weer een aantal dingen in aangepast. Dus daar hebben we het, volgens mij, de volgende commissie met elkaar wat nader over, wat die rol van die huurders daar nou is. En die hopen we iets verder verstevigd te hebben. Ik kan wel richting de heer Flentge geruststellend zijn dat WOON! in principe gedurende het hele traject bewoners bij kan staan. Er zijn ook echt voorbeelden waar dat gebeurt. Dat WOON! echt vanaf het begin van het traject tot aan soms wel — soms is het wel tien jaar later dat een traject afgerond is — bewoners bijstaat. Dat is niet altijd even intensief. Want trajecten nemen soms wat af en wat toe. Maar binnen de subsidietaak die WOON! heeft, kunnen ze in het hele traject de bewoners uiteindelijk ook bijstaan. Dat gebeurt ook wel. De VOORZITTER: Ik kijk nog even of er behoefte is aan een tweede termijn. Dat is niet het geval. De discussie wordt gesloten. De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Agendapunt 28, dat was doorgeschoven naar de volgende vergadering op verzoek van de heer Boomsma. Dat is vanmiddag gebeurd. 28. Kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 655) De behandeling van het agendapunt kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 655) is uitgesteld tot de volgende raadsvergadering. De VOORZITTER: Dan gaan we naar agendapunt 29. Daar gaan we even voor bellen. En dan moeten we toch even een korte schorsing om even van woordvoerders te wisselen. Dus ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken. 35 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. 29. Kennisnemen van het Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709) De VOORZITTER: Leden, ik heropen de vergadering. Aan de orde is — met een klein excuus voor dat het ietsje later is — agendapunt 29, het kennisnemen van de Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern. Er zijn twee moties ingediend. Beide door mevrouw Bloemberg-lssa. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 92° Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en het Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (bestaande volkstuinparken behouden) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: De Amsterdamse bouwambitie niet af te wentelen door woningbouwprogramma’s te realiseren in het groen van aanliggende gemeentes, zoals De Nieuwe Kern in Ouder- Amstel, en bestaande volkstuinparken te behouden. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 93° Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en het Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (geen woningbouw voor onderzoeksresultaten gezondheidseffecten Schiphol) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 710). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Het voorzorgsprincipe te laten gelden door de woningbouw in De Nieuw Kern op Amsterdams grondgebied niet te starten tot er meer duidelijkheid is over de gezondheidseffecten als gevolg van de overlast van het vliegverkeer op omwonenden. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Dan kijk ik- Het woord hebben gevraagd, mevrouw Bloemberg- Issa, mevrouw Van Renssen en mevrouw De Heer. Mevrouw Van Renssen heeft helaas geen spreektijd meer. Dus ik geef het woord aan mevrouw Bloemberg-lssa op dit moment. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bloemberg-lssa. 36 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: In de commissie hoorde ik dat er veel waardering voor de wethouder is. Coalitiepartijen zeiden bijvoorbeeld, we hebben lof voor deze oplossing; complimenten voor dit voorstel. Maar ik hoop dat ook de coalitiepartijen met een Kritische blik naar de plannen voor De Nieuwe Kern kunnen kijken. De Nieuwe Kern is een woonwijk in de gemeente Ouder-Amstel, die ontwikkeld wordt op het gebied met Amsterdam als een van de grondeigenaren. Er gebeurt hier iets geks. Er moeten namelijk volkstuinen voor verdwijnen. In de Uitvoeringsstrategie volkstuinenbeleid — die ligt nu ter inspraak, dus ik zou ook volkstuinparken en belanghebbenden op willen roepen om te kijken of ze gebruik maken willen maken van de mogelijkheid om hun zienswijze in te dienen — staat dat er geen parken zullen verdwijnen. Ik citeer, ‘de volkstuinparken in Amsterdam zijn een belangrijk deel van de groenstructuur. Zoals afgesproken in het coalitieakkoord worden de tuinparken niet bebouwd met woningen of andere verstedelijking’. Voorzitter, dat zijn hele mooie woorden. Er staat ook in dit stuk, ‘de gemeente wil de prachtige cultuurhistorisch en ecologisch waardevolle volkstuinparken, die al ruim 100 jaar bij de stad horen, graag behouden voor de toekomst’. Voorzitter, de Partij voor de Dieren vindt de volkstuinparken heel belangrijk. Ik zou ook de wethouder willen vragen hoe ik deze teksten moet zien, terwijl er voor De Nieuwe Kern wel volkstuinparken gaan verdwijnen. Waarom moeten de vele tuinen van Nieuw Vredelust en Ons Lustoord en enkele tuinen van Dijkzicht wijken voor een stadspark op deze locatie die voor woningbouw De Nieuwe Kern wordt gecreëerd? Voorzitter, daarmee doel ik ook op de biodiversiteit die verloren zal gaan. En de monumentale bomen die zullen verdwijnen. Hoe kan het dat dit groenste college het eerste college is in vijftig jaar tijd dat volkstuinparken opheft? Kan de wethouder dit nog stopzetten? Voorzitter, ik neem toch aan dat de wethouder het liefst ook deze parken zal willen behouden. Wil zij daar haar uiterste best voor doen? Ik dien daarom ook een motie in om de volkstuinparken te behouden. Tot slot lijkt het ons niet verstandig om sowieso op deze locatie woningen te gaan bouwen. Het ligt namelijk onder een aanvliegroute van Schiphol. Daardoor zal op deze locatie veel geluidsoverlast en luchtvervuiling zijn. Wat zal dat voor de toekomst van de bewoners betekenen? Het lijkt ons niet verstandig om daaraan te beginnen. Bovendien loopt er op dit moment nog een groot onderzoek van het RIVM naar de gevolgen van ultrafijnstof van Schiphol. Daarom dien ik ook een motie in om te wachten met de bouw, als het doorgaat, in ieder geval totdat dat onderzoek er is en er meer bekend is over de gezondheidseffecten van wonen op deze locatie. De VOORZITTER: Dan zou ik het woord willen geven aan mevrouw De Heer, maar zij is er niet. Dan geef ik het woord aan de wethouder. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Van Doorninck. Wethouder VAN DOORNINCGK: Ja, mevrouw Bloemberg vroeg of ik mijn uiterste best kon doen voor de volkstuinen. Voorzitter, ik kan mevrouw Bloemberg vertellen, dat heb ik de afgelopen twee jaar gedaan. Want toen ik aantrad, lag het plan, de samenwerkingsovereenkomst tussen Amsterdam en de gemeente Ouder-Amstel en de andere grondeigenaren, om veel meer volkstuinparken te laten weggaan. Daar ben ik twee jaar lang met de gemeente Ouder-Amstel over in gesprek gegaan, dat wij de woningbouwopgave, waar- In uw motie zegt u ‘de Amsterdamse woningbouwopgave’, maar het is ook heel duidelijk dat Ouder-Amstel hier zeer in geïnteresseerd is en ook graag deze woningen wil bouwen. En dat het ons gelukt is om met een plan te komen, 37 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen waarbij veel minder volkstuinen op de plek, waar ze nu zijn, wegmoeten en moeten verhuizen dan in de eerste plannen. Dus ik heb daar heel erg mijn best voor gedaan. Ik ben er ook eigenlijk best blij mee dat dat gelukt is. En juist in zo'n goede samenwerking met de gemeente Ouder-Amstel dat wij net zoveel woningen neer kunnen zetten en dat er veel minder groen voor plaats hoeft te maken. Dus eigenlijk wil ik mijn uiterste best doen. Ik heb mijn uiterste best gedaan. Ik ben ook eigenlijk zelf best wel tevreden met wat eruit gekomen is. Namelijk, dezelfde hoeveelheid woningen, minder groen dat verdwijnt. En tegelijkertijd kan het dus ook zo zijn dat de tuinders die op de plek waar ze nu zitten niet kunnen blijven, wel hun tuin kunnen volhouden, alleen dan op een andere plek. Dus net zoveel tuinen blijven er over, alleen ze verhuizen naar elkaar. En er wordt wat ingebreid. Dus mevrouw Bloemberg heeft helemaal gelijk, het wordt inderdaad minder groen. Maar het worden niet minder volkstuinen. Zelf denk ik dat dat een heel mooi compromis is. Dat was nadat er dus een samenwerkingsovereenkomst al getekend was en dat eigenlijk alle kaarten al geschud waren. Dan vraagt mevrouw Bloemberg hoe ik het beleid kan rijmen met het nieuwe volkstuinenbeleid wat Amsterdam ter inspraak heeft gebracht. Het staat ook duidelijk in het stuk dat dat geldt voor de volkstuinen binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen. Zoals u weet is De Nieuwe Kern dat niet. Maar daarnaast is het natuurlijk ook wel zo dat de besluiten over de volkstuinen van De Nieuwe Kern — met name dus Nieuw Vredelust en een klein stukje Ons Lustoord — al in de vorige periode waren genomen. Eigenlijk hebben we dat dus deels teruggedraaid. Wat ik u vertelde, het aantal tuinen blijft hetzelfde. Dat is ook heel fijn. Dus iedereen die daar nu tuiniert, kan ook in de nieuwe situatie gaan tuinieren. Dan specifiek op de moties, voorzitter. Daarbij de gezondheidseffecten van Schiphol. Het is zo dat sinds 1 januari 2018 rondom de luchtvaartcontouren de regelgeving veranderd is. Dus sinds de SOK er is. Dat betekent dat het voorziene woningbouwgebied De Nieuwe Kern binnen de 20 Ke-contour onder voorwaarden mogelijk wordt. Dus er kan daar gebouwd worden volgens de richtlijnen die er zijn. Dat betekent wel dat dat onder voorwaarden is. Dat betekent dus dat het bevoegd gezag — dat is in dit geval Ouder-Amstel — ook echt rekenschap moet geven om het dossier goed uit te voeren en moet zorgen dat mensen daar ook op een goede manier en een gezonde manier kunnen wonen. Maar in de verantwoordingsverdeling tussen Amsterdam en Ouder-Amstel zit dit echt bij het bevoegd gezag, namelijk de gemeente Ouder-Amstel. (Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Voelt de wethouder dan geen verantwoordelijkheid voor die mensen die op deze locatie gaan wonen als het gaat om deze woonlocatie en hun gezondheidsperspectieven?} Dat voel ik zeker, zeg ik tegen mevrouw Bloemberg via de voorzitter. En vandaar dat we ook zoveel samenwerken met de gemeente Ouder-Amstel. Maar ik denk namelijk ook dat de gemeente Ouder-Amstel ook al die verantwoordelijkheid voelt. Dat moeten ze gewoon ook als bevoegd gezag. Zij zullen duidelijk moeten maken dat alle gezondheidseisen zin meegenomen in de regelgeving rondom hoe die woningen daar gebouwd gaan worden. (Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Is de wethouder het met de Partij voor de Dieren eens dat we dan beter het voorzorgsprincipe kunnen hanteren en wachten met bouwen in ieder geval totdat het RIVM-onderzoek medio 2021 — dus over ongeveer een jaar — bekend is wat de gezondheidsgevolgen zijn?) Ik denk, voorzitter, dat ik daar dus niet voor hoef te wachten, want als ik kijk een beetje naar het tijdspad wat er nu ligt voor de Nieuwe Kern, dat betekent dat Ouder- 38 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen Amstel moet nog een bestemmingsplan op gaan stellen, er moet nog een merkprocedure worden gedaan, geluidswaardenonderzoek. En volgens planning kan er op zijn vroegst een bestemmingsplan zijn in januari 2023. Dus ik denk, alle onderzoeken van het RIVM kunnen allemaal meegenomen worden in de planvorming van de gemeente Ouder- Amstel. Ik denk dat ik uw andere motie over het niet bouwen en het laten voortbestaan van de volkstuinen eigenlijk al beantwoord heb. Want we laten dus een heleboel volkstuinen bestaan. Sommigen komen op een net iets andere plek. En inderdaad, toch wel de verwijzing in uw motie, dat het de Amsterdamse bouwambitie is en dat we dat afwentelen op Ouder-Amstel, dat zou absoluut geen recht doen aan de enorm goede samenwerking die we met Ouder-Amstel hebben. En ook de ambities die Ouder-Amstel heeft om De Nieuwe Kern te gaan verwezenlijken. Maar uiteraard gaat alles gewoon netjes via procedures. En er gaat geen spa de grond in voordat er een onherroepelijk bestemmingsplan ligt. Dat betekent dus, mochten er procedures zijn waardoor het langer duurt, al die tijd blijven de volkstuinders gewoon zitten waar ze nu zitten. Pas als het onherroepelijk is, gaat er gebouwd worden. Dus wat dat betreft, iedereen die daar nog iets van vindt, krijgt daar uiteraard de ruimte voor. De VOORZITTER: Ik kijk of er behoefte is aan een tweede termijn. Ja? Eerst bij mevrouw Bloemberg en dan mevrouw De Heer in de herkansing. Ja. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bloemberg-lssa. Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Mijn motie over het onderzoek naar vliegverkeer voor omwonenden heeft dan wel een negatief preadvies, maar eigenlijk heb ik het gehoord dat het toch wordt meegenomen, het RIVM-onderzoek, omdat natuurlijk de planvorming nog loopt. Er moet nog een bestemmingsplan gewijzigd kunnen worden. Dus hoewel dit een negatief preadvies krijgt, ga ik er toch vanuit dat dit wordt meegenomen en dat we hier op een later moment weer op terug kunnen komen als het onderzoek er is. Dan houd ik het hier bij. De VOORZITTER: U handhaaft de motie wel, begrijp ik? Ja, oké. Dan bent u inmiddels op twee seconden na door uw spreektijd heen. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Heer. Mevrouw DE HEER: Mijn welgemeende excuses. Ik had niet door dat het al was begonnen. Dus dank dat ik nog even mijn vraag kan stellen, want ik ben gisteren nog even bij Nieuw Vredelust geweest. Daar zijn toch wel zorgen — maar dat weet u ook vast wel, mevrouw de wethouder — over het feit dat zij het gevoel hebben dat ze onder andere moeten verplaatsen voor een stadspark. Een stadspark dat er ook moet komen. Zij zeggen tegen mij, waarom moet er mooi groen verruild worden voor nieuw groen? Ik heb hen beloofd om deze vraag hier te stellen. Dus dat doe ik bij deze. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Van Doorninck. Wethouder VAN DOORNINCK: Mevrouw Bloemberg, het klopt inderdaad. Ik neem aan dat de gemeente Ouder-Amstel alle relevante informatie die ze hebben over 39 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad Raadsnotulen hoe gezondheid zo goed mogelijk meegenomen kan worden, meeneemt. U gaf specifiek aan, dan komt dat hier terug. Het is natuurlijk zo dat het bestemmingsplan echt door de gemeente Ouder-Amstel wordt gemaakt. Dus dan zal dat in de gemeenteraad van Ouder- Amstel terugkomen. Maar zoals ik zei, we werken nauw samen. Dus mocht ik ergens in de tijd daarvoor erachter komen dat ik denk dat het anders werkt, zal ik daar ook het gesprek aangaan. Maar daar ga ik absoluut niet vanuit. Mevrouw De Heer, de vraag waarom er een stadspark komt. We hebben natuurlijk doordat De Nieuwe Kern daar komt en Nieuw Vredelust eigenlijk- Het groen zou verdwijnen, maar de tuintjes zouden ook niet terugkomen. We zijn heel blij dat het lukt om die tuinen in de rest van de parken te compenseren, zodat mensen hun tuin kunnen houden. Alleen dat hele tuinenpark wordt inderdaad wel anders ingericht dan men gewend is, waardoor er — zoals in het Volkstuinenbeleid ook wordt aangegeven — meer gemeenschappelijk groen is en misschien wat kleinere privétuinen. Dus dat is sowieso het Volkstuinenbeleid, waarbij we kijken dat er meer gemeenschappelijke en openbare en collectieve plekken komen. En dat dat soms ten koste gaat van een paar grote tuinen die mensen hebben die wellicht wat kleiner worden. Dus dat past ook wel binnen het Volkstuinenbeleid, dat soms privégroen ruimte maakt voor publiek groen. (Mevrouw DE HEER: Maar betekent dat dan ook dat dat in samenwerking kan gaan met Nieuw Vredelust? Om het even te verduidelijken: zij geven aan, wij hebben hier natuurlijk een heel mooie biodiversiteit, ze hebben groen, ze zijn veel meer bezig met gezamenlijk groen. Dus kan dat dan ook samen met hen?) De inrichting van de tuinparken sowieso in het Volkstuinenbeleid, maar zeker hier in De Nieuwe Kern zal in nauwe samenwerking gaan met de besturen van de parken en de mensen die in de parken hun tuintjes hebben. Het is natuurlijk wel zo dat het wel op een andere plek terechtkomt. Dus het is niet zo dat het op dezelfde plek blijft. Dat is natuurlijk wat vanaf het begin al duidelijk was toen de samenwerkingsovereenkomst in 2017 werd gesloten. En het enige wat we nu voor elkaar hebben gekregen, is dat mensen hun tuin terug kunnen krijgen. En dat er veel minder tuinen hoeven te verdwijnen en dat er minder groen hoeft te verdwijnen dan in de eerste plannen zo was. Maar dat betekent voor de tuinders op Nieuw Vredelust dat ze wel gaan verhuizen. Dat is wel nog steeds onderdeel van de plannen, ja. Maar ze worden- Ik bedoel, die plannen over de nieuwe tuinen eruit gaan zien, die worden nadrukkelijk samen met de tuinders gedaan. (Mevrouw DE HEER: Ja, een laatste vraag. Ja, ik moet nog wel nadenken over wat ik hiervan vind, hoor, want ik voel wel mee met wat daar is en wat daar dan gaat verdwijnen. Maar ik begrijp er nu eigenlijk uit dat dat dus nog nader wordt uitgewerkt. Is dat dan in het bestemmingsplan? Of is dat in een- Ja, is het in het bestemmingsplan?) Wat er aan de hand is, is dat de plek waar nu Nieuw Vredelust is, daar komt inderdaad woningbouw in de plannen. Uiteindelijk gaan we kijken hoe we de andere tuinen — het zijn vier tuinparken die daar aan elkaar zitten — gezamenlijk zo gaan inrichten dat zowel de tuinders van Nieuw Vredelust en een paar van Ons Lustoord daar terecht kunnen door een andere inrichting. Dat doen we samen met de parken. Waar het park nu is, daar komt een bestemmingsplan voor woningbouw. Dus het gebied verandert enorm. Dat is absoluut het geval. Maar die nieuwe tuinen gaan uiteraard weer zoveel mogelijk ingericht worden om zoveel mogelijk biodiversiteit en ecologische hoogwaardigheid daar te creëren. Maar daar hebben de tuinders nog meer verstand van dan ik. 40 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER: Goed, dan zijn we aan het einde gekomen van deze tweede termijn. Dan zou ik ook agendapunt 29 willen afronden. De discussie wordt gesloten. De VOORZITTER: Dan zouden we normaliter naar agendapunt 30 gaan, maar daarvoor hebben alle sprekers die daarvoor het woord hebben gevraagd — namelijk de fractie van VVD, GroenLinks en Partij voor de Dieren — geen spreektijd meer. Dus dat agendapunt komt daarmee dan de facto te vervallen. Want er waren namelijk ook geen moties ingediend. Is er een motie ingediend? Die staat hier nog niet in. Mevrouw De Grave heeft een motie ingediend. Ja. Dan wil ik toch wethouder Kukenheim nog even vragen om- Dan gaan we toch nog even wisselen voor een preadvies op de ingediende motie. De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. 30. Kennisnemen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk Lydia. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 642) De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 94° Motie van de leden De Grave-Verkerk en Boomsma inzake het behoud van Huize Lydia (Gemeenteblad afd. 1, nr. 707). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Stadsdeel Zuid aan te sporen om al het mogelijke te doen om het voortbestaan van de unieke sociale infrastructuur van Huize Lydia voor de toekomst te borgen en het karakter van Huize Lydia veilig te stellen door de mogelijkheid van ontmoeting in activiteiten te blijven realiseren. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Er is geen tijd meer voor een bijdrage van de leden van de raad, dus ik zou eigenlijk de wethouder alleen willen vragen om de ingediende motie van een preadvies te voorzien. De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Kukenheim. Wethouder KUKENHEIM: Het gaat over een buurthuis in Amsterdam Oud-Zuid. Een pand, Huize Lydia, u kent het vast, want het is vrij bekend. Een heel groot pand, niet goed toegankelijk. En een pand waarvan ook de vaste lasten voor het pand zelf steeds maar stijgen en stijgen, terwijl de subsidie weliswaar ook een beetje stijgt, maar niet dat tempo bijhoudt. Waardoor het stadsdeel zegt, ja, willen we nou langzaam alle subsidie voor alle activiteiten, die zo belangrijk zijn voor die buurt, in dat enorme stenen pand laten opgaan. Laten we dat pand wat verkleinen, zodat we zo veel mogelijk van die activiteiten 41 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen kunnen behouden. Het stadsdeel heeft ook geoordeeld, het kan ook, want het pand is echt heel groot. En ook de toegankelijkheid is een probleem. Voorzitter, een verhaal wat ik eigenlijk goed kan volgen. Nu snap ik heel goed dat er dan bewoners, mensen die daar activiteiten hebben, raadsleden ook, natuurlijk zich zorgen maken over, maar wat gebeurt er dan met die activiteiten? Want zoveel mensen hebben daar plezier van en het helpt natuurlijk dat mensen zo lang mogelijk en zo prettig mogelijk thuis kunnen wonen. Daar heeft het stadsdeel een traject voor opgestart om met al die mensen, met de bewoners en de mensen van die activiteiten, eigenlijk een soort participatietraject te voeren, zodat die activiteiten uiteindelijk goed terechtkomen. Dan kom ik bij de motie, voorzitter. Motie op stuk nummer 707. Dan snap ik heel goed de zorgen uit de motie, namelijk zorg nou dat die activiteiten wel een plek krijgen, want het is belangrijk om een goede structuur te hebben in die buurt. Maar de motie zegt ook een paar dingen waar ik het niet mee eens ben. Namelijk dat het stadsdeelbestuur eigenlijk helemaal niks heeft gedaan om te zorgen dat er ook maar iets van die structuur overeind blijft. En dat is gewoon niet wat er aan de hand is. Ik heb eigenlijk vandaag nog een keer opgehaald, waar staan we nou? Dan zie ik dat er echt een ontzettend uitgebreid participatietraject, zoals ik ze eigenlijk maar zelden zie, is opgetuigd. Ik moet zeggen, ik vind dat het stadsdeelbestuur en, ik geloof, de stadsdeelbestuurder Flora Breemer in het bijzonder, hier echt heel hard voor aan het lopen is. Mensen hebben een brief met een uitnodiging voor een gesprek ontvangen, ze mochten ook nog aangeven of ze nog andere mensen willen uitnodigen, ze konden zich aanmelden bij een portal. Het eerste gesprek over kaders en processen is al geweest. Het gaat over het beheer, exploitatie, lopende contracten. Gesprekken gaan nog door hierover tot en met juli. En vervolgens mag iedereen suggesties doen en meepraten over de inrichting en de programmering van het nieuwe buurthuis Lydia. En vervolgens doet iedereen nog suggesties en ideeën, zie ik. En daaruit volgt dan een uitvoeringsplan wat eigenlijk geheel door de omwonenden, gebruikers en andere betrokkenen wordt gemaakt. En dan weer uiteindelijk door de gemeente wordt aangeboden. Nou, voorzitter, dus daarmee vind ik dus ook dat het verzoek wat mij wordt gedaan — namelijk het stadsdeel achter de broek aan te zitten om vooral dit gesprek aan te gaan — past eigenlijk niet, want het stadsdeel is waanzinnig hard bezig daarmee. Dat maakt, voorzitter, dat ik de motie ontraad. En dan zie ik dat het stadsdeel goede stappen onderneemt om de infrastructuur in Amsterdam Oud-Zuid goed te bedienen. De VOORZITTER: Dank u wel voor dit uitgebreide preadvies. Dan zijn we ook aan het einde gekomen van dit agendapunt. De discussie wordt gesloten. 32. Kennisnemen van het onderzoeksrapport ‘Op weg naar een aardgasvrije Van der Pekbuurt. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 668) Dit punt is (van de agenda) afgevoerd. 33. 42 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Instemmen met het niet indienen van zienswijze ten aanzien van het voorstel resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 Omgevingsdienst Noordzee Kanaalgebied. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671) De VOORZITTER: We hadden al met elkaar geconstateerd dat agendapunt 33- Mevrouw Bloemberg-lssa had als eerste het woord gevraagd, maar zij had er al vanaf gezien. Dat verder niemand het woord erover wil voeren. 34. Kennisnemen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021 van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied en het afzien van het indienen van een zienswijze. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 661) Dit punt is gehamerd. De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 661 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 35. Kennisnemen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten Burgerschap. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 649) Dit punt is gehamerd. De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 89 van afd. 1 van het Gemeenteblad. De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen: 95° Motie van het lid Yilmaz inzake de beleidsbrief ‘Amsterdammerschap in het onderwijs’ (bevoegdheidseis voor docenten Burgerschap) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1479). Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Bij de minister van OCW er met klem op aan te dringen voor het instellen van een bevoegdheidseis voor docenten Burgerschap en uitbreiding en/of verbreding van het huidige aanbod van docentenopleidingen voor de maatschappijvakken. De motie maakt deel uit van de beraadslaging. 36. Vaststellen van de financiële bijdragen betreffende de fractieondersteuning over 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 653) Dit punt is gehamerd. De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 653 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 43 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 37. Herbenoemen van de voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 684) 38. Benoemen van leden van de begeleidende commissie inzake een extern onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 673) 38A. Benoemen van een lid van het presidium. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 683) 39. Bekrachtigen van de geheimhouding. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 656) Dit punt is gehamerd. De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 656 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 40. Geheim. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 672) Dit punt is gehamerd. De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 672 van afd. 1 van het Gemeenteblad. De VOORZITTER: Dat betekent dat we zo dadelijk gaan stemmen. Maar er moet nog even een actuele stemlijst voor worden gemaakt, die dan ook zo dadelijk zal worden rondgemaild. En er is nog wat gesprek geweest — begreep ik in ieder geval — tussen de heer Boomsma van het CDA en de indieners van het amendement bij de jaarrekening. Ik begreep dat daar misschien toch nog een accentamendement onderweg is. Dus ik wil graag de vergadering voor tien minuten schorsen tot 22.10 uur. Dan gaan we richting de stemmingen. Ik schors de vergadering tot 22.10 uur. De VOORZITTER schorst de vergadering. De VOORZITTER heropent de vergadering. De VOORZITTER: Leden van de gemeenteraad, als iedereen zo dadelijk wil gaan zitten. Dan hadden we sinds vanmiddag de beraadslaging over het jaarverslag nog niet helemaal gesloten, omdat er nog in de tweede termijn een vraag was gesteld door de heer Boomsma over het amendement dat was ingediend door de leden van de Rekeningencommissie. Als iedereen wil gaan zitten. Bij het jaarverslag was er een vraag gesteld door de heer Boomsma ook aan de voorzitter. Ik begreep ook dat er nog overleg heeft plaatsgevonden, onder andere tussen 44 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen de heer Boomsma en mevrouw Timman en de leden van de Rekeningencommissie. Daar heeft, volgens mij, mevrouw Timman namens de Rekeningencommissie nog kort het woord over. Mevrouw Timman, ga uw gang. Mevrouw TIMMAN: Wij hebben zeker overleg gehad. We hebben geprobeerd om het nog duidelijker op te schrijven in een accentmotie. Dat doen we, omdat we een Rekeningencommissie zijn en een apolitieke commissie. En wij er belang aan hechten dat het raadsbreed wordt aangenomen. De VOORZITTER: Dus, daar doelt u op, het amendement 716 wordt dan 716’. Mevrouw TIMMAN: Ja. De VOORZITTER: Die staat als het goed is nu al in het systeem. Ja. Dus die kan ook iedereen nalezen. De VOORZITTER deelt mee dat het volgende amendement is ingekomen: 96° Amendement van de leden Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen inzake het Jaarverslag 2019 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’) Besluit: |. Beslispunt 1 als volgt aan te vullen ‘met dien verstande dat de onttrekking uit de reserve duurzaamheid van zeven miljoen euro in de jaarrekening 2019 wordt teruggedraaid’; IL, Beslispunt 9 ‘kennis te nemen dat ter dekking van de vorming van de voorziening voor de verwachte waardevermindering van het AEB de risicoreservering in de reserve Duurzaamheid van zeven miljoen euro is ingezet en als vrijval in het jaarverslag is verwerkt en in te stemmen met deze vrijval door de vaststelling van het jaarverslag 2019’ te schrappen. Het amendement maakt deel uit van de beraadslaging. Het amendement motie-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716) maakt geen deel meer uit van de beraadslaging. De VOORZITTER: Ik zie dat de heer Boomsma daar nog kort wat over wil zeggen. De heer BOOMSMA: Ik wil mijn dank uitspreken richting de Rekeningencommissie voor het voortreffelijke werk van de afgelopen tijd, maar ook voor de flexibiliteit en de betrachtte zorgvuldigheid in deze. Daar ben ik echt zeer dankbaar voor. Ik denk dat het belangrijk is om dit soort dingen inderdaad zo zorgvuldig mogelijk te doen. Daarom wil ik ook mijn eerdere verzoek aan de voorzitter nog even herhalen, want ik denk… Er is toch wat discussie over geweest over hoe je nu om moet gaan met zo’n onrechtmatig onttrokken bedrag, hoe je dat kunt corrigeren in de jaarrekening; hoe zich dat verhoudt tot art. 198 via dat indemniteitsbesluit. Dus misschien is het toch goed als iemand met relevante expertise daar nog even naar kijkt en daar in een heel kort advies nog even op terugkomt. 45 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER: Voor de toekomst, bedoelt u? De heer BOOMSMA: Voor de toekomst, ja. De VOORZITTER: Laten we daar gewoon nog eens goed naar kijken met elkaar. De heer BOOMSMA: Ja. De VOORZITTER: Prima. Dan in ieder geval is het gewijzigde amendement ingediend. Die staat ook bij iedereen in het systeem, dus die kan ook iedereen nalezen. Dan is de vraag, kunnen we gaan stemmen op dit moment? Of zijn er nog leden die dat- Dus amendement 716 wordt amendement 716’. Dat stond trouwens ook al op de laatste stemlijst, zie ik. De griffier had een vooruitziende blik. Stemblok II De VOORZITTER: U heeft allemaal de laatste stemlijst. Dan zou ik eigenlijk gewoon willen gaan beginnen met de stemmingen. Allereerst wil ik graag de uitslag van de benoemingen bij de agendapunten 37, 38 en 38a met u delen, waarover u schriftelijk gestemd heeft. 37. Herbenoemen van de voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 684) Benoemd tot voorzitter van de raadscommissie Ruimtelijke Kwaliteit: De heer E. Luiten met 41 stemmen voor en 2 blanco. 38. Benoemen van leden van de begeleidende commissie inzake een extern onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 673) Benoemd tot voorzitter van de begeleidende commissie inzake een extern onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid: - het raadslid, mevrouw H. Naoum Néhmé met 42 stemmen voor en 1 tegen. - het duoraadslid, de heer R.P. Hofland met 43 stemmen voor. - _ het raadslid, de heer D.T. Boomsma met 43 stemmen voor. - het raadslid, de heer J.F.W. van Lammeren met 43 stemmen voor. 38A. Benoemen van een lid van het presidium. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 683) Benoemd tot lid van het presidium: Mevrouw T.C. De Fockert met 40 stemmen voor, 2 tegen en 1 blanco. De VOORZITTER: Alle benoemde personen, van harte gefeliciteerd met uw benoeming. 46 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Dan gaan we door. Het idee is dat als we de stemlijst hebben om per agendapunt te gaan stemmen. Ik zal ook per agendapunt nog inventariseren of er eventueel nog stemverklaringen zijn. Volgens mij, is er voor twee stemmingen een hoofdelijke stemming aangevraagd. Ja. Mevrouw TIMMAN: Ik bedenk me nog even over het punt van amendement- accent, moeten we dan niet het oude amendement intrekken”? De VOORZITTER: Als u een accent-amendement indient, dan is die vanzelf ingetrokken. Maar het is goed dat u het nog even zegt. Het oorspronkelijke amendement is ingetrokken en amendement 716’ is daarvoor in de plaats gekomen. Dank u wel. Dan gaan we stemmen. Dan gaan we zo dadelijk eerst stemmen over agendapunt 6. We hebben ook een tweetal hoofdelijke stemmingen. Welke waren dat ook alweer? Bij agendapunt 15. En waarover moet dan hoofdelijk worden gestemd? Bij beide moties. Dus motie 700 en motie 725 is een hoofdelijke stemming over aangevraagd, begrijp ik. Ja. Dan zet ik daar even een rondje omheen. Dan gaan we daar zo hoofdelijk over stemmen. Dan gaan we eerst in stemming brengen, de twee amendementen bij agendapunt 6, de voordracht en de ingediende moties bij agendapunt 6. 6. Vaststellen van het Jaarverslag 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659) De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Soest voor een stemverklaring. Mevrouw VAN SOEST (stemverklaring): Helaas kunnen wij niet voor de vaststelling van de jaarrekening stemmen. De wethouder is kennelijk van mening dat een toelichting op de jaarrekening niet toereikend is. We vinden dat uiteraard niet, voorzitter. Zonder een duidelijke toelichting op de waardering van de deelnemingen houdt dit college namelijk informatie achter. Dat weerhoudt de Amsterdammer van een betrouwbaar beeld over het jaarverslag. De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Ceder voor een stemverklaring. De heer CGEDER (stemverklaring): Ik ben de Rekeningencommissie dankbaar voor het gewijzigde amendement. Met deze en met de toevoeging van de heer Boomsma kan ik instemmen met het amendement en de jaarrekening. Aan de orde is de stemming over het amendement-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 699). Het amendement-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 699) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat het amendement-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 699) is verworpen met de stemmen van Partij van de Ouderen, Liberaal Conservatieve Fractie, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie, DENK en BIJ1 voor. 47 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Aan de orde is de stemming over het amendement-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’). Het amendement-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat het amendement-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’) is aangenomen met de stemmen van Partij van de Ouderen tegen. Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659) is aangenomen met de stemmen van Partij van de Ouderen tegen. De VOORZITTER: U stemt ook voor, mevrouw Van Soest? Oké, dus dan is deze voordracht met algemene stemmen aangenomen. Ja, maar u heeft een stemfout gemaakt. Wat zegt u? U heeft tegen gestemd. Oké, u was net op tijd. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 659 van afd. 1 van het Gemeenteblad, met inachtneming van de daarin als gevolg van aanneming van het amendement-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’) aangebrachte wijzigingen. Aan de orde is de stemming over de motie-De Jager en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 701). De motie-De Jager en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 701) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-De Jager en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 701) is met algemene stemmen aangenomen. Aan de orde is de stemming over de motie-Biemond en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 702). De motie-Biemond en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 702) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Biemond en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 702) is met algemene stemmen aangenomen. 48 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Aan de orde is de stemming over de motie-De Heer en Schreuders (Gemeenteblad afd. 1, nr. 703). De motie-De Heer en Schreuders (Gemeenteblad afd. 1, nr. 703) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-De Heer en Schreuders (Gemeenteblad afd. 1, nr. 703) is met algemene stemmen aangenomen. Aan de orde is de stemming over de motie-Ernsting, Roosma en de Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 711). De motie-Ernsting, Roosma en de Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 711) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Ernsting, Roosma en de Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 711) is met algemene stemmen aangenomen. Aan de orde is de stemming over de motie-Boomsma, Ceder en Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 712). De motie-Boomsma, Ceder en Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 712} wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Boomsma, Ceder en Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 712) is verworpen met de stemmen van VVD, Liberaal Conservatieve Fractie, CDA, ChristenUnie, Partij van de Ouderen, Forum voor Democratie en DENK voor. 7. Instemmen met het verslag en de aanbevelingen van de Rekeningencommissie over de jaarrekening 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652) Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652) met algemene stemmen is aangenomen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 652 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 8. Kennisnemen van de reactie van het college op het verslag van de Rekeningencommissie over de jaarrekening 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 682) 49 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De raad heeft kennisgenomen van de reactie van het college op het verslag van de Rekeningencommissie over de jaarrekening 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 682) 9. Kennisnemen van de bestuurlijke reactie op het Accountantsverslag 2019 Gemeente Amsterdam van Auditdienst ACAM inzake de controle over het jaarverslag 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 660) De raad heeft kennisgenomen van de bestuurlijke reactie op het Accountantsverslag 2019 Gemeente Amsterdam van Auditdienst ACAM inzake de controle over het jaarverslag 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 660) 10. Instemmen met het gewijzigde initiatiefvoorstel “Samen naar school in de hele stad’ van het lid Simons en kennisnemen van de bestuurlijke reactie op het oorspronkelijke initiatiefvoorstel. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663) De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Kilig voor een stemverklaring. Mevrouw KILIG (stemverklaring): De fractie van DENK vindt het een sympathiek voorstel. We hebben wel een aantal kanttekeningen, zoals onderwijs is een containerbegrip waar verschillende beperkingen onder vallen. Hoewel we de intentie van mevrouw Simons begrijpen, vergt het aandacht onderscheid te maken tussen de typen beperkingen en de werkdruk die het met zich meeneemt voor de docent. Het mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van onderwijs aan andere leerlingen, want niet elke beperking vergt namelijk dezelfde aanpak. Fysieke beperkingen zijn goed aan te pakken. Andere beperkingen leggen een extra druk op de leraar. We vinden de aangebrachte wijzigingen op aanraden van de wethouder een goede aanpassing en zullen daarom het voorstel steunen. De VOORZITTER: Mevrouw Kilig, dat is eigenlijk geen stemverklaring. Nou ja, het was een stemverklaring. Het was gewoon een veel te lange stemverklaring. Dus de volgende keer niet meer zo lang. U las het wel weer heel snel voor. Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663) met de stemmen van Partij van de Ouderen, ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren, SP, GroenLinks, PvdA, DENK en BIJ1 voor is aangenomen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 663 van afd. 1 van het Gemeenteblad. De VOORZITTER: Ik wil mevrouw Simons van harte feliciteren met het aangenomen initiatiefvoorstel. 50 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 11. Vaststellen van het bestemmingsplan Kopraweg en omgeving. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670) Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670) is aangenomen met de stemmen van Partij voor de Dieren en BIJ1 tegen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 670 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 12. Uiten van wensen en bedenkingen over het uit te lenen bedrag ter overbrugging aan atletiekvereniging Atos vanuit de grondexploitatie Elzenhagen Zuid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 662) De raad is in de gelegenheid geweest om zijn wensen of bedenkingen te uiten over het uit te lenen bedrag ter overbrugging aan atletiekvereniging Atos vanuit de grondexploitatie Elzenhagen Zuid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 662). 13. Instemmen met het gewijzigde initiatiefvoorstel ‘Crisisaanpak dakloosheid: Bankslapersregeling, Tijdelijk Thuis Vergoeding en Schrapsessie’ van het lid De Jong en kennisnemen van de bestuurlijke reactie op het oorspronkelijke initiatiefvoorstel. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641) De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw la Rose voor een stemverklaring. Mevrouw LA ROSE (stemverklaring): De PvdA-fractie steunt het amendement voor de pilot briefadres economisch daklozen, omdat wij vinden dat een briefadres toch wel het minimale is wat je moet hebben om structuur te brengen in het leven van de dakloze. Aan de orde is de stemming over het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd. 1, nr. 717). Het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd. 1, nr. 717) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd. 1, nr. 717) is met algemene stemmen aangenomen. Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641). o1 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641) is aangenomen met de stemmen van Forum voor Democratie tegen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 641 van afd. 1 van het Gemeenteblad, met inachtneming van de daarin als gevolg van aanneming van het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd. 1, nr. 717) aangebrachte wijzigingen. De VOORZITTER: Dan wil ik mevrouw De Jong van harte feliciteren met het aangenomen initiatiefvoorstel. 14. Instemmen met het initiatiefvoorstel Ontwikkel inclusief talentenfonds van de leden Van Dantzig en Mbarki en kennisnemen van de bestuurlijke reactie. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643) De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Dantzig voor een stemverklaring. De heer VAN DANTZIG (stemverklaring): Wij gaan voor stemmen, maar niet voordat ik een groot compliment heb gemaakt aan de wethouder en de ambtenaren, en ik meen zelfs ook de politieke assistent, voor de fantastische beantwoording. Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643) met algemene stemmen is aangenomen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 643 van afd. 1 van het Gemeenteblad. De VOORZITTER: Dan wil ik de leden Van Dantzig en de heer Mbarki van harte feliciteren met de aanname van het initiatiefvoorstel. 15. Uiten van wensen en bedenkingen over de concept Regionale Energiestrategie Noord- Holland Zuid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 669) Aan de orde is de hoofdelijke stemming over de motie-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 700). De VOORZITTER: Daarvoor gaan we, volgens mij, twee keer hoofdelijk stemmen. Allereerst is dat over motie 700. Dan gaan wij eerst stemmen over motie 700. Dan ga ik 92 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 11juni 2020 Comeenteraad weer een nummertje trekken. Wie o wie? Nummer 22 en dat is mevrouw Kilig. Ik roep uw namen weer op. De griffier is ook zover? Mevrouw KILIG: Voor. De heer KREUGER: Voor. Mevrouw EL KSAIHI: Tegen. De heer VAN LAMMEREN: Voor. Mevrouw MARTENS: Voor. Mevrouw MARTTIN: Voor. De heer MBARKI: Tegen. Mevrouw NADIF: Tegen. Mevrouw NANNINGA: Voor. Mevrouw NAOUM NÉHMÉ: Voor. Mevrouw VAN PIJPEN: Tegen. Mevrouw POOT: Voor. Mevrouw VAN RENSSEN: Tegen. Mevrouw ROOSMA: Tegen. Mevrouw LA ROSE: Tegen. De heer VAN SCHIJNDEL: Voor. De heer SCHREUDERS: Tegen. Mevrouw SIMONS: Voor. Mevrouw VAN SOEST: Voor. De heer TAIMOUNTI: Voor. Mevrouw TIMMAN: Tegen. De heer VROEGE: Tegen. Mevrouw A.L. BAKKER: Voor. De heer N.T. BAKKER: Tegen. De heer BIEMOND: Tegen. Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Voor. De heer BLOM: Tegen. De heer BOOMSMA: Voor. o3 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 11juni 2020 Comeenteraad Mevrouw BOSMAN: Tegen. De heer BOUTKAN: Tegen. De heer CGEDER: Voor. De heer VAN DANTZIG: Tegen. De heer ERNSTING: Tegen. De heer FLENTGE: Tegen. Mevrouw DE FOCKERT: Tegen. Mevrouw DE GRAVE-VERKERK: Voor. De heer GROEN: Tegen. Mevrouw GROOTEN: Tegen. De heer HAMMELBURG: Tegen. Mevrouw DE HEER: Tegen. Mevrouw DE JAGER: Tegen. Mevrouw DE JONG: Tegen. Mevrouw KAT: Tegen. De heer TORN: Voor. De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 700) is verworpen met 26 stemmen tegen en 18 stemmen voor. Aan de orde is de hoofdelijke stemming over de motie-Kreuger en Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 725). De VOORZITTER: Ik zal wederom een fiche trekken. We gaan zo dadelijk beginnen met nummer 13. Dat is mevrouw De Fockert. Ik kijk eerst even naar de griffier of we zover zijn. Ja? Oké. Ik moet altijd een beetje denken aan Hans Wiegel op dit soort momenten, maar goed, misschien ben ik de enige. Mevrouw DE FOCKERT: Tegen. Mevrouw DE GRAVE-VERKERK: Voor. De heer GROEN: Tegen. Mevrouw GROOTEN: Tegen. De heer HAMMELBURG: Tegen. 94 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Vergaderdatum 11juni 2020 Comeenteraad Mevrouw DE HEER: Tegen. Mevrouw DE JAGER: Tegen. Mevrouw DE JONG: Tegen. Mevrouw KAT: Tegen. Mevrouw KILIG: Voor. De heer KREUGER: Voor. Mevrouw EL KSAIHI: Tegen. De heer VAN LAMMEREN: Voor. Mevrouw MARTENS: Voor. Mevrouw MARTTIN: Voor. De heer MBARKI: Tegen. Mevrouw NADIF: Tegen. Mevrouw NANNINGA: Voor. Mevrouw NAOUM NÉHMÉ: Voor. Mevrouw VAN PIJPEN: Tegen. Mevrouw POOT: Voor. Mevrouw VAN RENSSEN: Tegen. Mevrouw ROOSMA: Tegen. Mevrouw LA ROSE: Tegen. De heer VAN SCHIJNDEL: Voor. De heer SCHREUDERS: Tegen. Mevrouw SIMONS: Tegen. Mevrouw VAN SOEST: Voor. De heer TAIMOUNTI: Voor. Mevrouw TIMMAN: Tegen. De heer VROEGE: Tegen. Mevrouw A.L. BAKKER: Voor. De heer N.T. BAKKER: Tegen. 95 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De heer BIEMOND: Tegen. Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Voor. De heer BLOM: Tegen. De heer BOOMSMA: Voor. Mevrouw BOSMAN: Tegen. De heer BOUTKAN: Tegen. De heer CGEDER: Voor. De heer VAN DANTZIG: Tegen. De heer ERNSTING: Tegen. De heer FLENTGE: Tegen. De heer TORN: Voor. De VOORZITTER constateert dat de motie-Kreuger en Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 725) is verworpen met 27 stemmen tegen en 17 stemmen voor. De raad is in de gelegenheid geweest om zijn wensen of bedenkingen te uiten over de concept Regionale Energiestrategie Noord-Holland Zuid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 669). 16. Wijzigen van de Parkeerverordening 2013. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647) Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647) is aangenomen met de stemmen van DENK en Partij van de Ouderen tegen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 647 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 17. Wijzigen van de Verordening Parkeerbelastingen 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650) Aan de orde is de stemming over het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 690). Het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 690) wordt bij zitten en opstaan verworpen. 56 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER constateert dat het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 690) is verworpen met de stemmen van Forum voor Democratie en DENK voor. Aan de orde is de stemming over het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 691). Het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 691) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 691) is verworpen met de stemmen van DENK en Forum voor Democratie voor. Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650) met algemene stemmen is aangenomen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 650 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 18. Kennisnemen van het onderzoek naar de fietsdiefstalbestrijding van de rekenkamer en het overnemen van de aanbevelingen. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645) Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645) is aangenomen met de stemmen van DENK en Partij van de Ouderen tegen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 645 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 21. Kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 658) De raad heeft kennisgenomen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 658). 22. 97 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering' (nr.937.19). (Gemeenteblad afd. 1, nr. 648) Aan de orde is de stemming over de motie-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692). De motie-Kilic (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Kilig (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692) is verworpen met de stemmen van BIJ1 en DENK voor. Aan de orde is de stemming over de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 694). De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 694) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 694) is aangenomen met de stemmen van ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren, SP, GroenLinks, PvdA, DENK en BIJ1 voor. De raad heeft kennisgenomen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering' (nr.937.19). (Gemeenteblad afd. 1, nr. 648) 23. Kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 664) De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw AL. Bakker voor een stemverklaring. Mevrouw A.L. BAKKER (stemverklaring): Over motie 726. Daar zullen wij tegen stemmen. Wij zijn het er weliswaar mee eens. We willen ook geen windmolens bij de Gaasperplas. Maar de motie roept ook op om juist wel zon op water te gaan stimuleren. Maar er is nog te weinig bekend van de effecten hierop op de ecologie. Dus vandaar kunnen wij dat niet steunen. Aan de orde is de stemming over de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 696). De motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 696) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 696) is aangenomen met de stemmen van Liberaal Conservatieve Fractie, ChristenUnie, CDA, D66, SP, GroenLinks, PvdA, Partij voor de Dieren en BIJ1 voor. 58 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Aan de orde is de stemming over de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 697). De motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 697) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 697) met algemene stemmen is aangenomen. Aan de orde is de stemming over de motie-Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 726). De motie-Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 726) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 726) is verworpen met de stemmen van VVD, Liberaal Conservatieve Fractie, Forum voor Democratie, DENK en CDA voor. De raad heeft kennisgenomen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 664) 24. Kennisnemen van de raadsbrief over programma bomen. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 665) Aan de orde is de stemming over de motie-Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705). De motie-Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705) is aangenomen met de stemmen van VVD en SP tegen. De raad heeft kennisgenomen van de raadsbrief over programma bomen. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 665) 25. Kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 654) Aan de orde is de stemming over de motie-Ceder en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 704). De motie-Ceder en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 704) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. 59 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen De VOORZITTER constateert dat de motie-Ceder en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 704) is aangenomen met de stemmen van Partij van de Ouderen, Liberaal Conservatieve Fractie, CDA, VVD, ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie, DENK en BIJ1 voor. De raad heeft kennisgenomen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 654) 26. Kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 666) Aan de orde is de stemming over de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 714). De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 714) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 714) is verworpen met de stemmen van BIJ1, Forum voor Democratie, Partij voor de Dieren voor. Aan de orde is de stemming over de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 715). De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 715) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 715) is verworpen met de stemmen van BIJ1 voor. De raad heeft kennisgenomen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 666) 27. Kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit, Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 667) De raad heeft kennisgenomen van de rapportage Programma Woningkwaliteit, Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 667) 28. Kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 655) De raad heeft kennisgenomen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 655) 60 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 29. Kennisnemen van de Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 657) Aan de orde is de stemming over de motie-Bloemberg-\ssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709). De motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709) is verworpen met de stemmen van Partij voor de Dieren, ChristenUnie en BIJ1 voor. Aan de orde is de stemming over de motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 710). De motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 710} wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 710) is verworpen met de stemmen van Partij voor de Dieren, Liberaal Conservatieve Fractie en BIJ1 voor. De raad heeft kennisgenomen van de Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659) 30. Kennisnemen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk Lydia. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 642) Aan de orde is de stemming over de motie-De Grave-Verkerk en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 707). De motie-De Grave-Verkerk en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 707) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-De Grave-Verkerk en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 707) is verworpen met de stemmen van VVD, ChristenUnie, Partij van de Ouderen, Liberaal Conservatieve Fractie, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie en DENK voor. De raad heeft kennisgenomen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk Lydia. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 642) 31. Kennisnemen van het ongevraagde advies van stadsdeelcommissie Oost inzake het functioneren van tramlijn 26. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 644) 61 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen Aan de orde is de stemming over de motie- (Gemeenteblad afd. 1, nr. 722). De motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 722) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 722) met algemene stemmen is aangenomen. Aan de orde is de stemming over de motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 724). De motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 724) wordt bij zitten en opstaan verworpen. De VOORZITTER constateert dat de motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 724) is verworpen met de stemmen van Partij van de Ouderen, Liberaal Conservatieve Fractie, CDA, ChristenUnie, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie en DENK voor. De raad heeft kennisgenomen van het ongevraagde advies van stadsdeelcommissie Oost inzake het functioneren van tramlijn 26. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 644) 33. Instemmen met het niet indienen van zienswijze ten aanzien van het voorstel resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 Omgevingsdienst Noordzee Kanaalgebied. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671) Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671). De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671) met de stemmen van Partij van de Ouderen tegen is aangenomen. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 671 van afd. 1 van het Gemeenteblad. 34. Kennisnemen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021 van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied en het afzien van het indienen van een zienswijze. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 661) De raad heeft kennisgenomen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021 van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied en het afzien van het indienen van een zienswijze. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 661) 62 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Afdeling 2 Gemeenteraad Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 35. Kennisnemen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten Burgerschap. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 649) De raad heeft kennisgenomen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten Burgerschap. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 649) De VOORZITTER: Dan is het inmiddels 22:45 uur. Zijn we aan het einde gekomen van deze raadsvergadering van vier dagdelen. Wil ik u allen hartelijk danken, wens ik u nog een heel prettige avond en wens ik u wel thuis. De vergadering is gesloten. 63 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen INDEX 1479 Motie van het lid Yilmaz inzake de beleidsbrief ‘Amsterdammerschap in het onderwijs’ (bevoegdheidseis voor docenten Burgerschap) … … nnen 43 642 Kennisnemen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk Lydia. nnen vennen eener rseennnererennvenen eener ee venver serene veeeereeenneevene Î 646 Beschikbaar stellen van een extra (rendabel) krediet van 6,3 miljoen euro voor de installatie van reclamedisplays in metrostations. …… nennen eneen Î 648 Kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering' (nr.937.19). 649 Kennisnemen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten Burgerschap. .43 651 Kennisnemen van het raadsadres met het verzoek tot detaillering van berekening canon bij overstap William Barlowlaan. … … …… … neen eener eener eenen Î 653 Vaststellen van de financiële bijdragen betreffende de fractieondersteuning over 655 Kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. … … … 35 656 Bekrachtigen van de geheimhouding. … …………….n nee enenneeenee renee svenn  658 Kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. … … … … nd 661 Kennisnemen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021 van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied en het afzien van het indienen van een zienswijze. … … nnn Á 3 664 Kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. … … … … 18 665 Kennisnemen van de raadsbrief over programma bomen. … nnen 21 666 Kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling.… … … … … 30 667 Kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit, Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. nnee eeens JÔ 667 Kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt. …… … … … 26 668 Kennisnemen van het onderzoeksrapport ‘Op weg naar een aardgasvrije Van der LL EE 671 Instemmen met het niet indienen van zienswijze ten aanzien van het voorstel resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 Omgevingsdienst Noordzee Kanaalgebied. … … nonnen vennnereneeseeneeennner vennen eener eeever eneen eere 672 Geheim. … nnen vene renerenereverveneeneenennereveneere eee eneveerenee veen vereee  673 Benoemen van leden van de begeleidende commissie inzake een extern onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid. …… … nanne ennen nnene ennen ÂÁ 683 Benoemen van een lid van het presidium. … … nnen de Á 684 Herbenoemen van de voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. … … … … 43 692 Motie van het lid Kilig inzake de Factsheet basisschooladvies (overgangsregelingen van scholen en het zoveel mogelijk voorkomen om leerlingen niet te laten doorstromen) 693 Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (sancties voor scholen die onderadviseren)… … nnee eneen eneen eener seeeenneeeennneeneneennnenn Î2 694 Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (gesprekken met het BBO voor aanpassing kernprocedure) … … unne 12 696 Motie van het lid Van Renssen inzake de Strategie Klimaatadaptie (maatregelen eigen terrein} … … ennen renner sneren eener eenneneeenveeeneneer venen nnee ÎÒ 64 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Afdeling 2 Gemeenteraad R Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen 697 Motie van het lid Van Renssen inzake Strategie Klimaatadaptatie (onderzoek naar norm waterberging) … … … nennen eneen enner eneen eeen eeneenen eenen 1 704 Motie van de leden Ceder en Boomsma inzake de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt (verkoop sociale huurwoningen aan bewoners zelf) … ……… … … 26 705 Motie van de leden Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer inzake de raadsbrief over het programma bomen (herplant bij het omvormen tot ecologische houtopstand) … … nnen ennen eenen veneesnneernnee nnee ÈÎ 707 Motie van de leden De Grave-Verkerk en Boomsma inzake het behoud van Huize Lydia... ennen erennnere eener renee ervarenen eener eevenver senen eee reevererneee Î 709 Kennisnemen van het Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern. … …… neer eenervenvereee renee rverenenven venen OÔ 709 Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en het Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (bestaande volkstuinparken behouden) …… 36 710 Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en het Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (geen woningbouw voor onderzoeksresultaten gezondheidseffecten Schiphol). … … … nennen eener eener veeenneeeen ener seee eeen OÓ 714 Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling (WOON! betrekken bij urgentie) … … … nanne nennen rennen nenee renee eneen OÛ 715 Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling (nieuwe urgentiecategorie) … … nnee eneen Ä 716' Amendement van de leden Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen inzake het Jaarverslag 2019 …… anneer eeennnererenneneeeeeee ee vennvere vermeer eenerveenver rvan  726 Motie van het lid Naoum Néhmé inzake concept Regionale Energiestrategie Noord- Holland Zuid (Geen windmolens bij de Gaasperplas en landelijk Noord) … … … 18 65
Raadsnotulen
65
train
X Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2013 Afdeling 1 Nummer 983 Publicatiedatum 30 oktober 2013 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van de raadsleden de heer F.M. Molenaar en mevrouw G.A.M. van Doorninck van 9 januari 2013 inzake de evaluatie van en mogelijke maatregelen tegen vuurwerkoverlast rond de jaarwisseling. Amsterdam, 28 oktober 2013 Aan de gemeenteraad inleiding door vragenstellers: Via het landelijk meldpunt vuurwerkoverlast van GroenLinks is tussen 20 december 2012 en 3 januari 2013 door Amsterdammers 3834 keer geklaagd over harde vuurwerkknallen, te vroeg afgestoken vuurwerk, autobranden, achtergelaten rommel, overlast en gevaarlijke situaties voor mens en dier. In totaal kwamen er bij het digitale meldpunt 82.212 meldingen binnen. Veertig procent van de meldingen ging over overlast door vuurwerkbommen, die mensen soms nachten uit hun slaap houden. Een andere grote ergernis was het te vroeg afsteken van vuurwerk (34%). Andere meldingen gingen over vuurwerkstress bij huisdieren (11%) en over vuurwerkschade en gevaarlijke situaties op straat (8%). Na de start van de vuurwerkverkoop — vier dagen de jaarwisseling — nam het aantal klachten explosief toe. Het landelijk meldpunt was een initiatief van 15 lokale fracties van GroenLinks. Het is een reactie op de elk jaar toenemende vuurwerkoverlast. Het gaat daarbij over overlast door voortijdig afsteken van vuurwerk, waardoor veel mensen en dieren zich onveilig voelen. Maar ook over de tientallen gewonden, miljoenen euro's schade en duizenden kilo's afval waar het nieuwe jaar mee wordt ingeluid. In de oudejaarsnacht is het bovendien op sommige plekken gevaarlijk om te ademen: de zware metalen die verwerkt zijn in het siervuurwerk kunnen voor een giftige smog zorgen. De fractie van GroenLinks vindt al langer dat de voordelen van door consumenten afgestoken vuurwerk niet opwegen tegen de nadelen. De tonnen schade aan woningen, auto’s en andere eigendommen, de vele al dan niet met opzet ontstane brandjes, de talloze gevallen van ernstige letselschade waaronder jaarlijks gemiddeld 25 verblinde ogen en 40 mensen die hun hand (deels) moeten missen, de vervuiling door de smog en de overlast voor mens en (huis)dier. De fractie van GroenLinks wil daarom dat de vuurwerktraditie wordt gemoderniseerd. Met Oud en Nieuw wordt vuurwerk uitsluitend afgestoken bij professionele vuurwerkshows. In steeds meer landen gebeurt het al op deze manier. Hierdoor heb je wel de voordelen, maar zijn de nadelen minimaal. Waar een verbod op consumentenvuurwerk is ingevoerd, nam het aantal slachtoffers spectaculair af. Het 1 Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Demmer oe oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013 standpunt van de fractie van GroenLinks krijgt onder andere bijval van de Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) en het Oogheelkundig Gezelschap (NOG), die rond Oud en Nieuw honderden slachtoffers moeten behandelen’. In de Volkskrant van 9 januari 2013° zegt mevrouw Marieke Dijkema van de GGD Amsterdam, expert op het gebied van fijnstof, dat het nog onduidelijk is hoe schadelijk de vuurwerkdampen voor de volksgezondheid zijn. *'We weten dat zelfs kortdurende verhoogde fijn stof concentraties tot extra hartaanvallen, beroertes en ziekenhuisopnamen van longpatiënten leiden, maar dit is nooit specifiek onderzocht voor fijn stof door vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Uit hetzelfde artikel blijkt dat de GGD in Amsterdam een fijnstofpiek tot 250 rapporteerde, terwijl de Europese fijnstofregels lidstaten voorschrijven de gemiddelde concentraties van fijnstof beneden de 40 microgram te houden. De fractie van GroenLinks maakt zich grote zorgen over de gezondheidseffecten van de ultra fijnstof die vrijkomt bij het afsteken van vuurwerk. Door de weersomstandigheden viel de concentratie dit jaar waarschijnlijk lager uit dan in andere jaren. Uit een onlangs in opdracht van de fractie van GroenLinks door No Ties gehouden opiniepeiling onder 1363 Nederlanders bleek dat 75% van de ondervraagde Amsterdammers meent dat vuurwerk tot overlast leidt, en 37% heeft zelf overlast ervaren. Een meerderheid van 52% van de Amsterdammers is inmiddels voorstander van een verbod op consumentenvuurwerk, al dan niet gecombineerd met het centraal afsteken van professioneel vuurwerk tijdens Oud en Nieuw. Gezien het vorenstaande hebben vragenstellers op 9 januari 2013, beiden namens de fractie van GroenLinks, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen tot het college van burgemeester en wethouders gericht: 1. Heeft het college kennisgenomen van het landelijk meldpunt vuurwerkoverlast, het artikel in de Volkskrant, de Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) en het Oogheelkundig Gezelschap (NOG)? Antwoord: Ja. 2. Deelt het college de zorgen van de fractie van GroenLinks zoals hiervoren beschreven? Antwoord: De jaarwisseling 2012-2013 is in Amsterdam wederom relatief rustig verlopen. In de evaluatie, die conform de toezegging aan de Raad wordt aangeboden, wordt ingegaan op het verloop. De politie geeft aan dat het aantal aanhoudingen en incidenten fors is gedaald en ook het aantal containerbranden neemt de afgelopen jaren af. Wat met name opviel de afgelopen jaarwisseling is de ' http://nos.nl/artikel/458855-vuurwerk-consumenten-in-de-ban.html ? http://www .volkskrant.nl/vk/nl/2672/Wetenschap- Gezondheid/article/detail/3374314/2013/01/09/Vuurwerk-afsteken-leidt-tot-extreme-concentraties fijnstof.dhtml?utm_source=scherm18&utm medium=button&utm campaign=Cookiecheck 2 Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R Neeing dea Gemeenteblad Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013 toename van het aantal vuurwerkslachtoffers en daaraan gerelateerde ambulanceritten, die ook landelijk te zien is. Sinds de jaarwisseling van 2011-2012 wordt door de GHOR en door de ingezette EHBO-posten geregistreerd op het aantal vuurwerk gewonden. Tijdens de editie van 2011-2012 zijn 7 ambulanceritten uitgevoerd én zijn 3 mensen behandeld in een EHBO-post naar aanleiding van vuurwerkincidenten. Tijdens de editie 2012-2013 zijn 38 ambulanceritten uitgevoerd én 7 mensen behandeld in de EHBO-posten naar aanleiding van vuurwerkincidenten. In de evaluatie van de jaarwisseling is achteraf samen met de Geneeskundige Hulpverlening tevens gekeken naar de mogelijke oorzaken van deze toename. De Geneeskundige Hulpverlening heeft aangegeven dat het vaak uit privacyoverwegingen niet mogelijk is, om (achteraf) een dergelijk onderzoek te doen. Breder bestaat wel het vermoeden dat er een relatie met illegaal vuurwerk te leggen is. In de voorbereiding op komende jaarwisseling zal worden gekeken of het mogelijk is om meer inzicht te verkrijgen in de aard van de individuele vuurwerkverwondingen (zijn de verwondingen te relateren aan illegaal vuurwerk, aan pijlen ect.). De jaarwisseling wordt in Amsterdam traditioneel beschouwd als een risicovolle periode, die gepaard gaat met een grote inzet van nood- en hulpdiensten. Maar het College ziet de viering van de jaarwisseling vooral als een feestelijke gebeurtenis die gebaseerd is op een lange traditie. Vuurwerk neemt daarbij een centrale plaats in. De traditie gaat ook gepaard met tijdelijke overlast. De beschikbare handhavingscapaciteit en inzet van nood- en hulpdiensten kent zijn grenzen. Het is daarom van belang om ook een beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van bewoners en bezoekers van de stad. Als het gaat om de aanpak van de vuurwerkproblematiek wil het College de focus leggen op de aanpak van zwaar illegaal vuurwerk. Het College ziet vooralsnog geen aanleiding om extra beperkingen of verboden op te leggen ten aanzien van legaal vuurwerk. 3. Is het college bereid om de Amsterdamse vuurwerk ongevallencijfers van de afgelopen jaren in beeld kan brengen, en daarbij in het bijzonder over de aantallen en ernst van letselschades (oog- en handschades) aan de gemeenteraad te rapporteren? Antwoord: Zie de beantwoording van vraag 2. 4. Is het college bereid om over de vuurwerkschade ten gevolge van branden, zoals auto's en (on)roerende goederen, ontstaan door vuurwerk in kaart te brengen en hierover aan de gemeenteraad te rapporteren? Antwoord: OOV registreert vanaf 2009 de branden in vuil- en papiercontainers om gericht deze problematiek aan te pakken. Zoals u in de evaluatie kunt lezen laat deze registratie de afgelopen jaren een geleidelijke daling zien van containerbranden over de gehele stad. Voor de komende jaarwisseling zal aan de stadsdelen gevraagd worden om overige schade aan gemeente eigendommen ontstaan door vuurwerk ook in kaart te brengen. 3 Jaar 2013 Gemeente Amsterdam Neeing dea Gemeenteblad R Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013 5. Is het college bereid om samen met andere gemeenten onderzoek te doen naar de precieze gezondheidseffecten van de vuurwerkdampen die vrijkomen bij het afsteken van vuurwerk tijdens de viering van Oud en Nieuw? Kan het college het antwoord toelichten? Antwoord: De GGD is gevraagd om aan te geven of het mogelijk is (mogelijk in samenwerking met andere gemeenten) een onderzoek uit te laten voeren naar de gezondheidseffecten van de vuurwerkdampen. Daarover wordt in de evaluatie het volgende aangegeven: Het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling leidt tot kortstondige verhoogde concentraties fijnstof. Doorgaans is het gehalte van fijnstof rondom de jaarwisseling enkele uren na middennacht weer op het reguliere niveau. Omdat vuurwerkdampen zo kortstondig (enkele uren) tot pieken leiden is het uitvoeren van epidemiologisch onderzoek (d.w.z. onderzoek bij grote groepen mensen) erg lastig, zo niet onmogelijk. Een verband tussen blootstelling aan luchtverontreiniging en gezondheid is in epidemiologisch onderzoek enkel aantoonbaar bij meer langdurig verhoogde concentraties. Als het weerbericht zodanig is dat langdurig hoge concentraties worden verwacht (bijv. bij mist of zwakke wind) wordt door het RIVM met het publiek gecommuniceerd over de gezondheidseffecten hiervan en de maatregelen die het publiek zelf kunnen nemen om de gezondheidseffecten te verminderen. 6. Kan het college de gemaakte en te maken kosten voor preventie en herstel van mensen, dier en goederen ten gevolge van het afsteken van vuurwerk in kaart brengen en hierover aan de gemeenteraad te rapporteren? Antwoord: Zoals aangegeven bij vraag 4 worden de stadsdelen gevraagd dit jaar alle schade gemeente eigendommen inzichtelijk te maken. Op de overige kosten voor preventie en herstel van mensen, dier en persoonlijke goederen ten gevolge van het afsteken van vuurwerk heeft de gemeente geen zicht, dit betreft voor een belangrijk deel verzekeringskosten. 7. Is het college bereid om de komende jaarwisseling extra inspanningen te verrichten op het vlak van handhaving om het verkopen dan wel bezitten van illegaal vuurwerk onder controle te krijgen en om de overlast en schade van vuurwerk te beperken? Antwoord: Het College is bekend met de toename van de overlast en is bereid daar waar mogelijk extra inspanningen te leveren. Toezicht op handel en het bezit van illegaal vuurwerk is primair een zaak voor het Openbaar Ministerie. Dit jaar heeft de politie eenheid Amsterdam 20 agenten opgeleid in het kader van opsporen en herkennen van zwaar illegaal vuurwerk en deze herfst begint de intensivering op de opsporing van handel in illegaal vuurwerk. Tevens controleert de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied in de aanloop naar de jaarwisseling de reguliere verkooppunten. Als tijdens deze controles illegaal vuurwerk wordt 4 Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R Neeing dea Gemeenteblad Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013 aangetroffen, wordt het Openbaar Ministerie hierover geïnformeerd en vindt handhaving plaats. Net als voorgaande jaren treedt de politie op tegen vuurwerkoverlast, door op te treden tegen te vroeg afsteken en bij gevaarlijke situaties. In de sancties is veelal verwezen naar Halt. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft per brief dd 25 september 2013 (m.b.t. de aandachtspunten voor de jaarwisseling 2013-2014) aangegeven dat het afgelopen jaar veel aandacht is gegeven aan het opsporen van illegaal zwaar knalvuurwerk dat ondermeer via websites wordt aangeboden en via pakketdiensten wordt verstuurd. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) brengt in samenwerking met de politie deze vuurwerkstromen in beeld. Evenals voorgaande jaren blijkt dat veel illegaal gevaarlijk vuurwerk afkomstig is uit Oost- Europa. De ILT heeft afgelopen jaar de contacten met deze landen verder uitgebouwd, onder meer door het uitwisselen van inspecteurs. Deze aanpak zal komend jaar worden voortgezet. Ook het komende jaar worden ingezet op de aanpak en het terugdringen van gebruik van illegaal vuurwerk. Daarbij zal wederom gebruik worden gemaakt van de inzet van de Taskforce Opsporing Vuurwerkbommenmakers die via internet en sociale media, met name jongeren, effectief aanspreekt op het gebruik van illegaal vuurwerk. 8. Is het college bereid zich ervoor in te zetten om de verkoop van consumentenvuurwerk de volgende jaren te beperken tot 2 aaneengesloten dagen, dat wil zeggen de periode van 30 tot 31 december, zodat de ervaren overlast vooruitlopend op Oud en Nieuw beperkt wordt? Antwoord: De drie verkoopdagen zijn wettelijk vastgesteld. De spreiding van de verkoop over drie dagen heeft juist de intentie de overlast rondom verkooppunten te beperken. De focus van het College is gericht op de aanpak van zwaar illegaal vuurwerk. Het beperken van de legale verkoop leidt wellicht juist tot meer illegale verkoop. 9. Is het college bereid zich samen met de stadsdelen in te zetten voor uitbreiding van centraal afgestoken vuurwerklocaties, zodat er wellicht volgend jaar in elk stadsdeel een plek is waar men van professioneel vuurwerk kan genieten tijdens de jaarwisseling? Antwoord: De Gemeente Amsterdam steekt middelen en energie in het centraal afgestoken vuurwerk dat op het Oosterdok wordt georganiseerd en staat als vergunningverlener open voor andere initiatieven. Mochten er andere aanvragen binnen komen, dan zal worden beoordeeld of deze bijdragen aan een veilige en feestelijk jaarwisseling, mede in relatie tot de beschikbare handhavingscapaciteit. 5 Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R Neeing dea Gemeenteblad Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013 10. Is het college bereid te onderzoeken of een verbod op het afsteken van vuurwerk door particulieren op bepaalde locaties of in bepaalde stadsdelen zin heeft, bijvoorbeeld om de kans op het uitbreken van branden ten gevolge van vuurwerkpijlen in de historische binnenstad te beperken? Antwoord: In verband met de tijdelijke overlast is met name voor kwetsbare locaties zoals bij Artis reeds een verbod op het afsteken van vuurwerk. Vanuit brandveiligheids- perspectief ziet de Brandweer geen aanleiding om tijdens de jaarwisseling op meer plaatsen in de stad een vuurwerkverbod af te kondigen. Het college ziet vooralsnog dan ook geen reden om andere locaties aan te wijzen waarvoor een algeheel vuurwerkverbod zou moeten gelden. 11. Kan het college een analyse geven van het centraal afgestoken vuurwerk aan het Oosterdok? Hoeveel heeft dit gekost en hoeveel mensen zijn hier op af gekomen? Was, gelet op de relatief geringe belangstelling in vergelijking met andere jaren, deze locatie wel de meest geschikte? Antwoord: Vorig jaar is voor het eerst een centraal vuurwerkmoment georganiseerd op het Oosterdok, dit mede omdat het evenement van de Staatloterij op het Museumplein wegviel. Het vuurwerkmoment op het Oosterdok is georganiseerd vanuit de gemeente en deels bekostigd door de gemeente, deels door IDTV. De bijdrage in de kosten vanuit de gemeente aan dit landelijke tv-/vuurwerk- moment was in 2012 € 270.000,-. Hoewel het slecht weer was, heeft het vuurwerkmoment ongeveer 5000 bezoekers aangetrokken. Buiten deze toeschouwers hebben nog ruim 1 miljoen tv-kijkers het moment vanuit Amsterdam gezien. Daarbovenop zijn de beelden op verschillende internationale zenders getoond. Vanuit de politie, brandweer, GHOR, en het evenementenbureau wordt positief teruggekeken op dit vaurwerkmoment dat zonder noemenswaardige incidenten is verlopen. De planning is dat er komende jaarwisseling wederom een vuurwerkmoment komt op deze locatie, waarbij de focus vooral op het 24.00 uur moment ligt. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 6
Schriftelijke Vraag
6
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Motie Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 1214 Publicatiedatum 12 oktober 2016 Ingekomen onder G Ingekomen op 5 oktober 2016 Behandeld op 5 oktober 2016 Status Aangenomen Onderwerp Motie van het lid Ernsting inzake de Nota van Uitgangspunten en het Voorlopig Ontwerp voor de Van Woustraat (onderzoek autovrije ‘knip’ in de Van Woustraat). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Nota van Uitgangspunten en het Voorlopig Ontwerp voor de Van Woustraat (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1191). Constaterende dat: — in de bestuurscommissie Zuid een Voorlopig Ontwerp voor de herinrichting van de van Woustraat is aangenomen. Overwegende dat: — de Van Woustraat een belangrijke netwerkfunctie vervult in het plusnet fiets en voor de fietsbereikbaarheid van de stad belangrijk is; — de Van Woustraat ook plusnet voet is, en met de steeds drukker wordende Albert Cuypmarkt een typisch grootstedelijke functie vervult; — het plusnetten systematiek een stedelijk kader is, met normen voor de inrichting van de ruimte voor fietsers en voetgangers; — de raad de Van Woustraat per amendement heeft genoemd in de Uitvoeringsagenda Mobiliteit als voorbeeld van een stadsstraat; — het VO inrijdend autoverkeer (mede) afwentelt op de Weteringschans in stadsdeel Centrum; — stadsdeel Zuid het besluit over het VO heeft genomen zonder advies van de Centrale Verkeers Commissie; — bewoners en ondernemersgroepen een oproep hebben gedaan om te onderzoeken of een deel van de van Woustraat autovrij zou kunnen worden ingericht, om doorgaand autoverkeer onmogelijk te maken en zodoende meer ruimte voor fietsers en voetgangers te creëren. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — een kentekenonderzoek te doen naar de omvang van het doorgaande autoverkeer in de Van Woustraat; — serieus onderzoek te doen naar het realiseren van een autovrij deel (‘knip’) in de Van Woustraat, tussen de Stadhouderskade en de Govert Flinckstraat, dan wel tussen de Stadhouderskade en de Ceintuurbaan. 1 Het lid van de gemeenteraad Z.D. Ernsting 2
Motie
2
discard
> Gemeente Amsterdam Kwartaalrapportage Q2 2020 Programma Lightrail 2020 -2040 PLR/OVG/227 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 2 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 Kwartaalrapportage Q1 2020 Programma Lightrail 2020 — 2040 Verslag nummer 5 Dossier Kwartaalrapportages Programma Lightrail 2020 -2040 Documentnummer PLR/OVG/266/3 3 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 Inhoud 1 Inleiding …… ss snsnsnnnonen eenn renersensnnnnenenseenersenennnnnsnenrensenvennnnnnenennenreenensenennnnenenrennnen 5 1.1 Doel kwartaalrapportage en rapportageperiode nennen ennen ennvenneenneerseernen 5 1.2 Managementsamenvatting … unne ensen ennenenenenenseerenserensenenenenseerenserensenenseerensereensen 5 1.3 Leeswijzer ennn aanrennen enserennenenseerensenenserrenerennnenenseerenserenvenensenenseerenserenvenensneneneree 2 Voortgang programma … .nsssssoosrenserrnerrennenvennsennserreneerennenennnenrsvnenrenserenverrnnnenrnnnnr Ö 2.1 Inleiding... nonnen ennen enneenen ennen venvennnenvenvennvenveeneeneennvenvenvenvensvenvenvensvenveeveenvenn Ö 2.2 Realiseren Amsterdamse bijdrage aan MASH nonnen eneenennneeneen G 2.3 Stakeholdermanagement binnen gemeente Amsterdam en context … … … … 10 3 Programmabeheersing … usus sns onrenneneenennennnnenenseenersenennnnenenseensenvennnnnsnenreneerne 12 3.1 Programmaplanning … nonnen envenveneeeneeenenneeneenenenvenvenenenvenvenseenveenvenvenveneenen 12 3.2 Financiën … annen eneen enne neerenenenennneereeeenrenennenverveeeenenennenvenenvenenennverveeennenenne neer 12 3-3 Risicomanagement nnen neen enneneen enne neeneneeevenseerenenneneenensenervenneerveenverveenenene ÂÌ 3.4 Tegenspraak … nennen enne nnenneeneenenenvenvenenenvenvennvenvenvenseenvenvenveenvenveeneenee Dl 4 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 1 Inleiding 1.1 Doel kwartaalrapportage en rapportageperiode Voor u ligt de vijfde kwartaalrapportage van het Programma Lightrail 2020 - 2040. Het programma is ondergebracht bij de afdeling Bijzondere Opdrachten van Metro en Tram (MET). Het Programma Lightrail 2020-2040 levert de Amsterdamse bijdrage aan het onderzoek naar 2 metro-uitbreidingen (doortrekken Noord/Zuidlijn naar Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn) onder de naam Toekomstbestending Mobiliteitssysteem Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp (MASH). Deze kwartaalrapportage geeft het gemeentebestuur, de gemeentedirecties en de strategische partners inzicht in het gevolgde proces tot en met het tweede kwartaal van 2020. Een inhoudelijke rapportage met de bereikte resultaten is 11 juni vastgesteld door de Programmaraad Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBAB). 1.2 Managementsamenvatting Met de positieve besluitvorming door de Programmaraad SBAB over de (gefaseerde) verlenging van de Noord/Zuidlijn naar Hoofddorp en een vervolgonderzoek naar het sluiten van de Ringlijn is het Programma Lightrail tevreden over de behaalde resultaten: we zijn goed op koers richting het Bestuurlijk Overleg (BO) MIRT in november 2020. Coronacrisis In Q2 2020 is onderzocht of een versnelde en gefaseerde realisatie van de metro-uitbreidingen na de coronacrisis mogelijk is. Vooral station Amsterdam Zuid lijkt interessant in verband met synergie met het ontwerp- en aanbestedingstraject van Zuidasdok. Het door het kabinet door het corona uitgestelde Groeifonds lijkt vooralsnog met Prinsjesdag als een Investeringsfonds gepresenteerd te worden. Afronding onderzoeksfase MASH Het onderzoek MASH is afgerond met een eindrapportage. Hierin wordt de hypothese bevestigd: het doortrekken van de Noord/Zuidlijn naar Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn heeft een groot probleemoplossend vermogen voor de bereikbaarheidsopgave aan de westzijde van de stad. De investeringskosten van beide metro-uitbreidingen zijn samen tussen de €3 en €5 miljard. Start realisatie bouw in 2025 en start exploitatie begin jaren 30. Op basis van de eindrapportages MASH en Zuidwest Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp (ZWASH) heeft de Programmaraad SBAB op 11 juni het volgende besloten: =__ Akkoord voor het verder onderzoeken van een gefaseerde verlenging van de Noord/Zuidlijn naar Schiphol (“no regret”) en Hoofddorp. = _ Nadere uitwerking van de multimodale bereikbaarheidspakketten a) Noord/Zuidlijn en Ringlijn en b) Noord/Zuidlijn en Airportsprinter. = Nadere vitwerking van wegenpakket in aanvulling op het OV-pakket 5 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 = Nadere vitwerking van de bekostiging van het multimodale bereikbaarheidspakket welke de basis zal vormen voor de verkenningsfase. De resultaten van de onderzoeken ZWASH, MASH en Airportsprinter vormen de basis voor definitieve besluitvorming in het BO MIRT van 25 november. Organisatie vervolgfase Voor de vitwerking van bovenstaande onderzoekspakketten zal een werkorganisatie van MASH en ZWASH onder het programma het programma SBAB worden opgezet. Gezamenlijk opdrachtgeverschap ligt bij het Rijk en de Regio MRA, opdrachtnemerschap zal tevens op basis van een duoschap Rijkf/regio plaatsvinden door zowel een projectleider van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (l&W) als namens de regio. Het Programma Lightrail stelt, met input van de overige 6 MASH partijen en het Rijk, een voorstel op voor de benodigde programma organisatie voor zowel de resterende onderzoeksfase (tot november 2020) als de MIRT verkenningsfase (start november 2020). Stakeholdermanagement en communicatie Vanuit het programma Rijk-regio wordt het BO MIRT voorbereid en is de Amsterdamse input (trekkerschap directie Economische Zaken) voor het Groeiflnvesteringsfonds ingediend. Vanuit het programma Rijk-regio voert Public Affairs en Bestuurlijke Projecten een lobbystrategie die inzet op 3 sporen: a) Vervoerregio en SBAB via stakeholdermanagement b) besluitvorming huidig kabinet via MIRT en Groeifonds en c) richting het nieuwe kabinet via inzet op verkiezingsprogramma'’s en formatie. Voorafgaand aan de Programmaraad van 21 juni is een gezamenlijke woordvoeringslijn opgesteld en er is voor gekozen de communicatie via de SBAB nieuwsbrief en SBAB website te laten plaatsvinden. Planning = _BO MASH ntb: Overleg met MASH partners t.b.v. bekostiging = Programmaraad SBAB 28 oktober = _ Bestuurlijk Overleg MIRT 25 november: besluitvorming tot start “MIRT verkenning”. Financiën Voor het jaar 2020 is een budget van € 2 miljoen begroot, financieel gedekt uit gelijke bijdragen uit het SMF en het Vereveningsfonds (VEF). De bijdrage uit het VEF 2020 is 1 juli door de gemeenteraad geaccordeerd. De realisatie van de programmakosten in de eerste helft van 2020 past binnen de begroting. Risico's 1. De positieve effecten op het totale regionale OV-netwerk van de combinatie van de tracés Zuid- Schiphol-Hoofddorp en sluiten Ringlijn tussen Isolatorweg — Centraal Station komen onvoldoende over het voetlicht. De kracht van het hypotheseonderzoek ligt juist in de combinatie van beide tracés: de koppeling van de Ringlijn aan de Oostlijn heeft voordelen voor het totale OV- netwerk. Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 21 juni wordt in het najaar nog een vergelijkend onderzoek gedaan tussen de Ringlijn en de Airportsprinter. Beheersing van dit risico door het versterken van de argumentatie voor het sluiten van de Ringlijn. Aantonen voordelen voor het totale netwerk door de koppeling met de Oostlijn door de vervoerwaarde aan te tonen (op basis van de uitkomsten uit de werkstroom 3). 6 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 2. Vertraging MIRT- verkenning (start nov 2020) Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 11 juni wordt in het najaar nog een vergelijkend onderzoek gedaan tussen twee multimodale bereikbaarheidspakketten met als belangrijkste verschil een gesloten Ringlijn of Airportsprinter. Daarnaast kan de bestuurlijke aandacht en besluitvorming door de coronacrisis vertragen. De crisis biedt ook kansen tot versnelling door anticyclisch te investeren om de economie op gang te brengen. Dit door een gefaseerde en versnelde uitbreiding van de metrolijnen. Beheersing door eigen initiatief te nemen om de onderzoeksresultaten zoveel mogelijk uit te werken; in de periode tot november 2020 blijven inzetten op bekostiging/ financiering, wetende dat door de corona-crisis de prioriteiten anders zijn komen te liggen. Er zijn voldoende redenen om de MIRT verkenning in november 2020 te starten en de financiering tijdens de eerste fase van het verkenningsfase af te ronden. Inzetten op bijdrage uit het Groei/lnvesteringsfonds. 3. Regionaal draagvlak. Om de kansen voor de inzet te verstevigen is breed regionaal draagvlak een pré. Beheersing: het is van belang dat we als regio gezamenlijk optrekken. Hiervoor aantonen van nut en noodzaak van de lijnen. Samen met de regio een bredere OV 2040 agenda opstellen met fasering van de verschillende OV infrastructuurprojecten. 1.3 Leeswijzer De voortgang van het Programma Lightrail 2020- 2040 is beschreven in hoofdstuk 2. Hierbij wordt specifiek ingegaan op het Amsterdamse aandeel in het hypotheseonderzoek en de aanpak van het stakeholdermanagement. In hoofdstuk drie worden de verschillende beheersingsaspecten van het programma toegelicht waaronder de programmaplanning, begroting en financiën en het risicomanagement. 7 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 2 Voortgang programma 2.1 Inleiding De Gemeente Amsterdam, Gemeente Haarlemmermeer, Schiphol, KLM, NS, ProRail & VRA werken sinds januari 2019 gezamenlijk de hypothese uit dat het doortrekken van de Noord/Zuidlijn naar Schiphol en Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn een groot probleemoplossend vermogen heeft voor de bereikbaarheidsopgave aan de westzijde van de stad. De VRA heeft hierbij de coördinerende rol tussen de 7 partijen. De uitwerking van de hypothese wordt aangeduid met de naam Toekomstbestendig Mobiliteitssysteem Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp (MASH). De 7 partijen hebben de uitwerking verdeeld aan de hand van drie hoofdwerkstromen: a) Tracé en kosten (trekker: Gemeente Amsterdam, Haarlemmermeer) b) Bekostiging & business case (trekkers: Gemeente Amsterdam en Schiphol) c) Vervoerskundige vitwerking _ (trekkers: ProRail, NS en VRA) Programma Lightrail 2020-2040 Het Programma Lightrail 2020 — 2040 richt zich op: 1. Het realiseren van de Amsterdamse bijdrage aan MASH: advies voor voorkeurstracés naar Schiphol-Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn tussen station Isolatorweg naar Centraal Station, inclusief hoofdkeuzes t.a.v. systemen en rijdend materieel. Van deze voorkeursvariant zal een kostenindicatie opgesteld worden voor de initiële aanleg, exploitatie en beheer & onderhoudskosten. 2. In hetlicht van de prioriteit voor deze 2 mogelijke uitbreidingen van het metronet komen tot, en bijhouden van, een lightrail agenda gericht op het bereikbaar en leefbaar houden van Amsterdam in de periode 2020 — 204,0. 3. Het programmateam vormt de verbindende factor tussen de verschillende stakeholders binnen de gemeente Amsterdam (en overige stakeholders in samenwerking met de VRA), stelt het gemeenschappelijk belang centraal bij de inhoudelijke vitwerking en neemt bij eventuele conflicten in belangen, een faciliterende rol in om deze te overbruggen en tot besluitvorming te brengen. Afbakening Q2 2020 rapportage Deze rapportage beschrijft het proces dat is gevolgd. Een inhoudelijke rapportage met de bereikte resultaten is 11 juni vastgesteld door de Programmaraad Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBAB). 8 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 2.2 Realiseren Amsterdamse bijdrage aan MASH In deze paragraaf worden de uitgevoerde activiteiten per werkstroom toegelicht. Werkstroom a) Tracé, systeemkeuzes en kosten De eindrapportage van werkgroep A is afgerond en ter besluitvorming aangeboden aan de Programmaraad SBAB. De investeringskosten van beide metro-uitbreidingen zijn samen tussen de €3 en €5 miljard. Start realisatie bouw in 2025 en start exploitatie begin jaren 30. In afstemming met de partners is onderzocht hoe de metro-uitbreidingen van de NZL naar de Amstelveenseweg (en evt. Johan Huizingalaan), en de Ringlijn van Isolatorweg naar Hemknoop/Transformatorweg versneld te kunnen realiseren na de corona crisis. Vooral Zuid lijkt interessant in verband met synergie met het ontwerp- en aanbestedingstraject van Zuidasdok. Het is ook van belang om uitdagende onderdelen in het werk zoals station Amstelveenseweg en Schinkelbrug snel op te pakken. Met Zuidasdok wordt nu ook bekeken welke no-regret aanpassingen er in het ontwerp van Zuidasdok moeten worden doorgevoerd om alles maximaal voor te bereiden voor de NZL. Samen met GVB en VRA is in O2 gestart met een Lijnennetstudie. Hier worden de 2 metro uitbreidingen en bijbehorende wensen voor een nieuwe werkplaats, opstelterreinen en bestuurderloos rijden ingebracht. In Q2 is vanuit systeemintegratie, systeemontwerp en duurzaamheid een aanpak geformuleerd voor een verkennings- en planuitvoeringsfase. Werkstroom b) bekostiging & businesscase Ten behoeve van de Programmaraad SBAB heeft de werkgroep B een eindrapportage met daarin een business case, een discussiestuk over een mogelijkheden voor alternatieve bekostiging en een Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse opgeleverd. Nadruk in de komende maanden zal liggen op verdere uitwerking en afstemming van het bekostigingsvoorstel namens regio en partners. Werkstroom c) vervoerskundige uitwerking In Q2 is de eindrapportage van werkgroep C opgesteld en aangeboden. Overkoepelende activiteiten richting Programmaraad SBAB (juni) en BO MIRT (november) In @2 zijn de eindrapportages van de 3 werkstromen gebundeld en voorzien van een overkoepelende rapportage. Deze rapportage is schriftelijk vastgesteld door het BO MASH en besproken in de Programmaraad SBAB van 11 juni. Hier vond een bredere afweging tussen trein, metro en weg binnen MIRT onderzoek ZWASH/SBAB plaats die heeft geresulteerd in de volgende besluiten: = Akkoord voor het verder onderzoeken van een gefaseerde verlenging van de Noord/Zuidlijn naar Schiphol (“no regret”) en Hoofddorp. = _ Nadere uitwerking van de multimodale bereikbaarheidspakketten a) Noord/Zuidlijn en Ringlijn en b) Noord/Zuidlijn en Airportsprinter. = Nadere vitwerking van wegenpakket in aanvulling op het OV-pakket = Nadere vitwerking van de bekostiging van het multimodale bereikbaarheidspakket welke de basis zal vormen voor de verkenningsfase. Voor de vitwerking van bovenstaande onderzoekspakketten zal een werkorganisatie van MASH en ZWASH onder het programma SBAB worden opgezet. Gezamenlijk opdrachtgeverschap ligt bij 9 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 het Rijk en de Regio MRA, opdrachtnemerschap zal tevens op basis van een duoschap Rijk/regio plaatsvinden door zowel een projectleider van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (I&W) als namens de regio. De resultaten van de onderzoeken worden in het BO MIRT van november geagendeerd waar definitieve besluitvorming plaats zal vinden. Het Programma Lightrail stelt, met input van de overige 6 MASH partijen en het Rijk, een voorstel op voor de benodigde programma organisatie voor zowel de resterende onderzoeksfase (tot november 2020) als de MIRT verkenningsfase (start november 2020). Het directeurenoverleg van MASH blijft bestaan. 2.3 Stakeholdermanagement binnen gemeente Amsterdam en context Het stakeholdermanagement van MASH wordt opgepakt door de VRA, waaraan het Programma Lightrail actief bijdraagt. Via de klankbordgroepen van SBAB worden de stakeholders, waaronder GVB, Almere en provincie Noord-Holland, geïnformeerd. Medewerkers van Programma Lightrail onderhielden ook contacten met MRA en het ministerie van I&W. Het stakeholdermanagement van Programma Lightrail 2020 -2040 is in eerste instantie gericht op de verschillende directies binnen de gemeente Amsterdam. De betrokken teamleiders van V&OR, R&D, EZ, Clusterstaf R&E, Public Affairs en Bestuurlijke Projecten en het Programma Lightrail 2020-2040 stemmen de voortgang van de verschillende mobiliteits- en gebiedsontwikkelingen, en de Amsterdamse inzet daarin, met elkaar af. Rijk en regio Vanuit het programma Rijk-regio voert Public Affairs en Bestuurlijke Projecten een lobbystrategie die inzet op 3 sporen: a) Vervoerregio en SBAB via stakeholdermanagement b) besluitvorming huidig kabinet via MIRT en Groei/lnvesteringsfonds en c) richting het nieuwe kabinet via inzet op verkiezingsprogramma'’s en formatie. Onder trekkerschap van het programma Rijk-regio wordt, met de Amsterdamse betrokkenen, de Amsterdamse inzet voor het BO MIRT en SBAB voorbereid met een focus op de metroplannen aan de westkant van Amsterdam. Vanuit het programma Rijk-regio (trekkerschap directie Economische Zaken) is gewerkt aan de Amsterdamse input voor het Groeifonds van het kabinet. Amsterdam zet hierbij in op de metro- uitbreidingen aan de westkant van Amsterdam. Naar verwachting komt het kabinet toch op Prinsjesdag met het door corona uitgestelde Groei/lnvesteringsfonds. Raakvlakken projecten en programma's MASH heeft vele raakvlakken met lopende projecten en programma’s. Net als in vorige kwartalen zijn contacten onderhouden met onder andere Werkgroep Schaalsprong OV, Verstedelijkingsstrategie en Businesscase G4, Regionaal Toekomstbeeld OV 2040, Schiphol Area Development Company, Airport Sprinter, Project Zuidasdok en Programma Signalling & Control. Intensieve samenwerking vindt plaats met de werkgroep ZWASH. Ook met programma's Haven- Stad, Schinkelkwartier en Oude Haagsche Weg vindt structurele afstemming plaats over tracés, stations, grondposities en sociale doelen en impact van de metro-uitbreidingen. 10 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 Communicatie Aan de communicatie werkgroep zijn ook de woordvoerders van het ministerie I&W en de provincie Noord-Holland toegevoegd. Dit om de samenwerking, die de komende periode alleen maar intensiever zal worden, te versterken. Voorafgaand aan de Programmaraad van 11 juni is een gezamenlijke woordvoeringslijn opgesteld en er is voor gekozen de communicatie via de SBAB nieuwsbrief en SBAB website te laten plaatsvinden. Op 22 april is een webinar binnen MET georganiseerd, die mogelijk wordt herhaald na het zomerreces voor de overige betrokken medewerkers binnen Amsterdam. 11 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 3 Programmabeheersing 3.1 Programmaplanning Het Programmaplan Lightrail 2020 -2040 beschrijft de aanpak voor de onderzoeksfase, die wordt afgesloten met een bestuurlijk besluit. Het programmaplan ging vit van besluitvorming over de voorkeurstracés eind 2019. Dit is vitgesteld naar het Bestuurlijk Overleg MIRT van 25 november 2020 waar idealiter het hypotheseonderzoek wordt ‘gepromoveerd’ tot een formele status ‘MIRT verkenning’. Hiervoor is een nieuw programmaplan in voorbereiding. 3-2 Financiën 3.2.1 Begroting De kosten voor de onderzoeksfase zijn geraamd op circa € 1 miljoen voor 2019 en € 2 miljoen voor 2020. Deze kosten bestaan uit kosten voor capaciteit van het programmateam zoals opgenomen in het Programmaplan in hoofdstuk 5, paragraaf 3 (2019: € 0,23 miljoen, 2020 € 1 miljoen) en out of pocket kosten zoals o.a. advieskosten tracéonderzoek en communicatiemiddelen (2019 € 0,77 miljoen en 2020 € 1 miljoen). De financiële dekking voor 2019 en 2020 is voorzien uit gelijke bijdragen vit het Stedelijk MobiliteitsFonds (SMF) en het Vereveningsfonds (VEF). In Q4 2019 heeft de gemeenteraad ingestemd met deze dekking via het vaststellen van de gemeentebegroting 2020 en de Najaarsnota 2019. De bijdrage uit VEF voor 2020 (€ 1 miljoen) is in de Voorjaarsnota 2020 opgenomen. De gemeenteraad heeft per 1 juli 2020 hiermee ingestemd. 3.2.2 Financiële stand van zaken De tabel op bladzijde 13 geeft een weergave van de financiële cijfers. Realisatie Q2 2020 De eindprognose 2020 is vooralsnog gelijk gehouden. De uitgaven voor de personele inzet van het kernteam zijn in het 1° half jaar minder dan begroot conform het bedrijfsplan. Dit heeft te maken met de afronding van de onderzoeksrapportage en een “pas op de plaats” in afwachting van de bestuurlijke besluitvorming. Naar verwachting zal in het najaar de personele inzet weer stijgen in de voorbereiding van de MIRT verkenningsfase. In @3 zullen advieskosten worden gemaakt voor de vergelijkende onderzoeken naar sluiten Ringlijn en de Airportsprinter en de mogelijkheden voor het gefaseerd aanleggen van de metro. 12 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 HEEN HE Ei KEER EEEN iq zaan Rei gt tnt ij sed IN MOEREN | 8 13 8e 8 LE Heit, TE Ii NE 5 É 55 ä 5 & 8 Ni: EER FEEN ° e bink ban BEREN BEEEln SED, 13 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 3.3 Risicomanagement Het risicomanagement voor het Programma Lightrail 2020 — 2040 is gericht op het succesvol behalen van de programmadoelstellingen. De toprisico's voor het programma Lightrail 2020 -2040 zijn: 1. De positieve effecten op het totale regionale OV-netwerk van de combinatie van de tracés Zuid- Schiphol-Hoofddorp en sluiten Ringlijn tussen Isolatorweg — Centraal Station komen onvoldoende over het voetlicht. De kracht van het hypotheseonderzoek ligt juist in de combinatie van beide tracés: de koppeling van de Ringlijn aan de Oostlijn heeft voordelen voor het totale OV-netwerk. Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 11 juni wordt in het najaar nog een vergelijkend onderzoek gedaan tussen de Ringlijn en de Airportsprinter. Beheersmaatregelen: = versterken van de argumentatie voor het sluiten van de Ringlijn; = aantonen voordelen voor het totale netwerk door de koppeling met de Oostlijn door de vervoerwaarde aan te tonen (aan de hand van de uitkomsten uit de werkstroom vervoerkundige uitwerking). 2. Vertraging MIRT- verkenning (november 2020) Het hypotheseonderzoek is afgerond. Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 11 juni wordt in het najaar nog een vergelijkend onderzoek gedaan tussen de Ringlijn en de Airportsprinter. De bestuurlijke aandacht en besluitvorming kunnen door de coronacrisis vertraging oplopen i.v.m. andere prioritering. De corona crisis biedt ook kansen tot versnelling door anticyclisch te investeren om de economie op gang te brengen. Gekeken wordt naar een gefaseerde en versnelde uitbreiding van de Noord/Zuidlijn naar de Amstelveenseweg en de Ringlijn van Isolatorweg naar Hemknoop/Transformatorweg. Beheersmaatregelen: "eigen initiatief nemen om de onderzoeksresultaten zoveel mogelijk vit te werken; "inde periode tot november 2020 blijven inzetten op bekostiging/ financiering, wetende dat door de corona-crisis de prioriteiten anders zijn komen te liggen. Er zijn voldoende redenen om de MIRT verkenning in november 2020 te starten en de financiering tijdens de eerste fase van de verkenningsfase af te ronden. "inzetten op bijdrage uit het Groei/lnvesteringsfonds. 3. Regionaal draagvlak ontbreekt. Om de kansen voor de inzet te verstevigen is een breed regionaal draagvlak een pré. Beheersmaatregelen: Het is van belang dat we als regio gezamenlijk optrekken: = hiervoor met hypotheseonderzoek de nut en noodzaak aantonen van de 2 metro- uitbreidingen, "samen met de regio een bredere OV 2040 agenda opstellen met fasering van de verschillende OV infrastructuurprojecten. 3.4 Tegenspraak Eén van de lessen van de Noord/Zuidlijn is het belang van het organiseren van tegenspraak. Deze tegenspraak krijgt vooralsnog vorm door middel van second opinions. Daarnaast zal tegenspraak 14 Gemeente Amsterdam Versie document 0.3 Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status Datum 24-09-2020 Kenmerk _ PLR/OVG/266/3 binnen de gemeente worden georganiseerd op o.a. gebied van risicomanagement door bijvoorbeeld experts van Zuidasdok. 3.4.1 Second Opinions In Q2 2020 heeft Decisio (economisch onderzoeks- en adviesbureau) een MKBA opgeleverd voor de werkstroom “bekostiging en businesscase”. Er zijn geen overige second opinions vitgevoerd in O2. 15
Onderzoeksrapport
15
train
> Gemeente Amsterdam Motie Datum raadsvergadering 8 november 2023 Ingekomen onder nummer 607 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van het lid Havelaar inzake begroting 2024 Onderwerp Voortzetting subsidie Historische winkelpuien en deze open stellen voor de hele stad Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over begroting 2024 Constaterende dat e Voor het onderhouden van historische winkelpuien in de gehele stad géén subsidie be- schikbaar is in de nieuwe begroting. e Het belangrijk is voor de schoonheid en aantrekkelijkheid van onze stad dat historische winkelpuien er piekfijn uit zien Verzoekt het college van burgemeester en wethouders e _Netals eerdere jaren een subsidie voor historische winkelpuien beschikbaar te stellen e Deze regeling beschikbaar te maken in de gehele stad e Deze regeling te financieren door een korting op de subsidie van 4,5 miljoen aan Amster- dam&Partners voor de voortzetting van het beleid voor de gewenste reputatie van de Metropoolregio Amsterdam te verlagen met 2 miljoen euro. Indiener(s), R.B. Havelaar
Motie
1
discard
X Gemeente Gemeenteraad RAAD % Amsterdam Motie Datum raadsvergadering 15 september 2021 Ingekomen onder nummer 655 Status Verworpen Onderwerp Motie van het lid Kuiper inzake zorgplicht van de gemeente Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over wachtlijsten van Hulp bij Huishouden. Constaterende dat: — De wethouder vreest voor 2022 een situatie te hebben waarbij geen of slechts enkele patiënten geholpen kunnen worden en de wachttijd voor velen mogelijk oploopt tot onbepaalde tijd, en deze situatie ook voor 2023 en 2024 geldt; — De gemeente een zorgplicht heeft tegenover haar inwoners. Overwegende dat: — We voorlopig nog geen nieuw kabinet met bijbehorende kabinetsplannen hebben; — Geen of hooguit enkele kwetsbare en hulpbehoevende mensen de aankomende jaren geholpen gaan worden bij hun huishouding met alle gevolgen van dien; — _ De sociaal-maatschappelijke infrastructuur op deze manier instort, waarbij de meest kwetsbare bewoners de grootste gevolgen ondervinden en dit dus leidt tot toenemende ongelijkheid in onze stad; — De gemeente daarom zelf voor de korte termijn met een financieel noodplan zal moeten komen. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Met een stevig aanvalsplan te komen om naast de fysieke infrastructuur ook de sociaal- maatschappelijke infrastructuur van deze stad overeind te houden teneinde aan de basale zorgplicht van de gemeente te voldoen. Indiener T. Kuiper
Motie
1
discard
> Gemeente Amsterdam D Motie Datum raadsvergadering 9 november 2022 Ingekomen onder nummer 424 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van het lid Boomsma inzake de Begroting 2023 Onderwerp Heel Amsterdam Helpt de stad schoon te houden! Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2023, -__ Overwegende dat veel Amsterdammers best de handen uit de mouwen willen steken om te helpen de stad schoon te houden maar niet altijd weten hoe zij kunnen helpen omdat ‘organisatie’ ontbreekt; -__ Overwegende dat het College aangeeft dat er een opleiding gevolgd moet worden voor- dat mensen ingezet kunnen worden om te helpen met het schoonhouden van de stad; Verzoekt het college van burgemeester en wethouders -_Een vrijwillige reinigingsbrigade op te zetten en te voegen aan de vormen van ‘medebe- heer’ van de openbare ruimte, zoals de containeradoptanten dat al zijn -_Daartoe een beknopte vrijwilligerscursus te ontwikkelen die Amsterdammers kunnen vol- gen zodat zij ingezet kunnen worden als vrijwillige schoonmaakcapaciteit voor de stad. Indiener(s), D.T. Boomsma
Motie
1
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R x% Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2015 Afdeling 1 Nummer 1141 Datum akkoord 22 oktober 2015 Publicatiedatum 28 oktober 2015 Onderwerp Beantwoording aanvullende schriftelijke vragen van de raadsleden mevrouw P.J.M. Duijndam en de heer N.T. Bakker van 30 juli 2015 op de schriftelijke vragen van het raadslid de heer P.V. Guldemond inzake rondvaartbedrijven in Amsterdam. Aan de gemeenteraad inleiding door vragenstellers. In aanvulling op de vragen over de vermakelijkheidsretributie die het raadslid de heer Guldemond, namens de fractie van D66 op 17 juli 2015 stelde naar aanleiding van het artikel Het grachtenkartel d.d. 14 juli 2015 in het blad Quote heeft de SP de volgende vragen, die betrekking hebben op de (mogelijke) kartelvorming en de mate van marktwerking in de rondvaartsector in Amsterdam. Gezien het vorenstaande hebben vragenstellers op 30 juli 2015, beiden namens de fractie van de SP, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende aanvullende schriftelijke vragen — op de vragen van het raadslid de heer Guldemond van 17 juli 2015, namens de fractie van D66 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1140) — tot het college van burgemeester en wethouders gericht: 1. In het artikel wordt een beeld geschetst van een soort wildwest op het water waarbij sprake zou zijn van intimidatie, vriendjespolitiek, willekeur en gerommel met cijfers. Ook zou de omgang met het personeel niet goed zijn (arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden) en is er geen sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bij monde van een rondvaartkapitein wordt gesteld: “De grote jongens zijn al jaren de baas op de grachten en krijgen alles voor elkaar bij de gemeente.” Ook vertelt de kapitein dat de rondvaartboten structureel te hard varen om extra rondjes te kunnen maken. Wordt dit beeld door het college herkend? Graag nader toelichten. Antwoord: De Amsterdamse grachten hebben een grote aantrekkingskracht. Dat blijkt uit de toename van het aantal toeristen, die steeds meer de stad weten te vinden, maar ook uit de groei van het aanbod van allerhande vormen van passagiersvaart naast de pleziervaart. Voor het college is het belangrijk dat de groei van het aantal vaartuigen op het water en de diversiteit van het aanbod in goede banen worden geleid. 1 Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R Neeing ben Gemeenteblad Datum 28 oktober 2015 Schriftelijke vragen, donderdag 30 juli 2015 Er zijn geen harde bewijzen voor bovenstaande beweringen. In die zin herkent het college het beeld dan ook niet. Het college erkent evenwel dat de huidige situatie verre van ideaal is. Daarom gaan we onverkort verder met het uitvoeren van de Nota Varen. De nota is erop gericht noodzakelijke regulering aan te brengen, zodat er ruimte komt voor nieuwe toetreders, en overlast tot een minimum te beperken. Daarvoor zijn vergunningen voor grote vaartuigen in looptijd beperkt en worden deze op transparante wijze verdeeld per 2020. De handhaving is geïntensiveerd met gerichte acties op onder meer de vaarsnelheid. Voor het bepalen van deze acties maakt Waternet gebruik van recente meldingen en voorspellingen van de drukte op de grachten (per locatie). Ten aanzien van luchtkwaliteit wordt ingezet op een duurzaam nautisch gebruik, met als eindbeeld dat vanaf 2025 alle passagiersvaart zero-emissie is. 2. Besteedt het college bij het verlenen van vergunningen aandacht aan arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en duurzaamheid? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet en bent u van plan om dit in de toekomst wel te gaan doen? Graag toelichten. Antwoord: Reders hebben zich te houden aan de geldende (landelijke) wet- en regelgeving. Controle op de naleving van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en duurzaamheid is geen bevoegdheid van het college. Dit zijn onderdelen van landelijke arbeids- en vervoerswetgeving en dientengevolge zien de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Inspectie Leefomgeving en Transport hierop toe. Ten aanzien van duurzaamheid heeft het College aanvullende eisen geformuleerd met betrekking tot de emissie van voertuigen, te weten zero-emissie in 2020 voor alle passagiersvaartuigen tot 14 meter lengte en in 2025 voor alle passagiersvaartuigen. 3. Worden bijstandsgerechtigden door de gemeente aan het werk gezet bij rondvaartbedrijven, bijvoorbeeld via Pantar? Zijn er in het kader van leerwerktrajecten afspraken gemaakt? Of zijn er andere banden tussen cliënten van DWI en de rondvaartsector? Zo ja, op welke wijze(n) en hoe is dat geregeld? Antwoord: Incidenteel zijn er plaatsingen binnen de rondvaartsector, waarbij het vooral gaat om functies als kaartverkoop en het verzorgen van het gastheer/-vrouwschap. Deze plaatsingen lopen via het Werkgevers Servicepunt. Vanaf 2013 gaat het om zes reguliere vacatures die vervuld zijn bij verschillende reders. Van leerwerk- trajecten is in dit verband geen sprake. 4. In stadsdeel Centrum is al vaker gevraagd alle actuele op- en afstap- voorzieningen in kaart te brengen. Een dergelijke lijst schijnt er niet te zijn behalve die in het bestemmingsplan Water van de binnenstad zijn aangegeven. Kan het college op zeer korte termijn, vóór de behandeling in de vergadering van de raadscommissie in september 2015, zorgen voor een lijst met alle op- en afstapvoorzieningen in de stad? Antwoord: Er bestaat nog geen volledig overzicht van alle op- en afstapvoorzieningen in de stad. Het Programmateam Varen — Passagiersvaart, dat is opgericht ter 2 Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R Neeing ben Gemeenteblad Datum 28 oktober 2015 Schriftelijke vragen, donderdag 30 juli 2015 uitvoering van de Nota Varen op het gebied van de passagiersvaart, maakt een inventarisatie van deze op- en afstapvoorzieningen voor de hele stad. Deze inventarisatie van op- en afstapvoorzieningen geschikt voor passagiersvaart, zal naar verwachting begin 2016 gereed zijn, en wordt omstreeks het einde van het 1° kwartaal van 2016 geagendeerd in de raadscommissie Financiën. 5. Wat is de relatie van Amsterdam Marketing met de rondvaartbranche en kan er sprake van zijn dat subsidie van de gemeente via Amsterdam Marketing naar de rondvaartbranche gaat? Graag toelichten. Antwoord: Amsterdam Marketing is een publiek-private stichting. Ongeveer 25% van de inkomsten is afkomstig van de gemeente Amsterdam en andere overheidsopdrachten. Van de overige omzet komt 15% van het bedrijfsleven. De overige 60% komt vanuit de consument, die onder meer de | amsterdam City Card, souvenirs, (culturele) tickets en cadeaubonnen via Amsterdam Marketing aanschaft. Onder de betalende partners uit het bedrijfsleven zijn reders uit de Amsterdamse rondvaartbranche. Het te betalen bedrag is afhankelijk van het soort partnerschap. Daarnaast heeft Amsterdam Marketing commerciële afspraken met diverse rederijen, deels in het verlengde van de partnerschappen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om ten aanzien van de verkoop van tickets op commissiebasis, de acceptatie van de |l amsterdam Citycard, deelname aan zaken als gezamenlijke. De opbrengsten komen volledig ten goede aan de citymarketingtaken die de Stichting Amsterdam Marketing uitvoert. 6. De gemeente geeft ‘vouchers’ aan relaties voor het maken van een rondvaart. Bij welke rederij(en) worden deze vouchers afgenomen en kunnen we inzicht krijgen in de financiën daarvan? Op welke wijze is vastgelegd hoe deze verstrekking geregeld wordt en is hier sprake van marktwerking? Antwoord: De gemeente Amsterdam verstrekt op verzoek vouchers voor het maken van een rondvaart aan bezoekers van internationale congressen in de stad. De vouchers worden door een congresorganisatie aangevraagd bij de gemeente en na ontvangst overhandigd aan congresbezoekers. De vouchers gelden op dit moment voor de rederijen Canal Company en Rederij Kooij. Met deze twee rederijen is afgesproken dat zij deze vouchers accepteren en dat zij na inlevering door een congresbezoeker per voucher 5,00 euro kunnen declareren bij de gemeente. Jaarlijks worden de afspraken herbevestigd en waar mogelijk worden de vouchers gelijkmatig verdeeld over de betrokken rederijen. Van deze transacties zijn overzichten beschikbaar. Elke rederij staat het vrij om een soortgelijke afspraak met de gemeente Amsterdam aan te gaan. Het verstrekken van vouchers is conform het door het college vastgesteld gastheerschapbeleid voor congressen. Dit beleid is opgesteld in samenwerking met congres- organisatoren en -locaties, Amsterdam Marketing en de gemeente. 3 Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R Neng Î Gemeenteblad Datum oe edober 2015 Schriftelijke vragen, donderdag 30 juli 2015 7. Is het college bereid te onderzoeken hoe het komt dat er (gesteld wordt dat) binnen de gemeente een cultuur zou heersen om de rondvaartbranche — de vier grote rederijen — haar gang te laten gaan? Deze bedrijven zouden namelijk “alles voor elkaar krijgen bij de gemeente”. Graag toelichten. Antwoord: Het is onduidelijk op welke concrete zaken gedoeld wordt, maar ook gelet op de beantwoording van vraag 1 is er voor het college geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. Bij het college zijn geen aanwijzingen bekend dat er binnen de gemeente een cultuur zou heersen om de rondvaartbranche te bevoorrechten. Het college werkt juist nu aan de uitvoering van de doelen en ambities uit de Nota Varen door meer ruimte te bieden aan een divers aanbod van passagiersvervoer met een aantrekkelijke prijs-kwaliteitverhouding en het gericht inzetten van het prijsinstrument waar de ruimte schaars is en/of investeringen nodig zijn ten behoeve van infrastructuur en toezicht en handhaving. 8. Mevrouw Baarsma van het economisch onderzoeksbureau SEO heeft in 2012 economisch onderzoek verricht naar de rondvaart in Amsterdam. Zij stelt dat er destijds geen onderzoek is gedaan naar al dan niet geheime financiële afspraken tussen de gemeente en een of meer rondvaartbedrijven. Is het college bereid hier alsnog onderzoek naar te laten doen? Graag toelichten. Antwoord: Het college zijn geen aanwijzingen bekend dat dergelijke afspraken bestaan met rondvaartbedrijven. Wanneer hiervoor concrete aanleiding ontstaat, wil het college dit onderzoeken. Echter, dat is nu niet het geval. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 4
Schriftelijke Vraag
4
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 1359 Datum indiening 17 juli 2019 Datum akkoord 7 augustus 2019 Publicatiedatum 7 augustus 2019 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid Poot inzake een kraak aan de Kuiperbergweg. Aan de gemeenteraad Toelichting door vragenstelster: De fractie van de VVD ontving berichten dat een groep krakers in de nacht van vrijdag 28 op zaterdag 29 juni 2019 een pand op de Kuiperbergweg 26 in Zuidoost zou hebben gekraakt. De fractie van de VVD ontvangt graag opheldering van het college over deze situatie. Daarnaast wil de fractie van de VVD dat het voorkomen en bestrijden van kraken een prioriteit wordt, aangezien kraken overlast en een sterk gevoel van onrechtvaardigheid met zich meebrengt voor omwonenden en voor Amsterdammers die op een legale manier een woning zoeken. Gezien het vorenstaande heeft het lid Poot, namens de fractie van de VVD, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: 1. Klopt het dat er eind juni 2019 een pand op de Kuiperbergweg 26 is gekraakt? Antwoord Ja. 2. Watis er bekend over de personen die dit pand hebben gekraakt? Antwoord De personen behoren tot een subgroep van We Are Here. 3. Worden deze personen verdacht van huisvredebreuk of inbraak? Antwoord Het openbaar ministerie bepaalt of en zo ja waarvan deze personen worden verdacht. Er is aangifte gedaan van huisvredebreuk. 4. Welke bestemming heeft het pand? Antwoord Het pand heeft een bedrijfsbestemming. 4 Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nmmer Vudustus 2019 Schriftelijke vragen, woensdag 17 juli 2019 5. Heeft de eigenaar van het desbetreffende pand aangifte gedaan”? Antwoord Ja, de eigenaar heeft 29 juni aangifte gedaan. 6. Heeft het OM een ontruimingsbevel opgesteld voor dit pand? Zo ja, hoe is er gereageerd door de krakers op dit bevel? Antwoord Het openbaar ministerie heeft de krakers aangeschreven dat zij voornemens is het pand te ontruimen. Een aangeschreven pand wordt gemiddeld binnen 6 tot 8 weken ontruimd. De krakers hebben tegen dit voornemen een kort geding aangespannen, dat 25 juli heeft gediend. De rechter zal 8 augustus uitspraak doen. 7. Op welke termijn zal het pand worden ontruimd? Antwoord Zie het antwoord op vraag 6. 8. Zijn er meldingen bekend van overlast in de buurt door de groep krakers, bij omwonenden of ondernemingen in de omgeving? Antwoord Nee, er zijn geen meldingen bekend. 9. Is er door politie of het college contact geweest met omwonenden of personen die in de buurt werken? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, waarom niet? Antwoord De politie in de wijk staat altijd in contact met de buurt en houdt een vinger aan de pols, ook in geval er een pand gekraakt wordt. 10. Zijn er afspraken gemaakt door de politie met de krakers? Zo ja, welke”? Antwoord Nee, kraken is strafbaar en daar zijn de krakers door de politie op gewezen. Burgemeester en wethouders van Amsterdam Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris 2
Schriftelijke Vraag
2
discard
K _ | Van: Verzonden: maandag 30 juli 2012 20:24 Aan: Info gemeenteraad Onderwerp: NOODKREET |I! Geluidsoverlast (en milieuvervuiling) vanwege het opknappen van boten… Geacht Gemeentebestuur, Wat moeten wij doen? Machteloos staan we, iedere zomer weer! leder jaar, als maar even het zonnetje gaat schijnen in maart, april, dan begint het: HET OPKNAPPEN VAN BOTEN ! WE WORDEN ER RADELOOS VAN, want er is GEEN REGELGEVING, om dit in de hand te houden. IEDEREEN mag met SLIJPTOLLEN, HAMERAPPARATEN, SCHUURMACHINES enzovoort, iedere dag tussen 07.00 uur en 22.00 uur zijn/haar bootje opknappen… Juist als het een keer mooi weer is, waar je als gewone burger toch ook wel eens van wil genieten, dan komen de booteigenaren in actie. WAT EEN RAMP! En aangezien tegenwoordig iedereen, die in de buurt van water woont, een bootje wil, wordt het ieder jaar erger. Mijn woning ligt AAN en gedeeltelijk IN het water van de Wittenburgervaart, tussen Wittenburg en Oostenburg (stadsdeel Centrum). Mijn balkon zweeft boven het water en het is natuurlijk heerlijk en leuk, om zo te wonen, maar als je stapeldol wordt van het lawaai, is het allesbehalve een pretje. En ik ben echt niet de enige, die soms niet weer weet, waar hij/zij het moet zoeken. En NIEMAND kan helpen! De POLITIE NIET! Het ZORGLOKET NIET! WATERNET NIET! HELP ONS! Onderzoekt u alstublieft dit probleem en gaat u hier regelgeving voor maken, want het is soms NIET TE HARDEN! Laat ons alstublieft volgend jaar ook kunnen genieten in onze eigen woning, op onze eigen balkonnetjes en laat ons niet wanhopig onze ramen, deuren en zelfs ventilatieroosters moeten sluiten, om niet gek te worden en door te draaien! Separaat verzend ik u de mail, die ik vandaag met de Buurtregiseur uitwisselde, nadat zij hierover contact met mij had, Nogmaals mijn verzoek: HELP ONS! Met vriendelijke groet, hoogachtend, 1
Raadsadres
1
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 1055 Publicatiedatum 28 juni 2019 Ingekomen onder AG Ingekomen op donderdag 20 juni 2019 Behandeld op donderdag 20 juni 2019 Status Aangenomen Onderwerp Motie van het lid Timman inzake de beleidsnota Deelmobiliteit Kansen voor de Stad (OV-metrofiets) Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de beleidsnota Deelmobiliteit Kansen voor de Stad (Gemeenteblad afd. 1, nr. 578). Constaterende dat: — Met ruim 2.000 fietsen de OV-fiets de grootste aanbieder is van deelfietsen in Amsterdam; — De OV-fiets alleen op NS-stations wordt aangeboden; — Amsterdam ook een uitgebreid metronetwerk heeft. Overwegende dat: — Bij veel metrostations fietsparkeren een uitdaging is; — In Amstelland-Meerlanden bij 9 OV-knooppunten deelfietsen in R-net huisstijl zijn geplaatst. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: 1. In samenwerking met het GVB, Vervoerregio en alle andere relevante partijen te onderzoeken of R-net deelfietsen ook bij sommige metrostations een toegevoegde waarde in de mobiliteitsketen hebben; 2. Voor 1 januari 2020 de uitkomsten van dit onderzoek aan de raad te presenteren. Het lid van de gemeenteraad D. Timman 1
Motie
1
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Motie Jaar 2021 Afdeling 1 Nummer 073 Behandeld op 10 februari 2021 Status Aangenomen bij schriftelijke stemming op 15 februari 2021 Onderwerp Motie van het lid Kili inzake evaluatie en verbetering participatieproces Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over kennisname van de reactienota (RES NHZ), verwerking reactienota in RES 1.0 en toezegging m.b.t. Participatieprojecten aangaande RES. Constaterende dat: - De energietransitie bestaat uit enerzijds het technologisch aspect en anderzijds het creëren van draagvlak; - Het afgelopen jaar gebleken is dat er veel onrust is ontstaan over de mogelijke plaatsing van windturbines in de nabijheid van woonwijken; - Uit de inspraakavond en mediaberichtgeving duidelijk wordt dat veel bewoners zich niet gehoord voelen en dat de gemeente tekort is geschoten in haar informatievoorziening. Overwegende dat: - Het belangrijk is dat de gemeente Amsterdam lering trekt uit het participatieproces tot dusver om het verdere vervolg beter te organiseren; - Evaluatie moet plaatsvinden om inzichtelijker te krijgen wat goed en fout ging; - De evaluatie de energietransitie helpt het te faciliteren. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Het participatieproces tot dusver grondig te evalueren om hieruit lering te trekken voor het verder vervolg van de RES. Het lid van de gemeenteraad A. Kilic 1
Motie
1
discard
x Gemeente Amsterdam R % Gemeenteraad Gemeenteblad % Motie Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 1890 Ingekomen onder BD Ingekomen op woensdag 6 november 2019 Behandeld op woensdag 6 november 2019 Status Verworpen Onderwerp Motie van de leden Boomsma, Naoum Néhmé, Kilig, Nanninga, Bloemberg-lssa, Van Soest en Ceder inzake de Overstapregeling op Eeuwigdurende Erfpacht (handhaaf WOZ-waarden 2015 of 2016 als basis voor de Overstapregeling) Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over het verzoek om uitstel van de datum van 1 januari 2020 van de Overstapregeling op Eeuwigdurende Erfpacht waarop de huidige voorwaarden vervallen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1847). Overwegende dat: — de voorwaarden waarop mensen kunnen overstappen op eeuwigdurende erfpacht per 1 januari 2020 aflopen, waardoor de erfpachtlasten voor grote groepen Amsterdammers zullen stijgen; met name in wijken waar nu een lage BSQ geldt, zoals bijvoorbeeld in Zuidoost, Nieuw-West, en Noord; — de vangnetregeling waartoe de raad het besloten er nog niet is; — de uitgangspunten van de coulanceregeling er nog niet zijn; — de toegezegde uitwerking van de bezwaarprocedure voor de onbezwaarde waardes er nog niet is; — veel Amsterdammers niet goed op de hoogte zijn van de overstapregeling en erfpacht zeer complex is; — de overstapregeling geplaagd wordt door technische problemen en onvolledige dossiers en veel mensen nog geen inzicht kunnen krijgen in wat overstap voor hen betekent; — dat ook grote gevolgen heeft voor de woonlasten van mensen die niet overstappen; — in het coalitieakkoord staat dat er een extra overstapkorting van 10% komt voor wie voor 2020 overstapt naar het eeuwigdurende stelsel, maar niet dat de WOZ- waarde 2015 of 2016, niet als basis voor de berekening kan blijven dienen. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: De huidige voorwaarden voor de overstapregeling op eeuwigdurende erfpacht, waarbij de canon wordt berekend op basis van de WOZ-waarden uit 2015 (peildatum 1-1-2014) of 2016 (peildatum 1-1-2015) en bijbehorende BSQ's te verlengen tot 1 januari 2022, maar wel conform het coalitieakkoord de extra korting van 10% per 1 januari 2020 te laten vervallen. 1 Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 1890 Motie Datum 6 november 2019 De leden van de gemeenteraad D.T. Boomsma H. Naoum Néhmé A. Kilig A. Nanninga J.F. Bloemberg-lssa W. van Soest D.G.M. Ceder 2
Motie
2
train
X Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2015 Afdeling 1 Nummer 527 Publicatiedatum 31 juli 2015 Ingekomen op 1 juli 2015 Ingekomen onder 444’ Behandeld op 2 juli 2015 Uitslag aangenomen Onderwerp Motie van het raadslid mevrouw Ruigrok inzake de Voorjaarsnota 2015 (toeristenbelasting). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Voorjaarsnota 2015 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 379); Overwegende dat: — in 2014 £48,219 miljoen aan toeristenbelasting is geïnd; — in Amsterdam door het stijgende aantal hotelovernachtingen en de groeiende hotelcapaciteit de inkomsten uit toeristenbelasting stijgen; — vervuiling en intensief gebruik van de openbare ruimte gevolgen zijn van de toenemende drukte in de stad; — de huidige vorm van toeristenbelasting niet bijdraagt aan zowel de spreiding als het tegengaan van de gevolgen van drukte in Amsterdam. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — bij het geplande onderzoek naar toeristenbelasting in ieder geval de wijze waarop toeristenbelasting bij kan dragen aan een betere balans in de stad en tariefdifferentiatie op geografische basis te betrekken; — op basis van de uitkomsten van dit onderzoek voorafgaand aan de behandeling van de Voorjaarsnota 2016 de gemeenteraad een plan voor te leggen. Het lid van de gemeenteraad, M.H. Ruigrok 1
Motie
1
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2015 Afdeling 1 Nummer 994 Datum akkoord 1 oktober 2015 Publicatiedatum 2 oktober 2015 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid mevrouw P.J.M. Duijndam van 7 juli 2015 inzake medische zorg aan dak- en thuislozen. Aan de gemeenteraad inleiding door vragenstelster. Uit een uitzending van Nieuwsuur van 20 juni 2015 over de Nederlandse Straatdoktersgroep van huisartsen en verpleegkundigen die zich inzetten voor de medische zorg aan dak- en thuislozen, blijkt dat een groeiend aantal daklozen onverzekerd op straat rondloopt.” Onverzekerd betekent dat als deze daklozen een ziekte hebben, zij daarvoor niet behandeld worden: psychiatrisch patiënten lopen rond zonder antipsychotica, suikerpatiënten zonder insuline en belangrijke ziekenhuisbehandelingen blijven uit. Verder blijkt dat ook de wel voor zorg verzekerde daklozen hun ziektes vaak niet laten behandelen omdat zij het eigen risico niet kunnen betalen. Gezien het vorenstaande heeft vragenstelster op 7 juli 2015, namens de fractie van de SP, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen tot het college van burgemeester en wethouders gericht: 1. De cijfers voor Rotterdam zijn verontrustend: anno 2015 loopt daar ongeveer 70 procent van de daklozen onverzekerd rond, tegen 30 procent vorig jaar. Is bekend hoe de situatie in Amsterdam is? Is er in Amsterdam ook sprake van groei van het aantal daklozen dat onverzekerd rondloopt, dat ziektes daardoor niet worden behandeld omdat de daklozen het eigen risico niet kunnen betalen of onverzekerd zijn? Graag uw antwoord toelichten. Antwoord: Het klopt dat onverzekerde rechthebbende patiënten m.n. bij niet acute en/of ernstige medische zorgvragen vertraging kunnen oplopen ten aanzien van hun diagnostiek en behandeling . Dit vanwege “gedoe” over de betaling van onderzoek en behandeling bij b.v. laboratorium, paramedici, specialisten e.d. 1 Zie: http://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2042509-artikel.html?title=straatdokters-daklozen-vaker- verstoken-van-medische-zorg 1 Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Demmer a tober 2015 Schriftelijke vragen, dinsdag 7 juli 2015 Tegelijkertijd is uit het laatste winterkoude onderzoek gebleken dat in Amsterdam ongeveer 65% van de daklozen geen ziektekostenverzekering had en dat dit percentage al een aantal jaren vrij stabiel schommelt tussen 55%-65%. In Amsterdam heeft de GGD een belangrijke coördinerende en uitvoerende taak. Hulpbehoevenden die bij de GGD Amsterdam aankloppen voor medische hulp, kunnen deze in alle gevallen direct krijgen, inclusief noodzakelijke medicatie. De GGD Amsterdam staat daarbij namens de gemeente garant voor de gemaakte kosten en zal, nadat de cliënt verzekerd is, proberen bedragen bij de verzekeraar terug te vorderen. Vanuit de GGD zal in nagenoeg alle gevallen worden overgegaan tot het verzekeren van de cliënt. De laagdrempelige samenwerking met Werk, Participatie en Inkomen op de Geïntegreerde Voorzieningen draagt in de meeste gevallen bij aan het relatief snel tot stand komen van een verzekering. 2. Is het college het met vragenstelster eens, dat het niet wenselijk is, dat zieke daklozen niet de zorg krijgen die ze nodig hebben? Kan het college het antwoord toelichten? Antwoord: Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 1, krijgen de dak- en thuislozen in Amsterdam, zodra ze zich melden bij de geëigende kanalen, de noodzakelijke medische hulp. Uiteraard is het college met u eens, dat zieke daklozen de zorg moeten krijgen die nodig is. In Amsterdam hebben we dat ook zo geregeld. 3. Is het college bereid in G4-verband in overleg te treden met het rijk, zodat er voor dit probleem (enerzijds niet verzekerd rondlopen, anderzijds wel verzekerd zijn maar zorg mijden vanwege eigen risico) een structurele oplossing komt? Kan het college het antwoord toelichten? Antwoord: Het is aan elke stad afzonderlijk om goede voorzieningen te treffen gezien de landelijke kaders. De problematiek van zorgmijders (van zowel dak- en thuisloze als gehuisveste Amsterdammers) heeft continu de aandacht van het college. Alle vormen van Zorgtoeleiding in de stad zijn er op ingericht om met name deze groep in beeld en in zorg te brengen: elke zorgmijder is er één te veel. E.E. van der Laan, burgemeester A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 2
Schriftelijke Vraag
2
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Amendement Jaar 2017 Afdeling 1 Nummer 1097 Publicatiedatum 4 oktober 2017 Ingekomen onder T Ingekomen op woensdag 27 september 2017 Behandeld op woensdag 27 september 2017 Status Ingetrokken Onderwerp Amendement van de leden Vink en Boomsma inzake de Investeringsnota Sluisbuurt (ruimte voor middeninkomens). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Investeringsnota Sluisbuurt (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1047). Overwegende dat: — Eríinde Sluisbuurt geprogrammeerd is dat 1100 woningen (40% van het in totaal geplande aantal van 5500) in het middensegment worden gebouwd; — De helft daarvan een grootte van 70 m2 zal hebben en de andere helft kleiner dan 50 vierkante meter zal zijn; — Deze omvang zo klein is dat gezinsvorming daar amper mogelijk is. Constaterende dat: — Woningen in het middensegment met ruimte voor gezinnen (bestaande uit meer deze gezinsleden) zeer schaars zijn in Amsterdam; — De Sluisbuurt bij uitstek kans biedt om juist (jonge) gezinnen ruimte te bieden; — Het de toekomstige wijk ten goede zou komen als mensen die zich er gaan vestigen er langere tijd blijven; — Dit voor deze kleine middensegmentwoningen onwaarschijnlijk is aangezien deze bij gezinsuitbreiding snel te klein zullen zijn; — Het daarom wenselijk is een beduidend groter aantal woningen in het middensegment daarvoor qua omvang geschikt te maken. Besluit: — In de raadsvoordracht Vaststellen van de Investeringsnota Sluisbuurt de tekst: “4b. Het middensegment ongeveer gelijke delen huur- en koopwoningen zal betreffen en dat voor de helft van de middeldure huurwoningen uitgegaan wordt van woningen van circa 70 m2 gbo met een gereduceerde grondprijs”, 1 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 1097 Motie Datum 4 oktober 2017 o te wijzigen in: “4b.Het middensegment ongeveer gelijke delen huur- en koopwoningen zal betreffen en dat voor ten minste 75% van de middeldure huurwoningen uitgegaan wordt van woningen van minimaal 70 m2 gbo met een gereduceerde grondprijs”; — En verzoekt het college de voordracht en alle onderliggende stukken hierop aan te passen. De leden van de gemeenteraad B.L. Vink D.T. Boomsma 2
Motie
2
discard
X Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Amendement Jaar 2014 Afdeling 1 Nummer 697 Publicatiedatum 15 oktober 2014 Ingekomen op 7 oktober 2014 Ingekomen in raadscommissie ID Te behandelen op 5/6 november 2014 Onderwerp Amendement van het raadslid de heer Ernsting inzake de begroting voor 2015 (indicator verkeersveiligheid). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de begroting voor 2015; Overwegende dat: — er in voorgaande periodes een indicator was opgenomen, te weten het aantal ernstige verkeersslachtoffers; — erin de jaarrekening 2013 wordt gesteld dat de wijze van registratie van verkeersletsel in de zomer van 2014 weer op orde is en er weer gerapporteerd kan worden; — erin de doelen op pagina 92 wel een dalingspercentage slachtoffers genoemd wordt, maar niet voor deze periode en dus niet SMART is geformuleerd; — het belangrijk is dat de raad de trend kan volgen, zodat zij zonodig bij kan sturen, Besluit: — opte nemen als doelindicator op pagina 92: Aantal ernstige verkeersslachtoffers per jaar (nulmeting 2010: 353; doel 2018: minder dan 200); — opte nemen als doelindicator op pagina 92: Aantal blackspots en redroutes (nulmeting 2010: 66 en 13; doel 2018: 20 en 5). Het lid van de gemeenteraad, Z.D. Ernsting 1
Motie
1
discard
nl GG Ee Nh : Ja ed oe e Ee Gt) 7 Á N Dl ER ze Ee k ge MA OTE ANNEN Dl € keArmsterdanm AR ' E | a, Kn ee me . | Ak den A, 2 EE | Ee Ed \ A 5 A Re hd | / - 5 RE er == ee K / z h | . ik Fe EE , N Jeugd en genotmiddelen 2016 Ee ten Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Dn sd en - Sa Mm a) a AV dl n Jeugd en genotmiddelen 2016 ‚e Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Samenvatting ® Van de 16- t/m 18-jarige leerlingen uit klas 5 en 6 van de havo en het vwo in Amsterdam heeft 60% in de afgelopen maand alcohol gedronken. Dat ging vaak om Jarig g gelop g ging aanzienlijke hoeveelheden; 45% van de leerlingen dronk in de afgelopen maand vijf of meer glazen alcohol op één gelegenheid (binge drinken). e Ook andere middelen worden regelmatig gebruikt. Zo gebruikte een kwart van de leerlingen in de afgelopen maand cannabis, de helft van de leerlingen heeft dit middel ooit gebruikt. e Vier procent van de leerlingen heeft in de afgelopen maand XTC gebruikt. Vijftien procent heeft ooit XTC gebruikt. Leerlingen die ooit XTC hebben gebruikt, hebben vrijwel allemaal ervaring met het gebruik van alcohol en cannabis. e Het middelengebruik verschilt nauwelijks tussen jongens en meisjes of naar leeftijd. Wel gebruiken leerlingen van Nederlandse en overig westerse herkomst aanzienlijk vaker alcohol en/of drugs dan leerlingen van niet-westerse herkomst. ° Het gebruik van cannabis en XTC is in deze leeftijdsgroep in Amsterdam hoger dan landelijk. Het alcoholgebruik verschilt niet significant van het landelijke cijfer. e De preventie van gebruik van alcohol en drugs onder 16- t/m 18-jarigen vraagt om duidelijke regels op school en bij verkoop, een nieuwe aanpak van voorlichting in de bovenbouw, ondersteuning voor ouders en goede doorverwijzing van riskant gebruikende jongeren. Waarom dit onderzoek? In de tweede en vierde klas van het voortgezet Het gebruik van alcohol en drugs is niet zonder risico’s, het onderwijs gt het gebruik van XTC lager; m schooljaar kan de lichamelijke en psychische gezondheid schaden. gorzen . ad 1 sven de 12- vn 16-jarigen ooft XTC Verschillende factoren spelen hierbij een rol, zoals type drug, gebruikt. Niet bekend de oevee” 16- t/m ve langen m frequentie en dosering van gebruik, maar ook persoonlijke Amsterdam XTC gebrui en. In dit onderzoe brengen de kenmerken en de setting waarin gebruikt wordt. De GGD Amsterdam en Jellinek Preventie in kaart hoeveel _ gemeente Amsterdam zet zich in om gezondheidsschade leerlingen van de 5° en 6° klas van het voortgezet onderwijs en maatschappelijke schade als gevolg van het gebruik van in Amsterdam XTC hebben gebruikt. Ook wordt inzicht . … genotmiddelen terug te dringen. Het beleid is gericht op het verkregen in het gebruik van andere drugs en alcohol, H voorkómen van gebruik, vooral van risicovol en overmatig De uitkomsten van dit onderzoek geven richting aan het . gebruik, met name onder jongeren (1). beleid gericht op het voorkómen van risicovol en overmatig gebruik van alcohol, cannabis en overige drugs in deze De laatste jaren krijgen we signalen van een stijging van het leeftijdsgroep. XTC-gebruik onder jongeren in Amsterdam. Zo bleek uit de Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2012 dat 28% van de 19- t/m 34-jarigen ooit XTC had gebruikt, 16% had dat in het voorgaande jaar gedaan en 6% in de afgelopen vier weken (2). 1 Al 4 | Jeugd en genotmiddelen 2016 CO ©) Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Alcohol Tabel 1: Middelengebruik in de 5° en 6° klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) Hoe hoog is het alcoholgebruik in klas 5 en 6? - Zes op de tien leerlingen uit klas 5 en 6 van het voortgezet |_—__———— | Achdf | | {Combs | | ej | voorafgaand aan het onderzoek alcohol gedronken maand 1 avond plan maand plan |__maand plan (abel 1) Bin de hef van de leringen ehoortterde [aam | | | |d| A A EE ZE OE NE NE NE vier weken op één gelegenheid minimaal vijf glazen — alcohol hebben gedronken. Een meerderheid (76%) meisjes | __ | _ a} 75} 49} sv} | 2} sf ss} nm van de leerlingen heeft ooit alcohol gedronken. De Leeftijd el gende starteefjd was 145jam Eriegsenvench Pio | al al p| p= a ed ol verschil naar leeftijd zijn Kein. Wel is er een varit EE) EE OE SE verschillen naar leeftijd zijn klein. Wel is er een variatie 17 jaar ze /5 65 3 20 14 Üë tussen schooltypen: het alcoholgebruik in havo-5 is lager tsja | 6} 49} 78} | | sel an} a} 2} 12 dan inva Verder zijn er aanienijke verschien naar [profonde Ne EE [kee lele Nederland of overig westerse herkomst hoger is dan onder Klas _ Lj leerlingen van niet-westerse herkomst. Dat geldt voor ooit |hvos | _ 2 «| &| ss} 2} sl a| 6} 1} | gebruik, gebruik inde laatste maand en binge drinken. [mos |_ | «| pl el} | | auf sl ul Hoeveel leerlingen zijn van plan komend jaar alcohol te | gebruiken? Twee derde van de leeringen isvan plan om in he SE KO) EE: ES OE ES komend a aloholee denken Nog vens 2% vande leerlingen is dit misschien van plan. Leerlingen van een niet- - westerse herkomst zijn aanzienlijk minder vaak van plante [metvesters__|__ 2} 83} ef | vo} 2} un} a} Ss} 4 gaan drinken dan leerlingen van westerse herkomst. Verder [Tota | __ 60| 4} 76| | 2} sj} 30} «| so} 12) zijn weinig niet-drinkers (3%) van plan het komende jaar * p<0,05 (Chisq-toets) alcohol te gaan gebruiken, terwijl de meerderheid van de ' leerlingen die ooit alcohol hebben gebruikt (87%) wel die intentie heeft. 2 & b s be DCO Jeugd en genotmiddelen 2016 a 6 6 d Es Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Cannabis XTC Hoeveel leerlingen gebruiken cannabis? Hoeveel leerlingen gebruiken XTC? Een kwart van de leerlingen uit klas 5 en 6 van het Vier procent van de leerlingen uit klas 5 en 6 van het voortgezet onderwijs in Amsterdam heeft in de vier weken voortgezet onderwijs in Amsterdam heeft in de vier voorafgaand aan het onderzoek cannabis gebruikt. En de weken voorafgaand aan het onderzoek XTC gebruikt. Dit helft van de leerlingen heeft ooit cannabis gebruikt cijfer is mogelijk aan de lage kant, omdat het onderzoek (tabel 1). De gemiddelde startleeftijd was 14,9 jaar. plaatsvond in de winter, terwijl XTC vaak op festivals in de Jongens gebruiken vaker cannabis dan meisjes. Het ooit- i zomermaanden wordt gebruikt. Tabel 1 laat verder zien gebruik is het laagste in havo-5 en het hoogste in vwo-6. Baks Î dat 15% van de leerlingen ooit XTC heeft gebruikt. Zij Verder zijn er aanzienlijke verschillen naar herkomst, waarbij startten hiermee op een gemiddelde leeftijd van 16,1 jaar. het cannabisgebruik onder leerlingen van Nederlandse of Leerlingen van Nederlandse of overig westerse herkomst overig westerse herkomst hoger is dan onder leerlingen van ' hebben vaker XTC gebruikt dan leerlingen van niet- niet-westerse herkomst. De verschillen in cannabisgebruik | westerse herkomst. Het ooit-gebruik stijgt met de leeftijd naar leeftijd zijn gering. van 9% onder de 16-jarigen tot 22% van de 18-jarigen. Er is geen significant verschil tussen schooltypen of tussen Hoeveel leerlingen zijn van plan komend jaar cannabis te his Ì jongens en meisjes. Ervaring met gebruik van XTC gaat gebruiken? di k ® Mus vrijwel altijd samen met ervaring met het gebruik van Een derde van de leerlingen is van plan om komend jaar Bad WM andere middelen; 96% van de leerlingen die ooit XTC cannabis te gebruiken en één op de vijf leerlingen geeft aan Zi hebben gebruikt, heeft ook weleens cannabis en alcohol dat misschien te gaan doen. Jongens zijn dit vaker van plan \ gebruikt. dan meisjes. Verder zijn leerlingen van westerse herkomst ; dit vaker van plan dan leerlingen van niet-westerse Hoeveel leerlingen zijn van plan komend jaar XTC te herkomst. Ook zijn leerlingen die ervaring hebben met gebruiken? cannabis (55%) aanzienlijk vaker van plan dit middel Van de leerlingen is 12% van plan om in het komende jaar opnieuw te gebruiken komend jaar dan leerlingen die nooit XTC te gaan gebruiken en 17% wil dat misschien doen. cannabis hebben gebruikt (3%). Leerlingen van niet-westerse herkomst (4%) zijn dit minder vaak van plan dan leerlingen van Nederlandse of westerse herkomst (13-16%). Ook is er een groot verschil in intentie tussen degenen met en zonder ervaring met XTC. Van de nooit-gebruikers is 5% van plan dit middel het komende jaar te gaan gebruiken, terwijl dit geldt voor de helft van de ooit-gebruikers. 3 H Jeugd en genotmiddelen 2016 ONigle, e d Kle ks Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Hoeveel gebruikers laten de XTC-pillen vooraf testen? Overige drugs j Meer dan de helft van de XTC-gebruikers heeft nooit pillen Hoe hoog is het gebruik van andere drugs in klas 5 en 6? ml laten testen, 43% doet dat soms of altijd (figuur 1). Figuur 2 laat zien hoeveel 16- t/m 18-jarige scholieren in de afgelopen maand f ee Deze testen vinden meestal plaats bij een officiële andere drugs hebben gebruikt: 1% gebruikte amfetamine, 1% paddo's en ke ij testservice. Een thuistest is niet populair. minder dan 1% 4-FA. Alleen het gebruik van lachgas (8%) is relatief hoog. NL 2 Ì Ook het ooit-gebruik is het hoogste voor lachgas (40%). Een kleinere groep kP ' ' leerlingen heeft ervaring met het gebruik van amfetamine (8%), paddo's (8%) of ' 9 | Jongens 4-FA (4%). Van de leerlingen heeft 1% of minder in de afgelopen maand cocaïne, re Ì . LSD, GHB, ketamine of 2C-B gebruikt. Het ooit-gebruik van deze middelen ie) f / 3 varieerde van 1% tot 3%. fl en j IJ | | ì ij " zon | Lachgas Ns £pr ee B officiële testservice & Mm Amfetami tat kee en ,: B thuistest mietamine Vgl SS Paddo's en pe zn 4-FA, 4-FMP | en == 5 Cocaïne B ooit A EN 2C-B B laatste maand Ee meisjes Ketamine pee GHB - es 1% LSD m nooit 0 10 20 30 40 50 n Tan rn m officiële testservice . . . . Sci Se | B NÀ Figuur 2: Gebruik van overige drugs in de 5° en 6° klas 2 EE DS thuistest van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) EE Ee El Kk B anders el ii st ke -i y 7 4 / Figuur 1: Testen van XTC-pillen onder gebruikers in de 5° gi zn en 6° klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) É À 4 Zijn er verschillen tussen Amsterdam en Nederland? Het alcoholgebruik onder 16- t/m 18-jarige leerlingen van het voortgezet onderwijs in Amsterdam verschilt niet significant van het landelijk cijfer (tabel 2). Het cannabisgebruik is onder leerlingen in Amsterdam hoger dan landelijk, zowel het gebruik in de maand voorafgaand aan het onderzoek als het ooit-gebruik. Ook het gebruik van XTC in de maand voorafgaand aan het onderzoek is in Amsterdam hoger (4%) dan landelijk (2%), net als het ooit-gebruik van XTC (3). Tabel 2: Het gebruik van alcohol, cannabis en XTC door 16- t/m 18-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam en Nederland, 2016 (%) __________[Alechol LL eks | pee Tj _________[leetste maand [=S glazen 1 avond A Nederland Amsterdam JO [6 pj |M | *p<0,05 Bron: Peilstationsonderzoek scholieren 2015, Trimbos-instituut, persoonlijke communicatie, 19-9-2016 & Onderzoek middelengebruik bovenbouw voortgezet onderwijs 2016, GGD Amsterdam : À he ï L nd | k Ál 1 en ea / = ed Pe À e= E. |} } i Ï : hj Í - ete 7] En d 1 r Bn, Î == d nd, Is Nrd Ddl — | 1 ___ EE Pi à _— i ef Î en Pf lt In | f et Ee nn - á el B ie ek, t Î a ale f k == í Li Pd 4 e= ft ech Aan ik \ aí hemmen L F DLA à le ME si A B p i …f KN ee 5 ngen 5 ï 1 n # me Fi en F dt iens BET as E E nd / | nr genen Der 7 E re 1 : rp … Elp * Mk ; Rn : ä reve) 55 £ ' nn" Eilel pe ‚ A SS rr lead En RE 5 Schadelijkheid & | Jeugd en genotmiddelen 2016 info rmatiezoe kged rag Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Schadelijkheid en informatiezoekgedrag Hoe schadelijk vinden de leerlingen het gebruik van alcohol en drugs? In tabel 3 staat hoe leerlingen de schadelijkheid van middelengebruik inschatten. Vooral de frequentie van het gebruik bepaalt de mate van schadelijkheid voor de leerlingen. Af en toe alcoholische drankjes gebruiken, roken of drugs m gebruiken vindt een meerderheid nauwelijks schadelijk. Maar dagelijks roken, ieder weekend vijf of meer alcoholische | drankjes consumeren of regelmatig drugs gebruiken vinden de meeste leerlingen wèl schadelijk. a Er A | Tabel 3: Perceptie van schadelijkheid van middelen in de 5°en 6° klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) ee ike KE zl maw: | re k Ikk ne WE Ù en nn N Niet Beetje Nogal Erg ci AN Ee 5 reilt Een mbs schadelijk | schadelijk | schadelijk | schadelijk alike en trede EEJ en nd ren leder weekend één of twee drankjes met alcohol drinken ee ns & HE 2 EE ci - KI D pnt ap rk Me A en ET Ir Af on toe wiet of has) roken | 4} a} 0 RAE Va ER BP Eén of twee keer ecstasy XTC, MDMA) proberen Ce ae . SG e Ë Sf À er, j 3 eZ Eén of twee keer amfetamine (pep, speed) proberen __8l al 32} 29 e h pe Se IKK = ledere dag één of twee drankjes met alcohol drinken __2|l sl 28} 62 7 En leder weekend vijf of meer drankjes met alcohol drinken ada dag spenen ele Regelmatig ecstasy XTC, MDMA) gebruiken ol 3} vv} 8 Hoeveel leerlingen zoeken informatie over het risico Tabel 4: Informatiezoekgedrag in de 5e en 6e klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) * van drugs? vrienden google, Tweederde van de leerlingen is zelfs weleens op zoek websites gegaan naar informatie over de risico’s van druggebruik (tabel 4). De populairste informatiebron is het internet. Ook vrienden 25%), ouders (21%) en school (19%) zijn XT C-gebruikers | s5| 8} _ 2| | 6 eeen die Evrard rr hebben Pe [Alecholgebrukers | 2} 3} ss| a} vl __ s| alle leerlingen die het voorgaande jaar XTC hebben BESESLSE gE pe 5 EE le ES druggebruik (93%). Ook degenen die in het voorgaande - * A Il 100%, k k . jaar cannabis (88%) of alcohol (78%) hebben gebruikt, ntwoorden tellen op tot meer dan 100%, omdat er meerdere antwoorden konden worden aangekruist gaan vaker dan gemiddeld op zoek naar informatie. 6 vir 8 a k Jeugd en genotmiddelen 2016 Pp Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Welke maatregelen kunnen middelengebruik onder 16- t/m 18-jarigen terugdringen? Middelengebruik onder middelbare scholieren tot 16 jaar daalde afgelopen jaren, ook in Amsterdam. Het huidige onderzoek laat zien dat het gebruik van genotmiddelen onder 16- t/m 18- jarigen nog altijd hoog is. Op basis van dit onderzoek kan over een toe- of afname van gebruik geen uitspraak gedaan worden, maar de cijfers laten zien dat het gebruik forse impact kan hebben op een gezonde ontwikkeling van een aanzienlijk deel van de Amsterdamse jongeren. Er is de afgelopen jaren veel energie gestoken in preventie van middelengebruik onder de jongste groepen adolescenten. Meer aandacht voor de groep van 16 jaar of ouder, met name voor jongeren met een Nederlandse culturele achtergrond, is nu de uitdaging. Daar zijn goede mogelijkheden voor. Op basis van ervaring en de huidige wetenschappelijke inzichten geven we de belangrijkste richtingen aan. 1. Hanteer een duidelijk middelenbeleid en handhaaf dit 3. Vernieuw de preventie in de bovenbouw Voor instellingen die met jongeren werken is het belangrijk Voorlichting in de klas heeft als risico dat de lessen een duidelijk beleid te hebben gericht op het terugdringen averechts werken. Van de 16- t/m 18-jarige leerlingen van gebruik. Scholen kunnen veel bereiken door gebruik heeft 85% nooit XTC gebruikt. Praten over XTC in de van genotmiddelen bij geen enkele onderwijsactiviteit te klas betekent dat ook de aantrekkelijke effecten van XTC accepteren. Niet op het schoolterrein, niet bij schoolreizen ter sprake komen en door niet-gebruikers als verleidelijk en niet op schoolfeesten. De ‘Middelenvrije School’ ervaren kunnen worden. Een nieuw lesprogramma dat kan zo bijdragen aan het verminderen van gebruik. Ook ontwikkeld wordt, gaat daarom vooral in op achterliggende sportverenigingen kunnen met duidelijke regels over processen van middelengebruik. Het programma leert met name tabak en alcohol veel bereiken. De gemeente om te gaan met verleiding en leert controle over eigen Amsterdam is verantwoordelijk voor de handhaving van gedrag te versterken. Het breed aanbieden van dit de leeftijdsgrens voor verkoop van alcohol en cannabis. nieuwe programma voor 4° en 5° klas havo en vwo is een Meer aandacht voor de uitvoering van deze handhaving is ® belangrijke taak voor GGD en scholen. Daarnaast is het van wenselijk. belang de jongeren die wèl experimenteren met XTC te bereiken met informatie over risico's en testen. 2. Ondersteun de ouders De invloed van ouders wordt vaak onderschat, ook 4. Verbeter de toeleiding naar korte individuele door ouders zelf. Adolescenten kunnen uitstekend de interventies indruk wekken dat de mening van ouders onbelangrijk Jongeren die riskant gebruiken zijn gebaat bij individuele is. Onderzoek laat echter zien dat duidelijke regels van gesprekken, zoals de methode Moti-4. Jellinek kan dit ouders effect hebben, ook bij jongeren ouder dan 16. bieden, maar het tijdig signaleren van problematisch Ouders hebben informatie nodig over hoe ze dat kunnen gebruik en het toeleiden van jongeren naar deze aanpakken. Met een actief beleid van o.a. GGD, Jellinek gesprekken behoeft verbetering. Een grotere bekendheid en scholen om deze ouders te bereiken te ondersteunen en een beter gebruik van het aanbod van Jellinek Jeugd kan nog veel verbeterd worden. bij de professionals in het onderwijs (zoals mentoren, ouder- en kindadviseurs, jeugdverpleegkundigen en zorgcoördinatoren) èn bij de ouders en opvoeders kan daarbij helpen. 7 Onderzoe kso pÂ=) Jeugd en genotmiddelen 2016 Pp Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Onderzoeksopzet De gegevens over de opbouw van de leerlingenpopulatie Tabel 5: Achtergrond van de onderzoekspopulatie Hoe is het onderzoek uitgevoerd? in Amsterdam zijn afkomstig van DUO (Dienst Uitvoering | __ aantal) %[ gewogen %| Van februari t/m april 2016 vond een klassikale afname Ongewijs) Op 1 oktober 2015 velde Amsterdam 6076 plaats van een schriftelijke vragenlijst in de 5° en 6° klas van eerlingen in klas 5 of 6 van havo of vwo. Geslacht | 22 scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam. Alle Geslacht | scholen met een havo- en/of vwo-afdeling zijn in januari Wie deden mee aan het onderzoek? jongens | 476} 44} 46| 2016 benaderd of binnen hun school de vragenlijst in één Het merendeel van de leerlingen woonde in Amsterdam meisjes | ____ 600} 56} 54} klas per schooltype en leerjaar afgenomen kon worden, met (82%). De andere leerlingen waren afkomstig uit reeftijd |T uitzondering van zelfstandig gymnasia, waarvan er vier van omringende gemeenten, zoals Amstelveen, Diemen, - de zes zijn benaderd. Een onderzoeksassistent begeleidde Landsmeer en Waterland. Ruim de helft van de leerlingen jongerdantójaer |____ 2| of ol de afname in de klas. Het ging om 17 havo-5 klassen, 19 was een meisje. Circa een derde deed havo-5, een derde vwo-5 klassen en 17 vwo-6 klassen. Acht scholen wilden niet in vwo-5 en een derde vwo-6. Ruim de helft van de jaer | 475} 44) aa} meewerken aan het onderzoek. Er deden 1102 leerlingen leerlingen was van Nederlandse herkomst, een derde van : mee aan het onderzoek. Acht leerlingen weigerden niet-westerse herkomst en 13% had een overig westerse deelname aan het onderzoek en 186 leerlingen waren herkomst. Een kwart van hen was 16 jaar, 44% was 17 19 jaarofouder | 57| sl 6} absent op het moment van afname van de vragenlijst. jaar en een kwart was 18 jaar oud. Een klein deel van de onbekend | __ al af ol} Van 1076 leerlingen werden de gegevens gebruikt in de leerlingen was 19 jaar of ouder (6%), van wie een relatief analyses; 26 vragenlijsten waren niet bruikbaar vanwege het groot aandeel van niet-westerse herkomst. Ks |T ontbreken van gegevens over geslacht (n=13) of het foutief of riet invullen de vragenlijst (n=13) INET AT UCS Rap Wat was de inhoud van de vragenlijst? A En AV en JE il î eN E ij MA ZE Op basis van de vragenlijst uit het Peilstationsonderzoek EE 8 A ee es & Herkomst ___ || van het Trimbos-instituut is een schriftelijke vragenlijst Ee j Já É Tr ijs: BRE : opgesteld, die in 5 à 10 minuten ingevuld kon worden. ZE p Pa Eg EN Ee In de vragenlijst werd navraag gedaan naar het gebruik van TE 8 rs PE ten > alcohol, cannabis en overige drugs. Ook werd gevraagd en al EN len naar de intentie om deze middelen te gaan gebruiken, Ren RS ien En naar informatiezoekgedrag en naar de inschatting van ECM en RE schadelijkheid van het gebruik van genotmiddelen. Verder . werden enkele achtergrondkenmerken nagevraagd. De Literatuur vragenlijsten werden verwerkt door I&O Research. Scholen . . . . - - 1. Preventie Genotmiddelenbeleidsbrief Amsterdam. kregen een niet-herleidbaar schoolnummer toegekend. (30.01.2013). Gemeente Amsterdam. Hoe zijn de gegevens geanalyseerd? 2. Dijk van T, Buster M, Osté J. Gebruik van cannabis en De analyses vonden plaats met behulp van SPSS Complex harddrugs; Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2012. Samples versie 21 waarbij door middel van weging rekening Amsterdam: GGD Amsterdam, 2014. . gehouden werd met de geclusterde steekproeftrekking. De 3. Dorsselaer S van, Tuithof M, Verdurmen J, Spit M, Laar resultaten zijn gewogen naar de leerlingenopbouw in de 5° M van, Monshouwer K, Jeugd en riskant gedrag 2015; en 6° klas van het voortgezet onderwijs in Amsterdam voor Kerngegevens uit het Peilstationsonderzoek Scholieren. schooltype, geslacht en herkomst op 1 oktober 2015. Utrecht: Trimbos-instituut, 2016, 8 EE F eN sl 0 Î & k = Ws ü [ de ï k & Ô il PD _ Ì : 5 ï Z bf 4 8 - | É n RE ú _ . Ke ® ì Ji 3 f " me r Be: dd | 1 ee Of | ra 5 j EEE h : mea À nen N IE 5 ij # 9 ennen k nn ri ti NL a | : TN: fi bi 0 mn À Al a Am ir nn IN IE | ml s Ì B e se je - . _
Onderzoeksrapport
10
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 1719 Ingekomen op 31 oktober 2019 Ingekomen in raadscommissie ZJS Ingekomen onder 1631’ Behandeld op 7 november 2019 Status Aangenomen Onderwerp Motie van het lid Boomsma inzake de Begroting 2020 (Inzet van doventolken). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2020. Constaterende dat: — Amsterdam circa 500-1000 mensen met een gehoorbeperking kent; — de informatievoorziening bij calamiteiten door de Rijksoverheid verbeterd wordt voor doven en slechthorenden; — in gemeenten zoals Beverwijk er reeds voorstellen zijn aangenomen om lokale informatievoorziening bij calamiteiten te verbeteren. Overwegende dat: — _dovenwelzijnsorganisatie SWDA en Cliëntenbelang al zeker sinds 2010 pleiten voor één stadsloket in Amsterdam waar altijd een doventolk aanwezig is; — zo veel mogelijk Amsterdammers terecht zouden moeten kunnen bij het stadsloket voor informatie en dienstverlening; — zo veel mogelijk Amsterdammers bij calamiteiten zo snel en volledig mogelijk geïnformeerd zouden moeten worden. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: 1. De informatievoorziening en ondersteuning bij het stadsloket te verbeteren voor Amsterdammers met een gehoorbeperking, door samen met in ieder geval SWDA en Cliëntenbelang, te bekijken op welke manier de dienstverlening aan deze Amsterdammer het best kan worden vormgegeven en daarbij te kijken naar de inzet van doventolken; 2. Te onderzoeken hoe de communicatie met betrekking tot calamiteiten voor Amsterdammers met een gehoorbeperking verbeterd kan worden. Het lid van de gemeenteraad D.T. Boomsma 4
Motie
1
discard
Stadsdeelcommissie Agenda Datum 28-03-2023 Aanvang 19:30 1. Opening 2. Mededelingen 3. Insprekers Inspreker Koster inzake het belang van inloophuizen in de stad 4. Mondelinge vragen 5. Adviesaanvraag Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting (besluitvorming) 6. Stadsdeelpanel/Democratisering tools 7. Openbaar vervoer vanwege de nieuwe concessie 8. Motie inzake dak- en thuislozen 9. Ingekomen stukkenlijst Nieuwsbrief dagelijks bestuur nr. 16 Locatie ondergrondse containers in de Heathrowstraat (Sloterdijk-Gentrum) Adviesaanvraag Aantrekkelijk OV in een 30 km/u stad Adviesaanvraag Buurtbudget Nieuw-West 2023 Concept vervoerplan GVB 2023 en 2024 10. Afsprakenlijst 11. Rondvraag 12. Sluiting
Agenda
2
train
> < CRN ate TaN en > Amsterdam de „_… Ee ke El er Pk 2 Ro ÊT Shade | An EO FP Dt: Pp Ten 2x | | | | | | b ; | > | je E L Ì B ì u _- E Nn | Í 4 ER: | E | l e | hi d Í 4 ' al kn 8 ö ni k, ak i INE id s Nr | | en | h el Lu 1 nr 7 _E CENSINS OW í | Ì l Es b: | \ EF dj LL _— ! E TE Î eed Ik 1 Er tt MN d De en EN | GEERD pen en Ï . | L en | kre heer EE … I Ld > - 8 de OR EEE EE Ei EE DEE L if TT ars …e iN fl | {| EE (IE a EM k: Pon = ú n rl ha IE 1 4 nn ee m8 me Onderzoek, Informatie en Statistiek De EEE BE tee ae een Ee Ee ; nr Bk Dead je. Eer 5 AN Er Er td ed En ‚ nn a s er Ny is Pa Pat E. hd cË Ee el Ee Pe Te Ere Dl en hj - ET NN = Ee, £ el eer ns an dl Te 5 rt erder er AE e Wd Pen 7 ld 0 Gej en zes mk ll 3 RE Er dr Bie ad a Detd EL fd | zal El Ee NES Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten In opdracht van: directie Openbare Orde en Veiligheid Projectnummer: 18381 Laure Michon Merel van der Wouden Sara de Wilde Bezoekadres: Weesperstraat 113 Telefoon 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam www.ois.amsterdam.nl L.Michon@amsterdam.nl s.wilde@amsterdam.nl Amsterdam, maart 2020 Foto voorzijde: Open Monumentendag (Interieur Oude Kerk), fotograaf Sanne Couprie (2017) 2 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Inhoud Inleiding 5 Aanleiding 5 Onderzoeksvraag 5 Doelgroep 5 Methode 6 Dankwoord 9 Rapportage 9 1 Inzichten uit bestaand onderzoek 10 1.1 Religie in Amsterdam: twee derde Amsterdammers niet gelovig 10 1.2 Bedreigingen na bekering of geloofsverlating 11 1.2.1 Bekering en geloofsverlaten: verschillen in kennis tussen groepen 11 1.2.2 Weinig bekend over dreigingen bij bekering of geloofsverlaten 14 1.3 Onbekend welke groepen veel te maken krijgen met bedreigingen 16 1.4 Alleen kennis over gevolgen bedreigingen in het algemeen 17 1.5 Waarschijnlijk weinig aangiftes en meldingen 18 1.6 Andere problemen na bekering of geloofsverlating 18 2 Experts aan het woord 21 2.1 Geen cijfers bekend over bekeringen en geloofsverlaten in Amsterdam 21 2.2 Gevallen van bedreigingen en geweld bekend, maar zeldzaam 21 2.3 Uiteenlopende meningen over kwetsbare groepen voor bedreigingen 22 2.4 Eenzaamheid en angst belangrijkste gevolgen; lotgenotencontact nuttig 24 3 Ervaringsdeskundigen aan het woord 27 3.1 Negatieve gevolgen van de verandering 28 3.1.1 Reacties op de verandering 28 3.1.2 Contact met familie en anderen uit de ‘oude gemeenschap’ 30 3.1.3 Mentale gevolgen 32 3.2 Positieve gevolgen: rust, acceptatie, nieuwe perspectieven en vrijheid 34 3.3 Hulp tijdens de verandering 35 Samenvatting en discussie 38 Samenvatting 38 Hoe vaak komen bedreigingen na bekering of geloofsverlaten voor? 39 Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben? 39 Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke participatie? 40 3 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken zij hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar? Wat zijn mogelijke belemmeringen hierbij? 40 Welke andere problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie? 41 Discussie al Aanbevelingen 43 Bijlage 1: Topiclijst interviews experts 45 Bijlage 2: Topiclijst interviews ervaringsdeskundigen 46 4 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Inleiding Aanleiding In maart 2018 stelden de raadsleden Poot en Boomsma schriftelijke vragen over bedreigingen van christenen met een islamitische achtergrond in asielzoekerscentra (AZC's) naar aanleiding van artikelen in de media (Reformatorisch Dagblad, 20-01-2018). Naar aanleiding van de vragen over deze incidenten heeft de burgemeester van Amsterdam toegezegd dat onderzoek zou worden gedaan naar de omvang en aard van bedreigingen van bekeerde personen. Er zijn op dit moment geen beschikbare gegevens die inzicht kunnen bieden in deze problematiek. De directie Openbare Orde en Veiligheid (OOV) heeft aan Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) gevraagd om een verkennend onderzoek naar deze problematiek. Onderzoeksvraag Centraal staat de vrijheid van personen om een geloof te beleven, van geloof te veranderen of een geloof te verlaten. Het onderzoek richt zich daarom op de vraag: In hoeverre hebben personen die hun geloof verlaten of zich bekeren (ongeacht vanuit welke godsdienst en voor welk nieuw geloof of levensbeschouwing) te maken met bedreigingen in Amsterdam en welke gevolgen hebben deze bedreigingen voor hen? Het doel van het onderzoek is om een onderbouwde indicatie te geven van de omvang en frequentie van bedreigingen na het verlaten van het geloof of na bekering op basis van verschillende bronnen. De onderzoeksvraag is vitgewerkt in een aantal deelvragen: n Welke problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie? = _Hoe vaak komen bedreigingen voor? = Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben? n Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke participatie? n= Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken zij hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar? = Wat zijn mogelijke belemmeringen voor het doen van aangifte of melding? Doelgroep Het onderzoek richt zich op personen die vanuit een bewuste keuze van geloof zijn veranderd of hun geloof hebben verlaten. Omdat het onderzoek zich ook richt op de rol van de gemeente is dit verder afgebakend door alleen Amsterdammers te betrekken bij het onderzoek, of mensen 5 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten die hun proces van bekering of geloofsverlaten minstens gedeeltelijk in Amsterdam hebben mee gemaakt. Er is daarentegen geen afbakening gemaakt wat betreft vanuit welke godsdienst of levensbeschouwing (een geloof maar ook atheïsme of agnosticisme) deze keuze is gemaakt of voor welke godsdienst of levensbeschouwing iemand vervolgens heeft gekozen. Dit is schematisch weergegeven in onderstaande figuur 1. Het onderzoek richt zich op deze drie situaties. Figuur 1 Situaties van geloofsverlaten of bekering Voor de afbakening van de doelgroep is het verder belangrijk iets te verduidelijken met betrekking tot de term ‘bedreiging’. Een bedreiging is een strafrechtelijk delict. Dit geldt wanneer sprake is van mondeling of schriftelijke bedreiging met de dood, ernstig letsel, verkrachting of aanranding! In dit onderzoek hanteren wij naast deze definitie van bedreiging in juridische zin ook een bredere definitie. Het gaat hierbij om wat door iemand als van bedreigend wordt ervaren, ook als dat niet strafbaar is. Wij zullen dit onderscheid in de rapportage steeds aangeven. Methode Om de centrale onderzoeksvraag en de bijbehorende deelvragen te beantwoorden, is gebruik gemaakt van een aantal onderzoeksmethoden: = een gerichte, pragmatische literatuurverkenning naar gegevens en inzichten over de onderzoeksvragen; = een verkenning van cijfers vit OIS-enquêtes die inzicht kunnen geven in de problematiek. Het betreffen geen enquêtes die zijn afgenomen in het kader van het huidige onderzoek maar enquêtes voor andere (monitor)onderzoeken waarin bepaalde aspecten van het huidige onderzoek zijn vitgevraagd; m _gesprekken met experts die in relatie staan tot de doelgroep; =_ interviews met ervaringsdeskundigen. Wij hebben voor deze combinatie van bronnen gekozen om de problematiek vanuit verschillende invalshoeken te benaderen. Gelet op de moeilijk bereikbare doelgroep was het gebruik van kwalitatieve methoden het meest geschikt om ervaringen in Amsterdam op te halen en het iteratuuronderzoek en de cijfermatige verkenning boden een bredere context. De opzet had als doel om tot veelzijdige inzichten te komen en daarmee tot een goede onderbouwing van antwoorden op de onderzoeksvragen. Hieronder wordt iedere methode toegelicht. 1 Zie de uitleg die door de politie wordt gegeven: https://www.politie.nl/aangifte-of-melding-doen/aangifte-van- bedreiging.html 6 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Literatuurverkenning In het kader van de pragmatische literatuurverkenning is gericht gezocht naar gegevens en inzichten die bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Er is voornamelijk in Nederlandse maar ook in internationale literatuur gezocht naar informatie over de volgende onderwerpen: =de mate waarin het voorkomt dat mensen hun geloof bewust verlaten of zich bekeren; n welke keuzes daarin het vaakst voorkomen (geloofsverlating of bekering en van of naar welke religie of levensovertuiging); m wat de gevolgen zijn voor personen, met name voor sociale contacten en maatschappelijke participatie; = wat de rol van de context hierbij is, met name de situatie in grote steden; min hoeverre bedreigingen voorkomen, wat hierop van invloed is en wat de gevolgen zijn. Hierbij is nadruk gelegd op vitkomsten die relevant zijn voor de onderzoeksvragen en voor de Amsterdamse context: een grote stad met veel diversiteit. De uitkomsten van de theoretische verkenning zijn in dit rapport verwerkt in het eerste hoofdstuk. Verkenning van cijfers Er zijn geen cijfers bekend over het aantal Amsterdammers dat een geloof verlaat of zich bekeert. Wel zijn er enquêtes van OIS waarin wordt gevraagd naar verwantschap met religie of levensbeschouwing, naar ervaring met discriminatie op basis van godsdienst of levensovertuiging en naar ervaring met bedreiging of fysiek geweld (in het algemeen). Deze bronnen (de Veiligheidsmonitor en de Staat van de Stad) zijn verkend. Doordat in deze onderzoeken echter niet specifiek gevraagd wordt naar ervaringen met discriminatie, bedreiging of (fysiek) geweld gerelateerd aan bekering of geloofsverlating, beantwoorden deze cijfers niet de centrale onderzoeksvraag maar zij dragen wel bij aan inzicht in factoren die een eventuele indicatie van de problematiek kunnen zijn. De uitkomsten van de cijferverkenning komen aan bod in het eerste hoofdstuk. Gesprekken met experts Daarnaast hebben we tien gesprekken gevoerd met 11 personen die (potentieel) in contact staan met de doelgroep van het onderzoek. Het gaat hierbij om theologen, vertegenwoordigers van religieuze of levensbeschouwelijke organisaties en professionals in contact met bekeerlingen en geloofsverlaters; voornamelijk in Amsterdam maar in een aantal gevallen elders. Vanwege hun ervaringen met geloofsverlaters en bekeerlingen, op welke manier dan ook, noemen we hen experts. Het gaat om verschillende vormen van expertise (gebaseerd op theologische of professionele kennis) en expertise op verschillende domeinen (van de verschillende religies of van specifieke doelgroepen). Aanvankelijk is een aantal organisaties benaderd dat in beeld was bij de directie OOV, de begeleidingscommissie en/of bij OIS. Gecombineerd met de sneeuwbalmethode, waarbij via respondenten contact wordt gelegd met nieuwe respondenten, hebben we gesproken met een diverse groep van experts: "twee theologen n vier religieuze leiders (drie voorgangers van christelijke kerken en een rabbijn) m_drie bestuursleden van organisaties (van een moskee en van het humanisme) m_ twee personen die hulp bieden aan mensen die het geloof (respectievelijk islamitisch en gereformeerd) hebben verlaten. 7 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten De gesprekken met de experts duurden een uur en vonden face-to-face of telefonisch plaats. De topiclijst bevatte vragen over de ervaringen met bekering en geloofsverlaten, de kenmerken van de geloofs- of levensbeschouwelijke gemeenschap, de gevolgen van bekering of geloofsverlaten en verschillen daarin en het voorkomen van bedreigingen en reacties hierop. Interviews met ervaringsdeskundigen Tot slot zijn er negen interviews gehouden met (oud) Amsterdammers die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd. Daarbij komen ook drie Amsterdamse experts die zelf ook hun geloof hebben verlaten. In totaal nemen we daarom van 12 personen de eigen ervaringen mee voor dit onderzoek. Daarbij waren we niet alleen geïnteresseerd in personen die bedreigingen hebben meegemaakt, maar willen we in meer brede zin weten wat hun ervaringen zijn. De focus lag op de (sociale) gevolgen van de bekering of geloofsverlating. Tijdens de gesprekken is een topiclijst gehanteerd om diverse onderwerpen aan de orde te laten komen. De topiclijst is te vinden in de bijlage. Respondenten zijn op verschillende manieren geworven: = viade experts met wie we gesprekken voerden; = via de sneeuwbalmethode: respondenten uit de doelgroep hebben we gevraagd naar contacten met andere personen die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd; = via oproepen binnen organisaties, zoals social media-berichten. Daarbij is gestreefd naar diversiteit tussen de geïnterviewden wat betreft leeftijd, geslacht, geloof of levensbeschouwing (voor en na de bewuste keuze) en herkomst. Het doel was om een zo divers mogelijke groep respondenten te bereiken om een breed scala aan ervaringen te kunnen belichten. De implicatie van de brede definitie die in het onderzoek wordt gehanteerd, was dat het onderzoek zich richtte op een grote en diverse doelgroep. Dit maakte de uitvoering van het onderzoek lastig, met name het vinden van respondenten die deze diversiteit aan godsdiensten of levensbeschouwingen en veranderrichtingen reflecteren. Met de interviews is een diepgaand inzicht verkregen in de individuele belevingsprocessen van de respondenten. Representativiteit van de groep respondenten was geen hoofddoel. Uiteindelijk is gesproken met 12 bekeerlingen en geloofsverlaters die we op basis van figuur 1 in drie groepen kunnen verdelen (figuur 2). Daarbij zijn de godsdiensten en levensbeschouwingen weergegeven zoals door de respondenten zelf verwoord. In de interviews is niet specifiek gevraagd naar stromingen binnen religies. 8 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Figuur 2 Overzicht respondenten* Twee mannen die uitgesloten zijn vit de Jehova's Getuigen. Een vrouw die het orthodox jodendom verliet. . liai Een vrouw die de islam verliet. nietreligleUS Fen man die het gereformeerd christendom verliet. Een man die zich bekeerde van het katholicisme naar het orthodox ï jodendom. _ religieus — Een man die zich bekeerde van het (niet actief) christendom tot de islam. Een vrouw die zich bekeerde van het hervormd christendom naar de islam. Twee vrouwen die zich bekeerden van de islam tot het christendom. nietreligieus Twee vrouwen die zich bekeerden van atheïst tot de islam. Dankwoord We zijn zowel de experts als de ervaringsdeskundigen erkentelijk voor hun bereidheid om met ons te spreken, hun (persoonlijke) ervaringen met ons te delen en alle hulp bij de vitvoering van het onderzoek. Daarnaast een woord van dank aan de leden van de begeleidingscommissie. Gedurende het onderzoek is er meermaals contact geweest Fiore Geelhoed, Karin van Nieuwkerk en Vanessa Vroon die samen deze commissie vormden. Wij zijn hen dankbaar voor hun kritische blik en vele aanbevelingen. Ook danken wij Joke van Saane en Trees Pels voor hun bijdrage bij het opstarten van onderzoek. Rapportage In de voorliggende rapportage worden in het eerste hoofdstuk de deelvragen beantwoord aan de hand van bestaand onderzoek, te weten literatuur en enquêtecijfers. In het tweede hoofdstuk komen de antwoorden van de experts op een aantal onderzoeksvragen aan bod. In het derde hoofdstuk komen de ervaringsdeskundigen aan het woord over de gevolgen die zij hebben ervaren van hun verandering, die met name betrekking hebben op hun sociale contacten en maatschappelijke participatie. In elk hoofdstuk worden daarmee de uitkomsten van de verschillende toegepaste onderzoeksmethodes apart besproken. De rapportage wordt afgesloten met een conclusie waarin de verschillende onderzoeks-onderdelen met elkaar worden verbonden en waarin de deelvragen en de centrale onderzoeksvraag worden beantwoord. 9 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten 1 Inzichten uit bestaand onderzoek In dit hoofdstuk wordt allereerst kort de context van bekering en geloofsverlating besproken: de plaats van religie in Amsterdam, en wat bekend is over bekering en geloofsverlaten. Vervolgens gaan we in op de beantwoording van de deelvragen die in dit onderzoek centraal staan. Achtereenvolgend komen de volgende vragen aan bod: = Hoe vaak komen bedreigingen na bekering of geloofsverlating voor? = Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben? n Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke participatie? n Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken zij hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar? = Wat zijn mogelijke belemmeringen voor het doen van aangifte of melding? = Welke andere problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie? 1.1 Religie in Amsterdam: twee derde Amsterdammers niet gelovig Om eerst enige context te geven aan de cijfers die zullen volgen, is het belangrijk om het kader te schetsen. Daarbij is een belangrijk gegeven dat twee derde van de Amsterdammers zich niet verwant voelt met een religie of levensbeschouwing.? Het aandeel Amsterdammers dat zich wel verwant voelt met een religie of levensbeschouwing neemt sinds 2010 langzaam af. Vóór 2010 lag het aandeel religieuze Amsterdammers rond de 40%, in 2018 gaat het om 33%. Honderd jaar geleden waren vrijwel alle Amsterdammers nog gelovig.* Deze daling is in de laatste jaren vooral gerelateerd aan de sterke afname van het aandeel Amsterdammers dat zich verwant voelt met het christendom. In 2018 is de daling gestopt en lijkt dit percentage zich te stabiliseren op 15%. Het aandeel moslims ligt al een aantal jaar rond de 13%. Verder is 1% van de Amsterdammers boeddhist, hindoeïstisch of joods. Alle andere geloven worden door minder dan 1% van de bevolking genoemd. 2 OIS (2019), Staat van de Stad X, https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/de-staat-van-de-stad-amsterdam- x/c022b42a-58f2-49af-993a-e61227ae6del/ 3 OIS (2019, 28 november), Geloven in Amsterdam, https://data.amsterdam.nl/artikelen/artikel/geloven-in- amsterdam/6f11318a-b96f-4607-a0de-4f247e983fc2/ 10 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Figuur 1.1 Godsdienst, religieuze of levensbeschouwelijke stroming waarmee men zich verwant voelt, Amsterdam, 2006-2018 (procenten) 100 go geen antwoord niet gelovig 80 manders 70 m Joods B Hindoeisme bo em Boeddhisme 50 mIslam overig Christelijk 40 m Protestantse Kerk — T T e= Rooms-Katholiek 30 2 T T . m Denen 0 2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018 bron: OIS/ SvdS X Vergelijken we de situatie in Amsterdam met die in heel Nederland, dan blijkt de secularisatie in de hoofdstad sterker dan landelijk. In 2017 rekende 49% van de Nederlanders van 15 jaar en ouder zich tot een godsdienstige of levensbeschouwelijke groepering. Eind jaren negentig was dit percentage 60%.* Ook in de verhouding tussen groepen zijn er verschillen tussen Amsterdam en heel Nederland. Zo noemt 24% van de Nederlandse bevolking zich katholiek en 15% protestants. Daarmee vormen christelijke Nederlanders een veel grotere groep dan de groep islamitische Nederlanders (5%). In Amsterdam zijn deze groepen even groot. 1.2 Bedreigingen na bekering of geloofsverlating 1.2.1 Bekering en geloofsverlaten: verschillen in kennis tussen groepen Cijfers over bekering en geloofsverlaten zijn zeer beperkt beschikbaar, over bedreigingen nog minder. Wel is bekend dat de ontkerkelijking in Nederland sneller is gegaan dan waar dan ook ter wereld, zo blijkt uit cijfers van het CBS.° Niet alle geseculariseerde personen hebben bewust een geloof verlaten, er kan ook sprake zijn van een geleidelijk proces waarbij de band met een geloofsgemeenschap en/of geloof langzaam verwatert. Over de omvang van bekering en 4 Schmeets, H. (2018). ‘Wie is religieus, en wie niet?’ Statistische Trends. Den Haag: CBS. https://www.cbs.nl/nl- nl/achtergrond/2018/43/wie-is-religieus-en-wie-niet- $ CBS. (2016, 12 april). 111 jaar statistiek in tijdreeksen, 1899-2010. https://www.chs.nl/nl-nl/publicatie/2010/35/111- jaar-statistiek-in-tijdreeksen-1899-2010 11 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten geloofsverlaten geven landelijke studies enige relevante inzichten. Hieronder bespreken we de uitkomsten van studies naar de religieuze beleving van christenen en moslims. Over andere religieuze groepen zijn geen vergelijkbare cijfers gevonden. Geloofsverlaten onder christenen in Nederland In een recent verschenen onderzoek naar christenen in Nederland® is in kaart gebracht hoeveel mensen zich niet meer rekenen tot het kerkgenootschap of de levensbeschouwelijke groepering waarin zij zijn grootgebracht. Tussen 1983 en 2016 is dit aandeel gestegen van 24% naar 38% van de Nederlandse bevolking vanaf 16 jaar. Onder jongeren tot 30 jaar is dit aandeel gelijk gebleven (30%) in dezelfde periode. De vraag richt zich overigens meer op aansluiting bij een geloofsgemeenschap dan op geloof. De publicatie geeft verder inzicht in het verlaten van een aantal christelijke kerkgenootschappen en kerklidmaatschap vanuit een buitenkerkelijke opvoeding. Dit laatste komt beperkt voor: 4% van de bevolking wordt christelijk kerklid vanuit een buitenkerkelijke opvoeding. Andersom geldt dat ontkerkelijking vooral sterk is toegenomen onder personen die rooms-katholiek zijn opgevoed: in 2016 was 73% buitenkerkelijk geworden. Onder personen die Nederlands- hervormd en gereformeerd zijn opgevoed is buitenkerkelijkheid ook gestegen, maar in mindere mate (tussen 50% en 60% in 2016). Religieuze beleving van moslims In de verwante SCP-publicatie over de religieuze beleving van moslims? worden geen vergelijkbare cijfers gegeven over het verlaten van de islam. Echter, aangezien de tweede generatie migranten van Turkse en Marokkaanse herkomst (in Nederland geboren van ouders die in het buitenland zijn geboren) zich iets minder vaak moslim noemt dan de eerste generatie migranten met dezelfde herkomst, kan een schatting worden afgeleid. Tabel 1.2 Aandeel dat zichzelf als moslim ziet, Turkse en Marokkaanse Nederlanders van 15 jaar en ouder, naar generatie van migratie, 2015 (procenten) 1° generatie 90 96 2e generatie 82 91 totaal 86 94 bron: Huijnk 2018 Zo ziet 90% van de in Turkije geboren Turkse Nederlanders zichzelf als moslim, van de groep die in Nederland is geboren is dit 82%. Dit verschil van acht procentpunt tussen de eerste en de tweede generatie heeft waarschijnlijk te maken met het verlaten van de islam (al dan niet voor een andere religie). Volgens dezelfde redenering zou maximaal 5% van de tweede generatie Marokkaanse Nederlanders de islam hebben verlaten. Overigens zijn er nauwelijks verschillen in 6 de Hart, J. & P. van Houwelingen (2018), Christenen in Nederland. Kerkelijke deelname en christelijke gelovigheid. Den Haag: SCP. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle publicaties/Publicaties 2018/Christenen in Nederland/Christenen in Nederlan d 7_Huijnk, W. (2018), De religieuze beleving van moslims in Nederland, Den Haag: SCP. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle publicaties/Publicaties 2018/De religieuze beleving van moslims in Nederlan d/De religieuze beleving van moslims in Nederland 12 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten leeftijd in de mate van religieuze zelfidentificatie. Wel zijn er verschillen in geslacht: vrouwen noemen zichzelf iets vaker moslirn dan mannen. Verder geldt onder Turkse Nederlanders dat hoogopgeleiden zich minder identificeren met de islam dan personen met een lager opleidingsniveau. Tussen 2006 en 2015 zijn Turkse Nederlanders zich minder vaak moslim gaan noemen; deze daling geldt zowel voor de eerste als voor de tweede generatie. Dit vormt eveneens een aanwijzing voor enige mate, zij het beperkt, van geloofsverlaten. Deze ontwikkeling geldt niet voor Marokkaanse Nederlanders: hun identificatie met de islam is constant gebleven. Mechanismen voor identificatie met de islam Maliepaard en Lubbersë geven verder inzicht in het mechanisme van identificatie met de islam van jongeren. Dit doen zij op basis van een enquête onder Nederlanders van Turkse en Marokkaanse herkomst die zich als moslim identificeren en hun kinderen. De enquête richt zich op de vraag hoe ouders religieuze waarden en van het praktiseren van religie doorgeven. Dat gebeurt in grote mate, ongeacht het onderwijsniveau van de kinderen en de mate waarin zij vrienden hebben buiten de eigen etnische groep. Het resultaat is een sterke overdracht in identificatie met de islam. Dit wordt ook bevestigd in een recent internationaal onderzoek onder zowel christelijke als islamitische jongeren. Simsek en collega’s laten zien dat terwijl onder christelijke jongeren (zowel met als zonder migratieachtergrond) sprake was van secularisatie, onder islamitische jongeren nauwelijks verandering is opgetreden tijdens hun tienerjaren in de mate van identificatie met de islam, het bezoek van de moskee en de frequentie van het bidden.° Behalve naar verschillen tussen religieuze groepen kan ook gekeken worden naar verschillen in individuele en contextuele kenmerken bij geloofsverlaten. Need en de Graaf hebben dit gedaan met Nederlandse enquêtegegevens: zij laten zien dat een hoger opleidingsniveau van de persoon en van de ouders, en het trouwen met een niet-religieuze partner de kans vergroten om het geloof te verlaten waarin men is opgevoed. Verder is er een effect van leeftijd: personen in de late adolescentie verlaten relatief vaak hun geloof.10 Enige kennis over geloofsverlaten, weinig over bekering Al met al zien we dat sprake is van een proces van secularisering dat sterker voor sommige groepen opgaat dan voor anderen. Vooral het verschil tussen religieuze groepen lijkt groot: de cijfers duiden op een grotere mate van kerk- en/of geloofsverlaten van het katholicisme en het protestantisme. Dat geldt daarentegen in geringe mate voor de islam. Over bekeringen is echter heel weinig bekend. Volgens een internationale vergelijkende studie zou naar schatting 1,4% à 1,7% van de moslims in Nederland (in totaal ongeveer 1 miljoen personen) bekeerd zijn tot de islam. '! Op basis van haar onderzoek onder islamitische 8 Maliepaard, M. & M. Lubbers (2013), ‘Parental Religious Transmission after Migration: The Case of Dutch Muslims’, Journal of Ethnic and Migration Studies 39 (3): 425-442. http:/{dx.doi.org/10.1080/1369183X.2013.733862 9 Simsek, M., F. Fleischmann & F. van Tubergen (2019), ‘Similar or divergent paths? Religious development of Christian and Muslim adolescents in Western Europe’, Social Science Research 79: 160-180. https://doi.org/10.1016/j.ssresearch.2018.09.004 10 Ariana Need and Nan Dirk De Graaf (1996), “Losing my religion”: a dynamic analysis of leaving the church in the Netherlands’, European Sociotogicat Review 12 (1): 87-99. u Schuurman, B, P. Grol & S. Flower (2016), ‘Converts and Islamist Terrorism: An Introduction’, ICCT Journal 7 (3). https://www.icct.nl/wp-content/uploads/2016/06/ICCT-Schuurman-Grol-Flower-Converts-June-2016.pdf 13 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten bekeerlingen stelt Vroon-Najem dat de meeste jonge bekeerlingen zich niet bekeren vanuit een ander geloof, het gaat vooral om personen die van huis uit geen geloof hebben meegekregen? 1.2.2 Weinig bekend over dreigingen bij bekering of geloofsverlaten Over de omvang van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten zijn geen cijfers bekend. Een van de weinige studies over dit onderwerp toont aan hoe moeilijk het is om inzicht te verschaffen in dit fenomeen. Larsson heeft onderzoek gedaan in Zweden op basis van verschillende getuigenissen van personen die zich bedreigd hebben gevoeld nadat zij de islam hebben verlaten.'* Larsson ziet echter nauwelijks dergelijke gevallen terug in politiedossiers. Hij heeft daarnaast gekeken naar de standpunten van imams in Zweden: hij vindt geen ondersteuning in hun woorden voor het idee dat het verlaten van de islam bestraft zou moeten worden. Er zijn daarnaast kwalitatieve onderzoeken die de ervaringen van bekeerlingen in kaart brengen. Zo komt naar voren dat bekeerlingen tot de islam te maken kunnen krijgen met negatieve reacties en met fysiek geweld.!* Overigens ervaren zij dit niet per se als bekeerlingen aangezien hun ervaringen worden gedeeld door moslims meer in het algemeen (zie hieronder). Op basis van deze studies is het echter niet mogelijk om de omvang van bedreigingen te kwantificeren. Discriminatie en religie in Amsterdam Om de Amsterdamse context te schetsen maken wij hier gebruik van enquêtegegevens uit de Veiligheidsmonitor (VM) over discriminatie onder verschillende levensbeschouwelijke groepen, als ook de grond en de vorm van die discriminatie. Deze cijfers geven geen antwoord op de onderzoeksvragen, maar geven wel een bredere context aan de problematiek. Mensen die negatieve consequenties ervaren van hun bekering of geloofsverlaten vallen onder de groepen die discriminatie ervaren op grond van religie of levensbeschouwing, alleen weten we niet in welke mate. Van alle Amsterdammers had 12% in 2018/19'° discriminatie ervaren in het afgelopen jaar. Van hen zegt 18% dat dit gebeurde op grond van godsdienst of levensovertuiging. Omgerekend zegt 2% van alle Amsterdammers discriminatie te hebben ervaren vanwege religie of levensbeschouwing in 2018/19. 12 NRC (2014, 10 april). ‘De islam past nou eenmaal goed bij deze tijd.’ https://www.nrc.nl/nieuws/2014/04/10/de-islam- past-nou-eenmaal-goed-bij-deze-tijd-136395/-a1128024 13 Larsson, G. (2018) ‘Let's talk about apostasy! Swedish Imams, Apostasy Debates, and Police Reports on Hate Crimes and (De)conversion.' In K. van Nieuwkerk (ed.) Moving in and out of Islam. Austin: University of Texas Press: 385-404. 14 Geelhoed, F.R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories and (non-) involvement in jihadist movements’. ICCT Research Paper. https://icct.nl/publication/understanding-dutch- converts-to-islam-on-turbulent-trajectories-and-non-involvement-in-jihadist-movements/ 18 We gebruiken hiervoor de cijfers van september 2018 t/m augustus 2019 onder 11.357 Amsterdammers. Er is gekozen voor deze periode omdat toen is gestart met het vragen naar religie of levensbeschouwing. 14 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Figuur 1.3 Ervaren discriminatie, 2018/19 (procenten) Ervaring met discriminatie Ervaren discriminatie naar grond weet ik niet op grond van 5% godsdienst of levensovertuiging nee andere grond 83% 82% Bron: OIS/ VM 2018/19 Discriminatie en bedreiging of geweld Van de personen die aangaven discriminatie te hebben ervaren op grond van religie of levensbeschouwing gaat het bij 12% om geweld of agressief gedrag en bij 9% om bedreiging (omgerekend 0,3% en 0,2% van de Amsterdamse bevolking). Dit gaat om bedreiging vanwege religie in algemene zin, niet (uitsluitend) om bedreiging vanwege bekering of geloofsverlaten. Discriminerende opmerkingen of beledigingen komen het meeste voor, in bijna 60% van de gevallen. Figuur 1.4 Ervaren vorm van discriminatie bij discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging (meerdere mogelijk), 2018/19 (procenten) door discriminerende opmerkingen/belediging | 59 door ongelijke behandeling/benadeling | 48 negatief beeld/stigmatisering (bijv. in de media) | 46 door negeren/ uitsluiting | 37 door roddels | 24 het was meer gevoel dan dat er iets gebeurde | 18 door geweld/ agressief gedrag | 12 door bedreiging mn 9 door vernieling/ beschadiging van eigendommen B 6 anders B 6 weet niet | 1 % 0 20 40 60 80 100 Bron: OIS/ VM 2018/19 Vooral moslims blijken discriminatie op grond van religie of levensbeschouwing bovengemiddeld veel te rapporteren. Driekwart van hen heeft religieuze discriminatie ervaren. Onder katholieken is dit percentage met 6% veel minder dan gemiddeld (18%). Van de seculiere Amsterdammers 15 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten heeft 8% discriminatie op grond van levensbeschouwing ervaren. Voor andere religieuze of levensbeschouwelijke groepen zijn de aantallen te klein om hierover te rapporteren. Figuur 1.5 Ervaren discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, naar religieuze of levensbeschouwelijke groep, 2018/19 (procenten) katholiek TJ 6 seculier Tj 8 % o 20 40 60 80 100 * Het gaat bij moslims specifiek om soenitische moslims, omdat de vragenlijst de mogelijkheid aanbiedt om een specifieke levensbeschouwelijke groepering te kiezen. De groep sjiitische moslims is relatief beperkt in Amsterdam. Bron: OIS/ VM 2018/19 1.3 Onbekend welke groepen veel te maken krijgen met bedreigingen Er zijn geen studies gevonden die specifiek het probleem van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten adresseren. Dat maakt het identificeren van groepen die relatief veel te maken hebben met bedreigingen heel lastig. Wel zien we dat de publieke discussie zich toespitst op het verlaten van en de bekering tot de islam. Zo is er veel discussie over de vraag of personen die de islam verlaten structureel of relatief vaak te maken hebben met bedreigingen tot geweld. Er zijn geen cijfers die dit staven of ontkrachten. Bovengenoemd onderzoek van Larsson heeft op basis van politiecijfers geen specifieke cijfers hierover gevonden. Larsson schrijft hierover dat er sprake lijkt te zijn van een discrepantie tussen de perceptie dat het gevaarlijk is om de islam te verlaten en de liberale standpunten van imams bij geloofsverlaten.!ê Er is ook debat over de vraag of er een theologische basis is in de islam voor bedreigingen of zelfs doodstraffen bij apostasie. Volgens sommige theologen kunnen moslims bedreigingen en fysiek eweld baseren op religieuze teksten.” Volgens andere theologen geldt dit echter niet. Zo is er g Pp rélig g geng volgens Aulad Abdellah in de islamitische theologie ‘geen dwang in de godsdienst’. 'ê Hij erkent dat volgens sommige interpretaties apostasie met de dood zou moeten worden bestraft maar 16 Larsson, G. (2018), zie boven. 17 van den Broeke, C. (2017) ‘Waar is de uitgang? Vrijheid van godsdienst, het recht op uittreding, geloofsafval en het apostasieverbod in joodse, christelijke en islamitische geloofsgemeenschappen!, NTKR, Tijdschrift voor Rechten Religie 2017 (2): 105-122. 18 Aulad Abdellah, M. (2017). “Er is geen dwang in de godsdienst” (9:129) Het recht op godsdienstvrijheid en burgerlijke vrijheden in de islam” NTKR, Tijdschrift voor Recht en Religie 2017 (2): 165-177. 16 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten daar staan teksten tegenover over het respect van andere religies en het verbod om deze religies of diens aanhangers te beledigen. Als het gaat om de positie van tot de islam bekeerde vrouwen schrijft Vroon-Najem'9: ‘veranderingen op gebied van kleding, voedsel, het zich onthouden van alcohol of omgang met de andere sekse, waren vaak een verrassend korte weg naar het stempel “buitenlander” Bekeerde moslima's kunnen dan te maken krijgen met vormen van discriminatie waar ze eerder niet mee geconfronteerd werden? Volgens Vroon-Najem zijn ze hier vaak verbaasd over: er is opeens verschil in hoe mensen hen behandelen, bijvoorbeeld wanneer ze willen solliciteren of wanneer mensen ervan uitgaan dat ze slecht Nederlands spreken. 