text
stringlengths 181
1.69M
| label
stringclasses 11
values | num_pages
float64 1
502
| split
stringclasses 4
values |
|---|---|---|---|
1013 MM Amsterdam î
T +31 20 305 74 10 |
F +31 20 305 74 11 \
De Raad van de gemeente Amsterdam ellerman@sixlegal.nl |
Postbus 202 www.sixlegal.nl '
1000 AE Amsterdam |
Beheer Derdengelden |
ING Bank 67.87.01.288 Ô
Tevens per e-mail: info@gemeenteraad.amsterdam.nl |
DATUM DOSSIER PAGINA |
17 december 2018 62.658 U2 |
UW REFERENTIE BETREFT AANTAL BIJLAGEN |
Gemeenteblad 251718 Toeristenbelasting - |
Geachte leden van de Raad, |
A&O Hostels (hierna: A&O) heeft kennisgenomen van de publicatie in het Gemeenteblad |
van de Verordening Toeristenbelasting 2019. Daaruit blijkt dat de toeristenbelasting voor |
2019 wordt verhoogd van 4% naar 7%. Dat betekent voor A&O een verhoging van maar |
liefst 75% ten opzichte van 2018. Gelet op de doelgroep van A&O is dat een te forse |
verhoging en A&O maakt daar dan ook bezwaar tegen. Ik licht dat hieronder toe. |
A&O heeft hostels in een groot aantal landen in Europa. Een paar jaar geleden opende A&O |
zijn hostel in Amsterdam Zuidoost. De vestiging van dit hostel is in nauw overleg met de |
gemeente Amsterdam tot stand gekomen. De gemeente was enthousiast over het initiatief van |
A&O om in Zuidoost een hostel te ontwikkelen, mede vanwege de positieve effecten op de |
omgeving. Dat blijkt in de praktijk ook zo uit te pakken. |
A&O richt zich met name op groepsreizen voor jongeren, waarbij schoolreizen en reizen in |
verenigingsverband de hoofdmoot vormen. Maar ook gezinnen en individuele reizigers zijn Ô
welkom. Het bijzondere aan het A&O concept is dat het goede accommodatie biedt, op een |
centraal gelegen locatie en voor een zodanig lage prijs dat het ook voor mensen met een Ô
beperkt budget mogelijk is om buitenlandse steden te bezoeken. |
Met name voor scholen en verenigingen die met strakke budgetten werken, betekent de |
aangekondigde verhoging een niet onaanzienlijke belemmering. A&O is dan ook van mening |
Six Advocaten B.V. is gevestigd te Amsterdam en ingeschreven in het handelsregister onder nummer 34297931. Alle diensten en |
(andere)werkzaamheden worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met Six Advocaten B‚V. Op de overeenkomst zijn van :
toepassing de algemene voorwaarden van Six Advocaten B.V. Deze algemene voorwaarden, welke zijn in te zien op www.sixlegal.nl en op í
verzoek kosteloos zullen worden toegezonden, bevatten onder meer een beperking van aansprakelijkheid. BTW nummer: NL8191.99.151.BO1. |
|
SIX ADVOCATEN
DATUM DOSSIER PAGINA
17 december 2018 62.658 2/2
dat er in ieder geval een differentiatie zou moeten worden gemaakt naar type hotel dan wel
naar locatie (zoals dat voorheen ook het geval was).
Daar komt bij dat in dezelfde periode ook de BTW is verhoogd van 6% naar 9% voor het
verstrekken van logies door hotels voor een korte periode. Ook die maatregel is pas in
september 2018 kenbaar gemaakt en ook daarin is geen overgangstermijn opgenomen. A&O
is zich ervan bewust dat dit een maatregel is van de Rijksoverheid waar de gemeente geen
invloed op heeft, maar het cumuleert wel met de verhoging toeristenbelasting en daarom had
de gemeente daar wel rekening mee dienen te houden.
Daarnaast is A&O van mening dat in de Verordening Toeristenbelasting 2019 ten onrechte
geen overgangsregeling is opgenomen. Een groot deel van de boekingen voor 2019 zijn,
zeker wat de groepsreizen betreft, ruim voor 1 januari 2019 gemaakt. Dat betekent dat daarbij
geen rekening is gehouden met de verhoging van de toeristenbelasting. A&O meent dan ook
dat het redelijk zou zijn om, als toch wordt vastgehouden aan de aangekondigde verhoging,
reserveringen die voor de datum van inwerkingtreding van de Verordening zijn gemaakt
daarvan uit te sluiten. Weliswaar is in het coalitieakkoord melding gemaakt van de
voorgenomen belastingverhoging, maar daar kon uiteraard met de boekingen onmogelijk
rekening mee worden gehouden.
A&O Hostels doet daarom een dringend beroep op uw Raad om de Verordening in
bovengenoemde zin aan te passen.
In afwachting van uw reactie,
Met vriendelijke groet, 2 es
Zo A
Six Advocaten B.V.
J.C. Ellerman
|
|
|
Raadsadres
| 2
|
val
|
Gemeente Bezoekadres
Plein '40 '45 1
Amste rdam 1064 SW Amsterdam
Nieuw-West Postbus 2003
1000 CA Amsterdam
Telefoon 14020
2x Nieuwwest.amsterdam
‚nl
Vergadering Bestuurscommissie
Datum 25 maart 2015
Decos nummer
Onderwerp OAR
budget 2014
Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Nieuw-West
Gezien de voordracht van de Kascommissie
Besluit
Goedkeuring te verlenen aan de Ouderenadviesraad (OAR) voor de
verantwoording van het toegekende bedrag voor de periode: 01-01-2014 tot en
met 31-12-2014.
de heer H. Wink de heer A. Baâdoud
stadsdeelsecretaris voorzitter
|
Besluit
| 1
|
val
|
> < gemeente Raadsinformatiebrief
msterdam : :
| Afdoening toezegging
Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam
Datum 17 oktober 2023
Portefeuille(s) Ruimtelijke Ordening en Groen
Portefeuillehouder(s): Wethouder Reinier van Dantzig en wethouder Melanie van der Horst
Behandeld door bestuurszaken.rd@amsterdam.nl
Onderwerp Amsterdamse stadsbossen
Geachte leden van de gemeenteraad,
In de Groenvisie en Omgevingsvisie heeft het College een nieuw stadsbos aangekondigd. Om dit
bos te kunnen aanleggen zijn we gestart met een kader, waarmee de Stadsbos-opgave kan
worden uitgewerkt. In de vergadering van 22 februari 2023 heeft de wethouder Ruimtelijke
ordening op een vraag van raadslid Tasliyurt (D66), toegezegd u via een raadsinformatiebrief
nader te informeren over hoe het college aankijkt tegen Stadsbossen.
Voor u ligt deze raadsinformatiebrief waarin we het kader en de vragen behandelen;
1 Definitie Amsterdams stadsbos
2 Kennisnemen van de vervolgstap van definitie naar strategie, hoe het college aankijkt
tegen stadsbossen.
3 De afstemming over bestemmingsplan Cornelis Douwesterrein, ter plaatse van het bedrijf
Winclove. En de aanvullende vraag over meetellen groen op privaat terrein in de
groennormering.
Ad: Definitie Amsterdams stadsbos
De afgelopen jaren is vaak gesproken over (stads)bossen. In de Groenvisie, Omgevingsvisie en
Coalitieakkoord 2022-2026 wordt het toevoegen van stadsbossen aan Amsterdam genoemd.
Stadsbossen kunnen veel bijdragen aan een leefbare, gezonde en toekomstbestendige stad, een
stadsbos verbetert de leefkwaliteit en verbindt natuur aan beleving en duurzaamheid. En een
stadsbos biedt (noodzakelijke) ruimte voor ontspanning bij een toename van het aantal inwoners.
Voor u ligt de definitie van een Amsterdams Stadsbos. Met deze definitie is het mogelijk om een
Amsterdamse bosstrategie op te stellen.
Een Amsterdams stadsbos ligt in of vlakbij stedelijk gebied, heeft een kroondekking (van de
bomen) van minimaal 60% is en is hierdoor een koele plek in Amsterdam. Een stadsbos biedt
ruimte aan mens, dier en plant. Amsterdammers kunnen hier recreëren, tot rust komen en
zingeving ervaren. Daarnaast bieden stadsbossen veel ruimte aan biodiversiteit en ondertussen
legt het CO2 vast. Een stadsbos is een ecosysteem zowel boven als onder de grond. De beplanting
sluit aan op het omliggende landschap, de cultuurhistorie en de planten zijn genetisch autochtoon
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 17 oktober 2023
Pagina 2 van 4
(inheems). Een Amsterdams bos heeft een lange levensduur, waardoor de bovenstaande waarden
optimaal tot ontwikkeling komen.
In onderstaande afbeelding zijn de algemene kenmerken van het Amsterdamse Stadsbos
opgenomen. Daarnaast zijn aan de hand van het schaalniveau, de specifieke kenmerken van het
buurtbos, wijkbos en stadsrandbos weergegeven.
& Buurtbos é Wijkbos Stadsrandbos
… _10x10m=0,01 hatot 0,5 ha. * _0,5tot 30 ha * Min. 30 ha. en min. 400 m breed
* 100% boomkroon bedekking *__60-80% boomkroon bedekking * _ Bestaat voor minstens 60% uit boomkruinen
*_3typologiën, waaruit gekozen kan worden * Bij 5 ha #10.000 bomen, door natuurlijke =_Bij 30 ha *50.000 bomen, na natuurlijke successie
»_1boomper lm? -kleine maat, 2100 successie +2.500 bomen +15.000 grote volwassen bomen
bomen, door successie + 5/20 over * Door grootte is al meer zonering mogelijk, =_Bewat zowel plekken met rust als drukte
* 5-20 grotere bomen en struikgewas zowel in biotopen als in gebruik =_Heeft een eigen karakter met typerende ecologie en
=_ Verschillende vormen, maatwerk — * Recreatieve mogelijkheden; denk aan recreatiemogelijkheden
langgerekt, groter to 0,5 ha eenvoudige paden, hiermee onderscheidt een *_Is een groene schakel die zowel stad als land versterkt
*_ Planten met de buurt, eventueel vormen van stadsbos zich van een bosplantsoen. vormt een schakel in de groenblauwe structuur van de
medebeheer (geen huidig beleid i.v.m. bomen) = Grotere positieve impact op biodiversiteit tov stad en metropoolregio.
*_Aanplant bij voorkeur in open grond, maar bij buurtbos «Lange levensduur van 50 — 100+ jaar om optimaal de
buurtbos is ander type terrein of aanplant niet * Financieel op niveau Groengelden en SHP positieve effecten (CO2, verkoeling, biodiversiteit)
uitgesloten (is wel kostenverhogend) groen door bosontwikkeling te laten plaatsvinden
» Keuze van de plekken ligt bij de SD. *_ Heeft een eigen identiteit, is een innovatieve
…_ Beperkte recreatieve mogelijkheden; denk aan toevoeging aan het bestaande palet van stadsbossen
paadje of bank in Amsterdam, kan het 5* stadsbos worden
* Poëtische, stedelijke vertaling van een bos in de *_ Bedient Amsterdammers uit getransformeerde en
stad — Bos-idylle nieuwe delen van de stad
*_ Markant herkenbaar groen in 3/4 dimensies (ook =_Is voor iedere Amsterdammer goed bereikbaar en
onder de grond) met duidelijke ingang en/ of toegankelijk
omkadering, hiermee onderscheidt zich met *_ Scoort hoog in de waarden recreatie, gezondheid,
bosplantsoen. beleving, biodiversiteit en duurzaamheid (t.o,v. Buurt-
=_ Financieel op niveau Groen in de buurt en en Wijkbos)
Groengelden. *_ Financieel op niveau Centrale stad, PNH en Rijk (EU)
Ee NAN KLEIN NAAR GROOT
Kenmerken van het Amsterdamse Stadsbos en de specifieke kenmerken op verschillende schaalniveaus.
Met de nuancering in de definitie is het mogelijk om (in de toekomst) buurtbossen, wijkbossen en
stadsrandbos(sen) te realiseren. De maat (grootte) van een bos is van belang voor de impact op de
waarden voor de stad. Een buurtbosje heeft minder effect op bijvoorbeeld biodiversiteit dan een
groter stadsrandbos, maar voor de waarde ‘beleving’ of ‘hitte! kan een buurtbos lokaal juist grote
positieve impact hebben. In vervolgonderzoek worden de verschillende stadsrand-, wijk- en
buurtbossen verder uitgewerkt naar een bosstrategie.
Ad2 Vervolgstappen van definitie naar strategie
Om tot nieuwe stadsbossen te komen zijn drie stappen nodig. Om met elkaar over hetzelfde te
praten hanteren we bovenstaande definitie voor een Amsterdams stadsbos. Vervolgens vertalen
we dit in een bosstrategie waarin staat welke stadsbossen waar gewenst zijn en op hoofdlijnen
welke mogelijkheden ervoor zijn. Een stadsbos aanplanten (op elke schaal) is zeer complex in
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 17 oktober 2023
Pagina 3 van 4
Amsterdam, dus na de strategie zal met een uitvoeringsplan bepaald worden wat realistisch en
haalbaar is. Dit zal altijd maatwerk zijn en in overleg met bijvoorbeeld de stadsdelen en
aangrenzende gemeenten. De Amsterdamse bosstrategie is een verfijning van schaalniveau van
de Landelijke bosstrategie en de Bosnotitie Provincie Noord-Holland. In ze kwartaal 2024 komen
we bij u terug met de eerste resultaten van een locatieonderzoek voor een groter stadsbos. Voor
de zomer 2024 komen we bij u terug met de resultaten van de Amsterdamse Bosstrategie.
Voor het vervolgonderzoek zijn financiële middelen beschikbaar.
Ad3 Afstemming bedrijfskavel in bestemmingsplan Cornelis Douwesterrein
In de commissie RO zijn vragen gesteld over een bedrijfskavel in Amsterdam Noord (Winclove),
namelijk of op een deel van het totale eigendom (bestaat uit twee kavels) een Tiny Forest (zeer
klein type bos ontwikkelt door IVN, Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid), aangeplant
mag worden.
e _Na onderzoek op deze specifieke locatie is de uitkomst dat het bestemmingsplan Cornelis
Douwesterrein geen beperkingen bevat. Dit initiatief wordt gezien als groenvoorziening
behorend bij een bedrijf, namelijk het nieuwe laboratorium van Winclove ernaast. Het
bestemmingsplan bevat verder geen beperkingen aan de omvang van de
groenvoorziening, die hier in de weg zou staan. Dit initiatief is ook aan de Integrale
Adviestafel van stadsdeel Noord besproken.
e De vervolgvraag, of dit stadsbreed getrokken kan worden, volgt niet vanzelfsprekend. Bij
andere initiatieven kan het oordeel anders uitpakken. Dit blijft maatwerk, afhankelijk van
het initiatief en het bestemmingsplan. De afweging zal per aanvraag maatwerk blijven.
e De vervolgvraag, wat de mogelijkheden zijn om bosaanplant op privaat terrein mee te
laten tellen in de groennormering moet nog onderzocht worden, wij komen hier bij uv op
terug in de bosstrategie.
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 17 oktober 2023
Pagina 4 van 4
Het college staat positief tegenover groen initiatieven op privaat terrein, om zo samen met de stad
Amsterdam steeds groener te maken.
In de hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
Reinier van Dantzig
Wethouder Woningbouw en Stedelijke Ontwikkeling
(AEN
ED
Melanie van der Horst
Wethouder Groen
|
Brief
| 4
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 160
Datum akkoord college van b&w van 16 februari 2016
Publicatiedatum 19 februari 2016
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid N.T. Bakker van 11 januari 2016 inzake
schimmigheid rondom servicekosten voor winkeliers op het Bos en Lommerplein.
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragensteller:
Op 11 januari 2016 berichtte de Volkskrant over een rechtszaak tussen koffiewinkel-
uitbater Dries Boussatta en vastgoedbeheermaatschappij WPM. Laatstgenoemde
wordt schimmigheid verweten in het doorberekenen van servicekosten naar
winkeliers. Een vaker voorkomend probleem, als we Detailhandel Nederland mogen
geloven. Volgens de brancheorganisatie krijgen kleine winkeliers te vaak hoge en
moeilijk controleerbare servicekosten in rekening gebracht door hun verhuurder. Veel
winkeliers schakelen gezamenlijk een bureau in om hun servicekosten na te rekenen.
Daarbij blijkt vaak dat er vreemde posten in de rekening verborgen zitten.
Gezien het vorenstaande heeft het lid N.T. Bakker, namens de fractie van de SP,
op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam,
de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders
gesteld:
1. Is het college bereid, te bemiddelen tussen de betrokken partijen op het Bos en
Lommerplein om te komen tot een oplossing voor de problemen van
de winkeliers? Graag een toelichting.
Antwoord:
Het is voor een gezond ondernemersklimaat van belang dat huurders van bedrijfs
onroerend goed op een transparante en correcte wijze inzicht hebben in de
totstandkoming van de hoogte van de kosten die bovenop hun huurprijs komen,
zoals de servicekosten. Hiervan is volgens de ondernemer op het Bos en
Lommerplein geen sprake.
Het gaat in dit geval om een privaatrechtelijk conflict tussen een
horecaondernemer en een vastgoedbeheerder, opererend namens de
vastgoedeigenaar. Omdat deze zaak nu onder de rechter is, is een initiatief van
de gemeente niet aan de orde.
1
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R
Neng Î Gemeenteblad
Datum Le bruari 2018 Schriftelijke vragen, maandag 11 januari 2016
2. Is het college bereid, een inventarisatie te maken onder haar lokale winkeliers
om te kijken hoeverre en, zo ja, in welke omvang het probleem van schimmigheid
rondom servicekosten ook in Amsterdam speelt? Graag een toelichting.
Antwoord:
Onderzoek naar privaatrechtelijke overeenkomsten in de horeca en de
detailhandel met als doel meer inzicht te verkrijgen in de totstandkoming van
zakelijke overeenkomsten van ondernemers is nodig als er een lokaal publiek
belang in het geding is. Dit is naar de mening van het college niet het geval.
3. Is het college bereid, de mogelijkheden te onderzoeken — lokaal en landelijk —
hoe kan worden afgedwongen dat door derden gefactureerde servicekosten
specifieker worden toegelicht, zowel voor winkeliers als voor particulieren?
Zo ja, welke mogelijkheden ziet het college hiervoor? Zo nee, waarom niet?
Graag een toelichting.
Antwoord:
Als blijkt dat er in Nederland structurele problemen zijn met de servicekosten die
aan winkeliers en horecaondernemers door de verhuurders van bedrijf onroerend
goed in rekening worden gebracht en wanneer die niet via de geëigende kanalen
tot een oplossing kunnen worden gebracht, ligt er een taak voor het ministerie van
Economische Zaken. Wanneer de gemeente merkt dat dit probleem vaker speelt,
zal het Paarse Krokodilteam een analyse doen en op zoek gaan naar een
oplossing. De gemeente Amsterdam kan dit bijvoorbeeld aankaarten bij
het ministerie.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
2
|
Schriftelijke Vraag
| 2
|
train
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Raadsnotulen
Jaar 2020
Afdeling 2
Vergaderdatum 11 juni 2020
Publicatiedatum 26 juni 2020
Avondzitting op donderdag 11 juni 2020
Voorzitter: het raadslid de heer Torn
Raadsgriffier: mevrouw Houtman
Verslaglegging: mevrouw Smakman (Notuleerservice Nederland)
De VOORZITTER heropent de vergadering om 19.32 uur.
De VOORZITTER: Leden van de gemeenteraad, goedenavond allemaal. Als
iedereen zou willen gaan zitten, dan gaan we weer verder. Heropen ik de vergadering.
Meneer Vroege, meneer Mbarki, fijn dat u er allemaal weer bent.
19.
Beschikbaar stellen van een extra (rendabel) krediet van 6,3 miljoen euro voor de
installatie van reclamedisplays in metrostations. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 646)
Dit punt is gehamerd.
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de
raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 646 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
20.
Kennisnemen van het raadsadres met het verzoek tot detaillering van berekening
canon bij overstap William Barlowlaan. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 651)
Het kennisnemen van het raadsadres met het verzoek tot detaillering van
berekening canon bij overstap William Barlowlaan. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 651) wordt
uitgesteld tot de volgende raadsvergadering.
21.
Kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 658)
De VOORZITTER: Wij gaan in principe naar agendapunt 21. Dat betreft het
kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. Ik kijk eventjes… De
spreektijden zijn bekend. Er zijn al een aantal fracties door hun spreektijd heen. Ik kijk
even of er al sprekers waren aangemeld. Anders doen we gewoon even kijken wie er…
Dat staat in de partituur, die gebruik ik eigenlijk nooit. Maar in deze coronatijden moet dat
natuurlijk wel. Ik begrijp dat het stuk gepiept is door mevrouw Nanninga, alleen zij heeft
geen spreektijd meer. Maar heeft ook geen behoefte meer om het verder te behandelen,
zie ik. Maar wie wel het woord hebben gevraagd zijn: mevrouw la Rose, mevrouw Simons,
1
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
de heer Blom, de heer Vroege en mevrouw Bakker. Dan zou ik eerst het woord willen
geven aan mevrouw la Rose. Mevrouw la Rose, ga uw gang. U heeft het woord.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw la Rose.
Mevrouw LA ROSE: Ja, ik kan beginnen? Nee, dat is prima. Goed. Voorzitter, ons
leven wordt beheerst door twee virussen. Door COVID-19 en door institutioneel racisme.
Beide kunnen dodelijk zijn. Alleen helaas het ene virus waart vrijwel vanuit het niets rond
nu slachtoffers makend zonder aanziens des persoons. Van het tweede virus weten we al
tijden dat het als kwade onderstroom rondwaart en staan we toe dat het haar slachtoffers
zorgvuldig uitzoekt en zich daarbij richtend op uiterlijkheden van ras en afkomst.
Voorzitter, voor bestrijding van het ene virus wordt nu wereldwijd met man en macht
gewerkt aan een vaccin. Dat andere virus leek tot voor kort bijna niet uit te roeien en kon
schijnbaar ongehinderd voortwoekeren, hoezeer velen van ons ook onze afschuw
daarover uitspraken.
Maar voorzitter, er blijft gelukkig altijd hoop, want we bevinden ons nu ten aanzien
van dat tweede virus in ongekende tijden, die internationaal worden gekenschetst als
mogelijk een big turning point in history. Ook hier in Nederland voelen zeer velen dat,
volgens mij, ook zo. Dat momentum, voorzitter, die mogelijkheid tot uitroeiing van dat
tweede virus, moeten we benutten met alles wat ons ten dienste staat. Deze
voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit van het college biedt daar ruimte toe. Voorzitter,
ik wil de wethouder dan ook complimenteren met wat er nu ligt. Maar, voorzitter, met
daarbij de nuance dat de ontwikkelingen van de afgelopen weken het harde en goede
werk aan dit beleid misschien wel heeft ingehaald.
Dus, voorzitter, tegen het licht van de recente internationale en nationale
ontwikkelingen zou ik van het college en de wethouder willen weten of de gemeente haar
strategie en inspanningen op dit thema wil heroverwegen en herijken. Ziet de wethouder
reden tot aanpassing en nog verdere aanscherping van het huidige beleid, zoals dat in de
vandaag te bespreken nota wordt voorgesteld? Wordt een aangescherpte versie van deze
nota dan de start van een nieuw tijdperk, ook voor onze stad Amsterdam?
Voorzitter, een groot deel van de samenleving heeft zich openlijk gekeerd tegen
racisme en discriminatie en tegen uitsluiting. En verwacht concrete actie van haar
overheid. Mijn vraag aan de wethouder is of hij bereid is om nog meer verwachtingen uit
onze samenleving op dit thema te omarmen en in concrete maatregelen te gieten? Meer
praten, meer luisteren en vooral meer doen, lijken ons de opdrachten die vanuit de
samenleving opklinken. Voorzitter, is de wethouder het met ons eens dat de stemming
maatschappelijk zo is omgeslagen dat de urgentie voor verandering voor diversiteit,
inclusie en tegen discriminatie zo hoog is dat zelfs het papier niet meer geduldig kan zijn?
Tot slot, voorzitter, ik zie in de omvangrijke omslag in het onderwerp van
racismeaanpak een impliciete opdracht voor de overheid om ingrijpend richting en vorm te
geven aan het bestrijden hiervan. Mijn vraag aan de wethouder is of hij op korte termijn
een inventarisatie kan maken van concrete maatregelen, welke aan het bestaande
instrumentarium dienen te worden toegevoegd om het voortwoekeren van het tweede
virus een definitief halt toe te roepen?
De VOORZITTER: Dank u wel, mevrouw la Rose voor uw bijdrage in de eerste
termijn. Ik zou graag het woord willen geven aan de volgende spreker. Dat is mevrouw
Simons van de fractie van BIJ1, die nog 4 minuten en 20 seconden spreektijd heeft. Ga
uw gang.
2
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Simons.
Mevrouw SIMONS: Ik wil graag beginnen met een dank je wel aan de spreker
voor mij, mevrouw la Rose, voor deze prachtige bijdrage. Ik kan die van harte
ondersteunen.
Protesten tegen anti-zwart racisme, institutioneel racisme en politiegeweld in de
Verenigde Staten, over de hele wereld en ook hier in Amsterdam en door heel Nederland
benadrukken de noodzaak om racisme en andere vormen van onderdrukking te
erkennen, bespreekbaar te maken en te bestrijden. Dat doet dit college goed. En dat doet
dit college een stuk beter dan het kabinet. Dat mag absoluut gezegd worden. Net als
mevrouw la Rose denk ik echter dat we er nog lang niet zijn. Want ik ben benieuwd, hoe
gaat het bijvoorbeeld met het inclusiever en diverser maken van de eigen gemeentelijke
organisatie en deelnemingen? Wat zijn de resultaten tot nu toe? En hoe staat het ervoor
met die antidiscriminatiecampagne? Er is geen Adviesraad diversiteit en integratie meer.
En de adviesfunctie wordt tegenwoordig op een dynamische manier vormgegeven. Het
college neemt hierin belangrijke stappen als het gaat om het overleggen met
gemeenschappen. Ik ben benieuwd wat hiervan de uitkomsten zijn. Ik hoor graag een
toelichting van de wethouder.
Want ik maak me ook een beetje zorgen. Waarom is er geen centraal
adviesorgaan meer dat ongevraagd advies kan geven waarvan de raad kan controleren of
die adviezen ook daadwerkelijk worden opgevolgd? Naar aanleiding van de discussie die
wereldwijd is losgebarsten, wil ik het college vragen wat hun positie is als het gaat om
verwijzingen naar of het verheerlijken van kolonialisme en koloniaal geweld in de
openbare ruimte. Vandaag nog ontving ik een bericht van het initiatief, het voornemen tot
een VOC-speeltuin in de Czaar Peterbuurt. En van een bekende, heel oude
supermarktketen kreeg ik een bericht dat ze zich willen gaan profileren volgens een VOC-
mentaliteit. Is daar plek voor in onze stad”?
In de brief van 25 mei aan de raad lijkt het namelijk dat er nog steeds moeite is
om het woordje ‘omstreden’ te definiëren. Bij deze wil ik het college vragen of ze het met
me eens is dat alle straatnamen die na het verdrag van Sumatra in 1871 en ten tijde van
de Atjeh-oorlog van 1873 tot 1914 en na de koloniale geschiedenis van Nederland
verwijzen, daar ook onder vallen? Dit geldt ook voor verwijzingen in de publieke ruimte
naar aan Nederland verbonden racistische Boerenrepublieken Transvaal en Oranje
Vrijstaat in diezelfde periode. BIJ1 verzoekt het college om een inventarisatie te maken
van niet alleen straatnamen, zoals de H — ik weet dat daar ook het proces al voor in gang
is in samenwerking met studenten — maar dus ook beelden, monumenten, andere
objecten in de openbare ruimte. Namen van bruggen, tunnels, overheidsgebouwen. Er is
een hele lijst, denkt BIJ1. We zien die lijst graag geconcretiseerd. We hopen natuurlijk op
een toezegging van de wethouder, want dan kunnen we in de commissie namelijk het
debat aangaan over de verheerlijking van kolonialisme en koloniaal geweld in de
openbare ruimte.
Afsluitend, voorzitter, wil ik aandacht vragen voor twee punten. Ten eerste wil ik
graag benoemen dat het goed is dat het college specifieke vormen van racisme, zoals
moslimdiscriminatie, antisemitisme en anti-zwart racisme, benoemt. Het zou fijn zijn als er
ook anti-Aziatisch racisme — een vorm van racisme hoofdzakelijk maar niet enkel gericht
tegen mensen met Oost-Aziatische roots — ook specifiek wordt benoemd en meegenomen
in de beleidsontwikkeling en uitvoering. Ten tweede, en tot slot, wil ik het college vragen,
de wethouder hier aanwezig, of hij een toezegging kan doen dat hij zich zal inspannen om
3
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
op termijn ruimte te maken binnen het Programma gedeelde stad, ruimte voor de
Nederlandse slavernijgeschiedenis in de Indische Oceanische regio. We hebben wat op
onze kerfstok als Nederland.
(Mevrouw VAN SOEST: Mevrouw Simons, neemt u ook
ouderendiscriminatie mee?)
Ik heb mevrouw Van Soest in deze zaal al heel vaak laten weten dat wij zorgen
delen als het gaat om ouderen, als het gaat om daklozen, als het gaat om mantelzorgers.
BIJ1 strijdt voor een gelijkwaardige samenleving en sluit daarbij niemand uit. Zeker
ouderen niet.
(De heer VROEGE: Een vraag ter verduidelijking aan collega Simons. Het
inventariseren van alle objecten in de openbare ruimte, beelden, bruggen
en anders, dat is toch hoop ik bedoeld om eventueel meer informatie aan
die namen te koppelen en niet om ze bijvoorbeeld ook weg te halen?)
BIJ1 heeft er bewust voor gekozen om om een inventarisatie te vragen, omdat we
denken dat het tijd is om het debat rondom dit zeer precaire onderwerp naar een hoger
niveau te tillen. Al eerder hebben we een motie ingediend, die vroeg om uitleg, context, bij
straatnaamborden. Wat ik net al zei, dat gebeurt gelukkig ook. Er is een project — hoe
moet ik dat zeggen? Ik noem het maar even een project — voor opgestart in
samenwerking met studenten. Dat geeft al aan — zeg ik via de voorzitter tegen de heer
Vroege — dat we inderdaad openstaan voor dergelijke initiatieven. Dat sluit echter niet uit
dat we wellicht, terwijl we met zijn allen deze discussie voeren, tot de conclusie komen dat
er ook objecten, monumenten, bruggen, straatnamen en dergelijke, zijn waarvan we in de
collectiviteit met elkaar kunnen concluderen dat ze heden ten dage niet meer passen in
een stad die zich heel graag profileert als respect hebbend voor de diversiteit.
De VOORZITTER: Dank u wel. Daarmee is ook uw spreektijd inmiddels in het
rood gekomen, 28 seconden. Ik zou graag het woord willen geven aan de volgende
spreker. Dat is de heer Blom van de fractie van GroenLinks, die nog ongeveer 3,5 minuut
spreektijd heeft. Ga uw gang.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Blom.
De heer BLOM: Voorzitter, in het kader van deze brief en uiteraard de huidige
mondiale en nationale ontwikkeling wil ik even benoemen dat GroenLinks ontzettend
solidair is met de huidige Black Lives Matter-beweging, die zich nu echt serieus
ontwikkeld heeft tot een mondiale beweging. Uiteraard is deze beweging al een aantal
jaren aan de gang, maar we zien echt dat we nu een kantelmoment bereikt hebben, wat
volop ondersteund moet worden, wat ons betreft. Deze beweging is een voortzetting van
de sociale strijd die sinds de afschaffing van de slavernij wordt gevoerd. En daarvoor
natuurlijk door de Afro-Atlantische diaspora. Op dit moment heeft deze beweging
inderdaad een internationaal bereik wat ongekend en een voortdurend revolutionaire
beweging is en solidariteit en Afro-Atlantisch broederschap uitstraalt. Hun strijd is onze
strijd. Namelijk de strijd tegen de vijandig politieke en extreemrechtse toon over de
multiculturele samenleving. De strijd tegen toenemende ongelijkheid, nu nog meer
versterkt door de coronacrisis. Mensen van kleur worden structureel, categorisch vaker
getroffen door ongelijkheid in alle leefdomeinen. De strijd tegen institutioneel racisme,
bijvoorbeeld in het onderwijs, de politie, de brandweer en onder andere instituten zoals de
Belastingdienst. Ik moet eerlijk zeggen dat de huidige ontwikkeling laat zien dat wij niet
per se — als het gaat over onze visie — ingehaald zijn door de actualiteit. Eigenlijk moet ik
4
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
zeggen dat ik deels bevestigd ben dat wij in Amsterdam best wel op de goede weg waren.
Heel veel zaken die nu steeds meer mainstream- Ja, ik hoor het wel van-
De VOORZITTER: Ik weet niet wat er gebeurt, maar u heeft een onderonsje. Oké,
gaat u vooral verder.
De heer BLOM: Ja. Heel veel zaken die nu steeds meer mainstream zijn, steeds
meer genormaliseerd worden als het gaat om deze aandacht voor institutioneel racisme,
die aandacht staat al benoemd in de brief. Dat is gewoon een ontzettend goede zaak.
Maar dat betekent niet dat we ons niet bewust moeten zijn.… Daarom vind ik de vraag van
mijn collega ook heel goed: op welke manier kunnen wij onze visie nog extra
verscherpen?
Tenslotte, voorzitter, ik denk dat de richting die in de brief wordt aangegeven, het
aangaan van schurende gesprekken, een goede zaak is, dat is volgens mij de
volwassenheid als samenleving waar we naartoe willen gaan. Ik ben er trots op dat wij als
coalitie ons inzetten om groepen en werk in de stad te verbinden en te versterken. En
vooral ook omdat al die groepen in de stad het volste recht hebben eigenaarschap te
claimen in onze stad. Dank u wel, voorzitter.
De VOORZITTER: Ik denk dat inderdaad uw fractiegenoot u dankbaar is, want u
heeft nog 28 seconden over, om precies te zijn.
Ik zie dat de heer Vroege afziet van een bijdrage in de eerste termijn. Dan zou ik
tot slot nog het woord willen geven aan mevrouw Bakker van Partij voor de Dieren.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker.
Mevrouw A.L. BAKKER: Ook dank voor de voortgangsbrief over de aanpak. Ik wil
complimenten overbrengen aan de vorige sprekers, die zulke mooie woorden hebben
uitgesproken in hun bijdrage zojuist.
Discriminatie en uitsluiting is een complex probleem. Ik zie dat ook terug in de
gelaagdheid van het beleid. Soms nog ongrijpbaar, omdat het in de brief gaat om steun
aan initiatieven die we nog niet kennen en aan het opzetten van dialoog. Maar het
benoemen van problemen en het faciliteren van gesprekken is een essentieel onderdeel
van bewustwording wat nu nodig is voor verandering. De Partij voor de Dieren vindt het
van het grootste belang dat iedereen zich vrij voelt zichzelf te zijn, gelijkwaardig
behandeld wordt en alle ruimte heeft zich te ontplooien. De inschatting is dat lang niet alle
situaties van discriminatie en uitsluiting worden gemeld en dus niet in beeld komen. Dat is
een triest gegeven. Terwijl het bekende al erg genoeg is, zou het dan slechts het topje
van de ijsberg zijn.
Ik wil nog een keer stilstaan bij het feit dat recent meermaals in Oost een stel
mannen werd uitgescholden en zelfs iemand slachtoffer werd van geweld, omdat ze hand
in hand liepen en de daders dat simpelweg niet aanstond. Zij hebben dit publiek gemaakt,
waardoor het nu breed zichtbaar is. Zelf loop ik ook graag af en toe hand in hand met mijn
vriendin, maar ik vraag me geregeld af of dat nou wel zo verstandig is. Dat is in meerdere
opzichten een zorgwekkend gevoel. In een aantal straten in Oost hebben bewoners uit
solidariteit de regenboogvlag uitgehangen. Dat vind ik een hartverwarmende reactie. Maar
het lost het probleem uiteindelijk niet op. Welke beleidslijnen zullen er volgens de
wethouder wel degelijk toe leiden dat dit geweld eindelijk stopt?
5
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
Dan de overweldigende opkomst bij de antiracismedemonstraties die laat zien
hoezeer dit leeft en hoezeer mensen het zat zijn en zich uitspreken. Het racistische,
structurele politiegeweld in Amerika, dat is ronduit afgrijselijk en schokkend. Maar racisme
is op zichzelf al verwerpelijk. En ook nog steeds aan de orde van de dag in Nederland.
Dat moeten we hier in Amsterdam ook aanpakken. Gisteren waren wederom duizenden
op de been in het Nelson Mandelapark. De burgemeester zei 's avonds dat dit moment
moet worden aangegrepen om racisme zo breed mogelijk te bekijken. Dus ik vraag me af
of de wethouder hierop in kan gaan. Ziet hij mogelijkheden om in zijn beleid de nadruk te
leggen op het tegengaan van racisme? Ziet hij mogelijkheden voor eventuele
verschuivingen of om bepaalde actiepunten te gaan versnellen?
Voorzitter, ik wil de wethouder, maar bovenal alle betrokken organisaties en
initiatieven die invulling geven aan het beleid, bedanken en aanmoedigen vooral door te
gaan. Voorzitter, tot zover mijn bijdrage.
De VOORZITTER: Dan zijn we, volgens mij, aan het einde gekomen van de
eerste termijn van de zijde van de raad. Dan zou ik graag wethouder Groot Wassink het
woord willen geven om te reageren in de eerste termijn.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Groot Wassink.