1.4 Alleen kennis over gevolgen bedreigingen in het algemeen Aangezien heel weinig bekend is over het voorkomen van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten, valt er ook niet veel te zeggen over de gevolgen daarvan. Wel weten we dat dreiging om slachtoffer te worden van criminaliteit kan leiden tot een onveilig gevoel. Over onveiligheidsbeleving is veel geschreven. Zo legt Rader uit dat de dreiging om slachtoffer te worden uit drie componenten bestaat?! Eris allereerst een emotioneel aspect: de angst voor misdaad. Uit de Veiligheidsmonitor 2018/2019 blijkt dat 14% van de Amsterdammers die in het jaar voorafgaand aan bevraging slachtoffer werden van (bedreiging met) geweld zich vaak onveilig voelt, tegenover 2% van de Amsterdammers die nergens slachtoffer van werden. Het tweede element is het cognitieve aspect een inschatting van de hoogte van het risico. Uit dezelfde Veiligheidsmonitor blijkt dat 26% van de Amsterdammers die in het jaar voorafgaand aan bevraging slachtoffer waren van (bedreiging met) geweld, de kans (heel) groot schat om slachtoffer te worden van mishandeling. Dat percentage is onder deze slachtoffers hoger dan onder slachtoffers van andere uitgevraagde delicten (uiteenlopend van 7% tot 17%) en onder mensen die nergens slachtoffer van werden (2%).2? De derde component gaat over gedrag: de zaken die mensen niet doen uit angst voor slachtofferschap. Dit kan er toe leiden dat mensen minder durven en hun gedrag aanpassen: zij beperken hun activiteiten en maken niet volledig gebruik van hun fysieke omgeving.® Deze gedragsaanpassing kan vervolgens hun sociale interacties maar ook de mate van lichaamsbeweging beïnvloeden en kan daarmee leiden tot een slechtere mentale en fysieke gezondheid. Ross voegt daaraan toe dat mensen die bang zijn slachtoffer te worden een slechtere gezondheid rapporteren, niet alleen omdat zij weinig 19 Yroon, V. E. (2014). Sisters in Islam. Women’s conversion and the politics of belonging: A Dutch case study. Dissertatie: Universiteit van Amterdam. https://pure.uva.nl/ws/files/2046672/13/7821 thesis.pdf 20 Zie ook: Geelhoed, F.‚‚ R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories and (non-) involvement in jinadist movements’. ICCT Research Paper. https://icct.nl{publication{understanding-dutch-converts-to-islam-on-turbulent-trajectories-and-non-involvement- in-jihadist-movements/ 21 Rader, N. E. (2004). The Threat of Victimization: A Theoretical Conceptualization of Fear of Crime. Sociological Spectrum, 24(6), 689-704. https://doi.org/10.1080/02732170490467936 22 In deze verkenning is niet gecontroleerd voor eventuele interveniërende variabelen, waardoor niet zonder meer kan worden gesteld dat er een causaal verband is tussen ervaren slachtofferschap enerzijds en onveiligheidsgevoelens en angst voor slachtofferschap van mishandeling anderzijds. 23 Keane, C. (1998). Evaluating the Influence of Fear of Crime as an Environmental Mobility Restrictor on Women's Routine Activities. Environment and Behavior, 30(1), 60-74. https://doi.org/10.1177/0013916598301003 17 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten lichaamsbeweging hebben (zij lopen relatief weinig) maar ook vanwege de psychische stress die zij ervaren door angst.* 1.5 Waarschijnlijk weinig aangiftes en meldingen Na het meemaken van bedreiging kan men eventueel melding of aangifte doen bij de politie. Bij een melding wordt de politie op de hoogte gesteld van het strafbare feit, bij een aangifte wordt verzocht om over te gaan tot strafvervolging.? De vraag of bedreiging na geloofsverlating of bekering wordt gemeld of aangegeven bij de politie, kan niet beantwoord worden met bestaande cijfers. De politie beschikt niet over dergelijke specifieke cijfers en in slachtofferenquêtes worden specifieke vormen van bedreiging niet uitgevraagd. Cijfers die er wel zijn, schetsen een beeld van meldings- en aangiftebereidheid van meer algemene delicten waarvan mensen die in de Veiligheidsmonitor (een tweejaarlijks bevolkingsonderzoek naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap) aangaven slachtoffer te zijn geworden. In 2015 gaf 36% van de ondervraagde Nederlanders die slachtoffer werden van een delict aan daar een melding van te hebben gemaakt.27 Er zijn (sterke) verschillen naar delictstype: het meldingspercentage voor geweldsdelicten en vermogensdelicten is 44%, voor vandalisme is dat 19%. Binnen geweldsdelicten is het meldingspercentage voor mishandeling 55%, voor bedreiging 40% en voor seksuele delicten 30%. In het algemeen is de meldingsbereidheid in de regio Amsterdam lager dan landelijk. De aangiftecijfers zijn met 27% (in 2015) over alle delictstypen lager dan de meldingscijfers en de verschillen naar delictstype zijn groter: 21% van de geweldsdelicten werd aangegeven, 35% van de vermogensdelicten en 13% van de vandalismedelicten. Dat de aangiftebereidheid voor vermogensdelicten het hoogst is, is (deels) te verklaren doordat een aangifte nodig kan zijn om een schadevergoeding te ontvangen van de verzekering. Voor de geweldsdelicten zijn de aangiftepercentages 35% voor mishandeling, 15% voor bedreiging en 12% voor seksuele delicten. De melding/aangifte ratio (het percentage meldingen dat opvolging krijgt in een aangifte) is bij bedreiging met nog geen 40% het laagst van alle delictssoorten, tegenover 74% gemiddeld. 1.6 Andere problemen na bekering of geloofsverlating Op een aantal onderzoeksvragen vinden we weinig antwoorden in de bestaande literatuur, maar over problemen bij bekering of geloofsverlaten is wel het een en ander bekend. Het belangrijkste waar deze studies op wijzen is het risico op eenzaamheid en/of vervreemding. Zo laat Vroon- Najem zien dat eenzaamheid het grootste probleem is onder tot de Islam bekeerde vrouwen: na 24 Ross, C.E. (1993) ‘Fear of victimization and health’, Journal of Quantitative Criminology 9 (2): 159-175. https:/{doi- org.vu-nl.idm.oclc.org/10.1007/BFO1071166 28 politie (datum onbekend). Wat is het verschil tussen een aangifte en een melding? Geraadpleegd op 7 januari 2020 via https://www.vraaghetdepolitie.nl/politiewerk-en-boetes/aangifte-of-melding/wat-is-het-verschil-tussen-een- aangifte-en-een-melding.htm). 28 Meer informatie over de Veiligheidsmonitor is te vinden via http://www veiligheidsmonitor.nl/. 27 Akkermans, M. (2016). Melding en aangifte van veelvoorkomende criminaliteit. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. 18 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten de bekering krijgen zij veel positieve aandacht van geloofsgenoten, maar voelen zij zich vaak alleen.® Er kunnen immers grote verschillen bestaan tussen de omgeving van mensen die als moslim zijn opgegroeid, en mensen die pas later moslim zijn geworden. Daarbij kunnen familieleden van bekeerde moslima’s zich schamen en om die reden niet meer met hen gezien willen worden. De ervaring met deze twee mechanismes kan leiden tot een gevoel van vervreemding.” Ook voor andere groepen is eenzaamheid een groot risico. Dit geldt vooral voor personen die uit hechte geloofsgemeenschappen stappen en meer in het bijzonder voor ex-leden van sektarische bewegingen. Matthews en Salazar leggen uit dat personen die uit sektarische bewegingen stappen depressie, rouw, verlies en angst kunnen ervaren na het verlaten, maar dat ook hun kinderen te maken krijgen met problemen. Hun persoonlijkheid is in de beweging gevormd, aanpassing aan het leven daarbuiten is vaak lastig. Sociaal isolement in relatie tot religie We hebben geen vergelijkbare cijfers voor Amsterdam maar we kunnen wel kijken naar de relatie tussen sociaal isolement en religie of levensbeschouwing. Amsterdammers die zich verwant voelen met een religie of levensbeschouwing ervaren over het algemeen even vaak sociaal isolement als gemiddeld (13%).®! Voor personen die zich verwant voelen met het katholicisme is dit aandeel lager (9%), onder protestanten gemiddeld en onder moslims iets hoger (15%). Er zijn met andere woorden verschillen in de mate van ervaren eenzaamheid tussen personen van verschillende levensbeschouwelijke groepen, maar er is geen verband tussen verwantschap met religie in het algemeen en sociaal isolement. Wel zien we verschillen als we kijken naar de frequentie van het bezoek van een gebedshuis: gelovigen die wekelijks een gebedshuis bezoeken ervaren iets vaker sociaal isolement dan degenen die dit zelden of nooit doen. Onder moslims zien we echter dat degenen die zelden naar de moskee gaan zich vaker sociaal geïsoleerd voelen dan degenen die wekelijks naar de moskee gaan. Bij gebrek aan verdere gegevens is het lastig om deze verschillen te duiden. Het zou er wel op kunnen wijzen dat de moskee voor moslims een belangrijke rol speelt in de sociale contacten. 28 Vroon, V. E. (2014), zie boven. 29 Geelhoed, F.‚R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories and (non-) involvement in jihadist movements’. ICCT Research Paper. https://icct.nl/publication/understanding-dutch- converts-to-islam-on-turbulent-trajectories-and-non-involvement-in-jihadist-movements/ 30 Matthews, C. H.& C. F. Salazar (2014), ‘Second-Generation Adult Former Cult Group Members! Recovery Experiences: Implications for Counseling’, International Journal for the Advancement of Counselling 36 (2): 188-203. https://doi.org/10.1007/s10447-013-9201-0 31 OIS (2019), Staat van de Stad X, https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/de-staat-van-de-stad-amsterdam- x/c022b42a-58f2-h9af-993a-e6122/aebdel/ 19 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Figuur 1.6 Aandeel Amsterdammers dat zich sterk sociaal geïsoleerd voelt naar levensbeschouwing en frequentie bezoek gebedshuis, 2018 (procenten) Cc & zelden of nooit bezoek gebedshuis | Ed E 2 wekelijks bezoek gebedshuis | E zelden of nooit bezoek gebedshuis | 3 U 5 wekelijks bezoek gebedshuis | a 8 zelden of nooit bezoek gebedshuis | 8 8 wekelijks bezoek gebedshuis | 5 3, zelden of nooit bezoek gebedshuis | >= oe z 8 wekelijks bezoek gebedshuis VO gemiddeld Amsterdam VO | % o 10 20 30 40 50 Bron: OIS/ SvdS X Er bestaan in Nederland en elders (online) groepen van lotgenoten. De behoefte hieraan verschilt. Vliek laat zien op basis van interviews met personen die de islam hebben verlaten dat de behoefte aan lotgenotencontact groter is in het Verenigd Koningrijk dan in Nederland. Een van de redenen is dat deze personen in Nederland vaker aangeven dat zij zich niet willen rofileren als ‘ex-moslims’ omdat zij zich niet willen identificeren met tegenstanders van de Pp J g islam. Dit mechanisme verklaart volgens van Nieuwkerk ook waarom sommige personen die de islam hebben verlaten, vooral als dit al enige tijd geleden is gebeurd, niet voor de zoveelste keer hun verhaal willen doen omdat zij hun voormalige geloofsgemeenschap niet willen schaden. 32 Maria Vliek (2019) ‘lt's Not Just about Faith’: Narratives of Transformation When Moving Out of Islam in the Netherlands and Britain, Islam and Christian-Muslim Relations 30 (3): 323-344. https://doi.org/10.1080/09596410.2019.1628459 33 Van Nieuwkerk, K. (2018), ‘Introduction’, in K. van Nieuwkerk (ed..) Moving in and out of Islam. Austin: University of Texas Press: 1-23. 20 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten 2 Experts aan het woord Op basis van de tien gesprekken die wij hebben gevoerd met de experts komen in dit hoofdstuk de drie eerste deelvragen van het onderzoek aan de orde, namelijk: n Welke problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie? = _Hoe vaak komen bedreigingen voor? = Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben? De andere deelvragen zijn nauwelijks besproken in de gesprekken met de experts. Een paar opmerkingen over de vragen (over de gevolgen van bedreigingen, gezochte hulp en aangiftes en meldingen) komen in de laatste paragraaf kort aan bod. 2.1 Geen cijfers bekend over bekeringen en geloofsverlaten in Amsterdam Aan de experts hebben we steeds gevraagd om een inschatting te maken van hoe vaak bekering of geloofsverlaten voorkomt. Zij doen dit vanuit verschillende perspectieven: als kenner van een geloofsgemeenschap of van een kerk of moskee, of vanuit organisaties die hulp bieden aan mensen die zich bekeren of het geloof verlaten. De antwoorden variëren van ‘heel veel’ tot specifieke aantallen, zoals ‘zo’n 100’ of ‘elke week een bekeerling’. Een van de geïnterviewden legt vit dat bij sommige christelijke kerken op lokaal niveau het aantal dopen wordt bijgehouden, waarbij volwassendopen een indicatie kunnen geven van bekeringen. Als iemand binnen het christendom echter verandert naar een andere stroming, hoeft men niet opnieuw te worden gedoopt. Voor die gevallen bieden doopcijfers dus geen uitkomst. Ook de vraag naar de frequentie van het verlaten van geloofsgemeenschappen leidde niet tot concrete antwoorden. Een aantal gaf aan dat het actief verlaten van hun geloofsgemeenschap of bekering tot een andere religie niet veel voorkomt maar het lijkt er op dat geleidelijke verwatering van een religie wat vaker voorkomt. Cijfers over bekeringen en geloofsverlaten worden met andere woorden niet bijgehouden en het is dan ook niet mogelijk om inzicht te kijken in de concrete omvang van bekeringen en geloofsverlaten in Amsterdam. 2.2 Gevallen van bedreigingen en geweld bekend, maar zeldzaam Op de vraag hoe vaak bedreigingen tot (fysiek) geweld voorkomen komt uit de meeste interviews het antwoord dat deze zeldzaam zijn. De beperkte aantallen zijn overigens geen reden om bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten te bagatelliseren: voor alle experts is duidelijk dat elke bedreiging er een te veel is. De experts kennen dergelijke voorbeelden van negatieve gevolgen van bekering of geloofsverlaten. Om daar meer grip op te krijgen hebben wij uit alle gesprekken met de experts een lijst gemaakt van deze casussen. Dit heeft een lijst opgeleverd van 25 concrete gevallen van negatieve reacties op bekering of geloofsverlaten. Dit zijn, op twee na, casussen uit tweede hand. Verreweg de meeste gevallen hebben 21 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten plaatsgevonden in Amsterdam, maar sommige daarbuiten of zelfs in het buitenland. De precieze omstandigheden waren in de gesprekken niet altijd goed te achterhalen. Acht van deze 25 casussen betreffen gevallen van bedreiging tot geweld of daadwerkelijk geweld, en van vijf weten wij dat zij in Amsterdam hebben plaatsgevonden: meen persoon met een islamitische achtergrond die na bekering tot het christendom bedreigd werd door zijn vader die appte: ‘ik kom met een pistool’; meen jongere die in elkaar is geslagen omdat zijn moeder zich bekeerd had tot het christendom vanuit een islamitische achtergrond; meen jongere, niet-gelovig opgevoed door ouders met een islamitische achtergrond, die gepest werd door andere kinderen op school, geslagen werd en gedwongen om Koranverzen op te zeggen; meen persoon met een islamitische achtergrond, betrokken bij een kerk met veel bekeerlingen, die rouwkransen thuis kreeg met daarbij briefjes “Jij gaat dood!; =_bommeldingen bij een kerk omdat daar personen met een islamitische achtergrond gedoopt worden. De overige casussen betreffen vooral gevallen van discriminerende opmerkingen en ongelijke bejegening. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van een vrouw van wie de ouders, die niet gelovig zijn, niet aanwezig wilden zijn bij de doop van hun dochter omdat ze er niet achter stonden dat zij naar ‘zo’n achterlijke kerk’ zou gaan. Een ander voorbeeld is dat van een bekeerling tot de islam die van familie expres varkensvlees op het bord kreeg. Er zijn ook een paar voorbeelden van mensen die bang zijn voor geweld of uitsluiting, zoals een predikant die iemand met een islamitische achtergrond doopte die op dat moment moest huilen en zei: ‘als dit uitkomt, ga ik eraan.” 2.3 Uiteenlopende meningen over kwetsbare groepen voor bedreigingen Uit de gesprekken komt het beeld naar voren dat personen die zich bekeren tot de islam of die de islam verlaten kwetsbaar zijn voor bedreigingen. De meeste gevallen van negatieve reacties die de experts aandragen betreffen dergelijke situaties. Daarbij moeten we in acht nemen dat incidenten die voormalige moslims waren overkomen de aanleiding waren voor het huidige onderzoek. Dit was ook bij de meeste experts bekend en kan geleid hebben tot een focus op de islam tijdens de interviews. In de gesprekken hebben we steeds wel de vragen over negatieve reacties breder getrokken dan alleen over de islam. Al ging het bij het benoemen van groepen die kwetsbaar zijn voor bedreigingen vaak over de islam, de meningen zijn verdeeld als het gaat om de vraag wat er precies speelt. Een van de experts sprak in dit verband van een ‘tunnelvisie! (zie citaat hieronder). Een andere expert die veel mensen kent die de islam hebben verlaten ziet dit beeld vooral als een focus van de media maar herkent het beeld niet dat mensen die de islam hebben verlaten bedreigd zouden worden. 22 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten het verlaten van de islam tot problemen leidt. Maar de islam stappen worden bedreigd. Maar islamitische gemeenschap is heel groot, heel divers. De dat is een keuze van de media. Ik ken ene vader of moeder gaat heel ontspannen met de keuzes geen gevallen van bedreigingen na het van hun kinderen om, anderen niet. verlaten van het geloof. na na joodse religieuze leider biedt hulp aan personen die de islam hebben verlaten Voor andere experts is er daarentegen een structureel probleem bij het verlaten van de islam. Het zou volgens hen per definitie problematisch zijn om de islam te verlaten vanwege theologische interpretaties en culturele gebruiken. Dit is het standpunt van een theoloog die de islam heeft bestudeerd en van christelijke religieuze leiders die veel te maken hebben met bekeerlingen met een islamitische achtergrond. Twee van hen citeren we hieronder; deze opvattingen zijn onder een paar andere experts en ervaringsdeskundigen een aantal keer teruggekomen. probleem als je afvallig wordt. In de gefotografeerd. Hun foto's mogen niet op social media. koran gaat het over de gemeenschap Want op moment dat die mensen zich bekeren tot het vaarwel zeggen, daar staat de christelijk geloof, gaan ze problemen krijgen. Dan vrezen ze doodstraf op. ook echt voor hun leven. Zelfs in Nederland. ® ® ma ma christelijke religieuze leider christelijke religieuze leider Zij zien hierbij wel verschillen tussen groepen binnen de islam, maar zijn ze het niet met elkaar eens over welke groepen vooral kwetsbaar zouden zijn. Zo zegt de een dat Marokkaanse Nederlanders kwetsbaar zijn voor bedreigingen terwijl een ander deze groep juist niet noemt. Een factor die hierbij door twee experts is genoemd is dat voor sommige groepen religieuze en culturele scheidslijnen samenvallen. Deze experts geven aan dat in die gevallen bekering of geloofsverlaten lastiger is, zeker voor mensen die verbonden willen blijven met de groep. Bekeerlingen en geloofsverlaten hechten soms juist wel aan de culturele verbondenheid, maar hun keuze kan door anderen in de gemeenschap worden ervaren als afstand van de groep omdat de culturele identiteit ook verbonden is met de religie van de meerderheid. Specifieke situatie van vluchtelingen Wel komen vluchtelingen die de islam verlaten — zowel degenen die zich bekeren tot een ander geloof als degenen die atheïst zijn geworden — in verschillende gesprekken naar voren als een kwetsbare groep. In de beleving van twee experts bekeren zij zich relatief vaak; zij hebben relatief weinig te maken met de sociale controle van directe familie of een bredere gemeenschap. Tegelijk kunnen zij juist bedreigingen ervaren binnen asielzoekerscentra (azc) door andere vluchtelingen of bedreigingen krijgen via social media vanuit het land van herkomst. 23 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Incidenten in AZC’s waren een van de aanleidingen voor het onderzoek. We hebben daar verschillende experts naar gevraagd, de media-artikelen hierover doorgenomen en contact gehad met het COA. In de media worden geen gevallen in Amsterdam genoemd. Een van de experts heeft ons verteld over een persoon, bekeerd tot het christendom vanuit de islam, die op die grond slecht bejegend wordt door andere vluchtelingen in het azc in Amsterdam. Het COA geeft aan geen signalen te hebben over incidenten binnen het Amsterdamse azc. Verschillen tussen mannen en vrouwen Als het gaat om mensen die zich tot de islam bekeren lijken vooral vrouwen kwetsbaar, zeker wanneer zij een hoofddoek gaan dragen. ‘Dat roept weerstand op’, legt een expert vit. Daarbij geldt bovendien: ‘hoe meer je in de openbare ruimte bent, hoe meer het gebeurt.’ Deze expert heeft dit zelf ervaren en kent verschillende voorbeelden van bekeerde moslima's die negatieve opmerkingen krijgen, worden vitgescholden of bedreigd door onbekenden in de openbare ruimte. Dat zou minder gelden voor mannen: bij hen de keuze om een het dragen van een baard vanuit religieuze overwegingen door anderen ook als ‘trendy’ kan worden ervaren. Bekeerde islamitische mannen hebben het volgens dezelfde expert ook minder lastig met hun familie. Ook een andere expert ziet verschillen tussen mannen en vrouwen, in dit geval bij bekering tot het christendom vanuit de islam. In zijn kerk zijn er vooral mannelijke bekeerlingen, wat volgens hem samenhangt met het feit dat vooral vluchtelingen zich bekeren en onder vluchtelingen vooral mannen zijn. Volgens hem hebben ‘mannen minder problemen omdat ze redelijk zelfstandig zijn’. Vrouwen zijn hier vaker in familieverband en ervaren meer druk van de omgeving bij hun bekering. Bedreigingen bij familieruzies Een van de geïnterviewden stelt dat niet de kenmerken van gemeenschappen een rol spelen bij negatieve reacties, maar de sociale vaardigheden van de betrokken individuen, vooral binnen het gezin. Hij omschrijft het als volgt: Er zijn situaties waar het niet meer goed komt. Bij verlaten of bekering. Dat heeft ook te maken met de sociale competenties van de betrokkenen (ouders en kinderen). Het ligt niet echt aan het karakter van de gemeenschap, veel meer aan de individuen. ® | joodse religieuze leider Ook een ander expert ziet dat zo: bedreiging of fysiek geweld komt voor bij ruzies binnen de familie, waarbij religie een rol kan spelen maar niet de enige factor is. 2.4 Eenzaamheid en angst belangrijkste gevolgen; lotgenotencontact nuttig In de voorbeelden die zij kennen van negatieve reacties op bekering of geloofsverlaten zien de experts in veel gevallen eenzaamheid en angst. Het verlies van de sociale contacten binnen de 24 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten geloofsgemeenschap is niet snel gecompenseerd. Het duurt vaak lang voordat nieuwe sociale contacten zijn opgebouwd. Mensen die hun geloof verlaten hebben ook vaak het idee dat zij de enige zijn die dit proces meemaken en het is niet altijd makkelijk om lotgenoten te vinden. Internet helpt daarbij wel. Verder is er sprake van angst. Die angst heeft te maken met de mogelijkheid voor negatieve gevolgen voor de persoon zelf, maar ook voor de ouders en kinderen. Het kan hierbij gaan om angst voor uitsluiting, voor onbegrip maar ook voor bedreiging of geweld. Dat laatste speelt vooral voor de personen van wie de experts weten dat zij bedreigd zijn. Aangezien hier weinig voorbeelden van bekend zijn kunnen we verder weinig zeggen over de gevolgen specifiek van bedreiging. Een ander gevolg voor mensen kan zijn dat zij niet de vrijheid voelen om naar hun geboorteland (of dat van hun ouders) te reizen, uit angst om daar geconfronteerd te worden met bedreigingen of fysiek geweld. Volgens een van de gesproken experts kunnen ze daar gevaar lopen. Aangiftes en meldingen De vraag welke acties personen ondernemen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt, waar zij hulp zoeken, en wat mogelijke belemmeringen zijn voor het doen van aangifte of melding zijn gelet op het kleine aantal voorbeelden van bedreigingen weinig aan de orde geweest in de gesprekken. Van de vijf casussen van bedreigingen die in Amsterdam hebben plaatsgevonden en eerder zijn beschreven is in twee gevallen (de laatste twee) aangifte gedaan, in de andere gevallen niet. Een van de experts kent iemand die aangifte heeft gedaan van bedreigingen en heeft zelf ook aangifte gedaan. Daarbij was het contact met de politie goed en is de dader ook gevonden. De expert is tevreden over hoe dit proces is verlopen. Een andere expert geeft daarentegen aan dat hij zelf afraadt om aangifte te doen: persoonlijk proces. Ik ben voorzichtig omdat ze vanuit hun thuisland bang zijn voor de overheid. En met de aangifte wordt niet zoveel gedaan maar je bent wel vit de kast gekomen en dat kan gevaarlijk zijn. Als je dan je zaak niet hard krijgt, is het ook lastig en de bewijslast is lastig. ® ma christelijke religieuze leider Contact met lotgenoten Lotgenotencontact, binnen de nieuwe geloofsgemeenschap of onder gelijkgestemden, wordt door de meeste experts gezien als de meest reële en effectieve manier om hulp te bieden. Dat heeft er ook mee te maken dat als bekering tot negatieve reacties leidt met name binnen het gezin, vaak sprake is van andere spanningen tussen een kind en de ouders. In die gevallen kan professionele hulp versnipperd zijn. Zo zijn twee experts betrokken bij het regelen van opvang voor bekeerlingen die niet meer thuis kunnen verblijven vanwege conflicten met hun familie, waarbij de bekeerlingen worden begeleid door mensen die zich zelf hebben bekeerd. In een van 25 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten de gesprekken, waarbij het ging over jonge vrouwen die zich bekeren tot de islam, werd het zo toegelicht: Hulpverlening aan de meisjes door de vrijwilligers is belangrijk, want zij [de vrijwilligers] hebben de zoektocht ook zelf gedaan, ze hebben ervaring, ze kunnen meepraten over het geloof en over de band met de familie en kunnen mediator zijn. Die meisjes zullen dus niet naar [GGZ] of de huisarts gaan, dat voelt niet vrijblijvend. ® mm bestuurslid organisatie, biedt hulp aan bekeerlingen 26 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten 3 Ervaringsdeskundigen aan het woord We zijn in gesprek gegaan met twaalf ervaringsdeskundigen: mensen die een geloof hebben verlaten of zich bekeerd hebben tot een ander geloof. De groep is zeer divers qua leeftijd en geslacht, maar vooral in de veranderingen die zijn doorgemaakt (zie figuur 3.1). Daarbij zijn de godsdiensten en levensbeschouwingen weergegeven zoals door de respondenten zelf verwoord. In de interviews is niet specifiek gevraagd naar stromingen binnen religies. Figuur 3.1 Overzicht respondenten* Twee mannen die uitgesloten zijn vit de Jehova's Getuigen. Een vrouw die het orthodox jodendom verliet. . liai Een vrouw die de islam verliet. nietreligie US en man die het gereformeerd christendom verliet. Een man die zich bekeerde van het katholicisme naar het orthodox jodendom. religieus Een man die zich bekeerde van het (niet actief) christendom tot de islam. Een vrouw die zich bekeerde van het hervormd christendom naar de islam. Twee vrouwen die zich bekeerden van de islam tot het christendom. Twee vrouwen die zich bekeerden van atheïst tot de islam. religieus In dit hoofdstuk gaan we voornamelijk in op de vraag in hoeverre personen die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd te maken hebben met negatieve reacties, waaronder bedreigingen. Verder gaan we in op aanvullende inzichten vit de interviews. Een van deze inzichten is dat de ervaringen sterk afhankelijk zijn van hoe hecht en gesloten de gemeenschap is waar men vandaan komt. Daarnaast zijn er belangrijke verschillen met betrekking tot hoe de familie met de keuze om is gegaan. Bekering of geloofsverlating: waarom? In de interviews stonden het proces en de redenen voor bekering of het geloofsverlaten niet centraal, maar omwille van een schets van de context is daar wel over gesproken. De respondenten hadden diverse redenen om hun voormalige geloof te verlaten of zich te bekeren tot een (ander) geloof. Aanleidingen waren bijvoorbeeld twijfels over het voormalige geloof, een zoektocht naar antwoorden op vragen die tot dan toe onvoldoende of niet beantwoord werden of teleurstelling in het toenmalige geloof. Voor alle respondenten was de bekering of geloofsverlating een (soms langdurig) proces, soms van meerdere jaren. Eris niet sprake van één duidelijk moment van bekering of verlaten. Twee respondenten, beide voormalig Jehova’s Getuigen, hebben niet uit eigen beweging het geloof verlaten maar werden door de gemeenschap uitgesloten. 27 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten 3.1 Negatieve gevolgen van de verandering 3.1.1 Reacties op de verandering Drempel om familie te vertellen over bekering of geloofsverlating, gevolgd door negatieve reacties De mensen die we hebben gesproken, zijn over het algemeen huiverig geweest om hun familie te vertellen over de verandering. De reactie van familie was in de meeste interviews het eerste waarover respondenten vertelden als het gaat om gevolgen van de bekering of geloofsverlating: die reactie is voor hen een belangrijk element van de verandering. Vooral omdat respondenten verwachtten dat de reacties niet positief zouden zijn en de beslissing niet zou zijn wat familie van hen verwachtte. Hierdoor vertelden sommige respondenten hun familie pas na lange tijd over de verandering. Toch hebben alle geïnterviewden hun familie en anderen om hen heen uiteindelijk verteld over hun keuze. Bijna alle respondenten geven aan dat de reacties vanuit de familie in eerste instantie negatief waren. De verandering van levensovertuiging stuitte op onbegrip of teleurstelling van familie omdat de nieuwe levensovertuiging vaak haaks stond op hun manier van leven. Ook komt het voor dat negatieve beeldvorming of vooroordelen over de nieuwe religie meespeelden in hoe familie reageerde. Vooral het zichtbaar uiten van een religie in hoe iemand zich kleedt, middels bijvoorbeeld traditionele joodse kleding of een hoofddoek, wekte negatieve reacties op. Maar ook het juist niet meer dragen van bepaalde kleding na het verlaten van een orthodoxe gemeenschap leidde tot negatieve reacties. In sommige gevallen hebben respondenten de nieuwe levensovertuiging of religie aanvankelijk dan ook niet zichtbaar geuit in het bijzijn van familie. carport als ik bij mijn ouders kwam. dragen was dat wel lastig. Ze waren teleurgesteld. Dat je niet voldoet aan de eisen. ® ® mm mm bekeerd tot islam het orthodox Jodendom verlaten Reacties van andere sociale contacten Met reacties van andere sociale contacten, zoals collega’s en vrienden, hebben de respondenten uiteenlopende ervaringen. Soms was er teleurstelling van contacten vit de oude gemeenschap. De oude gemeenschap probeert iemand dan bijvoorbeeld ‘binnenboord’ te houden of bidt voor de persoon in kwestie. lets soortgelijks komt ook voor als men zich van geen religie naar een religie bekeert, zoals een man die zich bekeerde tot de islam (van niet-actief christen) heeft ervaren. Zijn vrienden vroegen hem: “Hoezo? Waarom doe je dat?” Daarover vertelt hij: 28 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten van de vrienden was van: ‘Niet doen, ga er niet naar toe.” Maar dat is logisch, want als ik moslim word, dan wil ik niet meer naar feestjes enzo. (…) Het ging niet meer matchen. (…) Ik was wel een beetje in shock dat zij zo reageerden, want ik was heel close met hen, ik ken ze al jaren, het zijn mijn ‘besties’ zeg maar. ® ma bekeerd tot islam Ook kritiek vit de oude gemeenschap of sociale contacten komt voor. Zo kreeg een vrouw die zich bekeerde van de islam naar het christendom negatieve reacties op de school van haar kinderen. Andere moeders zeiden tegen haar: “/e mag niet zo lopen [zonder hoofddoek].” Daarnaast zijn er bij sommige respondenten mensen in de omgeving die liever niet willen dat de respondenten praten over hun bekering of geloofsverlating en wederom spelen er soms vooroordelen. Ook waren sociale contacten soms verbaasd over de bekering of geloofsverlating of waren er juist mensen in de omgeving van de respondenten die het al hadden verwacht en accepteerden. Voor sommige respondenten heeft de bekering niet alleen impact op henzelf, maar ook op hun naasten. Twee respondenten die de islam verlieten, vertellen dat hun kinderen op school negatieve reacties kregen op hun beslissing. Zij vertelden dat een van deze kinderen vanwege het geloofsverlaten van de moeder door een overblijfjuf een ‘slecht kind’ is genoemd, een ander kind kreeg (o.a. fysieke) straffen van een leerkracht en daarnaast kreeg een kind te maken met fysiek geweld van klasgenoten. Ook ouders van respondenten kregen soms te maken met boze reacties in de omgeving of kregen het gevoel zich niet meer te kunnen laten zien in het gebedshuis. Negatieve reacties van onbekenden vooral als religie zichtbaar ís Vooral mensen die hun nieuwe religie zichtbaar maken door bijvoorbeeld kleding of andere uiterlijke kenmerken, krijgen reacties van onbekenden. Zo geeft een vrouw aan dat zij meer moeite heeft gekregen met solliciteren sinds zij een hoofddoek draagt. Sommige respondenten krijgen (sporadisch) negatieve reacties op straat, zoals naroepen of uitschelden. Van reacties op straat is niet altijd te zeggen of het een reactie is op de bekering of op de religie in het algemeen. Sommigen relateren de reacties aan maatschappelijke gebeurtenissen: een bekeerling naar het orthodox jodendom geeft aan wel eens te worden nageroepen als er spanningen zijn in het Midden-Oosten en een bekeerling naar de islam wanneer er aanslagen zijn geweest. Daarentegen is er soms juist ook positieve belangstelling voor iemands verschijning. Ook komt het voor dat men berichten ontvangt via social media van vreemden, naar aanleiding van de bekering. Een man die zich bekeerde tot de islam geeft aan dat mensen in het algemeen negatief praten over de islam maar dat hij zelf geen reacties heeft ontvangen in het openbaar. Hij zegt daarover: “Ik zie er ook niet echt uit als een moslim.” Negatieve reacties van onbekenden zijn er ook voor de respondenten die maatschappelijk actief zijn en daarbij laten weten dat zij hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd. Voor twee van onze respondenten (één bekeerd van het christendom naar de islam, één bekeerd van de islam naar het christendom) geldt dit: zij hebben telefonisch of via sociale media negatieve 29 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten reacties of bedreigingen gekregen en relateren dat aan het feit dat zij zichtbaar zijn. Zij geven aan dat deze (veelal anonieme) reacties voor anderen een reden zijn om hun bekering of geloofsverlaten niet in het openbaar bekend te maken. Bedreiging vooral ervaren in subtielere, niet-strafrechtelijke vorm Bijna alle respondenten hebben na hun bekering of geloofsverlating geen ervaring gehad met bedreiging in strafrechtelijke zin. Eén respondent, die de islam heeft verlaten, heeft wel bedreigingen in juridische zin ervaren. Ze heeft in reactie hierop haar huis beveiligd met camera’s, wordt altijd gebracht naar en gehaald van werk en heeft haar telefoonnummer veranderd. Deze respondent geeft aan dat zij zelf niet bang is, maar dat vooral haar kinderen zich zorgen maken om haar. Een andere respondent die de islam heeft verlaten, is niet bedreigd maar geeft aan wel op haar hoede te zijn met publieke uitspraken over haar bekering omdat dit gevolgen, zoals bedreiging, zou kunnen hebben. Een ander, bekeerd tot de islam, geeft aan zich niet zo snel bedreigd te voelen maar vertelde wel via social media berichten te hebben ontvangen met “Als ik je zie, dan weet je niet wat je te wachten staat.” De andere respondenten hebben geen bedreiging in juridische zin ervaren, maar wel situaties die emotioneel en sociaal dreigend kunnen voelen. Daarbij valt te denken aan het dreigen met of vrezen van verbroken contact (door iemand “emotionele manipulatie” genoemd) of vijandige reacties, uit de oude gemeenschap of op straat. Zo werd een man die zich bekeerde van het katholicisme naar het jodendom door zijn oude gemeenschap gezien worden als een “deserteur, een verrader” en kregen bekeerlingen tot de islam negatieve reacties op straat, zoals “landverrader”, die zij als bedreigend ervaren. Een van hen wijt dit aan het feit dat zij een hoofddoek draagt en blauwe ogen heeft. 3.1.2 Contact met familie en anderen uit de ‘oude gemeenschap’ Nadat met name de familie en anderen de eerste schok te boven waren gekomen, wisselen de ervaringen van de respondenten in hoe het contact met de familie en anderen is geworden. Sommigen hebben weer goed contact met de familie en/of anderen uit de voormalige (geloofs)gemeenschap, bijvoorbeeld omdat men wist dat iemand altijd al zoekende was, terwijl bij andere respondenten de banden (grotendeels) zijn verbroken. Herstel van contact duurt lang en vaak verandert het contact Bij respondenten waarvan het contact met de familie is hersteld, wisselt het hoe lang dit heeft geduurd. Bij sommigen herstelde het contact, maar duurde het lang voordat de omgeving de verandering volledige accepteerde of voordat er weer plezierig contact mogelijk was. Daarnaast is voor veel respondenten het contact weliswaar hersteld maar veranderd. 30 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Naarmate de tijd, veranderde ik heel veel. Toen ik met die vrienden omging, ging het niet goed op school, geen goede band met mijn moeder. Ik had niet echt werk, niet serieus in het leven. Toen ik moslim werd, ging alles echt de goede kant op. Dat zag ze [mijn moeder] op een gegeven moment en toen begon ze na te denken. Dat duurde wel heel lang. ® ma bekeerd tot islam Zo is er bij sommigen acceptatie van de verandering maar wordt er niet (meer) over religie gesproken omdat het voor veel discussie zorgt of er wordt verzocht om niet over de nieuwe levensovertuiging te praten. Ook komt het voor dat de verandering niet helemaal is geaccepteerd maar het contact wel volledig is hersteld: We zijn allebei sterke vrouwen die ons gelijk willen halen. Zij wil contact met haar dochter, ik wil contact met mijn moeder. We blijven elkaar zien. Er zijn die verschillen maar de bloedband, de familieband, staat op de eerste plek. ® ma islam verlaten Ook komt het voor dat respondenten nog contact hebben met hun familie en/of oude gemeenschap, maar dat dit contact gepaard gaat met vragen, opmerkingen of acties die duiden op enig onbegrip. Daarbij valt te denken aan vragen of men nog terugkeert naar de gemeenschap of het voorschotelen van voedsel dat respondenten vanwege religieuze overtuigingen niet willen eten. Daarnaast wordt het (herstelde) contact met de oude gemeenschap soms ervaren als anders dan voorheen. De manier van leven sluit niet meer op elkaar aan, waardoor het contact oppervlakkig kan blijven bestaan maar men toch vit elkaar groeit. Mensen spreken elkaar nog wel, maar bijvoorbeeld het niet kunnen delen van sommige feestdagen met elkaar wordt ervaren als een gemis. Voor twee respondenten die zich op jonge leeftijd hebben bekeerd tot de islam verwaterde het contact met vrienden doordat zij stopten met vitgaan en met het gebruik van middelen zoals alcohol: Toen op gegeven moment bouwde het een Wat je gewoon heel erg merkt is dat de meiden, beetje af, en toch zag ik: wow, dus het was ook al waren er kinderen, er bleef alcohol, de eigenlijk best wel fake. Dat zij mij niet supporten mannen en de vrouwen samen — dingen die ik in de keuze die ik maak. op een gegeven moment niet meer wil. ® ® ma ma bekeerd tot islam bekeerd tot islam 31 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Sommige contacten blijven verbroken na de bekering of geloofsverlating Voor sommige respondenten is er met (een deel van de) familie of anderen geen contact meer. Soms gaan daar pogingen aan vooraf om nog wel contact te hebben. Zo heeft een vrouw na haar bekering tot de islam haar ouders vier jaar niet gezien. Daarnaast komt het voor dat een huwelijk de verandering niet overleeft. Zo kon en wilde de toenmalige echtgenote van een respondent die zich bekeerde tot het orthodox jodendom niet mee in de verandering. Daarmee kan de impact op een gezin groot zijn: hoewel zijn kinderen aanvankelijk geïnteresseerd waren in zijn nieuwe religie, kreeg de teleurstelling van de scheiding de overhand. Met een aantal kinderen is er een goede band, maar met een aantal ook niet. De twee respondenten die uitgesloten werden van de Jehova’s Getuigen hebben niet of sporadisch contact met de oude gemeenschap (familieleden die nog Jehova’s Getuigen zijn en alle andere sociale contacten vit die gemeenschap). Een van hen zegt daarover: "Je mag blij zijn als ze hoi zeggen op straat.” Met hem wordt enkel nog contact gezocht bij belangrijke maar nare gebeurtenissen, zoals ziekte of overlijden. De ander vertelt: Jehova's getuigen mogen alleen vriendschappen opbouwen binnen de gemeenschap. Bij een uitsluiting verliest men dus het contact met vrijwel alle sociale contacten die iemand heeft opgebouwd. Ook in mijn geval ben ik op het moment van mijn uitsluiting al mijn vrienden kwijtgeraakt en tevens het contact met één van mijn zussen en haar kinderen. Het grootste gevaar is dus een sociaal isolement. ® mm uitgesloten van Jehova's Getuigen Beide respondenten benoemen dat contact alleen nog mogelijk is wanneer zij terugkeren naar de Jehova's Getuigen. Een van de ex-Jehova's Getuigen vertelt dat de uitsluiting een dubbele impact had op zijn kinderen: hij scheidde van zijn vrouw en werd daardoor uit de gemeenschap gesloten. De scheiding en uitsluiting zorgen voor een dubbele klap voor zijn kinderen. Tot slot komt het ook voor dat respondenten zelf geen contact meer willen met sommige mensen om hen heen. Zo vertelt een van de respondenten dat sommige familieleden haar dusdanig hebben gekwetst, dat zij zelf geen contact meer met hen wil. 3.1.3 Mentale gevolgen Eenzaamheid en vervreemding in een zoektocht naar jezelf Het voornaamste gevolg van de bekering of het verlaten van het geloof is volgens de respondenten de ervaren eenzaamheid. Soms is er sprake van letterlijke eenzaamheid, door het verliezen van sociale contacten. Maar er is ook sprake van vervreemding doordat men zich niet (meer) kan identificeren met mensen om zich heen. Mensen ervaren onbegrip vanuit de oude gemeenschap en hebben niet allemaal meteen nieuwe warme contacten met wie ze hun ervaringen kunnen delen. De bekering of geloofsverlating is een proces waar iemand zelf doorheen moet, het is een persoonlijk proces waarbij het moeilijk is om een gesprekspartner te vinden die het proces echt begrijpt. Bij sommigen blijft het gevoel van eenzaamheid, de 32 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten vervreemding of de zoektocht naar zichzelf in een bepaalde mate aanwezig. Zij blijven zoekende of voelen zich nergens echt op hun plek. Een respondent zegt daarover: ook ‘hier’ niet op mijn plek.” (…) Het is niet heel actief, maar meer een knagend gevoel. ® ma Uitgesloten van Jehova's Getuigen Op het moment dat iemand de keuze maakt van geloof te veranderen of uit een geloof te stappen, leidt dit ertoe dat diegene zichzelf opnieuw moet uitvinden. Veel van wat iemand heeft meegekregen gedurende zijn/haar jeugd staat op losse schroeven, waardoor je aan een zoektocht begint naar wie je bent, waar je hoort en hoe je nieuwe leven vorm te geven. Dit proces van jezelf opnieuw uitvinden kost tijd, en wordt soms als moeilijk ervaren. Zo dacht een van de respondenten soms: “Waar ben ik aan begonnen?” Bij sommigen, met name de respondenten die uit een gesloten gemeenschap zijn gestapt (het orthodox jodendom) of werden gezet (Jehova's Getuigen), kan deze zoektocht schokkend zijn. De mogelijkheden die iemand ineens heeft, met name in een stad als Amsterdam (denk aan uitgaan, alcohol, drugs, seks), worden als heftig ervaren als je hier nooit eerder mee in aanraking bent gekomen. Sommige respondenten kregen het gevoel veel gemist te hebben. Ze gingen hierdoor “als een kip zonder kop door het leven rennen” om alles maar in te halen dat ze gemist hadden. Daarnaast hadden sommige respondenten in de zoektocht behoefte aan een plek voor zichzelf, bijvoorbeeld als zij nog bij hun ouders in huis woonden en zichzelf in een nieuwe religie verdiepten. Dit geheim houden wordt als zwaar ervaren. Een respondent die zich bekeerde tot de islam logeerde een jaar lang bij verschillende vriendinnen en wilde zo snel mogelijk iemand vinden om mee te trouwen om een plek te krijgen voor zichzelf. Schuldgevoelens, drankmisbruik, depressie Bij een deel van de respondenten is het contact met familie of vrienden niet hersteld. Het verlies van dit contact wordt door de respondenten als heftig ervaren. Soms wordt het contact niet hersteld vanuit onbegrip van de oude contacten voor de nieuwe levenswijze, soms omdat het contact niet toegestaan is vanuit de oude geloofsgemeenschap. Bij een deel van de respondenten heeft verandering die ze hebben doorgemaakt, geleid tot grotere mentale gevolgen. Sommige respondenten die vit een gesloten geloofsgemeenschap zijn gestapt hebben te kampen met een blijvend knagend gevoel van schuld, omdat ze een leven leiden dat niet overeenkomt met wat ze vanuit huis hebben meegekregen. Het gevoel niet aan de verwachtingen te voldoen en het gevoel de mensen om je heen teleur te stellen, heeft voor een aantal respondenten geleid tot psychische problemen. Tegelijkertijd voelen enkelen zich ook niet volledig thuis in hun ‘nieuwe’ wereld. Deze gevoelens in combinatie met een scala aan nieuwe mogelijkheden in het leven heeft bij sommigen tot persoonlijke gevolgen geleid zoals alcoholproblematiek en depressie. 33 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten 3.2 Positieve gevolgen: rust, acceptatie, nieuwe perspectieven en vrijheid Ondanks negatieve reacties overheerst blijdschap na bekering of geloofsverlating Alle personen die we hebben gesproken zijn achteraf blij met de bekering of (al dan niet vrijwillige) geloofsverlating en willen dit ook graag benadrukken. Het belangrijkste genoemde positieve gevolg van de bekering is dat mensen rust vinden in het leven. Dit lijkt in tegenspraak met de hiervoor besproken negatieve gevolgen, maar uiteindelijk overheerst het gevoel van respondenten dat zij acceptatie voelen van wie zij zijn, het gevoel hebben dat ze zichzelf hebben gevonden en dat zij zichzelf kunnen zijn binnen de nieuwe situatie/gemeenschap. Dit wordt ook wel omschreven als puzzelstukjes die in elkaar vallen. Een tweede punt dat naar voren komt in de gesprekken is dat de keuze leidt tot nieuwe perspectieven en dat het antwoorden geeft op vragen die men had. Je ergens op een heuveltop, Je kijkt uit overeen . houden. Dat ik andere mensen kan vergeven vergezicht, er openen zich mogelijkheden waar je door de kracht van God. niet bewust van was. Je perspectief verandert. ® ® ma ma bekeerd van katholicisme naar bekeerd van islam naar orthodox jodendom christendom Een ander positief gevolg van de keuze is dat men vrijheid ervaart. Vooral respondenten die een vrij gesloten gemeenschap verlieten, ervaren vrijheid van doen en denken en vrijheid om keuzes te maken. Tot slot werkt de verandering voor sommigen door in belangrijke levensgebeurtenissen, zoals het vinden van de juiste studie of een (nieuwe) geliefde. In de gesprekken die we met de respondenten voerden, merkten we dan ook vaak dat er door deze positieve gevolgen een bepaalde rust en kalmte over respondenten kwam wanneer er gesproken werd over hun nieuwe religie of levensbeschouwing. Reacties vanuit de nieuwe gemeenschap vaak warm Meerdere respondenten die zich bekeerden tot een (andere) religie, kregen een warm welkom in een nieuwe geloofsgemeenschap. Als zij daarover praten, gebruiken zij woorden als “liefde” en “steun”. Ook zijn er in de nieuwe geloofsgemeenschap vriendschappen ontstaan. Niet iedereen ontving direct een enthousiast welkom in de nieuwe gemeenschap. Een van de respondenten kreeg vragen over waarom hij zich bij de orthodox joodse gemeenschap wilde aansluiten, met name van mensen die de oorlog hadden meegemaakt. Uiteindelijk is het contact goed gekomen. Mensen die vit een orthodoxe gemeenschap zijn gestapt of gezet zonder zich te bekeren naar een andere geloofsgemeenschap, ervaren voor zichzelf ongeloof over het verleden maar ook hun nieuwe contacten kunnen soms niet voorstellen dat zij in een vrij gesloten gemeenschap hebben geleefd: 34 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten De nieuwe contacten die ik sinds mijn uitsluiting heb opgebouwd, kunnen maar nauwelijks geloven dat ik in het verleden een fanatieke gelovige ben geweest. ® ma Uitgesloten van Jehova's Getuigen Voor een van de respondenten, die zich bekeerde van de islam naar het christendom, kwam het contact met de nieuwe geloofsgemeenschap voordat zij zich bekeerde. Zij werd in een persoonlijk moeilijke periode geholpen door de nieuwe geloofsgemeenschap. Zij kreeg bij de kerk het gevoel “gedragen te worden door liefde” en heeft zich toen bekeerd. “God zorgt altijd voor een plekje.” 3.3 Hulp tijdens de verandering Lotgenoten zijn van groot belang De geïnterviewden geven aan dat hun sociale netwerk van belang was in de periode van hun geloofsverlaten of bekering, vooral als het voormalige netwerk geheel of deels wegvalt vanwege de keuze die iemand heeft gemaakt. Aangezien eenzaamheid naar voren komt als een belangrijk gevolg van de stap, is het belangrijk dat iemand mensen heeft om op terug te vallen. Lotgenoten hebben daarin een speciale rol. Voor mensen die niet hetzelfde hebben meegemaakt is het namelijk moeilijk te begrijpen hoe een geloofsverlater of bekeerling zich kan voelen, lotgenoten begrijpen dat wel: We hebben een nieuwe familie gecreëerd. (…) Je Mensen van mijn eigen roots, Ik wist niet dat ik kan je ei … . … iets miste, mensen waarin ik mezelf kon an je eigenlijk nergens bij aansluiten, behalve bij . elkaar. herkennen. Dat gevoel dat je met elkaar deelt, wat je hebt gevoeld. ® ® ma ma bekeerd tot islam islam verlaten Binnen sommige religies zijn er georganiseerde groepjes voor bekeerlingen, waar men elkaar vindt. Maar ook voor mensen die een geloof verlaten, zijn er plekken waar zij lotgenoten vinden, zoals online groepen op sociale media. Lotgenotencontact is soms een meerwaarde ten opzichte van andere sociale contacten in een nieuwe geloofsgemeenschap. Mensen in de nieuwe geloofsgemeenschap zijn bijvoorbeeld opgegroeid met de religie waardoor bekeerlingen het gevoel hebben dat hun bekering niet goed wordt begrepen. Ook zijn sommige religies sterk verbonden aan specifieke culturen, waarmee een bekeerling zich niet per definitie identificeert en waardoor de geloofsbeleving met lotgenoten voor hen beter werkt. Anderzijds zijn bepaalde personen (geen lotgenoten) in de (al dan niet religieuze) nieuwe gemeenschap voor sommige respondenten wel degelijk erg belangrijk geweest. Dat kan bijvoorbeeld iemand zijn waarmee zij kennismaakten tijdens hun zoektocht en die hen inspireerde, iemand waaraan een respondent veel steun had of iemand die de eerste 35 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten kennismaking was met de nieuwe religie. En hoewel sommige respondenten veel vrienden zijn verloren door hun verandering, hebben anderen de verandering juist door kunnen zetten door vrienden. Een van de respondenten vertelt dat hij het achteraf juist goed vindt dat hij het proces vooral alleen heeft doorgelopen. Dat heeft hem geholpen: Ik heb besloten die weg te gaan dus dan neem je het serieus. Je moet zelf door dat proces heen dat je de oude levenswijze achter je laat. ® ma Bekeerd van katholicisme naar orthodox jodendom De meeste respondenten hebben steun gezocht bij hun reeds bestaande netwerk, bij lotgenoten in het nieuwe netwerk of bij belangrijke andere personen in het nieuwe netwerk. Voor een aantal respondenten dat een orthodoxe/gesloten gemeenschap verlieten of daarvan werden uitgesloten, is het uiteindelijk nodig geweest om psychische hulp te zoeken als gevolg van de verandering. Wat zou voor andere bekeerlingen kunnen helpen en wat kan de gemeente betekenen? De respondenten denken dat lotgenotengroepen ook andere bekeerlingen of geloofsverlaters zouden kunnen helpen. Daarnaast denken zij ook aan meer professionele hulp. Daarbij valt te denken aan therapeuten met kennis over de problematiek en de impact die geloofsverlating of bekering kan hebben of aan een coach die helpt om vanuit een gesloten gemeenschap de "echte wereld” in te stappen. In beide gevallen gaat het om hulp die niet werkt vanuit het “normale kader” maar rekening houdt met de bekering of geloofsverlating. Tot slot geeft een van de respondenten het advies aan anderen om te laten zien dat je als persoon niet bent veranderd: Laat zien dat het jou gelukkig maakt en dat je niet veranderd bent. Veel ouders hebben de angst dat bekeerlingen zichzelf verliezen, dat je het doet voor anderen en niet voor jezelf. ® mm bekeerd tot islam Voor ervaringsdeskundigen blijkt het lastig om de vraag te beantwoorden wat de rol van de gemeente is in het bieden van steun rondom bekering of geloofsverlating. Een aantal keer wordt opgemerkt dat de gemeente niet zoveel kan doen. Ook al zou er een ambtenaar of beleidsmedewerker zijn die iemand gaat begeleiden, met alle goede bedoelingen, dan nog kan je iemand niet vrijwaarden van dat soort [afkeurende, afwijzende, vijandige] reacties. ® mm Bekeerd van katholicisme naar orthodox jodendom Desondanks noemen de respondenten ook een aantal punten waarop de gemeente eventueel wel iets zou kunnen betekenen. Zij denken hierbij aan steun en aandacht van de gemeente om 36 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten hulp te ondersteunen en eenzaamheid tegen te gaan. Dat kan door het organiseren van verbindingsgroepen of lotgenotengroepen of het beschikbaar stellen van ruimtes daarvoor en een erkenning of vergoeding van de gemeente voor de vrijwilligers (ervaringsdeskundigen) die bekeerlingen helpen. Tot slot zien een paar respondenten een taak voor de gemeente om voorlichting te geven over bekering, geloofsverlaten en vrijheid van levensbeschouwing, en het doen van onderzoek naar dit onderwerp. 37 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Samenvatting en discussie Naar aanleiding van artikelen in de media over bedreigingen van christenen met een islamitische achtergrond en raadsvragen hierover heeft de burgemeester van Amsterdam opdracht gegeven voor onderzoek naar de omvang en aard van bedreigingen van bekeerde personen. De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek is als volgt geformuleerd: In hoeverre hebben personen die hun geloof verlaten of zich bekeren (ongeacht vanuit welke godsdienst en voor welk nieuw geloof of levensbeschouwing) te maken met bedreigingen in Amsterdam en welke gevolgen hebben deze bedreigingen voor hen? De onderzoeksvraag is uitgewerkt in een aantal deelvragen die wij hieronder als leidraad voor de samenvatting gebruiken. Om deze vragen te beantwoorden is gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethoden. Allereerst is pragmatisch de bestaande literatuur over de onderzoeksvragen onderzocht en is gebruik gemaakt van cijfers uit enquêtes die inzicht kunnen geven in de problematiek in Amsterdam. Verder zijn tien gesprekken gevoerd met experts die in relatie staan tot de doelgroep van het onderzoek en rapporteren we over de persoonlijke ervaringen van 12 (oud) Amsterdammers die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd. Met deze combinatie van methoden tonen we aan dat, hoewel de kennis beperkt is over dit fenomeen en bedreigingen na het verlaten van het geloof of bekering naar alle waarschijnlijkheid zelden voorkomen, het wel mogelijk is om inzicht te geven in de risicofactoren voor bedreigingen. Samenvatting Om de context van bekering en geloofsverlaten te schetsen, is het ten eerste belangrijk om te beseffen dat twee derde van de Amsterdammers zich niet verwant voelt met een religie of levensbeschouwing. In Amsterdam is de secularisatie sneller gegaan dan landelijk. Niet alle geseculariseerde personen hebben echter bewust een geloof verlaten, er kan ook sprake zijn van een geleidelijk proces waarbij de band met een geloofsgemeenschap en/of geloof langzaam verwatert. Onder de groep die wel gelovig is, zijn geen cijfers bekend over het aantal bekeringen of over het aantal personen dat hun geloof heeft verlaten. Wel zijn er landelijke cijfers met betrekking tot christenen en moslims: deze cijfers wijzen op een sterke en groeiende mate van kerk- en/of geloofsverlaten onder christenen terwijl dit niet lijkt op te gaan voor moslims. Cijfers over bekeringen naar het christendom hebben wij niet gevonden maar naar schatting zou 1,4% à 1,/% van alle Nederlandse moslims niet van huis uit met de islam zijn opgegroeid, oftewel bekeerd zijn.# 34 Schuurman, B, P. Grol & S. Flower (2016), ‘Converts and Islamist Terrorism: An Introduction’, ICCT Journal 7 (3). https://www.icct.nl/wp-content/uploads/2016/06/ICCT-Schuurman-Grol-Flower-Converts-June-2016.pdf 38 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Hoe vaak komen bedreigingen na bekering of geloofsverlaten voor? Wanneer we uitgaan van de strafrechtelijke definitie van bedreiging kunnen we dit fenomeen niet kwantificeren: er bestaan voor Amsterdam, Nederland of voor vergelijkbare context geen cijfers over bedreigingen na bekering of geloofsverlaten. Onze gesprekken met experts leveren ook geen harde cijfers op maar we kunnen er vit opmaken dat bedreigingen tot (fysiek) geweld na bekering of geloofsverlaten zeer zelden voorkomen in Amsterdam. Als we het iets breder trekken komt uit de Veiligheidsmonitor dat 2% van alle Amsterdammers discriminatie ervaart vanwege religie of levensbeschouwing in 2018/19, dat 0,3% geweld of agressief gedrag heeft ervaren in relatie tot discriminatie op grond van religie en 0,2% bedreiging. Vooral moslims blijken discriminatie op grond van religie of levensbeschouwing bovengemiddeld veel te rapporteren. Bij al deze cijfers weten we niet of sprake was van bekering of geloofsverlaten maar deze gevallen zullen daar waarschijnlijk wel onder vallen. Gesprekken met de ervaringsdeskundigen geven ook geen inzicht in de omvang van bedreiging na bekering of geloofsverlating maar wel in de aard van het probleem. Daaruit blijkt dat bedreigingen vooral bestaan in subtielere, niet-strafrechtelijke vorm. Het gaat hierbij om situaties die emotioneel en sociaal dreigend kunnen voelen. Daarbij valt te denken aan het dreigen met of vrezen voor verbroken contact met familie of vijandige reacties van personen vit de oude gemeenschap of op straat. Concreet zijn in de gesprekken met experts en ervaringsdeskundigen vijf gevallen genoemd van bedreiging na bekering of geloofsverlaten die in Amsterdam hebben plaatsgevonden. Met een van de slachtoffers hebben wij een gesprek gevoerd. De kleine aantallen die worden genoemd zijn in geen geval aanleiding tot het relativeren van de problematiek. In de beperkte bekende gevallen schuilt ook een deel van de kwetsbaarheid van de groep die bedreigingen en andere negatieve reacties ervaart. Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben? Er zijn geen studies gevonden die specifiek het probleem van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten adresseren. Dat maakt het identificeren van groepen die relatief veel te maken hebben met bedreigingen lastig. Zowel in de pragmatisch gezochte literatuur om antwoorden te formuleren op de onderzoeksvragen als in onze gesprekken met experts richt de discussie zich vooral op de vraag of personen die de islam verlaten of die zich bekeren tot de islam relatief veel te maken hebben met bedreigingen tot geweld. Uit de gesprekken met ervaringsdeskundigen komt het beeld naar voren dat personen die zich bekeren tot de islam of die de islam verlaten kwetsbaar zijn voor bedreigingen. De meeste gevallen van negatieve reacties die de experts aandragen betreffen dergelijke situaties. Er zijn geen cijfers die dit staven. Er is ook debat over de vraag of er een theologische basis is in de islam voor bedreigingen of zelfs doodstraffen bij geloofsverlaten. Volgens sommige theologen kunnen moslims bedreigingen en fysiek geweld baseren op religieuze teksten maar volgens andere theologen geldt dit niet. Er is op basis van de bestaande literatuur en cijfers dan ook geen eenduidig antwoord te formuleren op deze vraag. In onze gesprekken met experts en met ervaringsdeskundigen werden daarnaast andere groepen benoemd die mogelijk kwetsbaar zijn voor negatieve reacties en in sommige gevallen voor bedreigingen: vluchtelingen die de islam verlaten en vrouwen die zich bekeren tot de islam. 39 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten In de literatuur zagen we dat bijvoorbeeld vrouwen die zich tot de islam bekeren, te maken krijgen met vormen van discriminatie waar ze eerder niet mee geconfronteerd werden.® Ook ervaringsdeskundigen die wij spraken en die hun nieuwe religie zichtbaar maken door bijvoorbeeld kleding of andere uiterlijke kenmerken krijgen, krijgen negatieve reacties van naasten maar ook van onbekenden. Negatieve reacties van onbekenden zijn er ook voor de respondenten die maatschappelijk actief zijn en daarbij laten weten dat zij hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd. Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke participatie? Bij gebrek aan gegevens en onderzoek naar bedreigingen specifiek na bekering of geloofsverlaten valt eveneens niets te zeggen over de gevolgen daarvan. Alleen over de gevolgen van bedreigingen en dreiging van criminaliteit in meer algemene zin is het een en ander bekend. Daarbij is de hypothese te stellen dat bedreiging kan leiden tot gevoelens van onveiligheid (de angst voor misdaad), een hoge inschatting van risico op slachtofferschap en gedragsaanpassing (mijden van situaties), wat vervolgens kan leiden tot een slechtere mentale en fysieke gezondheid. Deze vraag kan ook beantwoord worden vanuit het perspectief van een bredere definitie van bedreigingen, oftewel ervaren bedreigingen en negatieve reacties van anderen op bekering en geloofsverlaten. Op basis van de literatuur en van onze gesprekken met experts en ervaringsdeskundigen komt naar voren dat eenzaamheid en vervreemding belangrijk risico's vormen met betrekking tot sociale contacten en maatschappelijke participatie. Dit punt werken we hieronder verder uit. Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken zij hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar? Wat zijn mogelijke belemmeringen hierbij? De vraag of bedreiging na geloofsverlating of bekering wordt gemeld of aangegeven bij de politie, kan niet beantwoord worden met bestaande cijfers. De politie beschikt niet over dergelijke specifieke cijfers en in slachtofferenquêtes worden specifieke vormen van bedreiging niet uitgevraagd. Cijfers die er wel zijn met betrekking tot meer algemene delicten tonen aan dat er relatief weinig melding of aangifte wordt gedaan na delicten van mishandeling en bedreiging vergeleken met andere delicten. We kunnen verwachten dat dit ook geldt voor de specifieke casus van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten. In onze gesprekken met de experts en ervaringsdeskundigen werden meestal geen gevallen genoemd waarbij sprake was van bedreiging in strafrechtelijke zin. Van de vijf Amsterdamse casussen waar dat wel het geval was, is in twee gevallen aangifte gedaan. 38 Vroon, V. E. (2014). Sisters in Islam. Women’s conversion and the politics of belonging: A Dutch case study. Dissertatie: Universiteit van Amterdam. https://pure.uva.nl/ws/files/2046672/137821 thesis. pdf; Geelhoed, F., R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories and (non-) involvement in jihadist movements’. ICCT Research Paper. 40 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Met alle experts en ervaringsdeskundigen is daarnaast gesproken over hulp in meer algemene zin bij negatieve reacties op bekering of geloofsverlaten. Zij benadrukken hoe belangrijk het is dat iemand familie en vrienden heeft om op terug te vallen. De meeste respondenten hebben steun gezocht bij hun reeds bestaande netwerk, bij lotgenoten in het nieuwe netwerk of bij belangrijke andere personen in het nieuwe netwerk. Voor een aantal respondenten die een orthodoxe en/of gesloten gemeenschap verlieten, is het viteindelijk nodig geweest om psychische hulp te zoeken. Welke andere problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie? Het belangrijkste risico dat in de literatuur, gesprekken met experts en met ervaringsdeskundigen naar voren komt is het risico op eenzaamheid of vervreemding na bekering of geloofsverlaten, en nog meer na negatieve reacties hierop. De ervaringsdeskundigen zijn over het algemeen huiverig geweest om hun familie te vertellen over de verandering. Bijna alle respondenten geven aan dat de reacties vanuit de familie in eerste instantie negatief waren, en soms leidde dit tot een (tijdelijke) breuk in het contact. De ervaringen die respondenten met ons hebben gedeeld zijn op dit punt in lijn met de vitkomsten van verschillende onderzoeken, met name kwalitatieve studies over bekering en geloofsverlaten. Met reacties van andere sociale contacten, zoals collega's en vrienden, hebben de respondenten uiteenlopende ervaringen. Het verlies van de sociale contacten binnen de oude geloofsgemeenschap is niet snel gecompenseerd, ook niet in een nieuwe geloofsgemeenschap. Dit geldt vooral voor personen die uit hechte en gesloten geloofsgemeenschappen stappen. Verder is er volgens de experts en ervaringsdeskundigen met wie wij hebben gesproken sprake van angst onder mensen die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd: angst voor uitsluiting, voor onbegrip maar ook voor bedreiging of geweld. Die angst heeft te maken met de mogelijkheid voor negatieve gevolgen voor de persoon zelf, maar ook voor de ouders en kinderen. Een ander gevolg voor mensen kan zijn dat zij niet de vrijheid voelen om naar hun geboorteland (of dat van hun ouders) te reizen, vit angst om daar geconfronteerd te worden met bedreigingen of fysiek geweld. De focus van dit onderzoek ligt op negatieve reacties op bekering en geloofsverlaten en hun meest ernstige vormen. Maar behalve negatieve reacties benadrukken de ervaringsdeskundigen met wie wij hebben gesproken ook de positieve gevolgen van hun bekering of (al dan niet vrijwillige) geloofsverlating. Zij vinden rust in het leven, zelfacceptatie en kunnen zichzelf zijn binnen de nieuwe situatie of gemeenschap. Ook vaak genoemd is de nieuwe ervaren vrijheid. Discussie We moeten concluderen dat we geen cijfermatig antwoord kunnen geven op de vraag in hoeverre personen die hun geloof verlaten of zich bekeren te maken hebben met bedreigingen. Nemen we de inzichten vit bestaand onderzoek en onze gesprekken met experts en ervaringsdeskundigen samen, dan kunnen we wel iets meer zeggen over de context waarin 41 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten negatieve reacties ontstaan op bekering en geloofsverlaten. Op basis van de informatie uit alle bronnen samen, lijken vier niveaus hierbij een rol te spelen: 1. het niveau van opvattingen of geloofsbeleving; 2. de kenmerken van een gemeenschap; 3. primaire relaties, met name tussen ouders en kinderen; 4. opvattingen in de samenleving. Op basis van de voorbeelden die zijn gegeven en de reflectie van experts en ervaringsdeskundigen zien we onderstaande factoren als een risico voor mogelijke bedreigingen of andere negatieve gevolgen. Er is nooit sprake van één enkele factor die bepalend is voor het voorkomen van bedreigingen. Meestal spelen zaken op minstens twee van deze niveaus. Daarnaast gelden de hieronder beschreven factoren als risico’s: vit de gesprekken bleek dat het niet automatisch leidt tot negatieve reacties bij geloofsverlating of bekering als er sprake is van een of meerdere van deze factoren. Opvattingen of geloofsbeleving Op het eerste niveau gaat het met name om theologische opvattingen en de geloofsbeleving. Als deze orthodox worden ingevuld of uitgaan van exclusief denken, kan er weinig begrip zijn voor de keuze van een persoon voor een ander geloof of voor geen geloof. Het gaat hierbij om ‘wij-zij-denken waarbij onoverbrugbare verschillen worden ervaren. In eerste instantie gaat het bij dit niveau om opvattingen en geloofsbeleving van personen die religieus zijn en van religieuze gemeenschappen. Een duidelijk voorbeeld hiervan zijn de Jehova's Getuigen, bij uittreding uit deze gemeenschap speelt dit niveau een belangrijke rol in de negatieve reacties. Maar ook sommige atheïsten kunnen exclusief denken en zich fel keren tegen de keuze van iemand om een geloof te kiezen. Op dit niveau speelt ook mee hoe zichtbaar de religie van een persoon is. Als een vrouw die zich bekeert tot de islam een hoofddoek gaat dragen of andersom, als een vrouw die zich bekeert van de islam tot het christendom en geen hoofddoek meer draagt, kan dit reacties uitlokken vanuit de omgeving. Onze gesprekspartners hebben dergelijke reacties genoemd, waarbij bekeerde vrouwen zijn beschuldigd van verraad. Hetzelfde geldt voor mannen die zich bekeren tot het orthodox jodendom en dit zichtbaar uitdragen, ook zij krijgen te maken met reacties. De kenmerken van de oude (geloofs)gemeenschap Uit de gesprekken met experts en ervaringsdeskundigen blijkt het moeilijk om uit een hechte en gesloten gemeenschap te stappen. In onze gesprekken ging het hierbij om de Jehova's Getuigen, om het orthodox jodendom en om sommige islamitische gemeenschappen. In dat laatste geval is sprake van het samenvallen van culturele en religieuze scheidslijnen, wat de kenmerken van de gemeenschap versterkt. Mensen die hun geloof verlaten of zich bekeren vanuit een dergelijke gemeenschap zien dat hun sociale contacten onder druk komen te staan. Er bestaat in die omstandigheden een risico op negatieve reacties. Relaties binnen de directe familie Veel van de gerapporteerde fricties ontstaan tussen de bekeerling of geloofsverlater en zijn of haar directe familieleden (zoals ouders of kinderen). Ouders kunnen moeite hebben met het feit dat hun kind een andere geloofskeuze maakt dan degene die zij voor zichzelf en hun kinderen hebben gemaakt. Daarbij spelen de eerder genoemde niveaus ook een rol: vanuit een orthodoxe geloofsbeleving of andere opvattingen van exclusief denken hebben ouders daar vaak meer 42 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten moeite mee. En als de gemeenschap van ouders en kinderen hecht en gesloten is, speelt de druk van de gemeenschap door in de relatie tussen ouders en kinderen. Toch zijn deze gegevens op zichzelf geen reden voor een escalatie van het conflict, en speelt ook de omgang tussen de betrokkenen een rol (door een expert ‘sociale vaardigheden’ genoemd). Overigens begrijpen we uit de diverse persoonlijke verhalen dat conflicten meestal na verloop van tijd worden bijgelegd. Opvattingen in de samenleving Een deel van de negatieve reacties die bekeerlingen specifiek (en geloofsverlaters niet) meemaken zijn gerelateerd aan opvattingen die in de samenleving bestaan over religie, in het algemeen en over de islam in het bijzonder. Het gaat hierbij enerzijds om negatieve reacties van mensen die tegen elke vorm van religie zijn en zich uitspreken tegen de keuze om een religie aan te hangen. Anderzijds hebben (bekeerde) moslims te maken met zeer uitgesproken meningen tegen de islam. Bekeerlingen worden hiermee geconfronteerd op straat, in geval van personen die zichtbare uiterlijke kenmerken van religie dragen (met name moslima's maar ook orthodoxe joden). Zij worden hier ook mee geconfronteerd op sociale media wanneer bekend is dat zij zich hebben bekeerd. Ook personen die islamitisch zijn opgevoed krijgen te maken met negatieve opvattingen over de islam maar voor bekeerlingen komt daar een extra dimensie bij: zij worden door sommigen als verraders gezien. Aanbevelingen We richten ons hier op de (mogelijke) acties die bij dit vraagstuk ondernomen kunnen worden. Het gaat hierbij in eerste instantie om ideeën die door de experts en ervaringsdeskundigen hebben aangedragen. Zij laten zich hierbij meestal niet belemmeren door wat de formele taken zijn van verschillende overheidsinstanties. In de aanbevelingen is een driedeling te maken: de strafrechtketen, sociaal beleid en imago en communicatie. De strafrechtketen Voor mensen die bedreiging meemaken na bekering of geloofsverlating, zou het helpen als er bij de politie meer kennis is over deze problematiek. Voor slachtoffers is er behoefte aan een luisterend oor bij de politie en aan kennis in de politieorganisatie over dit onderwerp en de gevoeligheid ervan. Daarnaast is het moeilijk om de omvang van de problematiek in kaart te brengen. Hoewel de meldingsbereidheid bij dit soort delicten waarschijnlijk laag is, zou specifiekere registratie kunnen helpen om het probleem enigszins in kaart te brengen. Sociaal beleid Veel van de negatieve gevolgen waarover de ervaringsdeskundigen en experts ons hebben verteld zijn geen bedreiging in juridische zin maar hebben wel impact op de bekeerling of geloofsverlater. In die vorm raakt het aan onderdelen van het sociaal beleid van de gemeente, in het bijzonder het vergroten van (zelf-)acceptatie, het tegengaan van discriminatie en bestrijden van polarisatie. Om de impact van de negatieve ervaringen van bekeerlingen en geloofsverlaters te verkleinen is door experts en ervaringsdeskundigen een aantal tips voor beleid gegeven. Deze bespreken we hier puntsgewijs. mn De gemeente kan in gesprek gaan met vertegenwoordigers van verschillende geloofsgemeenschappen om de specifieke problemen van bekeerlingen en geloofsverlaters aan te kaarten. Op die manier wordt bekend dat mensen bij bekering of geloofsverlaten 43 | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten negatieve reacties kunnen krijgen. Ook kunnen ervaringen met bekeerlingen en geloofsverlaters worden besproken, om na te gaan bij welke aanpak mensen baat hebben. = Daarnaast kan de gemeente netwerken van lotgenoten onder de aandacht brengen. Bekeerlingen en geloofsverlaters hebben baat bij contact met personen die soortgelijke ervaringen hebben. De gemeente zou dat lotgenotencontact kunnen faciliteren door dit te organiseren, er een ruimte beschikbaar voor te stellen of vrijwilligers (ervaringsdeskundigen) die bekeerlingen of geloofsverlaters helpen te ondersteunen door middel van training en/of een vergoeding. = Met betrekking tot opvattingen in de samenleving heeft de gemeente een rol om acceptatie te vergroten en discriminatie tegen te gaan. Het gaat hierbij om acceptatie binnen geloofsgemeenschappen voor de vrije keuze van personen. Daarnaast komt In het onderzoek naar voren dat er met betrekking tot bekering en geloofsverlaten veel aandacht is voor de islam, maar ook dat personen die de islam hebben verlaten of zich daartoe hebben bekeerd ervaring hebben met discriminatie. Verder rapporteren een aantal experts en ervaringsdeskundigen dat personen die gelovig worden te maken krijgen met negatieve opvattingen over religies in het algemeen. m _Totslot hebben we in het onderzoek gezien dat kinderen op school last gehad hebben van de geloofsverlating of bekering van de ouder. Kennis over het geloof en levensbeschouwingen binnen de overheid en op scholen kan volgens geïnterviewden worden vergroot. Hiermee wordt de vrije keuze van kinderen en het onderling begrip ondersteund. Een van de vragen die een aantal keer in de gesprekken aan de orde is gekomen is of er een speciale voorziening moet komen (een aanspreekpunt bijvoorbeeld) voor bekeerlingen en geloofsverlaters. Een aantal mensen ziet het nut hiervan in, maar de meerderheid niet. Over het algemeen heerst het besef dat het gaat om een kleine groep en dat juist de combinatie van problemen tot negatieve gevolgen leidt. Dan is de focus op alleen de bekering of het geloofsverlaten niet het meest effectief. Wel geldt dat er in meer brede zin bij hulpverleners maar ook bij beleid aandacht moet zijn voor de problematiek van bekeerlingen en geloofsverlaters. Imago en communicatie Niet alleen daadwerkelijke acties maar ook het uitdragen van een boodschap kan volgens geïnterviewden helpen. Een aantal van hen stelt dat de overheid pal moet staan voor de vrijheid van godsdienst en voor de vrijheid om niet te geloven, en dat moet blijven herhalen. Respondenten vinden het belangrijk dat de overheid dit grondrecht uitdraagt, zodat er geen twijfel bestaan over de keuzevrijheid. Bij dit punt hoort ook dat er behoefte is aan erkenning door de overheid van de problemen die bekeerlingen en geloofsverlaters ondervinden, zodat mensen die problemen ervaren bij het maken van keuzes zich gesteund weten. bh Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Bijlage 1: Topiclijst interviews experts 1. Uitleggen doel onderzoek (5 minuten) -_ Introductie onderzoek: aanleiding, opdrachtgever, wie wij zijn. -__Anonimiteit. 2. Algemene vragen (10 minuten) -__ Kunt u iets vertellen over uw geloofsgemeenschap/ organisatie? -__En vw rol daarin? -_ Krijgtu ook met bekeerlingen te maken? 3. Proces bekering/ geloofsverlaten (10 minuten) -__Hoe zou u het proces omschrijven van bekering of geloofsverlaten? -_ Wat kunnen volgens u redenen zijn hiervoor? -_Hoe vaak komt het voor? -__ Kuntuiets zeggen over de gemeenschappen die mensen verlaten? 4. Gevolgen (10 minuten) -__ Kuntuiets vertellen over gevolgen van bekeren/verlaten van het geloof? -__ Welke reacties ontvangen mensen? o Vande oude geloofsgemeenschap o Vande nieuwe geloofsgemeenschap o Vanfamilie o Vande buitenwereld -__Is er verschil in gevolgen voor verschillende groepen? Zo ja welke? 5. Negatieve gevolgen (15 minuten) -_In hoeverre is er sprake van negatieve reacties? o Hoe vaak en wanneer komt dit voor? o Van wie komen deze reacties? o Wat voedt negatieve reacties? o Watis de impact op het slachtoffer? o Welke acties ondernemen mensen wanneer dit gebeurt? -__ Ziet/hoort u wel eens dat personen bedreigd (fysiek of mentaal) worden? o Wat wordt ervaren als bedreiging? o Hoe vaak en wanneer komt dit voor? o Van wie komen deze reacties? o Wat voedt negatieve reacties? o Welke acties ondernemen mensen wanneer dit gebeurt? 45 Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten Bijlage 2: Topiclijst interviews ervaringsdeskundigen 6. Uitleggen doel onderzoek (5 minuten) -_ Introductie onderzoek: aanleiding, opdrachtgever, wie wij zijn. -__Anonimiteit. -__ Geen goed of fout, antwoorden niet verplicht. -_ Intro respondent en onderzoekers: o Leeftijd, gezinssituatie, woonplek (waar in Amsterdam?), waar vonden/vinden in het verleden en/of heden religieuze activiteiten plaats? 2. Geloofsverlating of bekering (20 minuten) Hoe verliep het proces van het verlaten van uw (vorige) geloof? -__ Oude geloofsgemeenschap. -_ Redenen tot twijfelen. -_ Nieuwe geloofsgemeenschap/levensbeschouwing. -__ Wat heeft de keuze gebracht? 3. Gevolgen geloof verlaten (15 minuten) Kunt u iets vertellen over de gevolgen van het verlaten van uw geloof/veranderen van geloof? -__ Mentaal, sociaal, fysiek? > associatiekaarten. Kunt u iets vertellen over de reacties vanuit vw sociale omgeving? -_ Oude én nieuwe geloofsgemeenschap/sociale contacten? Kunt u iets vertellen over negatieve of heftige reacties op uw verandering? -_Hoe vaak? - __ Vanwie? -_ Impact (evt. dagelijks leven). -_Hulp zoeken. -__ Optioneel: bedreigingen waargemaakt? 4. Ondersteuning (10 minuten) Wat heeft geholpen of zou kunnen helpen bij een dergelijke verandering? -__ Omgaan met negatieve reacties -_ Steun, hulp -__ Lotgenoten (evt. verschil man/vrouw) -_ Wat zou anderen kunnen helpen? -__ Wat zoude gemeente kunnen betekenen? 5. Afronding (5 minuten) 46 % % es
Onderzoeksrapport
47
test
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Amendement Jaar 2017 Afdeling 1 Nummer 1168 Publicatiedatum 15 november 2017 Ingekomen op 17 oktober 2017 Te behandelen op 8/9 november 2017 Onderwerp Amendement van het lid Roosma inzake de Begroting 2018 (cliëntondersteuning dak- en thuislozen). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2018. Overwegende dat: — het aantal dak- en thuislozen toeneemt en bekomende problematiek complexer wordt; — daarom een groeiende behoefte is aan cliëntondersteuning; — naar aanleiding van de extra incidentele middelen voor cliëntondersteuning de MDHG, Bureau Straatjurist/BADT en de daklozenvakbond plannen hebben ontwikkeld om samen te werken en cliëntondersteuning voor dak- en thuislozen in de stad te versterken; — structurele financiering voor deze activiteiten wenselijk is. Besluit: — vanaf 2018 structureel 0,5 miljoen euro beschikbaar te stellen voor cliëntondersteuning voor dak- en thuislozen (aan het samenwerkingsverband van MDHG, Bureau Straatjurist/BADT en de Daklozenvakbond). — hiervoor dekking te vinden in het verhogen van de toeristenbelasting. Het lid van de gemeenteraad F. Roosma 1
Motie
1
discard
Handleiding Versie 12 januari 2022 Taak: nr 3. Afval en grondstoffen Algemene beschrijving De inzameling van huishoudelijk en bedrijfsafval is als taak opgedragen aan het DB. Dit betekent in de dagelijkse praktijk… Dat het college het DB betrekt bij de voorbereiding van stedelijke kaders als het gaat om de inzameling van afval. Dat daarbinnen ruimte is voor maatwerk, voor belangenafweging, om snel te kunnen handelen in de actualiteit en voor initiatieven, inspraak en tegenspraak. Dat de dagelijkse besturen binnen de kaders van het Uitvoeringsprogramma Afval & Grondstoffen jaarlijks gebiedsgerichte uitwerkingen vaststellen. Onderdelen van gebiedsuitwerkingen zijn: e een analyse van de huidige situatie op het gebied van afvalinzameling, reiniging en handhaving ten opzichte van de gemeentelijke doelstellingen; e analyse van de dienstverlening aan bewoners en ondernemers op basis van onder meer de beschikbare inzamelvoorzieningen; e aanpak voor samenwerking met bewoners en ondernemers, aangevuld met eventueel woningcorporaties, bezoekers en andere betrokken partijen, rondom preventie, inzameling en schone straat; e het pakket aan maatregelen dat wordt toegepast en op welke manier. Denk aan de gebiedsgerichte aanpak van bijplaatsingen, het inzetten van nieuwe of alternatieve inzamelsystemen zoals mobiele inzamelpunten voor kleine elektrische apparaten en klein chemisch afval, inzameling van GFT en/of wormenhotels, grofvuil op afspraak etc; e afspraken over de dienstverlening; e gebiedsgerichte communicatie; * financiële kaders. De gebiedsgerichte uitwerkingen landen in een jaarlijks vast te stellen programmaplan gekoppeld aan de P&C cyclus. Verder stelt het dagelijks bestuur het uitvoeringsbesluit en de afvalwijzer vast, met daarin de regels voor het aanbieden van afval en de tijden waarop dat dient te gebeuren. Ook heeft het de dagelijks bestuur de taak hebben om locaties aan te wijzen voor boven- en ondergrondse inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen voor (mini) containers en grof huishoudelijk afval Het dagelijks bestuur is als verlengd bestuur verantwoordelijk voor het uitvoeren en bijsturen van de maatregelen, afspraken en regels met het oog op het behalen van de gemeentelijke doelstellingen t.a.v. schoon, duurzaam, de opvolging van meldingen en medebeheer door bewoners en ondernemers. Specifieke aandachtspunten e _Eengezamenlijk beeld over de resultaatgebieden en welke KPI's op strategisch{tactisch niveau daarbij horen. Het gaat om het resultaat op straat. Ambtelijk kan er gestuurd worden op operationele KPI's, e De bestuurlijke rol en werkwijze hoe om te gaan met bewonersinitiatieven en gedragsverandering vragen nadere uitwerking. e Tijdig informeren van bestuurders over voorvallen en ontwikkelingen die van belang zijn voor de het resultaat op straat. Organisatie & samenwerking Wat doen de e Input leveren aan het stedelijke kader stadsdeelorganisaties? e Eerste aanspreekpunt voor bewoners e Deelname aan overleggen (o.a. door de gebiedsteams) om te komen tot goede analyses en oplossingen van de problematiek op/rondom afvalprobleemlocaties e Gebiedsgerichte communicatie in afstemming met A&G en Stadswerken Welke directies zijn betrokkenen | A&G, Stadswerken en THOR wat doen zij? Algemeen: e _ Analyse, monitoring en rapportage van de situatie op het gebied van afvalinzameling, schoon, handhaving en afhandeling van meldingen t.o.v. de gemeentelijke doelstellingen e Tijdig informeren van het stadsdeel over voorvallen en ontwikkelingen die van belang zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden e Faciliteren handelingsperspectief dagelijks bestuur e Faciliteren en ondersteunen van bewonersinitiatieven (A&G en SW) e Input leveren voor het informeren en beantwoording van vragen van de stadsdeelcommissie A&G: e _ Organisatie en uitvoering van de afvalinzameling © _Inkoopen beheer van inzamelmiddelen e _ Uitvoeren van pilots en projecten inzameling en duurzaamheid © Afhandeling van meldingen inzameling Stadswerken: Stadswerken (schoon) is verantwoordelijk voor het schoonmaken en -houden van de openbare ruimte (reiniging) en het opvolgen van meldingen reiniging. Daarnaast maakt Stadswerken ook schoon bij evenementen, demonstraties en herdenkingen. Anti Klad en Plak verwijdert onder andere graffiti op straatmeubilair, gemeentelijke panden en verkeersvoorzieningen. (taak 2 openbare ruimte, groen en parken). THOR: Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte is verantwoordelijk voor het terugdringen van overlast door verkeerd aangeboden afval en het opvolgen van meldingen daarover. Aandachtspunten bij de organisatie en besluitvorming: -___Eén keer in de zes weken vindt bestuurlijk overleg plaats met wethouder en portefeuillehouders op basis van gezamenlijke agenda & rapportage op KPI's -___Eén keer per kwartaal gesprek bestuurder — directeur A&G op basis van stadsdeel specifieke rapportage/ KPI's - __ Vanuitde directies A&G, Stadswerken en THOR is een accounthouder / gebiedsbeheerder beschikbaar als contactpersoon en aanspreekpunt voor het dagelijks bestuur.
Actualiteit
3
test
> Gemeente Amsterdam D Motie Datum raadsvergadering 9 november 2022 Ingekomen onder nummer 435 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van het lid Abdi inzake de Begroting 2023 Onderwerp Terugdringen van aantal vithuisplaatsingen Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2023 Constaterende dat: — _ Het aantal vithuisplaatsingen onverminderd hoog blijft in Amsterdam ondanks eerdere inten- sieve inzet vanuit de gemeente en haar partners; — Een vithuisplaatsing op het leven van kinderen een ingrijpende en traumatiserende werking kan hebben; — _ Uit het rapport over het feitenonderzoek voorafgaand aan uithuisplaatsingen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd‘ en de eindevaluatie wet herziening kinderbeschermingsmaatre- gelen van de Universiteit Leiden? blijkt dat de praktijk van vithuisplaatsingen ernstige tekort- komingen heeft; — _ Ambulante en gezinsgerichte hulp vaak een beter alternatief is; — De gemeente onvoldoende zicht heeft op wat er gebeurt rondom de praktijk van vithuisplaat- singen; Verzoekt het college van burgemeester en wethouders — _ Om samen met jeugdprofessionals en (ervarings-)deskundigen een ambitieus plan van aanpak te maken met heldere doelen en streefcijfers om: o het aantal vithuisplaatsingen te verminderen; o prioriteit te geven aan het adresseren van voorliggende problematiek van ouders voordat jeugdhulp wordt aangeboden; o Inte zetten op gezinsgerichte hulp — _Om samen met relevante partners te werken aan betere informatievoorziening en sturings- data rondom de praktijk van uithuisplaatsingen + https://www.igj.nl/publicaties{rapporten/2022/06/27/feitenonderzoek-voorafgaand-aan-uithuisplaatsingen-van-kinderen 2 https://www.universiteitleiden.nl/nieuws{2022/o5/factsheet-uithuisplaatsingen-kinderen-opgesteld Gemeente Amsterdam Status Ingetrokken Pagina 2 van 2 Indiener F. Abdi
Motie
2
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Motie Jaar 2020 Afdeling 1 Nummer 849 Behandeld op 2 juli 2020 Status Aangenomen Onderwerp Motie van de leden Boomsma en Hammelburg inzake de Voorjaarsbrief 2020 (onderzoek terugdringen verkoop (nep)cannabis-gerelateerde producten in winkels) Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Voorjaarsbrief 2020. Overwegende dat: - Lijst 2 van de Opiumwet een verbod bevat op de verkoop van o.a. ‘elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (…)' - Coffeeshops worden gedoogd op voorwaarde van toepassing van de AHOIG- criteria, die onder meer bepalen dat coffeeshops geen reclame mogen maken en geen cannabisbladeren zichtbaar mogen zijn in het logo, enz. - Maar er wel meer (souvenir)winkels in Amsterdam producten verkopen en vol in de etalage aanprijzen als eetbare cannabisproducten; - veel van de toeristenspullen Cannabis Sativa bevat en/of CBD, een bestandsdeel van cannabis, en/of hennepolie; - Veel toeristen het verschil niet weten tussen een coffeeshop en het kopen van dergelijke producten in de winkel, - de grootschalige verkoop van dergelijke producten bijdraagt aan het imago van Amsterdam als drugsstad voor toeristen en het goed is om dat imago te wijzigen, Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: Te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om het aanprijzen en de verkoop van (al dan niet nep) cannabis-gerelateerde producten zoals koekjes, ijsjes, cakes, thee, donuts, lolly's, snoepjes en dergelijke in winkels in de stad aan banden te leggen dan wel te beëindigen en dat terug te koppelen aan de raad. De leden van de gemeenteraad D.T. Boomsma A.R. Hammelburg 1
Motie
1
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Motie Jaar 2015 Afdeling 1 Nummer 842 Publicatiedatum 18 september 2015 Ingekomen onder B" Ingekomen op 9 september 2015 Behandeld op 9 september 2015 Status Aangenomen Onderwerp Motie van de raadsleden de heer Groot Wassink, mevrouw Shahsavari-Jansen en mevrouw Moorman inzake de opvang van vluchtelingen (transformatie van kantoorpanden en gemeentelijk vastgoed voor vluchtelingen en statushouders). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de actualiteit van de leden Moorman, Groot Wassink, Shahsavari-Jansen, Paternotte, Peters, Ruigrok en Van Soest inzake de opvang van vluchtelingen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 833); Overwegende dat: — de gemeente Amsterdam een grote achterstand heeft bij het huisvesten van statushouders; — de druk op de opvangcapaciteit van Nederlandse asielzoekerscentra verder toeneemt door de recente vluchtelingstromen; — het gemeentebestuur heeft aangegeven alles op alles te zetten om de huidige achterstand weg te werken; — erin de stad brede steun is voor ruimhartige opvang van vluchtelingen; Voorts overwegende dat: — Amsterdam nog altijd grote leegstand van kantoorpanden en gemeentelijk vastgoed kent (20% van de kantoren staat leeg); — het gemeentebestuur transformatie als een nuttig instrument ziet om deze leegstaande panden te herbestemmen; — er tal van initiatieven zijn die laten zien dat al dan niet tijdelijke transformatie snel kan worden gerealiseerd. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — _op een zo kort mogelijke termijn de transformatie van leegstaande kantoorpanden en gemeentelijk vastgoed bij voorrang in te zetten als instrument om statushouders te huisvesten; 1 Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 842 Moti Datum 18 september 2015 otie — _op zo kort mogelijke termijn een uitwerking van het vorenstaande aan de raadscommissie voor Bouwen, Wonen, Wijkaanpak en Dierenwelzijn te doen toekomen. De leden van de gemeenteraad B.R. Groot Wassink M.D. Shahsavari-Jansen M. Moorman 2
Motie
2
discard
Gemeente X Amsterdam % Zuidoost Overlegvergadering stadsdeelcommissie Zuidoost Datum : dinsdag 6 december 2022 Aanvang : 19.00 UUr Locatie : raadzaal, 1° verdieping stadsdeelkantoor Voorzitter : Michel Idsinga Secretaris : Peter Vrieler Agenda 1. Opening en vaststellen agenda 19.00 2. Bewoners aan het woord 19.05 3. Mededelingen 19.15 4. Vaststellen (concept) Besluitenlijst 22 november 2022 19.20 5. a. Mondelinge vragen 19.25 -_Mw. Marshall (Lijst Marshall) -__Mw. Lugman (PvdA) b. Moties -__Mw. Lugman (PvdA) 6. Ingekomen stukken 19.55 BESPREEKPUNTEN Gevraagde adviezen 7. Beleidsvoornemen invoering betaald parkeren (bespreken) 20.00 Ongevraagde adviezen 8. Integrale Toegankelijkheid —T. Lugman/ PvdA, D. Bakker/ Bla, G. Owusu/ DENK 20.25 (vaststellen) g. Invoering betaald parkeren — A. Heuvel{PvdA (bespreken) 20.30 10. Rondvraag en sluiting 20.50 Ter kennisname: Toezeggingenlijst SDC december 2022
Agenda
1
discard
x Gemeente Amsterdam VV L % Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en Luchtkwaliteit) % Gewijzigde Agenda, donderdag 10 maart 2011 Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en Luchtkwaliteit) Tijd 09.00 uur tot 12.30 uur en zonodig vanaf 13.30 uur tot 17.00 uur Locatie Rooszaal 0239, Stadhuis Algemeen 1 Opening 2 Mededelingen 3 Vaststellen agenda 4 _Inspreekhalfuur Publiek 5 Actualiteiten 6 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie VVL d.d. 10 februari 2011 e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier doorgegeven, commissie VVL@raadsgriffie amsterdam.nl 7 Openstaande toezeggingen e _Toezeggingenlijst/ termijnagenda niet bijgevoegd. U ontvangt op de maandag voorafgaande aan de vergadering per mail en in hardcopy een bijgewerkt exemplaar Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn slechts richtlijnen waaraan geen rechten zijn te ontlenen. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn. Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda staat. De vergaderingen zijn openbaar en hiervan worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden via internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl. Voor algemene informatie: info@raadsgriffie.amsterdam.nl 1 Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en VVL Luchtkwaliteit) Gewijzigde Agenda, donderdag 10 maart 2011 8 Termijnagenda e _Toezeggingenlijst/ termijnagenda niet bijgevoegd. U ontvangt op de maandag voorafgaande aan de vergadering per mail en in hardcopy een bijgewerkt exemplaar 9 Openstaande Schriftelijke vragen 10 Rondvraag - Tkn lijst Verkeer, Vervoer en Infrastructuur 11 Genmod2010, basisgegevens verkeersprognoses Nr. BD2011-001566 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. Geagendeerd op verzoek van commissielid Van Drooge (CDA) e Was Tkn 3 in de raadscommissie VVL, d.d. 10 februari 2011 12 Verkenningenstudie HOV Westtangent Nr. BD2011-001567 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. e Geagendeerd op verzoek van commissielid Van Drooge (CDA) e Was Tkn1 in de raadscommissie VVL, d.d. 20 januari 2011 e Gevoegd behandelen met agendapunt 13 e Wegens tijdgebrek uitgesteld in de raadscommissie VVL. d.d 10 februari 2011 e _ Stukken reeds in uw bezit 13 Beantwoording Motie Van Drooge Tram over Allendelaan Nr. BD2011-001571 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. e Gevoegd behandelen met agendapunt 12 e Wegens tijdgebrek uitgesteld in de raadscommissie VVL, d.d. 10 februari 2011 e _ Stukken reeds in uw bezit 2 Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en VVL Luchtkwaliteit) Gewijzigde Agenda, donderdag 10 maart 2011 14 Vrijgeven voor inspraak van het Voorlopig Ontwerp van de Rode Loper (tussen Prins Hendrikkade en Weteringcircuit) Nr. BD2010-008997 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e _Raadsadres van het MKB, d.d. 28 januari 2011 is meegezonden / staat op ingekomen lijst Gemeenteraad d.d. 16 maart 2011 e _Deleden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Bouwen en Wonen, Grondzaken, Klimaat en energie, Openbare Ruimte en Groen, Zeehaven en Westpoort, Volkshuisvesting, Wijkaanpak en Stedenbeleid zijn hierbij uitgenodigd. 15 Nadere uitwerking dekking kosten aanpassing verkeersinfrastructuur Rode Loper (tussen Prins Hendrikkade en Weteringcircuit) Nr. BD2010-009003 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e _Deleden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Bouwen en Wonen, Grondzaken, Klimaat en energie, Openbare Ruimte en Groen, Zeehaven en Westpoort, Volkshuisvesting, Wijkaanpak en Stedenbeleid zijn hierbij uitgenodigd. 16 Wijziging Verordening op de Stadsdelen Nr. BD2011-000682 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (Gemeenteraad d.d. 16 maart 2011). 17 Meerjarenanalyse 2011-2013 Afstemming werkzaamheden Amsterdam Nr. BD2010-006462 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e _ Hierbij wordt een presentatie gegeven door Dhr. Van Eerden e _Raadsadressant is hierbij uitgenodigd TOEGEVOEGDE AGENDAPUNTEN Circa 12.00 uur Verkeer, Vervoer en Infrastructuur 18 Openbare Verlichting Diamantbuurt Nr. BD2011-002240 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e Op verzoek van fractie RED Amsterdam geagendeerd 3
Agenda
3
train
X Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2014 Afdeling 1 Nummer 561 Datum akkoord college van b&w van 26 augustus 2014 Publicatiedatum 29 augustus 2014 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid de heer R.H. van Dantzig van 28 april 2014 inzake de helft van de sociale huurwoningen naar voorrangsgroepen. Aan de gemeenteraad inleiding door vragensteller. Op 19 april 2014 berichtte Het Parool dat ongeveer de helft van de sociale huurwoningen naar voorrangsgroepen gaat. “Uit cijfers van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties blijkt dat bijna vijftig procent van de sociale huurwoningen is bedoeld voor bijzondere gevallen. Dat kunnen ouderen en zieken Zijn, maar ook tienermeisjes, alcoholisten, jonge ex-criminelen en slachtoffers van huiselijk geweld of mensenhandel.” De fractie van D66 zou graag een meer nauwkeuriger beeld krijgen van deze cijfers en van het beleid dat hieraan ten grondslag ligt. Gezien het vorenstaande heeft vragensteller op 28 april 2014, namens de fractie van D66, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen tot het college van burgemeester en wethouders gericht: 1. Kan het college een overzicht geven van alle voorrangsgroepen met daarbij de aantallen? Antwoord: In de bijlage is de tabel met voorrangsgroepen opgenomen. 2. Kan het college per groep aangeven op basis waarvan zij voorrang krijgen bij voor een sociale huurwoning? Met andere woorden: welke wettelijke kaders zijn van toepassing? Rijksregels? Gemeentelijke afspraken enz.? Antwoord: In de bijlage wordt na de tabel het wettelijk kader genoemd. | http://www.parool.nl/parool/nl/4/AMSTERDAM(/article/detail/3638264/201 4/04/19/Helft-sociale- huurwoningen-gaat-naar-voorrangsgroepen.dhtml 1 Jaar 2014 Gemeente Amsterdam R Neng et Gemeenteblad ummer = su - Datum 29 augustus 2014 Schriftelijke vragen, maandag 28 april 2014 3. Hoe kijkt het college aan tegen het feit dat ongeveer de helft van de sociale huurwoningen naar voorrangsgroepen gaat? Antwoord: In 2015 treedt de nieuwe Huisvestingswet in werking. Naar verwachting moeten een aantal elementen uit deze wet, waaronder de toewijzing van woningen aan voorrangsgroepen, uiterlijk 1 juli 2015 lokaal en regionaal in een huisvestingsverordening en convenanten worden uitgewerkt. Vragen over aantallen en positie van voorrangsgroepen komen daarbij uiteraard aan de orde. Het college zal hiertoe met voorstellen komen. 4. Is het mogelijk deze vragen binnen twee weken beantwoorden? Antwoord: Met de beantwoording van uw vragen is gewacht tot het nieuwe college. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 2 Bijlage bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van de heer Van Dantzig van 28 april 2014 inzake de helft van de sociale huurwoningen naar voorrangsgroepen. Dit is een overzicht van doelgroepen in Amsterdam. De basis daarvoor bestaat uit door de gemeente geprioriteerde doelgroepen, die zijn beschreven in de huisvestingsverordening. Die geprioriteerde doelgroepen zijn: 1. acute noodsituatie (calamiteiten); 2. urgentie om dringende medische en sociale redenen; 3. opvang; 4. stadsvernieuwing; 5. verblijfsgerechtigden; 6. maatschappelijk noodzakelijke doelgroepen; 7. maatwerk corporaties. eer ge Oe ne (PS a | 2012 2013 2014 [_1_| acute noodsituatie |__7S5Sl 810} dringendmedisch | urgentie | 451 | 550} 550} M2| …| |_| en/ef sociaal [OMPG_________ | 2858 Lj [Laatste Kans | 45) 5 Ae | LWaS Lj |detentiekverslaving | 26) 30} 30} 3} | | subtotaal | 484) 595} 595] A9} 500 [3 |opvag MO ll 500| L_ | ______________MO.volwassenen | 81} 100) 120} 86] | | __________,MO.jongeren | ____ 15} 25) 50} 18) | LL [MO.Jeugdzog __ | _____ 0} 2} 2} | | TL [MOWW 000 L_|___________JMO.begeleidwonen | 78} 80} 20} | | | _________,MO.Disus | 5} 2} 50} 0} | L_\______________LM.O.ambulantisering | 58} 50} 70) 0 L_|______________} vrouwenopvang | 60} 60} 60} 31] 60} LL Levergeopvag | _____5}) 0} 0} __6| | L____________[sebtetaal | ___ 302} 370} 580) 165 | 560 | peertelier | 29} 50) 50} 39] 50} | ___________\subtotaal_ | 788] 850) _ 1050| 839 | 850 5 | verblijfsgerechtigde |_____________| 170} 501} _ 7956| 194] 807| |6 | beroepsgroepen _|______________ | 12} 0 0} 56] 0} [7_\5%corporaties | ______________| 22} _ 300| 300) _ 211| 250} Jongste ontwikkelingen ‚8 [PMO 0} 50} 20} | | ‚9 | Top600 LL 0 onbekend) | EK 0 zorg [totaal | ______L _2185] 2671} 3585] 1739] 2977 | (bron: WZS en Jaarboek 2013 AFWC) 1 In deze kolom is de ongekaderde vraag weergegeven. ? In de raming van de toewijzing van sociale huurwoningen in 2014 is geprobeerd om nauw bij de resultaten uit 2013 aan te sluiten en tegelijkertijd niet te ver af te wijken van wensen en verwachtingen. Daarnaast is de weergave vereenvoudigd door de aantallen voor subdoelgroepen niet apart te vermelden. In deze raming is, afgezien van de doelgroep verblijfsgerechtigden, geen rekening gehouden met de ‘achterstand’ die in 2013 is opgelopen. $ Dit aantal betreft de Maatschappelijke Opvang in zijn geheel. Tot deze doelgroep worden gerekend: volwassenen, jongeren, Jeugdzorg, WLW, Begeleid Wonen, Discus en ambulantisering. $ Dit aantal is een schatting; het te verwachten aantal wordt geleverd door de Federatie. ° De raming voor 2014 is opgebouwd uit de Rijkstaakstelling voor 2014 (606 woningen) aangevuld met de achterstand uit 2013 (201 woningen). De raming voor heel 2014 is gebaseerd op de taakstelling voor de eerste helft van 2013 (303 woningen). De taakstelling voor de tweede helft van 2014 wordt later door het ministerie bepaald. De verwachting is dat het aantal hoger zal zijn dan voor de eerste helft van 2014. ® Dumo staat voor Doorstroom in en Uitstroom uit de Maatschappelijke Opvang en is het resultaat van een onderzoek door de GGD naar potentiële kandidaten voor Begeleid Wonen. Het gewenste aantal van 260 betrof een periode van drie jaar. Omdat deze ‘groep’ terugkomt via de reguliere M.O.-doelgroepen is het aantal per jaar meegenomen in de raming voor de M.O. 7 Aan Top600 kandidaten worden in principe geen reguliere woningen toegewezen. In voorkomende gevallen vindt woningtoewijzing plaats via de Maatschappelijke Opvang. $ Er is een inschatting gemaakt van de woningvraag die samenhangt met het scheiden van wonen zorg voor de doelgroepen GGZ (RIBW) en VB. Omdat de uitstroom via de M.O. loopt is het aantal (+ 60) daar meegenomen. Wettelijk kader: Voorrang op de Amsterdamse woningmarkt is voor een groot deel bepaald door de Amsterdamse gemeenteraad en vastgelegd in verordening en convenant. Dat geldt niet voor de huisvesting van verblijfsgerechtigden, dat het resultaat is van een rijkstaakstelling. De huisvesting van kandidaten uit de MO is een gevolg van afspraken die zijn gemaakt in G4- en rijksverband; het resultaat daarvan is als te verwachten woningvraag in de tabel opgenomen. Het kader voor DUMO is vastgesteld door G4 en Rijk. Voor de Top600 wordt een apart kader ontwikkeld dat past binnen de maatschappelijk noodzakelijke groepen waarvoor het college aan de gemeenteraad kan vragen voorrang te geven (los van de vorm waarop dat moet gebeuren). Per categorie: 1. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 2. Idem 3. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang G4 en Rijk (2010) 4. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 5. Rijkstaakstelling op grond van de Huisvestingswet van 1 oktober 1992 (heden geldig) 6. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 7. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 8. Onderzoek door GGD (DUMO = Doorstroom uitstroom maatschappelijke opvang). 9. Gemeentelijke aanpak Top600 10. Rijks hervorming AWBZ
Schriftelijke Vraag
4
discard
> < Gemeente Amsterdam Ô $ Amendement Datum 7 juni 2023 raadsvergadering Ingekomen onder 338 nummer Status Aangenomen Onderwerp Amendement van de leden Broersen en Krom inzake beleidskader burgerberaden Onderwerp Regiegroep duidelijkere taakstelling Aan de gemeenteraad Ondergetekende(n) hebben de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de raadsinformatiebrief over burgerberaden en bijbehorend kader en handboek, Constaterende dat -__ In het handboek op pagina 10 bij de aanpak van Bureau Burgerberaad een duidelijke taakstelling wordt geschetst; -__Een regiegroep in staat kan zijn om ook toezicht te houden op de onafhankelijkheid van het burgerberaad. Overwegende dat -__Burgerberaden onafhankelijk moeten zijn; -_Burgerberaden ook als onafhankelijk moeten worden beschouwd door deelnemers, media, politici en Amsterdammers voor het draagvlak; -__Een burgerberaad ook mensen kan meenemen die zijn afgehaakt, of hun vertrouwen in de politiek hebben verloren; -__ Om deze mensen mee te nemen het essentieel is dat het burgerberaad, ook door hen, als onafhankelijk wordt beschouwd? 1 https://openknowledge.worldbank.org/server/api/core/bitstreams/233340ba-bof1-5396-ba1o- 172b8agae357/content Gemeente Amsterdam Status Pagina 2 van 2 Besluit: In het Beleidskader Burgerberaden op pagina 16, de volgende zin aan te passen: Tenslotte komt er gedurende het Tenslotte komt er gedurende het burgerberaad een vorm van onafhankelijk burgerberaad een vorm van onafhankelijk toezicht in de vorm van een regiegroep van toezicht in de vorm van een regiegroep van deelnemers om het eigenaarschap zo veel deelnemers om het eigenaarschap zo veel mogelijk bij hen te leggen (of twee of drie mogelijk bij hen te leggen (of twee of drie buitenstaanders met verstand van buitenstaanders met verstand van burgerberaden). burgerberaden). Deze regiegroep houdt toezicht op dat het burgerberaad eerlijk en onafhankelijk verloopt. En dit ook te laten doorwerken in het handboek burgerberaden. Indiener(s), J. Broersen J.M. Krom
Motie
2
train
Gemeente Amsterdam Bestuurscommissie Oost Voordracht en besluit D B = AB Registratienummer Z-17-32704 [ INT-17-10958 Afdeling Gebiedspool Onderwerp Principebesluit initiatief VORM: woongebouw Fibonacci aan de Panamalaan — hoek Cruguiuskade Portefeuille Wonen en grote projecten DB lid Thijs Reuten Gebied OHG Datum DB 14 februari 2017 Datum AB voorbereidend 28 februari 2017 Datum AB besluitvormend 14 maart 2017 Behandelend ambtenaar (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Karoline Legel 06 2900 0302 k.legel@amsterdam.nl xZO0OO035584B6EG6G + Pagina a van7 Het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost besluit: het initiatiefdocument Fibonacci, ingediend door VORM op 14 december 2016 en gewijzigd op 1 februari 2017, ter besluitvorming aan het algemeen bestuur voor te leggen. Tekst van openbare Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost besluit: besluiten wordt gepubliceerd 1. in principe akkoord te gaan met het initiatiefdocument Fibonacci, ingediend door ontwikkelaar VORM op 14 december 2016 en gewijzigd op 1 februari 2017, onder de volgende voorwaarden: a. de initiatiefnemer werkt het initiatief uit tot een ontwerpbestemmingsplan conform de daarvoor geldende juridische procedure; b. de initiatiefnemer draagt de kosten van de onderzoeken (onder meer naar de wind- en geluidhinder (binnen en buiten de bebouwing) en de ecologie), procedures en alle andere activiteiten en maatregelen die benodigd zijn om dit initiatief tot realisatie te kunnen brengen; c. voorafgaand aan de start van de benodigde juridisch planologische procedure wordt met de eigenaar van de kavel (NS Vastgoed BV) en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin onder andere afspraken worden vastgelegd over kostenverhaal: proceskosten, planschade, inrichting, beheer en onderhoud van openbare ruimte en van de openbaar toegankelijke ruimte, herinrichting van (het kruispunt in) de Panamalaan; evenals over de duurzaamheidsambities, planning, woonprogramma (prijsniveau en prijsontwikkeling per woningcategorie in aanvulling op wat wordt vastgelegd in het bestemmingsplan), parkeren, communicatie en het betrekken van de omgeving; d. er worden nadere afspraken gemaakt en vastgelegd over de aansluiting van het gebouw en bijbehorende parkeergarage op de omgeving; e. er worden nadere afspraken gemaakt en vastgelegd over de exacte grenzen tussen de toekomstige openbare ruimte en het openbaar toegankelijk terrein; f. _de initiatiefnemer informeert de omwonenden over dit besluit en draagt zorg voor een goede communicatie met en betrokkenheid van de buurt over de voortgang van zijn initiatief; 2. akkoord te gaan met het opstellen van bestemmingsplan ‘Woontoren Fibonacci’ op basis van het initiatiefdocument en onder de voorwaarde dat alvorens het ontwerp bestemmingsplan ter visie wordt gelegd met de eigenaar van de kavel (NS Vastgoed BV) en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst is afgesloten; 3. de initiatiefnemer van dit besluit met een brief op de hoogte te brengen. Ondertekening Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost, Sjoukje Alta, Ivar Manuel, secretaris voorzitter Pagina 2 van7 Bevoegdheid Het voorbereiden en uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur (artikel 25 verordening op de bestuurscommissies). Bestuurlijke achtergrond Overwegende dat: -__initiatiefnemer op de locatie Panamalaan - hoek Cruguiuskade een woongebouw met 182 woningen en aan het woonprogramma toegespitste voorzieningen wil realiseren; -_ uit de hoogbouw effect rapportage is gebleken dat het bouwplan met een maximale bouwhoogte van 62 meter geen negatief effect heeft op het omringende stedelijke landschap en het UNESCO-gebied; -__ het initiatief niet binnen het huidige juridisch-planologische regime past; -_om medewerking te kunnen verlenen herziening van het bestemmingsplan nodig is; -_Het Algemeen Bestuur een uitspraak moet doen of zij in principe bereid is aan het initiatief mee te werken; -_ Initiatiefnemer hiervoor, in overleg met de gemeente, het voorliggende initiatiefdocument Fibonacci heeft opgesteld; -_ het Initiatiefdocument Fibonacci tevens als startnotitie dient voor het nieuwe (ontwerp)bestemmingsplan ‘Amsterdam Woontoren Fibonacci’; -__initiatiefnemer op eigen kosten het bestemmingsplan zal laten opstellen inclusief de daarvoor verplichte en benodigde onderzoeken; -__de gemeente haar verantwoordelijkheid ten aanzien van het publiekrechtelijke besluitvormingsproces behoudt; -_ voorterinzagelegging van het bestemmingsplan kostenverhaal geregeld zal moeten zijn; Gelet op: -__de Structuurvisie Amsterdam 2040; -__Contouren Amsterdamse Woonagenda; -_Agenda Duurzaamheid. Onderbouwing besluit Beoogd effect Inleiding Het plan behelst de bouw van een woongebouw met 182 woningen van ca. 25, 50 en vanaf 75 m° BVO. Het totaal aan BVO is 20.000 m* en voorziet tevens in gedeelde voorzieningen die op het woningprogramma zijn toegespitst. Het gebouw komt op grond die (nog) in eigendom is bij de NS, direct aan het spoor op de hoek van de Panamalaan en Cruguiuskade. Het initiatief gaat uit van een woongebouw dat getrapt in vier stappen wordt opgebouwd van laag (14 meter) aan de Cruguiuskade met twee tussenstappen (23 en 36 meter) tot hoog (62 meter) aan de Panamalaan. Initiatiefnemer werkt, in overleg met gemeente en belanghebbenden, het initiatiefdocument ‘Fibonacci’ verder uit tot een gedragen plan en een nieuw bestemmingsplan op basis van het initiatiefdocument en de bijbehorende randvoorwaarden. Ten behoeve van deze ontwikkeling dient de initiatiefnemer vervolgens een aanvraag omgevingsvergunning in. Pagina 3 van 7 Argumenten 1.12 Het plan draagt bij aan de behoefte van de gemeente Amsterdam aan voldoende, betaalbare en kwalitatief goede woningen In dit complex komen 182 woningen in het sociale huur of koop segment (< 710 euro per maand of rond 150.000 euro (25 m°), in het middeldure segment (>710 euro tot 970 euro per maand of tot 300.000 euro (5o m°)) of in het dure segment (> 970 euro per maand of >» € 300.000 (vanaf 75 m°)). Het totale aandeel sociale en middeldure woningen is 65%. 1.2 De initiatiefnemer borgt de kwaliteit van dit project door goede afstemming met de gemeente over ontwerp en inpassing in de omgeving Eris regelmatig overleg over het project. Afspraken worden mede vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Stedenbouwkundig kan het Fibonacci gebouw een interessante toevoeging zijn voor de stad. De ruimtelijke opbouw is vernieuwend en uniek voor Amsterdam. Het gebouw kent een goede mix van verschillende soorten woningen. 1.3 Duurzaamheid, klimaatbestendigheid en ecologie VORM heeft een hoge duurzaamheidsambitie die past in het stedelijk beleid. De ambities EPC 0,15 en GPR 8 met GPR 8,5 voor energie versterken elkaar. Er wordt aangesloten op de ambities in de Agenda duurzaamheid, doordat er minder energie verbruikt wordt, duurzame energie opgewekt wordt en het opgesteld vermogen zonnepanelen vergroot wordt. Ook wordt in de plannen rekening gehouden klimaatbestendigheid en met ‘natuurinclusief bouwen’ in het kader van het versterken van de biodiversiteit. 1.4 Afstemming met de buurt De omwonenden worden regelmatig op de hoogte gebracht van de voortgang van het project. 1 februari jl. is een tweede bewonersbijeenkomst geweest. Het verslag is bijgevoegd. De Bewonersgroep Panama-Cruguius wordt actief benaderd. Een klankbordgroep wordt opgericht waarin ook omwonenden zitting hebben. 1.5 Initiatiefnemer werkt het initiatief vit tot een ontwerp bestemmingsplan Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Aangezien er sprake is van een particulier initiatief, werkt de initiatiefnemer het initiatief vit tot een ontwerp bestemmingsplan. 1.6 Initiatiefnemer draagt alle kosten om dit initiatief tot realisatie te kunnen brengen Eris sprake van een particulier initiatief op particuliere gronden. Alle kosten om het initiatief tot realisatie te brengen, zoals onderzoekskosten en procedurekosten zijn voor initiatiefnemer. 1.7 Afsluiten anterieure overeenkomst De gemeenteraad stelt voor gronden waar woningbouw op is voorzien een exploitatieplan vast of zorgt ervoor dat het verhaal van kosten voor grondexploitatie op een andere wijze verzekerd is. Tot de te verhalen kosten worden onder andere gerekend de kosten voor het opstellen en begeleiden van gemeentelijke ruimtelijke plannen en tegemoetkoming van planschade. Voordat met de planologische procedure gestart wordt, wordt met initiatiefnemer en de eigenaar van de kavel een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder andere afspraken worden vastgelegd over kostenverhaal, waaronder proceskosten, planschade, inrichting, beheer en onderhoud van de openbare ruimte en de openbaar toegankelijke ruimte, over (betaalbaarheid van) het woonprogramma (aandeel per woningcategorie en termijn dat woning in sociale huur of middensegment wordt verhuurd), herinrichting van (het kruispunt in) de Panamalaan, de duurzaamheidsambities, parkeren (zowel bewoners als bezoekers en leveranciers), planning, en communicatie en het betrekken van de Pagina 4 van 7 omgeving. Het initiatief wordt gerealiseerd op particuliere grond (tot onherroepelijk vastgesteld bestemmingsplan in eigendom van NS Vastgoed, na onherroepelijk vastgesteld bestemmingsplan in eigendom van initiatiefnemer). Een deel van het plangebied wordt bebouwd of gebruikt voor de ontsluiting van het woongebouw. Voor de overige gronden moeten afspraken vastgelegd worden over het gebruik, de gewenste inrichting en het beheer ervan. De duurzaamheidsambities gaan verder dan wat wettelijk is geregeld. Om de afspraken hierover te borgen worden ze vastgelegd. (Het kruispunt in) de Panamalaan moet worden aangepast om een goede en veilige ontsluiting te kunnen garanderen. Initiatiefnemer zal dit moeten verzorgen in overleg met de gemeente. Om dit te borgen worden de afspraken hierover vastgelegd. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de communicatie en het actief betrekken van de omgeving. Ook dit moet in een overeenkomst worden vastgelegd. Met initiatiefnemer is afgesproken dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst geregeld wordt. Er wordt pas gestart met de bestemmingsplanprocedure, wanneer een anterieure overeenkomst is gesloten waarin bovenstaande is geregeld. 1.8 De grenzen tussen openbare ruimte en openbaar toegankelijk terrein worden vastgelegd Het plangebied is particulier eigendom, maar zal deels openbaar toegankelijk worden. Welke gronden openbaar worden en openbaar blijven (en al dan niet aan de gemeente overgedragen worden) moet worden vastgelegd. 2.1 Het initiatief past niet binnen het huidige bestemmingsplan Het bestemmingsplan Cruquius staat een dergelijke bebouwing niet toe. De initiatiefnemers willen via een planologisch-juridische procedure vooral woonfuncties mogelijk maken. Hiervoor moet het vigerende bestemmingsplan worden herzien. De hiervoor benodigde onderzoeken (onder meer naar wind- en geluidhinder binnen en buiten de bebouwing) zullen worden uitgevoerd conform wet- en regelgeving. Het initiatiefdocument Fibonacci is tevens startnotitie voor het opstellen van dit bestemmingsplan. Het initiatiefdocument zal na besluitvorming door het AB ter kennisname worden gestuurd naar de Wethouder Ruimtelijke ordening van de gemeente Amsterdam. Het bestemmingsplan zal de wettelijke procedure doorlopen, waarbij in het stadsdeel de reguliere weg wordt gevolgd (procedure 3 van het Procesvoorstel bestemmingsplannen Stadsdeel Oost vastgesteld op 24 november 2015). Het verzoek tot stedelijke besluitvorming voor vrijgave van het ontwerpbestemmingsplan zal ter besluitvorming worden voorgelegd aan het Algemeen Bestuur. Kanttekeningen Voor dit initiatief is de anterieure overeenkomst nog in voorbereiding. Deze dient ondertekend te zijn, voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Het algemeen bestuur adviseert de gemeenteraad over dit project. De besluitvorming vindt plaats door de gemeenteraad. Het is belangrijk dat de partijen betrokken bij het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) en bij de ontwikkeling van Fibonacci overeenstemming hebben over de plannen. Pagina 5 van7 Risico's / Neveneffecten De afspraak die VORM heeft met NS Vastgoed BV is dat alleen als het bestemmingsplan onherroepelijk wordt, de koop doorgaat. Uitkomsten ingewonnen adviezen Juridisch bureau Juridisch Bureau stelt anterieure overeenkomst op Financiën Financiën akkoord Communicatie Communicatie is geïnformeerd Overige Beheer OR, Gebiedsteam, Economie, V&OR, R&D en Wonen zijn betrokken. Hun reacties zijn verwerkt in het Iníitiatiefdocument (door VORM) en de voordracht. Financiële paragraaf Financiële gevolgen? Nee Indien ja, dekking aanwezig? Indien ja, welke kostenplaats? Toelichting Nvt. Voorlichting en communicatie De initiatiefnemer wordt per brief geïnformeerd. Na besluitvorming over het initiatiefdocument, dat tevens dient als startnotitie zal het besluit aan de wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam worden gestuurd. Vervolgens zal conform artikel 1.3.1 Bro het voornemen bekend worden gemaakt dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. Omwonenden worden door de initiatiefnemer geïnformeerd over het besluit. Uitkomsten inspraak N.v.t. Uitkomsten maatschappelijk overleg (participatie) Verslag van bewonersavond van 1 februari jl. is bijgevoegd. Uit contacten met een aantal omwonenden komt naar voren dat zij bezwaar hebben tegen de hoogte van het gebouw, vanwege schaduwwerking, belemmering uitzicht, zorgen over geluidhinder, verkeer en inpassing in de omgeving. Pagina 6 van 7 Geheimhouding N.v.t. Stukken Meegestuurd Initiatiefdocument met bijlages: 1. Plangrenzen 2. Bestaande sitvatie kadastraal 3. Situatie bestaand 4. Situatie nieuw 5. Verslag overleg bewonersgroep d.d. 14 december 2016 6. Verslag inloopavond d.d. 1 februari 2017 7. Ruimtelijke onderbouwing d.d. 5 februari 2016 8. Studie omgevingshinder d.d. 2 december 2016 Ter inzage gelegd N.v.t. Parafen Manager Portefeuillehouder Nadia el Gargouri Thijs Reuten Besluit dagelijks bestuur Conform. Pagina 7 van 7
Besluit
7
train
Ee2922005960 N% Gemeente Tijdelijke Algemene Raadscommissie TAR Ontwikkeling X Amsterdam Voordracht voor de Tijdelijke Algemene Raadscommissie van o7 april 2022 Ter kennisneming Portefeuille Grondzaken Agendapunt 46 Datum besluit 8 maart 2022, College van B&W Onderwerp Kennisnemen van vrijgave voor inspraak van de concept-investeringsnota Nelson Mandelabuurt in Amsterdam Zuidoost De commissie wordt gevraagd 1. Kennis te nemen van de raadsinformatiebrief inzake het collegebesluit om de concept- investeringsnota Nelson Mandelabuurt vrij te geven voor inspraak. 2. Kennis te nemen van de geheimhouding die op grond van artikel 25, tweede lid van de Gemeentewet is opgelegd. Dit in verband met de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid, onder ben g van de Wet openbaarheid van bestuur. De geheimhouding wordt tot twee jaar na afsluiting van de grondexploitatie of tot uiterlijk 2 januari 2030 opgelegd. 3. _Kenniste nemen van het verzoek om de opgelegde geheimhouding op grond van artikel 25, derde lid van de Gemeentewet tijdens de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad na aanlevering van de stukken bij de raadsgriffie te bekrachtigen. Wettelijke grondslag Artikel 2, eerste lid, Algemene inspraakverordening Inspraak wordt verleend door het College van burgemeester en wethouders Artikel 12, eerste lid van de Verordening op het lokaal bestuur Het stedelijk bestuur betrekt het Dagelijks Bestuur bij het opstellen van stedelijke kaders. Artikel 25, tweede lid van de Gemeentewet Opleggen van geheimhouding door het College van burgemeester en wethouders op de “GEHEIM Financiële Verkenning”. Dit in verband met de belangen genoemd in artikel zo, tweede lid onder lid ben g van de Wet op de openbaarheid van bestuur. De geheimhouding wordt tot twee jaar na afsluiting van de grondexploitatie of tot uiterlijk 1 janvari 2030 opgelegd. Artikel 25, derde lid van de Gemeentewet Het College van burgemeester en wethouders verzoekt de gemeenteraad de opgelegde geheimhouding tijdens de eerstvolgende vergadering na aanlevering van de stukken bij de raadsgriffie te bekrachtigen. Artikel 169 van de Gemeentewet 1. Het college van burgemeester en wethouders en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de Gemeenteraad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur. 2. Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Bestuurlijke achtergrond De basis voor dit plan is gelegd in de Nota van Uitgangspunten Bijlmerpark (2002), het Stedenbouwkundig Programma van Eisen Bijlmerpark (SPvE, 2005) en het bestemmingsplan ‘De Nieuwe Bijlmer! (2007). [1] Hierin was de nieuwe woonwijk onderdeel van een overkoepelend herinrichtingsplan voor het Bijlmerpark — in 2014 omgedoopt tot het Nelson Mandelapark. Door de financiële crisis is de woningbouw er tot nu toe niet gekomen. Door de toenemende woningvraag Gegenereerd: vl.13 1 Ee2922005960 % Gemeente Tijdelijke Algemene Raadscommissie TA R Ontwikkeling % Voordracht voor de Tijdelijke Algemene Raadscommissie van o7 april 2022 Ter kennisneming in Amsterdam ligt hier een kans om de geplande woningen alsnog te bouwen. De locatie is in Koers 2025 opgenomen als kansrijke bouwlocatie voor nieuwbouw in de stad. In 2017 is gestart met het opstellen van een hernieuwd stedenbouwkundig plan voor de woonwijk. Na een uitgebreid participatietraject zouden de plannen in 2019 ter besluitvorming worden voorgelegd aan het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost. Er ontstond echter twijfel of de woonwijk, het Kwakoe festival en alle (sport)voorzieningen in het park naast elkaar kunnen bestaan. Om zich te beraden op deze kwestie is de vaststelling van de plannen uitgesteld. Het dagelijks bestuur van Zuidoost heeft toen besloten om naast een stedenbouwkundig plan voor de woonwijk een gebruiksvisie voor het park op te stellen, een plan op te stellen om sport beter in het park in te passen en een toekomstbestendige visie voor het Kwakoe festival. Deze afzonderlijke trajecten zijn in de loop van 2021 gestart en worden integraal ontwikkeld. De voorliggende concept-investeringsnota voorziet in het hernieuwde stedenbouwkundige plan dat is afgestemd met de gebruikers van het Nelson Mandelapark, de sportfunctie in het park en het Kwakoe festival. [1] Gemeente Amsterdam, Stedenbouwkundig Programma van Eisen, raadsbesluit 22-12-2005. Reden bespreking Nvt. Uitkomsten extern advies Participatie heeft een belangrijke rol in het planproces voor de Nelson Mandelabuurt. Omwonenden en geïnteresseerden zijn in een zo vroeg mogelijk stadium geïnformeerd en betrokken en tussendoor op de hoogte gehouden. Uitgangspunt was dat iedereen die dat wil, invloed kan hebben op de planontwikkeling. Door middel van informatiebijeenkomsten, wandelingen door het park, ontwerpsessies met kinderen van basisscholen uit de buurt, ontwerpatelier-bijeenkomsten, gesprekken met doelgroepen, maar ook online vragenlijst (enquête), is input opgehaald bij de doelgroepen. Alle deze acties gaven veel nuttige en bruikbare ideeën en meningen over het stedenbouwkundig plan die zijn gebruikt om de huidige versie van het plan te maken. Geheimhouding Geheimhouding van de “GEHEIME concept-financiële paragraaf”, op grond van artikel 25, tweede lid van de Gemeentewet. Dit in verband met de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid onder ben g van de Wet op de openbaarheid van bestuur. De geheimhouding wordt tot twee jaar na afsluiting van de grondexploitatie of tot uiterlijk 1 janvari 2030 opgelegd. Artikel 1o, tweede lid onder lid b De economische of financiële belangen van de Staat (ook: gemeente) wegen zwaarder dan het belang van openbaar bestuur Artikel 10, tweede lid onder lid q Het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden weegt zwaarder dan het belang van openbaar bestuur. Geheimhouding is van belang vanwege de financiële informatie die in de financiële verkenning staat. Uitgenodigde andere raadscommissies Nvt. Gegenereerd: vl.13 2 VN2022-005960 % Gemeente Tijdelijke Algemene Raadscommissie Grond en % Amsterdam Ontwikkeling % Voordracht voor de Tijdelijke Algemene Raadscommissie van o7 april 2022 Ter kennisneming Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? N.v.t. Welke stukken treft v aan? AD2022-026902 Bijlage 1_BRIEF raadsinformatiebrief_NMbuurt.pdf (pdf) AD2022-026903 Bijlage 2.0_Concept-investeringsnota NMbuurt.pdf (pdf) AD2022-026904 Bijlage 2.1_Concept-SP Nelson Mandelabuurt. pdf (pdf) Bijlage 2.2. GEHEIM concept-financiële par. investeringsnota NMbuurt.pdf AD2022-026905 (pdf) AD2022-026906 Bijlage 2.3_ Overige bijlagen concept-investeringsnota NMbuurt. pdf (pdf) AD2022-026907 Bijlage 3 advies DB investeringsnota NM buurt.pdf (pdf) AD2022-020853 Tijdelijke Algemene Raadscommissie Voordracht (pdf) Ter Inzage Registratienr. Naam Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Delphine van Wageningen, Grond en Ontwikkeling, d.van.wageningen@®amsterdam.nl, 06-13984037 Gegenereerd: vl.13 3
Voordracht
3
train
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Amendement Jaar 2018 Afdeling 1 Nummer 448 Publicatiedatum 18 mei 2018 Ingekomen onder H Ingekomen op woensdag 16 mei 2018 Behandeld op woensdag 16 mei 2018 Status Aangenomen Onderwerp Amendement van de leden Van Renssen, De Heer, Hammelburg en Flentge inzake het bestemmingsplan De Baarsjes (niet verruimen mogelijkheden onderkeldering). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over het bestemmingsplan De Baarsjes (Gemeenteblad afd. 1, nr. 429). Overwegende dat: — Het bestemmingsplan De Baarsjes een conserverend karakter zou hebben; de huidige planregeling het mogelijk maakt dat naast hoofdgebouwen bijbehorende bouwwerken in de tuin worden onderkelderd, — bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd conform het Besluit omgevingsrecht (Bor), tot 4 meter vanaf de achtergevel en deze op grond van het voorgestelde bestemmingsplan zouden kunnen worden onderkelderd bij recht; — dit deels een uitbreiding is ten opzichte van de mogelijkheden van het huidig geldende bestemmingsplan De Baarsjes: — de Bestuurscommissie West op 13 maart 2018 een amendement heeft aangenomen voor het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Oud-West, naar aanleiding van inspraakreacties, waarbij het toestaan bij recht van onderkeldering van de bijbehorende bouwwerken is geschrapt uit de planregels; — het bestemmingsplan De Baarsjes echter toen al was voorbereid, waardoor op dat moment het niet mogelijk was voor de Bestuurscommissie West dezelfde regeling te schrappen uit het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan De Baarsjes; — de mogelijkheid bij recht om zowel bijbehorende bouwwerken als kelders in Tuinen de druk op de binnentuinen ook in De Baarsjes zal vergroten. Constaterende dat: — inde Toelichting bij het bestemmingsplan is opgemerkt dat De Baarsjes dicht is bebouwd en stenig aandoet en dat een belangrijke rol in de groenstructuur de vele besloten binnentuinen, de voortuinen en boombeplanting spelen; — in De Baarsjes een zeer beperkt aantal vierkante meters groen per inwoner beschikbaar is; — dat in de Toelichting bij het bestemmingsplan is overwogen dat het wenselijk is om tuinen zo open en groen te houden en gelet op de doelstellingen van Amsterdam Rainproof zo min mogelijk te bebouwen; 1 Jaar 2018 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer 448 , Amendement Datum 18 mei 2018 — onvoldoende bekend is over de gevolgen van het grootschalig onderkelderen van tuinen in de gehele stad en hier nader onderzoek naar moet worden uitgevoerd, — onderkeldering niet alleen gevolgen kan hebben voor grondwaterstromen, maar tevens op de grondwaterstand, waterberging en infiltratie en de klimaatbestendige stad; — het bestemmingsplan De Baarsjes in principe voor tien jaar wordt vastgesteld; Voorts overwegende dat: — inde Expertmeeting Binnentuinen West van 29 maart 2017 (zie raadsadres, agenda raad 16 en 17 mei 2018, ingekomen stukken 20) meerdere oplossingen en onderzoeksrichtingen zijn benoemd die nader onderzoek behoeven voor de gehele stad; — een van de oplossingen die aan de orde is gekomen een nadere regeling betreft in bestemmingsplannen voor onderkeldering in binnentuinen; in afwachting van nader onderzoek het niet wenselijk is het onderkelderen van bijgebouwen in tuinen toe te staan bij recht; — door de regeling te schrappen in het bestemmingsplan De Baarsjes, van geval tot geval een afweging kan worden gemaakt, waardoor de belangen van open en groene tuinen, grondwaterstand, infiltratie, waterbergende capaciteit op het niveau van perceel of blok kan worden meegenomen in de afweging. Besluit: 1. om de onderkeldering van bijbehorende bouwwerken niet bij recht toe te staan en daartoe de planregels van het bestemmingsplan De Baarsjes met identificatienummer NLIMRO.0363.E1504BPSTD-VGO1, als volgt aan te passen door de volgende zinssnede: '…, Onder bijbehorende bouwwerken die op grond van het Besluit omgevingsrecht zonder vergunning kunnen worden gebouwd of onder bijbehorende bouwwerken die op grond van het bestemmingsplan met een vergunning mogen worden gebouwd, …' door te halen in de volgende artikelen: a. artikel 4 Gemengd — 1: artikel 4.2.2, onder e2; b. artikel 5 Gemengd — 2: artikel 5.2.2, onder e2; c. artikel 6 Gemengd — 3: artikel 6.2.2, onder e2; d. artikel 7 Gemengd —4: artikel 7.2.2, onder e2; e. artikel 8 Gemengd — 5: artikel 8.2.2, onder e2; f. artikel 9 Gemengd — 6: artikel 9.2.2, onder e2; g. artikel 12 Maatschappelijk — 1: artikel 12.2.2, onder e2; h. artikel 13 Maatschappelijk — 2: artikel 13.2.2, onder d2; \. artikel 14 Tuin: artikel 14.2.2, onder c2; j. artikel 18 Wonen: artikel 18.2.2, onder e2; k. artikel 26 Algemene aanduidingsregels: artikel 26.1, onder a. 2. Inde toelichting een addendum op te nemen bij in ieder geval hoofdstuk 4, 13 en 14 luidende dat het wenselijk is om een regeling op te nemen voor ondergronds bouwen onder alleen hoofdbebouwing, zodat kelders en souterrains op grond van dit bestemmingsplan zijn toegestaan onder enkel hoofdgebouwen en niet onder bijbehorende bouwwerken. Dit geldt zowel voor gebieden met de aanduiding ‘grondwateraandachtsgebieden" als voor gebieden zonder die aanduiding 2 Jaar 2018 Gemeente Amsterdam R weing Ts Gemeenteblad ummer Datum _ 18 mei 2018 Amendement De leden van de gemeenteraad, N.A van Renssen A.C. de Heer A.R. Hammelburg E.A. Flentge 3
Motie
3
discard
VN2021-025772 N% Gemeente Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, AZ oere Openbare Juridische Zaken, Communicatie, Raadsaangelegenheden, Preventie rde en Veiligheid X Amsterdam Jeugderiminaliteit, Vluchtelingen en Ongedocumenteerden, Handhaving % en Toezicht Voordracht voor de Commissie AZ van 14 oktober 2021 Ter kennisneming Portefeuille Openbare Orde en Veiligheid Agendapunt 1 Datum besluit nvt nvt Onderwerp Afdoening motie van de leden Van Dantzig, Khan, Veldhuyzen en Ernsting inzake afzien van preventief fouilleren De commissie wordt gevraagd Kennis te nemen van de raadsinformatiebrief over de afdoening van de motie van de leden Van Dantzig, Khan, Veldhuyzen en Ernsting inzake afzien van preventief fouilleren Wettelijke grondslag Artikel 79 en 80 Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam Bestuurlijke achtergrond In de vergadering van de gemeenteraad van 26 en 27 mei 2021 heeft de raad bij de behandeling van agendapunt 22 motie 301 van de leden Van Dantzig, Khan, Veldhuyzen en Ernsting inzake het afzien van de proef gerichte wapencontroles, aangenomen. De motie behelst een verzoek om de proef gerichte wapencontroles geen doorgang te laten vinden. Tijdens dezelfde raadsvergadering heeft de burgemeester aangegeven het noodzakelijk te vinden het middel van gerichte wapencontroles te onderzoeken en de proef doorgang te laten vinden. Mondeling is aangegeven is dat de motie niet ten vitvoer wordt gebracht. Reden bespreking nvt Uitkomsten extern advies nvt Geheimhouding nvt Uitgenodigde andere raadscommissies nvt Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? Ja Welke stukken treft v aan? Gegenereerd: vl.6 1 VN2021-025772 % Gemeente Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Directie Openbare 3 Amsterdam Juridische Zaken, C icatie, Raadsaangelegenheden, Preventi Ordeen Veiligheid X uridische Zaken, Communicatie, Raadsaangelegenheden, Preventie Jeugderiminaliteit, Vluchtelingen en Ongedocumenteerden, Handhaving en Toezicht Voordracht voor de Commissie AZ van 14 oktober 2021 Ter kennisneming AD2021-098760 301_21_ Motie Van Dantzig c_s_ afzien van preventief fouilleren.pdf (pdf) AD2021-098761 Afdoening motie 301 proef GWC.pdf (pdf) AD2021-098754 Commissie AZ Voordracht (pdf) Ter Inzage Registratienr. Naam Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) OOV, secretariaatOOV@ amsterdam.nl Gegenereerd: vl.6 2
Voordracht
2
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Amendement Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 1345 Publicatiedatum 18 november 2016 Ingekomen op 2 november 2016 Ingekomen in brede commissie Begroting Te behandelen op 9/10 november 2016 Onderwerp Amendement van het lid Moorman inzake de Begroting 2017 (bestrijding lerarentekort). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2017; Constaterende dat: — _ op basis van onderzoek voor de komende jaren een lerarentekort wordt voorspeld in het Amsterdamse primair onderwijs (PO) van circa 171 fte in 2017 tot 415 fte in 2020; — de verklaring voor het tekort aan leraren kan worden gevonden in de toename van het aantal leerlingen, een tekort aan mannelijke docenten, een afname van de instroom op de PABO en een relatief grote uitval onder startende leraren binnen 5 jaar: — elke FTE in principe staat voor een schoolklas waar geen docent voor gevonden kan worden. Dit betekent dat volgend jaar al ca 4275 Amsterdamse kinderen geen vaste juf of meester meer hebben; Van mening dat: — _ het lerarentekort een grote bedreiging vormt voor kwaliteit van het Amsterdamse primair onderwijs; — _ derhalve zo snel mogelijk een actieplan nodig is om aan de vraag tegemoet te komen. Besluit: 1) De Begroting 2017 op de volgende wijze te wijzigen: Op pagina 159, onder 3.5.1 Onderwijs en voorschoolse educatie, in de opsomming van de belangrijkste ontwikkelingen voor 2017, het volgende toe te voegen: 1 'Er komt een actieplan om meer bevoegde basisschoolleraren aan te trekken en te voorkomen dat goede basisschooldocenten vertrekken uit het Amsterdamse basisonderwijs; In dit actieplan Zal in ieder geval aandacht worden besteedt aan de volgende zaken: — het tegengaan van het teruglopende aantal aanmeldingen op de Amsterdamse PABO, bijvoorbeeld door het aanboren van nieuwe doelgroepen zoals VWO leerlingen; — maatregelen die zorgen dat jonge startende leraren zo goed mogelijk kunnen worden behouden voor het onderwijs, bijvoorbeeld door goede begeleiding van ervaren leerkrachten, extra aandacht voor het omgaan met diversiteit in de klas (urban education) en onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring. — de huisvestingsproblematiek van Amsterdamse leraren; — het verruimen van de mogelijkheden van zij-instromers, in het bijzonder mannelijke zij-instromers (hij-instromers); — een onderzoek naar overige oorzaken van de uitval van basisschoolleraren en op welke wijze dit kan worden voorkomen; — een onderzoek naar de verdeling van het lerarentekort over het Amsterdamse scholenbestand. Voor het actieplan stelt de gemeenteraad 1 miljoen euro ter beschikking, te dekken uit de reserve frictiekosten. Het actieplan wordt voor de Voorjaarsnota 2017 aan de Amsterdamse gemeenteraad voorgelegd.’ 2) De begroting voor het overige conform te wijzigen. Het lid van de gemeenteraad M. Moorman 2
Motie
2
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Amendement Jaar 2015 Afdeling 1 Nummer 724 Publicatiedatum 7 augustus 2015 Ingekomen onder AO Ingekomen op donderdag 2 juli 2015 Behandeld op donderdag 2 juli 2015 Status Verworpen Onderwerp Amendement van de raadsleden mevrouw Roosma, de heer Poorter en mevrouw Van Soest inzake de notitie Visie op subsidies’. Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de notitie ‘Visie op subsidies’ (Gemeenteblad afd. 1, nr. 621); Overwegende dat: — er verschillende bezwaren zitten aan vervangen van subsidies door inkoopprocedures, zoals juridische onduidelijkheden over wanneer iets inkoop is en wanneer niet, de kosten van tenders, afschrijvingstermijnen, btw-kwesties, etc; — het argument voor inkoop, namelijk ‘afdwingbaarheid van prestaties’, juridisch ingewikkeld is en feitelijk geen probleem oplost; — het uitschrijven van tenders voor periodieke subsidies geen probleem oplost, maar vooral extra bureaucratie en kosten met zich meebrengt; — het introduceren van concurrentie en marktwerking in het sociaal domein over het algemeen niet succesvol is, kostbaar is en bestaande samenwerkingsrelaties tussen de gemeente en lokale initiatieven ondermijnt; — het daarom onwenselijk is om inkoop boven subsidie te verkiezen als de gemeente prestaties wil afdwingen en het onwenselijk is om tenders uit te schrijven voor periodieke subsidies. Besluit: — beslispunt 2.c: “Bij de keuze tussen subsidie en inkoop kiest de gemeente voortaan voor inkoop als zij de door de wederpartij toegezegde prestatie zo nodig in rechte wil kunnen afdwingen en voor subsidie als zij dat niet nodig vindt.” uit de raadsvoordracht te verwijderen; — beslispunt 2.f “De gemeente gaat over tot een vierjaarlijkse tender voor periodieke subsidies. Het college bepaalt binnen welke programmaonderdelen een dergelijke tender zal plaatsvinden en besluit over de uitkomsten daarvan.” te verwijderen; — de notitie Visie op Subsidies overeenkomstig aan te passen 1 Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 724 A d é Datum 7 augustus 2015 mendemen De leden van de gemeenteraad mevr. F. Roosma dhr. M.F. Poorter mevr. W. van Soest 2
Motie
2
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Amendement Jaar 2017 Afdeling 1 Nummer 820 Publicatiedatum 7 juli 2017 Ingekomen onder Z Ingekomen op donderdag 29 juni 2017 Behandeld op donderdag 29 juni 2017 Status Verworpen Onderwerp Amendement van de leden Roosma en De Heer inzake het Jaarverslag 2016. Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer u voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over het Jaarverslag 2016 van de gemeente Amsterdam (Gemeenteblad afd. 1, nr. 664). Overwegende dat: — Het aflossen van de ‘schuld’ onnodig en onwenselijk is, gezien de noden in de stad. Besluit: In de voordracht ‘Toelichting op de besluiten’ als volgt aan te passen: Onder het kopje Rekeningresultaat (besluit 6c) te schrappen: “Een deel van het resultaat wordt conform de nota Herziening rentestelsel ingezet voor schuldreductie. Het deel dat ingezet wordt voor schuldaflossing bedraagt € 55,7 miljoen en bestaat uit het hoger dan begrote renteresultaat (€35,3 miljoen), het resultaat uit de verkoop van deelnemingen (€ 19,2 miljoen) en een deel van het resultaat van verkoop van vastgoed (€ 1,2 miljoen). En te vervangen door: ‘Een deel van het resultaat wordt ingezet voor de vervroegde afschrijving van conventionele armaturen, opdat die armaturen versneld kunnen worden vervangen door LED-verlichting” De leden van de gemeenteraad, F. Roosma A.C. de Heer 1
Motie
1
discard
a] Evaluatie Kunstenplan 21-24 Ké Totstandkoming en integraliteit 5 (aa) 23-09-2021 Voorwoord 4 1. Inleiding 6 11. Totstandkoming van het Kunstenplan 6 12. Opdrachtformulering 7 1.3. Leeswijzer 8 14. Methode van onderzoek 9 1.5. Een definitiekwestie 10 2, Integraal Kunstenplan 11 21. Amsterdam Bis in twee delen 13 2.2. Verbinding met beleidsdoelstellingen 14 2.3. Functies als voorbeeld 15 2.4. Verschillen in beoordeling 16 2,5. Samenhang tussen regelingen 17 3. Proces: Ontwerpfase 19 3.1. Planning 19 3.2. Evaluatie 2017-2020 19 3.3. Verkenning 2019 20 3.4. Contouren Kunstenplan 2021-2024 22 3.5. Samenstelling van de Bis 23 3.6. Debat met de sector 23 4. Proces: Beleidsfase 26 Al. Planning 26 4.2. Over de Hoofdlijnen 26 4.3. Introductie van functies 28 5. Proces: Adviseringsfase 29 51. Planning 29 5.2. Verschillen in de advisering 29 Ee 5.3. Ervaring van aanvragers 31 pel pd 5.4. Dubbele aanvraag 32 ff 5.5. Lastendruk 32 | Ma 6. Proces: Besluitvormingsfase 34 61. Planning 34 6.2. Besluitvorming bij het AFK 34 6.3. Besluitvorming in de gemeenteraad 35 6.4. Verzoek aan het AFK 35 6.5. Dilemma’s bij besluitvorming 36 6.6. Bezwaren 36 Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 2 7. Eerste effecten van het ingezette beleid 38 71. Diversiteit en inclusie 38 7.2. Spreiding 43 7.3. Verbinding met de stadsdelen 45 74. Cluster Cultuureducatie 46 8. Conclusies en aanbevelingen 49 8.1. Algemene conclusie 49 8.2. Een integraal Kunstenplan 50 8.3. Verloop van de totstandkoming 53 8.4. Eerste ervaringen 58 8.5. Tot slot: de definitiekwestie 59 a) < pd 5 | fa] Auteurs Jurriaan Rammeloo Margot Gerené Diana Hoilu Fradique Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 3 Voorwoord Voor u ligt — wellicht op papier, maar gezien de omvang hopelijk op een beeldscherm — de evaluatie van het Kunstenplan 2021-2024. De evaluatie is een terugkerende exercitie die telkens, nadat de besluitvorming voor de dan startende beleidsperiode is afgerond, wordt uitgevoerd door een externe partij. Ditmaal ging de eer naar Blueyard. De opdrachtformulering bevatte een omvangrijke vraagstelling. Daarom besloot Blueyard direct betrokkenen bij de opdracht (Amsterdamse Culturele Instellingen (ACI), de Amsterdamse Kunstraad, de afdeling Kunst en Cultuur en het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK)) bij aanvang te vragen naar de accenten die zij zien voor de evaluatie. Uit de antwoorden maakten wij op dat naast het proces van de totstandkoming en de eerste effecten, de vraag belangrijk is of er nu sprake is van een samenhangend Kunstenplan. Zowel de uitgebreide vraagstelling voor het proces van totstandkoming als het accent op de samenhang, bleken een voorbode te zijn van de algemene conclusie die we trekken: het systeem en daarmee het proces, zijn te complex geworden. Niet alleen voor aanvragers, maar ook voor adviseurs en gemeenteraadsleden. Terwijl de integraliteit van het Kunstenplan een leidend uitgangspunt was, zijn er door wijzigingen in deze en afgelopen periodes steeds meer verschillen in procedures en werkwijzen ontstaan. Er kwamen steeds meer categorieën, zoals de tweeledige Amsterdam Bis, een Cluster Cultuureducatie en een onderscheid in beoordeling door de Kunstraad of het AFK. Elk onderscheid leidt weer tot verschillen in het proces. De grootste opgave is om te vereenvoudigen. Dat kan beginnen bij het duidelijk maken waar het Kunstenplan integraal is, en waar niet. Verschillen mogen er zijn en kunnen er juist voor zorgen dat het beleid beter aansluit op het veld. Uiteraard vertrekt de gemeente hierbij vanuit een en dezelfde beleidsvisie. a Ki In de totstandkoming van die beleidsvisie en de uitwerking daarvan is zeer eef duidelijk geworden dat de gemeente een representatief en inclusief aanbod van | cultuur verwacht voor alle Amsterdammers. Met dit uitgangspunt zijn we het meer en dan eens, maar we zijn kritisch over de gekozen oplossing voor het verankeren van diversiteit en inclusie! in de Amsterdam Bis. We constateren echter ook dat door het beleid diversiteit en inclusie meer een vaste waarde is geworden dan voorheen. Onze aanbeveling is om deze waarde om te zetten naar een vereiste voor alle instellingen in de Amsterdam Bis, dat zij naar vermogen bijdragen aan de representatie en inclusie van alle Amsterdammers. t In sociaal-demografische zin. Zie ook: Code Diversiteit & Inclusie, codedi.nl. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 4 De andere in het oog springende aanbeveling die we doen, is om voor de Amsterdam Bis een functiemodel te overwegen. Dat zou dan in de plaats komen van het systeem met benoemingen op naam. De huidige vorm is funderend en robuust, maar de vraag is of het systeem voldoende open kan staan voor de veranderingen die nu en straks van de sector worden verwacht. Een basisinfrastructuur op functie is eveneens funderend, maar staat meer open voor aanpassingen. Het sluit bovendien goed aan bij de landelijke structuur waar veel Amsterdamse instellingen ook onderdeel van zijn. Over de omvang en uitwerking van een functiemodel of de balans met het AFK doen wij geen uitspraken. Wij hopen dat de Kunstraad en het AFK zich daarover willen buigen. In het proces van de totstandkoming van het Kunstenplan zien we een betere samenwerking tussen de driehoek: gemeente, AFK en Kunstraad. De aanbeveling hiervoor vanuit de vorige evaluatie is goed opgevolgd. De ruimte voor verbetering zien we in een sterkere regierol van de gemeente op twee vlakken. In de eerste plaats op de planning van het proces, aangezien er sprake is geweest van uitloop met nadelige effecten voor de aanvragers en de adviseurs. En in de tweede plaats regie op rollen en verhoudingen, zoals door het faciliteren van een debat met de sector met een vooraf gesteld doel, de afstemming met het AFK en de Kunstraad over wenselijke of toelaatbare verschillen of het goed informeren van raadsleden over de werking van de procedure en effecten van keuzes. Wij hebben in de evaluatie met alle direct betrokkenen constructieve gesprekken gevoerd en bereidheid en noodzaak gevoeld om stappen te zetten naar een eigentijdse, representatieve en inclusieve cultuursector voor Amsterdam. Bovenop wat er nu al is gerealiseerd. Blueyard wil graag alle betrokkenen van dit rapport danken voor hun waardevolle medewerking. Wij kijken ten zeerste uit naar verdere ontwikkelingen en zijn erg benieuwd naar de vervolgstappen die mede door de terugblik op de totstandkoming van het Kunstenplan van 2021-2024, zullen worden genomen. a] na Ll = (aa) Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 5 © © 1. Inleiding Blueyard heeft de opdracht gekregen om de totstandkoming, de integraliteit van en de eerste ervaringen met het Kunstenplan 2021-2024 te evalueren. Ook is gevraagd de administratieve lastendruk te evalueren. Het betreft een opdracht van de afdeling Kunst en Cultuur, op verzoek van het Amsterdamse gemeentebestuur. 1.1. Totstandkoming van het Kunstenplan Voordat we de evaluatie starten, schetsen we eerst de verschillende fasen die doorlopen worden in de totstandkoming van het Kunstenplan. Dit doen we vooruitlopend op een van de hoofdeonclusies van het rapport: dat het proces complex is en een lange doorlooptijdtijd en vele stakeholders kent. In deze paragraaf geven we een korte introductie. Om de cyclus in één oogopslag in beeld te brengen hebben we een model ontwikkeld met vier fasen. Hierin laten we de zeven stappen zien die in Amsterdam doorlopen worden. venom | ON Ontwerpfase Totstandkoming Î van het Kunstenplan Adviseringsfase Verdeling van schaarste \ via een tenderregeling Aanvraag &advies Debatten 5 Ki pd 5 __Hoofdlijnen — D (aa) Beleidsfase De ontwerpfase omvat de volgende processtappen: "De evaluatie uit de voorgaande periode (2017-2020) geeft aandachtspunten en verbeterpunten voor de periode 2021-2024. " Een Verkenning door de Kunstraad met de stand van zaken in de sector. = Mede op basis van de Verkenning stelt de gemeente de Contourennota op, waarin het college de uitgangspunten voor het beleid formuleert. "Over deze uitgangspunten wordt een aantal debatten gevoerd met de sector. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 6 In de beleidsfase wordt het beleid vastgelegd in de Hoofdlijnen 2021 2024 die door de gemeenteraad wordt vastgesteld. "In dit Kunstenplan is in deze fase een wijziging in het systeem doorgevoerd door toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis. "In de beleidsfase worden kaders en criteria voor beoordeling vastgelegd en er zijn indieningsvereisten, zoals de instapeis voor diversiteit en inclusie. Vervolgens komen we in de adviseringsfase: "Aanvragers gaan met de beleidskaders aan de slag, interpreteren deze en formuleren hun plannen. » Daarna zijn het de adviescommissies die de beleidscriteria en procedure toepassen op de aanvragen en dit verwerken in adviezen. Na de advisering volgt de besluitvormingsfase: = Deze omvat het besluit over de Amsterdam Bis door het college. "Aanvragers bij het AFK krijgen een toekenning of afwijzing via het fonds. = Daarna volgt de vaststelling van het Kunstenplan door de gemeenteraad. =_Tot slot kan er ook sprake zijn van bezwaarprocedures van culturele instellingen; zowel bij het AFK, als bij de gemeente. 1.2. Opdrachtformulering Gemeente Amsterdam heeft haar vraagstelling in een 21-tal hoofdvragen geformuleerd (zie Bijlage I). Een groot aantal vragen betreft het procedurele verloop. Deze beantwoorden we per fase die wordt doorlopen (zie ook het model van pagina 6). Ontwerpfase "Hoe verliep het proces van de ontwerpfase? = Welke rol speelde de evaluatie van het voorgaande Kunstenplan? = Wat was de rol en inbreng van de betrokken stakeholders? Beleidsfase "Hoe zijn de procedure, de criteria en de samenstelling van de Amsterdam Bis tot stand gekomen? =_In hoeverre was deze totstandkoming transparant? a = Hoe zijn de Ontwikkelregeling en de budgetten bij het AFK tot stand gekomen? ee Adviseringsfase en = Hoe verliep het proces van de aanvraagprocedures in de adviseringsfase? 3 = Hoe is het proces rond de instapeis op diversiteit en inclusie als onderdeel van @ de aanvraagprocedure verlopen, inclusief de nulmeting? =__Hoe zijn de actieplannen diversiteit en inclusie meegewogen bij de beoordeling van de aanvragen? Besluitvormingsfase "Hoe verliep het proces van besluitvorming, inclusief ingediende moties en amendementen, tegen de achtergrond van de beleidsthema’s voor cultuur? = Wat waren de rollen van het college en de gemeenteraad? = Welke rol speelde de adviezen van de Kunstraad bij het Kunstenplan? = Hoe is de inrichting en subsidiëring van cultuureducatie tot stand gekomen? Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 7 = Welke rol speelde de coronasteun voor de culturele sector het debat over het Kunstenplan? = Hoeveel bezwaren zijn ingediend bij de gemeente en het AFK, hoe zijn deze afgehandeld en met welk resultaat? Naast vragen ten aanzien van het procedurele verloop komen er ook een aantal inhoudelijke onderwerpen ten aanzien van het resultaat: = Wat is het effect van de toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis? = Wat heeft de instapeis op het gebied van diversiteit en inclusie opgeleverd? = Wat is de verdeling naar disciplines en stadsdelen (inclusief budgetten) van de instellingen in het Kunstenplan 2021-2024? = Watis het effect van het Kunstenplan 2021-2024 op de sector als geheel? =_Is er sprake van één samenhangend Kunstenplan dat bestaat uit instellingen in de Amsterdam Bis (op naam en op functie) en instellingen bij het AFK? Voor de evaluatie van de administratieve lastendruk (motie van het lid De Grave- Verkerk) wordt gevraagd om te kijken naar de lastendruk bij culturele instellingen en indien nodig aanbevelingen te doen voor een verlichting hiervan. 1.3. Leeswijzer Blueyard heeft de vragen voor de evaluatie vertaald naar 3 hoofdonderwerpen: =De integraliteit van het Kunstenplan «Het proces van de totstandkoming van het Kunstenplan "Aandacht voor een aantal beleidsthema’s en eerste ervaringen hiermee Integraal Kunstenplan In het eerste deel van deze evaluatie besteden we aandacht aan de integraliteit van het Kunstenplan. We staan stil bij een aantal zaken die hierop van invloed zijn. Daarbij kijken we zowel naar de opzet van het stelsel in Amsterdam als de uitwerking ervan in criteria, kaders en richtlijnen. Daarbij gaan we in op de effecten van de toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis, de gehanteerde beoordelingskaders en de verschillen in werkwijze tussen het AFK en de Kunstraad (hoofdstuk 2). Procesverloop a In deel twee van de evaluatie zoomen we in op het proces. We beschrijven de ee verschillende stappen die zijn gezet en doel en uitvoering van de verschillende ef onderdelen in het proces. We kijken of in elke fase waarde wordt toegevoegd aan | het proces door een of meerdere nieuwe elementen, zoals een advies of een debat. ma Daarnaast kijken we naar het samenspel van actoren, ieders rol, taak en verantwoordelijkheid. We evalueren de afstemming tussen de actoren en kijken of de planning gehaald is. We analyseren of deze cyclus leidt tot een gedragen, transparant, effectief en efficiënt proces (hoofdstuk 3, 4, 5 en 6). Beleidsthema'’s en eerste ervaringen In het derde deel van de evaluatie kijken we naar hoe het gerealiseerde Kunstenplan aansluit bij het vastgestelde beleid. We richten ons daarbij op de belangrijkste beleidsthema’s uit de vraagstelling: diversiteit en inclusie en Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 8 spreiding. De nulmeting voor diversiteit en inclusie levert direct een eerste beeld op. We evalueren hoe het voornemen voor meer spreiding van cultuur over de stad zich vertaald heeft in beleid, criteria en tot welke resultaten dit heeft geleid. We kijken naar de inrichting en werking van het Cluster Cultuureducatie, de systematiek van beoordeling, de gedane ingrepen en de wisselwerking van het cluster Cultuureducatie met het Kunstenplan en met het onderwijs (hoofdstuk 7). Conclusies en aanbevelingen Tot slot besluiten we de evaluatie met de belangrijkste conclusies. Deze voorzien we van een aanbeveling. We presenteren de conclusies en aanbevelingen in dezelfde opbouw als de drie hoofdonderdelen van het rapport (hoofdstuk 8). 1.4. Methode van onderzoek De methode voor deze evaluatie is vooraf meegegeven in de opdrachtformulering en verwerkt in onze aanpak. Deze paragraaf biedt een korte omschrijving van de gebruikte methodiek. In Bijlage I wordt deze in meer detail beschreven. Via deskresearch namen wij kennis van de relevante stukken. Daarnaast voerden we een groot aantal gesprekken; zowel met medewerkers van de gemeente, als met een vertegenwoordiging van gemeenteraadsleden, de wethouder, een vertegenwoordiging van de Amsterdamse culturele instellingen (ACI) en het AFK en de Amsterdamse Kunstraad. Om de evaluatie ook in een landelijke context te kunnen plaatsen, spraken we met OCW, de (voormalige) directie van Fonds Podiumkunsten en de directie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Onder alle aanvragers is een enquête uitgezet. Tegelijk met deze enquête liepen er andere enquêtes en raadplegingen vanuit het AFK en de ACI. Om overvraging te voorkomen hebben wij gekozen de enquête zo beknopt mogelijk te houden. De respons op onze enquête bedroeg 54 procent. En uiteraard is er geput uit de kennis en ervaring van gehanteerde procedures, die het Blueyard team tijdens relevante projecten heeft opgedaan. Zo zijn recente evaluaties voor onder meer Gemeente Utrecht, Provincie Friesland en van eerdere sectoranalyses, deelname in beoordelingscommissies en het schrijven van Ee beleidsadviezen van meerwaarde geweest voor dit evaluatietraject. << ù Om ons scherp te houden op opzet en inhoud hebben wij overleg gehad met een mi door de gemeente ingestelde begeleidingscommissie, bestaande uit Ernestine @ Comvalius en Anna Elffers. Zij hebben de (tussentijdse) rapportage meegelezen. Nota Bene: Voor de analyse van verdeling en spreiding over de stad is ingezet op het gebruik van de verzamelde gegevens uit de aanvragen. Deze bleken voor de aanvragers voor de Amsterdam Bis niet beschikbaar te zijn. Deze gegevens worden beheerd door de gemeente, maar konden niet tijdig geleverd worden. Daarom doen we hierover geen uitspraken in deze evaluatie. We verwijzen naar de deelanalyse die het AFK heeft gemaakt in haar inleiding op de besluiten. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 9 1.5. Een definitiekwestie Vooraf vragen we aandacht voor een definitiekwestie. We constateren dat het gebruik van de term Kunstenplan leidt tot verwarring en door de verschillende spelers op verschillende wijze wordt gebruik. Soms duidt Kunstenplan op het totaal aan regelingen voor kunst en cultuur, soms alleen op de 4-jarig gesubsidieerden, soms gaat het over de nota die Kunstenplan heet. Figuur 1: Weergave van wat er onder Kunstenplan valt, en wat niet nationaal / Cluster Ontwikkel- q ek Cultuureducatie Lie VE game Kunstenplan (Gelijke criteria) ie Vv regelingen Stadsdelen: Gebied gebonden activiteiten lokaal (Grotere) instellingen << dynamiek > Makers en nieuw initiatief * Het AFK kent naast projectregelingen ook activiteiten, zoals 3Package Deal, City Company Crowd, Amsterdamprijs, Cultuurlening etc.) die bijdragen aan de dynamiek buiten het Kunstenplan. De vraagstelling van de opdrachtgever van deze evaluatie richt zich op het proces en de regelingen voor 4-jarige subsidies, zowel binnen de Amsterdam Bis (op naam en op functie) als bij het AFK. We volgen deze vraagstelling. We refereren soms ook naar andere regelingen, maar alleen wanneer deze relevant zijn in het licht van deze evaluatie. Wanneer we in deze evaluatie spreken over het Kunstenplan, verwijzen we naar de regelingen voor 4-jarige subsidies. Wanneer we spreken over de nota Kunstenplan, dan geven we dat expliciet aan. We Ee schrijven regelmatig over de gemeente. Hiermee bedoelen we de afdeling Kunst & el pd Cultuur. Wanneer we het college van burgemeester en wethouders of de Ll gemeenteraad bedoelen, dan geven we dat expliciet aan. me Vertrekkend vanuit een brede vraagstelling met de opdracht een uitvoerig proces en een complex systeem te evalueren, is het een omvangrijk rapport geworden. We ontkomen er daarbij niet aan om gebruik te maken van vaktermen. We zijn ons ervan bewust dat dit een bepaalde mate van kennis en inzet vraagt van de lezer. Dank daarvoor. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 10 2. Integraal Kunstenplan Amsterdam streeft naar een integraal Kunstenplan. Daar is geen definitie van, we leiden daarom uit de documentatie de volgende kenmerken af. Er is één beleidsvisie voor alle instellingen die 4-jarige subsidie willen aanvragen. Deze visie Is vertaald in beleidsdoelstellingen. Die zijn weer vertaald naar beoordelingscriteria, die weer zijn uitgewerkt met subcriteria. Het doel hiervan is dat alle aanvragen aan de hand van dezelfde criteria worden beoordeeld. De gemeente formuleert het als volgt: “Alle aanvragen, van zowel de instellingen die zijn aangewezen in de Amsterdam Bis, de instellingen die inschrijving op functies in de Amsterdam Bis en de instellingen die een aanvraag indienen voor de regeling 4-jarige subsidies van het AFK, worden beoordeeld op deze criteria”? Amsterdam Bis en overige aanvragers Amsterdam heeft het Kunstenplan ingedeeld in twee delen: een Amsterdam Bis en een deel overige aanvragers, waarbij de Kunstraad oordeelt over de Amsterdam Bis aanvragen en het AFK over de overige aanvragen. Ongeacht een plek in de Amsterdam Bis of bij het AFK, zouden aanvragers ervan op aan kunnen dat het beleid voor iedereen geldt. In de evaluatie van de vorige periode (2017-2020) werd geconcludeerd: er is één integrale visie en twee uitvoerders. Dat geldt ook voor deze periode. Tussen de uitvoerders zijn verschillen, zoals in de richtlijnen voor het ondernemingsplan, de nadere uitwerking en toepassing van de beoordelingskaders. Daarnaast hanteerden de Kunstraad en het AFK ieder een eigen werkwijze voor de beoordeling. In dit hoofdstuk gaan we in op het effect van de verschillen op de integraliteit van het Kunstenplan. Er zijn andere aspecten die als onderdeel gezien kunnen worden van een integraal Kunstenplan. Zoals de samenhang tussen de 4-jarige regeling, de 2-jarige regeling en de projectsubsidies. Door deze op elkaar af te stemmen wordt onder meer de toetreding tot het Kunstenplan gefaciliteerd. Daarnaast kan het gaan over de samenhang van beleid tussen centrale stad en stadsdelen. Dit onderwerp behandelen we in 7.3. ee pd Ll Ontwikkeling van het Kunstenplan | Als context beschrijven we kort de ontwikkeling van het Kunstenplan tot nu. a = Tot 2013 oordeelde de Kunstraad over alle aanvragen binnen het Kunstenplan. Het AFK had als taak het verstrekken van diverse projectsubsidies. =_In 2013-2016 waren er benoemingen op naam, benoemingen op functie en was er een Vrije ruimte. Beoordelingen werden gedaan door de Kunstraad. Het AFK had als taak het verstrekken van diverse projectsubsidies. =_ In 2017-2020 kwam er een Amsterdamse Bis op naam en werd het AFK — als zelfstandig fonds op afstand — belast met uitvoering van de 4-jarige regeling 2 Hoofdlijnen, p. 87. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 11 voor alle overige aanvragers. Amsterdam werd met de meeste culturele instellingen — en veel overlap met de landelijke Bis — de enige gemeente met een Bis. = Voor 2021-2014 is er een Amsterdam Bis op naam, een Amsterdam Bis op functie en is het AFK belast met de uitvoering voor de overige aanvragers. Het landelijk stelsel Een stelsel met een basisinfrastructuur en een fonds is deels vergelijkbaar met het landelijke stelsel, waarbij de Raad voor Cultuur oordeelt over de Bis en de Rijkscultuurfondsen over de overige aanvragers. Het verschil is echter dat beide delen niet gezien worden als een integrale benadering. Het zijn verschillende beleidsinstrumenten in een bestel, met eigen werkwijzen en beoordelingscriteria. Figuur 2: Weergave integraliteit van het Amsterdamse Kunstenplan 2021-2024 Eén beleidsvisie vier hoofddoelstellingen groei van kunst en cultuur meer ruimte voor verbreding van versterking van in de wijken en meer experiment, innovatie cultuureducatie, talent- internationale aandacht voor makers en de nachtcultuur ontwikkeling en participatie kunst en cultuur vier beleidscriteria artistiek belang belang voordestad uitvoerbaarheid diversiteit en inclusie Cluster Cultuureducatie Uitzonderingspositie: Beoordeling door AFK, besluitvorming door Gemeente —_________ tweeuitvoerders AFK Kunstraad a] 5 n n n n n 1 veen ezel fd 133 op ute < [M Eigen regeling en Beoordelingskader — | KOT erge ond Hete TR publicatie na vaststelling ca Hoofdlijnen Hoofdlijnen Nadere specificatie van Integrale overname van beleidscriteria uit de Hoofdlijnen, beleidscriteria uit de op voordracht van het AFK Hoofdlijnen vastgesteld door de gemeente Zelfstandige Besluitvorming door besluitvorming Kete) ES Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 12 2.1. Amsterdam Bis in twee delen De belangrijkste wijziging in het Kunstenplan 2021-2024 is de toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis. Daarmee creëert de gemeente een Amsterdam Bis met twee delen. En nieuwe verschillen, wat de integraliteit van het Kunstenplan lastiger maakt om te realiseren. De gemeente motiveert deze ingreep in de Hoofdlijnen; in de basisinfrastructuur komt ruimte voor kleine en middelgrote instellingen die een voortrekkersrol vervullen ten aanzien van de beleidsdoelstellingen, vooral in het maken van een verschil in het realiseren van een open en inclusief aanbod van kunst en cultuur in Amsterdam. Voorbeeldfunctie, vernieuwing en meer zekerheid De wethouder benadrukt in een gesprek dat door deze instellingen op te nemen in de functies, zij vernieuwing toevoegt aan de Amsterdam Bis en dat de instellingen een voorbeeldfunctie krijgen voor anderen. Een meer gelijkwaardige positie voor de instellingen in de functies ten aanzien van die op naam, zou moeten leiden tot een meer vanzelfsprekende samenwerking en uitwisseling van kennis, met name op het onderwerp diversiteit en inclusie. Bovendien is de ingreep gedaan opdat instellingen in de functies meer zekerheid krijgen in de Amsterdam Bis. Een nieuwe strategische Bis De gemeente baseert de ingreep met functies in de Amsterdam Bis mede op advies van de Kunstraad. In de Verkenning 2019 stelt de Kunstraad dat de Amsterdam Bis flexibel, dynamisch en institutioneel moet zijn. De Kunstraad pleit voor een nieuw en ander fundament onder de culturele infrastructuur. Gebaseerd op strategische keuzes waarmee beleidsdoelen worden geborgd, zoals inclusie, representatie, internationale excellentie, talentontwikkeling, educatie, experiment en innovatie, technologische kunst en community art. Met deze strategische Bis stelt de Kunstraad impliciet de bestaande selectiecriteria3 voor de Amsterdam Bis ter discussie. In het latere advies over de samenstelling van de Amsterdam Bis werkt de Kunstraad haar visie op een strategische Bis verder uit. Daarin wordt geadviseerd om niet meer de selectiecriteria voor de Bis te hanteren, maar uit te gaan van een a] nd ee << 3 Bij de introductie van de Amsterdam Bis zijn selectiecriteria geformuleerd waar instellingen in ef de Amsterdam Bis op naam aan moeten voldoen. De criteria zijn voor 2021-2024: Voor de instellingen die op naam worden aangewezen in de Amsterdam Bis geldt dat ze: artistiek- ca inhoudelijk zeer goed presteren; een belangrijke rol spelen binnen de culturele infrastructuur van Amsterdam en een cruciale schakel vormen binnen de culturele ketens; een groot aanzien hebben in Amsterdam, nationaal en internationaal; zakelijk goed presteren en de Governance Code Cultuur toepassen; een voorbeeldfunctie vervullen als cultureel ondernemer, onder meer op het gebied van goed werkgeverschap (Fair Practice Code); een substantieel publiek bereiken en zich inzetten voor het bereiken van nieuwe publieksgroepen; structureel verbonden zijn met andere organisaties en initiatieven binnen de kunst- en cultuursector en verantwoordelijkheid nemen voor culturele ketens én zicht hebben op cultuureducatie en/of talentontwikkeling en/of cultuurparticipatie binnen de discipline en daaraan vanuit de eigen organisatie een belangrijke bijdrage leveren. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 13 aantal vereisten die aan de Amsterdam Bis als geheel worden gesteld. Met als aanvulling dat instellingen niet aan alle vereisten hoeven te voldoen. "De A-Bis is goed gespreid over de stad en biedt ruimte aan alle disciplines. =De A-Bis bevat internationale topinstellingen =De A-Bis bevat funderende instellingen =De A-Bis sluit aan op het landelijk beleid =De A-Bis is representatief voor de beleidsdoelstellingen 2021-2024 2.2. Verbinding met beleidsdoelstellingen Het advies is niet in deze vorm opgevolgd. In de Hoofdlijnen neemt de gemeente een aspect over. “Het gemeentebestuur kan zich deels vinden in het advies van de kunstraad en ziet belangrijke aanknopingspunten voor aanpassing van de Amsterdam Bis in de nieuwe Kunstenplanperiode. Daarbij gaat het vooral om de verbinding met de beleidsdoelstellingen gericht op inclusie en vernieuwing, waardoor de Amsterdam Bis meer vernieuwingskracht krijgt.” Het is de hierboven genoemde verbinding met beleidsdoelstellingen waar wij vraagtekens bij zetten. Niet omdat er iets tegen het pleidooi is voor een meer representatieve en inclusieve Bis. Maar wel omdat we willen wijzen op een risico voor het systeem. De verbinding met beleidsdoelstellingen kan een zwak punt in het stelsel zijn. We lichten dat onderstaand toe waarbij we stilstaan bij de werking van een basisinfrastructuur en het systeemrisico dat we zien. Funderend maar open Voorwaarden om onderdeel van een Bis te zijn (landelijk of in Amsterdam), gaan vooral uit van de functionele kenmerken van culturele voorzieningen of een voorzieningenniveau. Daarnaast kunnen er spreidingskenmerken zijn van het aanbod in de keten, over disciplines of in geografie. Er wordt een basis beschreven voor een continue infrastructuur van culturele voorzieningen (functies). De bedoeling van een Bis is dat het meer zekerheid biedt voor instellingen die er onderdeel van zijn, ondanks een vierjaarlijkse beoordeling. Tegelijkertijd is een Bis nooit in beton gegoten. Er kunnen instellingen bijkomen of afvallen, zoals in de landelijke Bis af en toe gebeurt. Dat veroorzaakt altijd veel ophef en gaat niet a zonder slag of stoot. ee Ù Een Bis is in principe een funderend maar open systeem. Waarbij het wel mogelijk | Is om het functionele voorzieningenniveau aan te passen, zoals ook in de en landelijke Bis is gebeurd, met de uitbreiding naar nieuwe disciplines. Systeemrisico We zien een systeemrisico in het benoemen van beleidsdoelstellingen per Kunstenplan als systeemvereiste voor de Amsterdam Bis. Hierdoor wordt de Bis onderhevig aan periodiek variabele invloeden. In de beleidsdoelstellingen zit de bestuurlijke ruimte om prioriteiten te stellen. Die kunnen in principe elk 4 Hoofdlijnen, p. 75. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 14 Kunstenplan variëren. Nu zal de aandacht voor diversiteit en inclusie van blijvende aard zijn. Maar wellicht komt er naast diversiteit en inclusie, meer aandacht voor bijvoorbeeld de ecologische voetprint of sociale cohesie. Dat geeft dan een veranderende invloed op wat eigenlijk de basis is voor een culturele infrastructuur. Het kan de onderbouwing van wat tot de Amsterdam Bis behoort erg breed maken. Het kan daarmee ook leiden tot meer en meer onduidelijke grensgevallen. Ondanks dat beleidsdoelstellingen in de praktijk doorgaans vrij constant zijn, zien we de verbinding als een technisch gezien onnodig risico. De beleidsdoelstellingen worden — vertaald in de criteria — immers ook gebruikt om iedere aanvrager te beoordelen. Door beleidsdoelstellingen te verbinden als systeemvereiste, krijgen deze een dubbele werking: als beoordelingscriterium en als systeemcriterium. De kracht van een beoordelingscriterium wordt daarbij bepaald door de toepassing ervan in de feitelijke beoordeling: streng of soepel. Nogmaals, we zien diversiteit en inclusie als vaste waarde. Het doel van de gewenste vernieuwing van de Amsterdam Bis als krachtige boodschap is begrijpelijk en invoelbaar. Wij zien de gekozen oplossing echter als risico voor een duurzaam funderend maar open systeem. Daarnaast kunnen (variabele) doelstellingen niet de gezochte mate van zekerheid geven van een plek in de Amsterdam Bis. Een alternatief was bijvoorbeeld geweest om diversiteit en inclusie op te nemen als een van de vereiste criteria om onderdeel te kunnen zijn van de Amsterdam Bis. Of, zoals hierboven gesuggereerd, een strengere beoordeling op diversiteit en inclusie. Deze oplossing is bijvoorbeeld gekozen in de gemeente Utrecht (waar geen Bis is). 2.3. Functies als voorbeeld De functies vormen een nieuwe categorie in de Amsterdam Bis. Hierin werden instellingen benoemd die nog niet in de Amsterdam Bis zaten en “een voortrekkersrol vervullen bij het realiseren van de beleidsdoelstellingen in de nieuwe Kunstenplanperiode en zich hier in de afgelopen periode ruimschoots a) hebben bewezen.”5 ee pd Ll Met het instellen van de functies gaat de gemeente mee in het voorstel van de | Kunstraad om benoeming op beleidsdoelstellingen mogelijk te maken. Het De alternatief zou zijn geweest om het advies niet over te nemen. Dit vanwege de juridische belemmeringen die later bleken te bestaan bij het voornemen om 36 benoemingen op naam op te nemen in de Amsterdam Bis, als vernieuwingsslag. We komen hierop terug in 3.5. Met de functies op beleidsdoelstellingen wordt het toch mogelijk om de gewenste vernieuwing in de Amsterdam Bis door te voeren. De functies kunnen daarom ook 5 Hoofdlijnen p. 75. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 15 worden gezien als noodzakelijke ingreep om het advies van de Kunstraad deels op te volgen. Over de overige vereisten die de Kunstraad voorstelt (zie 2.1), spreekt de gemeente zich niet uit. De selectiecriteria voor de benoemingen op naam, blijven daardoor van kracht. In de benoeming van de instellingen op de functies was het advies van de Kunstraad doorslaggevend. Wat naar onze mening onduidelijk is, is wat precies de beoordelingscriteria zijn, die doorslaggevend zijn voor toelating tot een functie. Voor de functies gelden niet de criteria zoals die voor de Bis op naam®. Was dit voor de Bis op functie de voortrekkersrol, en zo ja hoe is die beoordeeld? Waarom past de ene instelling wel binnen de onderbouwing zoals gegeven aan het begin van deze paragraaf, en waarom een andere niet? De benoeming op voortrekkersrol in een functie veronderstelt een duidelijk onderscheid met de afvallers. Terwijl het verschil tussen de best beoordeelde en de runner up niet groot hoeft te zijn. Deze kan net zo goed een voorbeeldfunctie hebben, maar krijgt daarvoor niet de erkenning en zelfs een afwijzing. Wij zien nog een nadelig (imago-)effect van de functies. Door voorbeeldstellende instellingen te benoemen in de Bis, wordt de suggestie gewekt dat er een kwaliteitsverschil is tussen de Bis en de overige aanvragers bij het AFK. In de sector wordt over de tweedeling in het Kunstenplan ook wel gesproken als een Amsterdam Bis met A-kwaliteit en de overige instellingen met B-kwaliteit. 2.4. Verschillen in beoordeling Het uitgangspunt bij de integraliteit is dat er één beleid is en twee uitvoerders. De Kunstraad en het AFK stellen op basis van de criteria in de Hoofdlijnen een beoordelingskader op. Het beoordelingskader van de Kunstraad is gepubliceerd kort na de vaststelling van de Hoofdlijnen. Het AFK werkt een beoordelingskader uit in de Regeling Vierjarige subsidies AFK Kunstenplan 2021-2024 en de Toelichting bij de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2021-2024. De regeling is onderdeel van de Hoofdlijnen en opgenomen in de bijlagen ervan. Deze Is dus tegelijk met de Hoofdlijnen vastgesteld door de gemeenteraad. De Kunstraad neemt uit de Hoofdlijnen de criteria en de uitwerking ervan één-op- a) één over. Het AFK werkt de criteria nog nader uit en is in een aantal gevallen ook ee specifieker over de invulling van een criterium dan de Kunstraad. Voorbeelden ef hiervan zijn de meer specifieke eisen aan spreiding, het accent op stedelijke | thema’s, de beoordeling op uitvoerbaarheid en de nadruk op culturele diversiteit ca binnen het criterium diversiteit en inclusie. Het AFK en de Kunstraad hanteren net andere richtlijnen voor het ondernemingsplan, hoewel ze daarin beide de criteria volgen. Ook de ingediende plannen verschillen dus in opzet omdat ze net een ander stramien volgen. 6 Hoofdlijnen, p. 77. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 16 Andere instellingen, ander kader Hoewel gebaseerd op hetzelfde beleid, zijn de kaders waarmee de uitvoerders aan de slag gaan verschillend. Is dit wenselijk? Nee, als integraal betekent dat aanvragers op een gelijke manier en langs dezelfde meetlat beoordeeld moeten worden. Ja, als er verschillen tussen groepen aanvragers mogen zijn. Een beetje van beiden, als er een bepaalde mate van gelijke boordeling dient te zijn, met de mogelijkheid van accentverschillen. Een verschil in beoordelingskader kan ook recht doen aan de verschillen tussen groepen instellingen, zoals in een Bis of daarbuiten. Het kan daarmee een gerichte en dus een kwalitatief betere beoordeling opleveren. Mits de beoordelingskaders zijn afgestemd op de typen aanvragers. Dat hebben we binnen de reikwijdte van deze evaluatie niet kunnen onderzoeken. Andere werkwijze Het verschil in werkwijze tussen de Kunstraad en het AFK komt, naast het verschil in doelgroep, voort uit het verschil in positie. De Kunstraad legt een advies voor aan het gemeentebestuur, die daar vervolgens een politiek besluit over neemt. Het AFK adviseert en besluit zelf over de aanvragen. Het besluit is gestoeld op een gelijk speelveld, de criteria in de regelingen en de ingerichte procedure. Om de procedure en de uitkomst ervan transparant, uitvoerbaar en juridisch houdbaar te maken, heeft het AFK een zorgvuldige werkwijze opgezet. Dat is nodig omdat onder de aanvragers van het AFK meer nieuwkomers of kleinere (kwetsbare) instellingen vallen, wat zorgt voor dynamiek: in- en uitstroom. Dat leidt tot kritische besluiten die goed onderbouwd moeten worden, op basis van een transparante procedure en specifieke criteria. Het risico op bezwaren is hier groter. In de Bis zitten andere instellingen omdat ze apart geselecteerd zijn. In de Bis op naam zitten overwegend instellingen met een langlopend trackrecord. Daarin is weinig dynamiek. Dat geeft minder risico op bezwaarprocedures en dus minder noodzaak voor een gedetailleerd uitgewerkte beoordelingsprocedure. De adviezen van de Kunstraad zijn over het algemeen meer globaal geformuleerd. Verschil van inzicht Hoewel de regeling en de toelichting van het AFK in overleg met de gemeente tot a stand zijn gekomen en door de gemeenteraad zijn vastgesteld, heeft de gemeente nd ook twijfels geuit. Bijvoorbeeld over de specificatie van diversiteit en inclusie naar { een nadruk op culturele diversiteit. Voor het AFK betekent een nadere uitwerking en) een transparante, uitvoerbare en juridisch houdbare procedure. Uiteindelijk is de Fr gemeente daarmee akkoord gegaan. 2.5. Samenhang tussen regelingen Bij het AFK zijn er diverse regelingen die instellingen in staat stellen om te groeien van projectfinanciering, naar 2-jarige en vervolgens 4-jarige financiering. Er was tot 2021 een regeling voor innovatie. Deze zou met de tweejarige regeling samengevoegd worden in de regeling Innovatie & Ontwikkeling. Er kwam echter alleen een Ontwikkelregeling als voortzetting van de 2-jarige regeling. Het budget Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 17 voor de innovatieregeling is in de besluitvorming over het Kunstenplan 2021-2024 toegevoegd aan het 4-jarig budget om extra toekenningen te kunnen doen. De lijn om te groeien van regeling naar regeling bestaat sinds 2017 en is succesvol. Het AFK behandelde voor de huidige periode 206 aanvragen voor de 4-jarige regeling, waarvan er 54 (26%) voor het eerst aanvroegen. Hiervan kwamen er 15 uit de 2-jarige regeling en daarvan werden er 10 gehonoreerd. Het slagingspercentage van deze groep (67%) is hoger dan dat van overige nieuwe aanvragers. Van deze 39 nieuwe aanvragers werden er 18 gehonoreerd: een slagingspercentage van 46%. Toenemende concurrentie Wij denken overigens dat Amsterdam er goed aan doet te reflecteren op de mate van dynamiek in de zin van in-, door- en uitstroom. Dynamiek is in zichzelf gezond voor het aanbod. Het is bovendien inherent aan het verdelen van schaarse middelen over culturele instellingen, dat er nieuwkomers en uitvallers zijn. Echter, dynamiek als doel kan ook leiden tot een hogere drempel en kapitaalvernietiging. Zeker in de context van een gelijkblijvend cultuurbudget in een groeiende en meerpolige stad. Door de groeiende vraag en een stagnerend budget neemt de concurrentie om schaarse middelen toe. En die is al behoorlijk omdat er binnen de groep aanvragers bij het AFK al gevestigde instellingen zitten die een voorsprong hebben met een goede positie in het kunstenveld. Door toenemende concurrentie moeten steeds scherpere keuzes worden gemaakt en wordt de inzet die nodig is om de subsidie daadwerkelijk te verkrijgen steeds groter. Met als effect dat de drempel steeds hoger wordt. En de kans groter wordt dat instellingen vroegtijdig uit de ingroeilijn van regelingen vallen. Bijvoorbeeld omdat er te weinig tijd is om zich te bewijzen. a] na Ll = (aa) Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 18 3. Proces: Ontwerpfase 3.1. Planning De stappen die de gemeente onderscheidt in deze fase zijn: =De evaluatie van de voorgaande periode (2017-2020). =De Verkenning die de Kunstraad opstelt als stand van zaken in de sector. "Het opstellen van de Contourennota en het debat daarover met de sector. De ontwerpfase wordt voorafgegaan door de evaluatie van de afgelopen periode. Die verscheen in maart 2018. De eerste inhoudelijke stap is de opdracht van de gemeente aan de Kunstraad voor het uitvoeren van de Verkenning op 19 oktober 2018. De ontwerpfase sluit na de laatste input voor het vaststellen van de Hoofdlijnen. In dit geval het advies van de Kunstraad over de samenstelling van de ‘A-Bis’, dat verscheen op 5 juli 2019. AKR ADVIES VERKENNING AKR CONTOUREN A-BIS UITBREIDING EVALUATIE OPDRACHTBRIEF | NE KP 17-20 ; VERKENNING VERKENNING DVIES MAIS © ö © © © @ © mrt. 18 apr. 18! okt. 18 nov. 18 dec. 18 jan. 19 feb. 19 mrt. 19 apr. 19 mei 19 jun. 19 jul. 19 aug. 19 AKR ADVIES ld: EN INCLUSE SECTORDEBAT 3 We hebben niet kunnen vaststellen of en in welke mate de planning is gerealiseerd. Er blijkt geen planning voor deze fase te zijn. In de voorbereiding van de voorgaande periode verschenen de Contouren in maart. Nu was dat mei. Dat kan een indicatie zijn van een vertraging. Daarnaast zien we in deze fase dat de tussentijdse adviezen van de Kunstraad, met betrekking tot het Kunstenplan, nog geen plek hebben in de stappenplanning. a na . KN 3.2. Evaluatie 2017-2020 ef De evaluatie van 2017-2020 stond in het teken van het nieuwe stelsel dat werd | doorgevoerd, met de introductie van de “A-Bis’ en de nieuwe rol voor het AFK. en Discussie over grensgevallen In de evaluatie 2017-2020 wordt geconcludeerd dat het AFK en de Kunstraad in hun nieuwe rol goed gefunctioneerd hebben. Verder concludeert de evaluatie dat de knip tussen directe politieke verantwoordelijkheid en de politiek op afstand verdedigbaar is op basis van de selectiecriteria voor de Bis op naam, maar ook leidt tot discussie over de grensgevallen. Wie komt er in de Bis en wie net niet? In deze periode was er ook discussie, zoals over benoemingen in de Bis op functie en in de gemeenteraad over instellingen die tussen wal en schip kwamen. De Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 19 grensproblematiek bestaat nog steeds en is inherent aan het opdelen van het stelsel. Één integrale visie en twee uitvoerders Over de integraliteit wordt geconcludeerd dat er sprake is van één integrale visie en twee uitvoerders. Met als aanbeveling dat meer samenwerking in de driehoek gemeente, AFK en Kunstraad belangrijk is om de integraliteit te waarborgen. Deze aanbeveling is opgevolgd door meer structureel overleg te organiseren en nauwer samen te werken. Uit onze gesprekken met de partijen in de driehoek blijkt dat zij allen positief zijn over de samenwerking en constateren dat deze beter is geworden dan voorheen. Rol van eultuurhuizen in de stadsdelen De integraliteit is ook gezien als de samenhang tussen het beleid van de centrale stad en dat van de stadsdelen. Met het nieuwe stelsel werden de cultuurbudgetten van de stadsdelen voor meerjarige subsidies aan instellingen in het Kunstenplan gecentraliseerd. De evaluatie 2017-2020 concludeert dat zonder dit eigen budget, de stadsdelen meer afhankelijk worden van de cultuurhuizen in het stimuleren van het lokale culturele klimaat. En dat die mogelijkheid voor stadsdelen zonder cultuurhuis kleiner is. In deze evaluatie gaan we in 7.3 in op de samenhang tussen beleid van de centrale stad en de stadsdelen. Meer dynamiek door nieuwkomers In de voorgaande evaluatie werd geconcludeerd dat de invoering van de 2-jarige regeling kan leiden tot meer dynamiek. Om dit te bevorderen is gesuggereerd budget te verhogen en indieningsdrempels te verlagen. Die eerste aanbeveling is in de praktijk niet overgenomen. Het budget bleef gelijk. 3.3. Verkenning 2019 Op 18 januari 2019 bracht de Kunstraad de Verkenning 2019 uit. Het hoort bij de opdracht van de Kunstraad om tijdig een objectieve Verkenning op te stellen ter Ee voorbereiding van de komende kunstenplanperiode?. ed Ù De gemeente stuurde op 19 oktober 2018 een opdrachtbrief voor de Verkenning. 3 “De Verkenning 2018 vormt een belangrijke basis voor het formuleren van beleid a door het gemeentebestuur en dient als input voor de Hoofdlijnennota 2021- 2024.” Voor de gemeente heeft de Verkenning een beschouwende én adviserende betekenis. De gemeente vroeg aan de Kunstraad om in te gaan op een aantal specifieke thema’s, zoals diversiteit, ketenverantwoordelijkheid, doorstroom van talent, cultuureducatie, groei van de stad, rol van de cultuurhuizen en fair practice. In de opdracht vraagt de gemeente daarnaast naar advies op onderdelen voor het 7 Verordening op de Amsterdamse Kunstraad 2016. 8 Verkenning 2019, p. 127 (opdrachtbrief). Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 20 dan komende Kunstenplan. Zoals voor de mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe cultuurhuizen, de samenstelling van de Amsterdam Bis en over criteria voor goed werk- en opdrachtgeverschap. De Verkenning 2019 gaat in op bovenstaande onderwerpen. Opvallend is dat naar aanleiding van de vraag van de gemeente over de samenstelling van de Amsterdam Bis, de Kunstraad pleit voor een ander fundament onder de culturele infrastructuur: een strategische Bis om beleid te borgen (zie 2,1 en 2.2). Dat is in potentie een stelselwijziging en daarom een vergaand advies. Opdracht als startpunt Doordat de gemeente in de opdracht accenten meegeeft en op onderdelen advies vraagt, zien wij de opdracht aan de Kunstraad als een startpunt voor het beleid. Door de Verkenning worden eveneens onderwerpen op de kaart gezet. Het advies over de samenstelling van de Bis is achteraf gezien het startpunt voor de heroriëntatie op de Bis. Uit de gesprekken met ACI, AFK, Gemeente en Kunstraad blijkt dat dit startpunt niet als zodanig wordt gezien en dat men eerder de Contourennota zo ziet. Dat is het moment dat de gemeente een eerste aanzet geeft voor de contouren van het beleid. Naar ons oordeel is de opdracht voor de Verkenning wel degelijk een startpunt, omdat het een eerste aanzet is tot beleidsaccenten. Kritiek op de methodiek Gesprekspartners zoals ACI en AFK plaatsen een kritische kanttekening bij de Verkenning. Deze is volgens hen niet voor alle disciplines even herkenbaar of een soms eenzijdige weergave. Wij begrijpen de kritiek maar constateren tegelijk dat de Verkenning een zeer breed spectrum omvat van het culturele ecosysteem. Het Is onmogelijk om alle nuances mee te nemen in een beperkte rapportage. Wat de gesprekspartners, zoals ACI en AFK, een belangrijker kritiekpunt vinden is dat de aanpak transparanter en vollediger kan. Er wordt in de Verkenning verwezen naar gesprekken en overleggen, waarbij de stakeholders aangeven dat zij die niet als verkennend of onderzoekend ervaren hebben. Ook kan het AFK meer betrokken worden, Een meer methodische aanpak en verantwoording kan volgens hen de Verkenning inzichtelijker, vollediger en transparanter maken, zodat ee duidelijk is waarop bevindingen zijn gebaseerd en hoe deze tot stand zijn gekomen verf in analyses, gesprekken en overleggen. Wij delen de constatering dat meer inzicht 2 in hoe de Verkenning tot stand is gekomen bijdraagt aan transparantie en ca draagvlak. Stand van zaken per discipline De Verkenning levert een relevante bijdrage in het proces van de totstandkoming. Er worden onderwerpen benoemd, uitgangspunten van de gemeente verkend en dit alles komt terug in de Contouren. Bij de Verkenning vragen wij ons af wat de verwachtingen van de Kunstraad, de sector, het AFK en de gemeente zijn bij de meerwaarde van de disciplinebeschrijvingen. Deze geven — conform de opdracht — een stand van zaken per discipline weer. Maar bevindingen uit deze beschrijvingen Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 21 worden niet vertaald in de Contouren of andere beleidsstukken. Wij zien het nut van de beschrijvingen in, maar denken dat deze mogelijk effectiever zijn als van tevoren duidelijk is wat de toegevoegde waarde moet zijn. Mogelijk kunnen de ACI en het AFK ook aandachtspunten benoemen waar zij een onafhankelijk oordeel van de Kunstraad over zouden willen zien. 3.4. Contouren Kunstenplan 2021-2024 In de Contouren van 14 mei 2019 noemt de gemeente een aantal uitgangspunten voor het beleid. Deze zijn in lijn met onderwerpen uit de Verkenning en de bestuurlijke reactie daarop. Voor het opstellen van de Contouren organiseerde de gemeente enkele verkennende gesprekken en thematische bijeenkomsten. De raadpleging van de sector over de Contouren vindt plaats in de debatten naar aanleiding van de Contouren. In de evaluatie ligt daar de focus op. Diversiteit en inclusie voor heel Amsterdam Uit de Contouren blijkt direct het belang dat wordt gegeven aan diversiteit en inclusie en aan spreiding van het aanbod door heel Amsterdam, inclusief de benodigde cultuureducatie en -participatie. Daarmee geeft de gemeente ook gevolg aan de visie uit het coalitieakkoord waarin inclusie en verbondenheid centrale thema’s zijn. In de opdrachtbrief voor de Verkenning is diversiteit en inclusie eveneens een belangrijk thema. In de Contouren wordt duidelijk gesteld dat aanvragers als instapvereiste een actieplan moeten opstellen voor diversiteit en inclusie. Daarnaast wordt goed werkgeverschap genoemd en wordt er vooruitgeblikt op het voornemen om een systeem van maatschappelijke huur in te voeren. Daarvoor is bijvoorbeeld eerst inzicht nodig in de consequenties hiervan voor cultuurbeleid. Contouren voor de Amsterdam Bis In de Contouren reageert de gemeente op het pleidooi van de Kunstraad in de Verkenning, voor een andere kijk op de Amsterdam Bis. De gemeente stelt dat zij zich kan voorstellen dat op basis van nieuwe beleidsdoelstellingen enkele instellingen aan de Amsterdam Bis worden toegevoegd of deze juist verlaten. Daarbij houdt de gemeente tegelijkertijd vast aan de bestaande selectiecriteria a) voor Amsterdam Bis-instellingen. “Kunst- en cultuurinstellingen komen in ee aanmerking voor een positie in de A-Bis 2021-2024 indien ze voldoen aan alle ef onderstaande criteria: … [hier somt de gemeente de selectiecriteria op |”. | (aa) Uit de wat ambigue reactie van de gemeente over de samenstelling van de Amsterdam Bis, is af te leiden dat de gemeente open staat voor verandering van de Amsterdam Bis, maar niet als het gaat om de selectiecriteria voor deze Bis. Er wordt ook verwezen naar een advies van de Kunstraad dat zal volgen in juni 2019. Als het advies verschijnt (op 5 juli 2019) — overigens gelijktijdig met het advies van de Kunstraad over diversiteit en inclusie — blijkt wat de Kunstraad voor ogen heeft bij een Bis met strategische keuzes op basis van beleidsdoelen. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 22 3.5. Samenstelling van de Bis De Kunstraad presenteert alternatieve vereisten voor een Bis (zie ook 2.1) als alternatief voor de selectiecriteria. Tot de nieuwe vereisten behoort ook de verbinding met beleidsdoelstellingen. Aan de hand van alle vereisten komt de Kunstraad tot een selectie van 36 instellingen op naam in de Amsterdam Bis. De visie van de Kunstraad over de samenstelling van de Bis is nooit een onderwerp van gesprek geweest met de sector. Het advies werd na de debatten over de Contouren gepubliceerd en vlak voor de start van het zomerreces. In het advies stelt de Kunstraad op 3 juni een verzoek te hebben gehad van de gemeente om een advies uit te brengen over de samenstelling van de Bis. Dat kan een formaliteit zijn omdat het advies al in de Contouren (14 mei) werd aangekondigd. Reactie uit de sector Het advies van de Kunstraad leidt tot reacties in de sector. De ACI verwoordt deze in haar reactie op het advies. “De […] richtlijnen waarop de kunstraad haar keuzes baseert, zijn naar onze mening erg breed waardoor het lijkt alsof er enigszins willekeurig een lijst met instellingen is opgesteld door het bestuur van de kunstraad.”9 Juridische bezwaren Uiteindelijk blijkt na overleg met de gemeente dat het advies over de samenstelling van de Bis en de aanwijzing van 36 instellingen op zwaarwegende juridische bezwaren stuit. Binnen de regels voor de verdeling van subsidies voor culturele instellingen, dient de uniciteit van een instelling op naam volstrekt duidelijk te zijn. Het advies van de Kunstraad met de visie op de Amsterdam Bis en de 36 aanwijzingen op naam, voldeed onvoldoende aan dit juridische principe. Door de gang van zaken heeft de gemeente geen uitgebreide reactie gegeven op het advies, waaruit blijkt of (en zo ja, hoe) zij de visie van de Kunstraad op de Amsterdam Bis deelt. In de Hoofdlijnen wordt naar het advies verwezen (zie 4.3). Wat in de Verkenning 2019 (januari 2019) start met een in potentie vergaande wijziging in het denken over de Bis, wordt in juli onderbouwd met de visie van de a) Kunstraad. Het advies wordt echter belemmerd door juridische voorwaarden en ee blijkt onuitvoerbaar. el = Achteraf gezien was het naar ons oordeel verstandig geweest om in de opdracht en aan de Kunstraad aan te geven dat een juridische toets nodig was — aangezien het om een advies gaat over een grote tenderprocedure om subsidies te verdelen. 3.6. Debat met de sector De debatten over de beleidsvoornemens in de Contouren zijn georganiseerd op 22 en 27 mei en op 5 juni 2019. Hierin kon de sector meepraten over en reflecteren 9 Brief van ACI aan de wethouder Kunst & Cultuur, ‘ACI-reactie op het advies van de kunstraad over de A-Bis 2021-2024’, 2 september 2019. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 23 op de uitgangspunten in de Contouren. Deze werden georganiseerd door de gemeente. In de voorgaande periode werd dit gedaan door de gemeente en ACI. Die zag er dit keer van af omdat zij de onafhankelijke begeleidende rol niet passend vond bij de vertegenwoordigende rol voor de culturele sector. Aangezien de ACI een overlegstructuur is en geen organisatie zijn we voorzichtig in het benoemen van een eenduidige verantwoordelijkheid. Wat ons opvalt is dat de ACI zichzelf positioneert als vertegenwoordiger van de sector, meer dan belangenbehartiger. Andere gesprekspartners bevestigen dat beeld. Dit komt doordat er in het verbond van de ACI verschillende meningen vertegenwoordigd zijn, soms langs de lijn van belangen van Bis instellingen en de overige instellingen. Echter, voor het debat in de sector zou het goed zijn als er op basis van onderlinge solidariteit één belangenbehartiger zou zijn. Of mogelijk twee in het geval de ACI de belangen opsplitst langs de lijn tussen Bis en niet-Bis. Breed programma In het programma van de debatten was aandacht voor de thema’s uit de Contouren. Er zijn ook externe partijen gevraagd om bij te dragen, zoals het AFK, Mocca, Cultuur&Ondernemen, DutchCulture en de ACI. Daarnaast waren er nog cultuureducatiedebatten op scholen. Ondanks het uitgebreide programma is het algemene beeld van de debatten, dat uit verschillende gesprekken naar voren komt, dat er veel is gediscussieerd over diversiteit en inclusie maar weinig over andere uitgangspunten. Dat is ook het punt in de Contouren dat het meest concreet is. Weinig richtinggevend Geen van de gesprekspartners kan concrete bijdragen noemen van de debatten in de totstandkoming van het Kunstenplan. De samengevoegde verslagen van de debatten bevestigen dat, naar ons oordeel. Er worden tal van inzichten, suggesties en vragen verzameld. Deze hebben vooral betrekking op de praktijk. Hoe zit het nu, wat zijn knelpunten, hoe kan je monitoren of waar liggen kansen? Het bevestigt wel dat het programma van de debatten breed was opgezet. De uitkomsten uit de enquête bevestigen dat aanvragers vooral neutraal zijn over de a invloed van de debatten, terwijl er wel waarde aan wordt gehecht. Qc 8 Dat de debatten als weinig richtinggevend worden ervaren komt door het brede | karakter. Bovendien is er een algemeen doel om de sector in het gesprek te ca betrekken over het brede programma van het cultuurbeleid. De bijdrage van de debatten kan groter zijn als er een doel aan wordt verbonden. Bijvoorbeeld door keuzes of dilemma’s voor te leggen over beleidsprioriteiten of de uitwerking ervan. Of door vooraf te bepalen of de debatten gericht zijn op bijvoorbeeld draagvlak creëren, informeren of inzichten voor beleidsontwikkeling op te halen. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 24 Figuur 3: Antwoord van aanvragers op de stelling dat het debat naar aanleiding van de Contouren invloed had en dat een dergelijk debat zinvol is (beide n=133). 