Wethouder GROOT WASSINK: Voorzitter, er zijn mij een aantal specifieke
vragen gesteld en ook wat meer generieke bespiegelingen gehouden over hetgeen we
ook de afgelopen periode niet alleen in Amsterdam, maar ook breder in ons land en de
wereld, hebben gezien. Ik denk dat ook wij, als college, eigenlijk diep onder de indruk en
ook wel geëmotioneerd zijn door de kracht van hetgeen we hebben gezien. Als je kijkt
naar de demonstratie gisteren, als je kijkt ook naar andere momenten, dan is dat heel
bijzonder. En dan is het bijzonder in een heleboel opzichten. Het is altijd heel bijzonder
om eigenlijk niet zozeer de geboorte, maar zeker de versnelling in een
emancipatiebeweging te zien. En naast die versnelling ook, wat mij betreft, heel duidelijk
een verbreding, omdat als je kijkt wie er, zie je heel nadrukkelijk dat het een veel grotere
groep mensen is dan je misschien bij sommige andere antidiscriminatiedemonstraties,
waar ik in het verleden maar al te vaak aan heb deelgenomen, ziet. En dat is goed. En dat
is mooi. Dat betekent dat ook de weerzin en de afkeer van racisme en discriminatie zich
verbreedt in de samenleving. Dat betekent dat meer mensen in dit land bereid zijn om
zich te verbinden in een actieve bijdrage aan het uitspreken van die weerzin. En zich
uitspreken tegen uitsluiting en discriminatie. Dat is winst. Dat is iets positiefs. Dat is iets
wat wij moeten koesteren. Het Parool had het gisteren over een historisch moment en ik
denk dat dat waar is. Ik denk dat wij dat dus ook in die zin zo moeten zien. Tegelijkertijd
zou ik wel- Want mevrouw la Rose — die ik overigens complimenteer met haar bijdrage —
had het heel nadrukkelijk over racisme als een van de virussen. Ik zou er toch aan
hechten om dat breder te zien. Racisme is een verschrikkelijke uitingsvorm van een
breder probleem. Een breder probleem dat mensen om wie ze zijn niet worden
geaccepteerd. Dat mensen om wie ze zijn rechten worden ontzegd, onderdrukt, niet
krijgen waar ze net als ieder recht op hebben. Volgens mij, verschillen we niet van
mening. En, volgens mij, hebben velen mij in de raad gevraagd in hoeverre de
ontwikkelingen van de afgelopen tijd ons, als college, nou ook aansporen om te
versnellen, om andere accenten te leggen en om meer te doen. U heeft gisteren een
motie aangenomen die daar al een heel concreet voorstel voor deed. U weet ook dat ik
daar gisteravond nog met de burgemeester over gesproken heb. Dat wij nu daar de
6
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
eerste afspraken over hebben staan. Dat ik er geld voor vrijgemaakt heb. En dat dat dus
iets is wat we voortvarend ter hand zullen nemen. Weet ook dat ik eigenlijk hiervoor al de
opdracht heb gegeven om de antidiscriminatiecampagne, een grote campagne, die we
eigenlijk vanwege corona hadden uitgesteld tot september, versneld in wil zetten. En weet
ook — u heeft eerder, ik meen, een week of twee geleden — dat de burgemeester en ik
hebben toegezegd dat we over een paar onderwerpen — bijvoorbeeld als het gaat over
geweld tegen LHBTIQ+-mensen dat onderzoek te doen. We zien dat op eigenlijk tal van
verschillende terreinen als het gaat over het geweld tegen de LHBTIQ+-communities, als
het gaat over antizwartgeweld, dat hoewel we — natuurlijk, dat vind je altijd van jezelf —
vonden dat we daar een aardig programma voor hadden, dat we natuurlijk ook zien dat er
meer nodig is. Ik heb afgelopen maandag een heel goed gesprek gehad ook met de
LHBTIQ+-communities en de driehoek. Ik denk dat het bij de burgemeester ligt om u
daarover te informeren, maar dat was een goed gesprek. Ik denk dat wij door ook onze
contacten met de organisatoren van de demonstraties en ook bijvoorbeeld het
actieonderzoek antizwartracisme, wat we al eerder hadden uitgezet, om te kijken waar we
die versnelling kunnen aanbrengen, om te kijken waar we herprioritering kunnen
aanbrengen, dat we meer dan bereid zijn dat te doen. Dus laat me, afgezien van de hele
concrete zaken die ik u nu al heb toegezegd, wil ik ook met u kijken hoe ik daar vrij snel
nog bij u op terug kan komen om aan te geven wat we daarin nog meer kunnen
versnellen en in kunnen herijken.
Kijk, mevrouw la Rose, u zei ook, misschien moeten we hier heel erg op focussen.
Ik ben het heel erg met u eens. Maar tegelijkertijd mag dat niet leiden tot in zekere zin een
concurrentieslag die ten koste gaat van andere groepen. We moeten die volle breedte
behouden in het volle besef dat hier nu een nieuwe ontwikkeling gaande is van een
weergaloze omvang en een intimiderende schoonheid, waar we nu juist de verbinding
mee moeten leggen. Dat ben ik volstrekt met u eens. Maar die aanscherping is wenselijk.
U zei ‘praten, luisteren, doen’, dat is precies wat wij ook van plan zijn. We zullen praten. U
heeft daar gisteren zelf een initiatief voor genomen. We zullen luisteren, in gesprek met
verschillende gemeenschappen. En we zullen doen, bijvoorbeeld door die campagnes te
versnellen. En als daar nog additionele dingen in nodig zijn, staan we daarvoor open. Het
papier zal altijd geduldig zijn. Maar ook ik zoek naar concrete maatregelen. En ook ik zal
heel nadrukkelijk met ook bijvoorbeeld de bewindspersonen, die hier ook voor
verantwoordelijkheid voor dragen, aandringen op concretere maatregelen. Dat heb ik
eerder gedaan, maar zal ik ook blijven doen, omdat ik ook zie dat ook in Den Haag het
momentum wel iets verandert. Waar eerder soms nog het idee bestond dat dit een
grootstedelijke problematiek was, is het, denk ik, onvermijdelijk dat dit geen
grootstedelijke problematiek is. Dit is een nationale kwestie. Dit is iets wat iedereen in dit
land aangaat. Voor zover het niet iedereen in de wereld aangaat.
Dan mevrouw Simons. U vroeg naar de eigen organisatie. Ik heb afgelopen
weken met collega Meliani overleg gehad over de bestuursopdracht. Ik denk dat die echt
elk moment naar u toe kan komen. Dus daar zou ik even naar moeten kijken.
Over de campagne heb ik al iets gezegd.
Het adviesorgaan. Ja, ik was echt niet tevreden over het adviesorgaan dat we
hadden. Ik denk echt dat het een juiste beslissing was om die ook te ontbinden. Ik denk
dat we nu, door ook het structurele overleg met gemeenschappen, daar een veel betere
invulling voor gevonden hebben. U vroeg me naar verslagen van die gesprekken. Ik weet
niet precies of daar nou altijd verslagen van gemaakt zijn. Ik wil best kijken of daar eens
een keer een overzicht van is. Maar dat is dan wel iets wat ik ook met deelnemers wil
bespreken, omdat het natuurlijk in de beslotenheid zit waar mensen ook de vrijheid
7
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
moeten hebben om te bespreken wat ze op hun lever hebben. Dat wil ik dus gewoon even
onderzoeken.
Ik deel de verwarring- Of dat nou verwarring is- Dat is niet het goede woord. Ik
deel toch wel even de ‘hoezo, een VOC-speeltuin, wat is dat voor iets geks®”. Ik begrijp
dat dat ook niet de naam is die wordt gehanteerd. Voor zover ik dat nu heb kunnen
achterhalen is dat niet de naam die gangbaar is of ook officieel gegeven is aan de
speeltuin die ontwikkeld is, die al in een veel eerdere fase — ik meen toch echt al een
aantal jaren geleden — waartoe is besloten. Maar bij mijn weten is er dus nu geen sprake
van dat we bordjes op gaan hangen met VOC-speeltuin.
Dan over kolonialisme. Daar lopen we dan misschien toch wel wat uit elkaar. Ik
vind het terecht dat u ook zegt, breng het nou in kaart. Ik wil best op het moment dat we
ten aanzien van straatnamen dingen in kaart hebben gebracht nog eens kijken of dat ook
over bruggen, beelden en anderszins is. Maar ik blijf er wel bij dat wij niet kunnen bepalen
wat precies omstreden is, omdat ik echt vind dat je daar als politiek weg van moet blijven.
En daarnaast weeg ik dat ook anders. Kijk, we kunnen er kort en lang over praten, maar
J.P. Coen is een massamoordenaar, die de meest verschrikkelijke dingen op zijn geweten
heeft. Daar is geen misverstand over. Maar de vraag is of het verwijderen van
bijvoorbeeld een beeld of een naam helpt. Ik heb misschien wel liever dat wij ons bewust
zijn en kennis opdoen van de volledige wetenschap van hetgeen in het verleden is
voorgevallen. Misschien is het omdat ik historicus ben, maar ik denk dat kennis helpt tot
beter begrip. En ik denk dat het weghalen in zekere zin dus ook het weghalen van kennis
is. Dus we moeten daar, denk ik, op een ander moment eens wat langer over
discussiëren. Maar ik ben daar zelf zeer terughoudend in, omdat ik dat echt ingewikkeld
vind. En ja, ik vind bijvoorbeeld als een school besluit een naam te veranderen, prima, dat
moet een school vooral doen. Maar, nou ja, ik zou er zelf terughoudend in zijn, omdat ik in
die zin het delen van geschiedenis en het opdoen van kennis en daar een oordeel over
vellen als individu misschien waardevoller vind dan het verwijderen van elementen uit
onze geschiedenis, omdat ik er ten diepste van overtuigd ben dat wij ook de meest zwarte
bladzijden uit onze geschiedenis ten volle ons moeten realiseren.
(Mevrouw A.L. BAKKER: Over het niet willen verwijderen van alles wat
een link heeft met een koloniaal verleden zei de wethouder dat hij een
historicus is en uit dat oogpunt er belang aan hecht dat het blijft. Maar
vindt hij niet dat het dan ook tot zijn recht kan komen in een museum waar
het in de context geplaatst wordt?
O, nee, maar dat kan zeker. Maar ik denk dat we terughoudend moeten zijn en
voorzichtig moeten zijn met daar nu ferme uitspraken over doen. Omdat ik denk dat het
ook echt een veel groter maatschappelijk debat nodig heeft. Ik zou gewoon daar niet te
makkelijk stelling in willen nemen, omdat daar, wat mij betreft, allerlei vraagstukken achter
zitten, bijvoorbeeld als die kennisverspreiding. Dus in die zin verdient dat, wat mij betreft,
een veel zorgvuldigere bespreking dan dat we aan de hand van deze brief zouden kunnen
doen. Maar dat neemt niet weg dat ik het een heel goede zaak zou vinden dat de meest
zwarte bladzijden uit onze geschiedenis — of dat nou ons koloniaal verleden is of de rol
van bepaalde overheidsinstanties in de Tweede Wereldoorlog — dat we ons dat allen, als
burgers, ten volle bewust zijn. U vroeg ook, mevrouw Simons, naar de-
(De heer TAIMOUNTI: Ik wil de wethouder bedanken voor de
beantwoording. Toch even over dat onderwerp met betrekking tot het wel
of niet weghalen. Kunt u zich voorstellen dat als we de standbeelden of
welke monumenten er dan ook zijn, die leed vertegenwoordigen, laten
staan, het ons dan juist herinnert aan het leed? En dat het ons daardoor
8
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
verdeelt in plaats van verbindt? Ziet u het ook niet als een optie dat als je
die juist weghaalt, we meer naar verbinding gaan?)
O, maar voorzitter, laat er geen misverstand over bestaan. Ik kan me daar van
alles bij voorstellen, dat beelden leed veroorzaken. Ik kwam er tot mijn eigen ontluistering
eerder deze week achter dat er nog steeds een verwijzing naar de Mijksenaarzaal in dit
gebouw aanwezig is. Dat vond ik ingewikkeld. Dus ik kan me daar van alles bij
voorstellen. Maar dat neemt niet weg dat ik vind dat dit kwesties zijn die je buitengewoon
zorgvuldig met elkaar moet wisselen. En dat ik niet in deze vergadering daar een positie
over inneem, omdat ik echt denk dat het niet iets is wat je alleen in de raad moet
bespreken, maar een veel breder maatschappelijk gesprek moet laten zijn. Ik heb wel de
positie — maar dat is een persoonlijke positie — dat ik het al heel wat zou vinden als we
heel veel informatie over onze geschiedenis, als we er 100% in zouden slagen om onze
kinderen de feiten te laten weten. Dat zou ik misschien nog wel belangrijker vinden.
Mevrouw Simons vroeg naar het anti-Aziatische racisme. Dat hebben we
onderdeel gemaakt van onze campagne die dus binnenkort start. Ik heb ook op heel korte
termijn een gesprek met de verschillende gemeenschappen, omdat we ons er terdege
van bewust zijn dat dat een zeer actueel en afgrijselijk verschijnsel is.
U vroeg ook naar slavernij in Indisch-Oceanische regio. Heel nadrukkelijk is dat
ook een element wat in de opdracht voor het onderzoek ten behoeve van mogelijke
excuses is meegenomen. Dus daar hebben we absoluut oog voor. Ik zal er ook zeker nog
naar kijken.
De heer Blom vroeg naar de visie verscherpen. Heel graag. Hij had het over
schurende gesprekken. Heel graag. Ik denk dat schurende gesprekken — dus ook
onbehagen en dus ook het niet met elkaar eens zijn en dus ook je misschien wel af en toe
ergeren — helpen, omdat ik denk dat uiteindelijk dat bijdraagt aan wederzijds begrip. Dat
kan in een prettige Kumbaya-achtige sfeer. Maar soms is daar iets anders voor nodig.
Soms is daarvoor nodig dat je je door bijvoorbeeld een harde opstelling van de een
realiseert wat je eigen positie is. Dus schurende gesprekken zijn essentieel, wat mij
betreft. Dat onderschrijf ik zeer.
Mevrouw Bakker, u had het over meldingen. Ik ben het helemaal eens. U had het
ook over die nare zaak in Oost, waar we natuurlijk ook eerder met elkaar over van
gedachten hebben gewisseld. Inderdaad, Alle Kleuren Oost is daar ook zeer actief in
geweest. Dat is heel goed. Maar dit laat maar zien, want dit is één kwestie. We hebben
meerdere kwesties gezien. Dat alertheid en het in volle breedte bereid zijn te vechten
tegen uitsluiting, tegen discriminatie in elke vorm dan ook, een kwestie is van lange adem,
van permanente aandacht en concrete actie. Dank u wel.
De VOORZITTER: Dank u wel, meneer de wethouder. Ik kijk nog even of er
behoefte is aan een tweede termijn. Dat is het geval bij mevrouw la Rose van Partij van
de Arbeid. Ga uw gang.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw la Rose.
Mevrouw LA ROSE: Heel kort. Ik dank de wethouder voor de toezeggingen, ook
voor versnelling van bepaalde acties, want dat is nodig. En ik wil nog even benadrukken —
maar dat heeft u ook al gehoord — ik heb het dus gehad over een samenleving die zich
openlijk keert tegen racisme, discriminatie en uitsluiting. En het is belangrijk dat wij, als
overheid, vanuit de gemeente concrete acties hierop ondernemen. En dat dat ook
zichtbaar is voor die samenleving, want daar gaat het om. Dank u wel.
9
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER: Een reactie van de wethouder? Dank u wel, dan zijn we aan
het einde gekomen van de tweede termijn.
De discussie wordt gesloten.
De VOORZITTER: Dan gaan we in principe door naar het volgende agendapunt.
En dan wens ik de wethouder succes met het uitzetten van zijn telefoon. Dat is gelukt.
Heel goed. Een moment, hoor. We gaan zo door naar het volgende agendapunt. Dat
wordt agendapunt 22. Maar we gaan even kort rouleren. Dus ik schors de vergadering
voor twee minuten.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER: Ik heropen in principe de vergadering, maar ik begreep dat de
heer Blom heel kort het woord wilde.
De heer BLOM: Ik was vergeten de schorsing aan te vragen. Tien minuten, heel
even in conclaaf.
De VOORZITTER: Tien minuten?
De heer BLOM: Tien minuten.
De VOORZITTER: Dus dan schorsen we tot 20.20 uur. De vergadering is
geschorst tot 20.20 uur.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER: Leden van de gemeenteraad. Ik heropen de vergadering. De
heer Blom had net een schorsing gevraagd, maar die is er nu niet? Of wel. Nee. Maar we
kunnen gewoon verder? Ik kijk even naar GroenLinks. Oké, top. Dan zijn we in principe bij
agendapunt 22. Ik zit nog even met twee huishoudelijke mededelingen. Dat betreft
allereerst agendapunt 33, het instemmen met het niet indienen van een zienswijze ten
aanzien van het voorstel resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 van de
Omgevingsdienst Noordzee Kanaalgebied. Daar was alleen Partij voor de Dieren die het
woord had gevraagd, maar u ziet, volgens mij, af van uw bijdrage. Dus dan kunnen we er
zo van uitgaan — dan gaan we er nog wel zo over stemmen — dat daar zo dadelijk
niemand het woord over wil voeren. Dan weet iedereen dat alvast. Dat is huishoudelijke
mededelingen 1.
Dan hebben we ook nog huishoudelijke mededelingen 2. Dat betreft het volgende.
Voor de schorsing, voor de dinerpauze, was er door de heer Boomsma aan de voorzitter
gevraagd — dat was overigens toen met een andere voorzitter dan ik — om te kijken, kan
het amendement 716 bij het jaarverslag technisch gezien überhaupt wel. Dat was eigenlijk
de vraag. En zou dat wel op die manier in stemming kunnen worden gebracht. We
10
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
hebben daar even heel kritisch naar gekeken. Ik zou daar eigenlijk het volgende over
willen zeggen. Technisch gezien kan het. Want wat er gebeurt, is dat beslispunt 1 uit de
voordracht wordt gewijzigd — dat kan met copy-paste, op de computer is dat uit te voeren.
Dus daar kan de raad voor stemmen. Vervolgens, als dat wordt aangenomen, zet de
voorzitter en de griffier daaronder een handtekening. En dan is er een besluit genomen
door de raad. Als we alleen naar de inhoud van het amendement kijken — en ik ga me er
verder niet al te veel over uitlaten, omdat ik op zich natuurlijk als voorzitter wel neutraal
ben — zie ik daar wel een paar vreemde zaken in. Namelijk dat er dan in staat dat de raad
besluit om een reserve terug te laten draaien. En daarna ook over het vaststellen van het
jaarverslag. Er staan dan ‘het jaarverslag vast te stellen na verwerking’. Dus het is wel
een tekst die dan ontstaat die, volgens mij, multi-interpretabel is. Ik kan me als voorzitter
voorstellen dat de raad kan het aannemen. De raad heeft ook het recht om besluiten te
nemen die misschien niet helemaal duidelijk zijn. Of het verstandig is, dat is een tweede.
Maar dat laat ik wel nadrukkelijk aan de raad. Ik heb in ieder geval als voorzitter geen
instrument in handen om dit amendement te weigeren. Dus het amendement — tenzij
natuurlijk de indieners hem wijzigen — moet ik gewoon zo dadelijk wel in stemming
brengen, hoezeer ik ook wel denk dat er dan een raar besluit uit komt. Maar goed. Die
waarschuwing wil ik wel even afgeven. En ‘raar’ in technische zin, niet inhoudelijk.
De heer BOOMSMA: Dank, voorzitter, voor de toelichting. Ik denk dat het toch
belangrijk is om goede besluiten te nemen. En ook al kan je technisch natuurlijk de tekst
zo wijzigen, het klopt niet in die zin dat je als raad een besluit neemt. Je kunt dus niet
besluiten om dingen te laten doen of na verwerking van een mutatie iets vast te stellen. Je
stelt hem dan vast. Dus ik denk dat het gewoon beter is om dit even gewoon netjes te
doen. Dus ik wil dan de indieners van het amendement verzoeken om dat even gewoon
correct aan te passen, want ik denk dat dat beter is voor een goede besluitvorming.
De VOORZITTER: De indieners, daar zitten die. Die knikten ‘nee’,
volgens mij. Dat is meneer Biemond. Ik stel vast dat u ‘nee’ knikt, dus dan worden- De
indieners zijn er, volgens mij, niet toe bereid. Dus dan is dit gewoon het amendement.
Dus dit is het amendement. En dat wordt zo in stemming gebracht. En dan moet de raad
daar maar over stemmen zo dadelijk. Dus dat is dan even terugkomend op uw opmerking
van voor de pauze. Het is gewoon een toegestaan amendement. Er kan over worden
gestemd en daar komt dan een besluit uit. We gaan het zien.
Dat was even het rondje techniek.
22.
Kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het
voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering'
(nr.937.19). (Gemeenteblad afd. 1, nr. 648)
De VOORZITTER: Dan gaan we naar agendapunt 22, het kennisnemen van de
Factsheet basisschooladvies. Daarvoor zijn ook een aantal moties ingediend.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
82° Motie van het lid Kilig inzake de Factsheet basisschooladvies
(overgangsregelingen van scholen en het zoveel mogelijk voorkomen om leerlingen niet
te laten doorstromen) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692).
11
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Het advies van de OCO over te nemen en met scholen in gesprek te gaan om
leerlingen zoveel mogelijk te laten doorstromen naar het volgende jaar conform
het OCO-advies en de scholen te motiveren om de door de OCO voorgestelde
maatregelen over te nemen.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
83° Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (sancties
voor scholen die onderadviseren) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 693).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Sancties op te leggen aan scholen die relatief vaak onderadviseren, bijvoorbeeld
door het mogelijk te maken ingediende klachten over onderadvisering als
waarschuwing in keuzetools voor basisscholen te zetten.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
84° Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies
(gesprekken met het BBO voor aanpassing kernprocedure) (Gemeenteblad afd. 1, nr.
694).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
In gesprek met het BBO te gaan om deze passages aan te passen op zo'n manier
dat zij recht doen aan kansengelijkheid, zodat de thuissituatie minder een rol gaat
spelen in het schooladvies.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Dan kijk ik heel even naar de leden die het woord gevraagd
hebben. Dat is in principe allereerst mevrouw Simons, maar zij heeft geen spreektijd
meer. Mevrouw de Jager van D66, zij heeft nog wel spreektijd. En mevrouw Kilig van
DENK heeft spreektijd, mevrouw De Fockert heeft nog 21 seconden spreektijd, SP, de
heer Schreuders heeft nog spreektijd en de heer Mbarki heeft ook nog spreektijd. Dan zou
ik daarom het woord willen geven aan mevrouw De Jager. Maar mevrouw Simons heeft
een punt van orde? Ja? Wat is het punt van orde?
Mevrouw SIMONS: Voorzitter, ik vraag me af hoe ik mijn moties kan indienen,
terwijl ik geen spreektijd meer heb. Ik zou er kort toch wel één zin over willen zeggen,
zodat mijn collega’s weten waarom het een goed idee is daar voor te stemmen.
12
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER: Ja, maar dat is ingewikkeld. Volgens mij, heeft u nu gezegd
dat u ze heeft ingediend. Dus ze zijn ingediend. En de wethouder zal ze zo dadelijk van
een preadvies voorzien. Dat sowieso. Dat zal ze kort en bondig doen.
Dan gaan wij naar de fractie van D66, mevrouw De Jager.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Jager.
Mevrouw DE JAGER: Elke leerling Krijgt vanuit school een advies over het niveau
van de middelbare school en onderadvisering betekent dat de leerling de eindtoets beter
maakt dan het advies van school. Het onderzoek waar we het vandaag over hebben, laat
zien dat vooral bij specifieke groepen speelt dat ze veel vaker met onderadvisering te
maken krijgen: leerlingen met lager opgeleide ouders. Dat is zorgelijk.
De VOORZITTER: Mevrouw de wethouder vroeg mij naar een nummer. Of niet?
Excuus. Sorry dat wij u dan onderbreken. Mevrouw De Jager, gaat u verder.
Mevrouw DE JAGER: Ik wil wel graag iets zeggen over de motie die BIJ1 heeft
ingediend, want de motie wekt de suggestie dat het puur ligt aan vooroordelen van de
leraar. In de trend van ‘dat kind zal dit niveau niet aankunnen’. En wil daarom sancties
voor de scholen waar onderadvisering veel voorkomt. Daar wil D66 echt weg van blijven.
Ik denk dat het complexer is dan simpele vooroordelen. Hiermee doet BIJ, in mijn ogen,
de leraar te kort. Het gaat om het doorgronden van de oorzaken en bewustwording. En
dan niet zozeer om bewustwording hier in de raad of bij ambtenaren, maar in de school. Ik
wil daarom graag een oproep doen aan de schoolbesturen van het basisonderwijs in
Amsterdam. En de oproep is: laat OIS onderzoek uitvoeren bij elke school. AMOS heeft
dat als schoolbestuur nu als eerste laten doen. Het wordt aangeboden vanuit de
gemeente aan alle schoolbesturen. Maak daar gebruik van. Laat OIS dat onderzoek
uitvoeren naar het basisschooladvies. En dan wil ik eigenlijk aan de wethouder vragen om
te rapporteren aan de raad welke schoolbesturen daaraan meedoen in het kader van
benoemen en roemen, naming and faming.
(Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Ik hoorde D66 zeggen dat ze vindt dat
mevrouw Simons de leraren te kort doet. Ik wil daarop aan D66 vragen of
zij niet vindt dat de leraren te kort wordt gedaan door toe te staan dat er
nu leraren les kunnen gaan geven die geen opleiding hebben. En dat er
heel veel leraren wel hun bevoegdheid hebben gehaald en er nu dus ook
leraren onbevoegd voor de klas komen te staan als hybride docent
bijvoorbeeld}
Ja, ik ga het kort houden, vanwege de spreektijd. Het is een beetje een ander
punt. Maar ik begrijp dat het belangrijk is, die bevoegdheid en dat we die hoog moeten
houden. Tegelijkertijd zitten we natuurlijk met een enorm lerarentekort waar we wel iets
mee moeten.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Kili.
Mevrouw KILIG: Deze coronacrisis heeft ervoor gezorgd dat enkele leerlingen een
achterstand hebben opgelopen. Sommigen zijn zelfs uit beeld geraakt. Daarnaast is het
voor docenten momenteel niet hard te maken of het aan de leerlingen ligt, dat ze een
achterstand hebben opgelopen of dat het aan de alternatieve vorm van onderwijsgeven
ligt; of een combinatie van beide. Wat we wel weten, is dat de Onderwijs Consumenten
13
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Organisatie, het OCO, ziet dat er mogelijkheden zijn om uitval in te perken door dit jaar
anders om te gaan met de overgangsregeling. Zij stellen voor om zoveel mogelijk
leerlingen te laten overgaan. Op deze manier blijven leerlingen gemotiveerd en in ieder
geval in beeld om aan hun achterstand te werken. Leerlingen die al moeilijk te motiveren
waren, zullen bij het blijven zitten naar alle waarschijnlijkheid het helemaal opgeven en uit
beeld geraken. Daarom dienen we een motie in om met scholen in gesprek te gaan om
het advies van het OCO te volgen en maatregelen om uitval tegen te gaan over te nemen.
Tot zover.
De VOORZITTER: Dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is mevrouw De
Fockert van GroenLinks, die daar 21 seconden de tijd voor heeft.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Fockert.
Mevrouw DE FOCKERT: GroenLinks sluit zich aan bij het verzoek van mevrouw
De Jager.
De VOORZITTER: Nou, keurig.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Schreuders.
De heer SCHREUDERS: Wij delen de analyse dat onderadvisering een groot en
ernstig probleem is dat serieuze aandacht verdient. Het is nog schrijnender dat uit
onderzoek blijkt dat de te lage schooladviezen in een stadsdeel als Zuidoost een nog
groter probleem zijn dan in andere stadsdelen. Ik denk dat het belangrijk is om te werken
aan bewustzijn onder leerkrachten en dat we hen moeten trainen om hogere
verwachtingen te hebben van hun leerlingen. Ik denk dat we dat moeten doen met een
positieve benadering en niet met sancties. De SP blijft de wethouder aansporen dit aan te
pakken.
Ik wil afsluiten met de vraag hoe het zit met het onderzoek van de gemeente naar
onderadvisering en de bereidheid van scholen daaraan mee te werken.
De VOORZITTER: Ik kijk even naar de volgende spreker. Dat is de heer Mbarki.
Hij ziet af van zijn bijdrage. Dan zou ik graag het woord willen geven aan wethouder
Moorman voor een kort en krachtig preadvies op de ingediende moties en een korte
reactie op de bijdragen.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Moorman.
Wethouder MOORMAN: Ik snap het natuurlijk, want we zitten in het vierde
dagdeel en het is dus ook belangrijk dat we nog een beetje op tijd klaar zijn. Tegelijkertijd
is het jammer, want dit zijn wel echt belangrijke onderwerpen die in de stad spelen. Over-
en onderadvisering doet eigenlijk geen recht aan waar het hier over gaat. Het is
begrijpelijk dat een kind soms een lager advies krijgt dan de Cito-toets, bijvoorbeeld als
een leraar constateert dat een kind ontzettend veel bijles heeft gehad of allerlei
toetstrainingen. Het komt zelfs weleens voor dat ouders Cito-toetsen kopen op
Marktplaats bijvoorbeeld. En dan is het misschien best wel voorstelbaar dat het advies
van de leraar lager ligt dan de Cito-toets. Tegelijkertijd is het ook voorstelbaar dat je het
so niet goed doet op een Cito-toets en dat een advies hoger is. Dus het afwijken van een
14
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Cito-toets van een basisschooladvies is eigenlijk best wel voorstelbaar. Maar wat hier zo
erg is, is dat de afwijking systematisch is voor verschillende groepen kinderen. We zien
dus dat in de groep ondergeadviseerde kinderen eigenlijk heel andere kinderen zitten dan
in de groep overgeadviseerde kinderen. Ik denk dat dat vooral is waar we het over
moeten hebben en niet zozeer over de onderadvisering an sich. Met dat oog kijk ik ook
naar uw vragen en naar de verschillende moties die zijn ingediend.
Ik ben in de eerste plaats ontzettend blij dat u hier zoveel aandacht voor heeft.
Want ik denk dat we dit alleen maar met elkaar kunnen oplossen als we er voortdurend op
focussen. En ik denk inderdaad niet zozeer met sancties, maar vooral het benoemen en
ook begrijpen wat het probleem is en hoe we het met elkaar kunnen oplossen. Want dat is
de enige manier om inderdaad ook die oplossing te vinden. We zouden daarbij ook nog
naar andere dingen moeten kijken. Ik denk dat een van de grote problemen van de
onderadvisering ook het systeem an sich is. Het feit dat we op zo jonge leeftijd kinderen al
in verschillende hokjes zetten. Daar kunnen we nu, op dit moment, niet in Amsterdam
zomaar iets aan doen, maar dat proberen we natuurlijk al wel een beetje in beweging te
krijgen met brede brugklassen, met bijvoorbeeld de PIEK-aanpak die u ook voor een groot
heeft- Dus ik hoop ook dat we het steeds in dat licht blijven bekijken.
Dan, voorzitter, is er een vraag gesteld door D66, die eerder ook al door
GroenLinks aan de orde is gesteld. Het spijt me dat ik destijds weinig tijd daarvoor ook
had om dat te beantwoorden. Maar ik zal dat nu wat uitgebreider — als u dat goedvindt,
voorzitter — doen, omdat ik daarmee wel recht doe aan de raadsleden. Dat is over het
rapporteren wie er meedoet aan het onderzoek. Je ziet aan zo’n onderzoek zoals AMOS
ook heeft uitgevoerd dat dat echt de start is van het veranderen. Er kwamen daar ineens
dingen naar boven, waarvan ook schooldirecteuren zeiden, ik was me dat eigenlijk niet
bewust. Ik was eigenlijk niet bewust dat wij kinderen geen recht deden, want we dachten
juist dat we ze heel veel recht deden, want we wilden ze meer tijd geven, we wilden ze
niet zo pushen. Maar dat had uiteindelijk dus een negatief effect. En pas door dat
onderzoek werd dat echt duidelijk, kwam dat aan het licht. Dus ik vind het heel belangrijk
dat schoolbesturen dat onderzoek ook zelf gaan doen om van te leren. Niet zozeer om te
zeggen, je doet het niet goed. Maar vooral om van te leren. Ik zal schoolbesturen dan
inderdaad ook heel erg aansporen, meneer Schreuders, om dat zo goed mogelijk te doen.
Ik heb zelf de aansporing niet zo nodig, maar ik zal wel samen met u schoolbesturen zo
goed mogelijk ertoe aansporen. En ik zie er ook momentum voor. Ik zie dat heel veel
schoolbesturen nu ook zelf aangeven, we moeten het niet verstoppen, we willen er
inderdaad mee aan de slag. En ik zal zo goed mogelijk dat ook aan u rapporteren. Dat
doe ik natuurlijk wel in samenspraak met de schoolbesturen. Dat kan ik niet zomaar
afdwingen. Maar de informatie die ik kan krijgen, zal ik natuurlijk zo goed mogelijk met u
delen.
Dan kom ik, voorzitter, bij de moties. Ten eerste de motie van mevrouw Kili. Dat
is motie 692. Dat eigenlijk heel specifiek over dit moment. Wat doet corona nou eigenlijk
met het overgaan van leerlingen. We hebben natuurlijk in de krant al van meerdere
scholen gelezen dat eigenlijk leerlingen allemaal over mogen bijvoorbeeld. Of dat
sommige leerlingen een opstel moeten schrijven of ze wel of niet over mogen. Allemaal
mooie aanpassingen op deze tijd. Maar om nou te zeggen ‘alle leerlingen moeten per
definitie over’, vind ik ook een verkeerd signaal. Dan zitten we eigenlijk met zijn allen heel
erg in die modus van, kinderen moeten zo snel mogelijk door het onderwijssysteem heen.
Terwijl ze — en dat weten we ook — misschien in deze tijd wel ontzettend veel
achterstanden oplopen. Dus is het dan wel zo verstandig om te zeggen, je moet door.
Misschien moeten we wel zeggen, we moeten alle leerlingen een jaar extra geven. Dus ik
15
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
wil het eigenlijk vooral aan de professionaliteit laten van de leraren, ook van de ouders,
aan de onderwijsinstelling, om te kijken hoe ze hier zo verstandig mogelijk mee om
kunnen gaan. In plaats van nu met elkaar te verordonneren dat alle leerlingen per definitie
over moeten als het misschien helemaal niet goed voor ze is. Dus ik denk dat we er op
die manier naar moeten kijken. Dus over motie 692 — dat zult u begrijpen, voorzitter — kan
ik dan niet zomaar meteen positief zijn.
(Mevrouw KILIG: Ja, uiteraard zeggen we ook niet dat alle leerlingen
automatisch natuurlijk zouden moeten overgaan. Het is natuurlijk wel
alleen in deze tijd dat we merken dat ze op achterstand zijn geraakt. En
dat dat vanwege de motivatie en het uit beeld verdwijnen van leerlingen
juist goed kan zijn om ze gewoon wel mee te nemen en daar de aandacht
op te richten, zodat er pas eventueel in het volgende jaar geëvalueerd kan
worden of ze die achterstand ook daadwerkelijk hebben opgelopen
vanwege de coronacrisis. En dat ze in ieder geval zijn meegenomen. Is
de wethouder het daar niet mee eens?)
Mevrouw Kilig, daar ben ik het natuurlijk volledig mee eens. Ik ga ervanuit — en ik
heb daar ook gesprekken over met de schoolbesturen, zowel in het basisonderwijs als het
voortgezet onderwijs — dat er echt heel goed gekeken wordt naar welke leerlingen nou
achterstanden hebben opgelopen en hoe die dan ook met bijvoorbeeld extra leertijd,
misschien extra kopklassen- We hebben een fantastisch zomerprogramma deze zomer.
Daar zullen we nog veel meer aan moeten doen om leerlingen de kans te geven om die
achterstanden weer in te lopen en juist een enorme, mooie voorsprong te Krijgen. Dus
daar ben ik het van harte mee eens. Om dan te zeggen, we gaan het helemaal focussen
op alleen maar het overgaan naar het volgende leerjaar, daarvan vind ik ook dat u
eigenlijk de professionaliteit van de leraren en de onderwijsinstellingen, die er uiteindelijk
zelf over gaan, en ook de ouders die daarbij betrokken zijn, geen recht doet.
Dan motie 693 van het lid Simons. Vaak is het bij dit soort dingen, voorzitter, ook
maar net hoe je ernaar kijkt. Het is best een gevoelig debat, want je komt al snel in
schuldvragen. Maar zo heeft mevrouw Simons het absoluut niet opgeschreven. Want
mevrouw Simons kijkt gewoon goed naar de tekst en ziet ook dat er misschien bepaalde
elementen in die tekst staan die er weleens toe zouden kunnen leiden dat daar perverse
effecten uit voortkomen. Ik denk dat het heel verstandig is om op die manier inderdaad
naar onze tekst te kijken, juist omdat het misschien wel een gevoelig onderwerp is. Dus ik
ben over motie 693 eigenlijk heel positief en ga graag daarover in gesprek met de BBO.
Dan hebben we motie 694. Die kwam al even aan de orde, voorzitter.
Ik vertraag een beetje, omdat ik een vinger zag.
(Mevrouw DE JAGER: Ik heb een vraag dan aan de wethouder over die
motie. Want het spreekt echt over sanctie en ik zou dat-)
Nee, dan heb ik- Ik haal ze door elkaar. Ja.
De VOORZITTER: Dus 694 is positief preadvies.
Wethouder MOORMAN: Excuus. Dank u wel, mevrouw De Jager. Wat ik net zei,
dat ging over motie 694. En wat ik nu ga zeggen, gaat over motie 693. Daar had u
natuurlijk net ook al even een debatje met elkaar over. Ik ben het eigenlijk wel met u eens.
Want ik denk — en dat is ook een beetje waar we staan in het moment van het debat —
want ik begrijp ook mevrouw Simons, dat er een moment komt dat je zegt, ik ben het
gewoon zat. En het blijft gebeuren en het is systematisch. En we moeten er wat aan doen.
Maar we zijn, in alle eerlijkheid, als het hierover gaat wel al heel lang bezig met daarover
16
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
te spreken, maar pas net begonnen met het erkennen. Ik denk ook dat wij leraren geen
recht doen om meteen te zeggen, het is systematisch, maar het is ook bewust. Ik denk
dat het bewustzijn, wat nu moet komen, dat dat al een enorm verschil kan maken. En ik
denk dat als we uit de fase gaan van bewustzijn naar expres, dat er dan inderdaad —
mocht dat zo zijn — een moment kan komen dat je zegt, nou, dan willen we daarop
sanctioneren. Maar ik denk dat we het nog echt die kans wel moeten geven.
De VOORZITTER: Ja, mevrouw Simons.
(Mevrouw SIMONS: Nou ja, een heel korte vraag. Want dan wil ik alleen
van de wethouder weten of zij enig idee heeft wanneer een goed moment
is om die conclusie te trekken. Want ik ben echt bereid deze motie terug
te trekken, uit te stellen. Maar dan heb ik ook iets nodig}
Wethouder MOORMAN: Ik kan dat helaas niet pinpointen in de tijd. Was het maar
waar. Er zijn meerdere debatten waarvan je zou zeggen, konden wij maar zeggen, en dan
is het uitgebannen, dan is ongelijkheid niet meer aan de orde, dan weten we zeker dat
iedereen een gelijke kans krijgt en dat is het moment dat we dat- Dat is een zichzelf
evaluerend debat wat je vooral niet moet stoppen. Ik denk dat je dat ook moet laden met
kennis, met cijfers, met onderzoek, met gesprek, met evaluatie. En in die fase zitten we
nu. Dat is dus ook de reden dat we nu investeren in het gesprek. Investeren in het
onderzoek van de scholen. Waarom mevrouw De Jager ook heel terecht zegt, we daar
transparant over zijn. En dan is het, denk ik, ook aan u en aan mij natuurlijk om op een
gegeven moment een moment in de tijd te bepalen: en nu vinden wij het eigenlijk niet
meer voldoende als dat niet meer genoeg werkt. Maar ik heb ook nog wel echt
vertrouwen, ook als ik zie wat er speelt in de samenleving, dat als we het echt in de ogen
kijken, en het ook echt met ons volle bewustzijn zien, dat dat al een enorme oplossing
gaat bieden.
De VOORZITTER: Mevrouw Simons is nu echt door haar spreektijd heen. Dat zeg
ik nog maar een keer. Helemaal. De motie wordt ingetrokken. Dat betreft dan motie 693,
mevrouw Simons? Ja? Oké. Motie 693 is ingetrokken, voordat ik een fout maak.
De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 693) maakt geen deel meer uit van de
beraadslaging.
De VOORZITTER: Dan zou ik de beraadslaging willen sluiten. Ja, dat kan.
De discussie wordt gesloten.
De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat wordt
agendapunt 23. Dan zou ik de vergadering voor twee minuutjes willen schorsen voor een
kleine logistieke schorsing.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
17
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
23.
Kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. (Gemeenteblad afd.
1, nr. 664)
De VOORZITTER: Wij gaan weer heropenen. Ik heropen de vergadering. Aan de
orde is agendapunt 23, kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie.
Daarvoor zijn ingediend een drietal moties.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
85° Motie van het lid Van Renssen inzake de Strategie Klimaatadaptie
(maatregelen eigen terrein) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 696).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
- Voor de uitvoeringsagenda te onderzoeken welke concrete maatregelen
kunnen worden opgenomen voor het klimaatadaptief inrichten van 50% van
het grondgebied van de stad dat in eigendom is van derden;
- Daarbij de voorbeelden opgenomen in bovengenoemde Handreiking te
betrekken;
- Na te gaan in hoeverre deze maatregelen kunnen worden opgenomen in
lokale regelgeving (zoals bestemmingsplan, verordening en/of
omgevingsplan).
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
86° Motie van het lid Van Renssen inzake Strategie Klimaatadaptatie
(onderzoek naar norm waterberging) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 697).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
- Te onderzoeken of in bepaalde gebieden van de stad de norm ten aangezien
van het waterbergend vermogen hoger kan en moet worden gesteld dan 60
liter per m? bebouwd oppervlakte;
-__Na afronding van het onderzoek zo nodig nadere eisen te stellen op grond
van de Hemelwaterverordening.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
87° Motie van het lid Naoum Néhmé inzake concept Regionale
Energiestrategie Noord- Holland Zuid (Geen windmolens bij de Gaasperplas en landelijk
Noord) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 726).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
- Zoekgebied 5 (Gaasperplas / Driemond) en het alternatieve zoekgebied A in
landelijk Noord te schrappen uit de RES als mogelijke locaties voor
windenergie;
18
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
- Door te zoeken naar alternatieve locaties, zoals bij de A2 of de haven en naar
alternatieve technologieën, zoals zon op water.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd mevrouw Van Renssen, mevrouw
Bakker en mevrouw De Jager. Mevrouw Van Renssen heeft daarvoor nog 18 seconden
de tijd en die krijgt ze nu ook.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Renssen.
Mevrouw VAN RENSSEN: Het wordt steeds heter, het wordt ook steeds natter.
Februari was de natste maand en mei was hartstikke droog, dat we een droogteplan
hebben. Klimaatadaptatie is heel belangrijk. Het tegengaan van verharding is belangrijk.
En daarom stelt GroenLinks voor om nu concrete maatregelen te nemen. Daarom hebben
we twee moties ingediend.
De VOORZITTER: Net niet gered. Twee seconden net niet. Net niet. Maar u heeft
wel heel goed uw best gedaan. Daarvoor absoluut mijn complimenten. Ik ga heel even
kijken naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Bakker van Partij voor de Dieren en zij
heeft hierbij het woord.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker.
Mevrouw A.L. BAKKER: Wij steunen de lijn van deze strategie. We hebben in de
commissievergadering ook toezeggingen gekregen over het vervolgtraject. Namelijk,
hierin aandacht houden voor de problemen van dieren. En dat er wordt meegenomen, we
moeten anticiperen op de steeds hevigere storm. We willen nog wel benadrukken dat de
urgentie van dit beleid stukken minder zou zijn als we eerder hadden ingegrepen en we
het op de aarde niet tot zo’n uitputting hadden laten komen. Dit beleid is als allemaal
kleine pleisters op grote wonden. Het moet gepaard gaan met meer groen en betere
bescherming van het groen. Dat kan niet zonder geld, maar ik heb nog geen geld gezien,
zowel hiervoor niet als voor de Groenvisie niet. Na de zomer spreken we ook over de
evaluatie van de Bomenverordening. Ik nodig hierbij alle partijen uit om met mij aan
voorstellen te werken. Uiteindelijk is een goed groenbeleid een onderdeel van
klimaatadaptie. Dank u wel.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Jager.
Mevrouw DE JAGER: Ik doe dit ook heel kort. Mijn complimenten aan de
wethouder voor dit stuk. En aan de ambtenaren die vooral ook- Ik zie dat de gemeente de
samenwerking zoekt, zoals binnen het netwerk Amsterdam Rainproof. En inderdaad,
meer groen — daar gaan we het straks ook nog over hebben — dat is een van de
belangrijke oplossingen in dit kader. Ik dien mede de motie in van GroenLinks over de
Hemelwaterverordening.
De VOORZITTER: Dan ga ik het woord geven aan wethouder Ivens voor de
preadvisering van de moties en misschien nog een aantal vragen, die- Nou, volgens mij,
19
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
waren er helemaal niet zoveel vragen gesteld. Maar voor zijn termijn. U heeft het woord.
Mevrouw Van Renssen.
Mevrouw VAN RENSSEN: De motie van de VVD heb ik nog niet kunnen zien. Is
die-?
De VOORZITTER: Ik begreep net dat die er wel in zou moeten staan. Dan moet u
eens even verversen.
Bij de griffier staat hij erin. De motie zou u bekend voor kunnen komen, want hij
was al ingediend bij een ander agendapunt, maar daar was de woordvoerder toen niet.
Dus die is ingetrokken.
Goed, het woord is aan de wethouder.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens.
Wethouder IENS: Dank u wel voor die laatste motie van de VVD. Ga ik zo even
naar de tribune kijken wat ook alweer ons preadvies was. Dus ik hoop dat mevrouw Van
Doorninck me dat straks influistert, heb ik even aangegeven.
De andere twee moties, daar kan ik wel wat over zeggen. Dat zijn moties 696 van
lid Van Renssen. Die motie is eigenlijk niet helemaal in lijn met hoe we het nu hebben
voorgesteld. We hebben nu echt voorgesteld, klimaat bestendigen beleid. We willen eerst
bewustwording stimuleren, faciliteren en eventueel als laatste pas voorschrijven. En u
vraagt eigenlijk al, onderzoek ook die laatste stap; verken welke mogelijkheden er ook zijn
om voor te schrijven. Dus het past niet echt in de lijn die we hebben bij het voorstel
klimaatadaptatie wat we hebben. Maar laat ik er eerlijk in zijn: u vraagt iets in kaart te
brengen en hoe dat kan en dat in het vervolgtraject erbij te betrekken. U zegt nog niet, je
moet het ook gelijk doen. We gaan natuurlijk eerst kijken, hoever komen we ook met die
andere manieren. Ik wil het oordeel gewoon aan de raad laten. Ik kan de motie prima
uitvoeren, maar ik laat het oordeel aan u of u hem wel of niet wil aannemen.
697, daartegen ga ik gewoon onomwonden zeggen, ik zou u adviseren om hem
aan te nemen. Want het is een goede motie, 697, omdat we namelijk de norm voor
waterberging- Het is goed dat we een norm hebben. Ik wil overigens niet bij
klimaatadaptatie eindeloos in normendiscussies blijven hangen, ik wil vooral in
maatregelendiscussies uiteindelijk komen. Maar in het kader van dat plan neerzetten, is
het goed dat we bij die norm ook even goed kijken hoe dat zich verhoudt in de
verschillende gebieden. Dan kijk ik nog even over motie — helpt u me nog even, voorzitter.
De VOORZITTER: 726. Volgens mij, wilt u de aandacht vragen van mevrouw Van
Doorninck. Of niet?
Wethouder IVENS: Mevrouw Van Doorninek schudt nee, maar dat is meer dat ze
de motie niet heeft.
De VOORZITTER: Maar meer dat ze hem niet heeft. Zullen we anders heel even
kijken- Exact. Een seconde schorsen. Of een minuutje, zodat mevrouw Van Doorninck het
even kan bekijken. De vergadering is voor één minuut geschorst.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
20
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER: De schorsing is voorbij. Excuses, het is ook het vierde
dagdeel. Dat geldt ook voor de voorzitter. Ik heropen de vergadering. Ik zou het graag het
woord willen geven aan wethouder Ivens. Meneer Ivens, ga uw gang.
Wethouder IVENS: Motie 726 is net besproken bij de RES en daar ook toegelicht
door de wethouder. Het preadvies is negatief.
De VOORZITTER: Dat is duidelijk. Dank u wel.
De discussie wordt gesloten.
24.
Kennisnemen van de raadsbrief over programma bomen. (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 665)
De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt, ook met de
heer Ivens. Dat is agendapunt 24. Is er behoefte aan een kleine logistieke schorsing? Het
zijn dezelfde woordvoerders, denk ik, h@? Dan gaan we gewoon direct door. Agendapunt
24,
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
88° Motie van de leden Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer inzake
de raadsbrief over het programma bomen (herplant bij het omvormen tot ecologische
houtopstand) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
In kaart te brengen hoe herplant van levende bomen na vorming van ecologische
houtsopstanden eerder dan pas na het vergaan daarvan kan plaatsvinden.
De verschillende mogelijkheden daartoe, inclusief de daarmee gepaard gaande
kosten per boom en houtopstand voor de behandeling van de begroting 2021 aan
de Raad te presenteren.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd mevrouw De Jager, mevrouw
Van Pijpen, die eigenlijk daar niet meer-
Mevrouw VAN PIJPEN: Het was mijn motie ook trouwens, hoor, samen met-
De VOORZITTER: U heeft het samen ingediend. O, c.s. Goed dat u dat zegt. Dat
c.s. moet ik ook goed uitspreken. Partij voor de Dieren, mevrouw Bakker heeft ook het
woord gevraagd. Dan zou ik eigenlijk het woord willen geven aan mevrouw De Jager op
dit moment.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Jager.
21
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
Mevrouw DE JAGER: Bomen maken de stad mooier, zijn goed voor de
luchtkwaliteit, regenbestendigheid, biodiversiteit. Dat is allemaal bekend. Daarom willen
we graag meer bomen. En tegelijkertijd zijn we stad en geen bos. Dus we zoeken een
balans naar het best haalbare. De basisafspraak is dat we het aantal bomen niet verder
laten afnemen. In de verordening is vastgesteld dat voor elke boom die gekapt wordt er
een nieuwe wordt geplant. Maar zelfs die basisregel is de afgelopen jaren niet nageleefd
door de gemeente en dat vind ik onbehoorlijk bestuur. Er is een enorme achterstand met
herplanten. De gemeente is de stad duizenden bomen schuldig. En dat moet rechtgezet
worden.
In de commissievergadering ben ik ervan overtuigd geraakt dat de wethouder er
precies zo in zit. Zijn doel is om het komende plantseizoen een eerste inhaalslag te
maken. Dat steun ik. Ik wil de wethouder graag vragen om te rapporteren aan de raad aan
de start van het plantseizoen — dus dit najaar — over hoeveel bomen er klaar staan om de
grond in te gaan. Want ik vind het namelijk te laat om pas volgend jaar een rapportage te
krijgen. Want als het dan onverhoopt toch weer tegenvalt, lopen we achter de feiten aan.
De VOORZITTER: Mevrouw De Jager, ik moet mevrouw Van Pijpen eigenlijk mijn
excuses aanbieden, zie ik, want er staat hier weliswaar dat mevrouw Bakker de één
initiatiefnemer is, maar dat is helemaal niet waar. Dat bent u. Dat is een fout van mij, maar
dat is een vervelende fout. Dat is niet goed. Dus motie 705 is ingediend door mevrouw
Van Pijpen en anderen. En u bent de eerste indiener, voor alle duidelijkheid daarover. Ik
moet wel heel eerlijk zeggen, dat u eigenlijk geen spreektijd meer heeft. En ik ben ook
streng voor anderen, dus helaas kan ik u niet het woord geven. Maar ik heb u natuurlijk
wel net een beetje onrecht aangedaan door uw naam niet als eerste te noemen. Dus ik
geef u toch tien, twintig seconden om het even kort toe te lichten.
Ik zie dat de heer Flentge nog een nabrander heeft qua interruptie op mevrouw
De Jager. Ga uw gang, meneer Flentge.
(De heer FLENTGE: Volgens mij, gaat het om een bedrag van € 3.000
per boom. En het gaat om 250 per jaar. Zit er ook een dekking bij de
motie?)
Mevrouw DE JAGER: Ik denk dat u mij een vraag stelt over de motie die straks
ingediend gaat worden over de ecologische houtopstand”?
De VOORZITTER: Goed, de verwarring is compleet. Er wordt heel strak
voorgezeten, maar niet heus. Even kijken. Ik ga hem even herpakken. Mevrouw Van
Pijpen, u heeft uw respijtseconden. Ga uw gang.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Pijpen.
Mevrouw VAN PIJPEN: Wij hebben een motie ingediend om na te gaan, om te
onderzoeken wat er mogelijk is om de ecologische houtopstand al sneller ook te
vervangen weer door bomen. Of niet te vervangen, maar ook weer herplant van bomen,
daarop toe te zetten. Ecologische houtopstand, zeer belangrijk voor de biodiversiteit. Zijn
we ook erg groot voorstander van. Maar een levende boom voegt toch ook nog een aantal
waarden toe als het gaat over luchtkwaliteit en over klimaatadaptatie, waar we het net
over hadden. Dus we hebben vooral een motie ingediend.
22
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
En dan ga ik maar meteen op de vraag in. Die vraagt om een overzicht van wat er
mogelijk is en ook wat er aan kosten mee gepaard gaat om dat mogelijk te maken en dat
aan te leveren door de wethouder voor de begroting 2021.
De VOORZITTER: Geen behoefte aan een interruptie? Dan kijken we naar
mevrouw Bakker die ook nog het woord had gevraagd. Ga uw gang, mevrouw Bakker.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker.
Mevrouw AL. BAKKER: Ja, het gaat bepaald niet goed met het
vervangingsprogramma van bomen in de stad. Er is een enorme achterstand als het gaat
om de herplant. Volgens de laatste informatie moeten er de komende vier jaar jaarlijks dik
2000 bomen de grond in. Maar vorig jaar waren dit er slechts 215. Terwijl de bomen van
groot belang zijn voor de leefbaarheid van Amsterdam, voor de biodiversiteit en voor de
klimaatadaptatie. We hebben in de commissievergadering een humeurige wethouder
gezien, die ook toegaf al behoorlijk chagrijnig te zijn geweest bij de aanvang van het
programma, omdat de organisatie niet op orde was. Dat komt op mij hopeloos over.
Voorzitter, ik wil twee punten maken. Het eerste is dat het de wethouder niet is
gelukt om mij gerust te stellen dat het gaat lukken om alles op orde te brengen. Hij gaf zelf
namelijk aan dat hij het nog maar moet zien dat het lukt. Ik kan daar geen genoegen mee
nemen. Die bomen moeten gewoon de grond in. Dat is volgens onze eigen
Bomenverordening zo. Dus ik wil van de wethouder horen dat hij de juiste maatregelen
treft, zodat we gauw weer op schema liggen.
Dan mijn tweede, en meteen ook laatste punt, over de zogenaamde ecologische
houtopstanden. Vorig jaar zijn er binnen dit programma onveilige bomen op de kaplijst
gezet die in bijvoorbeeld parken staan en die prima kunnen blijven staan als ze — om
maar zo te zeggen — onthoofd worden. Dan blijft er dus een dode stronk staan, die veilig
is. En dood hout is weer waardevol voor de ecologie, insecten, vogels, planten. En de
raad nam hierover een motie van mij aan. En nu heeft de wethouder al tweehonderd van
zulke bomen onthoofd — om maar even simpel uit te leggen — en als ecologische
houtopstand een bijzondere beschermde status gegeven in het gemeentelijk
bomensysteem. Dat zullen er vijfhonderd worden. Daar ben ik heel blij om. Ik wil hem
daarom ook echt complimenten geven. Maar de wethouder compenseert hierbij niet met
een levende boom. Vandaar ook de motie. Heel fijn, dank aan de collega’s van
GroenLinks, D66 en Partij van de Arbeid. Terwijl dit wel begroot was, want in de cijfers
van het vervangingsprogramma zaten deze bomen wel begroot in de Voorjaarsnota. Dus
we hebben het geld klaarliggen. En nu onttrekken we dus een levende boom aan ons
bomenbestand. In de brief staat dat er pas bij het geheel vergaan van de stronk herplant
plaats zal vinden. Maar dit zal zo'n dertig jaar duren. Net als de vorige sprekers vind ik
dus dat er eerder gecompenseerd moet worden en vandaar deze motie. Ik ben heel
benieuwd hoe de wethouder hiernaar kijkt.
De VOORZITTER: Met de motie, doelt u op dezelfde motie die u samen hebt
ingediend met mevrouw Van Pijpen. Perfect. Motie 705. Dan zou ik het woord willen
geven aan de wethouder om in ieder geval de motie te preadviseren.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens.
23
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
Wethouder IVENS: Nou weet ik niet zo goed hoe ik dat moet doen, want ik schijn
weleens humeurig over te komen. En dat maakt kennelijk een hopeloze indruk. Laten we
het er maar over hebben dat de commissie dan in de ochtend is en dan kom ik misschien
wat humeuriger over, ik weet het niet.
Het is helemaal niet dat ik helemaal humeurig van ben. Het is veel meer dat het
me wel ergens… Er zit natuurlijk een irritatie. En als je ziet wat voor… U noemde de
getallen, wat er vorig jaar geplant is. Ja, dan slik je wel even. Dan denk je, ja, dat hadden
we toch echt anders willen zien. En dan kun je allerlei redenen voor hebben. Daar hebben
we het in de commissie al over gehad waar dat vandaan komt, en dergelijke. Maar dat
maakt mij niet hopeloos. Het maakt me hopelijk ook niet humeurig. Maar wel enigszins
gedreven. Ik bedoel, ik heb wel echt flink wat gesprekken intern gehad van, jongens, wat
gaan we nu doen? En er is nu echt een organisatie opgetuigd, die aangeven, we gaan het
doen. Ja, moet ik het nog zien? Ja, natuurlijk zeg ik dat. Wat denkt u zelf? Ik bedoel, ik wil
het eerst zien. Ik zie een organisatie. Ik zie het op papier goed geregeld staan. Maar ja, ik
wil het niet op papier goed geregeld zien, ik wil het in de stad goed geregeld zien. Dus
mevrouw De Jager, ja, ik ben bereid om voor het plantseizoen nog even aan te geven:
waar staan we? Hebbe we dan nog dat gevoel wat we nu op papier zetten, denken we
ook dat we dat in die praktijk gaan brengen. En aan het eind van het plantseizoen is het
pas echt spannend, want dan weten we wat we ook echt gerealiseerd hebben. Dus ik ben
het zowel met mevrouw De Jager als met mevrouw Bakker eigenlijk wel eens. Alleen ik
hoop niet dat het overkomt als zijnde, we willen het niet, maar ik zie het helemaal niet
meer zitten, ik zit met de handen in het haar. Ik wil juist aan de slag gaan om het op orde
te brengen.
Dan kom ik toch bij de motie. Want waar mevrouw De Jager zegt, ja, u wil de
dingen op orde hebben — en daar zitten we hetzelfde in; daar zit ik zeker zo in — maar dat
verandert wel als we wensen toe gaan voegen. Ik ben altijd voor extra wensen. Extra
groene wensen lijkt een wethouder Groen overwegend positief. Dus ik ben altijd voor
extra wensen. En hier wordt dus gevraagd om extra wensen in kaart te brengen. Maar
dan zeg ik van, laten we dan ook eerlijk zijn. Mevrouw Bakker zegt terecht, ja, maar dat
budget zou er eigenlijk zijn om al die bomen te vervangen. Ja, maar dat blijkt dus in de
rekensom, die hele organisatie opgetuigd hebbende, dat ik helemaal geen budget heb om
nog even 250 bomen extra erbij te gaan planten. Dan heb ik het nog niet eens over de
ruimte. Dus ruimte en budget om dat te gaan doen, ontbreekt. En dan vraagt u mij om het
in kaart te brengen. Nou, daar kan ik relatief kort over zijn: ik denk dat wij globaal voor de
helft van de bomen plek kunnen vinden. Globaal. De andere helft zal vermoedelijk via een
herplantfonds; moeten we betalen. En op die manier hopen dat er uiteindelijk een plek
gevonden wordt. Maar als we dit gaan doen, wat hier beschreven wordt, dus dat we én de
ecologische houtopstand- Nee, als we de bomen, de ecologische houtopstanden,
weghalen en daar bomen neerzetten, dan hebben we globaal 700.000 euro elk jaar erbij
nodig. 700.000 euro erbij. Dan kan ik het gewoon uitvoeren. Dus dan weet u wat er is.
Willen we de ecologische houtopstand ook nog laten staan, dan heb ik dus ook nog extra
ruimte nodig, die we zullen zoeken. En praten we ook nog dat er zo’n kleine 10.000 euro
per jaar extra nodig is voor het beheren van extra bomen. Dus houtopstand en bomen.
Dus dat is het cijfermatige overzichtje wat erachter zit. Met deze uitleg is eigenlijk de rest
van de motie eigenlijk overbodig geworden. U weet waar het om gaat. En dan zou ik
zeggen, laten we die 700.000 euro op tafel leggen. Dan gaan we aan de slag. Of laten we
het nu niet boven de markt laten zweven, want dat vind ik vervelend, want ik ben hier
bezig om hier dingen op orde te brengen. En dan weer iets nieuws boven de markt laten
zweven zonder dat er ook maar zicht is op dat het ook gerealiseerd gaat worden, daarvan
24
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
moet ik eerlijk zeggen, daar bedank ik wel voor. Dat past niet helemaal in de lijn, zoals ik
voorsta, dat we het nu eerst even goed op orde brengen. Dus 705 is op dit moment
overbodig geworden. Dus ontraad ik deze motie.
De VOORZITTER: Tenzij die 700.000 euro nu op tafel wordt gelegd, schat ik zo
in.
Wethouder IVENS: Moeten we even een rondje doen misschien.
De VOORZITTER: Een inzamelingsactie houden. Goed. Mevrouw Bakker had
een interruptie, volgens mij.
(Mevrouw A.L. BAKKER: Ja, want de wethouder verloor mij op het
moment dat hij onze motie bestempelde als extra wens. Want die 250
bomen die nu als houtopstand zijn gerealiseerd, waren al in de
Voorjaarsnota opgenomen in de cijfers voor herplant. Dus dat budget,
daar zaten de bomen al in. Dus kan hij daarop ingaan? Ik begrijp dat niet.)
Wethouder VENS: Dat dacht ik aanvankelijk ook in de budgetten, dat dit gewoon
kon uit de budgetten. Maar ik zie nu in deze organisatie, die opgetuigd is, dat het onder
andere dicht geregeld is door die 250 bomen in houtopstand te doen. En ik zeg er even
bij, ik denk dat het voor de parken, de bossen en de plekken waar het is, buitengewoon
goed is. Want die houtopstanden creëren echt een diversiteit wat uiteindelijk voor
ecologische waarden echt gigantisch stimuleert. Dus wat dat betreft ben ik daar positief
over. Maar inderdaad, in die aanvankelijke rekensommen leek het dat wij die 700.000
euro niet hoefden te hebben. Want aanvankelijk dacht ik ook dat we hele programma
konden financieren hiermee. Maar nu het goed doorgerekend is, nu de organisatie klaar
staat, zijn dit de cijfers en weet u dus precies waar u aan toe bent.
(Mevrouw AL. BAKKER: Begrijp ik dan goed dat als we deze niet
ingeslagen waren, dat de wethouder er nog een probleem bij had gehad?)
Even, dan had ik of deze weg alsnog in kunnen slaan. Ik bedoel, dat was een
optie. Of we hadden nog steeds een financieel gat. Of ik had de achterstand in meer jaren
ingelopen. U ziet dat ik nu de achterstand in een relatief korte periode in wil lopen. Er zijn
allerlei varianten waar je mee kan puzzelen op dat moment. Maar ik denk dat hier voor de
variant gekozen is, voor het snelste de situatie op orde en voor de mooiste ecologische
waarde door én levende bomen én houtopstanden — dus een mooie ecologische
meerwaarde — maar niet meer een levende boom met elkaar te combineren.
De VOORZITTER: Ik kijk nog even rond of er behoefte is aan een tweede termijn.
Een korte tweede termijn? Ja. Mevrouw Bakker, ga uw gang.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw A.L. Bakker.
Mevrouw A.L. BAKKER: Even om samen te vatten. Voor mij is het duidelijk, deze
motie ook. We komen geld te kort. De wethouder was voor een nog groter probleem
komen te staan als we deze weg niet in waren geslagen. Maar ik zie hier allemaal
coalitiepartijen die welwillend zijn en zeggen dat ze groen heel belangrijk vinden. Meer
25
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
bomen in de stad. Dus ik neem aan dat we eruit gaan komen. En dat we bij de volgende
begroting echt veel meer geld voor groen kunnen uittrekken met elkaar. Dank u wel.
De VOORZITTER: Wil de wethouder hier nog op reageren?
Wethouder IVENS: Ja, dat past ons altijd. De wethouder Financiën zit nog in de
zaal, dus ik moet alleen maar zeggen, daar wil ik niet op vooruit lopen.
De VOORZITTER: Dan gaan we dit agendapunt afronden.
De discussie wordt gesloten.
De VOORZITTER: En gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat wordt
agendapunt 25. Dat betreft het kennisnemen van de Woonbrief en de Factsheet
woningmarkt. Is er behoefte aan een logistieke wijziging?
Ja, oké, dan gaan we even kort schorsen. Ik schors de vergadering voor enkele
ogenblikken totdat…
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
25.
Kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 654)
De VOORZITTER: Zit iedereen? Dan zou ik eigenlijk ook nu wel direct door willen
gaan. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is agendapunt 25, kennisnemen van de
Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
89° Motie van de leden Ceder en Boomsma inzake de Woonbrief 2020 en de
Factsheet woningmarkt (verkoop sociale huurwoningen aan bewoners zelf)
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 704).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
- Corporaties te verzoeken om de woningen waarvan overwogen wordt om ze
te verkopen allereerst aan de zittende bewoners ter koop aan te bieden;
- _ Daarbij te onderzoeken of er een mogelijk doorverkoopverbod bijgevoegd kan
worden.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd de heer Mbarki van de Partij van
de Arbeid, de heer Ceder van de ChristenUnie — maar hij heeft geen spreektijd meer.
Even kijken, mevrouw Simons, BIJ1. Zij heeft ook geen spreektijd meer. En de heer
Hammelburg heeft nog wel spreektijd. Ik zou eigenlijk het woord willen geven aan de heer
Mbarki van Partij van de Arbeid.
26
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
De heer FLENTGE: Voorzitter, mag ik mij nog toevoegen aan de sprekerslijst’?
De VOORZITTER: Dat mag zeker, want u heeft nog spreektijd. Dan voeg ik de
heer Flentge nog toe. Dan heeft de heer Mbarki in principe het woord.
U staat echt als eerste erop, meneer Mbarki. Tenzij u ervan af ziet, hoor, dat mag
ook.
Mag ik wat stilte in de zaal? Dan krijgt de heer Mbarki het woord.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Mbarki.
De heer MBARKI: Ik ga het heel kort houden. Ik heb namelijk een vraag. De
vraag staat voor een groot deel ook in het licht van corona. Dus ik ben benieuwd hoe de
wethouder kijkt naar de prestatieafspraken in deze huidige context waarin een
huurverhoging van gemiddeld 3,1% is afgesproken. Ik ben benieuwd of de wethouder ook
nadenkt over ideeën om bijvoorbeeld te kijken hoe we de huurverhogingen in verband met
coronacrisis bijvoorbeeld uit kunnen stellen tot 1 oktober. Op dit moment vindt er in
Amsterdam een bizarre ontwikkeling plaats die ogenschijnlijk ook lijkt op
onrechtvaardigheid, omdat namelijk de huren van goedkope woningen sneller lijken te
stijgen dan die van de duurdere. Dus ik ben benieuwd of we hier iets in kunnen
betekenen. Dit was het, voorzitter. Dank u wel.
De VOORZITTER: Dan geef ik het woord aan de volgende spreker, dat is de heer
Hammelburg.
U ziet af van uw bijdrage? Oké. De heer Flentge.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flentge.
De heer FLENTGE: Er valt heel veel te zeggen over dit agendapunt, maar ik
beperkt ook maar gewoon tot één onderdeel. Concrete vraag aan de wethouder. Het gaat
me om de starters op de woonmarkt. Er was een noodknop aangekondigd, ooit, door het
kabinet. Die is eigenlijk nooit gekomen. Tenminste, er is voorgesteld om 2,5% boven
inflatie mocht er- Dat was alles bij elkaar een fikse huurverhoging van ongeveer 5%. Dat
is wat het kabinet op dit moment biedt. Dat is heel weinig. Ik zou de wethouder willen
vragen om toch nog — ik ben niet zo voor het op pad sturen van lobby’s, dus ik ga het
geen lobby noemen — maar wel een poging te wagen om vooral de starters toch nog in
Den Haag — misschien nog wel bij de Kamer, misschien is dat nog wel een interessante —
en ook bij de minister daar navraag naar te doen. Want de starters zijn op dit moment
eigenlijk degenen die op geen enkele manier een mogelijkheid krijgen om nog een beetje
met een betaalbare huur binnen te komen. Dus ik kom nu even speciaal op voor deze
groep, de starters op de woonmarkt. Ik wou de wethouder vragen om daar aandacht op te
vestigen in zijn gesprekken met de Kamer en de minister.
De VOORZITTER: Dan geef ik het woord aan wethouder Ivens voor een
preadvies op motie 704 en de beantwoording van de gestelde vragen.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens.
27
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Wethouder IVENS: Drie totaal verschillende onderwerpen waar ik op mag
reageren. Als eerste de motie, motie 704. Niet verder toegelicht hier, maar in de
commissie uitgebreid besproken. Waarbij de vraag vanuit de ChristenUnie met name was
van, is het niet beter als een zittende huurder de woning koopt. En dan met name ook in
gebieden waarbij de woningen in de verkoop kunnen, oftewel, waar veel relatief veel
sociale huur staat. Nou hebben we met het corporaat al afspraken gemaakt over hoeveel
woningen- Dat in ieder geval de sociale woningvoorraad moet toenemen. Ze mogen wel
wat verkopen, maar de sociale voorraad in totaal moet toenemen. En bij die verkopen
afgesproken dat ze dat wat verspreid over de stad doen. Dus juist in gebieden waar
relatief veel sociaal staat, laat daar dan- Liever hadden we geen verkopen, maar als het
nodig is, laat ze dan daar landen. Dus dat was al bediend. Maar nu was de vraag ook nog
van ja, aan wie moet je dan de woning verkopen. Het voorstel van uw collega, de heer
Van der Heuvel in de commissie was, vraag het eerst aan de zittende bewoners. Op zich
vind ik dat een prima suggestie om eerst de zittende huurder te vragen van, wilt u die
woning hebben? Het gaat dus om de woningen die al in die verkoop komen. Dus ik ga
geen woningen toevoegen aan de verkoop. En dan voor die woning ga ik eerst kijken, wil
een zittende huurder hem kopen. Dat heeft de minste verstoringen voor wijken, voor
buurten, noem maar op. Het is alleen maar die huurder, die heeft als eerste- En er is er
eentje afgevinkt van de verkooplijst. Dus daar heb ik op zich geen grote bezwaren tegen.
Een aantal corporaties werkt ook al wel op deze manier, zeg ik ook bij. Dus het kan op
zich dat ik de corporaties daartoe oproep. Ik wil u wel een beetje voor effecten
waarschuwen. De sociale huurder heeft een huur onder de € 720, anders is het niet meer
sociale huur. De gemiddelde marktwaarde van de woning is hoog. De afslag die bij
verkoop gehanteerd mag worden, is klein. Dus ik denk niet dat het tot een storm loopt van
transacties en dat we daarmee de hele verkoop op deze manier kunnen doen. Maar ja, ik
kan deze motie gewoon uitvoeren.
(De heer HAMMELBURG: Ik kan de wethouder ook wel volgen in dit
preadvies. Een inhoudelijke vraag nog hierover. Want ik begreep ook —
dat was mijn veronderstelling ook — dat de meeste corporaties — al dan
niet alle corporaties — in Amsterdam ook de regel hebben dat als ze dan
die woning, die ze mogen verkopen in de verkoop zetten, eerst voor de
vraagprijs moeten aanbieden aan sociale huurders van hun club. Is dat
een correcte aanname? Of is dat alleen bijvoorbeeld de Alliantie die dat
doet?)
Ik weet niet zeker of ze dat allemaal doen. U stelt het nu ook op een andere
manier dan wat deze motie deze motie, volgens mij, zei. In deze motie staat ‘de zittende
huurder echt eerst te bedienen’. Dat doen ook al een aantal corporaties, zeg ik. Als ze dus
bekendmaken, dit ga ik toevoegen aan de verkooplijst. Dat gebeurt niet zoveel meer, want
de verkoopcijfers zijn behoorlijk groot in de afgelopen jaren geworden. En ze zijn meer
juist blokken uit die verkoopvijver op dit moment aan het halen, dan aan het toevoegen.
Maar mochten ze er iets aan toevoegen, dan voegen ze dat dan toe. Die redenatie die u
heeft, dat ze in eerste instantie aan sociale huurders aanbieden, dat gebeurt zowel bij een
aantal corporaties voor het middensegment. Dat zijn een aantal corporaties. Noem Eigen
Haard, die is daar ook mee bezig met het middensegment huurwoningen. Als een aantal
corporaties dat doet bij koopwoningen. Op zich is dat natuurlijk een heel charmant idee,
want daarmee zorg je dat er ook weer een sociale verhuring bij komt. Dus dat zijn precies
de dingen hoe je, als je toch verkopen hebt, op een slimme manier een maximaal effect
kan bereiken.
28
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
(De heer FLENTGE: Ja, die zoekt nog even zijn weg bij deze motie. Dat
komt, omdat ik wel snap dat dat positief is, dat snap ik wel. Tegelijkertijd
zou ik toch ook aan de wethouder willen vragen, is het eerste wat we
moeten doen en moeten willen niet het niet verkopen van woningen, van
sociale huurwoningen?)
Misschien had ik die randvoorwaarde nog een paar keer eerder moeten zeggen.
Het liefste willen we niet verkopen, we willen een groei van de sociale woningvoorraad.
Die hebben we afgesproken. Maar binnen dat gegeven zal er dus — en dat hebben we
echt wel te accepteren — af en toe een woning verkocht worden, is onze inschatting.
Binnen dat gegeven is deze motie uit te voeren. Maar nee, als u zegt, lees ik deze motie
als een aansporing om meer te gaan verkopen? Nee, zeker niet, want dan had ik er ook
geen positief preadvies op gegeven.
(De heer FLENTGE: Ik vraag het ook eventjes, want die voorwaarde is
natuurlijk wel essentieel. Ik weet wel hoe we erin staan hier inmiddels,
want we zoeken natuurlijk naar manieren om zoveel mogelijk sociale
huurwoningen toe te voegen en zo min mogelijk te verkopen. Maar ik
denk dat de heer Ceder wellicht straks op zijn website en op zijn twitter
misschien iets anders gaat verkopen. Daarom vraag ik er ook even
specifiek naar, want ik denk dat meneer Ceder eigenlijk op zoek is naar
een soort right toen buy, een soort tertiaans-achtige principes. Daar ben ik
bang voor. En dat is natuurlijk gewoon alle ramen en alle deuren
openzetten naar kapitalisme. En dan zullen alleen mevrouw Naoum
Néhmé, misschien nog een andere fractie — Forum waarschijnlijk —
misschien nog wel blij zijn. Dus daar vraag ik even expliciet naar.)
De VOORZITTER: Graag stilte. Rust in de zaal.
Wethouder IVENS: Het begin van de raad en het eind is wel helemaal
omgedraaid. Nu word ik gevraagd om te oordelen over een raadslid. Dat vind ik wel heel
bijzonder. Laat ik het zo zeggen, de heer Ceder is, net als u, mijn baas, opdrachtgever.
En ik acht hem natuurlijk zeer hoog. Dus dat komt vast goed.
(De heer FLENTGE: Maar daarmee concludeer ik — even alle gekheid op
een stokje, het is een belangrijk onderwerp — dat er op geen enkele
manier als u een positief preadvies geeft, suggereert of wil dat de verkoop
van sociale huurwoningen stimuleren. Dit is alleen maar in het geval dat
als er toch verkocht wordt door die vermaledijde verhuurheffing, die ik
nooit mag noemen van de VVD — bij deze alsnog — dat dit aan de zittende
huurder wordt aangeboden.)
Ik heb net aangegeven dat ik in deze motie niet lees dat er meer verkocht moet
worden. Ik zal hem in ieder geval ook niet op die manier uitvoeren, dat er meer verkocht
wordt. Dus dan weet u dat vast. Als deze aangenomen wordt, in de uitvoering zal ik hem
niet als een aansporing zien om meer te verkopen.
Dan ben ik aangekomen bij twee vragen die me gesteld zijn. Een is over de
huurverhoging van 3,1% gemiddeld, 2,6% inflatie plus 0,5% boven de inflatie die in
Amsterdam is afgesproken. U weet het, Aedes, de woonbond, had afgesproken, er mag
1% boven inflatie in ons gebied. We hebben daar 0,5% van gemaakt. Ja, dat was nog
voor corona. Nu denk je, dat halve procent is ook nog wel heftig. Daar ben ik het op zich
helemaal mee eens. Ik heb in eerdere brieven ook al aangegeven hoe relatief makkelijk
ook die halve procent eraf te halen is. lets korting op de verhuur. Dan moet ik er alles aan
29
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
doen aan de prestatieafspraken die we hadden. Dan hoeven we die huurverhoging niet bij
te doen. Dus ja, ik ben het helemaal met u eens dat het goed zou zijn als er toch nog
eens een keer heel goed naar die huurverhoging gekeken wordt. Het eerste gesprek, wat
ik had met de minister toen corona was uitgebroken, ging hierover. Ging over die
huurverhoging. Want we hebben het nu over de huurverhoging van de corporaties, hè.
Huurwoningen particuliere sector, ik heb ze nog niet allemaal overzichtelijk. Maar die
kunnen nog hoger zijn. Dus ja, het eerst wat ik heb gezegd, is deze huurverhoging nu nog
wel het juiste om op tafel te laten liggen? Want het is een inflatie in 2019, die we gehad
hebben. Ja, daar heb je niks aan als je in de coronacrisis je baan kwijtgeraakt bent, dat je
daar nog eens voor moet betalen. Het huurprijsbeleid ligt wel bij de minister. Ik zeg er wel
bij richting de heer Mbarki, dat de goedkope huren sneller stijgen dan de dure
huurwoningen. Dat is op zich wel de bedoeling van die huursombenadering die daar ook
vanuit het rijk bij bedacht is. Die huursombenadering is juist, het idee, de gedachte
erachter is een beetje dat de woningen wat dichter bij elkaar komen te zitten in prijzen. En
met de regels van passend toewijzen, is het de bedoeling dat je in ieder geval als je huurt
of zacht rechterlijk bent, dat je onder de zogenaamde aftoppingsgrens blijft. En dat je dus
een volledige huurtoeslag over het bedrag kunt ontvangen. Voor de rest wijs ik de heer
Mbarki erop dat u er alweer een uitspraak over gedaan heeft. Want, volgens mij, in de
vorige raad heeft u hier een motie over aangenomen, dat wij al hebben aangegeven dat
wij eigenlijk geen huurverhoging willen.