80% 70% 60% m Debat had 45% invloed 40% 38% m Debat is 20% 16% zinvol 1% 6% : m Se 5% 1% 1% o% Mm T N° mm” Eens Overwegend eens NeutraalOverwegend oneens Oneens Chiquer Het advies van de Kunstraad over de nieuwe strategische Bis kon, door de planning van de debatten en de publicatie van het advies, geen onderdeel zijn van het debatprogramma. Aangezien het wel bekend was dat het advies aanstaande was, was het chiquer geweest om de visie over een belangrijke stelselwijziging als deze, onderdeel te maken van het publieke debat. Dat is voor het andere belangrijke thema — diversiteit en inclusie — wel gelukt. Het is spijtig dat de opzet en samenstelling van de Amsterdam Bis door een gebrekkige timing niet uitvoerig Is besproken met de sector. Ondanks dat er sprake kan zijn van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, moeten we constateren dat de uiteindelijke indeling van de Amsterdam Bis helaas niet transparant en zonder inspraak is verlopen. a] Ki pd 5 | (aa) Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 25 id 4. Proces: Beleidsfase 4.1. Planning De processtap in deze fase is de publicatie van de Hoofdlijnen 2021-2024. Het was de bedoeling de Hoofdlijnen in oktober of november 2019 te presenteren en in november 2019 te laten vaststellen. Op 25 oktober liet de gemeente echter weten dat er vertraging was door juridische complicaties over de wijze waarop de Bis wordt samengesteld (zie 3.5). De gemeente voert hierbij aan dat de jurisprudentie die hier aanleiding toe gaf pas verschenen was. De Hoofdlijnen werden in december voorgelegd. De belangrijkste consequentie van de vertraging is dat de aanvragers later bekend waren met de indieningseisen en de beoordelingscriteria, en dat de indieningstermijn korter werd. De startdatum is namelijk circa een maand opgeschoven en de deadline twee dagen. PRESENTATIE HOOFDLIJNEN KP 21-24 VASTSTELLING HOOFDLIJNEN | START SLUITING AANVRAAG AANVRAAG © í í sep. 19 okt. 19 nov. 19 dec. 19 jan. 20 feb. 20 mrt. 20 BRIEF UITSTEL | HOOFDLIJNEN INSPRAAKAVOND HOOFDLIJNEN KDD BEHANDELING HOOFDLIJNEN Op 15 november 2019 presenteerde de gemeente de Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024: De kracht van cultuur, Na behandeling in de raadscommissie zijn de Hoofdlijnen op 18 december door de gemeenteraad besproken en vastgesteld, inclusief moties en amendementen. Met de Hoofdlijnen worden ook de criteria en vereisten vastgesteld waaraan aanvragers moeten voldoen. Het is voor hen het Ee ijkpunt om hun aanvraag op in te richten. S 5 4.2. Over de Hoofdlijnen 5 De onderwerpen uit de Contouren komen duidelijk terug in de Hoofdlijnen. Vooral waar het gaat om de speerpunten diversiteit en inclusie en spreiding in het belang van de stad. De debatten zijn minder van invloed geweest en zien we eerder als een voorbereidende discussie over het toekomstige beleid en het volgen daarvan in de praktijk, bijvoorbeeld door monitoring. In de enquête konden aanvragers aangeven welke van de beleidsdoelstellingen uit de Hoofdlijnen zij belangrijk vinden voor het cultuurbeleid van de stad. Hiervoor verdeelden zij 100 punten over de doelstellingen. Diversiteit en inclusie zijn opgenomen in andere vragen. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 26 Figuur 4: Waardering van aspecten uit de beleidsdoelstellingen in de Hoofdlijnen (n=135). Doelstelling Punten \ Aandeel De mate waarin aanvragers belang hechten aan bepaalde doelstellingen blijkt vrij evenredig te zijn verdeeld. Deze uitkomst zien we als een breed draagvlak onder de beleidsdoelstellingen. Dat ‘meer ruimte voor de nachtcultuur’ het minst belangrijk wordt gevonden kan komen doordat dit beleid wel werd genoemd in de Hoofdlijnen, maar pas onlangs is uitgewerkt. Ook scoort ‘versterking van internationale kunst en cultuur’ iets lager dan andere beleidsdoelstellingen. In beide gevallen kan dat zijn omdat het niet voor iedere aanvrager even relevant is. Daarnaast is aanvragers gevraagd naar de inzichtelijkheid van de criteria, de inrichtingseisen en het beoordelingskader uit de Hoofdlijnen. Over het algemeen zijn deze als voldoende inzichtelijk ervaren, vooral de criteria. De criteria waren: "Artistiek belang = Belang voor de stad =_ Uitvoerbaarheid =_ Diversiteit en inclusie Het beoordelingskader, waarin criteria zijn uitgewerkt of samengevat als meetlat voor beoordeling, wordt als minst inzichtelijk naar voren gekomen; zoals te zien in Figuur 2 vond 34% het matig en heeft 7% het als slecht bestempeld (totaal 41%). Dat heeft waarschijnlijk te maken met het gegeven dat de kaders anders genoemd worden en deels wel en niet als bijlage zijn opgenomen in de Hoofdlijnen. Figuur 5: de mate waarin aanvragers de criteria, inrichtingseisen en het beoordelingskader, a) inzichtelijk vonden (n=135). 1 < Ù 62% a 60% 56% 0% m Criteria 40% 34% = Inrichtingseisen 9 27 Beoordelingskader 20% —16%14% o oe . M -- 0% mm EN Goed Voldoende Matig Slecht Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 27 Ook uit de diverse gesprekken, zoals met raadsleden en de ACI, maken we op dat het niet iedereen duidelijk is dat bij de vaststelling van de Hoofdlijnen ook de specifieke regeling en toelichting voor het AFK worden vastgesteld. Er zijn niet alleen twee uitvoerders, de gemeente stelt voor beide uitvoerders afzonderlijke beoordelingskaders vast. Waarbij die van het AFK wordt voorgedragen voor vaststelling door het college. 4.3. Introductie van functies In de Hoofdlijnen stelt de gemeente het advies voor de aanwijzing op naam van de Kunstraad deels op te volgen. Vanwege de juridische beperkingen introduceert de gemeente daarnaast functies in de Bis. Over deze functies is uitvoerig informeel overleg geweest met de Kunstraad om aan te sluiten bij het advies, ondanks een andere uitvoering. Binnen de functies is plaats voor 14 instellingen. De functies worden in algemene zin onderbouwd: ‘Het gemeentebestuur gaat extra ruimte creëren voor kleine en middelgrote instellingen die het verschil maken in het aanbod van kunst en cultuur in Amsterdam en bijdragen aan het realiseren van een sterke, open en inclusieve cultuurstad.”'® In de onderbouwing van de functies volgt de gemeente met name de vereiste dat de Bis (op functie) representatief moet zijn voor de beleidsdoelstellingen 2021-2024. De functies zijn specifiek beschreven. Soms zo specifiek dat het voor de goede lezer meteen duidelijk is welke instelling(en) in aanmerking komen. Hierbij konden de gemeente en de Kunstraad putten uit de lijst van 36 instellingen die werden beoogd in het advies over de samenstelling van de Bis. Hoewel het beleid voor een inclusieve cultuurstad aanleiding was om de functies in te voeren wordt maar bij vijf van de negen functies inclusie nadrukkelijk genoemd. De negende functie is toegevoegd door de gemeenteraad bij de behandeling van de Hoofdlijnen. Deze is relatief eenzijdig gericht op muziekgezelschappen, vooral voor moderne gecomponeerde muziek. De pluriformiteit van het aanbod van andere muziekgenres is daarmee aangewezen op de 4-jarige regeling bij het AFK. a] na Ll = (aa) 10 Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024: De kracht van cultuur. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 28 e Id 5. Proces: Adviseringsfase 5.1. Planning Na het vaststellen van de Hoofdlijnen, stellen de instellingen hun plannen op. Deze zijn ter beoordeling voorgelegd aan adviseurs bij het AFK en de Kunstraad. De adviseurs van de Kunstraad hebben hun adviezen voorgelegd aan het gemeentebestuur. Het AFK besloot zelf over de aanvragen op basis van de commissie-adviezen. Er hebben geen grote verschuivingen in de planning plaatsgevonden. De publicatie van het advies van de Kunstraad en de bekendmaking van de besluiten van het AFK zijn volgens de initiële planning verlopen. AFK BEKENDMAKING AKR ADVIES SUBSIDIES BESLUITEN SLUITING KP 21-24 AANVRAAG | | feb. 20 mrt. 20 apr. 20 mei 20 jun. 20 size aug. 20 sep. 20 COLLEGE B&W BESLUIT ADVIES AKR 5.2. Verschillen in de advisering Een terugkerend onderwerp in de gesprekken met alle direct betrokken stakeholders was het verschil in beoordeling tussen de adviseurs van de Kunstraad a en het AFK. Zo zijn de adviezen anders van opzet. De adviezen van de Kunstraad ee zijn opgezet met een meer globale argumentatie en die van het AFK zijn meer ef specifiek beargumenteerd. Daarnaast wordt er opgemerkt dat de beoordelingen | van elkaar afwijken op het criterium diversiteit en inclusie en het aspect van en spreiding binnen het criterium belang voor de stad. Het AFK zou daar kritischer op hebben beoordeeld dan de Kunstraad. Het AFK heeft in de regeling vastgelegd dat binnen diversiteit en inclusie specifiek gekeken werd naar culturele diversiteit. De Kunstraad is uitgegaan van de brede opvatting van diversiteit en inclusie, volgens de code. De opmerkingen over de adviezen zijn eveneens relevant voor de beoogde integraliteit van het Kunstenplan. Blijkbaar hebben aanvragers verwachtingen bij een (zekere mate van) gelijkwaardige beoordeling. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 29 Andere werkwijze De verschillen zijn te verklaren. In eerste instantie omdat het beoordelen van aanvragen mensenwerk is en de adviescommissies samengesteld zijn uit individuele experts, waardoor er per definitie verschillen kunnen ontstaan. Enige mate van verschil is inherent aan het systeem van een peer review. In de praktijk gaat de werkwijze van het AFK uit van een nadere uitwerking van de criteria om de beoordeling uitvoerbaar te maken binnen de organisatorische en juridische kaders van het fonds. Door criteria specifiek uit te werken, wordt het mogelijk om een meer specifieke beoordeling te geven. Daarmee biedt het fonds transparantie aan aanvragers en creëert het voorwaarden voor een gelijk speelveld. Daarnaast is de uitwerking nodig om tot een onderbouwd en juridisch houdbaar advies te komen. Het maakt ook een effectief en efficiënt proces mogelijk om in korte tijd 206 aanvragen te beoordelen en hierover te besluiten. De Kunstraad ontving 49 aanvragen, waarvan 21 voor de Bis op naam en 28 voor de functies. Alle aanvragers kregen de mogelijkheid om hun aanvraag mondeling toe te lichten. De commissies beoordelen de aanvragen op de beleidscriteria en stellen een pre-advies per instelling op. Nadat de pre-adviezen van de commissie zijn uitgebracht maakt het bestuur van de Kunstraad de adviezen definitief en maakt het een integrale afweging voor de Bis. Alle aanvragers voor de Amsterdam Bis ontvangen zoals gezegd een meer globaal geformuleerd advies. Zo ook de 14 afgewezen aanvragers voor de functies. In het geval bezwaar was gemaakt tegen het besluit van de gemeente — op basis van het advies — zou een verweer vanuit de gemeente lastiger te formuleren zijn geweest. Dat is in theorie makkelijker voor de gemeente met een meer specifiek advies. Een integrale afweging In diverse gesprekken (Kunstraad, ACI en gemeente) wordt de vraag opgeworpen waarom het AFK geen integrale afweging hanteert. Het AFK licht toe dat het aspecten van een integrale afweging integreert in de bestaande procedure. De budgetplafonds zijn daar een voorbeeld van. Deze zorgen voor een pluriforme verdeling over de disciplines met redelijk continue budgetten. Die komen mede tot a stand door een prognose op basis van ervaring en cijfers van de afgelopen jaren. In ee deze periode is daarbij nog € 3,8 miljoen van het budget overgeheveld naar de Bis, verf als budget voor de functies. Dit bedrag heeft de gemeente in afstemming met het 2 AFK en de Kunstraad bepaald. Het is binnen het AFK via een verdeelsleutel ca verrekend met de budgetten per discipline. Bij de Kunstraad is het toegevoegd als budget voor de functiebenoemingen. Bij het AFK is er ook de mogelijkheid om een multidisciplinaire beoordeling aan te vragen om te voorkomen dat aanvragers buiten een hokje vallen. Aanvragers maken daar overigens nauwelijks gebruik van. De commissies bestaan uit adviseurs met elkaar aanvullende deskundigheid, zodat er geen monodisciplinaire beoordeling is. Het AFK werkt met een score per criterium, wat leidt tot een ranking waarin aanvragers met een score ten opzichte van elkaar worden afgewogen (binnen een discipline). Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 30 Het toevoegen van een integrale eindafweging bij het AFK is juridisch complex. Het AFK zou vooraf moeten aangeven volgens welke spelregels deze afweging verloopt, hoe het omgaat met budgetconsequenties en daarvoor budget reserveren. Ook organisatorisch heeft het een impact. Er zou bijvoorbeeld een aparte commissie, op basis van criteria, alle ruim 200 aanvragen in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Ook bij de Rijkscultuurfondsen is een eindafweging — als deze wordt gehanteerd — vooraf ingeregeld. Het Fonds Podiumkunsten hanteert voor de meerjarige regeling bijvoorbeeld een flexibel budget dat wordt aangewend voor aanvragen met een positief advies maar waarvoor onvoldoende budget is. Het flexibele budget wordt volgens vooraf bepaalde rekenregels toebedeeld aan de categorieën waar sprake is van overvraging. 5.3. Ervaring van aanvragers De verschillen in beoordeling komen ook terug in de wijze waarop aanvragers naar de beoordelingsadviezen kijken. Uit onze enquête blijkt dat aanvragers gemiddeld een positievere waardering voor de beoordeling van het AFK hebben dan die van de Kunstraad, zoals te zien in Figuur 5 en 6. Daarbij merken we op dat het verschil in beoordeling kan samenhangen met verschillen tussen de groepen. Bij het AFK tellen bovendien de afwijzingen mee. Uit nadere analyse blijkt ook dat als adviezen volgens aanvragers goed onderbouwd zijn met argumenten en dat dit van invloed Is op de ervaren mate van deskundigheid in de commissies. Figuur 6: De deskundigheid die uit het advies van de commissie sprak, voldeed aan onze verwachtingen (AFK n=113; Kunstraad n=22; Totaal n=135). 42% 41% 40% 36% 2% 23% mAFK 20% 16% 19% \gscpmmi0% = Kunstraad SS” 11% 9% Eindtotaal helt EN a 9 oe 0% Ki Eens Overwegend Neutraal Overwegend Oneens ee) eens oneens | (aa) Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 31 Figuur 7: Het oordeel van de commissie in het advies voor onze instelling is goed onderbouwd met argumenten (AFK n=113; Kunstraad n=22; Totaal n=135). 40% 39% 6% 36% 0, 20% 14% me 7e anna 9% 10% In Dal =- 0% Eens Overwegend eens NeutraaDverwegend oneensOneens 5.4. Dubbele aanvraag Dat aanvragers voor de functies tegelijkertijd zowel een aanvraag bij de Kunstraad als bij het AFK moesten indienen, werd als een extra last gezien. Bijvoorbeeld omdat er verschillende richtlijnen waren voor het ondernemingsplan. Uiteindelijk kozen 28 instellingen er toch voor om een plan in te dienen binnen de 14 functies. De adviseurs van het AFK en de Kunstraad kregen de aanvragen ter beoordeling voorgelegd. Beide partijen melden dat de afstemming over deze aanvragen goed is verlopen. Daarbij waren ook dubbeladviseurs betrokken die zowel bij het AFK als de Kunstraad in de adviescommissie zaten. Daardoor was er ook zicht op de overige aanvragen en ontwikkelingen binnen een discipline. De rol van dubbeladviseurs was om te zorgen voor de aansluiting tussen de advisering over ‘dubbelaanvragen’ bij de Kunstraad en het AFK. Daarnaast om te adviseren over aanvragen met samenwerkingsverbanden tussen AFK- en Amsterdam Bis-aanvragers. 5.5. Lastendruk Hoewel er net als in de voorgaande evaluatie gevraagd is naar de lastendruk, kunnen we niet met zekerheid zeggen dat de methode van uitvragen identiek was. Daarvoor was te weinig informatie beschikbaar over de precieze opzet van de a enquête die gebruikt is in de vorige evaluatie. De uitkomst is daarom indicatief. rd 8 Die uitkomst is wel een duidelijke indicatie dat de lastendruk is toegenomen. Uit 2 … . . | onderstaande tabel blijkt dat de lastendruk in uren besteed aan de aanvraag is ra) toegenomen. Het aantal aanvragers dat 51 tot en met 100 uur heeft besteed aan de aanvraag is afgenomen van 23% naar 7%. Het aantal aanvragers dat meer dan 200 uur heeft besteed is toegenomen van 16% naar 43%. Dat de lastendruk is gestegen was te verwachten aangezien er een extra Actieplan diversiteit en inclusie opgesteld diende te worden (en een facultatieve nulmeting). Daarnaast kan er een effect zijn van ‘dubbel aanvragers’. Deze geven vaak aan meer dan 200 uur te hebben besteed. Opvallend is ook dat de instellingen in de Amsterdam Bis op naam veel tijd hebben besteed. Binnen deze groep werkte 79% Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 32 aan meerdere aanvragen voor meerjarige subsidies, waaronder ook landelijke subsidies. Mogelijk is het in de praktijk lastig onderscheid te maken naar welk werk voor welke aanvraag wordt gedaan. Binnen de aanvragers bij het AFK werkte 51% aan meerdere meerjarige aanvragen. Figuur 8: tijd besteed aan de aanvraag voor het Kunstenplan in de periode 2017-2020 (n=103) vergeleken met de periode 2021-2024 (n=135). 43% 40% 30% 20% 23% 21% 2 m 2017-2020 20% 17% 16% B 2021-2024 I 7 L Ì L 0% 0% 5 1t/ms5ouur 50-100 uur 100-150 uur 150-200 uur >200 uur Figuur 9: tijd besteed aan de aanvraag voor het Kunstenplan door aanvragers bij het AFK, de Kunstraad en bij beiden (dubbel aanvragers) (AFK n=106; Dubbel n=14; Kunstraad n=15). 100% 79% 0, 80% 67% 60% mAFK 40% 35% 35% = Dubbel 24% 20% Kunstraad 0, 20% 14% 7% 7% 7% IJ 7% ox o _ 5 ’ 50-100 uur 100-150 uur 150-200 uur >200 uur Gebruik van gegevens Aanvragers vullen als indieningsvereiste een formulier in met algemene gegevens, 8 activiteiten gegevens en financiële informatie. Deze gegevens kunnen gebruikt d worden voor individuele monitoring of algehele analyses van activiteiten, eef prestaties en spreiding. Het AFK presenteert bijvoorbeeld in de algemene | inleiding bij de besluiten een analyse van de aanvragen, toekenningen en en spreiding. De gemeente die de aanvragen voor de Bis ontvangt, ontsluit deze gegevens niet voor dergelijke beleidsmatige analyses. Ook voor deze evaluatie waren de verzamelde gegevens niet beschikbaar. Uit gesprekken met de ACI blijkt dat aanvragers deze formulieren tijdrovend vinden en dat het hen niet volledig helder is hoe de ingevulde gegevens gebruikt worden in de verantwoording. Naar ons oordeel dient de lastendruk van wat je vraagt in verhouding te staan tot wat je met de informatie doet. Die balans dient een continu punt van aandacht te zijn in het kader van de lastendruk. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 33 ® 6. Proces: Besluit ngsfe 6.1. Planning Het besluit over het Kunstenplan zou in november 2020 in de gemeenteraad worden gebracht. Dat werd december, waardoor de definitieve toekenningen pas vlak voor de start van de nieuwe kunstenplanperiode verzonden werden. Het AFK heeft de besluitvorming op tijd afgerond in begin augustus. AFK BEKENDMAKING BESLUITEN BESLUIT EXTRA GEMEENTERAAD BESLUITEN | HONORERING 11 | THEATERINSTELLINGEN & TOEVOEGING ONS' LIEVE HEER OP SOLDER ® e aug. 20 sep. 20 okt. 20 nov. 20 dec. ie jan. 21 KDD BEHANDELING KP 21-24 BESLUIT COLLEGE B&W LAATSTE RAADSVOORSTELLEN 6.2. Besluitvorming bij het AFK In aanloop naar de besluitvorming door het AFK bleek dat er een tekort aan subsidiebudget was binnen de discipline theater. Ten opzichte van andere disciplines vielen er veel aanvragers onder de zaaglijn. Het tekort kwam voort uit een te lage inschatting van de subsidiebehoefte binnen deze discipline. Onder meer door een onderschatting van het aantal nieuwe aanvragers. Dit betrof nieuwe podia en gezelschappen die (onvoorzien) van Amsterdam hun standplaats maakten. Daarnaast werden in de functie voor theatergezelschappen in de Amsterdam Bis aanvragen toegekend met een relatief laag bedrag. Daardoor bleven aanvragers met een relatief hoog bedrag bij het AFK. Ee L Bij publicatie heeft het AFK de instellingen genoemd die als wel subsidiabel ee) werden beoordeeld maar waarvoor onvoldoende budget beschikbaar was. In de Fr gesprekken met raadsleden komt de indruk naar voren dat het AFK hierin met een politieke opzet heeft gehandeld. Echter, het publiceren van de totale lijst van instellingen die als subsidiabel zijn beoordeeld is gangbaar en is in de vorige periode ook gedaan. Een instelling kan namelijk geholpen zijn met een positief oordeel en het achterhouden van dat oordeel zou een benadeling kunnen zijn. Het Is ook een vorm van transparantie. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 34 6.3. Besluitvorming in de gemeenteraad In de raad ontstond discussie over de beoordeling van een aantal instellingen die door het AFK niet met een subsidie werden gehonoreerd omdat ze onder de zaaglijn vielen. Volgens de raad mochten deze instellingen echter niet ontbreken in het Kunstenplan. Een aantal instellingen maken ook nog gebruik van vastgoed van de gemeente. Dat maakte het dilemma voor de raad alleen maar groter. Reparaties door de raad De raad heeft een aantal reparaties zelf doorgevoerd. Er is een instelling (Museum Ons' Lieve Heer op Solder) alsnog op naam benoemd in de Amsterdam Bis en Stichting Educatieve Projecten is toegevoegd aan het Cluster Cultuureducatie. Omdat het AFK als fonds op afstand zelfstandige besluiten neemt, de gemeente binnen het bestaande budget geen ruimte had en de gemeenteraad geen ruimte zag om de probleemgevallen onder de zaaglijn op te lossen, werd het AFK gevraagd met een oplossing te komen. Die oplossing is afgestemd met de gemeente als opdrachtgever van het AFK. 6.4. Verzoek aan het AFK Uit de raadsdebatten komt ten aanzien van het AFK een beeld naar voren van ‘hoe heeft dit kunnen gebeuren?’ Daarbij doelend op de instellingen die volgens de raad onterecht tussen wal en schip kwamen (lees: onder de zaaglijn bij het AFK). Daarbij moeten naar onze mening twee punten in ogenschouw worden genomen. Ten eerste dat pijnlijke afwijzingen inherent zijn aan een systeem waarin schaarse middelen worden verdeeld op basis van een criteriumbeoordeling door deskundige peer-review. Ten tweede dat de druk op het budget bij het AFK groot Is. Het budget was 101% overvraagd. Er was € 39,6 miljoen gevraagd en € 19,7 miljoen beschikbaar. Binnen de Amsterdam Bis op naam was de overvraging 13%. De overvraging voor de functies is bij het AFK terechtgekomen, en is onderdeel van de € 39,6 miljoen. Om de probleemgevallen op te lossen is het AFK gevraagd € 1,9 miljoen vrij te maken uit de regeling Ontwikkeling voor de overvraging in de discipline theater. Voor deze regeling was oorspronkelijk € 2,6 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er Ee € 0,8 miljoen vrijgemaakt uit de projectsubsidies om de Ontwikkelregeling weer S aan te vullen. Dit bedrag wordt ingezet om een aantal instellingen die in andere fi) disciplines onder de zaaglijn waren geëindigd alsnog te honoreren vanuit deze 2- 5 jarige regeling. Hiervoor is de regeling specifiek aangepast, zodat deze alleen @ toegankelijk is voor een afgebakende groep instellingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen. In het advies bij het Kunstenplan 2021-2024 stelt de Kunstraad onomwonden dat de politieke ingreep bij het AFK een slecht idee is!!, De getroffen regeling biedt naar het oordeel van de Kunstraad eigenlijk te weinig soelaas, is tijdelijk van aard, u Advies Kunstenplan 2021-2024, Amsterdamse Kunstraad. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 35 gericht op een select aantal instellingen die vastgoed exploiteren en verstoord daarmee het gelijke speelveld. Het effect van de herverdeling is dat de pot projectsubsidies is geslonken van 4,8 miljoen naar 3,4 miljoen, omdat hieruit ook de subsidie van € 0,6 miljoen is vrijgemaakt voor de overheveling van Museum Ons’ Lieve Heer op Solder naar de Amsterdam Bis, Er is nu minder budget beschikbaar voor projecten van kleinere initiatieven, projecten en makers. Dat is volgens iedereen een ongewenst effect maar uiteindelijk een keuze tussen twee kwaden. 6.5. Dilemma's bij besluitvorming De gemeente kan bij instellingen zowel subsidieverstrekker zijn in het kader van het Kunstenplan en beheerder van het vastgoed of het erfgoed zijn. Dat de gemeente geconfronteerd kan worden met het feit dat deze twee rollen niet meer samenvallen, kan een aandachtspunt zijn in het beleid voor cultureel vastgoed. Het is binnen de regelingen niet goed mogelijk een voorkeurspositie te geven aan instellingen met een dergelijke relatie omdat er dan geen sprake meer is van een eerlijk speelveld. Lobbykracht Bij de behandeling van het Kunstenplan in de gemeenteraad is er voor instellingen die buiten de boot dreigen te vallen nog de gelegenheid om een lobby op te zetten om te proberen alsnog in de Amsterdam Bis te komen. Alle gesprekspartners signaleren dat het daarbij voor grotere of meer gevestigde instellingen makkelijker is om een lobby te organiseren. Nieuwkomers of minder gevestigde instellingen zijn hier overwegend in het nadeel. Overigens heeft niemand een effectieve oplossing om ook hier een gelijk speelveld te creëren. Complex Uit de gesprekken met enkele raadsleden blijkt overigens dat het hele systeem van het Kunstenplan voor hen complex is. Raadsleden hebben beperkte tijd en meerdere dossiers. Het is voor hen lastig om het aan hen voorgelegde beleid, de adviezen en de besluiten in alle nuances, met alle specificaties en met alle consequenties volledig te doorgronden. = L 6.6. Bezwaren En Aanvragers kunnen bezwaar aantekenen bij een onafhankelijke bezwaarcommissie Fr tegen het besluit van het AFK als er feitelijke onjuistheden zijn in het proces of het advies. Het aantal bezwaren bij het AFK is licht hoger dan in de vorige periode. Bij het AFK waren er vijf procedurele bezwaren en 27 inhoudelijke bezwaren. Alle procedurele bezwaren zijn ongegrond verklaard. In eerste instantie waren er 39 inhoudelijke bezwaren waarvan er 12 uit de discipline theater zijn ingetrokken omdat deze alsnog werden gehonoreerd. Uiteindelijk zijn er 26 bezwaren ongegrond verklaard en één bezwaar gedeeltelijk gegrond. Er zijn op de besluiten Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 36 in de bezwaarprocedures zes beroepszaken aangespannen. Daarvan zijn er door de rechtbank twee ongegrond verklaard en vier nog lopend. In de vorige periode werden er ook vijf procedurele bezwaren ingediend, waarvan er één gegrond werd verklaard. Er werden 21 inhoudelijke bezwaren op de besluiten ingediend. Eén bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, dertien ongegrond en zeven gegrond. In twee gevallen heeft de heroverweging van de adviescommissie destijds alsnog geleid tot honorering door het AFK. Bij de gemeente is één bezwaar ingediend over de gevolgde procedure bij de toewijzing op naam. Over de stand van zaken heeft de gemeente voor deze evaluatie geen informatie kunnen geven omdat het vertrouwelijke informatie is. In theorie kan hierin een risico schuilen. In het geval dat het bezwaar gehonoreerd wordt, kan dat van invloed zijn op het principe van de benoeming op naam. Die is gebaseerd op de uniciteit van instellingen. Mocht de uniciteit ter discussie komen te staan, zou dat effect kunnen hebben voor meer instellingen in de Amsterdam Bis als er sprake is van vergelijkbare posities in het Kunstenplan. a] na Ll = (aa) Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 37 7. Eerste effecten van het ingezette belei gezette beleid In de vraagstelling bij deze evaluatie wordt gevraagd naar eerste effecten, ervaringen en constateringen bij het Kunstenplan 2021-2024. Daarbij wordt specifiek aandacht gevraagd voor het belangrijke beleidsthema diversiteit en inclusie en de spreiding in de stad, waaronder we ook de samenwerking met de stadsdelen meenemen. 7.1. Diversiteit en inclusie Diversiteit en inclusie vormden een zichtbare rode draad in het cultuurbeleid van 2021-2024 en worden ook wel gezien als een stempel van de huidige coalitie en wethouder. De thematiek stond centraal in de Contouren, de Hoofdlijnen en de debatten en was een leidend argument voor een verandering van de Amsterdam Bis. Met de invoering van nieuwe beleidsinstrumentaria rondom diversiteit en inclusie — een actieplan, een nulmeting en in zekere mate ook de functies — toonde de wethouder bereidheid om zich wezenlijk in te zetten voor een meer inclusieve cultuursector. In deze evaluatie kijken we naar eerste ervaringen daarmee. Het AFK constateert een verschuiving op het vlak van culturele diversiteit, mede door eerder beleid. Ten opzichte van het Kunstenplan 2017-2020 ziet het fonds een stijging van instellingen die naar hun inschatting ‘volledig cultureel divers werken’? Hieronder schaart het AFK instellingen die dit element als uitgangspunt nemen in hun gehele werkwijze (waaronder aanbod, publieksbereik, personeel en toezicht). In de vorige periode werd dat geschat op een vijfde en bij het huidige Kunstenplan op bijna een kwart van de gehonoreerden. Uit onze enquête blijkt dat 54% van de aanvragers in de plannen meer aandacht aan diversiteit en inclusie hebben geschonken dan anders. Bij instellingen die zijn a beoordeeld door het AFK is dat 56%; in de Amsterdam Bis op naam is het 40% en ee in de Amsterdam Bis op functie 57%. Niemand besteedde er minder aandacht aan. ef Alleen in de Amsterdam Bis op naam besteedde het merendeel evenveel aandacht | aan diversiteit en inclusie. Dat deze groep naar verhouding het minst extra inzet ca op het beleidsthema, kan worden gezien als een matig effect. Juist grotere en ‘statische!’ instellingen, waar de huidige Amsterdam Bis op naam voornamelijk uit bestaat, worden immers het meest bekritiseerd op hun gebrek aan diversiteit. 2 Uit de interne analyse van het AFK. Zie ook: Algemene inleiding regeling Vierjarige subsidies 2021-2024, Amsterdams Fonds voor de Kunst. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 38 Figuur 10: In welke mate de Hoofdlijnen van invloed zijn geweest op de aandacht voor diversiteit en inclusie in het meerjarenplan (AFK n=112; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=134). 100% 80% 60% m Meer 40% m Evenveel 20% 0% AFK Bisop naam Bis op Functie Eindtotaal Beoordeling op het criterium In de Hoofdlijnen van 2017-2020 was diversiteit nog verweven in de criteria zakelijke kwaliteit en publieksbereik. Nu was het een separaat criterium, dat aansloot bij de herziening van de landelijke Code Diversiteit & Inclusie (de opvolger van de Code Culturele Diversiteit). Het AFK is — in overleg en met instemming van de gemeente — in de regeling niet meegegaan met de bredere benadering van de Hoofdlijnen en prioriteerde culturele diversiteit in de beoordeling. De motivering daarvoor is dat op dat vlak de grootste inhaalslag nodig is. Het fonds geeft in de algemene inleiding van de besluiten aan niemand louter op een slechte beoordeling van dit criterium te hebben afgewezen!3. De Kunstraad neemt de criteria uit de Hoofdlijnen integraal over. Opvallend is dat de Kunstraad zich in enkele beoordelingen kritisch heeft uitgesproken over diversiteit en inclusie, met name bij instellingen op naam. De insteek van het Actieplan was om hier in deze beoordelingsronde geen consequenties aan te verbinden en te wachten tot de beoordeling voor het volgende Kunstenplan. Dan zal worden teruggekeken naar hoe de plannen tot Ee uitvoering zijn gekomen. Er wordt daarbij uitgegaan van verschillende < startposities van instellingen en de nadruk op hun groeiproces (hierover meer op en) pagina 41). Of het beleidsaccent op diversiteit en inclusie leidt tot substantiële | verschuivingen in subsidietoekenningen van de Amsterdam Bis op naam, zal, naar verwachting, pas in de volgende periode blijken. 13 Algemene inleiding regeling Vierjarige subsidies 2021-2024, Amsterdams Fonds voor de Kunst. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 39 Figuur 11: In welke mate aanvragers vinden dat de commissie in het advies recht doet aan de bijdrage aan diversiteit & inclusie (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135). 0, 80% 71% m (Redelijk) Groot 60% % 42% 0 Niet kei % = Niet klein en 40% — 370 33% ° 20% niet groot 20% 20% . 20% (Redelijk) Klein 0% AFK Bis op naam Bis op Functie Figuur 12: Hoe aanvragers het vermogen van hun organisatie inschatten om bij te dragen aan een inclusieve stad (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135). 100% 86% 80% m (Redelijk) Groot 67% 60% 60% = Niet klein en niet groot 40% 9 27% 25% (Redelijk) Klein 20% 13% 14% 8% E 0% AFK Bis op naam Bis op Functie In de enquête is gevraagd hoe aanvragers het advies beoordelen op het thema en hoe zij hun eigen vermogen inschatten om bij te dragen. Dit kan inzicht geven in hoe het oordeel uit de adviestekst aansluit op het perspectief van de aanvragers. a Ki Van het totaal van alle aanvragers vindt 40% dat de commissie in redelijke tot ef grote mate recht doet aan de bijdrage op diversiteit en inclusie (Fout! | Verwijzingsbron niet gevonden). Vrijwel hetzelfde aandeel (39%) vindt het en tegenovergestelde, De kritische houding van de aanvragers ten opzichte van de commissies blijkt ook uit de inschatting van hun eigen bijdrage. Uit Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. blijkt dat 67% van hen het vermogen om bij te dragen groot tot redelijk groot inschatten. Bij de instellingen die zijn benoemd in de Amsterdam Bis op functie sluit de waardering van het advies het beste aan bij de beoordeling van het vermogen om zelf bij te dragen. Het is goed denkbaar dat de verweving van de “inclusieve stad’ in 5 van de 9 functies (zoals we eerder aangaven op pagina 28), hier heeft Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 40 meegespeeld. Bij de AFK-aanvragers is het verschil het grootst. Dit sluit aan bij het beeld dat uit de gesprekken naar voren komt: de beoordeling van het AFK op dit onderdeel wordt als het meest kritisch gezien. Hoewel het niet verwonderlijk is dat aanvragers hun eigen bijdrage hoger inschatten dan dat adviseurs dat met een kritische blik doen, is er nog winst te behalen in de stimulans en beoordeling van diversiteit en inclusie. De aanvragers schatten hun bijdrage namelijk structureel en substantieel hoger in. Actieplan en nulmeting Het Actieplan diversiteit en inclusie was een nieuwe instapeis voor de 4-jarige subsidies van het Kunstenplan. Met dit plan werden aanvragers aangezet om aan te geven welke stappen ze zouden zetten ter bevordering van hun bijdrage aan diversiteit en inclusie. Met het oog op de vele verschillen tussen instellingen in aard, doelgroepen en grootte, ging het actieplan uit van het individuele vermogen van instellingen en hun ontwikkeling. In andere woorden: welke stappen zijn mogelijk en reëel per instelling, wat komt daarvan tot realisatie en wat brengen ze teweeg. Ondanks de kwaliteitsverschillen tussen de plannen, kan de aanzet als een duidelijk effect worden gezien. Het heeft bijgedragen aan het op de kaart zetten van het beleidsthema diversiteit en inclusie. Door dit vereiste hebben alle aanvragers zich immers over de betreffende thematiek gebogen en een plan opgesteld — en bijvoorbeeld niet enkel instellingen die dat altijd of al langer deden. Uit de enquête van het AFK komt naar voren dat er onder diens aanvragers minder begrip was voor een separaat stuk, naast het ondernemingsplan. Verder geven meerdere gesprekspartners aan dat instellingen die geen visie op diversiteit en inclusie hadden ontwikkeld, geen gegevens paraat hadden of (nog) niet goed wisten hoe met deze thematiek om te gaan, het actieplan als een bijkomende last hebben ervaren. Het is logisch dat een thema dat nog niet in een organisatie is geïncorporeerd, als een bijkomstige last wordt ervaren. Dit hoeft geen probleem te zijn; de actieplannen waren immers bedoeld om te stimuleren. Echter kan de verhoogde werkdruk, door de verkorte indieningstijd voor de aanvragen, het a gevoel van ‘een extra last’ hebben versterkt voor wie meer tijd behoefde om het ee actieplan in te vullen. ef | De nulmeting, een vragenlijst die voorbereidend aan het actieplan werd uitgezet, na) is door meer dan de helft van de 250 bevraagde kunstinstellingen ingevuld en heeft tot een cumulatieve analyse geleid.'s Daaruit bleek onder andere dat vrijwel alle instellingen zich met diversiteit en inclusie bezighouden, maar niet allemaal even concreet. Ook bleek het bereiken van een divers personeelsbestand als het 4 Deelrapport aanvragers procesevaluatie vierjarige regeling 2021-2024. 15 Rapport Nulmeting diversiteit en inclusie kunstinstellingen van de afdeling Onderzoek, Informatie en Statistiek, Gemeente Amsterdam. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 41 lastigst te worden ervaren en is er ruimte voor verbetering van fysieke toegankelijkheid. Zodoende leidde de nulmeting tot een zekere indicatie van trends en aandachtspunten, wat bruikbaar kan zijn voor toekomstig beleid. Ook zou een vervolgmeting de effecten van het huidige beleid omtrent diversiteit en inclusie kunnen aantonen. Echter zet Blueyard kanttekeningen bij de methodiek. Het invullen van de nulmeting was namelijk facultatief. In een volgende ronde zou de vragenlijst door andere instellingen ingevuld kunnen worden, waardoor de analyse niet goed te vergelijken is met de nulmeting. Bovendien werd in de interviews kritiek geuit over de anonimiteit van de nulmeting, waardoor er in de analyse geen onderscheid gemaakt kon worden tussen aanvragers van het AFK en de Amsterdam Bis. Ook zou het zo kunnen zijn dat vooral instellingen die belang hechten aan diversiteit en inclusie de moeite hebben genomen de nulmeting in te vullen, waardoor het wellicht een te positief beeld geeft. Functies Met de toekenningen van de functieplekken is het in principe gelukt om meer diversiteit in de Amsterdam Bis te halen. Of de Bis als geheel (dus de instellingen op naam meegerekend) een inclusiever karakter heeft gekregen, moet nog blijken uit komende ontwikkelingen. Mits goed wordt gemonitord hoe de Amsterdam Bis uiteindelijk met diversiteit omgaat in de periode 2021-2024 en welke resultaten al dan niet worden geboekt op dat vlak. Meerdere gesprekspartners geven aan dat de functietoekenningen ook tot onbegrip hebben geleid. Met name bij het afvallen van instellingen die bekendstaan om diversiteit in bijvoorbeeld hun aanbod en personeel goed bij de beleidslijnen zouden passen. Dit wringt des te meer omdat ook sommige instellingen op naam een negatieve beoordeling op het criterium hebben gekregen. Reparaties: effect op diversiteit en inclusie? Alle direct betrokken gesprekspartners maken zich zorgen over de mogelijkheid dat de budgettaire verschuivingen voor het bekostigen van de reparaties, een negatieve impact hebben op kleine instellingen en individuele makers. Deze a partijen zijn veelal afhankelijk van projectsubsidies. Dat er nu minder middelen tE … . . . KN zijn voor de projectenregeling kan een extra nadelig effect betekenen voor de verf diversiteit van het aanbod en bereik, alsook voor de diversiteit onder 2 gesubsidieerde makers en andere betrokkenen. Doorgaans wordt geconstateerd D dat grassroots-initiatieven ‘organischer’ bijdragen aan diversiteit en inclusie van het veld, omdat daar bijvoorbeeld meer onderbelichte verhalen worden verteld. Ook komen er allerlei initiatieven of projecten tot stand doordat personen of groepen uit de samenleving zichzelf ondervertegenwoordigd zien in culturele instituten, of daar geen aansluiting bij voelen. Blueyard constateert dat de reparaties met middelen uit de projectenregeling vooral ten goede zijn gekomen aan de grotere instellingen die 4-jarig ondersteund worden, terwijl deze regeling daar niet voor bestemd was. Bovendien loopt de Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 42 aanwas voor cultureel diverse aanvragers in de volgende vierjarige regeling ook via de route van de projectenregeling en de regeling ontwikkeling. Deze ingreep staat daarmee haaks op het beleid, waarin meer aandacht is voor diversiteit, makers en kleine initiatieven. 7,2. Spreiding In deze evaluatie kijken we wat er terecht is gekomen van het beleidsvoornemen om meer oog te hebben voor een betere spreiding over de stad. Hier wordt door de gemeente op in gezet in de gedachte dat wanneer kunst en cultuur voor iedereen nabij is dit bij kan bijdragen aan sociale cohesie en persoonlijke ontwikkeling. We schetsen een beeld zoals dat naar voren komt uit gesprekken met de stadsdelen en zoomen in op de afstemming tussen de verschillende actoren. Uit de enquête blijkt dat 27% van de aanvragers meer aandacht besteedde aan spreiding. De overige 73% besteedde evenveel aandacht als voorheen. Bij het AFK en Bis op functie zijn vergelijkbare uitkomsten te zien. Bij de Bis op naam besteedde slechts 13% van de aanvragers meer aandacht aan spreiding. Figuur 13: In welke mate de Hoofdlijnen van invloed zijn geweest op de aandacht voor spreiding van activiteiten over de stad (AFK n=112; BoN n=t5; BoF n=7; Totaal n=134). 100% 80% 60% m Meer 40% m Evenveel 20% 0% AFK Bisop naam Bis op Functie Eindtotaal za Ki Ook voor spreiding is gevraagd hoe aanvragers het advies op dit punt beoordelen ef en hoe zij hun eigen vermogen inschatten om bij te dragen. | (aa) Van het totaal van alle aanvragers vindt 24% dat de commissie in redelijke tot grote mate recht doet aan de bijdrage aan spreiding (Figuur 13). Het grootste deel (51%) is hier neutraal over. Dat beeld komt terug bij de andere categorieën. Over de inschatting van hun eigen bijdrage zijn de aanvragers explicieter. Van hen vindt 42% de bijdrage groot tot redelijk groot en 27% vindt die klein tot redelijk klein. Bij de Bis op naam is de uitkomst het meest uitgesproken. Daarvan is 53% positief over die bijdrage en 40% ziet een bescheiden bijdrage. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 43 Figuur 14: In welke mate aanvragers vinden dat de commissie in het advies recht doet aan de bijdrage aan spreiding (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135). 100% 86% 80% m (Redelijk) Groot 60% 53% 49% = Niet klein en niet groot 40% 34% 33% 9 Redelijk 20% 18% 13% 14% Kein Jo LT TD ” 0% AFK Bis op naam Bis op Functie Figuur 15: Hoe aanvragers het vermogen van hun organisatie inschatten om bij te dragen aan spreiding (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135). 100% 80% m (Redelijk) 67% Groot 60% 57% 43% n Niet gen en 40% — 35% 35% 34% 08700 27% (Redelijk) 20% . 0% 0% mm AFK Bis op naam Bis op Functie Beoordelingscriterium Spreiding is in de beoordelingskaders opgenomen onder het criterium ‘belang voor de stad’. Wanneer we inzoomen op het criterium zien we in de Hoofdlijnen = dat er met name gekeken wordt naar het aanbod. Oftewel, weet een instelling een < programmatische verbinding te leggen met instellingen of bewoners uit Pe omliggende buurten, maar ook andere buurten in de stad. Bij de beoordeling door | de adviescommissies zowel bij AFK als bij de Kunstraad wordt er gekeken naar of De en hoe er met andere instellingen wordt samengewerkt en of dit op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid gebeurt. Bij het AFK wordt spreiding benoemd als zowel het cultuuraanbod, als het publieksbereik ervan. Nog specifieker wordt er gevraagd of de aanvrager activiteiten ontplooit en publiek bereikt buiten de stadsdelen Centrum en Zuid. De Kunstraad kijkt breder naar dit criterium. Bereik van diverse groepen uit andere stadsdelen met aanbod in Centrum of Zuid werd ook als spreiding gezien. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 44 Blueyard constateert — mede op basis van de gesprekken — dat juist de verschillen in de invulling en beoordeling op het criterium spreiding bij het AFK en de Kunstraad bijdragen aan onbegrip bij de aanvragers. 7,3. Verbinding met de stadsdelen In de Contouren is aangekondigd dat er afgestemd zou worden met de stadsdelen. Daarbij wordt niet gespecifieerd waarover en met welk doel. In het stedelijk overleg is er op ambtelijk niveau regelmatig overleg geweest over de Hoofdlijnen. Uit gesprekken met de bestuurders en ambtenaren uit de stadsdelen blijkt dat dit overleg op prijs wordt gesteld. Stadsdelen pleiten wel voor een duidelijkere markering van momenten in het proces waarop zij input kunnen leveren, gekoppeld aan voldoende tijd om dit op een kwalitatieve wijze te kunnen doen. Hierbij wordt verwezen naar de Hoofdlijnennota, die op bestuurlijk niveau weliswaar voor input en feedback is voorgelegd, maar waarbij de responstijd te kort was (slechts een aantal dagen) om hier gedegen werk van te kunnen maken. Effect van centralisering Door centralisering hebben de stadsdelen minder invloed op het cultuurbeleid in hun eigen stadsdeel.'é Stadsdelen geven wel uitvoering aan de stedelijke regeling Gebiedsgebonden kunst- en cultuuractiviteiten. Daartoe stellen de stadsdeelbesturen ieder jaar een bijbehorend Uitwerkingsbesluit vast waarin de verbinding wordt gelegd met de gebiedsplannen en de lokale situatie/behoeften. Uit deze budgetten kan eenmalige ondersteuning worden gegeven. Stadsdelen ervaren echter wel dat het moeilijk is om samenhang en doorstroom te realiseren voor initiatieven die vanuit de regeling Gebiedsgebonden kunst- en cultuuractiviteiten worden ondersteund naar het Kunstenplan. Terwijl ze hier wel kansen toe zien. De stadsdelen zouden afstemming willen over de inzet van deze middelen in samenhang met de projectregelingen bij het AFK. Blueyard constateert uit de gesprekken dat er kansen liggen om de stedelijke regeling Gebiedsgebonden kunst- en cultuuractiviteiten meer te benutten als doorgeleiding naar de regelingen bij het AFK (of andersom). Dit vereist een structurele afstemming tussen de stadsdelen en AFK, om kansrijke initiatieven op te sporen en te begeleiden in deze doorgroei. De cultuurverkenners van het AFK a zouden hierin wellicht een (grotere) rol kunnen spelen. Zij zijn al actief in de ee buurten en kennen de spelers. ef = Profielen ca In de totstandkoming van de Hoofdlijnen is de stadsdelen gevraagd een profiel op te stellen. Deze profielen beschrijven waar de stadsdelen zich met cultuur in onderscheiden en wat hun speerpunten voor cultuur zijn, gekoppeld aan de bredere gebiedsplannen. De concepten van de profielen zijn gedeeld en vervolgens zijn ze bestuurlijk vastgesteld en opgenomen als bijlage in de Hoofdlijnen. Uit 16 Evaluatie Totstandkoming Amsterdamse Kunstenplan 2017-2020, APE, maart 2018. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 45 verschillende gesprekken blijkt dat de precieze functie van de profielen niet voor alle stadsdelen duidelijk is. Blueyard is van mening, met een aantal gesprekspartners in de stadsdelen, dat in de ontwikkeling van Amsterdam als een meerpolige stad de profielen nog meer kunnen bijdragen aan een dialoog tussen de stadsdelen onderling en de centrale stad. Er kan nog beter gekeken worden naar hoe de stadsdelen elk op eigen wijze kunnen bijdragen aan het totale culturele profiel van Amsterdam. Verbinding met AFK en Kunstraad Daar waar de stadsdelen via de Cultuurverkenners van het AFK een verbinding hebben met het fonds, is deze er niet met de Kunstraad. Met name in de Verkenning zou hier volgens de stadsdelen extra aandacht aan gegeven kunnen worden. De Kunstraad geeft aan dat de verslagen van de cultuurverkenners bij het AFK zijn opgevraagd als input voor de Verkenning. Een wat meer direct contact tussen Kunstraad en de stadsdelen, zou door de stadsdelen op prijs worden gesteld. Echter realiseren ze zich daarbij ook dat de Kunstraad slechts over een kleine staf beschikt. Blueyard suggereerde eerder in dit rapport al een meer methodische aanpak van de Verkenning (zie pagina 21). Afstemming met de stadsdelen kan hier onderdeel van zijn. Speerpunten In het beleid is ruimte gemaakt voor de ontwikkeling van kunst en cultuur in de stadsdelen. In de evaluatie van het Kunstenplan 2017-2020 wordt reeds geconstateerd dat de aanwezigheid van Cultuurhuizen in de stadsdelen “een belangrijke bijdrage levert aan de pluriformiteit van het kunstaanbod en de diversiteit van makers en publiek”7 Door de gemeente is in de afgelopen jaren ingezet op de ontwikkeling van een aantal grootstedelijke voorzieningen ook buiten het centrum. In het Kunstenplan 2021-2024 wordt ruimte gemaakt voor een inhaalslag in de stadsdelen Noord, Zuidoost en Nieuw-West. We stellen vast dat de Stadsdelen Zuid en Oost nog niet over een cultuurhuis a beschikken. In Oost is er wel een ontwikkeling in gang gezet, waarbij vijf ee instellingen in een multidiseiplinair cultuurnetwerk de rol van Cultuurhuis willen ef oppakken. In hun individuele aanvragen hebben deze instellingen specifiek | aandacht gegeven aan deze samenwerking en hiervoor extra middelen ca aangevraagd. Deze middelen zijn overwegend niet toegekend, waardoor de ontwikkeling van Cultuurhuis Oost onder druk komt te staan. 7.4. Cluster Cultuureducatie In 2017 (bij de stelselherziening) is er gekozen voor een apart Cluster Cultuureducatie binnen het Kunstenplan, met instellingen die vanuit de subsidie 17 Evaluatie Totstandkoming Amsterdamse Kunstenplan 2017-2020, APE, maart 2018. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 46 grotendeels gratis diensten aan scholen aanbieden? Het cluster valt onder directe verantwoordelijkheid van de gemeente vanwege de inhoudelijke samenhang met het (gemeentelijke) onderwijsbeleid. De afspraken met deze instellingen en het onderwijs maken deel uit van het convenant Basispakket. Dit convenant loopt synchroon met het landelijke bestuurlijke akkoord Cultuur en Onderwijs 2013-2023. Landelijke en lokale bestuurders hebben voor een langere looptijd gekozen om te zorgen voor een structurele verankering van cultuur in het onderwijs. Op dit moment is vernieuwing van het convenant en de looptijd ervan onderwerp van gesprek op landelijk en lokaal niveau. Of er een nieuw convenant komt staat nog niet vast. De Kunstraad pleit, bij een mogelijke beëindiging van het convenant en opheffing van het cluster, om de betreffende instellingen binnen de Amsterdam Bis te plaatsen. Dit vanwege hun belangrijke maatschappelijke en onmisbare rol voor de stad. Wij achten het verstandig om deze constructie eerst juridisch te toetsen. Beoordeling Het AFK is door de gemeente verzocht om de instellingen uit het Cluster Cultuureducatie te beoordelen, waarbij de bestaande afspraken met scholen (die een financiële vertaling hebben) het uitgangspunt waren. Het budget voor muziekeducatie is voor de periode 2021-2024 met € 400.000 gekort door het niet continueren van de subsidie voor muziekeducatie aan het Concertgebouw en aan Muziekschool Amsterdam Noord, om ruimte te maken voor een ophoging van de subsidie met € 400.000 aan Aslan Muziekcentrum en Het Leerorkest. Niet voor al onze gesprekspartners was duidelijk dat de verdeelsleutel voor verdeling van het budget op basis van afspraken met scholen over de instellingen gehandhaafd moest worden. Omdat het om grotendeels gratis diensten aan scholen gaat is voor deze instellingen een uitzonderingspositie gecreëerd ten opzichte van de overige instellingen in het Kunstenplan, waarvoor een beoordeling wel degelijk tot financiële gevolgen kon leiden, zowel in positieve als in negatieve zin. a] Blueyard is van mening dat het verstandig zou zijn om de instellingen binnen het ee cluster op gelijke wijze te beoordelen als de overige 4-jarigen en daar indien nodig ef ook financiële consequenties, positief dan wel negatief, aan te verbinden. Dit | draagt bij aan de integraliteit van het Kunstenplan en een eenduidige beoordeling. ca Bovendien is het niet uit te leggen waarom deze instellingen vrijgesteld zijn van concurrentie. De voorkeurspositie die gemeente geeft aan muziekeducatie, vanwege het convenant, beperkt de kansen van andere aanvragers. Tijdens deze evaluatie is de vraag naar voren gekomen waar de beoordeling van het Cluster Cultuureducatie het meest geëigend is: bij het AFK of bij de 18 Vanaf 2021 bestaat het Cluster Cultuureducatie uit de volgende instellingen: Aslan Muziekcentrum, Het Leerorkest, Muziekschool Amsterdam en Stichting Educatieve Projecten (SEP). Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 47 Kunstraad? Als we uitgaan van de structurele aard en werking van de instellingen en het convenant kunnen ze als onderdeel van de Amsterdam Bis worden beschouwd. De inhoudelijke expertise voor beoordeling zit zowel bij het AFK als bij de Kunstraad. Om de kennis over het gehele veld bij het oordeel te betrekken en het onderwerp cultuureducatie integraal te benaderen raden wij aan om ook in de commissie educatie te werken met dubbel-adviseurs. Ingrepen Ondanks dat het cluster niet openstond voor nieuwe aanvragers zijn er wel ingrepen gedaan door toevoeging van de Stichting Educatieve Projecten (SEP) en het Jongerencultuurfonds Amsterdam. Er is geschoven met budgetten binnen het cluster (door onder meer onderbesteding bij Mocca vanwege verminderde activiteiten in het coronajaar 2020) en er is een toevoeging gedaan aan het budget door een onttrekking aan de reserve Kunstenplan voor financiering van SEP. SEP heeft aangevraagd bij het AFK, maar is toegevoegd aan het cluster omdat het AFK vanuit de 4-jarige regeling onvoldoende budget had om de aanvraag te honoreren. Het college oordeelde dat de coördinerende en faciliterende rol van SEP zowel voor scholen als het netwerk van cultuureducatieprofessionals van belang is. De toevoeging van het Jongerencultuurfonds Amsterdam aan het cluster is budgetneutraal geweest. Een kritische beoordeling van Muziekschool Amsterdam heeft geleid tot een tussentijdse evaluatie. Een positieve beoordeling van Aslan Muziekcentrum en Het Leerorkest hebben geleid tot een extra bijdrage. Voor Het Leerorkest betrof dit een bijdrage voor uitbreiding van de buitenschoolse cultuureducatie en voor fair pay, bij Aslan Muziekcentrum voor extra huisvestingslasten en fair pay. Fair pay We constateren dat Aslan Muziekcentrum en Het Leerorkest een hogere subsidie hebben gekregen, waarmee ze onder meer in staat werden gesteld om aan het principe van fair pay te voldoen. Tegelijkertijd stellen we ook vast dat niet alle instellingen binnen het Kunstenplan die omwille van fair pay een hogere subsidie hebben aangevraagd, deze ook hebben gekregen. We zouden verwachten dat hierin een meer eenduidige lijn zou zijn gevolgd. jaN na Blueyard constateert dat het Cluster Cultuureducatie binnen het Kunstenplan 5 feitelijk functioneert als onderdeel van de Bis, maar dan met een langere looptijd a dan vier jaar. Fi Blueyard adviseert om bij verlenging van het convenant te overwegen om de looptijd beter aan te sluiten op die van het Kunstenplan door bijvoorbeeld een looptijd van twee keer vier jaar aan te houden in dezelfde ritmiek als het Kunstenplan. Dit gezien het feit dat veel instellingen in het Kunstenplan intensief samenwerken met instellingen uit het cluster en vice versa. Er is daarmee deels ook sprake van onderlinge afhankelijkheid. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 48 ® 8. Conclusies en e aanbevelingen We vatten in dit hoofdstuk de conclusies en aanbevelingen samen voor de evaluatie van de totstandkoming van het Kunstenplan 2021-2024. Dit doen we in dezelfde volgorde als die van de drie hoofdonderwerpen die we benoemen in de inleiding en hanteren dezelfde volgorde als in dit evaluatierapport, te weten: =De integraliteit van het Kunstenplan. = Het proces van totstandkoming van het Kunstenplan, inclusief lastendruk. "Aandacht voor een aantal beleidsthema’s en eerste ervaringen hiermee. De conclusies en aanbevelingen zijn gebaseerd op de gesprekken die we voerden, de documenten die we bestudeerden, de enquête onder aanvragers met een respons van 54% en de afstemming met de onafhankelijke begeleidingscommissie. Tussentijdse resultaten zijn besproken met de gemeente, de Kunstraad, de ACI en het AFK, waar mogelijk zijn reacties verwerkt. Zoals gevraagd in de opdracht bij deze evaluatie, geven we een onafhankelijk oordeel over de totstandkoming van het Kunstenplan. We geven aan wanneer iets een oordeel is van Blueyard. In de inleiding gaven we al aan dat de onderliggende vraagstelling breed is, het proces van de totstandkoming een uitvoerig proces is en het systeem complex. Dat maakt het rapport uitgebreid. Deze conclusies en aanbevelingen zijn daar een verdichte weergave van, waarin we soms vaktermen gebruiken en bepaalde kennis van het Kunstenplan als bekend veronderstellen. Waar mogelijk proberen we de lezers die beginnen (en eindigen) bij dit hoofdstuk mee te nemen in de belangrijkste bevindingen uit deze evaluatie. Met daarbij de kanttekening dat niet alle bevindingen meegenomen konden worden in deze samenvatting. De conclusies en aanbevelingen zijn samengenomen per onderwerp: de integraliteit, de totstandkoming en de eerste ervaringen. Voorafgaand daaraan, 8 benoemen we een algemene conclusie. < 5 8.1. Algemene conclusie J We constateren dat het Kunstenplan met veel zorg en aandacht tot stand is gekomen. En dat er deze periode in het proces van totstandkoming vanuit politieke wil duidelijk is ingezet om een aantal beleidsprioriteiten te stellen. In die zin is het proces van totstandkoming en het Kunstenplan zelf, misschien meer dan voorheen, tot een actief onderdeel gemaakt van een actueel maatschappelijk debat over inclusie en verbinding met alle Amsterdammers. Tegelijkertijd constateren we dat het Kunstenplan als systeem te complex is geworden. Mede door ingrepen in het systeem in deze periode, die bovenop Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 49 ingrepen kwamen uit voorgaande periodes. Dat heeft zijn weerslag op het proces van totstandkoming. Dat is nu niet alleen een lang proces, maar door de vele keuzes en uitwerkingen die het systeem vraagt, eveneens een complex proces. Complexiteit maakt het systeem en het proces minder inzichtelijk. Dat is in de eerste plaats nadelig voor aanvragers. Het vergt inmiddels bijna specialistische kennis om alle stappen van het proces en alle aspecten van het systeem te doorzien. Dit geldt al voor instellingen die nu deel uitmaken van het Kunstenplan. Laat staan hoe ingewikkeld het is voor nieuwe toetreders. In de tweede plaats wordt het systeem zelf kwetsbaar. De legitimatie van gemaakte en nog te maken keuzes wordt complexer en daarmee aanvechtbaar. Voor een systeem waarin schaarse middelen worden verdeeld en waarbij er scherpe keuzes moeten worden gemaakt, is dat onwenselijk. Aanbeveling Onzes inziens is de grootste opgave om te bekijken hoe het systeem eenduidiger en inzichtelijker kan worden, en het proces eenvoudiger en effectiever. Zodat het voor iedereen begrijpelijk en toegankelijk is. En waar nodig recht doet aan verschillen. Hiervoor doen we in dit hoofdstuk een aantal concrete aanbevelingen. 8.2. Een integraal Kunstenplan De gemeente gaat uit van één integraal Kunstenplan. Wij concluderen dat er sprake is van één beleidsvisie. Die is helder en wordt algemeen geaccepteerd en onderschreven als het cultuurbeleid van Amsterdam. Er is geen integraal systeem. Het systeem in Amsterdam kent een tweedeling in een Amsterdam Bis en een deel overige aanvragers; binnen de Amsterdam Bis is er ook een tweedeling in een Amsterdam Bis op naam en op functie. Er zijn verschillende werkwijzen van de uitvoerders AFK en de Kunstraad. Volledige integraliteit is ook niet nodig. Op nationaal niveau is er een Bis en zijn er de Rijkscultuurfondsen. Dat zijn twee aparte beleidsinstrumenten die werken vanuit één beleidsvisie op cultuur. a] Geen verbinding met beleidsdoelstellingen KS Er is gekozen voor een strategische Amsterdam Bis die is verbonden met periodiek fi) variabele beleidsdoelstellingen. Deze keuze is onvoldoende onderbouwd en geeft en een zwak punt in het systeem. Het leidt tot een aantal risico’s, zoals: periodiek en veranderende invloeden op wat tot de Amsterdam Bis behoort en wat niet, een brede en mogelijk onduidelijke onderbouwing van de samenstelling van de Amsterdam Bis en daardoor meer grensproblematiek: wat hoort wel bij de Amsterdam Bis en wat niet en waarom precies. Dit staat los van het belang dat wordt gehecht aan een inclusieve Amsterdam Bis. Het creëren van een representatieve en inclusieve Amsterdam Bis kan rekenen op draagvlak. Wij pleiten voor een duurzame oplossing om dit te bereiken. Het vereiste om voorbeeld stellend te zijn, is dat niet. Het is een gemiste kans om Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 50 diversiteit en inclusie niet op te nemen in de selectiecriteria voor de Amsterdam Bis, zoals met goed werkgeverschap wel is gebeurd. Beperkte waarde van functies op beleid We concluderen dat de toevoeging van de functies op beleidsprioriteiten, een stevige beleidsimpuls is geweest om het thema diversiteit en inclusie te agenderen in de Amsterdam Bis. We concluderen ook dat de functies als systeemingreep het geheel complexer maken. En dat de onderbouwing ervan gebrekkig is. Doordat de functies zijn gekoppeld aan beleidsprioriteiten per periode biedt het instellingen die zijn benoemd in de Amsterdam Bis op functie geen zekerheid. Dit werd wel beoogd met de invoering ervan. Het biedt een symbolische waarde om benoemd te zijn als voorbeeld stellend. De onderbouwing van een voorbeeldfunctie in de functies is te weinig concreet en leidt daarmee onvoldoende tot een transparante toewijzing. De voorbeeldfunctie heeft als criterium nadelen, bijvoorbeeld omdat het andere goed presterende instellingen dit keurmerk onthoudt. Deze instellingen kunnen net zo goed inspirerend zijn voor de sector. Het leidt bovendien onnodig tot een tweedeling tussen instellingen in de Amsterdam Bis (met en zonder keurmerk) en ten opzichte van instellingen bij het AFK (zonder keurmerk). Aanbeveling Voor Amsterdam kan de aansluiting op het landelijk systeem profijtelijk zijn, zoals ook blijkt uit de adviezen van de Kunstraad. In dat perspectief is het aan te bevelen om eenzelfde indeling te hanteren: één beleidsvisie, vertaald in twee beleidsinstrumenten die onderling overeenkomsten en verschillen kunnen hebben. Deze worden dan voor aanvragers inzichtelijk gemaakt. Het doel van een representatieve en inclusieve Bis vertrekt vanuit de constatering dat de Bis vernieuwing nodig heeft. Blijkbaar biedt het huidige systeem hiervoor te weinig ruimte en is het te gesloten. Daarom adviseren wij als vertrekpunt: een funderend maar open systeem. Hiervoor zijn meerdere modellen denkbaar. a] Blueyard adviseert voor de Amsterdam Bis om minimaal diversiteit en inclusie als ee vaste vereiste op te nemen voor alle instellingen. Net als met goed werkgeverschap ef Is gebeurd. Instellingen worden gevraagd om naar vermogen bij te dragen aan een | representatief en inclusief aanbod en bereik in de stad. De aan beleidsdoelen en verbonden functies vervallen. Diversiteit en inclusie kan als criterium voor alle instellingen blijven bestaan. In het geval dat Amsterdam kiest voor aansluiting op het landelijke stelsel en een Amsterdam Bis die ruimte biedt aan vernieuwende functies en rollen, adviseert Blueyard, als een van de mogelijke opties, een functiemodel te overwegen. Dit biedt de mogelijkheid om zowel funderende functies en wenselijke voorzieningen te definiëren, als om functionele rollen te benoemen. Zoals er ook in de landelijke Bis een functie voor de rol van ontwikkelinstelling is. Bovendien biedt het de Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 51 mogelijkheid om in een eigentijdse onderbouwing een vereiste zoals diversiteit en inclusie niet alleen als persisterende waarde op te nemen maar ook mee te nemen in een heroriëntatie op de benodigde disciplines in de Amsterdam Bis. Aanvullend op een funetiemodel is een Vrije ruimte nodig, gericht op dynamiek in de sector en doorstroom naar de Amsterdam Bis op functie. Over de omvang van en balans tussen beide onderdelen doen wij geen uitspraken. Noch over de rollen van de Kunstraad of het AFK in de beoordeling. In beide organisaties is relevante expertise aanwezig. Aandachtspunten bij dit model, ten opzichte van de Amsterdam Bis op naam, zijn: = Dat er oog moet zijn voor een goede balans tussen functies en Vrije ruimte. =_Dat de besluitvorming over de toekenningen voor de functies moet zijn afgerond, alvorens de advisering voor de Vrije ruimte van start gaat. = Dat het leidt tot dubbel aanvragen van instellingen die een poging wagen voor de Amsterdam Bis en bij afwijzing een aanvraag indienen voor de Vrije ruimte. = Dat een systeem met meer dynamiek, zoals een functiemodel, vraagt om een beoordelingsproces dat efficiënt uitvoerbaar en juridisch houdbaar is. Dit is vooral een aandachtspunt als er een meer open gedefinieerde functie komt, bijvoorbeeld zoals de ontwikkelfunctie in de landelijke Bis. Het ligt voor de hand dat de Kunstraad een advies uitbrengt over een nieuwe structuur. Onze aanbeveling is om daarbij ten eerste de expertise en ervaring van het AFK nadrukkelijk te betrekken, de Kunstraad is immers ook belanghebbende. Ten tweede pleiten we ervoor om ook buiten de gebaande paden te denken en een brede consultatie te houden onder spelers die bijdragen aan een representatieve en inclusieve stad. Om de sector goed te informeren, draagvlak te creëren en waar gewenst inspraak te organiseren zou ook deze systeemwijziging besproken en beargumenteerd moeten worden in een publiek debat. Over verschillen in beoordeling Dat de beoordelingskaders van de Kunstraad en het AFK van elkaar verschillen is niet iedereen duidelijk. In de Hoofdlijnen is het uitgangspunt dat iedereen op dezelfde criteria is beoordeeld. Dat geldt wel voor de hoofderiteria maar niet voor a de afzonderlijke uitwerkingen. Zo ontstaat er verwarring over verschillen in de nd beoordeling van de Kunstraad en het AFK. 5 > Waar de Kunstraad met het beoordelingskader dicht bij de beleidscriteria en de D uitwerking blijft, maakt het AFK een vertaalslag. Die maakt het fonds als zelfstandig bestuursorgaan vanuit een eigen verantwoordelijkheid. Bovendien heeft het AFK gegronde juridische en organisatorische redenen om het proces houdbaar, inzichtelijk en uitvoerbaar te maken. Zo is het inhoudelijk te verdedigen dat binnen het criterium diversiteit en inclusie de nadruk wordt gelegd op culturele diversiteit. Het nadelige effect is dat er voor aanvragers onbegrepen verschillen kunnen ontstaan in de beoordeling. Naar ons oordeel is het AFK (naast de gemeente) verantwoordelijk om onbegrip over verschillen te voorkomen. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 52 Vanuit het perspectief van de aanvragers gaat het om de balans tussen: "welke nadere uitwerking van criteria noodzakelijk is voor een uitvoerbare en juridisch houdbare procedure, "welke uitwerking beleidsmatig en organisatorisch wenselijk is en "welke mate van uitwerking mogelijk is als het vertrekpunt is om te werken vanuit één algemeen geldende beleidsvisie. Dit maakt een eenduidig begrip van de beoordeling bij aanvragers en adviseurs mogelijk. Gemeente en AFK zouden het samen over de balans eens moeten zijn. Aanbeveling Het is van belang voor aanvragers inzichtelijk te maken op welke onderdelen de criteria of de uitwerking daarvan gelijk zijn en waar niet. Zoals voor de uitwerking voor de Amsterdam Bis en bij het AFK. Vervolgens is het uitgangspunt dat waar het beoordelingskader gelijk is, de beoordeling zo gelijk mogelijk is. Als in de uitwerking van de beleidseriteria de visie van het AFK en van de gemeente van elkaar afwijken, zou dat duidelijk moeten blijken in het proces van totstandkoming van het beleid en expliciet moeten worden gemaakt in de Hoofdlijnen. 8.3. Verloop van de totstandkoming De planning is op een aantal onderdelen niet gehaald. Dat heeft geleid tot een verkorte indientermijn voor aanvragers en een late start van de besluitvorming. "Voor de ontwikkelfase was er geen planning. We constateren dat de stappen in deze fase later zijn opgestart dan in de voorgaande periode. "In de beleidsfase heeft het proces vertraging opgelopen door onverwachte juridische complicaties. Dit ging ten koste van de indieningstermijn voor de aanvragers. =_In de adviseringsfase heeft de Kunstraad de planning gehaald. =_In de adviserings- en besluitvormingsfase heeft het AFK de planning gehaald. =_De besluitvormingsfase voor de Amsterdam Bis liep door tot twee weken voor de start van de kunstenplanperiode. Daardoor hebben instellingen lang in onzekerheid gezeten. a] Aanbeveling pi Blueyard is van mening dat de gemeente meer regie had kunnen voeren op het Pa realiseren van de planning, bijvoorbeeld ook door de Kunstraad te vragen vroeger | adviezen voor het Kunstenplan uit te brengen. Ook had de gemeente ervoor fl kunnen kiezen geen nieuwe inbreng uit kunstenplanadviezen van de Kunstraad mee te nemen na de debatten met de sector. De gemeente is de regisseur van het proces van de totstandkoming en zou die rol beter kunnen organiseren door uit te gaan van een vaststaande planning voor de procedure elke vier jaar. Naast een vast ritme, is het ook het overwegen waard om eerder te starten met de procedure. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 53 Publiek debat over een stelselwijziging Het was chiquer geweest als de stelselwijziging, die uiteindelijk uitmondde in de toevoeging van de functies, onderdeel was geweest van een debat met de sector. Dit om de sector goed te informeren en draagvlak te creëren. Dat de inrichting en samenstelling van de Amsterdam Bis vooral via informeel overleg tot stand is gekomen, zien we als een effect van een gebrekkige planning en van onvoorziene omstandigheden door juridische belemmeringen. Op basis van deze evaluatie kunnen we geen constateringen doen bij de vraag of de juridische obstakels eerder voorzien hadden kunnen worden. Dat zou een nadere juridische analyse vragen. Naar onze mening had de Kunstraad een signaal kunnen afgeven over de wenselijkheid van transparantie en een publiek debat over een stelselwijziging. Het heeft immers ook gevolgen voor de transparantie van het eigen adviesproces en de rol als onafhankelijk adviseur van het college en de gemeenteraad. Aanbeveling Een langdurig en op onderdelen complex proces met vele actoren kan niet vaak genoeg helder in beeld en onder de aandacht worden gebracht. Het verdient aanbeveling om zowel naar de sector, als naar de betrokken gemeenteraadsleden informerende bijeenkomsten gericht op het proces en niet op de inhoud te organiseren. Dit kan zowel bij aanvang als in updates tijdens het proces. Voor voldoende transparantie in het proces is het aan te bevelen om tijdig opdrachten te formuleren voor de (aanvullende) adviezen van de Kunstraad. Alle adviezen die raken aan het Kunstenplan dienen bekend te zijn voorafgaand aan de debatten met de sector. Omdat de periodieke vaststelling van cultuursubsidies een verdeling is van schaarse middelen, die vallen onder de Algemene Wet Bestuursrecht, is het aan te bevelen om altijd een juridische toets te doen. In ieder geval bij elk advies of ingreep die uitgaat van een verandering. a] De Verkenning als startpunt ee De Verkenning zelf geeft relevante inzichten voor de Contouren. Doordat de ef gemeente in de opdracht voor de Verkenning al aandachtspunten meegeeft, is dit | het feitelijke startpunt. Nu wordt de publicatie van de Verkenning gezien als a startpunt van de cyclus en de Contouren als het startpunt van beleid. Hoe eerder er inzicht is in de beleidsaccenten hoe eerder de sector en betrokken actoren daarop kunnen reageren of anticiperen. Aanbeveling Wij adviseren gehoor te geven aan het verzoek van de AFK en de sector aan de Kunstraad om de Verkenning uit te voeren met een meer methodische aanpak. Zo zouden van tevoren de onderzoeksvragen en onderwerpen gedeeld kunnen Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 54 worden met de gesprekspartners en zou beter inzichtelijk gemaakt kunnen worden waarop bevindingen gebaseerd zijn en hoe adviezen onderbouwd zijn. Contouren en het doel van de debatten In de Contourennota werd direct duidelijk wat de belangrijkste beleidsprioriteit zou worden: diversiteit en inclusie. Dit was het meest concreet uitgewerkt. Het is terecht dat dit een belangrijk onderwerp was tijdens de debatten met de sector. Dat de gemeente de betrokkenheid van de sector organiseert, wordt gewaardeerd. De invulling ervan wordt door de sector als te weinig richtinggevend ervaren. Het programma van de debatten is erg breed en gericht op een open dialoog. Het ontbreekt aan een doelstelling bij wat de debatten zouden moeten opleveren. De ACI opereert op momenten meer als vertegenwoordiger van de sector dan als belangenbehartiger, omdat deelbelangen ruis veroorzaken. Daardoor ontbreekt het de culturele sector in Amsterdam op deze momenten aan een eenduidige belangenbehartiging. Aanbeveling Omdat de debatten wel op prijs worden gesteld, adviseren we de doelstelling van de debatten van tevoren helder te formuleren, en ook de uitkomsten te delen met de sector. Dit om te voorkomen dat ze aan belangstelling en betekenis verliezen. Een agenda voor belangenbehartiging voor de culturele sector van Amsterdam, al dan niet met een onderscheid naar Amsterdam Bis en Niet-Amsterdam Bis, zou een kwalitatieve impuls zijn voor de discussie over het cultuurbeleid van Amsterdam en de hele totstandkoming van het Kunstenplan. Hoofdlijnen worden gedeeld De beleidsprioriteiten uit de Hoofdlijnen worden door de sector breed gedeeld en gewaardeerd. De vertaalslag naar beleidseriteria is over het algemeen duidelijk. Het is voor de sector en de raadsleden onduidelijk dat met het vaststellen van de Hoofdlijnen er tegelijk twee verschillende beoordelingskaders worden vastgesteld. Hierin ligt de basis voor verschillen in beoordeling door de Kunstraad en het AFK. a Ki Aanbeveling Pr Met de Hoofdlijnen wordt de ontwerpfase afgerond en worden de regels voor het | Kunstenplan bepaald. Het belang van deze processtap mag explicieter toegelicht De worden, met name aan de raadsleden, die op dat moment besluiten nemen die ook later in het proces impact hebben. Het mag duidelijker zijn wat behoort tot de algemeen geldende beleidsvisie en waar er verschillen zijn. Goede adviezen en goede samenwerking De adviezen van de Kunstraad en de adviezen en besluiten van het AFK zijn tijdig afgerond en als voldoende beoordeeld. De afstemming tussen de Kunstraad en het AFK in de voorbereiding op de advisering en over de dubbel aanvragers, verliep naar tevredenheid. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 55 Door het verschil in werkwijze tussen AFK, doordat AFK op grote schaal (onderbouwde) keuzes moet maken, en Kunstraad blijft er bij aanvragers een beeld hangen dat het AFK strenger oordeelt dan de Kunstraad. Dat verschil contrasteert voor hen met het uitgangspunt van een integraal Kunstenplan. Aanbeveling Een verbeterpunt bij de Kunstraad kan zijn dat een kritisch oordeel wordt opgevolgd met een kritisch advies. Bijvoorbeeld in een toekenning onder voorwaarden, zoals een ja, mits… of nee, tenzij. Bij het AFK kan een verbeterpunt zijn om voorzichtig te zijn in al te specifieke uitwerkingen van de criteria. Dat voorkomt onbegrepen verschillen. Toegenomen lastendruk Zoals te verwachten viel is de administratieve lastendruk voor aanvragers gestegen. Dit komt onder meer door het extra actieplan dat moest worden opgesteld, dat dubbel aanvragers meer tijd nodig hadden en mogelijk door de ervaren tijdsdruk door de verkorte aanvraagtijd. Het uitvoeren van een nulmeting is nuttig, maar had beter op een ander moment gekund. Door het uit het aanvraagproces te halen en later te doen, had dit tot minder druk voor de aanvragers geleid. Een verplichtend karakter had bovendien voor een betere representativiteit gezorgd. Aanbeveling Minder complexiteit, oftewel meer eenvoudige en inzichtelijke procedures, kunnen de lastendruk verlichten. Een quick win is om nut en noodzaak van de gevraagde informatie in formulieren af te wegen tegen de lastendruk. De gemeente kan vervolgens een heroverweging maken van de gevraagde hoeveelheid informatie. Het afstemmen van de in formulieren gevraagde gegevens en informatie met de landelijke Bis of de Rijkscultuurfondsen, kunnen leiden tot minder lastendruk. a] Heroverweeg het meten van de lastendruk voor het Kunstenplan. Veruit de meeste ee aanvragers hebben toch een meerjarenplan. Zij vragen ook subsidie aan buiten de ef gemeente en bij private fondsen. Wat het effect van het Amsterdamse beleid is op | de lastendruk is naar ons oordeel niet goed te meten. Het is natuurlijk mogelijk fl een diepteonderzoek te doen. Daarvan vragen we ons af of het tot concrete aanbevelingen kan leiden die voor aanvragers echt een verschil kunnen maken. Besluitvorming conform de regels De besluitvorming bij het AFK is volgens de regels verlopen. Dat er discussie was naar aanleiding van enkele subsidiebesluiten van het AFK is niet verwonderlijk omdat bij het AFK de meeste scherpe keuzes gemaakt moeten worden wegens een beperkt budget. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 56 De discussie over de instellingen onder de zaaglijn is versterkt door de omstandigheden, zoals: = Dat de inschatting voor het budget voor de discipline theater onjuist was. = Dat de benoemingen in de functies vooral een effect had op hetzelfde budget. = Dat het midden in de eoronacrisis moeilijk is om instellingen onder de zaaglijn definitief te laten vallen. =_Dat er op onderdelen verwevenheid was met de gemeentelijke rol voor vastgoed en erfgoed. "Een beperkt cultuurbudget versus een bloeiende sector met veel instellingen die blijkbaar kwalitatief goede en honoreerbare voorstellen doen. Gedacht vanuit de rol van het bestuursorgaan en tegen de achtergrond van de omstandigheden is het voor ons een vraag of het terecht is om de oplossing bij het AFK te beleggen. Het door het gemeentebestuur beschikbaar gestelde budget bij het AFK is een gegeven. De coronacrisis is ook voor het AFK een externe factor. De verwevenheid met vastgoed en erfgoed is voor het AFK geen criterium, zoals door het gemeentebestuur vastgelegd in de Hoofdlijnen. Uitzonderlijke ingreep bij het AFK In deze omstandigheden raakte op de achtergrond dat confronterende adviezen en pijnlijke besluiten horen bij het verdelen van schaarse middelen op basis van peer- review. Dat staat los van het AFK, en kan ook gebeuren bij toekenningsbesluiten door het gemeentebestuur op basis van adviezen van de Kunstraad. Dat het gemeentebestuur het AFK heeft verzocht om een aantal gevallen onder de zaaglijn te repareren met budget uit andere regelingen van het AFK, staat op gespannen voet met de rol van een fonds dat juist op afstand staat en bedoeld is om juist dynamiek — oftewel in-, door- en uitstroom — te stimuleren. Het is waarschijnlijk dat de door de coronacrisis gevoelde druk om niemand te laten vallen, tot deze uitzonderlijke ingreep heeft geleid. De herstelingrepen zijn ten koste gegaan van budgetten voor de Ontwikkelregeling en de projectenregeling. Ondanks dat er afspraken zijn over mogelijke vrijval die ten goede kan komen aan het budget van de regelingen, zien we een risico voor de a dynamiek en het initiatief in de sector. Dat is nadelig voor de culturele humuslaag nd van Amsterdam en daarmee ligt er al een hypotheek op het volgende Kunstenplan. 5 > Aanbeveling D Neem de vooruitblik op de kwantitatieve ontwikkeling binnen disciplines mee in de Verkenning of overweeg een externe toets op de doorrekeningen van het AFK. Laat het AFK als fonds op afstand juist bijdragen aan een minder complex systeem, door de aanwezige kennis en expertise te benutten. Voorwaarde is dat de context waarin het fonds opereert goed begrepen wordt: een dynamische context met een hoge druk op het subsidiebudget. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 57 Overweeg opnieuw om extra middelen toe te voegen aan de Ontwikkelregeling of de projectenregeling, om vernieuwing en dynamiek in de sector te kunnen blijven stimuleren, mede met het zicht op een volgend Kunstenplan. 8.4. Eerste ervaringen De evaluatie omvat een inventarisatie van de eerste ervaringen. De nadruk ligt op diversiteit en inclusie, spreiding in de stad, waaronder ook de samenwerking met de stadsdelen, en het Cluster Cultuureducatie. Duidelijk effect op diversiteit en inclusie De prioriteit die is gegeven aan diversiteit en inclusie heeft veel aandacht gekregen en in eerste aanleg al effect gesorteerd. Het merendeel van de aanvragers heeft er meer aandacht aan besteed en er zijn uitgebreide discussies gevoerd in de sector over het belang van dit thema. Er zijn twee aandachtspunten. Ten eerste dat er juist op dit centrale thema verschillen in beoordeling zijn, door afwijkende beoordelingskaders. Ten tweede dat het juist voor diversiteit en inclusie nadelig is dat er nu minder budget is in de projectenregeling van het AFK. Het is ons onvoldoende duidelijk geworden waarom de beleidscriteria, of meer specifiek het criterium diversiteit en inclusie, onvoldoende houvast bieden om vernieuwing door te voeren binnen de bestaande Amsterdam Bis. Bijvoorbeeld door te vragen om een scherpe beoordeling en zo verandering af te dwingen. Aanbeveling Maak meer gebruik van de kracht van beleidscriteria. Een duidelijke (en strenge) beoordeling in combinatie met financiële consequenties — positief dan wel negatief — kunnen een effectief middel voor verandering zijn. Samenwerking met stadsdelen Er liggen kansen voor nog meer samenwerking tussen de stadsdelen onderling en tussen de stadsdelen en de centrale stad. Afstemming kan leiden tot een gezamenlijke visie op het samengestelde cultuurprofiel van de stad en de spreiding van het aanbod in de stad. a] . na Aanbeveling S Zet in op een doorlopende ontwikkellijn van belangwekkende initiatieven voor de fi) stadsdelen naar het AFK en het Kunstenplan. Kijk of de Cultuurverkenners van mi het AFK hierin een (sterkere) rol kunnen spelen. ga Status aparte voor Cluster Cultuureducatie De status aparte van het Cluster Cultuureducatie leidt tot een tweedeling in muziek- en cultuureducatie, tot vrijstelling van concurrentie en een andere behandeling van de instellingen in dit cluster. Door de langere looptijd van de afspraken met het onderwijs is er eigenlijk sprake van een visitatieprocedure. Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 58 Aanbeveling Laat in het cluster financiële consequenties toe van beoordelingen voor een gelijk speelveld in de cultuursector. Overweeg om het Cluster Cultuureducatie bij de Kunstraad onder te brengen, gezien het structurele en langlopende karakter ervan. Benut bij de beoordeling ook de expertise van het AFK. Zorg ondanks een langere looptijd van afspraken dat deze is afgestemd op de cyclus van het Kunstenplan. 8.5. Tot slot: de definitiekwestie In de inleiding constateerden we al dat het begrip Kunstenplan verschillend gebruikt wordt. Soms als naam voor het hele beleid, soms voor de 4-jarige regeling en soms wordt de nota met de naam Kunstenplan bedoeld. Onderstaand doen we een voorstel waarinwe uitgaan van één beleidsvisie wordt beschreven in de Hoofdlijnen van het cultuurbeleid en de term Kunstenplan verwijst naar de 4- jarige regeling voor cultuursubsidies. Hoofdlijnen Ì a van Eén beleidsvisie cultuurbeleid | hoofddoelstellingen algemeen geldende beleidscriteria Kunstenplan nn Te . . criterla criterla GD regelingen | | Uitvoerder(s) a] Ki pd Lal Heldere definities, een eenduidig systeem en een inzichtelijk proces zullen het | Kunstenplan, de culturele sector en de stad Amsterdam ten goede komen. fl Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 59 Keizersgracht 100-104 BLU EYAR D 1015 CV Amsterdam, the Netherlands info@blueyard.nl research concepts funding www.blueyard.nl
Onderzoeksrapport
60
train
Gemeente Bezoekadres Amstel 1 Amste rdam 1011 PN Amsterdam Postbus 202 1000 AE Amsterdam Telefoon 14 020 > < amsterdam.nl Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam Aan de leden van de gemeenteraad Datum 30 juni 2020 Behandeld door Team MidzomerMokum Bijlage 1. Infographics hoofdlijnen programmering MidzomerMokum Onderwerp Programma MidzomerMokum — het Amsterdamse zomerprogramma en uitvoering van de motie 430 accent (TA2020-000445) van de leden Yilmaz, Ceder en Simons Geachte raadsleden, In navolging van het bericht in de bijlage ‘sociale kwetsbaarheid’ van de veegbrief corona (dd. o2 juni 2020) informeren we u hierbij over de uitwerking van MidzomerMokum: het Amsterdamse zomerprogramma voor kinderen en jongeren tussen o en 23 jaar. Het lukt in deze brief niet om recht te doen aan de enorme variatie in, en het grote aantal activiteiten dat er tussen 4 juli 2020 en 16 augustus 2020 wordt georganiseerd. Dat is te bekijken op het afgelopen week gelanceerde platform www.midzomermokum.nl We informeren u in deze brief op hoofdlijnen over een aantal rode draden in de programmering. Aanleiding MidzomerMokum Het zomerprogramma is bedoeld als tegenwicht tegen de negatieve gevolgen van de coronacrisis voor jonge Amsterdammers. In een levensfase waarin contact met leeftijdgenoten essentieel is, waarin je volop in ontwikkeling bent en de basis legt voor je toekomst, hebben veel kinderen en jongeren zich verveeld, zich eenzaam gevoeld en te weinig ondersteuning gekregen bij hun schoolwerk of de vragen waar zij mee worstelen. Zo waren sommige ouders minder goed in staat hun kinderen te ondersteunen bij het thuisonderwijs, en was er voor bepaalde groepen jongeren geen alternatief voor de sportclub of het bewegen in de openbare ruimte waardoor ze veel binnen hebben gezeten, in doorgaans kleine woningen. En de leefwereld van heel veel jongeren werd ingeperkt door het wegvallen van bijvoorbeeld culturele activiteiten. De maatregelen die als gevolg van covid-1g genomen zijn hebben op bepaalde groepen Amsterdammers meer impact en vergroten daardoor de al bestaande ongelijkheid in kansen. In het coalitieakkoord heeft het college aangegeven het belangrijk te vinden om kansenongelijkheid met alle mogelijke middelen te willen bestrijden. MidzomerMokum biedt deze kinderen en jongeren een positief perspectief in aanloop naar de start van het nieuwe school- of werkjaar, in een zomervakantie waar meer dan andere jaren veel kinderen en jongeren in de stad zullen zijn. De opzet en uitvoering van MidzomerMokum ligt in het verlengde van de motie van de leden Yilmaz, Ceder en Simons inzake aanpak Coronavirus (onderzoek naar de achterstand van leerlingen)”. Het college beschouwt de motie hiermee als afgehandeld. * Motie 430 accent (22-04-2020) van de leden Yilmaz, Ceder en Simons vraagt het college 1. Te kijken op welke manier eventuele achterstanden zoveel mogelijk kunnen worden ingelopen buiten de reguliere schooltijden om alvorens met het volgende leerjaar te beginnen en 2. De raad hierover tijdig te informeren. Een routebeschrijving vindt v op www.amsterdam.nl. Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020 Kenmerk Pagina 2 van 5 HET AMSTERDAMSE ZOMERPROGRAMMA | MID ZOMERMOKUM.NL — e n Tijdens MidzomerMokum kunnen kinderen en jongeren in hun eigen wijk naar zomerscholen, deelnemen aan sportactiviteiten of meedoen aan culturele workshops. We hebben een activiteitenaanbod op het gebied van sport, cultuur en onderwijs waar duizenden kinderen in de stad deze zomer naar toe kunnen. De extra inzet vanuit de stad is verdeeld op basis van de spreiding van kinderen en jongeren die het het hardst nodig hebben. Hierdoor investeert Amsterdam niet gelijkmatig over de gebieden, met als doel de activiteiten daar te programmeren waar naar verwachting de achterstanden het grootste zijn. Voor de jeugd die vanuit thuis minder intensief, leuk of zinvolle vrijetijdsbesteding geboden krijgt. Inhoud en bereik programmering MidzomerMokum In het programma is ruimte voor activiteiten rondom allerlei verschillende thema's. Bij de totstandkoming van het aanbod hebben we (zoals bij de ‘sociale basis’ gebruikelijk is) de input van kinderen en jongeren meegenomen. Onderstaand ter illustratie een uitsnede van enkele thema’s uit de programmering in de stad tijdens Midzomer Mokum, die in bijgaande ‘Infographics MidzomerMokum' (bijlage 1.) uitgebreider zijn toegelicht: = __ Kunst en Cultuur — De ambitie is om via het laagdrempelige cultuuraanbod dat in alle stadsdelen wordt aangeboden door welzijns- en culturele instellingen duizenden kinderen en jongeren te bereiken. Er wordt samengewerkt met diverse stedelijke partners. De OBA biedt bijvoorbeeld wekelijks minimaal 5o verschillende culturele activiteiten door de hele stad aan. In aanvulling hierop worden in samenwerking met Stadspas en het Jongerencultuurfonds Amsterdam nog door ruim 25 cultuureducatieve instellingen intensieve programma’s aangeboden (bijvoorbeeld meerdaagse workshops, zomerkampen of cursussen van 5 à 10 lessen op het gebied van theater, muziek, dans of beeldend werk). Door Mocca (Expertisecentrum voor cultuureducatie) wordt in overleg met onder andere zomerscholen po en vo en zomerkampen een cultuurprogramma verzorgd, inclusief vervoer naar de locatie. = __ Onderwijs — Ruim 2000 plekken zomerscholen van veelal drie weken (24 dagdelen) in het primair onderwijs en 1500 plekken zomerscholen van twee weken (10 dagdelen) in het voortgezet onderwijs en het mbo. Hierbij hebben we aandacht voor groepen zoals nieuwkomers, leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en leerlingen van vakscholen en vmbo-leerlingen die de overstap maken naar het mbo. MBO-studenten kunnen gebruik maken van het beschikbare zomeraanbod MidzomerMokum. = __ Sport - Honderden uitdagende sport- en beweegactiviteiten zorgen voor een bereik van duizenden kinderen/jongeren. Denk bijvoorbeeld aan voetbalclinics door Ajax, sportactiviteiten voor kinderen met een beperking, schoolzwemmen dat doorgaat tijdens MidzomerMokum en zomerkampen voor minimajongeren in samenwerking met sportaanbieders Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020 Kenmerk Pagina 3 van 5 = Natuur en Techniek - Activiteiten op het gebied van natuur en techniek. Denk bijvoorbeeld aan programma’s op diverse schooltuinen, de vele activiteiten in de stadsdelen vanuit brede talentontwikkeling, en de workshops in de Maakplaatsen van de OBA. = Media - Diverse activiteiten op het gebied van media. Denk bijvoorbeeld aan het maken van je eigen film of rap, kinderpersbureaus maar ook een weekprogramma waarbij de oudere doelgroep (14-20 jaar) een kijkje gaan nemen in de wereld van TV, radio, muziek en reclame. " Jongerenwerk — Geïntensiveerde inzet van het jongerenwerk, met een focus op de oudere groep jongeren (16+). Het jongerenwerk heeft alle 6 weken een programmering en maakt daarbij een combinatie van het online aanbod dat sinds de coronacrisis is ontwikkeld en offline aanbod. Met bijvoorbeeld mooie nieuwe initiatieven zoals een combinatie van sportaanbod én leer/werk trajecten in de horeca of bij lokale partners uit de buurt. Of een activiteit waarbij jongeren onder professionele begeleiding aan de slag gaan met het maken van een film over discriminatie en racisme. = _ Aandacht voor doelgroepen — In het programma is er ook extra aandacht voor bijzondere doelgroepen. Denk aan coachingssessies voor meiden, aanbod voor kinderen die gehuisvest zijn in vormen van begeleid wonen en voor jongeren die jeugdhulp krijgen, zodat ook zij een leuke zomer hebben (en ouders wat verlichting hebben van de zorgtaken). Het is de ambitie van het college om kinderen en jongeren van verschillende stadsdelen met elkaar in contact te brengen en zodoende ontmoeting te stimuleren en daarnaast jongerenbuiten hun stadsdeel te laten profiteren van de mooie stedelijke instellingen die onze stad rijk is. In de geest van de motie ‘Samen sport en spel, stimuleer ontmoeting ook buiten school’? van de raadsleden Boomsma (CDA) en Martinn (VVD), is hier ook tijdens MídzomerMokum aandacht voor. Via een aantal activiteiten halen we de barrières weg die het moeilijk maken deze ontmoeting mogelijk te maken (onder andere vervoer), waarmee we nieuwe groepen bij elkaar en bij de culturele parels van onze stad brengen. Belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat activiteiten worden uitgevoerd volgens de richtlijnen en kaders van het RIVM, zodat iedereen veilig kan deelnemen. Daarnaast vinden we het belangrijk dat activiteiten plaats vinden in een fysiek en sociaal veilige omgeving en er geen ongezond eten en drinken wordt aangeboden, niet gerookt, geen alcohol geschonken en geen reclame gemaakt voor ongezonde producten. Zo wordt het een leuke, leerzame en gezonde zomer. Toeleiding en inschrijving activiteiten Aan de meeste activiteiten van MidzomerMokum kunnen kinderen en jongeren kosteloos deelnemen, en andere tegen een (kleine) vergoeding. Hiermee hopen we de toegankelijkheid van de activiteiten voor iedereen te garanderen. Het actief toeleiden en bereiken van kinderen en jongeren is de grootste uitdaging bij MidzomerMokum. Het grootste gedeelte van de activiteiten blijft daarom ook lokaal, dicht bij huis in de vertrouwde omgeving van de buurt; omdat zo de kans het grootste is dat we de groep die we willen bereiken ook daadwerkelijk kunnen bereiken. Naast de netwerken van de verschillende aanbieders in de stad, die in de haarvaten van onze wijken en buurten opereren, hebben we hiervoor aanvullende acties ondernomen: 2? Motie 1326 (11-07-2019) van de leden Boomsma en Marttin inzake het beleidskader PIEK-aanpak 2019-2023 (Samen sport en spel: stimuleer ontmoeting ook buiten school) Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020 Kenmerk Pagina 4 van 5 "Om de juiste kinderen en jongeren te stimuleren en in te schrijven voor de zomerscholen in het po, vo en de verschillende ‘losse activiteiten van MídzomerMokum, hebben de schoolbesturen (po en vo) en mbo-instellingen een belangrijke rol in het onder de aandacht brengen van het gevarieerde activiteitenaanbod. Zij zijn afgelopen week geïnformeerd over MidzomerMokum. "Jongerenwerkers en andere welzijnswerkers, ouders en kind adviseurs, veiligheidspartners (wijkagenten, regisseurs van individuele aanpakken, straatcoaches, handhaving), medewerkers van jongerenpunten en andere professionals worden goed op de hoogte gehouden van het aanbod, zodat zij kinderen en jongeren er naar kunnen verwijzen en voor motiveren. Ook spelen zij een rol bij de signalering en doorgeleiding van kinderen en jongeren waarbij tijdens het zomerprogramma duidelijk wordt dat ze een andere vorm van (bijvoorbeeld psychosociale) ondersteuning nodig hebben. = Allerlei professionals rondom jongeren zijn gevraagd een rol te vervullen in het onder de aandacht brengen van het activiteitenaanbod. Denk aan schoolcontactpersonen (zoals vakdocent bewegingsonderwijs, brede school coördinator), inzet van sportbuurtwerkpartners en sleutelfiguren in de wijk, en tevens inzet van bekende sporters als rolmodel. = Een uitgebreide social media campagne, met gerichte inzet op de doelgroep en mogelijkheden om gedurende de looptijd van MidzomerMokum bij te sturen; zowel in programmering als in (extra) promotie voor bepaalde activiteiten. = Een pilotproject waarbij een groep van 150 leerlingen onder begeleiding zijn of haar eigen MidzomerMokum programmaweek samenstelt en volgt. Financiële component MidzomerMokum De gemeente investeert in de opzet en uitvoering van MidzomerMokum ruim 5,5 miljoen euro. De dekking hiervan is voor maximaal 4 miljoen euro gevonden via een claim op de ‘noodkas corona’. Daarnaast is er activiteitenaanbod geïntensiveerd via het anders besteden van lopende subsidies en opdrachten met aanbieders, en door ruimte te creëren in verschillende begrotingen. Onder andere in programma 4 (kunst, cultuur en erfgoed), programma 5 (onderwijs), programma 6 (sport) en programma 8 (volksgezondheid, jeugd en zorg — inclusief budgetten stadsdelen). Vanaf het collegebesluit op 2 juni 2020 is de organisatie en het programma voor MidzomerMokum in korte tijd op poten gezet. We zijn ervan overtuigd dat er nu een stevige basis ligt voor zes leerzame, sportieve en culturele weken voor de Amsterdamse jeugd. Met, voor én door de stad! We denken hiermee niet alleen een investering te doen voor aankomende zomer, maar door intensieve samenwerking tussen directies en stadsdelen een werkwijze te hebben ontwikkeld die ons in de toekomst van meerwaarde kan zijn bij uitdagingen en ambities van onze stad. Denk bijvoorbeeld aan de mix van activiteiten ter ondersteuning van het onderwijs, vanwege het lerarentekort. Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020 Kenmerk Pagina 5 van 5 We zullen u in het najaar informeren over de resultaten en evaluatie van de eerste editie van MiídzomerMokum. Hierbij zullen we uitgebreider stilstaan bij de resultaten, bovenal om op basis hiervan een perspectief schetsen voor een eventueel vervolg op de eerste editie MidzomerMokum. Met vriendelijke groet, gd Simone Kukenheim Aaen ns Touria Meliani Wethouder Kunst en Cultuur | Ei LE | Oo OO , ’ la Marjolein Moorman Wethouder Onderwijs, Armoede en Inburgering
Motie
5
discard
> < gemeente Raadsinformatiebrief | msterdam Afdoening motie Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam Datum 15 september 2023 Portefeuille(s) Openbare Ruimte en Groen Portefeuillehouder(s): _ Melanie van der Horst Behandeld door Verkeer en Openbare Ruimte, a.cannoo@amsterdam.nl Onderwerp Afdoening motie 459 van de leden Moeskops (D66), Noordzij (PvdA), Garmy (Volt), Koyuncu (DENK) en Wijnants (VVD) inzake betere klimaatbestendigheid bij het planten en/of herplanten van bomen in Amsterdam Geachte leden van de gemeenteraad, In de vergadering van de gemeenteraad van 19 juli 2023 heeft vw raad bij de behandeling van agendapunt 3, motie 459 van de raadsleden Moeskops, Noordzij, Garmy, Koyuncu en Wijnants aangenomen. Daarin wordt het college gevraagd om: - Wegens de nu al opwarmende stad en vooruitlopend op de onderzoeksresultaten die waarschijnlijk in de loop van 2024 beschikbaar komen, bij het planten of herplanten van bomen in Amsterdam, met name in de buurten die een hoog risico vormen bij hittestress, meer rekening te houden met boomsoorten die hittestress voorkomen. Het college geeft als volgt uitvoering aan de motie: Wij benadrukken het belang van bomen die hittestress kunnen reduceren en houden hier dan ook rekening mee. Onderzoek naar klimaatbomen wordt door ons actief gevolgd. We brengen deze kennis in praktijk door bomen te kiezen die bijdragen aan het voorkomen van hittestress. Dit wordt geborgd door middel van het Handboek Groen welke door ontwerpers en boomtechnisch adviseurs wordt gebruikt. De inhoud van het Handboek Groen wordt continue bijgehouden met verwerking van de nieuwste ontwikkelingen en inzichten. ledere 1 tot 2 jaar wordt een actualisatie geleverd als basis van de plantkeuze. De eerstvolgende actualisatie Handboek Groen staat gepland voor vaststelling eind 2023. Hierbij is nog wel op te merken dat de boomkeuze samen met bewoners wordt gemaakt. Zij hebben soms andere wensen ten aanzien van de inrichting van hun straat. We zullen daarbij het belang van hittestress voorkomende bomen benadrukken. Het college beschouwt de motie hiermee als afgehandeld. Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam í dl Ai, eb. Ds (} EU Ie SN mn De / En > Melanie van der Horst Wethouder Openbare Ruimte en Groen
Motie
1
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 2049 Datum indiening 24 september 2019 Datum akkoord 10 december 2019 Publicatiedatum 10 december 2019 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid A.L. Bakker inzake de herplantplicht na bomenkap en de zware storm. Aan de gemeenteraad Toelichting door vragenstelster: Bij bomenkap geldt in principe een herplantplicht. De aanvrager kan deze plicht afkopen door de monetaire boomwaarde van de gekapte boom in een fonds te storten wat de gemeente gebruikt om bomen te planten: het herplantfonds. De fractie van de Partij voor de Dieren vindt dat bomenkap te allen tijde voorkomen moet worden. Mocht er toch kap plaatsvinden, dan zou de herplant niet langer dan noodzakelijk moeten duren. Op 11 september 2019 deed wethouder Ivens in de raadscommissie Wonen, Bouwen en Groen de mededeling dat het herplantfonds naar schatting na 2020 leeg zal zijn. Dit terwijl er bij de publicatie van de laatste Voorjaarsnota in mei 2019 nog 1,7 miljoen in het herplantfonds zat. De gemeente liep pijnlijk achter met het herplanten van bomen. Gezien het vorenstaande heeft het lid A.L. Bakker, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: 1. Aan welke geplante bomen zal het tegoed in het herplantfonds zijn opgemaakt na 2020 naar schatting? Op welke locaties zijn deze bomen (dan) te vinden? Antwoord: Op dit moment (november 2019) staat de teller op ruim 1.600 bomen. Geschat wordt dat het totaal aantal geplante bomen bij uitputting van het herplantfonds op circa 3.000 bomen zal uitkomen. De bomen worden op diverse locaties door de hele stad geplant; o.a. bij scholen, in het Westelijk Havengebied en in het Amsterdamse Bos. Maar ook op particuliere grond worden bomen via de subsidieregeling honderden bomen geplant. 2. Hoeveel geld wordt er gemiddeld aan het herplanten van een boom uit het herplantfonds uitgegeven? Antwoord: Op dit moment ca. € 1.100 per boom. € 1.821.651 uitgegeven voor 1.621 bomen = € 1.124 per boom 1 Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer wo bcember 2019 Schriftelijke vragen, dinsdag 24 september 2019 Dit is een gemiddelde voor bomen die via de subsidieregeling door particulieren in hun eigen tuin worden geplant en bomen die in de openbare ruimte (straten) worden geplant. Het planten van een stevig formaat boom in de straat, waarbij de boom onder goede groeiomstandigheden uit kan groeien tot volle wasdom kost gemiddeld ca. € 3.000 3. Hoeveel geld wordt er gemiddeld per gekapte boom ter compensatie in het herplantfonds gestort? Antwoord: Uitgangspunt is dat gekapte bomen worden gecompenseerd door één of meerdere bomen. Mocht dit niet kunnen dan moet de monetaire boomwaarde wordt vastgesteld, conform een landelijke rekenmethode van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs voor bomen (N.V.T.B). De berekening houdt met verschillende factoren rekening. Zo zijn dicht opeenstaande jonge bomen in een spontaan opgegroeide bosschage, veel minder waard, dan een solitaire oude boom op een markante locatie. De waarden kunnen uiteenlopen van € 50 per boom tot zelfs € 50000 en meer. Omdat de grootheden zo ver uit elkaar liggen voor zulke verschillende situaties, is het niet mogelijk om een representatief gemiddelde te geven. 4. Registreert het college de opgelegde herplantplicht bij toegekende kapvergunningen in de bomenadministratie? Antwoord: Ja, hieronder een voorbeeld van de bomenboekhouding over het eerste kwartaal van 2019. Stadsdeel Aantal Aantal Aantal | Aantalkap |Opgelegde | Storting in Aanvragen | aangevraagde kap geweigerd | herplant | herplantfonds bomen vergund | Centrum _|___z0| ___ 28| zo) 8} ss} eol Nieuw- West 17 76 76 50 €o West \__ u 6 ul 9} ul eol Zuidoost |___ 5 «| wl ou} eol oo | | 28 ze ol | ez74s8 | sal gel al al asl et 2019 970 917 53 935 €17.458 2 Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer wo bcember 2019 Schriftelijke vragen, dinsdag 24 september 2019 5. Op welke wijze en met welke regelmaat controleert het college de uitvoering van een opgelegde herplantplicht? Antwoord: De Omgevingsdienst (OD) controleer actief of voldaan wordt aan de Herplantplicht. Bij de stadsdelen is dit reactief: de herplant wordt alleen gecontroleerd als er een handhavingsverzoek is ingediend. 6. Heeft het college scherp in beeld bij welke toegekende kapvergunningen nog niet aan de herplantplicht is voldaan? Antwoord: De registratie vindt plaats bij de stadsdelen en de Omgevingsdienst. Stadsdelen kunnen dit checken in hun registratiesysteem, maar er is geen stadsbreed overzicht. 7. Watis de stand van zaken met betrekking tot het vervangingsprogramma van de bomen die met de laatste hevige storm in de nacht van woensdag op donderdag 6 juni 2019 zijn omgewaaid? Antwoord: Het betreft in totaal 229 bomen. Deze stormbomen maken deel uit van het stadsbrede vervangingsprogramma 2020/2021. We starten dit plantseizoen (november — maart) nog met de kap en herplant van bijna 1.800 bomen die vanuit veiligheid moeten worden gekapt. Dit is een omvangrijke operatie. In het plantseizoen van november 2020 tot maart april 2021 worden de stormbomen herplant. 8. Heeft het college al in beeld of alle bomen vervangen gaan worden op dezelfde locatie en wanneer dit zal gebeuren? Antwoord: In principe wordt elke boom 1-op-1 herplant op dezelfde locatie. Daarbij wordt eerst gekeken of de plantplaats wel geschikt is voor aanplant van een nieuwe boom. Er moet voldoende onder- en bovengrondse groeiruimte zijn. Het kan zijn dat het pal onder de plantplaats vol zit met kabels en leidingen. In dat geval wordt de nieuwe boom iets opgeschoven of wordt uitgeweken naar een alternatieve plantlocatie. Bij voorkeur zo dicht mogelijk in de buurt. Ook in situaties waar bijvoorbeeld een grote boom met een brede kruin boven de plantplaats hangt wordt er niet altijd een nieuwe boom direct onder de kruin geplant. Deze bomen hebben nauwelijks kans om goed te kunnen groeien. 9. Hoe beschermt het college herplante bomen om te voorkomen dat deze vanwege de kleine stamomtrek buiten de Bomenverordening om onterecht op een kaplijst worden gezet? Antwoord: De bescherming van deze pas geplante bomen is geregeld in de Bomenverordening; Artikel 3 ‘Verbod om te vellen’, lid 4. Hier staat: ‘Het is verboden zonder vergunning of jaarvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen die op grond van artikel 7 of artikel 9 is geplant, ook als deze nog niet de omvang heeft bereikt als bedoeld in artikel 1, onder b.’ 3 Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R weing Jo4o Gemeenteblad ummer - -. . Datum 10 december 2019 Schriftelijke vragen, dinsdag 24 september 2019 Anders gezegd: Voor een boom die niet voldoet aan de omtrekmaat voor een kapvergunning, maar als jonge boom geplant is als compensatie voor de gekapte boom, is toch een kapvergunning nodig. Doel van dit artikel is dat dat pas geplante (compensatie)bomen ook worden beschermd. Burgemeester en wethouders van Amsterdam Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris 4
Schriftelijke Vraag
4
discard
Zorgen & Ervaringen van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam Amsterdam, september 2020 Colofon: Kwetsbaar en weerbaar in Coronatijd Zorgen en ervaringen van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam Verkennend onderzoek van EMCEMO en HTIB Onderzoeksperiode: 15 juli - 15 september 2020 www.emcemo.nl www.htib.nl E-mail: info@emcemo.nl E-mail: info@htib.nl 2 Zorgen & Ervaringen van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 3 Inleiding Net als andere kwetsbare groepen hebben ook Ad 1. Inkomen, huisvesting, remigratie oudere Turkse en Marokkaanse Amsterdammers een zeer moeilijke tijd beleefd tijdens de Coronacrisis. * Er zijn aanwijzingen dat de kortgeleden veranderde regels van de AIO (aanvullende Het was een periode waarin de sociale en maatschap- inkomensvoorziening ouderen) tijdens Corona- pelijke achtergestelde positie van deze groep extra crisis (maart t/m juni 2020) onverminderd hard duidelijk werd, namelijk dat deze ouderen in een gehandhaafd zijn. Terwijl deze door minister situatie terecht kwamen waar ze met armoede, Asscher (2012-2017) veranderde regeling, uitsluiting en eenzaamheid te maken hebben gekregen. waarbij eigendom ook in het land van her- Daarnaast kwamen tijdens de lockdown bij deze komst niet groter mag zijn dan 12.450 euro, al ouderen bovendien nieuwe problemen naar boven, grote problemen heeft veroorzaakt. Mensen waaronder de zorgen over de plaats en het land van die jarenlang gespaard voor en geïnvesteerd de ter aarde bestelling in geval van overlijden. hebben in een huis in het herkomstland, waar ze na hun pensionering gebruik van zouden EMCEMO en HTIB, zelforganisaties voor respectievelijk kunnen maken, moeten hun eigendom nu Marokkaanse en Turkse Nederlanders, organiseren opgeven, als ze in aanmerking willen komen daarom een conferentie voor gemeentelijke beleid- voor de AIO. De problematische gevolgen smakers en uitvoerders om deze algemene en van deze regeling moeten erkend worden, de specifieke problemen voor het voetlicht te brengen handhaving hiervan moet onderzocht worden en om oplossingsrichtingen te verkennen. Ervaringen de regeling moet veranderd worden en de uit de praktijk zullen deze problemen illustreren. handhaving tijdens Coronacrisis tijdelijk worden versoepeld; Enerzijds hebben we te maken met de gevolgen van het landelijke beleid (Coronamaatregelen, AIO- * Hoe speelt het huisvestingsbeleid in op de uitkering, huisvesting en remigratievoorwaarden), perspectieven van remigratie? Regelingen zijn waarvoor de gemeentelijke uitvoerders onvoldoende veranderd en het perspectief moet worden oog hebben. Anderzijds is er sprake van de gevolgen bijgesteld? Tegen welke kosten? van gemeentelijk beleid of het beleid op stadsdeel- niveau, dat tot voor kort principieel ‘generiek’ was, terwijl specifieke doelgroepen juist met specifieke Ad 2. Toegankelijkheid en inclusiviteit problemen kampen, waarvan de gevolgen voelbaar van voorzieningen zorg en welzijn zijn in de wijk, buurt, straat, bij buren en familie. * De Nederlandse taal is voor deze groep Belangrijke zorgen van Marokkaanse en Turkse migrantenouderen een obstakel. Zeker als er ouderen, zijn: sprake is van ziekte (bijvoorbeeld dementie) bestaat behoefte aan communicatie in de 1. Zorgen over inkomen (AOW, AIO, pensioen) eigen taal. Zorgverleners hebben onvoldoende of - 86% van de Marokkaanse en 67% van de geen mogelijkheden om een tolk in te zetten. Turkse ouderen leeft in armoede, tegenover Voorlichting vanuit de gemeente, ook over 11% van de Nederlandse ouderen, Het Corona, heeft deze groepen onvoldoende remigratieperspectief speelt een rol, evenals bereikt; het huisvestingsbeleid; * De inzet van digitale hulpmiddelen is voor deze 2. Zorgen over gezondheid en welzijn (toegan- groepen geen oplossing. Door de grote nadruk kelijkheid en inclusiviteit van de zorgvoor- op digitale communicatie in zorg- en welzijn zieningen) -informatievoorziening, worden deze groepen opnieuw buitengesloten. cultuursensitieve zorg en welzijnsaanbod; Er zullen andere wegen moeten worden bewandeld, bijvoorbeeld via de lokale radio- 3. Zorgen over contacten binnen de familie en televisiezenders; (mantelzorg, contact met kinderen en klein- kinderen) en binnen bredere sociale kring *_In de ouderenzorg, zowel thuis als binnen (moskee, andere ontmoetingsmogelijkheden). zorginstellingen en mantelzorgondersteuning wordt een grote afstand ervaren tussen de 4. Zorgen & Ervaringen formele en informele zorg. Binnen instellingen van hun achterban en een bijdrage leveren is nog te weinig sprake van cultuursensitieve over de vraag op welke wijze cultuursensitief zorg (bijvoorbeeld in muziek, voeding, aankle- gewerkt kan worden in zorgorganisaties. ding, activiteiten en omgang met familieleden; Ad 3. Contacten binnen familie en in wijk * Op het gebied van de uitvaartzorg zijn de en buurt mogelijkheden ontoereikend. De tijdens de Coronacrisis overleden personen van Turkse * Binnen veel families verloopt de communicatie of Marokkaanse afkomst hebben vaak niet tussen generaties moeizaam. Professionele gebruik kunnen maken van hun uitvaartverze- ondersteuning met begeleiding van zelf- kering die een teraardebestelling in het land organisaties zou aangeboden moeten worden. van herkomst garandeerde. Dit heeft veel leed veroorzaakt bij de betrokkenen. Informatie *_Ontmoetingsmogelijkheden: de huidige be- op dit gebied is ontoereikend geweest: veel leidskaders maken een eigen ontmoetingsplek families hebben te lang in onwetendheid of voor migrantenouderen niet mogelijk. Alleen onzekerheid geleefd; dan in de moskee, en hooguit enkele uren per week binnen buurthuizen. Er is behoefte *_Welzijnsvoorzieningen zoals de Stadspas zijn aan een ruimte in eigen beheer, zoals voor niet aantrekkelijk voor Turkse en Marokkaanse Nederlandse ouderen bestaat bij SOOP of De ouderen, omdat de mogelijkheden van die Tweede Uitleg (https://www.tweedeuitleg.nl/). pas te weinig aansluiten op hun behoeften en interesses; * De stem van de Marokkaanse en Turkse ouderen wordt te weinig gehoord in cliëntenraden en ouderenbonden. De rol van migrantenorganisaties binnen de ouderenzorg in Amsterdam zou versterkt moeten worden door die organisaties meer de ondersteunings- functie, brugfunctie en adviesfunctie te laten vervullen. Zij kunnen meedenken met instellingen over de wijze waarop de benade- ringswijze van professionals beter kan worden toegesneden op de leefwereld en behoeften Kd a Ml Fn k et en EED Mt en 4 € _ PARE Ek A ee En N ' kh ie hin : en min Un À vl f Ds Nn” A N ; ; en 2 f Ni WS | eik ear ‘ a ze A are Vid ae 5 KL $ EE LE 5e van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 5 Uitwerking resultaten inventarisatie Zorgen en ervarin en van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam Onderzoek Conclusie: het dilemma rond terugkeer speelt voor Het onderzoek bestond uit een vragenlijst (Zie Resultaten: een belangrijke groep nog een rol, terwijl het meren- bijlage 1), een aantal rondetafelgesprekken (bijlage 2) deel zich - met moeite- lijkt te verzoenen met verblijf en interviews met Marokkaanse mantelzorgwerkers en in Nederland. twee oudere Marokkaanse vrouwen (bijlage 3). De vragenlijst is ingevuld door 66 personen. Aan de Wonen in Amsterdam rondetafelgesprekken namen 150 personen deel. Van de deelnemers woont 20% alleen en het meren- deel met familie (72,3%). Een deel van de respon- Zes vrouwen en 59 mannen hebben de vragenlijst denten woont met plezier. Maar gevraagd naar de ingevuld, in leeftijd variërend van 58 tot 87 jaar. De woonwensen wordt vaak genoemd: het ontbreken meesten zijn afkomstig uit Amsterdam-West (41), van een lift, traplift, een woning op de begane grond, waarvan 15 uit Amsterdam-Nieuw-West. De overige een kleiner huis en lagere huur. Gevraagd naar de respondenten komen uit Amsterdam-Oost en -Zuid. woonzorgen komt de huur en de huurverhoging vaak naar voren. Daarnaast worden genoemd: te veel Inkomen trappen, onvoldoende woningaanpassingen, te grote Het merendeel van de respondenten heeft AOW en te dure woning en de onmogelijkheid om een (60%). De helft heeft daarnaast een pensioen. 43,1% geschikte woning te vinden. heeft recht op een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO). Conclusie: er is behoefte aan woningaanpassingen, Van de geïnterviewden gaf 30,8% aan, problemen te met name liften en trapliften. De woonlasten zijn hebben met uitkeringen. Er is veel behoefte aan een hoog en als men wil verhuizen naar een kleinere langer verblijf in Marokko en Turkije. Dat is nu niet woning, is die niet te vinden. meer mogelijk. Ook tijdens de rondetafelgesprekken met Marokkaanse Ruim driekwart van de respondenten ontvangt een ouderen in Amsterdam kwam de woonsituatie ter zorgtoeslag (76,9%). Dit duidt op een lage inkomen- sprake. Daarin werd geconstateerd dat er een groot te- spositie. Velen ervaren echter problemen met de kort is aan geschikte woningen voor ouderen. Geschikte vragen die ze hebben met hun uitkering of huur-/ woonvormen voor Marokkaanse en Turkse ouderen zorgtoeslag. Ze ervaren te ingewikkeld waarbij vaak zijn noodzakelijk om zelfstandig te kunnen blijven hulp gezocht moet worden. wonen, mogelijk te maken. Specifieke woonvormen voor ouderen kunnen hier een oplossing bieden. Conclusie: het merendeel van de respondenten heeft een lage inkomenspositie en een derde ervaart pro- Coronacrisis en de toegankelijkheid van blemen bij de aanvraag van toeslagen en uitkeringen. zorg- en welzijnsvoorzieningen De maanden maart-juni 2020 gaan de geschiedenis in Tijdens de rondetafelgesprekken met Marokkaanse als de Coronacrisis. ouderen in Amsterdam werd geconstateerd dat veel Hoe hebben de respondenten deze periode ervaren? ouderen in financiële problemen verkeren, onder Hoe hebben zorg- en welzijnsvoorzieningen hen in deze meer door de gevolgen van de vele begrenzingen in periode kunnen helpen? de sociale zekerheid op het gebied van inkomen. “Ervaring van de Coronacrisis Terugkeer Het algemene beeld was dat ouderen angstig waren Op de vraag of men in de toekomst zou willen en een zorgelijke periode doormaken. Respondenten terugkeren naar het geboorteland antwoordde ruim hebben hun leven kunnen inrichten met thuis zitten 75% negatief. Bijna 25% wil wel terug, maar ziet veel en tv-kijken. Contact met kinderen, kleinkinderen, belemmeringen. Gedeeltelijk zijn die financieel van familie en vrienden werd node gemist, alsmede aard (50%), maar de belemmeringen hebben vooral vakanties naar Marokko/Turkije, wat ook familie- te maken met familieverhoudingen (81%). bezoek betekent. Ook moskeebezoek werd gemist. 6 _ Zorgen & Ervaringen *Mantelzorg Conclusie: in vergelijking met de huisarts lijken Volgens de respondenten maakt 83,1% geen ge- de Thuiszorg en de Wijkverpleging minder of niet bruik van mantelzorg. Het is mogelijk dat sommige toegankelijk te zijn. Taalproblemen spelen een rol, respondenten niet bekend zijn met deze term. Bijna ook bij de huisarts. Er is behoefte aan sleutelfiguren 70% had geen zorg nodig buiten de familie om. 30% die als bruggenbouwer fungeren tussen zorgvrager had dus wel een zorgvraag waarvoor ze een beroep en aanbieder, bijvoorbeeld door het organiseren van moesten doen op zorgvoorzieningen. inloopspreekuren. *Thuiszorg In een van de interviews met Marokkaanse vrouwen Slechts 20% van de respondenten geeft aan recht op blijkt dat het verkrijgen van de juiste zorg veel moeite thuiszorg te hebben. Taalproblemen met de thuis- en stress kost: zorgmedewerkers werd bij 32,3% ervaren. Rachida heeft onlangs een operatie gehad aan haar *Huisarts rug. Hierbij heeft ze een tijdje een medewerker van Contact met de huisarts was mogelijk voor 81,5. Wel de thuiszorg gehad. Dit is alleen niet zo gemakkelijk werd bij 61,5% hulp ingeroepen van een familielid gegaan. Ze heeft hier veel voor moeten doen en veel tijdens dit contact met de huisarts. Voor 35,4% had mensen van buitenaf moeten benaderen om de juiste de huisarts onvoldoende tijd om de vraag te beant- hulp te krijgen. Dit heeft er zelfs voor gezorgd dat ze woorden. terug moest naar het ziekenhuis omdat haar wond niet op tijd werd schoongemaakt. Rachida: “Ik wist *Wijkverpleging en apotheek niet waar ik recht op had en hoe ik ervoor moest zorgen Opvallend is dat 96,9% geen contact heeft kunnen dat ik de juiste zorg kreeg. Dit heeft ervoor gezorgd dat ik opnemen met de wijkverpleging. in mijn herstelperiode alleen maar aan het stressen was Voor 18,5% geldt dat zij hun medicijnen niet op tijd over de zorg die ik nodig had maar niet kreeg. Ook wist hebben kunnen krijgen. ik niet wat ik moest doen om het te krijgen.” *Sleutelfiguren Ook in de rondetafelgesprekken met Marokkaanse Het overgrote deel van de respondenten (90,8%) zou ouderen kwam naar voren dat die wel behoefte het een goed idee vinden om sleutelfiguren uit de hebben aan bijvoorbeeld hulp in het huishouden gemeenschap te laten fungeren als bruggenbouwer/ en bij lichamelijke verzorging en verpleging, maar intermediair tussen zorgvrager en aanbieder, bijvoor- _ dat de ouderen nauwelijks gebruik maken van beeld door het organiseren van inloopspreekuren. zorgvoorzieningen op dit gebied, Veel Marokkaanse ouderen met thuiszorgvragen zijn afhankelijk van de ondersteuning die ze krijgen van hun kinderen of ' er En El zn hm ms as Ne De E | fi ez , e | … | NR ; Ei Dn a RC À rh iks ND pe En WE ie. ER A “ak | En hk ‘A EN Ad Ld pa Ram , a jé 7e Dn Ean „A @ . ar 57 N Ed ; a Ie pd S A ON “ r NE 5 é SPB 4E p, Za “5 ES ' U 8 e - nd Un 4 4 JN RN ST hd Mi he been scans ‚ | m = kk N 1 k a k. ‘ KR zr À EA ij nn. N ï …— | van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam _/ mantelzorgers. Ook op het gebied van psychosociale logisch aangezien de Coronadreiging een besmet- ondersteuning blijkt dat deze ouderen nauwelijks ge- tingsgevaar met zich meebrengt. bruik maken van de beschikbare professionele hulp. Onwetendheid, schaamte en taboe spelen hierbij een De bewegingsvrijheid van de respondenten werd belangrijke rol. ernstig beknot. 60% kon alleen naar de supermarkt en verder nergens anders naartoe. Er is een grote be- Berichtgeving over Corona hoefte (89,2%) aan een permanente ontmoetingsplek De berichtgeving tijdens de Coronacrisis heeft gezorgd voor ouderen in de directe omgeving. voor angst, zorg en onzekerheid. De belangrijkste bron van informatie was de tv. Daarnaast worden Conclusie: zeker in crisistijden is de bewegingsvrij- kinderen genoemd en ook vrienden die beter op de heid van deze ouderen beperkt. Er is grote behoefte hoogte waren van de informatie rond Corona. aan meer ontmoetingsplekken. Bijna 60% van de respondenten heeft de berichtgeving Ook in de rondetafelgesprekken met Marokkaanse rond het Coronavirus niet goed begrepen. 70% kreeg ouderen komt dit naar voren. Er is een gebrek aan hulp van familie en vrienden om die informatie beter voorzieningen op het gebied van sociale contacten te. Liever had 83,1% van de respondenten de informatie en ontmoeting. Voor veel ouderen fungeert de mos- over het Coronavirus in de eigen taal ontvangen. kee als enige plek voor dergelijke contacten. Met de Bijvoorbeeld via een programma in de eigen taal Coronamaatregelen is deze mogelijkheid ook wegge- op een lokale radio- of televisiezender (81,5% voelt vallen, waardoor mensen meer en meer in een soci- daarvoor). Naar aanleiding van de informatie rond aal isolement terecht zijn gekomen. Sociale voorzie- het Coronavirus is bijna 90% van de respondenten ningen op het terrein van ontmoeting zijn hard nodig angstiger geworden. om een dreigende eenzaamheid onder deze ouderen tegen te gaan. Gevraagd naar de wenselijkheid om een permanente contactpersoon in de buurt te hebben werd door Behoefte aan ontmoetingsplekken kwam ook naar bijna 90% van respondenten geantwoord dat dit voren in de interviews met de mantelzorgwerkers: gewenst is. ‘Wat het meest naar voren kwam in onze gesprekken was de behoefte die vrouwen hebben om iemand Conclusie: de berichtgeving in deze periode heeft de te hebben waarmee ze een gesprek kunnen voeren. ouderen volstrekt onvoldoende bereikt. Dit heeft de De oudere vrouwen in Amsterdam willen gehoord angst en zorg enorm vergroot. Informatie in de eigen worden, Ze willen een plek waar ze samen kunnen taal, via een lokale radio- of televisiezender of via komen om over alledaagse onderwerpen te kunnen een permanente contactpersoon in de buurt, zou een praten. Een veilige plek waarin deze vrouwen niet bepalende rol kunnen spelen. worden gezien als de vrouw of moeder van, maar vooral als gewoon als een onafhankelijke vrouw.’ Dagbesteding en verpleeghuis Van de respondenten is slechts 38,5% bekend met Medezeggenschap en participatie zorginstellingen, zoals een verpleeghuis of een Hoewel er enige bekendheid is met ouderen- verzorgingshuis met dagbestedingsactiviteiten. 70% organisaties en cliëntenraden van zorginstellingen, en vindt dit ook niet aantrekkelijk: Anderen (30%) ziet 29,2% werd uitgenodigd om daaraan deel te nemen, een andere kant, dus dat deze voorzieningen nodig neemt slechts 21,5% hieraan deel. zijn als je niet meer thuis kunt blijven wonen. Conclusie: ouderenorganisatie en cliëntenraden zijn Conclusie: er is onbekendheid met en weerstand op dit moment nauwelijks een plek waar de oudere tegen zorginstellingen zoals een verpleeghuis en Turkse en Marokkaanse Amsterdammers hun stem dagbesteding. Ook al zien sommigen nut en nood- kunnen laten horen, zaak wel in. Het verslag van de rondetafelgesprekken met Marok- Sociaal netwerk kaanse ouderen sluit af met de volgende constate- Tijdens de Coronacrisis kreeg 26,2% geen hulp van de ring: “Om de woon-, zorg- en welzijnsvoorzieningen directe omgeving. Het is niet duidelijk of er een hulp- beter af te stemmen op de vraag en behoeften van vraag was. Men heeft de familie zeer gemist (71,9%). deze ouderen, dienen deze voorzieningen mensen Respondenten gaven ook aan dit te ervaren als dat uit hun doelgroep te betrekken bij het bedenken en het beter en veiliger is voor iedereen en daarom maken van strategieën en plannen. 8 Zorgen & Ervaringen Palliatieve zorg en uitvaartzorg -_De berichtgeving tijdens de Coronacrisis heeft Tijdens de Coronacrisis bestonden er veel zorgen ouderen volstrekt onvoldoende bereikt. Dit over de gang van zaken rond sterven, uitvaart en heeft de angst en de zorgen enorm vergroot. begraven. Uit de rondetafelgesprekken met Marok- Informatie in de eigen taal, bij voorbeeld via kaanse ouderen kwam de wens om een islamitische een lokale radio- of televisiezender, of door begraafplaats in Amsterdam tot stand te laten komen een permanente contactpersoon in de buurt, sterk naar voren. Het realiseren van een islamitische zou een goede rol kunnen spelen. begraafplaats in Amsterdam verdient aandacht. …_Eris in de meeste gevallen onbekendheid met en weerstand tegen zorginstellingen zoals een verpleeghuis en dagbesteding. Alle conclusies op een rij: -_Het merendeel van de respondenten heeft een …_ Zeker in crisistijden is de bewegingsvrijheid lage inkomenspositie en ervaart problemen bij van deze ouderen beperkt. Er is grote behoef- de aanvraag van toeslagen en uitkeringen; te aan meer ontmoetingsplekken. -_Het dilemma rond terugkeer speelt voor een -_Ouderenorganisaties en cliëntenraden zijn op belangrijke groep nog een rol, terwijl het me- dit moment nauwelijks een plek waar de ou- rendeel zich met moeite lijkt te verzoenen met dere Turkse en Marokkaanse Amsterdammers verblijf in Nederland; hun stem kunnen laten horen (ze zijn onder- vertegenwoordigd). - Eris behoefte aan woningaanpassingen, met name liften en trapliften. De woonlasten zijn hoog en als men wil verhuizen naar een klei- … nere woning, is die in de meerderheid van de Bijlagen: gevallen, niet te vinden; 1. Resultaten van het Verkennend onderzoek Zorgen en ervaringen van Marokkaanse en -_In vergelijking met de huisarts lijken de Turkse ouderen in Amsterdam; thuiszorg en de wijkverpleging minder of niet toegankelijk te zijn. Taalproblemen spelen 2. Verslag rondetafelgesprekken Marokkaanse een rol, ook bij de huisarts. Er is behoefte aan ouderen; sleutelfiguren/intermediairs die als brug- genbouwer fungeren tussen zorgvrager en 3. Verslag van Halima El Yousfi; gesprekken met aanbieder, bijvoorbeeld door het organiseren 40 Marokkaanse ouderen. van inloopspreekuren; Î pr 4 ij 4 Vn k ed « | nj | 75 À É In E, Es |E | | € mss | | | | Bn N El e ke. | n ame Fe dd Le nl. : A pe ki el - k ze En 3 ie FE] ze. P ‚ : ARE EEN Be \| … á ed ú pn 4 __ We » . er van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam OQ Bij lage 1: Resultaten inventarisatie (66 respondenten) Zorgen en ervaringen van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam a. Hoe ziet uw inkomenspositie eruit? b. Terugkeer Hoe gaat het met uw inkomen? Wilt u in de toekomst terug naar uw geboorteland? Heeft u AOW? Ja 24,6% Ja 60% Nee 75,4% Nee 40% Enkele toelichtingen: Heeft u pensioen? *__ Alleen met de medewerking van mijn partner Ja 49,2% * __Nu een vast inkomen in Nederland Nee 49,2% * Financieel te moeilijk en te ingewikkeld *__ Ontbreken van goede zorg geeft geen zekerheid Heeft u recht op een Aanvullende Inkomensvoorzie- in herkomstland ning Ouderen (AlO)? * Kinderen die hier zijn, houden me tegen Ja 43,1% * Faciliteren om langer periodes te mogen blijven, Nee 56,9% zes maanden per jaar Ervaart u problemen met uitkeringen? Ziet u op tegen de kosten die dat met zich Ja 30,8% meebrengt? Nee 69,2% Ja 66,2% Nee 33,8% Toelichting: Ik kan niet langer dan drie maanden in Marokko Ziet u belemmeringen om terug te gaan naar uw blijven. geboorteland? Ja 76,9% Heeft u een WAO-uitkering? Nee 23,1% Ja 18,5% Nee 81,5% Zijn die financieel van aard? Ja 50,8% Ontvangt u kinderbijslag? Nee 49,2% Ja 15,4% Nee 84,6% Of heeft dat eventueel te maken met familieleden die u achterlaat? Heeft u recht op huurtoeslag? Ja 81,5% Ja 64,6% Nee 18,5% Nee 35,4% c. Wonen in Amsterdam Ontvangt u zorgtoeslag? Ja 76,9% Hoe woont u op dit moment? Nee 23,1% Sociale huurwoning, etage of eengezinswoning. Heeft u problemen ervaren met vragen over uw uit- Welke woonwensen heeft u verder? kering of toeslag? *_ Woning in een veilige omgeving Ja 30,8% * Woning met een lift Nee 69,2% * Ik wil een woning met lift of een benedenhuis of een huis met traplift Een toelichting: *__Nu een groot huis met lage huur Ingewikkeld. Ik moet daar altijd hulp voor zoeken. * _Ik woon prima 10 Zorgen & Ervaringen *__Een woning met lift of een traplift Hoe heeft u uw leven kunnen inrichten? * Genoeg ruimte voor familieleden Thuis zitten, tv kijken * _Rentevrij een huis kopen Ik heb me aangepast aan de situatie en aan de regels *__ Kleiner wonen *__ Kleiner en goedkoper wonen Wat heeft u gemist tijdens de periode rond de *_Benedenhuis of 1 etage met traplift Coronacrisis? * __Traplift of lift *___Kleiner wonen op de begane grond Meeste antwoorden: *_Kleiner huis en met lagere huur Contact met kinderen, kleinkinderen, familie en * Woning in een schone en mooiere buurt vrienden; vakantie naar Marokko/Turkije en mos- * _ Aangepaste woning keebezoek, Woont u alleen? Maakt u gebruik van mantelzorg? Ja 20% Ja 16,9% Nee 80% Nee 83,1% Woont u met familie? Heeft u zorg nodig gehad buiten de familie om? Ja 72,3% Ja 30,8% Nee 27,7% Nee 69,2% Welke zorgen heeft u over uw woonsituatie? Heeft u recht op thuiszorg? *__ Veiligheid in mijn buurt Ja 20% *_ De huren worden meer en meer verhoogd Nee _ 80% * __Hoge huur * _ Woning wordt steeds duurder Zo ja, ervaart u taalproblemen met de thuiszorgme- *__ Slechte service van woningcorporatie dewerkers? *__Geen huis kunnen kopen vanwege het oplopen Ja 32,3% van hoge vaste lasten Nee 67,7% * __Te groot huis op een bovenverdieping zonder lift *__Te hoge huur Kon u contact opnemen met uw huisarts? * Ik zie mijn kinderen niet vaak genoeg Ja 81,5% * Aanpassingen nodig voor mijn aangepaste be- Nee 18,5% hoeften * _ Te groot en op de derde verdieping Heeft u hulp gehad tijdens het contact met uw huis- * _Trappenlopen en achterstallig onderhoud arts van bijvoorbeeld een familielid? * Ik loop moeilijk daarom zou ik graag willen ver- Ja 61,5% huizen Nee 38,5% *__Ikkan moeilijk de trap op lopen * _ Te groot en op de vierde verdieping Had de huisarts genoeg tijd om uw vraag te beant- *_ Ouderdom in relatie met hoge huur woorden? * Huurprijzen zijn te hoog, verhuizen naar een Ja 64,6% betere woning is te moeilijk Nee 35,4% * __ Huidige woning is niet geschikt met te veel trappen * __ Woning op een hoge etage Enige voorbeelden bij de toelichting: * Woning is niet aangepast voor 70+ *_ Goed contact met huisarts * Ervaar eenzaamheid * Huisarts heeft het druk *__De huisarts had door Coronacrisis en de vele vragen van cliënten weinig of geen tijd 2. Gezondheid, welzijn, toegankelijk- *_Via mijn dochter heb ik contact gezocht met de heid van voorzieningen huisarts *_Huisarts nam de tijd voor mij Hoe heeft u de afgelopen periode tijdens de * Ik kreeg antwoord op al mijn vragen Corona-crisis ervaren? * _Mijn Nederlands is ontoereikend * _ Via een e-consult ging het contact met de huis- Meeste antwoorden: moeilijk, angstig, bezorgd. arts prima van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 1 * _ Wegens de regels en de drukte te weinig tijd Kreeg u hulp van familie en vrienden bij het begrij- * _ Bezoek werd kort houden pen van die informatie? *__Nam genoeg tijd voor mij Ja 70,8% * Aardige huisarts die veel tijd voor me had Nee _ 29,2% * __Door Corona was alles ontregeld * Ik heb de huisarts niet nodig gehad Had u de informatie over het Coronavirus en de * _ De huisarts was alleen telefonisch bereikbaar gevolgen daarvan liever in uw eigen taal willen * __ Viatelefoon contact met huisarts ontvangen? Ja 83,1% Heeft u contact kunnen opnemen met de wijk- Nee 16,9% verpleging? Ja 3,1% Zou u het prettig vinden om een permanente con- Nee 96,9% tactpersoon in de buurt te hebben? Ja 89,2% Heeft u uw medicijnen op tijd kunnen krijgen? Nee 10,8% Ja 81,5% Nee 18,5% Had u bijvoorbeeld een programma in uw eigen taal op een bepaalde televisiezender op prijs gesteld? Veel migrantenouderen van de eerste generatie Ja 81,5% hebben vaak moeite om hun klachten en zorgbehoef- Nee 18,5% ten goed te verwoorden. Dit kan enerzijds te maken hebben met de beheersing van de Nederlandse taal Bent u angstiger geworden naar aanleiding van de maar anderzijds ook met beperkte gezondheidsvaar- informatie rond het Coronavirus? digheden. Ja 89,2% Nee 10,8% Herkent u zich in dit beeld? Ja 81,5% Bent u bekend met zorginstellingen, zoals een ver- Nee 18,5% pleeghuis of een verzorgingshuis met dagbestedings- activiteiten? Nu veel migranten zorgconsulenten zijn verdwe- Ja 38,5% nen, kunnen sleutelfiguren uit de gemeenschap Nee 61,5% als bruggenbouwer fungeren tussen zorgvrager en aanbieder, bijvoorbeeld door het organiseren van Vindt u deze vorm van zorg in een verzorgingshuis inloopspreekuren. aantrekkelijk? Ja 30,8% Zou u dat een goed idee vinden? Nee 69,2% Ja 90,8% Nee 9,2% Enige toelichting: *__ Alleen nodig als je niet thuis kunt blijven wonen Hoe heeft u de berichtgeving tijdens de Coronacrisis * _ Als je niet altijd kunt rekenen op je naasten ervaren? * __Ja, wanneer er geen alternatieven zijn Meeste antwoorden: * _ Het is nodig als het niet anders kan Zorgde voor angst, zorgen en onzekerheid. Berichtge- * __ Als het niet alleen thuis wonen niet meer lukt ving was onduidelijk en niet afgestemd op Turkse en * Liever bij familie blijven wonen Marokkaanse Nederlanders. *_Ikweet niet wat het een verzorgings- of verpleeghuis is * Minder vrijheid in een verzorgingshuis Wat was uw belangrijkste bron van informatie tij- *_Te weinig familie in de omgeving dens de Coronacrisis? * __ Wel handig als je alleen bent Nederlandse tv, Marokkaanse en Turkse tv, kinderen * __ Verlies van eigen regie in verzorgingshuis en vrienden. * __ Geen ervaring mee * __ Geen behoefte aan Heeft u alle berichtgeving rond het Corona-virus *__Je bent zonder familie en te weinig vrijheid in een goed begrepen? verzorgingshuis Ja 41,5% * __Niet aantrekkelijk maar wel nodig wanneer het Nee 58,5% niet anders kan 12 Zorgen & Ervaringen «Ik denk dat je niet 100% op je kinderen kunt reke- Neemt u hieraan deel? nen als het zover is Ja 21,5% *__Ik maak daar geen gebruik van Nee 78,5% * __ Daarvoor heb je kinderen grootgebracht, om je later te kunnen helpen Bent u benaderd/uitgenodigd door deze organisaties * Een te onbekende omgeving voor mij om hieraan deel te nemen? * __ Het is nodig. Mijn vrouw wordt ouden kinderen gaan _ Ja 29,2% weg Nee 70,8% * __Ik wens liever thuis verzorgd te worden *_Het zit niet in onze cultuur Overige vragen: Man: 90,8% (59) 3. Contacten binnen familie en Vrouw: 9,2% (7) bredere sociale kring Wat is uw geboortejaar? Kreeg u tijdens de Coronacrisis hulp van familie, 1933 - 1962 (60 respondenten) buren, vrienden? Ja 73,8% Wat is uw land van herkomst? Nee 26,2% Marokko 62,5% (40) Turkije 34,4% (22) Vond u dat u uw familieleden voldoende kon zien Nederland 1,6% (1) tijdens de Coronacrisis? Ja 28,1% Welk stadsdeel van Amsterdam? Nee 71,9% Bos en Lommer 9 +1 Baarsjes 1 En wat vond u daarvan? Geuzenveld 1 * __ Bang Slotermeer 2+1 *___Het was beter en veilig voor iedereen West 6 +6+10 * __Logisch aangezien de coronadreiging West 1 * Een groot gemis Oud west 1+2 * __ Jammer, maar ook goed voor iedereen * __ Werd er angstiger van Totaal West en Nieuw-West: 41 (waarvan Nieuw West: 15) * _ Zeer treurig * _ Vond het lastig De Pijp 1 +1+1 *__Niet goed voor mijn gezondheid Oud Zuid 1 *__Niet fijn Rivierenbuurt 1 *_ Jammer maar verstandig Zuid 1+1 * _ Beter om besmetting te voorkomen * _ Begrijpelijk, gezien besmettingsgevaar Totaal Zuid 7 * _ Eenzaam gevoel Oost 3 Kon u tijdens de Corona-crisis nog ergens naar toe Oost 2+1 behalve de supermarkt? Centrum Oost 1 Ja 40% Nee 60% Totaal Oost 7 Niet ingevuld 2+3=5 Heeft u behoefte aan een permanente ontmoetings- plek voor ouderen? Ja 89,2% Nee 10,8% Bent u bekend met ouderenorganisaties (landelijk, lokaal, of op buurtniveau) of cliëntenraden van zorginstellingen? Ja 35,4% Nee 64,6% van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 3 Bijlage 2: Verslag Rondetafelgesprekken met Marokkaanse ouderen in Amsterdam Ter voorbereiding op de conferentie Zorgen en kaanse ouderen zijn hard nodig om zelfstandig ervaringen van Turkse en Marokkaanse ouderen in blijven wonen mogelijk te maken. Specifieke Amsterdam op 1 oktober 2020, heeft EMCEMO een ouderen woonvormen kunnen hier een oplos- aantal rondetafelgesprekken gehouden met Marok- sing bieden. Deze woonvormen passen ook kaanse ouderen in Amsterdam, een groep ouderen goed in de Wet Maatschappelijk Ondersteu- die behoort tot de eerste generatie immigranten uit ning (WMO); Marokko. De gesprekken hebben plaatsgevonden 3) Veel Marokkaanse ouderen hebben behoefte respectievelijk op 26 augustus 2020 bij EMCEMO; op aan hulp in het huishouden en bij lichamelij- 28 augustus 2020 in de Rivierenbuurt bij de Moskee ke verzorging en verpleging. Toch blijken zij Ashoura; op 31 augustus 2020 in Amsterdam-Oost bij nauwelijks gebruik te maken van zorgvoor- Studio K; op 3 september 2020 Amsterdam-West op zieningen op dit gebied. Veel Marokkaanse het Mercatorplein; en op 5 september 2020 in Bos en ouderen met thuiszorgvragen zijn afhankelijk Lommer op de Mansveltschool. van de ondersteuning die ze krijgen van hun kinderen (mantelzorgers). Ook op het gebied Doel van deze rondetafelgesprekken was om infor- van psychosociale ondersteuning blijkt dat matie te verzamelen over de huidige situatie van Ma- deze ouderen nauwelijks gebruik maken van rokkaanse ouderen en inzicht in hun problemen en de beschikbare professionele hulp. Onwetend- wensen te krijgen op het terrein van wonen, zorg en heid, schaamte en taboe spelen hierbij een welzijnsvoorzieningen. In dit kader hebben we in ver- belangrijke rol; schillende regio's vijf buurtgerichte rondtafelgesprek- 4) Gebrek aan voorzieningen op het gebied van ken gehouden (Oost, De Pijp, De Baarsjes, Bos en sociale contacten en ontmoeting. Voor veel Lommer en Oud-West). In totaal hebben 150 ouderen ouderen fungeert de moskee als enige plek aan deze gesprekken deelgenomen. Het gesprek met voor ontmoeting en sociale contacten. Met de de aanwezige ouderen ging over de volgende vraag: coronamaatregelen is deze mogelijkheid ook weggevallen, waardoor mensen meer in een Wat zijn de problemen, wensen en behoeften van sociaal isolement terecht zijn gekomen. Sociale Marokkaanse ouderen op het terrein van wonen, voorzieningen op het terrein van ontmoeting welzijn en zorg en op welke wijze kan het aanbod zijn hard nodig om dreigende eenzaamheid aansluiten bij de vraag en behoefte van deze oude- onder deze ouderen tegen te gaan; ren, nu en in de toekomst? 5) Gebrek aan geschikte begraafplaatsen in Am- sterdam en omgeving voor ouderen met een Het is algemeen bekend dat Marokkaanse ouderen islamitische achtergrond. De wens voor een is- diverse problemen ervaren op het gebied van ge- lamitische begraafplaats in Amsterdam is in de zondheid, sociale contacten, wonen, inkomen en wel- coronatijd sterk toegenomen. Het realiseren zijn. Uit deze gesptrekken met Marokkaanse ouderen van een islamitische begraafplaats in Amster- blijkt dat er veel vragen en behoeften leven die op dit dam voorziet in een sterke behoefte; moment extra aandacht vragen. Deze problemen zijn 6) Veel ouderen verkeren in financiële proble- in de coronacrisis extra zichtbaar waarbij ook nieuwe men, hetgeen onder meer komt door de problemen aan het licht komen. Hieronder een weer- gevolgen van de begrenzingen in de sociale gave van deze problemen en wensen: zekerheid op het gebied van inkomen. 1) Geconstateerd werd dat het aanbod van woon-, zorg, en welzijnsvoorzieningen niet Ter afsluiting. Om de woon-, zorg- en welzijnsvoorzie- toegankelijk is of niet aansluit op de behoeften ningen beter af te stemmen op de vraag en behoef- van Marokkaanse ouderen. Als gevolg hier- ten van deze ouderen, dienen deze voorzieningen van blijken Marokkaanse ouderen nauwelijks mensen uit deze doelgroep te betrekken bij het gebruik maken van deze voorzieningen; bedenken en maken van strategieën en plannen. 2) Een groot tekort aan geschikte ouderenwo- ningen. Geschikte woonvormen voor Marok- 14 Zorgen & Ervaringen Bij lage 3: Halima el Yousfi Gesprekken met 40 Marokkaanse ouderen in Amsterdam Als input voor de conferentie Zorgen en ervaringen van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam Inleiding Tijdens Corona Op 1 oktober 2020 zullen EMCEMO en HTIB geza- Al deze dingen waren helaas niet mogelijk tijdens de menlijk een conferentie organiseren. Deze conferen- Coronacrisis, wat er natuurlijk voor zorgde dat de tie wordt georganiseerd om de positie van oudere vrouwen zich steeds meer gingen isoleren. Want de Amsterdamse Turken en Marokkanen vooral ten tijde bijeenkomsten waar de vrouwen naar toe kunnen ko- van de Coronacrisis, onder de aandacht te brengen men in het Tagerijn of buurthuis Mansvelt is niet voor van de lokale politici en uitvoerders binnen zorg- en elke vrouw vanzelfsprekend. Ze hebben de optie om welzijnsinstellingen. hier aan deel te nemen alleen als het voor hen wordt georganiseerd, Dit komt niet alleen door het ontbre- Onderzoek ken van financiële mogelijkheden maar ook omdat Voor een inventarisatie besloten we ongeveer 40 ou- vrouwen vaak niet durven en niet de mogelijkheden deren te interviewen. Dit besloten wij te doen om een hebben om dit uit zichzelf te doen. Daarom heeft goed beeld te hebben van de situatie van de ouderen het werk dat Khadija en Saadia doen een belangrijke voor, tijdens en na corona. Dit is een belangrijk punt functie binnen de Marokkaanse gemeenschap. Ze voor ons onderzoek omdat het om de ouderen gaat. zorgen ervoor dat veel vrouwen binnen die gemeen- Alvorens ik deze interviews heb afgenomen heb ik schap kunnen socialiseren, leren, en meer te weten gesprekken gehad met twee vrouwen die heel betrok- komen over het land waar ze in leven. Dit is belangrijk ken zijn bij stichtingen. Ik heb gesproken met Khadija omdat het niet alleen migrantenvrouwen zijn maar, Alami van stichting Tagerijn en met Saadia van Aknarij ook de moeders die de toekomst van Nederland West, mede bepalen. De ouderen die geholpen hebben dit land op te bouwen en het zijn gewoon vrouwen die Khadija Alami & Saadia onderdeel zijn van onze maatschappij. Wat het meest naar voren kwam in onze gesprekken was de behoefte die vrouwen hebben om iemand Interviews te hebben waarmee ze een gesprek kunnen voeren. Tijdens een ontbijtochtend die werd georganiseerd De (oudere) vrouwen uit Amsterdam willen gehoord door Saadia van Aknarij West zijn er een aantal Ma- worden. Ze willen een plek hebben waar ze samen rokkaanse vrouwen die druk met elkaar in gesprek kunnen komen om over alledaagse onderwerpen zijn. De onderwerpen verschillen van de school voor te kunnen praten. Een veilige plek waarin ze niet hun kinderen tot aan wat ze gaan koken die avond. worden gezien als de vrouw van of moeder van maar Ook hebben ze het over het laatste nieuws en wordt vooral gewoon als zelfstandige vrouw. Zowel Saadia er gesproken over de studiekeuzes van hun kinderen. als Khadija regelen regelmatig uitjes voor deze vrou- Ik kreeg de gelegenheid om een aantal vrouwen te wen, waar heel veel vraag voor blijkt te bestaan. Een interviewen, De namen zijn in verband met de privacy dag picknicken in het park, een tour met de boot, een van de cliënten fictief, uitje naar Giethoorn. Ook worden er onder andere ontbijtochtenden, workshops en voorlichtingsbijeen- Casus 1 Malika komsten georganiseerd. Hierdoor blijven de vrouwen De 78-jarige Malika woont in Amsterdam-West. Ze op de hoogte en kunnen zij nieuwe dingen leren, heeft twee kinderen en vijf kleinkinderen. De man van Malika is na jarenlang ziek te zijn geweest, overle- den. Malika komt over als een sterke vrouw die weet van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 5 wat ze wil maar ondertussen wel eenzaam is. Ze wil Afsluiting anderen liever niet tot last zijn. Malika heeft jarenlang Voor mij was dit onderzoek heel interessant. Zelf kom voor de gemeente gewerkt. Ook is ze meer dan 20 ik uit een familie waarin het vanzelfsprekend is dat er jaar mantelzorger geweest voor haar man. Ze heeft altijd iemand met mij opa en oma mee kan naar een nu AOW en een pensioen en kan nog goed haar eigen doktersbezoek, We weten altijd hoe het met hun ge- boodschappen doen. Als ze ziek is, kan ze zelf naar de zondheid gesteld is en er is altijd wel iemand bij hen. huisarts bellen om een afspraak maken. Als het een Tijdens dit onderzoek heb ik gezien hoe het er ook moeilijker probleem is dan gaat haar zoon mee. Die aan toe kan gaan. Er heerst veel eenzaamheid onder moet dan uitleggen wat het probleem precies is, Als de ouderen, Vele ouderen voelen zich niet begrepen haar zoon een keer niet mee kan gaan dan vraagt ze en voelen zichzelf soms zelfs een last. Dit vind ik een een ander familielid. Een contactpersoon in de wijk hele kwalijke zaak. Ze hebben iemand nodig bij wie heeft ze niet. Dit zou ze wel handig vinden, mocht ze terecht kunnen en missen een plek waar ze samen dat nodig zijn. Malika zou graag terug willen naar kunnen komen. Ze leven in een land waar er andere vaderland maar heeft niemand om mee te nemen. regels heersen en waar de cultuur anders is. Dit be- Haar kinderen zijn beiden getrouwd en hebben hun grijpen en accepteren ze zeker maar ze willen ook dat eigen leven, Bij deze vraag wordt Malika dan ook erg er meer begrip komt voor hun specifieke situatie. emotioneel, Malika: “Ik kan wel teruggaan maar ook in Marokko heeft ieder zijn leven. Dan ben ik alleen maar alleen. Hier heb ik in ieder geval mijn kinderen en die kan ik tenminste dan nog regelmatig zien.” Malika heeft het buurthuis Mansvelt net ontdekt en is blij dat ze hier met andere vrouwen kan praten over het dagelijkse leven. Ze herkent haar eigen verhaal in andere vrouwen en is dan ook van plan om vaker te komen. Casus 2 Rachida Rachida is een 67-jarige vrouw wonend in Amster- dam-West. Rachida heeft twee uitwonende kinderen en woont alleen. Met vochtige ogen vertelt Rachida mij dat ze helemaal alleen woont en zich erg eenzaam voelt. Tijdens de Coronacrisis kon ze niet op vakantie en dit heeft een groot effect op haar gehad. Haar kin- deren ziet ze niet vaak. Rachida: “Af en toe komt mijn zoon langs en na een half uur zegt ie mam, ik moet weer weg mijn vriend wacht beneden op mij.” Al snel begon Rachida mij te vertellen over haar afspraak met haar huisarts waar ze veel moeite mee heeft gehad. Rachida heeft onlangs een operatie ge- had aan haar rug. Hierbij heeft ze een tijdje een me- dewerker van de thuiszorg gehad. Dit is echter niet zo gemakkelijk gegaan. Ze heeft hier veel voor moeten doen en veel mensen van buitenaf moeten bena- deren om de juiste hulp te krijgen. Dit heeft er zelfs voor gezorgd dat ze terug moest naar het ziekenhuis omdat haar wond niet op tijd werd schoongemaakt. Rachida: “Ik wist niet waar ik recht op had en hoe ik ervoor moest zorgen dat ik de juiste zorg kreeg. Dit heeft ervoor gezorgd dat ik in mijn herstelperiode alleen maar aan het stressen was om de zorg die ik nodig had, maar niet kreeg. Ook wist ik niet wat ik moest doen om de juiste zorg te krijgen.” Het buurt- huis is voor haar een uitlaatklep en een plek waar ze wordt afgeleid van de dagelijkse realiteit. 16 Zorgen & Ervaringen van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 /
Onderzoeksrapport
17
train
ET reet ET: gn EN mr en Huisvesting kWêtsbare zijn gro : il ze — 4 Nregw-We Elie. ed EE rn An OPE ES NR On we Er pn in ee OL en Ee HE Ee Ee AR EE | & eg irr) Jg My u sce Ne Ik PEEM ee FR & EA En et TE B ID HH Ì Eu ese Dld worn EN / zhe OO Ai g ik dl dtkb added daddeh Ewa Me OBN err ern eN Pi IL B ae e A EN IN EEn zhe il RAe Tete Oude: @phuisf ie naa vn On KS 8 NEE gt  MEE La loki 00/77 adh bj EN IN mmm: | > < Aantal en aandeel toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen per | gebied in Nieuw-West (periode 2016-2017) > In Geuzenveld-Slotermeer is het aantal toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen veruit het hoogst, > < zowel absoluut (346) als relatief (1,8% van de woningvoorraad). Dit geldt eveneens voor het percentage verhuringen van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen (4,0%); > In Osdorp ligt het aantal toewijzingen ten opzichte van de hele woningvoorraad iets boven het Amsterdamse gemiddelde, maar qua percentage verhuringen van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen ligt het er onder; > In Slotervaart is van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen het laagste aandeel woningen toegewezen aan de kwetsbare doelgroepen; > In DASNS is er een zeer beperkt aantal woningen toegewezen aan de doelgroepen; Verdeling 657 t ijzi kwetsbare doel d Ez : : 8de gebiedenin Nieuw-West, 2016-2017 Eoaneworingen op deden orn 346 2,0 - 45 1,8 | Em - 40 19 | 30% norm: - 35 181 4e oere Ene _ 30 m% woningvooraad 1,2 HE 110 ae | : - 25 URS 0 - 20 m% toewijzingen op 20 0,8 Em hl aantal verhuringen _ En ol —_—_—_—_R ha G-s Osdorp Slotervaart DASNS 0,4 == Kn | Ni - 10 0,2 Pml nier Ì á oo _En___—_ Es _ 0 G-5 Osdorp Slotervaart DASNS Nieuw-West Amsterdam > < Aandeel toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen per wijk in Nieuw- | West (periode 2016-2017) > In 3 wijken van Geuzenveld-Slotermeer worden relatief veel kwetsbare groepen gehuisvest (>1,7% van > < de voorraad). OO Ruim de helft van de toewijzingen in Nieuw-West is in de 3 wijken. OO Het hoge aandeel wordt mede verklaard door het hoge aandeel corporatiehvurwoningen en aandeel verhuringen van vrijkomende woningen in het gebied (40%). OO De 3 wijken behoren tot de hoogste 5 in de stad in (na Zeeburgereiland (3,8%) en Volewijck (3,0%)). > In Osdorp worden in -Oost en -Midden relatief veel kwetsbare groepen gehuisvest > In Slotervaart worden in -Noord en -Zuid relatief veel kwetsbare groepen gehuisvest Percentage toewijzingen kwetsbare doelgroepen op woningvoorraad op wijkniveau, 2016-2017 (alleen wijken met=>10 toewijzingen) F77 Slotermeer-Zuidwest FAI F76 Slotermeer-Moordoaost km: F78 Geuzenveld LE: F81 Osdorp-Oast 1,5 F85 Slotervaart Moord 1,1 F82 Osdarp-Midden 0,9 F89 Sloterwaart Zuid 0,8 F87 Westlanderacht La F86 Owertoomse Veld La} F84 Midde weldsche Akerpolder ue] Nieuw-West Amsterdam he: > < Aandeel en aantal toewijzingen van nieuwe verhuringen aan de | | kwetsbare doelgroepen per wijk in Nieuw-West (periode 2016-2017) > Inde periode 2016-2017 zijn er 5 wijken in Nieuw-West waarin 30% of meer van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen zijn toegewezen aan de kwetsbare doelgroepen > In Geuzenveld en Slotermeer-Zuidwest wordt het grootste aandeel (c.a. 45%) van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen toegewezen aan de kwetsbare doelgroepen. Het zijn ook wijken met een hoge aantal toewijzingen. % toewijzingen kwetsbare doelgroepen op totaal aantal verhuringen van sociale corporatiewoningen en aantallen toewijzingen, op wijkniveau 2016 - 2017 (alleen wijken met =>10 toewijzingen) F78 Geuzenveld 110 . 157 F77 Slotermeer-Zuidwest EU 21 F87 Westlandgracht 34% F81 Osdorp-Oost 34% 117 F76 Slotermeer-Noordoost EED 73 F85 Slotervaart Noord 28% 36 aantal toewijzingen F84 Middelveldsche Akerpolder ts | m % toewijzingen op aantal F82 Osdorp-Midden Mc 62 verhuringen corporatie- woningen F86 Overtoomse Veld EE 18 H 35 F89 Slotervaart Zuid 13% 2x Onderverdeling toewijzingen type kwetsbare doelgroep per wijk In > < Nieuw-West (periode 2016-2017) > < > De doelgroep met begeleiding heeft de veruit meeste toewijzingen in Geuzenveld. > Statushouders hebben veruit de meeste toewijzingen in Slotermeer-Zuidwest. Re aan kwetsbare groepen met Zeal (le eha ashkknedden dkn ehe begeleiding begeleiding statushouders LET) F77 Slotermeer-Zuidwest * F81 Osdorp-Oost 13 F78 Geuzenveld * >=10 F76 Slotermeer-Noordoost >=31 * 39 79 F82 Osdorp-Midden 17 11 34 62 F85 Slotervaart Noord >=10 * 17 36 F89 Slotervaart Zuid 19 >=10 * 35 F87 Westlandgracht * * 11 21 F86 Overtoomse Veld 11 * * 18 F84 Middelveldsche Akerpolder * * * 13 * minder dan 10 waarnemingen. > < Aantal en aandeel toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen per % buurt in Nieuw-West (periode 2016-2017) > Zowel absoluut als relatief worden de meeste kwetsbare groepen gehuisvest in de 3 buurten > < Slotermeer-Zuid, Beerenbrouck en de Wildeman. Na de Van der Pekbuurt worden in de periode 2016- 2017 in deze 3 buurten ook het hoogste aantal kwetsbare doelgroepen in de hele stad toegewezen. > Ten opzichte van de woningvoorraad neemt Slotermeer-Zuid de tweede positie in de stad in (na Zeeburgereiland). Percentage (>=1,5) toewijzingen kwetsbare doelgroepen op woningvoorraad op Aantallen buurtniveau + aantallen, 2016-2017 0 10 20 30 40 50 60 70 50 F78d Buurt 9 (Beerenbrouck)* Bek F8la Wildeman BeRa4 F81d Calandlaan/Lelylaan F76a Buurt 3 (Burgermeestersbuurt) F77d Buurt 5 Noord (L. van Deysselbuurt) F78a Buurt 6 (Weegener Sleeswijk) REA F77c Buurt 4 Oost (Louterbuurt) | F87c Delflandpleinbuurt Oost EE F77f Buurt 5 Zuid (Confucius) | * In Buurt 9 ontbreken vanwege privacyregels de exacte cijfers van personen zonder begeleiding en statushouders. Bij beide groepen is dit minder dan 10 personen > < Onderverdeling toewijzingen type kwetsbare doelgroep per buurt In NX Nieuw-West (periode 2016-2017) > < > Beerenbrouck heeft zowel relatief als absoluut een zeer hoog aantal toewijzingen met begeleiding (resp.3,3% en 73). Ook op stedelijk niveau heeft zij veruit het hoogste aantal. > Ook de Wildeman en Burgermeesterbuurt hebben absoluut en relatief veel groepen met begeleiding. Zij behoren ook tot de hoogste van de stad. > De meeste statushouders komen terecht in Slotermeer Zuid. woningtoewijzingen aan kwetsbare PETS | De 10 buurten met de meeste toewijzingen aal zonder periode 2016-2017 begeleiding begeleiding statushouders KEE F81a Wildeman >=31 * F78d Buurt 9 (Beerenbrouck)** 73 * * F77a Slotermeer Zuid >=13 * F76a Buurt 3 (Burgermeestersbuurt) 29 * >=24 F77d Buurt 5 Noord (L. van Deysselbuurt) * * 26 28 F77c Buurt 4 Oost (Louterbuurt) >=10 * 13 25 F77f Buurt 5 Zuid (Confucius) 16 * * 24 F85c Jacob Geelbuurt >=10 * 12 24 F78a Buurt 6 (Weegener Sleeswijk) >=10 * 12 24 F82b Osdorp Midden Zuid * * * 17 * minder dan 10 waarnemingen. >= onderdrukt om onthulling te voorkomen. > < Toelichting op de cijfers periode 2016-2017 > < Het Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen (PHKG) loopt sinds december 2015 en heeft als doel om kwetsbare groepen met een urgente woonvraag binnen 3 maanden een passende corporatiewoning aan te bieden. Tussen de centrale stad en de corporaties is > < afgesproken dat 30% van alle vrijkomende woningen wordt verhuurd aan de doelgroep. Kwetsbare doelgroepen binnen het PHKG zijn: a Groepen zonder begeleiding op de woning: sociaal en medisch urgenten, rolstoelgeschikte woningen (codes: noodsituatie medisch, sociaal; Rowo-WMO). a Groepen met begeleiding op de woning: voormalige sekswerkers, ex-gedetineerden, slachtoffers van huiselijk geweld, multi- probleem gezinnen, uitstroom maatschappelijke opvang en omslag maatschappelijke opvang/begeleid wonen. a Statushouders: statushouders die in reguliere corporatiewoningen worden gehuisvest (code: statushouder regulier). Dit is exclusief de huisvesting die recent voor statushouders gebouwd is (statushouders projecten) en die in de particuliere voorraad gehuisvest worden (statushouders particulier). Verhuringen van sociale corporatiewoningen met een huur onder de liberalisatiegrens: a De cijfers hebben alleen betrekking op verhuringen die geregistreerd zijn via WoningNet. Omdat directe bemiddeling niet altijd geregistreerd wordt in WoningNet, kan een deel van de toewijzingen ontbreken in het totaal aantal verhuringen. Nuancering van de cijfers: a Op hettotaal aantal huishoudens in de stad (ruim 460.000) gaat het om kleine aantallen toewijzingen van kwetsbare huishoudens uit de doelgroep (ruim 3.300 in 2 jaar tijd). a De doelgroep van het PHKG is zeer divers en dit geldt daarmee ook voor de mate van kwetsbaarheid. a Niet alle gehuisveste kwetsbare huishoudens zijn blijvend kwetsbaar. a De doelgroep van het PHKG is slechts één element in een veelheid van factoren die van invloed kunnen zijn op de kwetsbaarheid van wijken. Bronnen cijfers: a Deze Factsheet is opgesteld op basis van een analyse van gegevens uit de “Tabellenset verhuringen kwetsbare groepen in buurten en wijken” behorende bij het rapport “Woningtoewijzing kwetsbare groepen” (februari 2018, OIS). OIS heeft voor deze producten de volgende bronnen gebruikt: > OIS (woningvoorraad) > AFWC (verhuringen via WoningNet) > Rve Wonen (toewijzingen van woningen via het PHKG)
Factsheet
8
train
Cmgevingsaienst noordzeekanaalgebied Jaarrapportage 2021 Amsterdam Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Inhoud Bestuurlijke samenvatting …..nssssunsaarsanrsaarsannsanrsanrsannsanrsannsannsnnssnnnnnnnnssansnansnanennnsnanennnennnenvennnn D 1. Programma MÍli@U … sans saarsaarsaarsanrsanrsenrsenrsenrsenrsnnrsenrsenrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrnnrnnnrnnnrnen Ó 1.1 Wat is onze bijdrage … … … ……….anoooooooooooonenenenennennenennenensnnnnnnenenvnenenvenvnennenenenennnnnnnnnnnnneen nen Ó 1.2 __ Vergunningverlening & regulering … … ..u…oonsssennennserrrnseennnensenersnsnrnnnnensenrnnenvennvennenen vendere nnn 1.3 Toezicht en Handhaving … … uu. oasssennennsserrenseennenensnnrnnseenndensnnennsnnennddensennnnsnrenndennenen vendere Ö 1.4 __Milieu-advies en Milieuregi® ….….…usssuneenererrensernennnsnnnenssenenenennenennnsnennndennnnennvereendennnenennnveennnnrnnn 14 1.5 Inzet uren en middelen … … ……..……..nasoooooooeooneneneenneenenenensnnenenenennnenenenenenenenenenennnennnnnnneneeeneenne nen LO 2. Programma BOUW …….nssnssnsrnsrnorsansansansensenssnrsnnsansansansensensnnrsnnsansansnnsnnennsnnsnnrsanssnsnnensnnrnnnnnnen 20 2.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen? … … unne neneneennenneneeneeeneeveeeneeeneenenenenenenen eneen Ì 2.2 _Vergunningverlening & regulering ……….…usssuenererrenseeennensenrensenennenennnnnnnnnnennennnnnennsnsennennnn nerven ZÀ 2.3 Toezicht & Handhaving …….…...….ussuunsnrrerenssenrnennnenrenserennnnnnennenseneenenennnnnnnnnnenndennnnnennsnrennennnn nennen ZÀ 2.4 Bouwadvies en bouwregie … ……..uussssnnnnnsnnennneneneeeneeneeeeneenenereeeenereneneneneeeennneerennennenenee nennen vererven D 2.5 Inzet uren en middelen … … nnn nnnnnnneneeneneneeeneneneeeeeeneeneeenenneeneneeeeneneneeeneeeeeenenenen nennen 2 Programma Bodem ...…....snssarssarsaarsanrsanrsenrsenrsnnrsenrsnnrsenrsenrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrnnnnnnrnnrrn 20 3.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen? … …….….....nnnnnnneeneneeeeeneneeeneneneneeeneeneeeneneeeenenenenennenenennen enen 2 3.2 __VTH-uíitvoering in outputpakket.………… …….....nnnssnnnneeeneeeneeeeneeeeeeeneeeeneeeeeeeeeeeeneeeeeneeeneeneneennennennenenenn 2 3.3 Bodemadvies en bodemregie … ……......nnnnnneeeneeeeneeeeeneneeeeneeeneneneeeneeeeeeneneeeeeneneeeeeeeeveneeeeevnneneeerenn 3Û 3.4 Knellend beleid … … nanne nennennennenenneeenenneeenennennenennernnennnnnenennnnennnenneneneneeneneneneeev ennen DÌ 3.5 Inzet uren en middelen... nnsssrrnseennennneereeeeernennneeereeenennennnseeeeeneernennnneeerennennnenvnnnnnneenen neen 3 3 Programma randvoorwaardelijk/ programma overstijgend …………ssssssanssarsaarssarsenrsnrssnrsenrsenrn 33 Pagina 2 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Bestuurlijke samenvatting Als Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) voeren wij namens de gemeente Amsterdam wettelijke taken uit op het gebied van milieu, bouw en bodem. Naast deze taken adviseren we de gemeente Amsterdam op deze thema’s. Deze rapportage over gaat over het jaar 2021 en geeft inzicht in de wijze waarop de OD NZKG uitvoering heeft gegeven of een bijdrage heeft geleverd aan onderstaande punten die opgenomen zijn in de Uitvoeringsovereenkomst 2021: e _de minimaal uit te voeren wettelijke taken e _uw doelen en visies e _ ontwikkelingen in landelijke opgaven De Uitvoeringsovereenkomst sluit aan op de doelen van het coalitieakkoord, de contouren van de omgevingsvisie en de programmabegroting van gemeente Amsterdam. Corona De impact van de coronapandemie bepaalde in 2021 in grote mate de wijze waarop het werk is georganiseerd en vraagt op alle terreinen nog steeds een enorme inzet en veerkracht van onze medewerkers. De aanscherpingen van de Rijksoverheid rond de pandemie hebben ook invloed op de manier van werken van onze toezichthouders in de werkvelden milieu, bodem en bouw. Mede op verzoek van onze voorzitter zijn de instructies verder aangescherpt tot 1 maart 2021 en vanaf november 2021. Dat betekent dat controles zo veel mogelijk digitaal of administratief uitgevoerd worden. Per werkveld is een aangepaste werkwijze opgesteld met instructies wanneer we op locatie controleren en wanneer we een video- of administratieve controle uitvoeren. De risico’s voor de veiligheid en gezondheid van mens en milieu zijn ook hier altijd leidend. Vanwege de preventieve werking zijn we zoveel mogelijk zichtbaar aanwezig in het gebied. Systematiek De OD NZKG voert VTH-taken uit voor opdrachtgevers en ondersteunt bij het opstellen van beleid, ontwikkelen en uitdragen van kennis. Wij gaan slim en effectief om met de gegevens en informatie die wij verkrijgen bij het uitvoeren van onze taken. Dit programma, dat op grond van onder meer de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) dient te worden vastgesteld, is in die zin te beschouwen als de leidraad bij de uitvoering van de door de OD NZKG te verrichten activiteiten. Grondslag voor het Uitvoeringsprogramma en de rapportage en een vooruitblik naar de strategische agenda 2022 Beleidsdocumenten, analyses van trends en ontwikkelingen, de visie van de OD NZKG en de regionale VTH- strategie OD NZKG 2019-2022 dienen als basis voor onze inzet. Het Uitvoeringsprogramma is opgesteld om de VTH-taken uit te voeren. De kwaliteit van onze dienstverlening is afgestemd in het Uniform Uitvoeringsniveau en de afgeleide productbladen. Detailinvulling actualiseren we jaarlijks en is beschreven in de Uitvoeringsovereenkomst 2021. In de rapportage die voor u ligt treft u de samenvatting van onze inzet en de analyse van risico’s en inzichten die wij hebben opgedaan in 2021. Verdere doorontwikkeling van het monitoren van onze invloed op uw beleidsdoelstellingen geven we samen met opdrachtgevers vorm vanuit de ontwikkelagenda. Om focus te houden hebben we in 2021 een strategische agenda 2022-2024 geformuleerd. In de kaderbrief voor de jaren 2023-2026 benoemen we de belangrijkste opgaven voor de komende jaren. De strategische agenda werken we in 2022 verder uit, met daaraan gekoppeld de resultaatgebieden voor de komende jaren. De strategische agenda bestaat uit drie samenhangende en elkaar versterkende onderdelen: Pagina 3 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 1. Inhoudelijke opgaven op het gebied van klimaat, milieu-gerelateerde gezondheid en transformatiegebieden. 2. Versterking van ons instrumentarium op het vakgebied vergunning verlenen, toezicht houden, handhaven en adviseren. 3. Organisatieontwikkeling: wat is er nodig binnen de ODNZKG om punt 1 en 2 te realiseren. VTH Strategie 2019-2022 Bij het vaststellen van de VTH Strategie is bestuurlijk afgesproken om een aantal thema’s regionaal uit te werken. In 2021 hebben we voor de doorontwikkeling van de volgende onderwerpen uit het voorgestelde VTH- beleid het regionaal overleg opgestart: e Verbetering van de probleem- en risicoanalyse; e Actualisatie van de preventie-, regulerings- en nalevingsstrategie om beter aan te sluiten op de doelen van het bestuurlijk referentiekader; e Innovatie van de expertise van de OD NZKG, gericht op de bestuurlijke prioriteiten van gemeenten en provincies; e Ontwikkeling van nieuwe producten en werkwijzen vanwege de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, informatietechnologie, data-analyse en informatieanalyse. Regiotafels Op acht thema’s organiseerden wij de zogenaamde “Regiotafels”. Aan deze Regiotafels heeft de dialoog plaats gevonden tussen onze opdrachtgevers en de OD NZKG over ontwikkelingen, zowel beleidsmatig als vanuit de uitvoering. We inventariseren de lokale verschillen per thema, de regionale tekorten en de ontwikkelingen. De opbrengst hiervan werken we per thema uit in een hiervoor ontworpen factsheet en handzame samenvatting hiervan. Het ontbreken van beleid bij een gemeente of provincie op een of meer van de thema’s wordt in 2022 verder in kaart gebracht. Samenwerkingsagenda vier Omgevingsdiensten Na een succesvolle afronding van de Samenwerkingsagenda 2019-2021 heeft het overleg tussen de vier directeuren van de OD's in Noord-Holland besloten om 2022-2024 opnieuw tot een samenwerkingsagenda te komen. In deze rapportage wordt bij diverse onderwerpen aan deze samenwerkingsagenda gerefereerd, Energielabel C kantoorgebouwen Op 1 januari 2023 moet elk kantoorgebouw met een vloeroppervlakte van meer dan 100 m2 minimaal energielabel C hebben. Voldoet het gebouw hier niet aan, dan mag het per 1 januari 2023 niet meer als kantoor functioneren. In 2021 lag de nadruk op communicatie over deze wettelijke plicht. In het werkgebied van de ODNZKG voldoet op 1 januari 2022 67% van de kantoren nog niet aan energielabel C. Het risico bestaat dat een groot aantal kantoren op 1 januari 2023 niet zal voldoen en daarmee niet meer in gebruik mag zijn. Duurzaamheid en energiebesparing Alle meldingen in het kader van de meldplicht energiebesparing zijn in 2021 afgerond en we zien goede resultaten bij bedrijven ten aanzien van energiebesparing. Bij een zorgaanbieder met meerdere panden is een projectteam opgezet om duurzaamheid op te pakken en de energiebesparende maatregelen toe te passen naar aanleiding van de controles van de OD NZKG. De OD NZKG wordt actief geïnformeerd over de voortgang. Bij een museum in het centrum bleek na controle dat alle wettelijke duurzaamheidsmaatregelen zijn doorgevoerd en daarnaast veel extra aandacht wordt gegeven aan duurzaamheid. De toekomstige nieuwbouw van een ziekenhuis wordt uitgevoerd met duurzaamheidsmaatregelen die 25% boven de wettelijke BENG norm Pagina 4 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied uitkomt. De OD NZKG ziet een positief effect van de wettelijke instrumenten die we nu in handen hebben om energiebesparing en duurzaamheid onder de aandacht te brengen en is tevreden over de initiatieven die bedrijven zelf ontplooien. Financiële verantwoording op hoofdlijn Voor 2021 is in totaliteit € 703.336 minder gerealiseerd ten opzichte van de initiële begroting. Deels als gevolg van de coronamaatregelen waardoor brandveiligheidscontroles niet op locatie konden worden uitgevoerd en deels als gevolg van een verminderde vraag voor bouw en bodem. De OD NZKG ziet geen structurele oorzaak die de verminderde vraag veroorzaakt en gaat dan ook van een incidenteel effect. Omdat onze financiering voor de betreffende producten gebaseerd is op aantallen is de realisatie over 2021 aanzienlijk lager. Wij verwachten vooralsnog voor 2022 geen verminderde vraag. Samen met Amsterdam onderzoeken en monitoren wij welke factoren van invloed zijn op de verminderde vraag. Tabel 1: totaaloverzicht Afwijking Realisatie - Financiën 2021 Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€) Output | 2.069.362| 1.605.808) -463.554| 2.069.362 2.143.641| 1851880| -291.761| 2.034.970 3.555.091| 3547.393| -7.69B8| 3.548.986 7.768.094| _7.005.081| -763.013| 7.653.318 Regie 7.018.099) 6.751.260| -266.838| 7.018.148 1.437.568) 1.505.975) _68.407| 1.517.488 1.987.581) _2.223.840| 236.259| 1.994.605 10.443.247| 10.481.076| 37.828) 10.530.241 Randvoorwaardelijk pakket 2.585.219 2.607.068 21.849 2.585.275 Bouw materieel taakgebonden budgetten 25.000 25.000 0 25.000 Milieu materieel taakgebonden budgetten 374.445 374.445 0 374.445 21.196.005| 20.492.670| -703.336| 21.168.279 Pagina 5 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 1. Programma Milieu In dit hoofdstuk maken wij inzichtelijk hoe het programma Milieu bijdraagt aan de beleidsopgaven en wat de OD NZKG daarvoor aan activiteiten levert. Allereerst worden de beleidsdoelen vertaald naar het programma Milieu. Vervolgens worden de uitvoeringskaders geschetst. Daarna komt de analyse van risico-gestuurd werken aan bod. Samen met de informatie over de VTH-uitvoering, milieu-advies en regulering vormt dit de basis voor de inzet binnen het programma Milieu in 2021. Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken voor milieu zorgt de OD NZKG dat bedrijfsprocessen kunnen worden gevoerd met een aanvaardbaar risico voor het milieu. Hiermee borgen wij dat, ondanks de aanwezigheid van de bedrijfsmatige activiteiten, onze leefomgeving schoon en leefbaar blijft, veilig is en we de landelijke ambities tegen klimaatverandering volgen. Activiteiten vinden energiezuinig plaats en we dwingen besparingen af. Toezicht op de bedrijven vindt periodiek plaats. Bij de controles wordt gebruik gemaakt van een systematische aanpak, op basis van de verleende vergunningen of digitale checklisten van AmvB's. Hiermee is ook de inhoudelijke kwaliteit van het toezicht gewaarborgd en navolgbaar. 1.1 Wat is onze bijdrage De OD NZKG levert in 2021 vanuit het programma Milieu een bijdrage aan de onderstaande beleidsdoelen met de uitvoering van de volgende taken: Energietransitie Bij de wettelijke taken is energie één van de thema’s waarop we de bedrijven binnen de wettelijk kaders toetsen. Met de nieuwe informatieplicht heeft de OD NZKG er een extra instrument bijgekregen om met deze informatie gericht aan de slag te gaan. De OD NZKG adviseert bij het maken van ruimtelijke plannen over het vormgeven van de energietransitie. Het onderzoek naar de toepassing van warmte- en koudeopslag is daarvan een goed voorbeeld, Círculaire economie, afvalpreventie en afval ketenbeheer. Bij regulering streven we naar het opstellen van een toetsingskader CE voor vergunningverleners. De verwachting is dat bij vergunningsplichtige bedrijven de meeste milieuwinst te behalen is. In 2020 is onderzocht hoe circulariteit in de vergunningsvoorschriften kan worden opgenomen. Nu passen we de voorschriften toe om ervaring op te doen. We beginnen met het opnemen van voorschriften over bijvoorbeeld het opstellen van een afvalpreventieplan en tekst over rechtsoordelen bij nieuwe aanvragen, te actualiseren vergunningen of revisievergunningen. We hebben een aantal rechtsoordelen uitgegeven aan bedrijven met uitspraken over einde afvalstatus of bijproductstatus. Een ander thema waarop we wettelijk toetsen is afvalpreventie en het afvalketenbeheer. Circulaire economie, het hergebruiken van producten, materialen en reststromen, is benoemd tot één van de drie speerpunten de komende vijf jaar. Doelstelling is het verminderen van het gebruik van grondstoffen (preventie) en het zo milieuveilig mogelijk scheiden, hergebruiken en verwerken van rest- en afvalstromen. De OD NKZG zet in op samenwerking en kennisontwikkeling binnen de regio (onder andere met Metropoolregio Amsterdam en in de Samenwerkingsagenda met vier OD’s), op landelijk en Europees niveau. Een fevel playing field voor bedrijven is erg belangrijk. In 2021 is het programma Circulaire Economie vastgesteld en het team ingericht dat fungeert als kwartiermaker voor een milieudienst in een circulaire economie. Dit is een grote transitie die — gelijk aan de ambitie van het Rijk- tot 2050 duurt. In het programma dat van 2022 tot 2026 loopt, worden de eerste fundamentele stappen gezet naar een circulaire Omgevingsdienst. Die stappen zijn klein en gericht, zodat de Pagina 6 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied impact groot is en er een katalyserende werking voor de rest van de organisatie van uit kan gaan. Het programma bouwt verder aan de basis van een circulaire economie door de eigen organisatie stap voor stap te transformeren. Hierbij staan twee doelen centraal die gezamenlijk de transformatie gestalte geven: e Het worden van een kennisschakelpunt op het gebied van circulaire economie e Het ontwikkelen en eigen maken van een verbeterd VTH-instrumentarium dat een circulaire economie ondersteunt. Het afvoeren van afval is een activiteit die gevoelig is voor criminele activiteiten. Daarom besteden wij ook aandacht aan het thema veiligheid binnen de circulaire economie. Denk hierbij aan focus op het ontdoen van zeer zorgwekkende stoffen, e-waste en bijvoorbeeld asbest. Bij het ontdoen van deze stoffen raakt circulaire economie het thema ondermijning. Voor e-waste werken wij samen met onder andere ILT, de politie, het OM en andere omgevingsdiensten omdat er een nauwe relatie is met het thema ondermijning. Transformatieopgave Het Noordzeekanaalgebied is onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam (MRA): dichtbevolkt en bedrijvig, daarnaast vol met groen en water. Een omgeving vol tegenstellingen en soms ook tegengestelde belangen van burgers, ondernemers en overheden. We willen hier wonen, werken, spelen, recreëren, groeien, bouwen en investeren. De OD NZKG zet in op het benutten én het beschermen van de leefomgeving in één van de meest verstedelijkte en geconcentreerde gebieden van Nederland. Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken borgen wij dat bedrijven binnen de bestaande contouren van milieu opereren. In deze verdichte stedelijke omgeving, waar wonen en werken dicht op elkaar plaatsvinden, is het behandelen van overlastmeldingen een belangrijk onderdeel van ons werk. Hierbij borgen we de naleving van regels door bedrijven en beperken we de overlast voor bewoners zoveel mogelijk. Gezond leefklimaat Met de uitvoering van de wettelijke VTH-taken voor de 7.745 bedrijven namens de gemeente Amsterdam toetsen we de milieubelasting van de bedrijven op de leefomgeving op negen thema’s. Dit draagt bij aan een leefklimaat waarin evenwicht kan worden gevonden tussen de ontwikkeling van de bedrijvigheid en een gezonde leefomgeving. Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken draagt de OD NZKG bij aan ons beleidsdoel “een gezond en veilig leefklimaat”, De OD NZKG deelt deze taken op in enerzijds vergunningverlening & regulering en anderzijds toezicht & handhaving. Ook adviseren wij opdrachtgevers bij bijvoorbeeld het vormen van beleid of ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. 1.2 Vergunningverlening & regulering Een omgevingsvergunning biedt rechtszekerheid aan ondernemers en beschermt omwonenden tegen onaanvaardbare milieuhinder. Vergunningprocedures geven omwonenden tevens de gelegenheid inspraak uit te oefenen op en kennis te nemen van de inhoud van een vergunning. Vanuit dit programma behandelen wij aanvragen omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu en actualiseren wij vergunningen indien daar aanleiding of noodzaak toe is. Tevens behandelen wij meldingen van bedrijven die milieurelevante activiteiten uitoefenen die geen vergunning vereisen. De reguleringswerkzaamheden bestaan voornamelijk uit: e het behandelen van vergunningaanvragen, toetsen van meldingen en opgelegde bedrijfsrapportage, het uitvoeren van maatwerkprocedures en het voeren van vooroverleg Pagina 7 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied e het systematisch toetsen en zo nodig actualiseren van vergunningen op basis van de leeftijd van vergunningen e het, binnen gestelde termijn, uitvoeren van actualisaties op door te voeren ‘nieuw beleid’, i.c. nieuwe standaarden en inzichten e/o specifieke beleidsobjectieven van de gemeente Amsterdam. Vergunningen zijn een instrument voor normering van milieubelastende activiteiten, waardoor de kans op overlast en veiligheidsrisico's wordt beperkt. De gecombineerde jaarlijkse werklast wordt bepaald door: e _ vergunningaanvragen van bedrijven (de zogenaamde autonome vraag); e actualisatie van vergunningen als gevolg van de doorwerking van technologische ontwikkelingen, gewijzigde wetenschappelijke inzichten, ‘level playing field’, de politiek-maatschappelijke agenda, nieuwe wet- en regelgeving en (wereldwijde) ongevallen en incidenten e.a. Ingediende vergunningaanvragen krijgen voorrang op actualisaties en ambtshalve wijzigingen, uitgezonderd specifiek geprioriteerde actualisaties, bijvoorbeeld vanwege (potentiële) fysieke risico’s of op afspraak met de gemeente Amsterdam. Niet actueel betekent overigens dat een vergunning niet meer in zijn geheel voldoet aan de laatste standaarden en inzichten. Dit hoeft niet te betekenen dat de hele vergunning kwalitatief slecht is qua normstelling of tot omgevingsgevaar leidt. De actualisaties worden zoveel mogelijk als ambtshalve wijziging uitgevoerd. Bij aanvragen hebben procedures met wettelijke termijnen voorrang op procedures met servicetermijnen. Tabel 2: aantallen vergunningen en regulering Fee hbs eer ET EE milieu Actualisatietoetsen |B [mer beoordeïngsoes | | 7 | 2 | Toelichting bij de tabel: e Meldingen 8.40 Wm: In de rapportageperiode ontvangen en afgehandelde meldingen in het kader van artikel 8.40 Wm. e _Omgevingsvergunningen milieu: In de rapportageperiode verleende omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu in het kader van Wm/Wabo. e Waarvan actualisaties: Aantal verleende omgevingsvergunningen (als onderdeel van totaal aantal) waarin een actualisatieslag heeft plaats gevonden. e _Actualisatietoetsen: Aantal omgevingsvergunningen ouder dan 5 of 10 jaar waarbij de vergunning is getoetst op het al dan niet actueel zijn. e MER beoordelingstoets: In bepaalde gevallen beoordelen we voorafgaand aan een vergunningenprocedure of een initiatief MER-plichtig is. Een MER is noodzakelijk wanneer het initiatief dermate grote gevolgen voor het milieu kan hebben dat een alternatieven-afweging noodzakelijk is. 1.3 Toezicht en Handhaving Toezicht en handhaving hebben tot doel het vergroten van de milieukwaliteit en veiligheid van de fysieke leefomgeving, door het verbeteren van het naleefgedrag inzake milieu- en brandveiligheidsregels binnen de Pagina 8 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied inrichtingen en bij activiteiten. Toezicht bestaat uit een palet van instrumenten. Het uitvoeren van controles is er daar slechts één van. De inzet van het meest geschikte instrument is afhankelijk van de score langs de Tafel van 11 (het landelijk integraal afwegingskader voor beleid en handhaving). In brancheplannen of een basisbeeld per bedrijf wordt de keuze voor het instrument gericht uitgewerkt. In lijn met de VTH- programmering is het toezicht op de risicovolle en dominante branches of bedrijven met prioriteit voortgezet. Over risico- en aandachtsdossiers wordt separaat terugkoppeling gegeven. Bij de afkondiging van coronamaatregelen (in het eerste half jaar en vanaf november, zijn alleen de noodzakelijke Wabo-controles uitgevoerd. Bij het uitvoeren van de fysieke controles is telkens het belang voor milieu en veiligheid afgewogen tegen het risico op besmetting met corona. Dit heeft geresulteerd in minder en kortere locatiebezoeken. Hierdoor was het niet mogelijk om alle milieuthema's even uitgebreid te controleren. Bij de complexe bedrijven zijn vrijwel alle fysieke Wabo-controles uitgevoerd conform de risicoanalyse. Klachten, controles en inspecties die niet om een locatiebezoek vragen, zijn digitaal of administratief afgedaan. Methoden van toezicht De OD NZKG werkt risicogestuurd. Alle bedrijven zijn ingedeeld in branches op basis van de aard van de activiteiten. De verschillende bedrijfstakken worden beoordeeld op de thema’s: externe veiligheid, brandveiligheid, energiebesparing, afval, afvalwater, lucht, geur, geluid/licht en bodembescherming. Alle bedrijven in een bedrijfstak zijn ongeacht grootte, ligging of naleefgedrag ingedeeld in uitvoeringsniveaus. In de risicobenadering en prioriteitstelling behoeven bedrijven met minder klachten en een goed naleef patroon minder aandacht. Dit versterkt het /evel playing field en de rechtsgelijkheid. De werkwijze is beschreven in het Uniform uitvoeringsniveau. De OD NZKG past de overeengekomen VTH-strategie toe, deze is gebaseerd op de landelijke handhavingsstrategie. Als uit analyse blijkt dat preventief toezicht het meest succesvolle middel is om recidive te voorkomen, geniet dat de voorkeur. Preventief toezicht heeft als doel kennis over te dragen. De volgende instrumenten zijn ingezet in 2021: e Preventief toezicht uitbreiden tot gerichte voorlichtingscampagnes. e De uit noodzaak ontwikkelde digitale controles gedurende de coronapandemie worden in 2021 geëvalueerd op effectiviteit en kwaliteit. Op basis van de evaluatie beslissen we welke plek deze controles in ons vaste arsenaal zullen innemen. e Terugdringen van de administratieve lasten en de verkenning van de technische ontwikkelingen. De inhoudelijke aanpassingen van onze correspondentie in het kader van de Omgevingswet benutten wij om de kwaliteit hiervan te verbeteren. Basisbeeld of brancheplan Risicogestuurd toezicht wordt uitgevoerd op basis van een risicoanalyse. Hierin wordt aan de hand van thema’s de intensiteit van het toezicht bepaald. Bij potentieel zwaardere, de omgeving belastende activiteiten zetten we meer in dan bij eenvoudiger, minder belastende activiteiten. Aan de hand van de bevindingen van het lopend jaar wordt de kennis over complexe bedrijven of branches (kleinere of AMvB-bedrijven) geactualiseerd. Naast informatie over het bedrijf/ de branche en ontwikkelingen wordt ook informatie over het naleefgedrag en veroorzaakte klachten hierin meegenomen. Voor branches wordt dit uitgewerkt in een brancheplan. Risicoweging gebeurt dan op branche-informatie. Voor complexe bedrijven wordt een maatwerk uitwerking per bedrijf opgesteld, het basisbeeld. Een basisbeeld bevat naast informatie over dit bedrijf/ de branche en ontwikkelingen ook informatie over het naleefgedrag en veroorzaakte klachten. Pagina 9 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Tabel 3: overzicht controles Aantal CAT EEE Aantal en Er it n pan overtreding it jn Bij hercontrole groting uitgevoerde overtreding uitgevoerde n geconstateerd in orde controles geconstateerd pr hercontroles 1e Contok voorgaande ren ere wv mtegrak noe | am | ea | ee | | | wvttemacortee | | | ee | w | ww digitaal toezicht EE Als een overtreding wordt geconstateerd, leidt dat niet in alle gevallen tot een hercontrole. De overtreding kan bijvoorbeeld soms ter plekke hersteld worden. In de toezichttabellen staat verder aangegeven in hoeveel gevallen de overtreding bij hercontrole in orde is, Na de hercontrole wordt in een aantal gevallen (bijvoorbeeld als het gaat om keuringsrapporten of certificaten en niet om veiligheidsvoorschriften) een extra termijn gegeven om deze schriftelijk te overleggen. Pas als deze termijn niet wordt nagekomen, gaat het handhavingsproces van start. Deze factoren veroorzaken de verschillen in aantallen tussen bovenstaande tabel (bij hercontrole niet in orde) en de tabel handhaving (zie tabel 5). NB. Een deel van de hercontroles komt voort uit geplande controles van 2020. Naleefgedrag per branche Wanneer alle bedrijven ingedeeld zijn in branches kunnen (mogelijke) risico’s binnen bepaalde branches duidelijk In kaart worden gebracht. De bedrijven binnen een branche worden zo op een uniforme manier benaderd en beoordeeld, Bij de programmering wegen we het naleefgedrag uit eerdere jaren mee om te bepalen welke bedrijfstakken we projectmatig aanpakken en welke thema’s we specifiek controleren. Uit de controles zal blijken welke bedrijven (additionele) grote risico’s met zich mee brengen en/of veelplegers zijn. Regionale naleefpercentages zijn voor de OD NZKG een indicator bij het bepalen van de inzet later in het jaar of in het daarop volgende jaar. In onderstaande tabel zijn de resultaten opgenomen van de controles in 2021, Daarnaast laten we in deze tabel het aantal bedrijven in de verschillende branches zien en daarbij het naleefgedrag in deze branches over het gehele werkgebied van de OD NZKG. Tabel 4: resultaten per branche Integrale UK] [pT Naleef SBI Branche Totaal controles Kete Talig; controles Kete Talig; Pre EE EE EZ erancnes teton Asetentmbees _{_ 2 {a teem | CEE ZE ET erancnes-tomentar me le Ce em | EE EE eranches-tupbstvenenschetaren {0 fes tete Lem | eranches -Gebedzaanpaken Onderminno [6 {2 { 2 {0 Len | EE EE EN EE EE CE EE EC Branches Verf, DukkerjenenWasserjen {9% {2 {On Ca Lem Branches -voedrg Pm fw FP 0 F0 | 6% | EE 7 EE eee A : tel) 2343 VAAR 153 vp Pagina 10 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Het niet opvolgen van afspraken heeft geleid tot de volgende handhavingsacties: Tabel 5: handhavingsacties Overtreding laid a er Gedoog- else dwangsom bestuursdwang kak Handhaving 605 | Zienswijzebrief 6 Conceptdwangsom nn Conceptbestuursdwang nn Waarschuwingsbrief A Onbekend 0 Overlastmeldingen Bedrijven met meer overlastmeldingen behoeven meestal meer aandacht. Geplande controles worden integraal uitgevoerd. Controles naar aanleiding van overlastmeldingen of meldingen van ongewone voorvallen zijn veelal (mono)thematisch. Deze themacontroles zijn niet standaard gepland, maar voeren we uit wanneer daar aanleiding voor is. Bij iedere binnengekomen overlastmelding tracht de OD NZKG een veroorzaker aan te wijzen. In onderstaande tabel is het aantal overlastmeldingen Amsterdam over 2021 weergegeven: Tabel 6: Nietbenoemd || jes jajs | 3 | aj | m5 | anders |De) js jj j|ala | jw | |Bodemverontreiniging |____ | | | a | | jj DDT Geluid | 2 | 24} 24 | ws | 2 | 15 | 2 | 1 | 68 | a | 15 | 14 | 299 | Geer | aja js | wvl} | 6 | 5 |} 2} 5 | | 8 | 2 | 45 | Lichthinder | 3 | a jaja | | jaja} | a} | | 9 | eene [Opslag gevaarlijke stoffen ___ | |J a} || jj a Tj [opslag overige stoffen |___|__ ja} jj T| CE EE ser ||| jj jaja} || 7 | Eindtotaal | 16 | 28 | 36 | 39 | 20 | 25 | 32 | 26 | 78 | a | 25 | 16 | 397 | Meldingen met betrekking tot overlast van geur, geluid en licht komen het meest voor. De volgende casus is kenmerkend voor het wisselende pakket aan maatregelen om coronabesmettingen te voorkomen; Om besmettingen te voorkomen, stimuleerde het Rijk in verschillende periodes van 2021 het buiten sporten. Dit heeft gezorgd voor geluidsoverlast bij buren van de buitensporters. Naar aanleiding van de overlastmeldingen zijn geluidsmetingen uitgevoerd en heeft handhaving plaatsgevonden door het plaatsen van geluidsbegrenzers. De coronaperiode lijkt net als in 2020, naast bovenstaande meldingen, weinig invloed te hebben op het aantal en soort meldingen. In onderstaand overzicht een weergave op de kaart van de overlastmeldingen die gerelateerd kunnen worden aan een bedrijf en een weergave op de kaart in welke gebieden veel overlastmeldingen gedaan worden. Pagina 11 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Overlast veroorzaakt e x Í, Á ln pe Rnd N235 PA 5101 ij / © A S102 (| AA / A sine @ Í aa : : \ 4 A 5115 ris sa 4 e rtl : z ri a tat A F A if ú „ à w2og —ri06 A20 EEEN sio ke EL ú fr à nf \Ameer N513 ) pa Amsterdam > . | z à * a Ep & « dk ka al j | ASIC es AS | / sr Ns f n ” Ì za dn , se # s106 a á (ke piemen 4 Ta fte pel ne Î De sua î sk SC N520 A 5 „ X A Ne , AN. Ar ve Oe N26 Ee / - pen Wees ee # en s108 DE Se 2k 5 A52 Ì Lel naarde herl Se © OpenstreetMap contributors Overlast ervaren el, Ee IJmuiden N202 ‚8 Nl Monnickendam F 8 5151 M235 ER En re N246 e @ Yaandam e rn \ hi "8. e% : . Landsmeer N R104 e ij We \ 10 lor SK N247 - in e ok & e 1200 / ú @ . e mA: == iten Ne dd Ade on et Ve or / pe N519 J ge ij 2 ®Amst Pam en î ae N201 __N232 4 | ee et Î Ï pa EN | 4 e Ì Heemstede Nn 5107 tie ee © < X .° ì / ie . ee 4 ® ° piemeng ss Aal Ei ri dik Ne 4 ® 510 Sn 7 5 ë Lak j ie EN N520 _ 5 © OpenStreetMap contributors Aantal overlastmeldingen Puntlaag Samengevoegd Soor mj Anders B Geluid B Lichthinder Mm Rook EH Stof t Overlast EH Bodemverontreiniging B Geur B Lozing MB Soort overlast niet … Geuroverlast in Tuindorp Oostzaan In het kader van samenwerking in de regio onderzoeken wij nieuwe methoden van gebiedsgericht werken. In 2021 hebben wij ervaring opgedaan met de aanpak van geuroverlast in diverse gebieden. In de wijk Tuindorp Oostzaan is overlast van geuren. Er is sprake van een cocktail van geuren, er is niet één enkele veroorzaker aan te wijzen. Steeds meer wordt onderkend dat de geuren door olieterminals, het varend ontgassen en activiteiten van andere bedrijven een rol spelen in de overlast. Pagina 12 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Twee keer per jaar is er vanuit OD NZKG een gesprek met de bewoners in Tuindorp Oostzaan. De gesprekken zijn er om te horen hoe het in de wijk gesteld is met geuroverlast en om te vertellen over onze inspanningen om het vrijkomen van geuren te beperken. De meldingen van geuroverlast zijn er nog, maar niet meer in hoge mate. De bewoners gaven in het gesprek in november aan dat de ervaringen hetzelfde zijn gebleven. Vooral bij zuidwestenwind. Eerder genoemde procedures voor aanpassing van omgevingsvergunningen milieu en het toezicht op meerdere bedrijven lopen door. De bedrijven werken aan het verminderen van de uitstoot van geur. De informatie van de eNoses wordt gebruikt om gebiedsgericht aan bronduiding te doen. We werken samen met de GGD Amstelland en de gebiedsmakelaar van de gemeente Amsterdam. Dit is belangrijk, omdat de bewoners zich zorgen maken over hun gezondheid en de gemeente Amsterdam woningbouwplannen heeft in het gebied rond de bedrijven (Haven-Stad). Zie het Aandachtsdossier op ednzkg.nl voor de laatste stand van zaken. Bestrijden van illegale activiteiten ín het kader van ondermijning Via het Directeurenoverleg Veiligheid Noordzeekanaalgebied (DOVN) wordt în opdracht een speelveldanalyse uitgevoerd. Inzet in het kader van ondermijning gebeurt vooral op verzoek van externe partners in de veiligheidsregio’s om een integrale aanpak van criminaliteit te bewerkstelligen. Wij nemen deel aan projectgroepen om de integrale aanpak verder te ontwikkelen. Intern is blijvend aandacht voor bewustwording en kennisontwikkeling. Milieucriminaliteit is grensoverschrijdend. Samenwerking in het opsporen en handhaven op crimineel gedrag vergroot kansen op strafrechtelijke handhaving en vervolging. Het Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit 2021 is tot stand gekomen door samenwerking van de meeste partijen die betrokken zijn bij toezicht op en handhaving van wet- en regelgeving die bedoeld is om het milieu te beschermen. In het rapport zijn negen vormen van milieucriminaliteit geselecteerd die nader zijn uitgediept: « _Mestfraude * Illegale gewasbeschermingsmiddelen e _Bodemtoepassingen e _Afvalcriminaliteit « Oliefraude e Gefluoreerde broeikasgassen e Lozen of verspreiden van Zeer zorgwekkende stoffen e _Vuurwerkcriminaliteit * Illegale jacht, handel en consumptie van (producten van) wilde dieren Landelijke duiding wordt gegeven via het impulsprogramma van ODNL. Samenwerking tussen de vier omgevingsdiensten in Noord-Holland wordt geformaliseerd in de Samenwerkingsagenda 2022-2024. In de samenwerking vindt reflectie plaats van de uitkomsten van het rapport van de algemene rekenkamer “Handhaven in het duister”, Op basis van de uitkomsten prioriteren wij projecten op het gebied van milieucriminaliteit. Intensieve Handhaving Het team Intensieve Handhaving komt in beeld voor die bedrijven, waar de reguliere handhavingsinstrumenten niet tot het gewenste naleefgedrag leiden. Deze dossiers kenmerken zich, naast een slecht naleefgedrag, vaak door verhoogde bestuurlijke aandacht en aandacht van de pers en in enkele gevallen ook de omwonenden. In deze gevallen wordt een intake gedaan en kan intensieve handhaving of verscherpt toezicht als instrument worden gebruikt om te komen tot naleving. In 2021 is de focus gericht op het achterhalen van de bronoorzaak van het níet naleven. Door beter zicht te krijgen op het ‘waarom’ van het niet naleven door een bedrijf, kan met gerichte inzet van instrumenten het niet naleven worden doorbroken. Bijvoorbeeld door het versterken van kennis en kunde. Dit is maatwerk per casus, waarbij gericht gedragsbeïnvloeding wordt ingezet. Met als doel om naleving te borgen na het afronden van een traject van intensieve handhaving of verscherpt toezicht. Pagina 13 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied In 2021 is er in gemeente Amsterdam geen bedrijf onder intensieve handhaving of verscherpt toezicht gesteld, wel zijn er uren besteed aan het afronden van het verscherpt toezicht van een afvalverwerker. 1.4 Milieu-advies en Milieuregie De OD NZKG adviseert de gemeente Amsterdam op het gebied van milieu bij de ontwikkeling en implementatie van lokaal beleid. Wij adviseren en ondersteunen beleidsmedewerkers en bestuurders. Daarnaast beantwoorden wij vragen op ambtelijk en bestuurlijk niveau. De advisering heeft betrekking op de thema’s externe veiligheid, geluid, lucht/geur en duurzaamheid (circulaire economie, energietransitie, klimaatadaptatie). Aanvragen om advies betreffen reguliere adviesvragen en vragen ingegeven door de actualiteit en nieuw beleid. De hoeveelheid aanvragen is niet van tevoren bekend. Diverse projecten voeren wij uit onder regie. Samenwerking In 2021 liep het samenwerkingsprogramma tussen de vier omgevingsdiensten (OD) in Noord-Holland af. In het kader van het landelijke programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV) ontvingen de OD’s in Noord-Holland van de provincie extra middelen om de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid te verbeteren en op niveau te houden. In dat kader is door de provincie Noord-Holland een regulier overleg over dit onderwerp opgestart en gefaciliteerd. Naast de OD's maakten ook de veiligheidsregio’s hier deel van uit. In dit overleg zijn de afgelopen jaren de inhoudelijke voortgang en de resultaten gemonitord. Daarnaast is de beleidsvernieuwing op dit onderwerp in het kader van de Omgevingswet aan de orde geweest. In 2021 eindigde de IOV subsidie. Partijen zijn voornemens het overleg voort te zetten, zodat afstemming en kennisoverdracht kan blijven plaatsvinden. Project Duurzaamheid en Energie De energietransitie in onze regio gaat steeds meer aandacht vragen van de VTH taken. Deze toename van aandacht komt door de politieke prioriteit voor de energietransitie, de nieuwe wet- en regelgeving, en de extra intensiveringsbudgetten die hiervoor beschikbaar komen. De doelstellingen voor 2030 worden daarbij Europees en nationaal nog aangescherpt. Dit betekent dat er in een korte periode veel werk verzet moet worden. De focus van het toezicht is dit jaar verlegd naar het daadwerkelijk doorvoeren van de energiebesparende maatregelen. De inzet lag in dat verband in 2021 op het uitvoeren van 500 controles voor energiebesparing. Dit zijn de controles in het kader van de Urgendagelden 2020 (VUE gelden), reguliere integrale controles en extra inzet voor Amsterdam. De vorm die hiervoor is gekozen werd gedurende het hele jaar 2021 mede bepaald door de beperkingen die er zijn binnen de nog steeds voortdurende coronacrisis. Zo zijn met name die bedrijfstakken gecontroleerd die zo min mogelijk getroffen zijn door de pandemie. Daarnaast is er gekozen de controles zo veel mogelijk digitaal of administratief uit te voeren. Omdat een online controle op gebied van energiebesparing relatief complex blijkt te zijn, kon deze vorm van controleren niet alle controles ter plaatse 1:1 vervangen. Sinds half mei 2021 zijn ook de controles op locaties, rekening houdend met de risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de inspecteurs, weer opgestart. Ook in de nieuwe lockdown zijn de controles ter plaatse zoveel als mogelijk doorgegaan. Wel is de tendens dat bedrijven afspraken afzeggen en zijn de controles ter plaatse die niet online konden worden uitgevoerd, opgeschoven tot nader order. Tot slot richtte de OD NZKG zich in 2021 op de voorbereiding van het toezicht op nieuwe taken zoals het toezicht op de label C kantoren en de energiekeuringsverplichting van klimaatinstallaties. Pagina 14 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Stand van zaken eind 2021 Er zijn tot nu toe bij 1.555 groot- en middelgrootgebruikers afspraken gemaakt over te nemen energiemaatregelen en zijn er in dezelfde periode bij 768 groot- en middelgrootgebruikers maatregelen gerealiseerd of is er voldoende voortgang over de te nemen maatregelen. Tabel 7: Voortgangsindicatoren afspraken groot- en middelgrootverbruikers: indicatoren EE EE gebruikers gebruikers gebruikers gebruikers Voortgangs EEE jeje jeje indicator 2 961 637 913 642 u Re indicator 3 ee ee ee eee In het kader van de UVO afspraak en gelet op de eerder genoemde aangepaste aanpak door de coronapandemie zijn er 475 controles uitgevoerd. Hierbij hebben 350 controles plaatsgevonden op basis van de VUE gelden en zijn er ruim 100 thema controles uitgevoerd op basis van de extra gelden. Daarnaast vindt er controle op energiebesparing plaats tijdens integrale controles. Hierbij wordt onder andere meegenomen of er voortgang is in het nemen van maatregelen en of de melding informatieplicht is gedaan. De inschatting is dat met de uitgevoerde integrale controles (ruim) boven de 500 uitgekomen wordt. Klimaatroute De gemeente Amsterdam stimuleert bedrijven om de eigen verantwoordelijkheid voor energiebesparende maatregelen in te laten vullen met het aanbod van de Klimaatroute. In Amsterdam zijn 92 bedrijven met een besparingsverplichting die hiervan gebruik maken. Met de gemeente is afgesproken dat deze bedrijven niet de eerste prioriteit krijgen bij de controles. Informatieplicht - Algemeen Per juli 2019 is de informatieplicht van toepassing geworden, waarbij alle groot en middelgroot gebruikers (niet vergunningplichtig) melding moeten doen van hun gebruik en de genomen maatregelen. Dit heeft, dankzij het verplichte karakter, een positief effect gehad op het in 2020 afronden van het eerdere project Energiebesparing bij bedrijven. Uit de cijfers van 2021 blijkt dat dit effect nog steeds doorzet. In 2021 zijn alle meldingen (bekend bij de OD NZKG) afgehandeld door een brief te sturen of voldaan is aan de informatieverplichting danwel een termijn mee te geven waarop dit geregeld moet zijn. Voor de bedrijven die voldoen aan de informatieplicht zijn controles ingepland. Daarnaast verzorgt de OD NZKG het beheer van de RVO meldingen en stuurt de rapportages, die door de stadsdelen afgehandeld worden, door naar Amsterdam. Zodra de laatste meldingen waren verwerkt, is het handhavingtraject ingezet bij de meldingsplichtige bedrijven die nog geen melding hebben gedaan. Hier is in de tweede helft van het jaar mee gestart en zijn inmiddels 50 niet melders aangeschreven. Pagina 15 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Tabel 8: informatieplicht Stand van zaken Stand van zaken | Melding ontvangen maar nog nietbeoordeeld} 13 | 0 doorgezonden aan de gemeente rote | 246 | 288 Informatieplicht - VUE gelden De VUE gelden (Versterkte uitvoering energiebesparings- en informatieplicht) vanuit het Rijk zijn ook in 2021 toebedeeld. Vanwege de tweede lockdown is daarbij gekozen de controles zo veel mogelijk digitaal of administratief uit te voeren. Sinds half mei 2021 zijn ook de controles op locaties, rekening houdend met de risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de inspecteurs, weer opgestart. In overleg met Amsterdam heeft de OD als prioritaire branches de supermarkten en de kantoren aangemerkt. In de praktijk bleek het verrichten van een digitale controle in een supermarkt moeizaam vanwege het feit dat er bij bepaalde ketens alleen werd meegewerkt aan een fysieke controle. Daarnaast blijkt uit inmiddels opgedane ervaring bij een eerste controle, dat het controleren van de duurzaamheidsaspecten het beste lukt ter plaatse aangezien er op een scala van aspecten wordt gecontroleerd. Vervolgcontroles zijn meer geschikt voor de digitale aanpak. Implementatie nieuwe regelgeving — label C; keuringsverplichting EPBD III; normering CO2 Energielabel C kantoorgebouwen Per 2023 moeten alle kantoren aan het energielabel C voldoen. Dit betekent dat elk kantoorgebouw met een vloeroppervlakte van meer dan 100 m? minimaal energielabel C moet hebben. Voldoet het pand dan niet aan deze eisen, dan mag het per 1 januari 2023 niet meer als kantoor functioneren. Deze verplichting staat in het Bouwbesluit 2012. Het is van groot belang dat bedrijven bekend gemaakt worden met de label C plicht maar evenzo belangrijk dat ze beseffen dat gemeenten hierop zullen gaan toezien. Deze boodschap is in samenwerking met de stadsdelen în aanloop naar 2023 krachtig gecommuniceerd en ondersteund met twee wekelijkse berichten over deze verplichting op social media. Daarbij moeten de effecten hiervan op het meldingsgedrag worden gemeten om vanaf 2023 zo goed mogelijk voorbereid de fase van handhaving te kunnen starten. Voor 2021 lag de nadruk op communicatie over de verplichting uiterlijk 2022 het kantoor van een label te voorzien. Daarvoor is een inventarisatie naar het kantorenbestand en de bijbehorende eigenaren in onze regio afgerond. Deze informatie is gekoppeld aan de afgegeven energielabels. Pagina 16 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Tabel 9; werkvoorraad label C Werkvoorraad (aantal kantoren) BVO: >100m? Amsterdam Status kantoor Aantal kantoren % van het totaal 2.573 Voldoet (ABC 765 30% Voldoet niet (DEFG 310 12% 23 1% Niet gemeld 1.475 97% Hierbij heeft 57% van de kantoren die moeten voldoen aan energielabel C nog geen label laten opstellen — 12% heeft een label dat minder goed is dan label C. Opgeteld voldoet op peildatum 1 januari 2022 70% van de kantoren nog niet aan energielabel C. In de maand juni is aan alle relevante kantooreigenaren een brief toegestuurd waarin ze op de verplichting worden gewezen. In totaal hebben iets meer dan 2.500 kantoren een brief ontvangen (waarvan 1.157 door de OD NZKG en 1.417 door de stadsdelen zelf). In samenwerking met de gemeente Amsterdam is daarbij een persbericht opgesteld, In 2022 zullen de eigenaren die nog steeds niet voldoen een 2° keer worden herinnerd. Monitoring van het meldingsgedrag vindt plaats via het dashboard. Met de gemeente Amsterdam is verder afgesproken dat de OD zich alleen richt op de energierelevante kantoren (midden- en grootverbruik). Dit zijn met name de kantoren van 800m?