Ik heb nog één vraag. Dat ging over de huurstarters die de dupe zijn. Ik weet dat
het hier in de raad enorm leeft, huurstarters. Huurprijzen die onbetaalbaar zijn. We waren,
denk ik, allemaal wat teleurgesteld toen we laatst lazen dat er voor de huurstarter geen
maatregelen genomen worden door de minister. Daarmee is de woonbrief ook alweer wat
achterhaald, want daar zet ik nog in dat ik hoop dat de minister wel met mooie
maatregelen komt voor de huurstarters. Ik laat graag dit Amsterdamse geluid, waarin we
zeggen, we hebben verpleegkundigen en onderwijzers nodig, en daarvoor hebben we
betaalbare woningen in het middensegment nodig voor huurstarters. Ik laat graag dat
geluid ook nog richting Den Haag klinken.
De VOORZITTER: Dan zijn we, volgens mij, aan het einde gekomen van de
eerste termijn van agendapunt 25. Ik denk dat er geen behoefte is aan een tweede
termijn. Nee. Mooi.
De discussie wordt gesloten.
26.
Kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 666)
De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat wordt
agendapunt 26, kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteveredeling. Zijn
dat dezelfde woordvoerders, denk ik, die daarover het woord willen voeren?
Dan zou ik graag willen kijken in mijn aantekeningen. Er zijn twee moties
ingediend van mevrouw Simons.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
30
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
90° Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe
woonruimteverdeling (WOON! betrekken bij urgentie) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 714).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
WOON! te betrekken bij urgenties om de rechtsbijstand positie van
Amsterdammers te versterken.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
91° Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe
woonruimteverdeling (nieuwe urgentiecategorie) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 715).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Amsterdammers die geen medische urgentie hebben, wel recht op een sociale
woning hebben en geen woning hebben, op te nemen binnen de
urgentiecategorie.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Het woord hebben gevraagd de heer Hammelburg van D66.
Hij heeft nog spreektijd, dus hij krijgt zo het woord. Mevrouw Simons heeft helaas geen
spreektijd meer, dus haar kan ik helaas niet het woord geven. Mevrouw Kilig krijgt het
woord en mevrouw De Jong van GroenLinks kan ik helaas ook niet het woord geven.
Mevrouw KILIG: Voorzitter.
De VOORZITTER: Een moment, hoor.
Mevrouw KILIG: Ik zie af van mijn bijdrage.
De VOORZITTER: Ja. Mevrouw De Jong heeft helaas geen spreektijd meer. De
heer Mbarki heeft nog wel spreektijd, dus hij krijgt het woord. Dan zou ik als eerste het
woord willen aan de heer Hammelburg van D66.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Hammelburg.
De heer HAMMELBURG: Voorzitter, ik wil toch nog kort bevestigen wat ik in de
commissie al heb gezegd. Dat is dat ik het fantastisch vind dat we tot deze nieuwe
woonruimteverdeling zijn gekomen, ook met de omliggende gemeenten. Dat is toch echt
een prestatie. Waar ik me nog wel een beetje zorgen over maak — en volgens mij, is dat
wat mevrouw De Jong ook eerder al in de commissie heeft besproken, en andere partijen
ook, de heer Mbarki, geloof ik — dat is de website, het nieuwe woningweb wat er gaat
komen en hoe dat dan precies gaat. Ik weet niet meer welke partij het zei ooit in de
commissie, maar als je nu gebruikmaakt van de website krijg je vaak niet eens een foto
van een woning te zien. Dus als we die verbeterslag willen maken, hoort deze stap er ook
daadwerkelijk wel bij. Daar wil ik het graag bij laten.
31
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER: Dan heeft de heer Mbarki nog het woord. Die ziet af. Dan zou
ik graag de wethouder willen vragen kort te reageren op de heer Hammelburg en de twee
moties van een kort preadvies te voorzien.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens.
Wethouder IVENS: De heer Hammelburg weet het antwoord op zijn vraag, want
dat hebben we in de commissie natuurlijk ook besproken. Ik ben het daar helemaal mee
eens. Ik vind het ook goed dat u dat nog een keer aangeeft. Het is belangrijk dat die
website verbeterd wordt en het veel aantrekkelijker en duidelijker aangeboden wordt.
Zeker omdat we op een bepaalde manier gaan straffen als je niet meer komt. Ja, dan
moet je toch gewoon wel weten waar je ‘ja’ tegen hebt gezegd of waar je op gereageerd
hebt. Dus dat is er echt een voorwaarde bij. Op dit moment zijn we ook de kosten in kaart
aan het brengen voor wat het is om die website te veranderen en dergelijke. Want ja, dat
vraagt aan de corporaties wat. En daarmee — we hadden het net al even over de
corporatie financiën — is het natuurlijk wel ook een reëel iets wat er ook bij gedaan moet
worden. Dus daar bemoeien we ons ook vanuit dus die regionale stuurgroep — of hoe dat
ding ook maar heet — wel mee. Ook al zijn de corporaties verantwoordelijk.
Dan richting mevrouw Simons. U heeft twee moties ingediend. De eerste motie is
WOON! te betrekken bij urgenties om de rechtsbijstandspositie van Amsterdammers te
versterken. Ik had gehoopt vandaag iets beter duiding te kunnen krijgen, maar helaas lukt
dat niet. WOON!, als je hulp nodig hebt voor hoe je woont, kun je altijd bij WOON!
aankloppen en kan WOON! jou begeleiden. Dus dat deel kan al. Dat deel kan tot het
traject gewoon adviserend van hoe een urgentie aan te vragen, uw urgentie is afgewezen,
hoe moet ik nu verder? Daar kan WOON! allemaal in adviseren. Dat deel kan al. Als het
gaat om WOON! ook een rol te geven in de formele urgentiecriteria — dus eigenlijk wat de
gemeente als taak heeft, het verlenen van urgenties — om daar WOON! ook een rol in te
geven, lijkt me niet verstandig. Om de reden dat 1, de gemeente hier echt vol
verantwoordelijkheid zelf voor moet hebben. U zult mij erop afrekenen dat ik die
achttienhonderd woningen zo goed mogelijk verdeel. En 2, om ook WOON! niet in de
positie te brengen van aan de ene kant service verlenend richting de aanvrager, maar
daarna ook toetsend. Dat lijkt me lastig. Dus ik moet eerlijk zeggen, ik kan niet zo goed uit
de voeten met uw motie. Dus ofwel, hij is overbodig als u hem bedoelt zoals het eerste.
Dan kan dit al. Dan staat WOON! mensen al bij. Als u bedoelt, WOON! moet een positie
hebben, dan zou ik hem ontraden. Overbodig of ontraden, dat komt allebei op een
negatief preadvies neer. 714 was dat.
Voor 715 geldt dat ik de wens zeer goed begrijp. Want wat u zegt, iedereen die
geen woning heeft, zou eigenlijk gewoon met urgentie een woning moeten hebben. Wij
hebben eerder in de raad gezegd, wij vinden eigenlijk dat iedereen met een urgentie
binnen drie maanden een woning moet hebben. Dat zou fantastisch zijn. ledereen die
geen woning heeft, heeft binnen drie maanden een woning. Nu is alleen de praktijk wat
lastiger, want dat betekent eigenlijk dat alle starters op dezelfde lijst komen. Dat zijn
mensen die geen woning hebben. Die zetten we allemaal op één lijst. Die mogen allemaal
gaan vechten om die… Het zijn achttienhonderd woningen. Een heleboel zijn uitstroom uit
maatschappelijke opvang en dergelijke. Een hele hoop woningen gaan naar
statushouders. Een hele hoop woningen gaan naar een groep mantelzorgers. Nou, noem
maar op. Allemaal urgentiecategorieën. We hebben zo'n vierhonderd woningen over voor
de mensen die een sociaal-medische indicatie krijgen. Dus een medische urgentie krijgen.
Als we zeggen, we zetten alle starters daarop… Dat kan. Maar dat betekent de facto dat
32
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
degenen, die hem heel hard nodig hebben vanwege een medische grond, in plaats van
die drie maanden — die al niet helemaal kunnen waarmaken — dat dat echt jaren wordt
wachten. Dat betekent dat doorstromers helemaal niet meer aan de bak komen. Dus ik
begrijp uw wens van de motie, maar ik denk dat u die wens niet bedient met deze motie.
En ben dus ook negatief over motie 715.
De VOORZITTER: Dank u wel voor de preadvisering. Dan kijk ik of er nog
behoefte is aan een tweede termijn. Dat is niet het geval. Dan ronden we ook dit
agendapunt af.
De discussie wordt gesloten.
27.
Kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit,
Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 667)
De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt. Dat betreft
het kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit, Voortgangsrapportage
2019 en vooruitblik 2020. Daarvoor kijk ik even rond. Zijn het dezelfde woordvoerders?
Waarschijnlijk, hê? Ja.
Dan zou ik eerst even willen kijken, zijn er moties ingediend? Nee.
Het woord hebben gevraagd de heer Mbarki, mevrouw De Jong — maar zij heeft
geen spreektijd meer — de heer Flentge, hij heeft nog spreektijd. De heer Hammelburg,
heeft nog een heel klein beetje spreektijd. Meneer Mbarki, mag ik u het woord geven? De
heer Flentge als eerste? Oké, ga uw gang, meneer Flentge.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Flentge.
De heer FLENTGE: Nog steeds een groot, urgent thema, ondanks het feit dat er
nu sinds afgelopen jaar daar flink veel aan gedaan en aan getrokken wordt vanuit de
gemeente in ieder geval. Ook wel, ik merk het her en der, resoneren — om maar eens een
mooi woord te gebruiken. Maar het prachtige onderzoek van AT5 liet toch wel zien onder
welke erbarmelijke omstandigheden heel veel mensen in particuliere woningen en
particuliere verhuurders zitten. En ook gewoon bij corporaties. Dat blijft natuurlijk nog
steeds schokkend. De corporaties zijn opgericht voor een goed en betaalbaar, veilig, goed
huis. Dus dat blijft nog steeds bizar. Ik heb laatste schriftelijke vragen ingediend over De
Key, wederom over de Vogelbuurt. Het duurt eindeloos lang. Wij hebben daar in 2017 een
zwartboek ingediend. En we zijn potverdikkie in 2020 en het is allemaal nog steeds niet
aan de gang. En inmiddels krijgen de mensen wel gewoon huurverhogingen. Ik merk dat
ik daar echt in toenemende mate woedend wordt. Dus het belooft een leuke, gezellige
zomer te worden met De Key, heb ik weleens het idee weer. In het programma staat wel
heel veel. Ik blijf de acties ook wel voeren met heel veel bewoners. Maar de vraag is
eventjes, als ik een actie heb gevoerd — dat is mijn ervaring — met bewoners, dus als
bewoners in actie komen en ik daarbij ondersteund heb, dat er dan een heel lang traject
tussen bewoners en corporatie — soms ook met een particuliere verhuurder — loopt. En ik
vraag me weleens af of de ondersteuning van bijvoorbeeld een organisatie als WOON!
daarbij wel langdurig is. Of dat het alleen maar bij de opstart is. Of dat ze toch langer bij
die bewoners- Want ze worden eigenlijk een beetje uitgewoond — om het maar letterlijk te
33
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
zeggen. Eindeloos lange onderhandelingstafels, eindeloos traineren, het duurt lang,
ingewikkelde procedures. Het zijn mensen met een baan, die ook gewoon een gezin
hebben. En die ook graag in een gezond huis willen wonen en aan de slag willen. Dus ik
vraag me af of daar, in dat traject met WOON!, nog wat- Ik vraag het nu even door middel
van een toezegging, even zoekend. En wellicht een andere keer misschien moet er nog
een motie komen of moet er nog wat geld bij. Dat is allemaal bespreekbaar. Maar ik wil
het nu even onderzoekend doen. In hoeverre kunnen wij die mensen iets beter
begeleiden, zodat ze niet alles moeten doen in die eindeloze gevechten tegen de
corporatie moeten proberen het tot een goed einde te brengen.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Mbarki.
De heer MBARKI: Dank aan de heer Flentge. Ik kan door op zijn verhaal. Het is
inderdaad een belangrijk thema. Vooral nu ook. Ik ben ook blij dat de wethouder zich
vandaag heeft uitgesproken over de loden leidingen. Dat is natuurlijk ook een onderdeel
van de woningen die niet helemaal past. Tenminste, die wij niet passend vinden als het
gaat om de gezondheid van mensen ook.
Wat betreft het programma. Ik heb drie concrete vragen. Ook hier weer, wat
betekent de coronacrisis voor uw programma. Ik ben verder ook benieuwd naar de manier
waarop de huurders worden betrokken hierbij. Dat zijn eigenlijk de twee vragen die ik heb.
Het waren er drie, maar twee is genoeg.
De VOORZITTER: Dan kijk ik naar de laatste spreker. Dat is de heer
Hammelburg. Hij heeft nog 42 seconden.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Hammelburg.
De heer HAMMELBURG: Heel kort. Ik kan me grotendeels aansluiten bij de
woorden van de heren Flentge en Mbarki. Het is eigenlijk onverteerbaar dat Amsterdamse
kinderen nog in schimmelwoningen opgroeien. Ik ben ook blij met de uitspraken van de
heer Flentge over de loden leidingen. Ook daarvoor gaan we weer verder met een sessie
na de zomer. Laten we deze strijd gewoon voortzetten.
De VOORZITTER: Dan geef ik het woord aan de wethouder om te reageren.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Ivens.
Wethouder IVENS: Als eerste even over de loden leidingen. Ik hoop dat ik u
vandaag niet verrast had met de uitspraken die er kwamen. Want het was slechts een
brief waar wij een standpunt, wat we al eerder aan u kenbaar hadden gemaakt, waarin de
G5 nu mee wilde doen. Want ik dacht, ik wil iets krachtiger staan als ik naar Den Haag ga.
En die brief is aan minister Knops, dan wel minister Ollongren — ik weet nooit helemaal
precies hoe die taakverdeling is, maar dat weet - Ik zie daar iemand, een expert, zeggen,
Ollongren, zeg je dat? Nee. Dus die is richting het kabinet gestuurd om daar ook even
heel duidelijk te maken dat die loden leidingen- Als we er echt afscheid van willen nemen,
moeten we het ook gewoon gaan verbieden, want dat is de enige echt krachtige manier
om te zorgen dat het ook echt nu afgerond wordt.
Dan de coronacrisis. Daar hebben we het in de commissie ook al even over
gehad. Ja, de coronacrisis is nog onvoldoende duidelijk wat dat voor de woningkwaliteit
34
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
exact betekent. Ik constateer niet dat corporaties op hun handen gaan zitten en er niet
meer durven financieren. Ik constateer wel dat een aantal particulieren zich even
afvragen, hé, hoe gaat de woningmarkt zich ontwikkelen? Dat is hopelijk heel tijdelijk. Ik
constateer wel dat we een probleem hebben gehad met woningen in gaan. Want ja, dat
was gewoon in de richtlijn: je moet geen woningen in gaan van vreemde mensen. Dus ja,
als je geen bezoek mag krijgen, kun je ook niet een klusjesman op bezoek krijgen. Dus
dat heeft natuurlijk een negatief effect gehad. Aan de andere kant, het programma gaat
niet alleen over huurwoningen. Was het drukker bij de bouwmarkt dan ooit. Dus er zijn
ook heel veel mensen die juist wel in hun woning hebben geïnvesteerd de afgelopen tijd.
Dus ik denk, om heel eerlijk te zijn, dat de eerste tekenen van de eerste maanden van
deze coronacrisis zijn dat van de huiseigenaar de woningkwaliteit verbeterd is. En bij de
huurder het opknappen eventjes wat meer heeft stilgestaan. Dat is een beetje een
inschatting. Gaan we aan het eind zien, want aan het eind van dit jaar maak ik weer een
rapportage. Dan zien we natuurlijk ook wat de effecten helemaal waren.
Dan de bewoners erbij betrekken. Laat ik daar niet al te veel over zeggen, omdat
morgen in de commissiestukken uw kant op komt de vernieuwde kaderafspraken. Ze zijn
weer wat aangepast. En wat de rol is van huurders in een heel traject als een
grootschalige renovatie of sloop plaatsvindt. Daar hebben we weer een aantal dingen in
aangepast. Dus daar hebben we het, volgens mij, de volgende commissie met elkaar wat
nader over, wat die rol van die huurders daar nou is. En die hopen we iets verder
verstevigd te hebben. Ik kan wel richting de heer Flentge geruststellend zijn dat WOON! in
principe gedurende het hele traject bewoners bij kan staan. Er zijn ook echt voorbeelden
waar dat gebeurt. Dat WOON! echt vanaf het begin van het traject tot aan soms wel —
soms is het wel tien jaar later dat een traject afgerond is — bewoners bijstaat. Dat is niet
altijd even intensief. Want trajecten nemen soms wat af en wat toe. Maar binnen de
subsidietaak die WOON! heeft, kunnen ze in het hele traject de bewoners uiteindelijk ook
bijstaan. Dat gebeurt ook wel.
De VOORZITTER: Ik kijk nog even of er behoefte is aan een tweede termijn. Dat
is niet het geval.
De discussie wordt gesloten.
De VOORZITTER: Dan gaan we door naar het volgende agendapunt.
Agendapunt 28, dat was doorgeschoven naar de volgende vergadering op verzoek van de
heer Boomsma. Dat is vanmiddag gebeurd.
28.
Kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak
‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd.
1, nr. 655)
De behandeling van het agendapunt kennisnemen van het besluit inzake de
vaststelling van het Plan van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling
Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 655) is uitgesteld tot de volgende
raadsvergadering.
De VOORZITTER: Dan gaan we naar agendapunt 29. Daar gaan we even voor
bellen. En dan moeten we toch even een korte schorsing om even van woordvoerders te
wisselen. Dus ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken.
35
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
29.
Kennisnemen van het Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen
De Nieuwe Kern. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709)
De VOORZITTER: Leden, ik heropen de vergadering. Aan de orde is — met een
klein excuus voor dat het ietsje later is — agendapunt 29, het kennisnemen van de
Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern.
Er zijn twee moties ingediend. Beide door mevrouw Bloemberg-lssa.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
92° Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en
het Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (bestaande volkstuinparken behouden)
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 709).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
De Amsterdamse bouwambitie niet af te wentelen door woningbouwprogramma’s
te realiseren in het groen van aanliggende gemeentes, zoals De Nieuwe Kern in
Ouder- Amstel, en bestaande volkstuinparken te behouden.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
93° Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en
het Plan van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (geen woningbouw voor
onderzoeksresultaten gezondheidseffecten Schiphol) (Gemeenteblad afd. 1, nr. 710).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Het voorzorgsprincipe te laten gelden door de woningbouw in De Nieuw Kern op
Amsterdams grondgebied niet te starten tot er meer duidelijkheid is over de
gezondheidseffecten als gevolg van de overlast van het vliegverkeer op
omwonenden.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Dan kijk ik- Het woord hebben gevraagd, mevrouw Bloemberg-
Issa, mevrouw Van Renssen en mevrouw De Heer. Mevrouw Van Renssen heeft helaas
geen spreektijd meer. Dus ik geef het woord aan mevrouw Bloemberg-lssa op dit
moment.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bloemberg-lssa.
36
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: In de commissie hoorde ik dat er veel waardering
voor de wethouder is. Coalitiepartijen zeiden bijvoorbeeld, we hebben lof voor deze
oplossing; complimenten voor dit voorstel. Maar ik hoop dat ook de coalitiepartijen met
een Kritische blik naar de plannen voor De Nieuwe Kern kunnen kijken. De Nieuwe Kern is
een woonwijk in de gemeente Ouder-Amstel, die ontwikkeld wordt op het gebied met
Amsterdam als een van de grondeigenaren. Er gebeurt hier iets geks. Er moeten namelijk
volkstuinen voor verdwijnen. In de Uitvoeringsstrategie volkstuinenbeleid — die ligt nu ter
inspraak, dus ik zou ook volkstuinparken en belanghebbenden op willen roepen om te
kijken of ze gebruik maken willen maken van de mogelijkheid om hun zienswijze in te
dienen — staat dat er geen parken zullen verdwijnen. Ik citeer, ‘de volkstuinparken in
Amsterdam zijn een belangrijk deel van de groenstructuur. Zoals afgesproken in het
coalitieakkoord worden de tuinparken niet bebouwd met woningen of andere
verstedelijking’. Voorzitter, dat zijn hele mooie woorden. Er staat ook in dit stuk, ‘de
gemeente wil de prachtige cultuurhistorisch en ecologisch waardevolle volkstuinparken,
die al ruim 100 jaar bij de stad horen, graag behouden voor de toekomst’. Voorzitter, de
Partij voor de Dieren vindt de volkstuinparken heel belangrijk. Ik zou ook de wethouder
willen vragen hoe ik deze teksten moet zien, terwijl er voor De Nieuwe Kern wel
volkstuinparken gaan verdwijnen. Waarom moeten de vele tuinen van Nieuw Vredelust en
Ons Lustoord en enkele tuinen van Dijkzicht wijken voor een stadspark op deze locatie
die voor woningbouw De Nieuwe Kern wordt gecreëerd?
Voorzitter, daarmee doel ik ook op de biodiversiteit die verloren zal gaan. En de
monumentale bomen die zullen verdwijnen. Hoe kan het dat dit groenste college het
eerste college is in vijftig jaar tijd dat volkstuinparken opheft? Kan de wethouder dit nog
stopzetten? Voorzitter, ik neem toch aan dat de wethouder het liefst ook deze parken zal
willen behouden. Wil zij daar haar uiterste best voor doen? Ik dien daarom ook een motie
in om de volkstuinparken te behouden.
Tot slot lijkt het ons niet verstandig om sowieso op deze locatie woningen te gaan
bouwen. Het ligt namelijk onder een aanvliegroute van Schiphol. Daardoor zal op deze
locatie veel geluidsoverlast en luchtvervuiling zijn. Wat zal dat voor de toekomst van de
bewoners betekenen? Het lijkt ons niet verstandig om daaraan te beginnen. Bovendien
loopt er op dit moment nog een groot onderzoek van het RIVM naar de gevolgen van
ultrafijnstof van Schiphol. Daarom dien ik ook een motie in om te wachten met de bouw,
als het doorgaat, in ieder geval totdat dat onderzoek er is en er meer bekend is over de
gezondheidseffecten van wonen op deze locatie.
De VOORZITTER: Dan zou ik het woord willen geven aan mevrouw De Heer,
maar zij is er niet. Dan geef ik het woord aan de wethouder.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Van Doorninck.
Wethouder VAN DOORNINCGK: Ja, mevrouw Bloemberg vroeg of ik mijn uiterste
best kon doen voor de volkstuinen. Voorzitter, ik kan mevrouw Bloemberg vertellen, dat
heb ik de afgelopen twee jaar gedaan. Want toen ik aantrad, lag het plan, de
samenwerkingsovereenkomst tussen Amsterdam en de gemeente Ouder-Amstel en de
andere grondeigenaren, om veel meer volkstuinparken te laten weggaan. Daar ben ik
twee jaar lang met de gemeente Ouder-Amstel over in gesprek gegaan, dat wij de
woningbouwopgave, waar- In uw motie zegt u ‘de Amsterdamse woningbouwopgave’,
maar het is ook heel duidelijk dat Ouder-Amstel hier zeer in geïnteresseerd is en ook
graag deze woningen wil bouwen. En dat het ons gelukt is om met een plan te komen,
37
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
waarbij veel minder volkstuinen op de plek, waar ze nu zijn, wegmoeten en moeten
verhuizen dan in de eerste plannen. Dus ik heb daar heel erg mijn best voor gedaan. Ik
ben er ook eigenlijk best blij mee dat dat gelukt is. En juist in zo'n goede samenwerking
met de gemeente Ouder-Amstel dat wij net zoveel woningen neer kunnen zetten en dat er
veel minder groen voor plaats hoeft te maken. Dus eigenlijk wil ik mijn uiterste best doen.
Ik heb mijn uiterste best gedaan. Ik ben ook eigenlijk zelf best wel tevreden met wat eruit
gekomen is. Namelijk, dezelfde hoeveelheid woningen, minder groen dat verdwijnt. En
tegelijkertijd kan het dus ook zo zijn dat de tuinders die op de plek waar ze nu zitten niet
kunnen blijven, wel hun tuin kunnen volhouden, alleen dan op een andere plek. Dus net
zoveel tuinen blijven er over, alleen ze verhuizen naar elkaar. En er wordt wat ingebreid.
Dus mevrouw Bloemberg heeft helemaal gelijk, het wordt inderdaad minder groen. Maar
het worden niet minder volkstuinen. Zelf denk ik dat dat een heel mooi compromis is. Dat
was nadat er dus een samenwerkingsovereenkomst al getekend was en dat eigenlijk alle
kaarten al geschud waren.
Dan vraagt mevrouw Bloemberg hoe ik het beleid kan rijmen met het nieuwe
volkstuinenbeleid wat Amsterdam ter inspraak heeft gebracht. Het staat ook duidelijk in
het stuk dat dat geldt voor de volkstuinen binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen.
Zoals u weet is De Nieuwe Kern dat niet. Maar daarnaast is het natuurlijk ook wel zo dat
de besluiten over de volkstuinen van De Nieuwe Kern — met name dus Nieuw Vredelust
en een klein stukje Ons Lustoord — al in de vorige periode waren genomen. Eigenlijk
hebben we dat dus deels teruggedraaid. Wat ik u vertelde, het aantal tuinen blijft
hetzelfde. Dat is ook heel fijn. Dus iedereen die daar nu tuiniert, kan ook in de nieuwe
situatie gaan tuinieren.
Dan specifiek op de moties, voorzitter. Daarbij de gezondheidseffecten van
Schiphol. Het is zo dat sinds 1 januari 2018 rondom de luchtvaartcontouren de
regelgeving veranderd is. Dus sinds de SOK er is. Dat betekent dat het voorziene
woningbouwgebied De Nieuwe Kern binnen de 20 Ke-contour onder voorwaarden
mogelijk wordt. Dus er kan daar gebouwd worden volgens de richtlijnen die er zijn. Dat
betekent wel dat dat onder voorwaarden is. Dat betekent dus dat het bevoegd gezag — dat
is in dit geval Ouder-Amstel — ook echt rekenschap moet geven om het dossier goed uit te
voeren en moet zorgen dat mensen daar ook op een goede manier en een gezonde
manier kunnen wonen. Maar in de verantwoordingsverdeling tussen Amsterdam en
Ouder-Amstel zit dit echt bij het bevoegd gezag, namelijk de gemeente Ouder-Amstel.
(Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Voelt de wethouder dan geen
verantwoordelijkheid voor die mensen die op deze locatie gaan wonen als
het gaat om deze woonlocatie en hun gezondheidsperspectieven?}
Dat voel ik zeker, zeg ik tegen mevrouw Bloemberg via de voorzitter. En vandaar
dat we ook zoveel samenwerken met de gemeente Ouder-Amstel. Maar ik denk namelijk
ook dat de gemeente Ouder-Amstel ook al die verantwoordelijkheid voelt. Dat moeten ze
gewoon ook als bevoegd gezag. Zij zullen duidelijk moeten maken dat alle
gezondheidseisen zin meegenomen in de regelgeving rondom hoe die woningen daar
gebouwd gaan worden.
(Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Is de wethouder het met de Partij voor de
Dieren eens dat we dan beter het voorzorgsprincipe kunnen hanteren en
wachten met bouwen in ieder geval totdat het RIVM-onderzoek medio
2021 — dus over ongeveer een jaar — bekend is wat de
gezondheidsgevolgen zijn?)
Ik denk, voorzitter, dat ik daar dus niet voor hoef te wachten, want als ik kijk een
beetje naar het tijdspad wat er nu ligt voor de Nieuwe Kern, dat betekent dat Ouder-
38
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
Amstel moet nog een bestemmingsplan op gaan stellen, er moet nog een merkprocedure
worden gedaan, geluidswaardenonderzoek. En volgens planning kan er op zijn vroegst
een bestemmingsplan zijn in januari 2023. Dus ik denk, alle onderzoeken van het RIVM
kunnen allemaal meegenomen worden in de planvorming van de gemeente Ouder-
Amstel.
Ik denk dat ik uw andere motie over het niet bouwen en het laten voortbestaan
van de volkstuinen eigenlijk al beantwoord heb. Want we laten dus een heleboel
volkstuinen bestaan. Sommigen komen op een net iets andere plek. En inderdaad, toch
wel de verwijzing in uw motie, dat het de Amsterdamse bouwambitie is en dat we dat
afwentelen op Ouder-Amstel, dat zou absoluut geen recht doen aan de enorm goede
samenwerking die we met Ouder-Amstel hebben. En ook de ambities die Ouder-Amstel
heeft om De Nieuwe Kern te gaan verwezenlijken. Maar uiteraard gaat alles gewoon
netjes via procedures. En er gaat geen spa de grond in voordat er een onherroepelijk
bestemmingsplan ligt. Dat betekent dus, mochten er procedures zijn waardoor het langer
duurt, al die tijd blijven de volkstuinders gewoon zitten waar ze nu zitten. Pas als het
onherroepelijk is, gaat er gebouwd worden. Dus wat dat betreft, iedereen die daar nog iets
van vindt, krijgt daar uiteraard de ruimte voor.
De VOORZITTER: Ik kijk of er behoefte is aan een tweede termijn. Ja? Eerst bij
mevrouw Bloemberg en dan mevrouw De Heer in de herkansing. Ja.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Bloemberg-lssa.
Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Mijn motie over het onderzoek naar vliegverkeer
voor omwonenden heeft dan wel een negatief preadvies, maar eigenlijk heb ik het
gehoord dat het toch wordt meegenomen, het RIVM-onderzoek, omdat natuurlijk de
planvorming nog loopt. Er moet nog een bestemmingsplan gewijzigd kunnen worden. Dus
hoewel dit een negatief preadvies krijgt, ga ik er toch vanuit dat dit wordt meegenomen en
dat we hier op een later moment weer op terug kunnen komen als het onderzoek er is.
Dan houd ik het hier bij.
De VOORZITTER: U handhaaft de motie wel, begrijp ik? Ja, oké. Dan bent u
inmiddels op twee seconden na door uw spreektijd heen.
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw De Heer.
Mevrouw DE HEER: Mijn welgemeende excuses. Ik had niet door dat het al was
begonnen.
Dus dank dat ik nog even mijn vraag kan stellen, want ik ben gisteren nog even bij
Nieuw Vredelust geweest. Daar zijn toch wel zorgen — maar dat weet u ook vast wel,
mevrouw de wethouder — over het feit dat zij het gevoel hebben dat ze onder andere
moeten verplaatsen voor een stadspark. Een stadspark dat er ook moet komen. Zij
zeggen tegen mij, waarom moet er mooi groen verruild worden voor nieuw groen? Ik heb
hen beloofd om deze vraag hier te stellen. Dus dat doe ik bij deze.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Van Doorninck.
Wethouder VAN DOORNINCK: Mevrouw Bloemberg, het klopt inderdaad. Ik
neem aan dat de gemeente Ouder-Amstel alle relevante informatie die ze hebben over
39
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 5 juni 2020 Gemeenteraad
Raadsnotulen
hoe gezondheid zo goed mogelijk meegenomen kan worden, meeneemt. U gaf specifiek
aan, dan komt dat hier terug. Het is natuurlijk zo dat het bestemmingsplan echt door de
gemeente Ouder-Amstel wordt gemaakt. Dus dan zal dat in de gemeenteraad van Ouder-
Amstel terugkomen. Maar zoals ik zei, we werken nauw samen. Dus mocht ik ergens in
de tijd daarvoor erachter komen dat ik denk dat het anders werkt, zal ik daar ook het
gesprek aangaan. Maar daar ga ik absoluut niet vanuit.
Mevrouw De Heer, de vraag waarom er een stadspark komt. We hebben
natuurlijk doordat De Nieuwe Kern daar komt en Nieuw Vredelust eigenlijk- Het groen zou
verdwijnen, maar de tuintjes zouden ook niet terugkomen. We zijn heel blij dat het lukt om
die tuinen in de rest van de parken te compenseren, zodat mensen hun tuin kunnen
houden. Alleen dat hele tuinenpark wordt inderdaad wel anders ingericht dan men
gewend is, waardoor er — zoals in het Volkstuinenbeleid ook wordt aangegeven — meer
gemeenschappelijk groen is en misschien wat kleinere privétuinen. Dus dat is sowieso het
Volkstuinenbeleid, waarbij we kijken dat er meer gemeenschappelijke en openbare en
collectieve plekken komen. En dat dat soms ten koste gaat van een paar grote tuinen die
mensen hebben die wellicht wat kleiner worden. Dus dat past ook wel binnen het
Volkstuinenbeleid, dat soms privégroen ruimte maakt voor publiek groen.
(Mevrouw DE HEER: Maar betekent dat dan ook dat dat in samenwerking
kan gaan met Nieuw Vredelust? Om het even te verduidelijken: zij geven
aan, wij hebben hier natuurlijk een heel mooie biodiversiteit, ze hebben
groen, ze zijn veel meer bezig met gezamenlijk groen. Dus kan dat dan
ook samen met hen?)
De inrichting van de tuinparken sowieso in het Volkstuinenbeleid, maar zeker hier
in De Nieuwe Kern zal in nauwe samenwerking gaan met de besturen van de parken en
de mensen die in de parken hun tuintjes hebben. Het is natuurlijk wel zo dat het wel op
een andere plek terechtkomt. Dus het is niet zo dat het op dezelfde plek blijft. Dat is
natuurlijk wat vanaf het begin al duidelijk was toen de samenwerkingsovereenkomst in
2017 werd gesloten. En het enige wat we nu voor elkaar hebben gekregen, is dat mensen
hun tuin terug kunnen krijgen. En dat er veel minder tuinen hoeven te verdwijnen en dat er
minder groen hoeft te verdwijnen dan in de eerste plannen zo was. Maar dat betekent
voor de tuinders op Nieuw Vredelust dat ze wel gaan verhuizen. Dat is wel nog steeds
onderdeel van de plannen, ja. Maar ze worden- Ik bedoel, die plannen over de nieuwe
tuinen eruit gaan zien, die worden nadrukkelijk samen met de tuinders gedaan.
(Mevrouw DE HEER: Ja, een laatste vraag. Ja, ik moet nog wel nadenken
over wat ik hiervan vind, hoor, want ik voel wel mee met wat daar is en
wat daar dan gaat verdwijnen. Maar ik begrijp er nu eigenlijk uit dat dat
dus nog nader wordt uitgewerkt. Is dat dan in het bestemmingsplan? Of is
dat in een- Ja, is het in het bestemmingsplan?)
Wat er aan de hand is, is dat de plek waar nu Nieuw Vredelust is, daar komt
inderdaad woningbouw in de plannen. Uiteindelijk gaan we kijken hoe we de andere
tuinen — het zijn vier tuinparken die daar aan elkaar zitten — gezamenlijk zo gaan inrichten
dat zowel de tuinders van Nieuw Vredelust en een paar van Ons Lustoord daar terecht
kunnen door een andere inrichting. Dat doen we samen met de parken. Waar het park nu
is, daar komt een bestemmingsplan voor woningbouw. Dus het gebied verandert enorm.
Dat is absoluut het geval. Maar die nieuwe tuinen gaan uiteraard weer zoveel mogelijk
ingericht worden om zoveel mogelijk biodiversiteit en ecologische hoogwaardigheid daar
te creëren. Maar daar hebben de tuinders nog meer verstand van dan ik.
40
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER: Goed, dan zijn we aan het einde gekomen van deze tweede
termijn. Dan zou ik ook agendapunt 29 willen afronden.
De discussie wordt gesloten.
De VOORZITTER: Dan zouden we normaliter naar agendapunt 30 gaan, maar
daarvoor hebben alle sprekers die daarvoor het woord hebben gevraagd — namelijk de
fractie van VVD, GroenLinks en Partij voor de Dieren — geen spreektijd meer. Dus dat
agendapunt komt daarmee dan de facto te vervallen. Want er waren namelijk ook geen
moties ingediend.
Is er een motie ingediend? Die staat hier nog niet in.
Mevrouw De Grave heeft een motie ingediend. Ja. Dan wil ik toch wethouder
Kukenheim nog even vragen om- Dan gaan we toch nog even wisselen voor een
preadvies op de ingediende motie.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
30.
Kennisnemen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk
Lydia. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 642)
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
94° Motie van de leden De Grave-Verkerk en Boomsma inzake het behoud
van Huize Lydia (Gemeenteblad afd. 1, nr. 707).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Stadsdeel Zuid aan te sporen om al het mogelijke te doen om het voortbestaan
van de unieke sociale infrastructuur van Huize Lydia voor de toekomst te borgen
en het karakter van Huize Lydia veilig te stellen door de mogelijkheid van
ontmoeting in activiteiten te blijven realiseren.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Er is geen tijd meer voor een bijdrage van de leden van de
raad, dus ik zou eigenlijk de wethouder alleen willen vragen om de ingediende motie van
een preadvies te voorzien.
De VOORZITTER geeft het woord aan wethouder Kukenheim.
Wethouder KUKENHEIM: Het gaat over een buurthuis in Amsterdam Oud-Zuid.
Een pand, Huize Lydia, u kent het vast, want het is vrij bekend. Een heel groot pand, niet
goed toegankelijk. En een pand waarvan ook de vaste lasten voor het pand zelf steeds
maar stijgen en stijgen, terwijl de subsidie weliswaar ook een beetje stijgt, maar niet dat
tempo bijhoudt. Waardoor het stadsdeel zegt, ja, willen we nou langzaam alle subsidie
voor alle activiteiten, die zo belangrijk zijn voor die buurt, in dat enorme stenen pand laten
opgaan. Laten we dat pand wat verkleinen, zodat we zo veel mogelijk van die activiteiten
41
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
kunnen behouden. Het stadsdeel heeft ook geoordeeld, het kan ook, want het pand is
echt heel groot. En ook de toegankelijkheid is een probleem. Voorzitter, een verhaal wat
ik eigenlijk goed kan volgen.
Nu snap ik heel goed dat er dan bewoners, mensen die daar activiteiten hebben,
raadsleden ook, natuurlijk zich zorgen maken over, maar wat gebeurt er dan met die
activiteiten? Want zoveel mensen hebben daar plezier van en het helpt natuurlijk dat
mensen zo lang mogelijk en zo prettig mogelijk thuis kunnen wonen. Daar heeft het
stadsdeel een traject voor opgestart om met al die mensen, met de bewoners en de
mensen van die activiteiten, eigenlijk een soort participatietraject te voeren, zodat die
activiteiten uiteindelijk goed terechtkomen.
Dan kom ik bij de motie, voorzitter. Motie op stuk nummer 707. Dan snap ik heel
goed de zorgen uit de motie, namelijk zorg nou dat die activiteiten wel een plek krijgen,
want het is belangrijk om een goede structuur te hebben in die buurt. Maar de motie zegt
ook een paar dingen waar ik het niet mee eens ben. Namelijk dat het stadsdeelbestuur
eigenlijk helemaal niks heeft gedaan om te zorgen dat er ook maar iets van die structuur
overeind blijft. En dat is gewoon niet wat er aan de hand is. Ik heb eigenlijk vandaag nog
een keer opgehaald, waar staan we nou? Dan zie ik dat er echt een ontzettend uitgebreid
participatietraject, zoals ik ze eigenlijk maar zelden zie, is opgetuigd. Ik moet zeggen, ik
vind dat het stadsdeelbestuur en, ik geloof, de stadsdeelbestuurder Flora Breemer in het
bijzonder, hier echt heel hard voor aan het lopen is. Mensen hebben een brief met een
uitnodiging voor een gesprek ontvangen, ze mochten ook nog aangeven of ze nog andere
mensen willen uitnodigen, ze konden zich aanmelden bij een portal. Het eerste gesprek
over kaders en processen is al geweest. Het gaat over het beheer, exploitatie, lopende
contracten. Gesprekken gaan nog door hierover tot en met juli. En vervolgens mag
iedereen suggesties doen en meepraten over de inrichting en de programmering van het
nieuwe buurthuis Lydia. En vervolgens doet iedereen nog suggesties en ideeën, zie ik. En
daaruit volgt dan een uitvoeringsplan wat eigenlijk geheel door de omwonenden,
gebruikers en andere betrokkenen wordt gemaakt. En dan weer uiteindelijk door de
gemeente wordt aangeboden.
Nou, voorzitter, dus daarmee vind ik dus ook dat het verzoek wat mij wordt
gedaan — namelijk het stadsdeel achter de broek aan te zitten om vooral dit gesprek aan
te gaan — past eigenlijk niet, want het stadsdeel is waanzinnig hard bezig daarmee. Dat
maakt, voorzitter, dat ik de motie ontraad. En dan zie ik dat het stadsdeel goede stappen
onderneemt om de infrastructuur in Amsterdam Oud-Zuid goed te bedienen.
De VOORZITTER: Dank u wel voor dit uitgebreide preadvies.
Dan zijn we ook aan het einde gekomen van dit agendapunt.
De discussie wordt gesloten.
32.
Kennisnemen van het onderzoeksrapport ‘Op weg naar een aardgasvrije Van der
Pekbuurt. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 668)
Dit punt is (van de agenda) afgevoerd.
33.
42
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Instemmen met het niet indienen van zienswijze ten aanzien van het voorstel
resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 Omgevingsdienst Noordzee
Kanaalgebied. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671)
De VOORZITTER: We hadden al met elkaar geconstateerd dat agendapunt 33-
Mevrouw Bloemberg-lssa had als eerste het woord gevraagd, maar zij had er al vanaf
gezien. Dat verder niemand het woord erover wil voeren.
34.
Kennisnemen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021
van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied
en het afzien van het indienen van een zienswijze. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 661)
Dit punt is gehamerd.
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de
raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 661 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
35.
Kennisnemen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid
Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten
Burgerschap. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 649)
Dit punt is gehamerd.
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de
raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 89 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
De VOORZITTER deelt mee dat de volgende motie is ingekomen:
95° Motie van het lid Yilmaz inzake de beleidsbrief ‘Amsterdammerschap in
het onderwijs’ (bevoegdheidseis voor docenten Burgerschap) (Gemeenteblad afd. 1, nr.
1479).
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Bij de minister van OCW er met klem op aan te dringen voor het instellen van een
bevoegdheidseis voor docenten Burgerschap en uitbreiding en/of verbreding van
het huidige aanbod van docentenopleidingen voor de maatschappijvakken.
De motie maakt deel uit van de beraadslaging.
36.
Vaststellen van de financiële bijdragen betreffende de fractieondersteuning over
2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 653)
Dit punt is gehamerd.
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de
raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 653 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
43
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
37.
Herbenoemen van de voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 684)
38.
Benoemen van leden van de begeleidende commissie inzake een extern
onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 673)
38A.
Benoemen van een lid van het presidium. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 683)
39.
Bekrachtigen van de geheimhouding. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 656)
Dit punt is gehamerd.
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de
raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 656 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
40.
Geheim. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 672)
Dit punt is gehamerd.
De voordracht wordt zonder discussie en hoofdelijke stemming goedgekeurd; de
raad neemt mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 672 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
De VOORZITTER: Dat betekent dat we zo dadelijk gaan stemmen. Maar er moet
nog even een actuele stemlijst voor worden gemaakt, die dan ook zo dadelijk zal worden
rondgemaild.
En er is nog wat gesprek geweest — begreep ik in ieder geval — tussen de heer
Boomsma van het CDA en de indieners van het amendement bij de jaarrekening. Ik
begreep dat daar misschien toch nog een accentamendement onderweg is. Dus ik wil
graag de vergadering voor tien minuten schorsen tot 22.10 uur. Dan gaan we richting de
stemmingen. Ik schors de vergadering tot 22.10 uur.
De VOORZITTER schorst de vergadering.
De VOORZITTER heropent de vergadering.
De VOORZITTER: Leden van de gemeenteraad, als iedereen zo dadelijk wil gaan
zitten. Dan hadden we sinds vanmiddag de beraadslaging over het jaarverslag nog niet
helemaal gesloten, omdat er nog in de tweede termijn een vraag was gesteld door de
heer Boomsma over het amendement dat was ingediend door de leden van de
Rekeningencommissie.
Als iedereen wil gaan zitten.
Bij het jaarverslag was er een vraag gesteld door de heer Boomsma ook aan de
voorzitter. Ik begreep ook dat er nog overleg heeft plaatsgevonden, onder andere tussen
44
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
de heer Boomsma en mevrouw Timman en de leden van de Rekeningencommissie. Daar
heeft, volgens mij, mevrouw Timman namens de Rekeningencommissie nog kort het
woord over. Mevrouw Timman, ga uw gang.
Mevrouw TIMMAN: Wij hebben zeker overleg gehad. We hebben geprobeerd om
het nog duidelijker op te schrijven in een accentmotie. Dat doen we, omdat we een
Rekeningencommissie zijn en een apolitieke commissie. En wij er belang aan hechten dat
het raadsbreed wordt aangenomen.
De VOORZITTER: Dus, daar doelt u op, het amendement 716 wordt dan 716’.
Mevrouw TIMMAN: Ja.
De VOORZITTER: Die staat als het goed is nu al in het systeem. Ja. Dus die kan
ook iedereen nalezen.
De VOORZITTER deelt mee dat het volgende amendement is ingekomen:
96° Amendement van de leden Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen
inzake het Jaarverslag 2019 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’)
Besluit:
|. Beslispunt 1 als volgt aan te vullen ‘met dien verstande dat de onttrekking uit de
reserve duurzaamheid van zeven miljoen euro in de jaarrekening 2019 wordt
teruggedraaid’;
IL, Beslispunt 9 ‘kennis te nemen dat ter dekking van de vorming van de
voorziening voor de verwachte waardevermindering van het AEB de
risicoreservering in de reserve Duurzaamheid van zeven miljoen euro is ingezet
en als vrijval in het jaarverslag is verwerkt en in te stemmen met deze vrijval door
de vaststelling van het jaarverslag 2019’ te schrappen.
Het amendement maakt deel uit van de beraadslaging.
Het amendement motie-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 716) maakt geen deel meer uit van de beraadslaging.
De VOORZITTER: Ik zie dat de heer Boomsma daar nog kort wat over wil
zeggen.
De heer BOOMSMA: Ik wil mijn dank uitspreken richting de
Rekeningencommissie voor het voortreffelijke werk van de afgelopen tijd, maar ook voor
de flexibiliteit en de betrachtte zorgvuldigheid in deze. Daar ben ik echt zeer dankbaar
voor. Ik denk dat het belangrijk is om dit soort dingen inderdaad zo zorgvuldig mogelijk te
doen. Daarom wil ik ook mijn eerdere verzoek aan de voorzitter nog even herhalen, want
ik denk… Er is toch wat discussie over geweest over hoe je nu om moet gaan met zo’n
onrechtmatig onttrokken bedrag, hoe je dat kunt corrigeren in de jaarrekening; hoe zich
dat verhoudt tot art. 198 via dat indemniteitsbesluit. Dus misschien is het toch goed als
iemand met relevante expertise daar nog even naar kijkt en daar in een heel kort advies
nog even op terugkomt.
45
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER: Voor de toekomst, bedoelt u?
De heer BOOMSMA: Voor de toekomst, ja.
De VOORZITTER: Laten we daar gewoon nog eens goed naar kijken met elkaar.
De heer BOOMSMA: Ja.
De VOORZITTER: Prima. Dan in ieder geval is het gewijzigde amendement
ingediend. Die staat ook bij iedereen in het systeem, dus die kan ook iedereen nalezen.
Dan is de vraag, kunnen we gaan stemmen op dit moment? Of zijn er nog leden
die dat-
Dus amendement 716 wordt amendement 716’. Dat stond trouwens ook al op de
laatste stemlijst, zie ik. De griffier had een vooruitziende blik.
Stemblok II
De VOORZITTER: U heeft allemaal de laatste stemlijst. Dan zou ik eigenlijk
gewoon willen gaan beginnen met de stemmingen. Allereerst wil ik graag de uitslag van
de benoemingen bij de agendapunten 37, 38 en 38a met u delen, waarover u schriftelijk
gestemd heeft.
37.
Herbenoemen van de voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 684)
Benoemd tot voorzitter van de raadscommissie Ruimtelijke Kwaliteit:
De heer E. Luiten met 41 stemmen voor en 2 blanco.
38.
Benoemen van leden van de begeleidende commissie inzake een extern
onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 673)
Benoemd tot voorzitter van de begeleidende commissie inzake een extern
onderzoek naar het gevoerde erfpachtbeleid:
- het raadslid, mevrouw H. Naoum Néhmé met 42 stemmen voor en 1 tegen.
- het duoraadslid, de heer R.P. Hofland met 43 stemmen voor.
- _ het raadslid, de heer D.T. Boomsma met 43 stemmen voor.
- het raadslid, de heer J.F.W. van Lammeren met 43 stemmen voor.
38A.
Benoemen van een lid van het presidium. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 683)
Benoemd tot lid van het presidium:
Mevrouw T.C. De Fockert met 40 stemmen voor, 2 tegen en 1 blanco.
De VOORZITTER: Alle benoemde personen, van harte gefeliciteerd met uw
benoeming.
46
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Dan gaan we door. Het idee is dat als we de stemlijst hebben om per agendapunt
te gaan stemmen. Ik zal ook per agendapunt nog inventariseren of er eventueel nog
stemverklaringen zijn. Volgens mij, is er voor twee stemmingen een hoofdelijke stemming
aangevraagd. Ja.
Mevrouw TIMMAN: Ik bedenk me nog even over het punt van amendement-
accent, moeten we dan niet het oude amendement intrekken”?
De VOORZITTER: Als u een accent-amendement indient, dan is die vanzelf
ingetrokken. Maar het is goed dat u het nog even zegt. Het oorspronkelijke amendement
is ingetrokken en amendement 716’ is daarvoor in de plaats gekomen. Dank u wel.
Dan gaan we stemmen. Dan gaan we zo dadelijk eerst stemmen over agendapunt
6. We hebben ook een tweetal hoofdelijke stemmingen. Welke waren dat ook alweer?
Bij agendapunt 15. En waarover moet dan hoofdelijk worden gestemd? Bij beide
moties. Dus motie 700 en motie 725 is een hoofdelijke stemming over aangevraagd,
begrijp ik. Ja. Dan zet ik daar even een rondje omheen. Dan gaan we daar zo hoofdelijk
over stemmen.
Dan gaan we eerst in stemming brengen, de twee amendementen bij agendapunt
6, de voordracht en de ingediende moties bij agendapunt 6.
6.
Vaststellen van het Jaarverslag 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659)
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Van Soest voor een
stemverklaring.
Mevrouw VAN SOEST (stemverklaring): Helaas kunnen wij niet voor de
vaststelling van de jaarrekening stemmen. De wethouder is kennelijk van mening dat een
toelichting op de jaarrekening niet toereikend is. We vinden dat uiteraard niet, voorzitter.
Zonder een duidelijke toelichting op de waardering van de deelnemingen houdt dit college
namelijk informatie achter. Dat weerhoudt de Amsterdammer van een betrouwbaar beeld
over het jaarverslag.
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Ceder voor een stemverklaring.
De heer CGEDER (stemverklaring): Ik ben de Rekeningencommissie dankbaar
voor het gewijzigde amendement. Met deze en met de toevoeging van de heer Boomsma
kan ik instemmen met het amendement en de jaarrekening.
Aan de orde is de stemming over het amendement-Van Lammeren
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 699).
Het amendement-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 699) wordt bij zitten
en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat het amendement-Van Lammeren
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 699) is verworpen met de stemmen van Partij van de Ouderen,
Liberaal Conservatieve Fractie, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie, DENK en
BIJ1 voor.
47
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Aan de orde is de stemming over het amendement-Timman, Biemond, Martens
en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’).
Het amendement-Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd.
1, nr. 716’) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat het amendement-Timman, Biemond, Martens
en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’) is aangenomen met de stemmen van Partij
van de Ouderen tegen.
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659) is
aangenomen met de stemmen van Partij van de Ouderen tegen.
De VOORZITTER: U stemt ook voor, mevrouw Van Soest? Oké, dus dan is deze
voordracht met algemene stemmen aangenomen.
Ja, maar u heeft een stemfout gemaakt.
Wat zegt u? U heeft tegen gestemd. Oké, u was net op tijd.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 659 van afd. 1 van het Gemeenteblad, met
inachtneming van de daarin als gevolg van aanneming van het amendement-Timman,
Biemond, Martens en Van Pijpen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 716’) aangebrachte
wijzigingen.
Aan de orde is de stemming over de motie-De Jager en Hammelburg
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 701).
De motie-De Jager en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 701) wordt bij zitten
en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-De Jager en Hammelburg
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 701) is met algemene stemmen aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Biemond en Hammelburg
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 702).
De motie-Biemond en Hammelburg (Gemeenteblad afd. 1, nr. 702) wordt bij zitten
en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Biemond en Hammelburg
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 702) is met algemene stemmen aangenomen.
48
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Aan de orde is de stemming over de motie-De Heer en Schreuders
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 703).
De motie-De Heer en Schreuders (Gemeenteblad afd. 1, nr. 703) wordt bij zitten
en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-De Heer en Schreuders
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 703) is met algemene stemmen aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Ernsting, Roosma en de Heer
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 711).
De motie-Ernsting, Roosma en de Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 711) wordt bij
zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Ernsting, Roosma en de Heer
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 711) is met algemene stemmen aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Boomsma, Ceder en Naoum Néhmé
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 712).
De motie-Boomsma, Ceder en Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 712}
wordt bij zitten en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Boomsma, Ceder en Naoum Néhmé
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 712) is verworpen met de stemmen van VVD, Liberaal
Conservatieve Fractie, CDA, ChristenUnie, Partij van de Ouderen, Forum voor
Democratie en DENK voor.
7.
Instemmen met het verslag en de aanbevelingen van de Rekeningencommissie
over de jaarrekening 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652)
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 652)
met algemene stemmen is aangenomen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 652 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
8.
Kennisnemen van de reactie van het college op het verslag van de
Rekeningencommissie over de jaarrekening 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 682)
49
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De raad heeft kennisgenomen van de reactie van het college op het verslag van
de Rekeningencommissie over de jaarrekening 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 682)
9.
Kennisnemen van de bestuurlijke reactie op het Accountantsverslag 2019
Gemeente Amsterdam van Auditdienst ACAM inzake de controle over het jaarverslag
2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 660)
De raad heeft kennisgenomen van de bestuurlijke reactie op het
Accountantsverslag 2019 Gemeente Amsterdam van Auditdienst ACAM inzake de
controle over het jaarverslag 2019. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 660)
10.
Instemmen met het gewijzigde initiatiefvoorstel “Samen naar school in de hele
stad’ van het lid Simons en kennisnemen van de bestuurlijke reactie op het
oorspronkelijke initiatiefvoorstel. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663)
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Kilig voor een stemverklaring.
Mevrouw KILIG (stemverklaring): De fractie van DENK vindt het een sympathiek
voorstel. We hebben wel een aantal kanttekeningen, zoals onderwijs is een
containerbegrip waar verschillende beperkingen onder vallen. Hoewel we de intentie van
mevrouw Simons begrijpen, vergt het aandacht onderscheid te maken tussen de typen
beperkingen en de werkdruk die het met zich meeneemt voor de docent. Het mag niet ten
koste gaan van de kwaliteit van onderwijs aan andere leerlingen, want niet elke beperking
vergt namelijk dezelfde aanpak. Fysieke beperkingen zijn goed aan te pakken. Andere
beperkingen leggen een extra druk op de leraar. We vinden de aangebrachte wijzigingen
op aanraden van de wethouder een goede aanpassing en zullen daarom het voorstel
steunen.
De VOORZITTER: Mevrouw Kilig, dat is eigenlijk geen stemverklaring. Nou ja, het
was een stemverklaring. Het was gewoon een veel te lange stemverklaring. Dus de
volgende keer niet meer zo lang. U las het wel weer heel snel voor.
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 663)
met de stemmen van Partij van de Ouderen, ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren, SP,
GroenLinks, PvdA, DENK en BIJ1 voor is aangenomen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 663 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
De VOORZITTER: Ik wil mevrouw Simons van harte feliciteren met het
aangenomen initiatiefvoorstel.
50
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
11.
Vaststellen van het bestemmingsplan Kopraweg en omgeving. (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 670)
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 670) is
aangenomen met de stemmen van Partij voor de Dieren en BIJ1 tegen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 670 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
12.
Uiten van wensen en bedenkingen over het uit te lenen bedrag ter overbrugging
aan atletiekvereniging Atos vanuit de grondexploitatie Elzenhagen Zuid. (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 662)
De raad is in de gelegenheid geweest om zijn wensen of bedenkingen te uiten
over het uit te lenen bedrag ter overbrugging aan atletiekvereniging Atos vanuit de
grondexploitatie Elzenhagen Zuid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 662).
13.
Instemmen met het gewijzigde initiatiefvoorstel ‘Crisisaanpak dakloosheid:
Bankslapersregeling, Tijdelijk Thuis Vergoeding en Schrapsessie’ van het lid De Jong en
kennisnemen van de bestuurlijke reactie op het oorspronkelijke initiatiefvoorstel.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 641)
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw la Rose voor een stemverklaring.
Mevrouw LA ROSE (stemverklaring): De PvdA-fractie steunt het amendement
voor de pilot briefadres economisch daklozen, omdat wij vinden dat een briefadres toch
wel het minimale is wat je moet hebben om structuur te brengen in het leven van de
dakloze.
Aan de orde is de stemming over het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd.
1, nr. 717).
Het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd. 1, nr. 717) wordt bij zitten en
opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat het amendement-De Jong (Gemeenteblad afd.
1, nr. 717) is met algemene stemmen aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641).
o1
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 641) is
aangenomen met de stemmen van Forum voor Democratie tegen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 641 van afd. 1 van het Gemeenteblad, met
inachtneming van de daarin als gevolg van aanneming van het amendement-De Jong
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 717) aangebrachte wijzigingen.
De VOORZITTER: Dan wil ik mevrouw De Jong van harte feliciteren met het
aangenomen initiatiefvoorstel.
14.
Instemmen met het initiatiefvoorstel Ontwikkel inclusief talentenfonds van de
leden Van Dantzig en Mbarki en kennisnemen van de bestuurlijke reactie. (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 643)
De VOORZITTER geeft het woord aan de heer Van Dantzig voor een
stemverklaring.
De heer VAN DANTZIG (stemverklaring): Wij gaan voor stemmen, maar niet
voordat ik een groot compliment heb gemaakt aan de wethouder en de ambtenaren, en ik
meen zelfs ook de politieke assistent, voor de fantastische beantwoording.
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 643)
met algemene stemmen is aangenomen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 643 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
De VOORZITTER: Dan wil ik de leden Van Dantzig en de heer Mbarki van harte
feliciteren met de aanname van het initiatiefvoorstel.
15.
Uiten van wensen en bedenkingen over de concept Regionale Energiestrategie Noord-
Holland Zuid. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 669)
Aan de orde is de hoofdelijke stemming over de motie-Van Lammeren
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 700).
De VOORZITTER: Daarvoor gaan we, volgens mij, twee keer hoofdelijk stemmen.
Allereerst is dat over motie 700. Dan gaan wij eerst stemmen over motie 700. Dan ga ik
92
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 11juni 2020 Comeenteraad
weer een nummertje trekken. Wie o wie? Nummer 22 en dat is mevrouw Kilig. Ik roep uw
namen weer op. De griffier is ook zover?
Mevrouw KILIG: Voor.
De heer KREUGER: Voor.
Mevrouw EL KSAIHI: Tegen.
De heer VAN LAMMEREN: Voor.
Mevrouw MARTENS: Voor.
Mevrouw MARTTIN: Voor.
De heer MBARKI: Tegen.
Mevrouw NADIF: Tegen.
Mevrouw NANNINGA: Voor.
Mevrouw NAOUM NÉHMÉ: Voor.
Mevrouw VAN PIJPEN: Tegen.
Mevrouw POOT: Voor.
Mevrouw VAN RENSSEN: Tegen.
Mevrouw ROOSMA: Tegen.
Mevrouw LA ROSE: Tegen.
De heer VAN SCHIJNDEL: Voor.
De heer SCHREUDERS: Tegen.
Mevrouw SIMONS: Voor.
Mevrouw VAN SOEST: Voor.
De heer TAIMOUNTI: Voor.
Mevrouw TIMMAN: Tegen.
De heer VROEGE: Tegen.
Mevrouw A.L. BAKKER: Voor.
De heer N.T. BAKKER: Tegen.
De heer BIEMOND: Tegen.
Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Voor.
De heer BLOM: Tegen.
De heer BOOMSMA: Voor.
o3
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 11juni 2020 Comeenteraad
Mevrouw BOSMAN: Tegen.
De heer BOUTKAN: Tegen.
De heer CGEDER: Voor.
De heer VAN DANTZIG: Tegen.
De heer ERNSTING: Tegen.
De heer FLENTGE: Tegen.
Mevrouw DE FOCKERT: Tegen.
Mevrouw DE GRAVE-VERKERK: Voor.
De heer GROEN: Tegen.
Mevrouw GROOTEN: Tegen.
De heer HAMMELBURG: Tegen.
Mevrouw DE HEER: Tegen.
Mevrouw DE JAGER: Tegen.
Mevrouw DE JONG: Tegen.
Mevrouw KAT: Tegen.
De heer TORN: Voor.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Lammeren (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 700) is verworpen met 26 stemmen tegen en 18 stemmen voor.
Aan de orde is de hoofdelijke stemming over de motie-Kreuger en Van Lammeren
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 725).
De VOORZITTER: Ik zal wederom een fiche trekken. We gaan zo dadelijk
beginnen met nummer 13. Dat is mevrouw De Fockert. Ik kijk eerst even naar de griffier of
we zover zijn. Ja? Oké. Ik moet altijd een beetje denken aan Hans Wiegel op dit soort
momenten, maar goed, misschien ben ik de enige.
Mevrouw DE FOCKERT: Tegen.
Mevrouw DE GRAVE-VERKERK: Voor.
De heer GROEN: Tegen.
Mevrouw GROOTEN: Tegen.
De heer HAMMELBURG: Tegen.
94
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Vergaderdatum 11juni 2020 Comeenteraad
Mevrouw DE HEER: Tegen.
Mevrouw DE JAGER: Tegen.
Mevrouw DE JONG: Tegen.
Mevrouw KAT: Tegen.
Mevrouw KILIG: Voor.
De heer KREUGER: Voor.
Mevrouw EL KSAIHI: Tegen.
De heer VAN LAMMEREN: Voor.
Mevrouw MARTENS: Voor.
Mevrouw MARTTIN: Voor.
De heer MBARKI: Tegen.
Mevrouw NADIF: Tegen.
Mevrouw NANNINGA: Voor.
Mevrouw NAOUM NÉHMÉ: Voor.
Mevrouw VAN PIJPEN: Tegen.
Mevrouw POOT: Voor.
Mevrouw VAN RENSSEN: Tegen.
Mevrouw ROOSMA: Tegen.
Mevrouw LA ROSE: Tegen.
De heer VAN SCHIJNDEL: Voor.
De heer SCHREUDERS: Tegen.
Mevrouw SIMONS: Tegen.
Mevrouw VAN SOEST: Voor.
De heer TAIMOUNTI: Voor.
Mevrouw TIMMAN: Tegen.
De heer VROEGE: Tegen.
Mevrouw A.L. BAKKER: Voor.
De heer N.T. BAKKER: Tegen.
95
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De heer BIEMOND: Tegen.
Mevrouw BLOEMBERG-ISSA: Voor.
De heer BLOM: Tegen.
De heer BOOMSMA: Voor.
Mevrouw BOSMAN: Tegen.
De heer BOUTKAN: Tegen.
De heer CGEDER: Voor.
De heer VAN DANTZIG: Tegen.
De heer ERNSTING: Tegen.
De heer FLENTGE: Tegen.
De heer TORN: Voor.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Kreuger en Van Lammeren
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 725) is verworpen met 27 stemmen tegen en 17 stemmen voor.
De raad is in de gelegenheid geweest om zijn wensen of bedenkingen te uiten
over de concept Regionale Energiestrategie Noord-Holland Zuid. (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 669).
16.
Wijzigen van de Parkeerverordening 2013. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647)
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 647) is
aangenomen met de stemmen van DENK en Partij van de Ouderen tegen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 647 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
17.
Wijzigen van de Verordening Parkeerbelastingen 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr.
650)
Aan de orde is de stemming over het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr.
690).
Het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 690) wordt bij zitten en opstaan
verworpen.
56
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER constateert dat het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 690) is verworpen met de stemmen van Forum voor Democratie en DENK voor.
Aan de orde is de stemming over het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr.
691).
Het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 691) wordt bij zitten en opstaan
verworpen.
De VOORZITTER constateert dat het amendement-Kilie (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 691) is verworpen met de stemmen van DENK en Forum voor Democratie voor.
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 650)
met algemene stemmen is aangenomen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 650 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
18.
Kennisnemen van het onderzoek naar de fietsdiefstalbestrijding van de
rekenkamer en het overnemen van de aanbevelingen. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645)
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 645) is
aangenomen met de stemmen van DENK en Partij van de Ouderen tegen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 645 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
21.
Kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 658)
De raad heeft kennisgenomen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 658).
22.
97
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het
voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering'
(nr.937.19). (Gemeenteblad afd. 1, nr. 648)
Aan de orde is de stemming over de motie-Kilie (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692).
De motie-Kilic (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692) wordt bij zitten en opstaan
verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Kilig (Gemeenteblad afd. 1, nr. 692) is
verworpen met de stemmen van BIJ1 en DENK voor.
Aan de orde is de stemming over de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr.
694).
De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 694) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr.
694) is aangenomen met de stemmen van ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren, SP,
GroenLinks, PvdA, DENK en BIJ1 voor.
De raad heeft kennisgenomen van de Factsheet basisschooladvies en
doorstroom in het voortgezet onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons
‘onderadvisering' (nr.937.19). (Gemeenteblad afd. 1, nr. 648)
23.
Kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. (Gemeenteblad afd.
1, nr. 664)
De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw AL. Bakker voor een
stemverklaring.
Mevrouw A.L. BAKKER (stemverklaring): Over motie 726. Daar zullen wij tegen
stemmen. Wij zijn het er weliswaar mee eens. We willen ook geen windmolens bij de
Gaasperplas. Maar de motie roept ook op om juist wel zon op water te gaan stimuleren.
Maar er is nog te weinig bekend van de effecten hierop op de ecologie. Dus vandaar
kunnen wij dat niet steunen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 696).
De motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 696) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 696) is aangenomen met de stemmen van Liberaal Conservatieve Fractie,
ChristenUnie, CDA, D66, SP, GroenLinks, PvdA, Partij voor de Dieren en BIJ1 voor.
58
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Aan de orde is de stemming over de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 697).
De motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 697) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Renssen (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 697) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 726).
De motie-Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1, nr. 726) wordt bij zitten en
opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Naoum Néhmé (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 726) is verworpen met de stemmen van VVD, Liberaal Conservatieve Fractie, Forum
voor Democratie, DENK en CDA voor.
De raad heeft kennisgenomen van de brief over de strategie klimaatadaptatie.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 664)
24.
Kennisnemen van de raadsbrief over programma bomen. (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 665)
Aan de orde is de stemming over de motie-Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en
De Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705).
De motie-Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 705) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en
De Heer (Gemeenteblad afd. 1, nr. 705) is aangenomen met de stemmen van VVD en SP
tegen.
De raad heeft kennisgenomen van de raadsbrief over programma bomen.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 665)
25.
Kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 654)
Aan de orde is de stemming over de motie-Ceder en Boomsma (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 704).
De motie-Ceder en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 704) wordt bij zitten en
opstaan aangenomen.
59
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
De VOORZITTER constateert dat de motie-Ceder en Boomsma (Gemeenteblad
afd. 1, nr. 704) is aangenomen met de stemmen van Partij van de Ouderen, Liberaal
Conservatieve Fractie, CDA, VVD, ChristenUnie, D66, Partij voor de Dieren, Forum voor
Democratie, DENK en BIJ1 voor.
De raad heeft kennisgenomen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet
woningmarkt. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 654)
26.
Kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 666)
Aan de orde is de stemming over de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr.
714).
De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 714) wordt bij zitten en opstaan
verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr.
714) is verworpen met de stemmen van BIJ1, Forum voor Democratie, Partij voor de
Dieren voor.
Aan de orde is de stemming over de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr.
715).
De motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr. 715) wordt bij zitten en opstaan
verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Simons (Gemeenteblad afd. 1, nr.
715) is verworpen met de stemmen van BIJ1 voor.
De raad heeft kennisgenomen van de raadsconsultatie nieuwe
woonruimteverdeling. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 666)
27.
Kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit,
Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 667)
De raad heeft kennisgenomen van de rapportage Programma Woningkwaliteit,
Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 667)
28.
Kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak
‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. (Gemeenteblad afd.
1, nr. 655)
De raad heeft kennisgenomen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan
van Aanpak ‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 655)
60
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
29.
Kennisnemen van de Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen
De Nieuwe Kern. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 657)
Aan de orde is de stemming over de motie-Bloemberg-\ssa (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 709).
De motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 709) wordt bij zitten en
opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd.
1, nr. 709) is verworpen met de stemmen van Partij voor de Dieren, ChristenUnie en BIJ1
voor.
Aan de orde is de stemming over de motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 710).
De motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd. 1, nr. 710} wordt bij zitten en
opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Bloemberg-lssa (Gemeenteblad afd.
1, nr. 710) is verworpen met de stemmen van Partij voor de Dieren, Liberaal
Conservatieve Fractie en BIJ1 voor.
De raad heeft kennisgenomen van de Stedenbouwkundige Visie en Plan van
Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 659)
30.
Kennisnemen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk
Lydia. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 642)
Aan de orde is de stemming over de motie-De Grave-Verkerk en Boomsma
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 707).
De motie-De Grave-Verkerk en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 707) wordt
bij zitten en opstaan verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-De Grave-Verkerk en Boomsma
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 707) is verworpen met de stemmen van VVD, ChristenUnie,
Partij van de Ouderen, Liberaal Conservatieve Fractie, Partij voor de Dieren, Forum voor
Democratie en DENK voor.
De raad heeft kennisgenomen van de raadsadressen inzake het behoud van het
Huis van de Wijk Lydia. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 642)
31.
Kennisnemen van het ongevraagde advies van stadsdeelcommissie Oost inzake
het functioneren van tramlijn 26. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 644)
61
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
Aan de orde is de stemming over de motie- (Gemeenteblad afd. 1, nr. 722).
De motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 722) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr.
722) met algemene stemmen is aangenomen.
Aan de orde is de stemming over de motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr.
724).
De motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 724) wordt bij zitten en opstaan
verworpen.
De VOORZITTER constateert dat de motie-Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr.
724) is verworpen met de stemmen van Partij van de Ouderen, Liberaal Conservatieve
Fractie, CDA, ChristenUnie, Partij voor de Dieren, Forum voor Democratie en DENK voor.
De raad heeft kennisgenomen van het ongevraagde advies van
stadsdeelcommissie Oost inzake het functioneren van tramlijn 26. (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 644)
33.
Instemmen met het niet indienen van zienswijze ten aanzien van het voorstel
resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 Omgevingsdienst Noordzee
Kanaalgebied. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671)
Aan de orde is de stemming over de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671).
De voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671) wordt bij zitten en opstaan
aangenomen.
De VOORZITTER constateert dat de voordracht (Gemeenteblad afd. 1, nr. 671)
met de stemmen van Partij van de Ouderen tegen is aangenomen.
De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de raad neemt
mitsdien het besluit, vermeld onder nr. 671 van afd. 1 van het Gemeenteblad.
34.
Kennisnemen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021
van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied
en het afzien van het indienen van een zienswijze. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 661)
De raad heeft kennisgenomen van de concept jaarrekening 2019 en de
conceptbegroting 2021 van de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer
Noordzeekanaalgebied en het afzien van het indienen van een zienswijze.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 661)
62
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 2 Gemeenteraad
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
35.
Kennisnemen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid
Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten
Burgerschap. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 649)
De raad heeft kennisgenomen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479
van raadslid Yilmaz inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten
Burgerschap. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 649)
De VOORZITTER: Dan is het inmiddels 22:45 uur. Zijn we aan het einde
gekomen van deze raadsvergadering van vier dagdelen. Wil ik u allen hartelijk danken,
wens ik u nog een heel prettige avond en wens ik u wel thuis.
De vergadering is gesloten.
63
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
INDEX
1479 Motie van het lid Yilmaz inzake de beleidsbrief ‘Amsterdammerschap in het
onderwijs’ (bevoegdheidseis voor docenten Burgerschap) … … nnen 43
642 Kennisnemen van de raadsadressen inzake het behoud van het Huis van de Wijk
Lydia. nnen vennen eener rseennnererennvenen eener ee venver serene veeeereeenneevene Î
646 Beschikbaar stellen van een extra (rendabel) krediet van 6,3 miljoen euro voor de
installatie van reclamedisplays in metrostations. …… nennen eneen Î
648 Kennisnemen van de Factsheet basisschooladvies en doorstroom in het voortgezet
onderwijs en afhandeling van de motie van het lid Simons ‘onderadvisering' (nr.937.19).
649 Kennisnemen van de raadsbrief ter afhandeling van motie 1479 van raadslid Yilmaz
inzake Amsterdammerschap in onderwijs - bevoegdheidseis docenten Burgerschap. .43
651 Kennisnemen van het raadsadres met het verzoek tot detaillering van berekening
canon bij overstap William Barlowlaan. … … …… … neen eener eener eenen Î
653 Vaststellen van de financiële bijdragen betreffende de fractieondersteuning over
655 Kennisnemen van het besluit inzake de vaststelling van het Plan van Aanpak
‘Programma Uitvoering Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht’. … … … 35
656 Bekrachtigen van de geheimhouding. … …………….n nee enenneeenee renee svenn ÂÂ
658 Kennisnemen van de voortgangsbrief Diversiteit en Inclusiviteit. … … … … nd
661 Kennisnemen van de concept jaarrekening 2019 en de conceptbegroting 2021 van
de Gemeenschappelijke Regeling Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied en
het afzien van het indienen van een zienswijze. … … nnn Á 3
664 Kennisnemen van de brief over de strategie klimaatadaptatie. … … … … 18
665 Kennisnemen van de raadsbrief over programma bomen. … nnen 21
666 Kennisnemen van de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling.… … … … … 30
667 Kennisnemen van de rapportage Programma Woningkwaliteit,
Voortgangsrapportage 2019 en vooruitblik 2020. nnee eeens JÔ
667 Kennisnemen van de Woonbrief 2020 en de Factsheet woningmarkt. …… … … … 26
668 Kennisnemen van het onderzoeksrapport ‘Op weg naar een aardgasvrije Van der
LL EE
671 Instemmen met het niet indienen van zienswijze ten aanzien van het voorstel
resultaatbestemming 2019 en de ontwerpbegroting 2021 Omgevingsdienst Noordzee
Kanaalgebied. … … nonnen vennnereneeseeneeennner vennen eener eeever eneen eere
672 Geheim. … nnen vene renerenereverveneeneenennereveneere eee eneveerenee veen vereee ÂÂ
673 Benoemen van leden van de begeleidende commissie inzake een extern onderzoek
naar het gevoerde erfpachtbeleid. …… … nanne ennen nnene ennen ÂÁ
683 Benoemen van een lid van het presidium. … … nnen de Á
684 Herbenoemen van de voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. … … … … 43
692 Motie van het lid Kilig inzake de Factsheet basisschooladvies (overgangsregelingen
van scholen en het zoveel mogelijk voorkomen om leerlingen niet te laten doorstromen)
693 Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (sancties voor
scholen die onderadviseren)… … nnee eneen eneen eener seeeenneeeennneeneneennnenn Î2
694 Motie van het lid Simons inzake de Factsheet basisschooladvies (gesprekken met
het BBO voor aanpassing kernprocedure) … … unne 12
696 Motie van het lid Van Renssen inzake de Strategie Klimaatadaptie (maatregelen
eigen terrein} … … ennen renner sneren eener eenneneeenveeeneneer venen nnee ÎÒ
64
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Afdeling 2 Gemeenteraad R
Vergaderdatum 11 juni 2020 Raadsnotulen
697 Motie van het lid Van Renssen inzake Strategie Klimaatadaptatie (onderzoek naar
norm waterberging) … … … nennen eneen enner eneen eeen eeneenen eenen 1
704 Motie van de leden Ceder en Boomsma inzake de Woonbrief 2020 en de Factsheet
woningmarkt (verkoop sociale huurwoningen aan bewoners zelf) … ……… … … 26
705 Motie van de leden Van Pijpen, A.L. Bakker, De Jager en De Heer inzake de
raadsbrief over het programma bomen (herplant bij het omvormen tot ecologische
houtopstand) … … nnen ennen eenen veneesnneernnee nnee ÈÎ
707 Motie van de leden De Grave-Verkerk en Boomsma inzake het behoud van Huize
Lydia... ennen erennnere eener renee ervarenen eener eevenver senen eee reevererneee Î
709 Kennisnemen van het Stedenbouwkundige Visie en Plan van Aanpak volkstuinen
De Nieuwe Kern. … …… neer eenervenvereee renee rverenenven venen OÔ
709 Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en het Plan
van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (bestaande volkstuinparken behouden) …… 36
710 Motie van het lid Bloemberg-lssa inzake de Stedenbouwkundige Visie en het Plan
van Aanpak volkstuinen De Nieuwe Kern (geen woningbouw voor onderzoeksresultaten
gezondheidseffecten Schiphol). … … … nennen eener eener veeenneeeen ener seee eeen OÓ
714 Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling
(WOON! betrekken bij urgentie) … … … nanne nennen rennen nenee renee eneen OÛ
715 Motie van het lid Simons inzake de raadsconsultatie nieuwe woonruimteverdeling
(nieuwe urgentiecategorie) … … nnee eneen Ä
716' Amendement van de leden Timman, Biemond, Martens en Van Pijpen inzake het
Jaarverslag 2019 …… anneer eeennnererenneneeeeeee ee vennvere vermeer eenerveenver rvan Â
726 Motie van het lid Naoum Néhmé inzake concept Regionale Energiestrategie Noord-
Holland Zuid (Geen windmolens bij de Gaasperplas en landelijk Noord) … … … 18
65
|
Raadsnotulen
| 65
|
train
|
X Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2013
Afdeling 1
Nummer 983
Publicatiedatum 30 oktober 2013
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van de raadsleden de heer F.M. Molenaar
en mevrouw G.A.M. van Doorninck van 9 januari 2013 inzake de evaluatie van en
mogelijke maatregelen tegen vuurwerkoverlast rond de jaarwisseling.
Amsterdam, 28 oktober 2013
Aan de gemeenteraad
inleiding door vragenstellers:
Via het landelijk meldpunt vuurwerkoverlast van GroenLinks is tussen 20 december
2012 en 3 januari 2013 door Amsterdammers 3834 keer geklaagd over harde
vuurwerkknallen, te vroeg afgestoken vuurwerk, autobranden, achtergelaten rommel,
overlast en gevaarlijke situaties voor mens en dier. In totaal kwamen er bij het digitale
meldpunt 82.212 meldingen binnen. Veertig procent van de meldingen ging over
overlast door vuurwerkbommen, die mensen soms nachten uit hun slaap houden.