+. Hierbij is de verwachting dat zij energierelevant (dus minstens 50.000kWh) zijn, hetgeen In lijn ligt met de bestaande afspraken gericht op het controleren van alle midden en groot verbruikers. De stadsdelen doen de communicatie naar de kleinverbruikers (kantoren met een vloeroppervlak tot 800m?). De mandatering voor het uiteindelijke toezicht is in Amsterdam slechts voor een beperkt aantal kantoren (14%) geregeld (grootstedelijk gebied). Het overleg over de verdergaande mandatering van het toezicht heeft bij geen van de opdrachtgevers nog concreet resultaat opgeleverd. Desondanks is de communicatie (de brief), als relatief eenvoudig uit te voeren actie, wel voor alle opdrachtgevers uitgevoerd. Energie keuringsverplichting klimaatinstallatie EPBD III Op 10 maart 2020 is een keuringsverplichting voor ketels en airco's opgenomen in het Bouwbesluit. De keuringsverplichting — die volgt uit Europese wetgeving - geldt voor installaties groter dan 70 kW en betreft de volledige klimaatinstallatie in gebouwen. De keuringsverplichting kent nog een overgangsperiode tot maart 2022. Tijdens die overgangsperiode is het loket waar de keuringen worden afgemeld (SCIOS) nog niet optimaal beschikbaar. De afgemelde controles van de stookinstallatie zijn hieronder vermeld, De airco's zijn niet eerder gekeurd. De bedrijven moeten de komende jaren aangeschreven worden over hun installaties en deze dienen ook geregistreerd te worden. De energiekeuring kan in belangrijke mate bijdragen aan het realiseren van de CO» doelstellingen. Tekortkomingen in het energiezuinig afstellen/inregelen van installaties leiden nu al tot forse energieverliezen, en maken het daarnaast lastiger om duurzame bronnen goed in te zetten: zonder goede afstelling/inregeling Pagina 17 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van installaties functioneren deze installaties vaak minder goed en worden verwachte energiebesparingen onvoldoende gehaald. De keuringen zijn erop gericht dat de installaties energiezuinig blijven functioneren. De OD NZKG heeft de gesignaleerde knelpunten bij het SCIOS loket in samenwerking met de VNG aan de orde gesteld bij het ministerie van BZK. Voor 2022 is de doelstelling daarbij: e _Scios loket wordt gekoppeld aan het zaaksysteem van de OD NZKG; e Alle installaties zijn uiterlijk 2025 gekeurd. Voor de energiekeuringsverplichting van klimaatinstallaties is de OD NZKG bezig met het inrichten van een dashboard en het voorbereiden van de koppeling van data met de landelijke portalen Hierbij dringt de OD NZKG bij het ministerie en de RVO aan op het goed toegankelijk maken van de beschikbare data. Energie akkoord Provincie Noord Holland Energiebesparing is belangrijk om Nederland vóór 2050 energieneutraal te maken. In het Nationaal Energieakkoord (SER) zijn afspraken gemaakt over energiebesparing, schone technologie en klimaatbeleid. Gemeenten en omgevingsdiensten zetten zich volop in om bedrijven te stimuleren om energiebesparende maatregelen te nemen. Dat is in veel gevallen een wettelijke verplichting. Amsterdam heeft de afgelopen jaren een grote ambitie getoond, waarbij de OD NZKG als partner een aandeel levert aan de verduurzaming en energiebesparing bij bedrijven in de stad. De OD NZKG heeft de afgelopen jaren sterk ingezet op stimulering van bedrijven om te voldoen aan de wettelijk verplichte energiebesparende maatregelen. Energie die niet gebruikt wordt, hoeft immers ook niet opgewekt te worden. De OD NZKG draagt op deze wijze bij aan het behalen van de doelen uit het Klimaatakkoord. Met het energiebesparingsakkoord van de provincie Noord-Holland kan het toezicht op energiebesparende maatregelen geïntensiveerd worden. De OD NZKG heeft in samenwerking met de provincie Noord-Holland en de drie andere omgevingsdiensten binnen de provincie de verdere uitwerking verzorgd van het akkoord. Dit heeft veel inzet gevraagd. Het akkoord richt zich op zowel de wettelijke taken als op stimulering. Door de vier omgevingsdiensten is een gezamenlijk werkplan opgesteld. Ook is een planningstool ontwikkeld waarmee de gemeente het budget dat beschikbaar komt vanuit het akkoord kan toedelen aan zowel toezicht en handhavingstaken als aan stimulering. De gemeente zal door de OD NZKG ondersteund worden bij werking van de tool en de aanvraag om subsidie. 1.5 Inzet uren en middelen Tabel 10: totaal milieu Afwijking Realisatie - Milieu - output Begroot (€) Actueel(€) Begroot (€) E/V 6mnd (€) [Rie Overig Regulering &Toezicht(M&L+M&I) | 80.863| 80.863) _O| 80.863 Op het outputpakket zijn geen bijzonderheden te melden. Er is sprake van een kleine afwijking als gevolg van de jaarlijkse herijking van het bedrijvenbestand op 1 september. Pagina 18 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Tabel 11: regiepakket Afwijking Realisatie - Milieu - regie Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€) Totaal 1.987.581| 2.223.840| 236.259| 1.994.606 | Evenementenadvies heeft in 2021 toch meer uren gevraagd dan verwacht bij de halfjaarprognose. Door de versoepeling in de zomerperiode is veel advies werd gevraagd voor evenementen die uiteindelijk deels helaas toch niet door konden gaan. Daarnaast heeft de OD NZKG expertise geleverd voor de regietafel in Amsterdam. Milieuadvies is bijna gelijk gebleven aan de bijgestelde prognose in de halfjaarrapportage. Voor milieu-regie is sprake van een overschrijding van iets meer dan € 17/k. Dit wordt veroorzaakt door een aantal posten. Voor VTH programmering zijn de uren voor onze bijdrage aan het VTH beleid Amsterdam op deze post geschreven, voorheen werd dit op bouwbeleid geschreven. Daarnaast is op de regiepost toezicht en handhaving overige sprake van een overschrijding van iets meer dan 1.200 uur. Afgelopen jaar zijn extra duurzaamheidscontroles energiebesparing uitgevoerd (125 in plaats van 100). Daarnaast is veel tijd besteed aan het afronden van de informatieplicht en het aanschrijven van niet melders (zie ook de inhoudelijke toelichting paragraaf 1.4). Pagina 19 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2. Programma Bouw In dit hoofdstuk maken wij inzichtelijk hoe het programma Bouw heeft bijgedragen aan de beleidsopgaven en wat wij daarvoor aan activiteiten geleverd hebben in 2021. In het Noordzeekanaalgebied wordt het steeds drukker: meer industrie, meer mobiliteit en een forse woningbouwopgave. De klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen van de landelijke en lokale overheden zijn belangrijke kaders bij de uitvoering van onze werkzaamheden. Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken voor bouw, gebruik en sloop zorgt de OD NZKG dat bouwwerken veilig (brandveilig en constructief), gezond, bruikbaar en energiezuinig worden gebouwd en dat ook blijven. Betrokken zijn bij bouwtaken betekent dat er volledig vraaggestuurd gewerkt wordt. De OD NZKG behandelt de vergunningaanvragen. De werkvoorraad voor bouwtoezicht is vooral afhankelijk van de verleende bouwvergunningen. Vanaf het moment van de daadwerkelijke start van de bouw voeren we controles uit. Bij de controles gebruiken we een systematische aanpak, op basis van digitale checklisten. Hiermee is ook de inhoudelijke kwaliteit van het toezicht gewaarborgd en navolgbaar. De Wet kwaliteitsborging bouw betekent een verschuiving van taken. In 2021 is het gesprek over de impact van de verschuiving van taken opgestart. Effect van corona Alleen voor controles waarbij niet conform de RIVM-richtlijnen kan worden gewerkt, wordt toezicht anders vormgegeven of opgeschort. Dat geldt vooral bij controles op brandveiligheid of oneigenlijk gebruik. De coronacrisis heeft grote invloed gehad op het inplannen van de controles brandveilig gebruik. Een groot deel van de kantoren en bedrijven waren gesloten voor werknemers, waardoor het heel moeilijk tot onmogelijk werd om controles uit te voeren. Bij het inplannen van controles voor 2021 is hier al rekening mee gehouden. Dit heeft geresulteerd in een lager aantal geplande controles. Door de langere periode van coronamaatregelen en lockdown is het aantal controles verder achtergebleven. In het laatste kwartaal van 2021 zijn deze weer opgepakt. De opgelopen achterstanden door de coronarestricties konden in dit korte tijdsbestek niet meer geheel ingehaald worden. Dit is dan ook zichtbaar in het totaal aantal gedane controles en bevindingen. Capaciteit versus uitvoering Vanwege de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en de hoge bouwproductie, is het in 2020 niet mogelijk geweest om het bouwtoezicht op het Uniform Uitvoeringsniveau (UUN) uit te voeren. Dit UUN is op genomen in de VTH-strategie van de OD NZKG en bestuurlijk vastgelegd door het bestuur van Amsterdam. Een risicoanalyse, in 2020 uitgevoerd door de OD NZKG, heeft geleid tot definiëring van een ondergrens die, gezien deze omstandigheden, tijdelijk verantwoord is. Daarbij is rekening gehouden met de aard van de werken waarop de OD NZKG toezicht houdt en met de mate waarin de bouwers hun eigen processen van kwaliteitsborging op orde hebben. Deze ondergrens is bij het kiezen van prioriteiten in het werk leidend. Daar waar uitvoeringscapaciteit beschikbaar is, en/of het bouwwerk of de kwaliteit van de bouwer dit verlangt, wordt een hoger toetsingsniveau toegepast. De functie van het vastleggen van deze ondergrens is om te voorkomen dat toezicht uitsluitend wordt gericht op de hoogste veiligheidsrisico’s, terwijl ook andere kwaliteitsaspecten van maatschappelijk belang blijven, zoals een goede bruikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, energiezuinigheid en dergelijke, De mate van niveau van toezicht wordt per object en per inspectieonderwerp vastgelegd. In 2021 is een bedrag van € 300k beschikbaar gesteld om het UUN te kunnen bereiken. Door deze extra bijdrage was het mogelijk om op UUN niveau te werken. Het team Toezicht & Handhaving Bouw had in 2021 de beschikking over meer (inhuur)capaciteit—Hiermee is het toezichtniveau geleidelijk verder gegroeid. Er is meer Pagina 20 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied aandacht voor energie en duurzaamheid (EPC, glaswaarde, isolatiewaarden), milieu en gezondheidsaspecten. Tevens is tijdens de coronacrisis de bouw in volle productie gebleven. Projecten die in voorgaande jaren zijn vergund, zijn in uitvoering gegaan en in 2020 en 2021 zijn er nieuwe projecten bijgekomen. 2.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen? De OD levert in 2021 vanuit het programma Bouw een bijdrage aan de beleidsdoelen met de uitvoering van de volgende taken: Energiebesparing en energietransitie OD NZKG draagt bij aan kennisontwikkeling over energiebesparende maatregelen op regionaal en landelijk niveau, onder andere door deelname aan de energietafels. De genoemde wijziging in de wet- en regelgeving over energiebesparende maatregelen draagt na opvolging in de uitvoering bij aan aanzienlijke energiebesparing. OD NZKG ziet toe op de uitvoering van deze taken. Crculaire economie, afvalpreventie en afval ketenbeheer Op regionaal niveau zijn wij de drijvende kracht op het gebied van Circulaire Economie. Het circulair toepassen van bouwmaterialen is één van onze speerpunten. Wij ondersteunen in kennis- en beleidsontwikkeling en doen ervaring op bij de projecten waar wij zelf de regie op voeren. Het afvoeren van asbest is gevoelig is voor criminele activiteiten. Bij het ontdoen van deze stoffen hebben wij extra aandacht voor de afvoer en verwerking, ook in het kader van circulaire economie. OD NKZG neemt deel aan landelijke en regionale werkgroepen (zoals Aantoonbaarheid Circulaire Bouwmaterialen van ministerie van BZK, MRA werkgroepen, Werkgroep afvalstoffenbeheer). Er zijn twee workshops georganiseerd met Havenbedrijf Amsterdam en OD NKZG over optimaliseren van de samenwerking bij vergunningverlening van circulaire initiatieven in de haven. Kennis delen blijft belangrijk om voortgang op dit thema te bewaken. Zo willen we meer helderheid creëren over de grenswaarden die bepalen of een bedrijf om een afvalpreventieplan gevraagd kan worden of niet. Voor toezicht ligt de focus op uitvoering van het plan van aanpak Ketentoezicht e-waste en circulair bouwen. Bij R&D circulair bouwen is het concept toezichtprotocol MPG opgesteld. Deze is besproken in het VTH overleg bouw (stadsdelen). Doorontwikkeling van dit protocol doen we samen met stadsdelen van Amsterdam. Om circulaire kansen zichtbaar te maken voor bedrijven hebben de OD NKZG, gemeente Amsterdam, provincie Noord-Holland en haven van Amsterdam het initiatief genomen om de tool van het bedrijf Geofluxus — platform afvalprofielen- te ontwikkelen. De tool geeft inzicht in o.a. afval-en materiaalstromen, de milieu-impact, gebruik van kritische en de daarbij behorende risico’s. Omgaan met verdichting, transformatie van gebouwde omgeving en gebiedsontwikkeling De analyses van de Raad van State laten zien dat er meer inspanningen in samenhang en geïntensiveerd beleid, maar vooral in aanpak nodig zijn. Daarin ligt de toegevoegde waarde van de OD NZKG. Wij stemmen uitvoering van onze taken af op rijks-, provinciaal, regionaal en lokaal niveau. Wij werken integraal vanuit de verschillende programma’s Bodem, Bouw en Milieu. De samenhang draagt bij aan afwegingen in het kader van de ruimtelijke indeling en gebruik. Afstemming zorgt voor inzage in de haalbaarheid van ambities. Pagina 21 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2.2 Vergunningverlening & regulering Tot en met 31 december 2021 zijn de volgende aantallen vergunningen aangevraagd, in behandeling genomen en afgerond. Tabel 11: aantal vergunningen en regulering Ontvangen voor 2020 maar Ontvangen in Totaal afgehandeld of 2021 openstaand in 2021 Ontvangen aanvragen - Ontvangen aanvragen - Verleende beschikkingen Aanvragen nog In behandeling aanvragen Van rechtswege verleende 2 3 5 vergunningen Geweigerde aanvragen Ingetrokken aanvragen Tweemaal per jaar wordt een audit uitgevoerd op het legesproces ter onderbouwing van de financiële rechtmatigheid. Asbest en sloop In onderstaande tabel geeft het aantal ontvangen sloopmeldingen weer en de verhouding tussen meldingen met en zonder asbest. Tabel 12: sloopmeldingen met en zonder asbest Sloopmeldingen Sloopmeldingen Sloopmeldingen met asbest zonder asbest etl Nog ‘n behandeng | Akkoord na toetsing 5 | | 8 Niet akkoord na toetsing Net voor ODNZKG eee | 2.3 Toezicht & Handhaving Algemeen doel van toezicht en handhaving in het kader van de Wabo is het bevorderen dat bouwwerkzaamheden en het gebruik van de betrokken panden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende Pagina 22 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied wet- en regelgeving en — voor zover van toepassing — de afgegeven vergunning. Indien overtredingen worden geconstateerd wordt opgetreden met passende waarschuwingen of sancties. Bouwtoezicht volgt op het moment van start bouw. Deze sluit niet altijd direct aan op het moment van verlenen van de vergunning. Hetgeen tot vertraging van feitelijke bouwactiviteiten kan leiden. Bij de controles gebruiken we een systematische aanpak, op basis van digitale checklisten. Hiermee is ook de inhoudelijke kwaliteit van het toezicht gewaarborgd en navolgbaar. Asbest en sloop In het WABO beleid van 2017/2018 van Amsterdam is vastgesteld dat door Amsterdam alleen nog toezicht gehouden wordt op particuliere en niet asbest sloop. Op dit moment vinden er gesprekken plaats tussen de OD NZKG en Amsterdam om deze taak in 2022 over te dragen. Bij het toezicht op de sloopmeldingen met asbest is wederom opgevallen dat de meest voorkomende overtredingen zich toespitsen op het vooraf melden van de start werkzaamheden. Dit is mede te verklaren doordat de startmeldingen nu verplicht gedaan worden via het Landelijk Asbest Volgsysteem (LAVS). Deze automatische verzending gaat op postcode en niet bevoegd gezag. Hierdoor komt het merendeel van de meldingen bij stadsdelen terecht. We zijn op dit moment bezig om een koppeling tussen het zaaksysteem van de OD NZKG en het LAVS te realiseren waardoor dit probleem kan worden ondervangen. Brandveiligheid Eigenaars en gebruikers voelen zich verantwoordelijk voor de brandveiligheid van hun gebouw. Het gewenste maatschappelijk effect van de aanpak brandveilig gebruik is het waarborgen van een brandveilig woon-, werk en verblijfsklimaat. Hoofddoel is het risico van brand bij bestaande (risicovolle) gebouwen te verminderen door de kans op brand te reduceren en de gevolgen van brand te beperken. Resultaat van de activiteiten moet zijn dat gebouwen voldoen aan de wettelijke voorschriften op het gebied van brandveiligheid. Objecten in het kader van brandveilig gebruik kunnen gebouwen zijn, maar ook delen daarvan. Als in een groter gebouw meerdere functies gehuisvest zijn, kan het zijn dat voor specifieke delen van het gebouw soms strengere eisen gelden. Soms zijn alleen die onderdelen meldingsplichtig. In onderstaande tabel staan de aantallen uitgevoerde controles brandveiligheid. Tabel 12: brandveiligheidscontroles Prioritering brandveilig Maa jn ello TS kenbare controles Categorie 1 - Controlefrequentie: 2x per jaar Categorie 2 - Controlefrequentie: ix per jaar Categorie 3 - Controlefrequentie: 25 ix per 2 jaar Categorie 4 - Controlefrequentie: 13 ix per 3 jaar Categorie 5 - Controlefrequentie: n.v.t. VA Pagina 23 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Er is op dit moment geen toename van meldingen voor het brandveilig gebruik. Wij verwachten toename zodra de coronamaatregelen versoepeld worden en op locatie werken weer mogelijk is. 2.4 Bouwadvies en bouwregie Bouwadvies of -regie kan betrekking hebben op de volgende onderwerpen: Gelijkwaardigheidscommissie Bouwbesluit Het Bouwbesluit kent duidelijke prestatie-eisen. Soms kan een plan niet rechtstreeks aan deze regels voldoen, maar is het aantoonbaar dat er op andere, gelijkwaardige wijze toch wordt voldaan aan het doel van het artikel. Het Bouwbesluit biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om via de gelijkwaardigheidsbepaling met een dergelijke oplossing in te stemmen. De gelijkwaardigheidscommissie is in te zetten om gelijkwaardigheid te bepalen bij onder andere energieprestatieberekeningen, de aansluitplicht op warmte-infrastructuur en brandveiligheidsvraagstukken. In Amsterdam is voor twaalf dossiers gelijkwaardigheid toegepast. In twee gevallen op basis van ventilatie, in één geval op sterkte bij brand en een casus waarbij glas is toegepast als constructie. Advies constructieve veiligheid Ook voor adviezen van onze constructeurs geldt dat capaciteit van invloed is op de kwaliteit van het advies. Circa 13% van de adviezen is opgesteld op acceptabel en aanvaardbaar niveau ín plaats van op uniform uitvoeringsniveau. De blijvende zoektocht naar capaciteit met continu opstaande vacatures heeft nog onvoldoende effect. Daarbij nog uitval door ziekte waardoor minder capaciteit is besteed. Dit jaar zijn opvallend veel klachten binnengekomen, omdat ontwerpend constructeurs het niet eens waren met ons negatieve advies, De klachten komen veelal voort uit de werkdruk bij de ontwerpend constructeurs die fouten. Alle klachten zijn, nadat wij een second opinion door andere constructeurs hebben laten uitvoeren, ongegrond verklaard. De eerste zes maanden zijn geen adviezen gegeven op evenementen, omdat deze door de coronapandemie niet hebben plaats gevonden. Vanaf juni hebben wij actief deelgenomen aan de nieuwe tijdelijke werkvorm voor Amsterdam, de regietafel plus. Een eerste indruk van de constructie werd aan de hand van stukken binnen enkele dagen, in plaats van een adviestermijn van twee weken, van ons gevraagd. Dit heeft extra capaciteit gevraagd in de coördinatie en zal geëvalueerd worden. Er is een trend om gebouwen waaronder ook hoogbouw, in het kader van duurzaamheid, met hout uit te voeren. Brandveiligheid en constructie is daarbij een extra aandachtspunt die wij kritisch benaderen. Wij hebben geadviseerd op het hoogste houten gebouw van Amsterdam, het woongebouw Haut, waarbij een innovatieve houtconstructie is toegepast (CLT-hout in combinatie met beton). Hiervoor zijn nog geen vastgestelde rekenregels vastgelegd în normen. Ter ondersteuning van onze advisering hebben wij de TU-delft ingeschakeld omdat zij samen met de Universiteit van München dit type hout onderzoeken en meewerken aan rekenregels en normen hiervoor. Daarmee hebben wij onze kennis vergroot, en delen wij onze kennis in de normcommissie via het landelijke constructeursoverleg. Er zijn dit jaar een aantal zaken waarbij wij de juristen van Amsterdam ondersteunen op constructief vlak bij de zittingen. Deze samenwerking is zeer positief. Pagina 24 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Regulering en toezicht tunnels Piet Heíintunnel Het vooroverleg over Bouwplan en definitief ontwerp voor de renovatie van de Piet Heintunnel is in goede samenwerking met Programma AWA en Tunnelbeheerorganisatie verlopen. De omgevingsvergunning is medio mei 2021 verleend, Veel aandacht vroeg het aspect stikstof. In afstemming met alle betrokken partijen is bij de vergunningverlening de Handreiking Beheer en Onderhoud Aanpak Stikstof toegepast. Er zijn verschillende omgevingsvergunningen en werktijdenontheffingen verleend om voorbereidende werkzaamheden in de tunnel en de dienstgebouwen uit te voeren. Dit vooruitlopend op de afsluiting van de tunnel en de start van de renovatie. Het vooroverleg en de beoordeling gebruiksmelding hebben plaatsgevonden voor het brandveilig gebruiken van de IJtram tijdens de renovatie. Er zijn tijdelijke voorzieningen maatregelen getroffen voor een aantoonbaar veilig gebruik in deze periode. Het gebruik van de tunnel in de gedoogperiode is binnen de uitgangspunten van de QRA gebleven en het aantal vrachtauto's is door digitale handhaving en verkeersafname door de coronapandemie nog verder gedaald. Met het verlenen van de omgevingsvergunning medio mei 2021 is de gedoogperiode beëindigd. Al met al veel werk in een relatief korte periode en intensief overleg met Programmaorganisatie AWA van Metro en Tram en tunnelbeheerorganisatie in 2021 met goed resultaat. Michiel de Ruiftertunnel De brandwerende beplating ís gerealiseerd en kwalitatief op orde. De werkzaamheden waren twee maanden eerder gereed. De werktijdenontheffing voor de werkzaamheden in de avond en nacht ís verlengd. Uit geluidmetingen in het voorgaande kwartaal bleek dat de werkzaamheden minder geluid veroorzaken dan ingeschat en wegvalt tegen het achtergrondlawaai (spoor- en wegverkeer). Er zijn geen klachten gekomen. Arenatunnel Vooroverleg renovatie Arenatunnel met Programmaorganisatie AWA is in juni 2021 gestart. In de voorbereiding op de renovatie is uit CFD berekening (Computational Fluid Dynamics is een techniek waarmee met behulp van geavanceerde software vloeistof- en gasstromen worden gesimuleerd) gebleken dat er niet in alle realistische brandscenario’s voldoende tijd is om veilig uit te tunnel te komen. De vluchtveiligheid is dan niet geborgd. De Tunnelbeheerder heeft de OD NZKG hierover geïnformeerd. Op 21 december 2021 heeft het college van B&W besloten de Arenatunnel voor verkeer af te sluiten en een tweetal restrisico’s, de doorgang van nood- en hulpdiensten en het openhouden van uitrit P1 te accepteren. De OD NZKG heeft voor deze twee gebruikssituaties op een gemotiveerd en onderbouwd verzoek van V&OR gedoogbesluiten genomen. Vanwege de raakvlakken integrale veiligheid Arenatunnel en parkeergarage Arena is met stadsdeel Amsterdam Zuidoost afgesproken dat de OD NZKG, in elk geval gedurende uitvoering van Programma AWA, de bevoegdheid voor parkeergarage Arena in mandaat namens het college van B&W uitvoert. In samenwerking met een adviseur van de Brandweer AA is een inspectie gehouden naar de gebruiksveiligheid. Parkeerbeheer voert acties uit voor verbeteringen op de korte termijn om de constateringen te herstellen en komt in januari 2022 met een Plan van Aanpak voor de langere termijn. Daarin is aandacht voor verbeteringen op het aspect integrale veiligheid met stadion en tunnel qua installatietechnische voorzieningen en de integrale veiligheidsaspecten omtrent toekomstige bouwontwikkelingen bij de JC Arena. Zuidasdok Openbaar Vervoer Terminal (OVT 1 en 2) Pagina 25 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Over de aanvraag omgevingsvergunning voor de OVT 1 en 2 is gedurende een jaar frequent vooroverleg gevoerd. OVT 1 en 2 betreft een complexe aanvraag qua fasering, techniek en veiligheid (constructie, bouwveiligheid en gebruik{/brandveiligheid). Ook onderwerpen als stikstof, welstand en BENG vroegen het nodige vooroverleg en afstemming. De omgevingsvergunning is 2 december 2021 verleend. Een intensief traject voor een omvangrijke complexe vergunningaanvraag. Het projectteam heeft veel werk verzet en er is volgens planning een goed resultaat gehaald. De OD heeft omgevingsvergunningen verleend voor tijdelijke perrons bij de Brittenpassage, het ophogen perrons Noord- Zuidlijn en voor het treffen van bouwkundige maatregelen in station Amsterdam-Zuid om de gebruiksveiligheid te verhogen. Werktijdenontheffingen voor bouwactiviteiten Brittenpassage in avond en nacht is verleend. Er zijn geen klachten ingediend. Het veiligheidsbewustzijn naar de omgeving, zoals met name kraanopstellingen en veiligheidszonering heeft veel aandacht gevraagd. Met Zuidasdok zijn de geleerde lessen besproken en toegepast bij de nieuwe contracten OVT 1 en 2. Voor de borging van de wijze van veiligheid heeft Zuidasdok een Kader Bouwveiligheidsplan als eis in de aanbesteding opgenomen en het Kaderplan Bouwveiligheid OVT maakt deel uit van de omgevingsvergunning. De bodemdossiers als gevolg van eerdere werkzaamheden Brittenpassage zijn in 2021 afgerond en het overleg over het Raamsaneringsplan voor OVT 1 en 2 is gestart. De inwerkingtreding van de omgevingsvergunning OVT 1 en 2 is verbonden aan een goedgekeurd Raamsaneringsplan voor deze fasen. Rozenoordbrug Over de uitgangspunten en voortgang van de monitoring van scheurvorming in de Rozenoordbrug Zuid informeert RWS (en TNO) de OD op transparante wijze in het structurele voorgangsoverleg. Vooroverleg over de ondersteuningsconstructie van de brug monitoring resulteerde eind mei 2021 in een vergunningaanvraag voor versterking van de brug. In augustus is de omgevingsvergunning verleend en de start uitvoering versterking Rozenoordbrug Zuid was 1 november 2021. De beoordeling van de constructie staalvakwerk en toezicht omgevingsveiligheid vaarwater zijn bijzonder bij dit werk. Projecten bouw Gaasperdammertunnel/Gaasperdammerkunstwerken Het project is binnen de OD NZKG in juli 2021 afgeschaald. Integrale projectmatige aanpak is voor deze werkzaamheden niet meer nodig. De werkzaamheden die nog lopen (VTH taken inzake kap, sloop en bouw) worden in de lijn afgehandeld. Dat betekent dat de verschillende taken door de betreffende teams worden afgehandeld. PHS Amsterdam (Programma Hoogfreguent Spoor) Veel tijd is besteed aan de commotie rondom het bouwlawaai met Pasen bij de Contactweg. Dit heeft onder andere geleid tot raadsvragen, een Wob verzoek en veel communicatie via twitter en overige media. Er lopen diverse aanvragen (o.a. monumentenaanvragen rijksmonument CS, tijdelijke hulpbrug etc.). Daarnaast een toezichttraject en constructief advies onderdoorgang Contactweg, en wijzigingen station Amstel. Veel vooroverleg en afstemming over diverse locaties naast Amsterdam CS, o.a. Westpoort, Dijksgracht, bruggen Oostertoegang en Kattenburgerstaat, relaishuisjes. Speerpunt is met name bouwlawaai. Pagina 26 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2.5 Inzet uren en middelen Tabel 13: totaal bouw Afwijking Realisatie - Bouw - output Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) E/V 6mnd (€) [Totaal (inclusief VUN) _____| 2.069.362] 1.605.808| -463.554| 2.069.362 | Bij de output producten is de realisatie lager omdat we minder aanvragen hebben ontvangen dan verwacht. Het gaat om de categorie Bom A1/A2, dit zijn vergunningplichtige aanvragen waarvan de bouwsom lager is dan € 100.000,- zoals bijvoorbeeld een reclameobject, onderkelderingen of een dakopbouw waar 25% minder aanvragen zijn ontvangen en de categorie Bom BV1 t/m BV 7 verbouw waar 30% minder aanvragen zijn ontvangen. Tabel 14: bouw regie Afwijking Realisatie - Bouw - regie Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€) [Totaal 1 7-018.099| 6.751260| -266.838| 7.018.148 | Voor constructieve veiligheid zijn minder uren gemaakt als gevolg van capaciteitsgebrek. Waar dat gezien de risico’s verantwoord was, is het kwaliteitsniveau aangepast (In 13% van de gevallen). Daardoor is de realisatie in de uren ook lager. Voor uitvoeringsbeleid bouw zijn minder uren gerealiseerd omdat er minder capaciteit beschikbaar is en deels op VTH beleid is geschreven (voor de UVO 2022 zijn de uren naar beneden bijgesteld). Als gevolg van de bestuurlijke besprekingen voor het project Eleven Square (voorheen UID) zijn de uren voor projectmatig vooroverleg hoger dan begroot. Voor regulering en toezicht tunnels zijn de uren hoger dan begroot als gevolg van een hogere uren inzet Zuidasdok. Voor het project bruggen en kademuren is de realisatie fors lager. In de begroting is rekening gehouden met VTH inzet voor de niet gemeentelijke Pagina 2/7 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kademuren voor het gehele jaar. In september 2021 is een aanpak ontwikkeld voor de niet gemeentelijke kademuren waarbij de VTH inzet vooralsnog beperkt is, Pagina 28 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2 Programma Bodem De grond onder onze voeten is letterlijk de basis waarop wij wonen, werken, spelen, ons verplaatsen en ons voedsel verbouwen. Het is een belangrijke bron voor grondstoffen: zand, grind, cement en drinkwater. We gebruiken de bodem ook steeds meer voor energieopslag. Op onze bodem moeten we dus zuinig zijn, maar dat zijn we vaak niet: we dumpen afval, lozen afvalwater, gebruiken bestrijdingsmiddelen en wijzigen de temperatuur van het grondwater. Door de eeuwen heen is de bodem in Nederland op veel plekken, bewust of onbewust, vervuild. De uitvoering van de wettelijke VTH-taken draagt bij aan een schonere en gezondere bodem. De grote woningbouwopgave bij onze opdrachtgevers levert veel bodemverplaatsingen op. Bodem levert noodzakelijke inzet van expertise voor de versnelling daarvan. In dit hoofdstuk maken wij inzichtelijk hoe het programma Bodem bijdraagt aan de beleidsopgaven en welke activiteiten wij uitvoeren. 3.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen? In 2021 levert de OD NZKG via uitvoering van de wettelijke VTH-taken een bijdrage aan een schonere en gezondere bodem. Verder wordt een bijdrage geleverd aan de volgende doelen uit uw beleidsopgaven: Woningbouwopgave Bij bouwprojecten vinden vaak bodemverplaatsingen plaats. Onze bodemkwaliteitskaarten dragen bij aan snelle besluitvorming in het kader van de woningbouwopgave. Energiebesparing en energietransitie Vanwege de duurzaamheidsopgave is het de komende periode nodig om veel in de grond te werken, denk hierbij bijvoorbeeld aan de warmte-koude opslag. Dat betekent dat het in de ondergrond steeds drukker zal worden. Wij informeren gebruikers van WKO-systemen over de effectiviteit van het systeem. Indien sprake is van grote afwijkingen in de opslag van koude of warmte, vragen we om een plan van aanpak voor herstel van de balans of om effectief gebruik van het overschot. Circulaire economie De afgelopen decennia is toezicht op afvalstoffen zoals grond- en grondstromen als laag risico ingeschat. Uit onderzoek blijkt dat bij overdracht van afvalstoffen (schakels in de keten) meer risico is op milieucriminaliteit/ ondermijning dan ingeschat. Zie ook het rapport van RIVM. De OD NZKG heeft In 2020 pilotprojecten gestart die in 2021 voortduurden. We hebben toezicht gehouden bij onder andere: e transport van een afvalstof naar een andere inrichting, e de overgang van afvalstromen naar een ander bevoegd gezag (bijv. ander OD-gebied) of afdeling. We hopen aan te kunnen tonen hoe verscherpt toezicht bijdraagt aan de ambities van opdrachtgevers in het kader van terugdringen van ondermijning, een veilige en schone omgeving en circulaire economie. 3.2 VTH-uitvoering in outputpakket VTH-taken met betrekking tot de bodem worden verricht vanuit de wettelijke kaders van de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Daarnaast zijn er VTH-bodemtaken op grond van de Wet milieubeheer als er sprake is van bodemverontreiniging in relatie tot de activiteiten door de inrichting Pagina 29 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (bijvoorbeeld ongewone voorvallen met gevolgen voor de bodem) of vanuit het Bouwbesluit als gevolg van onzorgvuldige (asbest)sloop. De werkzaamheden rond vergunningverlening en meldingen bij Bodem zijn vrijwel volledig ‘vraaggestuurd’. De invulling van het uitvoeringsprogramma kan derhalve slechts als een indicatie gezien worden op basis van beschikbare kengetallen, ervaringen, prioritering en beleidsvereisten. In onderstaande tabel zijn de uitgevoerde activiteiten opgenomen in 2021. Tabel 15: aantallen bodem Bodem Aantal % bezocht Aantal VTHUP-product cate- Lacs Like [Keet Laks afgeronde waarschu:- Ri ontvangen Eilt ge) A fe le bezocht Le Cl wingen Bodemsarerngzvaremeeet Mb fo fo fa | sm Pa | EE EC EN ZN EC eodemsarerne gemee ee | [Bodemsanering wijziging Be fs fo Fa | ss fs | Bodemsanerng gemeent u fm feed| eodemsanerng bereke fs fee em tej De trend is dat er veel aandacht is voor de bodem, in bredere zin. Ruimte is schaars, en bodem wordt meer en meer gezien als integraal onderdeel van de grotere maatschappelijke RO/woningbouwopgaven. De integrale, multidisciplinaire aanpak wordt — in de geest van de OW — steeds belangrijker in gesprekken met onze opdrachtgevers. Daarnaast wordt de kennis over de bodem in de vorm van een kennisinfrastructuur landelijk door ODNL als project ontwikkeld en opgepakt. De regio Noordzeekanaalgebied— in samenspel met de provincie en gemeentes — heeft aangeboden daarbinnen een pilotregio te vormen met als doel te komen tot een regionaal kennisschakelpunt op het gebied van bodem. In de loop van 2022 worden daarover nadere afspraken gemaakt. 3.3 Bodemadvies en bodemregie Binnen Bodemadvies is een grote inzet gepleegd op de voorbereiding van taken onder de Omgevingswet, zoals het opstellen van het bodembeleidskader onder Omgevingswet voor opdrachtgever Amsterdam, maar ook voor de overige gemeenten in regioverband. Daarbij zijn we ook gestart met in regioverband te bespreken hoe de grondwatertaken onder de Omgevingswet verdeeld kunnen worden onder de decentrale overheden. In 2021 is een visie opgesteld voor het Bodem Informatie Systeem (BIS) en een projectvoorstel geschreven, met als doel om de overgang naar de Omgevingswet (OW) in het BIS te actualiseren en aan te passen aan de nieuwe wet. Dit is in de gehele regio, voor alle gemeentes en provincie, relevant, evenals voor de bureaus die actuele en op toegankelijke wijze informatie over de bodem uit het systeem willen ontvangen. Het project wordt in 2022 gestart. Bodemkwaliteitskaart en bodembeleidskader onder Ow Voor Amsterdam is in het vierde kwartaal van 2020 gestart met voorbereidingen voor een herziening van de bodemkwaliteitskaart i.v.m. het toetreden van Weesp bij Amsterdam. Weesp had geen eigen Pagina 30 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bodemkwaliteitskaart, dus de werkzaamheden betroffen ook het doen van historisch onderzoek, het verzamelen van bodemdata en het tekenen van kaarten (o.a. een bodemfunctiekaart). Deze werkzaamheden zijn in 2021 voortgezet. Het opleveren van de nieuwe bodemkwaliteitskaart en de bestuurlijke vaststelling staat gepland voor het eerste kwartaal van 2022. De verkenning of gebied specifiek beleid mogelijk is voor de aanleg van Buiteneiland is in 2021 nog niet tot een afronding gekomen. Er is meer onderzoek nodig naar de beïnvloeding van toe te passen grond op het oppervlaktewater. Deze onderzoeken zijn door Amsterdam ingezet en/of uitbesteed en lopen door in 2022. De insteek is nog steeds om Buiteneiland circulair aan te leggen met hergebruikgrond en geen primaire grondstoffen aan te wenden, wat past in de duurzaamheidsambitie van Amsterdam. In 2022 zal het beleid verder worden uitgewerkt, Verder is in 2021 een traject ingezet om samen met Amsterdam te inventariseren wat de wensen zijn voor lokale maatwerkregels en/of beleidsregels onder de Omgevingswet. Dit is verwoord in het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet. In 2021 is dit beleidskader voor een groot deel in concept gereed gekomen, in 2022 zal dit worden afgerond. Ook is een lijst opgesteld met noodzakelijke aanpassingen voor het omgevingsplan. Deze lijst is met Amsterdam besproken om te komen tot een lijst onderwerpen voor de basisregeling. Pilot Bodem Artís Artis heeft met werkzaamheden in de bodem te maken voor o.a. het verzorgen van bomen, struiken en planten, en het onderhouden van (ondergrondse) infrastructuur. Omdat de bodem van Artis, als deel van de stedelijke ophoog laag met veel stoffen verontreinigd is, moet onder de huidige wetgeving (Wet Bodembescherming) voor elk van deze werkzaamheden een melding worden gedaan bij de OD NZKG, die deze melding toetst. Vooruitlopend op de Omgevingswet, waarbij voor grondverzet onder de 25 m3 geen melding meer hoeft te worden gedaan, maar een informatieplicht zal gelden, heeft de OD NZKG, onder afgesproken voorwaarden, met de wens van Artis om voor dit kleinschalig grondverzet geen meldingen meer hoeven te doen, ingestemd. Dit als pilot voor de invoering, waarbij de juridische vorm een gedoogbesluit is. De pilot is gestart in januari 2020 en loopt door totdat de Omgevingswet van kracht wordt. De beoogde nieuwe datum van inwerkingtreding is 1 januari 2023. De coronacrisis heeft voor uitstel en vertraging van veel projecten binnen Artis gezorgd. In 2021 zijn 17 keer werkzaamheden uitgevoerd onder de pilot. Dit aantal is vergelijkbaar met het aantal in 2020. 3.4 Knellend beleid OD NZKG maakt deel uit van het programma ‘Bodembeheer van de Toekomst’. Inzet heeft inmiddels tot de nodige correcties in de regelgeving OW geleid. Op dit moment stellen wij de toepassing van staalslakken aan de orde in het kader van “knellend beleid”: e Eris een verzoek gedaan aan de provincie en de gemeenten in de NZKG-regio om een meldplicht voor staalslakken in de omgevingsverordening of in het omgevingsplan op te nemen. Ook is de wenselijkheid van een meldplicht voor staalslakken binnen het programma ‘Bodembeheer van de Toekomst’ en regio-overleggen over bodem onder Omgevingswet aan de orde. Gemeenten worden geholpen met het formuleren van de regels in het omgevingsplan over dit onderwerp. Vanwege de hoge PH-waarde van staalslakken zijn er risico’s op brandwonden en voor het ecosysteem. Dit kwam o.a. aan de orde in de uitzendingen van ‘De Vuilnisman’ op tv. e _ Bij juridische procedures ervaren wij dat staalslak kan worden gezien als bouwstof, terwijl het cruciaal is dat strikte criteria bij toepassing worden nageleefd. Pagina 31 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied e _Op dit moment is vaak onduidelijk of voor het toepassen van staalslakken het Activiteitenbesluit van toepassing is of een vergunning is vereist. 3.5 Inzet uren en middelen Tabel 16: totaal bodem Afwijking Realisatie - Bodem - output Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€) Bodemsanering beperkte impact 751.456 683.825 -67.631 743.966 Bodemsanering gemiddelde impact 130.075 130.075) ol 141.856 Bodemsanering grote impact 573.036 531.778 -41.259 568.691 Bodemsanering lichte impact 183.780 172.090 -11.690 194.614 Bodemsanering wijziging 132.322 107.236 -25.086 115.088 Bodemsanering zware impact 208.284 107.613 -100.671 157.347 Bodemtoepassing beperkte impact 131.505 85.948 -45.557 77.310 Bodemtoepassing gemiddelde impact 1.327 1.267 Bodemtoepassing lichte impact 31.855 32519| 664 34.831 Totaal | 2-143.641| 1851.880| -291761| 2.034.970 De realisatie in 2021 is lager dan begroot. Normaliter is sprake van twee piekmomenten in het aanbod van werk gedurende een jaar. De laatst verwachte piek is er in de laatste vier maanden niet geweest. Tabel 17: bodem regie Afwijking Realisatie - Bodem - regie Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€) Bodem Advisering 648.335 573.496 -74.839 614.414 Bodem Regie 358.882 423.919 65.037 405.848 |GH/Ketentoezicht/Surveillance 175.102 186.945 175.102 Zaakgebonden Advies 255.250 321.615 66.365 322.126 Totaal_____________________| 1437.569| _1.505.975| 68407| 1.517.488 Voor het regiepakket zijn er geen grote afwijkingen geconstateerd. Pagina 32 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 3 Programma randvoorwaardelijk/ programma overstijgend In het randvoorwaardelijk pakket gaat het om werkzaamheden die voor de opdrachtnemer noodzakelijk zijn om de taken op een kwalitatief goed niveau uit te voeren, maar die niet direct gekoppeld kunnen worden aan de individuele producten voor de opdrachtgever. Uitgangspunt hierbij is dat deze randvoorwaardelijke taken bijdragen aan de kwaliteit van de uitvoering voor alle opdrachtgevers. Daarom dragen alle opdrachtgevers naar rato bij. Deze taken zijn onder te verdelen in: e _Bestuurs- en beleidsondersteuning en accountmanagement e _ Administratie en procesondersteuning e _ Risico- en informatiegestuurd werken, consignatiedienst, WOB. In het Algemeen Bestuur van de OD NZKG is afgesproken deze kosten gezamenlijk te dragen en te verdelen op basis van een verdeelsleutel (vastgelegd in de DVO 2019). Tabel 18: randvoorwaardelijk Randvoorwaardelijk Begroot (€) 418.610 Risicobeheersing 289.964 1.173.844 Nieuwe wet- en regelgeving 255.046 Totaal | 2.137.464) Naast de randvoorwaardelijke taken zijn een aantal taken die niet direct gekoppeld kunnen worden aan de individuele producten en die specifiek voor de opdrachtgever worden ingezet. Deze taken zijn opgenomen bij programma overstijgend. Tabel 19: programma overstijgend Afwijking Realisatie - Programma overstijgend Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€) 70.041 70.347 70.041 204.200) _ 198.278| _-5.922| 204.200 Verweer in bezwaar en beroep 173.570 201.035 27.465 173.626 447.811| _469.660| 21849) _ 447.867 Pagina 33 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Consíignatiedienst Op het moment van opstellen van de Samenwerkingsagenda 2022-2024 vindt reflectie plaats van de uitkomsten van het rapport van de algemene rekenkamer “Handhaven in het duister”. Op basis van de uitkomsten prioriteren wij projecten op het gebied van milieucriminaliteit. Vanuit de Consignatiedienst worden, buiten het reguliere werk, vele taken op het gebied van Veiligheid opgepakt, dit betreft: 1. Werkgroep en Beheercommissie Bevolkingszorg. 2. Informeren veiligheidsregio’s over vitale processen tijdens de coronacrisis. 3. De OD NZKG is accounthouder voor het Directeurenoverleg Veiligheid Noordzeekanaalgebied (DOVN) met als speerpunten, circulaire economie, ondermijning, emgevingswet, cybercrime en terrorisme. Incidenten en Ongewone voorvallen 24/7 In 2021 zijn er door de consignatiedienst diverse grotere incidenten afgehandeld. In samenwerking met de veiligheidsregio’s zijn er diverse grote (afval)branden bestreden conform de afgesproken structuur. Varend ontgassen De consignatiedienst van de OD NZKG controleert in samenwerking met de Inspectie Leefomgeving en Transport en de politie het verbod op varend ontgassen van binnenvaartschepen. Bij het toezicht op varend ontgassen heeft de OD NZKG een waarnemingsfunctie door de inzet van de eNoses. Wanneer deze uitslaan combineren wij onze informatie met meteo- en nautische informatie. Als analyse van de informatie leidt tot een vermoeden van varend ontgassen, informeren wij de politie en het havenbedrijf. Gebiedsaanpak en ondermijning Afgelopen jaar hebben wij de samenwerking met externe partners behoorlijk versterkt, in het bijzonder met de Ondermijningsbrigade uit Amsterdam. Dit resulteerde in controles bij jachthavens en garagebedrijven, waarbij vele (milieu)overtredingen zijn geconstateerd. Inzet informatie analisten Het gebruik van data is In 2021 steeds beter ingebed geraakt in de uitvoering van onze taken. Datagestuurd werken is in 2021 gefaciliteerd met dashboards en andere instrumenten. Doorlopend vind optimalisatie plaats van het registreren en ontsluiten van data. In 2021 is vooruitgang geboekt bij het registreren van de ongewone voorvallen en het ontsluiten van eNose-data. Analyse van beschikbare data ondersteunt de uitvoering van VTH- taken. Bij regulering ís in 2021 ingezet op de analyse van de doorlooptijd van bepaalde vergunningsaanvragen. Bedrijfs- en branchespecifieke inzichten leiden tot inzichten ten behoeve van risicogestuurd werken zoals opgenoemen in paragraaf 1.3. Met de implementatie van de VTH-Strategie in een Ontwikkelagenda zijn specifieke thema’s zoals geur, afval (ten behoeve van het programma circulaire economie, ketentoezicht en asbesttaken) en energie onder de loep genomen. Bij uitvoering van adviestaken passen we data-analyse toe, zoals bij het onderzoek naar de hoeveelheid beschikbare restwarmte in de Noord-Hollandse industrie. Datagericht werken moet de komende jaren een steeds grotere rol gaan spelen in het werk van de Omgevingsdienst. Daarom hebben de analisten een robuustere plek in onze organisatie gekregen met de opdracht het effect van milieubesparende maatregelen te monitoren en het beter benutten van nieuwe technieken, zoals object-recognition en machine learning. Pagina 34 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Overlastmefdingen klanttevredenheidsonderzoek Wij voeren klanttevredenheidsonderzoek uit naar het proces afhandelen overlastmeldingen. Hiervoor gebruiken wij de tool Happynizr van Huis voor Klantmanagement. Wekelijks wordt een uitvraag gedaan aan iedereen die een melding van overlast heeft gemaakt en waarvan wij de contactgegevens hebben. Het tevredenheidspercentage ligt momenteel rond 65% en het gemiddelde percentage van tevredenheid over de afgelopen 12 maanden ligt op 62%. Bezwaar en beroep: De steeds intensievere menging van functies, de steeds mondigere en beter opgeleide inwoners, de toenemende aandacht van de pers en de toenemende juridisering bij procedures dragen bij aan een langjarige toename van het aantal bezwaar- en beroepzaken dat de OD NZKG behandelt. De bezwaar- en beroepzaken zijn overwegend complex en arbeidsintensief van aard. Wob/Woo en actieve openbaarmaking Het aantal Wob-verzoeken, de complexiteit en daarmee de inspanningen daarvoor zijn het afgelopen jaar explosief gestegen. Deze uren schrijven we niet op opdrachtgeversniveau; ze worden verrekend via randvoorwaardelijk pakket. De Directieraad (DR) van de OD NZKG heeft medio 2020 besloten — in het kader van optimale transparantie van de overheid - het dossier van Tata Steel actief te openbaren. Aanleiding was een Wob-verzoek waarin is verzocht om het openbaar maken van duizenden documenten. Het project “Actieve openbaarmaking Tata Steel-dossier” gaat enige jaren in beslag nemen. Begin 2021 is door de DR besloten een e-tool aan te schaffen om actief geopenbaarde documenten eenvoudig(er) te ontsluiten via E-Data. Op termijn zal deze E-data ook worden gevuld met documenten van andere bedrijven. Tegelijkertijd zijn wij gestart met het verder automatiseren van het Wob-proces. De stukken kunnen nu gemakkelijker uit het systeem worden gehaald en eenvoudiger in Mozard worden doorgezet naar de anonimiseertool. Dit leidt tot een lastenverlichting in de VTH-keten en bij de juristen. Desalniettemin blijft het Wob-proces een arbeidsintensief proces, omdat er ook zogenoemd ‘handwerk’ bij komt kijken, zoals het beoordelen van stukken op de geheimhoudingsgronden in de Wob (straks Woo) en de grote hoeveelheid stukken die op verzoek openbaar worden gemaakt. Vanaf 1 januari 2021 wordt bijgehouden hoeveel uren per opdrachtgever op dit product worden geschreven. Er is dekking op dit product voor ca. 1,3 fte. Er wordt momenteel ca. 3,5-4 fte ingezet op de Wob. Ook dit is nog niet voldoende. Vanaf 1 januari tot en met 21 december 2021 zijn voor alle opdrachtgevers gezamenlijk 64 Wob-verzoeken binnengekomen bij de OD NZKG. Ter vergelijking: In 2020 waren dat er 5/ en in 2019 ontvingen we 67 Wob- verzoeken. De Wob-verzoeken worden steeds omvangrijker. De verwachting is dat de stijging van het aantal Wob-verzoeken doorzet dit jaar en dat de overschrijding op het budget (dekking voor 1,3 fte) verder zal toenemen. Uitvoering van taken ín het kader van de wet Bibob Door de OD NZKG wordt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) toegepast op aanvragen voor omgevingsvergunningen voor de activiteiten Bouw en Milieu, De Bibob helpt voorkomen dat de overheid door het verlenen van vergunningen criminele organisaties faciliteert. Ook wordt Pagina 35 van 36 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied ingegrepen wanneer blijkt dat een vergunning structureel wordt ge-/misbruikt voor het plegen van strafbare feiten. In Amsterdam zijn er 74 Bibob-vooronderzoeken geweest (peildatum 6 december 2021). Na het verrichten van vooronderzoek bleek dat 19 aanvragen "geen gevaar" opleverden. Er zijn geen aanvragen die een “mindere mate van gevaar" en er zijn ook geen aanvragen die een "ernstig gevaar" opleveren. Voor het overige bleek dat 46 aanvragen niet Bibobplichtig waren. Eén aanvraag is ingetrokken door de aanvrager. Nieuwe wet- en regelgeving (randvoorwaardelijk) De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen wijzigen de inhoud en organisatie van ons werk ingrijpend. OD NZKG voert een omvangrijk implementatieprogramma uit, dat al enige jaren een groot beslag legt op onze interne capaciteit, bijvoorbeeld rond het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), en ons opleidingsbudget. De voorbereidingen zoals het opleiden van collega’s en het aanpassen van werkprocessen lopen op schema. Omgevingswet (programma-overstijgend) Een goede implementatie van de Omgevingswet kan alleen samen met de opdrachtgevers. Wij gaan uit van een beleidsneutrale overgang met inhoudelijk zoveel mogelijk dezelfde taken. In 2021 zijn alle opdrachtgevers meegenomen in de impact van de wijzigingen van de Omgevingswet op de taken, de mandaten en de milieuleges. Er is gestart met het oefenen en testen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Met Amsterdam is geoefend met het instellen van behandeldiensten. Behandeldiensten zorgen dat een vergunningaanvraag of melding op de juiste plek terecht komt. Met de provincie Noord-Holland en Haarlemmermeer is geoefend met de samenwerkingsruimte. De samenwerkingsruimte in het DSO biedt de mogelijkheid om adviezen te vragen en te ontvangen. Voor alle gemeenten ís gestart met concept-regels voor bodem in de omgevingsplannen. In Amsterdam is meegewerkt aan de totstandkoming van de omgevingsvisie. Voor het Omgevingsplan hebben wij samen met de collega’s in Amsterdam de milieuregels voor het Omgevingsplan op basis van de bruidsschat vastgesteld. Er ligt nu een set met alle bruidsschatregels er in, voorzien van (artikelsgewijze) toelichting en achtergronddocumenten over aanpassingen t.o.v. de bruidsschat, voorbereiden afstemmingssessies over de milieuregels, meedenken over de regeling voor het toelaten van bedrijven (o.a. door organiseren van een workshop bij de OD NZKG). Daarnaast is de OD NZKG nauw betrokken op het gebied van omgevingsveiligheid en geluid in het omgevingsplan. Ook wordt samen vorm gegeven aan regels over de ondergrond, bodem en bouw en erfgoed. Wij hebben een brief gestuurd met de urgentie om regels op te nemen over staalslakken. Pagina 36 van 36
Onderzoeksrapport
36
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2017 Afdeling 1 Nummer 1376 Publicatiedatum 15 november 2017 Ingekomen op 9 november 2017 Ingekomen onder AP Behandeld op 9 november 2017 Uitslag Ingetrokken en vervangen door AP’ Onderwerp Motie van de leden Van Osselaer, Dijk en Geenen inzake de Begroting 2018 (Planvoorraad). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2018. Constaterende dat: ° In de begroting in paragraaf 3.9.2 “Ruimtelijke ordening en bouwtoezicht” wordt vermeld "Er zijn in de voorjaarsnota geen middelen opgenomen voor het voorbereiden van nieuwe plannen voor woningbouw. Dit betekent dat vanaf 2022 onvoldoende woningen ín planvoorraad zijn om 5.000 woningen per jaar te realiseren.” ° In de technische toelichting op 7 november jl. is bevestigd dat "… voor deze werkzaamheden per 2018 geen dekking meer is in de begroting.” Overwegende dat * Het, gezien de schaarste op de Amsterdamse huizenmarkt, van het grootste belang is dat er nu en voor in de toekomst woningen bijgebouwd blijven worden * voor een langdurige hoge bouwproductie het nodig is dat Amsterdam blijft investeren in de planvoorraad Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — In kaartte brengen welke middelen er (structureel) nodig zijn om de planvoorraad op (middel)lange termijn op een zodanig niveau te houden dat er jaarlijks ten minste 5.000 woningen gerealiseerd kunnen worden; — De uitkomsten hiervan op te nemen in de nota begrotingsruimte; — Zo snel als mogelijk de raad een voorstel te doen om in ieder geval in de begroting 2018 hiervoor alsnog de benodigde middelen beschikbaar te stellen. De leden van de gemeenteraad J.P.D. van Osselaer T.W. Dijk T.A.J. Geenen 1
Motie
1
discard
> Gemeente Amsterdam D Motie Datum raadsvergadering 28 juni 2023 Ingekomen onder nummer 415 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van het lid Boomsma inzake het visiedocument Amsterdam, een stad vit duizenden (niet polariseren over groepen) Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over het visiedocument Amsterdam, een stad uit duizenden, Overwegende dat, -__ Het visiedocument de volgende passage bevat: “In deze stad is inmiddels niemand meer in de meerderheid. We leven in een minderheidsdemocratie en dat is onze kracht. Maar als we kijken wie macht bezitten, zijn een paar groepen nog steeds oververtegenwoordigd. Een inclusieve stad betekent dat deze groepen moeten inschikken om ruimte te maken voor al die andere groepen die luidkeels of bescheiden laten weten ook een volwaardige plek te willen in de Amsterdamse samenleving" -___Een individu in een democratie per definitie geen meerderheid is, en mensen met verschillende kenmerken en/of achtergronden niet per definitie één “groep” vormen; -__ Dit vitgaat van een maatschappijbeeld waarbij posities in de samenleving zouden worden verdeeld op basis van machtsclaims van etnische groepen, waar anderen via macht en onderdrukking worden uitgesloten, hetgeen gelukkig niet correspondeert met de Amsterdamse werkelijkheid; Verzoekt het College: De passage op bladzijde 30: “In deze stad is inmiddels niemand meer in de meerderheid. We leven in een minderheidsdemocratie en dat is onze kracht. Maar als we kijken wie macht bezitten, zijn een paar groepen nog steeds oververtegenwoordigd. Een inclusieve stad betekent dat deze groepen moeten inschikken om ruimte te maken voor al die andere groepen die luidkeels of bescheiden laten weten ook een volwaardige plek te willen in de Amsterdamse samenleving" geheel te schrappen. Indiener(s), D. T. Boomsma
Motie
1
discard
> Gemeente Amsterdam DS Motie Datum raadsvergadering 10 mei 2023 Ingekomen onder nummer 218 Status Verworpen Onderwerp Motie van het lid Von Gerhardt inzake geen vrgentieverklaring meer na tijdelijk huurcontract van 5 jaar of langer voor statushouders. Onderwerp Geen urgentieverklaring meer na tijdelijk huurcontract van 5 jaar of langer voor statushouders. Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over raadsinformatiebrief over de verdeling van de 1800 woningen voor het Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen in 2023. Constaterende dat: -_ Amsterdam veel voorrangs- en urgentieregelingen kent in de sociale huursector, waar- door reguliere woningzoekenden er niet meer tussenkomen: in heel 2021 kwamen slechts 23 van de in totaal 7ooo sociale huurwoningen vrij zonder voorrangsregeling of vrgentie- verklaring; -_In de Huisvestingsverordening 2020 is opgenomen dat statushouders opnieuw een urgen- tieverklaring krijgen als de eerdere woning die zij toegewezen hebben gekregen een tijde- lijk huurcontract kende?. Overwegende dat: -_De woningnood, naast fors bijbouwen en het stimuleren van de doorstroom, Amsterdam ertoe noopt de voorrangs- en urgentieregelingen aan te scherpen, omdat het geven van voorrang aan velen er uiteindelijk toe leidt dat niemand meer voorrang heeft; -_Een tijdelijk huurcontract van meerdere jaren een statushouder lang de tijd geeft op zoek te gaan naar alternatieve woningruimte, al dan niet als reguliere woningzoekende in de sociale huursector. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders Statushouders geen urgentieverklaring meer te geven nadat zij een eerdere (sociale huur)woning toegewezen hebben gekregen met een tijdelijk huurcontract wat 5 jaar of langer duurde. 1 Zie artikel 7 bij de ‘nadere regels urgenties’, https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR635511/10 Gemeente Amsterdam Status Verworpen Pagina 2 van 2 Indiener, M.S. Von Gerhardt
Motie
2
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Amendement Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 421 Publicatiedatum 29 april 2016 Ingekomen onder AY Ingekomen op donderdag 21 april 2016 Behandeld op donderdag 21 april 2016 Status Verworpen Onderwerp Amendement van het lid Van Lammeren inzake de Agenda Dieren (voorwaarden subsidies Artis). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Agenda Dieren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 261). Overwegende dat: — de gemeente Amsterdam Artis jaarlijks subsidieert en in 2016 hierdoor € 4.653.700 toebedeeld krijgt; — de noodzaak tot het houden van een grote diversiteit van soorten en ondersoorten voor educatieve en recreatieve waarde ter discussie kan worden gesteld; — de noodzaak tot het houden van een grote diversiteit van roofdiersoorten en grote zoogdiersoorten voor het voortbestaan van een soort niet gelden, vanwege de onmogelijkheid tot uitzetten naar het ‘wild’. Besluit: — op pagina 28 de volgende tekst toe te voegen: “Het is niet wenselijk dat Artis met de beperkte ruimte die zij in de stad hebben nog meer diersoorten gaan houden. Aan de subsidie aan Artis wordt de voorwaarde gesteld dat het aantal zoogdieren en roofvogels en het aantal soorten zoogdieren en roofvogels niet meer toeneemt.” — op pagina 28 de volgende tabel toe te voegen: Inzet Actie Verantwoordelijk In samenwerking met portefeuille Geen uitbreiding De subsidie aan Artis Wethouder Wethouder van het aantal wordt alleen beschikbaar Financiën Dierenwelzijn (soorten) dieren gesteld onder de en Wethouder voorwaarde dat het Duurzaamheid aantal zoogdieren en roofvogels en het aantal soorten zoogdieren en roofvogels in Artis niet meer toeneemt 1 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer 421 A d é Datum _ 29 april 2016 mendemen Het lid van de gemeenteraad J.F.W. van Lammeren 2
Motie
2
discard
> Gemeente Amsterdam DS Motie Datum raadsvergadering 9 november 2022 Ingekomen onder nummer 427 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van de leden Boomsma inzake Begroting 2023 (Vieren van verbondenheid) Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2023, Overwegende dat, - Het goed is om de verbondenheid van de verschillende delen van ons land, Aruba, Bonaire, Curacao, Nederland, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten, en ook de banden met voormalige delen van ons land, te versterken en te vieren; -_Het CDA in samenwerking met de Arubaanse Volkspartij (AVP — Aruba), de Democratic Party (DP - Sint-Eustatius) en de Union Patriotiko Boneriano (UPB — Bonaire) een initiatief heeft opgesteld om die verbondenheid op 15 december nadrukkelijker te vieren; -_Het belangrijk is om aandacht te besteden aan het belang van trans-Atlantische gemeenschappelijkheid binnen ons koninkrijk, en ook aan de culturele uitwisseling van Europese Nederlanders en Caribische Nederlanders binnen onze samenleving, Verzoekt het College: Een ambtswoninggesprek te organiseren met als doel te onderzoeken wat de wensen zijn en hoe vanuit de gemeente Amsterdam de banden met de niet-Europese delen van Nederland verstevigd kunnen worden, en de vitkomsten te betrekken bij de viering van Amsterdam 750 jaar Indiener D.T. Boomsma
Motie
1
discard
Gemeente % Amsterdam x% Jaarverslag 2020 Commissie Persoonsgegevens Amsterdam Inhoud 1. _ Inleiding en samenvatting 2 2. De CPA 4 3. Werkzaamheden 5 4, Adviezen 6 Bijlage 1 11 1. Inleiding en samenvatting persoonsgegevens, een zogeheten gegevensbeschermingseffectbeoordeling, De bescherming van persoonsgegevens en ook wel DPIA genoemd. Dit is vereist als de de Commissie Persoonsgegevens verwerking gelet op de aard, de omvang, Amsterdam (CPA) in vogelvlucht: de context en de doeleinden waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en =m Op de overheid rust een bijzondere vrijheden van natuurlijke personen. verantwoordelijkheid als er met behulp van nieuwe technologieën gegevens De relatie tussen burger en overheid worden verzameld en geanalyseerd. wordt beheerst door wettelijke taken Die bijzondere verantwoordelijkheid en bevoegdheden die moeten worden houdt in dat dergelijke vormen van ‘data uitgeoefend volgens algemene beginselen gedreven’ werken alleen zijn toegestaan van behoorlijk bestuur. Die beginselen indien rechtmatig en als er wordt voorzien moeten daarom ook betrokken worden in voldoende waarborgen om aantasting bij het in kaart brengen van risico's rond van de persoonlijke levenssfeer van de datamining, profilering en selectie. betrokkenen en discriminatie te voorkomen. Het transparantie-, doelbinding- en De CPA verwijst graag naar de notitie dataminimalisatiebeginsel spelen evenzeer van de Autoriteit Persoonsgegevens een belangrijke rol bij de toetsing door (hierna: AP) die op 17 februari 2020 de verwerkingsverantwoordelijke voor de is gepubliceerd! De AP wijst erop dat verwerking van persoonsgegevens waarbij de beginselen van ‘rechtmatigheid’, gebruik wordt gemaakt van algoritmes. ‘transparantie! en ‘behoorlijkheid’ een goed aangrijpingspunt vormen voor de toetsing De CPA wijst hierbij ook op de door de verwerkingsverantwoordelijke bepalingen uit de Algemene verordening voor verwerkingen waarbij gebruik wordt gegevensbescherming (hierna: AVG) gemaakt van algoritmes. Een organisatie met betrekking tot profilering en een die algoritmes gebruikt, moet vooraf in verbod op geautomatiseerde individuele kaart brengen welke risico’s er hierdoor besluitvorming, waaronder profilering. In voor de rechten en vrijheden van personen artikel 4 aanhef en onder 4 van de AVG ontstaan. Oftewel: goed nadenken over het is profilering gedefinieerd als “elke vorm ontwerp van het systeem. Is het gekozen van geautomatiseerde verwerking van algoritme wel passend bij het doel waarvoor persoonsgegevens waarbij aan de hand van het wordt ingezet? Ook betekent dit het persoonsgegevens bepaalde persoonlijke testen van de werking van het algoritme aspecten van een natuurlijk persoon worden en het nemen van gepaste maatregelen en geëvalueerd, met name met de bedoeling implementeren van waarborgen voordat het zijn beroepsprestaties, economische situatie, systeem gebruikt wordt. Het gaat daarbij gezondheid, persoonlijke voorkeuren, bijvoorbeeld over wat er gebeurt wanneer interesses, betrouwbaarheid, gedrag, algoritmes onbedoeld een verkeerde locatie of verplaatsingen te analyseren of uitkomst geven en de vraag of door het te voorspellen”. Op grond van artikel 22 gebruik van algoritmes misschien bepaalde van de AVG geldt een algemeen verbod op groepen in de samenleving stelselmatig volledig geautomatiseerde besluitvorming, worden gediscrimineerd. Daarnaast met inbegrip van profilering, waaraan voor moet een verwerkingsverantwoordelijke de betrokkenen juridische of anderszins voorafgaand aan een bepaalde verwerking aanmerkelijke gevolgen zijn verbonden. Zie een beoordeling uitvoeren van het de adviezen in paragraaf 4.1. en 4.4. effect hiervan op de bescherming van 1 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/toezicht-op-algoritmes 2 CPA Jaarverslag 2020 m De CPA heeft de laatste jaren geadviseerd naar voren dat er slechts sprake is van over de samenwerking met derde toestemming indien deze ‘vrij’, ‘specifiek’ partijen. De CPA constateerde in het en ‘geïnformeerd!’ is. ‘Vrij! betekent dat de jaarverslag van 2019 dat er vaak een gebrek betrokkene in vrijheid zijn wil moet kunnen is aan voldoende inzicht en besef van het uiten. Dat wil zeggen zonder dat aan het belang om als gemeente te beoordelen weigeren of intrekken van toestemming of een verwerking niet onverenigbaar is negatieve consequenties verbonden zijn. met het doel waarvoor de gemeente de ‘Specifiek! betekent dat de wilsuiting persoonsgegevens verwerkt. De CPA heeft betrekking moet hebben op een bepaalde in het jaarverslag 2019 herhaald dat het gegevensverwerking of een beperkte van belang is om een afwegingskader voor categorie van gegevensverwerkingen (geen samenwerking met derde partijen op te algemeen geformuleerde machtiging). stellen. In de bestuurlijke reactie op het Duidelijk moet zijn welke verwerking, jaarverslag van 2019 is aangegeven dat van welke gegevens, voor welk doel zal het College hiervoor het Stedelijk kader plaatsvinden, en als het daarbij gaat om verwerken persoonsgegevens toepast dat een verstrekking aan derden, ook aan welke in september 2019 is vastgesteld. Hierbij derden. ‘Geïnformeerd' kan de betrokkene worden standaardovereenkomsten gebruikt slechts verantwoord zijn toestemming geven voor datadeling met derde partijen. De wanneer hij zo goed mogelijk is ingelicht. noodzaak voor een separaat afwegingskader Naast het onderzoek van de AP heeft de wordt onderzocht. In 2020 ontbreekt dit European Data Protection Board (hierna: kader nog altijd hetgeen ook is terug te zien EDPB) aangegeven dat het voor werkgevers in de twijfels over de exacte privacyrechtelijke problematisch is om persoonsgegevens rollen (wel of geen gezamenlijke van huidige of toekomstige werknemers te verwerkingsverantwoordelijkheid?). Naast verwerken op basis van toestemming, omdat het belang van een afwegingskader het onwaarschijnlijk is dat deze vrijelijk wordt merkt de CPA in haar adviezen van 2020 verleend. ook op dat bij samenwerking met derde In de bestuurlijke reactie op het jaarverslag partijen de omgang met de rechten van 2019 geeft het College met betrekking betrokkenen, waaronder inzageprocedures, tot toestemming als wettelijke grondslag van belang is. Zie hiervoor artikelen 12 en aan dat de adviezen van de CPA met 13 van de AVG. ledere partij zou moeten name zijn gericht op die verwerkingen aangeven op welke manier de burger inzage die worden gedaan bij langdurige relaties kan krijgen in de bestanden die onder tussen gemeente en burger. Het College verantwoordelijkheid van de deelnemers onderzoekt de mogelijkheden om in vallen. Als de verantwoordelijkheid van de die gevallen op een andere wettelijke partijen verdeeld is over processen dan grondslag gegevens te mogen verwerken. moet dat voor de overzichtelijkheid goed en Waar nodig zal dat worden omgezet naar helder beschreven worden. Zie de adviezen in overeenkomsten tussen de gemeente en paragraaf 4.2. betreffende burger(s). De CPA is benieuwd naar dit onderzoek. Zie de adviezen in m Om de validiteit van toestemming paragraaf 4.3. als wettelijke verwerkingsgrondslag te kunnen bepalen, is het onder meer m De CPA benadrukt het belang van belangrijk om de factor ‘pressure! te wegen transparantie van de verwerking van versus de vrijwilligheid van deelname. Bij persoonsgegevens tegenover de burger. de afweging adviseert de CPA om het De gemeente moet in klare taal de burgers Braincompass onderzoek van de AP informeren over hoe de gemeente met hun te raadplegen? In dit onderzoek komt persoonsgegevens omgaat. Hierdoor krijgt 2 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/ap-verwerking-bijzondere-persoonsgegevens-door-braincom- pass-strijd-met-privacywet 3 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/consent_nl 3 een burger zicht op wat er met hem/ haar gedaan om de betrokkene te informeren betreffende persoonsgegevens gebeurt. over de belangrijkste consequenties van de Zorgen van burgers kunnen hierdoor verwerking. Zie de adviezen in paragraaf 4.4. worden weggenomen. In het jaarverslag 2019 had de CPA ook een stuk gewijd m Door de veelsoortigheid van de aan het belang van transparantie. In de privacyverklaringen kunnen deze het bestuurlijke reactie op het jaarverslag 2019 zicht voor de burgers belemmeren op wat komt naar voren dat het College achter de gemeente en instellingen waarmee het principe van transparantie staat en de gemeente samenwerkt, met hun bevordert dat de privacyverklaringen op een persoonsgegevens doen. Veelsoortigheid inzichtelijke wijze worden gecommuniceerd. kan leiden tot versnippering van informatie. De mogelijkheid van het gebruik van De CPA adviseert de gemeente om zicht te pictogrammen is in onderzoek. Echter, het houden op het aantal privacyverklaringen, gebruik van pictogrammen in plaats van de weergave en de vindbaarheid van de trefwoorden heeft het nadeel dat het voor privacyverklaringen, om versnippering te Amsterdammers geen resultaten geeft bij voorkomen. Zie hiervoor de adviezen in zoekacties via internet. De huidige werkwijze paragraaf 4.6. geeft dat wel. Er is daarbij sprake van een zogenaamde gelaagde privacyverklaring, waarbij de gemeente Amsterdam enerzijds 2. De CPA algemene informatie geeft en verwijst naar het door het College vastgestelde stedelijk Het gemeentebestuur is verantwoordelijk kader verwerken persoonsgegevens en voor het beleid van de gemeente anderzijds specifieke verklaringen publiceert Amsterdam op het gebied van de voor thema's die voor de Amsterdammer informationele privacy, oftewel de van belang zijn. Het College benadrukt bescherming van persoonsgegevens. De dat in het kader van de zorgvuldigheid Commissie Persoonsgegevens Amsterdam en de naleving van de AVG niet alle (CPA) is een onafhankelijke adviescommissie, privacyverklaringen worden samengevoegd ingesteld door het College van B&W. De in een uniforme privacyverklaring. CPA heeft signalerende, adviserende taken en fungeert hierbij als een maatschappelijk In de richtsnoeren van de EDPB klankbord voor het bestuur en ambtelijk wordt invulling gegeven aan het management. Wwww.amsterdam.nl/cpa). transparantiebeginsel en worden best practices gegeven* Dit betreft onder Per 1 december 2020 was de samenstelling meer zeer concrete aanbevelingen voor als volgt: wat betreft lay-out van de informatie en Mr. dr. U. van de Pol, voorzitter taalgebruik. De volgende beschrijvingen Mw. mr. E.F. van Hasselt, vicevoorzitter uit de richtsnoeren van de EDPB voldoen Drs. C. de Bakker, lid niet aan de vereiste transparantie: ‘nieuwe Mw. drs. M. McCabe, lid diensten’, ‘onderzoeksdoeleinden’ en Mw. mr. F.C. van der Jagt- Vink, lid ‘gepersonaliseerde diensten’. Aangezien Mr. A. Commandeur, lid dit passages zijn die veelvuldig Mr. B. J. P. Hulsman, lid voorkomen in kennisgevingen van Drs, H. Belarbi, lid verwerkingsverantwoordelijken, zullen Drs. F. van Rootselaar, lid veel organisaties hun formulering moeten Mr. T. Kalayciyan, ambtelijk secretaris aanpassen en dan ook nader dienen te (cpa@amsterdam.nl). specificeren waar het om gaat. Ook is noemenswaardig dat de aanbeveling wordt Per 1 januari 2020 zijn de heer H. Belarbi en 4 _https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/transparency_nl 4 CPA Jaarverslag 2020 de heer F. van Rootselaar op voordracht van vergaderingen van de CPA. Hierna vindt een de CPA door het College van B&W gedachtewisseling plaats en geeft de CPA benoemd tot nieuwe commissieleden. Zij zijn haar oordeel over de gepresenteerde gekozen uit 34 kandidaten die zich n.av. plannen. advertenties hiervoor hebben gemeld. In 2020 zijn 21 adviezen uitgebracht. Deze adviezen zijn vastgelegd in de notulen van In 2020 is negenmaal digitaal vergaderd. de openbare plenaire vergaderingen. De adviezen en de notulen zijn te vinden op de website van de CPA. 3. Werkzaamheden De onderwerpen zijn weergegeven in bijlage 3.1 Signalering en contacten CPA 1. Negentien (19) maal is het advies Op ambtelijk niveau zijn, in aanloop naar de daarnaast ook per brief uitgebracht. plenaire vergaderingen van de CPA, voorbereidende gesprekken gevoerd met Bijgaand een kort overzicht van de 21 de contactpersonen van de adviezen zijn uitgebracht: Informatievoorzieningseenheden van de Clusters. In het vakoverleg Privacy zijn de Therna aantal voorwaarden positief negatief anders Privacy Offers per Cluster van de gemeente Interne dienstverlening 3 ï Amsterdam vertegenwoordigd. Het hoofd ‚ . . Dienstverlening van de CIO-office, de Functionaris en informatie 2 2 Gegevensbescherming (hierna: FG) en Ruimte en Economie _ 3 3 voorzitter en secretaris van de CPA voeren Sociaal 4 enkele malen per jaar afstemmingsoverleg. Eeden i In voorkomende gevallen brengt de cro \ \ voorzitter een advies van de CPA uitdrukkelijk onder de aandacht van de FG, die als interne toezichthouder bij de Alle uitgebrachte (openbare) adviezen van gemeente fungeert. de afgelopen drie jaar staan op de CPA- website.* Oudere adviezen kan men Sinds kort geven het team FG, de concern opvragen door te mailen naar adviseur gegevensbescherming van de cpa@amsterdam.nl. CIO- office, de directie Basisinformatie en de directie Juridische Zaken aan de CPA vragen 3.3 Onderzoek met betrekking tot de agendapunten door Onderzoek naar de geschiedenis van de via de ambtelijk secretaris. Zij wonen ook de CPA ‘Amsterdam regelt privacy liever zelf’ vergaderingen van de CPA bij. Deze inbreng De CPA bestond in 2020 veertig jaar. Om dit en samenwerking is vruchtbaar gebleken. lustrum te gedenken heeft de CPA aan journalist Belia Heilbron verzocht om in 3.2. Advisering vogelvlucht de geschiedenis te beschrijven Bij complexe en/of politiek gevoelige en daarbij ook een doorkijkje te maken naar kwesties waarin het gebruik van de toekomst van de CPA. Zij heeft hieraan persoonsgegevens een rol speelt, is volgens voldaan door archiefonderzoek en het Stedelijk kader van 2018 verplicht advies gesprekken met (oud) commissieleden en te vragen aan de CPA. Het initiatief ligt bij andere betrokkenen binnen de gemeente te de organisatieonderdelen. Doorgaans voeren. Zij heeft de opkomst, bijna worden de organisaties uitgenodigd voor ondergang en doorstart van de CPA in een presentatie van de onderwerpen op de beeld gebracht en geplaatst in de 5 httops://www.amsterdam.nl/privacy/privacybeleid/ 6 www.amsterdam.nl/cpa 7_www.amsterdam.nl/cpa , onder het kopje ‘thema’s en jaarverslagen’ 5 bestuurlijke veranderingen in de gemeente, Tweehonderdenvijf (205) professionals van die vaak van bepalende invloed zijn geweest binnen en buiten de gemeente waren op het functioneren van de CPA. aanwezig en leverden een bijdrage aan de privacyvraagstukken bij de gemeentelijke Enkele hoogtepunten uit het onderzoek: overheid. m De CPA heeft een lange geschiedenis: ze Journalist mevrouw B. Heilbron vertelde in gaat terug tot 1980 toen Amsterdam als een vogelvlucht over haar onderzoek naar de van de eerste gemeenten speciale geschiedenis van de CPA en maakte een privacyregels opzette, bijna tien jaar voordat doorkijkje naar de toekomst van de CPA. de eerste landelijke privacywet, de Wet Naast het 40-jarig bestaan kreeg ook het Persoonsregistraties, van kracht werd. onderwerp profilering aandacht tijdens het m Met de komst van de Wet bescherming symposium. Profilering kan bruikbaar zijn persoonsgegevens en daarna de Algemene voor organisaties, zoals de gemeente. Verordening Gegevensbescherming (AVG), Diensten en producten kunnen beter werd de positie van de CPA opnieuw tegen afgestemd worden op de individuele het licht gehouden, mede in verband met de behoeften. Echter, er is een keerzijde aan komst van de FG. Daarbij diende vastgesteld profilering. Het kan namelijk door onjuiste en/ te worden wie binnen de gemeente toezicht of onvolledige data sprake kan zijn van houdt op de naleving van de onjuiste voorspellingen. Ook zijn burgers privacywetgeving. De uitkomst was dat de vaak niet op de hoogte van het feit dat ze FG toezicht houdt en de commissie zich kan geprofileerd worden. Tijdens het symposium richten op advies. werd hierop ingegaan. Zo werden ook de m Onbespied door de stad lopen is volgens _ juridische en maatschappelijke aspecten van de CPA al lang geen realiteit mee, maar het SyRI proces besproken. Het SyRI proces vormt eerder een uitzondering op de regel. ging om een systeem van risicoselectie voor In het jaarverslag 2018 schrijft de CPA dat (sociale) fraude van het ministerie van de belofte van het College ‘voorbijgaat aan Ministerie van Sociale Zaken en Werk- de talloze volgsystemen die door of namens gelegenheid, dat door de rechtbank Den de gemeente inmiddels in de openbare Haag onrechtmatig is verklaard.® Daarnaast ruimte zijn of worden ingezet’. werd tijdens het symposium ingegaan op het m De verschuiving die de CPA de afgelopen onderzoek naar smart cities door de veertig jaar heeft gemaakt van controleur Autoriteit Persoonsgegevens en op de van privacyreglementen naar een commissie ontwikkelingen van de digitale stad door de die meedenkt en adviseert over allerhande directie Onderzoek, Informatie en Statistiek. politieke en complexe zaken, reflecteert de ontwikkelingen in het privacylandschap. 4 Adviezen In 2021 wil de CPA nagaan of een nader onderzoek naar het gebruik van DPIA's Enkele onderwerpen verdienen bijzondere waarbij ook ethische vraagstukken een plek aandacht: krijgen. 4.1. Belangrijke kanttekeningen Symposium '40- jarig bestaan & algoritmes profilering’ op 30 januari 2020 De afgelopen jaren heeft de CPA steeds In 2020 heeft de CPA de vijfde editie van het vaker de gemeente geadviseerd over het breed toegankelijke symposium '40- jarig verwerken van persoonsgegevens bij het bestaan & profilering’ georganiseerd in de inzetten van algoritmes. Rode Hoed op de Keizersgracht. Wethouder Als er met behulp van nieuwe technologieën Meliani opende het symposium met een gegevens worden verzamelen en geanaly- speech over ICT en de digitale stad. seerd dan rust er op de overheid een 8 Rechtbank Den Haag 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865. 6 CPA Jaarverslag 2020 bijzondere verantwoordelijkheid. Die startpunten voor de toetsing door de verantwoordelijkheid houdt in dat vormen verwerkingsverantwoordelijke van van data gedreven werken alleen zijn verwerkingen waarbij gebruik wordt gemaakt toegestaan als er wordt voorzien in van algoritmes. Het transparantie- voldoende waarborgen om aantasting van beginsel vergt dat aan de betrokkene de persoonlijke levenssfeer van de toegankelijke en begrijpelijke informatie over betrokkenen en discriminatie te voorkomen. de identiteit van de verwerkings- Over de toepassing van algoritmes heeft de verantwoordelijke en de doeleinden van de Autoriteit Persoonsgegevens op 17 februari verwerking wordt verstrekt, waarbij gebruik 2020 een notitie gepubliceerd, waarnaar de wordt gemaakt van eenvoudig taalgebruik. CPA graag verwijst” De AP wijst erop dat Los daarvan moet op grond van dit beginsel een organisatie die algoritmes gebruik actief verdere informatie worden verschaft om vooraf in kaart moet brengen welke risico’s te zorgen voor een behoorlijke en er hierdoor voor de rechten en vrijheden van transparante verwerking van de personen ontstaan. Ook wijst de AP erop dat persoonsgegevens en moeten alle de beginselen van rechtmatigheid, betrokkenen zich bewust worden van de transparantie, en behoorlijkheid een goed risico's, regels, waarborgen en rechten in aangrijpingspunt vormen voor de toetsing verband met de verwerking van door de verwerkingsverantwoordelijke voor persoonsgegevens en de wijze waarop zij hun de verwerking waarbij gebruik wordt privacyrechten kunnen uitoefenen. In de gemaakt van algoritmes. In het advies uitspraak van het SyRl-proces!® acht de gebruik van algoritme voor het prioriteren rechter als waarborgen in ieder geval van meldingen t.b.v. toezicht, advies bias voldoende transparantie en onafhankelijke analyse algoritmes en het advies toetsing vooraf noodzakelijk. Op grond van convenant zoeklicht komt naar voren dat de het Europees Verdrag voor de Rechten van notitie van de AP concreet betekent dat de Mens (hierna: EVRM) moet er worden vooraf goed over het ontwerp van het voldaan aan het vereiste van ‘fair balance’: de systeem nagedacht moet worden. Is het redelijke verhouding tussen het maatschappe- gekozen algoritme wel passend bij het doel lijke belang dat de wetgeving dient en de waarvoor het wordt ingezet? Ook betekent inbreuk op het privéleven die de wetgeving het dat de werking van het algoritme getest oplevert. Het doelbindingsbeginsel houdt in moet worden en dat gepaste maatregelen dat persoonsgegevens voor welbepaalde, moeten worden genomen en waarborgen uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde moeten worden geïmplementeerd voordat doeleinden moeten worden verzameld en dat het systeem wordt gebruikt. Het gaat daarbij _ zij vervolgens niet verder op een met die bijvoorbeeld over wat er gebeurt wanneer doeleinden onverenigbare wijze mogen algoritmes onbedoeld een verkeerde worden verwerkt. Het dataminimalisatie- uitkomst geven en de vraag of door het beginsel vereist dat persoonsgegevens gebruik van algoritmes misschien bepaalde toereikend, ter zake dienend en beperkt zijn groepen in de samenleving stelselmatig tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden worden gediscrimineerd. Daarnaast moet waarvoor zij worden verwerkt. een verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan een bepaalde verwerking In 2021 wil de CPA meer indringend kijken een beoordeling uitvoeren van het effect op naar de afwegingskaders voor kunstmatige de bescherming van persoonsgegevens, een intelligentie (Al) gerelateerde onderwerpen. DPIA. Dit is vereist als de verwerking een De CPA merkt op dat de maatschappelijke hoog risico inhoudt voor de rechten en discussie hierover ethische vragen oproept. In vrijheden van natuurlijke personen. Q2 van 2021 wil de CPA een brainstorm sessie Het transparantie-, doelbindings-, en organiseren met een data ethicus om de dataminimalisatiebeginsel vormen goede awareness op dit vlak te vergroten. 9 _https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/toezicht-op-algoritmes 10 ECLIENL:RBDHA:2020:865 7 4.2. Delen van persoonsgegevens de regie kunnen nemen over hun eigen met derden: meer inzage en vitaliteit en inzetbaarheid. De opdracht is transparantie een digitaal platform te implementeren Vorig jaar adviseerde de CPA dat er meer om het vitaliteitsaanbod te ontsluiten voor transparantie en juridische onderbouwing alle medewerkers van de gemeente. Het nodig is over het delen van persoons- JOHAN-platform biedt (in de vorm van gegevens met derden. Het is nog steeds van een SaaS-oplossing) een Lego doos met groot belang om een afwegingskader op te functionaliteiten die door elke partij naar stellen voor de samenwerking met derde eigen inzicht vanuit hun eigen rol ingericht partijen. In het convenant zoeklicht advies, kunnen worden. advies implementatie buurtteams en het In het Braincompass onderzoek komt advies vitaliteit JOHAN merkt de CPA op naar voren dat er slechts sprake is van dat gezien de verplichtingen van de toestemming indien deze ‘vrij’, ‘specifiek’ gemeente samenwerking met derde partijen en ‘geïnformeerd!’ is. ‘Vrij betekent dat de zoals woningcorporaties ervoor zorgt dat er betrokkene in vrijheid zijn wil moet kunnen effectiever gewerkt kan worden. Om de uiten. Dat wil zeggen zonder dat aan het samenwerking goed te laten verlopen en om weigeren of intrekken van toestemming het doel te behalen is het in sommige negatieve consequenties verbonden zijn. gevallen noodzakelijk om persoonsgegevens ‘Specifiek’ betekent dat de wilsuiting te delen. De CPA geeft aan dat delen van betrekking moet hebben op een bepaalde gegevens met derden alleen mag als daar gegevensverwerking of een beperkte een wettelijke vordering aan ten grondslag categorie van gegevensverwerkingen (geen ligt. Naast het belang van een algemeen geformuleerde machtiging). afwegingskader merkt de CPA in haar Duidelijk moet zijn welke verwerking, adviezen van 2020 ook op dat bij van welke gegevens, voor welk doel zal samenwerking met derde partijen de plaatsvinden, en als het daarbij gaat om omgang met de rechten van betrokkenen, een verstrekking aan derden, ook aan waaronder inzageprocedures, van belang is. welke derden. De betrokkene kan slechts De CPA merkt op dat uit artikel 12 en 13 van _ verantwoord zijn toestemming geven de AVG o.a. naar voren komt dat wanneer hij zo goed wordt geïnformeerd. inzageprocedures duidelijk kenbaar gemaakt Ook kwam uit het advies van de AP naar moeten worden. ledere partij zou moeten voren dat door de arbeidsrelatie er geen aangeven op welke manier men inzage kan sprake kon zijn van vrijelijk gegeven krijgen in de bestanden die onder hun toestemming. verantwoordelijkheid vallen. Als de verantwoordelijkheid van de partijen Naast het Braincompass onderzoek heeft de verdeeld is over de processen dan moet dat AP een forse bestuurlijke boete opgelegd voor de overzichtelijkheid goed en helder aan een bedrijf dat werknemers verplicht beschreven worden. heeft om hun vingerafdruk te laten scannen. In het boetebesluit komt naar voren dat 4.3. Vrijelijk geven van wanverhouding zich ook kan voordoen in het toestemming kader van de arbeidsverhouding.® “Gezien In het advies vitaliteit JOHAN adviseert de de afhankelijkheid die het gevolg is van de CPA om het Braincompass onderzoek van relatie tussen werkgever en werknemer, is de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: het onwaarschijnlijk dat de betrokkene zijn/ AP) te raadplegen. In dit advies gaat het haar toestemming voor gegevensverwerking om het feit dat de gemeente een verzuim- zou kunnen onthouden zonder angst of reële en mobiliteitsbeleid wil invoeren. Het doel dreiging van nadelige gevolgen als gevolg is dat medewerkers en leidinggevenden van een weigering. Het is onwaarschijnlijk 11 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/ap-verwerking-bijzondere-persoonsgegevens-door-braincom- pass-strijd-met-privacywet 12 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/boete-voor-bedrijf-voor-verwerken-vingerafdrukken-werknemers 8 CPA Jaarverslag 2020 dat de werknemer vrijelijk zou kunnen betreffende burgers in klare taal reageren op een verzoek voor toestemming geïnformeerd worden over hoe de van zijn/haar werkgever voor, bijvoorbeeld, gemeente met hun persoonsgegevens het activeren van toezichtsystemen zoals omgaat. Hierdoor krijgt een burger zicht op camera observatie op de werkvloer, of wat er met haar/ hem betreffende het invullen van beoordelingsformulieren, persoonsgegevens gebeurt. Zorgen van zonder druk te voelen om toestemming te burgers kunnen hierdoor worden verlenen. De EDPB is daarom van mening weggenomen. dat het voor werknemers problematisch is om persoonsgegevens van huidige of De CPA adviseert net als vorig jaar om naast toekomstige werknemers te verwerken de AVG ook de het wetsvoorstel Wet Open op basis van toestemming, omdat het Overheid (hierna: Woo) te raadplegen die onwaarschijnlijk is dat deze vrijelijk wordt in januari in de Tweede Kamer is aan- verleend.” genomen en nu behandeld wordt in de In overweging 43 van de AVG staat vermeld Eerste Kamer.® Deze nieuwe wet geeft dat om ervoor te zorgen dat toestemming regels over het actief openbaar en vrijelijk wordt verleend, toestemming toegankelijk maken van overheidsinformatie geen geldige rechtsgrond mag zijn voor en moet ervoor zorgen dat deze beter de verwerking van persoonsgegevens vindbaar, uitwisselbaar, eenvoudig te wanneer er sprake is van een duidelijke ontsluiten en goed te archiveren is. Deze wanverhouding tussen de betrokkene en de wet zal in de toekomst de Wet openbaarheid verwerkingsverantwoordelijke, met name van bestuur (Wob) vervangen. De Wob is wanneer de verwerkingsverantwoordelijke vooralsnog geldig. De kern van de voor- een overheidsinstantie is, en dit het gestelde wet Woo is tweeledig. Ten eerste onwaarschijnlijk maakt dat de toestemming verplicht de wet overheidsorganisaties in alle omstandigheden van die specifieke documenten in de volgende elf categorieën situatie vrijelijk is verleend. actief openbaar te maken: wet- en regel- Ook verwijst de CPA naar de EDPB geving, organisatiegegevens, raadsstukken, Richtsnoeren inzake toestemming inzake bestuurlijke stukken, stukken van advies- privacy op de werkvloer naar voren komt colleges, convenanten, jaarplannen- en dat toestemming hoogstwaarschijnlijk verslagen, Wob/Woo-verzoeken, onder- niet voldoet als rechtsgrondslag voor zoeken, beschikkingen en klachten. Ten gegevensverwerking op het werk, tenzij de tweede verplicht de Woo gemeenten om de werknemers mogen weigeren zonder dat informatiehuishouding op orde te brengen. daar nadelige gevolgen aan verbonden zijn.* De bepaling uit de Archiefwet, dat gemeenten Er mogen absoluut geen negatieve gevolgen documenten in een goede, geordende en zijn van het weigeren van toestemming. toegankelijke staat moeten bewaren, wordt herhaald in de Woo. 4.4. Meer transparantie De CPA is in 2021 van plan om nauw met de In de adviezen Integraal klantbeeld, Data informatiecommissaris te werken die zich inzicht applicatie, Responsible sensing lab, onder andere ontfermd over de Wob en Telematica in dienstvoertuigen en Digitale Woo. gracht gaat de CPA in op het transparantie- beginsel. De CPA benadrukt het belang van In paragraaf 4.5. en 4.6. wordt er ingegaan transparantie tegenover de burger bij op profilering en privacyverklaringen. Deze processen die worden ingezet in het kader onderwerpen hangen nauw samen met het van bepaalde acties en/of taken van de transparantiebeginsel. gemeente. In dat kader moeten de 13 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/consent_nl 14 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/consent_nl 15 https:/wwweerstekamer.nl/wetsvoorstel/35112_novelle_initiatiefvoorstel 9 4.5. Profilering juridische of anderszins aanmerkelijke Het transparantiebeginsel krijgt onder meer gevolgen zijn verbonden. vorm door hetgeen in de AVG is bepaald over de informatie die — proactief of op Het Al team van de gemeente Amsterdam is verzoek — moet worden gegeven over het in 2020 bezig geweest met het opzetten van verwerken van persoonsgegevens in een algoritmeregister dat in 2021 algoritmes. Zo is het onder meer verplicht gelanceerd wordt. Het algoritmeregister is om, als er sprake is van profilering en/of een overzicht van de algoritmes die de geautomatiseerde besluitvorming, dit gemeente Amsterdam gebruikt bij kenbaar te maken. Daarbij moet in bepaalde gemeentelijke dienstverlening. Per algoritme gevallen ook nuttige informatie worden kan men eerst algemene informatie over de gegeven over de onderliggende logica van bedoeling en werking van het algoritme. het algoritme, alsmede het belang en de Daarna kan men meer gedetailleerde verwachte gevolgen van die verwerking voor _ technische informatie vinden. De CPA is op de betrokkene. In het geval van profilering de hoogte van dit register en is benieuwd heeft de betrokkene het recht om daartegen naar de ontwikkelingen in 2021. bezwaar te maken. Een algoritme beoordelen op behoorlijkheid (fairness) is op zichzelf 4.6. Privacyverklaringen complex maar mogelijk met de juiste De commissie merkt op dat door de middelen en kennis. De vraag of een algoritme _ veelsoortigheid van de privacyverklaringen of een uitkomst van een algoritme ‘fair’ of deze het zicht voor de burgers kunnen behoorlijk is, is inmers sterk verweven met belemmeren op wat de gemeente en de omstandigheden van het geval, maar instellingen waarmee de gemeente daarnaast ook met mogelijk subjectieve samenwerkt, met hun persoonsgegevens opvattingen over rechtvaardigheid. doen. Veelsoortigheid kan leiden tot Een verwerkingsverantwoordelijke zal zelf versnippering van informatie. De CPA actief moeten verantwoorden en motiveren adviseert de gemeente om zicht te houden waarom een algoritme fair is en het gebruik op het aantal privacyverklaringen, de van het gekozen algoritme niet leidt tot weergave en de vindbaarheid van de onbehoorlijke uitkomsten. privacyverklaringen om versnippering te voorkomen. In het advies Integraal De AVG bevat ook bepalingen met klantbeeld komt naar voren dat projecten betrekking tot profilering en een verbod op vaker volstaan met een verwijzing naar geautomatiseerde individuele besluit- bestaande privacyverklaringen. De CPA wil vorming, waaronder profilering. In artikel 4 dit graag stimuleren, maar adviseert aanhef en onder 4 AVG is profilering tegelijkertijd om goed in de gaten te gedefinieerd als “elke vorm van geautoma- houden of er, mede vanuit het oogpunt van tiseerde verwerking van persoonsgegevens transparantie, toch geen aparte waarbij aan de hand van persoonsgegevens privacyverklaring nodig is en/of er een bepaalde persoonlijke aspecten van een aanvulling op de specifieke natuurlijk persoon worden geëvalueerd, met privacyverklaringen nodig is. name met de bedoeling zijn beroeps- prestaties, economische situatie, gezondheid, De Commissie Persoonsgegevens Amsterdam persoonlijke voorkeuren, interesses, betrouw- Amsterdam, 2020. baarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen.” Op grond van artikel 22 AVG geldt een algemeen verbod op volledig geautomatiseerde individuele besluitvorming, met inbegrip van profilering, waaraan voor de betrokkene 10 CPA Jaarverslag 2020 Bijlage 1 LIJST MET ADVIEZEN 2020 Onderwerp Trefwoord Gebruik van een algoritme voor het Algoritmes, transparantie, prioriteren van meldingen t.b.v. toezicht doelbindingsbeginsel, SyRI Convenant Zoeklicht Woonfraude, samenwerking met derde Herijking HIC- criteria top 600 Bijzondere persoonsgegevens, top 600 OIS- onderzoek naar migranten BRP, WPI, toestemming Project vitaliteit JOHAN Verzuim- en mobiliteitsbeleid, samenwerking met derde partij, toestemming Integraal klantbeeld Applicatie, privacy- verklaring Regeling gegevensverwerking LPGA Top 400, Top 600, Verwerkingsverantwoordelijke BRP aansluiting Erfpacht Privacyverklaringen, informatiestromen Data inzicht applicatie Transparantie, ethische toets, DIA Object detectie Anonimisering, datasets, Al lead developer Samenwerkingsovereenkomst Eigen Haard Basisregistratie adressen en gebouwen, en basisinformatie woonfraude, BRP afwijkingen Implementatie buurtteams Amsterdam WMO, doelbinding, verwerkingsverantwoordelijkheid PGA doorgroeiers UAVG, bijzondere persoonsgegevens, Top 600, RIEC criteria Regeling gegevensverwerking top 400 Top 400, zwaarwegend algemeen belang, bijzondere persoonsgegevens Woonruimteverdeling en gezamenlijk gebruik _Proportionaliteit, clouddienst, Woningnet regio Amsterdam bestandsvergelijking Responsible sensing lab Gemeentelijke sensoren, zichtbaarheid, transparantie, algoritme Telematica in dienstvoertuigen Noodzakelijkheid, rechtvaardigheid, Dataminimalisatie Bias analyse over ontwikkelde algoritmes Algoritmes, onterecht/ onjuist verschil Digitale gracht Handhaving, vignetgegevens 11 Ol Op Âe
Onderzoeksrapport
14
train
Aan de (leden van de) Gemeenteraad van Amsterdam. Amsterdam, 27 februari 2016 Geachte dames en heren, hierbij wil ik een klacht indienen tegen het bedrijf Cition betreffende de automatische incasso van de parkeergelden. Op 23-12-2015 ontving ik een schrijven van Cition dat vanaf 1 januari 2016 het parkeerbeleid zou worden uitgevoerd door Egis Parking Services B.V. Onderaan deze brief staat dat de automatische incasso voor het parkeertijdvak 1 maart 2016 t/m 31 augustus 2016 zal plaatsvinden in week 4, dt. vanaf maandag 25 januari. Ik heb geprotesteerd bij Cition tegen dit moment van incasseren, maar liefst 6 weken voor aanvang van het parkeertijdvak. Ik vond dit buiten proporties, mede gezien het feit dat dit tegenwoordig allemaal automatisch en digitaal plaatsvindt. Cition antwoordde mij toen het volgende (per e-mail van 15 januari 2016): Geachte heer De parkeervergunning vervalt automatisch, van rechtswege, als er niet tijdig is betaald. De acceptgirokaarten worden daarom door Cition ruim op tijd verstuurd en de automatische incasso's vinden daarom ruim op tijd plaats. Twee weken voor het begin van de nieuwe vergunningperiode wordt vervolgens een betalingsherinnering naar de vergunninghouders gestuurd, zodat alsnog tijdig kan worden betaald (men dient dan tevens rekening te houden met een verwerkingstijd van een drietal dagen). Wanneer Cition de vergunninggelden slechts enkele dagen voor ingang van een nieuwe vergunningperiode zou incasseren, zou dit echt te krap zijn. Het komt namelijk meermalen voor dat een automatische incasso niet is gelukt (wegens bijvoorbeeld onvoldoende saldo of andere oorzaken). De vergunninghouder kan dan, gezien de ruime tijd van betalen, vervolgens alsnog tijdig de parkeervergunning op andere wijze voldoen. Cition heeft duizenden vergunninghouders. Hopelijk zult u begrijpen dat het administratief verwerken van deze aantallen enige tijd vergt. Aangezien het van belang is dat een parkeervergunning tijdig is betaald, is Cition van mening dat de periode waarin de parkeervergunning kan worden betaald niet te krap kan worden genomen. Wij begrijpen dat vanuit uw gezichtspunt gezien de datum van het automatisch incasseren erg vroeg lijkt maar gezien voorgaande uitleg zal Cition de datum van incasseren (vooralsnog) niet wijzigen. Ik antwoordde daarop het volgende (ook per e-mail van 15 januari 2016): Er is een groot verschil tussen enkele dagen van tevoren incasseren en 6 weken van tevoren. Zoals u zelf aangeeft is een termijn van 2 weken voor het begin van een vergunningperiode ruimschoots voldoende: er is dan nog tijd voor een betalingsherinnering versturen (hooguit 3 dagen) en een wachttijd van 3 dagen en dan heb je nog 8 dagen speling over. Al die administratieve handelingen kunnen geautomatiseerd worden (en zijn dat hoogstwaarschijnlijk al in uw bedrijf). Het administratief verwerken hoeft dus helemaal niet veel tijd te kosten en als dat toch zo is zet ik daar een paar vraagtekens bij. Kortom: ik kan uw redenering niet onderschrijven en ik zal proberen het hogerop te zoeken. Ik verzoek u daarom vriendelijk mij mee te delen bij wie ik nu verder met mijn klacht terecht kan. Cition verwees mij daarop naar de Gemeentelijke Ombudsman. Deze verwees mij door naar de gemeenteraad omdat het hier gaat om het algemeen beleid van Cition. Omdat het inmiddels bijna l maart is en ik dus nu het parkeergeld moet betalen verzoek ik u vriendelijk om een oordeel te geven over het algemeen beleid van Cition cq. Egis Parking Services BV om 6 weken van tevoren het parkeergeld te incasseren. Met vriendelijke groet,
Raadsadres
2
train
wnz0n020390 N% Gemeente De raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en AZ igitalisering, : ‘ ‘ bn: : Innovatie en % Amsterdam Veiligheid, Handhaving en Toezicht, Communicatie, Juridische Zaken, Informatie Raadsaangelegenheden Voordracht voor de Commissie AZ van 08 september 2022 Ter kennisneming Portefeuille Juridische Zaken Agendapunt 15 Datum besluit Onderwerp Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de stand van zaken met betrekking tot achterstanden bij Woo-verzoeken De commissie wordt gevraagd 1. _Kenniste nemen van de raadsinformatiebrief over de raadsinformatiebrief over de stand van zaken met betrekking tot achterstanden bij Woo-verzoeken Wettelijke grondslag Artikel 169 van de Gemeentewet Bestuurlijke achtergrond In de vergadering van de Tijdelijke Algemene Raadscommissie op g juni 2022 heeft de burgemeester toegezegd om de raad te informeren over de stand van zaken met betrekking tot achterstanden bij Woo-verzoeken (verzoeken om openbaarmaking van overheidsinformatie). Deze brief is eerder aangeboden in de dagmail van 26 juli 2022. Reden bespreking Nvt. Uitkomsten extern advies Nvt. Geheimhouding Nvt. Uitgenodigde andere raadscommissies Nvt. Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? Nee Welke stukken treft v aan? Gegenereerd: vl.7 1 VN2022-026390 9 Gemeente De raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en AZ Digitalisering, % Amsterdam Veiligheid, Handhaving en Toezicht, Communicatie, Juridische Zaken Innovatie en % gneld, 9 ! ! ' Informatie Raadsaangelegenheden Voordracht voor de Commissie AZ van o8 september 2022 Ter kennisneming AD2022-076840 Commissie AZ Voordracht (pdf) AD2022-076841 Raadsbrief Openbaarheid Achterstanden Woo-verzoeken Juli 2022. pdf (pdf) Ter Inzage Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Sofie Bustraan (informatiecommmissaris): 06- 2314 5164, s.bustraan@®&amsterdam.nl Gegenereerd: vl.7 2
Voordracht
2
val
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 509 Publicatiedatum 15 juni 2016 Ingekomen onder AK Ingekomen op donderdag 2 juni 2016 Behandeld op donderdag 2 juni 2016 Status Aangenomen Onderwerp Motie van de leden Vink, Vroege en Ernsting inzake de vierde kwartaalrapportage 2015 Noord/Zuidlijn (afronding van de werkzaamheden en ingebruikname van de Noord/Zuidlijn). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de vierde kwartaalrapportage 2015 Noord/Zuidlijn (Gemeenteblad afd. 1, nr. 464). Constaterende dat: — er nog veel werk moet worden verzet om de Noord/Zuidlijn af te bouwen en te zorgen voor een functionerend vervoerssysteem; — er vele onzekerheden en risico's zijn en dat deze niet zijn verkleind door de recente faillissementen van Oskomera en Imtech. Overwegende dat: — het OV-net ingrijpend zal wijzigen n.a.v. de ingebruikname van de nieuwe metrolijn en een groot deel van het huidige lijnennet van trams en bussen in en om de stad tot het verleden zal gaan behoren; — _hetbelangrijk is dat metro, tram en bus op elkaar aansluiten en overstappen voor reizigers goed, eenvoudig en veilig kan plaatsvinden vanaf de ingebruikname van de nieuwe metrolijn; — het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Amsterdam in december 2015 een migratiestrategie heeft vastgesteld waarin het kiest voor ingebruikname van de nieuwe metrolijn én omzetting van verschillende bus- en tramlijnen op één moment: de “big bang'-migratiestrategie als basisscenario; — deze strategie en de bijbehorende omzetting van de huidige naar de nieuwe situatie op één moment bijdraagt aan duidelijkheid voor de reizigers, ervoor zorgt dat het verkeersaanbod goed kan worden verwerkt en wanorde en slechte bereikbaarheid kunnen worden voorkomen; — daartoe aan de criteria uit de vastgestelde strategie (wat betreft planning en kwaliteit) moet worden voldaan, met veiligheid als randvoorwaarde; — er daarnaast nog een aantal condities relevant is voor de ingebruikname van de nieuwe metrolijn: 1 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam Afdeling 1 Gemeenteraad R Nummer 509 Motie Datum 15 juni 2016 1. voorkomen van wezenlijke gebruiksbeperkingen voor de reiziger en OV-bedrijf dat de lijn bedient; 2. kunnen omzetten van het bovengrondse OV-netwerk van tram- en buslijnen in en om de stad (qua capaciteit en lijnvoering) op de inzet van de nieuwe metrolijn; 3. voldoende toerusting van de stationsomgevingen van de nieuwe Noord/Zuidlijn-stations en van de diverse tram- en bushaltes op de nieuwe situatie; 4. uitvoering van eventuele nazorg voor de afronding van werkzaamheden aan de Noord/Zuidlijn moet plaats kunnen vinden zonder de nieuwe metro substantieel te beperken qua inzet en frequentie; 5. voorkomen moet worden dat kort na ingebruikname de lijn weer (deels) zou moeten sluiten, bijvoorbeeld voor het afmaken van werkzaamheden; — in de huidige planning wordt uitgegaan van ingebruikname van de Noord/Zuidlijn in oktober 2017. Voorts overwegende dat: — de gemeenteraad zich niet eerder heeft uitgesproken over de ingebruikname van de Noord/Zuidlijn; — het besluit over het moment van ingebruikname van de Noord/Zuidlijn binnenkort zal worden genomen; — de vervoerders een jaar van tevoren moeten weten wanneer de ingebruikname zal zijn, opdat ze alle bijbehorende maatregelen verantwoord kunnen regelen en inplannen; — er voorafgaand aan de definitieve keuze verschillende scenario's en data worden overwogen en daarbij ook scenario's in beeld worden gebracht waarbij de omzetting niet op één moment plaatsvindt; — de stadsregio als onderdeel van haar migratiestrategie heeft verwoord onder welke omstandigheden zou kunnen worden afgeweken van de gekozen 'big bang'-voorkeursstrategie. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — zich ervoor in te zetten om de ingebruikname van de Noord/Zuidlijn en de bijbehorende aanpassingen van het lijnennet van bussen en trams in stad en regio gelijktijdig en conform de door de stadsregio vastgestelde 'big bang’ — migratiestrategie te kunnen laten plaatsvinden; — ernaar te streven deze 'big bang’ c.q. deze grote omzetting en de ingebruikname van de nieuwe metrolijn medio oktober 2017 te laten plaatsvinden; — te blijven zorgen voor een goed en betrouwbaar functionerend metrosysteem in Amsterdam, als onderdeel van het gehele openbaar vervoersnetwerk in en om Amsterdam, uitgaande van de criteria uit de migratiestrategie en de condities die in de overwegingen van deze motie zijn verwoord; — de gekozen planning voor de ingebruikname van de Noord/Zuidlijn aan de raad aan te bieden en deze daaraan voorafgaand toe te lichten bij de afgesproken hoorzitting vóór het zomerreces van 2016; 2 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 509 Moti Datum _ 15 juni 2016 olie — daarbij aan te geven hoe de keuze voor de ingebruikname past bij de criteria uit de migratiestrategie en de condities uit deze motie, ook wanneer er van de gekozen strategie zou worden afgeweken. De leden van de gemeenteraad B.L. Vink J.S.A. Vroege Z.D. Ernsting 3
Motie
3
discard
> Gemeente Amsterdam D Motie Datum raadsvergadering 16 maart 2023 Ingekomen onder nummer 113 Status Verworpen Onderwerp Motie van het lid Bakker inzake een onderzoek naar toekomstscenario’s zonder jacht in de Amsterdamse Waterleidingduinen Onderwerp Onderzoek naar scenario’s zonder jacht in de Amsterdamse Waterleidingduinen Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de rapportage beheer en telling damherten 2021-2022 Constaterende dat: -___er vanaf 2016 tot in 2022 meer dan 14.000 damherten zijn doodgeschoten als poging om de populatie tot een vastgesteld aantal terug te brengen vanwege de druk op beschermde flora en overlast in het verkeer en in tuinen; -__dat hetstreefaantal nog altijd niet is behaald en al zou de populatie op het streefaantal uitkomen, het volgens de rapportage nodig blijft om tot in de eeuwigheid elk jaar 440 damherten te blijven afschieten; -_de damherten in een gesloten gebied leven zonder natuurlijke vijand. Overwegende dat: -_ er gestreefd zou moeten worden naar een dynamisch evenwicht in dit natuurgebied met zo min mogelijk verstoring door de mens; -__afschot niet diervriendelijk is. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders in voorbereiding op het volgende beheerplan samen met de Provincie Noord-Holland een onder- zoek in te stellen naar het vraagstuk damherten in de AWD en NPZK, dat wordt uitgevoerd door wetenschappers en dierenwelzijnsorganisaties, met als doel om met toekomstscenario’s en advie- zen te komen waarin actief beheer van damherten geen rol speelt. Indiener, A.L. Bakker Gemeente Amsterdam Status Verworpen Pagina 2 van 2
Motie
2
discard
Termijnagenda raadscommissie SL vergaderdatum 2012 stadsdeel Zuid, vastgesteld door de deelraad op 25 Te = Te A aan de deelraad . 5 = er Bespreking Januari 2012. TK = Ter Kennisgeving TV = Ter Vaststelling 111|Cie Jong Amsterdam 2 / In de buurt naar school Simone 10-jan-12 TB SL Kukenheim / Joep Blaas 112[Deelraad [Benoeming nieuw bestuur OOADA+ bestuur Simone 10-jan-12 TA SL 25-jan-12 TV OOADA stelt zich voor Kukenheim / 113[Cie Strategisch beleidsplan OOADA, toelichting Simone _ 10-jan-12 TB | SL OOADA Kukenheim / 114/Deelraad [Wet good Governance/Code goed bestuur Simone 10-jan-12 TA SL 25-jan-12 TV Kukenheim / 115[Cie Ouderparticipatie Simone 10-jan-12 TK SL Kukenheim/ 116/|Cie Leerlingprognose Simone 10-jan-12 TB SL Kukenheim/ 117fDeelraad [Beantwoording motie PvA Visie Brede school Simone 31-jan-12 TK SL Kukenheim / 118[Cie Discussiestuk verordening subsidies onderwijs Simone 31-jan-12 TB SL Kukenheim/ 119[Deelraad [Definitieve invulling Jan van der Heijdenhuis Simone 31-jan-12 TA SL 22-feb-12 TV Kukenheim / 120fDeelraad [Begroting OOADA Simone 31-jan-12 TA SL 22-feb-12 TV Kukenheim / 121|Deelraad [Beantwoording M51 PvdA/D66 Focus op Simone 31-jan-12 TK SL onderwijs Kukenheim / 122[Cie Nadere regels eenmalige inburgering Egbert de 31-jan-12 TB SL Vries 174|Cie Consequenties en uitwerking van aanbevelingen [Simone 31-jan-12 TK SL commissie Gunning Kukenheim / 123/[Deelraad [Bestuurlijke jaarrapportage Bureau Leerplicht Simone 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV Plus Kukenheim / 124[Cie Plan van aanpak schoolverzuim (thuiszitters) Simone 6-mrt-12 TK SL Kukenheim/ 125[Cie Beschikkingenlijst 2012 TK Commissie Marco 6-mrt-12 TK SL Kreuger 126/Deelraad |Verordening subsidies onderwijs meerjarig Simone 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV Kukenheim / 127[Deelraad [Beantwoording M46 D66 snellere aanpak Simone 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV schoolverzuim / Plan van aanpak schoolverzuim |Kukenheim / 128[Cie Amsterdams jongerenwerk Nieuwe Stijl Simone 6-mrt-12 TB SL Kukenheim/ 129/Cie Plan van aanpak tegengaan Armoede Egbert de 6-mrt-12 TK SL Vries 130/fDeelraad [Sportnota in Zuid Paul 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV Slettenhaar 1 24-2-2012 Kopie van Termijnagenda 2012 definitief ter vaststelling door deelraad moederbestand voor griffie 131/[Cie AWBZ onderzoek naar effecten AWBZ Egbert de 6-mrt-12 SL pakketmaatregel Vries / Marco 132[Cie Onderzoek effectiviteit Vernieuwd Welzijn Marco 3-apr-12 TB SL Kreuger 133[Cie Implementatieplannen Woonservicewijken Marco 3-apr-12 SL Rivierenbuurt en Buitenveldert Kreuger 134[Cie Memo OKC en Onderwijs Simone 3-apr-12 TK SL Kukenheim / 172[Cie Zorg voor Zuid 1) nota van uitgangspunten Egbert de 3-apr-12 TA SL 25-apr-12 TV Vries 175[Cie OKC en Onderwijs Simone 3-apr-12 SL Kukenheim / 135/[Deelraad [Nota vernieuwd jongerenwerk Zuid Simone 8-mei-12 TA SL 30-mei-12 TV Kukenheim / 136/[Cie Evaluatie Speel-o-theek en Spel aan huis Simone 8-mei-12 TK SL Kukenheim 137[Cie Herziening nadere regels individuele Marco 8-mei-12 TB SL ondersteuning vrijwilligers Kreuger 138[Cie Definitie Sportieve openbare ruimte (+ voorstel Paul 8-mei-12 TK SL monitoring) Slettenhaar 139[Cie Nadere regels zorg eenmalig en Marco 8-mei-12 TB SL mantelzorgondersteuning (Woonservicewijken, _|Kreuger 140[Cie Herziening nadere regels welzijn en zorg jaarlijks |Marco 8-mei-12 TB SL Kreuger 141 [Deelraad [Notitie Zorg voor Zuid met bijbehorende nadere re|Marco 8-mei-12 TA SL 30-mei-12 TV Kreuger 142|Deelraad |Afsprakenbrief Stadsdeel Bureau leerplicht Plus [Simone 5-jun-12 TA SL 27-jun-12 TV 2011 Kukenheim 143[Cie Marktbeleid 2012 + standplaatsenbeleid concept |Simone 5-jun-12 TK SL Kukenheim 144[Cie Vervolgtraject Kwaliteitsaanpak kinderopvang Simone 5-jun-12 TK SL Kukenheim 145[Cie Uitvoeringsbesluit toekomst inburgering Egbert de 5-jun-12 TB SL Vries 146[Cie Huizen van de Wijk programmering en beheer: Marco 5-jun-12 TB SL voortgangsrapportage Kreuger 147[Cie Uitvoeringsplan Jongerenwerk (incl. BTO 12+) Simone 3e kw SL Kukenheim 2012 148[Cie Evaluatie/vervolgadvies stages in Simone 3e kw TB SL Zuid/jeugdwerkloosheid Kukenheim 2012 149/Deelraad [Marktbeleid 2012 + standplaatsenbeleid def Simone 3e kw TA SL [3ekw2012| TV Kukenheim 2012 150/|Cie OBA voortgang en invulling bezuinigingen 2013 - [Simone 3e kw TK SL 2014 Kukenheim 2012 151|Cie Stand van zaken Voedselbank Egbert de 3e kw TK SL Vries 2012 152/|Cie Stand van zaken 50+ mannen en gezinnen Egbert de 3e kw TK SL Vries 2012 153|Cie Rivierenteam: evaluatie/vervolgadvies Simone 3e kw TB SL Kukenheim 2012 154[Deelraad |Jaarrekening 2011 OOADA Simone 3e kw TA SL | 3ekw2012| TV Kukenheim 2012 2 24-2-2012 Kopie van Termijnagenda 2012 definitief ter vaststelling door deelraad moederbestand voor griffie 155[Cie Uitvoeringsplan toekomst inburgering Egbert de 3e kw TB SL Vries 2012 156/[Cie Stand van zaken persoonsgerichte aanpak Paul 3e kw TK SL risicojongeren Slettenhaar 2012 157 [Deelraad [Stedelijk Sportplan 2013-2016 Paul 3e kw TA SL [3ekw2012| TV Slettenhaar 2012 158[Cie Nadeelcompensatie ondernemers Joep Blaas 3e kw TK SL 2012 159/[Cie Tussenevaluatie Olympische Coalitie Paul 3e kw TK SL Slettenhaar 2012 160[Cie Aanpak gezondheid en overgewicht Simone 3e kw TB SL Kukenheim 2012 161[Deelraad [Voorstel verzelfstandiging van de AC-markt Simone 4e kw TA SL | 4ekw2012| TV Kukenheim 2012 162[Cie Tussenevaluatie Jong Amsterdam 2 Zuid (JA2) [Simone 4e kw TK SL Kukenheim / 2012 163[Cie Resultaten Ambitiegesprekken schoolbesturen in Simone 4e kw TK SL kader van JA2 Kukenheim 2012 164[Cie Evaluatie 2012: In de buurt naar school Simone 4e kw TK SL Kukenheim / 2012 165/[Cie Evaluatie buurtuitvoeringsplan Marathonbuurt Marco 4e kw TK SL incl. voortzetting in de lijnorganisatie Kreuger 2012 166/[Cie Evaluatie participatiecentrum Egbert de 4e kw TB SL Vries 2012 167[Cie Evalauatie woonservicewijken 2012 en acties Marco 4e kw TK SL 2013 Kreuger 2012 173/[Cie Zorg voor Zuid 2) principebesluit Egbert de 4e kw TA SL | 4ekw2012| TV Vries 2012 168|Cie Lizzy Ansingh/huisvesting OKC Simone 4e kw TK SL Kukenheim / 2012 Marco 3 24-2-2012 Kopie van Termijnagenda 2012 definitief ter vaststelling door deelraad moederbestand voor griffie
Agenda
3
train
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 De burgemeester van Amsterdam nodigt de leden van de gemeenteraad uit voor de raadsvergadering. Datum en tijd woensdag 2 april 2008 13.00 uur en, zo nodig, 19.30 uur Locatie Raadzaal, Stadhuis Algemeen 1 Mededelingen. 2 Notulen van de raadsvergadering op 12 maart 2008. (wordt nagezonden) 3 Vaststelling van de agenda. 4 Mededeling van de ingekomen stukken. 5 Mondeling vragenuurtje. Ruimtelijke Ordening 6 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 6 november 2007 tot vaststelling Nota Locatiebeleid Amsterdam. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 123) 7 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 12 februari 2008 inzake voorbereiding van een partiële herziening bestemmingsplan AMC- Bullewijk. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 124) Grondzaken 8 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 5 februari 2008 tot vaststelling herziene grondexploitatiesaldi naar aanleiding van het Lente-RAG per ultimo 2006. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 125) 9 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2008 tot vaststelling herziening grondexploitatie deelgebied A3 Zuidwestkwadrant in stadsdeel Osdorp. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 126) 1 Gemeente Amsterdam Gemeenteraad R Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 Verkeer, Vervoer en Infrastructuur 10 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2008 tot beschikbaarstelling van een krediet voor een vernieuwing van de oostelijke kolkwand van de Oud Entrepotdokschutsluis, sluis 104. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 127) 11 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 18 maart 2008 tot vaststelling Subsidieverordening verwerving belanghebbendenvergunning taxichauffeurs. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 128) Bedrijven 12 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 18 december 2007 inzake reorganisatie van en bezuiniging bij de Dienst Stadstoezicht. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 129) Deelnemingen en Inkoop 13 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2008 tot instemming met toekomst aandeelhouderschap en strategie-onderneming van NV Nuon. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 130) 14 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2008 inzake Koninklijk Theater Carré: onderzoeksrapport “Toekomst Carré”. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 131) Algemene Zaken 15 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2008 tot intrekking Archiefverordening 1997 en vaststelling Archiefverordening 2008. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 132) Openbare Orde en Veiligheid 16 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2007 inzake verplaatsing speelautomatenhal naar Citytheater. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 133) Bestuurlijk Stelsel 17 Voordracht van het presidium van 19 februari 2008 tot vaststelling van de jaarrekening 2007 van de Raadsgriffie van de gemeente Amsterdam en vorming van een reserve voor raadsonderzoeken en -enquêtes. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 134) 18 Voordracht van het presidium van 29 februari 2008 tot kennisneming van het rapport Raadsondersteuning Onderzoek, analyse en aanbevelingen Onderzoek Raadsondersteuning. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 135) 2 Gemeente Amsterdam Gemeenteraad R Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 Sociale Infrastructuur 19 Preadvies van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2008 op de notitie van het raadslid mevr. Van der Garde van 19 april (nr. 201 van 2007) inzake uitbreiding van de Stadspas, getiteld: Beleef de stad met de Amsterdampas! (Gemeenteblad afd. 1, nr. 136) 3 Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 Ingekomen stukken 1 _Raadsadres van de heer W.T. van den Berg, voorzitter van de Stichting Vrije Recreatie van 28 februari 2008 inzake toekomst van het kamperen bij boer en particulier in het buitengebied. Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare ruimte en Groen. 2 _Raadsadres van de heer prof. dr. C.A. de Lange, namens Milieu Platform Waterland van 12 februari 2008 inzake bescherming van de kwaliteit van ons unieke Noord-Hollandse landschap. Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare ruimte en Groen. 3 Burgerbrief van 7 februari 2008 inzake bezwaar tegen het opleggen van parkeerboetes door Stadstoezicht tijdens het laden en lossen. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Kunst en Cultuur, Lokale Media, Sport en Recreatie, Bedrijven, Deelnemingen en Inkoop. 4 _Burgerbrief van 13 februari 2008 inzake inperking van de overlast op het Europaplein veroorzaakt door werkzaamheden voor de aanleg van de Noord- Zuidlijn door controle en handhaving van de venstertijden waarbinnen deze werkzaamheden mogen plaatsvinden. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare ruimte en Groen. 5 _Burgerbrieven van 14 februari 2008 inzake plan om oude auto's te weren uit het centrum. Voorgesteld wordt, deze brieven in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders, teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen terzake. 4 Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 6 Brief van mevr. mr. drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen van 25 februari 2008 inzake aanbieding van het rapport, getiteld: Gemeentelijke afdoening de laatste schakel in de handhavingsketen. Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen. 7 Brief van drs A. Th. B. Bijleveld-Schouten, staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 februari 2008 inzake circulaire betreffende nieuwe accountantscontrole van provincies en gemeenten. Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen. 8 Brief van mevr. mr. drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen van 8 februari 2008 inzake aanbieding van het rapport, getiteld: Matchen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen. 9 Brief van de heer J. Harmsen, secretaris van de Gebiedscommissie Amstel-, Gooi en Vechtstreek-Holland van 6 februari 2008 inzake verslag van de werkbijeenkomst op 24 januari 2008 ten behoeve van het Uitvoeringsstrategieplan Investeringsbudget Landelijk Gebied regio Amstel-, Gooi en Vechtstreek. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 10 Brief van mevr. mr. drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen van 18 februari 2008 inzake aanbieding van het rapport, getiteld: Zaak van belang, betreffende het stimuleren van ondernemerschap van uitkeringsgerechtigden. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 11 Burgerbrief van 8 februari 2008 inzake inkomstengrens voor een langdurigheidstoeslag (LDT S). Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Werk en Inkomen, Sociale Infrastructuur, Educatie, Jeugdzaken, Diversiteit en Grotestedenbeleid. 12 Raadsadres van de heer W. van Zijl, namens Initiatief Betaalbaar Wonen Amsterdam Noord van 27 januari 2008 inzake rapport, getiteld: Sociale woningvoorraad in Amsterdam Noord in gevaar. Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Verkeer, Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten. 5 Gemeente Amsterdam Gemeenteraad R Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 13 Raadsadres van mevr. W. Sorgdrager, voorzitter van het Multatuligenootschap en het Multatulimuseum van 3 maart 2008 inzake huurverhoging voor het Multatulimuseum. Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Kunst en Cultuur, Lokale Media, Sport en Recreatie, Bedrijven, Deelnemingen en Inkoop. 14 Burgerbrief van 4 maart 2008 inzake Israël en het zionisme. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening. 15 Burgerbrief van 28 februari 2008 inzake verzoek om woonruimtebemiddeling binnen de gemeente Amsterdam. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Waterbeheer en ICT. 16 Burgerbrief van 5 maart 2008 inzake invoering minimumloon. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening. 17 Burgerbrief van 6 maart 2008 inzake sociale cohesie. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening. 18 Burgerbrief gericht aan de Nationale Ombudsman met een afschrift aan de gemeenteraad van 6 maart 2008 inzake handhaving regelgeving APV met betrekking tot vergunningen voor straatmuzikanten. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 19 Burgerbrief van 9 maart 2008 inzake plannen voor terrasverwarming in strijd met het milieubeleid in Amsterdam. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare ruimte en Groen. 20 Burgerbrief van 10 maart 2008 inzake polarisatie. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening. 6 Gemeente Amsterdam Gemeenteraad R Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 21 Burgerbrief van 12 maart 2008 inzake hotelprijzen. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening. 22 Burgerbrief van 9 maart 2008 inzake de ChristenUnie. Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders ter afdoening. 23 Brief van de heer mr. A.A. de Groot van EBH Elshof Advocaten van 5 maart 2008 gericht aan het college van burgemeester en wethouders namens Rijper Discount BV h.o.d.n. C1000 Voordeelmarkt, tevens h.o.d.n. C1000 vestiging Boven 't Y inzake bezwaarschrift tegen beslissing van burgemeester en wethouders. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 24 Brief van mevr. P. Tromp, griffier van gemeente Koggenland van 10 maart 2008 inzake aangenomen motie van de gemeenteraad van Koggenland betreffende vergoeding raadswerk. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 25 Brief van W. van Twuijver, secretaris en P.J. Möhlmann, burgemeester, namens het college van burgemeester en wethouders van gemeente Oostzaan van 11 maart 2008 inzake aangenomen motie van de gemeenteraad van Oostzaan betreffende structurele verhoging van de gemeentelijke bijdrage aan het Twiske. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 26 Brief van mevr. H.W.M. Oppenhuis de Jong, provinciesecretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 17 maart 2008 inzake vaststelling van het Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit regio Noordvleugel (RSL-NV). Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van burgemeester en wethouders, teneinde het te betrekken bij de door hen in te dienen voorstellen terzake. 27 Brief gericht aan het college van burgemeester en wethouders van mevr. H. Spel, namens de Marokkaanse mannengroep van het Multicultureel Ouderen Centrum “De Ontmoeting" van 17 maart 2008 inzake, met een afschrift aan de gemeenteraad betreffende aanpassen van parkeerregels op islamitische feestdagen. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 28 Raadsadres van de heer J. de Koning, namens Tolerance Park van 14 maart 2008 inzake Henry Hudson in Holland. 7 Gemeente Amsterdam Gemeenteraad R Raadsagenda, woensdag 2 april 2008 Voorgesteld wordt, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen. 29 Burgerbrief van maandag 17 maart 2008 inzake Vondelpark. Voorgesteld wordt, dit raadsadres kennisgeving aan te nemen. 30 Brief van mevr. mr. Drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van Inspectie Werk en Inkomen van 27 februari 2008 inzake aanbieding rapporten van IWI: “Goed geplaatst" en "Uitvoering Wet Sociale Werkvoorziening 2006". Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen. 31 Brief van de griffier van de Rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht Algemeen van 14 maart 2008 inzake beroepschrift van de Stichting Bestuursassistentie Mokum Mobiel '99. Voorgesteld wordt, deze brief te betrekken bij de verdere procedure van het beroep. Tevens wordt voorgesteld namens de gemeenteraad de heer R.Th.M. Nederveen, voorzitter van het presidium en de heer mr. Van den Berg verweer te laten voeren. 32 Brieven van wethouder Vos van 13 maart en 17 maart 2008 inzake voortgang met betrekking tot de verkoop van het pand Bosbaan 4 in het Amsterdamse Bos. Voorgesteld wordt, deze brieven te betrekken bij de behandeling van Grand Cafe De Bosbaan in de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie, Openbare ruimte en Groen van 9 april 2008. 33 Brief van de heer Asscher, wethouder Financiën van 13 maart 2008 inzake aanbieding Financieel Meerjarenperspectief 2009-2012. Voorgesteld wordt, dit rapport te bespreken in de raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken en Lucht- en Zeehaven. 34 Brief van de heer dr. V.L. Eiff, directeur Rekenkamer Amsterdam van 20 maart inzake Vervolgonderzoek Schaderegeling Noord/Zuidlijn, vergoedingen aan ondernemers. Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen. 8
Agenda
8
train
Gemeente Amsterdam Ed P Tp s x d En à NT El Te Pi r ns  m q | ENE OEE EE EE MIN BIE ! Hi eN kul INE È P 4 ie jn UK he x L Programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam Kwartaalrapportage Í \ open over dichte tunnels p B d : nd U | Ee Pi a LE en Dl le nn U | Re Pr : \ I Hi - IE rr iN | an rE Pan Ee K a EN Ct „… ar veen Te ne pn EN Tel en ri eID LJ MC E AN ___ Ë Er Ar an os Zalk hadi k ST AT KLA OE El we pi kh U z ij Ee 5 |, da ei u n "A EE En Jl k ES à nn ss Eed Piet Heintunnel PACE Tat Michiel de Ruiijjtertunnel Verkeerscentrale Amsterdam 1 Managementsamenvatting Q1 2021 ee 3 2 Voortgang. ee & 2.1 Bijdrage aan de stad. … ee & 2.2 De voortgang van de projecten en effecten buiten... 6 2.3 Samenwerking met partners …… ee 8 2.4 Tegenspraak ee © 3 Programmabeheersing. … 11 3.1 Programma Scope nn 11 3.2 Masterplanning ee 11 3.3 Financiële stand van zaken 12 3.4 Risicomanagement. … nn 13 Bijlage 1. Afkortingen en definities 16 Bijlage 2. Factsheets per project. … eee 17 Factsheet project Vernieuwing Verkeerscentrale … 18 Factsheet project Renovatie Piet Heintunnel 20 Factsheet project Renovatie Amsterdam Arenatunnel ……………………………… 22 Factsheet project Aanpassingen Michiel de Ruiijtertunnel …………………… 24 HOOFDSTUK 1 Managementsamenvatting Q1 2021 De rapportage over het eerste kwartaal 2021 van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam geeft de gemeenteraad, het gemeentebestuur, de gemeentelijke directies en de strategische partners inzicht in de voortgang van de programmadoelstellingen. Tevens is de rapportage een bron van informatie voor inwoners van Amsterdam en andere belangstellenden. Scope In het eerste kwartaal van dit jaar is de scope van het programma niet gewijzigd. O4 2020 @ Q1 2021 © Planning Op 2 maart 2021 heeft het College van B&W de geactualiseerde masterplanning be- Q4 2020 © | krachtigd. De voortgang van de projecten is dit kwartaal conform planning en binnen de O1 2021 © | vastgestelde kaders. Bij het project Aanpassingen Michiel de Ruiijjtertunnel verlopen de werkzaamheden dusdanig voorspoedig dat weekendafsluitingen niet meer nodig zijn. Op dit moment wordt bekeken wanneer de werkzaamheden kunnen worden afgerond. Financiën In totaal is op dit moment circa € 235,9 miljoen aan kredieten beschikbaar voor het Q4 2020 © | programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam. Hiervan is inmiddels circa € 140,4 miljoen Q12021 ® verplicht en € 61,4 miljoen betaald. De beschikbaar gestelde kredieten zijn volgens huidige inzichten voldoende om dat deel van het programma uit te voeren waar deze kredieten voor zijn toegekend. Bij de Voorjaarsnota 2021 zijn aanvragen ingediend voor de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale. Risico's De coronacrisis, de RIVM-maatregelen en de tweede lockdown hebben in het eerste O4 2020 © | kwartaal effect gehad het programma en dan vooral op het team. Met name de sluiting Q12021 © van de bassischolen zorgde voor uitdagingen, waarbij in goed overleg is besloten om werk te herverdelen en te prioriteren. Dit zet druk op alle projecten. Tegelijkertijd zijn de geplande deadlines wel gehaald. Discontinuïteit van de projecten en het programma blijft een toprisico zo lang de kosten voor de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale niet volledig zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Kwaliteit Elk kwartaal wordt actief tegenspraak georganiseerd, door de inzet van bijvoorbeeld Organisatie audits of de adviesraad, daarmee worden de keuzes van het programma ter discussie 04 2020 © gesteld (gechallenged) en de kwaliteit van de producten verbeterd. Specifiek is dit O1 2021 © kwartaal door een afvaardiging van het Commissariaat Civiele Constructies gekeken naar de haalbaarheid van de tunnelsluiting Piet Heintunnel eind juni 2021. Naar aanleiding van de opgelopen vertraging vorig jaar zijn door het alliantieteam Piet Heintunnel aanvullende beheersmaatregelen doorgevoerd. De conclusie van het Commissariaat is dat de positieve effecten van de beheersmaatregelen zichtbaar zijn en er geen belemmeringen zijn om de Piet Heintunnel eind juni, conform planning, voor het weg- verkeer te sluiten en de renovatiewerkzaamheden te starten. Ook is in dit gesprek uitgebreid stilgestaan bij het kritieke pad van het project, dat van invloed is op het tijdig openstellen van de tunnel voor het wegverkeer. ® ® ® HOOFDSTUK 2 ze een tn En n …e en ee nn eme, TTT P nn Mn nn nnn s € P tT Ne, EE , Fn ee Ln ne Ee ® Pe DES ms ° x E Es Zj P | ii Ë _ r en „ RK Aa eg ie Ì nn ee: B 4 dll Ì OE Er Ee, : ' irt Ein vn =S AE DEE et WE, De es A er re in ME ee RR Er twe 4 en me mn ii eee en beho Maene, br Emel EE RT ma en _ ee - =S EE DE _— = , e= dj eri Ee z=kl _… AND Kd „=d me. _ P_i L 5 Eed = nd eN m5 Ns pn vn "Ve ee KE: Et pr Pe ed le en Ad PARA id Á 6 orn eentbereikbaar en je 7 á Td ede} Amsterdam. ee / / ‚4 | r de toekomst.” pr _ ik me dk CE st el pr Dit hoofdstuk beschrijft de voortgang van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam in het eerste kwartaal van 2021. Paragraaf 2.1 relateert deze voortgang aan de programmadoelstellingen. Paragraaf 2.2 aan de voortgang van de vier projecten, inclusief de impact die de projecten hebben op mobiliteit in de stad en op de omgevingspartijen. Paragraaf 2.3 licht de samenwerking met onze partners toe. En in paragraaf 2.4 staat centraal welke tegenspraak is georganiseerd om het resultaat van het programma te borgen. 2.1 Bijdrage aan de stad Het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam (AWA) heeft twee hoofddoelstellingen: 1) Het realiseren van veilige en beschikbare wegtunnels die voldoen aan de huidige wetgeving; en 2) Zorgen voor een uniforme bediening, bewaking en een functioneel uniforme, toekomstbestendige tunneluitrusting die bijdraagt aan de veiligheid en beschikbaarheid van de tunnels. Zodat ook in de toekomst de bereikbaarheid van de stad is geborgd. f | Samengevat zorgt het programma ervoor dat Amsterdamse wegtunnels en de Verkeerscentrale Amsterdam (VCA) klaar zijn voor de toekomst: veilig te gebruiken, eenvoudig te bedienen en makkelijk te onderhouden Het programma bestaat uit vier projecten: ® de aanpassing van de Michiel de Ruijtertunnel (uitvoering 30 november 2020 — 31 augustus 2021); e de renovatie van de Piet Heintunnel (uitvoering 25 juni 2021 t/m 30 september 2022); * de renovatie van de Amsterdam Arenatunnel (uitvoering voorzien vierde kwartaal 2022 t/m derde kwartaal 2023); en * de vernieuwing van de Verkeerscentrale Amsterdam (uitvoering voorzien derde kwartaal 2023 t/m begin 2026) Hieronder beschrijven we wat we in het eerste kwartaal van 2021 hebben gedaan om de programma- doelstellingen te realiseren. 21.1 Overkoepelend De opgave van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam en de werkzaamheden van de tunnel- beheerorganisatie (directie Verkeer & Openbare Ruimte) liggen nadrukkelijk in elkaars verlengde. De vernieuwing en de uniformering van de wegtunnels en de Verkeerscentrale Amsterdam zorgen immers niet alleen voor veilig te gebruiken, maar ook voor eenvoudig te bedienen en gemakkelijk te onderhouden assets. Het is daarom van groot belang dat de resultaten van het programma ten goede komt aan de beheerorganisatie. In die zin zijn de kosten van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam een investering in efficiënt en effectief toekomstig beheer — en daarmee in een beter bereikbare stad. Ook de samenwerking met de afdeling Verkeersmanagement en het Chief Technology Office (CTO) staat in dit teken. Samen met Verkeer & Openbare Ruimte werkt CTO aan het programma Smart Mobility, dat in essentie een bereikbare, schonere en leefbare stad beoogt, onder meer door een transitie van verkeersmanagement (waarbij de doorstroom en veiligheid van auto's centraal staat) naar mobiliteitsmanagement (waarbij het gaat om het managen van alle modaliteiten in de mobiliteitsketen en het sturen op bredere leefbaarheidseffecten als drukte en luchtkwaliteit). Onze samenwerking is erop gericht om bij de realisatie van de nieuwe Verkeerscentrale Amsterdam waar mogelijk al voor te sorteren op de mobiliteitscentrale van de toekomst, onder meer door in ontwerp rekening te houden met de ontwikkeling. De in het vierde kwartaal 2020 geïnventariseerde eisen en wensen van de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeersmanagement ten aanzien van de nieuwe verkeerscentrale, zijn in het eerste kwartaal van 2021 nader besproken. Er is een begeleidingsgroep geformeerd waarin afstemming plaatsvindt over de ontwerpuitwerking in relatie tot functionaliteit en beoogd gebruik. Het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam werkt met een baselineaanpak. Een baseline is te vergelijken met een foto van de voortgang op een vooraf bepaald moment. De dan geldende kaders en uitgangspunten worden in de baseline voor de projecten binnen het programma samengevoegd. Op deze manier beschikken alle projecten waaruit het programma bestaat over dezelfde kaders en uitgangspunten bij het (verder) uitwerken van ontwerpen. Omdat vanuit de projecten in hun ontwerpfases altijd wijzigingen kunnen komen, zijn ook in de toekomst beheerste aanpassingen van de baseline mogelijk. In het eerste kwartaal van 2021: e voerden we gesprekken met Verkeer & Openbare Ruimte, om ervoor te zorgen dat de producten, processen, procedures en aanpakken die het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam ontwikkelt goed kunnen doorwerken in de beheerfase daarna; e hebben we in overleg met Verkeer & Openbare Ruimte en het Chief Technology Office de eerste stap gezet naar een bedienfilosofie die past bij het bredere perspectief van de mobiliteitscentrale van de toekomst; e maakten we met de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling Verkeersmanagement afspraken over hoe de wensen aan het gebruik van de nieuwe Verkeerscentrale Amsterdam worden meegenomen; en e is baseline T4 afgerond en met de projecten gedeeld. Tevens is besloten om in het tweede kwartaal de baselinestrategie verder te ontwikkelen, waarin wordt beschreven hoe om wordt gegaan met toekomstige wijzigingen. 2.1.2 Veilig te gebruiken Zoals in de eerste doelstelling geformuleerd zorgt het programma ervoor dat de Amsterdamse weg- tunnels binnen haar scope voldoen aan de huidige wetgeving. Maar we doen meer dan dat. Veilig gebruik van tunnels is in belangrijke mate afhankelijk van robuuste installaties, bewaking en bediening enerzijds en de daarvoor benodigde technieken, procedures en menselijke handelingen anderzijds. We werken aan een testcentrum, waar nieuwe systemen en installaties worden uitgeprobeerd voordat we ze implementeren in de tunnels en in de vernieuwde verkeerscentrale. Dit verkleint het risico dat tunnels niet open kunnen of weer moeten sluiten omdat systemen in de praktijk (nog) niet werken zoals bedacht. Daarnaast werken we aan het ontwerpen van uniforme bediening voor de tunnels, die de complexiteit en daarmee het risico op menselijk falen moet verkleinen. Hier speelt uiteraard ook het beheer na oplevering een belangrijke rol. In het eerste kwartaal van 2021: e zijn we verdergegaan met het aanbrengen van hittewerende beplating en beweegbare camera's in de Michiel de Ruijtertunnel. Dit werk verloopt zo voorspoedig dat we sinds 6 februari 2021, de nachtafsluitingen in het weekend niet meer nodig hebben en de tunnel op die momenten weer beschikbaar is voor het wegverkeer; e voerden we vooruitlopend op de sluiting vanaf 25 juni 2021 de eerste werkzaamheden uit in de Piet Heintunnel om zo de planning van de renovatie robuuster te maken. Zo zijn we begonnen met de ontvlechting van de energievoorziening voor de tunnel en voor de IJtram (lijn 26); e werkten we samen met direct belanghebbenden aan de scenarioanalyse voor de veiligheid van de Arenatunnel, in de bredere context van veiligheid in en rond de Johan Cruijff ArenA. De scenario- analyse vormt de grondslag voor de ontwerpwerkzaamheden; e hebben we in het kader van cybersecurity maatregelen uitgewerkt om kwetsbaarheden weg te nemen of maximaal te beperken. Het gaat daarbij niet alleen om kwetsbaarheden in producten en systemen, maar ook in (organisatie)processen. Voor de implementatie van de maatregelen zijn we gesprekken gestart met de directie Verkeer & Openbare Ruimte; e zijn we samen met de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeersmanagement gestart met het opstellen van een besluitvormingsdocument, dat ingaat op het beschikbaar houden van de wegtunnels in geval ze vanuit de nieuwe verkeerscentrale niet meer bedienbaar zijn als gevolg van een calamiteit of in geval van uitval van systemen hoe deze moet worden gecompenseerd met nadere maatregelen. 21.3 Eenvoudig te bedienen Omdat de Amsterdamse tunnels in verschillende perioden zijn gebouwd, beschikken ze over verschillende technische systemen. Dit zorgt voor complexiteit in de bediening en vraagt extra opleiding en inzet van verkeersleiders. Het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam werkt aan uniforme bediening van tunnels, vanuit de nieuwe Verkeerscentrale Amsterdam. Uniformering maakt de bediening eenvoudiger, verkleint de kans op menselijke fouten en vergroot de inzetbaarheid van verkeersleiders. Dit heeft be- langrijke gevolgen voor het werk van de verkeersleiders. In plaats van verschillende bedieningspanelen worden ze opgeleid en getraind zijn om te werken met één uniform bedienpaneel. Om dit goed te laten verlopen werken we aan het digitaliseren van de opleidingen, waarbij permanent leren, verbeteren en testen centraal staat (OTO: opleiden, trainen en oefenen). De ontwikkeling van het testinstrumentarium gebruiken we nu voor de realisatie van de nieuwe verkeerscentrale. We zijn met de tunnelbeheer- organisatie in overleg om te kijken of en hoe dit instrumentarium ook van toegevoegde waarde kan zijn in de beheerfase. In het eerste kwartaal van 2021: e kwamen de eisen aan de uniforme bewaking en bediening gereed. De bediening van de Piet Hein- tunnel vormt de basis voor de uniforme bediening van de Michiel de Ruijtertunnel en de Arenatunnel, evenals voor de Spaarndammertunnel en de IJtunnel; e zijn we, in het verlengde hiervan, gestart met het realiseren van een ‘converter’, die ervoor zorgt dat alle tunnels vanuit de nieuwe verkeerscentrale via dezelfde filosofie kunnen worden bediend; e voerden we gesprekken met de directie Verkeer & Openbare Ruimte om te onderzoeken in hoeverre de tunnelbeheerorganisatie het testinstrumentarium in de beheerfase kan inzetten voor opleiden, testen en het oefenen van scenario's; e maakten we aanzienlijke vorderingen met de realisatie van een ‘object type library’, een bibliotheek met standaarden die nodig is om tot een functioneel uniforme tunneluitrusting te komen; ® is door de directie Verkeer & Openbare Ruimte ook besloten dat het terrein van het Logistiek Centrum Metro (het LCM-terrein aan de Verlengde van Marwijk Kooystraat, waar zich ons testcentrum bevindt) de definitieve locatie wordt voor de vernieuwde Verkeerscentrale Amsterdam; e onderzochten we met GVB, Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte en Waternet eventuele mogelijkheden voor gezamenlijke huisvesting op het LCM-terrein. 2.1.4 Makkelijk te onderhouden Functioneel uniforme tunnels dragen bij aan eenvoudiger en daarmee efficiënter onderhoud. De tunnels geven straks real time informatie over de staat waarin installaties zich bevinden, zodat onderhoud adequaat kan worden uitgevoerd. De voorspelbaarheid wordt vergroot en onderhoud kan effectiever gepland en uitgevoerd worden. Dit maakt het beheer van tunnels niet alleen efficiënter maar heeft naar verwachting ook positief effect op de beschikbaarheid van de tunnels zelf. Tegelijkertijd is informatie alleen nuttig als de beheerder deze ook kan en gaat gebruiken. De directie Verkeer & Openbare Ruimte heeft uitgesproken dat doorontwikkeling van haar tunnelbeheerorganisatie en daarbij in het bijzonder van het informatiemanagement ten behoeve van beheer noodzakelijk is. Vanuit het programma onder- steunen we deze doorontwikkeling waar mogelijk. Dit doen we onder meer in een ‘object type library’. Deze objectenbibliotheek beschrijft hoe een tunnel in Amsterdam in elkaar zit. In de bibliotheek ont- sluiten we assetinformatie zodanig dat die ook voor de toekomst toegankelijk blijft en door de asset- beheerder geactualiseerd kan worden op basis van de informatie die installaties in de tunnel geven. In het eerste kwartaal van 2021: e hebben we de eerste gesprekken gevoerd met de tunnelbeheerorganisatie over de vraag welke data de tunnels moeten genereren in de beheerfase. Dit aan de hand van zogenaamde use cases. We zorgen er voor dat de tunnels data genereren die we kunnen opwaarderen tot sturingsinformatie ten behoeve van het onderhoud. Een voorwaarde is dat we de juiste en actuele data uit de tunnels kunnen halen. Bovendien moet voor de tunnelbeheerorganisatie duidelijk zijn hoe om te gaan met de gegenereerde data; © kwam de ‘object type libary’ voor de Standaard Tunnel Amsterdam gereed voor gebruik in de renovatieprojecten en startten we de doorontwikkeling voor gebruik in de beheerfase; e troffen we voorbereidingen om het onderhoud in de Piet Heintunnel eenvoudiger te maken en daarmee de beschikbaarheid te vergroten; e hebben we in de Piet Heintunnel er voor gezorgd dat de IJtram tijdens de renovatie van de tunnel blijft rijden, en blijven de elektrische installaties ook in de beheerfase ontvlochten, waardoor de beschikbaarheid ook tijdens toekomstig onderhoud verbetert. | / 2.2 De voortgang van de projecten en effecten buiten 2.2.1 Voortgang projecten Deze paragraaf geeft beknopt de voortgang weer op de vier projecten. Een uitgebreidere beschrijving is te vinden in bijlage 2. Project Aanpassingen Michiel de Ruijter loopt voor op planning Het aanbrengen van de hittewerende beplating en beweegbare camera's in de Michiel de Ruijtertunnel verloopt voorspoedig. Ook in het eerste kwartaal van 2021 is de tunnel elke ochtend tijdig (6:00 uur) en veilig opengesteld voor verkeer. Omdat het werk voor liep op de planning is besloten dat per 6 februari nachtafsluitingen in het weekend niet meer nodig zijn. De gewenste uniformiteit en de complexiteit van het technische raakvlak maakt het zinvol om de uitvoering van een deel van de scope (enkele aanpas- singen aan de besturing, bediening en bewaking) gelijktijdig uit te voeren met werkzaamheden voor het project Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam. Waar mogelijk kunnen deze werkzaamheden dan aansluiten bij bestaande sluitingen voor beheer en onderhoud (eind 2021 en/of in 2022). Dit vergroot de kans dat de nachtwerkzaamheden eerder kunnen worden afgerond en zo de hinder voor de weg- gebruiker (en ook overlap met de sluiting van de Piet Heintunnel) eerder wordt beperkt. De verwachting is dat hierover volgend kwartaal een besluit kan worden genomen. Project Renovatie Piet Heintunnel goed op koers voor tunnelsluiting 25 juni Ter voorbereiding op de sluiting van de Piet Heintunnel op 25 juni wordt gewerkt aan de (ombouw van de) energievoorziening en de logistiek (veilig werken onder coronamaatregelen). Voor deze werkzaam- heden zijn twee weekendstremmingen van de IJtram (tram 26) gepland, op 24-25 april en 9-12 juli. Deze beheersmaatregelen uit het derde kwartaal van 2020 om de planning robuuster te maken hebben nu al effect. De datum voor tunnelsluiting op 25 juni 2021 is hiermee stabiel. Ook andere voorbereidende werkzaamheden verlopen volgens planning. De omgevingsvergunning is op 5 maart aangevraagd en de ontwikkeling van de communicatiecampagne (zie ook hoofdstuk 2.2.3) voor bewoners en weg- gebruikers is vergevorderd. Uitvoeringsstrategie voor het project Renovatie Amsterdam Arenatunnel vastgesteld De stadsregisseur heeft in januari 2021 de uitvoeringsstrategie voor de renovatie van de Arenatunnel vastgesteld. Het renoveren van een tunnel kan op verschillende manieren, zoals het volledig afsluiten, het buis om buis afsluiten of het alleen afsluiten gedurende de nachten. In overleg met stakeholders zijn de varianten op verschillende aspecten gewogen. Gezien de ligging in een evenementengebied enerzijds en de technische uitdagingen anderzijds is besloten om de tunnel gedurende 30 weken volledig te sluiten. De parkeergarage onder het stadion blijft gedurende de renovatie bereikbaar. Voorlopig Ontwerp voor het project Vernieuwing Verkeerscentrale gestart Het ontwerp van de verkeerscentrale bestaat uit twee delen: het ontwerp van het gebouw en het ontwerp van de functionele systemen die nodig zijn om de tunnels goed te kunnen aansturen. Om te komen tot een goed voorlopig ontwerp is inbreng van de gebruikers van groot belang. Daarom zijn be- geleidingsgroepen opgestart, met vertegenwoordigers van de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeersmanagement. In de begeleidingsgroepen wordt gesproken over de ontwerpkeuzes die nog gemaakt moeten worden binnen de eerder vastgestelde kaders. 2.2.2 Bereikbaarheid De werkzaamheden in de Michiel de Ruijtertunnel en de Piet Heintunnel veroorzaken verkeershinder in de stad. In het kader van bereikbaarheid tijdens de werkzaamheden wordt ingezet op verkeersmanage- ment, mobiliteitsmanagement en communicatie. De aanpak bij de Michiel de Ruijtertunnel, waarbij taxi's gebruikmaken van het busplatform, verloopt goed. Zoals eerder in deze rapportage gemeld verlopen de werkzaamheden in de Michiel de Ruijter- tunnel dusdanig goed dat niet meer hoeft te worden gewerkt in de nachten van zaterdag en zondag. Het reguliere overleg met de bewoners van de Nassaukade, over de gebruikte omleidingsroute over de S100, verloopt constructief. Tegelijkertijd blijven deze bewoners zich zorgen maken over de verkeers- drukte bij hen voor de deur, niet alleen als gevolg van het project Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel, maar bijvoorbeeld ook door programma’s als autoluw. De samenwerking met de andere projecten is intensief, om bewoners zo goed mogelijk van dienst te zijn en eenduidige antwoorden te geven op vragen. In aanloop naar de sluiting van de Piet Heintunnel proberen wij bij automobilisten te verleiden andere vervoermiddelen te gebruiken en buiten de spits te reizen. Deze mobiliteitsmaatregelen pakken we samen op met Amsterdam Bereikbaar. Voorbeelden hiervan zijn een fietsstimuleringscampagne waar via een app punten worden gespaard voor elke gefietste kilometer en een e-bike probeerpool waar enkele weken een e-bike kan worden uitgeprobeerd. Met de aanbieders van deelscooters wordt gesproken om het aanbod af te stemmen op te tunnelsluiting. Zo zetten we in op meer scooters op IJburg en Zeeburgereiland. Ook wordt het overstappen van de auto op andere modaliteiten gestimuleerd door, naast P+R Zeeburg en P+R Noord, speciaal voor de afsluiting van de Piet Heintunnel versneld nabij metrostation Noord een extra P+R terrein te realiseren met enkele honderden parkeerplaatsen: de P+R Boven ‘t IJ. De kosten hiervan komen voor 50% uit het budget van de mobiliteitsmaategelen van het project Renovatie Piet Heintunnel. De reguliere auto-omleidingsroute tijdens de sluiting van de Piet Heintunnel is via de S112 en S116. Met een bijdrage aan de inzet van stedelijk incidentmanagement wordt gezorgd voor snellere afhandeling van incidenten op de omleidingsroutes en dus een betere doorstroming. En we zetten digitaal verkeers- management in om de doorstroming op verwachte drukke routes (zoals de Zeeburgerdijk) te verbeteren. Zo worden automobilisten via de navigatie van Flitsmeister en Waze ontmoedigd om onder meer de Zeeburgerdijk of de Middenweg te gebruiken. Er is gekeken naar de verbinding tussen het Oostelijk Havengebied en Zeeburgereiland/IJburg, wanneer in de weekenden de IJtram niet kan rijden. In dat geval zal GVB pendelbus 76 inzetten. Met uitzondering van het gedeelte door de Piet Heintunnel rijdt de GVB pendelbus hetzelfde tracé als de tram en stopt hij ook bij alle haltes. Omdat de tunnel gesloten is rijdt de bus vanaf de kruising IJburglaan/Zuiderzeeweg een alternatieve route via de Amsterdamsebrug, Zeeburgerdijk en Panamalaan naar de Piet Heinkade, om daarna de gebruikelijke route te vervolgen. De extra reistijd over dit tracé bedraagt (zonder op- onthoud) 5 tot 6 minuten. De communicatie hierover is gestart met onder andere een bijeenkomst op Zeeburgereiland en IJburg en zal in april volop te zien zijn op onze communicatiekanalen. We moeten er rekening mee houden dat bewoners, bedrijven en weggebruikers bij een dusdanig ingrijpende verkeersmaatregel als de afsluiting van de Piet Heintunnel moeten wennen aan de nieuwe situatie. Ondanks het hierboven beschreven brede aanbod van alternatieve reismogelijkheden en een intensieve communicatiecampagne weten we van vergelijkbare projecten dat verkeer in de eerste periode altijd een weg moet zoeken naar een nieuwe balans. Hierdoor is forse hinder onvermijdelijk. 22.3 Tevreden omgeving Door het werken aan de tunnels of de verkeerscentrale ontstaat hinder voor de omgeving, zoals bouwhinder, geluidhinder en verkeershinder. Het streven is bij de omgeving van de projecten begrip te creëren door goede communicatie en informatieverstrekking over de werkzaamheden. De O-meting van het tevredenheidsmeting die eind 2019 is gedaan, wees uit dat de communicatie over de Piet Heintunnel nog onvoldoende was. De uitkomsten van de tevredenheidsonderzoeken zijn inmiddels teruggekoppeld aan de bewoners, net als de maatregelen die we nemen om dit te verbeteren. Inmiddels is via onze communicatiemiddelen meerdere malen gecommuniceerd over de afsluiting, de omleidingen en start de grootschalige communicatie hierover in april. Via middelen als de website, be- wonersbrieven, AT5 Verkeer, Twitter, flyers etc. laten we weten waarom de tunnel dichtgaat en wat de beste alternatieve routes of alternatieve vervoersmiddelen zijn. Door middel van digitale bijeenkomsten informeren we vanaf april de bewoners en bedrijven nabij de Piet Heintunnel en in de omgeving van de omleidingsroutes. Vanwege de vooruit getrokken werkzaamheden van het tunneldak, aan de west- kant van de tunnel, zijn enkele bezoeken gebracht aan de buurt om de situatie rond de bouwhekken in relatie tot de toegang van de markt te bekijken en te verbeteren. En is er contact met de naastliggende school om de werkzaamheden te bespreken in relatie tot de toetsen voor de leerlingen. Eind maart startte de tweede tevredenheidsmeting voor de Michiel de Ruijtertunnel. In mei vindt een tweede meting voor de Piet Heintunnel plaats. Inmiddels is het panel voor de onderzoeken gegroeid tot 100 personen. De tendens is dat bewoners weinig van zich laten horen voor zowel de werkzaamheden aan de Michiel de Ruiijtertunnel als voor de komende sluiting van de Piet Heintunnel. Oorzaken kunnen zijn dat de verwachte overlast nog te lang op zich laat wachten voor de Piet Heintunnel, dat de overlast door de Michiel de Ruijtertunnel relatief klein is en dat door Covid-19 veel mensen vanuit huis werken waardoor de urgentie minder groot is om goed betrokken te zijn bij de gevolgen van de renovatie van de tunnels. 2.3 Samenwerking met de strategische partners Meerdere stakeholders hebben vanuit hun formele positie een directe verantwoordelijkheid voor of een direct belang bij een betrouwbare beschikbaarheid van de wegtunnels in Amsterdam. In het programmaplan zijn deze stakeholders benoemd als onze strategische partners: 1. de tunnelbeheerder; 2. de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling Verkeersmanagement van de directie Verkeer & Openbare Ruimte; 3. de veiligheidsbeambte; 4. de stadsregisseur; en 5. de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De tunnelbeheerorganisatie is de afgelopen periode versterkt met diverse functionarissen om werk te maken van de versterkingsopgave en het strategisch plan Beheervisie Wegtunnels. Deze versterking is voor het programma positief en duidelijk merkbaar. Er wordt op veel onderwerpen samengewerkt, afgestemd en besluiten genomen, zowel voor de projecten als op programmaniveau. Het programma blijft daarmee een flink beslag leggen op de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeersmanage- ment (en daarachter VRI-VIS =VerkeersRegellnstallaties en VerkeersinformatieSystemen), maar met de extra capaciteit kan daar vooralsnog goed invulling aan gegeven worden. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de Piet Heintunnel hebben meerdere voor- overleggen plaatsgevonden met de Omgevingsdienst, waarin de vergunningsstukken zijn toegelicht. Eventuele opmerkingen van de Omgevingsdienst konden daardoor meegenomen worden in de vergunningaanvraag die op 5 maart is ingediend. Specifiek is gesproken over het feit dat het project Piet Heintunnel een renovatieproject is en de Handreiking Beheer en Onderhoud Aanpak Stikstof kan toepassen waardoor geen vergunning Wet Natuurbescherming nodig is. Tegelijkertijd wordt in de handreiking geadviseerd om deze met “gezond verstand” te gebruiken en ook als de activiteit strikt genomen binnen beheer en onderhoud vallen wel de effecten van stikstofdepositie te berekenen. De stikstofdepositie ten gevolge van zowel de inzet van het materieel als het omrijdende verkeer tijdens de sluiting van de Piet Heintunnel leiden volgens de beschikbare aerius calculator niet tot significant negatieve effecten in de Natura 2000 gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De samenwerking met de stadsregisseur verloopt voorspoedig. Er wordt samengewerkt op het gebied van duurzame mobiliteitsmaatregelen. Door de intensieve samenwerking ontstaan er maatregelen die ook na het weer openstellen van de Piet Heintunnel kunnen bijdragen aan de bereikbaarheid van de stad. Verder is de uitvoeringsstrategie van de Arenatunnel besproken met en goedgekeurd door de stadsregisseur. 2.4 Tegenspraak Een van de lessen van de Noord/Zuidlijn is het belang van het organiseren van tegenspraak. Deze les is ook opgenomen in de Regeling Risicovolle Projecten waaronder het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam valt. Dit kwartaal is er tegenspraak geweest van het Commissariaat Civiele Constructies. Ook was er tegenspraak vanuit de Tenderboard Fysiek van het IB en audits die het programma zelf organiseert. Al deze activiteiten zorgen ervoor dat producten met vanuit verschillende perspectieven worden bekeken waardoor de kwaliteit ervan verbetert. 24.1 Adviesraad In het eerste kwartaal van 2021 kon de adviesraad niet samenkomen, dit overleg is verschoven naar april 2021. Individuele afstemming met de adviesraadsleden over de communicatiestrategie en het inkoopplan Verkeerscentrale hebben beide documenten aangescherpt. 24.2 Commissariaat Civiele Constructies Vanuit het Commissariaat Civiele Constructies hebben de heren Vrijling en Bijkerk gesproken met een vertegenwoordiging van het programmateam over de haalbaarheid van de tunnelsluiting van de Piet Heintunnel eind juni 2021. De conclusie van het commissariaat is dat de positieve effecten van de beheersmaatregelen die vorig jaar door het alliantieteam Piet Heintunnel zijn doorgevoerd zichtbaar zijn en er geen belemmeringen zijn om de tunnel eind juni conform planning te sluiten en de renovatie- werkzaamheden te starten. Ook is uitgebreid stilgestaan bij het kritieke pad van het project wat vooral relevant is voor het weer tijdig open kunnen stellen van de tunnel voor het wegverkeer na afronding van de werkzaamheden. Door beide leden van het commissariaat is geadviseerd hiervoor een aanvullend beheersplan op te stellen. Het projectteam gaat hiermee aan de slag. 2.4.3 Advies van Tenderboard Fysiek Het inkoopplan Verkeerscentrale Amsterdam is op 21 januari 2021 behandeld in de Tenderboard Fysiek. Op 27 januari heeft de Tenderboard een positief advies gegeven op het inkoopplan. Dit betekent dat er voor alle projecten binnen het programma nu een positief advies ligt op de inkoopplannen. De tenderboard wordt in het najaar nog geconsulteerd voor de contractdossiers van de projecten Vernieuwing Verkeerscentrale en Renovatie van de Amsterdam Arenatunnel. 24.4 Uitvoeren van audits Voor het uitvoeren van audits, reviews en evaluatie voor het programma, is eind 2020 Horvat en Partners gecontracteerd. In het eerste kwartaal van 2021 heeft Horvat een auditstrategie en een auditplanning 2021 opgesteld en zijn deze in het MT AWA vastgesteld. In de auditstrategie zijn vijf pijlers opgenomen. De eerste vier (complementariteit, nulmeting, kennis van de organisatie en (risicovolle) mijlpalen van projecten) vormen de basis voor de auditplanning voor 2021. De laatste pijler (adaptief auditplan) wordt ingevuld door een evaluatie (en eventuele bijstelling) van het auditplan aan het einde van het tweede kwartaal. De auditplanning voor de eerste twee kwartalen van 2021 is als volgt: © ) © ® es: DE feb-21 I uitvoering 2 mrt-21 In uitvoering 3 1 mrt-21 5 apr! 6 apr! 7 8 9 10 Het doel van de eerste audit is om vast te stellen of het kwaliteitsmanagementsysteem van het programma voldoende houvast biedt om de programmadoelstellingen te realiseren. Het doel van de tweede audit is om vast te stellen of de aanpakken verificatie en validatie ook worden gevolgd door de projectteams. In deze audit nemen we ook de werking van verificatie & validatie in de Alliantie Piet Heintunnel mee. 12 HOOFDSTUK 3 Programmabeheersing Het programmaplan Aanpak Wegtunnels Amsterdam is vastgesteld door het College van B&W op 4 juni 2019. Op basis van dit plan wordt in de kwartaalrapportages gerapporteerd over de voortgang. 3.1 Programma Scope De scope van het gehele programma is gedefinieerd in het programmaplan. Dit geeft de mogelijkheid om op basis van de VTW-procedure (Verzoek Tot Wijziging) formeel wijzigingen van de programmascope vast te stellen. In het eerste kwartaal van dit jaar is de scope van het programma niet gewijzigd. Wel is het programma gevraagd werkzaamheden voor derden op te pakken. De tunnelbeheerder heeft gevraagd naar de kosten van werkzaamheden aan de constructie boven het trambaanvak van de Piet Heintunnel. Daarnaast is door de projectontwikkeling Sluisbuurt gevraagd of er werk met werk kan worden gemaakt. In het tweede kwartaal van 2021 wordt besloten of deze zaken meegenomen kunnen worden. 3.2 Masterplanning De masterplanning omvat de vier uitvoeringsprojecten en de planning van de Operational Concept Description (OCD). De vigerende Masterplanning is versie 4.0. Deze planning is door het college vast- gesteld op 2 maart 2021. In onderstaande tabel zijn de mijlpalen voor start en einde van de uitvoering opgenomen, in de bijlage is per project een meer gedetailleerde planning opgenomen. UITVOERINGSPROJECTEN EINDE UITVOERING Vernieuwing Verkeerscentrale 23-11-2023 14-02-2025 Renovatie Piet Heintunnel 25-06-2021 30-09-2022 Renovatie Amsterdam Arenatunnel 20-10-2023 25-07-2024 Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel 30-11-2020 30-08-2021 Ten opzichte van bovenstaande is de verwachting dat de mijlpaal nachtelijke tunnelsluiting bij de Michiel de Ruijtertunnel in positieve zin gaat schuiven. De werkzaamheden in de Michiel de Ruijtertunnel voor het aanbrengen van de hittewerende beplating en beweegbare camera's lopen voor op planning. Zoals eerder aangegeven wordt bekeken of de werkzaamheden met betrekking tot de aanpassingen van het besturingssysteem (3B) tegelijkertijd kunnen worden uitgevoerd met werkzaamheden voor het project vernieuwing verkeerscentrale, waardoor de Michiel de Ruijtertunnel eerder dan gepland weer volledig beschikbaar is voor het wegverkeer. 3.3 Financiële stand van zaken In totaal is op dit moment circa € 235,9 miljoen aan kredieten beschikbaar voor het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam. Hiervan is inmiddels circa € 140,4 miljoen verplicht en € 61,4 miljoen betaald. Het huidige gemiddelde kasritme is ruim 3 miljoen per maand. Aanpak Wegtunnels Amsterdam - Prognose Einde Werk HUIDIGE VERSLAGPERIODE VORIGE PERIODE Q1-2021 Project Gemeent. «Actueel Verplicht … Betaald Nog PEW Saldo PEW PEW STAVAZA 26-03-2021 Raming Begroting « Krediet / te ver- feb 2021 tov Q4-2020 Mutaties prijspeil 01-01-2021 Expl. plichten Raming DEELPROJECT 1 2 3 4 5 6 7J=4+6 B=1-7 9 10=7-9 Programma 46,3 42,7 42,7 17,4 16,3 28,9 46,3 0,0 42,7 3,6 Piet Heintunnel 89,9 101,5 101,5 91,7 34,0 3,8 101,5 -11,6 100,4 1,1 Michiel de Ruijter 14,6 16,4 16,4 10,4 5,9 6,1 16,4 -1,9 16,1 0,4 Arenatunnel 34,7 13,1 13,1 2,5 2,1 32,2 34,7 0,0 34,7 0,0 Verkeerscentrale 59,1 27,3 27,3 12,4 3,1 46,7 59,1 0,0 59,1 0,0 Risico voorzieningen 56,0 34,8 34,8 - - 42,5 42,5 13,5 44,0 1,5 Totaal AWA 300,6 235,9 235,9 140,4 61,4 160,2 300,6 -0,0 297,0 3,6 …: overschrijding en +: onderschrijding In de eerste kolom van de tabel staan het overkoepelende programma, de afzonderlijke projecten en de risicovoorzieningen die op programmaniveau worden bewaakt. Onder het overkoepelende programma vallen de activiteiten die in het kader van de integrale aanpak worden georganiseerd voor alle tunnels gezamenlijk. Het gaat hier om kosten voor systeemintegratie, integrale veiligheid, contract- zaken, management en beheersing & control. De totale kosten van het hele programma worden geraamd op € 300,6 miljoen. Ten opzichte van de vorige rapportage is de raming en de prognose einde werk verhoogd met de indexering ter grootte van € 3,6 miljoen, zoals aangevraagd bij de Voorjaarsnota 2021. Deze indexerings-aanvraag is op basis van nacalculatie tot en met 2020 ( prijspeil 1-1-2021). Voor de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam zijn eerder kredieten beschikbaar gesteld voor een deel van de scope van deze projecten. Bij de Voorjaars- nota 2021 zijn overige investeringsaanvragen ingediend voor de volledige scope. De aangevraagde middelen voor de volledige scope van de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam zijn in eerdere rapportages reeds als raming opgenomen. Van de totale geraamde kosten is inmiddels € 235,9 miljoen in de begroting opgenomen (kolom 2: Gemeentelijke Begroting). In de tabel is te zien dat alle in de begroting opgenomen middelen reeds beschikbaar zijn gesteld in de vorm van kredieten of exploitatiemiddelen. De Prognose Einde Werk (PEW) is ten opzichte van de vorige periode gewijzigd met een bedrag van € 3,6 miljoen. Dit betreft twee onderwerpen: 1. De aanvraag van middelen bij de Voorjaarsnota 2021 ter grootte van € 3,6 miljoen voor indexering. 2. De projecten Renovatie Piet Heintunnel en Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel hebben te maken gehad met extra kosten als gevolg van de COVID 19 maatregelen ter hoogte van respectievelijk 1,1 miljoen euro en 0,4 miljoen euro. Dit betreft de extra kosten tot en met het tweede kwartaal 2021 bij ongewijzigde omstandigheden (standlijn ultimo Q2 2020). Zoals reeds toegelicht in kwartaal- rapportage Q2 2020 komen alleen kosten voor rekening van Amsterdam als dit is conform het handelingskader “Coronavirus voor GWW-contracten en aanbestedingen”. Deze kosten komen ten laste van de risicovoorzieningen op programmaniveau. Neutrale kredietwijzigingen: Bij de begrotingen van 2020 en 2021 is ervoor gekozen om een deel van de risicovoorzieningen van de projecten onder te brengen bij het overkoepelende programma. Op deze wijze worden deze voorzieningen op programmaniveau beheerst. Als de risicovoorzieningen op programmaniveau voor een project worden ingezet, wordt een neutrale kredietwijziging voor besluitvorming aan de raad voorgelegd. De kosten voor de projecten Renovatie Piet Heintunnel en Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel ten gevolge van de COVID 19-maatregelen komen ten laste van de risicovoorzieningen op programma- niveau. In de voordracht bij deze kwartaalrapportage is een beslispunt opgenomen, waar de raad wordt gevraagd in te stemmen met deze neutrale kredietwijzigingen. In de tabellen in deze rapportage zijn deze mutaties reeds vooruitlopend op dit besluit verwerkt. KREDIETWIJZIGINGEN RAMING BEGROTING VORIG KREDIET MUTATIES OP ACTUEEL WAARVAN KREDIET KREDIET RISICOVOORZ Programma 102,36 71,58 79,05 -1,48 77,58 34,83 Piet Heintunnel 89,92 101,51 100,39 1,12 101,51 0,00 Michiel de Ruijter 14,55 16,45 16,09 0,36 16,45 0,00 Arenatunnel 34,67 13,07 13,07 0,00 13,07 0,00 Verkeerscentrale 59,07 27,31 27,31 0,00 27,31 0,00 Totaal AWA 300,59 235,92 235,92 0,00 235,92 34,83 Zie verder de factsheets in bijlage 2 voor meer detailinformatie over de afzonderlijke projecten. 3.4 Risicomanagement De coronacrisis, de COVID 19 maatregelen en de tweede lockdown hebben in het eerste kwartaal effect gehad, onder meer op de voortgang van het programma. Met name de sluiting van de basis- scholen zorgde voor uitdagingen bij collega's met kinderen, waarbij in goed overleg is besloten om werk te herverdelen en te prioriteren. Dit heeft druk gezet op alle projecten. De geplande deadlines zijn desalniettemin gehaald. Nu het programma van de denk- in de doefase terechtkomt is nogmaals kritisch gekeken naar de risico’s op programmaniveau. Hieruit is naar voren gekomen dat met name in het kader van de tweede doelstelling van het programma, de borging van de integraliteit en uniformiteit tussen de projecten voortdurend aandacht behoeft. Dit is terug te zien in risico 2 en 3. In hoofdstuk 2.3.1 is toegelicht dat de samenwerking met de verschillende stakeholders dusdanig goed is, dat er meer vertrouwen is. Dit maakt dat het risico op vertragingen met betrekking tot vergunningen aanzienlijk minder is geworden. Om deze reden is dit risico niet meer opgenomen in deze rapportage. Dekking voor de projecten Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam en Renovatie Amsterdam Arenatunnel zijn niet tijdig of onvoldoende verwerkt in de begroting van de gemeente, met als gevolg een continuïteitsrisico (mogelijke vertraging vanwege het ontbreken van krediet). OORZAKEN EN BEHEERSMAATREGELEN: WIJZIGING T.O.V. Q4-2020 OORZAKEN: De druk op de financiële 1. De projecten Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam en middelen binnen de gemeente Renovatie Amsterdam Arenatunnel worden gefaseerd opgenomen | is groot. Het risico blijft bestaan in de gemeentelijke begroting. De masterplanning gaat ervan uit | dat bij de Voorjaarsnota dat de resterende aanvragen door de gemeenteraad bij de Voor- | 2021/ Begroting 2022 niet jaarsnota 2021/Begroting 2022 worden goedgekeurd en dat de alle aangevraagde middelen betreffende kredieten eind 2021 kunnen worden toegekend. kunnen worden toegekend. Met het toekennen van krediet BEHEERSMAATREGELEN: in december 2020 is dit risico 1. De aanvragen voor Voorjaarsnota 2021/Begroting 2022 worden kleiner geworden, maar zolang tijdig ingediend. het definitieve budget niet is toegekend nog steeds groot. Doelstelling 2 van het programma (uniformiteit en toekomstbestendigheid) komt in gevaar door: 1. vertraging in de ontwikkeling van de producten die de uniformiteit moeten borgen; 2. druk op de voortgang van de projecten Renovatie Piet Heintunnel, Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale. OORZAKEN EN BEHEERSMAATREGELEN: WIJZIGING T.O.V. Q4-2020 OORZAKEN: Het project Renovatie Piet 1. De projecten Renovatie Piet Heintunnel en Aanpassingen Michiel | Heintunnel heeft een aantal de Ruijtertunnel dienen zo spoedig mogelijk te worden uitgevoerd. | ontwerpbesluiten moeten Het risico bestaat dat de uitgangspunten voor deze projecten nemen waar vanuit het pro- in een later stadium moeten worden aangepast om invulling gramma nog geen principes te kunnen geven aan doelstelling 2 (uniformiteit en toekomst- voor bedacht waren. Dat bestendigheid). maakt dat dit risico deels is 2. De vernieuwde Verkeerscentrale Amsterdam gaat invulling opgetreden. Door het vast- geven aan de manier waarop de tunnels worden bediend. stellen van de baseline T4 De werkprocessen Verkeerscentrale zijn vastgelegd in de is dit hersteld en is het Operational Concept Description v2.0. programma weer in control. Maar dit blijft continu onder BEHEERSMAATREGELEN: de aandacht. 1. Bij het opstellen van de contracten zijn terugvalopties ingebouwd. 2. Er is vooraf nagedacht over ontwerpuitgangspunten die de uniformiteit tussen de projecten moet borgen. De verschillende individuele projecten dienen op zichzelf een integraal geheel te vormen. Daarnaast dienen alle projecten samen invulling te geven aan een integraal werkend tunnelsysteem. Zonder aantoonbaarheid van de integraliteit bestaat er een risico dat deze onvoldoende is. OORZAKEN EN BEHEERSMAATREGELEN: WIJZIGING T.O.V. Q4-2020 OORZAKEN: Binnen de programma- 1. Op programmaniveau zijn er onvoldoende duidelijke afspraken organisatie zijn maatregelen over hoe en wanneer de integraliteit tussen de projecten aange- genomen om de integraliteit toond moet wordt. Hier moeten de werkwijzers die binnen de ver- | te borgen. Het samenvoegen schillende taakvelden opgesteld zijn op elkaar afgestemd worden. | van de taakvelden IO/UI/SI 2. De raakvlakken tussen de verschillende projecten worden niet is hier een voorbeeld van. expliciet benoemd en beheerst. De implementatie van de plannen rond raakvlak- BEHEERSMAATREGELEN: management moet nog 1. De taakvelden Commissioning, Systeem Integratie en Integraal plaatsvinden. Ontwerp komen met een analyse. Hieruit moet blijken in hoeverre de werkwijzers nader op elkaar afgestemd moeten worden, zodat de aantoonbaarheid van de werking van het systeem geborgd wordt. 2. Opstellen en implementeren van expliciet raakvlakmanagement binnen en tussen de projecten. BIJLAGE 1 Afkortingen en definities ting definit AAT Amsterdam Arenatunnel ATS Amsterdamse Tunnel Standaard 3B Besturing, Bediening en Bewaking CCB Configuration Control Board COB Centrum Ondergronds Bouwen DMC Dienst Middelen en Control IBA directie Ingenieursbureau Amsterdam KES Klant Eis Specificatie MET directie Metro en Tram MRT Michiel de Ruijtertunnel OCD Operational Concept Description OD NZKG Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied OTL Objecttypebibliotheek OTO Opleiden, Trainen en Oefenen PHT Piet Heintunnel ROVK Raamovereenkomst SDT Spaarndammertunnel SSK Standaardsystematiek voor Kostenraming TN Transmissienetwerk UPP Uniforme Primaire Processen V&OR directie Verkeer en Openbare Ruimte VBP Concept-Veiligheidsbeheerplan VCA Verkeercentrale Amsterdam VTW Verzoek tot Wijziging VRI Verkeersregelinstallatie O ®& Warvw Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels if IJT IJ-tunnel 18 Voor de vier projecten binnen het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam is in de bijlage een factsheet toegevoegd. P Pd 2 - u | ik 7 el Be ij E f Ee te Jen I= am Ste, an dak oe adden aa is TEE | In H k s ze | FE ene Dee …Re LI ij Elaa r if teem HEE EE INNEN EN Ki EE ld IK ' RE 7 Bes sn ge el ll et nl Fi, 5 1 Ld == E Fi Ed lan te En NE Es = he es Verkeerscentrale Amsterdam Ci lie | _ d- EREEEL el ed Sa) eg a Ee | 5 EN Ed PD re SE tid « M NE: OLED LELLLLEL _n K dt ed Ï Û f sd dns menninnnandnn J ij a 8 Ü En 5 EN en kj sE 9 Ë E rn en 4 : ï ” mn en Pi 0 é Í en ee | mn e= ij neme | 3 — 3 + - EN i ES Er De DN 2 | == _ 7 En asen de | ek: Amsterdam Arenatunnel Ei 1 F7, — fn ge L | 4 Ü ae ade REN 2E pe | Ted AN mn if Je Al i LE nm nem B hate oe MA E tE et TT Tak Ko ER EN ENE Ir nt | St VE re el Ap ie eN _IJ RE A orc A DN IE Ik il dl | | Ne Tad an hl Bie ee an ee ed erin, Ef A EE el ij ii: il En 6 Pe ï el REA il LL | AE | iT a Ef ei TE | Verg Te SEE, É 1 k mm En Pim erde ien tn hm ar tene Er jeej ee eng Vers ET de IEEE U Et Ee el lin TL af tarn leed lei An : u u p 5 - it 1 k EN 5 ‚ Pela | u Def enkle N bi Ga : BSS Os 5, ie mm Ke en el en Ee 5 EB ier | ì ne Vin EN | an mm _ an = E — lm ge mn en zn nf ve B n = en ° ü L eb Oh | | [ | EE ee ne EE ent ee ne ee en nennen en eneen Vernieuwing Verkeerscentrale Toelichting Management In het testcentrum PoC-VCA, aan de Verlengde Van Marwijk Kooystraat 1, zijn in het eerste kwartaal alle gebouwgebonden installaties, de nutsvoorzieningen en de beveiliging van het gebouw gerealiseerd. Volgens planning zal het testcentrum eind april bouwkundig opgeleverd worden, voor eind april zal de buitenruimte (direct rond het testcentrum) ook ingericht zijn en kunnen de werkzaamheden met be- trekking tot het inrichting van het testcentrum starten. In nauwe samenwerking met de opdrachtnemer worden nu de opleverdossiers opgesteld. Het contractbeheerplan wordt aangepast voor de beheerfa- se. Voor het ontwerp van de vernieuwde verkeerscentrale werd er al van uitgegaan dat deze geplaatst zou kunnen worden op de Verlengde Van Marwijk Kooystraat, het LCM-terrein. Door de directies van GVB en Verkeer & Openbare Ruimte is nu ook ingestemd met deze keuze. Hiermee is vertraging als gevolg van het niet hebben van een bouwlocatie voorkomen. Het doel voor dit jaar is ervoor te zorgen dat aan het eind van het jaar een ontwerp gereed is waarop een uitvoeringsbesluit genomen kan worden. Voor de te doorlopen ontwerptrajecten zijn met de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeers- management begeleidingsgroepen gestart waarin zowel voor huisvesting als voor bedieningssystemen (“functionele systemen”) de afstemming plaats vindt over ontwerpkeuzes binnen de kaders. Scope In de scope hebben er ten opzichte van de vorige kwartaalrapportages geen wijzigingen plaatsgevonden. Geld Voor project Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam is door de raad circa € 31,8 miljoen aan middelen beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van het testcentrum PoC-VCA en voor de voorbereidingen voor het project. Hiervan betreft € 4,5 miljoen risicovoorzieningen, die gealloceerd is op het niveau van het overkoepelende programma. De resterende aanvraag voor de volledige scope is onderdeel van de Voorjaarsnota 2021. Samenwerking De samenwerking tussen het projectteam vernieuwing VCA en de diverse stakeholders verloopt goed. De samenwerking met de tunnelbeheerorganisatie en verkeersmanagement is reeds eerder toegelicht. Het contact met GVB, THOR en Waternet over het samenwerkingsmogelijkheden bij de ontwikkeling ® ® a: van het vastgoed verloopt voorspoedig, finale uitkomsten worden begin tweede kwartaal 2021 verwacht. HI | Tijd DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH Mijl- Stuur- A met A met P50 P85 paal mijlpaal SMP vorige huidige | huidige nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 |Q (wk) | Toelichting Q Q VERKEERSCENTRALE AMSTERDAM Start Project LEE 2_| Projectbesluit 07-02-20 07-0220 \___0\07-0220\ 0 2b_|Voorkeursbesluit 02-07-20 02-07-20 \__0 02-07-20 3 | Uitvoeringsbesluit 11-11-21 | 02-12-21 11-11-21 02-12-21 (20-01-22 4 22-11-22 30-06-22 15-08-22 25-07-22 03-10-22 5 23-11-23 01-11-22 15-02-23 06-12-22 14-02-23 6 [Ingebruikname 14-02-25 | 11-01-24 -57 | 23-05-24 -19 op target 11-03-24 | 28-05-24 vernieuwde VCA 7_| Ingebruikname renovatie | 14-02-26 | 12-06-25 -35 | 20-10-25 -19 | op target 11-08-25 28-10-25 Dijksgracht 8 | Acceptatie en overdracht | 20-05-26 15-09-25 22-01-26 -18 | op target 13-11-25 | 30-01-26 9 | Einde project 17-08-26 | 11-12-25 21-04-26 op target 10-02-26 | 29-04-26 Belangrijkste risico's In de vorige kwartaalrapportage was het risico opgenomen dat er geen gestructureerde aanpak mogelijk is door onduidelijkheden in de scope. Hoewel dit risico nog niet volledig is weggenomen is er wel veel meer duidelijkheid gekomen. En waar die nog ontbreekt, is er wel zicht op concretisering. LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN 4 De uitgewerkte scope- De scope van het project heeft De technische raakvlakken zijn vanuit het onderdelen vormen samen veel raakvlakken met andere programma in beeld gebracht. Nu dient geen integraal geheel waar- | projecten in het programma en een | deze verder uitgewerkt te worden zodat door de Verkeerscentrale gedeelte van de scope wordt ge- de raakvlakken ook vanuit andere aspecten niet (goed) gaat functioneren. | realiseerd in het project Renovatie geïnventariseerd en beheerst worden in Piet Heintunnel. een regulier proces. 2 Onzekerheid in de uitkomst | Er moet vastgesteld worden of De GAP-analyse is afgerond in eerste van de GAP-analyse over het « alle tunnels vanuit de vernieuwde concept, de rapportage volgen in het koppelvlak met de Michiel verkeerscentrale te bedienen zijn, en tweede kwartaal. de Ruijtertunnel, IJtunnel, zo niet welke aanpassingen gedaan Spaarndammertunnel en moeten worden om dit alsnog Verkeersmanagement. mogelijk te maken. 3 Het Uitvoeringsbesluit kan Er staat veel druk op de (ontwerp) 1. Er is een gedetailleerde productplanning niet tijdig genomen worden | planning. gemaakt. omdat de kwaliteit of tijdig- 2. Optimalisatie van de fasering van heid van de documenten ontwerp en kostencalculatie. onvoldoende is, met als gevolg een forse vertraging. Dl - P 4 Li Pl | r Bn med P j d Pd e an Ar me hf sn 7 dk ae | ä PL tk | © | rl oe = Pe Ï ; Hi | hk Aen IE n | Hú Ï i | ME NN âe ai! Ô OREERT EEEN SUN } ER / " TTE de Rj Rn rm | Ed der Kian, | Ks Ed E Toelichting Management In het eerste kwartaal is het definitieve ontwerp afgerond. Daarbij is het reviewcommentaar van het programmateam en de tunnelbeheerorganisatie in belangrijke mate verwerkt. De resterende review- commentaren zijn onderdeel van de uitgangspunten voor het uitvoeringsontwerp. In maart 2021 is de KES voor de uitwerking van de nieuwe systemen (3B) van de integrale bedienketen vastgesteld in overleg met het project Vernieuwing Verkeerscentrale en het programmateam. Hiermee is de scope voor het uitvoeringsontwerp stabiel. Zoals in paragraaf 24.3 is toegelicht heeft een afvaardiging van het Commissariaat Civiele Constructies gesproken over de start tunnelsluiting. De beheersmaatregelen die het derde kwartaal van 2020 zit ingezet om de planning robuuster te maken, hebben effect. De datum voor tunnelsluiting op 25 juni 2021 is stabiel. Belangrijke werkzaamheden voor de (ombouw van de) energievoorziening en de logistiek (veilig werken onder coronamaatregelen) liggen op schema. Voor deze werkzaamheden is van de Omgevingsdienst deelvergunning verkregen (waarbij overigens een deel van het werk vergunningvrij is). Daarnaast is op 5 maart 2021 de hoofdaanvraag omgevingsvergunning ingediend. Het verkeer op de noordelijke omleidingsroute via de S116 (Nieuwe Leeuwarderweg) zorgt voor een beperkte, tijdelijke toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Aangezien het project voldoet aan de Handreiking van het ministerie LNV is er geen vergunning Wet Natuurbescherming nodig. Op het raakvlak IJtram vinden de eerste werkzaamheden plaats tijdens een weekendstremming van 24- 25 april 2021. Een tweede weekendstremming is voorzien van 9-12 juli 2021 waarin de ombouw van de energievoorziening plaatsvindt. De scope van het project is stabiel en om de uitvoering zo soepel mogelijk te laten verlopen wordt ingezet op zo min mogelijk wijzigingen. Wel wordt gekeken of wensen van de projectontwikkeling Sluisbuurt en de tunnelbeheerorganisatie nog meegenomen kunnen worden onder het principe “werk met werk maken”. Een besluit hierover is voorzien in het tweede kwartaal van 2021. In totaal is in de gemeentelijke begroting voor de renovatie van de Piet Heintunnel circa € 116 miljoen aan middelen beschikbaar. Hiervan was een bedrag groot € 25,9 miljoen aan risicovoorzieningen op het niveau van het overkoepelende programma gealloceerd. Inmiddels is (inclusief de voorstellen in @ deze voortgangsrapportage) voor € 11,6 miljoen aanspraak op deze risicovoorzieningen gemaakt. / v Samenwerking Het contact met de tunnelbeheerorganisatie verloopt goed. In het eerste kwartaal van 2021 is de inhoudelijke en procesmatige betrokkenheid tijdens de verder projectfasen geconcretiseerd. Met de Omgevingsdienst vindt constructief vooroverleg plaats bij het aanvragen van vergunningen. Voor de mobiliteitsmaatregelen zijn concrete stappen in de samenwerking binnen de stad met het pro- gramma deelmobiliteit en de dienst Parkeren vertaald in definitieve afspraken en financiële bijdragen. De al lopende samenwerking met Amsterdam Bereikbaar en de Stadsregisseur is goed. De afstemming met betrekking tot de mobiliteitscampagne met de stad heeft recent geleid tot gelijkschakeling van de uitingen. Voor de verdere uitwerking wordt de afstemming geïntensiveerd. Tijd DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH Mijl- Stuur- A met A met P50 P85 paal mijlpaal SMP vorige huidige huidige nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 \ Q (wk) Toelichting Q Q ae Ln 1 020718 |0207-18 0020718 Oafgerond - | 2_\Projectbesluit 28-09-18 |28-09-18 0 28-09-18 Olafgerond __-— | NT TE nn 4 31-03-20 \06-03-20 4060320 O afgerond _- | 6 | Openstelling 30-09-22 \ 23-09-22 15-08-22 6 mtb ntb 7_\Acceptatie en overdracht | 30-12-22 | 23-12-22 11-11-22 Ob ntb ntb &_\ Einde project 03-04-23 | 27-03-23 13-0223 6 ntb \ntb Belangrijkste risico's LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN 1 Extra kosten en versnellings- | Vertraging in aanlevering van 1. Hoofdlijnenplanning van de Alliantie maatregelen nodig om het benodigde informatie vanuit is begin april 2021 verstrekt. werk binnen de beoogde stakeholders of op het raakvlak 2. Afstemming met stakeholders over 15 maanden te voltooien. met de Verkeerscentrale (vanuit benodigde informatie en capaciteit het testcentrum PoC-VCA). 3. Afstemming met project Verkeerscentrale 2 __ Ontwerpproducten (soft- Geen duidelijke afspraken met 1. Vraagt meer capaciteit om planning ware) niet tijdig (conform ketenpartners over hun aandeel in te mitigeren. planning) op juiste niveau het ontwerpproces tijdens DO/UO 2. Strategisch beheersplan opstellen en gereed. - Rol programma en andere stake- voortgang monitoren en bijsturen. holders niet duidelijk tijdens verdere uitwerking. Reviews verlopen niet binnen geplande vensters 3 Uitloop werkzaamheden 1. Ingeplande werkzaamheden 1. Binnen het programma en met de op het kritieke pad zodanig kosten meer tijd dan voor- tunnelbeheerorganisatie afspraken maken dat deadline openstelling zien (complexe implementatie over in te zetten resources en daarbij te overschreden gaat worden. programmakaders, beperkte hanteren prioritering resources) 2. Toets uitvoeren op nieuwe hoofdlijnen- 2. Planning is niet volledig planning planning of planning robuust is 3. Onvoorziene tegenvallers in voor doorlooptijd vanaf tunnelsluiting uitvoering en de sturing daar op met beheersplan. 4. Optreden van diverse benoemde Resultaten gebruiken om planning risico's op het kritieke pad robuuster te maken. 3. Sturing op beheersing van risico's op het kritieke pad door middel van een beheersplan. ne te Ed ON ommen, Al a. — el STI RE pe En) as | | ij | KE OS HO, =S gl # == . zi AS 3 A IS met Lj Ie en EE eem ie mn rel «. _ TL “ [ Lee el ng per, e= Leng hij rg nen ee ensen ITA Nt : ET ER En ee rel - ad = en E zl 7 TL ek on LA 8 Andel 75 Eis ii EV anju $ nRa Berri nn ten aen at PE Fi ö RPT ER ” ad lande | ANN | he Ea Ö pn e _ ï an sE Renovatie Amsterdam Arenatunnel Toelichting Management Op basis van de Nota van Uitgangspunten wordt het voorlopig ontwerp uitgewerkt. Voor een aantal wezenlijke keuzes in het ontwerp is in het laatste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 een scenario-analyse uitgevoerd. Hieruit kunnen nog punten voor de definitieve scope van het project voortkomen. Naar verwachting wordt hierover in april 2021 overeenstemming bereikt, zodat de systeemdefinitie vastgesteld kan worden. Verder zijn in het afgelopen kwartaal gesprekken gevoerd over de inkoop van de software voor de besturing, bediening en bewaking van de tunnel. De contractering van de software is voorzien in het tweede kwartaal van 2021. Voor dit scopeonderdeel en de uitwerking van het definitief ontwerp is in de begroting van 2021 budget toegekend. Voor het resterende deel van het project is bij Voorjaarsnota 2021 een aanvraag gedaan. Scope Het voorzieningenniveau is vastgelegd in de Nota van Uitgangspunten en bestaat uit het vervangen van de tunneltechnische installaties, het plaatsen van afsluitbomen en het aanbrengen van brand- werende beplating. Zoals hierboven aangegeven wordt het voorzieningenniveau verder uitgewerkt en beschouwd in het ontwerpproces en de scenario-analyse. Geld Voor project Renovatie Amsterdam Arenatunnel is tot nu toe door de raad € 21,5 miljoen aan krediet beschikbaar gesteld voor de voorbereiding van het project en de realisatie van de systemen voor de bediening, besturing en bewaking. Hiervan betreft € 8,4 miljoen risicovoorzieningen, die gealloceerd zijn op het niveau van het overkoepelende programma. Bij de Voorjaarsnota 2021 is een aanvullende investeringsaanvraag van € 21,6 miljoen gedaan voor de volledige scope van het project. De totale raming van de projectuitgaven bedragen daarmee € 43,1 miljoen. Samenwerking De uitvoeringsstrategie is vastgesteld door de stadsregisseur. De tunnel zal gedurende 30 weken volledig dicht gaan. De afweging is vastgelegd en wordt ondersteund met verschillende verkeerskundige onderzoeken. In het traject om te komen tot de uitvoeringsstrategie zijn verschillende stakeholders be- trokken, zoals de Johan Cruijff ArenA, ondernemersorganisaties Evofenedex en Transport en Logistiek Nederland. Verder zijn met de andere stakeholders gesprekken gevoerd om de wensen tijdens en na ® de renovatie in kaart te brengen. De komende tijd horen de stakeholders of hun wensen gehonoreerd gen kunnen worden. Û Hú 2Á Tijd De masterplanning is aangepast op de bestaande budgettaire kaders. Dit leidt tot de volgende planning. DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH Mijl- Stuur- A met A met P50 P85 paal mijlpaal SMP vorige huidige | huidige nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 |Q (wk) | Toelichting Q Q AMSTERDAM ARENATUNNEL 1 01-07-19 |01-07-19 | 0010719 | Oefgerond | | 2_| Projectbesluit 07-02-20 |07-02-20_0\07-0220\__Olafgerond | 2b_|voorkeursbesluit 02-07-20 \02-07-20 |__0 02-07-20 |__nvt afgerond | 3 | Uitvoeringsbesluit 11-11-21 (11-11-21 0 11-11-21 __ Oloptarget 11-11-21 (06-01-21 4 161022161022 | 0 1610-22\ O\optarget _ |3011-22 (03-01-23 5 20-10-23 20-10-23 0201023 O\optarget _ |06-12-23 09-01-24 6 | Volledige vrijgave 25-07-24 | 02-04-24 -16 | 25-07-24 -16 | op target 06-06-24 | 29-07-24 7 _|Acceptatie en overdracht | 24-10-24 | 03-07-24 24-10-24 -16 | op target 06-09-24 | 28-10-24 8 | Einde project 23-01-25 | 02-10-24 23-01-25 -16 op target 13-12-24 | 7-2-2025 Belangrijkste risico's LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN 4 Conflict over het (veilig- 1. Omdat de tunnel niet onder de 1. Eenduidige onderbouwing maken heids)voorzieningenniveau Wet aanvullende regels veiligheid van het gekozen voorzieningenniveau. met stakeholders naar wegtunnels valt, ontbreekt een 2. Verslaglegging van vergaderingen aanleiding van de opgestelde hard toetsingskader. en vastlegging van afspraken. integrale veiligheidsbe- 2. Door doorlopende discussies 3. Parallelliseren van ontwerpwerkzaam- schouwing en het minimale over het voorzieningenniveau kan heden. (veiligheids)-voorzieningen- de scope voor het ontwerp niet niveau met gevolgen voor vastgesteld worden. het ontwerptraject. 2 |De contracten voor de 3. Doordat voor uniformiteit binnen | 1. Gelijktijdig ontwikkelen van de contracten bediening bewaking en het programma wordt gekozen zodat ze op elkaar afgestemd zijn. besturing (3B) enerzijds en is voor het 3B deel leveranciers- | 2. Inbouwen van een verantwoordelijkheid voor de overige scope afhankelijkheid ontstaan. tot afstemming in het contract. (Alliantie) anderzijds sluiten Dit resulteert in twee contracten. | 3. Inbouwen flexibiliteit in het 3B contract niet goed op elkaar aan. 4. Van een dergelijke constructie (op regie), zodat werkzaamheden ook op is beperkte kennis beschikbaar. een later moment passend te maken zijn. 4, Ophalen van kennis over een dergelijke contractuele constructie bij Rijkswaterstaat. 3 Standaard programma- 1. De Arenatunnel is een specifieke | 1. Waar nodig extra capaciteit inzetten. principes zijn niet geschikt tunnel waarop bepaalde pro- 2. Doelmatig proces inrichten voor het of te laat beschikbaar voor grammaprincipes niet toe te afleiden en specifiek maken van eisen de Arenatunnel, met beno- passen zijn. en ontwerpoplossingen. digde ontwerpaanpassingen | 2. De programmaprincipes worden | 3. Parallelliseren van uitwerking systeem- en vertraging in het ontwerp opgesteld vanuit het oogpunt ontwerp (SO) en voorlopig ontwerp (VO). tot gevolg. van de PHT, het uniformeren van deze principes voor het programma kost meer tijd dan verwacht. in : en e El | d ii ee EE ä td k mach an rien iks ES EEL ad = el eng re EE eeh Ean En op Bn ee re ia Ee ï In: Ee le wrtinmms : en _ E Er: nn Ee ee en ’ Mg Er =: re - - EN A hm pn GN WR , mi. _ Di 4 Ë z an KJ pe ka en ir es ni, u s pe : f N rs Ù zi Ï ì Ee Pe Wer 4 np | a P e \ Ë Be Toelichting Management Sinds 30 november voert ENGIE Infra & Mobility in nauw overleg met de tunnelbeheerorganisatie, de onderhoudsaannemer £VO en het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam, iedere nacht werkzaamheden uit in de Michiel de Ruijtertunnel. De tunnel wordt om 22:00 uur gesloten voor het wegverkeer om de tunnelbuizen te voorzien van hittewerende beplating en beweegbare camera's. In de ochtenden wordt de tunnel dagelijks uiterlijk om 6:00 uur weer opengesteld voor het wegverkeer. De uitvoering verliep ook in het eerste kwartaal van 2021 goed, gecontroleerd en volgens planning en de tunnel is zonder uitzondering dagelijks tijdig en veilig opengesteld. In verband met het voorspoedige verloop van de werkzaamheden is besloten om de tunnel niet meer te sluiten tijdens de weekendnach- ten en weggebruikers niet meer hoeven om te rijden. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de werk- zaamheden eerder kunnen worden afgerond (om ook de overlap in de planning met de sluiting van de Piet Heintunnel te verkleinen). De resterende scope-onderdelen (aanpassingen aan de software voor de besturing, bediening en be- waking) zijn samengebracht in een tweede contract. Vanwege de gewenste uniformiteit en technische raakvlakken vindt de uitwerking en realisatie hiervan plaats in nauwe samenhang met het programma- team en het projectteam voor de vernieuwing van de verkeerscentrale. Op dit moment wordt gekeken of het mogelijk is om de software te testen tijdens een tunnelsluiting voor beheer en onderhoud. De verwachting is dat dit enkele weekendsluitingen betreft in 2021 en 2022. Er zijn geen wijzigingen in de scope. Voor het project Aanpassingen Michiel de Ruiijjtertunnel is in totaal circa € 20,2 miljoen aan middelen beschikbaar. Circa € 5,6 miljoen hiervan is gealloceerd als risicovoorzieningen op het niveau van het overkoepelende programma. Inmiddels is voor € 1,9 miljoen aanspraak op deze risicovoorzieningen gemaakt. De samenwerking tussen de tunnelbeheerorganisatie, de onderhoudsaannemer (AVO), het project- team en de opdrachtnemer (ENGIE Infra & Mobility) verloopt constructief. Ook de communicatie bij het dagelijks afsluiten en openstellen van de tunnel verloopt goed. Men weet elkaar goed te vinden en er is goed overleg over en weer. Tijd In de onderstaande tabel is de planning opgenomen waarbij reeds wordt voorgesorteerd op de eerder genoemde benodigde verschuiving van 3B naar 2022, hierdoor loopt mijlpaal 7 achter op planning. Tegelijkertijd zijn de werkzaamheden voor de hittewerende bekleding eerder afgerond en is de tunnel eerder beschikbaar in de nachten. DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH Mijl- Stuur- A met A met P50 P85 paal mijlpaal SMP vorige huidige | huidige nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 |Q (wk) | Toelichting Q Q MICHIEL DE RUIJTERTUNNEL 1 07-0219 |07-02-19 0 07-0219 | Olafgerond | | 2 | projectbesluit El NN 3_|uitvoeringsbesluit 28-11-19 (28-11-19 |___0 28-11-19 | __ Olafgerond | | 4 _| Contractering 31-03-20 31-03-20 | __ 0| 31-03-20 0 5 | Start Uitvoering 30-11-20 30-11-20 | ____0| 30-11-20 0 6 [Volledige vrijgave 30-08-21 | 09-07-21 -7 | 06-08-21 voor op target |21-07-21 | 06-08-21 hittewerende bekleding 7 _|Volledige vrijgave incl. 3B | 30-08-21 | 19-07-22 46 | 28-03-22 16 | achter op target | 12-09-22 | 17-10-22 8 | Acceptatie en overdracht | 30-11-21 | 17-08-22 37 | 04-07-22 6 | achter op target | 20-10-22 01-12-22 9 | Einde project 21-2-22 18-01-23 20-09-22 17 | achter op target | 14-03-23 | 19-04-23 Belangrijkste risico's LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN 4 De installaties kunnen na het | 1. Afspraken of procedures zijn 1. Dagelijkse instructie en maandelijkse uitvoeren van de nachtelijke onvoldoende bekend bij de toolboxen voorafgaand aan de uitvoering. werkzaamheden niet aan- uitvoerders. 2. Wekelijkse stand-up met tunnelbeheer- toonbaar werkend worden 2. Taken en verantwoordelijkheden organisatie om het werk door te spreken. gekregen voor een tijdige zijn onvoldoende afgestemd met | 3. Er is een audit uitgevoerd op het draai- openstelling. Hierdoor kan betrokkenen. boek, waaruit blijkt dat de werkzaam- de tunnel niet of later open. | 3. Er is in de gedetailleerde uit- heden vooralsnog volgens plan en werking van de uitvoering toch planning worden uitgevoerd. Kleine een belangrijk issue over het verbeteringen worden doorgevoerd hoofd gezien, waardoor werk- in de uitvoering. zaamheden onverwachts anders lopen. 2 De huidige omleidingsroute | 1. ‘Omleiding op omleiding’: 1. Kwalitatieve analyse heeft aangetoond (S100) blijkt ontoereikend en het project Singelgracht-garage dat de omleidingsroute het extra verkeer leidt tot hinder voor de stad. wordt gelijktijdig uitgevoerd aan kan. Er wordt extra gemonitord tijdens realisatiefase, met een tijdens uitvoering. omleiding via de S10o. 2. Er worden “smiley-borden” geplaatst 2. Het verkeer op de omleidings- op de Nassaukade i.v.m. klachten van route veroorzaakt overlast bij bewoners over snelrijders. de bewoners. 3 Scope van aanpassingen aan | 1. In verband met raakvlakken 1. Vroegtijdig (en voorafgaand aan op- de besturing en bediening binnen het programma wordt er drachtverleningen) afspraken maken van de tunnel blijft in scope toegevoegd om de Michiel met het programma over de te beweging. de Ruijtertunnel beter te laten realiseren scope. aansluiten op de rest. 2. Tussentijdse herijking van de scope 2. Vanuit de tunnelbeheerorganisatie besturing en bediening van de tunnel komen extra wensen die mogelijk waarbij de ontwikkelingen van de ver- een plek krijgen in het project. nieuwde verkeerscentrale en het project Piet Heintunnel worden meegewogen.
Onderzoeksrapport
27
test
> Gemeente Raadsinformatiebrief Amsterdam Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam Datum 21 november 2023 Portefeuille(s) Volkshuisvesting Portefeuillehouder(s): Zita Pels Behandeld door Directie Wonen (bestuurszaken.wonen@amsterdam.nl) Onderwerp Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap Geachte leden van de gemeenteraad, Met deze brief informeert het college u over het volgende: Het recht op wonen staat sterk onder druk. Er is een grote schaarste aan woningen, terwijl Amsterdam als woon- en vestigingsstad onverminderd populair blijft. Deze oververhitting zorgt ook voor steeds meer misstanden bij de verhuur van woningen. Denk daarbij onder meer aan discriminatie, intimidatie en het oneigenlijk gebruik van servicekosten. Om deze ongewenste praktijken op de woningmarkt tegen te gaan is op 1 juli 2023 de Wet goed verhuurderschap (hierna: de Wet) in werking getreden. Deze wet bevat landelijke algemene regels die een norm stellen voor goed verhuurderschap waar verhuurders en verhuurbemiddelaars naar moeten handelen. Op deze manier worden huurders beter beschermd. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op de Wet goed verhuurderschap. Het college heeft de intentie om strikt te handhaven op overtreding van de Wet. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en transparantie voor zowel de verhuurder als de huurder heeft het college ervoor gekozen om een boetebeleid vast te stellen. In deze brief licht het college het handhavings- en boetebeleid toe. Handhaving via escalatieladder De Wet goed verhuurderschap schrijft voor dat in het kader van de handhaving een zogenoemde escalatieladder wordt toegepast. Daarmee wordt niet alleen ingezet op straffen, maar ook op het stimuleren van naleving en het voorkomen van overtredingen. Het college geeft daar in haar handhavingsbeleid als volgt vitvoering aan: i.__Waar mogelijk zal eerst een gesprek worden gevoerd met de overtreder, tenzij de ernst of spoed ten aanzien van de overtreding zich daartegen verzet; ii. In iedergeval zal, alvorens wordt overgegaan tot oplegging van een bestuurlijke boete, een last onder dwangsom worden opgelegd. De overtreder wordt dan gedwongen binnen een termijn de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden, anders volgt er een dwangsom; ii. Mocht de last onder dwangsom nog steeds niet leiden tot gedragsaanpassing en de verhuurder gaat opnieuw in overtreding dan wordt overgegaan tot oplegging van een Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 21 november 2023 Pagina 2 van 4 bestuurlijke boete. Het kan voorkomen dat een verhuurder of verhuurbemiddelaar vanwege een herhaalde overtreding dan een dwangsom én een bestuurlijke boete moet betalen. Kortom, wanneer wordt overgegaan tot boeteoplegging is de overtreder dus al eerder via een gesprek en vervolgens via een last onder dwangsom op zijn onrechtmatige gedrag gewezen. Uitgangspunten boetebeleid Waar de Huisvestingswet zich focust op de schaarste en de leefbaarheid, daar richt de Wet goed verhuurderschap zich op de bescherming van de huurder. De Wet moet de sterk ongelijke positie van de huurder ten opzichte van de verhuurder nivelleren. Het college schat de overtreder van de normen van goed verhuurderschap daarbij in als een doorgaans professionelere partij dan personen die aan bijvoorbeeld toeristische verhuur doen en overtreding van de Wet hen daardoor ook zwaarder valt aan te rekenen. Desalniettemin wordt gelet op de escalatieladder dus niet direct een boete opgelegd, maar volgt eerst een gesprek en/of een last onder dwangsom. Bijgaande ‘Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap’ voorziet in een boetebeleid bij de verschillende overtredingen op de Wet. De boetenormbedragen in deze beleidsregel zijn anders dan die vanuit de Huisvestingsverordening. Het betreft dan ook twee losstaande regimes waarbij qua boetebepaling ook een andere grondslag geldt. Het juridische verschil in regimes komt verderop in deze brief aan bod. Om boetebedragen binnen de G4 op elkaar aan te laten sluiten is het boetebeleid van Den Haag als basis genomen welke Den Haag reeds in haar verhuurverordening had opgenomen. Ook de boetebedragen in het boetebeleid van de gemeente Utrecht komen hiermee overeen. Tot slot zijn ook, hoewel dus voortvloeiend vit een ander regime, de eerdere kritiekpunten vanuit de rechtsspraak op de boetehoogtes op grond van onze Huisvestingsverordening meegewogen door meer differentiatie toe te passen in het beleid. Hoogte boetenormbedragen Omdat niet iedere opzichzelfstaande verplichting een even erge schending van de normen van goed verhuurderschap oplevert zijn de boetenormbedragen per overtreding gedifferentieerd, waarbij de ernst van de betreffende overtreding in de eerste plaats de hoogte van het boetenormbedrag bepaalt. Zo hebben sommige overtredingen in beginsel vitsluitend een administratief karakter. Het gaat dan om overtredingen behorende tot de informatieverstrekkingsplicht, zoals het niet verstrekken van de contactgegevens over het gemeentelijk meldpunt aan de huurder. Deze administratieve overtredingen kwalificeert het college als minder erge overtredingen, waar ook een relatief laag boetenormbedrag aan wordt gekoppeld. Bij een aantal administratieve overtredingen is de relatie met financieel gewin echter dusdanig groot dat we voor deze overtredingen (toch) kiezen voor een verhoogd boetenormbedrag. Denk daarbij aan overtredingen als het niet leveren van de kostenspecificatie bij servicekosten, die naar hun aard slechts administratief lijken, maar desondanks in de praktijk huurders financieel zwaar kunnen duperen. Ook voor het vragen van een te hoge waarborgsom geldt eenzelfde boetenormbedrag. Het college wil daar hard tegen optreden. Tot slot kwalificeert het college discriminatie, intimidatie en het doelbewust te veel vragen van servicekosten als de meest erge —en bovendien ook de meest ingewikkelde — overtredingen binnen deze Wet. Deze worden om die reden dan ook bestraft met het hoogste boetenormbedrag. Naast de differentiatie naar de ernst van de overtreding kan er in het uiteindelijke boetebedrag nog gedifferentieerd worden naar de mate van verwijtbaarheid. Hiermee wordt aansluiting Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 21 november 2023 Pagina 3 van 4 gezocht bij een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin zij aangeeft dat er in een boetebeleid voldoende onderscheid moet worden gemaakt naar de mate van verwijtbaarheid van de overtreder ten aanzien van een overtreding.* De Afdeling gaat daarbij uit van vier maten van verwijtbaarheid, namelijk verminderde verwijtbaar, normale verwijtbaarheid, grove schuld en opzet. Bij het bepalen van de mate van verwijtbaarheid kunnen dan in ieder geval de volgende omstandigheden meewegen: a. eerdere interventies of overtredingen; b. andere overtredingen in de controleperiode; c. het behaald voordeel met de overtreding; d. de impact/duur van de overtreding; en e. of de overtreding op eigen initiatief is beëindigd. Verder wordt nog onderscheid gemaakt tussen bedrijfsmatig handelen (een verhuurder met meerdere woningen of een verhuurbemiddelaar) en niet-bedrijfsmatig handelen. Reden om in de boetenormbedragen onderscheid te maken tussen bedrijfsmatig en niet-bedrijfsmatig is dat van iemand die bedrijfsmatig handelt ook meer verwacht mag worden. Hoewel de regels voor elke verhuurder gelden en elke verhuurder deze in beginsel ook behoort te kennen, zien we voor diegenen die bedrijfsmatig handelen een extra verantwoordelijkheidsplicht. Buiten de genoemde differentiatiemogelijkheden zijn er ten slotte nog twee aspecten die invloed hebben op het viteindelijke boetebedrag. Zo levert recidive binnen een tijdvak van vier jaar na oplegging van de eerste boete een verdubbeling van het boetenormbedrag op. Daarentegen kan een geringe financiële draagkracht van de overtreder juist weer meegenomen worden om het boetebedrag (verder) te verlagen. Verschil met boetes Huisvestingsverordening De juridische grondslag voor bijgaande beleidsregel (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht) is een andere dan die voor het boetebeleid in de Huisvestingsverordening (artikel 5:46, derde lid, Algemene wet bestuursrecht). In het kader van de Wet goed verhuurderschap laat de landelijke wetgever het aan het college om zelf afwegingen te maken in de hoogte van de boete. In het kader van de Huisvestingsverordening bepaalt de lokale wetgever, namelijk de gemeenteraad, de boetebedragen. Juridisch gezien kan het college de boete dan alleen nog matigen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden, zoals geringe financiële draagkracht, te hoog is. Met dit boetebeleid verwacht het college enerzijds voldoende afschrikwekkende werking te bieden gelet op de bescherming van de huurderspositie en de betaalbaarheid van de woning (doelen 2 en 6 van de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting), maar anderzijds ook voldoende maatwerk te kunnen bieden in het boetebedrag naar gelang de omstandigheden van de overtreding en de overtreder. Voor een uitgebreidere toelichting van het boetebeleid wordt * https://www.raadvanstate.nl/®132031/standaardboete-wet-arbeid-vreemdelingen/ ECLI:NL:RVS:2022:1973 Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 21 november 2023 Pagina 4 van 4 verwezen naar de beleidstoelichting in bijgaande Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap. Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, OCAS Zita Pels Wethouder Volkshuisvesting Bijlagen 1. Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap 2. Boetebeleid Wet goed verhuurderschap Den Haag Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Brief
4
train
27:02-2013 | Naam: | Adres: ee | Postcode: | ” | Betreft: bezwaar tegen exorbitante verhoging binnenhavengeld Amsterdam 2013 Beste gemeenteraad, Op maandag 25 februari 2013 heb ik van Waternet de brlef ontvangen met de mededeling dat het vaarseizoen weer van start gaat. Om af te: magen meren moet ook dit jaar weer binnenhavengeld worden betaald, De kosten van het vignet kon:ik echter niet-geloven. Tot | mijn grote verbazing en schrik heeft de gemeente Amsterdam: besloten een exorbitante | verhoging van: 100% door te voeren. De extra-Inkomsten zouden ten gunste. komen van de | algemene begroting van Amsterdam. | Ek schrijf u deze brief omdat Ik-de gemeenteraad wil verzoeken dit besluit te heroverwegen | en te. kiezen voor een reële verhoging van het binnenhavengeld. Indien hier geen steun voor is en vast wordt gehouden aan-een buitensporige verhoging aanzienlijk verhoging dit in ieder geval geleidelijk in te voeren en hier duidelijk en vroegtijdig over te informeren. | Ik heb-een houten boot en heb jaarlijks aanzienlijke kosten om mijn boot goed te | onderhouden. Met deze exorbitante verhoging van het binnenhavengeld Is voor mij - plezlervaart In Amsterdam niet meer mogelijk. De verhoging van het binnenhavengeld zal voor vele Amsterdammers pleziervaart onmogelijk maken. Het vaarseizoen zal dus voor veel mensen nlet van start gaan. In een stad als Amsterdam is het van groot belang dat er | rulmte is voor inwoners om te kunnen recreëren. Naast de parken speelt het water hierin | een cruciale rol-en dit wordt veel mensen met deze verfioging ontnomen. Ik wil-daarom de. | gemeenteraad vragen de exorbitante verhoging te-heroverwegert en te kiezen voor een | reële verhoging van het binnenhavengeld. | Het is mij:geheel onduidelijk waarom Waternet niet-eerder over de. buitensporige | verhoging het binnenhavengeld heeft gecommuniceerd richting de bootelgenaren in Amsterdam, Graag verneem ik waarom hiertoe Is besloten. Met deze verhoging: wordt ik | indirect-gedwongen:tot verkoop van mijf\ boot. Het Is echter niet reël dat ik mijn boot | verkocht krijg voordat de controle-òp:het-bezit van een vignet van start gaat, oftewel Ik ben. 5 verplicht om het binnenhavengeld voor 2013 te betalen. Dit is wat rij betreft niet | behoorlijk. Ik wil-dan ook pleiten voor uitstel van deze-verhoging en verzoek de | gemeenteraad te besluiten tot een geleidelijke reële verhoging van het binnenhavengeld. Tot slot wil ik aanmerken dat-inmiddels een païkeervergunning in Amsterdam goedkoper is | dan een Ilgplâats voor een boot. Is de-boot de nieuwe melkkoe voorde . ‘ | gemeentebegreting? Dit lijkt me toch niet weriselijk en onnodig. Bostuursdienst Amsterdam} | Directie : | | a akrsnhtina tan nr van sli Datumin:[-3- Gat) | Im afwachting van: uw reactie. Reg ar, zonk „ | ij : Clas. nr: de i | Met vriendelijke groet, | Beh DCT 4 À nome | Acht 5 ter Kenmsriame | ON ja len erteger heh, | US AN | : | ni Fo Lj ; LRZ Sem dd | Î Ì
Raadsadres
1
test
Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg Stelsel in groet ERS & RA 5 Gy | EENS ) WAR N/ / | walen Ke mf AE Sj kij G 4e e 5 i . pe Belbens : Andersson Elffers Felix Maliebaan 16 +31 30 236 30 30 Kamer van Koophandel Postbus 85198 mail@aef.nl 30096560 3508 AD Utrecht www.aef.nl Datum 15 december 2020 Opdrachtgever Ministerie van VWS, BZK, Financiën en JenV, en de VNG Onderzoeksteam Aukje Hilderink, projectleider, a.hilderink@aef.nl Irene Niessen, eindverantwoordelijk partner Annemiek de Nooijer Carmen van Schoubroeck Djoeke Schoonenberg Gillian Lustermans Carlijn van Helmond Lieke Groen Vivian Hemmelder Thijs van den Broek Ruben Jansen Foto voorblad Patricia Rehe / Hollandse Hoogte Referentie GV572/eindrapportage Andersson Elffers Felix Inhoud Stelsel in groei 1 Inleiding: de achtergrond van het onderzoek 4 2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel 7 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume 12 4 Heteffect van preventie en vroegsignalering 17 5 Andere uitgangspunten van de Jeugdwet 22 6 Sturingsmogelijkheden binnen de Jeugdwet 27 7 Mogelijkheden voor het Rijk 32 8 Conclusies en adviezen 35 Bijlagen 44 A Onderzoeksverantwoording 45 B Analyse van kosten, budget en volume 69 C Analysekader boeggolf 97 D Het effect van preventie en vroegsignalering 112 E Resultaten per maatregel 130 GV572 3 Andersson Elffers Felix 1 Inleiding: de achtergrond van het onderzoek De verantwoordelijkheid voor jeugdzorg is sinds 2015 gedecentraliseerd naar gemeenten Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Een van de gedachten achter de decentralisatie was dat gemeenten deze jeugdzorg beter en efficiënter zouden kunnen organiseren, omdat zij dichter bij de jongeren en hun gezinnen staan en daardoor eerder en effectiever voor de juiste zorg zouden kunnen zorgen. Daardoor zou duurdere, meer gespecialiseerde zorg op termijn voorkomen kunnen worden. De afgelopen jaren is er veel discussie over het budget voor de Jeugdwet Direct na de decentralisatie leken de kosten nog stabiel te blijven, maar daarna leken ze eerder toe te nemen dan te dalen. Gemeenten hebben mede hierdoor in de afgelopen jaren te maken gekregen met tekorten. Het Rijk heeft daarop extra geld toegezegd; eerst voor de gemeenten met de grootste tekorten op de nieuwe taken jeugd en Wmo via het Fonds Tekortgemeenten, en later in een extra financiële bijdrage voor jeugd voor alle gemeenten (400 miljoen euro voor 2019, en 300 miljoen euro per jaar van 2020 tot en met 2022). Er is behoefte aan meerjarige zekerheid over het benodigde budget Eerdere onderzoeken! hebben inzicht gegeven in de ontwikkeling van het jeugdhulpgebruik sinds de decentralisatie. Op basis van die onderzoeken was het echter nog niet mogelijk om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe het gebruik en de kosten zich in de komende jaren zullen ontwikkelen: is de stijging in kosten en volume structureel, of is er sprake van een boeggolf-effect? Ook was onvoldoende helder of de Jeugdwet op dit moment doelmatig en doeltreffend wordt uitgevoerd. Daarom was niet duidelijk of er structureel extra middelen nodig waren. Om zowel gemeenten als het Rijk meerjarige zekerheid te geven over het jeugdhulpbudget is dit onderzoek uitgezet. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Rijk en VNG Het onderzoek is uitgevoerd onder gedeeld opdrachtgeverschap van de ministeries van VWS, BZK, Financiën en JenV, en de VNG, Voor het onderzoek zijn een begeleidingsgroep en een stuurgroep samengesteld. Belangrijke keuzes en aannames zijn steeds besproken in de begeleidings- en stuurgroep. In de begeleidingsgroep zaten naast de opdrachtgevers ook enkele leden namens de branches gespecialiseerde zorg voor jeugd (BGZ) en enkele 1 Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten, Significant, 2019; Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019; Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020. GV572 4 Andersson Elffers Felix individuele gemeenten. In de stuurgroep hadden vertegenwoordigers op directeurenniveau van de opdrachtgevers zitting. Het onderzoek is uitgevoerd door onderzoeks- en adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) in samenwerking met het Verwey-Jonker Instituut, Het eindrapport is onder verantwoordelijkheid van AEF tot stand gekomen. Voor het onderzoek hebben we een breed team samengesteld met onderzoekers en adviseurs met kennis van zowel het jeugdstelsel (en knelpunten daarbinnen) als gemeentefinanciën, en brede ervaring met verschillende onderzoeksmethoden. Het Verwey-Jonker Instituut is betrokken om aanvullende kennis op te doen over de kwalitatieve effecten van de onderzochte maatregelen. Centrale vraag in het onderzoek is welk budget structureel nodig is bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet In dit onderzoek stond de vraag centraal of er structureel extra middelen nodig zijn om de Jeugdwet doelmatig en doeltreffend uit te voeren, en welke maatregelen er genomen kunnen worden om de kosten te verminderen. Het onderzoek was daarmee bedoeld als solide basis voor het gesprek over de middelen die structureel nodig zijn voor jeugdhulp? Om dit doel te bereiken zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 1. Hoeveel budget hebben gemeenten structureel nodig voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de huidige Jeugdwet, binnen de context van de transformatiedoelen van de Jeugdwet? 2. Welke (budgettaire) maatregelen kunnen worden genomen om te bereiken dat gemeenten de Jeugdwet doelmatig en doeltreffend uitvoeren? 3. Gegeven de uitkomst van vraag 1), zijn er structureel extra middelen nodig ten opzichte van het huidige budget, en zo ja in welke mate, gegeven een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet? 4. Welke aanpassingen in de Jeugdwet/jeugdstelsel kunnen bijdragen aan een beperking van de uitgaven vanuit de Jeugdwet? In het onderzoek is de huidige uitvoering van de Jeugdwet als vertrekpunt genomen, en zijn mogelijkheden onderzocht om de kosten te verlagen In het onderzoek is het huidige kostenniveau van gemeenten als uitgangspunt genomen. Met diverse onderzoeksmethoden is vervolgens bekeken in hoeverre de kosten verlaagd zouden kunnen worden door maatregelen om doelmatiger te werken, of door aanpassingen aan de Jeugdwet. In overleg met de begeleidings- en stuurgroep hebben we daarbij de volgende scope gehanteerd: — Het doel van het onderzoek is het budget te bepalen dat gemeenten nodig hebben voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet. Dat betekent dat maatregelen uitvoerbaar moeten zijn voor gemeenten. Maatregelen die onvoldoende geoperationaliseerd konden worden of voor gemeenten geen sturingsmogelijkheden ? Het gaat daarbij in dit onderzoek specifiek om het macro-budget, en niet om de verdeling daarvan over gemeenten. Ook lopende discussies over de financieringssystematiek in brede zin, bijvoorbeeld de trap-op-trap-af systematiek, het accres en opschalingskorting vallen niet binnen het bereik van dit onderzoek. GV572 5 Andersson Elffers Felix bevatten, zijn daarom niet meegenomen. Ook maatregelen die naar verwachting niet gekwantificeerd zouden kunnen worden zijn niet meegenomen.” — In het onderzoek is uitgegaan van mogelijkheden binnen de huidige interpretatie van de Jeugdwet. Hoewel we wel gekeken hebben naar specifieke potentiële wetswijzigingen, is niet onderzocht wat het effect zou zijn als de huidige uitgangspunten van de Jeugdwet zouden worden losgelaten. — Binnen dit onderzoek kijken we specifiek naar interventies en effecten op kosten binnen het kader van de Jeugdwet. We beseffen ons dat we de werkelijkheid daarmee sterk versimpelen; inzet in andere wettelijke kaders kan immers invloed hebben op kosten van jeugdzorg, en andersom. Als deze relaties er zijn, beschrijven we ze wel kwalitatief, — Bij de start van dit onderzoek brak de coronacrisis uit. De effecten hiervan op jeugdhulp- gebruik zijn niet meegenomen. Er waren ten tijde van het onderzoek alleen gegevens uit 2019 beschikbaar (vóór de coronacrisis) en er was nog onvoldoende bekend over de effecten van de coronacrisis. Op basis van de cijfers over jeugdhulpgebruik in de eerste helft van 2020 lijkt het jeugdhulpvolume verminderd te zijn,* maar het is nog niet duidelijk wat dit op langere termijn betekent. In bijlage A Onderzoeksverantwoording staat in detail toegelicht hoe het onderzoek is uitgevoerd, en welke keuzes hieraan ten grondslag liggen. In dit rapport beschrijven we de resultaten in de context van de uitgangspunten van de Jeugdwet We hebben een groot aantal aspecten van de (uitvoering van) de Jeugdwet onderzocht om tot een gedegen onderbouwing te komen. Het resultaat is een omvangrijk onderzoek, met een groot aantal details. Voor de leesbaarheid van deze rapportage hebben we geprobeerd deze hoofdtekst zo beknopt mogelijk te houden. De onderbouwing van de hoofdlijnen is te vinden in de bijlagen. We gaan in dit rapport eerst in op de beleidsdoelen en uitgangspunten van de Jeugdwet (hoofdstuk 2). Vervolgens bespreken we in hoofdstuk 3 de ontwikkeling van de kosten in de laatste vijf jaar, en duiden we die aan de hand van ontwikkelingen in het volume. Daarna gaan we nader in op de aanname dat deze kosten na verloop van tijd zouden moeten dalen door inzet van preventie en vroegsignalering (een effect dat ook wel de “boeggolf” wordt genoemd). We staan ook stil bij de andere uitgangspunten bij de Jeugdwet en de invloed die deze hebben op het kostenniveau (hoofdstuk 4 en 5). Vervolgens maken we in hoofdstuk 6 de stap naar de mogelijkheden die gemeenten hebben om kosten te verlagen binnen de bestaande wettelijke kaders, door de Jeugdwet doelmatiger uit te voeren. In hoofdstuk 7 kijken we naar mogelijke aanpassingen aan de wettelijke kaders om het budgettaire beslag van de Jeugdwet te verlagen. Tot slot staan we stil bij de conclusies uit het onderzoek, en de adviezen op basis van de conclusies. > Daarmee is overigens niet gezegd dat deze niet effectief kunnen zijn; wel dat ze binnen de context van dit onderzoek geen bruikbare resultaten opleveren. < https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/44 fruim-1-op-de-12-jongeren-ontvangt-jeugdzorg- in-eerste-helft-2020. GV572 6 Andersson Elffers Felix 2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel Met het grootste deel van de Nederlandse jeugd gaat het goed Over het algemeen gaat het goed met de Nederlandse jeugd. Zo prijkt Nederland al bovenaan de ranglijst voor het welzijn van kinderen sinds het eerste onderzoek hiernaar in 2007.” Deze eerste plaats is vooral te danken aan het mentale welzijn: 90% van de vijftienjarigen is tevreden met zijn of haar leven.® Voor kinderen en jongeren waar het niet goed mee gaat, is er jeugdzorg Niet met alle kinderen gaat het vanzelf goed. Zo zijn er kinderen met een beperking, kinderen met GGZ-problematiek, en gezinnen waarin problemen zijn met opvoeden en opgroeien. Voor deze kinderen is er jeugdzorg. Om te zorgen dat ze kunnen meedoen aan de maatschappij, dat ze kunnen herstellen van mentale problemen, en dat ze veilig kunnen opgroeien. De bedoeling van de Jeugdwet van 2015 was om betere jeugdzorg te bieden voor minder kosten In de afgelopen decennia is er regelmatig discussie geweest over de jeugdzorg en is op verschillende manieren geprobeerd om de jeugdzorg te verbeteren. Het beeld was dat dit werd bemoeilijkt doordat de jeugdzorg versnipperd was over drie verschillende wettelijke stelsels, terwijl preventie bij gemeenten was ondergebracht. Tegelijkertijd namen de kosten tussen 2000 en 2010 toe, wat vragen opriep over de mate waarin de juiste kinderen bereikt werden. Naar aanleiding van de gesignaleerde problemen werd besloten om de jeugdzorg naar gemeenten te decentraliseren. Gemeenten werden verantwoordelijk voor een breed palet aan jeugdzorg, met de bedoeling om op een nieuwe manier te gaan werken. Deze nieuwe werkwijze zou naast een toename van de kwaliteit ook tot een kostenbesparing moeten leiden; daarom hebben Rijk en gemeenten afgesproken om vanaf de decentralisatie in 2015 in drie jaar tijd oplopend 450 miljoen euro te bezuinigen op het jeugdzorgbudget. Naast deze algemene taakstelling zijn ook enkele specifieke kortingen toegepast op het budget.” 5 Worlds of influence, Understanding what shapes child well-being in rich countries, Unicef, 2020; Child well-being in rich countries, A comparative overview, Unicef, 2013; Child poverty in perspective: An overview of child well-being in rich countries, Unicef, 2017. $ Worlds of influence, Understanding what shapes child well-being in rich countries, Unicef, 2020. 1 Het betrof bijvoorbeeld de korting op begeleiding, persoonlijke verzorging en PGB’s, zie bijvoorbeeld Macrobudget Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Algemene Rekenkamer, 2014. GV572 T Andersson Elffers Felix 2.1 De doelen van de Jeugdwet In deze paragraaf gaan we in op de doelen van de Jeugdwet, Om deze beter invoelbaar te maken, hebben we in deze paragraaf ook de ervaringsverhalen van Kim? opgenomen. Kim is een jongere die veel ervaring heeft met jeugdhulp, zowel voor als na de decentralisatie, Zij heeft in eigen woorden en aan de hand van haar eigen historie beschreven waarom zij de doelen belangrijk vindt. De woorden van Kim staan als illustraties bij de tekst, De Jeugdwet gaat meer uit van preventie en de eigen kracht van gezinnen Een van de problemen in de jeugdzorg was dat gezinnen het gevoel hadden dat zij werden ‘overgenomen’ door jeugdzorgmedewerkers waarvan de werkwijze niet aansloot bij het gezin. De jeugdhulp was daardoor vaak minder effectief dan mogelijk. In de nieuwe Jeugdwet stond aansluiten bij de eigen mogelijkheden en het eigen netwerk van het gezin daarom centraal. Door meer uit te gaan van de eigen kracht van het gezin zou Jeugdhulp effectiever kunnen worden, en zou het ook mogelijk worden om sneller af te schalen. Aansluitend op de nadruk op eigen kracht werd er veel nadruk gelegd op preventie. Door gezinnen te versterken vóór problemen optreden, zou de eigen kracht immers beter benut kunnen worden, en problemen voorkomen kunnen worden. “Preventie is een van de belangrijkste dingen. Vroeg bij een probleem zijn, signalen herkennen van psychische problematiek of problemen in de thuisomgeving van een kind. Het kind de kans geven om er zelf aan te werken en zelf er verantwoordelijkheid in te nemen en ervoor te zorgen dat het niet ‘gek’ of ‘raar’ is. Het zou veel schelen als er een vroege herkenning is en het kind samen met de ouders hieraan kan werken bij organisaties in de buurt, die samen met hun en hun netwerk zoeken naar mogelijkheden. Op die manier kan er worden gezorgd voor preventie van ernstige problematiek, vroege herkenning en erkenning van problematiek en een snelle oplossing. Als de eerste mensen hierdoor al kunnen worden opgevangen, vermindert dit de wachttijden in de zorgorganisaties.” Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp Zowel het inzetten op eigen kracht als het inzetten op preventie zouden volgens de beleidstheorie tot lagere kosten voor jeugdzorg moeten leiden, omdat het jeugdhulptrajecten korter maakt of zelfs voorkomt. Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren zijn belangrijke doelen Als één van de oorzaken van het toenemende jeugdhulpgebruik werd de medicalisering van de samenleving genoemd. De indruk bestond dat zaken steeds sneller als probleem ervaren werden, en dat steeds eerder naar oplossingen in professionele hulpverlening gekeken werd. Een uitgangspunt van de Jeugdwet was daarom dat het van belang was om het algemene opvoedkundige klimaat te versterken, en meer de nadruk te leggen op welke gedragingen tot normale aspecten van opvoeden en opgroeien horen. 8 Kim heet in werkelijkheid anders en heeft haar pseudoniem zelf gekozen. GV572 8 Andersson Elffers Felix “Het herkennen van signalen is een heel belangrijk onderdeel, waar meer aandacht aan besteed moet worden. Toen ik 10 jaar oud was heb ik een kuchje ontwikkeld, dagenlang kuchte ik. Hieruit kwam geen medische oorzaak. Dit is wel een signaal wat zou kunnen aangeven dat er iets aan de hand is. Daarnaast is het wegnemen van de zorgen van zowel het kind als de ouders een belangrijk punt. Dit kan door meer begrip te tonen, de ouders en het kind zich op gemak te laten voelen en laten merken dat zij ook hun inbreng mogen geven. Daarnaast is het goed uitleggen aan zowel ouder als kind een belangrijk punt. Ook het normaal maken dat mensen soms ‘anders’ zijn zal in het voordeel werken bij herkenning, erkenning en de omgang met elkaar.” Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren zouden volgens de beleidstheorie tot lagere kosten moeten leiden voor jeugdhulp. Als meer gedrag binnen de bandbreedte valt van wat ‘normaal’ gevonden wordt, leidt dit immers tot minder jeugdhulptrajecten. Er ligt meer nadruk op vroegsignalering Uit de casuïstiek van geëscaleerde situaties bleek dat vaak te lang gewacht was met het inzetten van (de juiste) hulp. Vaak hadden professionals het gevoel dat veel problemen voorkomen hadden kunnen worden als eerder hulp geboden was. Doordat dit niet gebeurde, verergerde de problematiek, en liepen ook de kosten op. Een doel van de Jeugdwet was dan ook om problemen vroeger te signaleren en hierop te handelen, om zo ernstiger problemen te voorkomen. “Hoe eerder de juiste hulp komt, hoe beter het is voor het verhelpen van het probleem. Op het moment dat anorexia bij mij was vastgesteld, werd ik van de een op de andere dag uit een depressiegroep (via de crisisdienst) gehaald en op de wachtlijst bij een eetstoorniskliniek gezet. Het wachten op een behandeling duurde zo lang dat mijn gewicht zo erg was gedaald dat ik in een rolstoel terecht ben gekomen, mijn ruggengraat ieder moment door mijn vel heen zou komen, mijn ongesteldheid uitbleef en ik meer dood dan levend was. Helaas is het niet bij deze ene keer gebleven en ben ik van wachtlijst naar wachtlijst gegaan. Sommige langer dan 2 jaar. Toen ik eindelijk ergens terechtkwam was ik ‘te complex’ waarna ik werd weggestuurd en weer op een wachtlijst kon.” Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp De beleidstheorie van de Jeugdwet heeft als uitgangspunt dat het vroeger bieden van hulp ernstige problemen voorkomt, en daarmee zware jeugdhulptrajecten. Als dat effect optreedt, zorgt het daarmee ook voor een afname van de kosten. De Jeugdwet beoogt integrale hulp met ‘één gezin, één plan, één regisseur’ Zeker bij complexe trajecten bleek dat er vaak sprake was van een groot aantal hulpverleners die aan verschillende — niet altijd samenhangende - doelen werkten. Daardoor sloot geleverde hulp niet altijd op elkaar aan, werd dubbel werk gedaan en gaven hulpverleners soms zelfs tegenstrijdige adviezen. GV572 9 Andersson Elffers Felix Met de decentralisatie van de Jeugdwet werden daarom de budgetten binnen jeugd ontschot: budgetten die voorheen in drie verschillende wetten, vier verschillende financieringsstromen en vier lagen aan uitvoeringsorganisaties belegd waren, kwamen als één budget onder regie van de gemeente. Daarnaast heeft de gemeente ook andere taken in het sociaal domein, waardoor ook op die vlakken meer aansluiting gezocht kon worden. “Instanties kunnen heel veel bieden, veel therapie geven, veel tips meegeven en het goede voorbeeld geven, maar zolang er thuis niets verandert, helpt dit allemaal niet. Tijdens mijn zware depressie wilde de crisisdienst mij opnemen. Mijn ouders waren hier erg op tegen en begonnen met 24/7 bewaking/mantelzorg. Helaas kwam er maar één keer per week thuishulp, dit is veel te weinig in vergelijking met de hoeveelheid zorg die mijn ouders moesten regelen, waarmee zij geen enkele ervaring hadden. Later hebben wij aangegeven graag familietherapie te willen, om elkaar beter te begrijpen. In het begin was ik niet stabiel genoeg. Vijf jaar na de aanvraag en drie instanties later kreeg ik de vraag of ik het nog steeds wilde want het was doorgegeven. Ik ben ondertussen het huis uiten het is niet meer nodig. Maar als het gelijk was gegeven hadden wij veel sneller onderling begrip kunnen hebben en met elkaar op één lijn kunnen zitten.” Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp Een doel van de Jeugdwet was om jeugdhulp door meer integraal te werken efficiënter en effectiever te maken, en daarmee ook een kostenbesparing te bewerkstelligen. Een uitgangspunt is dat professionals meer ruimte hebben om de juiste hulp te bieden Het laatste knelpunt dat de Jeugdwet wilde oplossen, is dat professionals veel last hadden van regeldruk, en weinig ruimte voelden om de juiste hulp te bieden. Daardoor werd de geboden hulp meer gedicteerd door regels en richtlijnen dan door het inzicht van de professional over wat er in een bepaalde situatie nodig was. Een van de doelen van de Jeugdwet was om professionals meer ruimte te geven voor een eigen professionele afweging. “Helaas is het zo dat de professionals een groot deel van hun tijd doorbrengen met het maken van verslagen en het regelen van passende therapieën die ‘toegestaan’ zijn. Doordat dit zo’n groot deel van hun dagen inneemt, is er minder tijd om langere één op één gesprekken te voeren, te kijken naar opties die bij de persoon passen in plaats van bij het lijstje dat ze mogen aanbieden en het inschakelen van hulp in de buurt. Het is zelfs zo erg dat er op dit moment soms voor een ‘makkelijke’ weg wordt gekozen. Ik heb meegemaakt dat als ik een bepaalde therapie wilde doen ik vanaf die dag de diagnose borderline zou hebben. Geen onderzoeken waren nodig, geen andere opties. Als ik het wilde had ik vanaf die dag borderline. Het is veel belangrijker dat er wordt gekeken naar de behoefte van de persoon dan naar de behoefte van de mensen die betalen en het maken van verslagen.” Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp GV572 10 Andersson Elffers Felix Met meer ruimte om eigen afwegingen te maken zouden professionals passender hulp kunnen bieden en ook beter in staat moeten zijn om de eigen kracht van het gezin te benutten. Hiermee zou de jeugdhulp effectiever worden, terwijl onnodige hulp geschrapt kan worden, en de kosten verlaagd worden. Er zijn stappen gezet richting de inhoudelijke doelen van de Jeugdwet, maar de praktijk is weerbarstig De inhoudelijke doelen van de Jeugdwet zoals bovenstaand beschreven, waren ambitieus. In de eerste evaluatie van de Jeugdwet in 2018° werd geconcludeerd dat de transformatiedoelen grotendeels nog vorm moesten krijgen. Er waren voorbeelden waarbij stappen gezet werden in de richting van de transformatiedoelen, maar de oorspronkelijke doelstellingen waren zeker nog niet behaald. In de jaren daarna is vanuit de ministeries van VWS en JenV samen met het veld geprobeerd de transformatie te versnellen middels het actieprogramma Zorg voor de Jeugd, met als doel “de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering merkbaar en meetbaar steeds beter te maken voor kinderen, jongeren en gezinnen, zodat ze op tijd passende hulp ontvangen. Daarom gaan we kinderen, jongeren en gezinnen beter ondersteunen tijdens de levensloop van het kind (thuis, uitwonend, op school en bij 18 jaar) én gaan we investeren in het vakmanschap van jeugdprofessionals.”® In de voortgangsrapportages van het programma wordt benoemd dat er wel stappen worden gezet, maar ook dat er nog stappen te zetten zijn, en dat de gevraagde beweging “complex en taai” is! De financiële doelen van de Jeugdwet zijn niet bereikt Naast de inhoudelijke doelen bevatte de Jeugdwet ook een daaruit resulterend financieel doel: het verminderen van de kosten door doelmatiger en doeltreffender te werken. In de afgelopen jaren hebben steeds meer gemeenten zich gemeld met financiële problemen en aangegeven beperkt grip te hebben op de kosten in het sociaal domein. * Daarbij worden specifiek de jeugdhulpkosten benoemd als grootste zorgenkind. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op de kwantitatieve ontwikkeling van de jeugdzorg. ° Eerste evaluatie Jeugdwet, ZomMW, 2018. 1 Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, VWS, 2018. H Tweede voortgangsrapportage Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, 2020. 2 Rapportages Visitatiecommissie Financiële Beheersbaarheid Sociaal Domein, 2019 en 2020. GV572 11 Andersson Elffers Felix 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume De kosten zijn gestegen van 3,6 miljard euro in 2015 tot 5,4 - 5,6 miljard euro in 2019 Om te bepalen hoe groot het structurele tekort is, is in dit onderzoek (in afstemming met de stuurgroep) 2019 als basisjaar genomen. In het onderzoek hebben we echter ook gekeken hoe de kosten en het budget zich sinds 2015 ontwikkeld hebben. Daarbij zijn niet alleen de kosten voor individuele voorzieningen meegenomen, maar ook de meerkosten voor toegang en voorliggend veld. Dit zijn de extra kosten die gemeenten sinds de decentralisatie gemaakt hebben in de toegang en het voorliggend veld (inclusief preventie), vaak met als doel kosten te besparen op individuele voorzieningen. We zijn in het onderzoek uitgegaan van de kosten die gemeenten maken; daarmee was de financiële positie van aanbieders geen onderdeel van het onderzoek. In onderstaande grafiek zijn de kosten en het budget (exclusief tijdelijke middelen) voor jeugdzorg in de periode 2015-2019 weergegeven. De uitgangspunten, methoden van achterliggende berekening en uitkomsten van de analyse zijn nader toegelicht in bijlage B Analyse van kosten, budget en volume. 6 20,2 5 20,3 (er 20,2 ve 4 n OK) eo 00 Ji 2 1 0,5 5 3 Pe 2 Af z Lm; ’ =z 2 3,9 d cp] 3,3 1 0 2015 2016 2017 2018 2019 zee Meerkosten voorliggend veld (max) mm Meerkosten voorliggend veld (min) EB Kosten Individuele voorzieningen —_— Budget Figuur 1 Kosten en budget voor jeugdhulp tussen 2015-2019. De kosten zijn uitgesplitst in de kosten voor individuele voorzieningen, en de meerkosten voor toegang en voorliggend veld. GV572 12 Andersson Elffers Felix Vanaf 2017 is een duidelijke stijging zichtbaar in de kosten. Vanaf dat jaar loopt het verschil tussen kosten en budget verder op. De stijging vindt zowel plaats bij de individuele voorzieningen als bij de toegang en voorliggend veld. In 2019, het basisjaar voor de analyses, liggen de totale kosten tussen de 5,4 en 5,6 miljard euro. Het budget in dat jaar was 3,8 miljard euro.” Daarmee ligt de basis voor het tekort tussen de 1,6 en 1,8 miljard euro. Het aantal cliënten per jaar is met 16% gestegen sinds 2015 De cliëntaantallen voor jeugdzorg worden verzameld en gepubliceerd door het CBS, op basis van gegevens van instellingen. Voor dit onderzoek zijn we niet uitgegaan van de gepubliceerde gegevens op StatLine, maar van achterliggende microdatabestanden. Daarmee was het mogelijk om correcties uit te voeren voor onvolledige gegevens en analyses te doen op cliëntniveau. In bijlage A.3 Microdata is een meer gedetailleerde beschrijving van de gehanteerde werkwijze te vinden. In de onderstaande grafiek is voor 2015 tot en met 2019 weergegeven hoeveel cliënten er per jaar jeugdzorg kregen. 50 40 5 Z 30 iv KS) @ [en] 2 20 @ d 10 5 LL mann en Jeugdhulp Jeugdbescherming Jeugdreclassering m2015 M2016 M2017 m2018 2019 Figuur 2 Aantal cliënten per jaar in jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het aantal cliënten per jaar dat gebruik maakt van jeugdzorg is sinds 2015 met 16% gestegen. De stijging van het aantal cliënten in jeugdzorg wordt veroorzaakt door jeugdhulp, in het bijzonder jeugdhulp zonder verblijf, Dit is verreweg de grootste groep cliënten, en de stijging in deze groep was procentueel het grootst, 5 Na overheveling van het jeugdbudget naar de Algemene Uitkering in 2019 hebben wijzigingen op de algemene mutaties plaatsgevonden, die ook invloed hebben gehad op de omvang van het jeugdhulpbudget. In dit onderzoek gaan we uit van het budget na deze bijstellingen. Omdat we in dit onderzoek kijken naar het structurele tekort, zijn de tijdelijke extra middelen (400 miljoen euro in 2019) niet meegenomen. GV572 13 Andersson Elffers Felix Voor jeugdbescherming namen de cliëntaantallen eerst af, maar deze nemen nu weer licht toe, waardoor het niveau nu bijna even hoog is als in 2015. Het beeld dat het gebruik van jeugdbescherming daalt, wordt hierdoor niet bevestigd. Het aantal cliënten jeugdreclassering is met 20% gedaald sinds 2015. In bijlage B Analyse van kosten, budget en volume is de ontwikkeling voor verschillende soorten jeugdzorg uitgesplitst weergegeven. De stijging komt niet door stijgende instroom, maar door achterblijvende uitstroom Om nader te onderzoeken waardoor de stijging veroorzaakt wordt, hebben we gekeken naar de in- en uitstroom per jaar. In de onderstaande grafiek is voor elk jaar sinds 2015 de in- en uitstroom van cliënten in jeugdzorg weergegeven. Daarbij tellen we een cliënt als instroom in een jaar als deze in dat jaar een vorm van jeugdzorg kreeg, en in het jaar ervóór niet. 16 14 12 S © 10 S iv U 8 @ [en] @ 5 6 d 4 2 0 2015 2016 2017 2018 2019 EB Instroom totaal jeugdzorg m Uitstroom totaal jeugdzorg Figuur 3 In- en uitstroom van cliënten in jeugdzorg tussen 2015 en 2019. In deze grafiek vallen twee zaken op: — Ten eerste is de instroom redelijk stabiel. Naar aanleiding van de extra inzet op vroegsignalering zou echter een stijging verwacht worden. Meer vroegsignalering zou immers tot uiting moeten komen in een hogere instroom van vroeggesignaleerde kinderen. Dit lijkt vooralsnog niet het geval te zijn. De toename van preventie en vroegsignalering is dus wel zichtbaar in de kosten voor het voorliggend veld (zie Figuur 1), maar niet in de instroom in jeugdhulptrajecten. — Ten tweede valt op dat de uitstroom consequent lager is dan de instroom, dus dat in elk jaar in de periode 2015-2019 meer jeugdigen de jeugdzorg instromen dan uitstromen. Dit betekent in combinatie met een constante instroom dat jeugdigen steeds langer in jeugdzorg blijven. In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, wordt de stijging in cliëntaantallen dus niet veroorzaakt door toenemende instroom, maar door achterblijvende uitstroom. GV572 14 Andersson Elffers Felix De kosten per cliënt per jaar zijn met 16% gestegen sinds 2015 De stijging in het aantal cliënten door de langere trajectduur is niet de enige verklaring voor de stijging in de totale kosten. Ook de kosten per cliënt per jaar zijn veranderd. Onderstaande grafiek geeft de ontwikkeling van de gemiddelde kosten per cliënt per jaar weer!“ In 2015 lagen deze kosten (inclusief loon- en prijsstijging) op € 8.118 per cliënt. 140% 120% LO o 100% TE & 0 = eo > 80% S iv z 5 60% jen S U 3 40% hd 20% 0% 2015 2016 2017 2018 2019 Figuur 4 De ontwikkeling van de gemiddelde kosten per cliënt in jeugdzorg tussen 2015 en 2019. Het percentage is ten opzichte van de gemiddelde kosten per cliënt in 2015. De kosten per cliënt per jaar zijn gestegen van € 8.118 in 2015 naar € 10.354 in 2019. Dit is een stijging van 16% als gecorrigeerd wordt voor loon- en prijsbijstelling. Om die stijging te duiden, hebben we onder andere gekeken naar de ontwikkeling in aantal cliënten in jeugdhulp per zorgvorm.*® De kosten van ambulante jeugdhulp zijn immers beduidend lager dan van bijvoorbeeld jeugdzorg-plus, dus een verschuiving van lichtere naar zwaardere vormen van jeugdhulp kan leiden tot stijgende kosten per cliënt. Dit lijkt niet het geval: vooral het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf is gestegen, en dat is een relatief lichte vorm van jeugdhulp. Het feit dat cliënten langer in jeugdzorg zitten, kan de stijging deels verklaren. Aanvullend daarop is de meest waarschijnlijke verklaring dat de intensiteit van trajecten is toegenomen. Met de beschikbare gegevens is deze veronderstelling echter niet te verifiëren. Een andere mogelijke oorzaak is dat de gemiddelde tarieven harder zijn gestegen dan de loon- en prijsbijstellingen, ofwel door prijsverhogingen in de contractering, ofwel door een andere productstructuur die zorgt voor een hogere gemiddelde prijs. 4 Deze gemiddelde kosten zijn bepaald door de jaarlijkse kosten voor individuele voorzieningen te delen door het totaal aantal cliënten in jeugdzorg (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering samen). 5 Zie Duiding van kosten aan de hand van ontwikkeling in kosten per cliënt in bijlage B Analyse van kosten, budget en volume. GV572 15 Andersson Elffers Felix Het mediane inkomen van gezinnen met jeugdhulp stijgt In eerder onderzoek is geconstateerd dat verschillende factoren een verklaring kunnen geven voor de stijging in het jeugdhulpvolume.! In dit onderzoek hebben we gekeken hoe die factoren zich in de afgelopen jaren verder ontwikkeld hebben. Daarmee krijgen we ook een indruk van het type jeugdigen dat gevonden wordt, en de vraag of sinds de decentralisatie bepaalde specifieke doelgroepen beter worden bereikt. We hebben daarom onder andere gekeken naar het mediane inkomen van het huishouden van jeugdigen die per jaar in jeugdhulp instromen. Daaruit is gebleken dat het mediane inkomen van gezinnen met jeugdhulp weliswaar lager ligt dan het mediane inkomen in Nederland, maar in de afgelopen jaren voor jeugdhulp zonder verblijf wel harder gestegen is, Er zijn dus niet meer jeugdigen uit gezinnen met lage inkomens bereikt. Deze resultaten wijzen er juist op dat er voor de lichte zorgvormen eerder een verschuiving heeft plaatsgevonden naar huishoudens met een hoger inkomen, in plaats van naar huishoudens met een lager inkomen. Verder hebben we geanalyseerd hoeveel van de jeugdigen die jeugdhulp instromen afkomstig zijn uit een aantal kwetsbare groepen: jongeren in bijstandsgezinnen, eenouderhuishoudens, en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Dit percentage veranderde tussen 2015 en 2018 nauwelijks.” We zien in de gegevens dus geen aanwijzing dat gemeenten deze kwetsbare groepen beter bereiken dan in de periode vóór de Jeugdwet. 16 Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019. H Ten tijde van dit onderzoek waren nog niet alle benodigde gegevens over 2019 beschikbaar. Voor deze analyse is daarom gebruik gemaakt van de data van 2018. GV572 16 Andersson Elffers Felix 4 Het effect van preventie en vroegsignalering Een aanname in de Jeugdwet was dat ‘er eerder bij zijn’ op termijn kosten bespaart Een van de uitgangspunten van de Jeugdwet was dat inzet op preventie en vroegsignalering escalatie van problemen van jeugdigen kan voorkomen, waarmee op termijn zwaardere jeugdhulp vermeden kan worden. Naast de positieve effecten die deze beweging zou hebben op het welzijn van kinderen en gezinnen was de verwachting dat dit op termijn ook tot een kostenbesparing zou leiden in de Jeugdwet. Deze inzet zou een ‘boeggolf’ aan kosten moeten veroorzaken alvorens de kosten dalen Door stevig in te zetten op preventie en vroegsignalering, zou het kostenniveau eerst stijgen, en op termijn dalen. De inzet op preventie vraagt immers investeringen die veelal pas op langere termijn jeugdhulp voorkomen. Ook zou het volume in lichte jeugdhulp in eerste instantie stijgen, doordat problematiek eerder wordt gesignaleerd en de instroom in jeugdhulp voor met name lichte trajecten eerst toeneemt. Op termijn zou deze inzet moeten zorgen voor een daling in met name de zwaardere jeugdhulptrajecten. Omdat deze trajecten relatief hoge kosten hebben, zou deze daling op termijn ook tot minder kosten in de jeugdzorg moeten leiden. Deze ontwikkeling is in de afgelopen jaren regelmatig ‘de boeggolf” genoemd. Het blijkt dat naar de boeggolf nog weinig onderzoek is gedaan. In het onderzoek hebben we deze boeggolf nader geanalyseerd om het mogelijke effect op de kosten te kunnen bepalen. Het analysekader dat ten grondslag lag aan deze analyses is opgenomen in bijlage C Analysekader boeggolf. Een uitgebreide toelichting op de resultaten is te vinden in bijlage D Het effect van preventie en vroegsignalering. Hieronder beschrijven we de aanpak en resultaten van de analyse op hoofdlijnen. We hebben onderzocht hoeveel tijd en investeringen er nodig zijn voor een transitie De beoogde transformatie vraagt van gemeenten onder andere het ontwikkelen van nieuw effectief jeugdbeleid, nieuwe werkwijzen, nieuwe samenwerkingen en een nieuwe infrastructuur. Om dit te bereiken, is nodig dat gemeenten meerdere cycli in een lerend proces doorlopen, waarbij steeds de effecten van beleid worden geëvalueerd en (grote of kleine) aanpassingen worden gedaan. In het onderzoek hebben we gekeken hoeveel van deze cycli gemeenten al doorlopen hebben, hoe lang een dergelijke cyclus gemiddeld duurt en in hoeverre gemeenten daarmee de resultaten bereikt hebben die ze met hun beleid beogen. Veel gemeenten hebben daarbij aangegeven in de komende vijf jaar nog een grote verandering in haar jeugdhulpbeleid te voorzien. Op basis van het stadium waar gemeenten zich nu in bevinden, schatten we in dat de transitie gemiddeld ongeveer tien jaar in beslag zal nemen, gerekend vanaf de decentralisatie in 2015. GV572 17 Andersson Elffers Felix Deze transitie brengt gedurende die periode van tien jaar extra kosten met zich mee. Daarbij gaat het niet alleen om de eerder genoemde jeugdhulpspecifieke kosten voor de ‘boeggolf’, maar ook om kosten die onlosmakelijk verbonden zijn met een grote transitie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het ontwikkelen en aanscherpen van nieuw beleid, het opzetten van een nieuwe infrastructuur of inefficiënties doordat medewerkers zich een werkproces nog eigen moeten maken. In het onderzoek ‘Zorgkeuzes in Kaart’ is op basis van een aantal cases geconstateerd dat de kosten voor grote transities gemiddeld ongeveer 1,5% van het basisbudget bedragen gedurende de looptijd van de transitie? Hoewel het huisvestingsvraagstuk in de jeugdzorg groter is dan in de beschreven cases, zijn er voldoende overeenkomsten met de transitie in het jeugddomein om dit percentage te kunnen hanteren voor de algemene transitiekosten. Daarmee komen de transitiekosten op 56 miljoen euro per jaar. Voor het bepalen van het structurele tekort worden de transitiekosten van de totale kosten afgetrokken. Uit het volumeonderzoek blijkt dat een eventuele boeggolf slechts gedeeltelijk gestart is De boeggolf veronderstelt tijdelijk een verhoogde instroom in jeugdzorg. Uit het vorige hoofdstuk blijkt echter dat de instroom in de afgelopen jaren niet gestegen is, Wel is een toename te zien in de kosten voor het voorliggend veld en lokale teams. Hieruit kan geconcludeerd worden dat vroegsignalering (het eerder aanbieden van een jeugdhulptraject om erger te voorkomen) beperkt plaatsvindt, en dat vooral geïnvesteerd is in lokale teams en voorliggend veld. In het onderzoek hebben we het effect van preventie en vroegsignalering onderzocht Om te bepalen of er sprake is van een boeggolfeffect, en wat dit betekent voor de ontwikkeling van het jeugdhulpgebruik, hebben we effecten van preventie en vroeg- signalering onderzocht. Via onder andere interviews en werksessies met experts en literatuurstudie hebben we gekeken wat er nodig is om preventie en vroegsignalering te laten werken, hoe groot het effect op het jeugdhulpvolume zou kunnen zijn en hoe lang het naar verwachting zou duren voordat die effecten zichtbaar worden. Omdat vroegsignalering nog maar beperkt plaatsvindt en effecten mogelijk pas na enkele jaren zichtbaar zijn, zijn effecten van preventie en vroegsignalering binnen het Nederlandse stelsel nog niet goed empirisch te onderzoeken. Om de effectiviteit scherper in beeld te krijgen en daarbij ook een indicatie te krijgen van de bijbehorende kosten hebben we daarom een analyse gedaan naar bewezen effectieve interventies, om zo het onderzoek te kunnen baseren op wetenschappelijk onderzochte gegevens. Voor goede preventie en vroegsignalering zijn naast een sterke basis ook interventies nodig Uit het onderzoek komt naar voren dat twee thema’s van belang zijn voor effectieve preventie en vroegsignalering: een sterke basis en effectieve interventies. Bij de sterke basis gaat het bijvoorbeeld om aanwezigheid in de natuurlijke omgeving, verstevigen van de samenwerking tussen onder andere onderwijs en het lokaal team, en het monitoren en analyse van jeugdhulpgebruik om de gerichte inzet te verbeteren. B Zorgkeuzes in Kaart, CPB, VWS en Financiën, 2020. GV572 18 Andersson Elffers Felix Die sterke basis op zichzelf is echter nog niet voldoende om problematiek te voorkomen of verminderen. Vroeg signaleren dat een kind problematiek ontwikkelt en weten wat er nodig is in termen van preventie in een bepaalde doelgroep zijn belangrijke basisvoorwaarden, maar vervolgens moet er een interventie ingezet wordt om daadwerkelijk een verandering teweeg te brengen. Dat betekent dat naast de sterke basis ook de juiste interventies beschikbaar moeten zijn. Van veel interventies is het effect niet bekend, dus baseren we het onderzoek op bewezen effectieve interventies Omdat interventies een noodzakelijke voorwaarde zijn om op termijn jeugdhulpgebruik te kunnen verminderen, hebben we in dit onderzoek gekeken wat het effect is dat met interventies bereikt kan worden binnen de Jeugdwet. Daarbij hebben we specifiek gekeken naar bewezen effectieve interventies, omdat het effect daarvan bekend is. Daarmee is niet gezegd dat interventies die niet bewezen effectief zijn, niet zinvol zouden zijn. Veel interventies zijn simpelweg niet of niet voldoende onderzocht. In dit onderzoek zijn we er wel vanuit gegaan dat de bewezen effectieve interventies een goede indicatie kunnen bieden van het potentiële effect, aangezien het niet voor de hand ligt dat niet-onderzochte of niet- bewezen interventies gemiddeld effectiever zijn. De problematiek is weerbarstig: interventies werken maar bij een deel van de kinderen Als een interventie wordt ingezet bij verschillende kinderen of gezinnen, zal deze in sommige situaties wel tot een verbetering leiden, en in andere niet. Tegelijkertijd zijn er ook situaties waarbij de problematiek ook zonder interventie vanzelf verdwenen was. Een interventie is dus niet in alle gevallen effectief, Op basis van de beschikbare informatie over de bewezen effectieve interventies kunnen we een inschatting maken van hoeveel kinderen/gezinnen gemiddeld genomen de interventie moeten krijgen, om in één casus tot een verbetering te leiden. Bij veel preventieve interventies blijkt het om ongeveer acht kinderen te gaan: van iedere acht kinderen/gezinnen waar de interventie wordt aangeboden, zal er bij één een verbetering optreden ten gevolge van de interventie. Verbetering’ betekent daarbij niet automatisch dat er ook een (deel van een) jeugdhulptraject voorkomen wordt: het vasthouden van gedragsverandering over langere tijd is niet gemakkelijk, en het effect van interventies wordt meestal alleen direct na de interventie gemeten. Dat veel preventieve interventies in de jeugdzorg in zeven van de acht gevallen niet tot een verbetering leiden, betekent niet dat interventies gericht op preventie en vroegsignalering niet zinvol zijn. Het verloop van jeugdhulpproblematiek is nu eenmaal onvoorspelbaarder dan (om even een erg simpel voorbeeld te nemen) het verloop van herstel na een gebroken been, Het is niet op voorhand bekend bij welke kinderen de problematiek vanzelf overgaat, en bij welke het juist erger wordt. En hoewel voor de meeste interventies wel bekend is voor welke groepen ze gemiddeld meer of minder goed werken, is de werking op individueel niveau niet te voorspellen. Uiteraard ontwikkelt onderzoek naar effectieve jeugdhulp zich nog steeds, en is het denkbaar dat er effectievere interventies ontwikkeld worden. Gezien de effectiviteit van interventies in de volwassen-GGZ, is het echter niet aannemelijk dat in de komende decennia de effectiviteit van interventies over de hele linie dusdanig verbetert dat het de uitkomsten van deze analyse verandert. GV572 19 Andersson Elffers Felix De kosten van veel interventies zijn hoog in verhouding tot de voorkomen jeugdhulp- trajecten Interventies zijn vaak gericht op het voorkomen of oplossen van problematiek, maar niet direct op het voorkomen van jeugdhulp op een later moment. Dat kan uiteraard wel een gevolg zijn, maar is zeker geen vanzelfsprekendheid. Naast de groep waarvan de problematiek vanzelf weer overgaat, is er immers ook een groep waarvoor dat niet geldt, maar die desondanks nooit in jeugdhulp terecht zou zijn gekomen. Ook als een interventie bij één op de acht kinderen de problematiek vermindert, betekent dit dus niet voor één op de acht kinderen ook een besparing. Daarnaast kosten de interventies zelf ook geld. Hoewel ook de kosten per interventie sterk verschillen, maakt onderstaand rekenvoorbeeld duidelijk dat het over het algemeen lastig is om een besparing te genereren op basis van preventie, Rekenvoorbeeld. Gemiddeld genomen moet een preventieve interventie bij acht kinderen ingezet worden, om in het meest gunstige geval bij één kind een jeugdhulp- traject te voorkomen. Op basis van een aantal effectieve interventies zien we dat de kosten gemiddeld rond de 2.000 euro per kind zijn. Dat betekent dat er acht keer 2.000 euro geïnvesteerd moet worden, om mogelijk een jeugdhulptraject te voorkomen. Dat betekent dat de inzet van deze preventie binnen de Jeugdwet zelfs in het meest gunstige geval alleen kosten bespaart als dat voorkomen jeugdhulptraject minimaal 16.000 euro kost. De meeste jeugdhulptrajecten zijn goedkoper dan dat. Er is een grote latente vraag naar jeugdhulp Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar zorg in een land met hoge welvaart de neiging heeft om relatief onbegrensd te zijn.” Dat geldt zeker ook voor jeugdhulp. Opvoeden en opgroeien is uitdagend: de (peuter)puberteit is niet voor niets een veelvoorkomend onderwerp in lectuur voor ouders, en welke tiener voelt zich nooit neerslachtig? Op dit moment maakt ongeveer 12% van de kinderen en jongeren gebruik van jeugdhulp, maar de geschatte prevalentie van verschillende DSM-classificaties ligt nog hoger dan dat. Er is dus een latente vraag naar jeugdhulp van kinderen en jongeren die zonder preventie en vroegsignalering nooit in jeugdhulp terecht zouden komen. Een toename van jeugdhulp kan zelfs onbedoeld een zichzelf versterkend effect hebben. Naarmate meer jeugdhulp gebruikt wordt, bestaat namelijk ook het risico dat de latente vraag nog verder toeneemt, aangezien mensen, waaronder ook jongeren, geneigd zijn hun welzijn af te zetten tegen het welzijn van anderen. Naarmate het welzijn in de samenleving verbetert, stijgt tegelijkertijd ook de wens om meer mensen aan diezelfde normen te laten voldoen. Hogere welvaart leidt dus vrijwel als vanzelf tot hogere druk op publieke voorzieningen. In de jeugdhulp kan dat verschijnsel ook tot uiting komen, als een toenemend welzijnsniveau ertoe leidt dat steeds minder problemen gezien worden als ‘normaal’ onderdeel van opgroeien en opvoeden. In dat geval is er dus sprake van een glijdende schaal, die steeds meer kosten met zich meebrengt. 1 Zo geeft het CPB aan dat 2,0 %-punt van de jaarlijkse groei van zorguitgaven verklaard kan worden door toenemende welvaart, in lijn met studies naar de relatie tussen inkomen en zorg. CPB, Gezondheid loont: Tussen keuze en solidariteit, 2013. GV572 20 Andersson Elffers Felix Jeugdzorg heeft voor veel kinderen meerwaarde, maar het is niet goed te voorspellen welke kinderen het echt nodig hebben Jeugdzorg biedt voor veel kinderen, jongeren en gezinnen manieren om problematiek op te lossen of ermee om te leren gaan, en daarmee om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij. Hoewel er zeker ook negatieve ervaringen met jeugdzorg zijn, biedt de sector als geheel een belangrijke bijdrage aan het welzijn en de ontplooiingsmogelijkheden van gezinnen en kinderen, en is ze in sommige gevallen zelfs levensreddend. Voor een doelmatige uitvoering is er echter een inherent selectieprobleem: — Enerzijds is het lastig om te voorspellen welke interventie bij welk kind baat heeft. De huidige stand van de wetenschap is niet dusdanig dat op cliëntniveau met hoge mate van zekerheid een passende interventie geselecteerd kan worden. — Belangrijker nog is dat problematiek bij een groot deel van de kinderen en jongeren ook zonder jeugdzorg overgaat of op een niveau blijft dat het hun ontwikkeling niet schaadt, terwijl het bij anderen juist zo erg wordt dat in later stadium zware jeugdzorg nodig is. Op voorhand is slecht te voorspellen welk kind bij welke groep hoort, en dus welk kind echt jeugdhulp nodig heeft. Algemeen kan op basis van de analyse gesteld worden dat vroegtijdige interventies meer kans hebben om tot een kostenbesparing te leiden naarmate zij effectiever zijn en als ze zich richten op die groep van kinderen, jongeren en gezinnen die later grotere problemen ontwikkelen. De vraag hoe deze selectie goed plaats kan vinden, is echter nog onbeantwoord. Er eerder bij zijn heeft nut - maar leidt niet tot een besparing binnen de Jeugdwet Op basis van deze analyse is de conclusie van dit onderzoek dat de inzet van preventie en vroegsignalering niet kan leiden tot een structurele besparing binnen de Jeugdwet. Daarmee is niet gezegd dat preventie en vroegsignalering niet waardevol zijn; ze kunnen in veel gevallen leiden tot een verhoging van de kwaliteit van leven, zonder dat ze bijdragen aan een lager kostenniveau binnen de Jeugdwet. Ook is het goed mogelijk dat preventie en vroegsignalering leiden tot vermindering van kosten in andere wettelijke kaders. Voor kinderen speelt de factor tijd een belangrijke rol. Voor een probleem dat na twee jaar vanzelf weer overgaat, speelt niet alleen de ziektelast mee, maar in sommige gevallen ook een leerachterstand die niet meer in te halen is. Preventie en vroegsignalering bij kinderen kan dus lonen, ook bij problemen na verloopt van tijd vanzelf weer overgaan. Het veronderstelde (tijdelijke) ‘boeggolfeffect’ is dus eerder een (structurele) ‘verhoging van het waterpeil’ De aanname dat er eerder bij zijn leidt tot een verlaging van kosten binnen de Jeugdwet, waar in de afgelopen jaren veel beleid op gebaseerd is, lijkt niet terecht. We concluderen dat er geen grond is om een boeggolf te veronderstellen, waarin het jeugdhulpgebruik en kosten eerst toenemen en later afnemen. In plaats daarvan leidt de brede inzet op preventie en vroegsignalering tot een structurele verhoging van het waterpeil: een verhoogd voorzieningenniveau, waarmee ook een nieuwe standaard ontstaat waartegen uitdagingen in het opvoeden en opgroeien worden afgezet. GV572 21 . Andersson Elffers Felix 5 Andere uitgangspunten van de Jeugdwet In dit onderzoek kijken we naar de kosten van de uitvoering van de Jeugdwet, en manieren om daar invloed op uit te oefenen. De kaders daarvoor worden echter voor een belangrijk deel bepaald door de uitgangspunten van de Jeugdwet. In het vorige hoofdstuk hebben we al stilgestaan bij de invloed van de nadruk op preventie en vroegsignalering in de Jeugdwet op de ontwikkeling van kosten. In dit hoofdstuk kijken we naar de andere uitgangspunten van de Jeugdwet, om vanuit die basis te kunnen duiden welke mogelijkheden er zijn om bij te sturen. 5.1 Over eigen kracht, normaliseren en de rol van professionals Eigen kracht en normaliseren staan op gespannen voet met preventie en vroegsignalering Twee van de doelen van de Jeugdwet hebben betrekking op mensen meer in staat te stellen hun eigen problemen op te lossen: ‘eigen kracht’ en ‘normaliseren’. Normaliseren is vooral gericht op het niet-inzetten van een jeugdhulptraject, terwijl eigen kracht juist ook aangeboord kan worden door een jeugdhulptraject. In dit onderzoek is meermalen benoemd dat deze doelen op gespannen voet staan met preventie en vroegsignalering. Bij zowel preventie als vroegsignalering draait het immers om het voorkómen van (ergere) problemen. Vanuit die optiek loont het om bij beginnende problemen direct in te grijpen of een gezin op weg te helpen. Dat betekent echter ook dat gemeenten en daarmee ook professionals gespitst zijn op (toekomstige) problemen, en zich al in een vroeg stadium verantwoordelijk voelen om deze (preventief) op te lossen. De nadruk op het voorkomen van erger kan er ook voor zorgen dat professionals terughoudend worden om een gezin los te laten als er onvoldoende zekerheid is dat het op eigen kracht door kan: de impliciete norm vanuit de huidige interpretatie van de Jeugdwet is immers dat problemen voorkomen moeten worden. Dat maakt het lastig om begrippen als ‘eigen kracht’ en ‘normaliseren’ te operationaliseren op een manier dat professionals er goed op kunnen handelen. De meeste jeugdhulpprofessionals zijn getraind in het herkennen en oplossen van problemen Jeugdhulpprofessionals kiezen hun vak over het algemeen omdat ze gedreven zijn om kinderen en jongeren te helpen. In de meeste opleidingen worden jeugdhulpprofessionals vooral getraind om met die blik te kijken. Dat betekent dat normaliseren niet altijd vanzelfsprekend is. In het onderzoek is in verschillende gesprekken de vergelijking met de medisch- specialistische zorg gemaakt: een cardioloog is beter in het herkennen van hartproblemen dan in het besluiten dat een onvolkomenheid aan het hart niet problematisch is. Op dezelfde GV572 22 Andersson Elffers Felix manier zijn jeugdhulpprofessionals erin getraind om problemen te signaleren en op te lossen, en hebben hier vanuit hun beroepsnormen ook een verantwoordelijkheid in. Op individueel niveau zijn er uiteraard verschillen: de ene jeugdhulpprofessional zal van nature meer normaliseren, terwijl de andere meer verantwoordelijkheid naar zichzelf toe trekt. Om goed te kunnen normaliseren, hebben jeugdhulpprofessionals echter steun nodig voor hun handelen, bijvoorbeeld een helder beeld van waar de maatschappij zich verantwoordelijk voor acht, en welke problemen buiten de Jeugdwet vallen. Vanuit het uitgangspunt dat de professional moet doen wat nodig is, is een dergelijk beeld de afgelopen tijd onvoldoende ontwikkeld. Professionals zijn betrokken bij hun cliënt, waardoor afschalen niet vanzelfsprekend is Jeugdhulpprofessionals zien als geen ander waarmee kinderen, jongeren en gezinnen worstelen, en willen in de regel daarbij ondersteunen. Veel van hen zijn in de loop der jaren geconfronteerd met incidenten waarbij hulp te vroeg afgeschaald is, en verwijten gemaakt zijn aan de betrokken organisaties. In de afgelopen jaren is veel aandacht geweest voor casuïstiek waarbij het misgegaan is. De uitgebreide evaluatie hiervan levert een waardevol leerproces op, maar heeft ook invloed op de discussie over wanneer afschalen verantwoord is: de minderheid waarbij het misgaat, wordt onbedoeld de norm voor de meerderheid waarbij trajecten wel passend zijn. Ook om andere redenen kan afschalen ingewikkeld zijn. Dit is in het bijzonder het geval als van tevoren al duidelijk is dat het geen optie zal zijn om (al dan niet tijdelijk) weer op te schalen als dat nodig is, bijvoorbeeld door wachtlijsten, strikte intake-criteria, of vaste afspraken over trajecten. In het onderzoek is in verschillende gesprekken benoemd dat het een grote cultuur- verandering vraagt bij zowel gemeenten als professionals om zorg eerder af te schalen. Vanuit zorgzaamheid, bevlogenheid, en risicomijdend gedrag zijn professionals binnen de huidige maatschappelijke norm eerder geneigd tot een sessie te veel dan een sessie te weinig, zeker wanneer niet met zekerheid vast te stellen is of de hulp nog voldoende toevoegt. Wetenschappelijke inzichten over een gemiddelde effectieve trajectduur staan daarbij soms op gespannen voet met de behoeften van individuele kinderen en gezinnen, die het gevoel hebben meer hulp nodig te hebben. Als een extra sessie een gezin meer vertrouwen geeft dat het weer op eigen kracht verder kan, is het begrijpelijk dat een professional concludeert dat dit voor dit gezin nodig is. Dit leidt echter wel tot een hoger voorzieningenniveau en hogere kosten. Bovenstaande kan een van de verklaringen zijn dat kinderen en jongeren de afgelopen jaren langer in jeugdhulp zitten (zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume): als professionals meer ruimte krijgen om trajecten vorm te geven en tegelijkertijd steeds meer verantwoordelijkheid krijgen om ernstige problematiek te voorkomen, bestaat het risico dat zij cliënten langer vasthouden. In het onderzoek is sneller afschalen benoemd als sturingsmogelijkheid voor gemeenten die tot doelmatigheidswinst zou kunnen leiden. De vraag is dan echter hoe dit in de huidige constellatie zou moeten werken. Als mogelijke concretisering” is genoemd om beschikkingen voor kortere perioden af te geven. Deze maatregel werd als niet wenselijk beschouwd, aangezien hij een groot risico met zich meebrengt voor de doeltreffendheid van de Jeugdwet en leidt tot extra administratieve lasten, terwijl het bieden van meer ruimte voor de 0 Twee andere opties zijn wel benoemd, maar als onvoldoende concreet / operationaliseerbaar beoordeeld. De volledige toelichting op de overwogen optie kunt u vinden in bijlage A1 Proces en keuze maatregelen. GV572 23 Andersson Elffers Felix professional nu juist bedoeld was om de regeldruk te verminderen. De stuurgroep heeft daarom besloten deze maatregel niet mee te nemen in het onderzoek. 5.2 Over integraal werken Een integrale afweging leidt tot passendere hulp In het onderzoek zijn verschillende mogelijkheden voor een meer integrale afweging onderzocht (zie bijlage E Resultaten per maatregel). Bij een integrale afweging zijn alle relevante disciplines aanwezig, en wordt in gezamenlijkheid gekeken naar wat de beste oplossing is voor een cliënt. Het blijkt dat een integrale afweging vaak leidt tot passendere hulp. Daarbij is het wel van belang dat de hulp daadwerkelijk beschikbaar is, en (daarmee samenhangend) dat er voldoende doorzettingsmacht is bij de professionals die de afweging maken. Soms bespaart een integrale afweging kosten, soms leidt ze juist tot meer kosten in de Jeugdwet Uit de casuïstiek die in het onderzoek is geanalyseerd, blijkt dat het maken van een integrale afweging geen eenduidig financieel gevolg heeft. In sommige gevallen leidt een integrale afweging tot goedkopere jeugdhulp. Dat is vooral het geval als hulp niet meer nodig is omdat een probleem eerder opgelost wordt, of als een goedkoper alternatief gevonden wordt voor bepaalde hulp. In andere gevallen verandert een integrale afweging niets aan de uitkomst of is de hulp weliswaar passender, maar ook duurder. Daarnaast kan het organiseren van een integrale afweging of een maatwerkoplossing weliswaar leiden tot betere samenwerking, maar deze aanpak is ook tijdsintensief en daarmee relatief duur, Hoewel ze voor specifieke gevallen daarom zeer waardevol kan zijn, is een dergelijke werkwijze minder geschikt als ‘standaard’ voor grote aantallen. Vooral het oplossen van financiële problemen leidt tot goedkopere hulp, maar dit roept ook vragen op In sommige onderzoeken zijn goede resultaten geboekt met integrale oplossingen waarbij maatwerk geboden wordt?! De kern van de gevonden oplossingen ligt vaak in financiën. Schuldenproblematiek heeft namelijk bij uitstek grote gevolgen waardoor ook jeugdhulp- kosten sterk op kunnen lopen: als een gezin op straat staat, levert dit naast een schrijnende situatie vrijwel altijd ook hoge kosten op. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor schuldhulpverlening. Hieraan zijn echter voorwaarden verbonden waaraan niet iedereen voldoet. Daardoor vallen gezinnen soms buiten de boot, of lopen ze vast in bureaucratie. Er worden op verschillende plaatsen in het land goede resultaten behaald door financiële problemen op te lossen en/of woonzekerheid te bieden buiten de kaders van de bureaucratie om. Dergelijke maatwerkoplossingen kunnen gezien worden als een succes van de decentralisatie, aangezien er over domeinen heen gewerkt wordt. Deze werkwijze roept echter ook vragen op. Maatwerkoplossingen zijn immers tijdsintensief en daarmee relatief duur. In Nederland kampt ruim één op de twaalf huishoudens met problematische schulden.” Hoewel binnen het huidige systeem dergelijk maatwerk een U Een recent succesvol voorbeeld is het Sociaal Hospitaal. 2 Schuldenproblematiek in beeld 2015 - 2018, CBS, 2020. GV572 24 Andersson Elffers Felix goede oplossing vormt voor de gezinnen die het betreft, ligt het vanuit het oogpunt van doelmatigheid meer voor de hand om te kijken naar systeemoplossingen die dergelijke schulden en de bijbehorende kosten kunnen voorkomen. Integraal werken is een opgave, zeker als het breder moet dan het gemeentelijk domein Integraal werken gaat soms alleen over het verbinden van verschillende disciplines binnen het jeugddomein, maar zoals bovenstaand al benoemd, is de gemeenten vaak ook afhankelijk van andere partners. Daarbij spelen verschillende uitdagingen binnen en buiten de gemeente. Binnen de gemeente zijn verschillende domeinen relevant, maar de meest directe samenhang werd op Wmo en participatie verwacht. De overlap blijkt in de praktijk beperkt: slechts 10% van de gezinnen met jeugdhulp maakt ook gebruik van een Wmo-voorziening, en voor participatie ligt dit percentage nauwelijks hoger.” Bovendien speelt mee dat verschillende afdelingen vaak verschillende werkwijzen hanteren. Dit is niet alleen historisch gegroeid, maar volgt ook uit het mensbeeld dat vervat is in verschillende wetten. De Participatiewet heeft fraudereductie bijvoorbeeld als veel centraler thema dan de Jeugdwet, wat ook tot meer bureaucratie leidt, Belangrijker dan samenwerking binnen het gemeentelijk domein is dan ook samenwerking op andere terreinen. In het onderzoek werden vooral onderwijs en kinderopvang benoemd als plekken waar aan een pedagogische basis gewerkt kan worden. Daarbij werd wel benoemd dat dit stevige hervormingen vroeg om ook juist kinderen uit gezinnen met minder mogelijkheden te bereiken. Denk hierbij aan gratis kinderopvang voor alle kinderen en brede scholen met kleine klassen waar het personeel sterk gericht is op inclusiviteit, De beïnvloedingsmogelijkheden die de gemeente heeft op dit soort veranderingen zijn uiteraard beperkt. Financiële baten van jeugdhulp vallen veelal in andere domeinen In het vorige hoofdstuk is besproken dat vroegere interventies niet tot goedkopere jeugdhulp leiden. Dat betekent uiteraard niet dat ze nergens tot een besparing leiden. Dat is alleen beperkt het geval in het gemeentelijk domein. De financiële baten van jeugdhulp vallen naar verwachting vooral in de zorg (minder GGZ en somatische problemen op latere leeftijd) en op termijn op het gebied van werk en inkomen en belastinginkomsten: een jongere die dankzij jeugdhulp een startkwalificatie haalt of een hoger onderwijsniveau afrondt en zo een (betere) baan vindt, levert de samenleving niet alleen inhoudelijk maar ook in financiële zin veel op. De baten hiervan vallen echter veelal niet bij gemeenten.” Op basis van de uitgangspunten van de Jeugdwet is het voor gemeenten dus moeilijk om de kosten te beperken Op basis van hoofdstuk 4 en 5 kan geconcludeerd worden dat de uitgangspunten van de Jeugdwet niet automatisch tot een besparing leiden, en zelfs eerder kostenverhogend werken: — Preventie en vroegsignalering zorgen voor beter welzijn van kinderen, jongeren en gezinnen, en leveren mogelijk (op langere termijn) wel baten in andere domeinen, maar binnen de Jeugdwet werken ze vooral kostenverhogend. 2 Bron: waarstaatjegemeente.nl. 2 Ook als jeugdhulp op termijn tot minder bijstandsuitkeringen leidt, vallen de baten niet bij gemeenten. Dit ligt deels aan de financieringssystematiek van het macrobudget (zie De besparing voor een gemeente als er iemand uit de bijstand stroomt, AEF, 2019). Voor een individuele gemeente geldt ook nog dat een jongere tegen die tijd verhuisd kan zijn. GV572 25 Andersson Elffers Felix — Bij het uitgangspunt dat professionals veel ruimte moeten hebben om te doen wat nodig is, hoort een afbakening van wat vanuit de maatschappij nodig wordt gevonden. De afgelopen jaren heeft de nadruk in de doorontwikkeling van het jeugdstelsel niet op dit aspect gelegen. Dit kan bijdragen aan langere of duurdere trajecten. — Integraal werken leidt tot passender zorg, maar lang niet altijd tot een kostenbesparing, zeker niet binnen de Jeugdwet. Integraal werken voor multiprobleemgezinnen vraagt investeringen over domeinen heen, op gebieden waar de gemeente geen zeggenschap over heeft, terwijl de baten van betere jeugdhulp veelal elders vallen. De uitgangspunten van de Jeugdwet bevatten dus diverse prikkels voor een kostenverhoging. In de afgelopen jaren is door Rijk en gemeenten vooral de nadruk gelegd op preventie, vroegsignalering en het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp vanuit de aanname dat dit kosten zou verlagen. De uitgangspunten die wel tot besparingen kunnen leiden, zoals normaliseren en beter gebruik maken van eigen kracht, hebben veel minder aandacht gekregen en zijn veel minder goed geoperationaliseerd op landelijk en lokaal niveau. Gemeenten hebben weinig ruimte ervaren om te sturen. Dit hangt ook samen met de interpretatie die de afgelopen jaren door Rijk en gemeenten gezamenlijk is gegeven aan de uitgangspunten van de Jeugdwet, en die in dit hoofdstuk en het vorige hoofdstuk beschreven is, De jeugdhulpplicht die in de Jeugdwet is opgenomen, is geladen met deze interpretatie, wat het voor gemeenten moeilijk maakt om de kosten te beheersen. De inzichten uit dit onderzoek geven voor de toekomst mogelijk meer sturingsmogelijkheden. In het volgende hoofdstuk gaan we in op de sturingsmogelijkheden die gemeenten hebben binnen de huidige interpretatie van de Jeugdwet. GV572 26 Andersson Elffers Felix 6 Sturingsmogelijkheden binnen de Jeugdwet In het onderzoek is een aantal mogelijke maatregelen onderzocht die gemeenten kunnen nemen om doelmatiger te werken Om te komen tot het benodigd budget bij een doelmatige uitvoering, is gekeken naar verschillende mogelijkheden die gemeenten hebben om doelmatiger te werken. In het begin van het onderzoek is op basis van interviews, literatuuronderzoek en overleg met de opdrachtgevers een overzicht gemaakt van mogelijke maatregelen om mee te nemen in het onderzoek. Deze zijn besproken in de begeleidingsgroep en stuurgroep. De stuurgroep heeft mede op basis van een advies van de begeleidingsgroep gekozen welke maatregelen onderzocht zouden worden in het onderzoek, Het doel was daar maximaal 20 maatregelen te selecteren. Uiteindelijk heeft geen nadere selectie plaatsgevonden op basis van dit maximale aantal: de andere maatregelen vielen af om andere redenen, bijvoorbeeld omdat ze niet concreet genoeg waren om te kwantificeren, of er onvoldoende draagvlak voor was. Een toelichting op het proces en de gemaakte keuzes staat in bijlage A.1 Proces en keuze maatregelen. Voor iedere maatregel is vervolgens uitgewerkt wat de werkzame mechanismen naar verwachting zouden zijn, en hoe we die zouden kunnen onderzoeken. Dit is in de vorm van analysekaders met de stuurgroep afgestemd. In dit hoofdstuk lichten we toe welke sturingsmogelijkheden zijn onderzocht die gemeenten hebben om doelmatiger te werken, en welke besparingen daarmee gerealiseerd kunnen worden. De volledige resultaten per maatregel staan uitgewerkt in bijlage E Resultaten per maatregel. Maatregelen waarvoor een wetswijziging nodig is staan in hoofdstuk 7 Mogelijkheden voor het Rijk; mogelijke besparingen op grond van deze maatregelen kunnen immers nog niet meegerekend worden, zolang eventuele wetswijzigingen niet doorgevoerd zijn. De mate van concreetheid en verwachting over het kwantitatieve en kwalitatieve effect zijn meegewogen in de keuze van maatregelen Bij de selectie van maatregelen om door te rekenen in het onderzoek is onder meer rekening gehouden met de mate waarin deze voldoende concreet waren geoperationaliseerd. De maatregelen die hier zijn onderzocht, zijn daarmee niet per definitie de enige mogelijkheden die gemeenten hebben om doelmatiger te werken. Daarnaast waren de resultaten van de analyse naar preventie en vroegsignalering nog niet beschikbaar, aangezien de maatregelen aan het begin van het proces geselecteerd zijn. Een aantal maatregelen is dus geselecteerd omdat ze vroegsignalering versterken, vanuit de verwachting dat dit op termijn kosten zou besparen. Gezien de resultaten in hoofdstuk 4 Het effect van preventie en vroegsignalering is het resultaat van deze maatregelen minder positief dan op voorhand verwacht. Wel geldt bij veel van dit soort maatregelen dat er naast het GV572 27 Andersson Elffers Felix preventie-effect ook een substitutie-effect optreedt, waarbij zorg vervangen wordt door een andere (goedkopere) vorm van zorg. . Dit geeft over het algemeen wel een netto positief effect. Vijf maatregelen leiden naar verwachting tot een besparing binnen de Jeugdwet met vergelijkbaar voorzieningenniveau De volgende maatregelen leiden naar verwachting tot doelmatigheidswinst. — Een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken leidt naar verwachting tot een besparing van 62 tot 88 miljoen euro. Dit wordt met name veroorzaakt door een substitutie-effect: de POH- jeugd kan lichte hulp verlenen en daarmee een verwijzing voorkomen. De maatregel heeft een positief effect op ervaringen van kinderen, jongeren en ouders, en kan helpen bij normaliseren. Voor deze maatregel zijn gemeenten wel afhankelijk van de bereidheid van de huisartsen om hieraan mee te werken. — Het versnellen van de doorstroom naar de Wlz kan binnen de Jeugdwet tot een besparing van 59 tot 85 miljoen euro leiden. Door een betere informatievoorziening kunnen kinderen en jongeren die voldoen aan de criteria van de Wlz maar nog vanuit de Jeugdwet geholpen worden eerder een Wlz-indicatie krijgen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat deze maatregel naar verwachting tot een stijging van de kosten in de Wlz van 68 tot 98 miljoen zal leiden. Deze kosten zijn hoger dan de besparing in de Jeugdwet omdat de tarieven in de Jeugdwet lager liggen dan in de Wlz, — Als lokale teams direct hulp verlenen, worden trajecten goedkoper omdat de tarieven van medewerkers van een lokaal team gemiddeld genomen lager liggen en het lokaal team eerder afschaalt. Wel worden extra kosten gemaakt voor kinderen en jongeren die anders niet in jeugdhulp gekomen waren. Daarmee wordt ingeschat dat deze maatregel een effect kan hebben van tussen 1 miljoen extra kosten tot 10 miljoen euro aan besparingen. Deze maatregel leidt daarnaast tot diverse positieve kwalitatieve effecten, zoals een betere ervaring van de jeugdigen en meer werkplezier bij de professionals. = Een randvoorwaarde voor deze maatregel is dat het lokaal team over de juiste professionals beschikt. Daarom kan deze maatregel alleen samen ingevoerd worden met het versterken van de kwaliteit van de toegang. Deze maatregel bleek per saldo te leiden tot extra kosten van 1 tot 4 miljoen euro, omdat de extra kosten voor de inzet van deze professionals hoger zijn dan de besparingen door betere kwaliteit, Aangezien beide maatregelen samen naar verwachting tot een kleine besparing leiden worden beide meegerekend in het totaaloverzicht. Het totale resultaat voor deze twee maatregelen ligt daarmee tussen extra kosten van 4 miljoen euro en een besparing van 8 miljoen euro. — Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband (zoals MKD’s en KDC’s) naar reguliere kinderopvang of bso met extra ondersteuning leidt met name tot een besparing omdat de ouders voor de reguliere kinderopvang zelf meebetalen, waar dit voor MKD’s en KDC’s niet het geval is. De maatregel kan daarmee tussen 49 en 78 miljoen euro besparen. Kosten van de gemeenten voor een eventuele sociaal-medische indicatie voor ouders die niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag zijn daarbij niet meegerekend. Dat geldt ook voor kosten voor het Rijk voor kinderopvangtoeslag. Daarbij kan de maatregel leiden tot een betere toegankelijkheid, en meer passende en inclusievere kinderopvang. Voor deze maatregel zijn gemeenten wel afhankelijk van de bereidheid van de reguliere kinderopvang om dit te faciliteren. De ervaring in de afgelopen jaren leert dat dit een moeizaam proces is. — Het verhelderen van de afbakening tussen de Jeugdwet en het onderwijs leidt tot minder overleg over leerlingen waarvan niet duidelijk is wie welke verantwoordelijkheid heeft. Dit levert naar verwachting een besparing op van 0,7 tot 2 miljoen euro. Een randvoorwaarde is wel dat de afbakening daadwerkelijk verhelderd wordt, wat overigens GV572 28 Andersson Elffers Felix ook kan leiden tot een verschuiving van kosten tussen jeugdhulp en onderwijs. Ondanks verschillende onderzoeken is hier vooralsnog geen uitsluitsel over. Voor het behalen van de besparing zijn gemeenten vaak afhankelijk van andere partijen Er zijn voor alle maatregelen verschillende randvoorwaarden waaraan voldaan moet worden om de besparing te kunnen realiseren zonder ten koste te gaan van de kwaliteit van de jeugdzorg. Deze staan per maatregel toegelicht in Bijlage E Resultaten per maatregel. Veel van die randvoorwaarden liggen binnen de invloedssfeer van gemeenten; sommigen ook niet. Het gaat daarbij om: — De bereidheid van huisartsenpraktijken om mee te werken aan de inzet van een POH- jeugd; — De mate waarin aanbieders bijdragen aan het versnellen van de doorstroom naar de Wlz, door sneller indicaties aan te vragen; — De bereidheid van kinderopvang om groepen jeugdigen van het KDC en MKD over te nemen; — De duidelijkere afbakening tussen jeugdhulp en passend onderwijs, waarmee de discussies voorkomen kunnen worden. De kans is reëel dat niet aan alle voorwaarden in alle gemeenten volledig voldaan wordt. Daarmee kunnen de besparingen in de praktijk lager uitvallen. Omdat niet voorspeld kan worden hoeveel lager, heeft de stuurgroep van dit onderzoek besloten om hiervoor geen afslag op de berekeningen toe te passen. De afhankelijkheid van andere partijen is daarmee onderdeel van de bestuurlijke weging van de resultaten van dit onderzoek. Een deel van de maatregelen leidt niet of hooguit beperkt tot een besparing In het onderzoek is van verschillende maatregelen geconstateerd dat die niet tot een significante besparing leiden. — Het gebruik van een afwegingskader zou medewerkers in de toegang helpen om te bepalen wat er noodzakelijk is om vanuit jeugdhulp te bieden en wat er binnen eigen netwerk georganiseerd kan worden om de zelfredzaamheid van een gezin te verhogen. Het betreft dus geen landelijke norm, maar een lokale explicitering van afwegingen. Daarmee zou het de instroom in jeugdhulp verlagen en dus kosten besparen. In het onderzoek bleek dat een afwegingskader alleen goed werkt wanneer er voldoende is ingezet op het versterken van de kwaliteit van de toegang. Tegelijkertijd bleek echter dat wanneer de kwaliteit van de toegang hoog genoeg is, een afwegingskader niet tot extra scherpe afwegingen leidt. — Op dit moment streven veel gemeenten naar een outreachende manier van werken, waarbij ze actief de wijk in gaan op zoek naar verborgen problematiek. Dit zorgt mogelijk juist voor meer zorggebruik, omdat deze laagdrempeliger beschikbaar is. Daarom hebben we onderzocht wat het effect is van het inperken van outreachende activiteiten. Gemeenten blijken echter maar beperkt toe te komen aan outreachend werken. Daarnaast blijkt uit het volume-onderzoek dat de instroom niet toeneemt, dus dat outreachend werken maar beperkt tot extra jeugdhulptrajecten leidt, Daarmee zijn de effecten van het inperken van outreachend werken naar verwachting zeer beperkt, — De inzet van jeugdhulpprofessionals in het (regulier of speciaal) onderwijs bleek in het onderzoek juist te leiden tot meer kosten: naar verwachting tussen 21 en 42 miljoen euro. De maatregel brengt significante extra kosten met zich mee, vooral door omdat er veel meer problemen gesignaleerd worden en omdat er meer tijd besteed wordt aan netwerkoverleggen. De kosten die gemaakt worden om deze problemen op te pakken zijn hoger dan de besparingen door het voorkomen van jeugdhulptrajecten. GV572 29 Andersson Elffers Felix — Uit het onderzoek bleek dat het budgetplafond in de praktijk niet tot besparingen leidt. Dit komt met name omdat het bereiken van het budgetplafond vooral leidt tot het verhogen van het budget of het onderbrengen van jeugdigen bij andere aanbieders en niet tot andere afwegingen van professionals over bijvoorbeeld uitstroom. Dat het budgetplafond bij jeugdhulp minder effectief is dan in andere wettelijke domeinen kan te maken hebben met waar uiteindelijk de besluitvorming plaatsvindt: een rechte rug houden bij het bereiken van een budgetplafond is voor een centrale organisatie ten opzichte van een relatief anonieme patiënt makkelijker dan voor een wethouder die in de lokale context werkt, dichter bij de cliënten. Daarnaast is in andere onderdelen van de zorg ook zichtbaar dat de kosten lastig te beheersen zijn. — De werkzame mechanismen van de taakgerichte bekostiging waarbij (een deel van) de jeugdhulp voor een gebied bij één organisatie is belegd zijn voor een groot deel gebaseerd op scherpere afwegingen die gemaakt zouden worden door aanbieders, In de praktijk lijkt dit echter maar beperkt te gebeuren: driekwart van de aanbieders, die in de praktijk de afwegingen zouden moeten maken, geeft aan dat deze vorm van bekostigen niet leidt tot scherpere keuzes. — Een besparing via het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders zou voornamelijk voortvloeien uit het partnerschap dat ontstaat tussen gemeente en aanbieders. Uit het onderzoek blijkt echter dat zowel gemeenten als aanbieders niet herkennen dat het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders leidt tot partnerschap. Op contractmanagement worden geen kosten bespaard, en de administratieve lasten vallen juist hoger uit door het hoge aantal onderaannemers. Voor vijf maatregelen is het niet mogelijk het effect te kwantificeren Van vijf maatregelen was het binnen dit onderzoek niet mogelijk om tot een kwantificering van een mogelijke besparing te komen. — De interdisciplinaire afwegingen voor de duurste gezinnen, bij ondersteuning vanuit meerdere domeinen of bij ieder traject met verblijf lijken, zoals toegelicht in paragraaf 5.2 Over integraal werken, vooral tot passendere ondersteuning te leiden. Het effect op de kosten is nog niet eenduidig; de verschillen in de mate waarin de onderzochte casussen tot een kostenbesparing of juist extra kosten leidden waren groot. Om met voldoende zekerheid een mogelijke besparing te kunnen kwantificeren zouden de totale effecten gedurende een langere periode structureel onderzocht moeten worden. — Met resultaatgericht financieren per traject zijn wisselende ervaringen. Waar sommige gemeenten herkennen dat de trajectprijs omlaag gaat, zien andere gemeenten eerder een stijging. Andere veronderstelde effecten worden niet herkend, of kunnen nog niet worden onderzocht omdat er te weinig gegevens beschikbaar zijn. Daarmee is het niet gelukt om mogelijke besparingen aan de hand van deze maatregel te kwantificeren. — In het onderzoek zijn verschillende activiteiten in het kader van actief contract- management in beeld gebracht. Contractmanagement werd daarbij vooral ingezet als manier om de sturing te implementeren. Het bleek dan ook niet mogelijk om in het algemeen een eigenstandig effect op de kosten of de hoeveelheid benodigde inzet te bepalen. Met de onderzochte maatregelen kan naar verwachting 190 tot 240 miljoen euro bespaard worden Op basis van de onderzochte maatregelen komen we daarmee tot de conclusie dat er op macroniveau 190 tot 240 miljoen euro bespaard kan worden binnen de Jeugdwet, door het invoeren van onderstaande maatregelen. GV572 30 Andersson Elffers Felix Maatregel ikt 1. Een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken 62 tot 88 miljoen euro 4. Versnellen doorstroom naar Wlz door betere 59 tot 85 miljoen euro” informatievoorziening 6. Directe hulpverlening door lokaal team -1 tot 10 miljoen 2. Het versterken van de kwaliteit van de toegang -4 tot -1 miljoen euro door de inzet van professionals met een SKJ- registratie of vergelijkbaar, en/of professionals die specifiek zijn opgeleid voor de toegang 10. Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband 49 tot 78 miljoen euro (zoals MKD’s en KDC’s) naar reguliere kinderopvang of bso met extra ondersteuning 12, Afbakening Jeugdwet met onderwijs verhelderen 0,7 tot 2 miljoen euro Totaal 190 tot 240 miljoen euro? Geen van deze maatregelen kan op zeer korte termijn volledig ingevoerd worden De invoering van bovenstaande maatregelen heeft uitvoeringsconsequenties, en vraagt om tijdelijke investeringen. — Voor de invoering van een POH-jeugd moet geïnvesteerd worden in een samenwerking met huisartsen. Het zal naar verwachting enkele jaren duren voordat alle huisartsen voldoende bereikt worden. Dit vraagt gedurende deze tijd overleggen vanuit beleids- medewerkers en een inwerkperiode met verminderde productiviteit voor de POH. — Betere informatievoorziening over de Wlz is al opgepakt door het CIZ, Wel is het van belang dat jeugdhulpaanbieders hun processen erop inrichten dat de mogelijkheid tot toegang tot de Wlz tijdig gesignaleerd wordt. Voor gemeenten is de investering hierop beperkt. — Voor directe hulpverlening in het lokale team moeten medewerkers geworven worden in een krappe arbeidsmarkt, en in sommige gemeenten moet de samenstelling van het lokale team veranderd worden. Vermoedelijk is voor dit grotere lokale team ook een andere organisatiestructuur nodig. Het is dus wel mogelijk om relatief snel te starten met zelf hulpverlenen, maar het duurt enkele jaren voor de volledige potentie bereikt is. — Met het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang of bso zijn verschillende gemeenten en aanbieders al meerdere jaren bezig. Hoewel op enkele plaatsen successen behaald zijn, is dit een proces van een lange adem, waarbij de samenwerking stap voor stap opgebouwd moet worden, en het regelmatig voorkomt dat gesprekken toch nog afgebroken worden. — De afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs kan op korte termijn tot lagere kosten leiden, mits een dergelijke afbakening gevonden wordt. Daar is op dit moment nog geen zicht op. 2 Deze maatregel leidt tot een verwachte stijging van de kosten in de Wlz met 68 tot 98 miljoen euro. 2% De bandbreedte van het totaalbedrag is kleiner dan de bandbreedtes van alle individuele maatregelen opgeteld. In bijlage A.4 Bandbreedtes staat toegelicht hoe we omgaan met het combineren van onzekerheden. GV572 31 . Andersson Elffers Felix 7 Mogelijkheden voor het Rijk We hebben ook mogelijkheden onderzocht waarmee het Rijk het financiële beslag kan verminderen In aanvulling op de sturingsmogelijkheden die gemeenten hebben, kan het Rijk keuzes maken die het budgettaire beslag van de Jeugdwet verlagen. Bij de start van dit onderzoek zijn verschillende suggesties besproken; daarvan zijn er drie gekozen om mee te nemen in het onderzoek”? Van een van deze opties, het wijzigen van het wettelijk kader van de Wlz om meer jeugdigen door te laten stromen, is na een eerste analyse door de stuurgroep besloten deze niet nader te laten onderzoeken In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten van het onderzoek naar de inkomensafhankelijke eigen bijdrage en de inkoop voor bepaalde zorgvormen op regionaal niveau, Meer details over de analyse en de resultaten kunt u vinden in bijlage E Resultaten per maatregel. 7.1 Invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage Om het jeugdhulpgebruik af te remmen kan een eigen bijdrage worden ingevoerd. Dat kan een vast bedrag per maand zijn, of een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. In dit onderzoek is in overleg met de stuurgroep een inkomensafhankelijke variant doorgerekend. De achtergrond van deze keuze ligt onder andere in de discussie in hoeverre de maatschappij moet bijdragen aan jeugdhulp bij lichte problematiek wanneer de ouders voldoende draagkrachtig zijn om zelf hulp te kunnen betalen; en of het niet juist deze ouders zijn die het beste de weg naar jeugdhulp te vinden. In het volume-onderzoek werd ook duidelijk dat het mediane inkomen van gezinnen met jeugdhulp stijgt, met name voor lichtere vormen van jeugdhulp (zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume). Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage kan een fors financieel effect hebben Voor het berekenen van het financiële effect is uit gegaan van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage die voor de Wmo gold, rekening houdend met de bedragen van 2016, het laatste jaar dat er nog geen vrijstellingen bestonden voor specifieke groepen. Daarbij is er vanuit gegaan dat de eigen bijdrage geldt voor alle vormen van jeugdhulp; jeugdhulp die opgelegd is vanuit het gedwongen kader is hierin dus ook meegenomen, maar de jeugdbescherming en jeugdreclassering zelf niet. 27 Meer informatie over deze suggesties, het proces en de achtergrond van de gemaakte keuzes staat in bijlage A.1 Proces en keuze maatregelen. 2 De achtergrond van deze keuze staat ook nader toegelicht in bijlage A1 Proces en keuze maatregelen, GV572 32 . Andersson Elffers Felix Met deze uitgangspunten heeft de maatregel een flink financieel effect: naar verwachting leidt dit tot een besparing tussen 0,8 en 1,2 miljard euro. Het grootste deel van de besparing zit in de baten. Daarnaast is er een aanzienlijke besparing door cliënten die afzien van jeugdhulp. Dit effect wordt echter gedeeltelijk teniet gedaan door geëscaleerde trajecten. De maatregel heeft ook belangrijke kwalitatieve effecten, voornamelijk negatief Omdat de maatregel erop gericht is om minder jeugdigen gebruik te laten maken van jeugdhulp heeft deze een negatief effect op het welzijn van jeugdigen en hun gezinnen. Daarnaast kan de maatregel zorgen voor een toename van kansenongelijkheid, zorgmijding, schuldenproblematiek en kosten in andere wettelijke kaders. De eigen bijdrage is immers weliswaar inkomensafhankelijk, maar ook bij de laagste inkomens is er enige eigen bijdrage. Voor ouders in de bijstand kan € 20,- per maand al een significant bedrag zijn. Deze kwalitatieve effecten zijn in kaart gebracht in lijn met de doorgerekende variant; als gekozen wordt voor een lichtere variant, kunnen kwalitatieve effecten mogelijk minder negatief uitpakken. Doorrekenen van verschillende opties kan zinvol zijn voor verdere besluitvorming In dit onderzoek hebben we de effecten doorgerekend uitgaande van een inkomens- afhankelijke eigen bijdrage voor alle vormen van jeugdhulp. Dit kan gezien worden als de meeste extreme beleidsoptie die denkbaar is. In de huidige berekeningen is bijvoorbeeld ook gerekend met een eigen bijdrage voor jeugdhulp die opgelegd wordt in het gedwongen kader. Dit kan tot complexe situaties leiden, bijvoorbeeld wanneer door de rechter jeugdhulp is opgelegd en daarvoor een eigen bijdrage betaald moet worden door ouders aan wie het gezag is ontzegd. De mogelijke besparing is uiteraard lager als de eigen bijdrage voor sommige vormen van jeugdhulp geldt; bijvoorbeeld wanneer jeugdhulp in gedwongen kader of zwaardere vormen van jeugdhulp worden uitgezonderd. Een alternatieve optie voor een eigen bijdrage zou zijn om een eigen bijdrage te vragen voor KDC'’s en MKD'’s in lijn met de kosten die ouders normaliter zouden maken voor de kinderopvang. Daarmee zou het grootste deel van de besparingen van de maatregel rondom het verplaatsen van jeugdhulp naar kinderopvang behaald kunnen worden zonder de afhankelijkheid van de kinderdagverblijven om mee te werken. 7.2 Inkoop voor bepaalde zorgvormen op regionaal niveau Momenteel verschilt het per regio welke jeugdhulp regionaal of op gemeentelijk niveau wordt ingekocht. Met deze maatregel wordt geformaliseerd op welk niveau (gemeentelijk, regionaal of bovenregionaal) gemeenten het hulpaanbod voor jeugdigen moeten inkopen. Deze maatregel is opgenomen in de conceptversie van de voorgenomen wijziging van de Jeugdwet (Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen). Een deel van de hulp die nu nog op gemeentelijk niveau wordt georganiseerd, zal na de wijziging op (boven)regionaal niveau worden ingekocht. In het huidige voorstel gaat het om de beschikbaarheid van hoogspecialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp, specialistische verblijfsfuncties en hulp in het kader van urgente crisissituaties. Gemeenten kunnen de andere jeugdhulp, waaronder opvoed- en gezinsondersteuning en preventieve taken, wel zelf inkopen. Inkoop op regionaal niveau verplichten heeft weinig impact op de kosten Met de maatregel zouden naar verwachting de administratieve lasten van aanbieders verlaagd worden. Omdat het hier enkel gaat om het regionaliseren van de inkoop en niet van de toegang blijkt echter uit het onderzoek dat deze besparing nog beperkt in omvang is. De GV572 33 Andersson Elffers Felix kosten die gemeenten maken voor de inkoop nemen eerder toe dan af, omdat tegenover de dalende lasten voor contractmanagement stijgende kosten voor regionale afstemming staan. Het totale effect wordt verder gedempt doordat al veel regionaal wordt ingekocht. Bij elkaar leidt de maatregel naar verwachting tot een effect dat ligt tussen een kostenstijging van 4 miljoen en een besparing van 7 miljoen euro. De afweging moet dus vooral gemaakt worden op basis van de kwalitatieve effecten Omdat het financiële effect zowel positief als negatief kan uitvallen, maar in elk geval per saldo beperkt is zal de afweging over het invoeren van de maatregel gebaseerd moeten worden op de kwalitatieve effecten, risico’s en randvoorwaarden. Afwegingen in dit kader kunnen bijvoorbeeld zijn de toename in continuïteit en toegankelijkheid, verbeterde samenwerking tussen gemeenten enerzijds en de verminderde lokale verbinding en lokale beleidsvrijheid anderzijds. GV572 34 Andersson Elffers Felix 8 Conclusies en adviezen In het onderzoek is gekeken naar het structurele tekort bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet Om te bepalen wat het structurele tekort is bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet, hebben we in het onderzoek het bestaande kostenniveau in 2019 als uitgangspunt genomen. Vervolgens hebben we onderzocht of er in dat huidige kostenniveau tijdelijke extra kosten zitten, naar aanleiding van een boeggolfeffect; dat zou immers betekenen dat het structurele tekort lager is. Tot slot hebben we gekeken naar de mogelijkheden om doelmatiger te werken en mogelijkheden voor het Rijk om het kostenbeslag te verminderen, om te komen tot het structurele tekort bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering. Alle keuzes in het onderzoek zijn afgestemd met een begeleidingsgroep en een stuurgroep. De basis voor het tekort bedraagt 1,6 - 1,8 miljard euro, uitgaande van kosten en budget 2019 Op basis van een vergelijking van de kosten van gemeenten en het budget in 2019 blijkt dat de basis voor het tekort tussen de 1,6 miljard euro en 1,8 miljard euro bedroeg. Het tijdelijke extra budget (400 miljoen euro in 2019) is niet meegenomen, omdat het doel is om het structurele tekort te berekenen. Aan de kostenkant zijn niet alleen kosten voor individuele voorzieningen meegenomen (4,7 miljard euro), maar ook kosten voor de toegang en intensiveringen in lokale teams en het voorliggend veld (0,7 tot 0,9 miljard euro). Volgens de beleidstheorie van de Jeugdwet is het immers juist de bedoeling dat gemeenten investeren aan de voorkant. Zowel voor individuele voorzieningen als voor het voorliggend veld zijn de kosten met name vanaf 2017 gestegen. De kostenstijging voor individuele voorzieningen jeugd wordt veroorzaakt door achterblijvende uitstroom en hogere kosten per cliënt per jaar Uit het onderzoek blijkt dat het aantal cliënten in jeugdhulp de afgelopen jaren is gestegen. De instroom is in die jaren constant gebleven. Wel maken relatief meer gezinnen met hogere inkomens gebruik maken van jeugdhulp, met name ambulante jeugdhulp. Dit roept de vraag op of de juiste doelgroep bereikt wordt. Juist bij gezinnen met lagere inkomens werd immers meer verborgen problematiek verwacht die door het lokaal organiseren van jeugdhulp aan het licht zou kunnen worden gebracht. De stijging in het aantal cliënten wordt veroorzaakt doordat de uitstroom structureel lager is dan de instroom. De kosten per cliënt per jaar nemen ook toe, dus dit wordt niet veroorzaakt door ‘waakvlamcontacten’. De jeugdhulp per cliënt is dus duurder geworden, en duurt langer. GV572 35 Andersson Elffers Felix Het uitgangspunt om er zo vroeg mogelijk bij te zijn leidt tot hogere kosten binnen de Jeugdwet Onderdeel van de beleidstheorie van de Jeugdwet is dat een brede inzet op preventie en vroegsignalering leidt tot kostenbesparing binnen de Jeugdwet. Een belangrijke conclusie in het onderzoek is dat deze aanname niet terecht is, Daarmee is niet gezegd dat preventie en vroegsignalering niet zinvol zouden zijn. Voor kinderen, jongeren en gezinnen is het immers positief als problemen voorkomen worden. Het is ook mogelijk dat deze investeringen leiden tot kostenbesparingen in andere wettelijke kaders, Op basis van het onderzoek is echter duidelijk dat de kosten binnen het jeugddomein, op enkele uitzonderingen na, door beter en steviger in te zetten op preventie en vroegsignalering eerder hoger dan lager worden. Zowel kosten als baten van integraal werken vallen breder dan het jeugddomein In dit onderzoek zijn interventies en maatregelen binnen het jeugddomein in relatieve afzondering onderzocht. In de praktijk zijn deze echter sterk verweven met zowel kosten als baten in andere domeinen. Waar het gaat om de effecten van preventie en vroegsignalering, en van diverse vormen van interdisciplinaire afweging, is langduriger onderzoek naar kosten en baten in verschillende maatschappelijke domeinen nodig. Gemeenten hebben een aantal mogelijkheden om doelmatigheidswinst te behalen: er kan 190 - 240 miljoen euro bespaard worden met vijf onderzochte maatregelen In het onderzoek zijn verschillende maatregelen onderzocht waarmee gemeenten doelmatiger kunnen werken, en daarmee de kosten van de uitvoering van de Jeugdwet kunnen verminderen. Van deze maatregelen hadden er vijf een positief effect: — Invoering van een POH-jeugd bij huisartsen (62 — 88 miljoen euro); — Tijdige doorstroming naar de Wlz als kinderen daarvoor in aanmerking komen (59 tot 85 miljoen euro); — Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang en bso (49 tot 78 miljoen euro); — Hulpverlening in lokale teams, waarbij hoogopgeleide medewerkers in de toegang een randvoorwaarde zijn (- 4 tot 8 miljoen euro); — Een duidelijker afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs (0,7 tot 2 miljoen euro). Met de invoering van deze maatregelen kan tussen de 190 en 240 miljoen euro per jaar bespaard worden binnen de Jeugdwet. Het effect van sommige sturingsmogelijkheden is beperkt door de negatieve financiële effecten van preventie en vroegsignalering Veel van de onderzochte maatregelen hadden als onderdeel van de werkzame mechanismen een inzet op vroegsignalering, om daarmee op termijn hogere kosten te voorkomen. Het onderzoek naar preventie en vroegsignalering, om de veronderstelde boeggolf te analyseren, heeft echter laten zien dat dit (binnen de Jeugdwet) slechts in specifieke gevallen tot verlaging van de kosten leidt. Dat betekent dat het effect van verschillende maatregelen lager is uitgevallen dan vooraf wellicht verwacht werd. In het onderzoek zijn concrete besparingsopties onderzocht op basis van de huidige uitgangspunten van de Jeugdwet Het onderzoek vormt een basis voor de gesprekken over het budget voor de Jeugdwet. Het is dus van belang dat de uitkomsten niet alleen in theorie haalbaar zijn, maar ook in de praktijk. Daarom is voor het berekenen van mogelijkheden om doelmatiger te werken aangesloten bij de feitelijke mogelijkheden die gemeenten hebben, en is onderzocht of deze gekwantificeerd konden worden op basis van de ervaringen van gemeenten die deze maatregelen al uitvoeren. Deze gemeenten doen dat in lijn met de huidige interpretatie van de GV572 36 Andersson Elffers Felix uitgangspunten van de Jeugdwet, dus de uitkomsten van de maatregelen zijn daar ook op gebaseerd. We zien dan ook dat sommige onderzochte maatregelen geen besparing opleveren, terwijl dat op grond van ervaringen in andere stelsels wel de verwachting was, of niet te kwantificeren zijn. Als de uitgangspunten van de Jeugdwet of de interpretatie daarvan veranderen, bijvoorbeeld naar aanleiding van dit onderzoek, kunnen maatregelen anders uitpakken. Daarnaast zijn niet alle mogelijke suggesties onderzocht om tot verlaging van de kosten te komen. Op basis van het volume-onderzoek, waarin duidelijk werd dat de toename in het aantal cliënten niet door toenemende instroom maar achterblijvende uitstroom veroorzaakt wordt, zou het sturen op snellere uitstroom nog een aanknopingspunt kunnen bieden voor gemeenten. In het onderzoek zijn geen maatregelen naar voren gekomen die voldoende concreet waren en draagvlak hadden bij de begeleidingsgroep en de stuurgroep. Nu het belang van tijdige uitstroom inzichtelijk is, is het mogelijk dat hier andere keuzes in gemaakt worden, met andere uitkomsten tot gevolg. Op basis van de huidige uitgangspunten is het structurele tekort 1,3 tot 1,5 miljard euro Om het structurele tekort te bepalen, hebben we gekeken naar het tekort in 2019, en vervolgens naar de vragen in hoeverre de kosten naar verwachting nog zullen dalen door een verwacht boeggolf-effect; en welke mogelijkheden gemeenten hebben om doelmatiger te werken binnen de huidige uitgangspunten van de Jeugdwet. — Op basis van het onderzoek hebben we geconstateerd dat het tekort in 2019 tussen de 1,6 en 1,8 miljard euro bedroeg. — Op basis van de analyse van preventie en vroegsignalering hebben we geconstateerd dat er eerder sprake is van een verhoging van het waterpeil dan van een boeggolf, en dat de kosten dus niet zonder meer zullen dalen. Wel kan verwacht worden dat de algemene transitiekosten die aan een dergelijke grote verandering gerelateerd zijn op den duur wegvallen; daarbij gaat het om ongeveer 56 miljoen euro per jaar, voor tien jaar, gerekend vanaf de decentralisatie, — Daarnaast hebben we geconstateerd dat gemeenten 190 tot 240 miljoen euro kunnen besparen door doelmatiger te werken. Daarmee komt het structurele tekort uit tussen 1,3 en 1,5 miljard euro. Met de invoering van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage kan er nog 0,8 tot 1,2 miljard euro bespaard worden Een beleidsoptie voor het Rijk die onderzocht is, is het invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Daarbij hebben we gekeken naar een uiterste optie: een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor alle vormen van jeugdhulp, waarbij dus alleen jeugdbescherming en jeugdreclassering niet zijn meegenomen. Op basis daarvan kan er naar verwachting tussen 0,8 en 1,2 miljard euro bespaard worden. Deze besparingen vallen uiteraard (fors) lager uit als gekozen wordt voor een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor bepaalde vormen van jeugdhulp of als de eigen bijdrage inkomensonafhankelijk wordt. Ook moet in de afweging rekening gehouden worden met de verwachte negatieve effecten op het welzijn van jeugdigen en hun gezinnen, en de verwachte toename van kansenongelijkheid, zorgmijding, schuldenproblematiek en kosten in andere wettelijke kaders, Onterechte aannames onder de Jeugdwet hebben bijgedragen aan het ontstaan van het tekort In de Jeugdwet zitten verschillende aannames die ertoe leiden dat het voorzieningenniveau hoger wordt, met een hoger kostenniveau tot gevolg. GV572 37 Andersson Elffers Felix — Sinds de decentralisatie hebben gemeenten volop ingezet op preventie en vroegsignalering, in de veronderstelling dat hiermee op termijn de kosten binnen de Jeugdwet zouden dalen. Toen in de volgende jaren de kosten bleken te stijgen, is die inzet in sociale lokale teams en voorliggend veld verder verstevigd. De analyse van het effect van preventie en vroegsignalering laat zien dat een brede inzet op preventie en vroegsignalering ook op termijn niet leidt tot een afname van kosten, maar eerder tot een stijging van het waterpeil, Deze inzet lijkt niet de oorzaak van de stijging in het jeugdhulpvolume (de instroom neemt immers niet toe), maar leidt wel tot een stijgend voorzieningenniveau (en daarmee stijgende kosten) in voorliggend veld. — Daarnaast wordt in de Jeugdwet het belang benadrukt van ‘doen wat nodig is’. Dit komt tot uiting in de uitgangspunten van integraliteit en ruimte voor professionals. Op het niveau van een individueel kind is echter niet altijd duidelijk wat nodig is. Als een extra sessie op basis van wetenschappelijke inzichten niets toevoegt, maar een gezin wel extra vertrouwen geeft om weer op eigen kracht door te gaan, kan gesteld worden dat hij nodig is, Zo kan ‘doen wat nodig is’ onbedoeld leiden tot langere trajecten, en daarmee tot een hoger voorzieningenniveau. Er zijn echter ook kosten aan verbonden. De stijgende tekorten zijn daarmee tenminste voor een deel een direct gevolg van de beleidstheorie waaraan Rijk en gemeenten zich gezamenlijk verbonden hebben voorafgaand aan de decentralisatie, De conclusies geven aanleiding tot een discussie over de bedoeling van jeugdhulp Een brede inzet op preventie en vroegsignalering leidt weliswaar niet tot lagere kosten in de jeugdzorg, maar kan nog wel invloed hebben op kosten in andere wettelijke kaders, en heeft daarnaast een positieve invloed op het welzijn van jeugdigen. Uit het onderzoek blijkt dat door deze inzet het voorzieningenniveau met name voor lichtere problematiek (waarvoor geen individuele voorziening ingezet wordt) gestegen is naar aanleiding van de Jeugdwet. Tegelijkertijd is de vraag of het huidige kostenniveau op termijn houdbaar is, Op basis van het huidige onderzoek constateren we dat steviger inzetten op preventie en vroegsignalering niet zal leiden tot een verlaging van het kostenniveau binnen de Jeugdwet. Daarmee ontstaat er een noodzaak om het gesprek te voeren over de bedoeling van de jeugdhulp, en welk voorzieningenniveau daarbij gewenst is, Een eventuele aanpassing van dit voorzieningenniveau is een afweging die op politiek niveau gemaakt moet worden. Dit onderzoek kan een basis bieden voor een expliciete en onderbouwde afweging. Op basis van dit onderzoek constateren we dan ook dat er een stevig tekort is op de middelen jeugd, en dat binnen het huidige stelsel dat tekort in potentie nog stevig verder kan stijgen. Daarmee lijkt er naast een eventuele bijstelling van het budget meer nodig is om tot een beheersbaar kostenniveau te komen, zoals een discussie over het voorzieningenniveau, de omschreven maatregelen ter vergroting van doelmatigheid en strakke sturing om meer grip te krijgen op jeugdhulp. In de volgende paragrafen gaan we in op adviezen hierover aan Rijk en gemeenten. 8.1 Adviezen voor het Rijk Bezie de tekorten in de context van de beleidstheorie van de Jeugdwet In het onderzoek hebben we geconstateerd dat er bij doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet een structureel tekort is van 1,3 tot 1,5 miljard euro. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de hoogte van dit tekort, en de beperkte mogelijkheden om dit met doelmatigheidsinspanningen verder omlaag te brengen, nauw samenhangt met de beleidstheorie van de Jeugdwet. Het is van belang om in gesprekken over oplossings- GV572 38 Andersson Elffers Felix richtingen deze samenhang te erkennen en daar rekening mee te houden in de duiding van het tekort. Herijk de financiële aspecten van de beleidstheorie van de Jeugdwet De impliciete aanname achter de uitgangspunten van de Jeugdwet is dat de doeltreffend- heidswinst van een betere uitvoering opweegt tegen het doelmatigheidsverlies van meer maatwerk en een groter bereik, Uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is, We adviseren daarom dit financiële aspect van de beleidstheorie van de Jeugdwet te herijken. Uit de analyse blijkt namelijk dat het kostenniveau zonder aanpassing van de uitgangspunten zal blijven stijgen, terwijl de beleidstheorie suggereert dat ze zullen dalen. Voer - in samenspraak tussen Rijk en gemeenten - een fundamentele discussie over het gewenste voorzieningenniveau Door de onterechte aanname over de financiële effecten van preventie en vroegsignalering hebben gemeenten in de afgelopen jaren hard gebouwd aan de opbouw van een voorliggend veld waarin zoveel mogelijk jeugdigen goed geholpen kunnen worden. Ook is er op verschillende plekken gepoogd om professionals meer ruimte te geven voor eigen afwegingen. Het onderzoek laat echter zien dat deze werkwijze, met een stevige inzet op “er eerder bij zijn” en meer ruimte voor professionals, niet tot een verlaging van de kosten op de lange termijn gaat leiden. Deze conclusie roept fundamentele vragen op: hoeveel geld hebben we als maatschappij over voor het welzijn en de mogelijkheden tot ontwikkeling van kinderen? Waar voelen we ons als maatschappij verantwoordelijk voor, en wat moeten gezinnen zelf oplossen? Nu blijkt dat de kosten binnen de Jeugdwet niet omlaag te brengen zijn door meer preventie en vroeg- signalering, zijn dergelijke politieke vragen onvermijdelijk. Om die vragen te beantwoorden en vervolgens de (eventueel) benodigde verandering in gang te zetten is de inzet van zowel het Rijk als gemeenten nodig. Dit vraagt dus dat zij hier samen over in gesprek gaan, om een gezamenlijke basis te leggen voor een oplossing voor de structurele tekorten. Betrek ook mogelijkheden in andere wettelijke kaders bij de afweging over het voorzieningenniveau In dit onderzoek hebben we voornamelijk gekeken naar interventies en effecten binnen de Jeugdwet, Veel problematiek die uiteindelijk leidt tot jeugdzorggebruik, zoals schuldenproblematiek, ontstaat echter elders. Gemeenten hebben vanuit hun bredere verantwoordelijkheid invloed op sommige van die domeinen; tegelijkertijd zijn hun mogelijkheden om deze problemen op te lossen vaak beperkt. Zo zijn gemeenten verantwoordelijk voor schuldhulpverlening, maar met het Rijk als grootste schuldeiser zijn er stevige beperkingen aan wat daarin van gemeenten verwacht kan worden. Op andere belangrijke domeinen - in het bijzonder onderwijs en kinderopvang - hebben gemeenten zelfs wettelijk gezien weinig invloed. De mogelijkheden voor gemeenten om aan een brede pedagogische basis te werken, zijn in de praktijk dus in hoge mate beperkt. Het is van belang dat het Rijk in de oplossing voor het jeugdhulpprobleem voorbij de Jeugdwet kijkt, en ook expliciete verantwoordelijkheden neerlegt bij andere partijen die vanuit hun rol en verantwoordelijkheid kunnen bijdragen aan die brede pedagogische basis, Als aanpassingen aan het voorzieningenniveau gewenst zijn, neem dan voldoende tijd om tot dit niveau te komen Het aanpassen van het voorzieningenniveau, en dan vooral het verlagen van het voorzieningenniveau, gaat niet van de ene op de andere dag. De samenleving is inmiddels GV572 39 Andersson Elffers Felix gewend aan een grotere rol van de overheid bij lichte problemen, en het vraagt een cultuurverandering bij gemeenten, jeugdzorgorganisaties en de gehele maatschappij om dit terug te draaien. Als de afwegingen over het voorzieningenniveau ertoe leiden dat aanpassing gewenst is, adviseren we het Rijk daarom dan ook om voldoende tijd te nemen om tot het gewenste voorzieningenniveau te komen. Houd bij een overgang rekening met transitiekosten Een eventuele aanpassing van het voorzieningenniveau zal daarbij ook vragen van gemeenten dat ze anders gaan werken. Waar het beleid zich nu richt op het uitbreiden van het voorliggend veld, kan een discussie over het gewenste voorzieningenniveau met zich meebrengen dat op zoek gaan naar verborgen problematiek minder wenselijk wordt gevonden, of dat hier een scherpere selectie in plaats vindt. Dat betekent dat gemeenten in elk geval werkprocessen zullen moeten aanpassen, en vermoedelijk ook zullen moeten investeren in opleiding en training. Op basis van de inzichten uit het onderzoek kan verwacht worden dat de wijziging niet in één keer succesvol zal zijn. Bij een overgang moet dan ook rekening gehouden worden met transitiekosten. Aanvaard de gevolgen van een eventuele verlaging van het voorzieningenniveau en communiceer hier eerlijk over Rijk en gemeenten hebben gezamenlijk de beleidstheorie van de Jeugdwet omarmd, en die lijn in de afgelopen jaren beiden gecommuniceerd. Als besloten wordt tot het verlagen van het voorzieningenniveau, bijvoorbeeld door bij minder problematiek een rol voor de overheid te zien, of te sturen op het verkorten van trajecten, staan gemeenten ervoor aan de lat om dit door te voeren. Dit is echter een moeilijke boodschap, waar zij steun van het Rijk voor nodig hebben. Het is van belang dat ook het Rijk zich realiseert dat het verlagen van het voorzieningenniveau consequenties heeft en zich eraan committeert om deze consequenties samen met gemeenten te dragen. Dat betekent in lijn met de geldende bestuurlijke en financiële verhoudingen onder andere een heldere communicatielijn naar de samenleving, een eerlijk debat in de Tweede Kamer en grote terughoudendheid met het stellen van additionele eisen aan de kwaliteit of het voorzieningenniveau, tenzij hier extra middelen voor ter beschikking gesteld worden. 8.2 Adviezen voor gemeenten Voer een fundamentele discussie over het gewenste voorzieningenniveau Uit het onderzoek blijkt dat een brede inzet op preventie en vroegsignalering niet zonder meer tot een verlaging van de kosten op de lange termijn gaat leiden. Dat betekent dat in de lokale politiek een ander type afweging gemaakt moet worden: hoeveel geld heeft de gemeente over voor het welzijn en de mogelijkheden tot ontwikkeling van kinderen in relatie tot andere domeinen? Waar voelen we ons als gemeente verantwoordelijk voor, en wat moeten gezinnen zelf oplossen? Op basis van de informatie in dit onderzoek kunnen dergelijke afwegingen beter gemaakt worden, die meer ruimte geven voor lokale keuzes. Het is van belang dat binnen gemeenteraden hier het goede gesprek over gevoerd wordt. Maak de keuze tussen de kosten en de maatschappelijke baten voor jeugdhulp expliciet Preventie en vroegsignalering blijken weliswaar niet kosteneffectief binnen de Jeugdwet, maar kunnen wel het welzijn en de ontplooiingsmogelijkheden van de kinderen, jongeren en gezinnen verbeteren. Daarnaast kunnen er financiële baten in andere domeinen uit volgen, die in dit onderzoek niet gekwantificeerd zijn. Dit onderzoek is dan ook zeker geen aanbeveling om bepaalde activiteiten niet uit te voeren; wel adviseren we om zowel kosten als GV572 40 Andersson Elffers Felix maatschappelijke baten van jeugdzorg expliciet te maken, zodat de afweging op basis van de juiste informatie gemaakt kan worden. Leg een grotere nadruk op normaliseren, demedicaliseren en eigen kracht Uit het onderzoek blijkt dat de uitgangspunten van normaliseren, demedicaliseren en eigen kracht op gespannen voet staan met de andere uitgangspunten van de Jeugdwet. Daardoor zijn zij in de afgelopen jaren op de achtergrond geraakt. Uit dit onderzoek blijkt echter dat de andere uitgangspunten weliswaar de kwaliteit van de geboden jeugdhulp (bijvoorbeeld bij integraal werken) en het voorzieningenniveau kunnen verhogen, maar weinig aanknopings- punten bieden voor een kostenbesparing. Een grotere nadruk op normaliseren, demedicaliseren en eigen kracht biedt wel enige mogelijkheden om binnen de uitgangs- punten van de Jeugdwet kosten te besparen ten opzichte van de huidige situatie, In de afgelopen jaren zijn deze uitgangspunten echter beperkt geoperationaliseerd. Het is daarom van belang om dit complexe vraagstuk actief op te pakken en manieren te ontwikkelen om dit concreet te maken. Overweeg de invoering van een POH-jeugd, het versnellen van de doorstroom naar de Wlz en het verplaatsen van jeugdhulp naar kinderopvang In het onderzoek zijn verschillende mogelijke maatregelen waarmee gemeenten op de kosten kunnen sturen onderzocht. Het invoeren van een POH-jeugd, het versnellen van de doorstroom naar de Wlz en het verplaatsen van jeugdhulp naar kinderopvang blijken daarbij de grootste potentiële besparingen met zich mee te brengen. We adviseren gemeenten daarom om in elk geval de invoering van deze maatregelen te overwegen. Tijdig investeren in goede relaties met relevante partijen (huisartsen, aanbieders en kinderdagverblijven) is daarbij van belang, gezien de grote afhankelijkheid van hun medewerking. Onderzoek belemmeringen voor uitstroom en stuur hierop In de afgelopen periode is vaak gesteld dat de stijging van het jeugdhulpgebruik tenminste gedeeltelijk te wijten zou zijn aan een stijgende instroom, omdat de gemeenten (te) actief op zoek zouden zijn naar verborgen problematiek. Een opvallende conclusie in het onderzoek is dat de stijging in het jeugdhulpvolume niet zozeer veroorzaakt wordt door een stijgende instroom, maar door een achterblijvende uitstroom. Dit impliceert ook dat effectieve sturingsmethoden van gemeenten, in aanvulling op de maatregelen onderzocht in dit onderzoek, waarschijnlijk vooral te vinden zijn in het onderzoeken van belemmeringen voor uitstroom en het sturen op die uitstroom. Daarbij is het van belang om te beseffen dat dit soms strijdig kan zijn met het uitgangspunt van meer ruimte voor de professional. Dit dilemma zou in het gesprek over de uitgangspunten van de Jeugdwet besproken moeten worden. Daarnaast is het van belang om te onderzoeken wanneer eerder afschalen of uitstromen verantwoord mogelijk is en hierop te handelen. Hanteer realistische termijnen en kostenramingen voor de implementatie van nieuwe werkwijzen De implementatie van nieuwe werkwijzen vraagt tijd en investeringen. Complicerende factor daarbij kan bijvoorbeeld zijn dat er een afhankelijkheid is van andere partijen. Daarnaast is een verandering vaak ook niet “in één keer raak”, maar is er sprake van een cyclus van bedenken, doen, resultaat bekijken en daarop weer ingrijpen. In de beschrijving van de maatregelen hebben we steeds een indicatie opgenomen van het kostenniveau en van de termijn waarop een besparing gerealiseerd kan worden. We adviseren gemeenten om hier realistische termijnen en kostenramingen voor te hanteren. GV572 41 Andersson Elffers Felix Scherp het beleid waar nodig aan naar aanleiding van de inzichten uit dit onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat concrete maatregelen slechts beperkt bijdragen aan het terugdringen van de tekorten. Er is dus geen gemakkelijk recept waarmee gemeenten grip kunnen krijgen op het sociaal domein. Wel geeft dit onderzoek enkele belangrijke handvatten waarmee gemeenten hun beleid kunnen aanscherpen: — Op basis van de kennis dat ‘er eerder bij zijn’ niet automatisch leidt tot lagere kosten binnen het bestek van de Jeugdwet kan er een betere afweging gemaakt worden over de manier waarop preventie en vroegsignalering ingezet worden. — Ook de stijging van het mediane inkomen van gezinnen in vooral ambulante jeugdhulp kan aanleiding zijn voor een herijking van de toegang tot jeugdhulp. Hoewel ook kinderen in rijkere gezinnen met ernstige problemen kunnen kampen, roept deze verschuiving wel de vraag op of de juiste gezinnen bereikt worden. — Het inzicht dat de stijging in volume vooral veroorzaakt wordt door achterblijvende uitstroom is aanleiding om binnen de gemeente te onderzoeken waardoor cliënten langer in jeugdhulp blijven en hier gericht op te handelen. Een knelpunt in de keten dat snel op- of afschalen bemoeilijkt vraagt bijvoorbeeld een andere aanpak dan overbehandeling. — Een laatste belangrijke notie is de toename in gemiddelde kosten per cliënt per jaar. In combinatie met de tekorten bij een deel van de jeugdhulpaanbieders en winsten bij andere, ligt het voor de hand om vormen van tariefdifferentiatie te overwegen. =— Ook maatregelen waar in dit onderzoek geen besparing voor is gevonden, kunnen met andere uitgangspunten bijdragen aan sterkere sturing. Een voorbeeld hiervan is het budgetplafond. Als een gemeente het geen probleem vindt dat (bepaalde groepen) kinderen lang moeten wachten op hulp, kan een budgetplafond bijdragen aan grip. Het is van belang dat deze inzichten gericht ingezet worden, in samenhang met de rest van de sturing in het sociale domein. Versterk de monitoring op beleidsdoelen, zodat tijdig bijsturen mogelijk is Het van belang dat verschillende sturingsinstrumenten onderling consistent zijn en gebaseerd zijn op een duidelijke visie. Daarnaast is het alleen mogelijk om sturing verder te ontwikkelen als zicht is op de effecten van het gekozen beleid, zowel financieel als inhoudelijk. In het onderzoek hebben we geconstateerd dat gemeenten dit inzicht vaak beperkt hebben. Daarmee is niet duidelijk wat succesvol is en wat niet, en waar bijgestuurd moet worden. We adviseren gemeenten om de monitoring op beleidsdoelen te versterken. 8.3 Tot slot In de afgelopen jaren hebben gemeenten, aanbieders, jeugdhulpprofessionals, andere experts hun schouders gezet onder een enorme klus: het decentraliseren en tegelijkertijd transformeren van het hele jeugdstelsel, In die jaren is ook regelmatig gereflecteerd op voortgang, waarbij geregeld werd vastgesteld dat het om taaie en complexe materie gaat, en dat de transformatie gestaag gestalte krijgt. De lopende discussies over financiering van het stelsel maken het daarbij niet makkelijker. De verwachte financiële baten van de transformatie bleven uit, en de onzekerheid over de toekomstige ontwikkelingen maakte het ingewikkeld om structurele afspraken te maken over het benodigde budget. Het doel van dit onderzoek was om een stevige basis te leggen onder dit gesprek. De uitkomsten van het onderzoek laten echter zien dat er eerst een ander gesprek gevoerd moet worden; over de uitgangspunten van de Jeugdwet en het gewenste voorzieningenniveau. De GV572 42 . Andersson Elffers Felix resultaten van dit onderzoek zijn voeding voor dit gesprek, De uiteindelijke afweging is aan de politiek. Om te kunnen komen tot de inzichten die we hebben opgedaan hebben we bij een groot aantal partijen informatie opgehaald, waaronder veel gemeenten, aanbieders en experts. Wij willen iedereen die aan het onderzoek deelgenomen heeft hartelijk danken voor de openheid, de inzichten en de gegevens die jullie met ons gedeeld hebben. We hebben jullie, in Coronatijd, veel vragen gesteld, die niet altijd gemakkelijk te beantwoorden waren. We waarderen het enorm dat jullie de tijd hebben genomen om samen met ons te zoeken naar manieren om daar toch een stap verder in te komen. GV572 43 Andersson Elffers Felix Bijlagen Andersson Elffers Felix A Onderzoeksverantwoording In dit onderzoek hebben we gekeken naar het structureel benodigde budget bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet. Dat is een stevige onderzoeksvraag, en die vraagt om een stevige aanpak én verantwoording. In deze bijlage lichten we toe welke uitgangspunten onder de aanpak hebben gelegen en hoe we het onderzoek hebben opgebouwd. Uitgangspunten voor het onderzoek We nemen de huidige kosten van gemeenten als uitgangspunt Om te komen tot het structureel benodigde budget bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering, zijn er op hoofdlijnen twee routes mogelijk: — Inde top-downmethode wordt een doeltreffende en doelmatige uitvoering gebaseerd op de inhoud van de Jeugdwet. Bij deze methode wordt bepaald welke taken gemeenten hebben op basis van de Jeugdwet, en vervolgens gekwantificeerd wat de kosten zouden zijn bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken. — In de bottom-upmethode wordt gestart vanuit de huidige uitvoering en van daaruit gekeken naar wat doelmatiger of doeltreffender kan. In dat geval wordt het verschil tussen de huidige kosten en budgetten als uitgangspunt genomen, en onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om de uitvoering meer doelmatig en doeltreffend te maken. Daarnaast wordt gecorrigeerd voor een eventueel boeggolfeffect in de huidige kosten. De top-downmethode vereist echter dat de inhoud van de Jeugdwet eenduidig te vertalen is naar de “juiste” uitvoering. Gezien de specifieke context is dat om meerdere redenen niet haalbaar: — De Jeugdwet is dermate open opgesteld dat niet eenduidig vast te stellen is welke taken van gemeenten precies wel en niet voortvloeien uit de Jeugdwet. De uitkomsten van het expertiseteam Reikwijdte Jeugdzorg lieten opnieuw zien dat dit een complexe discussie zonder duidelijk antwoord is.” Het is daarmee niet goed mogelijk om te bepalen wat gemeenten minimaal moeten doen onder de Jeugdwet, =— Om vanuit de taken te komen tot kosten moeten aannames gedaan worden over de inrichting en beleidskeuzes binnen gemeenten. De kern van de Jeugdwet is juist dat gemeenten keuzes kunnen maken die optimaal aansluiten bij hun lokale situatie. Deze 2 De kracht van wijd reiken. Advies om de transformatie van de jeugdhulp te laten slagen, VNG Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht, 2020. GV572 45 Andersson Elffers Felix aanvliegroute past daarmee niet bij de uitgangspunten van de Jeugdwet, en in bredere zin niet bij het uitgangspunt van lokale beleidsvrijheid voor gemeenten. Daarom hebben we in het onderzoek niet gekozen voor de top-downmethode, maar voor de bottom-up aanpak. Deze sluit beter aan op de beleidsuitgangspunten van de Jeugdwet en is daardoor wel haalbaar. We onderzoeken mogelijke doelmatigheidswinsten op basis van concrete maatregelen Als onderdeel van de beleidsvrijheid die gemeenten hebben staat het hen vrij om meer of minder uitte geven aan bepaalde taken dan vanuit het Rijk overgeheveld is. Dit uitgangspunt is ook vertaald naar hoe de wet is opgezet: de Jeugdwet is juist open geformuleerd om gemeenten de ruimte te geven om eigen keuzes te maken die lokaal het best passend zijn. Dat betekent niet dat extra uitgaven automatisch gehonoreerd zouden moeten worden in het macrobudget: als gemeenten bewust kiezen voor een hoger voorzieningenniveau, worden ze geacht dit te bekostigen door het voorzieningenniveau in een ander domein te verlagen of andere inkomsten te verhogen. Als gemeenten geen mogelijkheden hebben om de kosten voor jeugd te beïnvloeden, zou het voor de hand liggen dat de kosten wel vanuit het Rijk bekostigd moeten worden. In het onderzoek zijn we daarom uitgegaan van de kosten die gemeenten maken, en maken we steeds onderscheid tussen beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare extra kosten. Kosten zijn beïnvloedbaar als het mogelijk is om maatregelen te identificeren die de kosten ombuigen. In het onderzoek rekenen we de effecten van al deze maatregelen uit. Op die manier identificeren we de niet-doelmatige uitgaven. Wat overblijft, zijn uitgaven die wel doelmatig zijn. Alternatieve methodes, zoals het bepalen van het budget op basis van de ‘goedkoopste’ gemeenten of uitkomsten van maatregelen alleen te baseren op gemeenten die ze met succes hebben ingevoerd, hebben als risico dat conclusies getrokken worden op basis van toevalligheden. Deze methode geeft conclusies die op betrouwbare wijze te veralgemeniseren zijn naar alle gemeenten. Een aanvullend voordeel van deze methode is dat we hiermee niet enkel aangeven hoeveel doelmatigheidswinst er te behalen zou zijn, maar ook concrete handvatten bieden voor hoe gemeenten dit kunnen doen. Om de afweging volledig te kunnen maken, is het van belang om naast de financiële effecten ook zicht te hebben op kwalitatieve effecten, risico’s en randvoorwaarden. Deze hebben we daarom ook in het onderzoek onderzocht. Goede verankering van het onderzoek in een stevige theoretische basis Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een solide vertaling van inhoud naar financiën nodig. In de huidige context is dit een complexe vraag, omdat verschillende aspecten door elkaar lopen. Zo is de Jeugdwet relatief recent ingevoerd, en is de transformatie van de jeugdhulp nog in volle gang. Het is niet duidelijk in hoeverre de huidige hogere kosten mogelijk te maken hebben met een boeggolf-effect. Daarnaast zijn er wel goede voorbeelden van gemeenten die erin slagen om hun kosten te beheersen, maar is nog beperkt duidelijk in hoeverre het mogelijk is om de geleerde lessen op te schalen. Tot nu toe is het moeilijk gebleken om concreet in kaart te brengen hoeveel kosten er structureel met de uitvoering van de Jeugdwet gepaard gaan. De onzekerheden in de analyses tot nu toe worden mede veroorzaakt doordat er geen stevige theoretische basis is voor eventuele maatregelen en mechanismen die tot kostenbesparing moeten leiden: de GV572 46 Andersson Elffers Felix ‘beleidstheorie’ van de Jeugdwet als geheel heeft een relatief hoog abstractieniveau, wat toepassing op het niveau van concrete maatregelen lastig maakt. Voor een betrouwbaar onderzoek is een stevige theoretische basis echter wel van belang. Om deze stevige basis te verkrijgen, hebben wij per maatregel een concrete beleidstheorie opgesteld als basis voor het verdere onderzoek. Die geeft inzicht in mogelijke effecten, biedt de mogelijkheid om de beleidstheorie die achter de berekening ligt uitgebreid te toetsen bij experts en maakt duidelijk op welke manier de omvang van effecten berekend kan worden. Gericht onderzoek om belasting van gemeenten en aanbieders én een lage respons te voorkomen De ervaring leert dat gemeenten en aanbieders onderzoeken zoals deze weliswaar belangrijk vinden, maar dat de capaciteit om eraan bij te dragen bij veel van hen beperkt is. Uitgebreide uitvragen of processen die veel van gemeenten of aanbieders vragen, verkleinen de kans op een goede respons en daarmee op een representatief beeld. Daarom hebben we ervoor gekozen om een beperkt aantal dieptestudies te combineren met een bredere uitvraag, waarin we zeer gerichte en (zoveel mogelijk) toetsende vragen hebben gesteld. Opbouw van het onderzoek In het onderzoek hebben we dus de huidige kosten en budget als vertrekpunt genomen. Vervolgens hebben we gekeken in hoeverre deze kosten omlaag te brengen zijn door maatregelen om doelmatiger te werken; en wat er eventueel nog te besparen is door aanpassingen aan de Jeugdwet of aan het stelsel. Ook hebben we onderzocht in hoeverre er sprake is van een boeggolf, waardoor het kostenniveau tijdelijk zou stijgen maar op termijn weer zou dalen. Deze elementen zijn hieronder grafisch weergegeven. Daarbij moet opgemerkt worden dat deze grafiek slechts bedoeld is ter illustratie van de opbouw; de omvang van de onderlinge elementen geeft geen indicatie van de werkelijke (relatieve) omvang van de elementen. Boeggolf = Maatregelen binnen de Jeugdwet om doelmatiger en doeltreffender te werken B Structureel tekort te verminderen door aanpassingen aan de Jeugdwet B Mogelijk resterend structureel tekort EB Budget — Tijdelijke hogere kosten door een boeggolf-effect 2 | — 8 | Maatregelen die binnen de Jeugdwet genomen S | kunnen worden om de kosten te verlagen 5 TT) Het eventuele structurele tekort, en maatregelen die El genomen kunnen worden buiten de Jeugdwet om het 2 | budgettaire beslag te verminderen. Het totale structurele & tekort kan hoger of lager zijn dan de kosten die door deze 8 | —— maatregelen bespaard kunnen worden. Het huidige budget voor de uitvoering van de Jeugdwet 2015 PAN) Po j 2018 2019 Analyse ontwikkeling volume en prijs Voor de duiding van de ontwikkeling van de kosten kijken we naar de ontwikkeling in zowel volume (aantallen trajecten) als prijs Figuur 5 Illustratieve weergave opbouw onderzoek GV572 4T Andersson Elffers Felix De concrete berekening Om het structurele tekort te kunnen bepalen, hebben we in het onderzoek vier bouwstenen uitgewerkt: — Kosten en budget — Ontwikkelingen in volume en prijs (als duiding van kosten en budget) — De boeggolf — Maatregelen binnen en aanpassingen aan de Jeugdwet Met de informatie uit deze bouwstenen kan het structureel tekort berekend worden aan de hand van de volgende formule. _ _ Kosten -/- Boeggolf -/- Maatregelen binnen de Jeugdwet eneen -/- (eventueel) Aanpassingen aan de Jeugdwet -/- budget In de volgende paragrafen lichten we de afzonderlijke bouwstenen nader toe. Bouwsteen 1: Kosten en budget Om te bepalen of, en zo ja in welke mate, er sprake is van een tekort voor de jeugdzorg hebben we zowel het budget als de kosten tussen 2015 en 2019 in kaart gebracht. Daarbij zijn we in beginsel uit gegaan van zowel budget als kosten horend bij de taken die als gevolg van de decentralisatie zijn overgeheveld. Voor de kosten gaat het daarbij naast de kosten voor jeugdhulptrajecten zelf ook om de extra kosten voor intensivering in de activiteiten op het gebied van preventie en voorliggend veld. De wijze waarop deze kosten zijn berekend is in meer detail beschreven in bijlage B Analyse van kosten, budget en volume, Bouwsteen 2: Ontwikkelingen in volume en prijs In het onderzoek is gekeken naar ontwikkelingen in volume en prijs, deels als duiding voor de ontwikkeling in kosten en deels als input voor berekeningen van effecten van maatregelen en de mogelijke boeggolf, We hebben onder andere gekeken naar de ontwikkelingen van aantal cliënten en trajecten, in- en uitstroom en de mate waarin bepaalde doelgroepen in de instroom vertegenwoordigd zijn. Meer informatie hierover is opgenomen in bijlage B Analyse van kosten, budget en volume, Voor deze analyses is gebruik gemaakt van data bij het CBS op cliëntniveau, de zogeheten microdata. We hebben gebruik gemaakt van deze data in plaats van de data op StatLine (die ook gebaseerd is op dezelfde onderliggende data), omdat registratieproblemen tot onderschatting van het jeugdhulpvolume kunnen leiden. Door de microdata te gebruiken konden we corrigeren voor de registratieproblemen. De hiervoor gebruikte werkwijze is beschreven in bijlage A.3 Microdata., Bouwsteen 3: De boeggolf Een van de onderliggende uitgangspunten onder de Jeugdwet was dat inzet op preventie en vroegsignalering op termijn tot lagere kosten in de Jeugdwet zou leiden, doordat zware jeugdhulp op termijn voorkomen zou kunnen worden. Deze beweging (eerst een stijging, gevolgd door een daling) werd vaak aangeduid met de term “boeggolf”. In het onderzoek GV572 48 Andersson Elffers Felix hebben we gekeken naar de vraag of er inderdaad een boeggolf ingezet lijkt te zijn, en zo ja wat het verwachte tijdspad en het eindresultaat is. In het onderzoek hebben we de beleidstheorie nader uitgewerkt, op basis van de bestaande beleidstheorie over preventie en vroegsignalering, literatuuronderzoek en interviews / werksessies met experts, Op basis hiervan is het analysekader (zie bijlage C Analysekader boeggolf) opgesteld, wat getoetst is in de begeleidingsgroep en stuurgroep. Met deze basis zijn we het nadere onderzoek gestart. Op basis van de voorlopige resultaten werd een fundamenteel vraagstuk opgeworpen, toen bleek dat preventie en vroegsignalering binnen de Jeugdwet niet tot kostenbesparing leiden. De stuurgroep heeft daarom besloten dat de voorlopige resultaten gepresenteerd zouden worden in het rapport, maar dat het noodzakelijk is om het fundamentele vraagstuk te beantwoorden voordat verdere doorrekening van beleidsopties mogelijk is, De resultaten staan omschreven in bijlage D Het effect van preventie en vroegsignalering. Naast de structurele resultaten van preventie en vroegsignalering hebben ook de transitieduur en transitiekosten effect op de berekening om te komen van het huidige kostenniveau naar het structureel benodigd budget. Voor het bepalen van de transitieduur hebben we in het diepteonderzoek en in de enquête bij gemeenten navraag gedaan naar het aantal grote beleidsveranderingen dat zij hebben doorgemaakt of nog gepland hebben. Ook hebben we de duur van deze beleidsveranderingen getoetst, door dit te relateren aan de tijd die het kost om een PDCA-cyclus te doorlopen. De transitiekosten zijn bepaald middels een macrobenadering, die is gebaseerd op het CPB-rapport Zorgkeuzes in Kaart. Het onderzoek naar de transitieduur en transitiekosten staat nader toegelicht in bijlage C Analysekader boeggolf en bijlage D Het effect van preventie en vroegsignalering. Bouwsteen 4: Maatregelen In het onderzoek kijken we naar concrete mogelijkheden om de Jeugdwet doelmatiger uit te voeren, of met aanpassingen in de Jeugdwet tot lagere kosten te komen. Welke concrete mogelijkheden we onderzocht hebben, is afgestemd met begeleidings- en stuurgroep. Een uitgebreide toelichting op dit proces, en een overzicht van de maatregelen die overwogen maar niet onderzocht zijn, is opgenomen in bijlage A1 Proces en keuze maatregelen. Analysekaders en doelenbomen als stevige basis onder het onderzoek Voor elk van de gekozen maatregelen hebben we een analysekader en doelenboom opgesteld. Elk analysekader omvatte een beschrijving van de maatregel en vervolgens een doelenboom met daarin de potentiële financiële effecten (zowel positief als negatief). In elke doelenboom werden de onderliggende mechanismen van elke maatregel in beeld gebracht. Op basis hiervan hebben we per financieel deeleffect uitgewerkt welke onderzoeksmethoden we voor dat specifieke effect zouden inzetten. Een volledig overzicht van de gebruikte onderzoeksmethoden is te vinden in bijlage A.2 Onderzoeksmethoden. Op basis van de tabel met de verschillende effecten en bijpassende methoden hebben we vervolgens de maatregel stap voor stap, waar mogelijk, gekwantificeerd. Voor sommige maatregelen bleek het niet goed mogelijk om tot een goede en zinvolle kwantificering te komen. Waar mogelijk hebben we steeds andere, aanvullende onderzoeksmethoden ingezet om toch tot een resultaat te komen. In sommige gevallen was het ook dan niet mogelijk om tot een voldoende betrouwbare kwantificering te komen. GV572 49 Andersson Elffers Felix Op basis van deze analyse zijn de effecten (zowel financieel als kwalitatief), risico’s en randvoorwaarden van de maatregelen in kaart gebracht. Bij de financiële effecten hebben we toegelicht hoe we tot de inschattingen zijn gekomen. Wanneer het niet mogelijk was om iets te kwantificeren is ook dat toegelicht. Alle resultaten staan in detail omschreven in Bijlage E Resultaten per maatregel. In het onderzoek naar de effecten van de maatregelen is vaak gewerkt met inschattingen van effecten. Bij iedere inschatting zit logischerwijs enige mate van onzekerheid. In het onderzoek hebben we daarom steeds gewerkt met bandbreedtes. Bij het combineren van effecten per maatregel, en het combineren van verschillende maatregelen, zijn die bandbreedtes met elkaar gecombineerd via de (in de statistiek gebruikelijke) methode van de foutenvoortplanting. Een toelichting op de aard van en omgang met onzekerheden in het onderzoek vindt u in bijlage A4 Bandbreedtes, Combineren van de bouwstenen Om tot een beantwoording van de onderzoeksvragen te komen hebben we de resultaten van de verschillende bouwstenen bij elkaar gebracht. Ook hier hebben we gebruik gemaakt van foutenvoortplanting om resultaten bij elkaar te kunnen voegen. A1 Proces en keuze maatregelen In het onderzoek is gekeken naar maatregelen om de kosten die gemeenten maken te verlagen. Daarbij gaat het zowel om maatregelen die binnen het huidige stelsel mogelijk zijn, als om maatregelen waarvoor aanpassing van de Jeugdwet nodig is. In deze bijlage lichten we toe hoe gekozen is welke maatregelen onderzocht zouden worden, en welke maatregelen zijn afgevallen, We hebben breed het net opgehaald en suggesties waar nodig geconcretiseerd Als eerste stap hebben we een groslijst samengesteld, op basis van suggesties uit verschillende bronnen. Het gaat dan met name om: — De opdrachtgevers van het onderzoek (Ministeries van VWS, BZK, Financiën, JenV, en de VNG); — Gemeenten, naar aanleiding van een oproep via de J42; — Kennisinstituten en brancheorganisaties, middels een interviewronde; — Literatuuronderzoek, waaronder de recente onderzoeken van Significant en KPMG, en adviezen van het NJi® en de VNG; — Eigen ervaringen, ter aanvulling op thema’s waar nog geen maatregelen voorgesteld waren. De ontvangen suggesties waren niet in alle gevallen voldoende concreet om mee te nemen. In die gevallen hebben we geprobeerd deze alsnog te concretiseren, eventueel in overleg met de indienende partij. 20 Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en aanpak, Yperen T van, Maat A van der, Prakken J, 2019, Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. 31 De kracht van wijd reiken. Advies om de transformatie van de jeugdhulp te laten slagen, VNG Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht, 2020. GV572 50 Andersson Elffers Felix Suggesties voor maatregelen zijn gewogen op vooraf gedefinieerde criteria In de stuurgroep is (mede op advies van de begeleidingsgroep) een lijst met criteria vastgesteld om per maatregel een afweging te kunnen maken. De maatregelen op de groslijst hebben we getoetst op deze criteria. Deze afwegingen hebben we in detail per maatregel uitgewerkt en voorgelegd aan de begeleidingsgroep en stuurgroep. Onderstaande criteria zijn gebruikt voor de afweging van de maatregelen. De voorwaardelijke criteria hadden daarbij prioriteit boven de prioriterende criteria. Voorwaardelijke criteria Criterium Toelichting Concreet Een maatregel moet voldoende concreet zijn om De maatregel is voldoende concreet. uitvoerbaar te zijn, en om de effecten te kunnen onderzoeken. Maatregelen die onvoldoende geoperationaliseerd konden worden, zijn daarom niet meegenomen. Kostenverlagend Maatregelen die leiden tot verhoging van de kwaliteit van De maatregel leidt naar verwachting de jeugdhulp, maar geen invloed hebben op de kosten of de (binnen 5 jaar) tot een verlaging van de kosten verhogen sluiten niet aan bij het doel van dit kosten voor de uitvoering van de onderzoek, en zijn daarom niet meegenomen. Jeugdwet. Kwantificeerbaar Als bij voorbaat helder was dat er onvoldoende De effecten van de maatregelen kunnen aanknopingspunten zouden zijn om de effecten van een naar verwachting gekwantificeerd maatregel te kwantificeren, is de maatregel niet gekozen. worden. Prioriterende criteria Criterium Toelichting De verwachte omvang van de besparing Een maatregel die de kosten naar verwachting sterk verlaagt heeft kreeg prioriteit boven een maatregel die naar verwachting tot een kleinere besparing zou leiden. Invloed op doeltreffendheid van de Wanneer een maatregel de kosten verlaagt (en dus de Jeugdwet doelmatigheid verhoogt) maar tegelijkertijd een negatief effect heeft op de doeltreffendheid, kon dit een reden zijn om de maatregel niet mee te nemen. Het verwachte effect op de kwaliteitvan Alseen maatregel vermoedelijk zou leiden tot vermindering de jeugdhulp van de kwaliteit van de jeugdhulp, is de maatregel negatiever beoordeeld. Het verwachte effect op professionals Een positief of negatief effect op professionals, zoals werkdruk of werkplezier, is meegewogen in de beoordeling van de maatregel. Het verwachte effect op kosten in andere Verwachte positieve effecten op de kosten van uitvoering wettelijke kaders van andere wettelijke kaders leidden tot een positievere beoordeling van de maatregel, GV572 51 Andersson Elffers Felix Eerdere ervaringen met de maatregel Positieve eerdere ervaringen met een maatregel maken de kans groter dat er daadwerkelijk besparing gerealiseerd kan worden, en leidden daarmee tot een positievere beoordeling van de maatregel. De invloed op de complexiteit van het Toenemende complexiteit door de maatregel leidde tot een systeem negatievere beoordeling van de maatregel. De stuurgroep heeft twintig maatregelen gekozen; één is later afgevallen De stuurgroep is na een advies van de begeleidingsgroep tot het besluit gekomen om 20 maatregelen in het onderzoek mee te laten nemen. Van deze maatregelen is er één in een later stadium afgevallen. Daarbij gaat het om de maatregel om de wettelijke afbakening tussen de Wlz en de Jeugdwet aan te passen, zodat er meer jeugdigen zouden voldoen aan de criteria voor de Wlz. In het onderzoek is geconcludeerd dat er twee operationaliseringen mogelijk waren: — Het openstellen van de Wlz voor jeugdigen met psychische problematiek, zoals dit voor volwassenen recent al is gebeurd. Hier liep echter al een onderzoek naar, waarin ook gekeken zou worden naar de financiële aspecten. — Het criterium “levenslang” (voor jeugdigen) laten vervallen of veranderen. Hiervan werd echter geconcludeerd dat een dermate fundamentele discussie over de Wlz niet gevoerd moet worden binnen de context van een financieel onderzoek over de Jeugdwet. De stuurgroep heeft besloten dat het van beide operationaliseringen niet wenselijk was om deze variant te onderzoeken. Daarom is de maatregel later in het onderzoek vervallen. Negentien maatregelen zijn overwogen maar afgevallen De volgende maatregelen die binnen het huidige stelsel mogelijke zouden zijn, zijn niet opgenomen in het onderzoek: — 2, Vastleggen dat jeugdhulpaanbieders (bij verwijzing buiten lokale teams om) op dezelfde manier onderzoek moeten indiceren voor doen naar de benodigde jeugdhulp als gemeentelijke lokale teams, omdat de maatregel positief beoordeeld wordt op de criteria maar voor een deel aangrijpt op dezelfde kosten als de POH-Jeugd. — 9, Duur van beschikkingen voor ambulante jeugdhulp verkorten, omdat er mogelijke negatieve effecten op doeltreffendheid, kwaliteit en professionals zijn. — 10. Investeer in een alternatief aanbod voor langdurige jeugdhulp om uitstroom of substitutie te bevorderen, omdat de maatregel onvoldoende concreet is (de resultaten zijn erg afhankelijk van hoe het alternatieve aanbod er dan uit ziet) en het niet haalbaar werd geacht om binnen de doorlooptijden van dit onderzoek tot concretisering te komen. — 11. Afschalen van (intensieve) zorg, omdat de maatregel in deze vorm onvoldoende concreet is: het bleek niet mogelijk om duidelijk te definiëren hoe gemeenten ervoor moeten zorgen dat zorg afgeschaald wordt (behalve via maatregel 9), waardoor het niet mogelijk was de maatregel te operationaliseren en de werkzame bestanddelen te onderzoeken. — 12. Effectievere bescherming van jeugd en gezin, omdat de besparing naar verwachting gering is, en omdat dit onderwerp op dit moment onderzocht wordt in een groter traject waarin verschillende aspecten van de jeugdbeschermingsketen aan de orde komen. — 15. Afbakening Jeugdwet en onderwijsverantwoordelijkheden, omdat ondanks diverse discussies en onderzoek nog onvoldoende duidelijk is hoe dit gedaan kan worden, en de maatregel daarmee onvoldoende concreet en kwantificeerbaar is. — 16. Opstellen van een visie op jeugdhulp, waarop gemeente kan sturen, omdat de maatregel beperkt concreet en onvoldoende kwantificeerbaar is. GV572 52 Andersson Elffers Felix — 22. Uniformering processen, omdat besparing van deze maatregel in zichzelf wel van voldoende omvang kan zijn, maar als er (in lijn met de Kamerbrief Perspectief voor de Jeugd) meer regionaal ingekocht gaat worden, verdere uniformering van inkoopprocessen en contractering naar verwachting beduidend minder bespaart; en dit daarnaast vereist dat alle gemeenten hierin meegaan. De volgende maatregelen waarvoor aanpassing aan het stelsel nodig zou zijn, zijn niet opgenomen in het onderzoek: — 23, Inperken van de ruimte van de Gl’s in doorverwijzingen (in vier mogelijke uitwerkingen), omdat er zorgen zijn over de kwaliteit als de Gl’s niet kunnen doorverwijzen naar de best passende hulp. Daarnaast lopen er momenteel diverse trajecten om de afstemming te verbeteren. — 24. Afnemen van het verwijsrecht van huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen, omdat het niet wenselijk wordt geacht om de medische verwijsroute aan te passen en standaard langs de gemeentelijke lokale teams te laten lopen. Dit zou leiden tot een extra stap en meer bureaucratie. — 25. Mogelijkheid om alleen naar gecontracteerde hulp te verwijzen, omdat deze lastig te kwantificeren is en niet duidelijk is hoe deze zich verhoudt tot het pgb. — 27. Invoeren Inkomenstoets voor Generalistische Basis-ggz, omdat de maatregel naar verwachting de kosten verlaagt maar er ook verschillende mechanismen zijn waarmee hij voor hogere kosten zou kunnen zorgen. — 28, Betaaltitels voor samenwerking met andere hulpverleners in Zvw-kader, omdat de maatregel ingewikkeld te kwantificeren is en naar verwachting maar een zeer beperkt effect zal hebben op de kosten binnen de Jeugdwet. — 29, Mogelijkheden voor jeugdhulpaanbieders om volwassenenzorg te indiceren, omdat de maatregel lastig te kwantificeren is en naar verwachting tot hogere kosten in Zvw-kader zal leiden. — 30. Stel bij een echtscheiding met kinderen verplicht dat er een mediator betrokken wordt, omdat daarmee mogelijk jeugdhulpgebruik voorkomen zou kunnen worden, maar dit niet binnen de scope van het onderzoek valt dat zich beperkt tot de Jeugdwet. Daarbij loopt er een onderzoek in het kader van het programma Scheiden zonder Schade en is het niet zinvol geacht om deze maatregel ook binnen dit onderzoek mee te nemen. — 32, Wettelijk regelen van sterk vereenvoudigde accountantscontrole, omdat de besparing naar verwachting zeer beperkt is. — 33, Beperken reikwijdte jeugdhulp (in verschillende subopties), omdat deze ingrijpt op dezelfde kosten als het Afwegingskader benoemd in maatregel 4 (Afwegingskader gebruikelijke hulp, in latere nummering maatregel 3), en omdat voor deze maatregel nadere concretisering nodig was. Het wetenschappelijk onderbouwen van welke jeugdhulp effectiever is gaat gepaard met een grote onzekerheid en veel nuances, omdat dit per doelgroep kan verschillen. In dit stadium van de transformatie zijn gemeenten nog aan het leren hoe ze goed om kunnen gaan met het inperken van jeugdhulp zonder de reikwijdte meteen landelijk wettelijk vast te leggen (zie maatregel 4 wat de mogelijkheid biedt tot leren en ontwikkelen op dit terrein) en gemeenten hun beleidsvrijheid hierin te beperken. — 34, Onderbrengen dyslexie in het onderwijs, omdat nog onzeker is of dit enkel een verschuiving van kosten naar het onderwijs-kader is of ook daadwerkelijk leidt tot besparingen. — 36. Onderbrengen jeugd-GGZ in Zvw, omdat de maatregel enkel leidt tot een verschuiving van kosten en ingaat tegen de uitgangspunten van het stelsel, GV572 53 Andersson Elffers Felix A.2 Onderzoeksmethoden In deze bijlage gaan we nader in op de verschillende methoden die we tijdens het onderzoek hebben gebruikt. Literatuurstudie Om gebruik te maken van de kennis die er al is op het gebied van jeugdzorg en de eerdere onderzoeken die al zijn gedaan”, hebben we op basis van literatuurstudie de mogelijke maatregelen binnen de Jeugdwet en aanpassingen aan de Jeugdwet in kaart gebracht. Vervolgens hebben we, voor zover mogelijk, door middel van literatuurstudie in kaart gebracht waar de maatregelen op aangrijpen en wat dit betekent voor de uitgaven vanuit de Jeugdwet, Dit hebben we daarna meegenomen in het opstellen van een analysekader en doelenboom per maatregel. Daarnaast hebben we literatuurstudie gebruikt voor de duiding van het volumeonderzoek., In aanvulling op de onderzoeken en andere bronnen die wij voorafgaand aan dit onderzoek relevant achtten, hebben wij een groot aantal documenten ontvangen van gemeenten en aanbieders die hebben deelgenomen aan het diepteonderzoek. Daarnaast hebben we ook van gemeenten buiten het diepteonderzoek documenten ontvangen, evenals van leden van de begeleidingsgroep. Deze hebben wij bestudeerd en meegenomen in de analyse van de verschillende bouwstenen. Diepteonderzoek Om een groot aantal van de kwantitatieve en kwalitatieve effecten van de verschillende maatregelen in beeld te krijgen hebben we diepte-interviews gevoerd met verschillende gemeenten en aanbieders. Per gemeente/aanbieder voerden we in de meeste gevallen twee gesprekken. Vanwege het coronavirus hebben alle gesprekken online plaatsgevonden. De interviews gaven ons inzicht in de manier waarop gemeenten en aanbieders bepaalde maatregelen in de praktijk uitvoeren en stelden ons in staat om de onderliggende mechanismen verder te doorgronden en waar nodig aan te scherpen. Daarnaast gaven de gesprekken, evenals de kwantitatieve data die bij veel gemeenten en aanbieders beschikbaar zijn, inzicht in de kosten die gepaard gaan met een bepaalde maatregel. Om de belasting voor gemeenten en aanbieders beperkt te houden hebben we met een beperkt aantal gemeenten en aanbieders diepte-interviews gehouden. De inzichten die we verkregen uit deze gesprekken hebben we vervolgens getoetst middels een uitvraag die door alle gemeenten een aanbieders kon worden ingevuld. Door de informatie eerst op te halen bij een kleine groep betrokken partijen konden we de vragen aan de rest van de gemeenten/aanbieders gerichter stellen. Criteria voor selectie van gemeenten en aanbieders Voor het diepteonderzoek was het nog niet noodzakelijk om te komen tot een representatieve steekproef, omdat we voor de representativiteit in een later stadium de uitvraag hebben uitgevoerd, Om een goed beeld te krijgen van de mechanismen was diversiteit echter wel van belang. Na advies van de begeleidingsgroep heeft de stuurgroep de criteria vastgesteld om te 2 Het gaat dan bijvoorbeeld om Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten, Significant, 2019; Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019; en Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020. GV572 54 Andersson Elffers Felix komen tot de selectie van gemeenten en aanbieders voor het diepteonderzoek, waarbij is benoemd dat de prioriteit lag bij de ervaring met de maatregelen die onderzocht zouden worden. Deelnemende gemeenten Om alle gemeenten de gelegenheid te bieden om zichzelf aan te melden voor het diepteonderzoek is er door de VNG via de J42 een open uitnodiging verspreid. Op basis van de ervaring die gemeenten hebben met één of meerdere van de maatregelen is er door AEF in overleg met VWS en de VNG een concept-selectie gemaakt. Hierin zijn ook enkele gemeenten opgenomen die zichzelf niet hadden aangemeld, maar wel ervaring hebben met meerdere maatregelen. Daarbij is aandacht besteed aan diversiteit op de andere criteria, zoals omvang en ligging. Alle gemeenten die gevraagd zijn hebben toegezegd deel te nemen. We hebben het diepteonderzoek uitgevoerd bij de volgende gemeenten: — Leeuwarden — Kempengemeenten” = Deventer — Utrecht — Halderberge — Almere — Alphen aan den Rijn — Eindhoven — Hoeksche Waard — Krimpen aan den IJssel Deelnemende aanbieders Om aanbieders te werven voor het diepte-onderzoek hebben we de VGN, Jeugdzorg Nederland en GGZ Nederland gevraagd mee te denken welke aanbieder(s) mogelijk interessant zouden zijn om maatregelen mee te bespreken. Ook hier hebben we gestreefd naar een diverse groep: aanbieders die verschillende vormen van jeugdhulp leveren en verspreid zijn over het land. Waar mogelijk is rekening gehouden met omvang. In afstemming met VWS en de VNG zijn negen aanbieders benaderd. Een aanbieder die is benaderd heeft aangegeven niet deel te willen nemen; daar is een alternatief voor gevonden. Een andere aanbieder heeft aangegeven alleen tijd te kunnen maken voor één gesprek; in dit geval was dat ook voldoende. De volgende aanbieders hebben deelgenomen aan het diepteonderzoek: — Sterk Huis — De Rading = Yorneo — Altrecht — Curium-LUMC — Novadic-Kentron —= Cordaan — Ipse de Bruggen — De Passerel 53 De Kempengemeenten bestaan uit de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden. GV572 55 Andersson Elffers Felix Uitvraag Om te onderzoeken of de voorlopige conclusies die volgden uit het diepte-onderzoek representatief waren voor andere gemeenten en aanbieders, hebben wij een uitvraag uitgezet. De uitvraag is op verschillende manieren verspreid: via de J42 is een oproep verspreid aan alle gemeenten om deel te nemen, en voor de aanbieders is de uitvraag verspreid via verschillende brancheverenigingen en via Linkedin. In deze uitvraag hebben we, op basis van gerichte vragen, de voorlopige conclusies voorgelegd om te onderzoeken of gemeenten en aanbieders zich konden herkennen in het geschetste beeld. Naast vragen over de maatregelen hebben we in de uitvraag ook vragen opgenomen over twee andere bouwstenen, namelijk de boeggolf en kosten en budget. Om de belasting voor gemeenten en aanbieders zoveel mogelijk te beperken hebben we de uitvraag zo ingericht dat gemeenten en aanbieders alleen vragen kregen over de onderwerpen waarvan zij aangaven daar ervaring mee te hebben. Respons gemeenten en aanbieders In onderstaande tabellen is de definitieve respons van de uitvraag opgenomen. In totaal hebben 144 gemeenten en 93 aanbieders de uitvraag ingevuld. Enkele gemeenten en aanbieders hebben de vragenlijst wegens tijdgebrek niet volledig kunnen invullen. In die gevallen hebben we steeds zorgvuldig gekeken welke antwoorden we wel en niet konden meewegen. Voor de respons van aanbieders hebben we in onderstaande tabel geen percentage van het landelijk aantal opgenomen, omdat die aantallen niet bekend zijn. Op het totaal hebben we daarmee (met name onder gemeenten) een goede respons weten te halen. Voor specifieke maatregelen was de respons vaak lager, omdat niet alle gemeenten ervaring hebben met alle maatregelen. Dit hebben we meegewogen bij het analyseren van de uitkomsten. Gemeenten PETN B ane Respondenten Landelijkaantal Percentage Minder dan 20.000 24 81 30% 20.000 - 50.000 84 189 44% 50.000 - 100.000 18 54 33% Meer dan 100.000 (excl. G4) 15 27 56% G4 3 4 75% Totaal 144 355 41% Aanbieders Aantal cliënten Respondenten Minder dan 25 33 25 - 100 14 100 - 500 18 500 - 1000 10 Meer dan 1000 18 Totaal 93 GV572 56 Andersson Elffers Felix Interviews met kennisinstituten en experts Om te zorgen dat we gebruik maakten van de expertise die reeds beschikbaar is, hebben we semi-gestructureerde interviews gevoerd met kennisinstituten en experts. Vanwege het coronavirus hebben deze interviews online plaatsgevonden. We hebben gesprekken gevoerd met de volgende partijen: — Nederlands Jeugdinstituut — _Movisie — Nederlands Centrum Onderwijs en Jeugdzorg — Nederlands Centrum voor Jeugdgezondheidszorg — Jeugdzorg Nederland — GGZ Nederland — VGN — VOBC — Landelijke Huisartsen Vereniging —= ROB = CPB =— SCP — NDSD — Divosa — Visitatiecommissie financiële beheersbaarheid Werksessies In aanvulling op de diepte-interviews en expertinschattingen hebben we een aantal werksessies georganiseerd waarin professionals en experts met elkaar in gesprek gingen over bepaalde maatregelen en over preventie en vroegsignalering in het kader van de boeggolf. Deze sessies stelden ons in staat om mechanismen achter bepaalde maatregelen verder uit te diepen en ruimte te laten voor kritische kanttekeningen. Dit resulteerde in een dieper begrip van maatregelen op basis waarvan we de kwantitatieve en kwalitatieve effecten vervolgens scherper in beeld konden brengen. Voor de boeggolf is mede op basis van deze werksessies bepaald wat er nodig is voor goede preventie en vroegsignalering. Ook hebben experts een inschatting gegeven van wat het effect kan zijn op het jeugdhulpvolume als preventie en vroegsignalering op deze wijze zouden worden ingericht. Vanwege het coronavirus hebben we de werksessies online georganiseerd, waarbij we gebruik hebben gemaakt van verschillende online werkvormen om zoveel mogelijk interactie en discussie mogelijk te maken. Gesprek met jongeren Als onderdeel van ons onderzoek hebben we een gesprek met vijf jongeren gevoerd die zelf jeugdzorg hebben gehad. Deze jongeren hebben zich via LOC aangemeld om deel te nemen aan het gesprek. We hebben aan de hand van hun eigen ervaringen besproken wat anders had gekund om op tijd de juiste hulp te ontvangen, en waar vanuit hun perspectief meer of minder geld naartoe kan. Het gesprek heeft daarmee bijgedragen om de opbrengsten van het onderzoek in context te plaatsen. Zo heeft een van deze jongeren de teksten geschreven die in hoofdstuk 2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel zijn opgenomen. De naam Kim is een pseudoniem. GV572 5T Andersson Elffers Felix EffectenArena - overkoepelend niveau Om meer inzicht te krijgen in de effecten die maatregelen kunnen hebben op verschillende partijen hebben we sessies georganiseerd met diverse groepen van experts op het gebied van jeugdhulp. Per sessie bespraken we een of meerdere maatregelen. De nadruk in deze sessies lag op de potentiële kwalitatieve effecten, evenals de randvoorwaarden en risico’s bij implementatie van de betreffende maatregel{en). Door experts met diverse achtergronden en uit verschillende contexten bij elkaar te brengen, verkregen we inzicht in hoe de maatregel ingrijpt op de organisatie en uitvoer van jeugdhulp. De uitkomsten van deze sessies zijn gebruikt om de beleidstheorie achter de maatregelen te verrijken en belangrijke kwalitatieve effecten, risico’s en randvoorwaarden een plek te geven in de analyse. Wij hebben in deze sessies gebruik gemaakt van het instrument EffectenArena. Per sessie vonden er twee bijeenkomsten plaats. In de eerste bijeenkomst stond steeds centraal welke verwachte positieve en negatieve effecten de maatregel zal hebben. In de vervolgbijeenkomst is verder uiteengezet welke randvoorwaarden er belangrijk zijn voor het bereiken van verwachte positieve effecten en welke risico’s de maatregel met zich meedraagt. Vanwege het coronavirus zijn deze sessies online georganiseerd. De EffectenArena’s zijn uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut, EffectenArena - uitvoeringsniveau Naast de EffectenArena’s op overkoepelend niveau hebben we EffectenArena’s op uitvoeringsniveau georganiseerd, met (ervarings)experts uit de praktijk van de jeugdhulp. In deze sessies hebben we rondom specifieke maatregelen een lokale praktijk uitgelicht, waarin de maatregel in bepaalde mate en vorm al is uitgevoerd. Het doel van deze sessies was om meer inzicht te krijgen in hoe de effecten van maatregelen doorwerken in de werkpraktijk van de jeugdhulp en het dagelijks leven van hulpbehoeftige jeugdigen en hun omgeving. In deze sessies hebben we wederom gekeken naar de effecten, risico’s en randvoorwaarden rondom een bepaalde maatregel, maar nu met een focus op de uitvoering en vanuit een lokale praktijk. De sessies zijn georganiseerd voor die maatregelen, waar het diepte- onderzoek nog onvoldoende (kwalitatieve) informatie gaf en verdere verdieping nodig was. Vanwege het coronavirus zijn deze sessies online georganiseerd. De EffectenArena’s zijn uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut, Casuïstiekanalyse (keukentafel-niveau) Voor de maatregelen rondom interdisciplinair afwegen zijn casuïstiekanalyses uitgevoerd. Aan de hand van geanonimiseerde casuïstiek uit het werkveld van intensieve jeugdhulp hebben wij een indruk gekregen van de potentiële effecten op (de zorg voor) hulpbehoevende jeugdigen en hun gezinnen. Het doel van de casuïstiekanalyse was het vinden van aanwijzingen voor inhoudelijke effecten in individuele verhalen en het creëren van exemplarische casuïstiekbeschrijvingen. Op die manier kon in de afweging van de maatregelen ook het perspectief/de leefwereld van de jeugdige meegewogen worden. In de gesprekken hebben we met groepen betrokkenen rondom een individuele casus eerst gereconstrueerd wat er in die gezinnen in de afgelopen periode gebeurde en wat voor inzet van jeugdhulp er is geweest. Waar mogelijk hebben we een inschatting gemaakt van de kosten. Vervolgens hebben we met de betrokkenen in kaart gebracht welk verschil een GV572 58 Andersson Elffers Felix maatregel gemaakt zou kunnen hebben op de situatie van de jeugdige en het gezin en de gemaakte kosten. Deze werkwijze is gebaseerd op het instrument Effectencalculator. Vanwege het coronavirus zijn ook deze gesprekken online georganiseerd. De casuïstiekanalyses zijn uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut. Data-analyse Voor een aantal van de bouwstenen hebben we analyses gedaan op basis van data die openbaar beschikbaar is, bijvoorbeeld via het CBS, Data over bijvoorbeeld het percentage verwijzingen door huisartsen, of het aantal leerlingen in het regulier onderwijs, zijn gebruikt om de potentiële omvang van bepaalde (deeljeffecten van maatregelen berekenen. Naast de openbare data hebben we ook gebruik gemaakt van microdata-bestanden van het CBS, waarin de data op cliëntniveau (geanonimiseerd) beschikbaar is. Meer informatie hierover vindt u in bijlage A.3 Microdata. Daarnaast hebben we de aansluitverschillen in de herijking gemeentefonds geanalyseerd om te onderzoeken of gemeenten met een groot positief aansluitverschil mogelijke interessante best practices hebben op het gebied van het beheersen van de kosten. Reflectiesessie Aan het eind van het project is er een online reflectiesessie georganiseerd voor gemeenten en aanbieders die hebben meegedaan aan het diepteonderzoek. Deze sessie diende als moment om met elkaar te reflecteren op een aantal thema’s en opvallende resultaten uit het onderzoek, A.3 Microdata Op verschillende momenten in dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van gegevens die verkregen zijn met behulp van CBS microdata. In deze bijlage gaan we ten eerste dieper in op de reden achter het gebruik van microdata in plaats van directe gegevens van StatLine te gebruiken, Ook beschrijven we de methode die gebruikt is om vanuit de microdata op cliëntniveau te komen tot gebruikte gegevens zoals het aantal cliënten, het aantal trajecten, of de verwachte baten bij het invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Het gebruik van microdata in plaats van StatLine Cijfers over jeugdhulpgebruik worden verzameld door het CBS en op StatLine gepubliceerd. Voor het onderzoek hebben we echter vooral gebruik gemaakt van de microdata-bestanden van het CBS. Deze zijn gebaseerd op dezelfde gegevens als StatLine, maar zijn bestanden waarin de data op cliëntniveau (geanonimiseerd) geanalyseerd kan worden. De databestanden worden samengesteld aan de hand van registraties die aanbieders over een bepaald jaar aanleveren. leder jaar wordt dus een nieuw bestand opgebouwd op basis van de registraties die over dat jaar worden aangeleverd; bestanden van andere jaren worden niet gecorrigeerd, tenzij aanbieders specifiek een correctie melden. Het databestand van een 24 Om onthullingsrisico te voorkomen, mogen de resultaten van deze analyses alleen onder strikte voorwaarden uit de beveiligde omgeving van CBS geëxporteerd worden. GV572 59 Andersson Elffers Felix jaar bevat de trajecten die in dat jaar zijn gemeld. Bij elk gemeld traject is onder andere vermeld om welke cliënt het gaat, wat voor type zorg het bedroeg en wat de start- en einddatum van het traject waren. Als een traject in een bepaald jaar nog niet beëindigd is, dan staat de einddatum geregistreerd als “nog lopend”, Een traject dat meerdere jaren loopt, hoort dus in de databestanden van ieder jaar waarin het liep gemeld te worden. Door registratieproblemen leidt een directe analyse van de microdata (en dus ook StatLine) tot een onderschatting van aantallen cliënten en trajecten. Om toch tot zo correct mogelijke gegevens te komen, zijn er verschillende correcties gedaan. Hieronder zijn de verschillende registratieproblemen van trajecten die voorkomen in de databestanden weergegeven. Voor de verschillende situaties zijn de manier waarop deze zich manifesteren, het effect dat ze hebben op het totaal aantal trajecten, en de correcties die ervoor worden gedaan aangegeven. Registratieprobleem1 Trajecten worden niet ieder jaar gemeld Manifestatie Een traject is in jaar T gemeld, waarbij de einddatum als “nog lopend” geregistreerd staat. In jaar T+ is dit traject niet gemeld. In een later jaar is het traject wel weer geregistreerd. Dat kan zowel als “nog lopend” of als “beëindigd” zijn. Er zijn ook trajecten die twee, drie, of vier jaar niet worden gemeld, maar daarna wel weer geregistreerd worden. Effect Door dit registratieprobleem worden er in jaar T+ (en eventueel andere tussenjaren) minder trajecten geteld dan er eigenlijk liepen. Correctie We tellen deze trajecten ook mee in de tussenliggende jaren. Registratieprobleem2 Trajecten worden niet afgemeld Manifestatie Een traject is in jaar T gemeld, waarbij de einddatum als “nog lopend” geregistreerd staat. In geen enkel later jaar wordt dit traject gemeld. Effect Deze trajecten worden na jaar T niet meer meegeteld, Het is echter niet duidelijk of ze in opvolgende jaren nog lopen of niet. GV572 60 Andersson Elffers Felix Correctie Trajecten die in 2015 of 2016 voor het laatst worden gemeld, worden in latere jaren niet meer meegenomen. Hier ligt de aanname onder dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een traject 3 jaar (2017, 2018 én 2019) of langer niet gemeld wordt. Voor trajecten die in 2017 of 2018 voor het laatst gemeld worden maar in latere jaren niet meer terugkomen, is het mogelijk dat deze trajecten één of twee jaar niet gemeld zijn, maar later nog terug zullen komen. Deze trajecten zouden we dan in de dataset van 2020 of 2021 terug zien. Die zijn echter uiteraard nog niet (volledig) beschikbaar, dus we kunnen niet met zekerheid vaststellen om hoeveel trajecten dit gaat. Van de trajecten zonder einddatum die voor het laatst in 2017 of 2018 worden gemeld, rekenen we daarom een deel mee in de latere jaren. We bepalen dit percentage op basis van het aantal trajecten dat in 2016 als “nog lopend” wordt gemeld, in 2017 niet gemeld wordt, en in 2018 of 2019 wel weer wordt gemeld. Manifestatie In jaar T (of nog later) wordt een traject gemeld met een startdatum in het jaar T-1, In het jaar T-1 werd dit traject echter niet gemeld. Effect Deze trajecten worden in jaar T-1 niet geteld, terwijl ze toen wel degelijk liepen. Correctie We tellen het traject ook mee in de jaren voordat het gemeld werd, tot aan het vermelde startjaar. Omdat deze registratieproblemen voorkomen, is het ook te verwachten dat er trajecten in 2020 en later gemeld zullen worden, waarvan de startdatum in 2019 of eerder ligt, Om hiervoor te corrigeren kijken we naar het percentage trajecten dat pas in 2019 wordt gemeld, maar waarvan de startdatum één, twee, of drie jaar eerder is. Omdat naar verwachting een even hoog percentage trajecten in 2020, 2021 en 2022 gemeld zal worden met begindatum in 2017, 2018, of 2019, hogen we het aantal trajecten in deze jaren op met de eerder bepaalde percentages. Al deze correcties zorgen ervoor dat de aantallen cliënten toenemen ten opzichte van de cijfers die gepubliceerd worden op StatLine. In de tabellen hieronder is een indicatie opgenomen van de omvang van de correcties, in de vorm van een percentage stijging ten opzichte van Statline. De eerste tabel geeft aan hoeveel correcties gedaan konden worden binnen de dataset. Dit zijn de correcties voor registratieprobleem 1, en de correcties voor registratieprobleem 3 voor trajecten die tussen 2015 en 2019 voor het eerst worden gemeld, maar een startdatum in een eerder jaar hebben. GV572 61 Andersson Elffers Felix Cliënten 2015 2016 Vl 2018 2019 Jeugdhulp 8% 6% 4% 3% 0% Jeugdbescherming 1% 1% 1% 0% 0% Jeugdreclassering 2% 1% 0% 1% 0% De volgende tabel geeft de omvang aan van de correcties waarvoor een inschatting gedaan is. Dit omvat de correcties voor registratieprobleem 2, en de correcties voor registratieprobleem 3 waarbij het aantal trajecten in 2017, 2018 en 2019 wordt opgehoogd omdat er naar verwachting in latere jaren trajecten gemeld zullen worden met een startdatum in deze jaren. Cliënten 2015 2016 Vl 2018 2019 Jeugdhulp 0% 0% 1% 2% 5% Jeugdbescherming 0% 0% 0% 0% 0% Jeugdreclassering 0% 0% 0% 0% 1% Trajectaantallen en cliëntaantallen De databestanden in de microdata bevatten voor ieder gemeld traject in een bepaald jaar een registratie, Hierbij wordt ook een geanonimiseerd persoonsnummer vermeld. Het aantal cliënten per jaar kan dus bepaald worden door te kijken naar de hoeveelheid unieke persoonsnummers in het databestand van dat jaar. In de eerder beschreven correcties wordt op twee manieren gebruik gemaakt van een inschatting om het aantal trajecten op te hogen: — Voor registratieprobleem 2 worden trajecten die in 2017 of 2018 gemeld worden met als einddatum “nog lopend”, maar in latere jaren niet meer terugkomen, voor een bepaald percentage meegeteld in de latere jaren. — Voor registratieprobleem 3 wordt het aantal trajecten in 2017, 2018 en 2019 opgehoogd met een percentage dat weerspiegelt hoeveel trajecten er naar verwachting in 2020, 2021 en 2022 gemeld zullen worden, met een startdatum in de eerdere jaren. Bij het bepalen van het aantal unieke cliënten zijn deze percentages opnieuw bepaald. Het kan immers bijvoorbeeld zo zijn dat een traject dat als “nog lopend” staat geregistreerd in 2017, maar later niet meer terugkomt, bij een cliënt hoort die wel al een ander traject heeft lopen in latere jaren. Ook is het zo dat de aantallen cliënten van de verschillende zorgvormen niet optellen tot het totaal aantal cliënten binnen jeugdzorg. De reden hiervoor is dat een cliënt meerdere trajecten kan hebben lopen van verschillende zorgvormen. Deze cliënt telt dan voor ieder van de zorgvormen mee bij het bepalen van het totaal aantal unieke cliënten. Voor het totaal aantal unieke cliënten telt deze cliënt echter maar één keer mee. Trajectduur en jaarlijkse in- en uitstroom Het bepalen van een gemiddelde trajectduur kan in principe gedaan worden door te kijken naar de begin- en einddatum van ieder traject, daarmee de trajectduur te bepalen, en GV572 62 Andersson Elffers Felix vervolgens te middelen over alle trajecten. Er is echter een aantal praktische problemen met deze werkwijze, — Het komt voor dat de einddatum van een traject als “nog lopend” geregistreerd staat, maar dat het traject in latere jaren niet meer wordt gemeld (zie registratieprobleem 2 hierboven). Zoals beschreven bij de correctie voor dit registratieprobleem is het tot op zekere hoogte mogelijk om een inschatting te maken van het aantal trajecten dat daadwerkelijk is beëindigd in een bepaald jaar. Het is echter onmogelijk om de daadwerkelijke einddatum van een dergelijk traject te bepalen. De verwachting is ook dat trajecten die minder dan een jaar lopen vaker op een correcte wijze worden gemeld bij beëindiging dan trajecten die over meerdere jaren lopen. Het alleen meenemen van trajecten met correct gemelde einddata zou dus een onderschatting geven van de gemiddelde trajectduur, — Veel van de trajecten die in latere jaren (bijvoorbeeld 2018 of 2019) gestart zijn, zijn nog niet afgelopen. Voor deze trajecten is er dus geen einddatum bekend en is het niet mogelijk om een trajectduur te bepalen. Het niet meenemen van deze trajecten zou ook een onderschatting van de gemiddelde trajectduur opleveren. Juist veel lange trajecten worden dan immers weggelaten. Ondanks dat het dus wel mogelijk is om op een betrouwbare wijze het aantal trajecten en cliënten in een jaar te bepalen, is het niet mogelijk om op het niveau van individuele trajecten op een betrouwbare manier de trajectduur te bepalen. Hierdoor is het dus ook niet mogelijk om een betrouwbare gemiddelde trajectduur te berekenen. Om toch zicht te krijgen op hoe lang cliënten gemiddeld in jeugdzorg blijven, hebben we per zorgvorm gekeken naar de jaarlijkse in- en uitstroom van cliënten. De verhouding tussen de in-en uitstroom geeft inzicht in de verandering van de duur van trajecten. De instroom van cliënten in een bepaalde zorgvorm in jaar T is bepaald door te kijken welke (unieke) cliënten er in het jaar T-1 geen traject van die zorgvorm hadden lopen, maar in jaar T wel, De uitstroom van cliënten van jaar T is gelijk aan het aantal (unieke) cliënten dat wel een traject van die zorgvorm had lopen in jaar T, maar niet in jaar T+1. De in- en uitstroom van cliënten is volledig in de zin dat het aantal cliënten van jaar T precies gelijk is aan het aantal cliënten van jaar T-1, minus de uitstroom van dat jaar, plus de instroom in jaar T. Verklarende factoren Om de toename van het aantal jeugdigen in jeugdhulp nader te verklaren, hebben we onderzocht of de samenstelling van de groep jeugdhulpgebruikers is veranderd. We hebben daarvoor gekeken naar de volgende eigenschappen®”: — jongeren met niet-westerse migratie-achtergrond =— jongeren in bijstandsgezinnen — jongeren in eenoudergezinnen — mediaan inkomen Omdat de microdata toegang biedt tot jeugdhulpinformatie op cliëntniveau, was het mogelijk om op cliëntniveau deze eigenschappen te onderzoeken. We hebben per jaar de groep bekeken die in jeugdhulp instroomde, en geanalyseerd hoeveel daarvan tot één van de drie genoemde kwetsbare groepen behoort. Daarnaast hebben we berekend wat het mediane 35 Deze zijn gebaseerd op de eigenschappen die volgens een eerder onderzoek samenhangen met de ontwikkeling van jeugdhulpgebruik: Significant, Analyse volume jeugdhulp, 2019. GV572 63 Andersson Elffers Felix gestandaardiseerd inkomen was van de huishoudens van de jongeren, Voor elk van deze factoren hebben we de definitie van het CBS gevolgd. De gecorrigeerde jeugdhulpbestanden vormden de basis voor deze analyse. Per jaar hebben we gekeken naar de cliënten die dat jaar een jeugdhulptraject zijn gestart. We zijn immers geïnteresseerd in hoe de kenmerken van de jeugdhulppopulatie zich ontwikkelen tussen 2015 en 2019, Als we per jaar in de periode 2015-2019 zouden kijken naar de cliënten die dat jaar een jeugdhulptraject hebben lópen, zou de gevonden ontwikkeling ‘vervuild’ zijn door trajecten die over de jaargrenzen heen lopen. We hebben voor deze analyse de door ons bewerkte jeugdhulpbestanden gekoppeld aan persoonsgegevens (GBAPERSOONTAB) en inkomensgegevens (INHATAB). Om de inkomensgegevens van de huishoudens van de cliënten in de jeugdhulpbestanden te bepalen hebben we gebruik gemaakt van koppelbestanden, die de leden van een huishouden koppelen aan de bijbehorende hoofdkostwinner. Niet alle cliënten in de jeugdhulpbestanden werden gevonden in de GBA-bestanden. Een deel van de persoonsnummers (nummers die corresponderen met unieke cliënten) in de jeugdhulpbestanden komt namelijk niet uit het GBA, maar heeft een andere bron. De cliënten die we om deze reden niet in de GBA-bestanden konden vinden, hebben we uitgesloten van de analyse. Het percentage cliënten dat we niet konden meenemen lag tussen de 2% en 5% per jaar. Per kenmerk hebben we gecorrigeerd voor de cliënten waarvan dat kenmerk niet bekend was. We hebben de analyse uitgesplitst naar zorgvormen. Cliënten die in een bepaald jaar meerdere trajecten van een bepaalde zorgvorm startten, zijn in dat jaar slechts één keer meegeteld bij die zorgvorm. Cliënten die in een bepaald jaar meerdere trajecten van verschillende zorgvormen startten, zijn bij elk van die zorgvormen één keer meegeteld. A.4 Bandbreedtes Het doel van het onderzoek was om te bepalen wat het benodigde structurele budget voor jeugdhulp is bij een doelmatige uitvoering. Het antwoord op deze vraag is niet exact te bepalen. Wij geven dan ook geen exacte uitkomst, maar een bandbreedte. De bandbreedte geeft de marge aan waarin we verwachten dat het benodigde structurele budget valt. In deze bijlage leggen we uit waar onzekerheden uit voortkomen, hoe we tot een bandbreedte komen, en wat deze bandbreedte betekent. In het eerste deel leggen we dit op hoofdlijnen uit. In het tweede deel gaan we dieper in op de exacte berekeningen met voorbeelden. Per deelvraag bepalen we een bandbreedte Om het benodigde structurele budget te berekenen, hebben we gekeken naar verschillende deelvragen, zoals het effect van individuele maatregelen en de boeggolf, Per deelvraag hebben we een financieel effect onderzocht door deel-effecten te identificeren en te kwantificeren. Van deze deel-effecten hebben we een inschatting gemaakt. Voorbeeld Voor de maatregel over de POH-jeugd is een van de deeleffecten de salariskosten die gemeenten zouden maken voor POH’s, We hebben ingeschat welke kosten alle gemeenten gezamenlijk zouden maken bovenop hun huidige kosten, waarbij we rekening houden met het feit dat sommige gemeenten al POH’s in dienst hebben. Het antwoord hierop is niet één getal, maar een bandbreedte waarbinnen we verwachten dat deze totale kosten zullen vallen. De bandbreedte geeft de onzekerheid op ons antwoord aan. GV572 64 Andersson Elffers Felix — We weten bijvoorbeeld niet hoeveel gemeenten exact gemiddeld per fte zullen moeten betalen, maar op basis van de uitvraag weten we wel een bandbreedte waartussen dit gemiddelde zich bevindt. — Hetzelfde geldt voor hoeveel fte aan POH’s er in het land nodig zijn, en hoeveel er op dit moment al ingezet worden. Deze aantallen zijn verkregen door de uitvraagresultaten te extrapoleren. Voor de andere deel-effecten (zoals besparingen die hier tegenover staan) zijn vergelijkbare berekeningen gemaakt. De bandbreedtes zijn expert-inschattingen We hebben dus per deel-effect een inschatting gemaakt van de financiële waarde, én van hoe onzeker die is, om tot een bandbreedte te komen. Veel deel-effecten hebben we gekwantificeerd via expert-inschattingen. Daarbij hebben we ook gevraagd om een inschatting van de onzekerheid op antwoorden. Daarnaast leverde de validatie van inschattingen uit de uitvraag ook een beeld van de onzekerheid. Als gemeenten sterk verschillende ervaringen hebben zonder een duidelijk aanwijsbare oorzaak, is de onzekerheid op het antwoord groter. We hebben gecombineerde bandbreedtes met statistische rekenregels berekend Als we per deel-effect een bandbreedte hebben, moeten we deze nog combineren tot een bandbreedte van de gehele maatregel. Voor de gemiddelde waardes kan dat door optellen en vermenigvuldigen. Bandbreedtes kunnen niet zomaar opgeteld worden door de onder- en bovengrenzen op te tellen. Ook vermenigvuldigen van bandbreedtes geeft geen goede inschatting van de uiteindelijke bandbreedte. Hier moet dus een andere techniek voor gebruikt worden. De manier waarop we bandbreedtes combineren komt voort uit de statistiek, dit heet ook wel foutenvoortplanting. Dit is in het tweede deel van deze bijlage in meer detail uitgewerkt. Deze hebben we zowel voor optelling van effecten binnen een maatregel als voor het combineren van verschillende maatregelen gebruikt, De technische stappen zijn in beide gevallen hetzelfde, De uiteindelijke ‘echte waarde’ ligt naar verwachting binnen de bandbreedte De bandbreedte is een onder- en bovengrens, waarvan we een gerechtvaardigd vertrouwen hebben dat de echte waarde er tussenin zal zitten. Dit kunnen we echter niet met zekerheid zeggen: er blijft een kans bestaan dat de echte waarde buiten de bandbreedte valt. Dit geldt niet alleen voor dit onderzoek, maar is altijd het geval als je werkt met bandbreedtes in reële situaties. Over het algemeen geldt wel: hoe groter de bandbreedte, hoe groter de zekerheid waarmee je uitspraken kan doen, maar hoe kleiner de waarde van je uitspraak. Vaak wordt een bandbreedte gehanteerd waarbij 68% kans bestaat dat de werkelijke uitkomst binnen de bandbreedte valt.