Een andere grote ergernis was het te vroeg afsteken van vuurwerk (34%). Andere
meldingen gingen over vuurwerkstress bij huisdieren (11%) en over vuurwerkschade
en gevaarlijke situaties op straat (8%). Na de start van de vuurwerkverkoop — vier
dagen de jaarwisseling — nam het aantal klachten explosief toe.
Het landelijk meldpunt was een initiatief van 15 lokale fracties van GroenLinks. Het is
een reactie op de elk jaar toenemende vuurwerkoverlast. Het gaat daarbij over
overlast door voortijdig afsteken van vuurwerk, waardoor veel mensen en dieren zich
onveilig voelen. Maar ook over de tientallen gewonden, miljoenen euro's schade en
duizenden kilo's afval waar het nieuwe jaar mee wordt ingeluid. In de oudejaarsnacht
is het bovendien op sommige plekken gevaarlijk om te ademen: de zware metalen die
verwerkt zijn in het siervuurwerk kunnen voor een giftige smog zorgen.
De fractie van GroenLinks vindt al langer dat de voordelen van door consumenten
afgestoken vuurwerk niet opwegen tegen de nadelen. De tonnen schade aan
woningen, auto’s en andere eigendommen, de vele al dan niet met opzet ontstane
brandjes, de talloze gevallen van ernstige letselschade waaronder jaarlijks gemiddeld
25 verblinde ogen en 40 mensen die hun hand (deels) moeten missen, de vervuiling
door de smog en de overlast voor mens en (huis)dier.
De fractie van GroenLinks wil daarom dat de vuurwerktraditie wordt gemoderniseerd.
Met Oud en Nieuw wordt vuurwerk uitsluitend afgestoken bij professionele
vuurwerkshows. In steeds meer landen gebeurt het al op deze manier. Hierdoor heb
je wel de voordelen, maar zijn de nadelen minimaal. Waar een verbod op
consumentenvuurwerk is ingevoerd, nam het aantal slachtoffers spectaculair af. Het
1
Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Demmer oe oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013
standpunt van de fractie van GroenLinks krijgt onder andere bijval van de Vereniging
voor Plastische Chirurgie (NVPC) en het Oogheelkundig Gezelschap (NOG), die rond
Oud en Nieuw honderden slachtoffers moeten behandelen’.
In de Volkskrant van 9 januari 2013° zegt mevrouw Marieke Dijkema van de GGD
Amsterdam, expert op het gebied van fijnstof, dat het nog onduidelijk is hoe schadelijk
de vuurwerkdampen voor de volksgezondheid zijn. *'We weten dat zelfs kortdurende
verhoogde fijn stof concentraties tot extra hartaanvallen, beroertes en
ziekenhuisopnamen van longpatiënten leiden, maar dit is nooit specifiek onderzocht
voor fijn stof door vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Uit hetzelfde artikel blijkt dat de
GGD in Amsterdam een fijnstofpiek tot 250 rapporteerde, terwijl de Europese
fijnstofregels lidstaten voorschrijven de gemiddelde concentraties van fijnstof
beneden de 40 microgram te houden. De fractie van GroenLinks maakt zich grote
zorgen over de gezondheidseffecten van de ultra fijnstof die vrijkomt bij het afsteken
van vuurwerk. Door de weersomstandigheden viel de concentratie dit jaar
waarschijnlijk lager uit dan in andere jaren.
Uit een onlangs in opdracht van de fractie van GroenLinks door No Ties gehouden
opiniepeiling onder 1363 Nederlanders bleek dat 75% van de ondervraagde
Amsterdammers meent dat vuurwerk tot overlast leidt, en 37% heeft zelf overlast
ervaren. Een meerderheid van 52% van de Amsterdammers is inmiddels voorstander
van een verbod op consumentenvuurwerk, al dan niet gecombineerd met het centraal
afsteken van professioneel vuurwerk tijdens Oud en Nieuw.
Gezien het vorenstaande hebben vragenstellers op 9 januari 2013, beiden namens
de fractie van GroenLinks, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor
de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen tot het college van
burgemeester en wethouders gericht:
1. Heeft het college kennisgenomen van het landelijk meldpunt vuurwerkoverlast,
het artikel in de Volkskrant, de Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) en
het Oogheelkundig Gezelschap (NOG)?
Antwoord:
Ja.
2. Deelt het college de zorgen van de fractie van GroenLinks zoals hiervoren
beschreven?
Antwoord:
De jaarwisseling 2012-2013 is in Amsterdam wederom relatief rustig verlopen. In
de evaluatie, die conform de toezegging aan de Raad wordt aangeboden, wordt
ingegaan op het verloop. De politie geeft aan dat het aantal aanhoudingen en
incidenten fors is gedaald en ook het aantal containerbranden neemt de
afgelopen jaren af. Wat met name opviel de afgelopen jaarwisseling is de
' http://nos.nl/artikel/458855-vuurwerk-consumenten-in-de-ban.html
? http://www .volkskrant.nl/vk/nl/2672/Wetenschap-
Gezondheid/article/detail/3374314/2013/01/09/Vuurwerk-afsteken-leidt-tot-extreme-concentraties
fijnstof.dhtml?utm_source=scherm18&utm medium=button&utm campaign=Cookiecheck
2
Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R
Neeing dea Gemeenteblad
Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013
toename van het aantal vuurwerkslachtoffers en daaraan gerelateerde
ambulanceritten, die ook landelijk te zien is. Sinds de jaarwisseling van
2011-2012 wordt door de GHOR en door de ingezette EHBO-posten
geregistreerd op het aantal vuurwerk gewonden. Tijdens de editie van 2011-2012
zijn 7 ambulanceritten uitgevoerd én zijn 3 mensen behandeld in een EHBO-post
naar aanleiding van vuurwerkincidenten. Tijdens de editie 2012-2013 zijn
38 ambulanceritten uitgevoerd én 7 mensen behandeld in de EHBO-posten naar
aanleiding van vuurwerkincidenten.
In de evaluatie van de jaarwisseling is achteraf samen met de Geneeskundige
Hulpverlening tevens gekeken naar de mogelijke oorzaken van deze toename.
De Geneeskundige Hulpverlening heeft aangegeven dat het vaak uit
privacyoverwegingen niet mogelijk is, om (achteraf) een dergelijk onderzoek te
doen. Breder bestaat wel het vermoeden dat er een relatie met illegaal vuurwerk
te leggen is. In de voorbereiding op komende jaarwisseling zal worden gekeken of
het mogelijk is om meer inzicht te verkrijgen in de aard van de individuele
vuurwerkverwondingen (zijn de verwondingen te relateren aan illegaal vuurwerk,
aan pijlen ect.).
De jaarwisseling wordt in Amsterdam traditioneel beschouwd als een risicovolle
periode, die gepaard gaat met een grote inzet van nood- en hulpdiensten. Maar
het College ziet de viering van de jaarwisseling vooral als een feestelijke
gebeurtenis die gebaseerd is op een lange traditie. Vuurwerk neemt daarbij een
centrale plaats in. De traditie gaat ook gepaard met tijdelijke overlast.
De beschikbare handhavingscapaciteit en inzet van nood- en hulpdiensten kent
zijn grenzen. Het is daarom van belang om ook een beroep te doen op de eigen
verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van bewoners en bezoekers van de
stad. Als het gaat om de aanpak van de vuurwerkproblematiek wil het College de
focus leggen op de aanpak van zwaar illegaal vuurwerk. Het College ziet
vooralsnog geen aanleiding om extra beperkingen of verboden op te leggen ten
aanzien van legaal vuurwerk.
3. Is het college bereid om de Amsterdamse vuurwerk ongevallencijfers van de
afgelopen jaren in beeld kan brengen, en daarbij in het bijzonder over de
aantallen en ernst van letselschades (oog- en handschades) aan de
gemeenteraad te rapporteren?
Antwoord:
Zie de beantwoording van vraag 2.
4. Is het college bereid om over de vuurwerkschade ten gevolge van branden, zoals
auto's en (on)roerende goederen, ontstaan door vuurwerk in kaart te brengen en
hierover aan de gemeenteraad te rapporteren?
Antwoord:
OOV registreert vanaf 2009 de branden in vuil- en papiercontainers om gericht
deze problematiek aan te pakken. Zoals u in de evaluatie kunt lezen laat deze
registratie de afgelopen jaren een geleidelijke daling zien van containerbranden
over de gehele stad. Voor de komende jaarwisseling zal aan de stadsdelen
gevraagd worden om overige schade aan gemeente eigendommen ontstaan door
vuurwerk ook in kaart te brengen.
3
Jaar 2013 Gemeente Amsterdam
Neeing dea Gemeenteblad R
Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013
5. Is het college bereid om samen met andere gemeenten onderzoek te doen naar
de precieze gezondheidseffecten van de vuurwerkdampen die vrijkomen bij het
afsteken van vuurwerk tijdens de viering van Oud en Nieuw? Kan het college
het antwoord toelichten?
Antwoord:
De GGD is gevraagd om aan te geven of het mogelijk is (mogelijk in
samenwerking met andere gemeenten) een onderzoek uit te laten voeren naar de
gezondheidseffecten van de vuurwerkdampen. Daarover wordt in de evaluatie het
volgende aangegeven:
Het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling leidt tot kortstondige
verhoogde concentraties fijnstof. Doorgaans is het gehalte van fijnstof rondom de
jaarwisseling enkele uren na middennacht weer op het reguliere niveau. Omdat
vuurwerkdampen zo kortstondig (enkele uren) tot pieken leiden is het uitvoeren
van epidemiologisch onderzoek (d.w.z. onderzoek bij grote groepen mensen) erg
lastig, zo niet onmogelijk. Een verband tussen blootstelling aan
luchtverontreiniging en gezondheid is in epidemiologisch onderzoek enkel
aantoonbaar bij meer langdurig verhoogde concentraties. Als het weerbericht
zodanig is dat langdurig hoge concentraties worden verwacht (bijv. bij mist of
zwakke wind) wordt door het RIVM met het publiek gecommuniceerd over de
gezondheidseffecten hiervan en de maatregelen die het publiek zelf kunnen
nemen om de gezondheidseffecten te verminderen.
6. Kan het college de gemaakte en te maken kosten voor preventie en herstel van
mensen, dier en goederen ten gevolge van het afsteken van vuurwerk in kaart
brengen en hierover aan de gemeenteraad te rapporteren?
Antwoord:
Zoals aangegeven bij vraag 4 worden de stadsdelen gevraagd dit jaar alle schade
gemeente eigendommen inzichtelijk te maken. Op de overige kosten voor
preventie en herstel van mensen, dier en persoonlijke goederen ten gevolge van
het afsteken van vuurwerk heeft de gemeente geen zicht, dit betreft voor een
belangrijk deel verzekeringskosten.
7. Is het college bereid om de komende jaarwisseling extra inspanningen te
verrichten op het vlak van handhaving om het verkopen dan wel bezitten van
illegaal vuurwerk onder controle te krijgen en om de overlast en schade van
vuurwerk te beperken?
Antwoord:
Het College is bekend met de toename van de overlast en is bereid daar waar
mogelijk extra inspanningen te leveren. Toezicht op handel en het bezit van
illegaal vuurwerk is primair een zaak voor het Openbaar Ministerie.
Dit jaar heeft de politie eenheid Amsterdam 20 agenten opgeleid in het kader van
opsporen en herkennen van zwaar illegaal vuurwerk en deze herfst begint de
intensivering op de opsporing van handel in illegaal vuurwerk. Tevens controleert
de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied in de aanloop naar de jaarwisseling
de reguliere verkooppunten. Als tijdens deze controles illegaal vuurwerk wordt
4
Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R
Neeing dea Gemeenteblad
Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013
aangetroffen, wordt het Openbaar Ministerie hierover geïnformeerd en vindt
handhaving plaats.
Net als voorgaande jaren treedt de politie op tegen vuurwerkoverlast, door op te
treden tegen te vroeg afsteken en bij gevaarlijke situaties. In de sancties is veelal
verwezen naar Halt.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft per brief dd 25 september 2013
(m.b.t. de aandachtspunten voor de jaarwisseling 2013-2014) aangegeven dat het
afgelopen jaar veel aandacht is gegeven aan het opsporen van illegaal zwaar
knalvuurwerk dat ondermeer via websites wordt aangeboden en via
pakketdiensten wordt verstuurd. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
brengt in samenwerking met de politie deze vuurwerkstromen in beeld. Evenals
voorgaande jaren blijkt dat veel illegaal gevaarlijk vuurwerk afkomstig is uit Oost-
Europa. De ILT heeft afgelopen jaar de contacten met deze landen verder
uitgebouwd, onder meer door het uitwisselen van inspecteurs. Deze aanpak zal
komend jaar worden voortgezet. Ook het komende jaar worden ingezet op de
aanpak en het terugdringen van gebruik van illegaal vuurwerk. Daarbij zal
wederom gebruik worden gemaakt van de inzet van de Taskforce Opsporing
Vuurwerkbommenmakers die via internet en sociale media, met name jongeren,
effectief aanspreekt op het gebruik van illegaal vuurwerk.
8. Is het college bereid zich ervoor in te zetten om de verkoop van
consumentenvuurwerk de volgende jaren te beperken tot 2 aaneengesloten
dagen, dat wil zeggen de periode van 30 tot 31 december, zodat de ervaren
overlast vooruitlopend op Oud en Nieuw beperkt wordt?
Antwoord:
De drie verkoopdagen zijn wettelijk vastgesteld. De spreiding van de verkoop over
drie dagen heeft juist de intentie de overlast rondom verkooppunten te beperken.
De focus van het College is gericht op de aanpak van zwaar illegaal vuurwerk.
Het beperken van de legale verkoop leidt wellicht juist tot meer illegale verkoop.
9. Is het college bereid zich samen met de stadsdelen in te zetten voor uitbreiding
van centraal afgestoken vuurwerklocaties, zodat er wellicht volgend jaar in elk
stadsdeel een plek is waar men van professioneel vuurwerk kan genieten tijdens
de jaarwisseling?
Antwoord:
De Gemeente Amsterdam steekt middelen en energie in het centraal afgestoken
vuurwerk dat op het Oosterdok wordt georganiseerd en staat als
vergunningverlener open voor andere initiatieven. Mochten er andere aanvragen
binnen komen, dan zal worden beoordeeld of deze bijdragen aan een veilige en
feestelijk jaarwisseling, mede in relatie tot de beschikbare handhavingscapaciteit.
5
Jaar 2013 Gemeente Amsterdam R
Neeing dea Gemeenteblad
Datum 30 oktober 2013 Schriftelijke vragen, woensdag 9 januari 2013
10. Is het college bereid te onderzoeken of een verbod op het afsteken van vuurwerk
door particulieren op bepaalde locaties of in bepaalde stadsdelen zin heeft,
bijvoorbeeld om de kans op het uitbreken van branden ten gevolge van
vuurwerkpijlen in de historische binnenstad te beperken?
Antwoord:
In verband met de tijdelijke overlast is met name voor kwetsbare locaties zoals bij
Artis reeds een verbod op het afsteken van vuurwerk. Vanuit brandveiligheids-
perspectief ziet de Brandweer geen aanleiding om tijdens de jaarwisseling op
meer plaatsen in de stad een vuurwerkverbod af te kondigen. Het college ziet
vooralsnog dan ook geen reden om andere locaties aan te wijzen waarvoor een
algeheel vuurwerkverbod zou moeten gelden.
11. Kan het college een analyse geven van het centraal afgestoken vuurwerk aan
het Oosterdok? Hoeveel heeft dit gekost en hoeveel mensen zijn hier op af
gekomen? Was, gelet op de relatief geringe belangstelling in vergelijking met
andere jaren, deze locatie wel de meest geschikte?
Antwoord:
Vorig jaar is voor het eerst een centraal vuurwerkmoment georganiseerd op het
Oosterdok, dit mede omdat het evenement van de Staatloterij op het
Museumplein wegviel. Het vuurwerkmoment op het Oosterdok is georganiseerd
vanuit de gemeente en deels bekostigd door de gemeente, deels door IDTV.
De bijdrage in de kosten vanuit de gemeente aan dit landelijke tv-/vuurwerk-
moment was in 2012 € 270.000,-.
Hoewel het slecht weer was, heeft het vuurwerkmoment ongeveer
5000 bezoekers aangetrokken. Buiten deze toeschouwers hebben nog ruim
1 miljoen tv-kijkers het moment vanuit Amsterdam gezien. Daarbovenop zijn de
beelden op verschillende internationale zenders getoond.
Vanuit de politie, brandweer, GHOR, en het evenementenbureau wordt positief
teruggekeken op dit vaurwerkmoment dat zonder noemenswaardige incidenten is
verlopen.
De planning is dat er komende jaarwisseling wederom een vuurwerkmoment komt
op deze locatie, waarbij de focus vooral op het 24.00 uur moment ligt.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
6
|
Schriftelijke Vraag
| 6
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 1214
Publicatiedatum 12 oktober 2016
Ingekomen onder G
Ingekomen op 5 oktober 2016
Behandeld op 5 oktober 2016
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van het lid Ernsting inzake de Nota van Uitgangspunten en het Voorlopig
Ontwerp voor de Van Woustraat (onderzoek autovrije ‘knip’ in de Van Woustraat).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Nota van Uitgangspunten en het Voorlopig Ontwerp
voor de Van Woustraat (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1191).
Constaterende dat:
— in de bestuurscommissie Zuid een Voorlopig Ontwerp voor de herinrichting van
de van Woustraat is aangenomen.
Overwegende dat:
— de Van Woustraat een belangrijke netwerkfunctie vervult in het plusnet fiets en
voor de fietsbereikbaarheid van de stad belangrijk is;
— de Van Woustraat ook plusnet voet is, en met de steeds drukker wordende
Albert Cuypmarkt een typisch grootstedelijke functie vervult;
— het plusnetten systematiek een stedelijk kader is, met normen voor de inrichting
van de ruimte voor fietsers en voetgangers;
— de raad de Van Woustraat per amendement heeft genoemd in de
Uitvoeringsagenda Mobiliteit als voorbeeld van een stadsstraat;
— het VO inrijdend autoverkeer (mede) afwentelt op de Weteringschans in stadsdeel
Centrum;
— stadsdeel Zuid het besluit over het VO heeft genomen zonder advies van de
Centrale Verkeers Commissie;
— bewoners en ondernemersgroepen een oproep hebben gedaan om te
onderzoeken of een deel van de van Woustraat autovrij zou kunnen worden
ingericht, om doorgaand autoverkeer onmogelijk te maken en zodoende meer
ruimte voor fietsers en voetgangers te creëren.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— een kentekenonderzoek te doen naar de omvang van het doorgaande
autoverkeer in de Van Woustraat;
— serieus onderzoek te doen naar het realiseren van een autovrij deel (‘knip’) in
de Van Woustraat, tussen de Stadhouderskade en de Govert Flinckstraat, dan
wel tussen de Stadhouderskade en de Ceintuurbaan.
1
Het lid van de gemeenteraad
Z.D. Ernsting
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
> Gemeente
Amsterdam
Kwartaalrapportage Q2 2020
Programma Lightrail 2020 -2040
PLR/OVG/227
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
2
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
Kwartaalrapportage Q1 2020
Programma Lightrail 2020 — 2040
Verslag nummer 5
Dossier Kwartaalrapportages Programma Lightrail 2020 -2040
Documentnummer PLR/OVG/266/3
3
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
Inhoud
1 Inleiding …… ss snsnsnnnonen eenn renersensnnnnenenseenersenennnnnsnenrensenvennnnnnenennenreenensenennnnenenrennnen 5
1.1 Doel kwartaalrapportage en rapportageperiode nennen ennen ennvenneenneerseernen 5
1.2 Managementsamenvatting … unne ensen ennenenenenenseerenserensenenenenseerenserensenenseerensereensen 5
1.3 Leeswijzer ennn aanrennen enserennenenseerensenenserrenerennnenenseerenserenvenensenenseerenserenvenensneneneree
2 Voortgang programma … .nsssssoosrenserrnerrennenvennsennserreneerennenennnenrsvnenrenserenverrnnnenrnnnnr Ö
2.1 Inleiding... nonnen ennen enneenen ennen venvennnenvenvennvenveeneeneennvenvenvenvensvenvenvensvenveeveenvenn Ö
2.2 Realiseren Amsterdamse bijdrage aan MASH nonnen eneenennneeneen G
2.3 Stakeholdermanagement binnen gemeente Amsterdam en context … … … … 10
3 Programmabeheersing … usus sns onrenneneenennennnnenenseenersenennnnenenseensenvennnnnsnenreneerne 12
3.1 Programmaplanning … nonnen envenveneeeneeenenneeneenenenvenvenenenvenvenseenveenvenvenveneenen 12
3.2 Financiën … annen eneen enne neerenenenennneereeeenrenennenverveeeenenennenvenenvenenennverveeennenenne neer 12
3-3 Risicomanagement nnen neen enneneen enne neeneneeevenseerenenneneenensenervenneerveenverveenenene ÂÌ
3.4 Tegenspraak … nennen enne nnenneeneenenenvenvenenenvenvennvenvenvenseenvenvenveenvenveeneenee Dl
4
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
1 Inleiding
1.1 Doel kwartaalrapportage en rapportageperiode
Voor u ligt de vijfde kwartaalrapportage van het Programma Lightrail 2020 - 2040. Het
programma is ondergebracht bij de afdeling Bijzondere Opdrachten van Metro en Tram (MET).
Het Programma Lightrail 2020-2040 levert de Amsterdamse bijdrage aan het onderzoek naar 2
metro-uitbreidingen (doortrekken Noord/Zuidlijn naar Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn)
onder de naam Toekomstbestending Mobiliteitssysteem Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp
(MASH).
Deze kwartaalrapportage geeft het gemeentebestuur, de gemeentedirecties en de strategische
partners inzicht in het gevolgde proces tot en met het tweede kwartaal van 2020.
Een inhoudelijke rapportage met de bereikte resultaten is 11 juni vastgesteld door de
Programmaraad Samen Bouwen aan Bereikbaarheid (SBAB).
1.2 Managementsamenvatting
Met de positieve besluitvorming door de Programmaraad SBAB over de (gefaseerde) verlenging
van de Noord/Zuidlijn naar Hoofddorp en een vervolgonderzoek naar het sluiten van de Ringlijn is
het Programma Lightrail tevreden over de behaalde resultaten: we zijn goed op koers richting het
Bestuurlijk Overleg (BO) MIRT in november 2020.
Coronacrisis
In Q2 2020 is onderzocht of een versnelde en gefaseerde realisatie van de metro-uitbreidingen na
de coronacrisis mogelijk is. Vooral station Amsterdam Zuid lijkt interessant in verband met
synergie met het ontwerp- en aanbestedingstraject van Zuidasdok. Het door het kabinet door het
corona uitgestelde Groeifonds lijkt vooralsnog met Prinsjesdag als een Investeringsfonds
gepresenteerd te worden.
Afronding onderzoeksfase MASH
Het onderzoek MASH is afgerond met een eindrapportage. Hierin wordt de hypothese bevestigd:
het doortrekken van de Noord/Zuidlijn naar Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn heeft een
groot probleemoplossend vermogen voor de bereikbaarheidsopgave aan de westzijde van de stad.
De investeringskosten van beide metro-uitbreidingen zijn samen tussen de €3 en €5 miljard. Start
realisatie bouw in 2025 en start exploitatie begin jaren 30.
Op basis van de eindrapportages MASH en Zuidwest Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp (ZWASH)
heeft de Programmaraad SBAB op 11 juni het volgende besloten:
=__ Akkoord voor het verder onderzoeken van een gefaseerde verlenging van de Noord/Zuidlijn
naar Schiphol (“no regret”) en Hoofddorp.
= _ Nadere uitwerking van de multimodale bereikbaarheidspakketten a) Noord/Zuidlijn en
Ringlijn en b) Noord/Zuidlijn en Airportsprinter.
= Nadere vitwerking van wegenpakket in aanvulling op het OV-pakket
5
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
= Nadere vitwerking van de bekostiging van het multimodale bereikbaarheidspakket welke de
basis zal vormen voor de verkenningsfase.
De resultaten van de onderzoeken ZWASH, MASH en Airportsprinter vormen de basis voor
definitieve besluitvorming in het BO MIRT van 25 november.
Organisatie vervolgfase
Voor de vitwerking van bovenstaande onderzoekspakketten zal een werkorganisatie van MASH
en ZWASH onder het programma het programma SBAB worden opgezet. Gezamenlijk
opdrachtgeverschap ligt bij het Rijk en de Regio MRA, opdrachtnemerschap zal tevens op basis
van een duoschap Rijkf/regio plaatsvinden door zowel een projectleider van het Ministerie van
Infrastructuur & Waterstaat (l&W) als namens de regio.
Het Programma Lightrail stelt, met input van de overige 6 MASH partijen en het Rijk, een voorstel
op voor de benodigde programma organisatie voor zowel de resterende onderzoeksfase (tot
november 2020) als de MIRT verkenningsfase (start november 2020).
Stakeholdermanagement en communicatie
Vanuit het programma Rijk-regio wordt het BO MIRT voorbereid en is de Amsterdamse input
(trekkerschap directie Economische Zaken) voor het Groeiflnvesteringsfonds ingediend. Vanuit
het programma Rijk-regio voert Public Affairs en Bestuurlijke Projecten een lobbystrategie die
inzet op 3 sporen: a) Vervoerregio en SBAB via stakeholdermanagement b) besluitvorming huidig
kabinet via MIRT en Groeifonds en c) richting het nieuwe kabinet via inzet op
verkiezingsprogramma'’s en formatie.
Voorafgaand aan de Programmaraad van 21 juni is een gezamenlijke woordvoeringslijn opgesteld
en er is voor gekozen de communicatie via de SBAB nieuwsbrief en SBAB website te laten
plaatsvinden.
Planning
= _BO MASH ntb: Overleg met MASH partners t.b.v. bekostiging
= Programmaraad SBAB 28 oktober
= _ Bestuurlijk Overleg MIRT 25 november: besluitvorming tot start “MIRT verkenning”.
Financiën
Voor het jaar 2020 is een budget van € 2 miljoen begroot, financieel gedekt uit gelijke bijdragen uit
het SMF en het Vereveningsfonds (VEF). De bijdrage uit het VEF 2020 is 1 juli door de
gemeenteraad geaccordeerd. De realisatie van de programmakosten in de eerste helft van 2020
past binnen de begroting.
Risico's
1. De positieve effecten op het totale regionale OV-netwerk van de combinatie van de tracés Zuid-
Schiphol-Hoofddorp en sluiten Ringlijn tussen Isolatorweg — Centraal Station komen onvoldoende
over het voetlicht. De kracht van het hypotheseonderzoek ligt juist in de combinatie van beide
tracés: de koppeling van de Ringlijn aan de Oostlijn heeft voordelen voor het totale OV-
netwerk. Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 21 juni wordt in het najaar
nog een vergelijkend onderzoek gedaan tussen de Ringlijn en de Airportsprinter.
Beheersing van dit risico door het versterken van de argumentatie voor het sluiten van de
Ringlijn. Aantonen voordelen voor het totale netwerk door de koppeling met de Oostlijn door
de vervoerwaarde aan te tonen (op basis van de uitkomsten uit de werkstroom 3).
6
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
2. Vertraging MIRT- verkenning (start nov 2020)
Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 11 juni wordt in het najaar nog een
vergelijkend onderzoek gedaan tussen twee multimodale bereikbaarheidspakketten met als
belangrijkste verschil een gesloten Ringlijn of Airportsprinter. Daarnaast kan de bestuurlijke
aandacht en besluitvorming door de coronacrisis vertragen. De crisis biedt ook kansen tot
versnelling door anticyclisch te investeren om de economie op gang te brengen. Dit door een
gefaseerde en versnelde uitbreiding van de metrolijnen.
Beheersing door eigen initiatief te nemen om de onderzoeksresultaten zoveel mogelijk uit te
werken; in de periode tot november 2020 blijven inzetten op bekostiging/ financiering,
wetende dat door de corona-crisis de prioriteiten anders zijn komen te liggen. Er zijn
voldoende redenen om de MIRT verkenning in november 2020 te starten en de financiering
tijdens de eerste fase van het verkenningsfase af te ronden. Inzetten op bijdrage uit het
Groei/lnvesteringsfonds.
3. Regionaal draagvlak. Om de kansen voor de inzet te verstevigen is breed regionaal draagvlak
een pré. Beheersing: het is van belang dat we als regio gezamenlijk optrekken. Hiervoor
aantonen van nut en noodzaak van de lijnen. Samen met de regio een bredere OV 2040
agenda opstellen met fasering van de verschillende OV infrastructuurprojecten.
1.3 Leeswijzer
De voortgang van het Programma Lightrail 2020- 2040 is beschreven in hoofdstuk 2. Hierbij wordt
specifiek ingegaan op het Amsterdamse aandeel in het hypotheseonderzoek en de aanpak van het
stakeholdermanagement.
In hoofdstuk drie worden de verschillende beheersingsaspecten van het programma toegelicht
waaronder de programmaplanning, begroting en financiën en het risicomanagement.
7
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
2 Voortgang programma
2.1 Inleiding
De Gemeente Amsterdam, Gemeente Haarlemmermeer, Schiphol, KLM, NS, ProRail & VRA
werken sinds januari 2019 gezamenlijk de hypothese uit dat het doortrekken van de Noord/Zuidlijn
naar Schiphol en Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn een groot probleemoplossend
vermogen heeft voor de bereikbaarheidsopgave aan de westzijde van de stad. De VRA heeft
hierbij de coördinerende rol tussen de 7 partijen. De uitwerking van de hypothese wordt aangeduid
met de naam Toekomstbestendig Mobiliteitssysteem Amsterdam-Schiphol-Hoofddorp (MASH).
De 7 partijen hebben de uitwerking verdeeld aan de hand van drie hoofdwerkstromen:
a) Tracé en kosten (trekker: Gemeente Amsterdam, Haarlemmermeer)
b) Bekostiging & business case (trekkers: Gemeente Amsterdam en Schiphol)
c) Vervoerskundige vitwerking _ (trekkers: ProRail, NS en VRA)
Programma Lightrail 2020-2040
Het Programma Lightrail 2020 — 2040 richt zich op:
1. Het realiseren van de Amsterdamse bijdrage aan MASH: advies voor voorkeurstracés naar
Schiphol-Hoofddorp en het sluiten van de Ringlijn tussen station Isolatorweg naar Centraal
Station, inclusief hoofdkeuzes t.a.v. systemen en rijdend materieel. Van deze
voorkeursvariant zal een kostenindicatie opgesteld worden voor de initiële aanleg, exploitatie
en beheer & onderhoudskosten.
2. In hetlicht van de prioriteit voor deze 2 mogelijke uitbreidingen van het metronet komen tot,
en bijhouden van, een lightrail agenda gericht op het bereikbaar en leefbaar houden van
Amsterdam in de periode 2020 — 204,0.
3. Het programmateam vormt de verbindende factor tussen de verschillende stakeholders
binnen de gemeente Amsterdam (en overige stakeholders in samenwerking met de VRA),
stelt het gemeenschappelijk belang centraal bij de inhoudelijke vitwerking en neemt bij
eventuele conflicten in belangen, een faciliterende rol in om deze te overbruggen en tot
besluitvorming te brengen.
Afbakening Q2 2020 rapportage
Deze rapportage beschrijft het proces dat is gevolgd. Een inhoudelijke rapportage met de bereikte
resultaten is 11 juni vastgesteld door de Programmaraad Samen Bouwen aan Bereikbaarheid
(SBAB).
8
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
2.2 Realiseren Amsterdamse bijdrage aan MASH
In deze paragraaf worden de uitgevoerde activiteiten per werkstroom toegelicht.
Werkstroom a) Tracé, systeemkeuzes en kosten
De eindrapportage van werkgroep A is afgerond en ter besluitvorming aangeboden aan de
Programmaraad SBAB. De investeringskosten van beide metro-uitbreidingen zijn samen tussen
de €3 en €5 miljard. Start realisatie bouw in 2025 en start exploitatie begin jaren 30.
In afstemming met de partners is onderzocht hoe de metro-uitbreidingen van de NZL naar de
Amstelveenseweg (en evt. Johan Huizingalaan), en de Ringlijn van Isolatorweg naar
Hemknoop/Transformatorweg versneld te kunnen realiseren na de corona crisis. Vooral Zuid lijkt
interessant in verband met synergie met het ontwerp- en aanbestedingstraject van Zuidasdok.
Het is ook van belang om uitdagende onderdelen in het werk zoals station Amstelveenseweg en
Schinkelbrug snel op te pakken. Met Zuidasdok wordt nu ook bekeken welke no-regret
aanpassingen er in het ontwerp van Zuidasdok moeten worden doorgevoerd om alles maximaal
voor te bereiden voor de NZL.
Samen met GVB en VRA is in O2 gestart met een Lijnennetstudie. Hier worden de 2 metro
uitbreidingen en bijbehorende wensen voor een nieuwe werkplaats, opstelterreinen en
bestuurderloos rijden ingebracht.
In Q2 is vanuit systeemintegratie, systeemontwerp en duurzaamheid een aanpak geformuleerd
voor een verkennings- en planuitvoeringsfase.
Werkstroom b) bekostiging & businesscase
Ten behoeve van de Programmaraad SBAB heeft de werkgroep B een eindrapportage met daarin
een business case, een discussiestuk over een mogelijkheden voor alternatieve bekostiging en een
Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse opgeleverd. Nadruk in de komende maanden zal liggen op
verdere uitwerking en afstemming van het bekostigingsvoorstel namens regio en partners.
Werkstroom c) vervoerskundige uitwerking
In Q2 is de eindrapportage van werkgroep C opgesteld en aangeboden.
Overkoepelende activiteiten richting Programmaraad SBAB (juni) en BO MIRT (november)
In @2 zijn de eindrapportages van de 3 werkstromen gebundeld en voorzien van een
overkoepelende rapportage. Deze rapportage is schriftelijk vastgesteld door het BO MASH en
besproken in de Programmaraad SBAB van 11 juni. Hier vond een bredere afweging tussen trein,
metro en weg binnen MIRT onderzoek ZWASH/SBAB plaats die heeft geresulteerd in de volgende
besluiten:
= Akkoord voor het verder onderzoeken van een gefaseerde verlenging van de Noord/Zuidlijn
naar Schiphol (“no regret”) en Hoofddorp.
= _ Nadere uitwerking van de multimodale bereikbaarheidspakketten a) Noord/Zuidlijn en
Ringlijn en b) Noord/Zuidlijn en Airportsprinter.
= Nadere vitwerking van wegenpakket in aanvulling op het OV-pakket
= Nadere vitwerking van de bekostiging van het multimodale bereikbaarheidspakket welke de
basis zal vormen voor de verkenningsfase.
Voor de vitwerking van bovenstaande onderzoekspakketten zal een werkorganisatie van MASH
en ZWASH onder het programma SBAB worden opgezet. Gezamenlijk opdrachtgeverschap ligt bij
9
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
het Rijk en de Regio MRA, opdrachtnemerschap zal tevens op basis van een duoschap Rijk/regio
plaatsvinden door zowel een projectleider van het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat
(I&W) als namens de regio. De resultaten van de onderzoeken worden in het BO MIRT van
november geagendeerd waar definitieve besluitvorming plaats zal vinden.
Het Programma Lightrail stelt, met input van de overige 6 MASH partijen en het Rijk, een voorstel
op voor de benodigde programma organisatie voor zowel de resterende onderzoeksfase (tot
november 2020) als de MIRT verkenningsfase (start november 2020). Het directeurenoverleg van
MASH blijft bestaan.
2.3 Stakeholdermanagement binnen gemeente Amsterdam en context
Het stakeholdermanagement van MASH wordt opgepakt door de VRA, waaraan het Programma
Lightrail actief bijdraagt. Via de klankbordgroepen van SBAB worden de stakeholders, waaronder
GVB, Almere en provincie Noord-Holland, geïnformeerd. Medewerkers van Programma Lightrail
onderhielden ook contacten met MRA en het ministerie van I&W.
Het stakeholdermanagement van Programma Lightrail 2020 -2040 is in eerste instantie gericht op
de verschillende directies binnen de gemeente Amsterdam. De betrokken teamleiders van V&OR,
R&D, EZ, Clusterstaf R&E, Public Affairs en Bestuurlijke Projecten en het Programma Lightrail
2020-2040 stemmen de voortgang van de verschillende mobiliteits- en gebiedsontwikkelingen, en
de Amsterdamse inzet daarin, met elkaar af.
Rijk en regio
Vanuit het programma Rijk-regio voert Public Affairs en Bestuurlijke Projecten een lobbystrategie
die inzet op 3 sporen: a) Vervoerregio en SBAB via stakeholdermanagement b) besluitvorming
huidig kabinet via MIRT en Groei/lnvesteringsfonds en c) richting het nieuwe kabinet via inzet op
verkiezingsprogramma'’s en formatie.
Onder trekkerschap van het programma Rijk-regio wordt, met de Amsterdamse betrokkenen, de
Amsterdamse inzet voor het BO MIRT en SBAB voorbereid met een focus op de metroplannen aan
de westkant van Amsterdam.
Vanuit het programma Rijk-regio (trekkerschap directie Economische Zaken) is gewerkt aan de
Amsterdamse input voor het Groeifonds van het kabinet. Amsterdam zet hierbij in op de metro-
uitbreidingen aan de westkant van Amsterdam. Naar verwachting komt het kabinet toch op
Prinsjesdag met het door corona uitgestelde Groei/lnvesteringsfonds.
Raakvlakken projecten en programma's
MASH heeft vele raakvlakken met lopende projecten en programma’s. Net als in vorige kwartalen
zijn contacten onderhouden met onder andere Werkgroep Schaalsprong OV,
Verstedelijkingsstrategie en Businesscase G4, Regionaal Toekomstbeeld OV 2040, Schiphol Area
Development Company, Airport Sprinter, Project Zuidasdok en Programma Signalling & Control.
Intensieve samenwerking vindt plaats met de werkgroep ZWASH. Ook met programma's Haven-
Stad, Schinkelkwartier en Oude Haagsche Weg vindt structurele afstemming plaats over tracés,
stations, grondposities en sociale doelen en impact van de metro-uitbreidingen.
10
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
Communicatie
Aan de communicatie werkgroep zijn ook de woordvoerders van het ministerie I&W en de
provincie Noord-Holland toegevoegd. Dit om de samenwerking, die de komende periode alleen
maar intensiever zal worden, te versterken.
Voorafgaand aan de Programmaraad van 11 juni is een gezamenlijke woordvoeringslijn opgesteld
en er is voor gekozen de communicatie via de SBAB nieuwsbrief en SBAB website te laten
plaatsvinden.
Op 22 april is een webinar binnen MET georganiseerd, die mogelijk wordt herhaald na het
zomerreces voor de overige betrokken medewerkers binnen Amsterdam.
11
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
3 Programmabeheersing
3.1 Programmaplanning
Het Programmaplan Lightrail 2020 -2040 beschrijft de aanpak voor de onderzoeksfase, die wordt
afgesloten met een bestuurlijk besluit. Het programmaplan ging vit van besluitvorming over de
voorkeurstracés eind 2019. Dit is vitgesteld naar het Bestuurlijk Overleg MIRT van 25 november
2020 waar idealiter het hypotheseonderzoek wordt ‘gepromoveerd’ tot een formele status ‘MIRT
verkenning’. Hiervoor is een nieuw programmaplan in voorbereiding.
3-2 Financiën
3.2.1 Begroting
De kosten voor de onderzoeksfase zijn geraamd op circa € 1 miljoen voor 2019 en € 2 miljoen voor
2020. Deze kosten bestaan uit kosten voor capaciteit van het programmateam zoals opgenomen
in het Programmaplan in hoofdstuk 5, paragraaf 3 (2019: € 0,23 miljoen, 2020 € 1 miljoen) en out of
pocket kosten zoals o.a. advieskosten tracéonderzoek en communicatiemiddelen (2019 € 0,77
miljoen en 2020 € 1 miljoen).
De financiële dekking voor 2019 en 2020 is voorzien uit gelijke bijdragen vit het Stedelijk
MobiliteitsFonds (SMF) en het Vereveningsfonds (VEF). In Q4 2019 heeft de gemeenteraad
ingestemd met deze dekking via het vaststellen van de gemeentebegroting 2020 en de
Najaarsnota 2019. De bijdrage uit VEF voor 2020 (€ 1 miljoen) is in de Voorjaarsnota 2020
opgenomen. De gemeenteraad heeft per 1 juli 2020 hiermee ingestemd.
3.2.2 Financiële stand van zaken
De tabel op bladzijde 13 geeft een weergave van de financiële cijfers.
Realisatie Q2 2020
De eindprognose 2020 is vooralsnog gelijk gehouden. De uitgaven voor de personele inzet van het
kernteam zijn in het 1° half jaar minder dan begroot conform het bedrijfsplan. Dit heeft te maken
met de afronding van de onderzoeksrapportage en een “pas op de plaats” in afwachting van de
bestuurlijke besluitvorming. Naar verwachting zal in het najaar de personele inzet weer stijgen in
de voorbereiding van de MIRT verkenningsfase.
In @3 zullen advieskosten worden gemaakt voor de vergelijkende onderzoeken naar sluiten
Ringlijn en de Airportsprinter en de mogelijkheden voor het gefaseerd aanleggen van de metro.
12
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
HEEN HE
Ei KEER EEEN
iq zaan Rei
gt tnt
ij sed
IN MOEREN |
8
13 8e 8
LE Heit,
TE Ii NE 5
É 55 ä 5 & 8
Ni: EER FEEN
° e
bink ban BEREN BEEEln SED,
13
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
3.3 Risicomanagement
Het risicomanagement voor het Programma Lightrail 2020 — 2040 is gericht op het succesvol
behalen van de programmadoelstellingen. De toprisico's voor het programma Lightrail 2020 -2040
zijn:
1. De positieve effecten op het totale regionale OV-netwerk van de combinatie van de tracés Zuid-
Schiphol-Hoofddorp en sluiten Ringlijn tussen Isolatorweg — Centraal Station komen onvoldoende
over het voetlicht.
De kracht van het hypotheseonderzoek ligt juist in de combinatie van beide tracés: de
koppeling van de Ringlijn aan de Oostlijn heeft voordelen voor het totale OV-netwerk.
Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB van 11 juni wordt in het najaar nog een
vergelijkend onderzoek gedaan tussen de Ringlijn en de Airportsprinter.
Beheersmaatregelen:
= versterken van de argumentatie voor het sluiten van de Ringlijn;
= aantonen voordelen voor het totale netwerk door de koppeling met de Oostlijn door de
vervoerwaarde aan te tonen (aan de hand van de uitkomsten uit de werkstroom
vervoerkundige uitwerking).
2. Vertraging MIRT- verkenning (november 2020)
Het hypotheseonderzoek is afgerond. Conform besluitvorming in de programmaraad SBAB
van 11 juni wordt in het najaar nog een vergelijkend onderzoek gedaan tussen de Ringlijn en
de Airportsprinter. De bestuurlijke aandacht en besluitvorming kunnen door de coronacrisis
vertraging oplopen i.v.m. andere prioritering. De corona crisis biedt ook kansen tot versnelling
door anticyclisch te investeren om de economie op gang te brengen. Gekeken wordt naar een
gefaseerde en versnelde uitbreiding van de Noord/Zuidlijn naar de Amstelveenseweg en de
Ringlijn van Isolatorweg naar Hemknoop/Transformatorweg.
Beheersmaatregelen:
"eigen initiatief nemen om de onderzoeksresultaten zoveel mogelijk vit te werken;
"inde periode tot november 2020 blijven inzetten op bekostiging/ financiering, wetende
dat door de corona-crisis de prioriteiten anders zijn komen te liggen. Er zijn voldoende
redenen om de MIRT verkenning in november 2020 te starten en de financiering tijdens de
eerste fase van de verkenningsfase af te ronden.
"inzetten op bijdrage uit het Groei/lnvesteringsfonds.
3. Regionaal draagvlak ontbreekt.
Om de kansen voor de inzet te verstevigen is een breed regionaal draagvlak een pré.
Beheersmaatregelen:
Het is van belang dat we als regio gezamenlijk optrekken:
= hiervoor met hypotheseonderzoek de nut en noodzaak aantonen van de 2 metro-
uitbreidingen,
"samen met de regio een bredere OV 2040 agenda opstellen met fasering van de
verschillende OV infrastructuurprojecten.
3.4 Tegenspraak
Eén van de lessen van de Noord/Zuidlijn is het belang van het organiseren van tegenspraak. Deze
tegenspraak krijgt vooralsnog vorm door middel van second opinions. Daarnaast zal tegenspraak
14
Gemeente Amsterdam Versie document 0.3
Kwartaalrapportage Q2 2020 — Programma Lightrail 2020 — 2040 Status
Datum 24-09-2020
Kenmerk _ PLR/OVG/266/3
binnen de gemeente worden georganiseerd op o.a. gebied van risicomanagement door
bijvoorbeeld experts van Zuidasdok.
3.4.1 Second Opinions
In Q2 2020 heeft Decisio (economisch onderzoeks- en adviesbureau) een MKBA opgeleverd voor
de werkstroom “bekostiging en businesscase”.
Er zijn geen overige second opinions vitgevoerd in O2.
15
|
Onderzoeksrapport
| 15
|
train
|
> Gemeente
Amsterdam
Motie
Datum raadsvergadering 8 november 2023
Ingekomen onder nummer 607
Status Ingetrokken
Onderwerp Motie van het lid Havelaar inzake begroting 2024
Onderwerp
Voortzetting subsidie Historische winkelpuien en deze open stellen voor de hele stad
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over begroting 2024
Constaterende dat
e Voor het onderhouden van historische winkelpuien in de gehele stad géén subsidie be-
schikbaar is in de nieuwe begroting.
e Het belangrijk is voor de schoonheid en aantrekkelijkheid van onze stad dat historische
winkelpuien er piekfijn uit zien
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders
e _Netals eerdere jaren een subsidie voor historische winkelpuien beschikbaar te stellen
e Deze regeling beschikbaar te maken in de gehele stad
e Deze regeling te financieren door een korting op de subsidie van 4,5 miljoen aan Amster-
dam&Partners voor de voortzetting van het beleid voor de gewenste reputatie van de
Metropoolregio Amsterdam te verlagen met 2 miljoen euro.
Indiener(s),
R.B. Havelaar
|
Motie
| 1
|
discard
|
X Gemeente
Gemeenteraad RAAD
% Amsterdam
Motie
Datum raadsvergadering 15 september 2021
Ingekomen onder nummer 655
Status Verworpen
Onderwerp
Motie van het lid Kuiper inzake zorgplicht van de gemeente
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over wachtlijsten van Hulp bij Huishouden.
Constaterende dat:
— De wethouder vreest voor 2022 een situatie te hebben waarbij geen of slechts enkele
patiënten geholpen kunnen worden en de wachttijd voor velen mogelijk oploopt tot
onbepaalde tijd, en deze situatie ook voor 2023 en 2024 geldt;
— De gemeente een zorgplicht heeft tegenover haar inwoners.
Overwegende dat:
— We voorlopig nog geen nieuw kabinet met bijbehorende kabinetsplannen hebben;
— Geen of hooguit enkele kwetsbare en hulpbehoevende mensen de aankomende
jaren geholpen gaan worden bij hun huishouding met alle gevolgen van dien;
— _ De sociaal-maatschappelijke infrastructuur op deze manier instort, waarbij de meest
kwetsbare bewoners de grootste gevolgen ondervinden en dit dus leidt tot
toenemende ongelijkheid in onze stad;
— De gemeente daarom zelf voor de korte termijn met een financieel noodplan zal
moeten komen.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Met een stevig aanvalsplan te komen om naast de fysieke infrastructuur ook de sociaal-
maatschappelijke infrastructuur van deze stad overeind te houden teneinde aan de
basale zorgplicht van de gemeente te voldoen.
Indiener
T. Kuiper
|
Motie
| 1
|
discard
|
> Gemeente
Amsterdam
D Motie
Datum raadsvergadering 9 november 2022
Ingekomen onder nummer 424
Status Ingetrokken
Onderwerp Motie van het lid Boomsma inzake de Begroting 2023
Onderwerp
Heel Amsterdam Helpt de stad schoon te houden!
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2023,
-__ Overwegende dat veel Amsterdammers best de handen uit de mouwen willen steken om
te helpen de stad schoon te houden maar niet altijd weten hoe zij kunnen helpen omdat
‘organisatie’ ontbreekt;
-__ Overwegende dat het College aangeeft dat er een opleiding gevolgd moet worden voor-
dat mensen ingezet kunnen worden om te helpen met het schoonhouden van de stad;
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders
-_Een vrijwillige reinigingsbrigade op te zetten en te voegen aan de vormen van ‘medebe-
heer’ van de openbare ruimte, zoals de containeradoptanten dat al zijn
-_Daartoe een beknopte vrijwilligerscursus te ontwikkelen die Amsterdammers kunnen vol-
gen zodat zij ingezet kunnen worden als vrijwillige schoonmaakcapaciteit voor de stad.
Indiener(s),
D.T. Boomsma
|
Motie
| 1
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
x% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2015
Afdeling 1
Nummer 1141
Datum akkoord 22 oktober 2015
Publicatiedatum 28 oktober 2015
Onderwerp
Beantwoording aanvullende schriftelijke vragen van de raadsleden mevrouw
P.J.M. Duijndam en de heer N.T. Bakker van 30 juli 2015 op de schriftelijke vragen
van het raadslid de heer P.V. Guldemond inzake rondvaartbedrijven in Amsterdam.
Aan de gemeenteraad
inleiding door vragenstellers.
In aanvulling op de vragen over de vermakelijkheidsretributie die het raadslid de heer
Guldemond, namens de fractie van D66 op 17 juli 2015 stelde naar aanleiding van
het artikel Het grachtenkartel d.d. 14 juli 2015 in het blad Quote heeft de SP
de volgende vragen, die betrekking hebben op de (mogelijke) kartelvorming en
de mate van marktwerking in de rondvaartsector in Amsterdam.
Gezien het vorenstaande hebben vragenstellers op 30 juli 2015, beiden namens
de fractie van de SP, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor
de raad van Amsterdam, de volgende aanvullende schriftelijke vragen — op
de vragen van het raadslid de heer Guldemond van 17 juli 2015, namens de fractie
van D66 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1140) — tot het college van burgemeester en
wethouders gericht:
1. In het artikel wordt een beeld geschetst van een soort wildwest op het water
waarbij sprake zou zijn van intimidatie, vriendjespolitiek, willekeur en gerommel
met cijfers. Ook zou de omgang met het personeel niet goed zijn
(arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden) en is er geen sprake van
maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bij monde van een rondvaartkapitein
wordt gesteld: “De grote jongens zijn al jaren de baas op de grachten en krijgen
alles voor elkaar bij de gemeente.” Ook vertelt de kapitein dat de rondvaartboten
structureel te hard varen om extra rondjes te kunnen maken. Wordt dit beeld door
het college herkend? Graag nader toelichten.
Antwoord:
De Amsterdamse grachten hebben een grote aantrekkingskracht. Dat blijkt uit de
toename van het aantal toeristen, die steeds meer de stad weten te vinden, maar
ook uit de groei van het aanbod van allerhande vormen van passagiersvaart
naast de pleziervaart. Voor het college is het belangrijk dat de groei van het
aantal vaartuigen op het water en de diversiteit van het aanbod in goede banen
worden geleid.
1
Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R
Neeing ben Gemeenteblad
Datum 28 oktober 2015 Schriftelijke vragen, donderdag 30 juli 2015
Er zijn geen harde bewijzen voor bovenstaande beweringen. In die zin herkent
het college het beeld dan ook niet. Het college erkent evenwel dat de huidige
situatie verre van ideaal is. Daarom gaan we onverkort verder met het uitvoeren
van de Nota Varen. De nota is erop gericht noodzakelijke regulering aan te
brengen, zodat er ruimte komt voor nieuwe toetreders, en overlast tot een
minimum te beperken. Daarvoor zijn vergunningen voor grote vaartuigen in
looptijd beperkt en worden deze op transparante wijze verdeeld per 2020.
De handhaving is geïntensiveerd met gerichte acties op onder meer de
vaarsnelheid. Voor het bepalen van deze acties maakt Waternet gebruik van
recente meldingen en voorspellingen van de drukte op de grachten (per locatie).
Ten aanzien van luchtkwaliteit wordt ingezet op een duurzaam nautisch gebruik,
met als eindbeeld dat vanaf 2025 alle passagiersvaart zero-emissie is.
2. Besteedt het college bij het verlenen van vergunningen aandacht aan
arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en duurzaamheid? Zo ja, op welke
manier? Zo nee, waarom niet en bent u van plan om dit in de toekomst wel te
gaan doen? Graag toelichten.
Antwoord:
Reders hebben zich te houden aan de geldende (landelijke) wet- en regelgeving.
Controle op de naleving van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en
duurzaamheid is geen bevoegdheid van het college. Dit zijn onderdelen van
landelijke arbeids- en vervoerswetgeving en dientengevolge zien de Inspectie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Inspectie Leefomgeving en Transport
hierop toe. Ten aanzien van duurzaamheid heeft het College aanvullende eisen
geformuleerd met betrekking tot de emissie van voertuigen, te weten zero-emissie
in 2020 voor alle passagiersvaartuigen tot 14 meter lengte en in 2025 voor alle
passagiersvaartuigen.
3. Worden bijstandsgerechtigden door de gemeente aan het werk gezet bij
rondvaartbedrijven, bijvoorbeeld via Pantar? Zijn er in het kader van
leerwerktrajecten afspraken gemaakt? Of zijn er andere banden tussen cliënten
van DWI en de rondvaartsector? Zo ja, op welke wijze(n) en hoe is dat geregeld?
Antwoord:
Incidenteel zijn er plaatsingen binnen de rondvaartsector, waarbij het vooral gaat
om functies als kaartverkoop en het verzorgen van het gastheer/-vrouwschap.
Deze plaatsingen lopen via het Werkgevers Servicepunt. Vanaf 2013 gaat het om
zes reguliere vacatures die vervuld zijn bij verschillende reders. Van leerwerk-
trajecten is in dit verband geen sprake.
4. In stadsdeel Centrum is al vaker gevraagd alle actuele op- en afstap-
voorzieningen in kaart te brengen. Een dergelijke lijst schijnt er niet te zijn behalve
die in het bestemmingsplan Water van de binnenstad zijn aangegeven. Kan het
college op zeer korte termijn, vóór de behandeling in de vergadering van de
raadscommissie in september 2015, zorgen voor een lijst met alle op- en
afstapvoorzieningen in de stad?
Antwoord:
Er bestaat nog geen volledig overzicht van alle op- en afstapvoorzieningen in de
stad. Het Programmateam Varen — Passagiersvaart, dat is opgericht ter
2
Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R
Neeing ben Gemeenteblad
Datum 28 oktober 2015 Schriftelijke vragen, donderdag 30 juli 2015
uitvoering van de Nota Varen op het gebied van de passagiersvaart, maakt een
inventarisatie van deze op- en afstapvoorzieningen voor de hele stad.
Deze inventarisatie van op- en afstapvoorzieningen geschikt voor
passagiersvaart, zal naar verwachting begin 2016 gereed zijn, en wordt
omstreeks het einde van het 1° kwartaal van 2016 geagendeerd in de
raadscommissie Financiën.
5. Wat is de relatie van Amsterdam Marketing met de rondvaartbranche en kan er
sprake van zijn dat subsidie van de gemeente via Amsterdam Marketing naar de
rondvaartbranche gaat? Graag toelichten.
Antwoord:
Amsterdam Marketing is een publiek-private stichting. Ongeveer 25% van de
inkomsten is afkomstig van de gemeente Amsterdam en andere
overheidsopdrachten. Van de overige omzet komt 15% van het bedrijfsleven. De
overige 60% komt vanuit de consument, die onder meer de | amsterdam City
Card, souvenirs, (culturele) tickets en cadeaubonnen via Amsterdam Marketing
aanschaft.
Onder de betalende partners uit het bedrijfsleven zijn reders uit de Amsterdamse
rondvaartbranche. Het te betalen bedrag is afhankelijk van het soort
partnerschap. Daarnaast heeft Amsterdam Marketing commerciële afspraken met
diverse rederijen, deels in het verlengde van de partnerschappen. Het gaat
daarbij bijvoorbeeld om ten aanzien van de verkoop van tickets op
commissiebasis, de acceptatie van de |l amsterdam Citycard, deelname aan
zaken als gezamenlijke. De opbrengsten komen volledig ten goede aan de
citymarketingtaken die de Stichting Amsterdam Marketing uitvoert.
6. De gemeente geeft ‘vouchers’ aan relaties voor het maken van een rondvaart. Bij
welke rederij(en) worden deze vouchers afgenomen en kunnen we inzicht krijgen
in de financiën daarvan? Op welke wijze is vastgelegd hoe deze verstrekking
geregeld wordt en is hier sprake van marktwerking?
Antwoord:
De gemeente Amsterdam verstrekt op verzoek vouchers voor het maken van een
rondvaart aan bezoekers van internationale congressen in de stad. De vouchers
worden door een congresorganisatie aangevraagd bij de gemeente en na
ontvangst overhandigd aan congresbezoekers. De vouchers gelden op dit
moment voor de rederijen Canal Company en Rederij Kooij. Met deze twee
rederijen is afgesproken dat zij deze vouchers accepteren en dat zij na inlevering
door een congresbezoeker per voucher 5,00 euro kunnen declareren bij de
gemeente. Jaarlijks worden de afspraken herbevestigd en waar mogelijk worden
de vouchers gelijkmatig verdeeld over de betrokken rederijen. Van deze
transacties zijn overzichten beschikbaar. Elke rederij staat het vrij om een
soortgelijke afspraak met de gemeente Amsterdam aan te gaan. Het verstrekken
van vouchers is conform het door het college vastgesteld gastheerschapbeleid
voor congressen. Dit beleid is opgesteld in samenwerking met congres-
organisatoren en -locaties, Amsterdam Marketing en de gemeente.
3
Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R
Neng Î Gemeenteblad
Datum oe edober 2015 Schriftelijke vragen, donderdag 30 juli 2015
7. Is het college bereid te onderzoeken hoe het komt dat er (gesteld wordt dat)
binnen de gemeente een cultuur zou heersen om de rondvaartbranche — de vier
grote rederijen — haar gang te laten gaan? Deze bedrijven zouden namelijk “alles
voor elkaar krijgen bij de gemeente”. Graag toelichten.
Antwoord:
Het is onduidelijk op welke concrete zaken gedoeld wordt, maar ook gelet op de
beantwoording van vraag 1 is er voor het college geen aanleiding voor een
dergelijk onderzoek. Bij het college zijn geen aanwijzingen bekend dat er binnen
de gemeente een cultuur zou heersen om de rondvaartbranche te bevoorrechten.
Het college werkt juist nu aan de uitvoering van de doelen en ambities uit de Nota
Varen door meer ruimte te bieden aan een divers aanbod van passagiersvervoer
met een aantrekkelijke prijs-kwaliteitverhouding en het gericht inzetten van het
prijsinstrument waar de ruimte schaars is en/of investeringen nodig zijn ten
behoeve van infrastructuur en toezicht en handhaving.
8. Mevrouw Baarsma van het economisch onderzoeksbureau SEO heeft in 2012
economisch onderzoek verricht naar de rondvaart in Amsterdam. Zij stelt dat er
destijds geen onderzoek is gedaan naar al dan niet geheime financiële afspraken
tussen de gemeente en een of meer rondvaartbedrijven. Is het college bereid hier
alsnog onderzoek naar te laten doen? Graag toelichten.
Antwoord:
Het college zijn geen aanwijzingen bekend dat dergelijke afspraken bestaan met
rondvaartbedrijven. Wanneer hiervoor concrete aanleiding ontstaat, wil het
college dit onderzoeken. Echter, dat is nu niet het geval.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
4
|
Schriftelijke Vraag
| 4
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 1359
Datum indiening 17 juli 2019
Datum akkoord 7 augustus 2019
Publicatiedatum 7 augustus 2019
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid Poot inzake een kraak aan de
Kuiperbergweg.
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragenstelster:
De fractie van de VVD ontving berichten dat een groep krakers in de nacht van
vrijdag 28 op zaterdag 29 juni 2019 een pand op de Kuiperbergweg 26 in Zuidoost
zou hebben gekraakt. De fractie van de VVD ontvangt graag opheldering van het
college over deze situatie.
Daarnaast wil de fractie van de VVD dat het voorkomen en bestrijden van kraken een
prioriteit wordt, aangezien kraken overlast en een sterk gevoel van
onrechtvaardigheid met zich meebrengt voor omwonenden en voor Amsterdammers
die op een legale manier een woning zoeken.
Gezien het vorenstaande heeft het lid Poot, namens de fractie van de VVD, op grond
van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende
schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders gesteld:
1. Klopt het dat er eind juni 2019 een pand op de Kuiperbergweg 26 is gekraakt?
Antwoord
Ja.
2. Watis er bekend over de personen die dit pand hebben gekraakt?
Antwoord
De personen behoren tot een subgroep van We Are Here.
3. Worden deze personen verdacht van huisvredebreuk of inbraak?
Antwoord
Het openbaar ministerie bepaalt of en zo ja waarvan deze personen worden
verdacht. Er is aangifte gedaan van huisvredebreuk.
4. Welke bestemming heeft het pand?
Antwoord
Het pand heeft een bedrijfsbestemming.
4
Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nmmer Vudustus 2019 Schriftelijke vragen, woensdag 17 juli 2019
5. Heeft de eigenaar van het desbetreffende pand aangifte gedaan”?
Antwoord
Ja, de eigenaar heeft 29 juni aangifte gedaan.
6. Heeft het OM een ontruimingsbevel opgesteld voor dit pand? Zo ja, hoe is er
gereageerd door de krakers op dit bevel?
Antwoord
Het openbaar ministerie heeft de krakers aangeschreven dat zij voornemens is
het pand te ontruimen. Een aangeschreven pand wordt gemiddeld binnen 6 tot 8
weken ontruimd. De krakers hebben tegen dit voornemen een kort geding
aangespannen, dat 25 juli heeft gediend. De rechter zal 8 augustus uitspraak
doen.
7. Op welke termijn zal het pand worden ontruimd?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 6.
8. Zijn er meldingen bekend van overlast in de buurt door de groep krakers, bij
omwonenden of ondernemingen in de omgeving?
Antwoord
Nee, er zijn geen meldingen bekend.
9. Is er door politie of het college contact geweest met omwonenden of personen die
in de buurt werken? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De politie in de wijk staat altijd in contact met de buurt en houdt een vinger aan de
pols, ook in geval er een pand gekraakt wordt.
10. Zijn er afspraken gemaakt door de politie met de krakers? Zo ja, welke”?
Antwoord
Nee, kraken is strafbaar en daar zijn de krakers door de politie op gewezen.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris
2
|
Schriftelijke Vraag
| 2
|
discard
|
K _ |
Van:
Verzonden: maandag 30 juli 2012 20:24
Aan: Info gemeenteraad
Onderwerp: NOODKREET |I! Geluidsoverlast (en milieuvervuiling) vanwege het opknappen van
boten…
Geacht Gemeentebestuur,
Wat moeten wij doen?
Machteloos staan we, iedere zomer weer!
leder jaar, als maar even het zonnetje gaat schijnen in maart, april, dan begint het:
HET OPKNAPPEN VAN BOTEN !
WE WORDEN ER RADELOOS VAN, want er is GEEN REGELGEVING, om dit in de hand te houden.
IEDEREEN mag met SLIJPTOLLEN, HAMERAPPARATEN, SCHUURMACHINES enzovoort, iedere dag tussen
07.00 uur en 22.00 uur zijn/haar bootje opknappen…
Juist als het een keer mooi weer is, waar je als gewone burger toch ook wel eens van wil genieten, dan komen de
booteigenaren in actie.
WAT EEN RAMP!
En aangezien tegenwoordig iedereen, die in de buurt van water woont, een bootje wil, wordt het ieder jaar erger.
Mijn woning ligt AAN en gedeeltelijk IN het water van de Wittenburgervaart, tussen Wittenburg en Oostenburg
(stadsdeel Centrum).
Mijn balkon zweeft boven het water en het is natuurlijk heerlijk en leuk, om zo te wonen, maar als je stapeldol wordt
van het lawaai, is het allesbehalve een pretje.
En ik ben echt niet de enige, die soms niet weer weet, waar hij/zij het moet zoeken.
En NIEMAND kan helpen!
De POLITIE NIET!
Het ZORGLOKET NIET!
WATERNET NIET!
HELP ONS!
Onderzoekt u alstublieft dit probleem en gaat u hier regelgeving voor maken, want het is soms NIET TE HARDEN!
Laat ons alstublieft volgend jaar ook kunnen genieten in onze eigen woning, op onze eigen balkonnetjes en laat ons
niet wanhopig onze ramen, deuren en zelfs ventilatieroosters moeten sluiten, om niet gek te worden en door te
draaien!
Separaat verzend ik u de mail, die ik vandaag met de Buurtregiseur uitwisselde, nadat zij hierover contact met mij
had,
Nogmaals mijn verzoek: HELP ONS!
Met vriendelijke groet,
hoogachtend,
1
|
Raadsadres
| 1
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 1055
Publicatiedatum 28 juni 2019
Ingekomen onder AG
Ingekomen op donderdag 20 juni 2019
Behandeld op donderdag 20 juni 2019
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van het lid Timman inzake de beleidsnota Deelmobiliteit Kansen voor de Stad
(OV-metrofiets)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de beleidsnota Deelmobiliteit Kansen voor de Stad
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 578).
Constaterende dat:
— Met ruim 2.000 fietsen de OV-fiets de grootste aanbieder is van deelfietsen in
Amsterdam;
— De OV-fiets alleen op NS-stations wordt aangeboden;
— Amsterdam ook een uitgebreid metronetwerk heeft.
Overwegende dat:
— Bij veel metrostations fietsparkeren een uitdaging is;
— In Amstelland-Meerlanden bij 9 OV-knooppunten deelfietsen in R-net huisstijl zijn
geplaatst.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
1. In samenwerking met het GVB, Vervoerregio en alle andere relevante partijen te
onderzoeken of R-net deelfietsen ook bij sommige metrostations een
toegevoegde waarde in de mobiliteitsketen hebben;
2. Voor 1 januari 2020 de uitkomsten van dit onderzoek aan de raad te presenteren.
Het lid van de gemeenteraad
D. Timman
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2021
Afdeling 1
Nummer 073
Behandeld op 10 februari 2021
Status Aangenomen bij schriftelijke stemming op 15 februari 2021
Onderwerp
Motie van het lid Kili inzake evaluatie en verbetering participatieproces
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over kennisname van de reactienota (RES NHZ),
verwerking reactienota in RES 1.0 en toezegging m.b.t.
Participatieprojecten aangaande RES.
Constaterende dat:
- De energietransitie bestaat uit enerzijds het technologisch aspect en
anderzijds het creëren van draagvlak;
- Het afgelopen jaar gebleken is dat er veel onrust is ontstaan over de
mogelijke plaatsing van windturbines in de nabijheid van
woonwijken;
- Uit de inspraakavond en mediaberichtgeving duidelijk wordt dat
veel bewoners zich niet gehoord voelen en dat de gemeente tekort
is geschoten in haar informatievoorziening.
Overwegende dat:
- Het belangrijk is dat de gemeente Amsterdam lering trekt uit het
participatieproces tot dusver om het verdere vervolg beter te
organiseren;
- Evaluatie moet plaatsvinden om inzichtelijker te krijgen wat goed en
fout ging;
- De evaluatie de energietransitie helpt het te faciliteren.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Het participatieproces tot dusver grondig te evalueren om hieruit lering te
trekken voor het verder vervolg van de RES.
Het lid van de gemeenteraad
A. Kilic
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
% Gemeenteraad
Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 1890
Ingekomen onder BD
Ingekomen op woensdag 6 november 2019
Behandeld op woensdag 6 november 2019
Status Verworpen
Onderwerp
Motie van de leden Boomsma, Naoum Néhmé, Kilig, Nanninga, Bloemberg-lssa,
Van Soest en Ceder inzake de Overstapregeling op Eeuwigdurende Erfpacht
(handhaaf WOZ-waarden 2015 of 2016 als basis voor de Overstapregeling)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over het verzoek om uitstel van de datum van 1 januari 2020
van de Overstapregeling op Eeuwigdurende Erfpacht waarop de huidige voorwaarden
vervallen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1847).
Overwegende dat:
— de voorwaarden waarop mensen kunnen overstappen op eeuwigdurende erfpacht
per 1 januari 2020 aflopen, waardoor de erfpachtlasten voor grote groepen
Amsterdammers zullen stijgen; met name in wijken waar nu een lage BSQ geldt,
zoals bijvoorbeeld in Zuidoost, Nieuw-West, en Noord;
— de vangnetregeling waartoe de raad het besloten er nog niet is;
— de uitgangspunten van de coulanceregeling er nog niet zijn;
— de toegezegde uitwerking van de bezwaarprocedure voor de onbezwaarde
waardes er nog niet is;
— veel Amsterdammers niet goed op de hoogte zijn van de overstapregeling en
erfpacht zeer complex is;
— de overstapregeling geplaagd wordt door technische problemen en onvolledige
dossiers en veel mensen nog geen inzicht kunnen krijgen in wat overstap voor
hen betekent;
— dat ook grote gevolgen heeft voor de woonlasten van mensen die niet
overstappen;
— in het coalitieakkoord staat dat er een extra overstapkorting van 10% komt voor
wie voor 2020 overstapt naar het eeuwigdurende stelsel, maar niet dat de WOZ-
waarde 2015 of 2016, niet als basis voor de berekening kan blijven dienen.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
De huidige voorwaarden voor de overstapregeling op eeuwigdurende erfpacht,
waarbij de canon wordt berekend op basis van de WOZ-waarden uit 2015 (peildatum
1-1-2014) of 2016 (peildatum 1-1-2015) en bijbehorende BSQ's te verlengen tot
1 januari 2022, maar wel conform het coalitieakkoord de extra korting van 10% per
1 januari 2020 te laten vervallen.
1
Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 1890 Motie
Datum 6 november 2019
De leden van de gemeenteraad
D.T. Boomsma
H. Naoum Néhmé
A. Kilig
A. Nanninga
J.F. Bloemberg-lssa
W. van Soest
D.G.M. Ceder
2
|
Motie
| 2
|
train
|
X Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2015
Afdeling 1
Nummer 527
Publicatiedatum 31 juli 2015
Ingekomen op 1 juli 2015
Ingekomen onder 444’
Behandeld op 2 juli 2015
Uitslag aangenomen
Onderwerp
Motie van het raadslid mevrouw Ruigrok inzake de Voorjaarsnota 2015
(toeristenbelasting).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Voorjaarsnota 2015 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 379);
Overwegende dat:
— in 2014 £48,219 miljoen aan toeristenbelasting is geïnd;
— in Amsterdam door het stijgende aantal hotelovernachtingen en de groeiende
hotelcapaciteit de inkomsten uit toeristenbelasting stijgen;
— vervuiling en intensief gebruik van de openbare ruimte gevolgen zijn van de
toenemende drukte in de stad;
— de huidige vorm van toeristenbelasting niet bijdraagt aan zowel de spreiding als
het tegengaan van de gevolgen van drukte in Amsterdam.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— bij het geplande onderzoek naar toeristenbelasting in ieder geval de wijze waarop
toeristenbelasting bij kan dragen aan een betere balans in de stad en
tariefdifferentiatie op geografische basis te betrekken;
— op basis van de uitkomsten van dit onderzoek voorafgaand aan de behandeling
van de Voorjaarsnota 2016 de gemeenteraad een plan voor te leggen.
Het lid van de gemeenteraad,
M.H. Ruigrok
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2015
Afdeling 1
Nummer 994
Datum akkoord 1 oktober 2015
Publicatiedatum 2 oktober 2015
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid mevrouw P.J.M. Duijndam van
7 juli 2015 inzake medische zorg aan dak- en thuislozen.
Aan de gemeenteraad
inleiding door vragenstelster.
Uit een uitzending van Nieuwsuur van 20 juni 2015 over de Nederlandse
Straatdoktersgroep van huisartsen en verpleegkundigen die zich inzetten voor de
medische zorg aan dak- en thuislozen, blijkt dat een groeiend aantal daklozen
onverzekerd op straat rondloopt.” Onverzekerd betekent dat als deze daklozen een
ziekte hebben, zij daarvoor niet behandeld worden: psychiatrisch patiënten lopen
rond zonder antipsychotica, suikerpatiënten zonder insuline en belangrijke
ziekenhuisbehandelingen blijven uit. Verder blijkt dat ook de wel voor zorg verzekerde
daklozen hun ziektes vaak niet laten behandelen omdat zij het eigen risico niet
kunnen betalen.
Gezien het vorenstaande heeft vragenstelster op 7 juli 2015, namens de fractie van
de SP, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van
Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen tot het college van burgemeester en
wethouders gericht:
1. De cijfers voor Rotterdam zijn verontrustend: anno 2015 loopt daar ongeveer 70
procent van de daklozen onverzekerd rond, tegen 30 procent vorig jaar. Is bekend
hoe de situatie in Amsterdam is? Is er in Amsterdam ook sprake van groei van het
aantal daklozen dat onverzekerd rondloopt, dat ziektes daardoor niet worden
behandeld omdat de daklozen het eigen risico niet kunnen betalen of onverzekerd
zijn? Graag uw antwoord toelichten.
Antwoord:
Het klopt dat onverzekerde rechthebbende patiënten m.n. bij niet acute en/of
ernstige medische zorgvragen vertraging kunnen oplopen ten aanzien van hun
diagnostiek en behandeling . Dit vanwege “gedoe” over de betaling van
onderzoek en behandeling bij b.v. laboratorium, paramedici, specialisten e.d.
1 Zie: http://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2042509-artikel.html?title=straatdokters-daklozen-vaker-
verstoken-van-medische-zorg
1
Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Demmer a tober 2015 Schriftelijke vragen, dinsdag 7 juli 2015
Tegelijkertijd is uit het laatste winterkoude onderzoek gebleken dat in Amsterdam
ongeveer 65% van de daklozen geen ziektekostenverzekering had en dat dit
percentage al een aantal jaren vrij stabiel schommelt tussen 55%-65%.
In Amsterdam heeft de GGD een belangrijke coördinerende en uitvoerende taak.
Hulpbehoevenden die bij de GGD Amsterdam aankloppen voor medische hulp,
kunnen deze in alle gevallen direct krijgen, inclusief noodzakelijke medicatie. De
GGD Amsterdam staat daarbij namens de gemeente garant voor de gemaakte
kosten en zal, nadat de cliënt verzekerd is, proberen bedragen bij de verzekeraar
terug te vorderen. Vanuit de GGD zal in nagenoeg alle gevallen worden
overgegaan tot het verzekeren van de cliënt. De laagdrempelige samenwerking
met Werk, Participatie en Inkomen op de Geïntegreerde Voorzieningen draagt in
de meeste gevallen bij aan het relatief snel tot stand komen van een verzekering.
2. Is het college het met vragenstelster eens, dat het niet wenselijk is, dat zieke
daklozen niet de zorg krijgen die ze nodig hebben? Kan het college het antwoord
toelichten?
Antwoord:
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 1, krijgen de dak- en thuislozen in
Amsterdam, zodra ze zich melden bij de geëigende kanalen, de noodzakelijke
medische hulp. Uiteraard is het college met u eens, dat zieke daklozen de zorg
moeten krijgen die nodig is. In Amsterdam hebben we dat ook zo geregeld.
3. Is het college bereid in G4-verband in overleg te treden met het rijk, zodat er voor
dit probleem (enerzijds niet verzekerd rondlopen, anderzijds wel verzekerd zijn
maar zorg mijden vanwege eigen risico) een structurele oplossing komt?
Kan het college het antwoord toelichten?
Antwoord:
Het is aan elke stad afzonderlijk om goede voorzieningen te treffen gezien de
landelijke kaders. De problematiek van zorgmijders (van zowel dak- en thuisloze
als gehuisveste Amsterdammers) heeft continu de aandacht van het college.
Alle vormen van Zorgtoeleiding in de stad zijn er op ingericht om met name deze
groep in beeld en in zorg te brengen: elke zorgmijder is er één te veel.
E.E. van der Laan, burgemeester
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
2
|
Schriftelijke Vraag
| 2
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2017
Afdeling 1
Nummer 1097
Publicatiedatum 4 oktober 2017
Ingekomen onder T
Ingekomen op woensdag 27 september 2017
Behandeld op woensdag 27 september 2017
Status Ingetrokken
Onderwerp
Amendement van de leden Vink en Boomsma inzake de Investeringsnota Sluisbuurt
(ruimte voor middeninkomens).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Investeringsnota Sluisbuurt (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 1047).
Overwegende dat:
— Eríinde Sluisbuurt geprogrammeerd is dat 1100 woningen (40% van het in totaal
geplande aantal van 5500) in het middensegment worden gebouwd;
— De helft daarvan een grootte van 70 m2 zal hebben en de andere helft kleiner dan
50 vierkante meter zal zijn;
— Deze omvang zo klein is dat gezinsvorming daar amper mogelijk is.
Constaterende dat:
— Woningen in het middensegment met ruimte voor gezinnen (bestaande uit meer
deze gezinsleden) zeer schaars zijn in Amsterdam;
— De Sluisbuurt bij uitstek kans biedt om juist (jonge) gezinnen ruimte te bieden;
— Het de toekomstige wijk ten goede zou komen als mensen die zich er gaan
vestigen er langere tijd blijven;
— Dit voor deze kleine middensegmentwoningen onwaarschijnlijk is aangezien deze
bij gezinsuitbreiding snel te klein zullen zijn;
— Het daarom wenselijk is een beduidend groter aantal woningen in het
middensegment daarvoor qua omvang geschikt te maken.
Besluit:
— In de raadsvoordracht Vaststellen van de Investeringsnota Sluisbuurt
de tekst:
“4b. Het middensegment ongeveer gelijke delen huur- en koopwoningen zal
betreffen en dat voor de helft van de middeldure huurwoningen uitgegaan wordt
van woningen van circa 70 m2 gbo met een gereduceerde grondprijs”,
1
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 1097 Motie
Datum 4 oktober 2017 o
te wijzigen in:
“4b.Het middensegment ongeveer gelijke delen huur- en koopwoningen zal
betreffen en dat voor ten minste 75% van de middeldure huurwoningen uitgegaan
wordt van woningen van minimaal 70 m2 gbo met een gereduceerde grondprijs”;
— En verzoekt het college de voordracht en alle onderliggende stukken hierop aan te
passen.