® Binnen grootschalige kwantitatieve onderzoeken is het mogelijk om deze bandbreedte te bepalen op basis van statistiek. In dit onderzoek is de bandbreedte zelf echter ook een expertinschatting, waarbij we op basis van alle beschikbare informatie uit literatuuronderzoek, gesprekken en de uitvraag een inschatting hebben gemaakt van de onzekerheid. De bandbreedte en de onderbouwing hiervan is expliciet gemaakt in de rapportage. % Deze waarde komt uit de statistiek, het is één standaarddeviatie van de normale verdeling. GV572 65 Andersson Elffers Felix Technische verdieping: de oorsprong van onzekerheden en rekenvoorbeelden met bandbreedtes De rest van deze bijlage is bedoeld voor mensen die meer willen weten over de principes achter de bandbreedtes, en de manier waarop we ze berekend hebben. Er zijn verschillende soorten onzekerheden De onzekerheid in de besparing die een maatregel kan opleveren heeft meerdere oorzaken. Ten eerste zijn er statistische onzekerheden. Voor de mogelijke besparing van een aantal maatregelen worden bijvoorbeeld de uitkomsten van de uitvraag gebruikt. Omdat niet alle gemeenten de uitvraag hebben ingevuld, moesten de resultaten worden geëxtrapoleerd om een landelijk beeld te krijgen. Hierbij was het belangrijk om ons ervan te verzekeren dat de gemeenten die de uitvraag hebben ingevuld een goede afspiegeling zijn van alle gemeenten. Omdat het onmogelijk is om zeker te weten dat de resultaten uit de uitvraag een exacte afspiegeling zijn van het landelijke beeld, levert dit een onzekerheid op. Ten tweede zijn er inschattings-onzekerheden. In de uitvraag is vaak gevraagd naar inschattingen, omdat er in sommige gevallen geen cijfermatige gegevens beschikbaar zijn, of omdat we vroegen naar een verwacht toekomstbeeld. In beide gevallen is er een inherente onzekerheid in de gegeven antwoorden. De onzekerheden die voortkomen uit inschattingen die gemaakt worden aan de hand van bestaande casussen zijn een combinatie van statistische en inschattings-onzekerheden. De reden hiervoor is dat de lokale context net kan afwijken van de randvoorwaarden voor het effect dat wordt ingeschat. Een voorbeeld van hoe een bandbreedte geïnterpreteerd moet worden Voor alle maatregelen die naar verwachting tot een besparing leiden en te kwantificeren zijn, is er uiteindelijk een besparing berekend. De uitkomst van zo’n berekening bestaat uit een meest waarschijnlijke besparing, en de onzekerheid op die besparing. Uit de meest waarschijnlijke besparing en de onzekerheid volgt een onzekerheidsbandbreedte. Deze bandbreedte geeft aan tussen welke bedragen de werkelijke besparing naar verwachting zal liggen. De bandbreedte loopt van de meest waarschijnlijk uitkomst minus de onzekerheid, tot de meest waarschijnlijke uitkomst plus de onzekerheid. Voorbeeld Een berekening wijst uit een bepaalde maatregel landelijk kan leiden tot een totale besparing van € 2.000.000. Door statistische en/of inschattings-onzekerheden blijkt deze uitkomst een onzekerheid van € 300.000 te kennen. De onzekerheidsbandbreedte van de maatregel loopt dan van € 1.700.000 tot € 2.300.000. Zoals hierboven beschreven is er geen absolute garantie dat de werkelijke besparing van een maatregel binnen de gehanteerde onzekerheidsbandbreedte zal vallen. In ons rapport schatten we onzekerheden in met het uitgangspunt dat er 68% kans is dat de werkelijke besparing van een maatregel binnen de uitgewerkte bandbreedte zal vallen. Dit komt overeen met één standaarddeviatie van de normale verdeling. Er zijn ook onderzoeken die werken met twee of meer standaarddeviaties; dit hangt af van onder meer de beschikbare data. Er zijn statistische rekenregels om onzekerheidsbandbreedtes te combineren Bij het berekenen van een gecombineerde besparing van een combinatie van meerdere maatregelen, hebben we ditzelfde uitgangspunt van 68% zekerheid aangehouden. De onzekerheden van de individuele maatregelen zijn dus zodanig gecombineerd dat de GV572 66 Andersson Elffers Felix resulterende bandbreedte weer dezelfde betekenis heeft, namelijk dat de kans dat de werkelijke besparing van beide maatregelen samen binnen deze bandbreedte valt 68% is, De vraag die dan logischerwijs volgt is hoe de onzekerheden van de individuele maatregelen gecombineerd moeten worden zodat de resulterende bandbreedte deze betekenis heeft. Een eerste gedachte zou kunnen zijn om de onzekerheden van beide maatregelen bij elkaar op te tellen en deze gecombineerde onzekerheid te vertalen naar een onzekerheidsbandbreedte op de besparing van beide maatregelen samen. Hetzelfde geldt voor de deel-effecten van maatregelen, die we moeten optellen om het effect van de totale maatregel te krijgen. Voorbeeld van een naïeve optelling van bandbreedtes Maatregel X heeft een verwachte besparing van € 2.000.000, met een onzekerheid van € 300.000. De onzekerheidsbandbreedte van deze maatregel loopt dus van € 1.700.000 tot € 2.300.000. Maatregel Y heeft een verwachte besparing van € 3.000.000, met een onzekerheid van € 400.000. De onzekerheidsbandbreedte van deze maatregel loopt dus van € 2,600.000 tot € 3.400.000 Bij het simpelweg optellen van deze resultaten en onzekerheden zou de combinatie van de twee maatregelen leiden tot een verwachte besparing van € 5.000.000. Het optellen van de onzekerheden zou leiden tot een totale onzekerheid van € 700.000. Hierdoor zou de onzekerheidsbandbreedte lopen van € 4.300.000 tot € 5.700.000. Zoals in het voorbeeld hierboven te zien is, krijg je uit het simpelweg optellen van onzekerheden nieuwe bandbreedtes, Deze methode leidt echter niet tot een gecombineerde bandbreedte die dezelfde betekenis heeft als de individuele bandbreedtes. Met andere woorden, de kans dat de daadwerkelijke totale besparing binnen de op deze manier geconstrueerde bandbreedte valt is niet gelijk aan 68%. Dit kan worden ingezien aan de hand van de maatregelen uit het hierboven gegeven voorbeeld. De kans dat de daadwerkelijke besparing van maatregel X lager uitvalt dan € 1.700.000, of hoger dan € 2.300.000, is 32%. De kans dat de besparing van maatregel Y lager uitvalt dan € 2.600.000, of hoger dan € 3.400.000, is ook 32%, De kans dat de daadwerkelijke besparing van zowel maatregel X als maatregel Y buiten de gegeven bandbreedtes vallen is dan veel kleiner (namelijk 32% van 32%, ofwel 10%). Bij het simpelweg optellen van de onzekerheden van de individuele maatregelen zou de gecombineerde bandbreedte dus een andere betekenis krijgen: de kans dat de daadwerkelijke totale besparing buiten deze bandbreedte valt is 10% (in plaats van 32%). Analogie Dit is te vergelijken met het werpen van twee dobbelstenen. De kans dat met de ene dobbelsteen 6 wordt gegooid is 1/6. De kans dat met de andere dobbelsteen 6 wordt gegooid is ook 1/6. De kans dat er met beide dobbelstenen tegelijkertijd 6 wordt gegooid is echter veel kleiner, namelijk 1/36 In de statistiek wordt hiervoor de foutenvoortplanting gebruikt. Dit is de methode die gebruikt wordt om onzekerheden op te tellen zodat de resulterende bandbreedte de gewenste betekenis heeft. De theorie van foutenvoortplanting leidt tot een formule waarmee onzekerheden correct gecombineerd kunnen worden. Beide individuele onzekerheden worden eerst gekwadrateerd, daarna worden ze opgeteld. Tot slot wordt van deze combinatie de vierkantswortel genomen. GV572 67 Andersson Elffers Felix Voorbeeld De onzekerheid van maatregel X bedroeg € 300.000. Door dit te kwadrateren komen we uit op 90 miljard. De onzekerheid van maatregel Y bedroeg € 400.000, wat gekwadrateerd uitkomt op 160 miljard. De som van deze gekwadrateerde onzekerheden bedraagt dus 250 miljard. Hier moet tot slot nog de vierkantswortel van worden genomen. Hierdoor komt de onzekerheid van de combinatie van maatregel X en Y uit op € 500.000. De bandbreedte loopt dan dus van € 4.500.000 tot € 5.500.000. Zoals uit het voorbeeld te zien is, leidt deze methode tot een kleinere bandbreedte bij het combineren van uitkomsten. Met de (foutieve) methode van het simpelweg optellen kwamen we tot een onzekerheid van € 700.000, terwijl de correcte methode een onzekerheid van € 500.000 oplevert. Er is ook een formule om de bandbreedte te berekenen als je twee waardes met onzekerheden met elkaar wilt vermenigvuldigen. Dit was relevant op het moment dat we tussenuitkomsten van de maatregelen wilden combineren om een eindbedrag per maatregel te verkrijgen. GV572 68 . Andersson Elffers Felix B Analyse van kosten, budget en volume De basis voor het bepalen van een structureel tekort in het jeugddomein is een helder beeld van de kosten die gemeenten sinds de decentralisatie hebben gemaakt voor hun jeugdtaken, en het budget dat hier tegenover heeft gestaan. In deze bijlage leest u het volgende: =— De afbakening van kosten en budget die meegerekend zijn — De werkwijze die gebruikt is om kosten en budget te gebruiken — De ontwikkelingen in kosten en budget in de jaren 2015-2019 — Duiding van de ontwikkeling in kosten aan de hand van ontwikkelingen in volume en prijs. Afbakening van de kosten en het budget De basis voor het bepalen van een structureel tekort in het jeugddomein is een helder beeld van de kosten die gemeenten sinds de decentralisatie hebben gemaakt voor hun jeugdtaken, en het budget dat hier tegenover heeft gestaan. De definities van budget en kosten hangen nauw met elkaar samen: om de kosten op een zuivere manier te kunnen vergelijken met het budget moeten de definities goed op elkaar aansluiten, anders worden immers appels met peren vergeleken. Voor het budget is gekozen om het budget mee te nemen dat bij de decentralisatie is overgeheveld, inclusief indexatie en taakmutaties, zonder de tijdelijke extra middelen jeugd. Deze optie sluit het beste aan bij de uitgangspunten van de decentralisatie. Door de scope van het onderzoek op deze manier te definiëren, wordt de decentralisatie in 2015 als startpunt genomen. Het tekort is dan het verschil tussen budget en kosten sinds dat moment. De mogelijke keuzes voor de afbakening en de betekenis van de verschillende opties zijn besproken met de begeleidingsgroep en de stuurgroep. In deze paragraaf lichten we toe welke afbakening na deze bespreking door de stuurgroep is vastgesteld. We bespreken eerst op hoofdlijnen welke afbakening gekozen is, en gaan vervolgens in meer detail in op de gedecentraliseerde budgetten en bijbehorende taken en de betekenis van de normeringssystematiek van de Algemene Uitkering voor het onderzoek. De afbakening op hoofdlijnen Het uitgangspunt van de berekening is dat we eerst in beeld brengen of er sprake is van een tekort en, indien dat zo blijkt te zijn, daarna bepalen welk gedeelte van het tekort in 2019 structureel is. Daarbij kijken we naar het jeugdbudget dat in het kader van de decentralisatie aan gemeenten verstrekt wordt. Dat betekent concreet het volgende: — Voor het budget gaan we uit van het jeugdbudget in de Integratieuitkering Sociaal Domein (IU SD), dat overgeheveld is in het kader van de decentralisatie en vanaf 2019 GV572 69 Andersson Elffers Felix overgeheveld is naar de Algemene Uitkering (AU), plus de Integratieuitkering (IU) Voogdij/18+. Daarbij nemen we ook de gehanteerde indexaties en taakmutaties mee. = De tijdelijk extra toegevoegde middelen van 2019 t/m 2022 nemen we niet mee in deze grondslag voor het budget. Dit zijn immers middelen die slechts tijdelijk toegevoegd zijn, en dus niet het structurele budget reflecteren.” = Algemene mutaties op de AU zoals het accres, BTW-compensatiefonds en de opschalingskorting rekenen we niet mee, omdat het jeugdhulpbudget bij de overheveling naar de algemene uitkering hiervoor is gecorrigeerd. Wijzigingen op deze mutaties die na mei 2018 (in uitkeringsjaar 2019) hebben plaatsgevonden hebben wel invloed gehad op het budget in 2019. — Voor de kosten gaan we uit van de kosten voor gemeenten voor jeugdhulptrajecten”® én de intensiveringen in toegang en voorliggend veld voor jeugd sinds 2014, = Aangezien de beschikbare gegevens exclusief overhead voor gemeentelijke medewerkers zijn, moet hier nog overhead bij opgeteld worden. Ook hier zijn verschillende keuzes mogelijk, maar in de praktijk betreft het slechts een klein gedeelte van het budget.” Er is daarom besloten om een vast opslagpercentage te rekenen op basis van gemiddeld 32% overhead” voor gemeentelijke personeelskosten. Met deze uitgangspunten maken we het verschil tussen kosten en budget in 2019 inzichtelijk. Om te komen tot het structurele verschil zijn ook de boeggolf en de maatregelen van belang. Deze worden beschreven in hoofdstuk 4 Het effect van preventie en vroegsignalering en hoofdstuk 6 Sturingsmogelijkheden binnen de Jeugdwet. Toelichting: de gedecentraliseerde budgetten en bijbehorende taken Het jeugdbudget dat met de decentralisatie werd overgeheveld van het Rijk naar gemeenten omvatte grofweg de volgende vier onderdelen: — Middelen voor jeugd-GGZ (voorheen gefinancierd door zorgverzekeraars) — Middelen voor jeugd met een beperking (waarvan de zorg voorheen gefinancierd werd door de zorgkantoren, inclusief PGB’s) — Middelen voor jeugd- en opvoedhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering, en de toegangstaken van Bureau Jeugdzorg (voorheen gefinancierd door de provincies) — Middelen voor jeugdzorgplus, wat voorheen rechtstreeks via het Rijk liep De kosten voor taken waar deze middelen voor bestemd zijn, worden daarom logischerwijs in elk geval meegenomen in dit onderzoek. Daarbij gaat het om de kosten die geboekt worden op de taakvelden gerelateerd aan individuele maatwerkvoorzieningen. Gemeenten besteden het overgehevelde jeugdbudget echter niet alleen aan de overgehevelde taken. Ook vóór de decentralisatie zetten zij al in op preventie en voorliggend veld, bijvoorbeeld via de jeugdgezondheidszorg, jongerenwerk en preventieve opvoedondersteuning. Een van de doelen van de decentralisatie was een beweging naar de voorkant: de beleidstheorie van de Jeugdwet was immers dat door meer in te zetten op preventie, de hogere kosten voor (zwaardere vormen van) jeugdhulp voorkomen zouden kunnen worden. Sinds de decentralisatie zijn de taken van gemeenten op het gebied van 51 In eerste instantie ging dit om 2019-2021; in 2020 is ook extra geld voor 2022 toegezegd. 38 Daarbij is uitgegaan van de kosten van gemeenten. Bij de berekening van de kosten is geen (inschatting van) eventuele geleden verliezen door aanbieders meegewogen. 5 Overhead van medewerkers van zorgaanbieders zit in de kosten voor jeugdhulptrajecten. “0 Berenschot Benchmark gemeentelijke kosten. GV572 70 Andersson Elffers Felix preventie en het voorliggend veld dus geïntensiveerd. Er is daarom gekozen om niet alleen de kosten voor individuele voorzieningen jeugd te bekijken, maar om ook de meerkosten voor preventie en voorliggend veld ten opzichte van vóór de decentralisatie mee te nemen, inclusief de apparaatslasten voor al deze taken. We definiëren de meerkosten voor preventie en voorliggend veld dus ten opzichte van de kosten die gemeenten maakten vóór de decentralisatie (2014), en kijken niet naar de absolute kosten. Op deze manier sluit de afbakening van de kosten aan bij de definitie van het budget. Kanttekening bij deze methode Een aandachtspunt bij het vergelijken met 2014 is dat de kosten voor het sociaal domein bij gemeenten in de jaren voor de decentralisatie afnamen, vooral in 2014.“ Aangezien destijds vooral voorliggende voorzieningen bij gemeenten belegd waren, roept dit de vraag op of er voorafgaand aan de decentralisatie niet bezuinigd is hierop. Bij nadere inspectie blijkt echter dat de daling grotendeels wordt verklaard door de afname in kosten op het taakveld huishoudelijke verzorging.* Waarschijnlijk hebben gemeenten daarbij voorgesorteerd op de korting die het jaar erna op dat budget doorgevoerd zou worden. Dit betreft echter geen jongeren. Omdat we alleen kijken naar de meerkosten voor het voorliggend veld en preventie op het gebied van jeugd, is de afname in de totale kosten voor voorliggende voorzieningen (Wmo + jeugd) in 2014 dus geen probleem. Voor jeugd kan wel meespelen dat enkele gemeenten in 2014 al kosten hebben gemaakt voor pilots met wijk- of jeugdteams. De macrovergelijking tussen 2013 en 2014 voor het sociaal domein exclusief het taakveld huishoudelijke verzorging suggereert echter dat dit om beperkte bedragen ging.“ Een nadeel van de vergelijking met 2014 is dat eventuele bezuinigingen op het voorliggend veld jeugd in jaren voorafgaand aan de decentralisatie die later weer teruggedraaid zijn wel meegenomen worden. Andersom worden investeringen die gemeenten al in 2014 gedaan hebben juist niet meegenomen. Er is echter geen aanleiding is om te veronderstellen dat het beeld voor het voorliggend veld en preventie voor jeugd sterk veranderd is in de jaren voorafgaand aan de decentralisatie. Een ander vergelijkingsjaar zou daarom geen betrouwbaardere resultaten opleveren, terwijl het voor gemeenten wel aanmerkelijk moeilijker wordt om de benodigde gegevens te leveren. De kosten die gemeenten maken op het gebied van Jeugdhulp bestaan dus grofweg uit twee delen: kosten voor individuele maatwerkvoorzieningen en kosten voor preventie en het voorliggend veld. Achtergrond: over de algemene mutaties op de AU Het jeugdbudget is sinds 2019 aan de AU toegevoegd. Dat betekent dat het vanaf 2020 meeloopt in de reguliere mutaties op de AU, Daarnaast zijn de wijzigingen op de mutaties op de AU die na mei 2018 zijn gedaan (zoals de afrekening van het accres 2018 en bepaling accres 2019) ook toegepast op het jeugdbudget, dus deze hebben in 2019 wel (een negatief) effect “1 Zie periodiek onderhoudsrapport gemeentefonds 2015. Hieruit blijkt dat in het cluster maatschappelijke zorg in 2014 meer dan 100 miljoen minder kosten gemaakt zijn dan in 2013. “2 Zie de lv3-gegevens op het CBS: https://iv3StatLine.chs.nl. 3 De aantallen jongeren met jeugdhulp in 2014 wijken ook af. Het is echter niet duidelijk of dit om een registratieprobleem of een feitelijke teruggang ging. Aangezien gemeenten nog geen kosten droegen voor jeugdhulp in 2014, zijn deze kosten ook niet relevant. Voor de vergelijking wordt alleen gekeken naar kosten van gemeenten aan voorliggende voorzieningen en preventie voorafgaand aan de decentralisatie. GV572 71 Andersson Elffers Felix gehad op het budget jeugd. Oude taken jeugd waren uiteraard al wel onderdeel van de AU, dus deze lopen al langer mee in de reguliere mutaties op de AU. Op de volledige AU worden de volgende mutaties toegepast: — Het accres wordt op de gehele AU toegepast. Het accres is gebaseerd op de rijksbegroting in enge zin en recent is daaraan het kader voor zorg en sociale zekerheid toegevoegd. De achtergrond hiervan is dat deze uitgavenkaders harder stijgen dan de rijksbegroting in enge zin. Daarnaast is de dynamiek hiervan naar verwachting meer vergelijkbaar met het sociaal domein. Als het accres alleen op de rijksbegroting in enge zin gebaseerd zou zijn, is de verwachting dat het niet goed aansluit op de kostenstijging voor gemeenten in het sociaal domein. Het accres is dus opgebouwd uit verschillende onderdelen, zoals ook de AU opgebouwd is uit verschillende clusters. Het accres is dus een gemiddelde dat uitgesmeerd wordt over alle clusters, terwijl de afzonderlijke onderdelen van het accres inhoudelijk een sterkere relatie met specifieke clusters hebben. — Naast de AU worden ook DU’s meegeteld voor het accres. Dit accres wordt toegevoegd aan de AU, en niet aan de DU’s. — Tijdelijk budget genereert structureel accres. De tijdelijke middelen die gedurende drie jaar zijn toegevoegd, zorgen dus ook op langere termijn voor een grotere AU; niet alleen direct, maar ook via een ‘rente op rente effect’. — Erzijn ook andere mutaties op het macrobudget, waaronder de opschalingskorting. Ook deze wordt toegepast op alle onderdelen van de AU, ook al was deze oorspronkelijk alleen van toepassing op de oude onderdelen van het budget. Voorspellingen van het accres zijn lastig, aangezien het accres meebeweegt met de uitgaven van het Rijk. In beginsel is de normeringssystematiek echter afgestemd op een eventuele kostenstijging in het sociaal domein en is een discussie over de normeringssystematiek niet het doel van dit onderzoek. Daarom is door de stuurgroep besloten dat het structurele tekort bepaald wordt op basis van de kosten en het budget in het jaar 2019, gecorrigeerd voor tijdelijke kosten en mogelijke besparingen door doelmatiger te werken. Werkwijze om kosten en budget te bepalen Het budget en de kosten zijn bepaald conform de zojuist beschreven afbakening. De werkwijze op hoofdlijnen Het budget is aangeleverd door BZK, Voor de jaren 2015 t/m 2018 is dit conform de afbakening gebaseerd op de IUSD Jeugd en de IU Voogdij/18+. Voor 2019 is het budget verkregen door het subcluster Jeugdhulp uit de AU op te tellen bij de IU Voogdij/18+. Dit totaal bevat ook de tijdelijke middelen. Om aan te sluiten bij de gehanteerde afbakening van het budget worden deze extra middelen ervan afgetrokken. De cijfers zijn bijgewerkt tot en met de stand van september 2020. In onderstaande tabel is uitgewerkt welk budget er in de meicirculaire 2018 is overgeheveld en welke mutaties daarop sindsdien zijn toegepast. GV572 72 Andersson Elffers Felix Onderdeel van het budget Bedrag (Xx 1.000 euro) Jeugdhulpbudget (exc. tijdelijke middelen) €3.136.192 Overgeheveld bedrag jeugdhulp meicirculaire 2018 3.074,945 Uitvoeringskosten SVB PGB trekkingsrechten -11,005 Academische component kinder- en jeugdpsychiatrie -4,410 Jeugdhulp aan kinderen in een AZC -3.000 Loon- en prijsbijstelling 2019 Jeugdhulp 108.978 Verhoging leeftijdsgrenzen gezinshuizen 2.200 Compensatieregeling Voogdij/18+ 8.154 Correctie loon- en prijsbijstelling 2019 Jeugdhulp -4,707 Effect algemene mutaties en ontwikkeling uitkeringsbasis -34.963 Budget voogdij / 18+ 680.360 Totaal budget 3.816.552 Voor het bepalen van de kosten zijn op hoofdlijnen de volgende stappen gezet: — Kosten voor jeugdhulptrajecten zijn bepaald op basis van het saldo van baten en lasten op de relevante taakvelden in de lv3: maatwerkdienstverlening 18- en geëscaleerde zorg 18-. Hiervoor is voor elk jaar de 2e (definitieve) plaatsing van de jaarrekening gebruikt. In alle jaren waren van enkele gemeenten geen data beschikbaar; deze zijn aangevuld op basis van de aanpalende jaren (voor missende data in de jaarrekening van 2019 is gebruikt gemaakt van de 4° kwartaalrekening van 2019 indien deze beschikbaar was), — Voor de meerkosten voor preventie en voorliggend veld is eerst een inschatting gemaakt op basis van het Fonds tekortgemeenten. Op basis van de uitvraag is deze inschatting aangescherpt en uitgebreid naar de andere jaren. We hebben hierbij onderscheid gemaakt tussen meerkosten voor lokale teams, en meerkosten voor voorliggend veld. Uit deze analyse blijkt dat de meerkosten voor lokale teams voor elk jaar sinds 2015 ongeveer 3 à 4 keer hoger zijn dan de meerkosten voor het voorliggend veld. We lichten de analyse onderstaand nader toe. Vooraf: omgang met overhead De uitvoeringskosten zijn op te splitsen in twee componenten: de feitelijke taakuitvoering (inclusief taakgerelateerde overhead) en algemene (PIOFACH®) overhead. Van de feitelijke taakuitvoering ligt het voor de hand de apparaatslasten mee te nemen. De algemene overhead is een complexer vraagstuk. Die is niet eenduidig toe te schrijven aan de nieuwe taken, maar weegt wel mee in de kosten. 4 Personeel, Informatievoorziening, Organisatie, Financiën, Administratieve organisatie, Communicatie en Huisvesting. GV572 73 Andersson Elffers Felix Het is van belang om op te merken dat alle diensten die extern ingekocht zijn sowieso inclusief overhead zijn. Algemene overhead is dus alleen van toepassing op medewerkers in dienst van de gemeente. Ten opzichte van de totale kosten zijn deze kosten beperkt, aangezien het overgrote gedeelte van de activiteiten en diensten die vanuit het jeugdbudget uitgevoerd worden extern ingekocht is.“ In de begeleidingsgroep en de stuurgroep is de vraag besproken in hoeverre een toename van taken één op één leidt tot een toename van overhead. Ter illustratie: één extra medewerker leidt niet tot extra formatie voor de HR-afdeling, maar 100 extra medewerkers wel, Vergelijkbare voorbeelden gelden voor andere onderdelen van de PIOFACH. Uit de Berenschot benchmark volgt dat ca. 32% van de gemeentelijke personeelskosten uit overhead bestaat, en dat de overheadkosten per medewerker niet sterk veranderd zijn na de decentralisatie.* Daarom is ervoor gekozen om de overhead mee te nemen middels een vast opslagpercentage op basis van 32% overhead voor gemeentelijke personeelskosten. Kosten voor maatwerkvoorzieningen De kosten voor voorzieningen waarvoor een (individuele) beschikking afgegeven wordt (inclusief de apparaatskosten die hiervoor gemaakt worden) worden sinds 2017 door gemeenten geboekt op de Iv3-taakvelden 6.72 en 6.82.” Vóór 2017 waren dit de lv3-functies 672, 682, 683 en 687, waarbij 672 zowel taken op het gebied van Wmo en Jeugdhulp omvatte. Om het aandeel van de op deze functieplaats geboekte kosten dat bedoeld is voor Jeugdhulp te bepalen, is gebruik gemaakt van POR 2017. In de onderstaande tabel is een overzicht te zien van de Iv3-functies en de Iv3-taakvelden die relevant zijn voor de gemaakte kosten op het gebied van Jeugdhulp. 2015, 2016 2017, 2018, 2019 Maatwerkvoorzieningen 672 (deel Jeugd) en 682 6.72 Maatwerkvoorzieningen 683 en 687 6.82 Voorliggend veld 670 (deel Jeugd) 6.1 (deel Jeugd) Voorliggend veld 671 (deel Jeugd) 6.2 (deel Jeugd) Aangezien de taakvelden in het voorliggend veld niet volledig betrekking hebben op jeugd, maar ook op andere taken, zijn deze niet gebruikt voor het bepalen van de kosten. Voor de maatwerkvoorzieningen is dit wel het geval. Daarop zijn de volgende bewerkingen gedaan: — Voor elk taakveld zijn de baten afgetrokken van de lasten, om tot de totale kosten te komen. 5 Zie bijvoorbeeld Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020. 4 De Berenschot benchmark wordt jaarlijks uitgevoerd bij gemeenten die zich hiervoor aanmelden om meer inzicht te krijgen in hun kostenstructuur. De overall bevindingen zijn voor verschillende jaren gepubliceerd. “7 Uit de analyse die uitgevoerd is in de herijking gemeentefonds bleek dat deze taakvelden relatief betrouwbaar werden ingevuld. GV572 74 Andersson Elffers Felix — De overhead is voor 2017, 2018 en 2019 meegenomen op de taakvelden L1.1 (salarissen en sociale lasten) en B3.5.2 (uitgeleend personeel). Voor 2015 en 2016 is dit gedaan op de corresponderende functies B3.0 (vergoeding voor personeel) en L1.1 (loonbetalingen en sociale premies). De overhead op de baten (uitgeleend personeel, vergoeding voor personeel) is opgeteld bij de overhead op de lasten (salarissen en sociale lasten), en vervolgens opgeteld bij de totale kosten. Meerkosten voor preventie en voorliggend veld Om de kosten te bepalen die gepaard zijn gegaan met de intensivering van de taken van gemeenten op het gebied van preventie en het voorliggend veld inclusief toegang kan geen gebruik gemaakt worden van de lv3-informatie, Deze is namelijk niet gesplitst tussen jeugd en volwassenen. Daarom zijn twee andere methodes gebruikt om de inzet in het voorliggend veld te bepalen: — De enquête die voor dit onderzoek uitgezet is onder gemeenten. Hiervoor zijn alle gemeenten bevraagd op extra kosten voor het voorliggend veld ten opzichte van 2014 voor de jaren 2015 t/m 2019. Deze dataset geeft dus inzicht in de ontwikkeling van de kosten. Niet alle ondervraagde gemeenten hebben dit gedeelte van de enquête ingevuld en niet alle responses waren plausibel, Per jaar hebben we de analyse gebaseerd op 34 tot 55 gemeenten die dit gedeelte van de uitvraag voor dat jaar plausibel hebben ingevuld. In verband met de doorlooptijd en het beperken van de belasting van gemeenten is de inhoudelijke toets op de ingevulde cijfers wel beperkt. — De aanvragen voor het Fonds tekortgemeenten. In 2018 hebben 88 gemeenten een aanvraag gedaan voor het Fonds tekortgemeenten. Hierin is gevraagd naar extra kosten voor het voorliggend veld voor 2016 en 2017, waarbij de splitsing tussen de jaren niet altijd beschikbaar is. Deze aanvragen zijn in detail gecontroleerd en beoordeeld door de Commissie Fonds tekortgemeenten. Een nadeel is dat het alleen gegevens betreft van gemeenten met relatief hoge kosten voor het sociaal domein, en dat het slechts twee jaren betreft. Ook is de splitsing tussen jeugd en volwassenen niet altijd expliciet; dit is handmatig door het onderzoeksteam toebedeeld op basis van de kwalitatieve beschrijvingen, en in sommige gevallen zijn hier aannames voor gedaan. Door deze bronnen te combineren, hebben we een betrouwbaar bedrag bepaald voor het voorliggend veld. Onderstaand lichten we de werkwijze kort toe. — In de aanvragen Fonds tekortgemeenten zijn de meerkosten voor toegang en voorliggend veld jeugd geïdentificeerd. Op basis daarvan is per gemeente bepaald hoeveel extra kosten er zijn in 2016 en 2017, — Deze informatie is ook uit de enquête gehaald voor de jaren 2015 t/m 2019. — Om de aantallen voor deze gemeenten te extrapoleren naar een landelijk beeld, is onderzocht welke variabele het beste correleerde met de meerkosten. Dit bleek het aantal jeugdigen in een gemeente te zijn. Dit betekent dat de meerkosten voor het voorliggend veld toenemen naarmate het aantal jeugdigen toeneemt. — Voor de extrapolatie naar een landelijk beeld zijn grofweg vier mogelijke methodes: = Voor alle gemeenten die de meerkosten voor het voorliggend veld hebben ingevuld in de enquête worden de meerkosten per jeugdige bepaald. Vervolgens wordt het gemiddelde van deze kosten per jeugdige genomen over de gemeenten. Dit gemiddelde wordt vermenigvuldigd met het landelijk aantal jeugdigen om te extrapoleren naar de landelijke meerkosten voor het voorliggend veld. Deze methode houdt er echter geen rekening mee dat enkele grote gemeenten in de uitvraag relatief veel kosten maken per jeugdige, en wegens hun omvang zwaar meewegen in het totaal van kosten. GV572 75 Andersson Elffers Felix = Alle door de gemeenten opgegeven meerkosten worden eerst opgeteld. Daarna worden deze kosten gedeeld door het totaal aantal jeugdigen in al deze gemeenten. Hieruit volgt ook een gemiddelde van de kosten per jeugdige dat vervolgens geëxtrapoleerd kan worden. Hierin worden grote gemeenten zwaarder meegewogen dan kleine gemeenten, aangezien hun kosten ook in de totale kosten meer meewegen. Relatief hebben echter meer grote dan kleine gemeenten de enquête ingevuld, dus dit kan een vertekening geven. = De gemeenten worden eerst naar inwonertal opgedeeld in vijf groepen: gemeenten met minder dan 20.000 inwoners, gemeenten met 20.000-50.000 inwoners, gemeenten met 50.000-100.000 inwoners, gemeenten met 100.000-250.000 inwoners, en gemeenten met meer dan 250.000 inwoners (de G4). Per groep worden voor alle gemeenten de meerkosten per jeugdige bepaald, waarna per groep een gemiddelde van deze kosten per jeugdige wordt genomen over de gemeenten in die groep. Dit gemiddelde wordt vervolgens geëxtrapoleerd aan de hand van het landelijk aantal jeugdigen in iedere groep gemeenten. = Voor iedere hierboven genoemde groepen gemeenten worden de totale meerkosten van de gemeenten eerst opgeteld. Daarna worden deze kosten gedeeld door het aantal jeugdigen in de gemeenten van de desbetreffende groep. Hieruit volgt ook voor iedere groep een gemiddelde van de kosten per jeugdige dat vervolgens geëxtrapoleerd kan worden. — leder van de hierboven genoemde methoden kent voor- en nadelen, en het is niet duidelijk welke het meest betrouwbare resultaat geeft, Daarom worden alle vier de methoden gehanteerd. De uiterste verschillen in de uitkomsten worden als bandbreedte gehanteerd voor de meerkosten voor het voorliggend veld. De uitkomsten van de analyse van de aanvragen van het Fonds tekortgemeenten bleken vrij goed aan te sluiten bij de bandbreedte die uit de enquête volgde. Ontwikkelingen in de afgelopen jaren: kosten en budget 2015- 2019 In onderstaande grafiek zijn de kosten en het budget voor jeugdhulp in de periode 2015-2019 weergegeven. De bedragen uit de grafiek zijn ook opgenomen in de tabel daaronder. 6 Eer 5 ze Pe 5 4 5 5 3 Pe la® z2 1 0 2015 2016 2017 2018 2019 zee Meerkosten voorliggend veld (max.) mmm Meerkosten voorliggend veld (min) EB Kosten Individuele voorzieningen —— Budget Figuur 6 Kosten en budget voor jeugdhulp tussen 2015-2019. De kosten zijn uitgesplitst in de kosten voor individuele voorzieningen, en de meerkosten voor toegang en voorliggend veld. GV572 76 Andersson Elffers Felix 2015 2016 Vl 2018 2019 Meerkostentoegang 0,386-0,428 0,496-0,568 0,587-0,836 0,624-0,884 0,655 - 0,904 en voorliggend veld mld mld mld mld mld Kosten individuele 3,198 mld 3,264 mld 3,853 mld 4,311 mld 4,729 mld voorzieningen Budget 3,757 mld 3,651 mld 3,578 mld 3,715 mld 3,817 mld Uit de cijfers volgen de volgende punten. — Inde eerste jaren daalt het budget naar aanleiding van de oplopende taakstelling. Vervolgens stijgt het licht. Deze stijging komt deels door loon- en prijsbijstelling, en deels door taakuitbreidingen (zoals een verlenging van pleegzorg en gezinshuizen naar 21 jaar). Vanaf 2020 is er via het accres een indirecte koppeling met de kostenontwikkeling in de Zvw en WlLz; in de jaren waar dit onderzoek betrekking op heeft, was dat nog niet het geval. De bijstellingen voor volumegroei en loon- en prijsbijstelling zijn opgenomen in onderstaande tabel (bedragen x 1,000 euro). 2015 2016 Vl 2018 2019 Volumegroei 30.400 5.000 14.000 - - LPO 4.141 55.889 69.217 99.578 124.573 — De kosten in 2015 en 2016 zijn nog relatief stabiel, en redelijk in lijn met het budget; — Vanaf 2017 is een duidelijke stijging zichtbaar in de kosten. Vanaf dat jaar loopt het verschil tussen kosten en budget verder op. Daarbij moet opgemerkt worden dat, zoals benoemd in de afbakening, de tijdelijke extra middelen niet meegerekend zijn. — De meerkosten voor toegang en voorliggend veld zijn fors gestegen, met name van 2016 naar 2017, Het verschilt per gemeente sterk wat voor activiteiten zij binnen het voorliggend veld uitvoeren en wat de kosten daarvan zijn. Er is weinig bekend over de belangrijkste kostendrijvers, en de effecten van de investeringen. — In 2019, het basisjaar voor de analyses, liggen de totale kosten op 5,4 - 5,6 miljoen euro. Het budget in dat jaar was 3,8 miljard euro. Daarmee is de basis voor het tekort 1,6 - 1,8 miljard euro. Kosten in context: ontwikkelingen in volume en prijs Om de ontwikkeling van de kosten beter te begrijpen, hebben we onderzocht hoe het volume van jeugdhulpgebruik zich ontwikkeld heeft tussen 2015 en 2019. Het is fundamenteel niet mogelijk om op landelijk niveau onderscheid te maken tussen autonome groei en ontwikkeling door beleidsmatige keuzes. In eerder onderzoek is wel gekeken naar verschillen tussen regio’s en de mate waarin deze verklaard werden door beleidsmatige keuzes. Door de grote verschillen in de wijze van uitvoeren en de verschillende fasen van transitie, werden hier echter geen verschillen in effect tussen beleidskeuzes gevonden. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat een regionale analyse op dit moment meer inzicht zou geven. Met de stuurgroep is daarom afgestemd dat het doel van de analyse van het volume primair was om meer inzicht te geven in de ontwikkelingen, en niet om de volumeontwikkeling volledig te verklaren. Aan het eind van het onderzoek is wel gesproken over een mogelijke meerwaarde van regionale analyses, Deze zijn echter niet meer meegenomen in het onderzoek, GV572 TT Andersson Elffers Felix Onze analyse van de volumeontwikkeling is een kwantitatieve analyse van microdata- bestanden van het CBS, We hebben verschillende bewerkingen op de microdata-bestanden gedaan om te corrigeren voor registratie-fouten. De precieze werkwijze is beschreven in bijlage A.3 Microdata. Daar is ook toegelicht waarom het niet mogelijk om de duur van trajecten betrouwbaar in te schatten. Ontwikkelingen in volume In onderstaande figuur 7 is de ontwikkeling van het aantal cliënten van 2015 - 2019 weergegeven. Daarbij is onderscheid gemaakt naar jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. 50 45 40 35 5 Z 30 iv VV 25 @ [en] 2 20 @ d 15 10 5 5 LL mann en Jeugdhulp Jeugdbescherming Jeugdreclassering m2015 M2016 M2017 m2018 2019 Figuur 7 Aantal cliënten per jaar in jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. 2015 2016 Vl 2018 2019 Jeugdhulp 377.427 402.189 418.904 433.063 442.942 Jeugdbescherming 42.318 39.892 39.693 40.255 41.249 Jeugdreclassering 11.420 10.756 10.186 9.460 9.170 Het aantal cliënten dat per jaar jeugdzorg krijgt is met 16% gestegen sinds 2015 Sinds 2015 is het aantal cliënten dat per jaar jeugdhulp, jeugdbescherming of jeugdreclassering krijgt met 16% gestegen. Dit komt voornamelijk door een stijging van 17% in het aantal cliënten in jeugdhulp. Voor jeugdbescherming namen de cliëntaantallen eerst af, maar nemen ze nu weer licht toe. Het niveau in 2019 lag daarmee nog 2,5% lager dan het niveau van 2015. Het aantal cliënten jeugdreclassering daalde met 20% sinds 2015. GV572 78 Andersson Elffers Felix De stijging wordt met name veroorzaakt door jeugdhulp zonder verblijf Als eerste stap om nader te onderzoeken wat de oorzaak is van de stijging van het volume, is onderstaand de ontwikkeling van het aantal cliënten uitgesplitst naar verschillende zorgvormen weergegeven. A rs | 0 10 20 30 40 50 60 10.000 cliënten = Jeugdhulp zonder verblijf m Jeugdhulp met verblijf = Jeugdbescherming = Jeugdreclassering Figuur 8 Het aantal cliënten in 2015 en 2019 uitgesplitst naar verschillende zorgvormen. Hierin is voor 2015 en 2019 het aantal cliënten weergegeven in jeugdhulp met en zonder verblijf, in jeugdbescherming en in jeugdreclassering.“® Er is zichtbaar dat het merendeel van de cliënten in jeugdhulp zonder verblijf zit. De ontwikkeling van jeugdhulp zonder verblijf bepaalt dus grotendeels de ontwikkeling van het totale jeugdzorggebruik. Verder is te zien dat de relatieve omvang van jeugdhulp zonder verblijf in 2019 groter was dan in 2015: jeugdhulp zonder verblijf is harder gestegen dan de andere zorgvormen. Dit is in meer detail te zien in de volgende grafieken, waar de verschillende zorgvormen verder uitgesplitst zijn. Ook andere zorgvormen laten een stijging zien; niet altijd in lijn met de transformatie De stijging van het totale aantal cliënten wordt vooral verklaard door een stijging in verschillende vormen van zorg zonder verblijf, zowel bij wijk- of buurtteams teams als bij aanbieders. Dit is zichtbaar in figuur 9. Hierin is weergegeven hoe verschillende vormen van jeugdhulp zich ontwikkeld hebben sinds 2015 (waarbij het volume van 2015 op 100% is gezet). “® Het opgetelde aantal komt iets hoger uit dan het totaal aantal cliënten in jeugdzorg, omdat een klein aantal kinderen meerdere vormen van jeugdzorg heeft. GV572 79 Andersson Elffers Felix 180% 160% ‚n 140% —d 3 120% 5 100% 5 80% ‚5 60% > 40% 20% 0% Uitgevoerd door Ambulante Daghulp op locatie Jeugdhulp in het het wijk- of jeugdhulpop vande aanbieder netwerk van de buurtteam locatie van de jeugdige aanbieder m2015 M2016 M2017 m2018 2019 Figuur 9 De ontwikkeling van het aantal cliënten in verschillende vormen van jeugdhulp zonder verblijf, De percentages zijn ten opzichte van het aantal cliënten in 2015. Bij lokale teams is van 2015 naar 2017 een duidelijke stijging zichtbaar, die vervolgens stabiliseert en in 2019 zelfs weer wat daalt. Waarschijnlijk wordt dit vooral verklaard doordat in 2015, en deels ook 2016, veel trajecten van lokale teams nog niet aan het CBS geleverd werden. 35 30 S 3% 25 5 2 20 u 8 15 — 10 d ml 1 & À $ L % 5 ‚ S £ & & ˰ pl A ò j > > S & & co © er > ® ® NN @ 5 Q FS S e ‚ & é & © NC Ed > 5 9 so 9 $ &® & & £ R & KS s NS & > S © NS 9 NSS m2015 m2019 Figuur 10 Het aantal cliënten in jeugdhulp in 2015 en 2019, uitgesplitst naar verschillende vormen van jeugdhulp. De stijging van jeugdhulp zonder verblijf uitgevoerd door het lokaal team in 2019 ten opzichte van 2015 verklaart echter maar beperkt de totale stijging van jeugdhulp zonder verblijf: zoals in bovenstaande grafiek te zien is, is jeugdhulp door het lokaal team maar een klein deel van de totale jeugdhulp zonder verblijf. In absolute zin is de stijging het grootst bij ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder, GV572 80 Andersson Elffers Felix Ook andere vormen van jeugdhulp laten een stijging zien. Soms is deze verklaarbaar en wenselijk. Een voorbeeld is de stijging van gezinsgericht verblijf.” Hier is de afgelopen jaren sterk op ingezet, en het aantal gezinshuizen is dan ook sterk gestegen.” In andere gevallen past dit minder goed bij het streven van de transformatie. Dit geldt bijvoorbeeld voor de stijging van gesloten plaatsing. Wel is de jeugdhulp met verblijf in een open groep (categorie “overig verblijf”) de afgelopen twee jaar gedaald, waardoor het niveau nu onder dat van 2015 ligt. 140% 120% LO > 100% 5 5 80% 5 60% € © 40% 9 20% 0% & SS ‚& S ‚ _% g & 2 & & d E &% òf ee È 5 & se Q zo RN ce rs QG CL 2 & G £ S e D 2e NS So & © © m2015 M2016 M2017 m2018 2019 Figuur 11 De ontwikkeling van het aantal cliënten in verschillende vormen van jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De percentages zijn ten opzichte van het aantal cliënten in 2015. Om de daling van het aantal cliënten in Jeugdbescherming tot 2017, en de stijging in de twee daaropvolgende jaren te duiden is in figuur 12 een uitsplitsing gemaakt in de twee vormen van Jeugdbescherming: ondertoezichtstelling, en voogdij. Hiervoor zijn voorlopige en tijdelijke maatregelen toegerekend aan de desbetreffende vorm. Te zien is dat de daling tot 2017 en de daaropvolgende stijging vooral toe te rekenen is aan ondertoezichtstelling. De voogdijmaatregelen laten zelfs een tegenovergestelde trend zien, waarbij er tot 2017 juist sprake is van een stijging, waarna het aantal cliënten in 2018 en 2019 afneemt. “9 De daling van gezinsgericht verblijf in 2019, komt volgens het CBS vermoedelijk door een registratiefout. 50 Factsheet gezinshuizen, gezinspiratieplein, 2019. GV572 81 Andersson Elffers Felix 110% 105% 2 > 100% ON = o > 95% S U In Ss © 90% u 85% 80% Totaal OTS Totaal voogdij m2015 M2016 M2017 m2018 2019 Figuur 12 De ontwikkeling van het aantal cliënten in de verschillende vormen jeugdbescherming. De percentages zijn ten opzichte van het aantal cliënten in 2015. Analyse van in- en uitstroom In de vorige paragraaf hebben we geconstateerd dat het jeugdhulpvolume is gestegen. In deze paragraaf kijken we naar de in- en uitstroom. Deze in- en uitstroom is bepaald door te kijken welke cliënten er in een bepaald jaar in zorg zaten, maar een jaar eerder of later niet. In de grafieken in deze paragraaf zijn in- en uitstroom per jaar voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering weergegeven.” Voor jeugdhulp is het volgende beeld te zien.” 51 De instroom in 2015 kan niet met voldoende betrouwbaarheid bepaald worden, omdat veel jeugdigen die al vóór 2015 jeugdhulp kregen met een startdatum in 2015 geregistreerd zijn. Een aansluiting naar gegevens voor 2015 is onvoldoende betrouwbaar om conclusies uit te trekken. Voor 2019 kan de uitstroom nog met onvoldoende betrouwbaarheid bepaald worden, omdat de gegevens van 2020 nog niet beschikbaar zijn. Daarom kunnen we niet bepalen welke jeugdigen in 2020 nog steeds jeugdhulp krijgen. 52 In de bijlage B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom is een uitsplitsing naar jeugdhulp met verblijf en jeugdhulp zonder verblijf opgenomen. GV572 82 Andersson Elffers Felix 16 14 12 S %® 10 S iv u 8 [en] Ss 5 6 4 2 0 2015 2016 2017 2018 2019 EB instroom jeugdhulp _m Uitstroom jeugdhulp Figuur 13 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp tussen 2015 en 2019. In deze grafiek vallen twee zaken op, die van belang zijn voor de duiding van de stijging van het volume van jeugdhulp. — Ten eerste valt op dat de instroom voor jeugdhulp redelijk constant is. Dat betekent dat in de instroom nog geen duidelijk boeggolfeffect zichtbaar is. Een toename in preventie en vroegsignalering zou immers — naast een toename van kosten in het voorliggend veld — als eerste tot uiting moeten komen in een hogere instroom van vroeggesignaleerde kinderen. Dit lijkt vooralsnog niet het geval te zijn. — De tweede bevinding is dat de uitstroom consequent lager is dan de instroom. Dat betekent dat ieder jaar sinds 2015 meer jeugdigen de jeugdhulp instromen dan uitstromen, wat in combinatie met een constante instroom betekent dat trajecten steeds langer duren, en wat ook de toename van het aantal cliënten verklaart. Het algemene beeld over de toename van jeugdhulp is dat veranderende maatschappelijke normen en de nabijheid van het aanbod zouden leiden tot een grotere instroom. Eerdere onderzoeken op basis van enkele gemeenten lijken hier ook op te wijzen > Op basis van de analyse binnen dit onderzoek blijkt dit echter niet de oorzaak te zijn van de volumestijging: als we kijken naar de data op cliëntniveau, zien we namelijk dat de instroom over de jaren heen redelijk stabiel is. De stijging van het jeugdhulpgebruik wordt dus niet verklaard door de instroom, maar door een achterblijvende uitstroom. Vervolgens tonen we in onderstaande grafiek de in- en uitstroom van jeugdbescherming. 5 Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020. GV572 83 Andersson Elffers Felix 1,2 1 < 0,8 ® c W 0 0,6 oo oo oo © 04 0,2 0 2015 2016 2017 2018 2019 EB Instroom jeugdbescherming m Uitstroom jeugdbescherming Figuur 14 In- en uitstroom van cliënten in jeugdbescherming tussen 2015 en 2019. Voor jeugdbescherming is de daling na 2015 vooral vanwege een hoge uitstroom in dat jaar, en de toename in de latere jaren vooral vanwege een stijging in de instroom. Dit verklaart ook waarom jeugdbescherming na een daling weer stijgt. Onderstaand tonen we tot slot de in- en uitstroom van jeugdreclassering. Het blijkt dat zowel de instroom (met uitzondering van 2019) als de uitstroom daalt, en dat de uitstroom steeds hoger is dan de instroom. 0,45 0,4 0,35 < 0,3 ® 5 0,25 VU 8 0,2 oo © 1 0,15 0,1 0,05 0 2015 2016 2017 2018 2019 EB Instroom Jeugdreclassering m Uitstroom jeugdreclassering Figuur 15 In- en uitstroom van cliënten in jeugdreclassering tussen 2015 en 2019. GV572 84 Andersson Elffers Felix Verklarende factoren In een eerder onderzoek zijn correlaties gevonden tussen een toename in jeugdhulpgebruik en de populatie van de gemeente.” Deze analyse was gedaan voor de periode 2015 — 2017 op basis van StatLinegegevens. In dit onderzoek hebben we met behulp van microdata op persoonsniveau gekeken of deze factoren vaker voorkwamen bij jeugdigen in jeugdhulp. Het mediane inkomen van huishoudens met jeugdigen in jeugdhulp stijgt In onderstaande grafiek staat per type jeugdhulp het mediane inkomen van huishoudens waarvan één of meerdere jeugdigen in 2015 en in 2018 in jeugdhulp stroomden, afgezet tegen het mediane inkomen in heel Nederland. 120% 5 100% 5 80% € ‘= 60% € ES 40% ke) U = 20% 0% X S ee $ $N _& 8 £ & & go 5 © & Ò $ KS 5 & É & ® @ 5 © © NS & SS Q & °° © © à é À & ‚© & & e © NS N SN \® \° ‚ ® £ 9 NR eN KS EN & S & e > S G RS S 9 NS KS) m2015 m2018 Figuur 16 Mediane inkomen van cliënten die in 2015 en 2018 instroomden als percentage van het landelijke mediane inkomen, uitgesplitst naar verschillende zorgvormen. Uit de grafiek” blijkt dat het mediaan inkomen lager is naarmate de hulp zwaarder is: gezinnen met jeugdigen in ambulante hulp hebben een duidelijk hoger mediaan inkomen dan gezinnen met jeugdigen in jeugdhulp met verblijf, Het mediane inkomen van jeugdhulp ambulant op locatie van aanbieder (de grootste groep) ligt dicht bij het mediane inkomen van alle huishoudens in het land. Het is gestegen van 96% van het landelijke mediane inkomen in 2015 naar 98% ervan in 2018. Er zijn dus niet meer jeugdigen uit gezinnen met lage inkomens bereikt. Deze resultaten wijzen er juist op dat er voor de zorgvormen zonder verblijf een verschuiving heeft plaatsgevonden naar huishoudens met een hoger inkomen, in plaats van naar huishoudens met een lager inkomen. 54 Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019, p. 39. 5 De gegevens over inkomens en samenstelling van huishoudens in 2019 zijn in de CBS microdata nog niet beschikbaar; daarom gaat deze analyse tot 2018. Daarnaast zijn er jeugdigen met jeugdhulp die niet in deze analyse meegenomen zijn, omdat de koppeling met het huishouden niet gemaakt kan worden op basis van de CBS-gegeven. GV572 85 Andersson Elffers Felix Bij zorgvormen met verblijf is het beeld anders. Voor gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf daalde het mediane inkomen van de instromende jeugdigen: in 2015 was het 76% van het landelijke mediane inkomen en in 2018 was het 67% ervan. Voor pleegzorg daalde het van 63% naar 59%. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat door het beleid om jeugdigen zoveel mogelijk in een gezinsomgeving op te laten groeien, in deze jeugdhulpvormen een relatief zwaardere groep jeugdigen werd aangetrokken; en dat deze relatief zwaardere groep vaker uit een huishouden met een lager inkomen komt. Andere verklarende factoren worden niet bevestigd in de analyse Naast het mediane inkomen hebben we gekeken naar jeugdigen uit bijstandsgezinnen, eenouderhuishoudens en met een niet-westerse migratieachtergrond. We hebben gekeken naar de mate waarin jeugdigen uit deze groepen voorkomen in de groep die jaarlijks in jeugdhulp instroomt. Als het aandeel van deze jeugdigen in de totale populatie stijgt, zou dit immers een toename in jeugdhulpgebruik kunnen verklaren. De resultaten van deze analyse voor ambulante jeugdhulp staan in onderstaande grafiek, 30% jen 5 25% EE ke] 5 ® 20% U E Z 15% 2 5 E 10% © 2 _ I Ì Ì 0% Bijstandsgezinnen Eenouderhuishoudens Niet-westerse migratieachtergrond M2015 M2016 Mm2017 2018 Figuur 17 Percentage van jaarlijkse instroom in ambulante jeugdhulp dat uit specifieke groepen afkomstig is. Op basis van deze resultaten lijken deze factoren niet te leiden tot een stijging in het jeugdhulpvolume. Er zijn immers geen grote veranderingen te zien in de instroom vanuit deze specifieke groepen. Bovenstaande grafiek toont specifiek de resultaten voor ambulante jeugdhulp. De ontwikkelingen in de andere vormen van jeugdhulp zijn vergelijkbaar, behalve pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf. Voor deze vormen van jeugdhulp steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens, en het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond.”® Op beide vormen van jeugdhulp is door gemeenten in de afgelopen jaren sterker ingezet. Deze beleidswijziging is gedeeltelijk succesvol geweest, De doelgroep van deze vormen is mogelijk uitgebreid met relatief veel kinderen uit huishoudens met een lagere sociaaleconomische status. 56 Grafieken hiervan zijn opgenomen in de bijlage B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom. GV572 86 Andersson Elffers Felix Duiding van deze resultaten: welke jeugdigen bereiken we? Op basis van de analyse van de verklarende factoren valt het volgende op: — Voor jeugdhulp zonder verblijf is er een beweging richting meer jeugdhulp voor jeugdigen uit huishoudens met hogere inkomens. Voor pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf is een verschuiving richting gezinnen met lagere inkomens zichtbaar; — De instroom van jeugdigen uit bijstandsgezinnen, eenouderhuishoudens en gezinnen met een niet-westerse migratie-achtergrond neemt in de meeste zorgvormen niet toe. Uitzondering hierop vormen pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf, Ook is de instroom niet vergroot, waarmee het onwaarschijnlijk is dat er al veel vroegsignalering plaatsvindt. Daarmee lijkt de beweging die aan het begin van de boeggolf verwacht zou worden nog niet zichtbaar te zijn in de data. Duiding van kosten aan de hand van ontwikkelingen in kosten per cliënt per jaar Naast een ontwikkeling in volume speelt mogelijk ook een ontwikkeling in kosten per cliënt per jaar mee. Daarom hebben we de gemiddelde kosten per cliënt per jaar berekend door de totale kosten voor maatwerktrajecten te delen door het totale aantal cliënten in het betreffende jaar. Dit is weergegeven in onderstaande grafiek. € 12.000 € 10.000 nn 5 € 8.000 KS) 8 €6.000 S U 3 2 €4.000 € 2.000 €0 2015 2016 2017 2018 2019 == Met correctie loon- en prijsbijstelling =®= Zonder correctie loon- en prijsbijstelling Figuur 18 De jaarlijkse gemiddelde kosten per cliënt in jeugdzorg. Wat opvalt, is dat de gemiddelde kosten per cliënt per jaar vanaf 2016 stijgen. In 2015 lagen de gemiddelde kosten per cliënt op € 8118; in 2019 waren deze kosten € 10.354. Dit is een stijging van 16% in vier jaar als gecorrigeerd wordt voor loon- en prijsstijging.” Een deel van de kostentoename wordt dus verklaard door een stijging van de kosten per cliënt per jaar. Een verschuiving van lichtere naar zwaardere vormen van jeugdhulp kan een oorzaak zijn van stijgende kosten per cliënt per jaar. De kosten voor ambulante jeugdhulp zijn immers 57 Voor de loon-en prijsbijstelling hebben we de prijsindexatie gehanteerd waarmee elk jaar is gerekend voor het macrobudget jeugd in het gemeentefonds. GV572 87 Andersson Elffers Felix beduidend lager dan voor bijvoorbeeld jeugdzorg-plus. Dit lijkt echter niet het geval te zijn, want vooral het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf is gestegen. In theorie is het mogelijk dat binnen de ambulante jeugdhulp een verschuiving naar duurdere zorgvormen heeft plaatsgevonden, maar hier zijn in de gegevens geen aanwijzingen voor. De meest waarschijnlijke oorzaak van de stijging naast de langere duur is dat de intensiteit van trajecten is toegenomen, dat wil zeggen dat jeugdigen in dezelfde tijdspanne meer hulp krijgen. Dit is echter niet te verifiëren met de beschikbare gegevens. Samenspel langere trajectduur en stijgende kosten per cliënt per jaar In het onderzoek hebben we geconstateerd dat de instroom redelijk stabiel is, en de stijging in het jeugdhulpvolume vooral veroorzaakt wordt doordat de uitstroom stokt. Dit impliceert ook dat de trajectduur langer wordt.” Gezien de registratieproblemen kunnen we dit niet nader specificeren, en daarmee ook niet bepalen welk deel van de kostenstijging hierdoor mogelijk veroorzaakt wordt. Wel kan opgemerkt worden dat dit slechts beperkt een verklaring kan zijn. Er wordt immers gekeken naar kosten per cliënt per jaar, dus voor trajecten die over de jaargrens heen lopen, worden de kosten verdeeld over meerdere jaren. Andere mogelijke oorzaken Bovenstaande betekent dat er alleen andere verklaringen overblijven voor het stijgen van de kosten per cliënt per jaar. In eerder onderzoek zijn factoren als upcoding, de inzet van duurder personeel en uitvoeringskosten benoemd. Deze bespreken we onderstaand kort. In alle bovengenoemde verklaringen is er een samenspel tussen de tarieven die gemeenten bieden en de interpretatie die hieraan gegeven wordt. Zo kunnen de inzet van duurder personeel en hogere uitvoeringskosten bij aanbieders alleen terugkomen in de kosten van gemeenten als de tarieven hierop aangepast worden. Tot op zekere hoogte is dit gebeurd — al dan niet naar aanleiding van diverse rechtszaken - maar de jaarrekeningen van met name de grote jeugdzorgaanbieders suggereren dat er weinig marge is, Een deel van deze extra kosten komt naar verwachting dus niet terug in de kosten van gemeenten. Daarnaast is in eerdere onderzoeken upcoding genoemd als verklaring. Hoewel dit zeker voorkomt, zijn hier ook de nodige nuanceringen bij te plaatsen. Onderstaand gaan we in op enkele achtergronden van upcoding, om op die manier de complexiteit van de discussie weer te geven. — Allereerst: er zijn uiteraard voorbeelden van upcoding of erger: er worden bijvoorbeeld frauduleuze zorgaanbieders opgespoord. Het feit dat hier door gemeenten in wisselende mate tegen opgetreden wordt, geeft aan dat de omvang van dit probleem niet in beeld is, Ook onschuldiger vormen van upcoding komen voor. Binnen de Jeugdwet is hier geen uitgebreid onderzoek naar gedaan, maar uit analyses in de GGZ bleek dat DBC's relatief vaak net lang genoeg opengehouden werden om in een hogere prijscategorie te vallen.” Gezien de druk op tarieven in jeugdhulp is te verwachten dat dit in jeugdhulp eerder meer dan minder voorkomt. Dit is een terecht aandachtspunt. — In de dieptestudies zijn we ook voorbeelden tegengekomen die aangeven dat er in sommige gevallen ook een andere kant aan upcoding is. Zo werd door een aanbieder het 58 Ook andere onderzoeken suggereren dat er knelpunten zijn bij de uitstroom, en dat de kosten per cliënt stijgen door een langere trajectduur. Zzie bijvoorbeeld: Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020. 59 Zie bijvoorbeeld: Gedragsreacties van ggz-aanbieders op financiële prikkels, Douven, Remmerswaal en Zoutenbier, 2018. GV572 88 Andersson Elffers Felix voorbeeld genoemd van een gemeente die voor een interventie die alleen door WO of HBO-professionals uitgevoerd mocht worden het tarief bleek te rekenen voor een MBO- professional. Het feit dat in overleg met de gemeente een andere code gedeclareerd is, kan technisch gezien wellicht als ‘upcoding’ gecategoriseerd worden, maar in de kern is het natuurlijk een reële afspraak over een reëel tarief, — Erzijn ook voorbeelden van een tegenovergestelde beweging. Gemeenten hanteren veelal eenzelfde tarief voor een bepaald product voor alle aanbieders. Dit is anders dan zorgkantoren en zorgverzekeraars, die veelal gedifferentieerde tarieven hanteerden waardoor gespecialiseerde aanbieders voor al hun producten hogere tarieven kregen dan minder gespecialiseerde aanbieders, Op die manier werd de hogere overhead bij ‘systeemaanbieders’ verdisconteerd. Door één prijs voor alle aanbieders te hanteren, en vaak ook een gemiddelde prijs voor een bepaald type cliënten of producten, hebben met name sommige kleine aanbieders grote marges. Ook dit zijn voorbeelden van prijzen die niet reëel zijn. — Daarnaast is de jeugdhulp — en dan met name de jeugd- en opvoedhulp - een sector waarin de bedrijfsvoering in mindere mate geprofessionaliseerd is dan bijvoorbeeld de ziekenhuiszorg. Foutieve declaraties komen voor (ontbrekende declaraties overigens ook) en veelal is daar geen opzet in het spel. Ook veranderingen in de bekostiging kunnen daar een rol bij spelen. Niet alle aanbieders begrijpen de bekostiging, dus hij wordt ook niet overal correct toegepast. =— Ook gemeenten hadden processen de afgelopen jaren vaak nog niet strak genoeg op orde, waardoor afwijkingen niet altijd op tijd geconstateerd werden. Ook worden verschillende keuzes gemaakt in de manier waarop met afwijkingen omgegaan wordt. Voorbeeld: invoering resultaatgestuurd bekostigen In verschillende regio’s is resultaatgestuurd bekostigen ingevoerd, waarbij aanbieders aan de voorkant de intensiteit en daarmee de prijs van trajecten bepalen. In veel regio’s heeft dat geleid tot een toename van de afgegeven prijs. Regio’s zijn hier echter heel verschillend mee omgegaan. Er zijn voorbeelden van regio’s die naar aanleiding van een stijging van de totale kosten na een paar maanden een onderzoek lieten uitvoeren en daarna harde beheersmaatregelen namen, met een hoge administratieve last tot gevolg. Andere regio’s hadden strakke monitoring op de intensiteiten die aanbieders afgaven, en vergeleken deze met andere aanbieders en de trajectprijzen van eerdere jaren. Bij afwijkingen gingen zij direct in gesprek met de betreffende aanbieder. Vaak bleek deze het systeem verkeerd geïnterpreteerd te hebben, en akkoord te gaan met een aanpassing van de beschikking. We hebben niet onderzocht welke van bovenstaande aspecten meer of minder voorkomt; in sommige gevallen lopen ze ook door elkaar, Wellicht nog belangrijker dan deze technische aspecten is echter dat upcoding ook samenhangt met de vraag wanneer het goed genoeg is. Upcoding is niet alleen een Hbo-tarief declareren terwijl een Mbo-er ingezet wordt, maar het gaat ook over de vraag of een Hbo’er of Mbo’er ingezet moet worden, welke toegevoegde waarde nodig is om een hogere prijs te legitimeren, en welke (impliciete) eisen gesteld worden aan de kwaliteit van jeugdhulp. Belangrijkste conclusies De belangrijkste conclusies van de analyse van kosten en volume zijn: — De jeugdhulpkosten zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. GV572 89 Andersson Elffers Felix — De instroom in jeugdhulp is sinds 2015 niet toegenomen. Wel blijft de uitstroom structureel achter op de instroom. Daardoor neemt het aantal cliënten in jeugdhulp jaarlijks toe. — Het mediane inkomen van gezinnen die jeugdhulp zonder verblijf gebruiken is in de afgelopen jaren toegenomen ten opzichte van het landelijke mediane inkomen. Er worden daarin dus relatief meer welvarende gezinnen bereikt. — Ook de kosten per cliënt per jaar zijn toegenomen. Dit wordt niet verklaard door zwaardere zorgvormen, aangezien vooral ambulante jeugdhulp is toegenomen. Bovenstaande conclusies geven niet alleen inzicht in de achtergronden van de kostenstijging, maar ook in veronderstelde achterliggende oorzaken. Zo zou in het geval van een boeggolf in eerste instantie vooral een toename in de instroom verwacht worden®, en een stijgend aandeel groepen met een lagere sociaaleconomische achtergrond. Beide zaken blijken niet uit de gegevens: de instroom blijft constant, en vooral gezinnen met hogere inkomens zijn vaker ingestroomd. Deze conclusies gelden op landelijk niveau. Tussen gemeenten bestaat uiteraard variatie in de ontwikkeling in kosten en volume van jeugdhulp. B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom In- en uitstroom jeugdhulp uitgesplitst naar met en zonder verblijf In onderstaande figuren is de in- en uitstroom getoond van jeugdhulp met verblijf en jeugdhulp zonder verblijf. 60 Zoals beschreven wordt in bijlage C Analysekader boeggolf, zou de instroom naar aanleiding van de boeggolf eerst toe moeten nemen (op het moment dat geïnvesteerd wordt in vroegsignalering) en pas later af moeten nemen (als de effecten van preventie zichtbaar worden). GV572 90 Andersson Elffers Felix In figuur 19 is zichtbaar dat de instroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2019 afneemt. De instroom blijft in elk jaar wel hoger dan de uitstroom. Tot 2017 stijgt het aantal cliënten dat uitstroomt uit jeugdhulp met verblijf, maar in 2018 neemt het aantal flink af. 1,6 14 1,2 S Vv 1 € iv T 0,8 @ Ss — 0,6 d 0,4 0,2 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom B Uitstroom Figuur 19 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2019. Figuur 20 laat zien dat ook het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf dat instroomt, tussen 2015 en 2018 hoger is dan het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf dat uitstroomt. 16 14 12 c © 10 c W 0 8 oo oo oo 5 6 dd 4 2 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom BE Uitstroom Figuur 20 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf tussen 2015 en 2019. GV572 91 Andersson Elffers Felix Figuur 21 laat zien dat tussen 2015 en 2018 het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, de uitstroom flink toeneemt, terwijl de instroom afneemt tussen 2016 en 2019. 4,5 4 3,5 sc 3 % © 2,5 VU 8 2 oo o — 1,5 1 0,5 0 2015 2016 2017 2018 2019 Einstroom BE Uitstroom Figuur 21 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, tussen 2015 en 2019. In figuur 22 is zichtbaar dat de in- en uitstroom van cliënten die ambulante jeugdhulp op de locatie van de aanbieder ontvangen over het algemeen stabiel blijft. 14 12 10 cz % TE: VU 8 8 6 o dd 4 2 0 2015 2016 2017 2018 2019 Einstroom Em Uitstroom Figuur 22 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, ambulante jeugdhulp op locatie van de aanbieder, tussen 2015 en 2019. GV572 92 Andersson Elffers Felix In figuur 23 is te zien dat de instroom van cliënten met daghulp op locatie van de aanbieder het ene jaar afneemt en dan het volgende jaar weer toeneemt. 1,6 1,4 1,2 cz Vv 1 E W Oo 08 oo e o 0,6 dd 0,4 0,2 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom B Uitstroom Figuur 23 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, daghulp op locatie van de aanbieder, tussen 2015 en 2019. Figuur 24 toont in de instroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, in het netwerk van de jeugdige een flinke stijging in 2018. De uitstroom blijft redelijk gelijk, enkel in 2017 is deze minder dan de andere jaren. 4,5 4 3,5 c 3 U E © 25 VU 8 2 oo o 1 1,5 1 0,5 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom B Uitstroom Figuur 24 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige, tussen 2015 en 2019. GV572 93 Andersson Elffers Felix Figuur 25 toont een stijging in de uitstroom van cliënten in gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2018. De instroom blijft tussen 2016 en 2018 gelijk, maar neemt in 2019 af. 0,35 0,3 0,25 c ® 5 02 VU 8 o15 © dd 0,1 0,05 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom HE Uitstroom Figuur 25 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, gezinsgericht, tussen 2015 en 2019. In figuur 26 is te zien dat de instroom van cliënten met pleegzorg tussen 2016 en 2017 licht stijgt, en daarna sterkt afneemt tot 2019. De uitstroom daalt in 2016 en in 2018. 0,45 0,4 0,35 < 0,3 ® 5 0,25 VU 8 0,2 oo © — 0,15 0,1 0,05 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom HE Uitstroom Figuur 26 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, tussen 2015 en 2019. GV572 94 Andersson Elffers Felix Figuur 27 laat zien dat de instroom van cliënten in jeugdhulp met overig verblijf geleidelijk daalt tussen 2016 en 2019. De uitstroom stijgt in 2016 en met name in 2017, waarna het in 2018 weer afneemt tot hetzelfde niveau als 2015. 14 1,2 1 c ® 5 08 U 8 3 0,6 o dd 0,4 0,2 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom HE Uitstroom Figuur 27 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, overig verblijf, tussen 2015 en 2019. In figuur 28 is te zien dat de in- en uitstroom van cliënten met gesloten plaatsing ieder jaar licht toeneemt of afneemt, maar over het algemeen stabiel is over de jaren. 0,16 0,14 0,12 c ® 01 c W 0 0,08 oo oo oo 5 0,06 dd 0,04 0,02 0 2015 2016 2017 2018 2019 B instroom B Uitstroom Figuur 28 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, gesloten plaatsing, tussen 2015 en 2019. GV572 95 Andersson Elffers Felix Instroom specifieke doelgroepen in pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp In de gezingsgerichte jeugdhulp steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens, en het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond tussen 2015 en 2018. Dit is te zien in figuur 29. 40% S 5 35% 5 ke] 2D 30% ‚Ee U z 25% ‚S 8, 20% u S DN 15% a0 5 10% 2 2 5% 0% Bijstandsgezinnen Eenouderhuishoudens Niet-westerse migratieachtergrond m2015 Mm2016 m2017 2018 Figuur 29 Het aandeel van specifieke groepen in de jaarlijks instromende cliënten in gezinsgerichte jeugdhulp. In de pleegzorg steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens ook tussen 2015 en 2018, Het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond blijft in de pleegzorg gelijk. Dit is te zien in figuur 30. 50% 45% 40% 20 9 35% a0 8 30% a S 25% 5 20% 2 ” 15% E 10% 5% 0% Bijstandsgezinnen Eenouderhuishoudens Niet-westerse migratieachtergrond m2015 M2016 m2017 2018 Figuur 30 Het aandeel van specifieke groepen in de jaarlijks instromende cliënten in pleegzorg. GV572 96 Andersson Elffers Felix C Analysekader boeggolf Inleiding Het doel van het onderzoek naar de boeggolf was om te acherhalen of er sprake is van een boeggolf; en zo ja, hoe deze boeggolf er (in vorm en tijdsduur) uit zou zien. Om dit te onderzoeken, hebben we onderstaand analysekader opgesteld. Door de voorlopige resultaten van het eerste deel van de vraag, hebben we in overleg met de begeleidingsgroep en stuurgroep dit deel van het onderzoek anders uitgevoerd. In plaats van de doorrekening van het uiteindelijke resultaat na de boeggolf hebben we (in aanvulling op het literatuuronderzoek naar de effectiviteit van interventies) een analyse verricht van de bewezen effectieve interventies in de NJi databank Effectieve jeugdinterventies. In bijlage D Het effect van preventie en vroegsignalering zijn de aangepaste werkwijze, analyse en resultaten nader toegelicht. In dit analysekader lichten we toe wat volgens de beleidstheorie de werkzame mechanismen zouden zijn achter de boeggolf. Vervolgens wordt beschreven hoe deze mechanismen kunnen worden uitgesplitst en gekwantificeerd. Het analysekader begint met een uitleg van wat de boeggolf is, en met welke karakteristieken een boeggolf in kaart kan worden gebracht. Voor elk van deze karakteristieken wordt vervolgens apart toegelicht welke mechanismen hierachter liggen, en met welke onderzoeksvragen deze mechanismen in kaart gebracht kunnen worden. Aan het eind van bijlage C Analysekader boeggolf worden de onderzoeksmethoden beschreven die gehanteerd kunnen worden om elk van de onderzoeksvragen te beantwoorden. Wat is het boeggolfeffect? Zoals het woord ‘boeggolf’ al suggereert, beschrijft het boeggolfeffect de tijdelijk hogere kosten die de transitie en transformatie naar een nieuwe werkwijze met zich meebrengen. Er zijn minimaal twee redenen om een boeggolf te verwachten: — Een transformatie zorgt tijdelijk voor inefficiëntie en hogere uitvoeringskosten. Het inzetten van een transformatie vraagt namelijk een extra inspanning: het kost tijd om een nieuwe manier van organiseren in te richten, en het aanleren van nieuwe manieren van werken gaat in de eerste periode ten koste van de efficiëntie. Dit noemen we de transitiekosten. — Door inte zetten op (1) preventie en (2) vroegsignalering, zou voorkomen kunnen worden dat er later zwaardere — en daarmee duurdere — jeugdhulp nodig is. Het realiseren van deze beweging naar de voorkant kost echter tijd, en leidt op de korte termijn waarschijnlijk tot meer gebruik van (lichte en zware) jeugdhulp. Ondertussen is de zware jeugdhulp voor de bestaande groep nog nodig, waardoor er tijdelijk dubbele kosten kunnen zijn. Onderstaande figuur (figuur 31) vat de belangrijkste mechanismen achter de boeggolf samen. GV572 97 Andersson Elffers Felix TRANSITIE TRANSITIE KLAP SIGNALERING sld ELZEN Voorbereiding op transformatie | 45 d [ Voorkomen van erger | me Be Figuur 31. samenvatting boeggolf mechanismen In onderstaande figuur 32 ziet u de theoretische vorm van de boeggolf. Zoals te zien kan de vorm met grofweg drie karakteristieken in beeld gebracht worden: — A, Structureel resultaat transformatie. De transformatie is ingezet met het uitgangspunt dat betere preventie en vroegsignalering structureel zullen leiden tot een afname van (zware) jeugdhulp. En daarmee tot een besparing van jeugdhulpkosten. Uiteraard kosten betere preventie en vroegsignalering ook structureel meer geld. Deze extra kosten moeten worden meegenomen om tot het structurele resultaat van de transformatie te komen. — B, Tijdsduur transformatie. De vorm van de boeggolf is afhankelijk van hoe lang het duurt om de doelstellingen van de transformatie te bereiken. In deze tijdsduur spelen twee factoren een rol. Ten eerste hoe lang het duurt om de beoogde effecten van preventie en vroegsignalering te bereiken. Ten tweede het proces waarin gemeenten met trial en error proberen om de transformatie vorm te geven. — C. Tijdelijke kosten tijdens de transformatie. De transformatie brengt op twee manieren tijdelijke extra kosten. Ten eerste door een tijdelijk extra gebruik van jeugdhulp. Terwijl meer jeugdigen in hulp/zorg komen door meer vroegsignalering, moeten tegelijk bestaande jeugdhulptrajecten worden doorgezet. Dit betekent tijdelijk dubbele kosten. Daarnaast vraagt de transformatie van gemeenten onder andere het ontwikkelen van nieuw beleid, een nieuwe werkwijze, nieuwe samenwerkingen en een nieuwe infrastructuur, Ook hier zijn kosten aan verbonden. L 1 Tijdelijke extra kosten transformatie I Ï I ! \ | Structureel resultaat transformatie = structurele kosten - structurele besparing Tijdsduur transformatie Figuur 32. Schematische weergave boeggolf. Op de x-as staat tijd in jaren. Op de y-as de jeugdhulpkosten. Deze weergave is indicatief en geeft nog geen inzicht in daadwerkelijke tijdsduur of hoogte van de boeggolf GV572 98 Andersson Elffers Felix Opzet van dit analysekader In dit analysekader werken we uit op welke manier we de relevante onderdelen van de boeggolf in het onderzoek zullen kwantificeren. We hebben het analysekader opgedeeld in de volgende paragrafen: 1. Structurele resultaat transformatie a. Watis het structurele effect van preventie? b. Watis het structurele effect van vroegsignalering? c. _Categoriseren van de jeugd populatie in doelgroepen d. Structurele kosten door inzet op preventieve werkwijze en op betere vroegsignalering 2. Tijdsduur transformatie a. Duurtot effect van preventie b. Duurtot effect van vroegsignalering c. Meerdere cycli nodig in een lerend proces 3. Tijdelijke kosten tijdens de transformatie a. Hoe komen we tot een totaalbeeld? b. Hoe benaderen we het beloop van de boeggolf? c. _Investeringskosten d. Waar staan gemeenten nu? 4. Gehanteerde onderzoeksmethoden a. Methoden b. Datatriangulatie Voorafgaand aan het onderzoek ligt de vraag óf er sprake is van een boeggolf In het onderzoek naar de boeggolf kunnen we ons voor weinig onderdelen baseren op data en observaties over wat de decentralisatie/transformatie voor effecten heeft op de ontwikkeling van het jeugdhulpvolume over tijd. Dit komt doordat gemeenten zich nog in de beginfase bevinden van de transformatie en er vele factoren zijn die een rol spelen in de ontwikkeling van het jeugdhulpvolume over de periode 2015-2019. We zijn daarom genoodzaakt om ons voor een aanzienlijk deel te baseren op inschattingen en aannames van experts. Het kan zijn dat we er achter komen dat het soms niet mogelijk om een kengetal of bandbreedte te vinden. Dit kan betekenen dat we daarin keuzes moeten maken, bijvoorbeeld om minder details mee te nemen, of kengetallen op een andere manier te benaderen. Ook is er de mogelijkheid dat de boeggolf mechanismen niet structureel leiden tot een besparing, of dat het benutten van de potentiële besparing nadrukkelijk vraagt om flankerend beleid om ervoor te zorgen dat de nieuwe gecreëerde ruimte niet wordt opgevuld. Immers, zelfs als preventie en vroegsignalering in theorie leiden tot afname van de ernst van jeugdproblemen op lange termijn, hoeft dat in de praktijk nog niet te leiden tot afname van het jeugdhulpvolume als de capaciteit op andere wijze wordt benut. In de praktijk blijkt ook dat gemeenten door tekorten soms niet de optimale keuzes maken én succesvolle beleidsveranderingen in de ene gemeente niet leiden tot hetzelfde succes in andere gemeenten. Het is denkbaar dat preventie en vroegsignalering leiden tot normverschuiving: ook als het met alle jeugdigen beter gaat, zijn er nog steeds kinderen waarmee het relatief slechter gaat dan met andere. Als het gemiddelde welzijn verschuift, kan de tolerantie voor afwijkingen of het moeilijk hebben afnemen, waardoor kinderen juist eerder in jeugdhulp terechtkomen dan GV572 99 Andersson Elffers Felix nu het geval is, In de context van jeugdhulp zijn hiervoor geen empirische aanwijzingen — los van het anekdotische gegeven dat Nederland het land is met de gelukkigste jeugd en het meeste jeugdhulpgebruik. Voor gezondheidszorg in brede zin zijn wel aanwijzingen gevonden dat dergelijke mechanismen spelen. In dat geval leidt preventie wel tot een betere levensstandaard, maar niet tot verlaging van de kosten binnen de Jeugdwet. Voorafgaand aan een analyse naar de specifieke vorm van de boeggolf ligt daarom eerst de vraag: is er sprake van een boeggolf? De uitkomst van de boeggolfanalyse is dus niet op voorhand duidelijk, en de benodigde transformatie gaat zeker niet vanzelf, Deze analyse beoogt wel om een betere basis te leggen onder de discussie, en de potentiële effecten van de boeggolf inzichtelijk te maken. 1. Structurele resultaat De beleidstheorie waarop de Jeugdwet is gebaseerd, voorspelt dat inzet op preventie en vroegsignalering op termijn zal zorgen voor minder inzet van jeugdhulp en daarmee tot een structurele besparing. Onderstaande figuur 33 geeft de effecten weer van betere preventie en meer vroegsignalering op het totale jeugdhulpvolume in de tijd. Een toename van preventieve activiteiten zorgt ervoor dat meer jongeren bereikt worden. Daarnaast zorgt een toename van signalering dat meer jongeren gesignaleerd worden. In het begin neemt het jeugdhulpvolume dus toe, als gevolg van meer signalering. Vervolgens zien we effecten van de preventieve activiteiten, waardoor de totale doelgroep die jeugdhulp nodig heeft afneemt. Hierdoor worden er ook minder jeugdigen gesignaleerd die jeugdhulp nodig hebben. Het jeugdhulpvolume wordt hierdoor uiteindelijk kleiner. Toename preventie a Afname doelgroep met problemen waarvoor Populatie die bereikt jeugdhulp nodigis Populatie die bereikt Populatie die bereikt wordt met ET preventieve wordt met preventieve maatregelen maatregelen maatregelen n 7 Toename signalering Door afname doelgroep ook minder gesignaleerde jeugdigen Figuur 33 Schematische weergave van effecten betere preventie en meer vroegsignalering In de paragrafen hieronder gaan we dieper in op hoe we de specifieke effecten van preventie en vroegsignalering, de interactie tussen deze effecten, en de verschillen tussen doelgroepen willen bepalen. sl Health care is an individual necessity and national luxury, Getzen, T.E., 2000, Journal of Health Economics, 19(2), p. 259-270. GV572 100 Andersson Elffers Felix Definities Preventie en vroegsignalering verschillen van elkaar in doelgroep en doel. Onder preventie wordt vaak verstaan universele en selectieve preventie met betrekking tot doelgroepen, gericht op gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering. Onder vroegsignalering wordt over het algemeen verstaan dat de problematiek van jeugdigen in een vroeger stadium herkend wordt, waardoor een jeugdige eerder (vroeger in zijn/haar ontwikkeling) zorg en ondersteuning kan ontvangen om specifieke (of verergering van ) jeugdhulpgerelateerde problemen te voorkomen. Er zit dus enige overlap in deze doelgroepen. In dit onderzoek zijn we begonnen vanuit een onderscheid dat het mogelijk maakt om aansluiting te vinden bij bestaande gegevens, namelijk dat preventie plaatsvindt in het voorliggend veld en bij lokale teams, terwijl vroegsignalering betrekking heeft op de doelgroep van geïndiceerde jeugdhulp. Inhoudelijk is dit geen zuivere definitie, aangezien er overlap zit tussen geïndiceerde jeugdhulp en werkzaamheden van lokale teams. In de praktijk is het onderscheid tussen preventie en vroegsignalering ook niet altijd duidelijk, door overlap en interactie: wanneer ben je problemen aan het voorkomen, en wanneer bied je lichte vormen van hulp om verergering te voorkomen? Uit praktische overwegingen hanteren wij daarom een definitie die weliswaar niet volledig inhoudelijk zuiver is, maar wel aansluit op bestaande gegevens. a. Wat is het structurele effect van preventie? Door versterkte inzet van sociale basisvoorzieningen en beschikbaarheid van voorzieningen of interventies als opvoedcursussen, is de verwachting dat lichte problemen zich minder vaak zullen ontwikkelen tot problemen die jeugdhulp vereisen. Om het verwachte effect van de preventieve werkwijze te kwantificeren dienen de volgende vragen beantwoord te worden (zie paragraaf 4 voor de onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen): — Hoeveel/welke jeugdigen lopen risico problemen te ontwikkelen die jeugdhulp vereisen? — Hoeveel/welke van deze jeugdigen worden met betere inzet op preventie extra bereikt? (oftewel, wat is het verwachte bereik van de preventie?) — Voor hoeveel/welke van deze jeugdigen kan met betere preventie worden voorkomen dat zich problemen ontwikkelen waarvoor jeugdhulp nodig is? (oftewel, wat is de verwachtte effectiviteit van de preventie?) — Welke typen jeugdhulp kunnen vooral voorkomen worden met betere preventie? = Wat zijn de gemiddelde kosten per jeugdige voor dit type jeugdhulp? b. Wat is het structurele effect van vroegsignalering? Wanneer de problematiek van jeugdigen vroeger gesignaleerd wordt, kan hier eerder op worden ingegrepen en kunnen grotere problemen mogelijk worden voorkomen. Volgens de beleidstheorie zou vroegsignalering hiermee op termijn een besparend effect hebben. Daar staat echter tegenover dat niet bij alle jongeren waarbij nu een lichte hulpvraag gesignaleerd wordt en (lichte) jeugdhulp wordt geboden, anders een behoefte aan (meer of zwaardere) jeugdhulp zou zijn ontstaan. Om deze verwachte besparing te kwantificeren dienen de volgende vragen beantwoord te worden (zie paragraaf 4 voor onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen): — Bij hoeveel/welke jeugdigen zou eerder helpen/behandelen later gebruik van zwaardere typen jeugdhulp kunnen voorkomen (deze groep is dus groter dan de groep waarbij het de problematiek daadwerkelijk voorkomt)? GV572 101 Andersson Elffers Felix — Hoeveel/welke van deze jeugdigen worden er bij meer inzet op vroegsignalering ook daadwerkelijk vroeger gesignaleerd? — Welke typen jeugdhulp worden naar verwachting meer ingezet door betere vroegsignalering? = Om hoeveel jeugdigen gaat dit? = Wat zijn de gemiddelde kosten per jeugdige voor dit type jeugdhulp? — Welke typen jeugdhulp zouden kunnen worden voorkomen met vroegsignalering? = Om hoeveel jeugdigen gaat dit? = Wat zijn de gemiddelde kosten per jeugdige voor dit type jeugdhulp? c. Categoriseren van jeugdpopulatie in doelgroepen We verwachten dat de effecten van preventie en vroegsignalering per doelgroep verschillen. Het bepalen van bovenstaande effecten voor de gehele jeugdhulppopulatie in één keer geeft daarom waarschijnlijk een te globaal beeld. Daarom delen we de jeugdpopulatie op in een aantal categorieën. In de categorisering nemen we ook de jeugdigen mee die geen problemen ervaren waarvoor jeugdhulp nodig is. Dit doen we omdat deze jeugdigen ook in aanraking zullen komen met het preventieve aanbod en mogelijk met (over)signalering. Een mogelijke opdeling is bijvoorbeeld: — Jeugdigen met problematiek die primair kindgebonden is — Jeugdigen met problematiek die primair extern veroorzaakt is — Jeugdigen met problematiek die zowel kindgebonden als extern veroorzaakt is — Totale populatie jeugdigen min bovenstaande categorieën Er zijn ook andere voorbeelden van opsplitsingen denkbaar, zoals op basis van leeftijd, diagnose of jeugdhulpgebruik. d. Structurele kosten door inzet op preventieve werkwijze en op betere vroegsignalering Beter en meer inzetten op vroegsignalering en preventie kost over het algemeen ook meer geld. De precieze kosten zijn afhankelijk van de gekozen aanpak voor de transformatie. Deze aanpak is niet vastgesteld in de Jeugdwet en valt onder beleidsvrijheid van gemeenten. Gemeenten hebben hier tot op heden in wisselende mate invulling aangegeven. We kunnen wel een inschatting maken van de benodigde elementen van een passende aanpak. Deze elementen vragen over het algemeen een incidentele investering (deze bespreken we in paragraaf 4.b.) en structurele kosten. Bijvoorbeeld, in veel gesprekken wordt een passende datainfrastuctuur genoemd als een benodigd element voor succesvolle preventie en vroegsignalering. Deze datainfrastructuur moet worden ontwikkeld en opgezet (incidentele kosten) en onderhouden (structurele kosten). In het onderzoek gaan we uit van de benodigde elementen volgens de huidige inzichten. Hierin nemen we niet de elementen mee die gemeenten al vóór 2015 geregeld hebben, zoals het vormgeven van een aanbestedingsplatform. Een eerste aanzet van de benodigde elementen staat hieronder, — Extra capaciteit in fte voor implementatie preventieve maatregelen (bijv. personeel sociale lokale teams) — Extra capaciteit in fte voor implementatie vroegsignalerende maatregelen (bijv. extra personeel op scholen) — Onderhoud en gebruik data-infrastructuur — Ontwikkelen nieuw beleid en lerende aanpak GV572 102 Andersson Elffers Felix — Extra gebruik basisvoorzieningen Op basis van de verschillende elementen maken we een inschatting van de typische kosten van een dergelijk element. In bovenstaand voorbeeld werken we dus niet uit welke data- infrastructuur precies nodig is - dat moet immers nog ontwikkeld worden — maar op basis van de eigenschappen waar een dergelijke infrastructuur aan moet voldoen (bijvoorbeeld het benodigde aggregatieniveau om de informatie te kunnen gebruiken om te kunnen sturen), is wel een inschatting te maken van de kosten die daarmee typisch gepaard gaan. 2. Tijdsduur transformatie In paragraaf 1.a, 1.b en 1.d staat beschreven hoe we het structurele resultaat kunnen bepalen. Oftewel: wat kunnen we voorspellen qua resultaat van het einde van de boeggolf? Een tweede relevante vraag is vervolgens: hoe lang duurt het voordat we daar zijn? In deze paragraaf is de aanpak voor het benaderen van de tijdsduur van de transformatie beschreven. Gemeenten ontwikkelen niet in één keer een volledig effectief jeugdbeleid. Om tot het gewenste resultaat te komen maken gemeenten grote en kleine aanpassingen in hun beleid en monitoren ze de uitkomsten hiervan. De trial and error die gemeenten hiervoor doorlopen brengt zijn eigen dynamiek met zich mee. Het duurt even voor je een effect ziet van een actie. Pas als je een effect ziet, kan je gaan bijsturen. Wij benaderen deze dynamiek met de PDCA cyclus, die schematisch is weergeven in figuur 34. Vormgeven nieuw Uitvoeren nieuw Bepalen effectiviteit Evaluatie en besluit beleid beleid uitvoering en beleid over continuering Tijd die het kost om Tijd die het kost om uitvoering en effecten bepalen of nieuw De nieuw beleid vorm te nieuw beleid in de van nieuw beleid beleid voldoende geven praktijk te brengen zichtbaar worden werkt of moet worden aangepast Figuur 34. De plan, do, check, act (PDCA)-cyclus in beleidsverandering Zoals te zien in figuur 34 beschrijft de PDCA-cyclus het proces van het vormgeven van nieuw beleid (Plan), het tot uitvoering brengen hiervan (Do), het bepalen of het beleid en de uitvoering tot de gewenste resultaten leiden (Check) en de besluitvorming over het wel of niet continueren van deze aanpak (Act). De tijdsduur van de transformatie hangt af van hoe lang het gemiddeld duurt om zo’n cyclus te doorlopen en van het aantal cycli dat gemeenten gemiddeld doorlopen tot ze een beleid hebben vormgegeven dat hun doelstellingen bereikt. Hierbij hangt de tijdsduur van de Plan, Do en Act fase voor een groot deel af van de snelheid van besluitvorming en inrichting van nieuwe processen bij gemeenten. De tijdsduur van de Check hangt veel meer af van de duur tot de eerste effecten van de beleidsverandering zichtbaar zijn. De tijdsduur van de Check fase hangt daarentegen af van hoe lang het duurt tot de getroffen preventieve of vroegsignalerende maatregelen invloed hebben op het jeugdhulpvolume. GV572 103 Andersson Elffers Felix In deze paragraaf zullen we eerst bespreken hoe we duur tot het effect van preventie en vroegsignalering kunnen bepalen (2.a en 2.b). Vervolgens zullen we in paragraaf 2.c beschrijven hoe de gemeentelijke dynamiek onderzocht kan worden, zowel voor een inschatting van de gemiddelde duur van de cycli als van het aantal cycli waar gemeenten gemiddeld doorheen moeten. a. Duur tot effect van preventie Door meer in te zetten op sociale basisvoorzieningen en beschikbaarheid van voorzieningen of interventies als opvoedcursussen, is de verwachting dat minder lichte problemen zich zullen ontwikkelen tot problemen die jeugdhulp vereisen. Maar hoe lang duurt het voordat dit effect zichtbaar is? Dat hangt af van hoe lang het anders geduurd zou hebben tot deze problemen zich ontwikkeld en geopenbaard zouden hebben. De duur tot het effect van preventie is dus afhankelijk van (de dynamiek van) het type problematiek dat door preventie voorkomen wordt, Hiervoor moet bepaald worden (zie paragraaf 4 voor onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen): — Wanneer zijn gemeenten gestart met inzet van preventieve werkwijze? — Hoelang duurt het voordat de eerste effecten van preventie zichtbaar zijn? b. Duur tot effect van vroegsignalering Door jeugdigen vroeger te signaleren en te helpen kan de inzet van zwaardere jeugdhulp voorkomen worden, is de verwachting. De tijd die het kost om het resultaat van vroegsignalering te zien is ook hierbij afhankelijk van hoe lang het anders geduurd zou hebben tot de problematiek zich zou hebben ontwikkeld tot problemen waarvoor zwaardere jeugdhulp nodig is, Hiervoor moet bepaald worden (zie paragraaf 4 voor onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen): — Wanneer zijn gemeenten gestart met inzet van beter vroegsignalering? — Hoelang duurt het voor de problematiek die wordt gesignaleerd zich ontwikkeld tot problemen waarvoor anders zwaardere jeugdhulp nodig zou zijn? c. Meerdere cycli nodig in een lerend proces Gemeenten doorlopen in het vormgeven van de transformatie meerdere PDCA cycli, op verschillende niveaus. Wij onderscheiden hierin grofweg drie categorieën: 1) volledig nieuw model; 2) aanpassingen in het model; 3) finetuning. Act Plan eel OE eN op 48 Volledig nieuw model Aanpassingen in model Finetuning * _ Veel (tijds)investering in Plan *_ Flinke (tijds)investering in Plan *_ Kleine (tijds)investering in Plan * _ Veel (tijds)investering in Do * Flinke (tijds)investering in Do *_ Kleine (tijds)investering in Do *_Langetijd tot effectiviteit uitvoering * Medium tijd tot effectiviteit uitvoering *_Kortetijd tot effectiviteit uitvoering bepaald kan worden bepaald kan worden bepaald kan worden *_Tijd tot effectiviteit beleid bepaald kan *_Tijd tot effectiviteit beleid bepaald kan *_Tijd tot effectiviteit beleid bepaald kan worden is afhankelijk van dynamiek worden is afhankelijk van dynamiek worden is afhankelijk van dynamiek effect effect effect *_Groot besluit om wel of niet het beleid «Flinke (tijds)investering om aanpassing te *__ Kleine (tijds)investering om aanpassing nogmaals om te gooien evalueren te evalueren Figuur 35 Drie categorieën beleidsveranderingen{/PDCA-cycli GV572 104 Andersson Elffers Felix Sommige gemeenten kozen in 2015 direct een model dat goed paste, andere gemeenten hebben één of meerdere keren hun beleid volledig omgegooid. Daarnaast zijn in vrijwel alle gemeenten over de loop van de afgelopen jaren aanpassingen gemaakt in het jeugdbeleid. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld een nieuwe inrichting van sociale locale teams, aanpassing van de toegang, of grote aanpassingen in de kostenstructuur. Tot slot worden er constant kleine beleidsveranderingen (finetuning) doorgevoerd, zoals bijvoorbeeld het toevoegen van nieuw preventieve initiatieven of kleine aanpassingen in de samenwerkingsafspraken met aanbieders. Figuur 36 geeft een voorbeeld van dit verloop voor gemeente X. Een fictieve gemeente X kiest voor een p*q model. Al tijdens invoering van het model voegen ze hier een centrale toegang aan toe. De eerste jaren zien ze de kosten van jeugdzorg zo sterk stijgen dat ze besluiten dat dit model niet passend is. Ze kiezen voor een nieuw model met populatiebekostiging. Ook op dit model maken ze een aantal aanpassingen. Eén van de aanpassingen is om zeer lichte vormen van jeugdhulp wél p*q te organiseren om hier meer innovatie te stimuleren. Op termijn merkt de gemeente echter dat innovatie niet beter op gang komt dankzij deze aanpassing, en nemen ze ook deze vorm van jeugdhulp mee in de populatiebekostiging. Bovenop de aanpassingen gaat de gemeente aan de slag met finetuning van het model, zoals een veranderingen van prijzen en aanbestedingsregels. Langzaam worden de effecten van het nieuwe model zichtbaar. Het gebruik van jeugdhulp en algemene voorzieningen is de afgelopen jaren gestegen, maar een eerste daling van lichte en zware jeugdhulp lijkt zichtbaar te worden. DK DE EDPEDEDTED DD Don DD DE Dn 2015 tijd in jaren > Figuur 36 Het tijdsverloop van verschillende beleidsveranderingen in fictieve gemeente X Om in te schatten hoe lang gemeenten gemiddeld nodig hebben om effectief beleid te ontwikkelen, stellen we de volgende vragen: — Hoeveel PDCA-cycli hebben gemeenten gemiddeld doorlopen? — In hoeverre overlappen deze cycli gemiddeld met elkaar? (zie figuur 36) Welke (tijds)investeringen kosten het vormgeven (P), uitvoeren (D) en bijstellen (A) van beleid gemiddeld, en hoe verschilt dit per categorie? Deze vragen worden meegenomen in de uitvraag bij gemeenten, om zowel een beeld te krijgen van de beoogde gemiddelde duur, repetitie en samenloop van PDCA-cycli bij gemeenten, als ook de spreiding hiervan. We verwachten best grote verschillen tussen gemeenten, waarbij sommige gemeenten in één keer een passend model hebben gekozen en andere gemeente zich ook nu nog opmaken voor het invoeren van een nieuw model. Door het gemiddelde en de spreiding van deze factoren in beeld te brengen kunnen we een schatting maken van de tijdsduur van de boeggolf voor heel Nederland. Aangezien de decentralisatie GV572 105 Andersson Elffers Felix pas vijf jaar geleden is gestart, kunnen we onvoldoende uit data van gemeenten halen en vraagt dit scenariodenken om hiervan een prognose te maken. We voeden de scenario’s door naar de actuele stand van zaken te vragen in de uitvraag. 3. Tijdelijke kosten tijdens de transformatie We begonnen dit analysekader met een beschrijving van de belangrijkste karakteristieken van de boeggolf (zie figuur 32). In paragraaf 1 en 2 beschreven we vervolgens hoe we de structurele besparing, de structurele kosten en de tijdsduur van de transformatie gaan bepalen. Uit deze analyses volgt een beeld van de eindsituatie, Ook volgt hieruit een beeld van de weg hiernaar toe, oftewel van de boeggolf, In deze paragraaf beschrijven we hoe we de gegevens uit de voorgaande paragrafen zullen samenbrengen tot deze twee beelden. a. Hoe komen we tot een totaalbeeld? In figuur 32, waarin de vorm van de boeggolf beschreven wordt, geven we eigenlijk een gestileerd beeld van de werkelijkheid. In werkelijkheid zal de boeggolf zich veel grilliger gedragen, met pieken en dalen op momenten dat specifieke aanpassingen of interventies worden ingezet en specifieke doelgroepen worden bereikt. In feite geeft figuur 32 de vorm van één preventieve interventie voor één specifieke doelgroep weer. De totale boeggolf voor een gemeente is de accumulatie van deze preventieve en vroegsignalerende interventies, voor alle bijbehorende doelgroepen. De boeggolf voor heel Nederland is vervolgens weer een accumulatie van de boeggolven van alle Nederlandse gemeenten. Figuur 37 weergeeft schematisch hoe het eruit ziet als de boeggolven van 4 fictieve interventies/aanpassingen worden gecombineerd. ZT TEN -… / „ \ \ ’ TK Í Nx 1 x \ 1 \ / , \ IS Neen ‘ / \ VEN NEN 4 \ / N -Z Sj LL 4 ZN NS N N Sn —— N OE DAN Dn Figuur 37 Schematische weergave van de accumulatie (blauwe stippellijn) van de boeggolf van 4 fictieve maatregelen. Op de x-as staat tijd in jaren. Op de y-as de jeugdhulpkosten GV572 106 Andersson Elffers Felix Om tot een boeggolf voor heel Nederland te komen, moeten veel verschillende gegevens met elkaar gecombineerd worden. De analyses beschreven in paragraaf 1, 2 en 3 brengen ons de volgende informatie: — We hebben een inschatting van het aantal PDCA-cycli dat gemeenten doorlopen = Opgesplitst per categorie beleidsverandering — We hebben een inschatting van de gemiddelde duur van de Plan, Do en Act fase = Opgesplitst per categorie beleidsverandering — Voor de Check fase hebben we een inschatting van: = Opgesplitst per doelgroep: = De effecten van preventie op jeugdhulpgebruik over tijd (kosten, besparing, duur) = De effecten van vroegsignalering op jeugdhulpgebruik over tijd (kosten, besparing, duur) Figuur 38 geeft schematisch de verschillende onderwerpen en opsplitsingen weer. Gemiddeld aantal keer per categorie vroegsignalering Gemiddelde Gemiddelde duur Gemiddelde structurele kosten, Gemiddelde duur structurele besparing en duur duur Figuur 38 Gegevens die we met elkaar combineren om tot een totale boeggolf te komen Zoals te zien, zijn er een heel aantal verschillende combinaties mogelijk van categorieën en doelgroepen met verschillende tijdsduren, structurele besparingen en structurele kosten. In principe kunnen we deze combinaties met hun relatieve gewichten (sommige zullen meer en sommige minder vaak voorkomen) bij elkaar brengen tot een totaal eindresultaat en een totale tijdsduur van de transformatie. Hierbij moeten we nog wel rekening houden met een aantal factoren: — De interactie tussen preventie en vroegsignalering: deze is geïllustreerd in Figuur 33, en kan tot contra-intuïtieve resultaten leiden. — De omgang met de onzekerheden in de analyse: het optellen van onzekerheden kan wellicht niet helemaal op basis van statistiek; soms is een expertinschatting nodig voor het gewicht van een bepaalde onzekerheid. b. Hoe benaderen we het beloop van de boeggolf? Zoals het woord boeggolf al zegt, brengt de transformatie tijdelijk hogere kosten met zich mee. Terwijl meer jeugdigen in hulp/zorg komen door meer vroegsignalering, moeten tegelijk bestaande jeugdhulptrajecten worden doorgezet. Dit betekent tijdelijk dubbele kosten. De precieze hoogte van deze dubbele kosten kunnen niet per jaar bepaald worden, omdat te veel GV572 107 Andersson Elffers Felix variabelen hier een rol spelen. Wel kunnen we een grove inschatting maken van de hoogte en duur van deze boeggolf, Hieronder wordt beschreven hoe dit gedaan kan worden. We verwachten dat de vorm voor het grootste deel bepaald zal worden door het ‘dubbele’ volume aan jeugdhulp. Daarnaast vraagt een nieuwe werkwijze ook tijdelijke investeringen en inefficiëntie. Tijdelijk extra volume aan jeugdhulp Onze insteek voor deze analyse is om een inschatting te maken van de piek: wanneer is het extra volume aan jeugdhulp het hoogst en hoe hoog is het dan? We kunnen het moment van de piek op twee manieren benaderen: 1. _ Op basis van de duur tot het effect van preventie (2a) en vroegsignalering (2b) start, rekening houdend met (2c) de periode die het heeft geduurd voordat gemeenten zijn gestart met de nieuwe werkwijze vanaf 2015. Dit is waarschijnlijk iets te vroeg, maar benadert redelijk wanneer de piek plaatsvindt. 2. Op basis van kengetallen/bandbreedtes die volgen uit (1a) structurele effect van preventie, (1b) het structurele effect van vroegsignalering, (2a) de periode die het duurt voordat we effect zien van preventie, (2b) voordat we effect zien van vroegsignalering, rekening houdend met (2c) de periode die het heeft geduurd voordat gemeenten zijn gestart met de nieuwe werkwijze vanaf 2015. Deze manier is in beginsel nauwkeuriger, maar ook afhankelijk van de bandbreedte op basis van ta en 1b. Naar aanleiding van de uitkomsten van die analyses moet de meest passende werkwijze gekozen worden. c. Investeringskosten en transitiekosten voor de nieuwe werkwijze Naast kosten door tijdelijke toename van de jeugdhulp, zijn er ook investeringen nodig om de transformatie mogelijk te maken (investeringskosten) en zorgt een transformatie tijdelijk voor inefficiëntie en hogere uitvoeringskosten (transitiekosten). Het inzetten van een transformatie vraagt een extra inspanning: het kost tijd om een nieuwe manier van organiseren in te richten, en het aanleren van nieuwe manieren van werken gaat in de beginperiode ten koste van de efficiëntie, We onderzoeken welke elementen er noodzakelijk zijn voor het opzetten van een nieuwe werkwijze die aansluit bij de beoogde doelen van de transformatie en wat hiervoor naar schatting de investeringskosten zijn. In onderstaande tabel hebben we opgenomen welke elementen hiervoor van belang zijn en hoe we de kosten hiervoor kunnen inschatten. Opleiden en Het is nog niet volledig duidelijk welke competenties nodig zijn in de nieuwe omscholen werkwijze. Daarom kan niet gerekend worden op basis van een specifieke opleiding. Wel is het aannemelijk dat medewerkers nog bijgeschoold moeten worden. We stellen daarom de volgende werkwijze voor: = Inde diepteonderzoeken vragen we aan aanbieders en gemeenten welke kosten en tijdsinvestering opleidingen bij eerdere veranderingen gevraagd hebben per medewerker, = _ Daarbij maken we onderscheid tussen het type verandering (par 2c). — We vragen in hoeverre er naar verwachting gedifferentieerd moet worden tussen verschillende typen medewerkers. — Op basis van het aantal te verwachten cycli dat doorlopen moet worden (par 2c) kunnen de investeringskosten ingeschat worden. GV572 108 Andersson Elffers Felix Opzetten Onderdeel van de nieuwe werkwijze is in ieder geval dat meer samenwerkingen samenwerkingsverbanden aangegaan moeten worden. Het opzetten van een nieuwe samenwerking kost tijd van zorgprofessionals. = Inde diepteonderzoeken vragen we aan aanbieders en gemeenten welke kosten en tijdsinvesteringen de recent opgezette samenwerkingen gevraagd hebben. Eventueel toetsen we dit nog in de uitvraag. = We onderzoeken op basis van literatuuronderzoek en de diepteonderzoeken op welke schaal samenwerkingen levensvatbaar zijn (een samenwerking waar te veel mensen bij betrokken zijn, levert onvoldoende verbinding op om werkzaam te zijn, een samenwerking waar te weinig mensen bij betrokken zijn, is onvoldoende effectief). =— Op basis daarvan maken we een inschatting van het aantal samenwerkingen dat opgezet moet worden, en hoeveel tijd dat dus kost, Opzetten IT- De kosten van het opzetten van een IT-infrastructuur om op voldoende verfijnd infrastructuur niveau gegevens over risicoprofielen te hebben zijn sterk afhankelijk van de manier waarop dit gebeurt. Als iedere gemeenten dit zelf moet doen, is dat uiteraard erg inefficiënt. Ons voorstel is dan ook om uit te gaan van een landelijke werkwijze, waarbij informatie wordt opgehaald bij gemeenten. Daarbij kijken we naar kosten van eerdere projecten die tegemoet moesten komen aan de behoeften van verschillende gemeenten, zoals waarstaatjegemeente.nl. Afbouw vastgoed Als er minder verblijf is en meer ambulant gedaan wordt, zal een deel van het zorgvastgoed een andere bestemming moeten krijgen. Hoeveel dit kost, hangt sterk af van het specifieke gebouw: waar het ene gebouw in de markt een goede prijs opbrengt, geldt voor het andere gebouw dat het afgebroken moet worden. In de meeste gevallen speelt een situatie tussen deze twee uitersten in: het gebouw kan een andere bestemming krijgen, maar hier moeten wel kosten voor gemaakt worden. Om dit in beeld te brengen, stellen we de volgende werkwijze voor: =— We vragen aanbieders in de diepteonderzoek naar hun ervaringen met afbouw van vastgoed tot nog toe. — We vragen aanbieders een grove inschatting te maken voor verschillende scenario’s voor afname van het aantal kinderen in verblijf. =— Hieruit volgen naar verwachting verschillende typeringen voor aanbieders. — We toetsen deze kengetallen in de uitvraag, waarbij we ook nagaan hoeveel aanbieders welke typering hebben. Efficiëntieverlies Gedurende een dergelijke transitie zal er naar alle waarschijnlijkheid sprake zijn van lagere productiviteit en efficiëntieverlies. Grotendeels zullen deze kosten ook terugkomen in het opleiden en omscholen, en opzetten van samenwerkingen. We nemen deze vragen ook mee in het diepteonderzoek, maar verwachten dat gemeenten hier moeilijk een inschatting van kunnen geven. Zoals uit bovenstaande tabel duidelijk wordt, hangen dergelijke incidentele kosten sterk af van de exacte keuzes in de implementatie. Daarnaast hangt de opgave lokaal sterk af van de specifieke context en startpositie, Voor een landelijk beeld zijn deze individuele verschillen minder relevant. Voor iedere aanbieder die bovenmatig hoge kosten heeft, is er immers een aanbieder die juist zeer weinig kosten heeft. Voor het landelijke beeld gaan we daarom uit van één of enkele archetypen waarop we een macroraming baseren. De mate waarin verschillende archetypen aanbieders of gemeenten voorkomen baseren we op de uitvragen aan gemeenten en aanbieders. GV572 109 Andersson Elffers Felix Het CPB heeft in 2020 in het rapport Zorgkeuzes in Kaart een inschatting gemaakt van de budgettaire effecten van verschillende transities in het zorg en Wmo domein. De resultaten op basis van de elementen in bovenstaande tabel vergelijken we met de kengetallen (percentages) die het CPB heeft gevonden voor grote transities in de Wmo en zorg. Deze macrobenadering komt met een kengetal van 1,5 % voor de jaren die de transitie duurt, wat afhankelijk is van de omvang van de transformatie. Hierbij gaan we in principe uit van het kengetal van 1,5% zoals geraamd door het CPB, behalve als onze eigen analyse sterke redenen geeft om hiervan af te wijken. d. Waar staan gemeenten t.o.v. 2015? Op basis van de kengetallen die volgen uit (1a) structurele effect van preventie, (1b) het structurele effect van vroegsignalering, (2a) de periode die het duurt voordat we effect zien van preventie, (2b) voordat we effect zien van vroegsignalering, én (2c) de periode die het gemiddeld duurt om de nieuwe werkwijze vorm te geven (na 2015) volgt een voorspeld beloop. Op basis hiervan kan een inschatting gegeven worden van waar gemeenten in 2019 staan t.o.v. 2015. Tegelijkertijd kan de situatie in 2019 t.o.v. 2015 ook benaderd worden door te kijken naar hoe kwetsbare en moeilijk bereikbare groepen die voorheen onder gerepresenteerd waren, nu worden bereikt. Zijn zij minder onder gerepresenteerd in jeugdhulp door betere vroegsignalering? Dit geeft een duiding van de verandering die plaatsvindt. Daarbij gaan we ervanuit dat uiteindelijk deze groepen net zo gerepresenteerd zijn in jeugdhulp als ze gerepresenteerd zijn in de bevolking, eventueel gecorrigeerd voor SES, Met deze twee methoden kan de positie waar gemeenten zich bevinden in de boeggolf in 2019 benaderd worden, om een inschatting te geven van de incidentele en structurele kosten die dan van toepassing zijn. Gehanteerde onderzoeksmethoden a. Methoden In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van verschillende methoden, zoals in de tabel hieronder beschreven Onderzoeksonderdeel Voornaamste methoden 1a,. Wat is het structurele effect — Werksessie met jeugdhulpprofessionals, van preventie? beleidsmedewerkers, wetenschappers, ervaringswerkers — Literatuuronderzoek over de effectiviteit van (preventieve) interventies/ basisvoorzieningen, o.a. Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi GV572 110 Andersson Elffers Felix 1b, Wat is het structurele effect — Werksessie met jeugdhulpprofessionals, van vroegsignalering? beleidsmedewerkers, wetenschappers, ervaringswerkers — Literatuuronderzoek over de effectiviteit van vroegsignalering en het bereik ervan — Volumeontwikkeling (bouwsteen 2) en bereik van onder gerepresenteerde subpopulaties Ic. Categoriseren van de — Werksessie met jeugdhulpprofessionals en jeugdpopulatie in doelgroepen wetenschappers = Literatuuronderzoek naar categorieën jeugdigen die gebruikmaken van jeugdhulp 1d. Structurele kosten door inzet _— Diepteonderzoek gemeenten op preventieve werkwijzeenop __— Interviews met experts/EffectenArena’s betere vroegsignalering — Literatuuronderzoek, o.a. Zorgkeuzes in Kaart: Analyse van beleidsopties voor de zorg van tien politieke partijen“? 2a. Duur tot effect van preventie — Werksessie met jeugdhulpprofessionals, beleidsmedewerkers, wetenschappers, ervaringswerkers — Diepteonderzoek gemeenten 2b, Duur tot effect van — Werksessie met jeugdhulpprofessionals, vroegsignalering beleidsmedewerkers, wetenschappers, ervaringswerkers — Diepteonderzoek gemeenten 2c. Meerdere cycli nodig in een — Uitvraag bij gemeenten lerend proces — Diepteonderzoek gemeenten — Literatuuronderzoek over transformaties in andere domeinen en over duur van beleidsveranderingen 3c. Investeringskosten en — Diepteonderzoek gemeenten transitiekosten — Literatuuronderzoek, o.a. Zorgkeuzes in Kaart: Analyse van beleidsopties voor de zorg van tien politieke partijen — Interview CPB b. Schattingen kunnen worden samengebracht door middel van datatriangulatie Uit bovenstaande bronnen komen uiteenlopende schattingen van de verwachtte effecten en tijdsduur van preventie en vroegsignalering. Deze kunnen worden samengevoegd door datatriangulatie op basis van de verschillende onderzoeksmethodes en waar nodig het extrapoleren van bevindingen voor het hele land. 2 https://www.cpb.nl/publicatie/zorgkeuzes-in-kaart-analyse-van-beleidsopties-voor-de- zorg-van-tien-politieke-partijen. GV572 111 Andersson Elffers Felix D Het effect van preventie en vroegsignalering Introductie Onderdeel van het onderzoek is de vraag: “Is er sprake van een boeggolf, en zo ja: hoe ziet deze eruit?” Hierbij verstaan we onder ‘boeggolf’ de tijdelijk hogere kosten die de transitie en transformatie naar een nieuwe werkwijze met zich meebrengen. In het analysekader (zie bijlage C Analysekader boeggolf) hebben we beschreven hoe we de vorm van de boeggolf kunnen benaderen door het structureel resultaat, de tijdelijke extra kosten en de tijdsduur van de transformatie te berekenen. In dit hoofdstuk vindt u een beschrijving en de uitkomsten van ons onderzoek naar het structurele resultaat van de transformatie — oftewel de vraag ‘is er sprake van een boeggolf?’ We beschrijven we onze aanpak, resultaten, conclusies, en de duiding hiervan. Vervolgens beschrijven we onze resultaten wat betreft de transitieduur en transitiekosten. Vooraf: we beperken ons tot de Jeugdwet In deze analyse beperken we ons tot de Jeugdwet. Dat betekent enerzijds dat we alleen kijken naar welke invloed gemeenten zelf op basis van de Jeugdwet hebben op het jeugdhulpgebruik. Anderzijds betekent dit dat we kijken naar de gevolgen van de activiteiten rondom jeugdhulp (inclusief sociale basisvoorzieningen) voor het jeugdhulpgebruik en de kosten daarvan. Uiteraard hebben meer inzet op preventie en vroegsignalering ook effect op andere overheidsuitgaven, zoals uitgaven binnen de Wmo, de Participatiewet en de Zorgverzekeringswet. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat budgettaire effecten van onderzochte interventies vaak groter zijn als er ook naar andere overheidsuitgaven wordt gekeken, £46566 Ook heeft effectieve inzet op preventie en vroegsignalering een positief effect 85 MKBA Nu niet zwanger 2019. 8 The Rate of Return to the High/Scope Perry Preschool Program, Heckman J, Moon S, Pinto R, Peter A. Savelyev P, Yavitz A, 2010, Journal of Public Economics, 94(1), p. 114-128. 6 Population cost-effectiveness of the Triple P parenting programme for the treatment of conduct disorder: an economic modelling study, Sampaio F, Barendregt J, Feldman |, Liee Y,‚ Sawyer M, Dadds M, Scott J, Mihalopoulos C., 2017, Euroean Child & Adolescent Psychiatry 27, p. 933-944. 66 The high societal costs of childhood conduct problems: evidence from administrative records up to age 38 in a longitudinal birth cohort, Rivenbark J, Odgers Cm Caspi A, Harrington H, Hogan S, Houts R, Poulton R‚ Moffitt T., 2018, Journal of Child Psychology and Psychiatry 59:6, p. 703-710. GV572 112 Andersson Elffers Felix op het welbevinden van kinderen en ouders, wat ook breder gezien tot maatschappelijke baten leidt, zowel op korte als op lange termijn. Aangezien het doel van dit onderzoek is om de kosten van de Jeugdwet te kwantificeren, zijn besparingen in andere domeinen en brede maatschappelijke baten geen onderdeel van deze analyse. Bij afwegingen over het budget is het uiteraard wel van belang om de maatschappelijke kosten en baten van preventie en/of vroegsignalering mee te wegen. Structureel resultaat transformatie - kunnen we spreken van een boeggolf? Verwachting: preventie en vroegsignalering leiden tot structurele besparing De beleidstheorie waarop de Jeugdwet is gebaseerd, voorspelt dat betere preventie en vroegsignalering op termijn zullen leiden tot een afname van (zware) jeugdhulp en daarmee tot een besparing van jeugdhulpkosten. Uiteraard kosten betere preventie en vroegsignalering niet alleen tijdelijk, maar ook structureel meer geld. In dit onderzoek hebben we geprobeerd inzichtelijk te maken in hoeverre de structurele baten opwegen tegen de structurele kosten. Dit hebben we gedaan door eerst de vraag te stellen wat er nodig is voor effectieve inzet op preventie en vroegsignalering, en vervolgens te onderzoeken wat het resultaat daarvan zou zijn. Ons onderzoek bestond uit (groeps)interviews met experts, literatuuronderzoek, vragen in de enquête onder gemeenten en aanbieders, en een analyse van de effectiviteit van diverse bewezen effectieve interventies op basis van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi, die inzetten op preventie en/of vroegsignalering. Wat is nodig voor effectieve inzet op preventie en vroegsignalering? Inzet op preventie en vroegsignalering vraagt het opzetten van een sterke basis en het inzetten van de juiste interventies Als eerste hebben we op basis van literatuuronderzoek en in samenspraak met diverse experts opgesteld wat er nodig is om preventie en vroegsignalering goed in te richten binnen gemeenten.” Hieruit kwamen twee hoofdthema's: het opzetten van sterke basis en het inzetten van de juiste interventies, De belangrijkste elementen binnen deze thema’s zijn in de tabel hieronder weergegeven. sr Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en aanpak, Yperen T van, Maat A van der, Prakken J., 2019, Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. 8 Opkomen voor een effectievere jeugdhulp, Yperen T van, & Gorissen W., 2018, Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. © De kracht van wijd reiken. Advies om de transformatie van de jeugdhulp te laten slagen, VNG Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht, 2020. GV572 113 Andersson Elffers Felix = Aanwezig zijn in de natuurlijke omgeving Integrale aanpak met inzet op universele en = Algemene informatiekanalen voor burgers _ selectieve preventie, en vroegsignalering in het = Deskundigheid aan de voorkant, gerichtop kader van signaleren wanneer geïndiceerde normaliseren en goede signalering preventie of behandeling nodig is: =— Inzetten op beschermende factoren — Universele interventies, e.g. Taakspel en bevorderen, en zo zelfredzaamheid van PAD gezinnen vergroten =— Gericht aanbod met effectieve interventies =— Stimuleren samenwerking onderwijs, aan specifieke groepen, waaronder WE/kinderopvang, JGZ, lokale teams = KOPP/KVO, waaronder trauma bij ouders gemeente = Gezinnen waar risico is op =— Monitoring kindermishandeling = Goede analyse van jeugdhulpgebruik en = Andere risicogroepen, zoals oorzakelijke factoren, om gerichte inzet van gedragsproblemen, angststoornissen, preventie en vroegsignalering te verbeteren depressie — Effectiviteitsonderzoek (maatschappelijken — Peer-to-peer interventies, e.g. Centering financieel) van interventies Pregnancy & Parenting en Home-start De sterke basis is vooral een randvoorwaarde voor de inzet van interventies: op zichzelf heeft deze nog weinig tot geen effect op het jeugdhulpgebruik, Om een voorbeeld te noemen: het aanwezig zijn in de natuurlijke omgeving of betere samenwerking kan ervoor zorgen dat problemen vroeger gesignaleerd worden, maar deze observatie verandert op zichzelf nog niets, als er niet vervolgens ook effectief geïntervenieerd kan worden. Het structurele effect op jeugdhulpvolume wordt daarmee naar verwachting vooral door de effectieve interventies bepaald. Wel kan er door bevorderen van beschermende factoren, analyse van onderliggende oorzaken van jeugdhulpgebruik en verder effectiviteitsonderzoek naar interventies nog verdere winst worden behaald. Gezien er hierover onvoldoende gegevens bekend zijn om dit te kwantificeren en dit langere termijn mogelijkheden betreft, laten we dit in deze analyse buiten beschouwing. De sterke basis beperkt zich niet tot Jeugdwet De experts benadrukten ook het belang van een domeinoverstijgende benadering. Ze noemden voorbeelden als kinderopvang vrijtoegankelijk en een basisvoorziening maken, het inrichten van brede ‘scholen’ waar opvang bij zit en die een pedagogische basis vormen voor kinderen tussen de 0 en 16 jaar, het versterken van sociale netwerken buiten professionals om, het inzetten op preconceptiezorg en ondersteunen van kwetsbare zwangere vrouwen, en het verminderen van kwetsbaarheid van gezinnen door bijv. schulden. De effectiviteit van preventie en vroegsignalering wordt zeer wisselend ingeschat Door versterkte inzet van sociale basisvoorzieningen, vroegsignalering en beschikbaarheid van passende interventies zullen lichte problemen zich minder vaak ontwikkelen tot problemen die jeugdhulp vereisen. In (groeps)interviews met experts van het NJi, NCJ, Trimbos, en onderzoekers uit het veld van de publieke gezondheid, kansrijke start en jeugd-GGZ, vroegen we de aanwezigen een inschatting te maken van de mogelijke afname in jeugdhulpgebruik als gevolg van versterkte inzet preventie en vroegsignalering. Hieruit kwam als eerste naar voren dat er weinig bekend GV572 114 Andersson Elffers Felix is over de verwachtingen van het effect van goede preventie en vroegsignalering op langere termijn op het volume van jeugdhulp. Denemarken wordt vaak aangehaald als voorbeeld van een effectieve transformatie, maar hiervan zijn geen duidelijke kwantitatieve resultaten beschikbaar. De gesproken experts gaven aan dat een inschatting maken moeilijk is. Er zaten dan ook grote variaties in de inschattingen, met inschattingen tot wel 80% voor de afname van lichte jeugdhulp. Bij deze bovengrens bleek echter de aanname gedaan te zijn dat alle kinderen naar kinderopvang en brede scholen zouden gaan. Als alleen naar preventie en vroegsignalering binnen het gemeentelijk domein werd gekeken, werden inschattingen gemaakt tussen de 20 — 40% afname van lichte jeugdhulp, en 0 — 25% afname van zware jeugdhulp. In het algemeen verwachten experts dat goede preventie en vroegsignalering meer effect heeft op lichte jeugdhulp dan op zware jeugdhulp. De onderbouwing hiervan was dat jeugdigen die zware jeugdhulp ontvangen veelal echt professionele hulp nodig hebben en dat de problemen voor een aanzienlijk deel van deze jeugdigen moeilijk te voorkomen zijn met preventie of vroegsignalering in een eerder stadium. Aanbieders gaven in de enquête aan weinig zicht te hebben op hoeveel jeugdhulp door preventie en vroegsignalering voorkomen kon worden. Waar de vraag wel beantwoord was, was de aanbieder het over het algemeen eens met de schattingen van de experts. Daarnaast geeft een (soms nog groter) deel aan niet te weten of niet in te kunnen schatten wat het structurele effect zal zijn. De afname die ingeschat werd door experts, zou significante besparingen opleveren. Tegelijkertijd is deze omgeven door grote onzekerheden. Daarom hebben we een andere manier gezocht om de potentiële effecten van preventie en vroegsignalering te onderzoeken. Analyse van de effectiviteit van bewezen effectieve interventies Zoals eerder besproken onder het kopje “Wat is nodig voor effectieve preventie en vroegsignalering?’ is het voorkomen van jeugdhulpgebruik via preventie en vroegsignalering voornamelijk afhankelijk van de inzet van de juiste interventies. Naast het bevragen van experts op de effecten hebben we daarom in het onderzoek de effectiviteit van interventies geanalyseerd. Daarvoor hebben we gekeken naar de bewezen effectieve interventies (voor preventie en vroegsignalering) in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi. We hebben hierbij de interventies geselecteerd met het label ‘effectief volgens goede aanwijzingen’ of ‘effectief volgens sterke aanwijzingen’. Bewezen effectieve interventies zijn uiteraard niet de enige ‘effectieve’ interventies die in Nederland in de jeugdzorg worden toegepast: van een groot deel van de nog niet onderzochte interventies is nog niet bekend wat de effectiviteit is. Ter illustratie: naar schatting zijn er 1.500 interventies op het terrein van jeugd en opvoeding, waarvan er in 2012 maar 1á 5 % op effectiviteit was onderzocht met gedegen wetenschappelijk onderzoek (Boendermaker et al, 2007'% Veerman, 20121), De effectieve interventies in de Databank van het NJi zijn dus maar een tipje van de sluier van alles wat er momenteel in Nederland gebeurt op het vlak van 7 Programmeringsstudie Jeugdzorg, Boendermaker L, Harder A, Speetjens P, Pijll M van der, Bartelink C, & Erverdingen J van, 2007, Utrecht / Groningen: Nederlands Jeugdinstituut / Rijksuniversiteit Groningen. 1 Percentage effectieve interventies in de Nederlandse jeugdzorg. Een gecontroleerde schatting, Veerman J., 2012, Nijmegen: Praktikon. GV572 115 Andersson Elffers Felix preventie en vroegsignalering. Het is echter niet waarschijnlijk dat nog niet bewezen interventies gemiddeld effectiever zullen zijn dan de tot nu toe erkende en bewezen effectieve interventies die in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi staan. Het effect van interventies Voor elk van de effectieve interventies in de Databank van het NJi staan de belangrijkste resultaten van de interventie voor deelnemende jeugdigen en ouders beschreven. Daarbij wordt vaak ook omschreven hoe groot het effect is, De effectiviteit van de interventie op deze metingen wordt (waar bekend) beschreven met per effect een Cohen’s d: een gestandaardiseerde maat om aan te geven hoe sterk het effect van een interventie is. Wiskundig kan Cohen's d omschreven worden als het gemiddelde effect ten opzichte van de spreiding in het effect tussen cliënten. In het kader hieronder is een voorbeeld opgenomen van hoe over de effectgrootte gerapporteerd wordt, Voorbeeld: interventie Dappere Dino’s - Effectief volgens goede aanwijzingen Volgens de beschrijving van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi zijn er 3 Nederlandse onderzoeken uitgevoerd naar de effectiviteit van Dappere Dino's. “Volgens moeders van deelnemende kinderen leek hun probleemgedrag minder te worden tussen de voor- en nameting (M =-2.25, SD = 4.94, p =.06; d= 0.33). Ook was er een positieve trend zichtbaar in de rapportage door moeders over het positief functioneren van de kinderen tussen de voor- en nameting. Het functioneren van hun kinderen leek vooruit te zijn gegaan (d=0.39) [.…]. Volgens rapportage door de trainers verbeterde het positief functioneren (d =1.03) en verminderde de totale gedragsproblemen (M= -4.00, SD =7.41, p= 02) van de kinderen in Dappere Dino's aanzienlijk. 61% van de kinderen liet een duidelijke verbetering zien in algeheel functioneren (RCI > 1.96)” “Moeders zagen een positieve reactie bij hun kind en vonden dat hun kind positief veranderd was na Dappere Dino's. Trainers werkten graag met het programma. Bovendien waren verschillen te zien tussen voor- en nameting op positief functioneren van de kinderen (toegenomen; gerapporteerd door trainers (d = 0,61) en door moeders (d = 0,50)) en op problematiek van de kinderen (emotionele problemen, gedragsproblemen, totale problemen afgenomen; gerapporteerd door trainers (d = 0,33 - 0,49), door leerkrachten (d = 0,21 — 0,41) en door moeders (d = 0,50 — 0,76)).” * Vergelijking van de scores voor positief functioneren zoals gerapporteerd door trainers met de GLEF (vragenlijst, red.), duidden op een afname van problemen (d= 0,35) en een toename van competenties (d = 0,66) tussen de voor- en nameting in de experimentele groep. Ook totaal positief functioneren van kinderen in de experimentele groep zoals gerapporteerd door trainers met de GLEF was na deelname significant gestegen (d= 0,76). Kinderen hadden na deelname significante afnames in emotionele problemen (d = 0,32) gedragsproblemen (d 72 Child adjustment in divorced families: Can we successfully intervene with Dutch 6- to 8- year-olds? Feasibility study Children of Divorce Intervention Program (CODIP) in the Netherlands, Klein Velderman M, Pannebakker F, de Wolff M‚ Pedro-Carroll J, Kuiper R, Vlasblom E & Reijneveld S., 2011, Leiden: TNO. 5 Dappere Dino's: interventieprogramma voor kinderen van 6-8 jaar van gescheiden ouders, Klein Velderman M, Pannebakker F., 2014, Eindrapportage Dappere Dino’s Leiden: TNO. GV572 116 Andersson Elffers Felix = 0,32) en totale problemen (d = 0,44). Kinderen in de Dappere Dino’s groepen lieten bovendien een significante toename zien van welbevinden na deelname (op basis van moeder-, vader- en trainer-rapportage; d= 0,75, 0,77 en 0,73). Verbeteringen in functioneren van de kinderen werden niet teruggevonden in de vergelijkingsgroepen.” * Effecten gevonden in interventiestudies op specifieke doelgroepen kunnen niet één op één vertaald worden naar voorkomen jeugdhulptrajecten: — Een beschreven gedragseffect heeft niet direct effect op het jeugdhulpvolume. Zoals te zien in bovenstaand voorbeeld wordt de effectiviteit van de interventie beschreven voor specifieke metingen van gedrag, gevoel, competentie of gerapporteerde vermindering van bepaald gedrag door ouders of docenten, Zo werd voor Dappere Dino’s zowel de effectiviteit bepaald op gerapporteerd gedrag door ouders/trainer/leerkracht als op gemeten emotionele- en gedragsproblemen. Een gemiddelde afname van een divers scala aan klachten betekent echter niet direct dat een jeugdhulptraject voorkomen wordt: in veel gevallen blijven waarschijnlijk nog klachten bestaan waarvoor jeugdhulp nodig/gewenst is. — Eriseen grote variatie in effectiviteitsstudies, Aansluitend op bovenstaand punt, worden er naast verschillende metingen voor het bepalen van effectiviteit ook verschillende onderzoeksmethodes gehanteerd. Zo wordt gebruik gemaakt van verschillende typen controlegroepen (zowel met gebruikelijke hulp - care as usual - als controlegroepen zonder hulp, bijvoorbeeld op de wachtlijst). Dit maakt het soms lastig om onderzoeken tegen elkaar af te wegen. — De theoretische effectiviteit is niet gelijk aan de effectiviteit in de praktijk. In een onderzoek is er vaak sprake van deskundige en gemotiveerde trainers, een populatie die voldoet aan de inclusiecriteria en daarmee relatief homogeen is, en een selectiebias doordat ouders en/of jeugdige gemotiveerd zijn om mee te doen aan dit onderzoek. In de praktijk komt het vaak voor dat de trainers minder ervaring hebben met de geboden interventie, de groep heterogener is en ouders/jeugdigen onder andere omstandigheden meedoen met de geboden interventie. Ook als er een contra-indicatie is voor de interventie, kan het in de praktijk immers wel wenselijk zijn om een jeugdige deel te laten nemen, bijvoorbeeld omdat er geen alternatief is, Dit leidt bij veel interventies tot een lagere effectiviteit in de praktijk. Soms is er sprake van een implementatie onderzoek, waarbij de effecten doorgaans ook iets lager uitvallen qua effectgrootte. — Vertaling van de effecten naar de langere termijn is moeilijk. Veel van de effecten zijn relatief kortdurend danwel het onderzoek heeft maar korte follow-up (doorgaans maximaal 6 maanden). Mogelijk is er op langere termijn alsnog noodzaak kan voor een jeugdhulptraject bijvoorbeeld als er slechts tijdelijk herstel optreedt. Naast de algemene methodologische kanttekeningen bij de (duurzame) effectiviteit van interventies in de praktijk, speelt voor dit onderzoek nog een belangrijke onzekere factor mee: niet alle jeugdigen ontvangen jeugdhulp voor de problematiek die zij hebben. Van de jeugdigen die deelnemen aan de interventies naar aanleiding van preventie of vroegsignalering zou een deel ook in de toekomst niet in jeugdhulp beland zijn. De verschillende doelgroepen van een interventie zijn geïllustreerd in figuur 39. % Preventie van psychosociale problematiek als gevolg van (echt)scheiding: Onderzoek naar de effectiviteit van preventieve groepsinterventie Dappere Dino's voor kinderen van 6- 8 jaar, Klein Velderman M, Pannebakker F., e.a. 2017, ZonMw Eindverslag dossier 531005009. GV572 117 Andersson Elffers Felix voorkomt jeugdhulp Pa) beland zijn 8 > nog steeds nodig 0 : rn nog steeds jeugdhulp nodig T 0 beland zijn 5. Problematiek zou anders niet of te hoge drempel) Figuur 39. Bij maar een deel van de deelnemers aan een interventie in het kader van vroegsignalering of preventie wordt een jeugdhulptraject voorkomen. Van de vijf bovenstaande groepen wordt alleen bij de eerste groep een jeugdhulptraject voorkomen, en bij de tweede groep is het mogelijk dat de kosten van het latere traject goedkoper zijn. Bij de andere drie groepen is de interventie niet effectief, zou de problematiek vanzelf overgaan of zou de problematiek niet gesignaleerd worden. De mate waarin preventie en vroegsignalering kosten besparen, is dus afhankelijk van de relatieve omvang van de eerste (twee) groep(en). In onderstaand kader is een voorbeeld uitgewerkt van angststoornissen. Voorbeeld: angststoornissen Angststoornissen zijn de meest voorkomende psychiatrische stoornissen in de kindertijd. Prevalentiecijfers variëren van 15 tot 20 % van de Nederlandse jeugdigen.’ Het overgrote merendeel van deze jeugdigen krijgt momenteel geen behandeling. Bij een deel van deze jeugdigen is er sprake van spontaan herstel na verloop van tijd. Bij een deel van de jeugdigen zijn de zichtbare en onzichtbare drempels tot jeugdhulp te groot en/of de klachten van de angststoornis worden onvoldoende herkend/erg gevonden om er hulp voor te zoeken. Als er een interventie wordt aangeboden in het kader van vroegsignalering om ernstigere problemen te voorkomen, nemen alle jeugdigen die met een angststoornis kampen hieraan deel, ongeacht of er sprake zou zijn van spontaan herstel of geen gebruik van jeugdhulp door zichtbare en onzichtbare drempels. De besparing van jeugdhulptrajecten die er plaats vindt door het effect van de interventie is alleen te behalen bij de groep jeugdigen met een angststoornis die met een hulpvraag in de jeugdhulp terecht waren gekomen. Er is weinig bekend over de grootte van deze groepen. Immers, deze groepen zijn juist niét in beeld. In onderzoek wordt vaak gekeken naar de Control Event Rate, wat het aantal cliënten is dat herstelt zonder behandeling. Voor angststoornissen bij jeugdigen hebben we hieronder enkele bevindingen benoemd. — Primaire angststoornis, controlegroep (wachtlijst) 28 kinderen, spontaan herstel na 8 weken: 6 %'® — Primaire of sociale of gegeneraliseerde angststoornis, controlegroep (wachtlijst) 28 ” Factsheet Cognitieve gedragstherapie voor kinderen met een angststoornis, VCGt, 7 Therapy for youths with anxiety disorders: a second randomized clinical trial, Kendall P‚, Flannery-Schroeder E‚ Panichelli-Mindel S, et al, 1997, J Consult Clin Psychol 65, p. 366- 380. GV572 118 Andersson Elffers Felix kinderen, spontaan herstel na 12 weken, 14 %77 — Angststoornis, controlegroep (wachtlijst) 35 adolescenten, spontaan herstel na 14 weken, 16 %’* Het gebruiken van een wachtlijst om spontaan herstel te meten is niet geheel gelijk aan geen behandeling, omdat er een verwachting van behandeling ontstaat. Als gevolg hier van valt het spontaan herstel zonder wachtlijst waarschijnlijk gelijk of hoger uit.” Daarnaast hebben bovenstaande drie onderzoeken maar een follow-up van maximaal 14 weken. Mogelijk treedt er na deze 14 weken nog spontaan herstel op. Over de groep die niet in jeugdhulp belandt vanwege zichtbare en onzichtbare drempels is qua omvang minder bekend, maar gezien de prevalentie van angststoornissen en het totale percentage jeugdhulpgebruik in Nederland (12%) is deze groep aanzienlijk. Onderstaand schetsen we een analyse zonder bovenstaande kanttekeningen. Dat is dus over het algemeen een zeer optimistische interpretatie van de werkelijkheid. Categorisering in doelgroepen De interventies geïncludeerd in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi hebben effect op verschillende en deels overlappende doelgroepen. Veelal hebben de interventies voor een deel dezelfde structuurelementen. Om deze reden hebben we gekozen om per doelgroep een grove indeling te maken naar type (jeugdhulp)problemen, in lichtere en ernstigere mate.” Per doelgroep hebben we de bewezen effectieve interventies voor preventie en/of vroegsignalering ingedeeld. De categorieën zijn: — externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD — angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen — onzekerheid, problemen op gebied van sociale vaardigheden en weerbaarheid — verslavingsproblematiek — opvoedvaardigheden — universele preventie, gericht op alle jeugdigen Deze categorieën zijn niet limitatief (ze bevatten overlap en niet alle psychische problemen worden door deze categorieën gedekt), maar hadden minimaal twee bewezen effectieve interventies om te onderzoeken. Vervolgens hebben we de analyse van de effectiviteit van studies en kosteneffectiviteit van de interventies uitgevoerd voor twee van deze doelgroepen: 1. Externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD. 2. Angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen. TT Cognitive-behavioral therapy for youth anxiety: An effectiveness evaluation in community practice, Villabg M, Narayanan M,‚ Compton S, Kendall P, Neumer S., 2018, J Consult Clin Psychol ;86(9), p. 751-764. 78 A randomized controlled trial examining the efficacy of an internet-based cognitive behavioral therapy program for adolescents with anxiety disorders, Stjerneklar S, Hougaard E‚ McLellan L, Thastum M., 2019, PLoS One.14(9):e0222485. 7 The use of waitlists as control conditions in anxiety disorders research, Patterson B, Boyle M, Kivlenieks M & Van Ameringen M., 2016, J. Psychiatr. Res. 83, p. 112-120. 50 Gebaseerd op de indeling van de interventiematrix van het NJi en de consortia van het ZonMW programma Effectief werken in de jeugdsector. Dit is andere indeling dan in het analysekader, omdat dit qua structuur beter aansluit bij de effectieve interventies. GV572 119 Andersson Elffers Felix We hebben voor deze twee doelgroepen gekozen, omdat voor jeugdigen die vallen onder (1) de meeste bewezen effectieve interventies met effectgrootte (in Cohen’s d) voor beschikbaar zijn in de databank van het NJi en de interventies voor jeugdigen die vallen onder (2) relatief effectief zijn, Bovendien zijn het beide doelgroepen die relatief vaak voorkomen in jeugdzorg. Uiteraard hebben we in onze analyse gecontroleerd of de resultaten voor deze doelgroepen op grote lijnen overeenkomen met de andere doelgroepen. Hieruit blijkt dat de gemiddelde effectgroottes en interventiekosten voor andere groepen in lijn zijn met de resultaten van de doelgroep externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD. Voor deze doelgroepen hebben we verder onderzocht hoe de structurele kosten en baten van de effectieve interventies tegen elkaar opwegen. Dit wordt hieronder verder beschreven. We maken hierin geen onderscheid tussen preventie en vroegsignalering, aangezien er diverse interventies zijn die zich op beide richten en het onderscheid vaak niet duidelijk te maken bleek. Voor de analyse van de effectiviteit van de interventies is het onderscheid niet relevant. Daarnaast verschillen de gerapporteerde effectgroottes tussen preventie en vroegsignalering over het algemeen weinig tot niet, uitzonderingen daargelaten. Berekenen van gemiddelde effectgrootte per interventie Wat is de effectiviteit van interventies gericht op preventie en vroegsignalering van externaliserende gedragsproblemen bij jeugdigen? Om tot het effect van de interventies op jeugdhulpgebruik te komen, hebben we gekeken naar de gerapporteerde effectgroottes per interventie. Voor de doelgroep ‘jeugdigen met externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD’, geeft dit de volgende lijst van bewezen effectieve interventies en hun effectiviteit (range en gemiddelde). Naam Interventie LE Max Gemiddelde Cohen’sd Cohen’sd Cohen'sd Dappere Dino’s 0,21 1,03 0,53 Betere Start 0,3 0,9 0,60 Incredible Years ® -0,83 1,24 0,26 Behavioral Parent Training Groningen groep (BPTG-G)®* 0,18 0,93 0,53 Ik kies voor zelfcontrole - - 0,31 Alles Kidzzz 0, 0,43 0,32 Agression Replacement Training (ART) 0,13 1,06 0,60 Minder boos en opstandig (MBO) % > 0,61 >1,07 > 0,84 Multisysteem Therapie (MST) >-0,12 >0,55 > 0,23 Gemiddelde van de interventies incl. MBO & MST Nvt Nvt 0,47 Gemiddelde van de interventies excl. MBO & MST Nvt Nvt 0,45 1 Gebaseerd op de gemiddelde effectgrootte gemeten op gedragsproblemen uit Menting A, Orobio de Castro B, & Matthys W. 2013. Effectiveness of the Incredible Years parent training to modify disruptive and prosocial child behavior: A meta-analytic review, Clinical Psychology Review, 33, 901-913. 82 De gegeven Cohen’s d's zijn het extra effect wat wordt gezien als deze interventie wordt aangeboden bovenop reguliere zorg. 8 De gegeven Cohen's d’s zijn in vergelijking met andere interventies. De gegeven waarden kunnen daarom gezien worden als een ondergrens. GV572 120 Andersson Elffers Felix Zoals te zien, variëren de gerapporteerde effectgroottes van de beschreven effecten van de interventies tussen de -0,83 en 1,24, en de gemiddelde effectiviteit van deze interventies tussen de 0,25 en de 0,84.5* De onderste twee interventies Minder boos en opstandig en Multisysteemtherapie worden ter vervanging van andere behandelingen aangeboden in de praktijk en pas als er sprake zijn van ernstige problemen. De gegevens die in de Databank effectieve jeugdinterventies van het NJI beschikbaar zijn van deze interventies, betreffen de effectiviteit in vergelijking met reguliere jeugdhulp. Om deze reden nemen we het gemiddelde van de interventies zonder deze twee jeugdhulpinterventies als voorbeeld verder in deze analyse. Wat is de effectiviteit van interventies gericht op preventie en vroegsignalering van angststoornissen bij jeugdigen? Voor de doelgroep ‘jeugdigen met angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen’, geeft dit de volgende twee bewezen effectieve interventies en hun effectiviteit (range en gemiddelde). We hebben alleen relevante effecten met een redelijk directe relatie met jeugdhulpgebruik meegenomen in het bereken van de gemiddelde effectgrootte, en effecten op bijvoorbeeld kwaliteit van leven achterwege gelaten. Naam Interventie LE Max Gemiddelde Cohen’sd Cohen’sd Cohen'sd VRIENDEN 0,32 0,81 0,57 Denken + Durven = Doen” 0,73 1,39 0,97 Gemiddelde van de interventies Nvt Nvt 0,77 Zoals te zien, variëren de gerapporteerde effectgroottes van de beschreven effecten van de interventies tussen de 0,32 en 1,39, en de gemiddelde effectiviteit van deze interventies tussen de 0,57 en de 0,97. Wat zegt die effectgrootte? Vertaling van effectgrootte naar Number Needed to Treat Om een eerste indicatie te krijgen van het mogelijke volume aan jeugdhulp dat voorkomen zou kunnen worden, is het vooral van belang om te weten bij hoeveel jeugdigen een interventie tot een effect leidt. Daarvoor kijken we naar de Number Needed to Treat (NNT). Dit is het aantal mensen dat de interventie moet ontvangen om bij één iemand het gewenste effect te bereiken. De NNT wordt in de medische wereld veel gebruikt. De NNT wordt bepaald door de combinatie van de effectgrootte (de eerder genoemde Cohen's d), met de Control Event Rate (CER): een maat voor hoeveel jeugdigen zonder interventie ook vanzelf hersteld zouden zijn. Onderstaand kader legt uit hoe de NNT samenhangt met de Cohen's den de CER. 8 Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een bewezen effectieve behandelmethode voor angststoornissen. Twee meta-analyses laten een gemiddelde effectgrootte zien van CGT bij jeugdigen met een angststoornissen van 0.86 (In-Albon T, Schneider. 2007. Psychotherapy of childhood anxiety disorders: A meta-analysis) en 0.68 (Ishikawa S, Okajima |, Matsuoka H en Sakano Y. 2007. Cognitive behavioral therapy for anxiety disorders in children and adolescents: A meta-analysis). 85 Denken + Durven = Doen is ook voor kinderen met ASS een effectieve interventie voor het behandelen van angststoornissen en heeft een vergelijkbare effectgrootte. GV572 121 Andersson Elffers Felix Bij de berekening van Cohen's d wordt de interventiegroep vergeleken met een Randomized Controle Group (RCT). Op basis hiervan wordt de Control Event Rate (CER) bepaald. De CER geeft aan hoe vaak het effect van de interventie (bijvoorbeeld verbetering/herstel) in deze controle groep plaatsvindt. Dus eigenlijk: hoeveel jeugdigen verbeteren/herstellen er uit zichzelf? De Number Needed to Treat hangt af van de CER. De CER wordt bepaald door de specifieke doelgroep, het type controlegroep en het specifieke ‘event’ dat gemeten wordt. Voor de interventies in de NJi databank is de CER meestal niet benoemd. Onderstaande grafiek laat zien wat de NNT is bij een Cohen’s d van 0,1-0,9 voor alle mogelijke CER waarden. 1 60 5 Vv E= 50 e E 40 ke) ® zZz 30 L____ 3 EO mmm = Z 0 ee 0,1 0,2 0,3 0,4 0,5 0,6 0,7 0,8 0,9 CER mmm (), | 0,2 mmm (),4 _—_—(),5 mm ),7 mmm (),3 Figuur 40 Number needed to treat (y-as) voor verschillende Cohen's d (legenda) en CER (x-as) waarden. De bewezen effectieve interventies voor externaliserende gedragsproblemen hebben doorgaans een effectgrootte van 0,3 tot 0,6, maar zelfs als we een uiterste waarde van 1 nemen en daarbij kijken naar de mogelijke waarden van de CER, komen we tot de conclusie dat de NNT in het meest gunstige geval 2,9 is (met een CER van 0,4 en een Cohen’s d van 1), en in het meest ongunstige geval 23% (met een CER van 0,9 en een Cohen’s d van 0,3). Wanneer we uitgaan van een wat meer realistische inschatting voor preventieve interventies van de Cohen’s den CER - een Cohen’s d van 0,45 en een CER tussen de 0,1 en 0,3 - komen we uit op een NNT tussen de 6 en de 10. Aangezien de gemiddelde effectgroottes en interventiekosten voor andere groepen in lijn zijn met de resultaten van de doelgroep externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD, gebruiken we deze doelgroep hierboven als illustratie, 8 Er zit hier een groot verschil tussen het meest gunstige en het minst gunstige scenario. Dat komt omdat we in het minst gunstige scenario rekenen met zowel een hele lage effectgrootte als de CER die het minst gunstige resultaat geeft, en voor het meest gunstige voor beide waarden de meest gunstige maat nemen. GV572 122 Andersson Elffers Felix Voor angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen komen we op basis van de twee bewezen effectieve interventies voor deze doelgroep op een maximale range van de NNT van 2,5 tot 14. Waarbij de gemiddelde Cohen’s d van 0,77 met een CER tussen de 0,1 -0,3 een NNT geeft tussen de 3 en de 5. Zoals eerder al genoemd zijn de interventies voor deze doelgroep relatief effectief, deze NNT’s kunnen dus als bovenrange gezien worden. Tegelijkertijd zijn dit, zoals eerder geïllustreerd, ook bij uitstek problemen waarvoor veel kinderen en jongeren nooit in jeugdhulp terechtkomen. De preventieve interventies voor de doelgroep externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD (excl. MBO en MST) liggen meer in lijn liggen met de gemiddelde effectiviteit van de interventies in de Databank bewezen effectieve interventies van het NJi, Een gemiddelde Number Needed to Treat ligt dus meer tussen de 6-10, Concreet betekent dit dat de bewezen effectieve interventies in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi gemiddeld op 6-10 jeugdigen moeten worden ingezet om bij één jeugdige het gewenste effect te hebben. Wat betekent dit voor kosten? Van Number Needed to Treat naar effect op de kosten Naast de gemiddelde effectgrootte van bewezen effectieve interventies, hebben we ook gekeken naar de gemiddelde kosten van de interventie per jeugdige. Onderstaande tabel toont de resultaten hiervan voor de eerdergenoemde interventies gericht op externaliserende gedragsproblemen. Dappere Dino’s € 600,- Betere Start € 5.000,- Incredible Years €1.887,50 Behavioral Parent Training Groningen groep (BPTG-G) €1.093,- Ik kies voor zelfcontrole € 936,- Alles Kidzzz €1.750,- Agression Replacement Training (ART) € 3.200,- Minder boos en opstandig (MBO) € 667,- Multisysteem Therapie (MST) € 15.534,- Gemiddelde van de interventies incl. MBO & MST°7 € 3.319,- Gemiddelde van de interventies excl. MBO & MST € 1.952,- Op basis van deze gegevens, en uitgaande van een gemiddelde NNT van 8 kan met een simpele berekening geconcludeerd worden dat een gemiddelde effectieve interventie netto alleen kosten bespaart als er een jeugdhulptraject van minstens € 16,000,- mee voorkomen wordt® (zie onderstaand blauwe kader voor verdere uitleg). 87 Zoals eerder benoemd worden de onderste twee aangeboden ter vervanging van andere behandelingen. Dit betekent dat deze interventies minder preventief worden ingezet. We nemen ze daarom in de verdere berekening niet mee in de gemiddelde kosten voor preventieve interventies, ®® Ter ondersteuning van het rekenvoorbeeld hebben we gekozen voor simpele getallen: bij gedragsproblemen een NNT van 8 en een prijs per interventie van €2.000—…. Correcter zou zijn om te rekenen met een NNT range van 6-10 en een gemiddelde prijs van €1.952,-. Hiervan zou de uitkomst een range zijn voor gedragsproblemen van € 11.712,- tot €19.520,-. GV572 123 Andersson Elffers Felix VRIENDEN € 900,- Denken + Durven = Doen” €2.751,- Gemiddelde van de interventies € 1.825,50 De tabel hierboven toont de gemiddelde interventiekosten per jeugdigen voor de doelgroep angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen. In deze categorie zijn de gemiddelde kosten van de interventie ongeveer € 2,000,- en is er een NNT van ongeveer 3-5. Dit betekent dat gemiddelde effectieve interventie voor angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen netto alleen kosten bespaart als er een jeugdhulptraject van minstens € 8.000,- mee voorkomen wordt®® (zie onderstaand blauwe kader voor uitleg). Belangrijk om te benoemen is dat bij angststoornissen, waar deze twee interventies zich op richten, trajecten relatief vaker enkelvoudig zijn, mogelijk vaker spontaan herstel kennen en doorgaans niet leiden tot gebruik van jeugdhulp met verblijf, Het is daarmee de vraag of ondanks de hogere effectiviteit van deze trajecten, de interventies kosteneffectief zijn binnen de Jeugdwet, omdat de bespaarde trajectkosten vermoedelijk lager liggen dan € 8.000 ,-. Onderstaand lichten we deze berekening als voorbeeld nader toe. Berekening: wanneer bespaart een interventie kosten? Voor een interventie kunnen we over het algemeen uitgaan van: — Kosten per jeugdige van ongeveer €2,000,- — Een NNT van 8, oftewel 8 jeugdigen moeten de interventie krijgen om op 1 jeugdige effect te hebben De totale kosten van de hoeveelheid interventies die nodig zijn om het gedrag van één jeugdige te verbeteren zijn dus 8*€ 2.000,- = € 16.000,- Het is nog een grote stap van ‘verbetering van gedrag’ naar ‘voorkomen van een jeugdhulptraject: het gedrag is bijvoorbeeld gemeten direct na het traject, terwijl gedragsverandering notoir lastig vast te houden is. Daarnaast zegt een verbetering nog niet of een verbetering groot genoeg is om geen jeugdhulp meer nodig te hebben. Het is ook denkbaar dat er alsnog jeugdhulp nodig is, maar een lichter traject. In de praktijk zullen prijzen van voorkomen jeugdhulptrajecten dus nog hoger moeten zijn dan € 16.000 om met effectieve interventies de jeugdhulpkosten omlaag te brengen. Bij brede inzet op preventie is dus een investering van gemiddeld € 16.000,- benodigd om te leiden tot afname van klachten/verbetering van gedrag bij één jeugdige. Dit bespaart dus alleen kosten in de Jeugdwet als een gemiddeld voorkomen (deel van een) jeugdhulptraject meer dan € 16.000,- kost en iedere gedragsverbetering/klachtenafname leidt tot het voorkómen van een jeugdhulptraject. 59 De kosten voor Denken + Durven = Doen liggen bij jeugdigen met ASS hoger, rond de € 7.638,- per jeugdige. ° Ter ondersteuning van het rekenvoorbeeld hebben we gekozen voor simpele getallen: bij angstproblemen een NNT van 4 en een prijs per interventie van € 2.000,-. Correcter zou zijn om te rekenen met een NNT range van 3-5 en een gemiddelde prijs van € 1.825,50. Hiervan zou de uitkomst een range zijn voor angstproblemen van € 5.476,50 tot € 9.127,50. GV572 124 Andersson Elffers Felix Het probleem van de selectie Er zijn dus interventies met een relatief hoge effectiviteit, die voor de desbetreffende doelgroep waar de interventie op gericht is, kosteneffectief zijn binnen de Jeugdwet. Dit zijn echter specifieke interventies, en bij een deel hiervan bestaat het risico dat er een latente vraag aangeboord wordt, waardoor er wel kinderen en jongeren geholpen worden, maar geen jeugdhulptrajecten worden voorkomen. De reden dat de kosten van preventie (of preventieve interventies naar aanleiding van vroegsignalering) zo hoog oplopen, is een selectieprobleem: op voorhand is niet duidelijk bij welke jeugdigen problematiek vanzelf over gaat en bij welke niet. In de onderzoeken van effectieve interventies is dit meegenomen: bij iedere interventie is beschreven voor welke jeugdigen hij geschikt is, en wat de contra-indicaties zijn. De NNT is dus gebaseerd op de ideale situatie dat alle kinderen die de interventie krijgen aan de selectiecriteria voldoen: we weten eenvoudigweg niet hoe de selectie beter kan dan dit. Kosteneffectiviteit binnen de Jeugdwet is gemakkelijker te bereiken wanneer het zwaardere jeugdhulptrajecten zijn die voorkómen worden . Het overgrote deel van de jeugdhulp is ambulant (90,4% o.b.v. 2019) en daarmee relatief lager qua kosten. In de praktijk is het moeilijk om al vroeg te herkennen welke jeugdigen uiteindelijk zwaardere jeugdhulp nodig hebben. Dit lukt beter naarmate jeugdigen ernstigere problematiek hebben en er niet zozeer sprake is van preventie, maar hooguit van vroegsignalering. Het verschil tussen de kosten van de geboden interventie en anders geboden jeugdhulp is dan echter doorgaans ook kleiner, Concluderend, hoe ernstiger de problemen en des te zwaarder de benodigde jeugdhulp, hoe meer kans dat de problematiek niet vanzelf overgaat, maar het verschil tussen de geboden interventie en de gemiddelde kosten van de reguliere jeugdhulptrajecten is in dat geval vaak ook kleiner. Er zijn dus voorbeelden waarbij preventie en vroegsignalering kostenbesparend werken, maar dat is alleen het geval als het mogelijk is om kinderen en jongeren te selecteren die zonder de interventie met een grote kans in jeugdhulp terechtgekomen waren, en de interventie een relatief hoge effectiviteit heeft. Dat betekent uiteraard niet dat effectieve interventies niet zinvol zijn, puur dat ze veelal niet leiden tot een besparing binnen de Jeugdwet. Als gekozen wordt tussen een effectieve interventie en een niet-effectieve interventie, zal de eerste vanzelfsprekend betere resultaten opleveren. Hoewel effectieve interventies als preventief instrument in veel gevallen de kosten verhogen, kunnen ze wel een besparing opleveren als ze fungeren als substitutie voor een minder effectief jeugdhulptraject. Goede preventie en vroegsignalering gaat ook gepaard met structurele kosten voor de sterke basis De precieze structurele kosten zijn afhankelijk van de gekozen aanpak voor de transformatie. Deze aanpak is niet vastgesteld in de Jeugdwet en valt onder beleidsvrijheid van gemeenten. Conform wat er nodig is voor het mogelijk maken van een sterke basis, zitten er structurele kosten verbonden op zowel gemeentelijk als landelijk niveau aan — het faciliteren van algemene informatiekanalen voor burgers; — het stimuleren van samenwerking tussen onderwijs, VVE/kinderopvang, JGZ, lokale teams en gemeenten; — het faciliteren van goede monitoring; — onderzoek doen naar oorzakelijke factoren van jeugdhulpgebruik en — effectiviteitsonderzoek van interventies. GV572 125 Andersson Elffers Felix Dit hebben we in dit onderzoek niet verder doorgerekend, maar komt nog bovenop de kosten van de interventies zelf, Conclusie De breed gedeelde verwachting was dat inzet op preventie en vroegsignalering op termijn zal zorgen voor een kleiner jeugdhulpvolume en daarmee tot een structurele besparing binnen de Jeugdwet. Ook was het uitgangspunt dat deze besparing groter is dan de extra kosten waarmee preventie en vroegsignalering gepaard gaan. Op basis van een analyse van bewezen effectieve interventies blijkt dat dit in de praktijk onhaalbaar is als wordt gekeken naar de kosten en financiële baten binnen de Jeugdwet. Dit komt omdat interventies maar voor een klein deel van de jeugdigen die de interventie ontvangen, leiden tot het voorkómen van een jeugdhulptraject. Hieruit volgt dat de meeste interventies alleen kosteneffectief zijn, als de prijs van de interventie naar verhouding veel lager is dan de kosten van het voorkómen jeugdhulptraject, en er voor een relatief groot gedeelte van de jeugdigen een jeugdhulptraject voorkomen wordt. Vanzelfsprekend zijn er specifieke interventies (voor specifieke doelgroepen) waarvoor dit het geval is, maar deze zijn meer uitzondering dan regel. Over het algemeen hebben preventie en vroegsignalering eerder een kostenopdrijvend effect binnen de Jeugdwet, omdat een latente vraag wordt aangeboord en omdat er relatief veel jeugdigen behandeld moeten worden om er bij één tot een effect te leiden. Dit betekent niet dat preventie en vroegsignalering niet werken of niet waardevol zijn, puur omdat ze binnen de Jeugdwet niet direct tot een kostenbesparing leiden. Ze hebben een positief effect op het welzijn en de ontplooiingsmogelijkheden van jeugdigen. Ook is hiermee niet gezegd dat de interventies financieel niets opleveren. Als er wordt gekeken naar langere termijneffecten van deze interventies in de andere wettelijke kaders, kunnen de interventies vermoedelijk wel tot een besparing leiden. Deze financiële baten vallen echter grotendeels niet bij gemeenten. De transitieduur en kosten De transformatie vraagt van gemeenten onder andere het ontwikkelen van nieuw effectief jeugdbeleid, een nieuwe werkwijze, nieuwe samenwerkingen en een nieuwe infrastructuur. Gemeenten hebben in de transformatie met trial en error geprobeerd om hun beleid zo goed mogelijk in te richten. Hiervoor hebben gemeenten meerdere cycli nodig in een lerend proces (zie ook het stuk over de PDCA-cycli in het analysekader boeggolf). Vooraf Een kanttekening bij deze analyse van de transitieduur is dat het oorspronkelijk beoogde doel van het in beeld brengen van de transitieduur was, om te kijken wanneer verwacht kan worden dat het gemeenten lukt om hun beleid in de Jeugdwet middels preventie en vroegsignalering kosteneffectief in te richten. Het blijkt niet mogelijk om binnen de Jeugdwet met preventie en vroegsignalering een kostenbesparing te bewerkstelligen. Tegelijkertijd willen we wel een voorzichtige inschatting doen van de tijd die gemeenten nodig hebben om een transitie als deze adequaat in te richten zodat het opgezette beleid leidt tot de gewenste effecten. GV572 126 Andersson Elffers Felix We hebben in interviews met experts, gemeenten en aanbieders, en in een enquête onder gemeenten, onderzocht hoe lang het gemeenten gemiddeld kost om tot effectief jeugdbeleid te komen. Daarnaast hebben we de transitiekosten bepaald op basis van het onderzoek Zorgkeuzes in Kaart. Beide analyses beschrijven we hieronder, te beginnen met de transitieduur, Uitkomsten transitieduur De meeste gemeenten hebben er al één of meer grote beleidsveranderingen opzitten, en het overgrote deel verwacht nog grote beleidsveranderingen te maken. Om te komen tot effectief beleid maken gemeenten grote en kleinere aanpassingen in hun beleid. Gemeenten doorlopen hiervoor doorgaans een lerende cyclus, waarbij ze een aanpassing vormgeven, uitvoeren, de effectiviteit ervan monitoren en vervolgens evalueren of het beleid tot het gewenste effect geleid heeft (de Plan-Do-Act-Check-cyclus). Doorgaans implementeren gemeenten een grote beleidsverandering (bijv. het implementeren van een nieuw bekostigingsmodel, of een volledig andere inrichting van de gemeentelijke toegang tot de jeugdhulp), en maken hier vervolgens kleine/middelgrote aanpassingen (bijv. het toevoegen van expertise aan de lokale teams, extra functies toebedelen aan de lokale teams, het ontwikkelen van een nieuwe preventieve voorziening, kleine wijzigingen in de aanbestedingsprocedure, verplaatsen inkoop van bepaalde zorgvormen van de gemeente naar de regio). Wanneer het ook met de aanpassingen niet mogelijk blijkt om de gewenste beleidsdoelstellingen te bereiken, komt een gemeente tot het besluit om weer een grote beleidsverandering vorm te geven. In de landelijke enquête hebben we gemeenten gevraagd aan te geven of ze sinds 2015 een grote beleidsverandering hebben doorgevoerd, én of ze voor de komende jaren nog grote beleidsveranderingen op de planning hebben staan. Zo’n 60% van de gemeenten 145 die deze vraag beantwoord hebben gaf aan sinds 2015 één of meer grote beleidsverandering(en) te hebben doorgevoerd. Hierbij gaven ze aan gemiddeld 3 tot 4 (gemiddeld 3,8) aanpassingen te doen. Zo’n 80% vulde in de komende 5 jaar nog een aanpassing op de planning te hebben staan. Hiervoor gaven ze als redenen dat het huidige beleid onvoldoende tot de gewenste effecten van de transformatie leidt (namelijk: een beweging naar meer jeugdigen in lichte en minder jeugdigen in zware zorg) en/of dat het huidige beleid tot ongewenste effecten leidt, zoals geen grip op aanbieders of kosten. Het beeld dat de transitie nog niet leidt tot het beter bereiken van kwetsbare doelgroepen, wordt in landelijke cijfers bevestigd door het feit dat achterstandsgroepen niet meer gebruik maken van jeugdhulp (zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume), terwijl dat wel een van de beleidsdoelstellingen was. Naast de landelijke enquête hebben we gemeenten in de diepteonderzoeken gevraagd hoeveel grote beleidsveranderingen gemeenten waarschijnlijk nodig hebben om de transformatie goed vorm te geven. Hun antwoorden wisselden tussen de 1 en de 3 (inclusief geplande grote beleidsveranderingen). Het kost zo’n 5-9 jaar voordat duidelijk is of een grote beleidsverandering het gewenste effect heeft. Uit de uitkomsten van de enquête blijkt dat gemeenten gemiddeld 3,5 jaar nodig hebben voor het plannen, ontwikkelen en in uitvoering brengen van een grote beleidsverandering 3,5 jaar (de Plan en Do). Gemeenten zien meestal de eerste effecten van hun beleid na ongeveer 1,7 jaar (de Check), alhoewel dit ook sterk afhangt van de beleidsverandering. In de praktijk betekent dit dat een PDCA-cyclus voor een grote verandering minimaal zo’n 5 jaar duurt. GV572 127 Andersson Elffers Felix Voor de kleinere beleidswijzigingen duur het plannen, ontwikkelen en in uitvoering brengen korter, namelijk doorgaans 1,25 jaar. Ervan uitgaande dat deze aanpassingen nodig zijn om het gewenste effect te bereiken zou een grote beleidswijziging met 3 aanpassingen wel zo’n 9 jaar kunnen duren. In de praktijk worden echter aanpassingen (en zelfs aanpassingen en grote beleidsveranderingen) vaak ook parallel aan elkaar gemaakt (zie ook figuur 34 in het analysekader). Realistischer is daarom om te zeggen dat het 5-9 jaar kan duren tot duidelijk is of een doorgevoerde grote beleidsverandering de gewenste effecten behaalt, afhankelijk van de specifieke situatie. De transitieduur wordt op basis van deze informatie geschat op minimaal 7 tot 14 jaar. In de enquête gaf 60% van de gemeenten aan de afgelopen 5 jaar een grote beleidsverandering te hebben doorgemaakt. Bovendien gaf 80% van de gemeenten aan de komende jaren nog een grote verandering te verwachten. Dit betekent dat gemeenten minimaal 1-2 grote beleidsveranderingen nodig hebben om tot adequaat jeugdbeleid te komen (mogelijk meer, dat is op dit moment in de transformatie nog niet te voorzien). Als we ervan uitgaan dat een gemeente gemiddeld 1,5 grote beleidsverandering nodig heeft, en dat het voor een grote beleidsverandering 5-9 jaar duurt voordat duidelijk is of de gewenste effecten behaald worden, dan kost het gemeenten 7,5-13,5 jaar om tot adequaat beleid te komen. Mogelijk is deze range een onderschatting, aangezien we op dit moment in de transformatie niet goed kunnen inschatten hoeveel cycli gemeenten nodig gaan hebben om de transformatie goed vorm te geven. Tegelijkertijd is het ook mogelijk dat gemeenten van elkaar leren, waardoor de transitie in de toekomst sneller gaat. Daarom lijkt het midden van de bandbreedte (10,5 jaar) op dit moment de meest realistische inschatting. Aangezien gemeenten al voor 2015 zijn begonnen met de transitie en het formuleren van beleid, rekenen we met 10 jaar vanaf 2015. Uitkomsten transitiekosten De transitiekosten voor de decentralisatie bedragen 1,5% van het totale jaarlijkse budget Aan iedere transitie zijn kosten verbonden. Bij deze decentralisatie zijn dat bijvoorbeeld het ontwikkelen van nieuw beleid, infrastructuur, productiviteitsverlies etc, De hogere uitvoeringskosten worden ingeschat aan de hand van een vastgesteld kengetal voor transitiekosten voor de volledige periode van de transitie, Het CPB heeft in 2015 en 2020 een inschatting gemaakt van de budgettaire effecten van verschillende transities in de zorg en Wmo. Deze macrobenadering komt met een kengetal van 1,5 % voor de jaren die de transitie duurt, wat afhankelijk is van de omvang van de transformatie. We hebben het onderzoek Zorgkeuzes in Kaart geanalyseerd om het vaste percentage voor transitiekosten te duiden in relatie tot de transitie in het jeugdstelsel. Op basis daarvan is geconcludeerd dat dit percentage ook gebruikt kan worden als inschatting voor de transitiekosten van de Jeugdwet. In dit onderzoek houden we daarom rekening met transitiekosten van 1,5% van 3.757 miljoen euro (het budget in 2015) dus 56 miljoen euro per jaar, gebaseerd op een transitieduur van tien jaar, gerekend vanaf de decentralisatie. Geleden verliezen van aanbieders vallen buiten dit percentage. De winsten/verliezen van aanbieders zijn ook buiten de scope van dit onderzoek, omdat het effect van deze winsten/verliezen op de kosten van gemeenten maar beperkt is en daarmee zeer slecht in beeld te brengen is, De veranderingen op het gebied van huisvestiging door de ambulantisering spelen een grotere rol bij deze transitie dan bij de transities die in het GV572 128 . Andersson Elffers Felix onderzoek Zorgkeuzes in Kaart zijn geanalyseerd, en waar de 1,5 % op gebaseerd is, Tegelijkertijd is hiervan nog niet duidelijk hoe dit zich gaat ontwikkelen en hangen de financiële consequenties onder andere samen met de ontwikkelingen in de vastgoedmarkt. GV572 129 Andersson Elffers Felix E Resultaten per maatregel Deze bijlage bevat de kwantitatieve en kwalitatieve uitkomsten van de maatregelen uit het onderzoek In deze bijlage worden per maatregel de volgende elementen besproken: — Beschrijving van de maatregel. Per maatregel zal er allereerst een beknopte beschrijving van de maatregel worden toegevoegd. — Beleidstheorie van de maatregel. Op basis van effectenarena’s en literatuuronderzoek blijkt dat een maatregel vaak op verschillende manieren invloed kan hebben op de kosten onder de Jeugdwet. Onder dit kopje worden deze verschillende manieren waarop een maatregel mogelijk kostenverlagend werkt kort beschreven. Dit noemen we de beleidstheorie per maatregel. Dit wordt schematisch weergegeven in de bijgevoegde doelenboom. — Verwachte omvang van de besparing. Per effect is opgenomen hoe het effect berekend wordt, en op basis van welke bronnen we tot een inschatting komen voor kengetallen en een bandbreedte hierin, Op basis van de genoemde inschattingen en de kengetallen is de berekening per effect gemaakt. Enkele noties voorafgaand aan de berekeningen delen we in de paragraaf hieronder. — Kwalitatieve effecten. In het diepteonderzoek, de werksessies en effectenarena’s die er in de afgelopen maanden zijn georganiseerd, zijn kwalitatieve effecten van maatregelen opgehaald. Ook is op basis van literatuur verder in beeld gebracht wat kwalitatieve effecten van bepaalde maatregelen zijn. We vatten hier samen wat de kwalitatieve effecten zijn per maatregel. Het wisselt of deze kwalitatieve effecten al werkelijk in de praktijk voorkomen, of verwacht worden. We hebben niet getoetst of alle kwalitatieve effecten ook overal daadwerkelijk voorkomen. — Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel. Om de beoogde financiële resultaten te behalen, moet er vaak aan een aantal randvoorwaarden voldaan worden. Na het bespreken van de kwalitatieve effecten zal er een overzicht worden gegeven van deze randvoorwaarden. Bij het analyseren van de effecten van de betreffende maatregel is ervan uitgegaan dat aan deze randvoorwaarden voldaan is. Als aan deze randvoorwaarden niet voldaan wordt, zullen de omschreven effecten zich mogelijk niet of niet volledig voordoen. — Risico’s van de maatregel. Als laatste zal er een overzicht van de risico’s van de maatregel worden gepresenteerd. Het kan hier gaan om financiële risico’s, maar ook andere significante risico’s, bijvoorbeeld op het gebied van doeltreffendheid of kwaliteit van de jeugdhulp, zullen worden benoemd. Enkele noties vooraf over de kwantificering van de effecten van de maatregelen Om te komen tot de verwachte omvang van de besparing per maatregel zijn de resultaten van het diepteonderzoek en de enquête onder aanbieders en gemeenten gecombineerd met andere bronnen om tot een inschatting van de verschillende effecten te komen. Ook is op basis hiervan de onzekerheid op deze uitkomsten bepaald. GV572 130 Andersson Elffers Felix In deze bijlage is per effect opgenomen hoe het effect berekend wordt, en op basis van welke bronnen we tot een inschatting komen voor kengetallen en een bandbreedte hierin. Op basis van de genoemde inschattingen en de kengetallen is de berekening per effect gemaakt. Uit het oogpunt van leesbaarheid hebben we de berekeningen niet expliciet opgenomen. Voorbeeld Op basis van het onderzoek schatten we in dat een effect betekent dat voor 40% van de jeugdigen die anders een jeugdhulptraject zouden hebben gekregen, dit traject niet meer nodig is. Dit traject had anders naar verwachting 2.000 euro gekost. We weten dat er in 2019 442.942 jeugdigen in jeugdhulp zaten. We berekenen het effect door 40% van 442.942 te nemen, en dat te vermenigvuldigen met 2.000 euro. In de tekst lichten we toe hoe we tot de inschattingen van 40% en 2,000 euro zijn gekomen; het aantal jeugdigen in jeugdhulp is te vinden in de kengetallen hieronder. De berekening nemen we niet op. Dit is uiteraard een versimpeld voorbeeld; in de meeste berekeningen houden we ook rekening met de onzekerheidsmarge. Die berekeningen zijn toegelicht in het eerdere memo over omgang met onzekerheden. Voor een aantal maatregelen bleek het kwantificeren van effecten van de maatregelen niet goed mogelijk. In de literatuur is er maar van een beperkt aantal effecten iets bekend, en ook gemeenten hebben de effecten van de beleidskeuzes die zij hebben gemaakt niet altijd onderzocht of gemonitord. Waar mogelijk hebben we deze lacunes opgevangen door bijvoorbeeld extra werksessies om tot expertinschattingen te komen. Wanneer we op basis van de onderzoeksmethoden niet tot een voldoende betrouwbaar beeld konden komen, hebben we dat aangegeven. We bespreken ook per maatregel de verwachte termijn waarop de eventuele besparing van een maatregel zich zal voortdoen. Hierin maken we onderscheid in drie categorieën: kort is een termijn van minder dan één jaar, middellang betekent een termijn van één tot drie jaar, en lang betekent een termijn van drie jaar of langer. In de bijlage wordt een aantal algemene kengetallen gehanteerd Een aantal kengetallen wordt in verschillende maatregelen gebruikt. Dit zijn algemene kengetallen. Met een deel van deze gegevens zijn geen inschattingen gemoeid, dus wordt er geen bandbreedte voor gehanteerd. Voor de leesbaarheid van deze bijlage hebben we deze in onderstaande tabel samengevat. Totaal aantal jeugdigen (<18 3.357.755 CBS StatLine jaar) 2019 Totaal aantal jeugdigen (<18 442.942 CBS microdata volumeontwikkeling jaar) in jeugdhulp 2019 GV572 131 Andersson Elffers Felix Percentage verwijzingen door 38,7 % CBS StatLine huisarts in 2019, op basis van gestarte trajecten? Percentage verwijzingen door 32,1 % CBS StatLine sociaal lokale teams in 2019, op basis van gestarte trajecten Ook omtrent het voorliggend veld zijn er aandachtspunten vooraf In een aantal maatregelen speelt het voorliggend veld een rol. De dynamiek van het voorliggend veld is anders dan die van de meeste andere effecten. Dit wordt veroorzaakt door twee aspecten: — Uit het diepteonderzoek blijkt dat het voorliggend veld vooral aanbodgestuurd is. Als er te weinig aanbod is, levert dit knelpunten op in de keten. Daarom investeren gemeenten wel in het voorliggend veld, maar er is geen directe relatie tussen de vraag en het aanbod. Een oorzakelijk verband tussen een maatregel en kosten voor het voorliggend veld is dan ook niet te geven. — Het tweede aspect dat het lastig maakt om benodigde investeringen in het voorliggend veld te kwantificeren, is dat ze breder zijn dan het sociaal domein. Voorzieningen als jongerenwerkers en een lokaal team zijn nog relatief gemakkelijk aan het sociaal domein te verbinden, maar gemeenten investeren ook in sportverenigingen, culturele activiteiten of bibliotheken. Voor dit soort activiteiten ligt het niet voor de hand om ze mee te rekenen met het jeugdbudget, maar voldoende aanwezigheid hiervan is net zo van belang als jongerenwerkers of een lokaal team. De afbakening van het relevante voorliggend veld is daarmee niet duidelijk. Kortom: als er geen voorliggend veld zou zijn, dan zou dat waarschijnlijk wel effect hebben op de jeugd. Aan de andere kant is het voorliggend veld zo breed, dat het niet mogelijk is om dit goed af te bakenen. Ook door het aanbodgedreven karakter is dit niet goed te kwantificeren. De stuurgroep heeft daarom besloten dat extra investeringen in het voorliggend veld niet gekwantificeerd worden in de rapportage. Daarbij willen we benadrukken dat dat niet betekent dat er niet in geïnvesteerd hoeft te worden. Het is van groot belang dat het voorliggend veld op orde is. Dit geldt echter niet alleen voor de kosten voor jeugdhulp, maar ook voor andere domeinen. In de praktijk betekent dat dat we in deze rapportage uitgaan van de aanwezigheid van een goed functionerend voorliggend veld, dat eventuele extra vragen naar aanleiding van maatregelen op kan vangen. Daarom rekenen we geen extra kosten voor het voorliggend veld naar aanleiding van maatregelen. “1 Bij het bepalen van het aantal verwijzingen door een bepaalde categorie hebben we het aantal verwijzingen in de categorie ‘verwijzer onbekend’ naar rato toegerekend aan de verschillende categorieën verwijzers. GV572 132 Andersson Elffers Felix Maatregel 1 Een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken Beschrijving van de maatregel Een Praktijk Ondersteuner Huisartsenzorg voor de jeugd (POH-jeugd) werkt op de locatie van een huisarts en kan laagdrempelig jongeren met lichte problemen zelf behandelen. Het gaat daarbij om jongeren die zich bij de huisarts melden met psychosociale problemen. Er zijn verschillende varianten mogelijk voor de verdeling van verantwoordelijkheid tussen huisarts en POH-jeugd en de financiering. Zo kan de verantwoordelijkheid voor de zorg die de POH-jeugd levert onder de huisarts vallen of onder de gemeente. In het eerste geval levert de POH-jeugd huisartsenzorg. Deze constructie is vergelijkbaar met een POH-GGZ, hoewel de POH-jeugd zich specifiek op jeugdigen richt. Een andere optie is dat de POH-jeugd betaald wordt door de gemeente voor het werk in (een) huisartspraktijk(en).® Een gedeelde financiering is ook mogelijk. We hebben wisselende verhalen gehoord over welke inrichtingsvorm de voorkeur heeft, zowel bij gemeenten als onder huisartsen. Voor het beschrijven en berekenen van het effect van de maatregel gaan we er vanuit dat de POH-jeugd gefinancierd wordt door de gemeente” en onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt. Daarnaast werken sommige huisartsenpraktijken met een POH-GGZ die ook gesprekken met jeugdigen met psychische problemen kan voeren voor vraagverheldering. Dit kan overlappen met de werkzaamheden van de POH-jeugd. In de praktijk betalen sommige zorgverzekeraars meerdere gesprekken, waarmee de grens met lichte behandeling een grijs gebied wordt. Omdat niet duidelijk is hoeveel jeugdigen in de praktijk gezien worden door een POH-GGZ en de invloed op het effect van de maatregel gering is uitgaande van vraagverheldering (en geen behandeling) hebben we hier in het onderzoek niet voor gecorrigeerd. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Erzijn uiteraard kosten omdat de POH-jeugd betaald moet worden. — De maatregel kan leiden tot minder verwijzingen door huisartsen doordat de POH-jeugd een deel van de problematiek zelf oplost. — Een POH-jeugd biedt mogelijk een laagdrempeligere vorm van zorg voor jeugdigen en ouders. Dit kan leiden tot een toename van signalering van zorgbehoefte, mogelijk zowel in de vorm van vroegsignalering als oversignalering. Vroegsignalering kan leiden tot een afname in lange en dure trajecten en tot meer gebruik van lichte jeugdhulp en sociale basisvoorzieningen, omdat escalaties worden voorkomen vanwege minder wachttijd. Oversignalering zal hier voornamelijk resulteren in meer jeugdigen die door de POH- Jeugd gezien worden; het financiële effect is dus onderdeel van de kosten POH-jeugd. — Door de specifieke expertise en kennis van de sociale kaart en contractering in de gemeente is de POH-jeugd beter in staat om jeugdigen direct naar de juiste plek door te verwijzen (naar specialistische aanbieders of juist naar een sociale basisvoorziening). 2 Deze manier van inrichting wordt soms ook anders genoemd dan ‘POH-jeugd’ omdat de geleverde zorg niet onder de verantwoordelijkheid van de huisarts valt. Gehanteerde termen zijn bijvoorbeeld ‘jeugdconsulent' of ‘ondersteuner jeugd’. Omdat we echter hebben gemerkt dat de term ‘POH-jeugd’ de herkenbare term is, hebben we die aangehouden. ° Er zijn ook POH’s-jeugd die vanuit de Zvw worden gefinancierd, maar hier heeft de gemeente niet altijd invloed op. GV572 133 Andersson Elffers Felix Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. Deel lichte ‚ En jeugdhulp Minder verwijzingen 1. Afname lichte overgenomen door vanuit huisarts jeugdhulp POH-jeugd 2. Afname lange, dure trajecten AA ger Fan NC daa) R R OVEN Minder escalaties 3. Toename lichte jeugdhulp / sociale basisvoorzieningen Invoering POH- jeugd 4. Afname lange, dure trajecten Betere verwijzingen Passendere hulp 5. Toename lichte(re) jeugdhulp / sociale basisvoorzieningen 6. Kosten POH-jeugd (beschikbaarheid incl. behandeling) Verwachte omvang van de besparing Voor effect 1 de afname van lichte jeugdhulp wordt gerekend met de volgende kengetallen. — Uit uitgebreid onderzoek naar POH’s-jeugd®* blijkt dat iets meer dan 40% van de kinderen die door de POH-jeugd gezien wordt niet doorverwezen wordt naar specialistische jeugdhulp. Diverse gemeentelijke onderzoeken en de enquête suggereren dat dit percentage iets hoger ligt.” Daarom hanteren we een bandbreedte van 40 — 50%. — De variatie in inschattingen lijkt sterk samen te hangen met de populatie van de POH- jeugd: sommige huisartsen sturen alle kinderen naar de POH-jeugd die zij zelf doorverwezen zouden hebben (dit was het geval in het bovengenoemde onderzoek), andere maken hier een selectie in, en weer andere sturen juist meer jeugdigen door. De bandbreedte van 40 - 50% geldt voor het geval dat de huisarts die jeugdigen doorverwijst naar de POH-jeugd die anders naar specialistische jeugdhulp verwezen waren. — Voor de gemiddelde prijs van een voorkomen traject worden in veel onderzoeken aannames gedaan die uitkomen rond de € 2800 - € 3000. In het enige onderzoek waar de bespaarde trajectprijs wel onderzocht is, komt deze echter uit op € 2326, een prijs die ook % Jeugdhulp bij de huisarts - Onderzoek naar inzet en effect van de Praktijkondersteuner Jeugd, Accare, Molendrift en Karakter, i.s.m. Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, 2019. 95 Er waren ook gemeenten die een lager percentage aangaven. De meeste hiervan zaten echter in de opstartfase, of gaven aan onvoldoende capaciteit ingezet te hebben. GV572 134 Andersson Elffers Felix door andere gemeenten herkend werd. We rekenen daarom met een bandbreedte van € 2100 - € 2500. Wat betreft vroegsignalering (effecten 2 en 3) blijkt uit het diepteonderzoek en aanvullende interviews dat huisartsen verschillend omgaan met doorverwijzingen naar jeugdhulp. — Erzijn huisartsen die zelf gesprekken voeren om problematiek te normaliseren. Bij twijfel verwijzen huisartsen over het algemeen echter door naar jeugdhulp. Daarmee zijn de effecten van vroegsignalering op escalatie verwaarloosbaar, — POH’s verwijzen vaker door naar het voorliggend veld. Zoals eerder opgemerkt kunnen de kosten hiervan niet gekwantificeerd worden. Door GGZ-instellingen wordt aangegeven dat de verwijzingen van POH’s-jeugd (effect 4 en 5) duidelijk passender zijn dan die van huisartsen: — In interviews uit het diepteonderzoek werd door enkele professionals genoemd dat huisartsen gemiddeld in ongeveer 50% van de gevallen passend verwijzen, terwijl een goede POH-jeugd dat altijd doet. In de uitvraag gaven aanbieders aan dat het percentage van de gevallen waarin de huisarts niet passend verwijst duidelijk lager ligt. Dit werd zowel door zeer grote als door zeer kleine aanbieders genoemd, en de onderbouwing gold duidelijk voor de gehele organisatie, Daarom hanteren we een bandbreedte van 10- 20%. Vrijwel alle aanbieders geven aan dat de POH-jeugd in alle gevallen passend verwijst, — Een niet-passende verwijzing kan betekenen dat de verkeerde aanbieder is gekozen, maar ook dat alleen naar GGZ is verwezen, terwijl parallel opvoedondersteuning ingezet zou moeten worden. — Aanbieders geven hier aan zelf een check op te doen en jeugdigen zo nodig door te verwijzen naar een andere aanbieder. Dit leidt dus slechts beperkt tot het inzetten van niet-passende trajecten. Een aanbieder is wel 1 à 2 uur per kind bezig om te constateren dat de verwijzing niet passend is, in conclaaf te gaan met de verwijzer, en het kind door te geleiden naar een passender plaats of parallel traject. Uit het diepteonderzoek blijkt dit ongeveer € 300 te kosten. Er zijn ook gevallen waar extra diagnostiek nodig is voordat de aanbieder het meest passende traject kan bepalen. Deze situaties brengen significant hogere kosten met zich mee. Uit de uitvraag blijkt dat een niet-passende verwijzing dan gemiddeld leidt tot een kostenpost van € 800 — € 1200. Echter ligt het niet in de lijn der verwachting dat de cliënten waarvoor een uitgebreid diagnostisch onderzoek nodig is door een POH wél direct goed zouden worden verwezen. Het is waarschijnlijker dat de diagnostiek voor deze cliënten hoe dan ook nodig is. Daarom nemen we deze laatste kosten niet mee, maar stellen de kosten voor een niet-passende verwijzing op € 250 - € 350. Voor de kosten van een POH-jeugd wordt uitgegaan van hoogopgeleide professionals met voldoende opleidingsmogelijkheden, inclusief overheadkosten. Wel gaan we ervan uit dat de huisarts de kosten voor de ruimte betaalt. — Op grond van de diepteonderzoeken en de enquête lopen de kosten voor één fte in dat geval uiteen van € 100.000 — € 110.000. — Daarnaast blijkt uit diepteonderzoek en literatuurstudie’ dat ongeveer 0,8 fte POH-jeugd per 10.000 kinderen nodig is. Uit de enquête blijkt dat hoger te liggen, dus hanteren we °% jeugdhulp bij de huisarts - Onderzoek naar inzet en effect van de Praktijkondersteuner Jeugd”, Accare, Molendrift en Karakter, i.s.m. Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, 2019; Pilot Huisartsen & Jeugdzorg Hengelo, Kennispunt Twente, 2016, via Twentse Huisartsen Onderneming Oost Nederland. GV572 135 Andersson Elffers Felix een bandbreedte van 1,0 — 1,2 fte POH-jeugd per 10.000 jeugdigen. Dat betekent dus dat er landelijk 336 — 403 fte aan POH-jeugd nodig is, Voor een vertaling van landelijke cijfers zien we op basis van de enquêtes van dit onderzoek dat zo’n 67% van de jeugdigen in een gemeente woont waarin al met een POH-jeugd wordt gewerkt. In die gemeenten is gemiddeld 0,94 fte POH-jeugd werkzaam. Door dit te extrapoleren is er landelijk naar verwachting al zo’n 192 — 230 fte aan POH-jeugd werkzaam. Om te bepalen hoeveel jeugdigen nog bereikt kunnen worden door een POH, is het van belang te weten hoeveel jeugdigen momenteel al worden bereikt. Hiervoor kijken we naar de hoeveelheid ingezette fte POH-jeugd door de gemeenten in de uitvraag. Dit vergelijken we met de benodigde 1,0 — 1,2 fte die ook uit de uitvraag volgde. De verhouding tussen de twee is het percentage jeugdigen dat in potentie al bereikt kan worden door POH’s-Jeugd in die gemeente. Als gemeenten momenteel méér dan 1,2 fte inzetten, dan kan 100% van de jeugdigen bereikt worden. Uit deze berekening volgt dat 52,5% van de jongeren in potentie al kan worden bereikt door een POH-jeugd. Landelijk gaat het om ongeveer 1,76 miljoen jeugdigen die in potentie al door een POH-jeugd bereikt kunnen worden. Effect Financieel effect 1. Afname lichte jeugdhulp 72 tot 96 miljoen euro 2. Afname lange, dure trajecten - 3. Toename lichte jeugdhulp/sociale - basisvoorzieningen 4. Afname lange, dure trajecten 5 tot 11 miljoen euro 5. Toename lichte(re) jeugdhulp / sociale - basisvoorzieningen 6. Kosten POH-jeugd (beschikbaarheid incl. -21 tot -13 miljoen euro behandeling) Totaal 62 tot 88 miljoen euro Incidentele kosten Laag Termijn van besparing Middellange termijn, afhankelijk van medewerking huisartsen Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Om meerdere redenen is de verwachting dat de jeugdige en diens ouders een prettigere ervaring hebben met een POH-jeugd. Ten eerste omdat de POH-jeugd meer tijd heeft voor een consult dan een huisarts. Daarnaast kan zorg vaker nabij plaatsvinden, omdat (een eerste deel van) de hulp door een POH- jeugd wordt overgenomen en de jeugdige in de lokale de huisartspraktijk geholpen kan worden, in plaats van dat de jeugdige direct doorgestuurd wordt naar jeugdhulp die niet altijd in de woonplaats van de jeugdige aanboden wordt, Als laatste wordt problematiek GV572 136 Andersson Elffers Felix eerder of passender aangepakt zal worden of zelfs voorkomen kan worden, waardoor er persoonlijk leed voorkomen wordt. Dit zal ten goede komen aan het welzijn van de jeugdige. Meerdere onderzoeken bevestigen dat jeugdigen en ouders een prettigere ervaring hebben.” — Normalisering. Een POH-jeugd heeft de mogelijkheid om langer dan een huisarts in gesprek te gaan met ouders en jeugdigen over dat sommige problemen bij bepaalde fases en/of het leven horen, en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar niet van uitgesloten zijn. — Minder wachttijden. Deze maatregel leidt naar verwachting tot minder wachttijden, omdat jeugdigen beter verwezen worden en daardoor direct op de juiste wachtlijst terecht komen. Ook kan de POH-jeugd lichte ondersteuning bieden gedurende de tijd dat de jeugdige op de wachtlijst staat. Waar lichte ondersteuning door de POH-jeugd afdoende is, kan wachttijd zelfs grotendeels vermeden worden. — Betere samenwerking in de keten. Het aanstellen van een POH-jeugd kan ervoor zorgen dat er een betere samenwerking tussen partijen ontstaat. Een POH-jeugd is een actievere schakel in de keten, en staat nauwer in contact met de jeugdigen in de wijk en de jeugdhulp-en zorgaanbieders dan een huisarts. Dit kan het werkplezier van jeugdhulpprofessionals verbeteren. — Lagere werkdruk bij huisartsen. Deze maatregel zorgt ervoor dat de huisarts in de mogelijkheid is om jeugdigen met jeugdhulpproblematieken door te sturen naar een POH-jeugd. Dit kost minder tijd dan het zelf doorgronden van de problematiek en het kiezen van de aanbieder waarnaar een jeugdige doorverwezen wordt. Hierdoor kan er een lagere werkdruk bij huisartsen ontstaan. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Huisartsen moeten voldoende enthousiast zijn over een POH-jeugd. Huisartsen zijn onafhankelijk van de gemeente en hebben het recht om een POH-jeugd te weigeren of er minder gebruik van te maken dan wenselijk. De medewerking van de huisartsen is een harde randvoorwaarde voor deze maatregel. — Afbakening taken POH-jeugd. Een heldere doel- en taakomschrijving en afbakening van taken van een POH-jeugd is ook van belang om verwarring over functies en verschillen tussen aanbod vanuit praktijken te voorkomen. Op deze manier kan er een betere match ontstaan tussen de functie en de personen die voor de functie geworven worden. — Expertise en competenties. Een POH-jeugd moet in staat zijn om een goede inschatting te maken van de noodzakelijkheid om een jeugdige door te verwijzen naar jeugdhulpaanbieders, in plaats van het zelf hulp verlenen. Dat vraagt een hoog kennisniveau van verschillende soorten problematiek, Daarnaast is het van belang dat de POH-jeugd beschikt over competenties op het gebied van gespreksvoering en normaliseren. — Goede kennis van de sociale kaart. De POH-Jeugd moet de sociale kaart zeer goed kennen: alleen dan kan er passend verwezen worden. Randvoorwaarde is dat hierin wordt geïnvesteerd. °7 Zie bijvoorbeeld de voortgangsrapportage van de pilot Huisartsen & Jeugdzorg van de gemeente Hengelo en het onderzoeksrapport “Jeugdhulp bij de huisarts” van Accare, Molendrift en Karakter (2019). GV572 137 Andersson Elffers Felix — Voldoende capaciteit aan POH-jeugd. Om de effecten te behalen, is het van belang dat een POH-jeugd voldoende uren heeft zodat er voldoende kinderen geholpen kunnen worden zonder dat er geen wachttijd ontstaat voor de POH-jeugd. — Behouden verwijsrecht. In het onderzoek is benoemd dat het behoud van rechtstreeks verwijsrecht door een huisarts behouden moet worden. Indien dit niet gebeurt, zal er een extra schakel in de keten worden ingebouwd, die het systeem complexer maakt. Dit is geborgd in de huidige wetgeving. — Huisvesting voor de POH-jeugd. Veel huisartsen hebben geen fysieke ruimte voor een ondersteuner, terwijl het juist van belang zal zijn om de werkzaamheden van een POH- jeugd het in de vertrouwde omgeving van de huisarts aan te bieden. Randvoorwaarde is dat er wordt gezorgd dat de POH-jeugd een geschikte ruimte heeft om de werkzaamheden uit te voeren en contact te hebben met de huisarts. — Goede informatie-uitwisseling. (Voor)kennis over eerdere en lopende ondersteuning (o.a. met lokaal team en gemeente) is een voorwaarde voor goede triage en doorverwijzing. Omdat een POH-jeugd een actieve schakel wordt tussen de huisarts, de sociale basisvoorzieningen en het lokaal team is goede informatie-uitwisseling van belang. Een passende infrastructuur kan dit faciliteren. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Onduidelijke afbakening verantwoordelijkheden huisarts. Een huisarts is niet verantwoordelijk voor het verlenen van jeugdhulp. Met de komst van de POH-jeugd wordt er lichte jeugdhulp verleend op de huisartsenpraktijk. Risico is dat huisartsen zich verantwoordelijk gaan voelen -— of van buitenaf verantwoordelijk worden geacht - voor de taken van een POH-jeugd, terwijl dit geen verantwoordelijkheid is van een huisarts. Maatregel 2 Het versterken van de kwaliteit van de toegang door de inzet van professionals met een SKJ-registratie en/of professionals die specifiek zijn opgeleid voor de toegang Beschrijving van de maatregel Om tijdig passende hulp in te zetten is de kwaliteit van de toegang van groot belang. Gemeenten kunnen de kwaliteit van de toegang verbeteren door lokale teams samen te stellen met hoogopgeleide professionals. Daarbij gaat het om professionals met een SKJ- registratie of gelijkwaardig, en/of professionals die specifiek zijn opgeleid voor de toegang (overal waar we spreken van SKJ-registratie bedoelen we SKJ-registratie of gelijkwaardig, zoals een BIG-registratie). In dit onderzoek gaan we ervanuit dat het hele lokale team bestaat uit professionals die zowel voldoende opleiding hebben gehad om complexe problematiek te kunnen herkennen, als voldoende training om in staat te zijn tot normaliseren en het voeren van het juiste gesprek wanneer een voorziening niet toegekend wordt”? Secundair hieraan zou er binnen een lokale team academische expertise (gedragswetenschapper/orthopedagoog/psycholoog) beschikbaar moeten zijn op basis van consultatie, maar nauw betrokken en als vast onderdeel van het team. Hiermee kan worden gestimuleerd dat er onderzoeksmatig wordt °® Kennis van de sociale kaart en gecontracteerde aanbieders wordt verondersteld reeds aanwezig te zijn in de lokale teams en is daarom niet expliciet benoemd. GV572 138 Andersson Elffers Felix gekeken naar de werkwijze en deze regelmatig wordt geëvalueerd. Dit leidt tot brede professionalisering van het lokaal team. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Door het toevoegen van expertise aan de toegang zijn professionals beter in staat om in te schatten wat nodig is. Dit leidt enerzijds tot waar mogelijk substitutie van zware trajecten door lichte trajecten en anderzijds tot het inzetten van zwaardere hulp zonder eerst lichtere trajecten aan te bieden (matched care). — Als de professionals in de toegang beter zijn opgeleid tot normaliseren, zorgt dit ervoor dat zij in gesprek met jeugdige en gezin beter in staat zijn om de hulp en ondersteuning zo te organiseren dat dit de zelfredzaamheid van het gezin versterkt. Dit door zowel het eigen netwerk te betrekken als te verwijzen naar passende sociale basisvoorzieningen. — Erzijn uiteraard extra kosten om de professionals met een SKJ-registratie in dienst te nemen voor de toegang, academische expertise toe te voegen aan het team en professionals de juiste opleidingen te bieden. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Substitutie van zware trajecten door lichte{re) trajecten Betere inschatting van wat er nodig is 2. Matched care, waardoor kortere trajecten per cliënt 3. Geen hulp wanneer het niet nodig is of in eigen netwerk kan, Inzet professionals met waardoor afname trajecten een SKJ-registratie Beter in staat tot en/of professionals die normaliseren en specifiek zijn opgeleid gespreksvoering voor de toegang 4. Toename gebruik sociale basisvoorzieningen 5. Extra kosten SKJ-geregistreerde professionals bij de toegang 6. Opleidingskosten lokale teams Verwachte omvang van de besparing De mate waarin de toegang een betere inschatting maakt van trajecten waardoor onnodig zware trajecten voorkomen worden (effect 1) berekenen we als volgt: — Uit het diepteonderzoek en aanvullende werksessies volgt dat een toegang met te weinig expertise 10 — 20% van de jeugdigen naar onnodig zware hulp doorverwijst. Uit de GV572 139 Andersson Elffers Felix uitvraag blijkt dat zowel veel gemeenten als veel aanbieders hier geen goed zicht op hebben. Degenen die aangeven dat wel te hebben, herkennen deze percentages. — Een verwijzing naar een onnodig zwaar traject door een lokaal team wordt meestal door een aanbieder aangepast naar een beter passend traject. Het kost echter tijd om te ontdekken dat er een ander traject beter zou passen. Hiervoor nemen we dezelfde kosten als voor een verkeerde doorverwijzing door een huisarts (zie maatregel 1), namelijk € 250 —- €350. Doordat SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) naar verwachting beter kunnen inschatten wat voor traject een jeugdige nodig heeft, zal er minder vaak naar te lichte hulp verwezen worden. Dit gaat onder de noemer “matched care” (effect 2) en kan als volgt worden beschreven: — In sommige gevallen hebben jeugdigen die naar een GGZ-traject zijn verwezen ook behoefte aan aanvullende hulp. Bij die jeugdigen zal een SKJ-geregistreerde (of vergelijkbaar) toegangsmedewerker eerder naar een parallel J&O-traject verwijzen dan een niet-SKJ-geregistreerde toegangsmedewerker, — Het financiële effect hiervan is in de eerste instantie dat de jeugdhulp duurder wordt. Immers wordt er naar een extra traject verwezen. Echter kan het parallelle J&O-traject ervoor zorgen dat het GGZ-traject efficiënter ingericht kan worden. Zo kan het bijvoorbeeld minder lang nodig zijn. Omdat dit laatstgenoemde traject een stuk duurder is, zal het financiële effect naar verloop van tijd dus positief zijn. — Deze situatie speelt alleen bij jeugdigen die wél verwezen worden naar een GGZ-traject, maar waar eigenlijk een J&O-traject ook nodig was geweest. — Of de extra kosten voor het J&O-traject opwegen wegen de besparing op het GGZ-traject is maar zeer de vraag. Omdat dat van geval tot geval heel erg kan verschillen, zal dit effect uiteindelijk verwaarloosbaar zijn. — Het is ook mogelijk dat een te lichte verwijzing er uiteindelijk toe leidt dat er een escalatie optreedt en er veel zwaardere (en duurdere) hulp nodig is dan wanneer er oorspronkelijk naar een passend traject was verwezen. Dit gaat echter om een klein aantal gevallen. Daarbij is het helemaal niet evident dat een SKJ-geregistreerde toegangsmedewerker kan voorkomen dat er uiteindelijk escalaties optreden. Ook dit effect wordt dus verwaarloosd in de berekening. Een afname in onnodige verwijzingen (effect 3) kwantificeren we als volgt: — Inhet diepteonderzoek en een aanvullende werksessie blijkt dat 10 - 20% van de verwijzingen van minder goed functionerende lokale teams onnodig zijn. In de enquête gaf bijna twee derde van de gemeenten aan dat ze dit effect herkennen, maar dat het lastig te kwantificeren was. Van de overige gemeenten was het overgrote deel het eens met het ingeschatte percentage. =— Dit zijn gewoonlijk doorverwijzingen naar relatief lichte trajecten. Uit het diepteonderzoek blijkt dat de 20% lichtste trajecten in jeugdhulp gemiddeld ongeveer € 1000-1100 kosten. Dit houden wij dus aan als besparing De toename van het gebruik van het voorliggend veld (effect 4) is zoals eerder opgemerkt. niet goed te kwantificeren, dus nemen we niet mee in de berekening. De toename in kosten voor jeugdhulpprofessionals (effect 5) en opleidingskosten (effect 6) zijn als volgt berekend: — Het verschil in kosten (salaris inclusief sociale lasten) voor een wel of niet SKJ- geregistreerde professional is op grond van het diepteonderzoek en cao's ongeveer € 15 per uur, Uit de enquête volgt dat veel gemeenten alleen met SKJ-geregistreerde GV572 140 Andersson Elffers Felix professionals werken en daarom geen inschatting kunnen maken van het verschil in uurtarief. De antwoorden van de gemeenten die dit wel kunnen inschatten vallen gemiddeld iets lager uit. Daarom hanteren we voor het verschil in uurtarief een bandbreedte van € 10- €15. — Op basis van de enquêtes van dit onderzoek en het CPB hebben we gemeenten kunnen indelen in vier categorieën. Dit zijn gemeenten die al dan niet met een toegang met professionals met een SKJ-registratie of vergelijkbaar werkten. Deze gemeenten zijn verder opgedeeld in gemeenten waarin de toegangsteams zelf hulp verleenden in 2019, en gemeenten waar dat niet het geval was. Voor ieder van deze categorieën is bepaald welk percentage van het totale aantal verwijzingen door lokale teams door deze gemeenten is gedaan. Dit is samengevat in onderstaande tabel. LDR SS Percentage Fte toegang per jeugdigen 1.000 jeugdigen SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij de 63,6% 1,6 fte toegang. Toegangsteam verleent zelf ook hulp. SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij de 21,5% 1,3 fte toegang. Toegangsteam verleent zelf géén hulp. Géén SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij 5,3% 1,6 fte de toegang. Toegangsteam verleent zelf ook hulp. Géén SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij 9,6% 1,0 fte de toegang. Toegangsteam verleent zelf géén hulp. — Naast hogere salarislasten zorgt ook voldoende opleiding voor extra kosten. Voor een SKJ-registratie is 12 uur deskundigheidsbevordering en 12 uur reflectie per jaar vereist. Daarnaast worden nog specifieke cursussen gegeven over juridische kennis (1 dag per jaar) en is voor normaliseren een vorm van intervisie of andere reflectie nodig (1 dag per jaar). Daarmee komen we op ca 40 uur per fte per jaar. Om de kosten hiervan te bepalen is het uurtarief van een SKJ-geregistreerd professional nodig. Uit het diepteonderzoek blijkt dit tarief rond de 75 euro te liggen. Veel gemeenten herkennen dit bedrag. Zij die dit niet herkennen geven gemiddeld genomen aan dat het bedrag iets lager ligt. Daarom gebruiken we een bandbreedte van € 70-75 voor dit tarief, Met behulp van deze percentages, het landelijk aantal verwijzingen door lokale teams, en het aantal fte toegangsmedewerkers, hebben we het landelijk aantal fte toegangsmedewerkers bepaald voor de gemeenten die nog niet werken met SKJ-geregistreerde (of vergelijkbaar) professionals. Dit blijkt landelijk om 253 - 267 fte toegangsmedewerkers te gaan. Via deze percentages is ook het landelijke aantal verwijzingen door lokale teams zonder SKJ- geregistreerde professional te bepalen. In totaal gaat dit over 13.413 — 13.483 verwijzingen (4.771 - 4.804 door lokale teams die zelf hulpverlenen, en 8.630 — 9.691 door lokale teams die zelf geen hulp verlenen). Dit is het aantal verwijzingen dat gebruikt wordt om effecten 1, 3en 5 op te schalen naar landelijke aantallen. GV572 141 Andersson Elffers Felix Effect Financieel effect 1, Substitutie van zware trajecten door 0,4 tot 0,8 miljoen euro lichte(re) trajecten 2. Matched care, waardoor kortere trajecten _ - per cliënt 3. Geen hulp wanneer het niet nodig is of in 1tot 3 miljoen euro eigen netwerk kan, waardoor afname trajecten 4. Toename gebruik sociale - basisvoorzieningen 5. Extra kosten SKJ-geregistreerde -5 tot -4 miljoen euro professionals bij de toegang 6. Opleidingskosten lokale teams -0,8 tot -0,7 miljoen euro Totaal -4 tot -1 miljoen euro Incidentele kosten Hoog, wegens werven nieuw personeel en evt. afscheid nemen van het oude Termijn van besparing nvt, Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Sneller de juiste hulp. Een goede toegang heeft een positief effect op cliënten, omdat een jeugdige eerder passende hulp krijgt. — Verhoging werkplezier in de toegang. Door het vergroten van kennis van toegangsprofessionals, en het mogelijk maken van professionalisering in de toegang, is de verwachting dat de medewerkers in de toegang meer werkplezier ervaren. — Lokale teams functioneren beter als sparringpartner voor gemeenten. Door de professionalisering ontstaat een competent lokaal team dat een goede afweging kan maken over kosten in relatie tot de effectiviteit van de zorg. Het lokale team kan hierdoor een sterkere rol vervullen in zaken waar de inkoopafdeling van gemeenten geen zicht op heeft, mits ze deze ruimte durft te nemen. — Hogere tevredenheid jeugdigen en ouders. Doordat de toegang verder geprofessionaliseerd is, is er ook meer duidelijkheid voor jeugdigen en ouders zelf. Dit leidt tot beter verwachtingsmanagement en meer draagvlak onder jeugdigen en ouders. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — De professionals zijn naast voldoende opleiding om complexe problematiek te kunnen herkennen, ook getraind om te normaliseren. Dit is belangrijk om te zorgen GV572 142 Andersson Elffers Felix dat professionals in staat zijn tot normaliseren en het voeren van het juiste gesprek wanneer een voorziening niet toegekend wordt.” — Binnen een lokaal team is er academische expertise op consultatie beschikbaar. Er is een gedragswetenschapper/orthopedagoog/psycholoog beschikbaar voor consultatie, die nauw betrokken is en een vast onderdeel vormt van het team, — Functieprofiel moet niet te nauw gedefinieerd worden. Enkel een diploma op hbo- niveau is niet voldoende om de beoogde effecten te realiseren, Het is belangrijk dat er met het implementeren van deze maatregel ook gekeken wordt naar bredere manieren om de toegang te versterken. Zo kan jarenlange ervaring of een specifieke opleiding voor de toegang ook toegevoegde waarde hebben. Een toegangsmedewerker moet bijvoorbeeld ook weten hoe er omgegaan moet worden met het afwijzen van hulpvragen en wanneer het verstandig is om bijvoorbeeld een gedragswetenschapper te betrekken in een casus. — Er moet (financiële) ruimte voor voldoende professionals met hoge kwaliteit. Een toegang functioneert alleen goed als er voldoende capaciteit is om alle werkzaamheden zorgvuldig uit te voeren. Daarnaast is het van belang continu te investeren in opleiding zodat het lokale team goed gekwalificeerd blijft. — Monitoring moet mogelijk worden gemaakt en vraagt passende infrastructuur. Een deel van de effecten is gebaseerd op de effectiviteit van een lerende aanpak bij dit type professionals. Met monitoring kunnen lokale teams sturen op eigen indicatoren en hiervan leren. Zonder monitoring is kort-cyclische evaluatie veel beperkter. Om het potentieel van deze maatregel te benutten kan het helpen om monitoring te faciliteren, zodat professionals beter zicht hebben op trends in hun verwijzingen en zichzelf hierdoor kunnen verbeteren. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Eris een tekort aan geschikte, hoogopgeleide toegangsmedewerkers. Om deze maatregel te implementeren zullen er genoeg hoogopgeleide professionals moeten zijn die de taken kunnen vervullen. Risico is dat er niet genoeg aanbod is op de arbeidsmarkt. — De hoogopgeleide professional neemt onnodig het werk over van een niet- hoogopgeleide professional. Dit risico kan gelden op het moment dat er een gedragswetenschapper in een toegangsteam wordt ingezet, die taken en besluitvorming overneemt van andere toegangsmedewerkers, Er moet bewust worden ingezet op het inzetten van expertise in plaats van overnemen van werk. — Meer verwijzingen. Een risico is dat hoogopgeleide professionals meer specialistische kennis hebben en daardoor mogelijk minder normaliserend werken. Wanneer je specialistische kennis ‘naar voren haalt’, kan dat ook juist zorgen voor meer verwijzingen. Zo bleek er binnen de Wmo, waar zowel professionals als Wmo-consulenten met cliënten in gesprek gingen dat professionals meer geneigd waren tot tegemoet komen aan de behoefte van de cliënt.°® Concluderen is het van belang om prioriteit te geven aan de vaardigheden die een lokaal team helpen te professionaliseren boven specialistische expertise. ® Kennis van de sociale kaart en gecontracteerde aanbieders wordt verondersteld reeds aanwezig te zijn in de lokale teams en is daarom niet expliciet benoemd. 100 De verhuizing van de verzorgingsstaat. Hoe de overheid nabij komt, Bredewold, F., J.W. Duyvendak, Kampen T., Tonkens, E. en L. Verplanke, 2018. Amsterdam: Van Gennep. GV572 143 . Andersson Elffers Felix Maatregel 3 Het gebruiken van een afwegingskader in de toegang of equivalent Beschrijving van de maatregel Uit de Jeugdwet volgt dat een gemeente geen jeugdhulp hoeft te verstrekken voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn (artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet). Voor zover gebruikelijke hulp kan worden verwacht, hoeft de gemeente dus geen jeugdhulpvoorziening toe te kennen. In de praktijk kan het ingewikkeld zijn om die afweging te maken. Een maatregel die gemeenten kunnen nemen om dit eenvoudiger te maken is het vaststellen van een lokaal afwegingskader gebruikelijke hulp. Dit houdt in dat gemeenten vastleggen welke procedure wordt gehanteerd om te beoordelen wat onder gebruikelijke hulp valt, en welke elementen een rol (kunnen) spelen bij de beoordeling door de professional (bijvoorbeeld aard en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte). Het gaat hier dus niet om een landelijke norm, maar een lokaal afwegingskader dat gemeenten zelf opstellen. Het afwegingskader hoeft niet puur een juridisch instrument te zijn, maar meer een handvat om gezamenlijk met ouders en jeugdige na te denken over wat er noodzakelijk is om vanuit jeugdhulp te bieden en wat er binnen eigen netwerk georganiseerd kan worden om de zelfredzaamheid van een gezin te verhogen. Het afwegingskader gaat alleen over de verstrekking van jeugdhulp, niet over het (niet) inkopen van bepaalde voorzieningen of behandelingen. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Het aantal (lichte) trajecten dat vanuit de Jeugdwet bekostigd moet worden gaat omlaag. De omvang hangt echter wel sterk af van de kwaliteit en inhoud van het afwegingskader en het flankerend beleid (inclusief opleiding van de toegang). — Erkan sprake zijn van substitutie, wanneer in plaats van het toekennen van een individuele voorziening verwezen wordt naar een sociale basisvoorziening. — In principe gaat het afwegingskader ervan uit dat gebruikelijke hulp in het eigen netwerk geleverd kan worden, en waar dit niet mogelijk is alsnog een beroep gedaan kan worden op de Jeugdwet. Een mogelijk negatief neveneffect is dat een deel van de problematiek die niet meer voor jeugdhulp in aanmerking komt escaleert en uiteindelijk zwaardere jeugdhulp vraagt. — Het toepassen van het afwegingskader kan gepaard gaan met een extra tijdsinvestering van de toegang voor het implementeren van deze werkwijze en eventuele nazorg om gezinnen te helpen in het zelf organiseren van de hulp vanuit eigen netwerk of anderszins. In de analyse gaan we er daarbij vanuit dat deze kosten zich voornamelijk voordoen bij cliënten die nu lichtere vormen van jeugdhulp krijgen, omdat bij zware jeugdhulp snel duidelijk zal zijn dat gebruikelijke hulp niet volstaat. Anderzijds bij cliënten die nu geen individuele voorziening toegekend krijgen zal het afwegingskader de beslissing eerder makkelijker worden dan moeilijker. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. GV572 144 Andersson Elffers Felix 1. Afname volume (lichte) jeugdhulp AL ordi MEE age SEL lade basisvoorzieningen enden door substitutie Gebruiken van een afwegingskader in Meer escalaties 3. Toename lange, de toegang dure trajecten 4. Kosten tijdsbesteding nalopen Toepassing van het lk lele afwegingskader door de toegang 5. Kosten afhandeling en eventuele nazorg voor gezinnen waar hulp is afgewezen Verwachte omvang van de besparing In het diepteonderzoek is gebleken dat een afwegingskader alleen goed werkt wanneer ook is ingezet op het versterken van de kwaliteit van de toegang, door het inzetten van uitsluitend medewerkers met een SKJ-registratie en/of die specifiek zijn opgeleid voor de toegang. Bijna alle deelnemende gemeenten in de uitvraag die ervaring hebben met de maatregel (90%) hebben dit beeld bevestigd. In het diepteonderzoek is daarnaast gebleken dat een afwegingskader vooral een hulpmiddel is om uniform te werken binnen de toegang, en niet op grote schaal leidt tot andere afwegingen wanneer al is ingezet op het versterken van de kwaliteit van de toegang. Als er al voldoende is ingezet op de kwaliteit van de toegang zijn die medewerkers namelijk al voldoende in staat om te bepalen wanneer bepaalde hulp geboden moet worden, en wanneer niet. Meer dan de helft van de gemeenten in de uitvraag is het eens met bovenstaande constatering. Daarnaast gaf een deel van de gemeenten aan het niet te weten. Slecht een beperkt aantal gemeenten gaf aan dat het afwegingskader wel een bijdrage zou leveren aan het inzetten van de eigen kracht van het gezin of het netwerk van de jeugdige. Daarmee concluderen we dat de kwaliteit van de toegang een randvoorwaarde is voor deze maatregel, maar tegelijkertijd dat een goede toegang ervoor zorgt dat het afwegingskader nauwelijks tot andere afwegingen leidt. Daarmee wordt er niet verwacht dat er minder hulp bekostigd vanuit de Jeugdwet wordt ingezet, en zijn de financiële effecten 1, 2, en 3 nihil. Uit het onderzoek tot nu blijkt dat het gebruik van een afwegingskader bij het beoordelen van een hulpvraag niet meer tijd kost dan wanneer dit niet wordt gebruikt (effect 4). Uit de gesprekken in het diepteonderzoek is gebleken dat met deze maatregel met name een werkwijze die vaak al geïnternaliseerd is, geformaliseerd wordt. Het nalopen van het afwegingskader neemt geen extra tijd in beslag, vindt ook 55% van de gemeenten in de GV572 145 Andersson Elffers Felix uitvraag die ervaring hebben met de maatregel (39% van de gemeenten geeft als antwoord ‘weet niet’). Omdat het afwegingskader niet op grote schaal leidt tot andere afwegingen, zijn er ook geen extra kosten voor afhandeling en eventuele nazorg (effect 5). De maatregel bespaart daarom geen kosten, maar leidt ook niet tot extra kosten. Het financiële effect van deze maatregel is daarmee nihil. Effect Financieel effect 1, Afname volume (lichte) jeugdhulp Nihil 2. Toename gebruik sociale basisvoorzieningen door substitutie Nihil 3. Toename lange, dure trajecten Nihil 4. Kosten tijdsbesteding nalopen Nihil afwegingskader 5. Kosten afhandeling en eventuele nazorg Nihil voor gezinnen waar hulp is afgewezen Totaal Nihil Incidentele kosten Laag Termijn van besparing nvt, Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Normalisering en focus op eigen kracht. Het afwegingskader zal meer nadruk leggen op zorg die uit het eigen netwerk kan worden geboden. Nu wordt zorg vaak nog teveel uit gewoonte toegewezen. Een afwegingskader kan stimuleren dat gekeken wordt naar wat een gezin nodig heeft om zelf bepaalde zorg op te kunnen pakken en zo de zelfredzaamheid van een gezin verhogen. — Uniformering afwegingen. Doordat alle toegangsmedewerkers hetzelfde kader hanteren, zullen keuzes minder afhankelijk zijn van de verschillende medewerkers. Dit zorgt voor consistentere en objectievere afwegingen. — Een afwegingskader versnelt het leerproces van professionals in lokale teams, omdat het een manier is om keuzes en casuïstiek onderling te expliciteren. — Mogelijke invloed op cliënttevredenheid. Een afwegingskader kan een handvat zijn voor toegangsmedewerkers, waarmee ze vaker zorgvragen kunnen afwijzen door de rol die het eigen netwerk heeft. Meer afwijzingen kunnen zorgen voor minder tevredenheid. Anderzijds is een uitgangspunt van het afwegingskader is dat er transparantere en betere afwegingen worden gemaakt. Dit leidt naar verwachting tot passendere hulp en meer duidelijkheid voor jeugdigen en ouders zelf. Verwachtingen kunnen op deze manier realistischer worden geschept. Dit draagt bij aan een hogere tevredenheid van jeugdigen en ouders, GV572 146 Andersson Elffers Felix Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Het afwegingskader is helder en transparant over de gemeentelijke definitie van gebruikelijke zorg. Een afwegingskader moet aansluiten bij lokale waarden. Randvoorwaarde is dat de gemeente zich uitspreekt over wat er wordt gedefinieerd als gebruikelijk en wat niet. Een afwegingskader zou moeten voortkomen uit de verbinding tussen bestuur, beleid en professional. Zoek de verbinding in de uitgangspunten/visie en laat daar het afwegingskader (lokaal) uit groeien. — De systematiek van het afwegingskader moet recht doen aan individuele verschillen. Een afwegingskader moet (ook) oplossingen faciliteren die voor het gezin passend zijn. Het afwegingskader faciliteert dat de professional kijkt naar de context van een gezin/jeugdige. Hierbij kan er ook gekeken worden naar financiële draagkracht, waarbij de vraag wordt gesteld of er geen financiële problemen in een gezin ontstaan als de hulp door de ouder wordt geboden. — Het afwegingskader wordt opgesteld door de gemeente en belangrijke stakeholders, waaronder de jeugdhulpprofessionals zelf. Brede gedragenheid van (de visie van) het afwegingskader wordt hiermee gewaarborgd. Het helpt professionals dat er een publiek vastgesteld kader is om de schaarste-afweging te maken, en dat ze daar ook in een gesprek naar kunnen verwijzen. — In het afwegingskader is een werkwijze uitgewerkt, er is geen sprake van een afvinklijst. Om een doelmatige en effectieve invoering van deze maatregel te garanderen, is het belangrijk dat het afwegingskader vastlegt welke procedure wordt gehanteerd om te beoordelen wat onder gebruikelijke hulp valt, en welke elementen een rol (kunnen) spelen bij de beoordeling door de professional. Het gaat niet om een lijst van hulp die men te allen tijde wel of niet gebruikelijk acht of een instrument wat tot extra bureaucratie leidt. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Risico op escalatie wanneer de sociale basisvoorzieningen / de hulp uit eigen netwerk niet toereikend is. Het afwegingskader zorgt er mogelijk voor dat meer gebruik wordt gemaakt van de sociale basisvoorzieningen. Wanneer sociale basisvoorzieningen in een gemeente of de hulp die het gezin zelf moet organiseren niet toereikend is, is de kans aanwezig dat een jeugdige na verloop van tijd toch jeugdhulp nodig heeft. Het risico op escalatie wordt hiermee groter. Maatregel 4 Versnellen doorstroom naar Wlz door betere informatievoorziening Beschrijving van de maatregel Wanneer voor het eerst jeugdhulp wordt aangevraagd voor een jeugdige, is nog niet altijd in te schatten wat het ontwikkelperspectief is, en dus ook niet of er levenslange en levensbrede ondersteuning nodig is. Jeugdigen krijgen daarom in eerste instantie vaak een voorziening vanuit de Jeugdwet, ook als de jeugdige op termijn wel voldoet aan de criteria voor de Wlz. Er zijn signalen dat dit niet overal tijdig gesignaleerd wordt, waardoor de hulp langer dan nodig uit de Jeugdwet bekostigd wordt. GV572 147 Andersson Elffers Felix De toeleiding naar de Wlz kan in ieder geval beïnvloed worden bij de gemeentelijke toegang en jeugdhulpaanbieders.!°! Door de criteria voor verwijzing naar de Wlz bij de jeugdhulpaanbieders en gemeentelijke toegang helder in beeld te krijgen en zo de doorverwijzingen naar de Wlz te uniformeren, zouden er jeugdigen die nu vanuit de Jeugdwet geholpen worden eerder een Wlz-indicatie krijgen. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Voor een deel van de jeugdigen met jeugdhulp wordt door deze maatregel zorg overgeheveld naar de Wlz. Deze maatregel verlaagt zo de kosten binnen de Jeugdwet, maar leidt wel tot verhoging van de kosten binnen de Wlz. — Hiervoor moet wel ingeregeld worden dat de toewijzing beter verloopt, bijvoorbeeld door professionals in de toegang en bij relevante jeugdhulpaanbieders beter op te leiden, en periodieke evaluaties in te bouwen bij kinderen waar dit relevant voor is, Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Afname jeugdhulp die vanuit Jeugdwet gefinancierd wordt Deel van jeugdhulp wordt overgeheveld van Jeugdwet naar Wlz 2. Toename jeugdhulp die vanuit Wlz gefinancierd wordt Doorstroom naar Wlz versnellen 3. Kosten voor opleiden professionals bij gemeentelijke toegang en jeugdhulpaanbieders voor toeleiding Wlz Proces inregelen Verwachte omvang van de besparing Voor de afname van de hulp uit de Jeugdwet (effect 1) en bijbehorende toename van de hulp uit de Wlz (effect 2) geldt het volgende: — Voor dit onderzoek hebben we cijfers ontvangen van het CIZ over de instroom in de Wlz per leeftijdsgroep. Het blijkt dat rond 18 jaar veel jeugdigen instromen. Ook als geschoond wordt voor VG3 en SGLVG-profielen!®?, evenals voor de profielen die niet langer worden uitgegeven, blijkt er een piek te zijn die alleen verklaard kan worden doordat jeugdigen later de Wlz instromen dan zou kunnen. In de onderstaande grafiek is het aantal Wlz-aanvragen van de relevante zorgprofielen uitgesplitst naar leeftijd (zie Figuur 41). We hebben gekeken naar het verschil tussen het aantal Wlz- 1 Ouders kunnen ook een Wlz-indicatie aanvragen; hier kunnen gemeenten echter niet of nauwelijks op sturen, dus voor dit onderzoek richten we ons op de gemeentelijke toegang en jeugdhulpaanbieders. 102 Voor deze profielen bestaat de toegang tot de Wz pas vanaf 18 jaar. GV572 148 Andersson Elffers Felix aanvragen van cliënten tussen de 17-19 en het gemiddelde aantal aanvragen van cliënten tussen de 16-17 en 19-20, Hieruit is op te maken hoeveel cliënten er naar verwachting eerder uit de Jeugdwet naar de Wlz hadden kunnen stromen. Door te kijken naar het percentage van de aanvragen die ook daadwerkelijk tot toegang tot de Wlz leidt, volgt dat er 265-325 cliënten van rond de 18 jaar de Wlz zijn ingestroomd, bovenop het aantal dat logischerwijs verwacht zou worden. — Regio’s waar al lange tijd extra aandacht is voor doorstroom naar de Wlz dragen per definitie ook niet bij aan deze aantallen. Cliënten uit deze regio’s zullen immers eerder in de Wlz ingestroomd zijn en dus niet bijdragen aan de piek die te zien is rond de 18 jaar. — Het effect van regio’s waarin pas sinds een paar jaar extra aandacht is voor doorstroom naar de Wlz is nog niet zichtbaar in deze cijfers, In theorie zou het dus zo kunnen zijn dat in de praktijk besparingen deels al zijn ingeboekt, maar nog niet zichtbaar zijn in de data. Als dat zo zou zijn, dan zou er wel een merkbaar verschil moeten zitten tussen de percentages van de Wlz-aanvragen tussen 2015 en 2019 die worden gedaan van jeugdigen onder de 17, jeugdigen tussen 17 en 19, en jeugdigen boven de 19. Dit is echter niet het geval: deze percentages zijn over de jaren heen zeer stabiel. Hieruit concluderen we dat het effect van regio’s die nu al extra aandacht besteden aan de doorstroom naar de Wlz al is verdisconteerd in de gebruikte gegevens. — Uit het diepteonderzoek bleek dat deze cliënten gemiddeld 3-4 jaar eerder de Wlz in hadden kunnen stromen, zodat er jaarlijks, landelijk, 851-1212 cliënten uit de Jeugdwet naar de Wlz zouden kunnen worden overgeheveld. — Het gaat hier om een onderschatting, omdat cliënten die vóór hun 18° levensjaar van de Jeugdwet naar de Wlz zijn gegaan, maar die overstap nog eerder hadden kunnen maken, niet zijn meegenomen in de analyse, — Uit literatuuronderzoek bleek dat jeugdigen die nog hulp uit de Jeugdwet krijgen terwijl ze eigenlijk al de Wlz in zouden kunnen stromen, daar veelal onder profiel VG6 zouden vallen. Echter gaven aanbieders in de enquête aan dat andere profielen ook voorkomen. De meest frequent voorkomende profielen blijken VG4 en VG6 te zijn. — De jaarlijkse kosten voor deze zorgprofielen (inclusief dagbesteding, gemiddeld over prijzen inclusief/exclusief behandeling) bedragen gemiddelde ongeveer 77 — 84 duizend euro. — Inde Jeugdwet liggen de tarieven lager. Uit het diepteonderzoek en de enquête blijkt dat tarieven daar ca 12 - 15% goedkoper zijn. 140 120 ce 100 So 5 80 € la®] ® 60 3 40 ahead zaza 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10111213 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 Leeftijd Figuur 41 Het aantal Wlz aanvragen in 2019 afgezet tegen de leeftijd van de cliënt. Hierbij zijn alleen de profielen meegenomen die ook toegankelijk zijn voor jongeren onder de 18. GV572 149 Andersson Elffers Felix Om het proces in te regelen om tijdige doorverwijzingen te implementeren (effect 3 en 4), blijkt uit het diepteonderzoek dat vooral bewustwording nodig is zodat jeugdhulpprofessionals zich bewust zijn van de mogelijkheid van de Wlz en zich regelmatig de vraag stellen of dit passender zou zijn voor het kind. Deze periodieke vraag hoeft weinig extra tijd te kosten als hij ingebed wordt in het reguliere proces, bijvoorbeeld als onderdeel van de zorgplanbesprekingen, die over het algemeen ook periodiek plaatsvinden. Als het op die manier in het primaire proces verwerkt wordt, kost dit vrijwel geen extra tijd. Effect Financieel effect 1. Afname jeugdhulp die vanuit jeugdwet 59 tot 85 miljoen euro gefinancierd wordt 2. Toename jeugdhulp die vanuit Wlz 68 tot 98 miljoen euro gefinancierd wordt 3. Kosten voor opleiden professionals bij - gemeentelijke toegang en jeugdhulpaanbieders voor toeleiding Wlz 4. Periode evaluaties - Totaal (Jeugdwet) 59 tot 85 miljoen euro Totaal (Wlz) -68 tot -98 miljoen euro Incidentele kosten Middel, maar proces is al begonnen Termijn van besparing Korte termijn, want proces is al begonnen Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Hogere cliënttevredenheid. Voor cliënten heeft de maatregel als voordeel dat bij langdurige problematiek niet steeds om verlenging van een beschikking hoeft te worden gevraagd, waardoor het wat gebruikersvriendelijker is, — Minder ruimte voor verwerking ouders/jeugdigen. Het doorstromen naar de Wlz bevestigt dat de problematieken van een jeugdige niet van tijdelijke aard zijn, maar dat er levenslang en levensbreed ondersteuning nodig is. Dit is een ingrijpende gebeurtenis zijn voor jeugdigen en hun ouders. Op het moment dat de doorverwijzing versneld of geüniformeerd wordt, kunnen jeugdigen de Wlz instromen terwijl zij en hun ouders daar mogelijk nog niet klaar voor zijn. — Betere informatievoorziening over Wlz-criteria kan leiden tot verandering van het afwijzingspercentage. Als er wordt ingezet op eerder doorverwijzen naar de Wlz kan dit leiden tot meer afwijzingen voor de Wlz vanuit het CIZ. Aan de andere kant kan meer bekendheid met de Wlz-criteria ook leiden tot beter zicht op welke jeugdigen in aanmerking komen voor de Wlz, en daarmee leiden tot een lager afwijzingspercentage. GV572 150 Andersson Elffers Felix Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Het evaluatieproces moet overal ingeregeld zijn. Het is van belang dat de vraag over toegang tot de Wlz geregeld gesteld wordt en verankerd wordt in de reguliere processen, bijvoorbeeld bij het actualiseren van het zorgplan. — Voldoende expertise. Alle betrokken medewerkers moeten voldoende expertise hebben om situaties te herkennen waarin het relevant is om naar de mogelijkheden van de Wlz te kijken. — Voldoende ondersteuning vanuit het CIZ. Om snel te leren welke kinderen wel of juist geen toegang tot de Wlz hebben, is het van belang dat het CIZ beschikbaar is om informatie te geven over de betekenis van criteria. Hier is het CIZ al mee bezig. — Voldoende mogelijkheden voor instroom Wlz. Als kinderen toegang hebben tot de Wlz, maar daar op de wachtlijst komen, komt het voor dat de gemeente hulp blijft betalen vanuit de Jeugdwet. In zo’n geval is het van belang dat het zorgkantoor deze verantwoordelijkheid direct overneemt. — Jeugdzorgaanbieders moeten worden meegenomen in het proces. Omdat jeugdzorgaanbieders verantwoordelijk zijn voor de dossieropbouw die nodig is voor de beoordeling van het CIZ, is het belangrijk dat er voldoende draagvlak is voor deze maatregel vanuit jeugdzorgaanbieders. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Ouders hebben onvoldoende tijd om te wennen en rouwen. De Wlz is definitief. Voor ouders betekent de instroom in de Wlz vaak dat ze definitief een laatste stukje hoop moeten opgeven voor hun kind, ook omdat voor de aanvraag schriftelijk onderbouwd moet worden wat een jeugdige allemaal niet kan. Als dit proces meer geüniformeerd wordt, neemt dat ook de mogelijkheid weg voor ouders die dat nodig hebben om wat langer te rouwen over de dromen die geen werkelijkheid worden. Dat kan zowel voor ouders als voor professionals zwaar zijn. Maatregel 5 Inperken van outreachende activiteiten Beschrijving van de maatregel Op dit moment hebben veel gemeenten (vaak ingericht in de lokale teams) een outreachende manier van werken. Lokale teams gaan bijvoorbeeld actief de wijk in om te kijken welke problematiek daar speelt. Dit zorgt mogelijk juist voor meer zorggebruik, omdat deze laagdrempeliger beschikbaar is. Het doel is dus om oversignalering tegen te gaan. Uit onderzoek blijkt dat lokale teams beperkt toekomen aan outreachende activiteiten: slechts 28% van de lokale teams voert deze activiteiten uit.°* Uit het onderzoek blijkt dat gemeenten de volgende outreachende activiteiten uitvoeren: — Het inzetten van jongerenwerkers in de wijk — Het inzetten van lokale teams op vindplaatsen van de potentiële doelgroep, zoals buurthuizen, jongerenketen, op straat op in parken — Het geven van voorlichting op locaties waar de potentiële doelgroep collectief aanwezig is 03 Sociale (wijk)teams vijf jaar later, Movisie, 2019. GV572 151 Andersson Elffers Felix — Het inzetten van jeugdhulpprofessionals op het (speciaal) onderwijs — Het uitvoeren van huisbezoeken op afspraak of op basis van signalen van formele en informele netwerkpartners — Het inzetten van migrantenzelforganisaties We gaan er voor het onderzoek vanuit dat de toegang georganiseerd wordt als loketfunctie om zo de outreachende werking te verkleinen. Dit betekent bijvoorbeeld dat lokale teams niet meer aanwezig zijn bij scholen, buurthuizen, jongerenketen en andere vindplaatsen, tenzij ze daar voor een specifieke cliënt zijn gevraagd. Beleidstheorie van de maatregel Een belangrijk onderdeel van de beleidstheorie van de Jeugdwet is het idee dat het nuttig is om problemen vroeg te signaleren en dan zwaarder te voorkomen. Het beperken van outreachend werken heeft uiteraard het tegengestelde effect: — Doordat de toegang minder jeugdigen ziet, zullen er ook minder problemen gesignaleerd worden. Daardoor neemt het aantal jeugdhulptrajecten af, Voor een deel van deze jeugdigen zal de problematiek naar verwachting verergeren, waardoor zij later alsnog in duurdere trajecten zullen stromen. Het aantal duurdere trajecten neemt dus juist toe. — Minder outreachend werken leidt er ook toe dat de toegang minder bekend is bij jeugdigen en ouders, waardoor naar verwachting meer verwijzingen via de huisarts zullen lopen. Dit leidt mogelijk tot een toename van jeugdhulptrajecten, aangezien huisartsen minder bekend zijn met sociale basisvoorzieningen en dit dus minder snel zullen inzetten. Daarnaast is een toename van verwijzingen naar niet-gecontracteerde aanbieders te verwachten, aangezien huisartsen minder goed op de hoogte zijn van welke aanbieders door de gemeente gecontracteerd zijn. — Erzijn minder werkzaamheden voor het lokale team, waardoor de kosten voor het lokale team afnemen. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. GV572 152 Andersson Elffers Felix 1. Afname jeugdhulp trajecten Minder jeugdigen Minder bekend bij toegangs B (vroeg)signalering 2. Toename Toename EEN EEN escalaties N trajecten KM Nat laat) gebruik sociale sr: voorzieningen Inperken , Are Toegang wallie Meer verwijzingen LE Toename RA bekend bij — . 8 jeugdhulp activiteiten van R fi via de huisarts jeugdigen/ouders trajecten FA KE 5. Toename LAND AlaFl naar niet- gecontracteerde aanbieders Minder R 6. Afname kosten Afname aantal fte in werkzaamheden Jm PN RG lokale voor lokale teams teams Verwachte omvang van de besparing De EffectenArena en het diepte-onderzoek gaven weinig inzicht in deze maatregel. Wel bleek uit eerder onderzoek! dat meer dan de helft van de lokale teams onvoldoende toekomt aan outreachende activiteiten. Gemeenten die bevraagd zijn op outreachende activiteiten in het diepteonderzoek, hadden weinig inzicht in de effecten hiervan. Ook was er weinig zicht op het aantal jeugdigen dat bereikt werd met de outreachende activiteiten. Op basis daarvan is geconcludeerd dat het weinig zinvol was om vragen over effecten en aantallen op te nemen in de enquête. In de enquête is wel gevraagd naar het type outreachende activiteiten dat gemeenten uitvoerden en de doelgroep waar deze op gericht zijn. De uitkomsten van de enquête gaven het volgende beeld: — Op één gemeente na, doen alle gemeenten aan minstens één outreachende activiteit. Bijna de helft van de deelnemende gemeenten in de uitvraag is in de afgelopen jaren (vanaf 2015) méér outreachende activiteiten gaan uitvoeren. Een derde van de gemeenten geeft aan dat er nog evenveel outreachende activiteiten worden uitgevoerd als in 2015. lets minder dan 20% heeft de outreachende activiteiten beperkt in de afgelopen jaren; in enkele gemeenten gebeurde dit vanwege financiële krapte en/of te weinig capaciteit, andere gemeenten kozen hier bewust voor vanwege beleidsredenen. — De meest voorkomende activiteit staat over het algemeen los van het lokale team: 95% van de gemeenten heeft jongerenwerkers in de wijk. De overgrote meerderheid (70%) heeft hiervoor geen specifieke doelgroep gedefinieerd, maar beoogt met deze activiteit alle jeugdigen te bereiken. In de helft van de gemeenten zijn lokale teams aanwezig op 10% Sociale (wijk)}teams opnieuw uitgelicht, Movisie, 2018. GV572 153 Andersson Elffers Felix vindplaatsen. Ook dit wordt veelal breed ingezet. De brede insteek geldt ook vaak voor de andere activiteiten. Bepaalde activiteiten worden in een klein deel van de gemeenten in de uitvraag ingezet voor specifieke doelgroepen. Deze doelgroepen zijn bijvoorbeeld jeugdigen met een migratieachtergrond of hangjongeren. Het grootste gedeelte van de activiteiten worden echter voor alle jeugdigen ingezet. Het onderzoek naar de boeggolf, waarbij effectieve interventies onderzocht zijn, geeft wel aanwijzingen. — Het blijkt dat preventieve interventies binnen de Jeugdwet vaak niet tot een kostenbesparing leiden.” Naarmate preventie en vroegsignalering gericht is op het voorkomen van duurdere trajecten, worden ze kosteneffectiever. Dit punt werd herkend in het diepteonderzoek en werksessies: hierin werd verschillende keren benoemd dat het van belang is dat outreachende activiteiten gericht zijn op risicogroepen. — Gezien de uitkomsten van de enquête, waaruit blijkt dat outreachende activiteiten veelal gericht zijn op alle jeugdigen, is te verwachten dat het stoppen met outreachende activiteiten tot een besparing binnen de Jeugdwet zal leiden. Aangezien niet bekend is hoeveel jeugdigen op dit moment bereikt worden door outreachende activiteiten en van veel activiteiten onvoldoende bekend is wat het effect hiervan is, is het echter niet mogelijk om het bedrag dat hiermee gemoeid is te kwantificeren. Op grond van het volumeonderzoek is wel te verwachten dat een eventuele besparing naar aanleiding van het beperken van outreachende activiteiten zeer beperkt is. — Een toename van outreachende activiteiten zou gepaard moeten gaan met meer vroegsignalering en daarmee met een toename in de instroom in jeugdhulp. Een dergelijke toename is niet zichtbaar in de cijfers, Op basis van het volumeonderzoek kan dus geconcludeerd worden dat de outreachende activiteiten slechts beperkt effect hebben gehad op het jeugdhulpgebruik. Dat betekent dat het gecombineerde effect van effecten 1, 2 en 4 nihil is. Voor de afname in het gebruik van sociale basisvoorzieningen (effect 3) is eerder toegelicht dat dit niet goed af te bakenen is en daarom niet opgenomen wordt. Een toename van kosten voor verwijzingen naar niet-gecontracteerde aanbieders (effect 5) is niet getoetst, Dit is uiteraard ook sterk afhankelijk van de aanwezigheid van een POH-jeugd in een huisartsenpraktijk en de mogelijkheid om afspraken met huisartsen te maken. Aangezien deze jeugdigen sowieso hulp zouden krijgen, is de verwachting dat de kostentoename die hierdoor veroorzaakt wordt op gering is. Tot slot zou de maatregel volgens de doelenboom leiden tot een afname aan kosten voor lokale teams (effect 6). Zoals eerder benoemd komt meer dan de helft van de lokale teams onvoldoende toe aan outreachende activiteiten. Wel heeft meer dan de helft van de gemeenten aangegeven dat de inzet voor outreachende activiteiten is toegenomen, terwijl deze bij slechts een derde van de gemeenten is afgenomen. Naar verwachting is er dus wel enige kostenstijging - en daarmee ook potentiële besparing — gerealiseerd. Het is ingewikkeld om deze te kwantificeren. Uit de enquête blijkt dat er in de afgelopen jaren extra is ingezet op sociale lokale teams en voorliggend veld, maar dat betreft ook middelen voor de reguliere toegangs- en hulpverleningstaken. 105 Deze conclusie geldt alleen binnen de Jeugdwet; de eventuele kostenbesparing die dit op zal leveren op andere domeinen, zijn buiten beschouwing gelaten. GV572 154 Andersson Elffers Felix Effect Financieel effect 1, Afname jeugdhulp trajecten Nihil 2. Toename duurdere trajecten Nihil 3. Afname gebruik sociale basis- Nihil voorzieningen 4. Toename jeugdhulp trajecten Nihil 5. Toename verwijzingen naar niet- - (naar verwachting beperkt) gecontracteerde aanbieders 6. Afname kosten voor lokale teams - (naar verwachting beperkt) Totaal Onbekend, maar naar verwachting beperkt Incidentele kosten Laag Termijn van besparing Korte termijn Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Welzijn jeugd. Lokale teams zijn minder vindbaar en doen minder aan vroegsignalering, waardoor er minder (snel) hulpvragen komen. Dit heeft niet alleen effect op de kosten, maar ook op het welzijn van jeugdigen. Jeugdigen zullen namelijk minder snel hun weg in het zorglandschap weten te vinden waardoor problematiek kan verergeren. — Toename van gezondheidsverschillen. Als outreachend werken specifiek ingezet wordt op plaatsen waar jeugdigen meer risico hebben om problemen te hebben en niet zelf de route naar jeugdhulp weten te vinden, leidt het naar verwachting tot beter bereik van deze risicogroepen. Het inperken van outreachend werken heeft als gevolg dat deze jeugdigen minder goed worden bereikt, terwijl juist de groepen die in het systeem wel de weg weten te vinden naar hulp en ondersteuning, dit ook zonder outreachend lokaal team nog weten te vinden. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Geen substitutie. Voor deze maatregel is het uiteraard van belang dat de outreachende functie niet op een andere manier wordt ingevuld. — De toegankelijkheid van lokale teams moet gewaarborgd blijven. Jeugdigen en hun ouders moeten open toegang hebben tot de loketfunctie van de gemeente. Als dit niet geborgd is, zijn er veel meer negatieve effecten. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Minder verbinding met lokale partijen. Door het inperken van outreachende activiteiten van lokale teams is de verbinding met lokale netwerken in de buurten minder vanzelfsprekend. Daardoor bestaat het risico dat minder gebruik wordt gemaakt van GV572 155 Andersson Elffers Felix sociale basisvoorzieningen omdat men in het toegangsteam niet goed op de hoogte is van de mogelijkheden en de overdracht minder vanzelfsprekend is. — Minder opbouw van kennis. Doordat professionals van de lokale teams minder in de haarvaten van de wijk zitten en minder professionals in sociale basisvoorzieningen of van andere partijen ontmoeten, bouwen ze minder vanzelfsprekend kennis op over wat er speelt in de wijk. Daardoor bestaat het risico dat zij minder goed in staat zijn om te analyseren wat er in een wijk nodig is aan aanbod of interventies. — Verminderen werkplezier toegangsmedewerkers. Er is veel draagvlak voor de positieve werking van outreachend werken. Wanneer deze maatregel wordt geïmplementeerd, bestaat de kans dit weerstand oproept bij medewerkers. Gezien de arbeidsmarkttekorten vormt dit een risico voor de continuïteit van de dienstverlening. — Maatschappelijke kosten op andere domeinen. Als minder hulpvragen tijdig gesignaleerd worden, kan dat ook leiden tot andere problemen, zoals schooluitval of verlies van werk van één of beide ouders. Het risico bestaat dat in de Jeugdwet kosten bespaard worden, maar dat latere kosten op het gebied van participatie of in de Zvw uiteindelijk hoger uitvallen. — Minder sturingsmogelijkheden voor de gemeente. De gemeente heeft meer grip op de eigen lokale teams dan op andere verwijzers. Naarmate meer verwijzingen via de huisarts verlopen, betekent dit dat de gemeente minder mogelijkheden heeft om bij te sturen op het jeugddomein. Maatregel 6 Directe hulpverlening door lokaal team Beschrijving van de maatregel Lokale teams kunnen naast de toegangsfunctie ook zelf hulpverlening aanbieden. Op die manier hoeft niet meer altijd doorverwezen te worden naar jeugdhulpaanbieders. 77% van de lokale teams geeft aan zelf kortdurende ondersteuning te bieden. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Er wordt directe hulpverlening in het lokale team gedaan. Dit brengt uiteraard extra kosten met zich mee voor het lokale team. — Het aantal doorverwijzingen naar jeugdhulpaanbieders zal afnemen door de directe hulpverlening in het lokale team. Directe hulpverlening in het lokale team kan tegen lagere kosten dan de hulpverlening door jeugdhulpaanbieders door lagere tarieven en andere dienstverlening. — Er wordt meer hulpverlening geboden, omdat de hulp laagdrempeliger is wanneer er een hulpverlener in het lokale team zit. Dit werkt enerzijds kostenverhogend: uit een rapport van het CPB blijkt dat professionals van de lokale teams met een zorgachtergrond op het gebied van de Wmo meer doorverwijzen dan professionals met een ambtelijke achtergrond.’ Voor Jeugd zou zich een vergelijkbaar effect kunnen voordoen. Laagdrempeliger hulp bieden kan echter ook erger voorkomen, waardoor de kosten juist afnemen. — In een lokaal team is minder wachttijd, waardoor jeugdigen sneller geholpen kunnen worden. Dit voorkomt dat problemen erger worden en meer hulp ingezet moet worden. 106 Sociale (wijk)teams vijf jaar later, Movisie, 2019. 107 De wijkteambenadering nader bekeken: Het effect van de inzet van lokale teams op Wmo-zorggebruik, Centraal Planbureau, 2018. GV572 156 Andersson Elffers Felix Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. NIKO IIET NEC IE KS ETA OENE ESTE geen overdracht fe KTA Ca Oa neemt hulpverlening AA Cl AG EN 2. Hogere of lagere fe KTA Ca Oa OKKI Te EG kosten door . i 5 URE HI Directe hulpverlening door Laagdrempeligheid VOREN R 4, Minder kosten aan oorkomen escalatichg N duurdere trajecten An en _| Seep interventies Jeugdhulpprofessionals Oversignalering en 6. Extra ol AN Aeg N —_— extra — trajecten bij in lokaal team nn R doorverwijzingen aanbieders Verwachte omvang van de besparing Voor de lagere prijs van de dienstverlening (effect 1) en de veranderde kosten naar aanleiding van andere dienstverlening (effect 2) zijn de volgende elementen onderzocht: — Op basis van het diepteonderzoek en een aanvullende werksessie blijkt dat 10 — 30% van de jeugdhulp die via een lokaal team dat niet zelf hulp verleent verwezen wordt ook door een lokaal team zelf geleverd kan worden. — Uit de diepteonderzoeken bleek dat de uurtarieven van medewerkers van een lokaal team gemiddeld liggen op € 70 - 75, wat 5 - 15 % lager is dan van vergelijkbare medewerkers bij een aanbieder. Dit komt door een verschil in overhead, productiviteit en (risico)marge. Dit werd bevestigd in de enquête. — Van deze jeugdigen wordt volgens het diepteonderzoek 40 — 60% op dezelfde manier geholpen als bij een aanbieder (effect 1). Dit betreft vooral de wat zwaardere trajecten die 1- 2 jaar duren en € 4000 - € 5000 kosten. Bij de andere jeugdigen levert het lokale team andere hulp dan aanbieders (effect 2). Het belangrijkste verschil is dat het lokale team veelal eerder afschaalt, waardoor het traject 10 — 30 % goedkoper is. Uit het diepteonderzoek blijkt dat de kosten van het oorspronkelijke traject vergelijkbaar zijn met trajecten die voorkomen worden door een POH-jeugd (€ 2100 - € 2500). — Een tweede besparing is dat er geen overdracht tussen organisaties meer plaatsvindt: er hoeft geen beschikking in orde gemaakt te worden, en er is geen inhoudelijke overdracht van informatie of dubbele uitvragen nodig. Uit het diepteonderzoek blijkt dat dit gemiddeld 1 - 2 uur bespaart. 108 Het is uiteraard mogelijk om de definitie van een lokaal dusdanig uit te breiden dat het grootste deel van de jeugdhulp eronder valt. Voor deze situatie gaan we echter uit van een lokaal team dat alleen de relatief lichte trajecten oppakt. GV572 157 Andersson Elffers Felix De laagdrempeliger hulpverlening bij lokale teams leidt volgens de doelenboom tot meer hulpverlening (effect 3) en voor een deel van de jeugdigen die extra geholpen zijn tot minder escalatie (effect 4). — Uit het diepteonderzoek, aanvullende werksessies en de enquête blijkt dat 10 — 30% van de jeugdigen die hulp krijgt als het lokale team zelf hulp verleent anders geen jeugdhulp hadden gekregen. — Op hoofdlijnen zijn er twee groepen jeugdigen die deze extra jeugdhulp krijgen. = Uit de werksessies blijkt dat 70 - 80% van deze jeugdigen lichte problemen hebben die met een paar gesprekken geholpen zijn. Een traject van enkele gesprekken kost gezien de tarieven van medewerkers van een lokaal team typisch € 400 — € 600 en voorkomen als een effectieve interventie gebruikt wordt?” in 5 - 15% van de gevallen later een licht traject bij een aanbieder van € 900 - € 1.200. = De overige 20 - 30% van deze jeugdigen heeft zwaardere jeugdhulp nodig. Deze groep wordt sowieso doorverwezen, maar de drempel om naar een aanbieder te gaan is te groot. Voor deze jeugdigen is een traject van één tot twee jaar nodig dat € 4.000 - € 5.000 kost. Bij 5 — 15% van deze jeugdigen kan een preventief traject echter een zwaar traject in een later stadium voorkomen. De kosten van dergelijke trajecten *® lopen sterk uiteen, maar gemiddeld kan men uitgaan van € 10.000 - € 30.000 per jaar. Het effect van kortere wachttijden (effect 5) lijkt in de praktijk weinig te spelen. Uit het diepteonderzoek blijkt dat aanbieders over het algemeen een inschatting maken van de urgentie van het probleem bij het prioriteren van de wachtlijst. Escalatie door een wachtlijst komt daarom vooral voor bij cliënten die moeilijk te plaatsen zijn, en sowieso niet door het lokale team geholpen zouden worden. Dit effect is in de praktijk dus nihil. In de doelenboom is tot slot een effect opgenomen dat ook in het diepteonderzoek en de enquête is benoemd: hulpverlening in een lokale team kan ook juist tot meer verwijzingen kunnen leiden (effect 6). Een hulpverlener kijkt met een andere blik dan een toegangsmedewerker, wat kan leiden tot minder normaliseren en daarmee meer jeugdhulptrajecten. Zo bleek in de Wmo dat zorgaanbieders in het lokale team leidden tot meer gebruik van Wmo-voorzieningen.* Bij jeugd is niet bekend in hoeverre dit effect optreedt, en de beelden hierover zijn te divers om er een conclusie aan te verbinden. Daarom is het effect hiervan onbekend. Bovenstaande kengetallen moeten nog geëxtrapoleerd worden naar een macrobedrag. Van de in 2019 gestarte trajecten zijn volgens CBS 117.349 jeugdigen verwezen en/of behandeld door lokale teams. Conform deze maatregel zouden 11.735 — 35.205 jeugdigen door lokale teams behandeld kunnen zijn als alle lokale teams zelf direct hulp hadden verleend (zoveel als volgens het onderzoek mogelijk is). Er is gekeken naar gemeenten waarin het lokale team een kleiner percentage jeugdhulp verleende dat volgens het onderzoek mogelijk zou zijn. Dit betrof 71 gemeenten. Voor 212 gemeenten waren de aantallen verwijzingen te laag om dit te kunnen bepalen. Op basis daarvan is bepaald dat er in totaal 13.029 trajecten door het lokale 109 Het ‘succespercentage’ sluit aan bij de analyse van effectieve interventies die gedaan zijn voor de boeggolf. Van belang is om te vermelden dat het na een interventie over het algemeen wel met meer jeugdigen beter gaat dan ervoor dan de 5 —15% die hier genoemd wordt, maar bij een deel van deze jeugdigen was de problematiek vanzelf overgegaan. In dit percentage is dat verdisconteerd. 10 Het gaat om trajecten als Relationele Gezinstherapie (RGT), Multisysteemtherapie (MST), crisishulp of een behandelgroep. 1 De wijkteambenadering nader bekeken, CPB, 2019. GV572 158 Andersson Elffers Felix team uitgevoerd zouden kunnen worden in plaats van door een aanbieder ten opzichte van 2019. Daarbij is rekening gehouden met het percentage trajecten dat nu al door de betreffende lokale teams uitgevoerd wordt. Daarbij is uitgegaan van het huidige aantal jeugdigen dat met het lokale team te maken heeft gehad: voor jeugdigen die via een andere verwijsroute in de jeugdhulp terechtgekomen zijn, ligt het immers niet voor de hand dat ze jeugdhulp via het lokale team zouden krijgen. Effect Financieel effect 1. Lagere prijs dienstverlening 0,9 tot 5 miljoen 2. Hogere of lagere kosten -1tot9 miljoen 3. Extra kosten door extra activiteiten -1tot-0,3 miljoen 4. Minder kosten aan duurdere trajecten -3 tot -0,3 miljoen 5. Goedkopere interventies Nihil 6. Extra kosten voor trajecten bij aanbieders _ - Totaal -1tot 10 miljoen Incidentele kosten Hoog: inrichten andere organisatiestructuur Termijn van besparing nvt, Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Doordat professionals van de lokale teams zelf sneller en passend bij onderliggende problematiek kunnen aansluiten, kan er persoonlijk leed voorkomen worden. Daarnaast kan hulpverlening vaker nabij plaatsvinden, omdat een jeugdige bij het eigen lokale team behandeld kan worden, in plaats van dat de jeugdige direct doorgestuurd wordt naar jeugdhulp die niet altijd in de woonplaats van de jeugdige aanboden wordt. — Betere reputatie lokaal team. Doordat lokale teams zelf actie kunnen ondernemen en hulp kunnen inzetten voor jeugdigen, is de verwachting dat de reputatie verbetert. Het lokale team wordt dan de plaats waar je meteen geholpen wordt. — Meer kennis over zorgbehoeften in de wijk. De diepere connecties in en met de wijk en de verbeterde reputatie van het lokale team hebben verschillende effecten. Zo ontstaat er laagdrempeligheid waardoor jeugdigen en ouders eerder zorg vragen en problematiek voorkomen kan worden. Ook is er betere kennis over wat er speelt in de wijk, waardoor er preventief geacteerd kan worden op zorgbehoeften en bijvoorbeeld groepsaanbod kan worden ingezet vanuit sociale basisvoorzieningen. — Meer werkplezier professionals van de lokale teams. Doordat de professionals van de lokale teams zelf de ruimte krijgt om te doen wat nodig is, is de verwachting dat het werkplezier verhoogd wordt. Jeugdprofessionals hebben daarnaast bredere taken en daardoor meer de mogelijkheid om zichzelf te ontwikkelen. — Mogelijke verhoging werkbelasting bij aanbieders. Als lichte vormen van jeugdhulp door het lokale team opgepakt worden, komen alleen zwaardere gevallen nog bij GV572 159 Andersson Elffers Felix aanbieders terecht. Dit kan leiden tot een zwaardere belasting van professionals bij aanbieders. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Voldoende capaciteit bij het lokale team. Als er door wachtlijsten met het lokale team alsnog direct wordt doorgezet naar jeugdhulpaanbieders bereikt deze maatregel zijn doel niet. In de praktijk is gebleken dat dit voorkomt en dat dan het behandelen van jeugdigen als eerste op pauze wordt gezet. — Voldoende competenties bij het lokale team. Als het lokale team zelf hulp verleent, is het van belang dat een combinatie van competenties geborgd is: enerzijds moeten medewerkers in staat zijn om hulp te verlenen, maar tegelijkertijd moeten zij in staat zijn om te normaliseren en soms nee te zeggen. Deze combinatie van competenties gaat niet vanzelf samen, dus het is van belang dat medewerkers hierin geschoold worden. — Het lokale team is divers. Een gemengde samenstelling van het team waarin men elkaar kan aanvullen en helpen, is belangrijk voor het efficiënt invoeren van deze maatregel. — Goede monitoring. Het is belangrijk om de ‘voortgang’ te monitoren. Ondersteuning rond complexe vraagstukken, over de levensdomeinen vraagt erom samen te leren en anders te verantwoorden. En dat vraagt een goede monitoring. Monitoring kan ook gaan om het duiden van trends (bijvoorbeeld van schuldhulp en armoedevraagstukken) en daarvan leren, om door te kunnen ontwikkelen. Tot slot kan monitoren helpen om te ontdekken wat wel en niet werkt. — De sociale basisvoorzieningen zijn toereikend en goed verbonden met het lokale team. Er moet een goede sociale basisinfrastructuur zijn, waar je als lokaal team bij kunt aansluiten en waar overleg mee plaats vindt om het aanbod te laten aansluiten op de vraag. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Veel dubbele trajecten met als gevolg meer professionals betrokken bij een jeugdige. Het risico is dat een lokaal team wel een deel van de jeugdhulp kan bieden, maar een deel van de specialistischere jeugdhulp niet, waarvoor zij alsnog een traject starten bij een specialistische jeugdhulpaanbieder. Dit leidt tot fragmentatie van trajecten en minder doelmatige jeugdhulp. — Kennis over specifieke toegangstaken raakt versnipperd. In het onderzoek geven toegangsmedewerkers aan dat de toegang een vak apart is. Er is expertise nodig op het gebied van zorginhoud, maar ook kennis over het brede zorglandschap en wettelijke kaders, en gespreksvaardigheden om vraagstukken te normaliseren. Als medewerkers een flink deel van hun tijd bezig zijn met behandelen, doen zij minder ervaring op met de specifieke toegangstaken. Daarom hebben sommige toegangsteams die zelf hulp verlenen de taken van de toegang en die van de hulpverlening bij verschillende mensen belegd. Daarmee gaat uiteraard wel een deel van de laagdrempeligheid verloren. Maatregel 7, 8 en 9 Interdisciplinaire afweging voor specifieke groepen Beschrijving van de maatregel We onderzoeken een interdisciplinaire afweging langs de lijn van drie selectiecriteria: de duurste gezinnen, ondersteuning vanuit meerdere domeinen en een traject met verblijf. Een interdisciplinaire afweging helpt in het kijken naar de context van een jeugdige en gezin, en GV572 160 Andersson Elffers Felix bieden van maatwerk waar nodig. Afwegingen en overleggen vinden in iedere gemeente reeds plaats, maar met deze maatregelen worden er structureel en gericht interdisciplinaire afwegingen gemaakt als er sprake is van een van de drie selectiecriteria. Onderstaand beschrijven we elk van deze maatregelen apart. Duurste gezinnen Gemeenten kunnen kosten verlagen door het bieden van integraal maatwerk, vooral voor gezinnen en jeugdigen met hoge kosten. Door in de duurste gezinnen te inventariseren waar de (jeugd)hulp heengaat en een heroverweging te maken voor het gezin en/of kind, kunnen kosten voor gemeenten verminderen. Een interdisciplinaire afweging kan ook indien wenselijk als tussentijds evaluatiemoment worden ingezet waarin er wordt overwogen of de geboden zorg (nog) de meest passende zorg is voor het gezin. Ondersteuning vanuit meerdere domeinen Wanneer een gezin gebruik maakt van ondersteuning of hulp vanuit meerdere gemeentelijke domeinen, wordt er vaak per domein in isolatie een afweging gemaakt over de benodigde ondersteuning. Integrale ondersteuning vanuit meerdere domeinen is juist essentieel om te komen tot goede hulpverlening bij multiprobleemgezinnen.? Met deze maatregel wordt voorgesteld om in het geval dat er vanuit meerdere domeinen ondersteuning geboden wordt in de toegang steeds een interdisciplinaire afweging maken over de benodigde ondersteuning (ongeacht de hoogte van de kosten van de ondersteuning tot dan toe) middels een casusoverleg met (specialistische) professionals uit meerdere domeinen. Het interdisciplinair afwegen van ondersteuning van gezinnen met problemen in meerdere domeinen kan kosten besparen, doordat er aandacht is voor achterliggende oorzaken die mogelijk tot problemen in andere domeinen leiden. Traject met verblijf Jeugdhulp met verblijf is duur en het is niet altijd het meest effectief; soms komen jeugdigen in jeugdhulp met verblijf terwijl dat voor hen niet de beste oplossing is. Deze maatregel houdt in dat er een interdisciplinaire afweging wordt gemaakt (met specialistische kennis) op het moment dat er nagedacht wordt over een traject met verblijf, Op het moment dat de juiste interdisciplinaire expertise aanwezig is bij de afweging en er een eenduidige beslissing wordt genomen kan een betere keuze gemaakt worden of jeugdhulp met verblijf noodzakelijk en gewenst is. Beleidstheorie van de maatregel De beleidstheorie voor de drie maatregelen is sterk vergelijkbaar, maar er zijn wel nuanceverschillen. Daarom werken we hem hieronder voor elk van de drie apart uit. Duurste gezinnen Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Gezinnen krijgen passendere ondersteuning geboden en niet-passende hulp wordt sneller stopgezet. In bepaalde gevallen wordt zware hulp onnodig (lang) geboden, terwijl er eerder afgeschaald zou kunnen worden naar lichtere of alternatieve hulp, of wordt er te vaak met hulp ‘gestapeld’ zonder vorm van evaluatie. Door een interdisciplinaire afweging kan dit eerder gesignaleerd worden. 2 Een goed voorbeeld wat in de praktijk al wordt toegepast is de Doorbraakmethode® van het Instituut voor Publieke Waarden, wat in Den Haag is toegepast en leidde tot een kostenbesparing van 3 miljoen euro, grotendeels voor de gemeente (Sociaal Hospitaal). GV572 161 Andersson Elffers Felix — Het prioriteren en aanpakken van achterliggende oorzaken kan betekenen dat er meer vanuit hulp vanuit andere wettelijke kaders nodig is en minder vanuit de Jeugdwet. Naar verwachting zal er in eerste instantie meer kosten worden gemaakt in andere domeinen. Een effectieve aanpak van achterliggende problemen kan op termijn leiden tot minder kosten in de desbetreffende domeinen. — Het noodzakelijke casusoverleg met diverse (specialistische) professionals zal echter ook kosten met zich meebrengen. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. Tijdig stopzetten R niet-passende hulp ——— 1. Lagere trajectkosten 2. Hogere kosten in ander wettelijk kader Interdisciplinaire afweging Inzetten hulp uit voor duurste gezinnen ander wettelijk kader 3. Lagere kosten in de Jeugdwet Casusoverleg duurste gezinnen ED eee Ondersteuning vanuit meerdere domeinen Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Gezinnen krijgen passendere, integrale ondersteuning geboden en niet-passende hulp wordt sneller stopgezet. — Het prioriteren en aanpakken van achterliggende oorzaken kan betekenen dat er meer vanuit hulp vanuit andere wettelijke kaders nodig is en minder vanuit de Jeugdwet. Naar verwachting zal er in eerste instantie meer kosten worden gemaakt in andere domeinen. Een effectieve aanpak van achterliggende problemen kan op termijn leiden tot minder kosten in de desbetreffende domeinen. Het noodzakelijke casusoverleg met diverse (specialistische) professionals zullen echter ook kosten met zich meebrengen. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. Uijelig stopzetten miet 1. Lagere trajectkosten passende hulp 2. Hogere kosten in ander wettelijk kader selen Inzetten hulp uit ander bij ondersteuning vanuit ne meerdere domeinen 3. Lagere kosten in de Jeugdwet Casusoverleg ondersteuning en GV572 162 Andersson Elffers Felix Traject met verblijf Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Jeugdhulp met verblijf zal afnemen doordat er vaker alternatieve hulp in hun eigen omgeving wordt ingezet, — Ook kan het gebeuren dat er waar mogelijk een lichter jeugdhulp met verblijf traject wordt geboden. — Het noodzakelijke casusoverleg met diverse (specialistische) professionals zullen echter ook kosten met zich meebrengen. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Afname jeugdhulp met Nici del U N 2. Toename alternatieven Wegsljkemelsralaevas voor jeugdhulp met verblijf 3. Toename (lichter) en: R jeugdhulp met verblijf Interdisciplinaire afweging bij ieder traject met verblijf Casusoverleg bij verblijf 4. Kosten casusoverleg Verwachte omvang van de besparing Om de effecten van deze maatregelen te onderzoeken hebben we in het diepteonderzoek gesproken met gemeenten die ervaring hebben met een van de verschillende soorten interdisciplinaire afwegingen. In aanvulling op de gemeenten die deelnamen aan het diepte- onderzoek is daarbij ook met de gemeente Midden-Groningen gesproken. Door middel van EffectenCalculatoren zijn er daarnaast aanvullend vijf casussen in de diepte onderzocht. De uitkomsten uit de EffectenCalculatoren en de ervaringen in de gemeente Midden- Groningen met de maatregel laten zien dat het maken van een interdisciplinaire afweging vaak leidt tot passendere ondersteuning voor de jeugdigen. Zo heeft de gemeente Midden- Groningen in 2018/2019 de 300 duurste gezinnen onderzocht en interdisciplinair afgewogen welke jeugdhulp ingezet moest worden. In 22% van de gevallen werd geconcludeerd dat de lopende indicaties niet passend waren. Passendere ondersteuning blijkt echter niet altijd kostenbesparend te zijn. In het ene geval worden er kosten bespaard doordat problematiek eerder verholpen wordt, in een ander geval is de nieuwe ondersteuning zwaarder en duurder. Voor de maatregel is het in beginsel niet nodig dat elke casus die interdisciplinair afgewogen wordt tot een besparing leidt. Er zijn echter weinig gegevens van de totale effecten als gedurende langere periode structureel de casussen die voldoen aan de criteria GV572 163 Andersson Elffers Felix interdisciplinair afgewogen worden. Niet alle gemeenten die deze maatregel al enige tijd structureel uitvoeren hebben daar gegevens over beschikbaar. Daarbij laten de bestudeerde casussen zien dat de verschillen in effecten redelijk groot kunnen zijn, waarmee op deze basis geen betrouwbare inschattingen gegeven kunnen worden. Om goed inzicht te verkrijgen in de effecten vraagt eigenlijk longitudinaal onderzoek over een groot aantal casussen, waarin verschillende manieren van afweging tussen gemeenten worden vergeleken. Op basis van de gesprekken in het diepteonderzoek blijkt dat de interdisciplinaire afweging niet altijd op dezelfde manier ingericht hoeft te worden. De invulling van een casusoverleg kan variëren van een vast, vaak tweewekelijks, overleg tot een ad hoc overleg op het moment dat een verwijzer of case manager besluit hulp in te roepen van mensen met een andere discipline. Uit het diepteonderzoek blijkt dat het bespreken van één casus doorgaans 30-45 minuten duurt, Daarnaast wordt een casus vaak door de deelnemers van het overleg voorbereid en is er ter afronding van enkele deelnemers nog inspanning nodig. Er wordt dus verwacht dat één casus gemiddeld 1 uur aan inspanning vergt van alle deelnemers. Het aantal personen dat aanwezig is tijdens een overleg blijkt te verschillen; dat varieert van enkele personen tot 12 personen per casus. Effect Financieel effect 1. Lagere trajectkosten (maatregel 7 en 8) / Onbekend 1. Afname jeugdhulp met verblijf (maatregel 9) 2. Hogere kosten in ander wettelijk kader Onbekend (maatregel 7 en 8) / 2. Toename alternatieven voor jeugdhulp met verblijf (maatregel 9) 3. Lagere kosten in de Jeugdwet (maatregel 7 Onbekend en 8) / 3. Toename (lichter) jeugdhulp met verblijf (maatregel 9) 4. Kosten casusoverleg (maatregel 7, 8en9) Onbekend Totaal Onbekend Incidentele kosten Laag Termijn van besparing Middellang Kwalitatieve effecten Uit het onderzoek blijkt er geen kenmerkend verschil te zijn tussen de kwalitatieve effecten voor de verschillende soorten interdisciplinaire afwegingen die we onderzoeken. De volgende kwalitatieve effecten gelden voor alle drie de soorten van interdisciplinair afwegen: — Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Door het interdisciplinair afwegen kan problematiek passender aangepakt worden, waardoor er persoonlijk leed voorkomen wordt. Ouders kunnen door middel van de interdisciplinaire afwegingen mogelijk ook meer deelgenoot zijn van de afweging. Dit zal ten goede komen aan het welzijn van de jeugdige en de motivatie in het gezin. GV572 164 Andersson Elffers Felix — Meer en/of betere overlegmomenten voor jeugdzorgprofessionals. Als er interdisciplinaire afwegingen plaatsvinden, zullen er ook veel overleggen plaats moeten vinden. Dit is tijd die men minder kan besteden aan het daadwerkelijk hulpverlenen. Er wordt echter niet verwacht dat dit een afbreuk doet aan het werkplezier van professionals, omdat de tijd beter wordt ingezet om een zo goed mogelijke keuze voor een jeugdige te maken. — Betere samenwerking en mogelijkheid om van elkaar te leren. In een interdisciplinair overleg zijn afgevaardigden met verschillende disciplines en organisaties aanwezig. Dit draagt positief bij aan de samenwerking tussen betrokken partijen. Men is intensiever bezig met gezamenlijke casussen, waardoor ieders eigen vakkennis gedeeld wordt en men elkaar beter leert kennen. Het netwerk van professionals groeit hierdoor, waardoor de drempel voor professionele consultatie over het algemeen lager wordt. — Bijdrage aan transformatie (paradigmashift/ander zorglandschap), doordat professionals anders gaan kijken en er meer ingezet zal worden op ondersteunen van ‘eigen kracht’ en een heldere stip op de horizon voor jeugdigen, waar nodig met creatieve oplossingen. Daarnaast kan er met een interdisciplinaire afweging grondiger gekeken worden naar oorzakelijke factoren, wat helpend kan zijn in het krijgen van meer kennis over de oorzaak van bepaalde problemen en handelingsperspectief hierin op een eerder moment. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregelen het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Het team dat een interdisciplinaire afweging maakt, heeft een vaste samenstelling, maar er zijn waar nodig makkelijk specialisten te betrekken. Afhankelijk van de casus is er een groep specialisten beschikbaar die kunnen ondersteunen in het afwegingsproces en breed zicht hebben op de sociale kaart . Dit moet makkelijk en snel te regelen zijn. Met name bij de interdisciplinaire afweging bij ondersteuning vanuit meerdere domeinen is de verwachting dat het betrekken van specialisten nodig is. De vaste groep professionals heeft ervaring met het interdisciplinair afwegen en heeft mandaat binnen de eigen organisatie(s). — Focus op vertrouwen. Professionals hebben vertrouwen in elkaars professionaliteit nodig om samen een goede afweging te kunnen maken. Hier moet aandacht aan worden besteed bij het opzetten van de casusoverleggen. In dit kader is het ook van belang om de kosten wel mee te wegen, maar alleen in relatie tot de effectiviteit van de hulp. Daarnaast is vertrouwen in het team dat de afweging maakt vanuit de eigen organisaties (ook op bestuurlijk niveau) en vanuit de ouders belangrijk. — Een afgebakende regiehouder in iedere casus. In de groep professionals die de interdisciplinaire afweging maakt, moet een duidelijke, goed toegeruste regiehouder op het geheel van ondersteuning voor een jeugdige worden aangemerkt. In de praktijk blijkt dit vaak de verwijzer te zijn. — Passende financiering. De financiering moet ruimte bieden voor oplossingen die buiten één domein vallen. Interdisciplinair afwegen en handelen vereist financiële mogelijkheden voor maatwerk. Ook moet er voldoende ruimte zijn voor innovatie en ontwikkeling/leren in het afwegingsteam, en het ontwikkelen van samenwerking. Denk hierbij bijvoorbeeld aan tijd voor reflectie, evaluatie en professionele consultatie, en de juiste overlegcultuur (‘elkaars taal leren spreken’). — Beschikbaarheid van zorg. In de praktijk blijkt de gekozen ondersteuning als gevolg van een interdisciplinaire afweging niet altijd beschikbaar te zijn. De beschikbaarheid van die passende zorg is een belangrijke randvoorwaarde voor deze maatregel. GV572 165 . Andersson Elffers Felix Risico’s van de maatregel Er zijn geen noemenswaardige inhoudelijke risico’s benoemd bij deze maatregelen. Wel is het van belang de randvoorwaarden goed te borgen: als niet de juiste professionals aan tafel zitten of kostenverlaging te pregnant als doel wordt meegegeven, kan dit tot de verkeerde afwegingen leiden. Daarnaast kent de maatregel beperkingen: als de oplossing gezocht moet worden buiten jeugdhulp of zelfs buiten het gemeentelijk domein, zijn de mogelijkheden beperkt door de medewerking van andere afdelingen of financiers. Maatregel 10 Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband (zoals MKD’s en KDC’s) naar reguliere kinderopvang of bso met extra ondersteuning Beschrijving van de maatregel De afgelopen jaren is op verschillende plekken ervaring opgedaan met het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar een meer reguliere setting, zoals een kinderopvang of bso. Hier zijn verschillende vormen voor: — Bij kinderen met een relatief lichte hulpvraag (tot kinderen die normaal gesproken naar een MKD zouden gaan) volstaat het om enkele keren per jaar een groepsobservatie te doen door een jeugdhulpprofessional en een consultatiefunctie te bieden, zodat de kennisbasis binnen de kinderopvang of bso voldoende versterkt wordt om het kind de juiste ondersteuning te bieden. — Bij kinderen met een zwaardere hulpvraag, die gewoonlijk typisch naar een KDC zouden gaan, is meer ondersteuning nodig. Kinderen die op een KDC zitten gaan - zeker als ze onder de Jeugdwet vallen - niet naar school en/of naar de BSO, In de berekening is dus uitgegaan van het verplaatsen van de jeugdhulp naar kinderopvang, en niet van het verplaatsen van jeugdhulp naar school en BSO. Op de kinderopvang is continu een jeugdhulpprofessional op de groep aanwezig, die in samenwerking met de pedagogisch medewerkers van de kinderopvang zorgt dat de jeugdige voldoende begeleid wordt, Waar nodig kan er vanuit de KDC/moederorganisatie van de jeugdhulpprofessional andere expertise worden geconsulteerd, Beide varianten hebben als gevolg dat er meer kinderen op een reguliere kinderopvang of bso kunnen blijven en er meer inclusieve opvang mogelijk is. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Het inzetten van jeugdhulpprofessionals op een groep op de kinderopvang of bso maakt het mogelijk dat meer jeugdigen naar een reguliere opvang kunnen in plaats van een kinderdienstencentrum (KDC) of medisch kinderdagverblijf (MKD), Daardoor verschuiven kosten van KDC/MKD naar de kinderopvang of bso. De jeugdhulpkosten nemen ook af: alleen de hulp hoeft immers bekostigd te worden, de kosten voor de aanwezigheid op de groep vallen onder de kinderopvang. — De reguliere kinderopvang gaat voor ouders met kosten gepaard, waar dit bij opvang vanuit MKD/KDC niet het geval is. Deze maatregel verhoogt dus de kosten voor ouders van deze kinderen, wat kan leiden tot zorgmijding. — De maatregel bevordert de onderlinge samenwerking tussen kinderopvang of bso en jeugdhulp, en kan zo helpen in het ontwikkelen van een sterke pedagogische basis waarbij medewerkers bij kinderopvang of bso meer mogelijkheden hebben op problemen in de ontwikkeling van een kind zelf op te lossen. Dit leidt tot minder jeugdhulp. — Daarnaast kunnen problemen in de ontwikkeling eerder gesignaleerd worden, wat kosten later kan voorkomen. De tegenkant hiervan is uiteraard dat ook meer oversignalering kan plaatsvinden. GV572 166 Andersson Elffers Felix Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Afname kosten MKD/KDC Ken LDD 2. Toename kosten PN oe met ondersteuning in reguliere dai kinderopvang/bso ondersteuning AL PEEN) Zorgmijding door kosten 8 van jeugdhulp in kinderopvang/bso van Em 3. Mee dus groepsverband aud meer dure trajecten naar reguliere kinderopvang of bso met Al Meer mogelijkheden ondersteuning problemenzelfopte gag 4. Minder lichte jeugdhulp lossen Kennisontwikkeling medewerkers kinderopvang/bso 5. Minder escalaties, dus minder dure trajecten 6. Meer oversignalering, dus meer lichte trajecten Verwachte omvang van de besparing Voor deze maatregelen kwamen uit het diepteonderzoek en literatuuronderzoek betrouwbare resultaten. Uit de enquête kwamen echter weinig antwoorden: gemeenten die aangaven dit te doen, konden geen aantallen opgeven over hoeveel kinderen het betrof, of hoeveel er in totaal in de betreffende gemeente op een KDC of MKD zaten. Daarom baseren we de berekening op het diepteonderzoek., Bij het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar reguliere kinderopvang of bso hangt de afname van kosten in de daghulp (effect 1) sterk samen met de toename van kosten voor jeugdhulp op de locatie van de kinderopvang of bso (effect 2). Beide effecten reflecteren dat in dat geval de hulp nog steeds betaald wordt door de gemeente, maar dat de opvangcomponent betaald wordt door de ouders (die hiervoor een tegemoetkoming krijgen via de belastingdienst of de gemeente). We maken voor beide effecten onderscheid naar de doelgroep die op een KDC zit en de wat lichtere doelgroep die op een MKD zit of gebruik maakt van andere jeugdhulp in groepsverband. — Op grond van eerder onderzoek!“ en het diepteonderzoek blijkt dat het aantal jeugdigen op een KDC dat onder de Jeugdwet valt 3.600 - 3.630 is. Uit eerder onderzoek!“ volgt de verwachting dat 20 - 30% van deze jeugdigen ook geholpen zou kunnen worden met jeugdhulp op een kinderopvang. Dit wordt ook genoemd in het diepteonderzoek. Er zijn op dit moment onvoldoende data beschikbaar om dit effect in de praktijk al te observeren en kwantificeren. H3 Het KDC-landschap in 2019, AEF, 2019. Mi Passende kinderopvang als effectief alternatief, AEF, 2016. GV572 167 Andersson Elffers Felix — De kosten voor deze zorgtrajecten zijn lager dan gemiddeld op een KDC, aangezien het om een relatief lichte groep gaat. Uit het diepteonderzoek volgt dat het om kosten gaat van € 45.000 - € 55.000 per jaar. — Voor jeugdigen die nu nog naar het KDC gaan, gaan we er op basis van het diepteonderzoek vanuit dat een fulltime jeugdhulpprofessional toegevoegd wordt aan het team van de kinderopvang, en dat deze uit het jeugdhulpbudget betaald wordt. Deze staat op een groep met 4 KDC-jeugdigen, en een aantal reguliere jeugdigen. Incidenteel wordt andere expertise vanuit het KDC ingezet. Dat leidt tot kosten van € 18.000 - € 22.000 per jaar voor inzet van jeugdhulp op een kinderopvang. — Het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van een MKD is niet direct beschikbaar. Wel is bekend dat in totaal volgens CBS-StatLine 6.313 - 6,328 jeugdigen tot 7 jaar gebruik maken van jeugdhulp op de locatie van een aanbieder. Dit is naar verwachting naast de KDC-doelgroep vooral de MKD-doelgroep of vergelijkbaar, die daarmee geschat wordt op 2.689 — 2.721. Op basis van eerder onderzoek! en het diepteonderzoek is de verwachting dat 40 - 60 % van de MKD-doelgroep ook binnen een reguliere kinderopvang of bso terecht zou kunnen. Er zijn op dit moment onvoldoende data beschikbaar om dit effect in de praktijk al te observeren en kwantificeren. — De kosten voor MKD-zorg zijn volgens het diepteonderzoek en enquête gemiddeld € 27.000 - € 33.000 per jaar. Voor jeugdigen die naar een bso zouden gaan, is dit de helft, aangezien zij de helft van de tijd op school zitten. Hoewel deze vorm (bso + MKD) over het algemeen geen MKD genoemd wordt, komt hij wel voor. De groep is wel veel kleiner dan de groep die hele dagen op een MKD zit; de inschatting is dat het 0 - 10% van de totale groep betreft. — Voor MKD-jeugdigen is het niet nodig dat er constant een jeugdhulpprofessional aanwezig is: veelal wordt dit vormgegeven met extra coaching voor en enige extra inzet door de pedagogisch medewerkers op de kinderopvang, aangevuld met enkele groepsobservatie en voor een deel van de jeugdigen enkele individuele sessies, Volgens het diepteonderzoek komen deze kosten gemiddeld uit op € 2,500 per jaar, waarbij er gezien de aard van de extra inzet geen onderscheid is tussen kinderopvang en bso. Het risico van zorgmijding (effect 3) blijkt in de praktijk ondervangen te worden door de financiële tegemoetkoming die ouders krijgen voor hun kinderopvangkosten vanuit de belastingdienst. Voor ouders die onvoldoende uren werken om hiervoor in aanmerking te komen, zetten gemeenten een tegemoetkoming op basis van een Sociaal Medische Indicatie (SMI) in, of soms bijzondere bijstand. Daarmee is het effect nihil, Wel betekent dit dat de gemeente deze tegemoetkoming moet betalen. Deze kosten vallen buiten de Jeugdwet, en zijn daarom niet meegenomen in de berekening. De kennisontwikkeling van medewerkers op de kinderopvang of bso (effect 4, 5 en 6) wordt in het diepteonderzoek benoemd als beperkt. De reden hiervoor is dat kennisoverdracht in de praktijk lokaal is en vaak niet structureel. Dit komt enerzijds door de tijdelijke inzet van jeugdhulpprofessionals en anderzijds de inzet op specifieke groepen met kinderen die extra ondersteuning vragen. Pedagogisch medewerkers op andere groepen, en zeker bij andere locaties, krijgen de kennis niet mee. Dat dit leidt tot minder jeugdhulptrajecten door kennisontwikkeling in het algemeen (effect 4) is daarmee onwaarschijnlijk en we schatten dit effect in op nihil, Voor meer signalering (effect 5 en 6) geldt hetzelfde, omdat dit in den brede vraagt dat medewerkers op de kinderopvang en bso vaardigheden op doen waarmee ze sneller signalering dat kinderen zich anders ontwikkelen of bepaalde problemen hebben en er Hs Passende kinderopvang als effectief alternatief, AEF, 2016. GV572 168 Andersson Elffers Felix zo vroeger bij zijn. In de huidige situatie worden ernstige problemen wel al herkend, maar is het eerder signalering van lichte afwijkingen door tijdelijke of lokale ondersteuning door jeugdhulpprofessionals onwaarschijnlijk, wat we daarmee op nihil zetten. Effect Financieel effect 1. Afname kosten MKD/KDC 71 tot 98 miljoen euro 2. Toename kosten ondersteuning in reguliere -26 tot -17 miljoen euro kinderopvang/BSO 3. Meer escalaties, dus meer dure trajecten Nihil 4. Minder lichte jeugdhulp Nihil 5. Minder escalaties, dus minder dure Nihil trajecten 6. Meer oversignalering, dus meer lichte Nihil trajecten Totaal 49 tot 78 miljoen euro Incidentele kosten Middel, afhankelijk van medewerking van de kinderopvang Termijn van besparing Middellange termijn Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Betere toegankelijkheid. De stap naar een jeugdhulpprofessional op de kinderopvang kan door ouders als laagdrempeliger ervaren worden. — Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Er wordt benoemd dat leer-, opvoed- en opgroeiproblemen eerder worden gesignaleerd en besproken, waardoor er persoonlijk leed voorkomen wordt. Dit zal ten goede komen aan het welzijn van de jeugdigen. — Meer passende en inclusievere opvang. Door (zo nodig) jeugdhulp toe te voegen aan de kinderopvang kunnen meer kinderen op de reguliere kinderopvang blijven. Kinderen met en zonder een beperking of ontwikkelingsstoornis komen daardoor meer met elkaar in contact. Dit kan voor de kinderen met een beperking stimulerend werken. De andere kinderen leren dat kinderen met een beperking bestaan en leuke speelkameraadjes zijn. Inclusievere opvang kan zo bijdragen aan een inclusievere maatschappij. — Meer expertise bij pedagogisch medewerkers. Effect van deze maatregel is dat de pedagogisch medewerkers meer ervaring opdoen met het signaleren van en omgaan met jeugdhulpproblematieken. Voor pedagogisch medewerkers die extra uitdaging zoeken, heeft dit een positief effect op het werkplezier van de medewerker. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Kinderopvang/bso moet bereid zijn om samen te werken. Kinderopvangorganisaties staan over het algemeen niet onder gemeentelijke regie, hoewel er in het kader van GV572 169 Andersson Elffers Felix Vroeg- en Voorschoolse Educatie (VVE) wel contact is. De maatregel is afhankelijk van de bereidheid van deze organisaties om eraan mee te werken. — Samenwerkingsafspraken tussen jeugdhulp, kinderopvang/bso en gemeente. Jeugdhulp werkt anders dan veel aanbieders van kinderopvang of bso. Dat komt tot uiting in verschillende cao’s en verschillende kwaliteitseisen *®, maar ook in verschillen in organisatiecultuur. Voor een (commerciële) kinderopvang/bso betekent een dergelijke stap ook een (financieel) risico, terwijl de jeugdhulporganisatie een deel van de regie kwijtraakt en moet uitvinden hoe kwalitatief goede jeugdhulp geleverd kan worden in de nieuwe setting. Beide partijen moeten dus in het diepe springen. Het is van belang om hier goed het gesprek over aan te gaan en duidelijke samenwerkingsafspraken te maken met voldoende waar borgen voor beide partijen. — Integratie van jeugdhulp op de kinderopvang/bso. De taken van de jeugdhulp moeten zodanig opgezet worden dat het geïntegreerd is in de kinderopvang, en door jeugdigen en ouders zo min mogelijk als een drempel wordt ervaren. Dit is van belang om normaliserend te kunnen werken. Tegelijkertijd moet de privacy van een jeugdige niet geschonden worden. Ook hier moet uitdrukkelijk over worden nagedacht bij de implementatie van deze maatregel. — Pedagogisch medewerkers met specifieke competenties. Niet alle pedagogisch medewerkers op kinderopvang of bso zijn geschikt voor deze groepen. Medewerkers moeten affiniteit hebben met ontwikkelvraagstukken en kinderen met een beperking, en hebben relatief goede analytische en contactuele vaardigheden nodig om te kunnen zien wat een kind nodig heeft. Het is dus van belang om op deze groepen medewerkers te hebben die gemotiveerd raken door de extra uitdaging. — Goede communicatie met de andere ouders. Voor ouders van ‘reguliere’ kinderen kan het in eerste instantie wennen of zelfs schrikken zijn dat hun kind in contact komt met kinderen met een beperking. Goede communicatie hierover is van belang om te zorgen dat ouders er de meerwaarde van inzien. — De jeugdhulpprofessional op de kinderopvang moet voldoende tijd krijgen, om iets te betekenen voor kind/gezin en voldoende ondersteuning te kunnen bieden om inzet van andere jeugdhulp te beperken dan wel gericht in te zetten. Geef professionals de ruimte en tijd om in hun rol te groeien en een nieuw vakmanschap onder de knie te krijgen. — Inzet van jeugdhulpprofessionals met kennis van het zorglandschap en normaliseren. Het implementeren van deze maatregel kan tot vroegsignalering leiden. Het vereist echter goede, ervaren professionals met kennis over het zorglandschap (zoals sociale basisvoorzieningen) om oversignalering te voorkomen. — Voldoende capaciteit van jeugdhulpprofessionals en pedagogisch medewerkers. Gezien de diverse behoeften aan ondersteuning van jeugdigen die voorheen op een MKD/KDC zaten, is het belangrijk dat er voldoende capaciteit is van jeugdhulpprofessionals om te voorzien in de behoefte van de jeugdige en groep. Dit is echter bij de huidige MKD/KDC'’s ook het geval, immers ook op deze groepen is er overcapaciteit of ondercapaciteit afhankelijk van de zorgzwaarte., — Mogelijkheid tot Sociaal Medische Indicatie. Met het verlenen van een Sociaal Medische Indicatie (SMI) kan kinderopvang worden ingezet voor ouders met beperkte middelen en inzet van (veel duurdere) specialistische jeugdhulp worden voorkomen. Dit is inmiddels mogelijk via de reguliere route. In de praktijk blijkt echter dat de uitvoering nog hapert, en niet alle gemeenten zijn het erover eens dat SMI hiervoor ingezet moet worden. Het 16 Kinderopvang is veelal meer gereguleerd dan jeugdhulp wat betreft bijvoorbeeld eisen aan de locatie en leidster/kindratio. GV572 170 . Andersson Elffers Felix vraagt bewustzijn en uniformering van deze werkwijze binnen een gemeente om dit goed te kunnen inzetten. — Aansluiting op onderwijs. Verplaatsen van de opvang van een MKD/KDC naar bso is alleen zinvol als de jeugdigen de rest van de dag naar onderwijs kunnen. Anders moet namelijk de infrastructuur bij de jeugdhulpaanbieder volledig in stand gehouden worden voor de ochtend, en staat die leeg in de middag. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Zorgmijding door eigen bijdrage. De aanwezigheid van de eigen bijdrage voor de reguliere kinderopvang/bso kan ervoor zorgen dat ouders ervoor kiezen om de jeugdigen niet te laten deelnemen in de reguliere kinderopvang. De mogelijkheid van de Sociaal Medische Indicatie is eerder benoemd als randvoorwaarde voor ouders die de financiële middelen niet hebben om de drempel weg te halen, maar voor ouders die wel de financiële middelen hebben, kan de eigen bijdrage een drempel vormen. Naast het effect op (latere) zorgkosten kan dit ook leiden tot blijvende schade bij de jeugdigen, wat zowel tot uiting kan komen in levensgeluk als in hogere kosten in andere domeinen (zoals Zvw of participatie). Maatregel 11 Inzet van jeugdhulpprofessionals in het (regulier of speciaal) onderwijs Beschrijving van de maatregel Met deze maatregel wordt voorgesteld schoolteams te verbreden met een jeugdhulpprofessional, zoals (afhankelijk van de schoolpopulatie) medewerkers van een lokaal team, jeugdhulp- en/of zorgorganisaties. Het doel van de maatregel is om problematiek op scholen eerder te signaleren en lichte problematiek direct aan te kunnen pakken. Vroegsignalering kan bijvoorbeeld bij ziekteverzuim of oppositioneel gedrag sneller plaatsvinden, waarbij gekeken kan worden naar de oorzaak en bijbehorende hulp die nodig is, Ook kan er vanuit het onderwijs in groepsverband worden ingezet op selectieve preventie, bijvoorbeeld weerbaarheidstrainingen. Deze maatregel kan zowel voor het regulier als speciaal onderwijs toegepast worden, waarbij de inzet afhankelijk van primair of voortgezet onderwijs/MBO anders kan zijn en de impact kan verschillen. Ook kan de vorm waarin de maatregel wordt toegepast verschillen, zowel middels het deels ‘detacheren’ van een medewerker van het jeugdteam op scholen, als het opzetten van een schoolhulpteam met hierin ook een jeugdhulpprofessional. De basis- jeugdhulp kan laagdrempelig op school plaatsvinden en daarmee kan de bestaande zorgstructuur op scholen worden versterkt. Voor specialistische jeugdhulp zal de school voornamelijk een vindplaats blijven. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Erzijn uiteraard kosten omdat de jeugdhulpprofessionals betaald moet worden. — Inzet van jeugdhulpprofessionals op regulier en speciaal onderwijs biedt mogelijk een laagdrempeligere vorm van zorg voor jeugdigen en ouders. Dit kan leiden tot een toename van signalering van zorgbehoefte, mogelijk zowel in de vorm van vroegsignalering als oversignalering. Vroegsignalering kan leiden tot een afname in het volume van jeugdhulp, omdat escalaties worden voorkomen. Oversignalering zal hier naar verwachting voornamelijk resulteren in meer jeugdigen die door de GV572 171 Andersson Elffers Felix jeugdhulpprofessionals gezien worden; het financiële effect is dus onderdeel van de kosten van deze jeugdhulpprofessionals. — Minder verwijzingen naar duurdere, intensieve jeugdhulp doordat de jeugdhulpprofessionals zelf een deel van de problematiek oplossen en kijken waar groepsaanbod ingezet kan worden als vorm van selectieve preventie, Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. Minder NEET CRS overhead fe KT AVE Ca Oa Andere 2. Hogere of lagere elisie LOERT Meer 3. Extra kosten door hulpverlening extra activiteiten Vroegsignalering en laagdrempeligheid Voorkomen 4. Minder kosten aan Inzet van jeugdhulp- escalaties duurdere trajecten professionals in het (regulier of speciaal) oneervijk Selectieve preventie Afname 5: Afname jeugdhulp . R —_—— door selectieve in groepsverband problematiek N Te AA IS Afname dubbelingen 6. Afname jeugdhulp in hulpverlening door minder dubbele door betere AN samenwerking 7. Niet-cliëntgebonden kosten jeugdhulp- professionals op scholen Verwachte omvang van de besparing Deze maatregel hangt samen met zowel maatregel 1 als maatregel 6, omdat grotendeels dezelfde jeugdigen worden bereikt met deze maatregelen en de jeugdhulpprofessionals uit de lokale teams komen. Dit geldt specifiek voor effect 1 en 2, omdat het effect van substitutie van jeugdhulp door een jeugdhulpprofessional op een school vervalt als dit effect ook behaald wordt door inzet op een POH-jeugd en een lokaal team dat direct hulp verleent. Gemeenten die dus zowel alle jeugdigen toegang bieden tot een POH-jeugd als tot een lokaal team wat hulp verleent, zullen het effect van substitutie door inzet van een jeugdhulpprofessional op school niet zien. — Voor de mate waarin jeugdhulpprofessionals op school trajecten van jeugdhulpaanbieders kunnen overnemen, sluiten we aan bij de resultaten van maatregel 6 (hulpverlening door het lokale team): 10 - 30%, Er is geen reden om aan te nemen dat dit percentage voor deze populatie anders ligt. — Aansluitend bij maatregel 6 hanteren we uurtarieven van jeugdhulpprofessionals in een lokaal team op € 70-75, wat 5 - 15 % lager is dan van vergelijkbare medewerkers bij een aanbieder, GV572 172 Andersson Elffers Felix — Conform maatregel 6 wordt bij lokale teams 40 - 60% van deze jeugdigen volgens het diepteonderzoek 40 - 60% op dezelfde manier geholpen als bij een aanbieder (effect 1). Dit betreft vooral de wat zwaardere trajecten die 1 - 2 jaar duren en € 4000 - € 5000 kosten. Bij de andere jeugdigen schalen jeugdhulpprofessionals uit lokale teams eerder af aanbieders (effect 2), waardoor het traject 10 — 30 % goedkoper is. Uit het diepteonderzoek blijkt dat de kosten van het oorspronkelijke traject vergelijkbaar zijn met trajecten die voorkomen worden door een POH-jeugd (€ 2100 - € 2500).De trajecten die voorkomen worden bedragen tussen de € 2100 en € 2500. — Het aantal verwijzingen naar de huisarts zal met de komst van een jeugdhulpprofessional op school afnemen. De inschatting op basis van dit onderzoek en ervaring is dat 40 à 70 % van de jeugdigen die bij de huisarts (of POH-jeugd) komen indirect vanuit school wordt verwezen. Gemeenten met een POH-jeugd kunnen verwachten dat het aantal jeugdigen bij de POH-jeugd zal afnemen en de effecten hiervan geringer worden met inzet van jeugdhulpprofessionals op school. School is vanzelfsprekend een vindplaats waar veel problemen gevonden kunnen worden, aangezien bijna alle jeugdigen op school zitten. Het inzetten van jeugdhulpprofessionals op scholen leidt daarmee tot zowel laagdrempeligere hulp als vroegsignalering van problemen bij jeugdigen die anders niet zelf met een hulpvraag naar een huisarts of lokaal team waren gegaan. Dit leidt tot meer hulpverlening (effect 3) en voor een deel van de jeugdigen die extra geholpen zijn tot minder escalatie (effect 4). Essentieel onderdeel hiervan is het goed kunnen inschatten van welke jeugdigen gebaat zijn bij vroegtijdig extra hulp en ondersteuning om het percentage oversignalering zo laag mogelijk te houden. — We schatten in dat 1-3 % van alle jeugdigen op school met vroegsignalering door jeugdhulpprofessionals zal worden bereikt. — Deze populatie heeft voor het overgrote deel lichte problemen. We gaan er vanuit dat het aantal jeugdigen bij wie een zwaar jeugdhulptraject kan worden voorkomen zeer laag is met wat je op school extra signaleert, Dit komt grotendeels omdat deze jeugdigen wel bij de huisarts, JGZ of lokaal team in beeld komen. Daarnaast wordt dit deels veroorzaakt doordat je mogelijk wel problemen voorkomt bij jeugdigen die niet in jeugdhulp zitten, maar die dus doorgaans geen jeugdhulptraject krijgen op een later tijdstip, waardoor dit niet resulteert in een afname van zware jeugdhulptrajecten. = Een traject van enkele gesprekken kost, gezien de tarieven van medewerkers van een lokaal team, typisch € 400 — € 600 en voorkomt als een effectieve interventie gebruikt wordt in 5 - 15%!''van de gevallen later een licht traject bij een aanbieder van € 900 - € 1.200. Er wordt nog weinig tot niet ingezet op het aanbieden van selectieve preventie in groepsverband (effect 5). Dit effect nemen we nu niet mee in het doorrekenen van deze maatregel, Het effect van het voorkomen van dubbele hulp (effect 6) wordt niet herkend in de diepteonderzoeken en lijkt in de praktijk niet te spelen. 7 Het ‘succespercentage’ sluit aan bij de analyse van effectieve interventies die gedaan zijn voor de boeggolf. Van belang is om te vermelden dat het na een interventie over het algemeen wel met meer jeugdigen beter gaat dan ervoor dan de 5 —15% die hier genoemd wordt, maar bij een deel van deze jeugdigen was de problematiek vanzelf overgegaan. In dit percentage is dat verdisconteerd. GV572 173 Andersson Elffers Felix De kosten door niet-cliëntgebonden overleggen van jeugdhulpprofessionals op scholen komen nog bovenop de cliëntgebonden kosten die in de hierboven beschreven effecten worden meegenomen. — We schatten op basis van informatie uit de diepteonderzoeken dat dit om gemiddeld 1 à 2 uur per week gaat per school, met een gemiddeld uurtarief van € 70 - 75. — We rekenen met 8768 scholen, waarbij zowel primair, voortgezet als speciaal onderwijs is meegenomen? Bovenstaande kengetallen moeten nog geëxtrapoleerd worden naar een macrobedrag. Momenteel wordt er door diverse gemeenten al ingezet op jeugdhulpprofessionals op scholen, waarbij we zien dat gemiddeld ongeveer 80 à 100 % van de leerlingen in de gemeente hiermee wordt bereikt op basis van de enquête onder gemeenten. Binnen dit onderzoek kunnen we op basis van de enquête nog onvoldoende inschatten of deze gemeenten de hulp al zodanig hebben ingericht dat de beschreven effecten al worden bereikt, maar we hebben wel gemeenten die school of sociaal maatschappelijk werk of vergelijkbaar inzetten niet meegerekend in deze maatregel. Hier nemen we aan dat er met de inzet van jeugdhulpprofessionals meer jeugdhulp voorkomen en/of gesubstitueerd kan worden. Effect Financieel effect 1. Lagere prijs dienstverlening 0,2 tot 2 miljoen 2. Hogere of lagere kosten -0,7 tot 3 miljoen 3. Extra kosten door extra activiteiten -19 tot -5 miljoen 4. Minder kosten aan duurdere trajecten Nihil 5. Afname jeugdhulp door selectieve Nihil preventie 6. Afname jeugdhulp door minder dubbele Nihil hulp 7. Niet-cliëntgebonden kosten jeugdhulp- -29 tot -14 miljoen professionals op scholen Totaal -42 tot -21 miljoen Incidentele kosten Middel Termijn van besparing n.v.t Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: 18 Scholen en schoolbesturen leveren hun gegevens aan DUO. Hiervan wordt een maandelijks ververst en gepubliceerd adressenbestand gemaakt. De bestanden voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs zijn gebruikt. GV572 174 Andersson Elffers Felix — Meer expertise bij onderwijsprofessionals. Het inzetten van jeugdhulpprofessionals leidt tot lokale kennisbevordering onder onderwijsprofessionals op het gebied van jeugdhulpproblemen. Dit leidt naar verwachting tot sneller signaleren en beter kunnen omgaan met jeugdigen dit soort problemen. Daarnaast hebben zij door de aanwezigheid van een jeugdhulpprofessional de mogelijkheid om laagdrempelig advies te vragen. Als onderwijsprofessionals zich capabeler voelen op dit gebied, heeft dit een positief effect op het werkplezier. — Betere toegankelijkheid van (jeugd)hulp. De stap naar een jeugdhulpprofessional op scholen is voor jeugdigen laagdrempeliger en daarmee gemakkelijker dan contact op te nemen met het lokale team/jeugdhulp. — Normalisering. De jeugdhulpprofessional kan op de scholen in gesprek gaan met ouders en jeugdigen over dat sommige problematieken bij het leven horen, en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar niet van uitgesloten zijn. — Meer continuïteit/samenhang in voorzieningen voor jeugdhulp en onderwijs, waardoor ondersteuning beter afgestemd kan worden aangeboden. Dit biedt mogelijkheden om breder te kijken dan het individu en in te zetten op collectief aanbod voor problemen die vaak voorkomen op een school. Het investeren in selectieve preventie gericht op risicogroepen is van grote waarde en kan juist op scholen (buiten schooltijd) plaatsvinden, waardoor het laagdrempelig is en toegespitst op de lokale prioriteiten. — Minder verzuim en vroegtijdige schoolverlating van de jeugdigen. De baten van deze maatregel vallen niet alleen in het jeugddomein. Naar verwachting leidt deze maatregel tot minder schoolverzuim, doordat problemen eerder gesignaleerd, laagdrempeliger en meer gericht opgepakt kunnen worden. Doordat er sneller/breder contact is met de jeugdige, is er meer zicht op de specifieke context en behoeften van de jeugdige. Door hierop in te spelen is de kans kleiner dat een jeugdige thuis komt te zitten of vroegtijdig school verlaat, Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — De school moet akkoord zijn dat er een jeugdhulpprofessional op school is. De mogelijkheid om de maatregel uit te voeren, hangt uiteraard sterk af van de medewerking van de school. De school moet de jeugdhulpprofessional toelaten in de eigen structuur, en ook voor een ruimte zorgen waar gesprekken gevoerd kunnen worden. — Integratie van jeugdhulp met het onderwijs. De taken van de jeugdhulp moeten zodanig opgezet worden dat het geïntegreerd is op school, en door jeugdigen en ouders zo min mogelijk als een drempel wordt ervaren. Dit is van belang om normaliserend te kunnen werken. Tegelijkertijd moet de privacy van een jeugdige niet geschonden worden. Ook hier moet uitdrukkelijk over worden nagedacht bij de implementatie van deze maatregel, — Afstemming docenten en jeugdhulpprofessionals. Om te voorkomen dat docenten zich verantwoordelijk gaan voelen voor jeugdhulptaken, is het belangrijk dat docenten en jeugdhulpprofessionals hun taken blijven afstemmen en afbakenen. — Inzet van jeugdhulpprofessionals met kennis van het zorglandschap. Het implementeren van deze maatregel kan tot vroegsignalering leiden. Het vereist echter goede, ervaren professionals met voldoende inhoudelijke expertise en kennis over het zorglandschap (zoals de sociale basisvoorzieningen) om dit effect te bereiken. Dat voorkomt oversignalering, wat juist tot hogere kosten kan leiden. — De jeugdhulpprofessional op de scholen moet ook voldoende tijd krijgen, om iets te betekenen voor kind/gezin en voldoende ondersteuning te kunnen bieden om inzet van GV572 175 . Andersson Elffers Felix andere jeugdhulp te beperken dan wel gericht in te zetten. Geef professionals de ruimte en tijd om in hun rol te groeien en een nieuw vakmanschap onder de knie te krijgen. — Goede samenwerkingsafspraken tussen gemeenten, jeugdhulpaanbieders en scholen. Om deze maatregel effectief te laten zijn is het belangrijk dat alle betrokken partijen duidelijkheid hebben over taken en verantwoordelijkheden. Het is helpend om de jeugdhulp vaker beschikkingsvrij toegankelijk te maken. Als je voor kortdurende ambulante begeleiding/behandeling of psychische hulp op school een beschikking nodig hebt, is dat erg bureaucratisch, — Stel eisen aan de jeugdhulppartijen t.a.v. samenwerking en terugkoppeling van de voortgang van de begeleiding/behandeling en zo nodig het eindadvies aan de scholen. Zorg ervoor dat jeugdhulppartijen kennis nemen van de praktijk op school in de klas, zodat zij hier met hun behandeling en eindadvies rekening mee kunnen houden. Vaak wordt dagelijks of wekelijks één op één begeleiding geadviseerd, wat een school nauwelijks kan bieden. — Durven differentiëren tussen scholen. Ondersteuning moet worden ingericht o.b.v. behoefte van de school. Niet overal is immers dezelfde ondersteuning nodig, het is van belang om te kijken naar de samenstelling van de populatie en specifieke vraagstukken in de school en wijk. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Onvoldoende draagvlak voor samenwerking. Deze maatregel vereist goede samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Het zal per school sterk verschillen welke voedingsbodem er ligt voor een goede samenwerking. Risico is dat er in sommige scholen onvoldoende basis of draagvlak is om (binnen afzienbare tijd) een dergelijke functie te ontwikkelen. — Jeugdhulpprofessional wordt te snel ingeschakeld. Idealiter wordt de jeugdhulpprofessional ingeschakeld op de momenten dat het onderwijs er niet zelf uitkomt. Docenten kampen echter met hoge werkdruk, dus bestaat het risico dat ingewikkelde leerlingen snel doorgestuurd worden naar de jeugdhulpprofessional als deze beschikbaar is, en docenten hier zelf juist minder verantwoordelijkheid in pakken. — Stigmatisering als gevolg van inzet groepsaanbod vanuit selectieve preventie. Er is zorgvuldigheid in de selectie van ‘risicogroepen’ nodig. Het kan nadelige gevolgen hebben als jeugdigen een bepaalde stempel krijgen, welke ook op school bij docenten bekend is. Voorzichtigheid en oog voor de privacy zijn van belang als het gaat om selectieve preventie als gevolg van jeugdhulp op school, zeker als er informatie- uitwisseling plaatsvindt tussen school en jeugdhulp. Maatregel 12 Afbakening Jeugdwet met onderwijs verhelderen Beschrijving van de maatregel In sommige gevallen is er onduidelijkheid over de afbakening tussen de verantwoordelijkheden van het onderwijs, en de jeugdhulpplicht. Dat leidt tot veel overleg over die leerlingen waarbij niet voldoende duidelijk is wie welke verantwoordelijkheid heeft. Daarnaast leidt dit tot een groep cliënten die eigenlijk onder verantwoordelijkheid valt van het onderwijs, maar nu jeugdhulp ontvangt of andersom. Beleidstheorie van de maatregel We onderscheiden twee werkzame mechanismen waarmee een scherpere afbakening effect heeft op de kosten van uitvoering van de Jeugdwet: enerzijds de hogere kosten van GV572 176 Andersson Elffers Felix coördinatie en overleg door de onduidelijkheid, en anderzijds de kosten van hulp die nu vanuit de Jeugdwet verleend wordt maar eigenlijk onder het onderwijs zou vallen of andersom. Organisatorische overleggen Het aantal overleggen en aanwezigen in de samenwerking tussen gemeente en onderwijs zal verminderen wanneer de afbakening duidelijker is en tot minder discussie leidt, Dit leidt tot lagere uitvoeringskosten. Naast de kosten voor overleg zijn er natuurlijk de kosten om daadwerkelijk de hulp te bieden. Deze veranderen naar verwachting niet met deze maatregel. Verschuiving van kosten voor hulp van Jeugdwet naar onderwijs of andersom Een verschuiving van kosten voor hulp van de Jeugdwet naar het onderwijs of andersom kan op verschillende manieren. — Onderwijs-zorgarrangementen (OZA): in de praktijk blijkt dat sommige kinderen met een complexe zorgvraag op school soms moeilijk meekomen. Dit kan leiden tot veel discussie tussen gemeenten en onderwijs over wie waar verantwoordelijk voor is of welk aanbod voorliggend is: zorg of onderwijs(ondersteuning). Terwijl het voor deze kinderen vaak gaat om de combinatie van beiden. Onderwijs- zorgarrangementen kunnen hier een uitkomst in zijn. Momenteel verkennen het ministerie van VWS en OCW, wat hoe er meer ruimte kan komen om te komen tot deze combinatie, waarbij financiering een belangrijk vraagstuk is. De resultaten hiervan worden op korte termijn verwacht. — Zorg in onderwijstijd: vooral in het speciaal onderwijs cluster 3 en 4 hebben leerlingen op school extra zorg nodig. Momenteel wordt onderzoek gedaan naar regionale pilots rondom collectieve financiering en naar de inzet van zorgarrangeurs. Dit moet duidelijkheid bieden over de kosten van zorg in onderwijstijd en zo bijdragen aan het inzetten van de collectieve financiering van zorg in onderwijstijd!” Uit dit onderzoek zal dan ook moeten blijken wat de financiële gevolgen hiervan zijn voor de uitvoering van de Jeugdwet, Gezien de tijdslijn van dit onderzoek kunnen we de resultaten hiervan niet meenemen in het onderhavige onderzoek. Op basis van eerder onderzoek is het vermoeden echter dat een herziene afbakening een maar zeer beperkte besparing zal opleveren. Scope van de maatregel in het onderzoek Gezien de onderzoeken die lopen, heeft de stuurgroep om dubbelingen te voorkomen besloten om afbakeningsvraagstuk niet apart in het huidige onderzoek te onderzoeken. Relevante uitkomsten zullen wel in de rapportage geschetst worden. De focus in het onderzoek ligt daarom op het effect van een scherpere afbakening op de kosten die gepaard gaan met het aantal organisatorische overleggen. De verschuiving van kosten voor hulp van Jeugdwet naar onderwijs valt buiten de scope van dit onderzoek. Daarom is ook geen doelenboom opgenomen: in het onderzoek is alleen de capaciteit in beeld gebracht die gemoeid is met de overleggen, zonder een aanname te doen over hoe de afbakening uit zal pakken. Verwachte omvang van de besparing Binnen deze maatregel is het tweede effect afhankelijk van de afbakening die gekozen wordt tussen jeugdhulp en onderwijs. De stuurgroep heeft besloten dat het niet zinvol is om hier in dit onderzoek een voorstel voor te doen, aangezien er andere trajecten lopen vanuit OCW en H8 https://www.dsp-groep.nl/projecten/zorg-in-onderwijstijd/. 20 Onderzoek Berenschot Inzicht Zorg in Onderwijstijd. GV572 177 Andersson Elffers Felix VWS. Een afbakening definiëren in dit onderzoek zou geen recht doen aan de complexiteit van het vraagstuk. De hoeveelheid overlegtijd over onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen jeugdhulp en onderwijs (effect 1) berekenen we als volgt: — Erzijn verschillende overleggen, zowel op casusniveau als overkoepelend. De verdeling tussen deze overleggen verschilt per gemeente/samenwerkingsverband. Uit het diepteonderzoek blijkt echter dat de tijdsbesteding gemiddeld 0,5 - 1,5 uur per kind is als er sprake is van onduidelijkheid over de verantwoordelijkheidsverdeling. In de enquête geeft meer dan de helft van de gemeenten aan dat dit meer tijd kost. Dat komt vooral door het feit dat dit typisch lastige casussen zijn, met veel betrokken partijen. Met inachtneming hiervan houden we een gemiddelde vergadertijd van 1,5 - 2,5 uur per kind aan. — Bij een dergelijk overleg nemen we aan dat er gemiddeld 2-3 personen vanuit gemeente betrokken zijn, vanuit domein jeugd, domein onderwijs en domein openbare orde en veiligheid met een gemiddeld uurtarief van € 70 - € 80, — Uit het diepteonderzoek en de enquête blijkt het ongeveer 0,2% - 0,4% van de jeugdigen in het onderwijs te betreffen. Landelijk komt dat neer op 4.840 — 9.683 jeugdigen. Hierin is onder andere het aantal jeugdigen met dyslexie een groot aandeel. — Op basis van de diepteonderzoeken en reële schattingen is de verwachting dat een betere afbakening van jeugdhulp en onderwijs leidt tot ongeveer 40 - 60 % afname van het aantal overleggen over verantwoordelijkheidsverdeling. Een belangrijke kanttekening is dat het de overleggen over afbakening ook deels gaan over dat gemeenten soms niet outreachend genoeg werken, met name als er geen actieve hulpvraag is vanuit cliënt. Scholen hebben een zorgplicht en komen ook in contact met leerlingen als er geen actieve hulpvraag is. Dit leidt tot andere signalering van behoeften dan een lokaal team van gemeenten. Een deel van de overleggen gaat hierover, en niet over afbakening per se. Dit soort overleggen zullen blijven bestaan, vandaar ook de inschatting dat er een afname kan zijn van ongeveer 40 à 60 % van de overleggen. 1, Minder overleg tussen onderwijs en 0,7 tot 2 miljoen euro gemeenten over wie welke verantwoordelijkheid heeft 2. Verschuiving van kosten voor hulp van - Jeugdwet naar onderwijs of andersom Totaal 0,7 tot 2 miljoen euro Incidentele kosten Middel Termijn van besparing Korte termijn, op het moment dat de afbakening helder is Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: GV572 178 Andersson Elffers Felix — Tevredenheid jeugdigen en ouders. Als helderder is wie verantwoordelijk is, versnelt dit naar verwachting de doorlooptijden tot de start van de hulp, en hebben ouders en jeugdigen minder het gevoel ‘tussen wal en schip te vallen’. Dit is een positief effect voor jeugdigen en hun ouders. Daar staat tegenover dat een helderder afbakening het risico met zich meebrengt dat partners strikter volgens de vastgestelde lijnen gaan handelen, waardoor bepaalde maatwerkoplossingen voor jeugdigen die niet “in een hokje passen’ juist lastiger worden. — Effect op werkplezier betrokken professionals. Een duidelijkere afbakening leidt hoogstwaarschijnlijk tot minder discussie en overlegtijd, waardoor er meer tijd overblijft om te besteden aan het primaire proces. Dit leidt naar verwachting tot meer werkplezier bij de betrokken professionals in het onderwijs en in de jeugdhulp. Anderzijds, als een jeugdhulpprofessional minder ruimte ervaart om hulp te verlenen die formeel niet binnen de Jeugdwet valt maar wel nodig is, kan dat een negatief effect hebben op het werkplezier van de jeugdhulpprofessional. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Goede samenwerking en afstemming tussen betrokken onderwijs en gemeenten. Om de maximale effectiviteit van deze maatregel te behalen is het belangrijk dat er geïnvesteerd wordt in goede samenwerkingsafspraken tussen gemeenten en scholen. — Heldere landelijke afbakening tussen onderwijs en de Jeugdwet. Het vraagt een landelijk traject met de betrokken stakeholders om te komen tot een herziene afbakening die meer duidelijkheid schept over wat onder onderwijs en wat onder de Jeugdwet valt. Daarnaast is het van belang dat helder over deze afbakening gecommuniceerd wordt, zodat alle betrokkenen ervan op de hoogte zijn. Risico’s van de maatregel Als het lukt deze maatregel op een goede manier te implementeren, brengt hij weinig risico’s met zich mee, Het gesprek over een goede afbakening loopt echter al enige tijd. Het is dus niet duidelijk of het mogelijk is om tot een heldere afbakening te komen. Als de afbakening inhoudelijk niet goed is, is het mogelijk dat er kinderen tussen wal en schip vallen, wat tal van negatieve effecten met zich meebrengt. Maatregel 13 Werken met een budgetplafond Beschrijving van de maatregel Het inzetten van een budgetplafond wordt in diverse gemeenten gedaan. Bij een budgetplafond wordt een maximum bedrag toegekend per aanbieder, waarvoor de aanbieder de totale jeugdhulp moeten verlenen. Soms worden ook budgetplafonds per zorgvorm gehanteerd; daar gaan wij voor deze maatregel echter niet van uit. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — De maatregel biedt een prikkel voor aanbieders om de kosten te beperken, waardoor zij mogelijk scherpere keuzes maken over instroom, afschalen en uitstroom. Dit leidt tot een afname in het aantal trajecten, en tot een verschuiving van duurdere naar goedkopere trajecten. Deze scherpere keuzes kunnen ook leiden tot meer terugval en meer escalaties, waardoor er een toename in het aantal zware en dure trajecten ontstaat, — De prikkel voor aanbieders tot kostenbeperking kan ook leiden tot ‘cherry picking’: aanbieders die jeugdigen met complexe problematiek niet meer (in dezelfde mate) GV572 179 Andersson Elffers Felix aannemen omdat zij hun budgetplafond bereiken. Dat kan leiden tot langere wachttijden voor deze jeugdigen, waardoor zij uiteindelijk zwaardere en duurdere trajecten nodig hebben. — Wanneer het budgetplafond bij een aanbieder wordt bereikt, zullen hierover gesprekken gevoerd worden tussen aanbieder en gemeente. Dit zorgt voor meer overhead en overlegkosten. Als het bereiken van het budgetplafond tot langere wachtlijsten leidt, is een toename in duurdere trajecten te verwachten als gevolg van meer escalaties. Aan de andere kant kan een deel van de problematiek bij cliënten op de wachtlijst vanzelf oplossen, wat tot een afname in het aantal trajecten leidt, — Hetinstellen van een budgetplafond voorkomt onbeheerste groei van aanbieders, wat tot een afname van het aantal jeugdhulptrajecten leidt, Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Verschuiving van duurdere naar goedkopere trajecten Scherpere keuzes over > AEmE late trajecten EEn Clan uitstroom . Meer risico op 3. Toename SA FAT NN — duurdere aanbieders om escalaties Le: fte In} fe CR eK) else EG 4. Toename Ren nn TT EKE gemiddelde duur Adank fee lnal 1 Ta Ean Werken met een jeugdigen trajecten budgetplafond Een deel van de 5. Afname problematiek Gm jeugdhulp- lost vanzelf op trajecten WEES ce) 6. Toename Bij een deel van Meer escalaties pm duurdere de aanbieders trajecten wordt het plafond bereikt LG Ee ancam UNE aanbieder, soms en overle ook in de politiek a BMR hd 8. afname aantal bh TO trajecten aanbieders Verwachte omvang van de besparing Een verschuiving van duurdere naar goedkopere trajecten (effect 1) blijkt zich in de praktijk niet voor te doen. Uit het diepteonderzoek is gebleken dat een budgetplafond er niet toe leidt dat aanbieders scherpere keuzes maken over instroom of uitstroom van cliënten. De reden hiervoor is dat deze beslissingen in de uitvoering genomen worden. Professionals zijn relatief ongevoelig voor dergelijke financiële prikkels: een kind in de spreekkamer telt nu eenmaal zwaarder dan een (anoniem) kind op de wachtlijst. Dit beeld wordt breed bevestigd in de uitvraag: slechts één aanbieder heeft aangegeven naar aanleiding van een budgetplafond strakker te zijn gaan sturen op duur van trajecten. GV572 180 Andersson Elffers Felix Aan de instroomkant (effect 2) en daarmee ook het risico op escalatie (effect 3) is het beeld genuanceerder: — Uit het diepteonderzoek bleek dat een budgetplafond in de praktijk niet ‘hard’ is, en dat jeugdigen veelal alsnog bij andere aanbieders terechtkunnen of dat het plafond opgehoogd wordt. — Aanbieders gaven in de uitvraag wel aan dat ze terughoudender werden met instroom van nieuwe cliënten. Over het algemeen gebeurt dit pas wanneer een plafond (bijna) bereikt wordt, — Gemeenten geven echter een ander beeld. Enerzijds geeft iets meer dan de helft van de gemeenten met een budgetplafond aan dat er wachtlijsten ontstaan als het plafond bereikt wordt. Anderzijds geven nog meer gemeenten aan dat op dat moment het budget voor specifieke aanbieders opgehoogd wordt, maatwerkafspraken gemaakt worden voor specifieke casuïstiek, of dat jeugdigen niet op de wachtlijst komen, maar ondergebracht worden bij een andere aanbieder. Er is geen enkele gemeente in de enquête die een wachtlijst heeft laten ontstaan zonder extra acties om jeugdigen alsnog te voorzien van jeugdhulp. — Dit suggereert dat een budgetplafond op individuele aanbieders veel meer effect heeft dan op de kosten van de gemeente. Desondanks wordt er weinig bijgestuurd tot het plafond (bijna) bereikt is, Op dat moment ziet de gemeente zich voor een voldongen feit gesteld, en wordt vaak alsnog extra budget beschikbaar gesteld voor specifieke gevallen, of wordt gezocht in de ruimte van andere aanbieders, Een budgetplafond is daarmee beperkt effectief als beheersinstrument voor de instroom: als het lager gesteld is dan de vraag, wordt op het laatste moment een opnamestop ingesteld, met vaak een aanpassing van het budget als gevolg. Dit is ook een gevolg van de politieke omgeving die de gemeente is: een raadsvergadering een rechte rug houden terwijl de betreffende cliënt in het publiek zit, is voor een wethouder politiek gezien zeer risicovol, dus het is gemeenten er veel aan gelegen om een dergelijke situatie te voorkomen. — De conclusie is daarmee dat het effect op de instroom zeer beperkt is. Dat geldt daarmee uiteraard ook voor het risico op escalatie. Hiermee is niet uitgesloten dat dit effect in combinatie met andere maatregelen wel kan bijdragen aan een besparing. Zo zijn er voorbeelden waarbij contractmanagement een budgetplafond gebruiken om aanbieders gedurende het jaar aan te spreken op hun instroom. In beginsel is hier bij een constructieve relatie echter geen budgetplafond voor nodig. Een toename van cherry picking (effect 4) is in het diepteonderzoek door gemeenten noch aanbieders die ervaring hebben met een budgetplafond herkend. Ook uit de enquête blijkt dat er weliswaar tal van redenen zijn dat cliënten niet geaccepteerd worden, maar dat een budgetplafond daar niet aan bijdraagt. Bij het bereiken van het plafond wordt er over het algemeen een oplossing gevonden, en ontstaan er slechts beperkt wachtlijsten (effect 5 en 6). De gesprekken die hierover gevoerd worden (effect 7) worden meestal meegenomen in de reguliere accountgesprekken. Een enkele keer leiden ze tot lange procedures, maar dit gebeurt niet op grote schaal. Aangezien cliënten relatief vaak naar andere aanbieders doorgeleid wordt, kan een budgetplafond wel voorkomen dat aanbieders snel groeien (effect 8). Bijna 20% van de gemeenten geeft in de enquête aan te maken te hebben met aanbieders waar de omzet sterk van steeg, terwijl zij twijfels hadden over de meerwaarde van de jeugdhulp die de betreffende aanbieders leverden. Een budgetplafond kan dit ‘lek’ uiteraard dichten. Het is niet bekend hoeveel dit zou besparen. Het is sowieso een oneigenlijke manier om een budgetplafond te GV572 181 Andersson Elffers Felix gebruiken: dergelijke aanbieders zouden immers niet gecontracteerd moeten worden. Een budgetplafond is hier een suboptimaal instrument voor, aangezien het ook gewenste innovatie voorkomt. Effect Financieel effect 1. Verschuiving van duurdere naar Nihil goedkopere trajecten 2. Afname trajecten Nihil 3. Toename duurdere trajecten Nihil 4. Toename gemiddelde duur en intensiteit Nihil trajecten 5, Afname jeugdhulp-trajecten Nihil 6. Toename duurdere trajecten Nihil 7. Toename kosten overhead en overleg Nihil 8. Afname aantal trajecten - Totaal Nihil Incidentele kosten Middel Termijn van besparing nvt, Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Negatief effect op ervaring jeugdigen en ouders. Deze maatregel leidt naar verwachting tot meer wachttijden en lagere keuzevrijheid voor cliënten, omdat de aanbieders die hun plafond behalen geen jeugdigen meer kunnen toelaten. Dit zal een negatief effect hebben op de ervaring van jeugdigen en ouders. In de praktijk speelt wel mee dat er vaak een uitzondering mogelijk is in gemeenten via commissies passend alternatief. — Mate van innovatie in de jeugdhulp. Als gevolg van het meer centraal stellen van budgetbeheersing in jeugdhulporganisaties, kan er minder innovatie ontstaan binnen aanbieders. Aan de andere kant is het mogelijk dat aanbieders juist innovatiever worden, omdat ze geprikkeld worden om goedkopere alternatieven te ontwikkelen en in te zetten. — Grotere verschillen in wachtlijsten jeugdhulp tussen gemeenten en aanbieders. Budgetplafonds leiden tot wachtlijsten in de gemeente waar ze van kracht zijn. Hiermee kunnen de verschillen in wachtlijsten voor jeugdhulp tussen gemeenten en aanbieders groter worden. Zo kunnen de verschillen in wachtlijsten voor jeugdhulp bij een aanbieder groter worden tussen verschillende gemeenten. — Meer frustratie bij verwijzers. Als gevolg van het budgetplafond treden er, zeker later in het jaar, meer behandelstops op. De mate waarin verwijzers naar aanbieders van hun keuze kunnen verwijzen is dus afhankelijk van de periode in het jaar, wat tot een gevoel van onrechtvaardigheid kan leiden. GV572 182 Andersson Elffers Felix Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Het budgetplafond moet gebaseerd zijn op een visie en passen bij de vraag. Wanneer er enkel naar de budgetten van voorgaande jaren wordt gekeken, is de kans groot dat er trends en ontwikkelingen gemist worden, waardoor het inzetten van budgetplafonds niet de wenselijke sturing oplevert. Andersom zijn ook knelpunten te verwachten — zowel financieel als in de kwaliteit van zorg — als budgetplafonds te ver afliggen van de vraag naar jeugdhulp. — Actieve datamonitoring door gemeenten. Gemeenten moeten hun data blijven monitoren, om inzicht te behouden in trends en ontwikkelingen. — Toegankelijkheid voor acute situaties borgen. Jeugdigen met acute problemen moeten op korte termijn ergens terechtkunnen, ofwel bij een andere organisatie ofwel via aparte financiering. — Wachtlijstmanagement. Het kan voorkomen dat er bij één aanbieder een wachtlijst is en bij een andere niet. Inzicht in actuele wachtlijsten - al of niet ten gevolge van het budgetplafond — en actieve sturing op doorverwijzing naar andere aanbieders is van belang om te voorkomen dat jeugdigen onnodig lang op de wachtlijst staan. — Actief contractmanagement. Zoals uit de doelenboom blijkt, bestaat het risico op ongewenste effecten. Deze kunnen tegengegaan worden door hier in contracten bepalingen over op te nemen en hier aandacht aan te besteden in het contractmanagement. — Voldoende (politiek) draagvlak en een rechte rug. Bij wachtlijsten naar aanleiding van een budgetplafond zijn raadsvragen te verwachten met cliënten die het betreft in de zaal, Als hieraan toegegeven wordt, werkt het instrument uiteraard niet. — De sociale basisvoorzieningen zijn toereikend. Een budgetplafond vraagt om de aanwezigheid van sociale basisvoorzieningen, omdat de kans groter is dat wachtlijsten toenemen en problematieken kunnen verergeren. Sterke sociale basisvoorzieningen zouden dit effect kunnen dempen. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Minder passende jeugdhulp. Wanneer budgetplafonds bereikt worden, moeten jeugdigen langer wachten op hulp of andere (soms minder passende) hulp accepteren. Dit kan leiden tot meer escalaties. Naast extra kosten brengt dit ook persoonlijk leed met zich mee. — Inzet van duurdere hulp. Zeker bij budgetplafonds per zorgvorm, maar in sommige gevallen ook bij budgetplafonds per aanbieder bestaat het risico dat verwijzers de wachtlijst omzeilen door cliënten naar duurdere hulp te verwijzen. In dat geval leidt een budgetplafond tot ondoelmatigheid. Maatregel 14 Resultaatgericht financieren per traject Beschrijving van de maatregel Bij resultaatgericht financieren krijgen aanbieders betaald aan de hand van het behaalde resultaat. Dit is een systeem dat is ingevoerd door West-Brabant-West, waar het leidde tot een kostenbesparing. Dit systeem is vervolgens gekopieerd door andere gemeenten, waar in een aantal gevallen de kosten juist toenamen. GV572 183 Andersson Elffers Felix Bij resultaatgericht financieren spreken toegang en jeugdhulpaanbieder aan het begin van een traject met de jeugdige en gezin af welk resultaat zij samen willen behalen. Het budget dat een aanbieder voor het traject krijgt, wordt aan het begin vastgesteld aan de hand van enkele standaard prijzen. Het budget is op cliëntniveau dan ook vaak niet passend. Gemiddeld over een groter aantal cliënten zou dat wel zo moeten zijn. Er worden in verschillende regio’s verschillende keuzes gemaakt in de rol die toegang en aanbieders: in sommige regio’s bepaalt de aanbieder het budget, in andere de toegang. Over het algemeen hebben aanbieders binnen een bepaald profiel een aannameverplichting voor een kind. Eén aanbieder is voor het eindresultaat verantwoordelijk. Als de aanbieder dat resultaat niet alleen kan betalen, kan een onderaannemer ingeschakeld worden. De hoofdaanbieder krijgt het eerste deel van het budget vooraf en het tweede deel aan het einde, In sommige regio’s wordt het tweede deel alleen uitbetaald bij behaald resultaat (te bepalen door de toegang), andere zijn hier minder strikt mee. Over het algemeen geldt een ‘terugneemgarantie”: als een jeugdige zich binnen een bepaalde tijd na afronding van het traject opnieuw meldt met hetzelfde probleem, moet de oorspronkelijke aanbieder de behandeling hervatten zonder hiervoor extra middelen te ontvangen. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Door het resultaat aan de voorkant helder te definiëren, kan het jeugdhulptraject efficiënter ingericht worden. Een aandachtspunt daarbij is wel dat er voldoende mogelijkheid moet blijven om bijkomende of achterliggende problematiek te signaleren. Anders wordt deze onterecht niet geadresseerd, waardoor problemen later kunnen verergeren. — Door een vaste trajectprijs hebben aanbieders een prikkel om de trajectduur te beperken. Dit leidt tot scherpere keuzes over afschalen en uitstroom, waardoor trajecten korter worden. Door de terugneemgarantie wordt voorkomen dat de hulp te snel wordt afgeschaald of beëindigd. Naar verwachting heeft dit pas op lange termijn effect op de prijzen: wellicht kunnen deze kunnen op termijn naar beneden bijgesteld worden als blijkt dat sommige trajecten standaard korter kunnen. — Aan het eind van het traject wordt getoetst of het resultaat behaald is. Dit leidt tot minder terugval, en dus een afname van het aantal trajecten. Het resultaat moet wel vastgelegd en getoetst worden, wat een extra administratieve handeling betekent. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het concretiseren van het resultaat niet alleen een administratieve handeling is, maar ook zorginhoudelijk betekenis heeft, — Omdat de verantwoording per traject is, hoeven geen uren per cliënt meer verantwoord te worden. Dit vermindert de administratieve lasten. — Door het systeem van hoofd- en onderaannemers is er op cliëntniveau ontschotting van verschillende typen hulp. Daardoor wordt de hulp effectiever, en zou het aantal cliënten af moeten nemen. Het hoofd- en onderaannemerschap brengt wel extra administratieve lasten met zich mee, omdat aanbieders (financiële) afspraken moeten maken over hun samenwerking. GV572 184 Andersson Elffers Felix Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Goedkopere trajecten Resultaat aan de Menn ericht O hank d TO er Ondersignalering Kell td Ten Ene gemiddelde duur problemen bij Kg en intensiteit van dezelfde trajecten door jeugdige escalatie Prik voor eeu 3. Kortere trajecten EAN — ES Keien kosten per cliënt afschalen of : de kosten) te beperken uitstroom Minder terugval KR asl abekaalkln trajecten Resultaatgericht Toen op financieren per Knensn Voor traject bus Vastleggen Ks resultaten voor Se eamame gemeente voor a . administatieve en na traject ak Verantwoording Gen NAG RN —__ NGE Eene per traject e uren per cliënt lasten R 7. Afname aantal En BN Effectievere hulp trajecten door minder terugval Samenwerking OEE Nd rl Tat onderaannemers tussen 8. IV EERDE EKE (inhoud en lasten aanbieders financiën) Verwachte omvang van de besparing De ervaringen met resultaatgericht financieren geven een zeer wisselend beeld. Sommige regio’s geven aan dat het hun geholpen heeft met grip krijgen op jeugdhulp en het beheersen van de kosten, in andere lijkt het weinig effect op de kosten gehad te hebben, en er zijn ook regio’s waar de kosten sterk toenamen na de invoering van resultaatgericht financieren, Het is daarom niet mogelijk om conclusies te trekken over het effect van deze maatregel. Wel geven we onderstaand een duiding van de (deel)resultaten. Over het effect op de trajectprijs (effect 1) verschillen de meningen tussen aanbieders en gemeenten: van beide groepen geeft een groot gedeelte aan dat resultaatgericht bekostigen niet leidt tot een verandering in de trajectprijs. Er zijn echter relatief veel gemeenten die aangeven dat de prijzen eerder omhoog dan omlaag gaan, terwijl dat bij aanbieders juist andersom is, GV572 185 Andersson Elffers Felix — Gemeenten vinden over het algemeen niet dat resultaatgericht financieren leidt tot lichtere inzet van jeugdhulptrajecten: een aantal gemeenten geeft zelfs aan dat trajecten eerder zwaarder en duurder worden dan goedkoper. — De helft van de aanbieders in de uitvraag die ervaring hebben met deze maatregel, geven aan dat de trajectprijzen gemiddeld gezien gelijk blijven als er gekozen wordt voor resultaatgericht financieren, Een derde geeft aan dat trajecten gemiddeld goedkoper worden. De rest geeft aan dat trajecten gemiddeld duurder worden. Het risico dat bepaalde problematiek niet gesignaleerd wordt (effect 2) lijkt niet te spelen: driekwart van de aanbieders die ervaring heeft met resultaatgericht financieren geven aan dat de maatregel er niet toe leidt dat de inhoud van het traject verandert, De meeste aanbieders die de inhoud wel veranderen, geven aan dat op cliëntniveau gekeken wordt of iets niet ingezet hoeft te worden. Slechts enkele aanbieders geven aan dat zij meer op zoek gaan naar de ondergrens in wat er nodig is om kwaliteit te leveren. Voor een verandering in werkwijze die op den duur tot lagere kosten zou leiden (effect 3) is het nog te vroeg. Er zijn echter op dit moment weinig signalen dat de dienstverlening zo verandert dat dit een grote rol kan spelen. Zo zien aanbieders geen verschil in de trajectduur, De mogelijkheid dat jeugdigen minder terugvallen (effect 4) kan lastig onderzocht worden, omdat deze gegevens maar beperkt beschikbaar zijn. Daarnaast zijn gegevens lastig vergelijkbaar: bij een terugval binnen een aantal maanden, geldt het immers als hetzelfde traject, waar dat voorheen niet zo was. In de enquête ziet bijna drie kwart van de aanbieders die ervaring heeft met deze maatregel geen verandering in de mate waarin jeugdigen terugvallen na een traject. Waar aanbieders wel verandering zien, geven ze over het algemeen aan dat er minder terugval is, maar dat dit meer met kwaliteit van zorg te maken heeft dan met de bekostigingssystematiek. Over het effect op de administratieve lasten (effect 5 en 6) verschillen de meningen. Uit het diepteonderzoek volgt dat de administratieve lasten die hiermee samenhangen vergelijkbaar zijn met andere modellen. De korte samenvatting van de verschillende gesprekken was: “het één kost wat meer tijd, het ander wat minder, en netto komt het op hetzelfde neer”. In de uitvraag geeft meer dan de helft van de aanbieders aan het hiermee oneens te zijn. De redenen hiervoor zijn divers, maar vallen een in een aantal categorieën: — Eendeel van de aanbieders geeft aan dat de lasten hoger zijn omdat de systematiek niet aansluit bij de gebruikelijke bedrijfsvoering (bijvoorbeeld op het epd, of gebruikelijke kostenbeheersingsinstrumenten). — Aan de andere kant zijn er aanbieders die aangeven dat er juist minder administratieve lasten zijn, omdat minder vaak gefactureerd moet worden (effect 6), en er meer ruimte is om te doen wat nodig is voor een kind. — Aardig wat aanbieders geven aan dat de lasten toenemen door de afstemming met de gemeente (effect 5). Daarbij worden echter vooral voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat vooral onenigheid tussen aanbieder en gemeente over de benodigde inzet veel tijd kost. Er zijn ook aanbieders die aangeven dat de combinatie van deze systematiek met andere beheersinstrumenten (zoals een budgetplafond) veel tijd kost. — Tot slot betreffen enkele antwoorden een algemene frustratie met administratieve lasten inde Jeugdwet, die losstaan van deze maatregel. De administratieve lasten lijken dus sterk afhankelijk van de manier waarop de gemeente de maatregel implementeert, en welke additionele beheersmaatregelen hiervoor ingezet worden. Daarom is het niet mogelijk om een algemene conclusie te trekken over de mate waarin administratieve lasten toe- of afnemen. GV572 186 Andersson Elffers Felix Voor effectievere hulp door ontschotting (effect 7) is niet duidelijk in welke mate dit optreedt. De verwachting was dat dit zou leiden tot een afname van het aantal trajecten. In het onderzoek is daarbij de nuancering gekomen dat ook als het leidt tot een afname in het aantal trajecten, dit niet automatisch leidt tot een afname in hoeveel hulp een jeugdige ontvangt. Dat in sommige gevallen effectievere hulp wordt geboden door samenwerking, wordt wel herkend. Het is echter niet duidelijk of daarmee de kosten ook lager worden. Het hoofd- en onderaannemerschap heeft ook consequenties voor de administratieve lasten van aanbieders (effect 8). — Uit het diepteonderzoek bleek dat een rol als hoofdaannemer aanbieders veel tijd kost. Er werd door deelnemers uit het diepteonderzoek ingeschat dat de werkzaamheden als hoofdaannemer ongeveer 2,5 uur per jeugdige kosten. — Inde enquête gaf ongeveer een derde van de aanbieders aan dit te herkennen. Meer dan 40% geeft aan dat het meer of veel meer tijd kost. Er zijn slechts een paar aanbieders die aangeven dat het minder tijd kost. Activiteiten die bijdragen aan deze extra lasten zijn het controleren van facturen, het invoeren van uren in het EPD, kwaliteitstoetsing, opstellen van contracten, en overleg voeren over het in te zetten werk. Tegelijkertijd zit hier ook een groot leereffect in. Veel aanbieders hebben hier pas recent ervaring mee, terwijl een aantal van deze werkzaamheden gemakkelijk te standaardiseren zijn. We schatten dit effect daarom in op 2 - 3 uur per jeugdige. — Uit het diepteonderzoek bleek dat een rol als onderaannemer gemiddeld 2 uur extra kost. Bijna de helft van de aanbieders herkent dut. Een kwart geeft aan dat dit meer tijd kost, maar er zijn ook een paar aanbieders die aangeven dat het minder tijd kost. Daarom hanteren we een bandbreedte van 1,5 - 2,5 uur. Activiteiten die worden genoemd als reden voor deze extra administratieve lasten zijn het opstellen van contracten, het (handmatig) factureren per maand en accountscontrole, De toename van de administratieve lasten is echter wel erg afhankelijk van de precieze declaratievoorwaarden. Als er alleen facturen gestuurd hoeven te worden (die ook tijdig betaald worden), is er aanzienlijk minder tijd nodig. — Het is niet duidelijk voor hoeveel jeugdigen meerdere aanbieders nodig zijn. Een onderschatting is het aantal jeugdigen dat voorafgaand aan de decentralisatie zorg uit meerdere domeinen had. Deze gegevens zijn beschikbaar op StatLine, en in 2013 bleek het om ongeveer 60.000 jeugdigen te gaan. Aangezien het volume van jeugdhulp inmiddels groter is, en meerdere aanbieders binnen één domein ook voor kunnen komen, ligt het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger. Uit het diepteonderzoek bleek echter dat aanbieders de extra administratieve lasten ook een reden vinden om minder snel een andere aanbieder erbij te vragen. Mogelijk neemt het aantal jeugdigen waarvoor dit nodig is dus af als een dergelijke systematiek wordt ingevoerd. Daarom hanteren we hiervoor een bandbreedte van 60.000 — 100.000 jeugdigen op landelijk niveau. Een aantal regio’s werkt momenteel al met resultaatgericht financieren. In deze regio’s is ongeveer 17% van de jeugdigen woonachtig. Bij het opschalen van deze maatregel is dus 87% van de hierboven genoemde bandbreedte genomen. — Hettarief dat we tellen voor deze extra uren is gebaseerd op een salaris vergelijkbaar met schaal 9 - 11. Het uurtarief komt dan neer op € 65,70 - € 77,98. Op overkoepelend niveau is opgemerkt dat de resultaten sterk wisselen waren. Dit kan te maken hebben met de mate waarin aan de randvoorwaarden om dit goed te laten werken voldaan is. De ervaringen geven in dat geval echter wel aan dat het resultaat van de maatregel in dat geval zeer gevoelig is voor de mate waarin aan randvoorwaarden voldaan zijn. Dat GV572 187 Andersson Elffers Felix maakt het los van een verwacht financieel effect een risicovolle maatregel, waaraan regio’s alleen moeten beginnen als aan alle randvoorwaarden voldaan is. Effect Financieel effect 1. Goedkopere trajecten Wisselende beelden 2. Toename gemiddelde duur en intensiteit Nihil van trajecten door escalatie 3. Kortere trajecten (niet direct effect op de Nihil kosten) 4. Afname aantal trajecten Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 5. Toename administratieve lasten Wisselende beelden 6. Afname administratieve lasten Wisselende beelden 7. Afname aantal trajecten door minder Zeer beperkt, niet gekwantificeerd terugval 8. Meer administratieve lasten aanbieders -27 tot -16 miljoen Totaal Niet duidelijk, maar beperkt Incidentele kosten Hoog Termijn van besparing Lange termijn, compleet nieuwe systematiek Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Meer focus op resultaat bij gemeenten. Doordat gesprekken tussen aanbieder en gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de hulpvragen van jeugdigen. Dit kan de kwaliteit van zorg ten goede komen. Dit effect wordt echter maar door enkele gemeenten en aanbieders ervaren. Bij veel andere aanbieders wordt het resultaatgericht financieren vooral als instrument ervaren om de bekostiging anders af te spreken, en verandert het niet de focus. — Effectievere zorgtrajecten. De systematiek brengt een prikkel met zich mee om zo effectief mogelijk te werken en een jeugdige zo snel mogelijk weer te laten herstellen. Naast de kosteneffecten die dat oplevert, zorgt sneller herstel er ook voor dat jeugdigen weer sneller hun normale leven kunnen oppakken en daarmee voor meer welzijn van jeugdigen. — Het definiëren van een resultaat helpt in het effectiever maken van jeugdhulp op termijn. Het is niet eenvoudig een goed resultaat te formuleren. Geformuleerde resultaten zijn al snel te abstract, waardoor ze niet meer meetbaar zijn. Aan de andere kant hebben te concrete resultaten het risico dat ze slechts betrekking hebben op symptomen en de kern van het probleem niet raken. Het is bijvoorbeeld gemakkelijker om te toetsen of een jeugdige dagelijks de tanden poetst dan of het een gezin lukt om een veilige en geborgen omgeving te bieden. In eerste instantie vraagt dit veel van professionals, en zal dit ook frustratie met zich meebrengen. Door samen taal te GV572 188 Andersson Elffers Felix ontwikkelen voor het definiëren van betekenisvolle resultaten, kan na verloop van tijd het effect van jeugdhulp echter concreter gemaakt worden. Dit draagt bij aan snellere beleidsontwikkeling, maar ook aan effectievere jeugdhulp. — Meer integrale samenwerking tussen aanbieders. Aanbieders zullen wel móeten samenwerken als hoofd- en onderaannemers om gezamenlijk doelen te bereiken, en stemmen daarvoor met elkaar af op casusniveau. Doordat één aanbieder verantwoordelijk is, is er een helder aanspreekpunt als het niet goed loopt. Jeugdigen en hun ouders, maar ook de gemeente, krijgen daardoor minder vaak het gevoel ‘van het kastje naar de muur’ gestuurd te worden. — Meer samenwerking tussen zorg en sociale basisvoorzieningen. Er is een financiële prikkel voor aanbieders om sociale basisvoorzieningen te betrekken om bepaalde resultaten gemakkelijker te halen. De tegenkant hiervan is het risico van ‘afschuiven’ het hangt af van het beleid van de gemeente of dit een probleem is of niet. Als de gemeente het standpunt inneemt dat het inzetten van sociale basisvoorzieningen de voorkeur geniet en budget overhevelt vanuit specialistische hulp (tarieven aanpassen) naar sociale basisvoorzieningen, zodat daar voor de benodigde kennis en capaciteit gezorgd wordt, is dit een positief effect dat transformatie versnelt. — Meer zicht op wat effectief is. In de jeugdhulp zijn er relatief weinig bewezen effectieve interventies. Ze worden bovendien niet altijd gebruikt, Er zijn relatief weinig analyses beschikbaar over wat in welke situatie effectief is, In de meeste bekostigingssystematieken is de prikkel om dit na te gaan beperkt. Bij resultaatgericht financieren loont het om hier bij de keuze van het traject bij stil te staan, wat mogelijk de kennisontwikkeling (en toepassing van deze kennis) in de sector versnelt. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Coherent systeem binnen de gemeente. Het ‘systeem’ van toegang, uitvoering en uitstroom moet goed georganiseerd zijn en aansluiten bij de gemeentelijke visie. Zo moet de toegang zodanig ingericht en bemenst zijn dat er zorgvuldig in te schatten is welke resultaten realistisch, haalbaar en gewenst zijn voor jeugdigen. — Heldere definitie van resultaat opgesteld met aanbieders. Belangrijk voor het slagen van deze maatregel is dat gemeenten en aanbieders samen met het gezin bepalen wat er door hen als resultaat gezien wordt, De kwaliteit van de formulering is van belang voor de werking van het systeem. — Goede kennis van sociale kaart bij aanbieders. Aanbieders moeten de lokale sociale kaart goed kennen om op de juiste momenten de juiste onderaannemers in te kunnen schakelen. — De mogelijkheid open om bepaalde zorgvormen per tijdseenheid te financieren openhouden. Niet elke vorm van hulp leent zich voor resultaatgerichte financiering. Zo zijn er jeugdigen die nooit volledig zullen herstellen of, in geval van specifieke syndromen, zelfs achteruit zullen gaan. In zo’n geval is het hoogst haalbare resultaat om achteruitgang te beperken, maar na afloop van het traject is nog steeds hulp nodig. Een financiering per week of maand is hier passender, Naast deze jeugdigen ‘duurzaam’ ondersteunen, werken verschillende - maar niet alle — gemeenten met aparte tarieven voor verblijf, die in aanvulling op een behandelcomponent betaald worden. — Voer resultaatgericht financiering regionaal in. Als organisaties in elke gemeente andere resultaatafspraken maken, worden de administratieve lasten te hoog. Landelijk vastgestelde resultaatafspraken zijn praktisch niet haalbaar, omdat elke gemeente/regio andere trajecten kent. Het is sterk verweven met gemeentelijk/regionaal beleid. GV572 189 Andersson Elffers Felix — Aanbieders mogen na inschrijving op een bepaald profiel geen cliënten weigeren binnen dit profiel. Resultaatgericht financieren maakt het voor organisaties aantrekkelijk om cliënten te ondersteunen met makkelijk haalbare doelen. Om dit te voorkomen, schrijven jeugdhulpaanbieders vooraf in voor een bepaald profiel met een bandbreedte aan intensiteiten en bijbehorend tarief. Binnen deze marges mogen zij geen cliënten weigeren. — Voldoende (politiek) draagvlak en duidelijke overgangsperiode. Voor aanbieders is de overgang naar resultaatgericht financieren soms groot: het vraagt een ander type bedrijfsvoering en een cultuuromslag in de organisatie. Dit heeft tijd nodig, en in de overgangsfase is te verwachten dat er politieke druk uitgeoefend wordt om het systeem terug te draaien of minder strikt uit te voeren. Het is van belang om aanbieders de tijd te geven om aan de nieuwe systematiek te wennen en hun bedrijfsvoering erop aan te passen. Daarbij hoort echter wel een duidelijke routekaart, waaruit ook blijkt dat lossere omgang met sommige eisen van tijdelijke aard is. — Actief contractmanagement. Zoals uit de doelenboom blijkt, bestaat het risico op ongewenste effecten. Zeker als aanbieders zelf het tarief kunnen bepalen, bestaat het risico dat zij dit voorzichtig inschatten. Dit kan worden tegengegaan door goede monitoring en actief contractmanagement. Door aanbieders, zeker in de beginfase, direct aan te spreken op dit gedrag, blijkt het vaak mogelijk om in overleg beschikkingen naar beneden bij te stellen. — Duidelijke afspraken over mogelijkheden tot bijstelling van beoogde resultaten. Er moeten duidelijke afspraken gemaakt worden tussen gemeenten en aanbieders over hoe er wordt omgegaan met het bijstellen van gesignaleerde problematieken, als een traject al gestart is bij een aanbieder. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Onvoldoende aandacht voor voorbereiding van de implementatie. Een te snelle invoering is een groot risico van resultaatgericht financieren. Bovengenoemde randvoorwaarden laten zien dat er veel tijd en inzet voor nodig is om een dergelijke financieringsvorm voor te bereiden, en dat tijdens de invoering continu scherp gemonitord moet worden. — Te nauwe definitie van resultaten. Om correct om te gaan met complexe problematieken moeten integrale doelen en resultaten omschreven worden. Een risico is namelijk dat complexe problematiek opgeknipt wordt in subdoelen waardoor de kern niet geraakt wordt, — Gemiddeld tarief niet passend voor kleine aanbieders. Resultaatgericht financieren werkt met een beperkt aantal tarieven, vanuit de gedachte dat het tarief gemiddeld toereikend moet zijn. Voor kleine aanbieders met weinig cliënten, kan echter een vertekening optreden waardoor het gemiddelde tarief te hoog of te laag kan zijn. Hetzelfde kan gelden voor grotere aanbieders met specifieke cliëntgroepen waarvoor inzet nodig is aan de boven- of onderkant van een tariefklasse. — Verandering werkplezier professionals. De mogelijke toename van administratieve lasten bij aanbieders kan tot een negatief effect op het werkplezier van professionals leiden. — Liquiditeit onder druk. De liquiditeit kan op twee manieren onder druk staan. Enerzijds betaalt de gemeente de aanbieder aan het begin het traject, waardoor de gemeente in één keer veel moet uitbetalen. Normaal gesproken kan een gemeente hiervoor putten uit de reserve of goedkoop lenen, dus dit zal in de praktijk geen probleem vormen. Aan de andere kant krijgt de aanbieder weliswaar middelen aan het begin van het traject, maar GV572 190 Andersson Elffers Felix loopt de betaling aan het eind van het traject achter. Daardoor kan de liquiditeit van aanbieders onder druk komen te staan, zeker bij langdurige trajecten. Uiteraard wordt dit effect wel verkleind doordat aanbieders voor nieuwe cliënten juist weer direct relatief veel middelen krijgen. Maatregel 15 Taakgerichte bekostiging waarbij (een deel van) de jeugdhulp voor een gebied bij één organisatie is belegd Beschrijving van de maatregel Taakgerichte bekostiging houdt in dat er wordt aanbesteed aan één organisatie die het volledige zorg- en ondersteuningspakket aanbiedt binnen een bepaald gebied. Het gebied kan een wijk zijn, een gemeente, of meerdere gemeenten. Deze sturingsvorm wordt bijvoorbeeld toegepast in Utrecht, Alphen aan de Rijn, Heerlen en Hollands Kroon. Er kunnen verschillende keuzes gemaakt worden wat betreft de reikwijdte van de hulp die binnen de taakgerichte bekostiging valt. Het is mogelijk om onderdelen van de jeugdhulp taakgericht te bekostigen, maar ook om Wmo en jeugd samen te voegen. In de meeste gemeenten met taakgerichte bekostiging zijn de lokale teams en specialistische jeugdhulp ondergebracht bij één partij. Als partij wordt vaak een nieuwe organisatie opgericht, waar diverse moederorganisaties capaciteit aan leveren. Dit faciliteert het aanbieden van integrale hulp binnen een domein, door schotten tussen organisaties weg te halen. Het idee hierachter is dat institutionele belangen niet het maatschappelijk resultaat in de weg moeten staan. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Taakgerichte bekostiging leidt tot een prikkel om de kosten te beperken. Aanbieders zullen naar verwachting scherpere afwegingen gaan maken wat betreft de noodzaak en vorm van een traject. Dit kan leiden tot minder trajecten, lichtere en kortere trajecten. Het leidt echter ook tot een hoger risico dat de noodzaak soms verkeerd wordt ingeschat en er escalatie van problemen plaatsvindt. Dit kan leiden tot een lichte toename van langere en dure trajecten. — Taakgerichte bekostiging leidt ook tot scherpere afwegingen over uitstroom en afschalen, waarbij er meer wordt ingezet op normaliseren, versterken van zelfredzaamheid van een gezin en het oppakken van problemen in het eigen netwerk. Dit effect wordt met name verwacht bij lichtere jeugdhulptrajecten waar professionele hulp minder essentieel is op de lange termijn. Dit leidt tot een afname van de gemiddelde duur en intensiteit van (lichte) jeugdhulptrajecten. Op de lange termijn kan dit effect ook worden gezien bij zware jeugdhulp. — Scherpere afwegingen over uitstroom en afschalen leiden daarnaast tot het aanbieden van alternatieven voor jeugdhulp waar mogelijk, met als gevolg een breder aanbod van de sociale basisvoorzieningen en de inzet van lichtere trajecten waar mogelijk. =— Door verschillende typen hulp aan te bieden in één organisatie treedt er ontschotting op van hulp en kunnen meerdere vormen van hulp makkelijker in één traject worden aangeboden. — Het samenvoegen van verschillende expertises en vormen van jeugdhulp in één organisatie vraagt veel afstemming en overleg tussen de verschillende moederorganisaties. Dit leidt zowel tijdelijk als structureel tot extra administratieve lasten en coördinatie- en overlegkosten. GV572 191 Andersson Elffers Felix =— Omdat één organisatie per gebied verantwoordelijk wordt voor alle hulp, ondersteuning en toeleiding, hebben aanbieders en gemeenten wel minder administratieve lasten voor verantwoording en minder contractmanagement. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. 1. Afname aantal trajecten ART Scherpere 2, Afname En EGA gemiddelde duur ON noodzaak en Ta Ean vorm traject trajecten Toename 3. Toename lange, escalaties TT KICI ENNE Laat) Normaliseren gemiddelde duur Ta Nah HET Scherpere TENT el eelt EAA) =i la RON (Cd uitstroom en ENNE afschalen trajecten door Ideeën voor substitutie Taakgerichte RE ale k Breder aanbod 6. Extra kosten sociale basis- EB _ sociale basis- voorzieningen voorzieningen Ontschotting van TN vÁ cls aantal typen hulp trajecten NE samenwerking tussen aanbieders TL laan 4 NA tussen aanbieders acminikweifeve OE EE financiën) (ET 9. Minder kosten VEE contract- per aanbieder Lata EFA Kel Verantwoording op wijkniveau EEn TJ Minder verantwoording administratieve ST Ae 2 lasten aanbieders Taal 10 Verwachte omvang van de besparing In het diepteonderzoek zijn geen duidelijke aanwijzingen gekomen dat deze maatregel tot significante besparingen leidt. De ervaringen met deze maatregel zijn beperkt, en de gemeente in het diepteonderzoek die deze maatregel heeft ingericht in lijn met de beleidstheorie ontstaan er inmiddels ook tekorten in jeugd. GV572 192 Andersson Elffers Felix Daarmee hebben we in de uitvraag geen concrete inschattingen kunnen valideren. Wel hebben we uitgevraagd in hoeverre de gemeenten en aanbieders die ervaring hebben met de maatregel de effecten herkennen. Hier hebben 11 aanbieders en 30 gemeenten op gereageerd, waarvan een groot deel slechts sinds 2020 ervaring had met de systematiek, en een ander deel antwoordt op eerdere ervaringen (in sommige gevallen in een andere gemeente). Voor de prikkel voor aanbieders om de kosten te beperken en de scherpere afwegingen te maken over uitstroom en afschalen (samen het werkzame mechanisme voor effect 1 t/m 6) is in het diepteonderzoek geen kwantitatieve onderbouwing gevonden. De enquête suggereert dat de omvang van de effecten sowieso beperkt is: — lets minder dan de helft van de gemeenten geeft aan dat taakgerichte bekostiging leidt tot het maken van scherpere keuzes als het gaat om instroom of uitstroom. — Opvallend is echter dat de aanbieders, die deze scherpere keuzes in de praktijk zouden moeten maken, dit beeld niet herkennen: ruim drie kwart geeft aan dat deze vorm van bekostiging niet leidt tot scherpere keuzes. Aangezien aanbieders de scherpere keuzes in de praktijk moeten brengen, is het daarmee niet waarschijnlijk dat deze daadwerkelijk gemaakt worden. — Dit beeld wordt bevestigd door wat er in de praktijk lijkt te gebeuren wanneer het afgesproken budget wordt overschreden. Bij driekwart van de aanbieders met taakgerichte bekostiging is het afgesproken budget van de taakgerichte bekostiging wel eens overschreden. Op één aanbieder na zijn er in alle gevallen door de gemeente extra middelen beschikbaar gesteld. Ook van de gemeenten geven bijna alle gemeenten aan dat er extra middelen beschikbaar zijn gesteld. Aanvullend heeft het ook geleid tot wachtlijsten of bezuinigingen, dus enig financieel effect is zeker mogelijk, maar dit zal naar verwachting wel beperkt zijn. De financiële prikkel (effect 1 t/m 3) is in de praktijk dus kleiner dan in theorie. Ook voor effectievere hulp door ontschotting (effect 7) is niet duidelijk in welke mate dit optreedt. De verwachting was dat dit zou leiden tot een afname van het aantal trajecten. In het onderzoek is daarbij de nuancering gekomen dat ook als het leidt tot een afname in het aantal trajecten, dit niet automatisch leidt tot een afname in hoeveel hulp een jeugdige ontvangt. Dat in sommige gevallen effectievere hulp wordt geboden door samenwerking, wordt wel herkend. Het is echter niet duidelijk of daarmee de kosten ook lager worden. Over het effect op de administratieve lasten (effect 8 t/m 10) verschillen de meningen. Uit het diepteonderzoek is gebleken dat de administratieve lasten van de verantwoording hiervan vergelijkbaar zijn: er worden andere nadrukken gelegd dan bij andere bekostigingsvormen, maar in totaal vallen de plussen en minnen tegen elkaar weg. Bijna de helft van de aanbieders in de uitvraag die ervaring hebben met deze maatregel herkent dit beeld. Daarnaast geeft ongeveer een derde aan dat de lasten hoger zijn, en een kleine 20% dat de lasten lager zijn. Voor het saldo van effecten 8 tot en met 109 kan dus geconcludeerd worden dat er zeer waarschijnlijk door deze besparing per saldo geen besparing verwacht kan worden, en een eventuele stijging in kosten vermoedelijk beperkt zal zijn. Wel is er een aandachtspunt in de afstemming tussen aanbieders. Hiervoor wordt een nieuwe organisatie opgericht. Als deze te complex wordt, neemt de overhead toe. Al met al concluderen we voor deze maatregel dat het financiële effect vermoedelijk beperkt is; maar dat we tegelijkertijd op basis van de informatie die binnen het onderzoek is opgehaald niet tot een voldoende betrouwbare kwantificering kunnen komen. GV572 193 Andersson Elffers Felix Effect Financieel effect 1, Afname aantal trajecten Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 2. Afname gemiddelde duur en intensiteit Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 3. Toename lange, dure trajecten Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 4. Afname gemiddelde duur en intensiteit Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 5. Lichtere trajecten door substitutie Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 6. Extra kosten sociale basisvoorziening Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 7. Afname aantal trajecten Vermoedelijk beperkt, niet gekwantificeerd 8. Extra administratieve lasten aanbieders Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 9. Minder kosten contractmanagement Zeer beperkt, niet gekwantificeerd 10. Meer administratieve lasten aanbieders Zeer beperkt, niet gekwantificeerd Totaal Beperkt Incidentele kosten Hoog Termijn van besparing Lange termijn, compleet nieuwe systematiek Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Ruimte voor innovatie en doorontwikkeling van de jeugdhulp. Taakgerichte bekostiging gaat gepaard met lumpsumbekostiging waarbij veel vrijheid is om het budget in te zetten. Dit schept mogelijkheden om meer budget in te zetten voor (niet- cliëntgebonden) projecten gericht op innovatie of verbetering van kwaliteit van de jeugdhulp. — Het toepassen van een lerende aanpak wordt bevorderd. Doorlopend leren en verbeteren wordt interessanter voor de organisatie nu alle kosten en baten die worden bereikt met verbetering van de kwaliteit en doelmatigheid van jeugdhulp bij dezelfde partij terecht komen. — Toename werkplezier professionals. Door minder administratieve lasten, verantwoording op basis van kwaliteit en meer ruimte voor innovatie en verbetering van de jeugdhulp, hebben professionals meer plezier in hun werk, — Meer focus op resultaat bij gemeenten. Doordat gesprekken tussen aanbieder en gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de populatie. Dit kan de kwaliteit van zorg ten goede komen. — Effectievere zorgtrajecten. De systematiek brengt een prikkel met zich mee om zo effectief mogelijk te werken en een jeugdige zo snel mogelijk weer te laten herstellen of problemen te voorkomen. Naast de kosteneffecten die dat oplevert, zorgt sneller herstel er ook voor dat jeugdigen weer sneller hun normale leven kunnen oppakken en daarmee voor meer welzijn van jeugdigen. GV572 194 Andersson Elffers Felix Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Heldere en consistente visie in samenwerking met de keten. Deze maatregel vereist een consistente langetermijnvisie die in de diverse sturingsmechanismen van de maatregel terugkomt. Deze visie dient opgesteld te zijn in samenwerking met de keten. Binnen deze visie is het belangrijk dat de nieuwe brede jeugdorganisatie ruimte en tijd krijgt om zich om te vormen tot een netwerk dat werkt aan een gezamenlijk doel. — Blijvend partnerschap. Ook na invoering blijft partnerschap tussen gemeenten en aanbieders van belang om de visie continu door te ontwikkelen en te operationaliseren. Bij deze sturingsvorm worden beslissingen namelijk relatief ver van de gemeente gemaakt. Het is van belang dat ook in de gemeentelijke organisatie afwegingen voldoende doorleefd en gedragen worden. Daarnaast is het van belang dat de gemeente de randvoorwaarden blijft verzorgen voor doelmatige jeugdhulp, waaronder investeringen in sociale basisvoorzieningen en samenwerking met andere domeinen binnen de gemeente. — Voldoende tijd en budget voor implementatie. Het is belangrijk dat gemeenten de aanbieders voldoende tijd en financiële ruimte geven om te komen tot een goede werkwijze. Deze werkwijze is een grote transformatie, waar in de opstartfase in geïnvesteerd moet worden. — Voldoende budget in de lumpsum. Een taakgerichte bekostiging werkt alleen als het budget past bij de vraag van de populatie. Het bepalen en inschatten van het volume waarbij taakgerichte bekostigen goed kan functioneren, is ingewikkeld en hangt sterk samen met factoren die zowel binnen als buiten de invloedssfeer liggen van de aanbieder. Bij een te hoog budget is de besteding niet doelmatig, bij een te laag budget worden te veel risico’s op de aanbieder afgewenteld, met een risico op kwaliteitsverlies, In het verlengde hiervan is het ook goed om met elkaar vooraf afspraken te maken over de wijze waarop onvoorziene situaties worden gemonitord en vanuit het oogpunt van (financiële) risicobeheersing worden bewaakt. — Te contracteren aanbieder krijgt ruimte om de uitvoering ervan in samenspraak met de cliënt, naar eigen professioneel inzicht in te vullen. Het goed inrichten van taakgerichte bekostiging vraagt dat de aanbieder die inschrijft voldoende beleidsvrijheid heeft om de uitvoering van jeugdhulp in te richten, aansluitend op de gemeentelijke visie, — Investeren in professionals. Taakgerichte bekostiging in één gebied vraagt om een nieuwe beroepsopvatting voor professionals en specifiek ontwikkelen van bepaalde vaardigheden zoals normaliseren. Het vraagt investeren in opleiding en de juiste professionals om dit te bereiken. — Waarborg maatwerk jeugdigen. Ondanks het beperkt aantal partijen dient de mogelijkheid tot maatwerk voor een jeugdige met jeugdhulp gewaarborgd te worden. Dit kan bijvoorbeeld via onderaannemers. — Een goede verantwoordingssystematiek en monitoring. Gemeenten en de nieuwe aanbieders dienen een manier van verantwoorden te ontwikkelen die passend is. Dat betekent dat de verantwoording voldoende handvatten moet bieden voor het juiste gesprek op verschillende niveaus. Zowel ambtelijk als bestuurlijk en politiek is het van belang dat de visie en de operationalisering hiervan naar de praktijk doorleefd worden en gezamenlijk het juiste budget bepaald kan worden. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: GV572 195 Andersson Elffers Felix — Verschraling van zorglandschap. Er is een risico op verschraling van het zorglandschap omdat alle jeugdhulp via één hoofdaannemer moet lopen. Als deze te terughoudend is met het contracteren van (bepaalde) onderaannemers, kan het zorglandschap minder divers worden, waardoor mogelijk niet alle vragen meer opgepakt kunnen worden en de keuzevrijheid van de jeugdige afneemt. — Continuïteit van dienstverlening is afhankelijk van één grote aanbieder. Door alle jeugdhulp bij één grote aanbieder te beleggen (weliswaar uit meerdere moederorganisaties opgericht) is er een risico dat als deze aanbieder omvalt, de dienstverlening niet zomaar gecontinueerd kan worden bij andere aanbieders. — Democratische legitimiteit. De gemeente is verantwoordelijk voor jeugdhulp, maar besteedt dit met deze sturingsvorm vrijwel volledig uit aan een andere organisatie, Deze organisatie wordt niet direct gecontroleerd door een democratisch orgaan. Democratische legitimiteit van de afwegingen is dus niet automatisch geborgd. Maatregel 16 Beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders Beschrijving van de maatregel Deze maatregel behelst het contracteren door gemeenten van een beperkt aantal aanbieders. Deze maatregel onderscheidt zich van selectief contracteren, waarbij aanbieders die niet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen uitgesloten worden, en ook van de taakgerichte variant, waar het contracteren van een beperkt aantal aanbieders een logisch gevolg is van een bredere sturingsmethode. Het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders wordt onderzocht als op zichzelf staande maatregel. Bij deze maatregel is dus expliciet het doel om een klein aantal aanbieders te contracteren. Het wisselt wat als ‘klein aantal’ wordt gezien, maar als ordegrootte kan men denken aan maximaal 20. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Doordat gemeenten slechts een beperkt aantal aanbieders contracteren, kan het partnerschap tussen gemeenten en aanbieders sterker worden! Een mogelijk gevolg hiervan is dat er gezamenlijke doelen kunnen worden gesteld voor de korte en lange termijn, waardoor er scherpere afwegingen worden gemaakt over uitstroom en afschalen. Dit kan leiden tot lichtere en kortere trajecten. — Beperkt contracteren en het bijbehorende actiever contractmanagement leidt tot meer contact en reflectie op waarnemingen uit de praktijk. Dit kan leiden tot het aanbieden van alternatieven voor jeugdhulp waar mogelijk, met als gevolg een breder aanbod van de sociale basisvoorzieningen en het inzetten van lichtere trajecten waar mogelijk. — Omdat gemeenten met minder aanbieders contracten afsluiten, hoeven ze minder tijd te investeren in contractmanagement. =— Door verschillende typen hulp aan te bieden in één organisatie treedt er ontschotting op van hulp, waardoor meerdere vormen van hulp makkelijker in één traject kunnen worden aangeboden. 21 Zo geeft KMPG in hun rapport “Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen” aan dat gemeenten minder grip ervaren door een toenemend aantal aanbieders, en adviseert daarom om het aantal aanbieders te beperken om partnerschap te versterken. GV572 196 Andersson Elffers Felix — Doordat er meer gewerkt wordt met hoofd- en aannemerschap is er meer afstemming nodig tussen aanbieders over inhoud en financiën. Dit leidt zowel tijdelijk als structureel tot extra administratieve lasten en coördinatie- en overlegkosten. — Het contracteren van een beperkt aantal aanbieders voorkomt onbeheerste groei van andere aanbieders, al wordt dit effect verkleind doordat deze aanbieders wel als onderaannemers actief kunnen zijn. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. Gezamenlijke Scherpere afweging ‚ doelen voor korte bmg over uitstroom en bgg '- Kortere trajecten CTR Ea FER Chal La) afschalen Meer partnerschap gemeenten en 2. Lichtere skslaledkelesdË trajecten door NTA ET eN Leng Ideeën voor lenie waarnemingen uit MM alternatief aanbod de praktijk uit de praktijk Ee Beperken van sociale basis- het aantal voorzieningen, met gecontracteerde LLU CST aanbieders Minder 4. Minder kosten EENIG INE een iclee voor gemeente Eelt E la Samenwerking via Ontschotting van . 5. Afname aantal NN EEM —_ BGG — naiecten onderaannemers TL laan 4 CMN CTI VSSA EL LOI TEN Ee (over inhoud en lasten aanbieders financiën) Beheersen van ENNE Á Ra aanbieders Genk Verwachte omvang van de besparing Uit het diepteonderzoek blijkt dat het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders niet automatisch leidt tot beter partnerschap tussen aanbieders en gemeente (effect 1 t/m 3). — De overgrote meerderheid van de gemeenten in de uitvraag die ervaring heeft met deze maatregel bevestigt dit beeld, Zeker als geschoond wordt voor een aantal gemeenten die taakgerichte bekostiging hebben ingevoerd. Dit is een andere maatregel, maar ook daarbij wordt het aantal aanbieders beperkt. Deze gemeenten hebben daarom soms ook deze vraag ingevuld. Interessant is dat er twee regio’s zijn waar gemeenten tegengestelde antwoorden hebben gegeven op de vraag, en de mate van partnerschap dus anders beoordelen. — Van de aanbieders is bijna drie kwart het met dit beeld eens. Ook van de aanbieders die wel meer partnerschap herkennen, blijkt van een deel dat zij de uitvraag hebben ingevuld vanuit de ervaring met taakgerichte bekostiging (maatregel 15); in sommige gevallen is zelfs expliciet genoemd dat ze in een regio die alleen het aantal gecontracteerde aanbieders beperkt niet meer partnerschap zien. GV572 197 Andersson Elffers Felix Aangezien het partnerschap in de praktijk geen (automatisch) gevolg is van beperkt contracteren, zijn de financiële effecten 1, 2, en 3 nihil, In sommige gesprekken is aangegeven dat de hoofdaannemers onderling wel kortere lijntjes kregen. Dat speelde echter vooral op bestuurlijk niveau, en niet op het niveau van de uitvoering. De betreffende aanbieders konden zichzelf dus vooral beter onderling organiseren in gesprekken met de gemeente. Uit het diepteonderzoek bleek dat de kosten voor contractmanagement (effect 4) voor zowel gemeenten als aanbieders gelijk zijn gebleven, aangezien per aanbieder meer tijd besteed wordt. Hoewel dit niet duidelijk bevestigd is in de enquête, is er ook geen aanleiding om een andere conclusie te trekken. — lets meer dan de helft van de aanbieders in de enquête herkent dit. De rest van de aanbieders geeft aan dat het meer tijd kost. Dit kan echter verklaard worden doordat het per gecontracteerde aanbieder wel meer tijd kost, maar dat aanbieders die niet gecontracteerd zijn uiteraard geen tijd kwijt zijn aan contractmanagement — Van de gemeenten is dit iets minder dan de helft. Een groot gedeelte van de gemeenten geeft echter aan dit niet te kunnen inschatten. Slechts één gemeente heeft aangegeven dat er minder contractmanagement nodig was en dit gekwantificeerd. Dit ging echter om een zeer beperkte afname. Voor de toename van de administratieve lasten van aanbieders (effect 6) sluit de berekening aan bij die van maatregel 14, resultaatgericht financieren. Doordat er minder regio’s zijn die dit geïmplementeerd hebben, zijn de meerkosten echter iets groter. Momenteel is ongeveer 85% van de jeugdigen woonachtig in een regio waar aan beperkt contracteren wordt gedaan. In beginsel voorkomt het beperken van het aantal aanbieders wel dat aanbieders ‘onder de radar’ snel groeien (effect 7). Bijna 20% van de gemeenten geeft in de enquête aan te maken te hebben met aanbieders waar de omzet sterk van steeg, terwijl zij twijfels hadden over de meerwaarde van de jeugdhulp die de betreffende aanbieders leverden. Aanbieders die ervaring hebben met beperkt contracteren geven in het diepteonderzoek echter ook aan dat niet-gecontracteerde aanbieders bij hun aankloppen met een cliënt om onderaannemer te worden, of dat cliënten zelf een dergelijke voorkeur uitspreken. In de praktijk sluit de hoofdaannemer dan een contract af met de betreffende aanbieder, zodat deze alsnog als onderaannemer aan het werk is, Op die manier is het alsnog mogelijk dat aanbieders sterk groeien zonder dat de gemeente dit weet, Effect Financieel effect 1. Kortere trajecten Nihil 2. Lichtere trajecten door substitutie Nihil 3. Breder aanbod sociale basisvoorzieningen, Buiten scope met meer kosten 4. Minder kosten contractmanagement Nihil 5. Afname aantal trajecten Nihil 6. Meer administratieve lasten aanbieders -28 tot -17 miljoen 7. Afname aantal trajecten Niet duidelijk, maar beperkt Totaal Nihil / negatief GV572 198 Andersson Elffers Felix Incidentele kosten Middel Termijn van besparing n.v.t Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Meer focus op resultaat bij gemeenten. Doordat gesprekken tussen aanbieder en gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de populatie. Dit kan de kwaliteit van zorg ten goede komen. In de praktijk blijkt dit niet automatisch te gebeuren. — Effect op innovatie in de jeugdhulp. Als gevolg van het contracteren van grote, gevestigde aanbieders die minder druk hebben om concurrerend te zijn, kan er minder innovatie ontstaan. Aan de andere kant kan meer zekerheid bij aanbieders ook leiden tot meer ruimte voor innovatie, mits deze aanbieders voldoende innovatiekracht hebben. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Waarborg maatwerk jeugdigen. Ondanks het beperkt aantal partijen dient de mogelijkheid tot maatwerk voor een jeugdige met jeugdhulp gewaarborgd te worden. De keuzevrijheid is vanzelfsprekend kleiner door deze maatregel. — Frequent overleg over de inhoud tussen gemeente en aanbieders. Contact over waarnemingen in de praktijk maken mogelijk dat zowel gemeenten als aanbieders meer inzicht en grip krijgen op waar er behoefte aan is. Het aanbieden van alternatief aanbod en inzetten op sociale basisvoorzieningen vereist dat hier ook invulling aan wordt gegeven. — Goede selectiecriteria voor aanbieders. Met deze maatregel worden veel aanbieders niet gecontracteerd. Daarmee is het extra van belang dat de aanbieders die wel gecontracteerd worden over de noodzakelijke competenties beschikken. Daarbij gaat het zowel om zorginhoud als om de competentie om regie te kunnen voeren over onderaannemers, — Voldoende (politiek) draagvlak. De keuze voor beperkt contracteren is er een van de lange adem. Het is van belang dat de gemeente gedurende langere tijd een consistente lijn houdt, zodat het partnerschap tussen de gemeente en de aanbieders kan worden opgebouwd en er gezamenlijke lange termijndoelen kunnen worden gesteld. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Het construct van hoofd- en onderaannemers kan leiden tot minder grip op de kosten. Onderaannemers hebben geen contract met de gemeente; de contractering ligt bij de hoofdaannemers. Dit zijn vaak zorginhoudelijke partijen met minder ervaring op het gebied van contractmanagement dan de gemeente. — Toename niet-passende jeugdhulp. Risico van beperkt contracteren is dat een hoofdaannemer terughoudend is met het inzetten van onderaannemers, zelfs als het een passender oplossing is. Een onderaannemer brengt immers altijd een financieel en inhoudelijk risico met zich mee dat moeilijker te beheersen is dan de eigen uitvoering. Dit kan ervoor zorgen dat jeugdigen vaker niet passende hulp ontvangen. GV572 199 Andersson Elffers Felix — Voordeel voor grote aanbieders, nadeel voor kleine aanbieders. Het beperkt contracteren gaat vaak gepaard met een Europese aanbesteding. Veel grotere aanbieders weten beter dan kleinere aanbieders hoe ze een dergelijke aanbesteding binnen kunnen halen en hebben de mankracht om goede aanbestedingsdocumenten te schrijven. De kwaliteit van een aanbestedingsdocument hoeft niet te correleren met de kwaliteit van de geboden jeugdhulp. — Verschraling van zorglandschap. Er is een risico op verschraling van het zorglandschap omdat alle jeugdhulp via enkele hoofdaannemers moet lopen. Als deze te terughoudend is met het contracteren van (bepaalde) onderaannemers, kan het zorglandschap minder divers worden, waardoor mogelijk niet alle vragen meer opgepakt kunnen worden en er minder keuzevrijheid is voor de cliënt, — Continuïteit van dienstverlening is afhankelijk van enkele aanbieders. Door alle jeugdhulp bij een klein aantal aanbieders is er een risico dat als één van deze aanbieders omvalt, de dienstverlening niet zomaar gecontinueerd kan worden bij andere aanbieders. Maatregel 17 Actief contractmanagement Beschrijving van de maatregel Gemeenten hebben met verschillende aanbieders contracten. Om grip te houden op de werkwijze van aanbieders kunnen gemeenten verschillende activiteiten ondernemen in hun contractmanagement. Op hoofdlijnen gaat het daarbij om inkoop, informatievoorziening en contact. Onderstaand lichten we elk van deze aspecten kort toe. Inkoop Gemeenten geven aan dat contractmanagement al een belangrijke rol speelt in het stadium van inkoop. Onderstaande zaken moeten daarbij geborgd zijn. — Het is van belang om een heldere en gedeelde visie te ontwikkelen op wat er ingekocht moet worden en waarom, en een bijpassende inkoopstrategie. — Er moeten contracten opgesteld worden die tot de juiste prikkels voor aanbieders leiden. — De afspraken met aanbieders moeten duidelijk zijn. Deze afspraken kunnen over tal van aspecten gaan: wat er inhoudelijk van aanbieders verwacht wordt, maar ook eisen in het kader van informatievoorziening en zakelijke afspraken. — Gedurende de inkoopperiode is het van belang om goed in gesprek te gaan met aanbieders. Zowel bij een aanbesteding als bij open house is het bijvoorbeeld van belang dat alleen aanbieders geselecteerd worden die daadwerkelijk meerwaarde leveren; aanbieders die in hun dienstverlening teveel overlap hebben met de sociale basisvoorzieningen van de gemeente kunnen op die manier van contractering uitgesloten worden. Informatievoorziening Een belangrijk onderdeel van actief contractmanagement is het verzamelen van de juiste data. Dit is de basis waarmee het stelsel en de werking ervan geanalyseerd kan worden, gesprekken met individuele aanbieders gevoerd kunnen worden en er bijgestuurd kan worden op het stelsel of individuele aanbieders. Hierbij kan gedacht worden aan onderstaande activiteiten. — Data moeten verzameld worden en gecontroleerd worden op volledigheid en kwaliteit, Naast declaratiegegevens en beschikkingen zijn ook informatie over het lokale zorglandschap, jaarrekeningen, en cliëntervaringen van belang. — Er moeten data-analyses uitgevoerd worden om zicht te houden op bewegingen binnen de gemeente, GV572 200 Andersson Elffers Felix — Naast deze algemene analyses is het van belang om risicoanalyses uit te voeren om te onderzoeken of zich bepaalde patronen voordoen bij specifieke aanbieders (bijvoorbeeld of de gemiddelde trajectduur bij een aanbieder veel langer is dan bij soortgelijke aanbieders). — Hetis aan te raden om alle bovenstaande informatie over een aanbieder op één plek te verzamelen, bijvoorbeeld in een dashboard. — Naast de algemene monitoring is het waardevol om af en toe zichtbaar thematische onderzoeken uit te voeren. Dit is in een werksessie treffend omschreven als “flitspalen neerzetten’: dergelijke onderzoeken geven maar bij een enkele aanbieder aanleiding tot actie, maar ze zenden een signaal dat de gemeente alert is en belang hecht aan de gemaakte afspraken. Daarnaast beperken dergelijke onderzoeken de administratieve last: gegevens hoeven immers alleen steekproefsgewijs aangeleverd te worden, en niet continu. — Ook voor fraudebestrijding is dataverzameling van groot belang. Als fraude speelt, is het uiteraard van belang om dit tegen te gaan. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat fraudeonderzoeken dusdanig intensief en langdurig zijn, dat ze op korte termijn over het algemeen weinig besparing opleveren. Op langere termijn is het uiteraard wel mogelijk dat een ‘afschrikwekkend’ effect speelt. Het belangrijkste argument voor fraudebestrijding lijkt echter het morele argument te zijn. Contact Effectief contact met aanbieders is cruciaal voor succesvol contractmanagement. Deze gesprekken dienen er ook toe om de gezamenlijke visie tussen gemeenten en aanbieders te verstevigen. Dit geldt zowel vóór als tijdens de looptijd van het contract. — Zoals reeds benoemd bij inkoop kunnen gemeenten vóór contractering ‘toelatingsgesprekken’ voeren met aanbieders. — Het is zinvol om periodieke gesprekken te voeren over zowel de zorginhoud als de cijfers, Daarbij is het van belang dat deze gesprekken goed voorbereid zijn met bovenstaande data-analyse, aangevuld met ervaringen die opgehaald zijn bij de toegang. De frequentie van dit contact kan wisselen afhankelijk van de omvang van de aanbieder, het aantal aanbieders in de gemeente of de sturingsfilosofie van de gemeente. Naast contact met de aanbieders is het van belang dat contractmanagers ook contact hebben met beleidsmedewerkers van de gemeente en de toegang. Op die manier zijn al deze partijen op de hoogte van elkaars werkzaamheden en kan gezamenlijk aan knelpunten gewerkt worden. Als toegangsmedewerkers bijvoorbeeld niet gedetailleerd genoeg op de hoogte blijken te zijn van de inhoud van de contracten, kan daarop ingezet worden, zodat zij beter gebruik kunnen maken van de ruimte en begrenzing die de contracten bieden. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Actief contractmanagement biedt meer sturingsmogelijkheden voor gemeenten, wat kan leiden tot effectievere jeugdhulp en daardoor een afname in lange, dure trajecten. — Gemeenten maken uiteraard kosten voor de activiteiten die zij ondernemen in het kader van actief contractmanagement. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. GV572 201 Andersson Elffers Felix mre Effectievere 1. Afname lange, GUT gele le R ee : hulpverlening dure trajecten Anda Ka Actief contract- kel 2. Kosten voor actief contract- management Verwachte omvang van de besparing Op actief contractmanagement is ingegaan in de diepteonderzoeken, een aparte werksessie en de enquête. Hieruit blijkt dat het uiterst lastig is om de opbrengsten van actief contractmanagement te kwantificeren. De reden hiervoor is dat de activiteiten van actief contractmanagement sterk afhangen van de bekostigingssystematiek en verdere sturing: contractmanagement moet uiteraard aansluiten op de inkoop en de veranderstrategie van de gemeente. Zo zijn er regio’s die sterk inzetten op het samen begrijpen van het stelsel en een gemeenschappelijke visie ontwikkelen. Deze regio’s hebben frequent contact met aanbieders: iedere één à twee weken een gesprek. Andere regio’s laten het contact meer ontstaan vanuit de werkvloer en geven de toegang en casuïstiek een grotere rol. Ook hier zijn gesprekken met de grootste aanbieders, maar die zijn veel minder frequent. Ook op andere vlakken zijn er grote verschillen in het type activiteiten waar gemeenten de nadruk op leggen. Zo hebben veel regio’s een dashboard, maar de reikwijdte en het gebruik van het dashboard verschilt sterk. Ook op het gebied van data-analyse en fraude bestrijding maken gemeenten verschillende keuzes. Daarbij is er niet één soort activiteit die leidt tot betere resultaten dan de andere: goed contractmanagement wordt juist gekenmerkt door het slim en samenhangend inzetten van verschillende instrumenten. Gemeenten die ervaring hebben met het invoeren van actiever contractmanagement, hebben dit over het algemeen in samenhang met een aantal andere maatregelen gedaan, zoals het instellen van een budgetplafond of een andere sturingsmethode. Het contractmanagement fungeerde daarbij vooral als manier om de sturing te implementeren. Contractmanagement is dus een belangrijke randvoorwaarde om een veranderstrategie te implementeren, maar er is geen recept voor. Het is dan ook niet mogelijk om in het algemeen een eigenstandig effect op de kosten of de hoeveelheid benodigde inzet te bepalen. Effect Financieel effect 1, Afname lange, dure trajecten Niet duidelijk 2. Kosten voor actief contractmanagement Niet duidelijk Totaal Niet duidelijk Incidentele kosten Laag Termijn van besparing Middellange termijn GV572 202 Andersson Elffers Felix Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Snellere leercurve bij gemeente en aanbieders. Actief contractmanagement zoals bovenstaand beschreven leidt ertoe dat knelpunten sneller geïdentificeerd worden. Door deze knelpunten samen te brengen en erop te handelen, kunnen alle partijen sneller leren wat van hun nodig is om het stelsel optimaal te laten werken. Contractmanagement kan zo bijdragen aan een snellere doorontwikkeling van het stelsel, — Sterkere gezamenlijke visie. Door heldere afspraken en geregeld contact zijn er meer manieren waarop de visie op jeugdhulp uitgewisseld wordt. Daardoor kunnen de visies van verschillende partijen steeds beter op elkaar afgestemd worden. — Betere kwaliteit van zorg. Via actief contractmanagement kunnen slecht functionerende aanbieders of aanbieders die weinig meerwaarde leveren sneller geïdentificeerd worden en aangezet worden tot verbetering, of in het meest extreme geval uitgesloten worden van een contract. Ook goed functioneren aanbieders kunnen zichzelf een spiegel voorhouden via benchmarking en duiding hiervan. Deze continue verbetering leidt naar verwachting tot betere kwaliteit van zorg, wat prettiger is voor jeugdigen en ouders, Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Contractmanagement als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid. De grootste meerwaarde van contractmanagement is dat het een manier is om het beleid van de gemeente ook daadwerkelijk te implementeren. Dat werkt alleen als contractmanagement gezien wordt als integraal onderdeel van het beleid en sturingsinstrumentarium van de gemeente. — Voldoende capaciteit. Gemeenten moeten voldoende capaciteit hebben om gedegen contractmanagement uit te kunnen voeren. — Zichtbaarheid. Om de relatie met zorgaanbieders en de rest van de gemeente te versterken is het nodig dat contractmanagers van de gemeente zichtbaar zijn. — Gedegen en transparante monitoring. Het voeren van actief contractmanagement dient volgens een planmatige en transparante aanpak te gebeuren. Op deze manier is de verleiding om te sturen op de waan van de dag minder, en kunnen gemeenten en aanbieders gezamenlijk werken aan een intensievere relatie en opgestelde doelen. — Sturing gaat verder dan cijfers. Het is van belang om niet enkel op cijfers te sturen, maar ook andere bronnen te gebruiken, zoals bijvoorbeeld cliëntervaringen. — Goede samenwerking met sociale recherche. Voor het aanpakken van fraude bij aanbieders is het nodig dat gemeentelijke handhavers een goede samenwerking hebben met de sociale recherche en regionale handhaving. — Competenties van contractmanagers. Het is van belang dat de medewerkers die deze gesprekken voeren goede gespreksvaardigheden hebben en zowel verbindend kunnen zijn als kritisch kunnen doorvragen. Daarnaast moeten er voldoende competenties aanwezig zijn op het gebied van data-analyse en strategisch denken. Tot slot moet het contractmanagement het lef hebben om door te pakken als dat nodig is en creatief kunnen nadenken over manieren om een scherp beeld te krijgen op basis van vaak onvolledige gegevens. Risico’s van de maatregel Er zijn geen significante risico’s gesignaleerd bij het implementeren van deze maatregel. Wel is het van belang om naast de noodzaak voor gegevens altijd de extra administratieve GV572 203 Andersson Elffers Felix belasting af te wegen. Bij een goede uitvoering van contractmanagement is dit echter geborgd. Maatregel 18 Invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage Beschrijving van de maatregel Door middel van een wetswijziging is het mogelijk om een inkomensafhankelijke eigen bijdrage?” in te voeren voor jeugdhulp om zo het onnodig gebruik af te remmen. Deze eigen bijdrage wordt bepaald uit een rekenformule die afhangt van de kosten van de ondersteuning en de inkomsten van een huishouden, op eenzelfde manier als de eigen bijdrage voor de Wmo voordat het abonnementstarief werd ingevoerd. De manier waarop de eigen bijdrage van een huishouden is bepaald wordt hieronder verder toegelicht, Berekening van de eigen bijdrage Voor huishoudens met een jaarlijks belastbaar inkomen (de som van inkomsten van box 1, 2 en 3 van de belastingaangifte) onder de € 28.177 geldt per zorgperiode een maximale eigen bijdrage van € 27,80. Voor huishoudens met een inkomen boven de € 28.177 wordt de maximale eigen bijdrage op jaarbasis verhoogd met 15% van het inkomen dat boven deze grens ligt, Per zorgperiode wordt het inkomen boven de € 28.177 dus eerst gedeeld door dertien (het aantal zorgperiodes in een jaar), en daar wordt vervolgens 15% van gerekend. Dat bedrag wordt opgeteld bij de standaard maximale eigen bijdrage van € 27,80. De berekening voor huishoudens met een inkomen boven de grens van € 28.177 is dus: maximale eigen bijdrage per periode inkomen — € 28.177 = €27,80 + 0,15 Xx 13 Het gaat hier om de maximale eigen bijdrage. Per periode betaalt een huishouden de totale kosten voor jeugdhulp tot aan deze maximale eigen bijdrage. Er wordt dus nooit meer betaald dan er aan zorg geleverd is, Er zijn verschillende manieren waarop de eigen bijdrage toegepast kan worden, bijvoorbeeld voor sommige zorgvormen wel en andere niet. In het onderzoek gaan we uit van de meest vergaande vorm. Het uitgangspunt voor de berekening is dus dat de eigen bijdrage geldt voor alle vormen van jeugdhulp, waarbij alleen jeugdbescherming en jeugdreclassering uitgezonderd zijn als onderdeel van het gedwongen kader. Jeugdhulp in gedwongen kader is echter wel meegerekend. Dit kan uiteraard tot complexe situaties leiden, bijvoorbeeld wanneer door de rechter jeugdhulp is opgelegd en daarvoor een eigen bijdrage betaald moet worden door ouders aan wie het gezag is ontzegd. De mogelijke besparing is uiteraard lager als de eigen bijdrage voor sommige vormen van jeugdhulp geldt; bijvoorbeeld wanneer jeugdhulp in gedwongen kader of zwaardere vormen van jeugdhulp worden uitgezonderd. Net als in de Wmo is het mogelijk om gemeenten de ruimte te geven om hun eigen bijdrage bij te stellen. Dit valt echter onder gemeentelijke beleidsvrijheid, dus hier hoeft geen rekening mee gehouden te worden bij het bepalen voor de besparing. Voor het onderzoek van deze 22 Een vast bedrag als eigen bijdrage is ook een optie, maar in de stuurgroep is besloten om alleen de inkomensafhankelijke variant te onderzoeken. GV572 204 Andersson Elffers Felix maatregel gaan we daarom uit van de inkomensgrenzen zoals die in de Wmo op landelijk niveau waren vastgesteld. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — Eeneigen bijdrage vormt een drempel voor zorggebruik, waardoor het aantal cliënten in jeugdhulp zal dalen. — Mogelijk zijn er ook cliënten die de zorg vermijden die dat wel nodig hadden, waardoor er mogelijk meer escalaties ontstaan. Daardoor kan het aantal lange, dure trajecten toenemen. — De eigen bijdrages die gemeenten ontvangen leveren direct baten voor de gemeenten op. — Voor het innen van de eigen bijdrage zullen uitvoeringskosten gemaakt woorden door gemeenten en het CAK, Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. cliënten voor gebruik jeugdhulp (zorgmiiding) TRISH Ke PICNIC een inkomens- eigen bijdragen afhankelijke FATA Kerl eigen bijdrage Fick a Ca er Verwachte omvang van de besparing Omdat er momenteel geen eigen bijdrage geldt voor jeugdzorg, en dat ook nooit het geval is geweest, is het lastig om een inschatting te maken van de financiële effecten van een dergelijke bijdrage. Eerder is echter wel een eigen bijdrage in de GGZ voor volwassenen ingevoerd, en gold een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo. Met de stuurgroep is afgestemd dat de ervaringen hierin vertaald worden naar jeugdhulp, om een eerste inschatting te maken van het financiële effect. Daarbij is de inkomensafhankelijke eigen bijdrage die voorheen in de Wmo gold gebruikt als basis voor de berekening van de eigen bijdrage voor gezinnen. Voor de effecten van zorgmijding is met de stuurgroep geconcludeerd dat de eigen bijdrage in de GGZ qua dynamiek meer overeenkomt met jeugdhulp. Daarom is in de berekening uitgegaan van de ervaringen die daar opgedaan zijn. Uiteraard is niet duidelijk of de invoering van een eigen bijdrage voor jeugdhulp hetzelfde effect zal hebben als een eigen bijdrage in de GGZ. Dit zal onder andere afhankelijk zijn van de hoogte van de eigen bijdrage en van de zorgvormen waar hij voor ingevoerd wordt, GV572 205 Andersson Elffers Felix Onderstaande berekening kan dan ook gezien worden als een eerste inschatting van dit effect. — Bij de invoering van een eigen bijdrage voor de GGZ bleek het aantal cliënten af te nemen met 10,8% - 16,0%.!* Deze bandbreedte is ook gehanteerd voor het percentage jeugdigen dat zorg gaat mijden vanwege de eigen bijdrage. — Het is niet duidelijk voor welk type trajecten dit zal gelden. Daarom rekenen we met het gemiddelde traject. Dit is op basis van de analyse van kosten, budget en volume € 8.259 - € 10.259 per cliënt per jaar, waarbij een onzekerheidsmarge van € 1000 beide kanten op gehanteerd is, omdat niet duidelijk is in hoeverre zorgmijding inderdaad ‘gemiddelde? trajecten betreft. Ook de toename van lange en dure trajecten door escalatie (effect 2) berekenen we op basis van de ervaringen in de GGZ. — Als inschatting van het aantal jeugdigen dat momenteel door een escalatie in een zwaarder traject terecht komt is het percentage cliënten genomen waarvan de trajecten begonnen zijn door een crisis, ten opzichte van het totaal aantal cliënten in 2019, Deze gegevens zijn van StatLine te halen en leiden tot een percentage van 3,9% - 4,8%. — Bij de invoering van een eigen bijdrage voor de GGZ nam het aantal acute opnames toe met 25% en het aantal onvrijwillige opnames met maar liefst 96,8%. ?* Omdat het niet geheel duidelijk is wat dit betekent voor de toename van geëscaleerde trajecten in de jeugdzorg is een grote bandbreedte van 25% - 95% gehanteerd. Dit betekent dat het percentage jeugdigen dat door een escalatie in jeugdhulp terecht komt als een eigen bijdrage wordt ingevoerd stijgt tot 5,3% - 8,6%, — Geëscaleerde trajecten zijn typisch duur. Daarom hanteren we een gemiddelde prijs per jaar van € 10.000 - € 30.000 (conform de geëscaleerde jeugdhulp in maatregel 6). Doordat cliënten een eigen bijdrage gaan betalen, zullen de baten van gemeenten omhoog gaan (effect 3). — We zijn uitgegaan van de eigenbijdragestructuur van de Wmo in 2016, — Met behulp van een microdata-analyse is berekend wat de gemiddelde eigen bijdrage zal zijn voor een cliënt die een heel jaar jeugdhulp krijgt. Deze berekening is gedaan door de jeugdigen met jeugdhulp te koppelen aan een huishouden, en dit huishouden te koppelen aan inkomensgegevens. Op basis daarvan zal de gemiddelde eigen bijdrage € 3.390 -€ 3.813 zijn. — Vervolgens is gecorrigeerd voor het feit dat niet iedere cliënt een heel jaar jeugdhulp krijgt: gemiddeld is op een bepaalde peildatum 63% van de cliënten die in een bepaald jaar jeugdhulp krijgt op dat moment in jeugdhulp. — Het totaal aantal cliënten is verminderd met het aantal cliënten dat af zal zien van jeugdhulp vanwege de invoering van de eigen bijdrage op basis van effect 1. Hierdoor zullen er naar verwachting 271.358 - 282.434 volledige zorgjaren zijn waarover een eigen bijdrage betaald zal worden. — Bovenstaande analyse is eerst gedaan op basis van de jeugdigen waarvoor begin- en einddatum gedurende een jaar bekend is, Vervolgens zijn deze geëxtrapoleerd naar alle 23 “Association of cost sharing with mental health care use, involuntary commitment, and acute care”, Ravesteijn et. al, 2017. 24 “Association of cost sharing with mental health care use, involuntary commitment, and acute care”, Ravesteijn et. al, 2017. 25 Vanaf 2017 is de eigen bijdrage Wmo stapsgewijs aangepast, waardoor bepaalde groepen uitgesloten werden van een eigen bijdrage. GV572 206 Andersson Elffers Felix jeugdigen op basis van de percentages die hiervoor ook gehanteerd worden in de volume-analyse. Bovenstaande cijfers zijn inclusief deze correcties. Voor de administratieve lasten van gemeenten en rijk (effect 4) geldt het volgende. =— De uitvoeringskosten die het CAK in 2018 maakte voor de inkomensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo lagen rond de 36 miljoen euro. ?* Hoewel wellicht van de bestaande infrastructuur gebruik gemaakt kan worden, vraagt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage een ander proces dan de inkomensonafhankelijke eigen bijdrage die nu voor de Wmo geldt, Daarom gaan we uit van dit bedrag, met een bandbreedte van 1 miljoen euro beide kanten op. — Ook voor gemeenten gelden extra uitvoeringskosten. Enerzijds moeten zij gegevens leveren aan het CAK, en anderzijds moeten zij cliënten vertellen dat een eigen bijdrage geldt in het toegangsproces. De levering vanuit gemeenten is echter sterk vergelijkbaar met die in de Wmo, waardoor de verwachting is dat hier na een initiële investering geen extra kosten aan verbonden zijn. Daarnaast blijkt op basis van interviews dat de ervaring inde Wmo is dat de toelichting op de eigen bijdrage een onderdeel is van het brede gesprek dat vanuit de toegang gevoerd wordt, en dat dit geen extra tijd kost, Effect Financieel effect 1. Afname aantal cliënten 267 tot 420 miljoen euro 2. Toename lange, dure trajecten -225 tot -64 miljoen euro 3. Toename baten eigen bijdragen gemeente 688 tot 1.039 miljoen euro 4. Uitvoeringskosten gemeente + CAK -37 tot -35 miljoen euro Totaal 0,8 tot 1,2 miljard euro Incidentele kosten Hoog Termijn van besparing Lange termijn (wetswijziging en implementatietijd nodig) Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Invloed op welzijn jeugdigen en hun ouders. De maatregel is erop gericht dat minder jeugdigen gebruik maken van jeugdhulp. Het welzijn van deze jongeren en hun ouders wordt daardoor verlaagd. Dit geldt zeker voor jeugdigen die de zorg eigenlijk wel echt nodig hebben. De extra problemen die deze groep op langere termijn ontwikkelt hebben een negatief effect op het welzijn van de jeugdigen. — Invloed op werkplezier professionals. Jeugdhulpprofessionals worden over het algemeen niet gemotiveerd door gesprekken over geld. Voor toegangsmedewerkers zijn deze gesprekken, en de negatieve reacties die zij soms zullen uitlokken, dan ook niet prettig. 26 Jaarverslag CAK 2018. GV572 207 Andersson Elffers Felix — Toename administratieve lasten aanbieders. Doordat de eigen bijdrage gebaseerd wordt op de maandelijkse kosten, moeten aanbieders hun maandelijkse inzet bijhouden. Dit zal extra administratieve lasten opleveren, zeker bij financieringsvormen waar geen bedrag per kind per maand wordt gefactureerd. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Afbakening zorgvormen met eigen bijdrage. Voor het effect van deze maatregel is van belang om af te bakenen voor welke vormen van jeugdhulp de eigen bijdrage gaat gelden. In het onderzoek is bijvoorbeeld genoemd dat crisiszorg uitgesloten zou moeten worden. — Aanpassing van systemen om eigen bijdrages te innen. Het innen van een eigen bijdrage zou belegd kunnen worden bij het CAK, zoals momenteel ook voor de Wmo het geval is, Ook de gemeentelijke systemen zouden hierop aangepast moeten worden. Het Rijk kan gemeenten hier handvatten voor bieden, zodat niet elke gemeente het wiel opnieuw uit hoeft te vinden. — Goede informatievoorziening. Het is van belang dat ouders niet verrast worden door een factuur voor een eigen bijdrage, dus hierover moet goede voorlichting gegeven worden in de toegang. Toegangsmedewerkers moeten hiervoor opgeleid worden, zodat zij de systematiek begrijpen en het gesprek hierover kunnen voeren. Een aandachtspunt daarbij is de huisarts en andere medische verwijzers. Ook die moeten voldoende op de hoogte zijn van de gevolgen voor de cliënt. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Toename kansenongelijkheid. Hoewel de eigen bijdrage inkomensafhankelijk is, kan ook € 20 een significant bedrag betekenen voor ouders in de bijstand. Zeker bij lichtere zorgtrajecten zijn rijkere ouders beter in staat om de eigen bijdrage te betalen, of buiten de Jeugdwet om de volledige hulp zelf te betalen. Daardoor krijgen kinderen van rijkere ouders meer hulp en ondersteuning dan die van armere ouders. — Stapeling van kosten. Als kosten uit verschillende domeinen opstapelen (zoals eigen bijdragen voor de Wmo, Wlz en Zvw) kan dat ook voor middeninkomens tot relatief hoge kosten leiden. Het is niet duidelijk hoe vaak dit voor zou komen. — Toename schuldenproblematiek. Eigen bijdragen kunnen schuldenproblematiek bij ouders veroorzaken of verergeren. Dat leidt tot meer stress in het gezin en negatieve effecten op jeugdhulpgebruik en andere voorzieningen. Dit kan op termijn tot meer kosten leiden. — Extra kosten in andere wettelijke kaders. Als problematiek van jeugdigen niet in de jeugdhulp opgelost wordt, kan dat betekenen dat jeugdigen later in hun leven minder zelfredzaam zijn. Dit kan leiden tot hogere kosten in bijvoorbeeld de Zvw en in het participatiedomein. Als de maatregel slechts geldt voor bepaalde vormen van jeugdhulp of cliëntgroepen en voor een ander deel niet, spelen er nog twee andere risico’s, — Verschuiving naar andere zorgvormen. Het blijkt dat bij invoering van een eigen bijdrage cliënten vaker doorverwezen worden naar vormen van zorg waar geen eigen bijdrage voor geldt. Zo werd relatief veel behandeling van ouders op de DBC van het kind geschreven toen voor de volwassen-GGZ een eigen bijdrage gold. Ook in de jeugdhulp kan dit mechanisme optreden. Dit kan leiden tot minder passende en in sommige gevallen duurdere jeugdhulp. GV572 208 Andersson Elffers Felix — Ook als bepaalde inkomensgroepen of zorgvormen worden uitgezonderd, blijft het risico op zorgmijding bestaan. Het feit dat er een eigen bijdrage wordt gehanteerd kan een afschrikkende werking hebben. Jeugdigen kunnen zorg gaan mijden, ook indien de eigen bijdrage misschien niet voor hen persoonlijk zou gaan gelden. Dat betekent dat uitzonderingen voor bepaalde groepen, zoals huishoudens met lage inkomens, of specifieke zorgvormen minder effectief kunnen zijn dan verwacht. Maatregel 19. Inkoop voor bepaalde zorgvormen verplicht op regionaal niveau Beschrijving van de maatregel Momenteel verschilt het per regio welke jeugdhulp regionaal of op gemeentelijk niveau wordt ingekocht. Met deze maatregel wordt geformaliseerd op welk niveau (gemeentelijk, regionaal of bovenregionaal) gemeenten het hulpaanbod voor jeugdigen moeten inkopen. Deze maatregel is opgenomen in de conceptversie van de wijziging van de Jeugdwet. Een deel van de hulp die nu nog op gemeentelijk niveau wordt georganiseerd, zal na de wijziging op (boven)regionaal niveau worden ingekocht. In het huidige voorstel gaat het om de beschikbaarheid van hoogspecialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp, specialistische verblijfsfuncties en hulp in het kader van urgente crisissituaties. Gemeenten kunnen de andere jeugdhulp, waaronder opvoed- en gezinsondersteuning en preventieve taken, wel zelf inkopen. Beleidstheorie van de maatregel Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten: — De gemeenten die gezamenlijk inkopen zullen dezelfde contractuele eisen hebben, waardoor de administratieve lasten van aanbieders die in verschillende gemeenten binnen de regio werken kunnen dalen. — De administratieve lasten van gemeenten en aanbieders kunnen ook dalen doordat de samenwerkende gemeenten gezamenlijk hun contractmanagement kunnen organiseren. — De gemeenten moeten op regionaal niveau met elkaar afstemmen wat leidt tot hogere administratieve lasten voor gemeenten. Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom. Minder verschillende 1. Lagere administratieve ON EINECS MERCI mn n VAER Wanden rain IJK administratieve lasten zorgvormen verplicht op NN regionaal niveau E24 voor LSA Cal aanbieders Noodzaak voor 3. Hogere afstemming op regionaal ER administratieve lasten a lAAELD voor gemeenten GV572 209 Andersson Elffers Felix Verwachte omvang van de besparing In het diepteonderzoek is gebleken dat het voor aanbieders lastig is om vermindering van administratieve lasten door minder contractuele eisen (effect 1) en door gezamenlijk contractmanagement (effect 2 voor aanbieders) van elkaar te onderscheiden. Om deze reden zijn de effecten 1 en 2 samengenomen. Wel is er onderscheid gemaakt tussen de uitkomsten voor gemeenten en aanbieders. Voor de aanbieders geldt: — Uit het diepteonderzoek volgt dat de administratieve lasten van aanbieders naar alle waarschijnlijkheid niet of nauwelijks zullen verminderen als gemeenten bepaalde zorgvormen regionaal inkopen: de administratieve lasten ontstaan meer door verschillen inde toegang dan door verschillen in contracteren. Uit de enquête bleek dat veel aanbieders dit herkenden. Enkele aanbieders gaven hogere percentages aan. Uit de toelichting bleek echter dat een deel hiervan betrekking had op verschillen in de toegang (waar deze maatregel niet op aangrijpt). In sommige gevallen werd benoemd dat het contracteringsproces tijdrovend is. De tijdsinzet hiervoor hangt uiteraard sterk af van de duur van de contracten, en het aantal gemeenten waarmee deze afgesloten worden. We houden daarom een ruime bandbreedte aan van 0% - 1% van de administratieve lasten. — De landelijke omzet van alle aanbieders bedraagt volgens de analyse van de kosten in dit onderzoek ongeveer 4,7 miljard euro}? Voor de gemeenten geldt ook dat er minder contractmanagement nodig is (effect 2 voor gemeenten). Uit het diepteonderzoek bleek dat het effect beperkt was, maar ook dat maar weinig gemeenten hier inzicht in hadden. Op basis van de uitvraag was het mogelijk om dit te kwantificeren. — In het onderzoek hebben we de volgende zorgvormen onderscheiden, waarop regionaal ingekocht zou kunnen worden: = Weinig voorkomende specialistische jeugdhulp: intensieve ambulante vormen ter vervanging van jeugdhulp met verblijf, specialistische behandeling met verblijf, gesloten jeugdhulp; = Jeugdhulp in het kader van een urgente crisissituatie; = Pleegzorg en gezinsvervangend verblijf; = Jeugdverslavingszorg; = Benodigde jeugdhulp vanuit de brede veiligheidsketen, waaronder systeem- en gezinsinterventies; = In een strafrechtelijk vonnis opgelegde jeugdhulp (ook wel ‘forensische jeugdhulp’ genoemd); = Regionale expertteams (dit is geen jeugdhulp maar vraagt wel regionaal opdrachtgeverschap). — Uit de uitvraag volgt dat regio’s waarin al deze zorgvormen op regionaal niveau ingekocht worden gemiddeld ongeveer 0% tot 0,2% van de totale omzet per regio besparen op contractmanagement. Regionaal inkopen betekent ook dat er regionale afstemming en overleg nodig is (effect 3). Dit kost tijd, en dus ook geld voor gemeenten. — De toename in kosten doordat er regionaal overleg plaats vindt bedraagt 0% tot 0,8% van de totale omzet in per regio. Voor de extrapolatie naar landelijk niveau is van belang om te bepalen welke regio’s in 2019 regionaal inkochten. B1 Zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume. GV572 210 Andersson Elffers Felix — Uit de uitvraag blijkt dat veel regio’s bovenstaande vormen al (grotendeels) op regionaal niveau inkopen. De meest voorkomende uitzondering waren regionale expertteams, jeugdverslavingszorg en jeugdhulp vanuit de veiligheidsketen. Dit betreft echter een beperkt gedeelte van het budget in de volledige jeugdhulp, dus bij deze regio’s is geen kostenbesparing gerekend. — Bij regio’s die bijvoorbeeld pleegzorg apart inkochten, is dat wel gedaan: in dat geval is dus de volledige besparing gerekend, hoewel dit in werkelijkheid wellicht iets lager zal zijn. — Daarnaast zijn enkele jeugdhulpregio’s in tweeën gedeeld, of zijn er afsplitsingen van enkele gemeenten. Aangezien hier nog steeds gedeeltelijk gezamenlijk ingekocht wordt, is hier de halve besparing meegerekend. — Tot slot hebben enkele regio’s de uitvraag niet ingevuld. Op deze regio’s is de bandbreedte gebaseerd, door er al ene uiterste vanuit te gaan dat zij volledig regionaal inkopen (zoals de meerderheid van de regio’s) en als andere uiterste dat zij gemiddeld voor de helft regionaal inkopen. — Daaruit volgt dat de omzet in regio’s die al regionaal inkopen 81%- 83% van de landelijke omzet bedragen. 1. en 2. Lagere administratieve lasten voor 0 tot 9 miljoen euro aanbieders 2. Lagere administratieve lasten voor 0 tot 2 miljoen euro gemeenten 3. Hogere administratieve lasten voor -7 miljoen euro tot 0 miljoen euro gemeenten Totaal -4 tot 7 miljoen euro Incidentele kosten Middel Termijn van besparing Middellange termijn Kwalitatieve effecten Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende kwalitatieve effecten: — Meer continuïteit en toegankelijkheid van de zorg. Regionale inkoop kan efficiënt invulling geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid en continuïteit van de specialistische zorg voor jeugd. — Betere samenwerking tussen gemeenten. Het verplichte inkopen op regionaal niveau leidt naar verwachting tot een betere samenwerking tussen de gemeenten in een regio. — Positie aanbieders. Voor grote aanbieders is het prettig dat jeugdhulp uniformer wordt ingekocht. Voor kleine lokale aanbieders kan het juist lastiger zijn als meer regionaal wordt ingekocht. — Minder lokale verbinding met jeugdhulpaanbieders. Er ontstaan mogelijk minder warme contacten tussen lokale gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Dit kan een negatief effect hebben op de samenwerking die naast de zorginkoop van belang kan zijn. — Minder beleidsvrijheid voor gemeenten. Als een deel van de jeugdhulp op (boven)regionaal niveau ingekocht wordt, beperkt dit de mogelijkheden voor gemeenten GV572 211 Andersson Elffers Felix om hun lokale stelsel naar eigen inzicht effectief in te richten. Als bijvoorbeeld de bovenregionaal inkoop met een PxQ-systematiek werkt, brengt een taakgerichte bekostiging voor de overige jeugdhulp een risico op ‘afschuiven’ met zich mee. Gemeenten zullen zich dus moeten verhouden tot de keuzes die op (boven)regionaal niveau gemaakt zijn. — Meer expertise inkoop complexe zorg. Het komt voor dat (kleine) gemeenten niet de juist expertise hebben om complexe zorg goed in te kopen. Als de inkoop voor bepaalde zorgvormen verplicht op regionaal niveau plaatsvindt kan dit verholpen worden. Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende randvoorwaarden voldaan zijn: — Overeenstemming over afbakening van specialistische jeugdhulp. Voor een werkend stelsel is het van belang dat er landelijk overeenstemming is over de afbakening van de regionaal in te kopen jeugdhulp. Als hier nog verdere discussies over ontstaan, leidt het tot extra onduidelijkheid. — Inrichten samenwerkingsverband gemeenten. Het is belangrijk dat gemeenten die samen bepaalde zorgvormen inkopen, investeren in het opzetten en in stand houden van een goed werkend samenwerkingsverband. Het opstellen van een regionale agenda en/of visie kan hierbij helpen. Het is hierbij van belang dat gemeenten duidelijke afspraken maken over besluitvorming en governance, inclusief een werkwijze voor als ze het niet onderling eens worden. Risico’s van de maatregel De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen beïnvloeden: — Invoering geeft regievraagstukken. Veel gemeenten hebben (langlopende) contracten, die zeker bovenregionaal niet op hetzelfde moment aflopen. Dat betekent dat keuzes gemaakt moeten worden over het moment dat gestart moet worden met (boven)regionale inkoop: worden één of meerdere contracten opengebroken of wordt een andere oplossing gezocht? Dit kan tijdelijk extra onrust in het stelsel geven. — Toename van conflicten tussen gemeenten. Op dit moment ontstaat met enige regelmaat onenigheid tussen gemeenten over de te volgen strategie. Deze worden vaak opgelost door jeugdhulpregio’s op te splitsen, waarna (kleinere groepen van) gemeenten alleen verder gaan. Deze maatregel kan als gevolg hebben dat het moeilijker wordt om dergelijke conflicten op te lossen als gemeenten verplicht aan elkaar verbonden zijn, dan wel dat er meer van dergelijke conflicten zullen ontstaan. GV572 212
Onderzoeksrapport
212
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2018 Afdeling 1 Nummer 61 Publicatiedatum 31 januari 2018 Ingekomen onder L Ingekomen op woensdag 24 januari 2018 Behandeld op woensdag 24 januari 2018 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van de leden Vroege en Ernsting inzake het beleidskader Verkeersnetten (afwaardering van de Valkenburgerstraat en de Kattenburgerstraat). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over het beleidskader Verkeersnetten (Gemeenteblad afd. 1, nr. 15). Overwegende dat: — De Valkenburgerstraat de meest vieze straat van Nederland is — De Valkenburgerstraat als Plusnetcorridor in zijn huidige vorm ongezond en onveilig is en een barrière vormt tussen het oude Centrum en West aan de ene kant en de plantagebuurt en Oost aan de andere kant. Constaterende dat: — Er vele plannen zijn voor vernieuwing in de directe omgeving zoals de Eilandenboulevard en herinrichting Marineterrein. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: De Valkenburgerstraat en de Kattenburgerstraat af te waarderen van PlusnetCorridor naar Hoofdnet Auto. De leden van de gemeenteraad J.S.A. Vroege Z.D. Ernsting 1
Motie
1
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2018 Afdeling 1 Nummer 181 Publicatiedatum 21 februari 2018 Ingekomen onder AC Ingekomen op woensdag 14 februari 2018 Behandeld op woensdag 14 februari 2018 Status Aangenomen Onderwerp Motie van de leden Nuijens, Groen, Van Lammeren en Boutkan inzake het geluidbeleid Evenementen en de locatieprofielen (nader uitwerken van ‘slecht weer scenario’s voor parken’ en het beoordelen van de actuele staat van het park in de systematiek van locatieprofielen en vergunningen). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de beleidsregel “Geluid bij evenementen in Amsterdam”, de locatieprofielen voor evenementenlocaties en de richtlijn “Duurzaamheid Evenementen” in Amsterdam (Gemeenteblad afd. 1, nr. 130). Overwegende dat: — Zorgen over bodem, ecologie en beschadiging en herstel van parken naar aanleiding van (grootschalige) evenementen door het nieuwe evenementenbeleid en de locatieprofielen maar gedeeltelijk worden weggenomen; — Het faciliteren van grootschalige evenementen in parken alleen wenselijk is als blijvende schade op alle mogelijke manieren systeemtechnisch wordt uitgesloten; — De QuickScan die aangeleverd moet worden in het kader van de vergunningverlening meestal weken voor het evenement plaatsvindt en daarom per definitie geen informatie verschaft over de actuele staat van park en bodem, terwijl deze, bijvoorbeeld door extreme regenval, sterk verslechterd kan zijn ten opzichte van het moment van de QuickScan; — In hoorzitting en commissiebehandeling bevestigd is dat de huidige systematiek middels de APV voorziet in de mogelijkheid om in een uiterst geval een evenement geen doorgang te laten vinden, hetgeen nog nooit is voortgekomen; — Met regelmaat sprake is van aanpassingen in opbouw, positionering, gebruikte ondergrond enz, maar hiervoor geen eenduidige procedures zijn vastgelegd. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: 1. Het beoordelen van de actuele staat van het park voor aanvang van een evenement per park te beleggen bij een ambtenaar of afdeling van gemeente of stadsdeel; en tot verplicht onderdeel te maken van de reguliere systematiek; 1 Jaar 2018 Gemeente Amsterdam Afdeling 1 Gemeenteraad R Nummer 181 Motie Datum 21 februari 2018 2. Daarbij vast te stellen of het vanwege extreme weersomstandigheden, dan wel door schade veroorzaakt door een eerder evenement in hetzelfde seizoen, noodzakelijk is extra maatregelen voor te schijven, waarbij in het uiterste geval de burgemeester de vergunning kan intrekken op basis van de APV, artikel 2.43; 3. Een voorafgaand advies hier over op een vast moment tot verplicht onderdeel te maken van de reguliere systematiek bij vergunningen; 4. Hierbij per evenement met de organisator afspraken te maken over het door de organisator aanleveren ‘slecht weer scenario's’ die vastleggen welke maatregelen de organisator op basis van dat advies moet (kunnen) treffen. De leden van de gemeenteraad J.W. Nuijens RJ. Groen J.F.W. van Lammeren D.F. Boutkan 2
Motie
2
train
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Motie Jaar 2014 Afdeling 1 Nummer 487 Publicatiedatum 9 juli 2014 Ingekomen onder A Ingekomen op woensdag 2 juli 2014 Behandeld op woensdag 2 juli 2014 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van de raadsleden mevrouw Moorman en de heer Groot Wassink inzake de uiteenlopende uitingen in de media over de ambitie van het college met betrekking tot de sociale woningvoorraad. Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de interpellatie van de raadsleden mevrouw Moorman en de heer Groot Wassink van 30 juni 2014 inzake de uiteenlopende uitingen in de media over de ambitie van het college met betrekking tot de sociale woningvoorraad (Gemeenteblad afd. 1, nr. 479); Overwegende dat — de woningmarkt in Amsterdam vele knelpunten kent waaronder de huisvesting van studenten, middeninkomens, een toename in zelfstandig wonende ouderen en er nog altijd forse wachtlijsten bestaan voor de sociale huurwoningen; — ín het programakkoord als ambitie voor de sociale woningvoorraad is opgenomen ‘dat er op termijn voldoende woningen zijn voor Amsterdammers die een sociale huurwoning nodig hebben’; — het programakkoord een ondergrens heeft geformuleerd van 187.000 sociale huurwoningen. Deze ondergrens gebaseerd is op een steekproef (WIA 2013) waarmee het aantal Amsterdammers met een bruto inkomen tot € 34.700 wordt bepaald; — vanaf 1 januari de inkomensgrens voor het aanspraak kunnen maken op een sociale huurwoning echter wordt opgetrokken naar € 38.000 en het daarom wenselijk is te onderzoeken hoeveel huishoudens Amsterdam heeft met een brutoinkomen tot € 38.000; — voorts effecten te verwachten zijn van de aanpassingen van het Woning Waarderingstelsel (VWS) in huurprijzen, woningwaarderingen en daaruit voorvloeiende liberalisaties; — het wenselijk is als het college een analyse maakt van de effecten van toekomstig rijksbeleid en haar eigen ambities en hiervoor een projectie opstelt voor de woningvoorraad zoals zij die voor ogen heeft in 2018 en 2025, 1 Jaar 2014 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 487 Motie Datum 9 juli 2014 Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — een projectie op te stellen voor de Amsterdamse woningmarkt, waarbij de verdeling van de woningvoorraad wordt geprojecteerd voor de jaren 2018 en 2025; — te onderzoeken hoeveel huishoudens Amsterdam heeft met een brutoinkomen tot € 34.700 en hoeveel huishoudens Amsterdam heeft met een brutoinkomen tot € 38.000; — indien blijkt dat meer dan 187.000 huishoudens, ook gezien het optrekken van de grens naar € 38.000, aanspraak mogen maken op een sociale huurwoning de ondergrens van 187.000 naar boven bij te stellen en hierover met de corporaties in overleg te treden; — hierover de raad vooraf aan de begroting 2015 te informeren. De leden van de gemeenteraad, M. Moorman BR. Groot Wassink 2
Motie
2
discard
X Gemeente Amsterdam AZ % Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Juridische Zaken, Bestuurlijk Stelsel, Project 1012,Regelgeving en Handhaving, x Raadsaangelegenheden en Communicatie Agenda, maandag 24 juni 2013 Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare Expertmeeting van de Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Juridische Zaken, Bestuurlijk Stelsel, Project 1012,Regelgeving en Handhaving, Raadsaangelegenheden en Communicatie Tijd 13.30 tot 17.30 uur. Locatie De Rooszaal (0239), stadhuis 1. Opening 2. Mededelingen 3. Expertmeeting: Het college van Burgemeester en wethouders heeft op 22 januari 2013 ingestemd met de notitie '10 wegen naar innovatiever aanbestedingsbeleid en professioneler opdrachtgeverschap. De notitie komt voort uit verschillende initiatieven om de rol van de Gemeente Amsterdam als opdrachtgever te professionaliseren. Voor meer achtergrondinformatie over het ontstaan van deze notitie verwijs ik u naar de eveneens bijgevoegde commissieflap. Deze notitie is op 28 februari 2013 ter kennisname voorgelegd aan de raadscommissie voor Algemene Zaken. In deze vergadering is vanuit de fractie van Groenlinks verzocht om een openbare expertmeeting over dit onderwerp te organiseren. De commissie heeft hiermee ingestemd. Het doel van deze expertmeeting is om de visie van externe deskundigen op het aanbestedingsbeleid van de gemeente Amsterdam te vernemen en te behoeden eventuele valkuilen. Voor de goede orde; het college van burgemeester en wethouders is, met instemming van de raadscommissie, al met het uitvoeren van de beleidspunten van deze notitie aan de slag gegaan. Na de expertmeeting zal de notitie inhoudelijk in de commissie besproken worden. De aanwezige raadsleden zullen hier een procesvoorstel voor doen. Omdat het onderwerp vrijwel betrekking kan hebben op vrijwel alle portefeuilles zijn alle raadscommissies voor deze bijeenkomst uitgenodigd. Van deze vergaderingen worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl. Voor algemene informatie: info @gemeenteraad.amsterdam.nl 1 Gemeente Amsterdam AZ Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Juridische Zaken, Bestuurlijk Stelsel, Project 1012,Regelgeving en Handhaving, Raadsaangelegenheden en Communicatie Agenda, maandag 24 juni 2013 Voor deze expertmeeting zijn deskundigen benaderd uit de wetenschap, een juridisch aanbestedingsbureau en een economisch onderzoeksbureau. Enkele vragen die aan de orde kunnen komen zijn: - Wat is uw mening op de beleidsnotitie van het college: '10 wegen naar innovatiever aanbestedingsbeleid en professioneler opdrachtgeverschap. o Wat staat er in de notitie dat volgens uw mening anders, beter of niet gedaan moet worden? o Wat ontbreek er naar uw mening in dit voorstel? - Welke voordelen biedt het aanbesteden van opdrachten ten opzichte van het zelf uitvoeren ervan. (denk hierbij bijvoorbeeld aan het ophalen van vuilnis). o Is de beslissing om een politieke wens wel of niet via aanbesteding te realiseren voorzien van een goed en kritisch proces dat tunneldenken voorkomt in het voortraject? - Welke tips (do's en don'ts) heeft u voor het gemeentebestuur van Amsterdam. o De gemeenteraad heeft hier vooral een kaderstellende en controlerende rol. Heeft u nog tips hoe de raad zijn taken beter kan vervullen. De volgende experts zijn hier aanwezig. -_Prof. dr. Ir. Bart Vos, hoogleraar inkoopmanagement aan de universiteit van Tilburg - Siep Eilander, Chief procurement officer Rijksoverheid - Wouter Stolwijk, directeur PIANOo, expertisecentrum aanbesteden. De expertmeeting zal het format van een ronde tafelgesprek hebben. De experts krijgen de gelegenheid om zichzelf te introduceren en hun visie op één of meerdere onderdelen die aan bod komen in deze bijeenkomst te geven waarna de aanwezige raadsleden u vragen kunnen stellen. Als bijlage treft u aan: - De commissieflap -_Notitie “10 wegen naar innovatiever aanbestedingsbeleid en professioneel opdrachtgeverschap” - Besluit College d.d. 22 januari 2013 -__ Brief burgemeester aan de leden van de Raadscommissie AZ d.d. 21 maart 2013 2
Agenda
2
train
X Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad DS Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2020 Afdeling 1 Nummer 1245 Datum indiening 8 oktober 2020 Datum akkoord 9 november 2020 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid A.L. Bakker inzake de samenwerkingsafspraken met woningbouwcorporaties over het opwekken van zonne-energie Aan de gemeenteraad Toelichting door vragensteller: Het opwekken van zonne-energie is al jarenlang onderwerp van gesprek in het kader van de energietransitie en speelt ook een rol bij de verduurzaming van huurwoningen van woningcorporaties. De doelstellingen worden vastgelegd in samenwerkingsafspraken tussen de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWG), de Federatie Amsterdamse Huurderskoepels (FAH) en de gemeente. In de periode 2014-2019 is de afgesproken doelstelling voor het opwekken van 80 MW stroom met zonnepanelen op huurdaken bij lange na niet gehaald. Toenmalig wethouder Choho concludeerde in 2018 dat de woningcorporaties onvoldoende inzicht gaven in de acties en doelen per corporatie. Huurders bleken zelfs te worden tegengewerkt door de woningbouwverenigingen bij eigen initiatieven om aan de slag te gaan met zonnepanelen. De gemeente zou daarom zelf met een bureau starten waar Amsterdammers naartoe kunnen voor hulp bij bemiddeling tussen huurders en de woningcorporaties | In de nieuwe samenwerkingsafspraken voor de periode 2020-2023 is de ambitie teruggeschroefd naar 15 MW aan zonne-energie. De fractie van de Partij voor de Dieren wil dat de gemeente een stevige vinger aan de pols houdt bij de voortgang en vraagt om een tussentijdse update. Gezien het vorenstaande heeft het lid A.L. Bakker, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: 1. Hoeveel megawatt zonnestroom aan nieuwe installaties is er sinds 2020 door de samenwerkende partijen gerealiseerd ten opzichte van 2019? Antwoord: De geïnstalleerde hoeveelheid zonnestroom in 2020 wordt opgenomen in de monitor van de Samenwerkingsafspraken 2020-2023 (Amsterdamse prestatieafspraken tussen de woningcorporaties, de huurderskoepels en de gemeente). Voor 2020 wordt de monitor in 2021 opgesteld en vervolgens ook aan 1 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam Neng boas Gemeenteblad R Datum 9 november 2020 Schriftelijke vragen, donderdag 8 oktober 2020 de raad gestuurd. Met alle partijen is afgesproken om jaarlijks, over een kalenderjaar te rapporten over de voortgang van de afspraken. 2. Heeft het college in beeld welke daken van woningbouwcorporatiewoningen geschikt zijn voor zonnepanelen en kan het college deze informatie delen met de raad? Antwoord: Het college heeft op basis van data afkomstig van zonatlas.nl een beeld van de daken die op basis van de ligging van de daken en de instraling van de zon mogelijk geschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen. Het college heeft de gegevens gekoppeld met eigendomsgegevens en hieruit blijkt dat er ruimte voor circa 180 MW aan zonnepanelen op daken die in eigendom zijn van de corporaties. Dak-ligging in relatie tot de zon zegt echter niet alles over het potentieel. Zo hebben we bijvoorbeeld te maken met monumenten en beschermde stadsgezichten. Door middel van een pilot met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) en de directie Monumenten en Archeologie wordt onderzocht of er aanvullende mogelijkheden zijn voor zonnepanelen binnen beschermd stadsgezicht. Het college beschikt daarnaast niet over technische- en onderhoudsgegevens van gebouwen. Het is voor het college niet mogelijk inzichtelijk te maken welke daken van de woningcorporaties daadwerkelijk geschikt zijn voor de installatie van zonnepanelen. 3. Heeft het college in beeld aan welke woningbouwcorporatie daken tussen nu en 2023 herstel- en/of renovatiewerkzaamheden worden verricht en kan het college deze informatie delen met de raad”? Antwoord: Het college beschikt niet over de planning voor herstel- en renovatiewerkzaamheden van de corporatiedaken. 4. Is het college van mening dat de woningbouwcorporaties over de juiste instrumenten beschikken om de doelstelling van 15 MW te behalen? Graag een toelichting. Antwoord: Ja, de corporaties hebben bij de totstandkoming van de Samenwerkingsafspraken 2020-2023 aangegeven dat 15 MW op basis van de bij hun bekende nieuwbouw en renovatieplannen, haalbaar is. Het college heeft er vertrouwen in dat 15 MW haalbaar is. 5. Hoe staat het ervoor met het in 2018 aangekondigde bureau dat de gemeente zelf zou oprichten? Is dit bureau opgericht en zo ja, wat zijn de doelstellingen en wat is de werkwijze? Indien het niet is opgericht: waarom niet? Antwoord: Het programmabureau is in 2019 klein gestart en heeft zich samen met de corporaties in eerste instantie gericht op het in kaart brengen van knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen. Op projectniveau zijn knelpunten weggenomen, een goed voorbeeld is het project in buurt Indië2 van Eigen Haard. Hier maken de 2 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Neng boas Gemeenteblad Datum 9 november 2020 Schriftelijke vragen, donderdag 8 oktober 2020 corporatie en de gemeente zonnepanelen in beschermd stadsgezicht mogelijk. Met andere corporaties zijn financieringsconstructies voor een zon ESCO (Energy Service Company) uitgewerkt en zijn leningen vanuit het duurzaamheidsfonds verleend. In de samenwerkingsafspraken 2020-2023 is afgesproken dat het programmabureau Zon in samenwerking tussen corporaties en gemeente verder wordt vormgegeven. Dat is in de loop van 2020 gebeurd. Zowel bij de gemeente als bij de AFWG is hiervoor een projectleider/projectsecretaris aangesteld. De komende maanden, tot Q2 2021, gaat de aandacht van Programmabureau Zon met name uit naar: — het vormgeven van de zonmotor (een fonds) om zon grootschalig en versneld ‘uit te rollen’ met een specifieke focus op meerlaagse appartementencomplexen; — het uitwerken van modellen en oplossingsrichtingen voor het leggen van zon op daken van VvE's'; — het vergemakkelijken van de vergunningprocedure rondom zon op monumentale panden en beschermd stadsgezicht. De gemeente en de AFWGC coördineren de uitwerking van de verschillende thema’s en projecten. Zij betrekken woningcorporaties en experts in verschillende werkgroepen. De werkgroepen bestaan uit experts vanuit de woningcorporaties, gemeente en AFWG en overige belanghebbenden zoals een koepelvereniging van huurders, eigenaren (gemengde VVE) en Liander. 6. Hebben er in de periode 2014-2019 tussentijdse evaluaties plaatsgevonden over het halen van de afgesproken 80MW zonnestroom tussen de samenwerkende partijen AFWC, FAH en de gemeente? Zo ja: kan de gemeente deze aan de raad doen toekomen? Zo nee: waarom niet? Antwoord: Er hebben geen evaluaties plaatsgevonden over het behalen van de afspraken op zon. Wel is en wordt jaarlijks gerapporteerd over de voortgang via de Monitor Samenwerkingsafspraken. De resultaten worden met de partijen uit de samenwerkingsafspraken besproken. De monitor wordt tevens elk jaar aan de raad gestuurd. De monitor over 2019 is voor de commissie WB van 9 december 2020 geagendeerd. Overigens was de afspraak over zon in de vorige periode (80 MW) een inspanningsverplichting, De huidige afspraak (15 MW) is een resultaatafspraak. 7. Welke nieuwe oplossingen voor de financiële, administratieve en technische uitdagingen bij zonneprojecten zijn er door de samenwerkende partijen aangedragen en praktisch uitvoerbaar gebleken vanaf het moment dat er knelpunten werden geconstateerd in 2018? Antwoord: Op financieel vlak zijn de niet goed passende rijksregelingen, de magere business case op gestapelde bouw en beperkte investeringsruimte een belemmering. De oplossingen zitten in de inzet van het duurzaamheidsfonds voor zonprojecten en de inzet van een risicofonds in het kader van duurzaam herstel. Met het risicofonds wordt het voor corporaties mogelijk gemaakt te starten met zonprojecten zonder dat er bij aanvang van het project al voldoende 3 Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R Neng boas Gemeenteblad ummer = en Datum 9 november 2020 Schriftelijke vragen, donderdag 8 oktober 2020 deelnemende huurders zijn. Bewoners kunnen op een later moment besluiten mee te doen en zonnepanelen te nemen. Zo kunnen zonprojecten sneller worden gerealiseerd en wordt vaker het hele dak benut. Daarnaast lobbyen de gezamenlijke corporaties en de gemeente voor passende subsidiering en aanpassing van de verhuurdersheffing. Om een aantal administratieve uitdagingen en oplossingen uit te lichten: — er wordt gewerkt aan een makkelijke en slimme datadeling, bijvoorbeeld over gebouwen met monumenten status of beschermd stadsgezicht en mogelijkheden voor zonnepanelen; — bij Liander is een nettoets geïntroduceerd, waar woningcorporaties kunnen toetsen of hun plannen wat betreft zon op het elektranet passen. Een ander punt van aandacht is de besluitvorming bij VVE's. 40% van het corporatiebezit zit in VvE's. De komende maanden werkt programmabureau zon met corporaties aan modellen voor investeringen en besluitvorming over zonprojecten, waarbij ook huurders kunnen meedoen, die aan ALV's (algemene ledenvergadering) van VvE's kunnen worden voorgelegd. Een deel van de daken is technisch niet geschikt en heeft (constructieve) aanpassingen nodig (veel van de vooroorlogse panden). Ook komt het voor dat het aantal panelen per huishouden laag is in relatie tot de kosten voor de omvormers en bekabeling. In deze gevallen zijn de benodigde investeringen te hoog in relatie tot de opbrengsten. De inzet van extra middelen in het kader van duurzaam herstel leidt ertoe dat op meer daken rendabel zonne-energie kan worden opgewekt. Burgemeester en wethouders van Amsterdam Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris í https://www.at5.nl/artikelen/181315/woningcorporaties-laks-met-zonnepanelen-wethouder-pakt-6- ton-af en https://www.youtube.com/watch?v=c4Jc6XCAn3M&feature=emb title ÏÌ https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/ruimte- economie/wonen/samenwerkingsafspraken/ 4
Schriftelijke Vraag
4
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 1375 Datum indiening 31 juli 2019 Datum akkoord 29 augustus 2019 Publicatiedatum 30 augustus 2019 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid A.L. Bakker inzake de aangekondigde plannen van stadsdeel Oost om alle bomen in de Eerste van Swindenstraat neer te halen. Aan de gemeenteraad Toelichting door vragenstelster: De fractie van de Partij voor de Dieren rolt van de ene in de andere verbazing door het gemak waarmee dit college de bomen in de stad naar de grond haalt. Woningbouw, sporthal, tijdelijke parkeerplaats: er is altijd een prangende noodzaak voor het opofferen van bomen. Nu bereikte onze fractie het nieuws dat stadsdeel Oost van plan is om alle bomen in de Eerste van Swindenstraat om te hakken, vanwege de nodige herinrichting. De fractie van de Partij voor de Dieren vindt dat het uitgangspunt moet zijn om zoveel mogelijk bomen te behouden bij de herinrichting en niet om bij voorbaat al alle bomen te willen kappen. Gezien het vorenstaande heeft het lid A.L. Bakker, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: 1. Gaat het college ingrijpen bij stadsdeel Oost zodat de Eerste van Swindenstraat zal worden heringericht met het behoud van zoveel mogelijk bomen? Antwoord: Nee. 2. Indien het college niet gaat ingrijpen: a. waarom niet? Antwoord 2a: Stadsdeel Oost heeft, als gemandateerd bevoegd gezag, het proces om te komen tot een herinrichtingsvoorstel correct en zorgvuldig doorlopen. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven boomverordening 2016 met de bijbehorende herplantplicht. Het stadsdeel heeft voor omwonenden een intensief traject doorlopen bestaande uit verschillende inspraakmomenten en informatiebijeenkomsten. Ook is de Stadsdeelcommissie nauw betrokken bij de besluitvorming, waarbij de meerderheid een voorkeur aangeeft voor het vervangen van de bomen. 1 Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R weing la7s Gemeenteblad Datum 30 augustus 2019 Schriftelijke vragen, woensdag 31 juli 2019 Op 9 juli 2019 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost ingestemd met het herinrichtingsvoorstel en de Nota van Uitgangspunten vastgesteld. Momenteel wordt toegewerkt naar een voorlopig ontwerp. b. beseft het college dat het tientallen jaren gaat duren voordat nieuwe jonge sprietjes weer dezelfde kwaliteiten (luchtzuivering, waterberging, biodiversiteit) hebben als de huidige oude bomen in de straat? Antwoord 2b: Het college is zich zeer bewust van de bijdrage die bomen leveren aan de (leef)kwaliteit, zoals luchtzuivering, waterberging, groenbeleving en als schuilplaats voor dieren en insecten, en juicht de kap van bomen in algemene zin niet toe. Het besluit van het stadsdeel om de bomen in de Eerste Van Swindenstraat te vervangen is echter een weloverwogen keuze die op de langere termijn juist kansen biedt voor de (leef)kwaliteit in de straat. De herinrichting biedt de kans om de groeiplaats van de nieuwe bomen te verbeteren, waardoor de bomen beter kunnen wortelen en groeien. Desalniettemin beseft het college dat het een aantal jaren kan duren voordat de nieuwe bomen op deze plek dezelfde omvang hebben als de bestaande bomen. Overigens blijkt uit onderzoek dat ruim 70% van de bestaande bomen in de Eerste van Swindenstraat een matige kwaliteit heeft, en dat 60% van de bomen een levensverwachting van globaal 10-25 jaar heeft. Bij de geplande werkzaamheden, zoals het verleggen van kabels en leidingen, blijven de wortels niet onaangetast. Dit betekent een (extra) negatief effect op de kwaliteit van de bomen. Mede op basis van de resultaten van dit specialistisch onderzoek is de herinrichting volgens het stadsdeel het meest logische moment om de bomen te vervangen. In het nieuwe ontwerp van de straat herplant het stadsdeel zo groot en breed mogelijke bomen. Ook wordt gekozen voor extra groen in de vorm van groenvakken tussen de bomen in. Burgemeester en wethouders van Amsterdam Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris 2
Schriftelijke Vraag
2
train
zE la 5 CN 5 0 5 Ig ol [oe o 8 ù Dl [0 zl > 9 o ® ® Bl 8 = el |ó TD) 8 Ò > > ® p 5 vj Jo € o 8 ® 0 DO | & Í Kd 2 8 8 ù | 5 LI | En 0 > : en | … : ‚® ; 0 : ‚ E . 2 ® o 5 í 5 5 | el 0 Ò 9 5 D Bal + Cc T U d i > Xe el 2e) 5 | hand aan ù 5 () X 5 . 1 5 5 | S 8 3 ” In LO 7 „® ols 5 | sI9S — S | 1 == al® oo GT sIsl5 ON S | old ® TT OD) oc IN |G 5) ol ® 5 clsis 5 oe 5 o E ci ® tE a Dd @ © 0 ke) TIEl dn a Pla 5 DIE 5 @ ©[o o el 0 nl G o Ie {| Dl > bd va > ® =lö|5 o oft =lelelD|5 N z Dn T alc ElE ciolol 00 Tc ®Ö SIS Bl sl ® N os 5 alolsiele els 5 > SN BIN 5 Stal NINIEIEIN z E q Se lS ZEISS ssl els 5 5 kf ol = ö15 sisfsielol® 4 Oo @ olo 0 Tc > =|0 > Dl. > 5 | Sn 0 [ Û c end a CE 5 el ®loloi® ú 0D als Sisi el2isl8IE ® o @ ge ae SlEl iel 5 el 5 n - 5 Sc al SI&lbll2lel5 5 E 3 s|e ® je d = 5 BIT 3 — i =| © Ö afst ols dj [DH 8 Sl Ef Clus frs Z=is/s IE MEE Bee Epe colGSI SIS Eee DISS steu Böse o 515 & 2 Sos G E G 5 al. B £ G 5 Ie) xe hand < Ò o! 8 2 mn E N © 2 u 8 5 © 5 al MIT u 1 T 7 5 5 sels 0 3 5 B 5 eg AMES 5 ë LC SE ö s| jaje[js N 05 3 9 w z ml El 2 Ez Ol al ® G al E ojee T 8 lof INlels D == Tt ù DT Eed EN @ Olclhol® iS & 8 £ als sl lel8l8 ij Sltselslel I2|SI5 E ol oo EZ ‚® Plon DE zere SIS 5 & Nij z of rz ol IE 9) 4 elslelslei2ieie ols 5 58 EISIES) |= ot Sllslsl ÍS sIel8IslISR| WIS 5 dof OrEl0 5 stsleld Dl © 0 @Ofefd ol N Dll El ld zt slol5|ó ÛÒ sl EISIN ZI3lBl lid ZI SIe Ek EAN GEE ERMEER EERE JE ME GoT slelsl=lP|5 sia lZlalELS| > E SES ES ere Sl SISI Srël2 © a ES xe Ú 5 me) Oi e Olt e® SS glsteist® 0 Eed EE se en [Al 5 {Leo Holl Eleos Re) Tio stelEisl2l Sis sla Sl zl el sli? Ea ep v Ke) Sfalal > alot Ft 255 slolfeizlol® mo siE SIS Etslë al s[EIEl Be esi? sels el ESS sle SN S[2 Eiale SIE Ssi 85 SIS zlElSI Isere Siel slê{2 Es Sloisialci= SIZIEIS 5 SEE FEE BiEfsla Zl lelie 2 En 5 sr 5ELD| 5 ole{3 lol SlolElziël ei ë{8lel sl SIE ol DIE |A FZ 5 285 SI&rels Sl ei 8ISLEL2LS SS SlatsiglSI2lsElgle SELS ELS S2 Sns „a T ol 5 ee a 2 elols albielstele|S zlslaro 2 c NN Ol T alelsi2 &isislml 215 ® Lid ol © 5 © te 84 DNS Srslel ene ele 55 [5 sy ebio gases SI sel Sja =mj@ BIESEN ESS Basin Stein SIN SE sl Slee ls} ZIE EISISISIËIEISIgsI8 NE 6 Blalninini 212 SISISISISISlel ele es SSI sels SIS ° | EIO =- IE EEE =h ä 2 AO 8 AKEEE 5 BSE 218 8 alors EE AE ERE 2 elk ss z Slee sE BEER © SjElsjels SIRE z|s 21818 38 EE Blo SIS [eN 83 Sos 8 s SIERIES SIeIelsje SIDE Bleie ze Sjsje 26 Me EEZ SES ESE Bl slä dais SE Ela AE AES EIS Stef sja SES e á. < E ol8IE me al 8 : e= 5 | EEEN ofzo ES Se ble Elelg 215 BIS II aafsi3 slee SIS 2e <l° sjees ss Ek Do o ols Blois "< Ei 8 o15 2 SI MD 5 il SRE o[s|e ò) [8 ol5 > à 18 512 ú 5 s|2elf as 5 5 ole 3 z 28 3 815 ; DIN 5 ö 5 3 Ù | SIËlsis D e 5 3 [9 3 de ziele zo 3 1 À | Sisi5|E al 8 | BIE 5, | | EISlsle a | SISA 5 ens „l8 ASR Sj Op) 5 | ZsSIS RIELE 8 wl | di mm sE } } sn Id SE SS âlî _ SISI EE | | sle sislsis: | EE EENES | O OD KS PN | | gu Po Sie Ie zals | NIER < ZIE 818188 L | NEE 8 [8 pals | Ee Lomi St j dn DIE. 2 2 8 8 ie Q asl ib Ô 3 d <isle Ë 5 ot > ES | et PD D A5 0 go 312 ik | | 3 zi s 5[8jo ® 15 ö . - . o 8E = 5 5 ib . 3 28 Z d EIS êE ve - ® 55 5 BEE ik . 0 no 5 _ alsl® | | Zl Ils 5 E SIE E | 5 28 N 5 gla il | | | ie Ie ve . : an 3 8 gele | | TO fa 5 Dd 192] 5 55 . si. | sn 2. ®D [ny N ú ze IG Ee . ee. N 20 D len Zale ie CA 2 3 ze a D ass JE : IE 8 5 slâe © > ne A 0 BEE [ . , A 3 ®Ò N 5 | L vd Sin n oo 5l&e | 8 8 5 8 3 L ® : IJ @ 5 Ö 953 | | Ee : | | | | . 8 Ie > ss | | . TD > st | | _ 8 BIE = od 8 8 iE | Ô 3 ä il | | o. 8 JEE | o 8 zi | 0 3 ER | z[S | ' à olols | ” 3 @l3 Ë al3l8 î Do. D ds E {213 5 Ek XK 5 5 et a DO 3 e sj D SÉ 5 ka a ö 3 é | | 5 5. _ ee fet 7 oo 8 2 8 | KO DD 8 8 t | | | | il ER IE 8 B CD | EE ss 3 B a | < 5 5 7 | | 5 d [g il 5 B ie ® 5 8 d 8 B d mal | 5
Agenda
2
train
X Gemeente Amsterdam l D % Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en ICT % Agenda, woensdag 7 december 2016 Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en ICT LET OP: de vergadering vindt bij uitzondering (in zijn geheel) in de avond plaats en niet zoals gebruikelijk in de ochtend. Tijd Aanvang is van 19.30 uur tot 23.00 uur Locatie De Rooszaal 0239, Stadhuis Algemeen 1 Opening procedureel gedeelte 2 Mededelingen 3 Vaststellen agenda 4 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie ID d.d. 16 november 2016 e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier doorgegeven, commissielD @raadsgriffie.amsterdam.nl 5 Termijnagenda, per portefeuille Termijnagenda niet bijgevoegd. U ontvangt op de vrijdag voorafgaande aan de vergadering per mail een bijgewerkt exemplaar Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn slechts richtlijnen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn. Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda staat. De vergaderingen en de verslaglegging daarvan zijn openbaar. Van deze vergaderingen worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl. Voor algemene informatie: info @gemeenteraad.amsterdam.nl 1 Gemeente Amsterdam l D Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en ICT Agenda, woensdag 7 december 2016 6 _TKN-lijst 7 _ Opening inhoudelijk gedeelte 8 _Inspreekhalfuur Publiek 9 Actualiteiten en mededelingen 10 Rondvraag Verkeer en Vervoer 11 Intrekken garageverordening Nr. BD2016-015081 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (Gemeenteraad d.d. 21 december 2016) 12 Nota van Uitgangspunten Hobbemakade tussen Ruysdaelstraat en Stadionweg Nr. BD2016-015747 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen Gemeentelijk Vastgoed 13 Initiatiefvoorstel van de raadsleden Bosman (D66) en Groen (GL), getiteld: Deelplatform voor zonnedaken. Nr. BD2016-015875 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 14 14 Beantwoorden initiatiefvoorstel Deelplatform voor Zonnedaken Nr. BD2016- 016952 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 13 2 Gemeente Amsterdam l D Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en ICT Agenda, woensdag 7 december 2016 Duurzaamheid 15 Strategie 'Naar een stad zonder Aardgas’ Nr. BD2016-014407 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (Gemeenteraad d.d. 21 december 2016) e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 16 16 Bestuurlijke reactie op de moties 13-601, 13-779 en 13-780 betreffende stadswarmte en verbonden met de strategie ‘Naar een stad zonder Aardgas!’ Nr. BD2016-015331 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 15 17 Bestuurlijke reactie op motie 1194 van het lid Van Lammeren inzake de Begroting 2016 (onderzoek investeringen fossiele industrie) Nr. BD2016-017225 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen e Geagendeerd op verzoek van het lid Van Raan (PvdD) e Was Tkn 3 in de raadscommissie ID, d.d. 16 november 2016 e _Deleden van de raadscommissie WE zijn hierbij uitgenodigd Openbare Ruimte en Groen 18 Vaststellen format behandeling financiële jaarstukken recreatieschappen binnen de gemeente Amsterdam Nr. BD2016-011196 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen 19 Aanvalsplan Schoon Amsterdam 2017 Nr. BD2016-017346 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen ICT 20 Informatiebeveiligingsbeleid gemeente Amsterdam Nr. BD2016-017045 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen 3 Gemeente Amsterdam l D Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en ICT Agenda, woensdag 7 december 2016 21 10e voortgangsrapportage ICT (Centraal) en Applicatierationalisatie Nr. BD2016- 017044 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen BESLOTEN DEEL 4
Agenda
4
train
4 Gemeente Amsterdam R % Gemeenteraad % Motie Jaar 2021 Nummer 226 Behandeld op 1 april 2021 Status Aangenomen bij schriftelijke stemming op 6 april 2021 Onderwerp Motie van het lid Bloemberg-Issa inzake de afsprakenbrief met de volkstuinen in De Nieuwe Kern (transparantie over de verslaglegging en conclusies over de stand van zaken van de co-creatie) Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de afsprakenbrief met de volkstuinen in De Nieuwe Kern. Constaterende dat: - de wethouder de raad op 29 maart schriftelijk heeft geïnformeerd over de stand van zaken van de co-creatie met volkstuinen in De Nieuwe Kern; - de vertegenwoordigers van de volkstuinparken zich echter niet herkennen in de raadsbrief noch de verslagen en conclusies die zijn opgesteld naar aanleiding van de verschillende overleggen die hebben plaatsgevonden; - de inbreng van de vertegenwoordigers van de tuinparken in de verslaglegging slechts summier zou zijn weergegeven; - de vertegenwoordigers meerdere malen zouden hebben aangegeven dat de verslaglegging onvolledig en onjuist was. Overwegende dat: - het opmerkelijk is te noemen dat de tuinparkbestuurders de raad moeten wijzen op onjuistheden in de brief van de wethouder; — het vertrouwen van de tuinparken is geschaad omdat zij door de wethouder als onbetrouwbaar worden afgeschilderd; — het voor een adequate uitvoering van de controlerende taak voor raadsleden wenselijk is om volledig geïnformeerd te worden omtrent de verslaglegging in kwestie, de getrokken conclusies en de wijze van totstandkoming. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: - de verslaglegging en conclusies van de bijeenkomsten, zoals deze zijn voorgelegd aan de vertegenwoordigers van de volkstuinen in De Nieuwe Kern, binnen 2 weken te delen met de raad; -— de raad te voorzien van informatie over de wijze van totstandkoming van de verslagen en eventuele wijzigingen die zijn gemaakt naar aanleiding van de feedback van tuinparkvertegenwoordigers. Het lid van de gemeenteraad J.F. Bloemberg-lssa 2
Motie
2
discard
Erfgoedvereniging Heemschut Commissie Amsterdam Gh À ae a t.a.v. Norman Vervat (ó IE Ee ä Vondellaan 6 Ina rall 1217 RX Hilversum HEEMSCHUT MS ma vervat2000@yahoo.com vereniging promotie westelijke tuinsteden 03 5 -6 2 44 3 2 0 Aan de Stadsdeelcommissie en het Dagelijks Bestuur van Stadsdeel Nieuw-West Postbus 2003 1000 CA Amsterdam Betreft: Vernieuwingsplannen Slotermeer CC aan: De leden van de gemeenteraad Amsterdam/Hilversum, 11 januari 2019 Geachte leden van de Stadsdeelcommissie en het Dagelijks Bestuur , Bewonersvereniging ProWest en de Erfgoedvereniging Bond Heemschut maken zich ernstig zorgen over de toekomst van delen van Slotermeer in Nieuw-West. Het betreft vooral de Couperusbuurt en de dichtersbuurt. In 2007-2008 zijn er grootschalige vernieuwingsplannen opgesteld voor de buurt die door de crisis nooit zijn gerealiseerd. Nu de bouw weer aangetrokken is willen de in de buurt actieve woningcorporaties toch weer aan de slag met de vernieuwing van de wijk. Gezien het vele achterstallige onderhoud is dat positief. Omdat er echter ook gesproken wordt over (grootschalige) sloop en toevoeging van stadsstraten maken wij ons ernstig zorgen. Het unieke karakter van dit gebied dreigt hierdoor te verdwijnen. Dit woongebied, onderdeel van de Westelijke Tuinsteden, was na de oorlog toonaangevend en heeft dan ook een grote architectuur- en cultuurhistorische waarde. Het is niet voor niets dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) enkele jaren geleden heeft besloten om een gebied van de Haarlemmerweg tot aan de Slotervaart incl. Sloterplas- en park aan te wijzen tot toonaangevend wederopbouwgebied. Het gebied behoort volgens de rijksoverheid tot de 30 belangrijkste naoorlogse gebieden in Nederland. Daarnaast is een kleiner deel van Slotermeer ook aangewezen tot gemeentelijk beschermd gezicht (Van Eesterenmuseum). De nu besproken buurten vallen buiten het gemeentelijke beschermd gezicht, maar zijn onderdeel van het door de rijksoverheid aangewezen gebied (zie pagina 3). De grote architectuur- en cultuurhistorische waarden geven de gemeente en de betrokken woningcorporaties de verplichting dat bij de ontwikkeling van de Couperus- en dichtersbuurt en omgeving het behoud van het karakter van Slotermeer voorop dient te staan. Dat betekent niet dat er geen enkele verandering mogelijk is maar met name sloop dient voorkomen te worden. Sloop kan alleen wanneer er een aantoonbare noodzaak is en renovatie niet mogelijk is. Op dit moment wordt echter ingezet op een grootschalige aanpak, die mogelijk grote gevolgen zal hebben voor het tuinstedelijk karakter van het gebied. De kans bestaat dat het hart van het door het Rijk aangewezen wederopbouwgebied verdwijnt. Hoewel de planvorming zich nog in een beginstadium bevindt, trekken wij nu al aan de bel. Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland. Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix Erfgoedvereniging Heemschut | Nieuwezijds Kolk 28 | 1012 PV Amsterdam | www.heemschut.nl | info@heemschut.nl Erfgoedvereniging Heemschut Commissie Amsterdam G À ea t.a.v. Norman Vervat (ó IE Ee Vondellaan 6 Ina rall 1217 RX Hilversum HEEMSCHUT MS ma vervat2000@yahoo.com vereniging promotie westelijke tuinsteden 03 5 -6 2 44 3 2 0 Zoals aangegeven zijn er duidelijke signalen dat er gekoerst wordt op sloop, met name in de Couperus- en dichtersbuurt, en de toevoeging van stadsstraten. In de stukken die wij tot op heden hebben gezien ontbreken de erfgoedwaarden. Juist deze dienen centraal te staan en richting te geven aan de verdere ontwikkelingen waarbij sloop niet aan de orde is. De voorgenomen vernieuwing van het onderhavige gebied wordt sterk gestimuleerd door de trend om in Amsterdam te verdichten. Onze organisaties begrijpen dat er ook in Nieuw-West woningen toegevoegd moeten worden. Voorkomen moet echter worden dat de cultuurhistorisch meest waardevolle delen, d.w.z. delen van Slotervaart en Slotermeer en de oevers van de Sloterplas hun unieke karakter verliezen. Andere delen van het gebied (bijv. Osdorp, Overtoomse Veld en delen van Geuzenveld) zijn minder waardevol en/of al aangetast door eerdere vernieuwingen. Hier is wellicht een grotere verdichting mogelijk. Door het ontbreken van een goede visie op Nieuw-West zien wij echter dat beide niet gebeurt. In de waardevolle delen dreigen op veel plekken aantastingen, terwijl in de minder waardevolle delen kansen om te verdichten blijven liggen. Wij vragen u dan ook om samen met de in Nieuw-West actieve woningcorporaties, Bureau Monumenten en Archeologie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Amsterdamse erfgoedorganisaties een duidelijke visie op Nieuw-West op te stellen. Een goede visie stimuleert het behoud en herstel van de waardevolle gebieden en jaagt vernieuwing en verdichting van andere delen aan. Dat is in het belang van het Amsterdamse erfgoed en onze woningvoorraad. Uiteraard geven wij graag een nadere toelichting op deze brief. Het bestuur van Erfgoedvereniging Heemschut en Bewonersvereniging ProWest, namens deze organisaties, Drs. N.W.A. Vervat, lid van de commissie Amsterdam van Heemschut T. Rombout, Vereniging Promotie Westelijke Tuinsteden Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland. Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix Erfgoedvereniging Heemschut | Nieuwezijds Kolk 28 | 1012 PV Amsterdam | www.heemschut.nl | info@heemschut.nl Erfgoedvereniging Heemschut Commissie Amsterdam G À ProWest t.a.v. Norman Vervat ( ) Ee Nl Vondellaan 6 Le rall 1217 RX Hilversum HEEMSCHUT MS ma vervat2000@yahoo.com vereniging promotie westelijke tuinsteden 03 5 -6 2 44 3 2 0 Contouren van 1 van de 30 wederopbouwgbieden van nationaal belang aangewezen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed : Amsterdam Nieuw-West ; ie nk ene mall —_— mek en Te = Ee TEN = Od == | | 1 | | | 1 Is À pen | Ge STN - ii || Peet Se EUD he a el RU AN A \ MEO En En enk é, /) | | | ij ed EE, u AAN st =| bn AA \ a LE \ \ Í $ sil. eN ele A EEE \ \ ‚ gpeg | rn | \ 5 2 Ee AN KN | k De Zi | | | | | | é Ee Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland. Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix Erfgoedvereniging Heemschut | Nieuwezijds Kolk 28 | 1012 PV Amsterdam | www.heemschut.nl | info@heemschut.nl
Raadsadres
3
train
| EEn © __…_N EN m | ee ee — > Gemeente Amsterdam | ann ú - Pin em > Ke => 5 x Pd L / Tie ks A Ï \ F gen a Ne p | “A | ik , p | ' = p_ : ES $ en in © Stop die zak zal d ge ce an e in de bak! NE el hl À L De el 3 NN x = h hie Voorkom overlast! | ” wa er gs he, : Ee | nn We www.ggd.amsterdam.nl/dierplaagbeheersing —, | GGD-DPB-folder-A5oblong DEF.indd 2-3 ® 20-12-13 156 | — | | Koop en kook op maat. oaf Per huishouden gooien we st jaarlijks ruim 100 kilo Ë (ongeveer € 350) aan voedsel weg. Benieuwd hoeveel u zelf weg- gooit? Doe de weggooitest op eniliau A mean www.weggooitest.nl Bied uw afval aan op de juiste tijd, plaats én op de juiste wijze. Maak de vuilniszak niet te vol en … Stop die zak Stop die zak je in de bakt in de bak! Kn | a | F De RT e 5 NM | - 1 B NN En 7 Le NG eN) Gooi geen rommel op straat 4 eg Ke ke 4 a lk dee hk 3 ht eN, (verpakkingen, wikkels, (plastic) . ne | r | he EU ek Le ie de alii verant Meld voedselvervuiling en flesjes), want ook zwerfvuil is Ì : 5 ke hk ge KE Ee | overlast van dieren inde aantrekkelijk voor dieren. AE an eek Ne hi he he he, Ke sil . er openbare ruimte via internet in — : Ke ge: N Scheid uw afval. Afvalscheiding MORA (meldingen openbare rie 4 an a lj 5 Ne zorgt voor nieuwe grondstoffen en ruimte Amsterdam) of via & ij K ‚N ih, 4 Em sn Ee energie en voorkomt milieuvervuiling. apps als ‘Verbeterdebuurt’ en En laf ke " Ki . Ee Twijfel welk afval waar thuishoort? Opgeruimd’. end SN * ea B + Afvalscheidingswijzer.nl vertelt het u. r 5 l gsWIj f B ot E u al | Ll Ee L Ee | | GGD-DPB-folder-A5oblong DEF.indd 4-5 ® 20-12-13 14:56 | |
Schriftelijke Vraag
2
train
Stadsdeelcommissie Oost Agenda Datum 06-06-2023 Aanvang 19:30 Locatie Oranje-Vrijstaatplein 2 Overlegvergadering stadsdeelcommissie en dagelijks bestuur Bij deze vergadering is ondertiteling beschikbaar. U kunt deze aanzetten door in de balk onderaan de videoplayer op "CC" te klikken. Algemeen 1 Openen en vaststellen agenda 2 Mededelingen 3 Vaststellen van de conceptbesluitenlijst van de vergadering van 23 mei 2023 4 TKN-lijst 5 Mededelingen van de ingekomen stukken 6 Het woord aan bewoners, ondernemers en instellingen VOORBEREIDEND 7 Zwembad Zeeburgereiland/IJburg 5/6: agendapuntformulier gewijzigd 5/8: voorbeeld raadsmotie toegevoegd BESLUITVORMEND 8 Afvalplan stadsdeel Oost 1/8: Motie 119 toegevoegd 2/6: Motie 120 toegevoegd 5/8: ongevraagd advies ingetrokken 5:6: Motie 121, 122 en 123 toegevoegd 9 Niet meer uitgeven tweede parkeervergunning bewoners 5/6: motie 124 toegevoegd. 10 Voorontwerpbestemmingsplan Simon Stevinstraat zelfbouw kavel 01 ALGEMEEN 11 Vooruitblik Doel bespreking: voorbespreken agenda komende vergaderingen en of agenda en lijst met moties, adviezen en toezeggingen nog actueel is 6/6: MAT lijst en termijnagenda toegevoegd 12 Rondvraag en sluiten vergadering TKN-lijst 1/8: TKN 5 toegevoegd TKN 1 Ingekomen adviesaanvraag college aan stadsdeel over concept-ambitiedoeument ‘Sprong naar de toekomst’ recreatieschap Groengebied Amstelland 2/6: Infographic toegevoegd. TKN 2 Ingekomen adviesaanvraag college aan stadsdeel over concept-Hoogbouwbeleid TKN3 Reactie op brief van vereniging Vrienden van het Oosterpark 16 februari 2023 zijnde afhandeling toezegging 65 TKN 4 Verzonden advies DB aan college over Nota deelvervoer 2023 TKN5 Reactie DB op het ongevraagd advies stadsdeelcommissie inzake geen ontheffing en vergunning No Art Festival Ingekomen stukken 1 Persbericht van Stichting Herstel Oosterpark over eis voor strafvervolging van burgemeester en college van Amsterdam Ingediend ter kennisname SDC. Insprekerslijst De definitieve lijst met insprekers wordt gepubliceerd op de dag van de vergadering. Besluitenlijst Informatie Locatie en opnamen Deze overlegvergadering met de leden van de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur vindt plaats in de Raadszaal van het stadsdeelkantoor. De overlegvergaderingen zijn openbaar toegankelijk. Van de vergaderingen op het stadsdeelkantoor worden geluid- en beeldregistraties gemaakt. De vergaderingen zijn daarmee live te volgen en achteraf terug te bekijken via deze pagina. Inspreken en daarvoor aanmelden Inspreken kan live ter vergadering - fysiek of virtueel - of schriftelijk. Aanmelden voor inspreken kan tot uiterlijk 24 uur voor aanvang van de vergadering via het online aanmeldformulier: htips://www.amsterdam.nl/@338353/inspreken-commissievergaderingen/
Agenda
3
train
VN2021-022163 Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Zuidas en Kunst en cultuur % Gemeente Marineterrein Energietransitie RO % Amsterdam ' Voordracht voor de Commissie RO van 08 september 2021 Ter kennisneming Portefeuille Kunst en Cultuur, Monumenten en Erfgoed Ruimtelijke Ordening (30) Agendapunt 20 Datum besluit nvt Onderwerp Kennisnemen van de beantwoording van het raadsadres over Participatieproces rond de nieuwe locatie van de Meervaart De commissie wordt gevraagd Kennis te nemen van de beantwoording van het raadsadres inzake Participatieproces rond de nieuwe locatie van de Meervaart. In de beantwoording is vermeld dat de brief betrokken is bij de behandeling van de stukken over de locatie van de Meervaart in de commissie Ruimtelijke Ordening van 9 juni 2021 en in de raadsvergadering van 16 juni 2021. Wettelijke grondslag Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam, artikel 55, lid 3. Artikel 160, eerste lid, onder a Gemeentewet Het college is bevoegd om het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren. Artikel 169 gemeentewet. Het college van burgemeester en wethouders en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de gemeenteraad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur (lid 1). Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (lid 2). Bestuurlijke achtergrond Op 29 september 2020 heeft de Vereniging Vrienden van de Sloterplas een brief gestuurd aan de gemeenteraad. Op 20 november 2020 heeft de gemeenteraad besloten de afhandeling van de brief in handen te stellen van het college van B en W met een afschrift aan de gemeenteraad. Reden bespreking nvt Uitkomsten extern advies nvt Geheimhouding nvt Uitgenodigde andere raadscommissies Een kopie van de beantwoording is ook tkn naar de commissie KDD van 1 september 2021 gezonden. Gegenereerd: vl.4 1 VN2021-022163 % Gemeente Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Zuidas en Kunst en cultuur % Amsterdam ‚ ‚ . % Marineterrein, Energietransitie Voordracht voor de Commissie RO van 08 september 2021 Ter kennisneming Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? Hiermee wordt raadsadres TA2021-000713 Participatieproces rond de nieuwe locatie van de Meervaart afgedaan. Welke stukken treft v aan? AD2021-082770 Beantwoording raadsadres. pdf (pdf) AD2021-082772 Commissie RO Voordracht (pdf) AD2021-082771 Raadsadres participatieproces rond nieuwe locatie de Meervaart.pdf (pdf) Ter Inzage Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Kunst en Cultuur, Femke Box, 06 1079 9849, f.box@amsterdam.nl Gegenereerd: vl.4 2
Voordracht
2
train
x Gemeente Amsterdam R O % Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht) % Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015 Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht) Tijd 13.30 uur tot 17.00 uur en zo nodig vanaf 19.30 uur tot 22.30 uur Locatie De Rooszaal, 0239, stadhuis Algemeen 1 __ Opening procedureel gedeelte 2 Mededelingen 3 Vaststellen agenda 4 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie RO d.d. 2 september 2015 e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier doorgegeven, commissieRO@raadsgriffie. amsterdam.nl Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn slechts richtlijnen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn. Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda staat. De vergaderingen en de verslaglegging daarvan zijn openbaar. Van deze vergaderingen worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl. Voor algemene informatie: info@gemeenteraad.amsterdam.nl 1 Gemeente Amsterdam R O Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht) Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015 5 Termijnagenda, per portefeuille e Termijnagenda per portefeuille niet bijgevoegd. U ontvangt op de vrijdag voorafgaande aan de vergadering per mail bijgewerkte exemplaren. 6 _Tkn-lijst 7 _ Opening inhoudelijk gedeelte 8 _Inspreekhalfuur Publiek 9 Actualiteiten en mededelingen 10 Rondvraag Ruimtelijke Ordening 11 Vaststellen van het bestemmingsplan Taxiopstelstrook Leidsebosje Nr. BD2015- 009871 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). e Eenniet- geanonimiseerde versie van de stukken ligt voor de commissieleden in de leeskamerraad. e Kabinet bijlagen liggen alleen voor de commissieleden ter inzage bij de Raadsgriffie. 12 Vaststellen van het bestemmingsplan uitbreiding Camping Zeeburg Nr. BD2015- 008012 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). e Eenniet- geanonimiseerde versie van de stukken ligt voor de commissieleden in de leeskamerraad. e Kabinet bijlagen liggen alleen voor de commissieleden ter inzage bij de Raadsgriffie. 2 Gemeente Amsterdam R O Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht) Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015 13 Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Zuidas-Ver- en nieuwbouw Prinses Irenestraat 31-33 Nr. BD2015-012609 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. Geagendeerd op verzoek van het lid Van Raan (PvdD). e Was TKN 4 in de Commissievergadering RO van 2 september 2015. 14 Vaststellen bestemmingsplan eerste herziening Bijlmerweide Nr. BD2015-007627 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). 15 Vaststellen derde herziening bestemmingsplan Landelijk Noord Nr. BD2015- 011000 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). 16 Vaststellen van het bestemmingsplan ArenAPoort West Nr. BD2015-011333 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). 17 Benoeming van drie leden van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) voor een tweede termijn Nr. BD2015-012698 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). 18 Vaststellen van het bestemmingsplan Oosterpark 89 Nr. BD2015-009552 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). e Kabinet bijlagen liggen alleen voor de commissieleden ter inzage bij de Raadsgriffie. 3 Gemeente Amsterdam R O Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht) Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015 19 Jaaroverzicht Stadsloods 2014 Nr. BD2015-012353 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. e Voorgesteld wordt hierbij te betrekken: TKN 9. Overzicht Loodsen cluster Ruimte en Economie. Grondzaken 20 Vaststellen van de stedenbouwkundige randvoorwaarden, de grondexploitatie en het beschikbaar stellen van een krediet voor bouw- en woonrijp maken voor drie zelfbouwlocaties aan de Sloterweg Nr. BD2015-010789 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). 21 Vaststellen van de grondexploitatie (309.59) voor Zeeburgerdijk 420-538, sloop- nieuwbouwproject Braspenning van corporatie Eigen Haard Nr. BD2015-011247 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). 22 Beantwoording van mondelinge vragen van het raadslid de heer Van Osselaer inzake verlengde afkoop onder de Algemene Bepalingen voor voortdurende erfpacht 1994 Nr. BD2015-012610 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. Geagendeerd op verzoek van het lid Van Osselaer (D66). e Was TKN 9 in de Commissievergadering RO van 2 september 2015. 4 Gemeente Amsterdam R O Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht) Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015 Bouwen en Wonen 23 Toezegging informatie m.b.t. afwaardering Haarlemmerweg Nr. BD2015-012611 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. Geagendeerd op verzoek van het lid Vink (D66). e Was TKN 12 in de Commissievergadering RO van 2 september 2015. e Deleden van de Raadscommissie voor Bouwen en Wonen zijn hierbij uitgenodigd. TOEGEVOEGD AGENDAPUNT Grondzaken 24 Vaststellen investeringsbesluit Scheepsbouwweg in Amsterdam Noord Nr. BD2015-013151 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 30 september 2015). BESLOTEN DEEL 5
Agenda
5
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2019 Afdeling 1 Nummer 1575 Publicatiedatum 16 oktober 2019 Ingekomen onder G Ingekomen op woensdag 9 oktober 2019 Behandeld op woensdag 9 oktober 2019 Status Aangenomen Onderwerp Motie van de leden Taimounti, Ceder en Kreuger inzake het Amsterdams Ondernemers Programma 2019-2022 'Naar een sterke buurteconomie’ (uitbreiden van ‘freezones’ naar uitstervende winkelgebieden) Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over het Amsterdams Ondernemers Programma 2019-2022 'Naar een sterke buurteconomie’ (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1427). Constaterende dat: — Er winkelgebieden uitsterven in Amsterdam; — Leegstand vaak gepaard gaat met verloedering van gebouwen en gebieden. Overwegende dat: — Freezones ondernemers vrijheid geven om creatief te zijn en mogelijk de noodzakelijke impuls leveren om leegstand in Amsterdam tegen te gaan; — De gemeente Amsterdam streeft naar een nieuwe en optimale invulling van leegstand in de stad. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: 1. Te onderzoeken hoe free zones optimaal actief ingezet kunnen worden in winkelgebieden die te kampen hebben met leegstand, zoals die in de omgeving van het Osdorpplein, Plein '40-45, Boven ‘t Y en Amsterdamse Poort; 2. Vervolgens de uitkomsten hiervan z.s.m. terug te rapporteren aan de raad. De leden van de gemeenteraad M. Taimounti D.G.M. Ceder K.M. Kreuger 1
Motie
1
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2017 Afdeling 1 Nummer 1063 Datum indiening 23 augustus 2017 Datum akkoord 13 september 2017 Publicatiedatum 13 september 2017 Onderwerp Beantwoording aanvullende schriftelijke vragen van de leden Poot en Van Dantzig inzake het deradicaliseringsbeleid van de gemeente Amsterdam. Aan de gemeenteraad Toelichting door vragenstellers: Recentelijk zijn er verschillende berichten naar buiten gekomen over vriendjespolitiek, beïnvloeding van buitenaf en bagatellisering van religieuze invloeden door het deradicaliseringsteam van de gemeente. Het is van het grootste belang dat de gemeente een effectief beleid hanteert dat erop is gericht om radicaliserende jongeren vroeg in het oog te krijgen en te beletten om verder te radicaliseren. Dat beleid en de medewerkers van het team moeten wat de fracties van de VVD en D66 betreft boven alle twijfel verheven zijn. Op 4 augustus 2017 zijn er door het lid Boomsma, namens de fractie van het CDA, over ditzelfde onderwerp schriftelijke vragen gesteld (zie voor de beantwoording gemeenteblad afd. 1, nr. 1062). Gezien het vorenstaande hebben de leden Poot en Van Dantzig, respectievelijk namens de fracties van de VVD en D66, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende aanvullende schriftelijke vragen op de schriftelijke vagen van het lid Boomsma van 4 augustus 2017 gesteld: 1. Hoe beoordeelt het college het functioneren van het antiradicaliseringsteam de afgelopen 6 jaar? Antwoord vraag 1 De aanpak Radicalisering en Polarisatie is één onderdeel, maar wel een fundamenteel onderdeel van de brede aanpak terrorisme en radicalisering. De aanpak Radicalisering en Polarisatie is de laatste twaalf jaar in gezamenlijkheid met de politie, het OM, de NCTV en diverse andere partners ontwikkeld. Het doel is om meldingen over radicalisering tijdig op de vangen en aan te pakken en de desbetreffende personen door intensieve begeleiding te bewegen tot het staken van radicaal of anti-integratief gedrag. Een centrale rol is daarbij weggelegd voor de integrale Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering (iPGA-R) waar op dit moment (11 september 2017) 50 personen in regie zijn. Sinds 2007 wordt daarnaast geïnvesteerd in Amsterdamse sleutelfiguren en het Strategisch Netwerk Radicalisering en Polarisatie (SNRP). Deze netwerken zetten zich 1 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Joes Gemeenteblad Datum 13 september 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017 samen met partners en het team Radicalisering en Polarisatie in voor een veilige stad. Zowel het College als de Driehoek hebben vertrouwen in de toegevoegde waarde van deze aanpak en in de nieuwe persoonsgerichte aanpak die geënt is op de werkwijze van de Top600. Wel bestonden er intern al langer zorgen over de aansturing van het team. Dit heeft geleid tot personele wijzigingen. Na het vertrek van een leidinggevende in januari 2017 is een nieuwe leidinggevende aangesteld om het team verder te ontwikkelen. Er is ook een interim-programmamanager aangesteld om het functioneren van het team Radicalisering en Polarisatie verder te professionaliseren. Voor de overige maatregelen die worden getroffen naar aanleiding van deze kwestie verwijs ik u naar de bijgevoegde Collegebrief. 2. Welke samenwerking bestond er tussen het anti-radicaliseringsteam en het bedrijf Scholten en Partners? Klopt de berichtgeving dat regelmatig kleine opdrachten aan Scholten en Partners zijn verstrekt teneinde niet boven de aanbestedingsgrens te komen? Antwoord vraag 2 Vanwege het lopende onderzoek worden momenteel geen concrete mededelingen gedaan over bedrijven en particulieren die opdrachten hebben uitgevoerd voor de gemeente Amsterdam. In het algemeen geldt dat ten aanzien van alle opdrachtnemers momenteel nagegaan wordt of de inkoop- en aanbestedingsregels bij verleende opdrachten goed zijn toegepast. 3. Welke signalen heeft het college dat, zoals blijkt uit de berichtgeving, de invloed van de islam bij het radicaliseren van jongeren door het antiradicaliseringsteam werd gebagatelliseerd”? Antwoord vraag 3 Het College heeft u op verschillende momenten meegenomen in de wetenschappelijke afbakening van het concept radicalisering, zoals in de notitie 'Heroriëntatie radicaliserings- en polarisatiebeleid beleid’ uit 2012 en de brief ‘Aanscherping aanpak radicalisering’ uit 2015. Daaruit blijkt dat het College allerminst de rol onderschat die de gewelddadige Islam kan spelen bij radicalisering. Het programma Radicalisering en Polarisatie richt zich op alle vormen van radicalisering, waaronder jihadistisch, links- en rechtsextremisme. Momenteel ligt het zwaartepunt van de iPGA-R bij jinadistisch extremisme. Van daaruit komt momenteel namelijk de grootste dreiging, gelet op de aard, omvang en impact van jihadistische terroristische bewegingen in Nederland en het buitenland. Meldingen over radicalisering komen binnen bij het Meld- en Adviespunt Radicalisering van de gemeente Amsterdam. Deze meldingen worden in eerste aanleg door de specialisten van het Meld en Adviespunt beoordeeld aan de hand van een beoordelingskader dat door onafhankelijke deskundigen is ontwikkeld. Adviezen aan de melder door de specialist worden vooraf besproken met een collega in het team om zoveel mogelijk deskundigheid in te bouwen. Daarnaast worden de meldingen en adviezen ook wekelijks besproken in het werkoverleg. 2 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer 13 saptemher 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017 Bij signalen van (mogelijke) radicalisering wordt de melding besproken door de politie, het Openbaar Ministerie en de gemeente. De genoemde driehoekspartners zorgen in dat kader voor aanvullende informatie over de betrokkene waarover de melding is gedaan. Vervolgens worden de signalen gezamenlijk geduid. Door het gebruik van het beoordelingskader wordt bewerkstelligd dat alle mogelijke risicofactoren, waaronder de invloed van een gewelddadige jihadistische ideologie, worden onderzocht. Ook het feit dat de procedure verschillende interne en externe beoordelingsmomenten kent, maakt dat meldingen en risicofactoren adequaat worden beoordeeld. Uiteraard is het belangrijk om wel scherp te blijven op eventuele risico's. Daarom zijn alle meldingen van 2017 opnieuw in kaart gebracht. Hieruit zijn geen onregelmatigheden gebleken. 4. In hoeverre was er sprake van een diverse, bijvoorbeeld naar geslacht en etnische achtergrond, samenstelling van het anti-radicaliseringsteam? Antwoord vraag 4 Amsterdam is een multiculturele stad. Bij de werving van medewerkers besteedt de gemeente Amsterdam als werkgever aandacht aan diversiteit ten aanzien van onder andere geslacht, leeftijd en culturele achtergrond. Het team Radicalisering en Polarisatie is dan ook divers samengesteld. 5. Zijn er bij het college signalen binnengekomen van nepotisme door leden van het anti-radicaliseringsteam? Antwoord vraag 5 In 2015 is bij één van de collegeleden een e-mail binnengekomen. Het betrof vage verdachtmakingen met onvoldoende onderbouwing. Er is om die reden verder niet op gehandeld. Daarnaast zijn in het najaar van 2016 twee meldingen ontvangen op basis waarvan Bureau Integriteit in februari 2017 een onderzoek is gestart naar de inmiddels ontslagen medewerker. 6. Is het anti-radicaliseringteam betrokken geweest bij de beoordeling van de situatie na de aanrijding bij het Centraal Station op 10 juni? Antwoord vraag 6 Nee. De beoordeling van de situatie lag bij de Driehoek. Het politieonderzoek is inmiddels afgerond en overgedragen aan het Openbaar Ministerie. U wordt hierover op korte termijn nader geïnformeerd. De uitkomst van het onderzoek naar dit incident geeft op dit moment geen enkele aanleiding om te stellen dat er sprake was van een aanslag. 7. Was Saadia el T Amsterdams aanspreekpunt voor de AIVD? Antwoord vraag 7 Nee. In het geval de AIVD informatie wil delen met de gemeente Amsterdam gebeurt dat in de vorm van een schriftelijk of, in geval van spoed, mondeling ambtsbericht dat later schriftelijk wordt bevestigd. Ambtsberichten worden in alle 3 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Joes Gemeenteblad Datum 13 september 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017 gevallen gericht aan de burgemeester die het formele aanspreekpunt is voor de AIVD. Daarnaast kan indien nodig, op ambtelijk niveau, overleg plaatsvinden tussen de AIVD en medewerkers van de Directie Openbare Orde en Veiligheid. 8. Zijn er door de gemeente Amsterdam personen ingehuurd die, indien bekend, in aanraking zijn gekomen met justitie wegens ronselen of anderszins betrokken zijn (geweest) bij jihadisme? Antwoord vraag 8 Binnen de brede aanpak van Radicalisering en Polarisatie is soms gebruik gemaakt van ervaringsdeskundigen die, vanuit hun eigen ervaring en beleving, hun verhaal delen. Over een gederadicaliseerde jongere die enige tijd gewerkt heeft voor een organisatie (Streetcornerwok) die door de gemeente werd ingezet voor de aanpak Radicalisering en Polarisatie, is reeds in januari 2015 in een besloten deel van de commissie AZ met u gesproken. Intussen heeft de Driehoek besloten om in de toekomst geen personen in te zetten die zelf een radicaliseringsproces hebben doorgemaakt. 9. Is Bilal L. veroordeeld voor bedreigingen en ronselen, nog werkzaam voor Streetcornerwork of anderszins ingehuurd door de gemeente Amsterdam? Zo nee, waarom staat hij nog steeds op de website van Streetcornerwork vermeld? Antwoord vraag 9 Nee, genoemde persoon is sinds april 2015 niet meer werkzaam voor Streetcornerwork en wordt sinds die periode öok niet meer door de gemeente Amsterdam ingezet. Bij Streetcornerwork is nagegaan waarom hij nog steeds op de website vermeld staat. Het blijkt om informatie te gaan die op de website was geplaatst toen betreffende persoon nog werkzaam was bij Streetcornerwork. De gegevens staan nog in de cache van Google. Door Streetcornerwork is een verzoek ingediend bij Google om de gegevens te verwijderen. Dit verzoek is inmiddels ingewilligd. 10. Is Bilal L. gescreend door de gemeente en/of AIVD of andere veiligheidsautoriteiten alvorens als jongerenwerker in dienst te treden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn daaruit problematische zaken naar voren gekomen? Antwoord vraag 10 Bij wijze van screening heeft genoemde persoon voor beide werkgevers een VOG moeten overleggen. Vanwege zijn eerdere veroordeling is hem in 2010 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) geweigerd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Omdat de gemeente het bereikte resultaat uit het deradicaliseringstraject wilde bestendigen, heeft de gemeente de werkgever dispensatie verleend om als gesubsidieerde organisatie een medewerker in de dienst te hebben die niet over een VOG beschikt. Na een hernieuwde aanvraag, heeft de betreffende persoon op 24 november 2014 alsnog een VOG ontvangen. 4 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer 13 saptemher 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017 11. Welke werkzaamheden zijn er door Bi lal L. verricht voor d- gemeente Amsterdam? Heeft hij contact gehad met mogelijk radicaliserende jongeren? Antwoord vraag 11 Zie het antwoord op vragen 8 en 9. 12. Aan wie legde Bilal L. verantwoording af? Wie was zijn leidinggevende? Antwoord vraag 12 Genoemde persoon legde in zijn werk als tiener- en jongerenwerker verantwoording af bij het management van zijn toenmalige werkgever. 13. Klopt de berichtgeving dat Bilal L in contact is geweest met de Hofstadgroep? Antwoord vraag 13 Ja. 14. Klopt de berichtgeving dat Bilal L. voor Streetcornerwork naar Jordanië is geweest? Zo ja, is deze reis (deels) met subsidiegeld van de gemeente Amsterdam bekostigd? Welke activiteiten hebben in Jordanië plaatsgevonden”? Antwoord vraag 14 Genoemde persoon is niet voor Streetcornerwork naar Jordanië geweest en er is dus ook geen sprake van bekostiging. 15. Is de verblijfplaats van Bilal L. bekend? Is er door de gemeente of verwante organisaties zoals Streetcornerwork geïnformeerd naar aanleiding van zijn verdwijning? Antwoord vraag 15 De gemeente heeft na de berichtgeving in de media binnen de eigen organisatie, bij de politie en de voormalige werkgevers van genoemde persoon navraag gedaan over zijn verblijfplaats. Inmiddels is contact met hem geweest en is bevestigd dat hij in Nederland verblijft en werkt. Er is aldus geen sprake van een verdwijning. 16. In hoeverre is door medewerkers of jongerenwerkers van de gemeente tijdens contacten met Amsterdammers positief gesproken over fundamentalistische organisaties zoals Hizb ut-Tahrir? Kan hier onderzoek naar worden gedaan? Antwoord vraag 16 Er zijn geen signalen bekend dat door jongerenwerkers of gemeenteambtenaren positief is gesproken over Hizb-Ut-Tahrir (HuT). Het College acht één anonieme bron in een krantenpublicatie onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek. 5 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R weing Joes Gemeenteblad ummer - =. Datum 13 september 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017 17. Kunnen deze vragen worden beantwoord vóór de eerstvolgende commissievergadering Algemene Zaken? Antwoord vraag 17 Ja. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 6
Schriftelijke Vraag
6
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Raadsactualiteit Jaar 2019 Vergaderdatum 3 en 4 april 2019 Afdeling 1 Agendapunt 11 Nummer 357 Publicatiedatum 27 maart 2019 Onderwerp Actualiteit van de leden Poot, Roosma, Van Dantzig, Mbarki, Nanninga, Flentge, Van Lammeren, Boomsma, Ceder en Van Soest inzake bedreigingen aan het adres van een Kamerlid tijdens een antiracisme demonstratie. Aan de gemeenteraad Op 23 maart vond in Amsterdam de jaarlijkse Mars tegen Racisme plaats. Een belangrijk signaal dat Amsterdam een vrije en tolerante stad is waarin racisme en discriminatie geen plaats hebben. Tijdens deze demonstratie, zo bleek later uit videobeelden, werd er door een demonstrant of demonstranten bedreigingen geuit aan het adres van Kamerlid Thierry Baudet. Deze bedreigingen zijn bijzonder verwerpelijk en ernstig. Reden bespreking Indieners bespreken graag met de burgemeester hoe om te gaan met dergelijke bedreigingen en de stappen die worden genomen om tot vervolging van deze persoon of personen over te gaan. De leden van de gemeenteraad M.C.G. Poot F. Roosma R.H. van Dantzig S. Mbarki A. Nanninga E.A. Flentge J.F.W. van Lammeren D.T. Boomsma D.G.M. Ceder W. van Soest 1
Actualiteit
1
test
Kr 02460 X Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken RO Duurzaamheid N Amsterdam Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022 Ter advisering aan de raad Portefeuille Ruimtelijke Ordening Agendapunt 7 Datum besluit College van B&W, d.d. 12 juli 2022 Onderwerp Vaststellen bestemmingsplan Buiksloterham 8e herziening De commissie wordt gevraagd In te stemmen met de raadsvoordracht waarin de gemeenteraad wordt voorgesteld de volgende besluiten ten nemen: 1. Kennis te nemen van en te betrekken bij de besluitvorming: a. De ingediende zienswijzen naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Buiksloterham 8° herziening; b. Het positieve advies van het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Noord op het voorontwerpbestemmingsplan. 2. De zienswijzen als bedoeld onder beslispunt 1a te beantwoorden overeenkomstig de bijgevoegde Nota van beantwoording zienswijzen welke onderdeel vitmaakt van dit besluit. 3. Kennis te nemen dat het voorliggende bestemmingsplan Buiksloterham 8° herziening past binnen de scope van het MER “Herinrichting Buiksloterham{/Overhoeks te Amsterdam” en de aldus voor dit plan verrichtte onderzoeken, hetgeen leidt tot de beoordeling dat het voorliggende bestemmingsplan niet zal leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en dat om die reden geen (geactualiseerd) milieveffectrapport behoeft te worden opgesteld. 4. Het bestemmingsplan Buiksloterham 8° herziening, bestaande uit de verbeelding en regels en vergezeld van een toelichting, met identificatienummer NL.IMRO.0363.N2105BPGST-VGo1 in elektronische en analoge vorm gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zoals ter inzage heeft gelegen, vast te stellen overeenkomstig de van dit besluit onderdeel vitmakende Nota van wijzigingen, waarbij voor de locatie van de geometrische planobjecten gebruik is gemaakt van een ondergrond welke is ontleend aan de Basisregistratie Grootschalige Topografie, versie 2021-06-07. 5. Geen exploitatieplan vast te stellen. 6. Dat afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Wettelijke grondslag e Wet ruimtelijke ordening (Wro), artikel 3.1, eerste lid De gemeenteraad is bevoegd om een bestemmingsplan vast te stellen. * Crisis- en herstelwet (Chw), artikel 1.1, eerste lid jo bijlage 1, categorie 3.1. Het plan ziet (ook) op de (herbestemming van de) bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied. Bestuurlijke achtergrond Aanleiding bestemmingsplan Gegenereerd: vl.12 1 VN2022-023460 9 Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken Ruimte en % Amsterdam RO Duurzaamheid % Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022 Ter advisering aan de raad Op 16 december 2009 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan Buiksloterham vastgesteld. Omdat de ontwikkelingen van het gebied gedurende de economische crisis (ongeveer 2008-2014) is achtergebleven en vanwege het bijstellen van het gemeentelijk beleid, heeft de gemeenteraad op 10 november 2020 de Herijking van de Investeringsnota Buiksloterham 2020 (HIB) vastgesteld. In de HIB is rekening gehouden met de bijstelling van het beleid zoals in ‘Koers 2025! vit 2016 is vastgelegd. Hierin is een forsere stedelijke woningbouwambities neergelegd en is Buiksloterham als versnellings- en verdichtingslocatie aangemerkt. Doel Deze 8° herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham heeft betrekking op kavel 19 tussen de Papaverweg en de Johan van Hasseltkade en is in overeenstemming met het HIB. Op deze kavel worden woningen met commerciële ruimten in de plint en een school ontwikkeld. De herziening verhoogt de floorspace-index en wijzigt een aantal bouwregels waarmee meer woningen kunnen worden gebouwd. De functies die het geldende bestemmingsplan Buiksloterham mogelijk maakt zijn ongewijzigd gebleven, met vitzondering van het schrappen van horeca V, waardoor een hotel niet meer mogelijk is op deze kavel. Eerdere relevante besluitvorming Het bestemmingsplan ‘Buiksloterham’ dat in 2009 is vastgesteld is het vigerende planologisch juridisch kader. Vervolgens zijn één wijzigingsplan en vijf herzieningen vastgesteld waarvan de eerste en de vierde herziening ook betrekking hebben op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Dit betreft uitsluitend een tweetal regelingen die afwijken van de parkeernormen mogelijk maken. In het najaar 2021 hebben achtereenvolgens de zevende respectievelijk de zesde herziening Buiksloterham in ontwerp ter inzage gelegen. De zesde herziening heeft tot 6 janvari 2022 ter inzage gelegen en ziet op het verleggen van de westelijke ontsluitingsweg tussen de Papaverweg en de Distelweg over het Johan van Hasseltkanaal. De zevende herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham ziet op het gedeelte aan de oostelijke zijde van Buiksloterham. Naar verwachting worden deze herzieningen komend kwartaal voor vaststelling aan de raad aangeboden. Daarnaast is in oktober 2021 het (paraplu)bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders vastgesteld. De regels van dit (paraplu)bestemmingsplan zijn overgenomen in voorliggende herziening. * Voorontwerpbestemmingsplan Op 6 juli 2021 heeft wethouder Van Doorninck het voorontwerpbestemmingsplan vrijgegeven voor vooroverleg. Het voorontwerp bestemmingsplan is op 23 juli 2021 aan de overlegpartners verzonden om te reageren. Hierop zijn geen inhoudelijke reacties gekomen. Overeenkomstig de Verordening op het lokaal bestuur is het Dagelijks Bestuur van Stadsdeel Noord in de gelegenheid gesteld om een advies vit te brengen over het voorontwerpbestemmingsplan. * Ontwerpbestemmingsplan Op 16 november 2021 heeft het college ingestemd met de vrijgave van het ontwerpbestemmingsplan ten behoeve van de terinzagelegging. Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang 25 november 2021 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen ingediend Deze zienswijzen leiden niet tot een gewijzigde vaststelling van voorliggende herziening van Gegenereerd: vl.12 2 VN2022-023460 9 Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken Ruimte en % Amsterdam Duurzaamheid % Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022 Ter advisering aan de raad het bestemmingsplan. Voor nadere toelichting op de beantwoording van de zienswijzen wordt verwezen naar hieronder onder de kop ‘ad2- voorgestelde beantwoording zienswijze’. Reden bespreking nvt. Uitkomsten extern advies nvt. Geheimhouding nvt. Uitgenodigde andere raadscommissies nvt. Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? nvt. Welke stukken treft v aan? Gegenereerd: vl. 12 3 VN2022-023460 % Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken Ruimte en % Amsterdam Duurzaamheid % Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022 Ter advisering aan de raad AD2022-071542 1. NL.IMRO.0363.N2105BPGST-VGo1.pdf (pdf) AD2022-071541 2. Advies SDC 8e herziening OBP Buiksloterham definitief.pdf (pdf) 3. 20220317 Nota van wijzigingen BP Buiksloterham 8e herziening.corr. 3.b. AD2022-071543 docx.docx (msw12) 4.4. 20220613 NvB-Ziensw BP Buiksloterham 8e AD2022-071544 , herz_geanonimiseerd_Geredigeerd.pdf (pdf) AD2022-071545 4.b. bijlage NvZ-Zienswijze RWS Buiksloterham 8e herziening.pdf (pdf) ‚C. bijlage NvZ-Zienswijze VVE lofts _Geredigeerd geanonimiseerd.pdf AD2022-071546 6 Dag ) 4 9 9 p (pdf) AD2022-071547 4.d. bijlage NvB-Zienswijz overzicht bezonning 20EF V2.pdf (pdf) AD2022-071548 5. Buiksloterham 8e herziening_Toelichting.pdf (pdf) AD2022-071549 5.a. Buiksloterham 8e herziening_ Bijlagen bij toelichting.pdf (pdf) AD2022-071550 6. Buiksloterham 8e herziening_Regels.pdf (pdf) AD2022-071553 7. Gemeenteraad Voordracht (4). pdf (pdf) AD2022-071533 Commissie RO Voordracht (pdf) VERTROUWELIJK - 8. 20220613 NvB-Ziensw BP Buiksloterham 8e AD2022-071551 herz_NIET GEANONIMISEERD. pdf (pdf) VERTROUWELIJK - g. bijlage NvZ-Zienswijze VVE loft4_NIET AD2022-071552 GEANONIMISEERD.pdf (pdf) Ter Inzage Registratienr. | Naam Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Ruimte en Duurzaamheid, Boudewijn Thier / b.thier@&amsterdam.nl / 06-2824,6182 Gegenereerd: vl.12 4
Voordracht
4
discard
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad % Gemeenteblad % Motie Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 1371 Publicatiedatum 18 november 2016 Ingekomen op 2 november 2016 Ingekomen in brede commissie Begroting Te behandelen op 9/10 november 2016 Onderwerp Motie van het lid Van Soest inzake de Begroting 2017 (stop eenzijdige focus; oog voor groeiend aantal ‘centrummijders’). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Begroting 2017. Constaterende dat: — de focus in Amsterdam teveel is gericht op toeristen; — dit leidt tot een eenzijdig winkelbestand dat meer en meer leunt op het toerisme; — we steeds meer ‘centrummijders' krijgen. Overwegende dat: — de balans tussen wonen en toerisme moeten terugvinden; — de sociale cohesie en leefbaarheid moeten verbeteren. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — te stoppen met een eenzijdige focus op toerisme; — te komen met een plan van aanpak om de sociale cohesie en leefbaarheid, die door het massatoerisme onder druk staat, te verbeteren; — de raad over de uitkomsten te informeren. Het lid van de gemeenteraad W. van Soest 4
Motie
1
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Gemeenteblad % Motie Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 1728 Publicatiedatum 6 januari 2017 Ingekomen onder Ss Ingekomen op woensdag 21 december 2016 Behandeld op woensdag 21 december 2016 Status Ingetrokken Onderwerp Motie van de leden Boutkan en Groen inzake Experimenten Stad in Balans (onderzoek effect (toekomstige) groei vliegbewegingen op Schiphol op toestroom toeristen Amsterdam). Aan de gemeenteraad Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de invulling van de tweede tranche van de prioriteit Experimenten Stad in Balans (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1659). Overwegende dat: — De stad op dit moment onder druk staat vanwege het grote aantal bezoekers; — De prognoses voor de groei van het aantal bezoekers in 2025 op 25 miljoen staat en een deel van deze groei afkomstig is van Europese bezoekers en de goedkope mogelijkheden van toeristen om via Schiphol de stad te bezoeken een rol speelt; — In de Gebruiksprognose 2016 door Schiphol is uitgegaan van 470.800 vliegtuigbewegingen en dat de prognose is dat er 475.000 bewegingen worden uitgevoerd, dus ruim 4.200 meer. Schiphol verwacht hiermee bijna 60 miljoen passagiers. Voorts overwegende: — Het onbekend is in hoeverre het hier bezoekers dan wel zakelijke bezoekers zijn; — In harde afspraken met overheden en omwonenden vastgelegd is dat Schiphol in 2020 tot maximaal 500 duizend vliegbewegingen (starts en landingen) mag doorgroeien, maar dat de luchthaven zelf verwacht dat die grens al eind 2017 wordt bereikt; — In antwoord op kamervragen van GDA en PvdA bevestigd is dat het bereiken van 500.000 vliegtuigbewegingen eerder wordt bereikt dan verwacht en dit voor de PvdA Amsterdam belangrijke afspraken zijn die moeten worden nagekomen; — Factoren als aantrekkende economie, lage brandstofprijzen waardoor vliegen nog steeds relatief goedkoop is, bijdragen aan groei; — Er met name sprake is van een snelle groei van het aantal Schengen reizigers, waardoor het totaal aantal passagiers mogelijk boven de 63 miljoen 4 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteraad Nummer 1713 Moti Datum <datum oute onbekend> uitkomt; — Dat van alle passagiers die in 2015 via Schiphol reisden, bijna 30 procent met een zogenaamde prijsvechter vloog; — De Nederlandse overheid en Schiphol gaan beginnen met het doorontwikkelen van Lelystad Airport om hiermee meer passagiers te accommoderen. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: — Te onderzoeken wat het effect is van deze groei in vliegtuigbewegingen op de (groeiende) toestroom van bezoekers naar Amsterdam — Hierin duidelijk te rapporteren wat het aandeel is van zogenaamde prijsvechters; — Over de opzet van dit onderzoek in overleg te treden met Schiphol en het Rijk; — De uitkomsten van dit onderzoek voor t leggen aan de raad, uiterlijk het 2e kwartaal 2017. De leden van de gemeenteraad D.F. Boutkan RJ. Groen 2
Motie
2
discard
> < Gemeente Raadsinformatiebrief | Amsterdam Afdoening motie Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam Datum 24 oktober 2022 Portefeuille(s) Openbare Orde en Veiligheid Portefeuillehouder(s): Femke Halsema Behandeld door Programma Weerbaar Amsterdam/Ondermijning secretariaatoov.@amsterdam.nl Onderwerp Afdoening motie 702.21 van het lid Poot van de VVD Geachte leden van de gemeenteraad, Op 11 november 2021 heeft uw raad motie 702 inzake de doorrekening van de tekorten en keuzes voor structurele aanpak van ondermijning en georganiseerde misdaad vanaf 2023 van raadslid Poot van de VVD aangenomen. Hiermee wordt het college gevraagd om een doorrekening te maken die de raad inzage geeft in de tekorten die per 2023 of eerder ontstaan in de financiering van de aanpak ondermijning en de bestrijding van georganiseerde misdaad. Allereerst dank ik de raad voor de betrokkenheid en de aandacht die er is voor het onderwerp. Aan de onderhandelaars is dit voorjaar inzicht gegeven in de voorziene benodigde financiële middelen om de stad veiliger en leefbaarder te maken en te houden. In het coalitieakkoord 2022- 2026 is de uitkomst daarvan weergegeven en met voorgestelde concrete middelen inde gemeentelijke begroting 2023. Op voorhand wil ik graag benadrukken hoe groot ik het belang acht van structurele versterking en slagkracht van de ondermijningsaanpak in Nederland en in Amsterdam. In de afgelopen periode heb ik samen met de driehoekspartners gesprekken gevoerd met de minister van Justitie en Veiligheid en met de vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid om de ernst van de situatie in Amsterdam toe te lichten. Samen met mijn ambtsgenoot Ahmed Aboutaleb van Rotterdam heb ik namens de beide driehoeken een position paper ingediend bij de Tweede Kamer om de ernst van de situatie in onze steden toe te lichten en op hoofdlijnen aan te geven wat er nodig is. Naast capaciteit en middelen in de gehele veiligheidsketen gaat het ook om versnelde uitwerking en implementatie van wet- en regelgeving, nieuw instrumentarium en inzet op intelligence en informatiedeling. In de bijlage treft v het position paper aan. Amsterdam heeft structurele financiering nodig om het integrale programma tegen het geld en geweld van de drugseconomie van de driehoek te verstevigen en te versnellen en kwetsbare wijken weerbaarder te maken. Ook in de media heb ik aandacht gevraagd voor de ontwrichtende effecten van de drugscriminaliteit. Alleen met een langdurige inzet van minimaal 20 jaar met bijbehorende structurele financiering en de mogelijkheid tot schaalvergroting kan dit succesvol worden tegengegaan. Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 24 oktober 2022 Pagina 2 van 2 Eris versterking nodig van de gehele veiligheidsketen, van bestaande maatregelen en acties in het programma Weerbaar Amsterdam en daarnaast adaptieve, nieuwe interventies. Voorbeelden zijn de het voorkomen van jonge aanwas, het aanpakken van doorgroeiers en het ontwrichten van criminele netwerken in kwetsbare wijken; het opzetten van een Integraal Financieel team bij het RIEC gericht tegen underground banking, verhullende financiële structuren en criminele dienstverleners; uitbreiding van het werkingsgebied Bibob naar ondermijningsgevoelige branches en straten, of begeleiding en controle in detentie. Voor het voorkomen van jonge aanwas in de drugscriminaliteit, het aanpakken van doorgroeiers en het ontwrichten van criminele netwerken in de meest kwetsbare buurten is een grote financiële bijdrage van het Rijk nodig. Zoals ik v eerder heb verteld is Amsterdam gevraagd om een aanvraag in te dienen voor de zogenaamde Preventie met Gezag-middelen die het Rijk hiervoor beschikbaar stelt. Mede namens met partners uit de (jeugd)zorg- en veiligheidsketen heb ik om een grote bijdrage van het Rijk gevraagd. Het proces van toekenning hiervan loopt momenteel. Ik verwacht daar tegen het eind van 2022 uitsluitsel over te krijgen en zal v daar dan over informeren. Ik ben blij dat de nieuwe Amsterdamse coalitie heeft besloten eveneens een investering te doen in veiligheid, waardoor een substantiële inzet op dit onderwerp mogelijk blijft. Naast deze middelen zijn er extra Rijksmiddelen beschikbaar vanaf 2023, voor de aanpak van ondermijning ten behoeve van de integrale aanpak van ondermijning door gemeente en partnerorganisaties gezamenlijk in de Regionale Informatie en Expertise Centra. Vanaf 2023 komt er voor de RIEC-samenwerking in de regio AA €2.836.960 structureel per jaar beschikbaar voor de integrale versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Vooruitlopend daarop krijgt het RIEC AA ook nog éénmalig € 2.583.660 voor 2022 dat tot eind 2023 mag worden ingezet (want dit wordt deels nog in 2022 uitgekeerd en deels in 2023). Voor de besteding van deze RIEC- middelen is een integraal meerjarenplan opgesteld. Om succes te boeken is zowel internationaal, landelijk, als regionaal en lokaal bundeling van krachten nodig. Ik hoop daarbij ook op uw steun. Het college beschouwt de motie hiermee als afgehandeld. Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, Le Femke Halsema burgemeester Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Motie
2
discard
Bezoekadres Gemeente Amsterdam Anton de Komplein 150 Stadsdeel Zuidoost 1102 CW Amsterdam Postbus 12491 1100 AL Amsterdam RAADSGRIFFIE telefoon 020 2525000 fax 020 RAADSCOMMISSIE RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, VERKEER EN BEHEER Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Aanleg sportparken, Milieu, Verkeer en Vervoer, Interimbeheer, Beheer, Wijkbeheer Voorzitter : mw. A. Kersjes Commissiegriffier : mw. A.D. Jhinkoe-Rai Griffie : mw. C.L. Hordijk Telefoon : 252.5023 AGENDA van de openbare vergadering van de raadscommissie op donderdag 19 januari 2006 van 20.00 tot 22.55 uur in de raadzaal van het stadsdeelkantoor Zuidoost Punt onderwerp Tijdschema Á. ALGEMEEN 20.00 — 20.30 uur A1. Opening en vaststelling agenda A2. Mededelingen A3. Vragen halfuur commissieleden B. BESPREEKPUNTEN Beheer B1 Concept-raadsvoordracht inzake wijziging Bomenverordening Zuidoost 2005 e de stadsdeelraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht Bijgevoegd. 20.30 — 21.30 uur Verkeer V1 Richtlijnen voor de Trajectnota / MER hoofdwegverbinding Schiphol — Amsterdam — Almere e op verzoek SP-fractie geagendeerd e voor kennisgeving aannemen Bijgevoegd. 21.30 — 22.00 uur V2 Concept-raadsvoordracht tot onttrekking aan het openbaar verkeer van een gedeelte van het parkeerterrein gelegen aan de Kormelinkweg e isin SDR van 20-12-2005 aangehouden omdat bezwaarmakers niet zijn gehoord; e bezwaarmakers zijn uitgenodigd om hun bezwaar toe te lichten; e de stadsdeelraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht Bijgevoegd. 22.00 — 22.20 uur V3 Parkeerproblemen Ravensteinplein e op verzoek CDA-fractie geagendeerd e geen stukken bijgevoegd 22.20 — 22.35 uur Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen zich tot en met de dag vóór de vergadering daarvoor aanmelden bij de Griffie. Dit kan per telefoon 020-5670.528 of per e-mail naar c.hordijk@zuidoost amsterdam.nl. De vermelde aanvangstijden zijn richttijden waaraan geen rechten zijn te ontlenen. AGENDA (vervolg) Punt onderwerp Tijdschema C. PUNTEN VOOR EEN VOLGENDE VERGADERING C1. Termijnagenda e ter bespreking Bijgevoegd 22.35 — 22.45 uur D. RONDVRAAG 22.45 — 22.55 uur E. SLUITING 22.55 uur Lijst ter kennisneming: Notitie portefeuillehouder RO d.d. 5 januari 2006 over hellingbaan garage Hakfort Lijst ter inzage: a. Besluit voor het realiseren van een verkeersregelinstallatie op de kruising Karspeldreef/Fliersbosdreef b. Besluit voor het realiseren van een verkeersregelinstallatie op de kruising Holendrechtdreef/ Meerkerkdreef/ Mijehof C. Besluit voor het realiseren van een verkeersregelinstallatie op de kruising Daalwijkdreef/ Bergwijkdreef d. Kapvergunning t.b.v. de uitvoering van het regulier onderhoud in het Gaasperpark (kapnr. 1192) e. Verkeersbesluit voor het plaatsen van het verkeersbord GO7 (voetpad) bij het Humberto Delgadoplein f. Uitbreiding (sub) straatnaamcategorie en straatnaamgeving nieuwe woonwijk Grunder Grubbehoeve g. Straatnaamgeving niet benoemde weggedeelten F-Zuid h. Werkplan “dunningsprogramma winterperiode 2005-2006” i Rapport Gemeentelijke Ombudsman d.d. 23 december 2005 Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen zich tot en met de dag vóór de vergadering daarvoor aanmelden bij de Griffie. Dit kan per telefoon 020-5670.528 of per e-mail naar c.hordijk@zuidoost amsterdam.nl. De vermelde aanvangstijden zijn richttijden waaraan geen rechten zijn te ontlenen.
Agenda
2
discard
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R % Raadsagenda supplement 1, woensdag 4 april 2018 Datum en tijd woensdag 4 april 2018 19.30 uur Locatie Raadzaal TOEGEVOEGD: Openbare Orde en Veiligheid 7 Actualiteit van de leden Poot, Van Lammeren en Moorman inzake de onlusten op de Wallen door ‘supporters’ van het Engelse elftal. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 367) Gemeentelijk Vastgoed 8 Actualiteit van de leden Groen en De Heer inzake het beleid rond het gemeentelijk vastgoed. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 368) TOEGEVOEGDE INGEKOMEN STUKKEN: 27 Brief van het college van burgemeester en wethouders van 29 maart 2018 inzake de bestuurlijke reactie op motie 303 van 14 maart van de leden Van Dantzig en Groot Wassink over het betrekken van Amsterdammers bij de keuze voor een nieuwe burgemeester. Voorgesteld wordt, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 5, de expertmeeting naar aanleiding van de motie van de leden Van Dantzig en Groot Wassink inzake het betrekken van Amsterdammers bij de keuze voor een nieuwe burgemeester. 28 Brief van 12 maart 2018 van de initiatiefnemers van het volksinitiatief “Wij willen onze burgemeester kiezen”. Voorgesteld wordt, deze brief desgewenst te betrekken bij de behandeling van agendapunt 6, kennisnemen van het advies van de initiatief- en referendumcommissie over het volksinitiatief “Wij willen onze burgemeester kiezen” en kennisnemen van de bestuurlijke reactie van het college. 1 Gemeente Amsterdam Gemeenteraad R Raadsagenda supplement 1, woensdag 4 april 2018 GEWIJZIGD AFHANDELINGSVOORSTEL INGEKOMEN STUK: 22 Raadsadres van Wij — Amsterdam, de Federatie van Samenwerkende Bewonersorganisaties in Amsterdam, van 28 maart 2018 inzake de overlast op de Wallen, veroorzaakt door Engelse ‘voetbalfans’. Was: Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester en wethouders te stellen ter afhandeling en een kopie van het antwoord te sturen naar de leden van de raadscommissie met de portefeuille Openbare Orde en Veiligheid. Wordt: Voorgesteld wordt, dit raadsadres desgewenst te betrekken bij de behandeling van agendapunt 7, de actualiteit van de leden Poot, Van Lammeren en Moorman inzake de onlusten op de Wallen door ‘supporters’ van het Engelse elftal. 2
Actualiteit
2
train
x Gemeente Amsterdam EZ P % Raadscommissie voor Economische Zaken, Bedrijfsvoering en Inkoop, Bedrijven en Deelnemingen, Personeel en Organisatie, Dienstverlening, Luchthaven, x Dierenwelzijn, Waterbeheer Gewijzigde agenda, donderdag 4 oktober 2012 Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie voor Economische Zaken, Bedrijfsvoering en Inkoop, Bedrijven en Deelnemingen, Personeel en Organisatie, Dienstverlening, Luchthaven, Dierenwelzijn, Waterbeheer Tijd 13.30 tot 17.00 uur en zonodig van 19.30 tot 22.30 uur Locatie 0239 Algemeen 1 __ Opening procedureel gedeelte (13:30 tot 13:45) 2 Mededelingen 3 Vaststellen agenda 4 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie EZP d.d. 13 september 2012 e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier doorgegeven, commissieEZP@raadsgriffie. amsterdam.nl 5 Termijnagenda, per portefeuille 6 _Tkn-lijst 7 Opening inhoudelijk gedeelte (13:45 tot 17:00) 8 _Inspreekhalfuur Publiek 9 Actualiteiten en mededelingen 10 Rondvraag Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn slechts richtlijnen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn. Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda staat. De vergaderingen en de verslaglegging daarvan zijn openbaar. Van deze vergaderingen worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl. Voor algemene informatie: info@gemeenteraad.amsterdam.nl 1 Gemeente Amsterdam EZ P Raadscommissie voor Economische Zaken, Bedrijfsvoering en Inkoop, Bedrijven en Deelnemingen, Personeel en Organisatie, Dienstverlening, Luchthaven, Dierenwelzijn, Waterbeheer Gewijzigde agenda, donderdag 4 oktober 2012 Economische Zaken 11 Initiatiefvoorstel duurzame evenementen Nr. BD2012-009370 e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen. Geagendeerd op verzoek van de raadsleden mevrouw Van Roemburg (GrLí) en de heer Capel (D66). e _Hetbetreft het verslag van een ronde tafel bijeenkomst over duurzame evenementen d.d. 13 juli 2012, TOEGEVOEGD AGENDAPUNT Deelnemingen 12 Onderzoek van de rekenkamer naar toezicht bij GVB Nr. BD2012-008212 e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht (gemeenteraad d.d. 17 oktober 2012). 2
Agenda
2
val
> Gemeente Amsterdam % Stadsdeel Zuid x Agenda van de openbare Commissie Ruimte & Wonen van 6 december 2012 Vergaderdatum donderdag 6 december 2012 Tijd 20:00 -23.00 uur Locatie Raadzaal te President Kennedylaan 923 Voorzitter Dhr. P. Guldemond Griffier Mw. F. Alkan Attentie: De tijden die zijn genoemd bij de agendapunten zijn slechts richtlijnen, hier kunnen geen rechten aan ontleend worden. De raadscommissie kan ter plekke de concept-agenda aanpassen. 1. 20.00 uur Opening en vaststellen agenda 2. Mededelingen en vragen over actualiteiten aan het DB 3. Vaststellen verslag n.v.t. 4. Toezeggingen en termijnagenda 5. 20.15 uur Vaststellen Ontwikkelplan Gelderlandplein Ter advisering aan de deelraad 6. 21.30 uur Eindrapportage project De Mirandastrook Ter advisering aan de deelraad 7. 22.00 uur Beantwoording vragen over Afwijzing verzoek actualisering bestem- mingsplan Willemsparkweg - Van Eeghenstraat 2002 Ter bespreking 1 Commissie Ruimte & Wonen - donderdag 6 december 2012 8. 22.45 uur Sluiting Ter kennisname stukken A. Omgevingsvergunning A3 Nieuwbouw woonzorgcentrum Schinkelhaven B. Bovenbouw stationsgebouwen NoordZuidlijn C. Voorontwerpbestemmingsplan Buitenveldert D. Evaluatie gedragscode splitsen E. Voortgang planontwikkeling Archiefterrein 2
Agenda
2
train
4 Î Raadsadres, Aan de Gemeenteraad van Amsterdam Postbus 202 1000AE Amsterdam Amsterdam 24 oktober 2012, Geachte raadsleden, Ondergetekenden, buurtbewoners uit de directe omgeving van de Metro-bouw op de Vijzelgracht, doen hun beklag over het voornemen van het stadsdeel Centrum een ondergrondse parkeergarage te realiseren. De garage zal toegang bieden via een drietal lifthuisjes geplaatst in het voetgangersgebied van de groenbeplanting langs de ventweg aan de westkant van de Vijzelgracht. Het stadsdeel heeft daartoe een inspraakprocedure in gang gezet die naar onze mening voorbij gaat aan het regiem van de Rode Loper planning. Wij voorzien nu een ontwikkeling die een latere inrichting van het Rode Loper gebied voor voldongen feiten plaatst. In de reeds uitgebrachte Nota van Uitgangspunten Parkeergarage Vijzelgracht zijn, ondanks uitdrukkelijk verzoek vanuit de BegeleidingsCommissie Uitvoering NZlijn, geen bewoners of _buurtorganisaties geraadpleegd. Wij constateren hier reeds een valse start van de inspraakprocedure. In de Nota is ondermeer geen rekening gehouden met: -_de afgesproken teruglegging van de tramrails, verlegd indertijd vanwege de vereiste afmetingen van het bouwterrein voor het metrostation op de Vijzelgracht - de terugplaatsing van een groot aantal bomen over de hele lengte van de gracht -__de belemmering van zichtlijn en voetgangerstracé door de opstand van de lifthuisjes en de aantasting van het beschermd stadsgezicht =de grote weerstand tegen een parkeergarage onder vooral Weteringbuurt bewoners reeds sedert 2003 bekend =de te verwachten wijziging in de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid van de bouw, het beheer en onderhoud van de parkeergarage Wij voegen daar aan toe als ‘Noorderlingen’ dat de entree van de parkeergarage aan de overzijde van de Vijzelgracht geen bijdrage vormt aan het ambitieniveau van het Rode Loper gebied. Onze straatjes, uitkomend op de Vijzelgracht, zien graag weer bomen aan de overkant. Open plekken en andere voorzieningen (nooduitgangen) t.g.v. de komst van een parkeergarage en de ontsluiting van het station zelf zullen zorgen voor een aanzienlijke kaalslag van de bomenzône ten opzichte van het jaar 2001. De reden dat wij ons tot u wenden heeft te maken met de opstelling van de portefeuillehouder van het stadsdeel Centrum. De parkeergarage is zijn ding geworden, zodat wij cen voortzetting van de inspraakprocedure niet meer serieus kunnen nemen. Het ambitieniveau van de Rode Loper behoeft een grootstedelijke benadering en vormt een aangelegenheid van de stad Amsterdam. Vandaar dat wij een nadrukkelijk beroep doen op uw verantwoordelijkheid ongeacht politieke kleur. Zowel in kaderstellende termen als gehoor gevend aan een grote groep buurtbewoners die al 12 jaar te maken hebben met een maaiveldbederf van ongekende omvang. ‘Overrule’ de inspraakprocedure van het stadsdeel en breng de mogelijkheid van een parkeergarage alsnog onder in de planvorming van het Rode Loper project! Namens de Noorderbuurt en Vereniging Amstelveldbuurt,
Raadsadres
1
train
> Gemeente Amsterdam Motie Datum raadsvergadering 7 oktober 2021 Ingekomen onder nummer 693 Status Aangenomen Onderwerp Motie van het lid Vroege inzake zorgvuldige evaluatie van bijeenkomsten alliantie Onderwerp Zorgvuldige evaluatie van bijeenkomsten alliantie Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De Raad, Gehoord de discussie over de raadsbrief "Subsidie instrumentarium diversiteit en inclusie: uitslag procedure ‘Diversiteit en Inclusiviteit voor Allianties Amsterdam 2021-2023’ en Diversiteit in de So- ciale Basis VN2021-025091. Constaterende dat: — er met subsidie van de gemeente evenementen en bijeenkomsten georganiseerd worden door deelnemers aan de alliantie; — er voorwaarden zijn gesteld aan deze subsidie verstrekking t.a.v. toegankelijkheid en inclusie. Overwegende dat: — er overlap tussen diverse allianties bestaat; — _ het kunnen deelnemen aan meerdere allianties mogelijk is; — het nuttig is om te evalveren of de subsidie goed besteed is en aan de voorwaarden van de verstrekking voldoet. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders Bij de evaluatie van de nieuwe subsidiesystematiek o.a. mee te nemen de aspecten overlap tussen diverse allianties, het kunnen deelnemen in meerdere allianties en toegankelijkheid en inclusie van bijeenkomsten en evenementen. Gemeente Amsterdam Status Aangenomen Pagina 2 van 2 Indiener J.S.A. Vroege
Motie
2
discard
> < Gemeente Raadsinformatiebrief | Amsterdam Afdoening toezegging Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam Datum 2 november 2023 Portefeuille(s) ICT en digitale stad Portefeuillehouder(s): _ Alexander Scholtes Behandeld door DII (bestuurszaken.dii@&amsterdam.nl) Onderwerp Afdoening toezegging EU-wetgeving l-domein vit de commissievergadering van 19 januari 2023 Geachte leden van de gemeenteraad, In vw commissievergadering FKD, d.d. 19 januari 2023, heeft wethouder Rijxman, naar aanleiding van vragen van de raadsleden Garmy en IJmker, toegezegd v nader te informeren over de manier waarop Amsterdam zich voorbereidt op de aankomende nieuwe Europese regelgeving op het gebied van digitalisering en ICT. Ik ga hieronder in op de manier waarop het college anticipeert op de komst van de nieuwe Europese digitale wetten en verordeningen (zoals de Al-act en e-IDAS) en welke maatregelen Amsterdam gaat nemen om daaraan te voldoen. 1. De Europese context en gelaagdheid van de digitaliseringswetten. De Europese Unie heeft de afgelopen periode verschillende wetten en regels op het gebied van digitalisering vastgesteld, of is nog bezig dat te doen. Deze wetten en regels hebben onder meer als doel om de werking van de interne markt te versterken en innovatie te stimuleren. Ook beogen deze wetten de democratie en burgerrechten te beschermen en om de veiligheid van de technologische ontwikkelingen te waarborgen. Verder zijn er wetten en regels die betrekking hebben op specifieke sectoren of thema's, zoals telecommunicatie, cyberveiligheid, kunstmatige intelligentie, auteursrecht, consumentenbescherming netneutraliteit en duurzaamheid van ICT. De Europese digitale wetgeving is een dynamisch en complex geheel dat ook regelmatig wordt aangepast aan de veranderende technologische realiteit. De relaties tussen de Europese digitale wetten en de maatschappelijke doelen zijn niet altijd eenduidig en soms kunnen de wetten elkaar versterken, maar ze kunnen ook conflicteren. Een voorbeeld van een primair maatschappelijk doel is het waarborgen van de privacy en de gegevensbescherming van de gebruikers. Dit doel wordt nagestreefd door wetten zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de e-Privacy verordening. Dit doel kan botsen met een afgeleid secundair doel, zoals het stimuleren van innovatie en concurrentie in de digitale markt. Dit doel wordt nagestreefd door wetten zoals de Digitale Diensten Act (DSA) en de Digitale Markten Act (DMA). De complexe samenhang tussen de primaire maatschappelijke doelen en afgeleide secundaire doelen van de Europese digitale wetten vereist een zorgvuldige afweging en een evenwichtige benadering. Het is niet altijd mogelijk om alle doelen tegelijk te bereiken of om alle belangen tevreden te stellen. Daarom is het belangrijk om de voordelen en de nadelen van elke wet te beoordelen en rekening te Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 2 november 2023 Pagina 2 van 4 houden met de mogelijke onbedoelde gevolgen voor de digitale samenleving. De wetten zijn niet alleen juridische instrumenten, maar ook drijfveren voor maatschappelijke verandering en digitale transformatie. De Europese digitale wetten zijn in hun opzet en werking te verdelen in drie lagen, die elk een ander aspect van de digitale economie en samenleving reguleren. e Deeerstelaag bestaat uit wetten die de fundamentele rechten en principes van de digitale samenleving vastleggen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), de Cybersecurity Act, en de Data Governance Act. Deze wetten zijn van toepassing op alle partijen die met digitale gegevens omgaan, dus ook op gemeenten. e De tweede laag bestaat uit wetten die specifieke regels stellen aan bepaalde sectoren of diensten in de digitale economie, zoals de Digital Services Act (DSA), de Digital Markets Act (DMA). Deze wetten zijn vooral gericht op het bevorderen van eerlijke concurrentie, transparantie en veiligheid in de online markt. Gemeenten moeten zich aan deze wetten houden als ze zelf digitale diensten aanbieden of inkopen. e De derde laag bestaat uit wetten die strategische doelen en ambities formuleren voor de digitale toekomst van Europa, zoals de Al Act en de Data Act. Deze wetten zijn bedoeld om Europa te positioneren als een wereldleider op het gebied van innovatie, duurzaamheid en democratie in het digitale tijdperk. Gemeenten kunnen bijdragen aan deze doelen door hun eigen digitale strategieën te ontwikkelen en samen te werken met andere overheden, bedrijven en burgers. Volgens de huidige Europese planning moeten alle nieuwe ‘digitale’ wetten eind 2026 geïmplementeerd zijn. De VNG heeft, in samenwerking met Amsterdam, voor de meest relevante Europese digitale wetgeving voor gemeenten een overzicht gemaakt: eindrapport-analyse- samenhang-europese-digitale-wetgeving.pdf (vng.nl) De algemene conclusie van het VNG-overzicht is dat invoering van de Europese digitale wetten een groot beslag legt op het verandervermogen van gemeenten. Het gaat niet alleen om ondersteunende technologie en de waarborgen daarvoor per wet reguleren, maar om het transformeren van de gemeentelijke organisatie naar een wendbare organisatie die niet meer volgtijdelijk techniek laat aansluiten bij het oplossen van maatschappelijke opgaven maar integraal en in samenhang de hoogst mogelijke maatschappelijke waarde creëert. 2. De collegeambities en Amsterdamse context Bij de invoering van de EU-wetgeving houden we rekening met de college-ambities en de Amsterdamse context. De doelen uit het collegeakkoord 2022-2026 van de gemeente Amsterdam zijn gericht op een toekomstbestendige digitale stad, op z'n Amsterdams, menselijk en betrouwbaar. Het college stelt zich ten doel dat alle Amsterdammers kunnen meedoen en meepraten over de stad, dat ze gebruik kunnen maken van de kansen die digitalisering biedt en dat hun fundamentele rechten zijn beschermd. Daarom zet het college in op: e Het verbeteren van de digitale dienstverlening aan Amsterdammers en ondernemers, door meer onlinemogelijkheden, betere bereikbaarheid en meer maatwerk. e Het versterken van de digitale inclusie, door iedereen toegang te geven tot internet, digitale vaardigheden te vergroten en digitale hulp te bieden waar nodig. Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 2 november 2023 Pagina 3 van 4 e Het stimuleren van innovatie en samenwerking op het gebied van digitale technologie ten behoeve van maatschappelijke vraagstukken e Het verminderen van de ecologische voetafdruk van digitalisering. e _Hetvergroten van de digitale weerbaarheid en veiligheid van de stad, haar inwoners en haar organisaties tegen cyberaanvallen en digitale verstoringen. e Het versterken van de digitale rechten en vrijheden van de Amsterdammers, zoals privacy, transparantie en zeggenschap over hun eigen data. Deze doelen sluiten aan bij de andere ambities van het college, zoals het vergroten van kansengelijkheid, openheid en duurzaamheid. 3. Welke voorbereidingen treffen we? Als wethouder ICT en digitale stad heb ik een stelselverantwoordelijkheid bij de vertaling van Europese en nationale wet- en regelgeving naar de Amsterdamse context. Het is belangrijk om hierbij een balans te vinden tussen de verschillende belangen en waarden die op het spel staan. De eerste stap is om samen te werken met andere overheidslagen en belanghebbenden. De Europese digitale wetten hebben namelijk niet alleen effect op gemeenten, maar ook op het rijk, de provincies, de waterschappen, het bedrijfsleven en de burgers. Wat betreft de landelijke prioritering en implementatie zijn we afhankelijk van de acties uit de Nationale Werkagenda Waardengedreven Digitaliseren, waaraan de VNG namens de gemeenten actief deelneemt. Op rijksniveau worden de Europese wetten vertaald naar nationale wetgeving en met de werkagenda worden overheden, bedrijven en ondernemers geholpen met instrumenten voor de implementatie. Zo is de Wet digitale overheid (Wdo) een vertaling van de Europese e-IDAS verordening en in de eerste tranche van de Wdo wordt geregeld aan welke eisen de toegang tot de digitale dienstverlening en het toezicht daarop moet voldoen. Daarnaast werken we samen met andere overheden en Europese steden om de Europese digitale wetten uit te voeren en te beïnvloeden. De interbestuurlijke samenwerking van de gemeente Amsterdam is gericht op het volgen van de ontwikkelingen, het anticiperen op de impact, het delen van kennis en het zoeken naar oplossingen. De volgende stap is de voorbereiding in de ambtelijke organisatie voor de implementatie van de wetten en het realiseren van de achterliggende doelen binnen de Amsterdamse context. We hanteren de volgende werkwijze: e _Wemakenen actualiseren voortdurend impactanalyses* van nieuwe Europese en nationale wet- en regelgeving op gebied van digitalisering en informatie. In bijlage 1 treft v een overzicht aan van de nieuwe EU- en NL-wetten gericht op het I-domein. Dit document wordt gebruikt om de impactanalyses op te stellen en is alleen bedoeld ter inventarisatie. e We voeren proactief het gesprek met het rijk, de VNG en andere grote gemeenten over de vertaling van Europese regels naar nationale wetgeving. We doen dat ook internationaal via Eurocities en de Cities Coalition for Digital Rights. 1 We hebben op dit moment van twaalf Europese en nationale wetten de globale impactanalyse opgesteld. Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 2 november 2023 Pagina 4 van 4 e _Wemaken gedurende het wetgevend traject al actieplannen en bereiden ons voor op de invoering; zodra de betreffende wetten definitief zijn vastgesteld en duidelijk is hoe de wetten nationaal worden vertaald kunnen de plannen direct in vitvoer worden gebracht. e _ Voor privacy en de brede ethische toetsing van technologische toepassingen heb ik, vooruitlopend op de aankomende wetgeving, opvolging gegeven aan uw raadsinitiatief "Grip op technologie" en een gerichte aanpak met v gedeeld. Met deze stappen scheppen we inzicht in de reikwijdte en werkingsgebied, implementatietijd en effecten van niet-tijdige naleving van de wetten. We scheppen inzicht in ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming en relevante momenten in de planning- en controlcyclus. Met deze stap leggen we de relatie met de begrotingsprogramma'’s en de verhouding tussen bestuurlijke en ambtelijke verantwoordelijkheden. In het eerste kwartaal van 2024 zal ik v nader informeren over de aanpak en prioritering, ook gebaseerd op de gegeven implementatieperiode van gemiddeld twee jaar per wet. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, Alexander Scholtes Wethouder ICT en digitale stad Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Brief
4
val
X Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2017 Afdeling 1 Nummer 1353 Datum indiening 15 augustus 2017 Datum akkoord college van b&w van 31 oktober 2017 Publicatiedatum 2 november 2017 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid Boomsma inzake de invoering van de Overstapregeling Eeuwigdurende Erfpacht. Aan het college van burgemeester en wethouders Toelichting door vragensteller: Onlangs heeft een meerderheid van de gemeenteraad ingestemd met het invoeren van de Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht voor bestaande erfpachters, met de methode van grondwaardebepaling die daarbij wordt gehanteerd, en met het aanvullende beleid daarbij. Dit beleid heeft grote financiële consequenties voor veel erfpachters in onze stad, maar een aantal zaken is nog niet helemaal duidelijk. Gezien het vorenstaande heeft het lid Boomsma, namens de fractie van het CDA, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: Over de Onroerende Zaakbelasting. Om de WOZ-waarde van huizen op erfpacht te bepalen telt de Dienst Belastingen bij de verkoopprijs een bedrag op dat de waarde van het bloot-eigendom van de grond vertegenwoordigt en wordt berekend als de contante waarde van de toekomstige verplichtingen volgens het huidige contract vanaf de koopdatum tot het einde van het erfpachtcontract (1), plus de contante waarde van de toekomstige verplichtingen over het daaropvolgende tijdvak (2). Omdat de canon daarvan in het voortdurende stelsel op het moment dat de WOZ-waarde wordt vastgesteld nog niet bekend is, werd deze tot dusverre benaderd door de canon van het huidige tijdvak te vermeerderen met een fictieve inflatie van 3,75 procent, en dat geheel contant te maken over 50 jaar. Vervolgens wordt daarvan 60 procent genomen, omdat uit onderzoek van Francke en Wilders (1996) bleek dat de toekomstige erfpachtverplichtingen niet zijn weerspiegeld in de marktwaarde’. Francke en Wilders betogen in dat onderzoek tevens dat het percentage waarmee gecorrigeerd wordt in de loop van de tijd kan worden aangepast. Inmiddels is voor nieuwe woningen eeuwigdurende erfpacht ingevoerd, en is ook de Overstapregeling vastgesteld, waarmee de waarde van het ‘tweede’ tijdvak niet bestaat of op een andere manier wordt vastgesteld en al van te voren bekend is. 1 http://www.erfpachters.nl/files/1 996-01-01-Onderzoek-Gemeentebelastingen-onderzoek-naar-de- invloed-van-erfpacht-opverkoopcijfers.pdf 1 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam Neng Laea Gemeenteblad R Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 1. a. Wordt de methode om de WOZ-waarde van huizen op erfpacht vast te stellen aangepast naar aanleiding van de invoering van (de overstapregeling op) eeuwigdurende erfpacht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wordt de nieuwe methode om de WOZ-waarde vast te stellen van woningen op eeuwigdurende erfpacht en/of woningen die op één va de daartoe geboden mogelijkheden zijn overgestapt of gaan overstappen op eeuwigdurende erfpacht? b. Hoe verhoudt de nieuwe methode zich tot de oude? Leidt dit tot een hogere of tot een lagere erfpachtcorrectie en dus WOZ-waarde? c. Is het college het eens met de fractie van het CDA dat de korting op de verhoging van de WOZ-waarde van huizen op erfpacht door de '60-procent-correctie’ in ieder geval niet lager mag worden? d. Vertegenwoordigt de erfpachtcorrectie die de Dienst Belastingen berekent om de WOZ-waarde vast te stellen de waarde van het bloot-eigendom van de grond, en hoe verhoudt de aldus berekende waarde zich tot de gekozen genormeerde residuele grondwaardebepaling van de BSQ's? Antwoord vraag 1 door het College: 1a-b. Voor het bepalen van de WOZ-waarde geldt voor alle woningen en niet- woningen het wettelijke voorschrift dat is opgenomen in artikel 17, het tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. De grondslag om de WOZ-waarde vast te stellen van woningen op erfpacht kan daarom niet worden aangepast door een gemeentelijke dienst. Wat betreft de erfpachtcorrectie zal na invoering van eeuwigdurende erfpacht het effect op de parameters die gebruikt worden voor het bepalen van de WOZ- waarde nader geanalyseerd worden. Dit gebeurt overigens permanent voor alle transactieprijzen van de woningen op erfpacht. Het effect van eeuwigdurende erfpacht op de erfpachtcorrecties voor de WOZ is nu nog niet bekend. 1c. De ‘60-procentcorrectie’ is een afwaardering en is een wetenschappelijk onderbouwde en door de rechter als rechtmatig beoordeelde werkwijze. Deze 60- procentcorrectie is gebaseerd op feitelijk onderzoek door De gemeentelijke Dienst Belastingen. Er is overigens geen sprake van een korting. Een aanpassing van de 60-procentcorrectie, hoger danwel lager, is alleen van toepassing indien de gerealiseerde verkoopprijzen en marktgedrag dit rechtvaardigen. Het gemeentebestuur heeft niet de bevoegdheid om deze correctie om andere redenen aan te passen. 1d. De erfpachtcorrectie en de BSQ kunnen niet met elkaar worden vergeleken. Deze hebben een verschillend doel: e De erfpachtcorrectie rekent — gegeven een bestaande erfpachtsituatie met een vastgelegd tijdvak — de waarde van een zakelijk recht om naar een waarde vol eigendom (WOZ-waarde) — en is daarmee retrospectief van aard. e De BSQ wordt gebruikt om vanuit de waarde vol eigendom (WOZ-waarde) de grondwaarde van de opstalwaarde te onderscheiden, ten behoeve van het vaststellen van de canon bij het overstappen naar eeuwigdurende erfpacht — en is daarmee prospectief van aard 2 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Laea Gemeenteblad Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 De erfpachtcorrectie die de Dienst Belastingen berekent om de WOZ waarde vast te stellen, is gebaseerd op de Wet waardering onroerende zaken. Deze erfpachtcorrectie wordt gebruikt om de verkoopcijfers erfpachtrechten om te rekenen naar verkoopcijfers vol eigendom. Met die verkoopcijfers vol eigendom wordt uiteindelijk de WOZ-waarde bepaald. Hierbij hoeft de erfpachtcorrectie niet gelijk te zijn aan de erfpachtgrondwaarde. De erfpachtcorrectie wordt gebruikt om vanuit een bestaande canonverplichting te komen tot een waarde vol eigendom. De erfpachtgrondwaarde bij overstap wordt gebruikt om tot een nieuwe eeuwigdurende canonverplichting te komen. De bepaling van de genormeerde residuele grondwaarde als verhouding tot de onbezwaarde waarde (uitgedrukt in BSQ's) is niet gebaseerd op fiscale wetgeving, maar op het advies van de Grondwaardecommissie in 2015. 2. Een van de onrechtvaardige aspecten van het erfpachtstelsel is dat erfpachters Onroerend Zaakbelasting (OZB) moeten betalen over hun woning op basis van de WOZ-waarde, die wordt vastgesteld door de erfpachtcorrectie bij het de waarde op te tellen alsof de grond van de erfpachters is, en vervolgens moeten ze ook erfpacht betalen juist omdat de grond juist niet van hen is. Dit is een gevolg van de Wet Waardering Onroerende zaken die voorschrijft dat de waarde wordt bepaald op grond van de fictie dat er geen andere privaatrechtelijke verplichtingen op de woning rusten. Het staat de gemeente echter vrij om rekening te houden met deze discrepantie, en in de toelichting op de wet wordt daar ook op gewezen. Is het college bereid om rekening te houden met het fenomeen dat erfpachters als het ware dubbel betalen, door een compensatie of correctieregeling op te stellen voor de OZB die erfpachters betalen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe? Welke wettelijke mogelijkheden bestaan daartoe? Is het college bijvoorbeeld bereid om de 60-procent-correctie die thans wordt gehanteerd op grond van het onderzoek van Francke en Wilders te verlagen? Graag een toelichting. Antwoord vraag 2 door het College: De canon is verschuldigd als vergoeding voor het gebruik van de grond, die in erfpacht is uitgegeven. De OZB betreft een wettelijk voorgeschreven belastingaanslag, die zowel bij erfpacht als bij eigen grond verschuldigd is. Omdat de WOZ-waarde gebaseerd is op de waarde-vol-eigendom, wordt bij de berekening van de Overstapcanon een depreciatie van 10% gerekend, om te komen van grondwaarde-vol-eigendom naar erfpachtgrondwaarde. Daardoor is er geen sprake van een dubbeling. De OZB wordt op grond van artikel 220c Gemeentewet geheven op voet van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het betreffende kalenderjaar. Het college heeft geen beleidsvrijheid om hierop compensatie of een correctie toe te passen. Een aanpassing van de 60-procentcorrectie is alleen van toepassing indien dit wordt gerechtvaardigd door de gerealiseerde verkoopprijzen en marktgedrag. De gemeentelijke dienst Belastingen voert daarom permanent marktanalyses uit naar het effect van erfpacht op de verkoopprijzen. 3 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Laea Gemeenteblad Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 De overstapregeling Vanaf 1 oktober kunnen Amsterdamse erfpachters een aanbod ontvangen om over te stappen op eeuwigdurende erfpacht. Om erfpachters tegemoet te komen en meer tijd te bieden om deze belangrijke beslissing te nemen heeft het college na de inspraak de termijn uitgebreid zodat erfpachters tot 2020 mogen overstappen op basis van de WOZ-waarde van peildatum 2014 (of 2015, als die lager is). Daarbij is op verschillende momenten uitgesproken dat het aanbod vervolgens vast staat, zodat mensen daadwerkelijk de tijd hebben om zich een goed oordeel te vormen over deze ingrijpende beslissing over zeer complexe materie, zonder daarbij de tijdsdruk te voelen dat elk uitstel tot hogere bedragen leidt. In de commissie Ruimtelijke ordening van 31 mei 2017 zei de wethouder: “Dan: hoe lang staat het aanbod? Formeel staat het aanbod drie maanden, maar materieel geldt het natuurlijk niet in de jaren 2017, 2018 en 2019, omdat we namelijk in de jaren 2017, 2018 en 2019 de peildatum 2014 als uitgangspositie nemen. In die zin kun je zeggen dat het aanbod weliswaar formeel drie maanden staat, maar in die periode kun je dus steeds terugvallen op 1 januari 2014. Daarna, na 2019, geldt de normale procedure, die bij aanbiedingen geldt: drie maanden.” Op een vraag van D66 “Maar toch even voor de duidelijkheid. Maar tot 2020 kunnen ook die BSQ's voor het aanbod niet veranderen, de canonpercentages et cetera?” antwoordde de wethouder vervolgens: “Tot 2019 niet. Althans als u instemt met het voorstel om dat niet te doen. Vervolgens worden jaarlijks de BSQ's vastgesteld en stelt u jaarlijks canonpercentages vast, maar die hebben geen effect voor de mensen die zijn overgestapt.” Daarbij, en ook op andere momenten, is de verwachting gewekt dat het aanbod voor de overstap op eeuwigdurende erfpacht (het bedrag van de canon/afkoopsom) gedurende de genoemde periode vast ligt. Uit de tweede rekentool rolde ook een bedrag voor de overstap waarbij de tekst verscheen dat dit bedrag tot 2020 vast lag. Veel erfpachters die ook na 9 mei de tool hebben ingevuld, kregen dat dan ook te zien. 3. Klopt het dat het bedrag van de afkoopsom of canon die rolt uit het gemeentelijke aanbod vastligt tot 2020? Mocht het college ervan uitgaan dat de BSQ, WOZ- waarde en het canonpercentage vastliggen maar dat het bedrag wel kan veranderen doordat het einde van het huidige tijdvak dichterbij komt: a. Kan het college aangeven hoe zich dat verhoudt tot eerdere uitspraken, en de teksten over het aanbod die verschenen na het invullen van de rekentool? b. Kan het college aangeven hoe veel de bedragen van het aanbod als gedaan in 2017 kunnen oplopen, als mensen wachten tot begin 2018 of tot 2019? Graag een indicatie van de gemiddelde toename, en van de toename in meer extreme gevallen. c. Is het college het met de CDA-fractie eens dat het in strijd is met de wens om erfpachters voldoende tijd te geven om zich te beraden op deze zeer ingrijpende maar complexe beslissing, waarvoor ze vaak ook financiering moeten aangaan, als het bedrag, ondanks het vaststaan van WOZ-waarde, canonpercentage en BSQ, toch aanzienlijk kan oplopen, eg. door het naderen van het einde tijdvak? En is het college bereid om derhalve de bedragen van het aanbod vast te leggen (eventueel uitgezonderd van inflatie}? Zo nee, is het college dan wel bereid om in die gevallen dat het bedrag meer dan 5 procent kan oplopen, alternatieve maatregelen te nemen bijvoorbeeld om de verhoging dan te maximeren? 4 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam Neng Laea Gemeenteblad R Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 Antwoord vraag 3 door het College: 3a-b. Het klopt dat eeuwigdurende gedeelte van het bedrag van de afkoopsom volgens het gemeentelijke aanbod, vastligt t/m 31 december 2019. Het eeuwigdurende gedeelte van de afkoopsommen kan dus niet oplopen bij het verstrijken van de tijd in 2018 en 2019. Wanneer de erfpachter tevens het voortdurende gedeelte wil afkopen, geldt daarvoor de reguliere afkoopinstructie, waardoor dit bedrag wel enigszins kan variëren in de jaren 2018 en 2019, mede doordat vóór het moment van afkoop nog halfjaarlijkse canonbetalingen plaatsvinden. Het uiteindelijke overstap-aanbod (gebaseerd op bovenstaand uitgangspunt) is leidend en prevaleert boven eerdere indicatieve uitspraken en boven teksten in de destijds nog indicatieve rekentool. Nu de Overstap daadwerkelijk ingaat, is de berekeningswijze definitief gemaakt. 3c. Gelet op het antwoord op vraag 3a. en b. zullen afkoopbedragen gedurende de jaren 2018 en 2019 niet aanzienlijk oplopen. Daarom zijn hiervoor geen aanvullende maatregelen meer nodig. (Inleidende tekst op vraag 4): De tijdsdruk is extra hoog voor mensen met Algemene Bepalingen 1994 die op grond daarvan de mogelijkheid hebben van een verlengde afkoop. Tot nu toe geldt dat mensen kunnen afkopen op grond van de historische grondwaarde die is gehanteerd voor het bepalen van de huidige canon/afkoopsom. Maar in het flankerende beleid staat dat dit ook binnen het bestaande stelsel van voortdurende erfpacht wordt aangepast, en dat de gemeente daarbij voortaan de huidige grondwaarde gaat hanteren: “De hoogte van de verlengde afkoopsom onder de AB1994 wordt niet meer gebaseerd op de historische grondwaarde bij uitgifte, maar op de actuele erfpachtgrondwaarde. Dit sluit beter aan bij artikel 11 van de AB1994, waarin wordt bepaald dat de afkoopsom voldoende moet zijn om de gemeente te compenseren voor het niet meer ontvangen van de nog niet vervallen canon door de verlengde afkoop. Hiermee wordt voorkomen dat verlengde afkoopsommen veel hoger of lager uitvallen dan de afkoopsom voor vergelijkbare erfpachtrechten.” Erfpachters kunnen tot die tijd besluiten om verlengd af te kopen en dan overstappen eeuwigdurende erfpacht, waarmee de ingang van dat nieuwe, eeuwigdurende tijdvak verder de toekomst in wordt geduwd. De keuze om wel of niet verlengd af te kopen kan op die manier enorme bedragen schelen, terwijl mensen maar enkele maanden hebben om die beslissing te nemen. 4. Is het college het eens met de fractie van het CDA: a. Dat het wijzigen van de grondslag voor verlengde afkoop onder AB1994 in feite een eenzijdige wijziging van het contract betekent? b. Daarmee in ieder geval nu een onredelijk hoge tijdsdruk staat op mensen met de mogelijkheid voor verlengde afkoop onder AB1994? c. Dat dit onwenselijk is? d. Dat het dus wenselijk is om de mogelijkheid om volgens de huidige regels verlengd af te kopen te verlengen tot 2020 zodat deze erfpachters niet onder hogere tijdsdruk komen te staan dan andere erfpachters—of tenminste, om deze termijn uit te breiden tot 1 januari 2019 zodat men meer tijd heeft om zich te oriënteren? Graag een toelichting. 5 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Laea Gemeenteblad Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 e. Dat het college als antwoord op schriftelijke vragen van de heer van Ree van 2 februari 2012 inzake de canonvoorziening einde tijdvak in de Beethovenstraat heeft aangegeven dat het “wenselijk is dat de erfpachter ten tijde van de procedure canonherziening einde tijdvak door de gemeente nog eens expliciet op de mogelijkheid van verlengde afkoop wordt gewezen” en dat dit nu dus ook geldt? f. Dat de gemeente een belangrijke zorgplicht heeft om mensen actief en adequaat te informeren over wijzigingen in het erfpachtbeleid met mogelijk grote financiële consequenties, zeker gezien de complexiteit van de erfpacht? Zo ja, hoe gaat het college deze zorgplicht uitvoeren”? Antwoord vraag 4 door het College: 4a. Met de erfpachter zijn de AB1994 overeengekomen. In art. 11.4 van de AB1994 staat: De afkoopsom, waarin begrepen de door de erfpachter verschuldigde toeslag, wordt berekend volgens een door Burgemeester en Wethouders vast te stellen instructie, welke in het Gemeenteblad wordt bekendgemaakt. Artikel 11.4 van de AB1994 voorziet er dus in dat het College hiervoor, via een instructie, beleid vaststelt. Dit beleid kan — binnen de kaders van art. 11 van de AB1994 — worden gewijzigd met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het bekend maken van een gewijzigde afkoopinstructie, die voldoet aan de criteria die art. 11 van de AB1994 stelt, past dus binnen de kaders van het erfpachtrecht en de AB1994. De nieuwe rekenwijze sluit ook beter aan bij de tekst van art. 11.3 van de AB1994 dan de oude rekenwijze. In art. 11.3 van de AB1994 staat: “Het toeslagpercentage wordt bepaald op een zodanig niveau als naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders nodig is om de Gemeente schadeloos te stellen voor het verschuiven naar de toekomst van de herziening van de canon op de voet van art. 12”. De afkoopsom in de oude rekenwijze was echter niet gerelateerd aan de canon die de gemeente zou ontvangen indien niet verlengd wordt afgekocht, maar alleen aan de historische grondwaarde bij uitgifte. De afkoopsom in de nieuwe instructie is wel gerelateerd aan de canon die de gemeente zou ontvangen indien niet verlengd wordt afgekocht (waar de verwijzing in art. 11.3 naar art. 12 op doelt). 4b-c. Het College is van mening dat aan de erfpachters met de AB1994 voldoende tijd wordt geboden om een weloverwogen keuze te maken over het verlengd afkopen op basis van de oude afkoopformule. Bij verlengde afkoop gaat het om een extra mogelijkheid in de AB1994, die erfpachters met andere AB’s niet hebben. Deze mogelijkheid blijft in stand voor alle erfpachters met AB1994 die nog niet verlengd hebben afgekocht, alleen wordt de rekenwijze per 1-1-2018 aangepast. Desgewenst kunnen erfpachters die nog niet hebben afgekocht in 2017 eerst verlengd afkopen, en daarna, op enig moment in 2018 en 2019, alsnog besluiten om — na de verlengde afkoop — over te stappen naar eeuwigdurende erfpacht. 4d. Het College vindt het belangrijk dat er per 1-1-2018 één uniforme rekenwijze voor verlengde afkoop is, en niet twee jaar lang twee rekenwijzen naast elkaar, om de volgende redenen: 6 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Laea Gemeenteblad Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 e Door twee jaar lang twee rekenmethodes naast elkaar te houden, wordt het erfpachtstelsel nog complexer (terwijl vereenvoudiging juist een doel van de Vernieuwing Erfpachtstelsel is) e De nieuwe rekenwijze sluit beter aan bij het bepaalde in art. 11 van de AB1994 dan de oude rekenwijze e De oude rekenwijze leidde in sommige gevallen tot een verlengde afkoopsom die hoger uitvalt dan de verwachte toekomstige canoninkomsten ingeval niet zou worden afgekocht (in die gevallen kwam de verlengde afkoopsom ook beduidend hoger uit dan eeuwigdurende afkoop bij Overstap); daarom acht het College het niet gewenst, om deze rekenwijze nog langer te hanteren dan nodig is. Daarbij komt dat het bij de Overstap moeilijk uit is te leggen dat een afkoopsom voor een met 50 jaar verlengd tijdvak, hoger uitvalt dan de eeuwigdurende afkoopsom voor hetzelfde perceel 4e. Bij canonherziening einde tijdvak van rechten met de AB1994 wijst de gemeente de erfpachter expliciet op de mogelijkheid van verlengde afkoop. Dit is opgenomen in de standaarddocumenten voor de canonherziening van rechten met de AB1994. 4f. Zie het antwoord op vraag 5. 5. Hoe gaat het college de mensen die dit aangaat zo goed mogelijk informeren over deze beleidswijziging? Is het college bereid al deze mensen actief op de mogelijkheid te wijzen? Is het college bereid om mensen die geld zouden kunnen besparen door eerst een extra verlengd tijdvak onder AB1994 af te kopen daar actief op te wijzen, en zeker ook als zij dat, mogelijk uit onwetendheid, niet zelf aangeven? Graag een toelichting. Antwoord vraag 5 door het College: Het College zal alle erfpachters met AB1994, voor zover zij nog niet verlengd hebben afgekocht, schriftelijk attenderen op de gewijzigde rekenwijze voor verlengde afkoop. Hiertoe bereidt het College een rekentool voor, waarmee erfpachters met AB1994 een indicatie kunnen krijgen van de verlengde afkoopsom onder de oude en de nieuwe instructie. Deze rekentool zal rond 1 november 2017 gereed zijn. Zodra deze rekentool beschikbaar is, worden alle AB1994-erfpachters die nog verlengd kunnen afkopen, hierop schriftelijk geattendeerd. Zij kunnen — indien zij dat wensen — dan nog een verlengde afkoop op basis van de oude instructie aanvragen. (Inleidende tekst op vraag 6): Banken mogen geen hypotheek verstrekken aan mensen als die financiële verplichtingen oplevert die te groot zijn voor hun inkomen. De maximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van het inkomen (LTl-norm) wordt bepaald met financieringslastpercentages, die jaarlijks door de Ministeries van Financiën en Binnenlandse Zaken worden vastgesteld bij verschillende rentestanden, op advies van het NIBUD, na consultatie van onder andere de AFM*. Deze financieringslast- percentages drukken de maximale bruto hypotheeklasten uit in een percentage ten opzichte van het toetsinkomen, dat wordt afgeleid uit het bruto-inkomen:; al hebben banken de mogelijkheid om er onder bepaalde voorwaarden van af te wijken. Nadat 2 https://www.nibud.nl/wp-content/uploads/advies-hypotheeknormen-2017-def.pdf 7 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Neng Laea Gemeenteblad Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 de overstapregeling in de gemeenteraad is aangenomen, heeft de Nederlandse Vereniging van Banken aangegeven dat banken aanvragen voor financiering van afkoopsommen voor erfpacht in overweging zullen nemen en daarbij zullen kijken naar dezelfde normen als bij reguliere financieringsaanvragen, namelijk op basis van de LTV-normen en de LTl-normen (Loan-to-Value en Loan-to-Income)”. 6. Zullen banken, bij het beoordelen of ze een afkoopsom voor de overstapregeling willen financieren, inderdaad gebruik maken van de financieringslastpercentages zoals die jaarlijks worden vastgesteld? En geldt daarbij dat daarbij de optelsom van hypotheekverplichtingen en erfpachtverplichtingen samen aan deze normen moeten voldoen? Antwoord vraag 6 door het College: Dit is een vraag die niet door het College, maar door de banken moet worden beantwoord. De afgelopen jaren heeft de gemeente meerdere malen met de grote banken gesproken over de Vernieuwing Erfpachtstelsel. De banken hebben toen aangegeven afkoopsommen te kunnen financieren, onder de voorwaarde dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden om een financiering te krijgen. Omdat de banken in de loop van de tijd hun regels bij hypotheekverstrekking kunnen wijzigen, kan het College echter niet garanderen dat een bepaalde werkwijze van de banken over enkele jaren nog van kracht zal zijn. Overigens kunnen erfpachters bij Overstap altijd kiezen voor eeuwigdurende canonbetaling. In dat geval hoeven zij niet bij te lenen. 7. Is het college het eens met de fractie van het CDA dat het niet wenselijk is dat mensen na een herziening of na de overstapregeling financiële verplichtingen krijgen, die (in combinatie met hun reguliere hypotheeklasten) niet voldoen aan de LTl-normen en die eigenlijk te hoog zijn voor hun inkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat de gemeente er zorg voor dragen dat dit niet het geval is? Antwoord vraag 7 door het College: De overstap leidt niet zozeer tot nieuwe financiële verplichtingen, maar maakt een (voorheen onvoorspelbare) toekomstige canonwijziging inzichtelijk, en geeft er zekerheid over. De gemeente verwacht dat de banken meer zekerheid niet negatief zullen waarderen. Als gevolg van de motie van Osselaer, Dijk en Bakker inzake geen gedwongen verhuizing bij canonaanpassing is het College aan het uitzoeken op welke wijze een vangnetregeling voor overgestapte erfpachtrechten ingevoerd kan worden, voor situaties wanneer de erfpachter de canon als gevolg van de overstap niet kan betalen. 3 https://www.nvb.nl/nieuws/2086/invulling-van-de-erfpachtherziening-amsterdam-bekend.html 8 Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Nummer 1 ember 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017 8. Erkent de gemeente dat zij de plicht heeft om overkreditering te voorkomen? Hoe gaat de gemeente daar zorg voor dragen? Hoe denkt de gemeente zich ervan te gaan vergewissen dat erfpachters de overstap kunnen financieren? Antwoord vraag 8 door het College: In zijn algemeenheid heeft de gemeente deze plicht niet, zij heeft er ook geen instrumenten voor. Ook in het kader van de privacy regels is dit niet mogelijk. De gemeente kan iemand bijvoorbeeld niet verbieden om een (te) dure woning te kopen. Slechts bij leningen door de Kredietbank Amsterdam heeft de gemeente wel instrumenten met betrekking tot overkreditering omdat daar wel een wettelijke basis is. De gemeente biedt erfpachters bij overstap de keuze tussen afkoop en canonbetaling, zodat niemand door de overstap gedwongen wordt om een schuld aan te gaan. Zie verder de beantwoording van de vragen 6 en 7. 9. Wat doet de gemeente als blijkt dat banken niet bereid zijn om de afkoopsom te financieren, en/of aangeven dat de kosten van het overstappen op een canonbetalende eeuwigdurende erfpacht te hoog zijn voor het inkomen van de erfpachter (uitgaande van de op dat moment geldende financieringslastpercentages? Graag een toelichting. Geldt dan dat deze mensen sowieso in aanmerking komen voor de vangnetregeling? Antwoord vraag 9 door het College: Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen 6, 7 en 8. 10. Wat is de tekst van de obligatoire overeenkomst voor erfpachters met appartementen? Kun het college de modeltekst daarvoor opsturen en voor bespreking voorleggen aan de raadscommissie’? Antwoord vraag 10 door het College: Deze modeltekst wordt als bijlage bij deze beantwoording verstrekt. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E. van der Burg, locoburgemeester 9
Schriftelijke Vraag
9
discard
VN2023-014312 issi i i i i Wonen X Gemeente Raadscommissie voor Duurzaamheid, Circulaire Economie, Afval en DC Reiniging, Voedsel en Dierenwelzijn % Amsterdam Voordracht voor de Commissie DC van 06 juli 2023 Ter bespreking en ter kennisneming Portefeuille Duurzaamheid, Energietransitie en Circulaire Economie Volkshuisvesting (43) Agendapunt 5 Datum besluit 13-06-2023 Onderwerp Kennis nemen van de raadsinformatiebrief de voortgang en de uitgangspunten voor de sturing van het isolatieoffensief De commissie wordt gevraagd Kennis te nemen van de raadsinformatiebrief met daarin een update over de voortgang van de aanpak energiearmoede en de invulling die het college geeft aan het versnellen van het isolatietempo in buurten waar dit het hardst nodig is en behorende bijlagen met toelichting op beide punten. Wettelijke grondslag Gemeentewet Artikel 169: 1. Hetcollege en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur. 2. Zijgeven de raad alle inlichtingen die de raad voor de vitoefening van zijn taak nodig heeft. Bestuurlijke achtergrond In het Coalitieakkoord 2022-2026 is aangekondigd dat het college een grootschalig isolatieoffensief gaat lanceren gericht op het versnellen van de verduurzaming en verbetering van woningen. Hiervoor is €32 miljoen gereserveerd. Reden bespreking nvt. Uitkomsten extern advies In het (nog op te stellen) uitvoeringsplan zal de input en adviezen van verschillende stakeholders en Amsterdammers worden verwerkt. Met hen zijn dit voorjaar gesprekken gevoerd. Eris onder andere gesproken met: * Professionele stakeholders, zoals de woningcorporaties, adviesbureaus en bouwondernemingen. e Bewonersorganisaties, die al betrokken zijn bij het verduurzamen van woningen. Gegenereerd: vl.18 1 VN2023-014312 % Gemeente Raadscommissie voor Duurzaamheid, Circulaire Economie, Afval en Wonen % Amsterdam On ‚ _ % Reiniging, Voedsel en Dierenwelzijn Voordracht voor de Commissie DC van 06 juli 2023 Ter bespreking en ter kennisneming « Bewonerspanel, een dwarsdoorsnede van individuele bewoners vit Amsterdam, met een diverse achtergrond en woonsituatie. Geheimhouding n.v.t. Uitgenodigde andere raadscommissies n.v.t. Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? Ja. Met deze brief wordt de toezegging aan de commissie DC op 25 mei 2023 over het sturen op lokale partijen bij de inzet op energiearmoede afgedaan. Welke stukken treft v aan? AD2023-049800 Bijlage 1_Resultaten en evaluatie Energiebespaarservice.doc (msw) Bijlage 2_Hoofdlijnen isolatie- en sociaal-maatschappelijke AD2023-049801 opgaven_15.06.docx (msw212) AD2023-045109 Commissie DC Voordracht (pdf) Raadsinformatiebrief voortgang en vitganspunten isolatieoffensief.pdf AD2023-049799 (pdf) Ter Inzage Registratienr. Naam Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Directie Wonen, Roben Gort, 0639270571, r.gort®amsterdam.nl; Directie R&D, Geertje Sonnen, 0620090294, g.sonnen@®amsterdam.nl Gegenereerd: vl.18 2
Voordracht
2
val
mend Agenda vergadering Stadsdeelcommissie % Nieuw-West Commissiezaal Plein 40-45, nr. % 1 16 januari 2024 Start om 19.30 uur Vergadering Stadsdeelcommissie Voorzitter SDC: Yassin Askkali Secretaris SDC: Fatima Meziani 1. Opening 2. Mededelingen 3. Insprekers 4. Mondelinge vragen 5. Uitvoeringsplan Nationaal Programma Samen Nieuw-West 6. Adviesaanvraag Agenda Dieren 2024-2026 (Oordeelsvormend) 7. Ingekomen stukkenlijst 8. Vaststellen afsprakenlijst SDC 19 december 2023 9. Informatieverzoeken aan het DB 10. Rondvraag 11. Sluiting Mocht u willen inspreken dan kunt u zich tot maandag 12.00 uur aanmelden via stadsdeelcommissie.nieuw-west@amsterdam.nl Dit is een conceptagenda. De agenda kan wijzigen. De meest actuele versie kunt u vinden op: https://nieuw-west.notubiz.nl/
Agenda
1
train
VN2023-014098 Raadscommissie voor Financiën, Kunst en cultuur, Diversiteit Belastingen 96 Gemeente commissie voor” De FKD en antidiscriminatiebeleid, Lucht-en zeehaven (incl. Schiphol), % Amsterdam ee en Bedrijfsvoering, Inkoop, Personeel en organisatie, Dienstverlening, % Deelnemingen (excl. AEB en Schiphol), Deelnemingen (incl. AEB), Lokale media, ICT en digitale stad, Evenementen Voordracht voor de Commissie FKD van o2 november 2023 Portefeuille Ferendiäsering aan de raad Agendapunt 5 Datum besluit 3 oktober 2023 Onderwerp Verordening Toeristenbelasting 2024 De commissie wordt gevraagd De gemeenteraad te adviseren om de Verordening Toeristenbelasting 2024 zoals opgenomen in bijlage 1 vast te stellen, waarvan de belangrijkste onderdelen zijn: e De heffingssystematiek vereenvoudigd wordt naar een enkelvoudig percentage van de overnachtingsprijs; * Een uniform tarief van 12,5% van de overnachtingsprijs gehanteerd wordt. Wettelijke grondslag Artikel 216 van de Gemeentewet bevat de bevoegdheid van de gemeenteraad om belastingverordeningen vast te stellen. Elk besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een belasting geschiedt in de vorm van een belastingverordening. Gemeentelijke belastingen kunnen enkel worden geheven op grond van de Gemeentewet, dan wel een andere wet. Zonder een wettelijke basis is invoering van een gemeentelijke belasting niet mogelijk. Artikel 224 van de Gemeentewet is de wettelijke basis voor de toeristenbelasting. Op grond van dit artikel kan de gemeente een toeristenbelasting heffen voor het houden van verblijf door niet- ingezetenen. Bestuurlijke achtergrond Op basis van art. 224 van de Gemeentewet kan door gemeenten toeristenbelasting worden geheven voor verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. De verordening op de toeristenbelasting Amsterdam 2020 is vastgesteld bij raadsbesluit van 30 oktober 2019 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1814). Bij de Voorjaarsnota heeft het college de Raad voorgesteld om de baten toeristenbelasting te verhogen met ten minste 30 min. Bij de behandeling van de Voorjaarsnota heeft de raad motie 273 van het lid Heinhuis c.s. aangenomen, waarmee het college werd opgeroepen om bij de Begroting 2024 een voorstel te doen aan de Raad voor verdere verhoging van de toeristenbelasting. De raad wordt nu gevraagd om de als bijlage 1 opgenomen Verordening op de Toeristenbelasting 2024 vast te stellen, waarmee: 1. De heffingssystematiek voor de toeristenbelasting wordt vereenvoudigd door de gecombineerde heffingsmaatstaf te vervangen door een enkelvoudig percentage van de overnachtingsprijs; 2. Hettarief wordt bepaald op 12,5%; 3. Uitvoering wordt gegeven aan motie 273 Reden bespreking Gegenereerd: vl.28 1 VN2023-014098 % Gemeente Raadscommissie voor Financiën, Kunst en cultuur, Diversiteit F K D i msterdam Belastingen % en antidiscriminatiebeleid, Lucht-en zeehaven (incl. Schiphol), Bedrijfsvoering, Inkoop, Personeel en organisatie, Dienstverlening, Deelnemingen (excl. AEB en Schiphol), Deelnemingen (incl. AEB), Lokale media, ICT en digitale stad, Evenementen Voordracht voor de Commissie FKD van o2 november 2023 Ley advisering aan de raad Uitkomsten extern advies Nvt. Geheimhouding Nvt. Uitgenodigde andere raadscommissies Nvt. Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan? e Motie 237 van de leden Heinhuis, Ernsting en Rooderkerk inzake verhogen toeristenbelasting. * _TA2023-000846 over dat bij de Begroting 2024 een voorstel gedaan wordt voor de vormgeving en inrichting van de toeristenbelasting. Aan beide geeft het college invulling in de Begroting 2024 en de uitwerking daarvan in deze nieuwe Verordening Toeristenbelasting 2024. Het college beschouwt zowel de motie als de toezegging daarmee als afgedaan. Welke stukken treft v aan? Bijlage 1 besluit tot bekendmaking verordening toeristenbelasting AD2023-073136 2024.docx (msw12) AD2023-044362 Commissie FKD Voordracht (pdf) AD2023-070170 | Gemeenteraad Voordracht.pdf (pdf) | Ter Inzage Registratienr. | Naam Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres) Belastingen, Abush Derks, abush.derks@&amsterdam.nl Gegenereerd: vl.28 2
Voordracht
2
val
Geachte gemeenteraad, Ln ik zal mij eerst even voorstellen: Ei Mijn naam is! “_” geboren 19 september 1952 ie Amsterdam thans wonende aan El 5 : een a _…) : In dienst als ambtenaar sinds 1 februari 1974 bij de gemeente Amsterdam. ig Enkele dagen geleden heb ik een e-mail gestuurd aan wethouder Eric van der Burg it betreffende de duivenoverlast in Amsterdam. Zoals u weet is de duivenoverlast in Amsterdam Lj een zeer groot probleem. Ik ben al jaren bezig een poot aan de grond te krijgen binnen de EG gemeente om de duivenoverlast op te lossen. En Ik heb de stedelijke conferentie bijgewoond in 2001 „ik heb met diverse wethouders gesproken Dn (o.a.Guido Frankfurther) stadsdelen gebeld en bezocht stadsdeelwoorzitters gesproken en Ed demonstraties gehouden voor milieudiensten en hoofd sanitaire dienst van de GG en GD de EG heer Gerard Zwart. ‘| Ook heb ik van gedachten gewisseld met de onderzoeker van de GG en GD de heer Jan ; Buis.Al deze activiteiten hebben voor mij niet tot het gewenste resultaat geleid. Lj De toenmalige wethouder Hester Maij is een dag met mij op stap geweest in Amsterdam, wij hebben o.a. de locatie rond de Bijenkorf parkeergarage bezocht waar destijds de duiventil Ee stond en de middenstanders op de Nieuwendijk. Dit bezoek was mede voor haar aanleiding EO ora met mij een project te starten binnen de gemeente om de duiven overlast beheersbaar te Et maken. Helaas werd zij enige tijd later loco-burgemeester van Zandvoort en is het project Es jammer genoeg stil komen te liggen. Ef De Wethouder Van der Burg verzocht de heer Zwart van de GG en GD een afspraak met mij io te maken, in de eerste instantie heb ik hier gehoor aan gegeven tot dat ik merkte dat het een tweemans gesprek zou zijn.Ik liet de heer Zwart weten dat het gesprek niet door kon gaan TE omdat de wethouder zelf er niet bij aanwezig zou zijn. De Tevens heeft de GG en GD kennelijk een visie die de duivenoverlast niet oplost, dus heeft cen EO gesprek met de heer Zwart voor mij geen meerwaarde, io Als mijn informatie juist is begrijp ik dat de sanitaire dienst van de GG en GD geprivatiseerd is, als dat zo is lijkt het mij vreemd dat de heer Zwart mij aan moet horen. Se Het zou zelfs zo kunnen zijn dat er andere belangen mee gaan spelen en dat kan niet de bedoeling van de gemeente zijn (inteariteit) Waar het mij in de eerste instantie om gaat dat ik een uitvinding heb gedaan dat de duiven ij onvruchtbaar maakt doer een extern hulpmiddel. Het middel moet nog verder doorontwikkeld EO worden en het is diervriendelijk. De Nadeel is dat de duivenoverlast dan nog vele jaren blijft bestaan, Verder heb ik Et nog diverse opties om de duiven populaties beheersbaar te maken, diervriendelijke en ook wat LS minder diervriendelijke. Deze opties wil ik nader toelichten, EO Ik heb inmiddels bewezen dat ik de duivenoverlast in Amsterdam op kan lossen, stadsdeel ij ij Osdorp had het lef om mij in te huren als duivenoverlast bestrijder. Vanaf de zomer 2001 had Di ik het stadsdeel binnen enkele weken totaal onder controle wat betreft de overlast, de netten | om de duiven te weren verdwenen massaal van de gevels en het overgrote deel van de Ld bewoners warten zeer blij met mijn werkzaamheden.De kosten die men heeft bespaart aan ES onderhoud gebouwen zal ook niet gering geweest zijn. Dt Ik heb namelijk een duivenoverlast bestrijdings bedrijf opgericht in 2001 daar ik als ij | hulpverlener binnen de gemeente Amsterdam veelvuldig met de ellende van duivenoverlast te it maken had,temeer omdat ik sinds 1960 ervaring had opgedaan met duiven en het vangen EO ervan.Ik durf mij dan ook best ervaringsdeskundige op dat gebied te noemen. Wat betreft de telling van stadsduiven van de GGen GD in 2001 durf ik te beweren dat die | | niet correct was, zij kwamen op £ 12000 duiven mijn inschatting is dat het toen + 50000 duiven waren. Et Als de gemeente Amsterdam mij de duivenoverlast laat bestrijden zal ik ongeveer 4a | | 5 jaar nodig hebben om de populatie onder controle te krijgen.Naar mijn idee is het zeer EO belangrijk dat de gemeente Amsterdam de populaties onder controle gaat krijgen voor het te it laat is. DO Wereldwijd gaan de stadsduiven overlast veroorzaken, Venetie is volgens mij nu koploper | wat bestrijding betreft. Ik hoop dat Amsterdam de tweede wereldstad gaat worden die het Dt probleem aan gaat pakken, De Ik hoop dat u mij voor een gesprek uit gaat nodigen dan is de oplossing hopelijk nabij. | Met vriendelijke groet, | C = a Bezoekadres Gemeente Amsterdam De Stadhuis, Amstel 1 i 1011 PN AMSTERDAM Erie van der Burg mn Postbus 202 wethouder Et 1000 AE AMSTERDAM Do Telefoon 020 552 3200 Di Fax 020 552 3670 1 Teksttetefoon 020 620 9270 Retouradres: BEW, Postbus 202, 1000 AE AMSTERDAM EO} www amsterdam.nl De heerd ES Datum 28 oktober 2010 EO Ons kenmerk Behandeld door Jolanda Pothoven Doorkiesnummer 020-555 5780 Dt E-mail ipothoven@ggd.amsterdam.nl Onderwerp uw brief inzake de duivenoverlast in Amsterdam Sj Geachte heer U heeft de gerneenteraad een brief gestuurd inzake de duivenoverlast in Amsterdam. U geeft aan een uitvinding te hebben gedaan die duiven onvruchtbaar maakt door een ; extern hulpmiddel. Het middel moet nog verder worden ontwikkeld en is diervriendelijk. Verder heeft u diverse opties om de duivenpopulaties beheersbaar te EG maken, diervriendelijke en ook wat minder diervriendelijke. U geeft aan deze opties in een gesprek nader te willen toelichten. Dt Goed te merken dat u zo actief meedenkt om de overlast van duiven beheersbaar te Ed maken in Amsterdam. Dd Dierplaagbeheersing wordt in de gemeente Amsterdam uitgevoerd door de afdeling Dt Dierglaagbeheersing (DPB) van de GGD Amsterdam. De GGD is een gemeentelijke EO dienst. Er is dus geen sprake van privatisering en ook niet van een sanitaire dienst. Dt De GGD is in 2009 gestart met een nieuwe beleidslijn om bewust om te gaan met EO knaagdieren, insecten en vogels. Deze visie is vastgelegd in de nota "Beleid en aanpak van overlast van dieren in de openbare ruimte in Amsterdam: met gezond verstand samenteven met dieren”, De lijn in deze aanpak is dierplagen zoveel mogelijk te voorkomen en zo dier- en milieuvriendelijk in te grijpen. Verschillende dierenwelzijnzorganisaties ondersteunen deze omslag in het beleid, De nota dient eveneens als richtlijn voor de stadsdelen om hun eigen dierenwelzijnsbeleid te voeren. : Medio 2009 is de afdeling Dierplaagbeheersing gestopt met het vangen en laten inslapen van vogels (voornamelijk duiven}. De insteek is nu gericht op nestbeheer, wering en het inbrengen van goed voerbeleid in Amsterdam. Er is tevans een protocol voor duiven opgesteld in de openbare ruimte en ook is er goed overleg | met diverse dierenwelzijnsorganisaties. | Het Stedhuis ie bereikbaar per melo an lam (lijnen 9 en 14, halte Waterlooplein | | 28 oktober 2010 Gemeente Amsterdam ; | Pagina 2 van 2 | De GGD en in het bijzonder de afdeling Dierplaagbeheersing is uw gesprekspartner voor wat betreft oplossingen om de duivenoverlast in Amsterdam terug te dringen. : Voor een gesprek kunt u contact opnemen met rnevrouw lionka van Oord-Zomn, hoofd i DPB, Haar gegevens zijn: maik izom@ggd. amsterdam.nl, telefcon: 020-5555603 of Ed gsm: 06-30873336. EO Zij is bevoegd te bezien in hoeverre uw bijdrage aan beheersing van duivenoverlast in St Amsterdam past binnen de visie op beheersing van overlast van dieren, een visie die j ik overigens van harte ondersteun. | é Meer informatie over de werkzaamheden van de GGD/DPS en de nota kunt u ook vinden op de website: hitp:/www. gezond amsterdam. nlAnfectieziekten— EO nygine/Dierplaagbeheersing/ EO Ik hoop dat hiermee uw vragen beantwoord zijn. Een afschrift van deze brief zal aan de ieden van de Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Kunst verzonden worden. ii Met vriendelijke groet, Erie van der Burg : Wethouder Zorg :
Raadsadres
4
train
Gemeente Amsterdam % Gemeenteraad R x% Gemeenteblad % Schriftelijke vragen Jaar 2016 Afdeling 1 Nummer 706 Datum akkoord 21 juni 2016 Publicatiedatum 22 juni 2016 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het lid N.T. Bakker van 27 januari 2016 inzake de verkoop en functieverandering van het politiebureau Warmoesstraat. Aan de gemeenteraad Toelichting door vragensteller: Op 23 januari 2016 presenteerde Het Parool de resultaten van een onderzoek naar de verkoop van het voormalige politiebureau Warmoesstraat. Uit het onderzoek bleek dat de kopers van het pand banden hadden met een aannemer, die op zijn beurt weer banden had met een figuur uit de Amsterdamse onderwereld. Deze onderwereldfiguur, veroordeeld voor onder meer drugshandel,” verbleef vier jaar in één van de panden van de kopers van het voormalige politiebureau Warmoesstraat. Gezien het vorenstaande heeft het lid N.T. Bakker, namens de fractie van de SP, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld: 1. Was het college op de hoogte van de banden tussen de hulp van de onderwereldfiguur en de kopers van het politiebureau Warmoesstraat? Heeft het college over deze transactie een advies gegeven aan het Rijk, de verkopende partij? Antwoord: In de vergadering van de Commissie Algemene Zaken d.d. 28 januari 2016 is u een feitenrelaas toegezegd over de verkoopprocedure van het politiebureau Warmoesstraat. Dit feitenrelaas is inmiddels aan u toegezonden en geeft inzicht in de door u gestelde vragen. Ter verduidelijking, vanuit de gemeente is tijdens het verkoopproces advies geven aan de Nationale Politie en niet het Rijk. De Nationale Politie was de verkopende partij. ' http://www.parool.nl/parool/nl/4024/AMST ERDAM- CENTRUM/article/detail/4230618/2016/01/23/Politiebureaus-gekocht-door-eigenaren- onderduikpand-Dino-Soerel.dhtml 2 http://www telegraaf.nl/binnenland/20128227/ 7 jaar cel voor Dino Soerel __.html 1 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam Neeing Joe Gemeenteblad R Datum 22 juni 2016 Schriftelijke vragen, woensdag 27 januari 2016 2. Wat vindt het college ervan dat deze twee vastgoedeigenaren contant huur ontvingen van een pand via een tussenpersoon? Is het normaal dat deze vastgoedheren een tweede hypotheek verstrekt hebben aan deze tussenpersoon? Vindt het college dat deze kwesties blijk geven van integer zakendoen”? Antwoord: De bouwaanvragen die zijn gedaan voor de panden aan de Rozengracht dateren uit 2007. Op dat moment was de Bibob-beleidslijn voor bouwvergunningen nog niet vastgesteld. Toetsing van aanvragen bouwvergunningen op grond van de Wet Bibob vond dus nog niet plaats. Er is dus destijds ook niet nader gekeken naar hypothecaire leningen die zijn verstrekt door de twee vastgoedeigenaren. Gelet op voorgaande kan geen uitspraak worden gedaan over of deze kwesties al dan niet blijk geven van integer zakendoen. 3. Zijn de banden met deze tussenpersoon met een onderduikend figuur uit de onderwereld op enig moment aan de orde geweest in de screening voor de kopers van het politiebureau Warmoesstraat? 4. Volgens Het Parool waren er meerdere gegadigden voor de koop van het pand. Waarom is de keuze uiteindelijk op deze twee heren gevallen? Was dit In lijn met het gemeentelijke advies? Antwoord vragen 3 en 4: Ook voor de antwoorden van vragen 3 en 4 is verwijzing naar voornoemde feitenrelaas aan de orde. Het feitenrelaas geeft inzicht in de door u gestelde vragen. Ter aanvulling, de Nationale Politie heeft conform de selectiecriteria die publiekelijk kenbaar waren gemaakt zelfstandig, zonder verdere inhoudelijke betrokkenheid van de gemeente, de selectie verricht. Bij deze selectie speelden de prijs, het voorgenomen bestemming/gebruik en de integriteit van de kandidaat een rol. Toelichting: In het politiebureau is nu een souvenirwinkel gevestigd. Eerder schaarde de gemeente souvenirwinkels in dit gebied nog onder het kopje ‘ongewenste monocultuur’, één van de aanleidingen voor de gemeentelijke wallenaanpak. 5. Wat vindt het college ervan dat er nu een souvenirwinkel gevestigd is in het voormalige politiebureau, gezien de gemeentelijke wallenaanpak om zulke winkels in dit gebied juist tegen te gaan? 6. Heeft de gemeente meegewerkt aan het mogelijk maken van een souvenirwinkel in het voormalige politiebureau? Zo ja, waarom en op welke manier? Of andersom gesteld: heeft het college op enige manier iets gedaan om te voorkomen dat er een souvenirwinkel gevestigd zou worden in dit pand? Antwoord vragen 5 en 6: Het College heeft navraag gedaan bij het stadsdeel Centrum over de invulling van de bedrijfsruimte. Er was geen sprake van een uitbreiding van een souvenirwinkel op dit adres. Het stadsdeel had met de ondernemer afgesproken dat er voor de duur van vijf maanden een cadeauwinkel mocht worden geëxploiteerd in het 2 Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R Afdeling 1 Gemeenteblad Demmer 2 juni 2016 Schriftelijke vragen, woensdag 27 januari 2016 pand. Het ging om een tijdelijke invulling van een cadeauwinkel uit de Damstraat die tijdelijk moest verplaatsen in verband met funderingsherstel. Op grond van het huidige bestemmingsplan is het verkopen van cadeauartikelen met een aandeel van 25% souvenirartikelen toegestaan. De toezichthouders van het stadsdeel hebben 28 januari 2016 geconstateerd dat de exploitant de winkel grotendeels gevuld had met souvenirs. Vervolgens heeft het stadsdeel de exploitant per brief d.d. 1 februari 2016 aangegeven dat er in strijd met het bestemmingsplan werd gehandeld. De exploitant heeft per 9 februari 2016 de bedrijfsvoering beëindigd. Sindsdien vindt er geen exploitatie plaats in de onderhavige bedrijfsruimte. Toelichting door vragensteller: Vlakbij voormalig bureau Warmoesstraat is het oude politiebureau in de Beursstraat. Ook dit pand wordt afgestoten door de landelijke politie. 7. Kan het college toelichten op welke manier de gemeente invloed probeert uit te oefenen op de verkoop van dit pand, met als doel dat het in handen komt van een integere eigenaar en het toekomstig gebruik aansluit bij de doelen van de gemeentelijke Wallenaanpak? Antwoord: De verkoop van het bureau Warmoesstraat en bureau Beursstraat vond tegelijkertijd plaats en beide panden zijn door dezelfde koper gekocht. De beantwoording van de vragen 1 t/m 4 geldt dus tevens voor bureau Beursstraat. Mede onder invloed van aanbevelingen van de gemeente Amsterdam en de Eenheid Amsterdam van politie zal de Nationale Politie een Bibob-screening tot standaard onderdeel laten uitmaken van het verkoopproces van politiepanden in Amsterdam. Burgemeester en wethouders van Amsterdam A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester 3
Schriftelijke Vraag
3
train
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen Rapportage 2016-2017 Inhoud Samenvatting 3 1 Inleiding 4 2 _ Uitvoering beheer 6 21 _ Plaatsen hekken 7 2.2 Beheer binnen leefgebied 7 2.21 Actief beheer winter 2016-2017 7 2.2.2 Reactief beheer winter 2016-2017 8 22.3 Afzetgeschoten damherten 9 2.3 Beheer buiten het leefgebied 9 2.4 Afstemming binnen de regionale beheercommissie 10 3 Monitoring effecten van het beheer nl 3.1 Beheer binnen leefgebied 11 3.11 Populatieontwikkeling 11 3.1.2 Flora en fauna 1 3.2 Beheer buiten leefgebied 12 3.21 Verkeersveiligheid en overlast 12 3.2.2 Landbouwschade 13 3.3 Reacties uit de omgeving 14 Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 2 Samenvatting De groei van de populatie damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen en omgeving leidde meer dan 10 jaar geleden tot een toename van het aantal aanrijdingen, schade aan de landbouw en overlast in de omgeving. Waternet heeft toen hekken geplaatst en de provincies Noord- en Zuid-Holland hebben een zgn. nulstandbeleid buiten het leefgebied van de damherten ingevoerd. Met het groeien van de populatie werd ook de schade aan de natuurwaar- den in het gebied steeds zichtbaarder en de noodzaak om het aantal damherten te reduceren steeds groter. Begin 2016 hebben Gedeputeerde Staten van de provincies Noord- en Zuid-Holland ontheffing verleend om de damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen actief te beheren. Waternet heeft in maart 2016 een start gemaakt met het actief beheer. Conform de wens van de gemeenteraad heeft Waternet tevens met de vergunningverleners en hand- havers van de provincie en de beheerder van de Oostvaardersplassen de kaders verkend waarbinnen het reactief beheer kan worden toegepast binnen de AWD en hieraan uitvoering gegeven. Jaarlijks rapporteert Waternet over de uitvoering en de effecten van het beheer in het afgelopen beheerjaar (1 april 2016 - 31 maart 2017). Deze rapportage 2016-2017 is de tweede (de eerste rapportage is behandeld in de vergadering van de commissie financiën op 7 juli 2016 en is te vinden op www.waternet.nl/awd). De hoofdpunten uit deze rapportage zijn: * De damherten en reeën in de AWD en in de andere delen van het leefgebied zijn op 29 en 30 maart 2017 geteld. De uitslag laat zien dat er in de AWD minimaal 3258 damherten en 4 reeën leven. “Het actief beheer is van 1 november tot en met 81 maart uitgevoerd. Er zijn 1328 dieren geschoten. *_114 damherten zijn vanwege slechte conditie geschoten. Daarbij is het protocol reactief beheer gehanteerd. Ook zijn er 226 dieren dood gevonden. Dit zijn geen uitzonderlijke aantallen voor een populatie van deze omvang in een winterperiode. * De schade aan de natuurwaarden binnen de AWD is nog niet hersteld, omdat het aantal damherten nog niet is teruggebracht tot een aantal dat in balans is met de overige natuurwaarden. Er is een uitgebreid monitoringsprogramma opgezet. *_De hekken in combinatie met het nulstandbeleid buiten leefgebied hebben geleid tot een verbetering van de verkeersveiligheid in de directe omgeving van de AWD en afname van de meldingen van landbouwschade in de hele regio. In Zandvoort veroorzaakt een groep herten nog regelmatig overlast. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 8 1 _ Inleiding De damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en omgeving zijn al jarenlang onderwerp van ge- sprek. In de afgelopen 12 jaar is de damhertenpopulatie bijna vertienvoudigd. Dit heeft tot een aantal problemen geleid. In eerste instantie tot een toenemend aantal aanrijdingen en schade aan landbouw. Om dit tegen te gaan zijn o.a. hekken geplaatst en is in 2011 overgegaan tot uitvoering van een zgn. nulstandbeleid buiten het leefge- bied van de damherten. Met het groeien van de populatie werd ook de schade aan natuurwaarden steeds zicht- baarder en de noodzaak om het aantal damherten te reduceren steeds groter. In 2015 is het “Faunabeheerplan damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied 2016-2020” opgesteld met daarin een onderbouwing van de noodzaak voor beheer van de damhertenpopulatie. Ook is voor dit plan een verkenning uitgevoerd van eventuele alternatieven voor afschot. Op basis van dit Faunabeheerplan hebben Gedeputeerde Staten van de provincies Noord- en Zuid Holland begin 2016 ontheffing verleend om de damherten- populatie actief te beheren. In maart 2016 heeft Waternet een start gemaakt met het actief beheer. Hierover is vorig jaar gerapporteerd. Deze tweede rapportage gaat in op de uitvoering van het beheer in de AWD van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017 en de monitoring van de effecten van het beheer. Stand van zaken juridische procedures Ontheffing Flora- en faunawet De provincies Noord- en Zuidholland hebben de ontheffing Flora- en faunawet (Ffwet) op 9 februari 2016 verleend. De Faunabescherming, de Dierenbescherming en Stichting Herstel Inheems Duin hebben een beroepschrift ingediend. De rechtbank Noord-Holland heeft de beroepen tegen de Noord Hollandse ontheffing op 80 augustus 2016 afge- wezen. Daarop is hoger beroep aangetekend door de stichting Faunabescherming en de Dierenbescherming bij de Raad van State (RvS). De datum van de behandeling is nog niet bekend. De rechtbank Zuid-Holland heeft op 2/ december jl. de beroepen tegen de Zuid Hollandse ontheffing eveneens afgewezen. Er is hoger beroep ingesteld door zowel de Faunabescherming als de Dierenbescherming. Ook de Faunabeheereenheid' heeft hoger beroep ingesteld (omdat de grondslag verkeersveiligheid niet was gehonoreerd door de rechtbank). Het zou kunnen dat de Raad van State ervoor kiest om de hoger beroepen tegen de uitspraken van rechtbank Noord- en Zuid-Holland gecombineerd te behandelen. Tegen de uitspraken van de Raad van State is niet opnieuw beroep of cassatie mogelijk. De Afdeling bestuursrechtspraak hanteert als norm dat zij binnen veertig weken na ontvangst van het hoger beroepschrift uitspraak doet, dat zou neerkomen op uiterlijk eind 2017. 1 De Wet Natuurbescherming kent de Faunabeheereenheid (FBE) een coördinerende rol toe bij het planmatig beheer van diersoorten en de bestrijding van schade aangericht door dieren, met als doel tot afstemming van faunabeheer in aangrenzende gebieden te ko- men. In het bestuur van de FBE in Noord-Holland worden de terrein beherende instanties vertegenwoordigd door Waterbedrijf PWN. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 4 Vergunning Natuurbeschermingswet Op 9 februari 2016 heeft de provincie ook de vergunning Natuurbeschermingswet (Nb wet) verleend. Stichting De Faunabescherming en Stichting Herstel Inheems Duin hebben bij de Raad van State een beroepschrift ingediend. De Raad van State heeft op 18 januari 2017 de beroepen tegen de Natuurbeschermingswet afgewezen. Overzicht procedures: Ontheffing Ffwet Voorlopige voorziening rechtbank NH: afgewezen d.d. 10 maart 2016 Beroep rechtbank NH: afgewezen d.d. 30 augustus 2016 Beroep rechtbank ZH: afgewezen d.d. 27 december 2016 Hoger beroep NH (bij RvS): in behandeling, zittingsdatum nog niet bepaald Hoger beroep ZH (bij RvS): in behandeling, zittingsdatum nog niet bepaald (mogelijk behandeling in combinatie met hoger beroep NH) Vergunning Nb wet Beroep bij RvS: afgewezen d.d. 18 januari 2017 (geen hoger beroep mogelijk) Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 5 2 Uitvoering beheer In het door de provincies vastgestelde Faunabeheerplan damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied 2016-2020 is in kaart gebracht welke maatregelen er nodig zijn om de damherten in de regio tussen IJmuiden en Den Haag te beheren. In het faunabeheerplan is onderscheid gemaakt in: “een ‘leefgebied voor damherten’: het gaat hier om (voornamelijk) duingebied, waarin zich een damhertenpopulatie kan en mag handhaven. “een ‘nulstandsgebied': het gaat hier om (voornamelijk) agrarisch en bebouwd gebied waar het damhert ongewenst is vanwege schadedreiging. In dit gebied is het streven een minimale stand (nulstand), net als in de bufferzones (aan de randen van het leefgebied waar dieren het gebied verlaten). j TK NS Fi de ee Ä 4E f pe B / hr d we en Mz Sid A pf óv À % PI EEn f rn pr A Kk) ee bid KZ E Os: ee É 1 ' PI LE DES Nl ZE EA / . / A Nr) Ke 4 Pr Ad EOL EP FLAME ie WEST te Afk 1 a ek 4 zi AE ed fe AN G4 ed __< | —— Leefgebied damhert 2015 ed Ed „<A CJ Provincies (Bestuurijke Grenzen 2015) |< 3 É A [__| Amsterdamse Waterleidingduinen éé 8 se Nn Hb Ligging plangebied en leefgebied Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 6 De in het plan voorgestelde beheermaatregelen zijn: “Handhaven en eventueel aanpassen van bestaande wildroosters en hekken. “Actief beheer: beheerafschot binnen het leefgebied ter regulering van de stand. *__Reactief beheer: uit het lijden verlossen van zieke of gebrekkige dieren. “Afschot in de bufferzones van het leefgebied en buiten het leefgebied 2.1 Plaatsen hekken Waternet heeft het hekkenprogramma in 2013 afgerond. Vorig jaar heeft Waternet op verzoek van de gemeente Zandvoort twee extra inspringvoorzieningen gemaakt. Dit zijn plekken waar damherten die buiten het leefgebied lopen, het leefgebied weer in kunnen. Buiten de hekken vindt er een nulstandbeleid plaats (zie paragraaf 2.3). 2.2 Beheer binnen leefgebied 2.21 Actief beheer winter 2016-2017 Het actief beheer binnen het leefgebied heeft als doel om het aantal damherten te verminderen tot een aantal dat in balans is met de overige natuurwaarden en waarbij de kans op schade en overlast gering is. Het streven is een populatie van circa 1000 damherten voor de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) samen (AWD 800, NPZK 200), die ook in de toekomst goed zichtbaar blijft. Naast het actief beheer gericht op het terugbrengen van de populatie zal het reactief beheer gericht op het voorkomen van onnodig en uitzichtloos lijden uitgevoerd blijven worden. Conform de ontheffing is van 1 november 2016 tot en met 31 maart 2017 het actief beheer uitgevoerd in de regio Kennemerland. Waternet heeft 1328 dieren in de AWD geschoten. In het NPZK zijn 343 dieren geschoten. De FBE’s leveren in de loop van het jaar een volledig overzicht van het afschot tussen IJmuiden en Noordwijk. Veiligheid De boswachters van Waternet voeren het beheer uit. Afschot vindt plaats in de wintermaanden (1 november tot en met 31 maart), om de kalvertijd en de bronst niet te verstoren. De eerste jaren ligt de nadruk op vrouwelijke dieren. Deze dieren bevinden zich over het algemeen wat meer in het centrum van het gebied. Om confrontatie met bezoekers te vermijden vindt actief beheer niet plaats in de buurt van de ingangen en ligt de nadruk van het actief beheer op de gebieden in het centrum (een deel daarvan is afgesloten voor het publiek). In het weekend en in drukke vakantieperioden vindt er geen afschot plaats. De boswachters lossen alleen een schot als de veiligheid absoluut gegarandeerd is. Ze werken daarom in tweetallen, een boswachter en een buddy. De buddy assisteert vanwege veiligheid van het publiek en capaciteit bij de verwerking van geschoten dieren. De boswachters werken met een geluiddemper, waardoor de knal minder hard is, wat minder verstoring geeft voor mens en dier. Registratie Elk geschoten dier krijgt een nummer (label), dat de FBE verstrekt, en wordt opgenomen in het fauna registratie systeem van de FBE. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 7 2.2.2 Reactief beheer winter 2016-2017 Het reactief beheer heeft als doel onnodig en uitzichtloos lijden van de damherten te voorkomen. In 2015 heeft Waternet voor de uitvoering van het reactief beheer een protocol opgesteld. Conform de wens van gemeenteraad zijn met de vergunningverleners en handhavers van de provincie en de beheerder van de Oostvaardersplassen de kaders verkend waarbinnen het reactief beheer in opgerekte vorm kan worden toegepast in de AWD. Waternet heeft uitvoering gegeven aan dit beheer, zodat in een vroegtijdig stadium dieren waarvan mag worden verwacht dat ze de winter niet overleven, uit het lijden worden verlost. Waternet blijft, naast beheer gericht op populatie- reductie, inzetten op dit reactief beheer. Het weer in de afgelopen winter was normaal, in tegenstelling tot de twee zeer zachte winters hiervoor. Er zijn 114 dieren uit het lijden verlost. Ook zijn er 226 dieren dood gevonden. Dit is meer dan de jaren hiervoor, maar normale aantallen voor de populatiegrootte in de AWD. De weersomstandigheden en de grootte van de populatie verklaren de verschillen tussen de jaren. De nazomer en herfst van 2015 waren zeer groeizaam door een combinatie van temperatuur en neerslag. Ook de winter 2015/2016 was extreem zacht. Vrijwel de hele winter was er voedsel beschikbaar. Een flink toegenomen populatie ging de winter 2016/2017 in. Deze winter was ‘normaler’ met lagere temperaturen dan het jaar ervoor en veel minder groeizaam. Het voedselaanbod was beperkter. Ook kende deze winter enkele koude en natte perioden met veel wind die de vetreserve sneller hebben doen afnemen. Meer dieren dan voorgaande jaren kwamen in een slechte conditie en hebben de winter niet overleefd. Bijna driekwart van de dode dieren waren kalveren. Dit is een algemeen verschijnsel. Kalveren investeren meer in groei dan in vetvoorraad en komen daardoor als eerste in de problemen bij voedseltekorten. Ook bij de edelherten in de Oostvaardersplassen wordt dit verschijnsel waargenomen. mem reactief geschoten EN dood gevonden 4 00 20 22 13 174 5 37 13 226 350 6 12 7 23 15 16 11 114 300 250 200 150 100 50 0 winter winter winter winter winter winter winter winter 2009/10 2010/11 2011/12 2012/13 2013/14 2014/15 2015/16 2016/17 Aantallen reactief geschoten dieren en dood gevonden dieren in de AWD (2009-2017) Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 8 ‘Onnodig en uitzichtloos lijden’ betekent dat dieren blootstaan aan omstandigheden die hun natuurlijk aanpas- singsvermogen overschrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij ernstig voedseltekort, terwijl de vetreserves van het dier op zijn, of door verwonding. De lichamelijke conditie is dan zodanig dat het dier niet op eigen kracht en aanpassingsvermogen kan herstellen. Of een dier kan herstellen hangt niet alleen af van de lichamelijke conditie, maar ook van het voedselaanbod en de verwachte weersomstandigheden. Waternet monitort continu de werkbaarheid van het protocol en evalueert deze in samenspraak met de coördinator faunabeheer, de dierenarts en de inspecteurs van de provincie. Om de controleerbaarheid achteraf mogelijk te maken registreert Waternet ook elk reactief geschoten dier in het registratie systeem van de Faunabeheer- eenheden. Het protocol is te lezen in het damhertendossier (www.waternet.nl\awd). De inspectieronden door de boswachters en de dierenarts vinden plaats in de wintermaanden, waarbij zij geza- menlijk het protocol toetsen. Deze werkwijze leidt tot een goed inzicht in de conditie van de damherten, waardoor er tijdig en effectief opgetreden kan worden. Desondanks sterven er ook dieren op een natuurlijke wijze. Door de uitgestrektheid van het terrein is er geen garantie dat de beheerders elk dier in verminderde conditie vinden. 2.2.3 Afzet geschoten damherten Waternet heeft voor de verwerking van de damherten een contract afgesloten met een groothandel in wild en ge- vogelte in Amsterdam. Deze verwerkt het vlees en zet dit voor een groot deel af in de horeca en bij enkele poeliers in Amsterdam en in de omgeving rond de AWD. 20% is aan de voedselbank in Amsterdam geleverd. Het product is herkenbaar als hertenvlees uit de AWD. Van de 1828 geschoten dieren waren er 1279 voor consumptie geschikt en aan de groothandel geleverd. Zoals besloten tijdens de raadsbehandeling op 11 september 2013 (Gemeenteblad, Afdeling 3A, nummer 182/668) is het beheer uitgevoerd door professionals in dienst van Waternet. Ca. 2136 mensuren zijn hieraan besteed. Conform de aangenomen motie Jager (725) is de uitvoering niet winst gedreven. De verkoop aan de groothandel heeft €45.000,- opgebracht. Het saldo besteedde uren — opbrengst verkoop is negatief. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 9 2.3 Beheer buiten het leefgebied Afschot buiten het leefgebied (onder regie van de FBE) en in de bufferzones heeft als doel om een nulstand te handhaven buiten het leefgebied ten behoeve van de verkeersveiligheid en om schade en overlast te voorkomen. Tot nu toe trekken alleen mannelijke dieren het leefgebied uit en worden geschoten. mmm Noord Holland EN Zuid Holland 300 250 200 150 100 50 0 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 Afschot buiten leefgebied in Noord Holland en afschot buiten leefgebied en in de bufferzones in Zuid-Holland (tot en met 31 maart 2017) 2.4 Afstemming binnen de regionale beheercommissie Er is een regionale beheercommissie ingesteld waaraan beheerders, provincies, FBE's, Wildbeheereenheid (zorgt voor coördinatie van de uitvoering van het beheer in een regio) en politie deelnemen. De commissie begeleidt de uitvoering van het beheer, de regionale telling en stelt de jaarlijkse uitvoeringsplannen vast. Zij monitoren de voortgang van het beheer, de populatieontwikkeling en de schadeontwikkeling. Voor de AWD is het streven om de damhertenpopulatie in de beheerperiode 2016-2020 geleidelijk terug te bren- gen naar de streefstand van 800 damherten. Er kan aanleiding zijn om het beheer in de loop van het Faunabeheer- plan aan te passen. In overleg met de beheercommissie zal Waternet de provincie vragen de voorwaarden waar- binnen afschot mag plaatsvinden, indien nodig, aan te passen. Bij de evaluatie van het beheer zal ook een verkenning plaatsvinden van de mogelijkheid voor verwijdering van het hek op de natuurbrug tussen de AWD en het NPZK. Waternet heeft, nu het actief beheer tot stand is gekomen, het openstellen van het ecoduct aan de orde gesteld in het gezamenlijk beheeroverleg. De natuurbrug tussen de AWD en het Nationaal park is de eerste van drie natuurbruggen in de duinen van Zuid-Kennemerland. Begin 2018 wordt de laatste opgeleverd. De gezamenlijke beheerders in NPZK en AWD onderzoeken of het moment van oplevering geschikt is om het hek te verwijderen. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 10 3 Monitoring effecten van het beheer 3.1 Beheer binnen leefgebied 3.1.1 Populatieontwikkeling In de AWD vinden sinds 1990 tellingen plaats van de damherten. Dit gebeurt volgens de landelijk vastgestelde methode, ontwikkeld in overleg met Alterra. Omdat de gehanteerde telmethode in al die jaren dezelfde is geweest, geeft de trend een betrouwbaar beeld van de ontwikkeling van de populatie. De populatie groeide tot en met 2016 met gemiddeld 20% per jaar en er was nog geen zicht op stabilisatie. Dit jaar is de eerste telling na een volledig beheerseizoen (van november tot en met maart). De groei is tot staan gebracht en de populatieomvang is ruim 16% teruggebracht. Op dit moment leven er in de AWD minimaal 8253 damherten. Meer dan driekwart van de populatie bestaat uit hinden en kalveren. Dit kan worden verklaard doordat met een toenemende competitie vooral de overlevingskans van mannelijke dieren afneemt. Dit wordt nog versterkt doordat mannelijke dieren het leefgebied verlaten en in de bufferzones of buiten het leefgebied geschoten worden (zie ook paragraaf 2.3). Het ree is inmiddels vrijwel verdwenen uit de AWD. Er zijn er slechts 4 geteld in 2017, terwijl er midden jaren negen- tig ca. 250 dieren aanwezig waren. men damhert mn ee 4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0 ï 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 O5 YS LOLLY TEL OSS OENE LOR S2SSSSSESERSEREEESRRERRREER Populatieontwikkeling damhert en ree (1996-2017) 3.1.2 Flora en fauna In 2015 hebben diverse landelijke kennisinstellingen de effecten van de damherten op de biodiversiteit onder- zocht (Floron, De Vlinderstichting, EIS (Europian Invertebrate Survey) Nederland, Zoogdiervereniging en Unie van Bosgroepen). Daarbij is vooral een vergelijking gemaakt tussen de AWD en het naastgelegen (en vergelijkbare) Nationaal Park Zuid Kennemerland waar een veel kleinere populatie damherten leeft. De onderzoeken tonen aan Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 11 dat de hoge graasdruk van damherten in de AWD negatieve effecten heeft op de biodiversiteit van het gebied. Zie het damhertendossier www.waternet.nl\awd voor alle onderzoeksgegevens die tot nu toe verzameld zijn. Samengevat komt het erop neer dat: * Ereen negatieve invloed is op vooral bloemplanten, daarbij gaat het niet alleen om zeldzame planten, maar ook om algemene soorten die cruciaal zijn als waard- of nectarplant voor insecten; “De struik- en jonge boomlaag in duinbossen zwaar lijdt onder de vraat van damherten; “De Europese Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen onder druk staan. Dit uit zich met name in de ‘duingraslanden’ en in de ‘duinbossen’. Dit zijn de Natura 2000 habitattypen H2180 ‘Grijze duinen’ en habitattype H2180 ‘Duinbossen’. Voor allebei geldt in het gebied een opgave voor uitbreiding (oppervlakte) en verbetering (kwaliteit). Vooral de kwaliteit van deze typen staat onder druk; * De effectiviteit van met Europese subsidie genomen herstelmaatregelen door de damherten dreigt teniet worden gedaan. Met het voorgenomen beheer blijft het aantal damherten de komende jaren nog hoog. Pas eind 2020/begin 2021 jaar zal de streefstand (800 damherten) bereikt kunnen zijn. Herstel zal naar verwachting tijd kosten en niet me- teen aantoonbaar zijn. De monitoring bestaat uit de volgende elementen: * Reguliere monitoring in het kader van (nationale) Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en het Natura 2000 beheerplan Kennemerland Zuid wordt voortgezet. *_In 2020 wordt het onderzoek uit 2015 herhaald. Daarvoor zijn monitoringsprogramma’s uitgezet in samenwerking met de landelijke kennisinstellingen. “Waternet blijft zelf onderzoeken uitvoeren naar de effecten van damherten; rapporten zijn te vinden in het damhertendossier. *_Monitoring/onderzoek is in gang gezet naar dagvlinders, vogels (o.a. nachtegalen), bosbeheer gericht op herstel. Ook worden planteninventarisaties nader geanalyseerd. 3.2 Beheer buiten leefgebied 3.21 Verkeersveiligheid en overlast Uit de evaluatiegegevens van de tot nu toe uitgevoerde maatregelen blijkt dat de damhertkerende rasters, in com- binatie met het nulstandbeleid buiten het leefgebied, hebben geleid tot een verbetering van de verkeersveiligheid in de directe omgeving van de AWD. Het aantal aanrijdingen in de hele regio is echter nog wel substantieel. Het grootste aantal aanrijdingen vindt plaats rondom het Nationaal Park Zuid-Kennemerland. Inde gemeente Zandvoort veroorzaakt een grote groep herten, die regelmatig de AWD verlaten, overlast. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 12 mmm Noord Holland EN Zuid Holland 60 50 30 30 20 10 0 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 Aanrijdingen in Noord- en Zuid-Holland over de periode 2010-2017 (tot en met 31 maart) 3.2.2 Landbouwschade De damhertkerende rasters in combinatie met het nulstandbeleid buiten het leefgebied hebben ook tot een vermindering van de gemelde landbouwschade geleid. Uit de schadecijfers van het Faunafonds blijkt dat agrari- sche bedrijven sinds 2011 geen noemenswaardige (bedrijfsmatige) schade hebben gemeld. In Noord-Holland is na een piek in 2012 de schade sterk gedaald. In 2015, 2016 en 2017 is er in beide provincies geen landbouw- schade gemeld. mmm Noord Holland EN Zuid Holland 140.000 OO OO | | Oe 5 | OO 0 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 Landbouwschade in Noord- en Zuid-Holland over de periode 2010 - 2017 Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 13 3.3 Reacties uit de omgeving Waternet monitort de berichtgeving op sociale media. Op de Facebook pagina van Waternet zelf (facebook.com/ amsterdamsewaterleidingduinen en facebook.com/waternet) zijn regelmatig vragen of opmerkingen geplaatst over het beheer van de damherten. Er zijn een paar initiatieven van tegenstanders van actief beheer op Face- book/social media gesignaleerd om discussie te voeren over de uitvoering van het beheer. Er is één protestactie georganiseerd door Animal Rights, de Faunabescherming en PiepVandaag op zondag 15 januari jl. tegen het af- schot van damherten in de AWD. De actie vond plaats buiten het duin in Zandvoort, er waren 3 sprekers en ca. 100 aanwezigen. Na de uitspraken van de rechter en de Raad van State hebben de landelijke en regionale media aandacht besteed aan de damherten in de AWD op televisie, radio en in dagbladen. Bij de start van het actief beheer in november zijn enkele journalisten mee geweest, evenals bij de laatste telling. Bezoekers in het duin stellen vragen over het actief beheer aan de boswachters en bij het bezoekerscentrum. Er zijn ook regelmatig vragen over de verkoop van vlees en geweien. De groepen herten die regelmatig in Zandvoort lopen halen regelmatig het nieuws. Ze veroorzaken overlast in het dorp. Een (kleine) groep mensen is ook bezorgd en wil voorkomen dat deze groepen herten wordt afgeschoten. In april 2017 is een burgerinitiatief is ingediend bij de gemeente Zandvoort waarin gevraagd wordt 600 meter extra hek te plaatsen. De gemeente gaat dit idee verder onderzoeken en heeft daarover contact met Waternet. Over het beheer langs de randen van Zandvoort houdt Waternet contact met de gemeente Zandvoort en vraagt de gemeen- te de communicatie hierover met haar bewoners te onderhouden. Waternet stemt het beheer in de gebieden nabij de bebouwde kom van Zandvoort ook af met de beheerders van het NPZK (PWN, NM, SBB). Gezamenlijk wordt de vinger aan de pols gehouden en vindt overleg plaats over de beste aanpak. Het beheer buiten het leefgebied wordt al langere tijd uitgevoerd en heeft niet tot overmatige aandacht in de media of social media geleid. Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 14
Onderzoeksrapport
14
train
x Gemeente Amsterdam R Gemeenteraad x% Gemeenteblad % Motie Jaar 2015 Afdeling 1 Nummer 1323 Publicatiedatum 4 december 2015 Ingekomen onder w Ingekomen op woensdag 25 november 2015 Behandeld op woensdag 25 november 2015 Status Aangenomen Onderwerp Motie van het lid Duijndam inzake de Hoofdlijnen Kunst en Cultuur 2017-2020 (de kunstliefhebber aan het woord). Aan de gemeenteraad Ondergetekende heeft de eer voor te stellen: De raad, Gehoord de discussie over de Hoofdlijnen Kunst en Cultuur 2017-2020 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1269). Constaterende dat: — het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) in het kader van het Kunstenplan 2017-2020 een budget van 30 miljoen euro gaat verdelen over de diverse soorten subsidieaanvragen van kunstinstellingen. Overwegende dat: — er al wel veel specialistische kennis uit de kunstensector in de adviserende commissies van het AFK zit; — het kunstpubliek nog niet vertegenwoordigd is in deze commissies; — het daarom een goede aanvulling op de specialistische kennis zou zijn als ook consumenten van kunst vertegenwoordigd zijn in de adviescommissies en kunnen meebeslissen over de toekenning van de kunstsubsidies van het AFK. Verzoekt het college van burgemeester en wethouders: minimaal twee Amsterdammers als zelfstandig kunstliefhebber te (laten) benoemen in de adviescommissies van het AFK. Het lid van de gemeenteraad P.J.M. Duijndam 1
Motie
1
discard