De leden van de gemeenteraad
B.L. Vink
D.T. Boomsma
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
X Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2014
Afdeling 1
Nummer 697
Publicatiedatum 15 oktober 2014
Ingekomen op 7 oktober 2014
Ingekomen in raadscommissie ID
Te behandelen op 5/6 november 2014
Onderwerp
Amendement van het raadslid de heer Ernsting inzake de begroting voor 2015
(indicator verkeersveiligheid).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de begroting voor 2015;
Overwegende dat:
— er in voorgaande periodes een indicator was opgenomen, te weten het aantal
ernstige verkeersslachtoffers;
— erin de jaarrekening 2013 wordt gesteld dat de wijze van registratie van
verkeersletsel in de zomer van 2014 weer op orde is en er weer gerapporteerd
kan worden;
— erin de doelen op pagina 92 wel een dalingspercentage slachtoffers genoemd
wordt, maar niet voor deze periode en dus niet SMART is geformuleerd;
— het belangrijk is dat de raad de trend kan volgen, zodat zij zonodig bij kan sturen,
Besluit:
— opte nemen als doelindicator op pagina 92:
Aantal ernstige verkeersslachtoffers per jaar (nulmeting 2010: 353; doel 2018:
minder dan 200);
— opte nemen als doelindicator op pagina 92:
Aantal blackspots en redroutes (nulmeting 2010: 66 en 13; doel 2018: 20 en 5).
Het lid van de gemeenteraad,
Z.D. Ernsting
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
nl GG Ee Nh : Ja ed oe e Ee Gt) 7 Á N Dl ER ze Ee
k ge MA OTE ANNEN Dl €
keArmsterdanm AR ' E |
a, Kn ee me . | Ak den A,
2 EE | Ee Ed \ A 5 A
Re hd | / - 5 RE er == ee
K / z h | . ik Fe EE , N
Jeugd en genotmiddelen 2016 Ee ten
Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam Dn
sd en -
Sa Mm a) a AV dl n Jeugd en genotmiddelen 2016
‚e Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Samenvatting
® Van de 16- t/m 18-jarige leerlingen uit klas 5 en 6 van de havo en het vwo in Amsterdam heeft 60% in de afgelopen maand alcohol gedronken. Dat ging vaak om
Jarig g gelop g ging
aanzienlijke hoeveelheden; 45% van de leerlingen dronk in de afgelopen maand vijf of meer glazen alcohol op één gelegenheid (binge drinken).
e Ook andere middelen worden regelmatig gebruikt. Zo gebruikte een kwart van de leerlingen in de afgelopen maand cannabis, de helft van de leerlingen heeft dit
middel ooit gebruikt.
e Vier procent van de leerlingen heeft in de afgelopen maand XTC gebruikt. Vijftien procent heeft ooit XTC gebruikt. Leerlingen die ooit XTC hebben gebruikt, hebben
vrijwel allemaal ervaring met het gebruik van alcohol en cannabis.
e Het middelengebruik verschilt nauwelijks tussen jongens en meisjes of naar leeftijd. Wel gebruiken leerlingen van Nederlandse en overig westerse herkomst aanzienlijk
vaker alcohol en/of drugs dan leerlingen van niet-westerse herkomst.
° Het gebruik van cannabis en XTC is in deze leeftijdsgroep in Amsterdam hoger dan landelijk. Het alcoholgebruik verschilt niet significant van het landelijke cijfer.
e De preventie van gebruik van alcohol en drugs onder 16- t/m 18-jarigen vraagt om duidelijke regels op school en bij verkoop, een nieuwe aanpak van voorlichting in de
bovenbouw, ondersteuning voor ouders en goede doorverwijzing van riskant gebruikende jongeren.
Waarom dit onderzoek? In de tweede en vierde klas van het voortgezet
Het gebruik van alcohol en drugs is niet zonder risico’s, het onderwijs gt het gebruik van XTC lager; m schooljaar
kan de lichamelijke en psychische gezondheid schaden. gorzen . ad 1 sven de 12- vn 16-jarigen ooft XTC
Verschillende factoren spelen hierbij een rol, zoals type drug, gebruikt. Niet bekend de oevee” 16- t/m ve langen m
frequentie en dosering van gebruik, maar ook persoonlijke Amsterdam XTC gebrui en. In dit onderzoe brengen de
kenmerken en de setting waarin gebruikt wordt. De GGD Amsterdam en Jellinek Preventie in kaart hoeveel _
gemeente Amsterdam zet zich in om gezondheidsschade leerlingen van de 5° en 6° klas van het voortgezet onderwijs
en maatschappelijke schade als gevolg van het gebruik van in Amsterdam XTC hebben gebruikt. Ook wordt inzicht . …
genotmiddelen terug te dringen. Het beleid is gericht op het verkregen in het gebruik van andere drugs en alcohol, H
voorkómen van gebruik, vooral van risicovol en overmatig De uitkomsten van dit onderzoek geven richting aan het .
gebruik, met name onder jongeren (1). beleid gericht op het voorkómen van risicovol en overmatig
gebruik van alcohol, cannabis en overige drugs in deze
De laatste jaren krijgen we signalen van een stijging van het leeftijdsgroep.
XTC-gebruik onder jongeren in Amsterdam. Zo bleek uit de
Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2012 dat 28% van de
19- t/m 34-jarigen ooit XTC had gebruikt, 16% had dat in het
voorgaande jaar gedaan en 6% in de afgelopen vier weken (2).
1
Al 4 | Jeugd en genotmiddelen 2016
CO ©) Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Alcohol Tabel 1: Middelengebruik in de 5° en 6° klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%)
Hoe hoog is het alcoholgebruik in klas 5 en 6? -
Zes op de tien leerlingen uit klas 5 en 6 van het voortgezet |_—__———— | Achdf | | {Combs | | ej |
voorafgaand aan het onderzoek alcohol gedronken maand 1 avond plan maand plan |__maand plan
(abel 1) Bin de hef van de leringen ehoortterde [aam | | | |d|
A A EE ZE OE NE NE NE
vier weken op één gelegenheid minimaal vijf glazen —
alcohol hebben gedronken. Een meerderheid (76%) meisjes | __ | _ a} 75} 49} sv} | 2} sf ss} nm
van de leerlingen heeft ooit alcohol gedronken. De Leeftijd el
gende starteefjd was 145jam Eriegsenvench Pio | al al p| p= a ed ol
verschil naar leeftijd zijn Kein. Wel is er een varit EE) EE OE SE
verschillen naar leeftijd zijn klein. Wel is er een variatie 17 jaar ze /5 65 3 20 14 Üë
tussen schooltypen: het alcoholgebruik in havo-5 is lager tsja | 6} 49} 78} | | sel an} a} 2} 12
dan inva Verder zijn er aanienijke verschien naar [profonde
Ne EE [kee lele
Nederland of overig westerse herkomst hoger is dan onder Klas _ Lj
leerlingen van niet-westerse herkomst. Dat geldt voor ooit |hvos | _ 2 «| &| ss} 2} sl a| 6} 1} |
gebruik, gebruik inde laatste maand en binge drinken. [mos |_ | «| pl el} | | auf sl ul
Hoeveel leerlingen zijn van plan komend jaar alcohol te |
gebruiken?
Twee derde van de leeringen isvan plan om in he SE KO) EE: ES OE ES
komend a aloholee denken Nog vens 2% vande
leerlingen is dit misschien van plan. Leerlingen van een niet- -
westerse herkomst zijn aanzienlijk minder vaak van plante [metvesters__|__ 2} 83} ef | vo} 2} un} a} Ss} 4
gaan drinken dan leerlingen van westerse herkomst. Verder [Tota | __ 60| 4} 76| | 2} sj} 30} «| so} 12)
zijn weinig niet-drinkers (3%) van plan het komende jaar * p<0,05 (Chisq-toets)
alcohol te gaan gebruiken, terwijl de meerderheid van de '
leerlingen die ooit alcohol hebben gebruikt (87%) wel die
intentie heeft.
2
& b s be DCO Jeugd en genotmiddelen 2016
a 6 6 d Es Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Cannabis XTC
Hoeveel leerlingen gebruiken cannabis? Hoeveel leerlingen gebruiken XTC?
Een kwart van de leerlingen uit klas 5 en 6 van het Vier procent van de leerlingen uit klas 5 en 6 van het
voortgezet onderwijs in Amsterdam heeft in de vier weken voortgezet onderwijs in Amsterdam heeft in de vier
voorafgaand aan het onderzoek cannabis gebruikt. En de weken voorafgaand aan het onderzoek XTC gebruikt. Dit
helft van de leerlingen heeft ooit cannabis gebruikt cijfer is mogelijk aan de lage kant, omdat het onderzoek
(tabel 1). De gemiddelde startleeftijd was 14,9 jaar. plaatsvond in de winter, terwijl XTC vaak op festivals in de
Jongens gebruiken vaker cannabis dan meisjes. Het ooit- i zomermaanden wordt gebruikt. Tabel 1 laat verder zien
gebruik is het laagste in havo-5 en het hoogste in vwo-6. Baks Î dat 15% van de leerlingen ooit XTC heeft gebruikt. Zij
Verder zijn er aanzienlijke verschillen naar herkomst, waarbij startten hiermee op een gemiddelde leeftijd van 16,1 jaar.
het cannabisgebruik onder leerlingen van Nederlandse of Leerlingen van Nederlandse of overig westerse herkomst
overig westerse herkomst hoger is dan onder leerlingen van ' hebben vaker XTC gebruikt dan leerlingen van niet-
niet-westerse herkomst. De verschillen in cannabisgebruik | westerse herkomst. Het ooit-gebruik stijgt met de leeftijd
naar leeftijd zijn gering. van 9% onder de 16-jarigen tot 22% van de 18-jarigen. Er
is geen significant verschil tussen schooltypen of tussen
Hoeveel leerlingen zijn van plan komend jaar cannabis te his Ì jongens en meisjes. Ervaring met gebruik van XTC gaat
gebruiken? di k ® Mus vrijwel altijd samen met ervaring met het gebruik van
Een derde van de leerlingen is van plan om komend jaar Bad WM andere middelen; 96% van de leerlingen die ooit XTC
cannabis te gebruiken en één op de vijf leerlingen geeft aan Zi hebben gebruikt, heeft ook weleens cannabis en alcohol
dat misschien te gaan doen. Jongens zijn dit vaker van plan \ gebruikt.
dan meisjes. Verder zijn leerlingen van westerse herkomst ;
dit vaker van plan dan leerlingen van niet-westerse Hoeveel leerlingen zijn van plan komend jaar XTC te
herkomst. Ook zijn leerlingen die ervaring hebben met gebruiken?
cannabis (55%) aanzienlijk vaker van plan dit middel Van de leerlingen is 12% van plan om in het komende jaar
opnieuw te gebruiken komend jaar dan leerlingen die nooit XTC te gaan gebruiken en 17% wil dat misschien doen.
cannabis hebben gebruikt (3%). Leerlingen van niet-westerse herkomst (4%) zijn dit minder
vaak van plan dan leerlingen van Nederlandse of westerse
herkomst (13-16%). Ook is er een groot verschil in intentie
tussen degenen met en zonder ervaring met XTC. Van de
nooit-gebruikers is 5% van plan dit middel het komende
jaar te gaan gebruiken, terwijl dit geldt voor de helft van de
ooit-gebruikers.
3
H Jeugd en genotmiddelen 2016
ONigle, e d Kle ks Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Hoeveel gebruikers laten de XTC-pillen vooraf testen? Overige drugs j
Meer dan de helft van de XTC-gebruikers heeft nooit pillen Hoe hoog is het gebruik van andere drugs in klas 5 en 6? ml
laten testen, 43% doet dat soms of altijd (figuur 1). Figuur 2 laat zien hoeveel 16- t/m 18-jarige scholieren in de afgelopen maand f ee
Deze testen vinden meestal plaats bij een officiële andere drugs hebben gebruikt: 1% gebruikte amfetamine, 1% paddo's en ke ij
testservice. Een thuistest is niet populair. minder dan 1% 4-FA. Alleen het gebruik van lachgas (8%) is relatief hoog. NL 2 Ì
Ook het ooit-gebruik is het hoogste voor lachgas (40%). Een kleinere groep kP ' '
leerlingen heeft ervaring met het gebruik van amfetamine (8%), paddo's (8%) of ' 9 |
Jongens 4-FA (4%). Van de leerlingen heeft 1% of minder in de afgelopen maand cocaïne, re Ì
. LSD, GHB, ketamine of 2C-B gebruikt. Het ooit-gebruik van deze middelen ie) f /
3 varieerde van 1% tot 3%. fl en j IJ
| | ì ij
" zon | Lachgas Ns £pr ee
B officiële testservice & Mm
Amfetami tat kee en ,:
B thuistest mietamine Vgl SS
Paddo's en pe
zn 4-FA, 4-FMP | en == 5
Cocaïne B ooit A EN
2C-B B laatste maand Ee
meisjes Ketamine pee
GHB - es
1%
LSD
m nooit 0 10 20 30 40 50 n Tan rn
m officiële testservice . . . . Sci Se | B NÀ
Figuur 2: Gebruik van overige drugs in de 5° en 6° klas 2 EE DS
thuistest van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) EE Ee El Kk
B anders el ii st ke -i
y 7
4 /
Figuur 1: Testen van XTC-pillen onder gebruikers in de 5° gi zn
en 6° klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) É À
4
Zijn er verschillen tussen Amsterdam en Nederland?
Het alcoholgebruik onder 16- t/m 18-jarige leerlingen van het voortgezet onderwijs in Amsterdam verschilt niet significant van het landelijk cijfer (tabel 2). Het cannabisgebruik is onder
leerlingen in Amsterdam hoger dan landelijk, zowel het gebruik in de maand voorafgaand aan het onderzoek als het ooit-gebruik. Ook het gebruik van XTC in de maand voorafgaand
aan het onderzoek is in Amsterdam hoger (4%) dan landelijk (2%), net als het ooit-gebruik van XTC (3).
Tabel 2: Het gebruik van alcohol, cannabis en XTC door 16- t/m 18-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs in Amsterdam en Nederland, 2016 (%)
__________[Alechol LL eks | pee Tj
_________[leetste maand [=S glazen 1 avond
A
Nederland
Amsterdam JO [6 pj |M |
*p<0,05 Bron: Peilstationsonderzoek scholieren 2015, Trimbos-instituut, persoonlijke communicatie, 19-9-2016 & Onderzoek middelengebruik bovenbouw
voortgezet onderwijs 2016, GGD Amsterdam
: À he ï L nd | k Ál 1 en ea / = ed Pe À e=
E. |} } i Ï : hj Í - ete 7] En d 1
r Bn, Î == d nd,
Is Nrd Ddl — |
1 ___ EE Pi
à _— i ef Î
en Pf lt In |
f et Ee nn
- á el B ie ek, t Î
a ale f k ==
í Li Pd 4 e= ft
ech Aan ik \ aí
hemmen L F DLA à le ME si A
B p i …f KN ee 5 ngen 5
ï 1 n # me Fi en F dt iens BET as
E E nd / | nr genen Der 7
E re 1 : rp … Elp * Mk ; Rn :
ä reve) 55 £ ' nn" Eilel
pe ‚ A SS rr lead En RE
5
Schadelijkheid & |
Jeugd en genotmiddelen 2016
info rmatiezoe kged rag Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Schadelijkheid en informatiezoekgedrag
Hoe schadelijk vinden de leerlingen het gebruik van alcohol en drugs?
In tabel 3 staat hoe leerlingen de schadelijkheid van middelengebruik inschatten. Vooral de frequentie van het gebruik
bepaalt de mate van schadelijkheid voor de leerlingen. Af en toe alcoholische drankjes gebruiken, roken of drugs m
gebruiken vindt een meerderheid nauwelijks schadelijk. Maar dagelijks roken, ieder weekend vijf of meer alcoholische |
drankjes consumeren of regelmatig drugs gebruiken vinden de meeste leerlingen wèl schadelijk. a
Er A |
Tabel 3: Perceptie van schadelijkheid van middelen in de 5°en 6° klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) ee ike KE zl maw: |
re k Ikk ne WE Ù en nn N
Niet Beetje Nogal Erg ci AN Ee 5 reilt Een mbs
schadelijk | schadelijk | schadelijk | schadelijk alike en trede EEJ en nd ren
leder weekend één of twee drankjes met alcohol drinken ee ns & HE 2 EE ci - KI D pnt
ap rk Me A en ET Ir
Af on toe wiet of has) roken | 4} a} 0 RAE Va ER BP
Eén of twee keer ecstasy XTC, MDMA) proberen Ce ae . SG e Ë Sf À er, j 3 eZ
Eén of twee keer amfetamine (pep, speed) proberen __8l al 32} 29 e h pe Se IKK =
ledere dag één of twee drankjes met alcohol drinken __2|l sl 28} 62 7 En
leder weekend vijf of meer drankjes met alcohol drinken
ada dag spenen ele
Regelmatig ecstasy XTC, MDMA) gebruiken ol 3} vv} 8
Hoeveel leerlingen zoeken informatie over het risico Tabel 4: Informatiezoekgedrag in de 5e en 6e klas van havo en vwo in Amsterdam, 2016 (%) *
van drugs? vrienden google,
Tweederde van de leerlingen is zelfs weleens op zoek websites
gegaan naar informatie over de risico’s van druggebruik
(tabel 4). De populairste informatiebron is het internet.
Ook vrienden 25%), ouders (21%) en school (19%) zijn XT C-gebruikers | s5| 8} _ 2| | 6
eeen die Evrard rr hebben Pe [Alecholgebrukers | 2} 3} ss| a} vl __ s|
alle leerlingen die het voorgaande jaar XTC hebben BESESLSE gE pe 5 EE le ES
druggebruik (93%). Ook degenen die in het voorgaande -
* A Il 100%, k k .
jaar cannabis (88%) of alcohol (78%) hebben gebruikt, ntwoorden tellen op tot meer dan 100%, omdat er meerdere antwoorden konden worden aangekruist
gaan vaker dan gemiddeld op zoek naar informatie.
6
vir 8 a k Jeugd en genotmiddelen 2016
Pp Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Welke maatregelen kunnen middelengebruik onder 16- t/m 18-jarigen terugdringen?
Middelengebruik onder middelbare scholieren tot 16 jaar daalde afgelopen jaren, ook in Amsterdam. Het huidige onderzoek laat zien dat het gebruik van genotmiddelen onder
16- t/m 18- jarigen nog altijd hoog is. Op basis van dit onderzoek kan over een toe- of afname van gebruik geen uitspraak gedaan worden, maar de cijfers laten zien dat het gebruik
forse impact kan hebben op een gezonde ontwikkeling van een aanzienlijk deel van de Amsterdamse jongeren. Er is de afgelopen jaren veel energie gestoken in preventie van
middelengebruik onder de jongste groepen adolescenten. Meer aandacht voor de groep van 16 jaar of ouder, met name voor jongeren met een Nederlandse culturele achtergrond,
is nu de uitdaging. Daar zijn goede mogelijkheden voor. Op basis van ervaring en de huidige wetenschappelijke inzichten geven we de belangrijkste richtingen aan.
1. Hanteer een duidelijk middelenbeleid en handhaaf dit 3. Vernieuw de preventie in de bovenbouw
Voor instellingen die met jongeren werken is het belangrijk Voorlichting in de klas heeft als risico dat de lessen
een duidelijk beleid te hebben gericht op het terugdringen averechts werken. Van de 16- t/m 18-jarige leerlingen
van gebruik. Scholen kunnen veel bereiken door gebruik heeft 85% nooit XTC gebruikt. Praten over XTC in de
van genotmiddelen bij geen enkele onderwijsactiviteit te klas betekent dat ook de aantrekkelijke effecten van XTC
accepteren. Niet op het schoolterrein, niet bij schoolreizen ter sprake komen en door niet-gebruikers als verleidelijk
en niet op schoolfeesten. De ‘Middelenvrije School’ ervaren kunnen worden. Een nieuw lesprogramma dat
kan zo bijdragen aan het verminderen van gebruik. Ook ontwikkeld wordt, gaat daarom vooral in op achterliggende
sportverenigingen kunnen met duidelijke regels over processen van middelengebruik. Het programma leert
met name tabak en alcohol veel bereiken. De gemeente om te gaan met verleiding en leert controle over eigen
Amsterdam is verantwoordelijk voor de handhaving van gedrag te versterken. Het breed aanbieden van dit
de leeftijdsgrens voor verkoop van alcohol en cannabis. nieuwe programma voor 4° en 5° klas havo en vwo is een
Meer aandacht voor de uitvoering van deze handhaving is ® belangrijke taak voor GGD en scholen. Daarnaast is het van
wenselijk. belang de jongeren die wèl experimenteren met XTC te
bereiken met informatie over risico's en testen.
2. Ondersteun de ouders
De invloed van ouders wordt vaak onderschat, ook 4. Verbeter de toeleiding naar korte individuele
door ouders zelf. Adolescenten kunnen uitstekend de interventies
indruk wekken dat de mening van ouders onbelangrijk Jongeren die riskant gebruiken zijn gebaat bij individuele
is. Onderzoek laat echter zien dat duidelijke regels van gesprekken, zoals de methode Moti-4. Jellinek kan dit
ouders effect hebben, ook bij jongeren ouder dan 16. bieden, maar het tijdig signaleren van problematisch
Ouders hebben informatie nodig over hoe ze dat kunnen gebruik en het toeleiden van jongeren naar deze
aanpakken. Met een actief beleid van o.a. GGD, Jellinek gesprekken behoeft verbetering. Een grotere bekendheid
en scholen om deze ouders te bereiken te ondersteunen en een beter gebruik van het aanbod van Jellinek Jeugd
kan nog veel verbeterd worden. bij de professionals in het onderwijs (zoals mentoren,
ouder- en kindadviseurs, jeugdverpleegkundigen en
zorgcoördinatoren) èn bij de ouders en opvoeders kan
daarbij helpen.
7
Onderzoe kso pÂ=) Jeugd en genotmiddelen 2016
Pp Onderzoek naar alcohol- en druggebruik in klas 5 en 6 van havo & vwo in Amsterdam
Onderzoeksopzet De gegevens over de opbouw van de leerlingenpopulatie Tabel 5: Achtergrond van de onderzoekspopulatie
Hoe is het onderzoek uitgevoerd? in Amsterdam zijn afkomstig van DUO (Dienst Uitvoering | __ aantal) %[ gewogen %|
Van februari t/m april 2016 vond een klassikale afname Ongewijs) Op 1 oktober 2015 velde Amsterdam 6076
plaats van een schriftelijke vragenlijst in de 5° en 6° klas van eerlingen in klas 5 of 6 van havo of vwo. Geslacht |
22 scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam. Alle Geslacht |
scholen met een havo- en/of vwo-afdeling zijn in januari Wie deden mee aan het onderzoek? jongens | 476} 44} 46|
2016 benaderd of binnen hun school de vragenlijst in één Het merendeel van de leerlingen woonde in Amsterdam meisjes | ____ 600} 56} 54}
klas per schooltype en leerjaar afgenomen kon worden, met (82%). De andere leerlingen waren afkomstig uit reeftijd |T
uitzondering van zelfstandig gymnasia, waarvan er vier van omringende gemeenten, zoals Amstelveen, Diemen, -
de zes zijn benaderd. Een onderzoeksassistent begeleidde Landsmeer en Waterland. Ruim de helft van de leerlingen jongerdantójaer |____ 2| of ol
de afname in de klas. Het ging om 17 havo-5 klassen, 19 was een meisje. Circa een derde deed havo-5, een derde
vwo-5 klassen en 17 vwo-6 klassen. Acht scholen wilden niet in vwo-5 en een derde vwo-6. Ruim de helft van de jaer | 475} 44) aa}
meewerken aan het onderzoek. Er deden 1102 leerlingen leerlingen was van Nederlandse herkomst, een derde van :
mee aan het onderzoek. Acht leerlingen weigerden niet-westerse herkomst en 13% had een overig westerse
deelname aan het onderzoek en 186 leerlingen waren herkomst. Een kwart van hen was 16 jaar, 44% was 17 19 jaarofouder | 57| sl 6}
absent op het moment van afname van de vragenlijst. jaar en een kwart was 18 jaar oud. Een klein deel van de onbekend | __ al af ol}
Van 1076 leerlingen werden de gegevens gebruikt in de leerlingen was 19 jaar of ouder (6%), van wie een relatief
analyses; 26 vragenlijsten waren niet bruikbaar vanwege het groot aandeel van niet-westerse herkomst. Ks |T
ontbreken van gegevens over geslacht (n=13) of het foutief
of riet invullen de vragenlijst (n=13) INET AT UCS Rap
Wat was de inhoud van de vragenlijst? A En AV en JE
il î eN E ij MA ZE
Op basis van de vragenlijst uit het Peilstationsonderzoek EE 8 A ee es & Herkomst ___ ||
van het Trimbos-instituut is een schriftelijke vragenlijst Ee j Já É Tr ijs: BRE :
opgesteld, die in 5 à 10 minuten ingevuld kon worden. ZE p Pa Eg EN Ee
In de vragenlijst werd navraag gedaan naar het gebruik van TE 8 rs PE ten >
alcohol, cannabis en overige drugs. Ook werd gevraagd en al EN len
naar de intentie om deze middelen te gaan gebruiken, Ren RS ien En
naar informatiezoekgedrag en naar de inschatting van ECM en RE
schadelijkheid van het gebruik van genotmiddelen. Verder .
werden enkele achtergrondkenmerken nagevraagd. De Literatuur
vragenlijsten werden verwerkt door I&O Research. Scholen . . . .
- - 1. Preventie Genotmiddelenbeleidsbrief Amsterdam.
kregen een niet-herleidbaar schoolnummer toegekend. (30.01.2013). Gemeente Amsterdam.
Hoe zijn de gegevens geanalyseerd? 2. Dijk van T, Buster M, Osté J. Gebruik van cannabis en
De analyses vonden plaats met behulp van SPSS Complex harddrugs; Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2012.
Samples versie 21 waarbij door middel van weging rekening Amsterdam: GGD Amsterdam, 2014. .
gehouden werd met de geclusterde steekproeftrekking. De 3. Dorsselaer S van, Tuithof M, Verdurmen J, Spit M, Laar
resultaten zijn gewogen naar de leerlingenopbouw in de 5° M van, Monshouwer K, Jeugd en riskant gedrag 2015;
en 6° klas van het voortgezet onderwijs in Amsterdam voor Kerngegevens uit het Peilstationsonderzoek Scholieren.
schooltype, geslacht en herkomst op 1 oktober 2015. Utrecht: Trimbos-instituut, 2016,
8
EE F eN
sl 0
Î & k = Ws
ü [ de ï k
& Ô
il PD _
Ì : 5 ï Z
bf 4 8
- |
É n
RE ú _ .
Ke ®
ì Ji 3 f " me
r Be: dd |
1 ee Of | ra
5 j EEE h : mea À nen
N IE 5 ij # 9 ennen k nn
ri ti NL a | :
TN: fi bi 0 mn À
Al a Am ir nn
IN IE | ml
s Ì B e se je - . _
|
Onderzoeksrapport
| 10
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 1719
Ingekomen op 31 oktober 2019
Ingekomen in raadscommissie ZJS
Ingekomen onder 1631’
Behandeld op 7 november 2019
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van het lid Boomsma inzake de Begroting 2020 (Inzet van doventolken).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2020.
Constaterende dat:
— Amsterdam circa 500-1000 mensen met een gehoorbeperking kent;
— de informatievoorziening bij calamiteiten door de Rijksoverheid verbeterd wordt
voor doven en slechthorenden;
— in gemeenten zoals Beverwijk er reeds voorstellen zijn aangenomen om lokale
informatievoorziening bij calamiteiten te verbeteren.
Overwegende dat:
— _dovenwelzijnsorganisatie SWDA en Cliëntenbelang al zeker sinds 2010 pleiten
voor één stadsloket in Amsterdam waar altijd een doventolk aanwezig is;
— zo veel mogelijk Amsterdammers terecht zouden moeten kunnen bij het
stadsloket voor informatie en dienstverlening;
— zo veel mogelijk Amsterdammers bij calamiteiten zo snel en volledig mogelijk
geïnformeerd zouden moeten worden.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
1. De informatievoorziening en ondersteuning bij het stadsloket te verbeteren voor
Amsterdammers met een gehoorbeperking, door samen met in ieder geval SWDA
en Cliëntenbelang, te bekijken op welke manier de dienstverlening aan deze
Amsterdammer het best kan worden vormgegeven en daarbij te kijken naar
de inzet van doventolken;
2. Te onderzoeken hoe de communicatie met betrekking tot calamiteiten voor
Amsterdammers met een gehoorbeperking verbeterd kan worden.
Het lid van de gemeenteraad
D.T. Boomsma
4
|
Motie
| 1
|
discard
|
Stadsdeelcommissie
Agenda
Datum 28-03-2023
Aanvang 19:30
1. Opening
2. Mededelingen
3. Insprekers
Inspreker Koster inzake het belang van inloophuizen in de stad
4. Mondelinge vragen
5. Adviesaanvraag Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting (besluitvorming)
6. Stadsdeelpanel/Democratisering tools
7. Openbaar vervoer vanwege de nieuwe concessie
8. Motie inzake dak- en thuislozen
9. Ingekomen stukkenlijst
Nieuwsbrief dagelijks bestuur nr. 16
Locatie ondergrondse containers in de Heathrowstraat (Sloterdijk-Gentrum)
Adviesaanvraag Aantrekkelijk OV in een 30 km/u stad
Adviesaanvraag Buurtbudget Nieuw-West 2023
Concept vervoerplan GVB 2023 en 2024
10. Afsprakenlijst
11. Rondvraag
12. Sluiting
|
Agenda
| 2
|
train
|
> < CRN ate TaN en >
Amsterdam de
„_… Ee ke El
er Pk
2 Ro ÊT Shade
| An EO
FP Dt:
Pp Ten
2x | | | | | | b ; | > | je E
L Ì B ì u _- E
Nn | Í 4 ER:
| E | l e | hi d Í 4 ' al kn 8 ö
ni k, ak i INE id s Nr
| | en | h el Lu 1 nr 7 _E
CENSINS OW
í | Ì l Es b: | \ EF dj LL _— ! E TE Î
eed Ik 1 Er tt MN d De
en EN | GEERD pen
en Ï . | L en | kre heer
EE … I Ld > -
8 de OR EEE EE
Ei EE DEE L
if TT ars …e iN fl | {|
EE (IE a
EM k:
Pon = ú n rl ha IE 1 4 nn ee m8 me
Onderzoek, Informatie en Statistiek
De EEE
BE tee ae een Ee
Ee ; nr Bk Dead je. Eer 5 AN
Er Er td ed En ‚ nn a s er Ny is Pa Pat
E. hd cË Ee el Ee Pe Te Ere Dl en hj -
ET NN =
Ee, £ el eer ns an dl
Te 5 rt erder er AE e Wd Pen
7 ld 0 Gej en zes mk ll 3 RE
Er dr Bie ad a Detd EL fd |
zal El Ee NES
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
In opdracht van: directie Openbare Orde en Veiligheid
Projectnummer: 18381
Laure Michon Merel van der Wouden
Sara de Wilde
Bezoekadres: Weesperstraat 113 Telefoon 020 251 0333
Postbus 658, 1000 AR Amsterdam www.ois.amsterdam.nl
L.Michon@amsterdam.nl s.wilde@amsterdam.nl
Amsterdam, maart 2020
Foto voorzijde: Open Monumentendag (Interieur Oude Kerk), fotograaf Sanne Couprie (2017)
2
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Inhoud
Inleiding 5
Aanleiding 5
Onderzoeksvraag 5
Doelgroep 5
Methode 6
Dankwoord 9
Rapportage 9
1 Inzichten uit bestaand onderzoek 10
1.1 Religie in Amsterdam: twee derde Amsterdammers niet gelovig 10
1.2 Bedreigingen na bekering of geloofsverlating 11
1.2.1 Bekering en geloofsverlaten: verschillen in kennis tussen groepen 11
1.2.2 Weinig bekend over dreigingen bij bekering of geloofsverlaten 14
1.3 Onbekend welke groepen veel te maken krijgen met bedreigingen 16
1.4 Alleen kennis over gevolgen bedreigingen in het algemeen 17
1.5 Waarschijnlijk weinig aangiftes en meldingen 18
1.6 Andere problemen na bekering of geloofsverlating 18
2 Experts aan het woord 21
2.1 Geen cijfers bekend over bekeringen en geloofsverlaten in Amsterdam 21
2.2 Gevallen van bedreigingen en geweld bekend, maar zeldzaam 21
2.3 Uiteenlopende meningen over kwetsbare groepen voor bedreigingen 22
2.4 Eenzaamheid en angst belangrijkste gevolgen; lotgenotencontact nuttig 24
3 Ervaringsdeskundigen aan het woord 27
3.1 Negatieve gevolgen van de verandering 28
3.1.1 Reacties op de verandering 28
3.1.2 Contact met familie en anderen uit de ‘oude gemeenschap’ 30
3.1.3 Mentale gevolgen 32
3.2 Positieve gevolgen: rust, acceptatie, nieuwe perspectieven en vrijheid 34
3.3 Hulp tijdens de verandering 35
Samenvatting en discussie 38
Samenvatting 38
Hoe vaak komen bedreigingen na bekering of geloofsverlaten voor? 39
Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben? 39
Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke
participatie? 40
3
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken
zij hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar? Wat zijn mogelijke belemmeringen
hierbij? 40
Welke andere problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten
in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie? 41
Discussie al
Aanbevelingen 43
Bijlage 1: Topiclijst interviews experts 45
Bijlage 2: Topiclijst interviews ervaringsdeskundigen 46
4
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Inleiding
Aanleiding
In maart 2018 stelden de raadsleden Poot en Boomsma schriftelijke vragen over bedreigingen
van christenen met een islamitische achtergrond in asielzoekerscentra (AZC's) naar aanleiding
van artikelen in de media (Reformatorisch Dagblad, 20-01-2018).
Naar aanleiding van de vragen over deze incidenten heeft de burgemeester van Amsterdam
toegezegd dat onderzoek zou worden gedaan naar de omvang en aard van bedreigingen van
bekeerde personen. Er zijn op dit moment geen beschikbare gegevens die inzicht kunnen bieden
in deze problematiek. De directie Openbare Orde en Veiligheid (OOV) heeft aan Onderzoek,
Informatie en Statistiek (OIS) gevraagd om een verkennend onderzoek naar deze problematiek.
Onderzoeksvraag
Centraal staat de vrijheid van personen om een geloof te beleven, van geloof te veranderen of
een geloof te verlaten. Het onderzoek richt zich daarom op de vraag:
In hoeverre hebben personen die hun geloof verlaten of zich bekeren (ongeacht vanuit welke
godsdienst en voor welk nieuw geloof of levensbeschouwing) te maken met bedreigingen in
Amsterdam en welke gevolgen hebben deze bedreigingen voor hen?
Het doel van het onderzoek is om een onderbouwde indicatie te geven van de omvang en
frequentie van bedreigingen na het verlaten van het geloof of na bekering op basis van
verschillende bronnen.
De onderzoeksvraag is vitgewerkt in een aantal deelvragen:
n Welke problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen
van sociale contacten en maatschappelijke participatie?
= _Hoe vaak komen bedreigingen voor?
= Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben?
n Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke
participatie?
n= Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken zij
hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar?
= Wat zijn mogelijke belemmeringen voor het doen van aangifte of melding?
Doelgroep
Het onderzoek richt zich op personen die vanuit een bewuste keuze van geloof zijn veranderd of
hun geloof hebben verlaten. Omdat het onderzoek zich ook richt op de rol van de gemeente is
dit verder afgebakend door alleen Amsterdammers te betrekken bij het onderzoek, of mensen
5
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
die hun proces van bekering of geloofsverlaten minstens gedeeltelijk in Amsterdam hebben mee
gemaakt. Er is daarentegen geen afbakening gemaakt wat betreft vanuit welke godsdienst of
levensbeschouwing (een geloof maar ook atheïsme of agnosticisme) deze keuze is gemaakt of
voor welke godsdienst of levensbeschouwing iemand vervolgens heeft gekozen. Dit is
schematisch weergegeven in onderstaande figuur 1. Het onderzoek richt zich op deze drie
situaties.
Figuur 1 Situaties van geloofsverlaten of bekering
Voor de afbakening van de doelgroep is het verder belangrijk iets te verduidelijken met
betrekking tot de term ‘bedreiging’. Een bedreiging is een strafrechtelijk delict. Dit geldt
wanneer sprake is van mondeling of schriftelijke bedreiging met de dood, ernstig letsel,
verkrachting of aanranding!
In dit onderzoek hanteren wij naast deze definitie van bedreiging in juridische zin ook een
bredere definitie. Het gaat hierbij om wat door iemand als van bedreigend wordt ervaren, ook als
dat niet strafbaar is. Wij zullen dit onderscheid in de rapportage steeds aangeven.
Methode
Om de centrale onderzoeksvraag en de bijbehorende deelvragen te beantwoorden, is gebruik
gemaakt van een aantal onderzoeksmethoden:
= een gerichte, pragmatische literatuurverkenning naar gegevens en inzichten over de
onderzoeksvragen;
= een verkenning van cijfers vit OIS-enquêtes die inzicht kunnen geven in de problematiek. Het
betreffen geen enquêtes die zijn afgenomen in het kader van het huidige onderzoek maar
enquêtes voor andere (monitor)onderzoeken waarin bepaalde aspecten van het huidige
onderzoek zijn vitgevraagd;
m _gesprekken met experts die in relatie staan tot de doelgroep;
=_ interviews met ervaringsdeskundigen.
Wij hebben voor deze combinatie van bronnen gekozen om de problematiek vanuit verschillende
invalshoeken te benaderen. Gelet op de moeilijk bereikbare doelgroep was het gebruik van
kwalitatieve methoden het meest geschikt om ervaringen in Amsterdam op te halen en het
iteratuuronderzoek en de cijfermatige verkenning boden een bredere context. De opzet had als
doel om tot veelzijdige inzichten te komen en daarmee tot een goede onderbouwing van
antwoorden op de onderzoeksvragen. Hieronder wordt iedere methode toegelicht.
1 Zie de uitleg die door de politie wordt gegeven: https://www.politie.nl/aangifte-of-melding-doen/aangifte-van-
bedreiging.html
6
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Literatuurverkenning
In het kader van de pragmatische literatuurverkenning is gericht gezocht naar gegevens en
inzichten die bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Er is voornamelijk in
Nederlandse maar ook in internationale literatuur gezocht naar informatie over de volgende
onderwerpen:
=de mate waarin het voorkomt dat mensen hun geloof bewust verlaten of zich bekeren;
n welke keuzes daarin het vaakst voorkomen (geloofsverlating of bekering en van of naar welke
religie of levensovertuiging);
m wat de gevolgen zijn voor personen, met name voor sociale contacten en maatschappelijke
participatie;
= wat de rol van de context hierbij is, met name de situatie in grote steden;
min hoeverre bedreigingen voorkomen, wat hierop van invloed is en wat de gevolgen zijn.
Hierbij is nadruk gelegd op vitkomsten die relevant zijn voor de onderzoeksvragen en voor de
Amsterdamse context: een grote stad met veel diversiteit. De uitkomsten van de theoretische
verkenning zijn in dit rapport verwerkt in het eerste hoofdstuk.
Verkenning van cijfers
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal Amsterdammers dat een geloof verlaat of zich
bekeert. Wel zijn er enquêtes van OIS waarin wordt gevraagd naar verwantschap met religie of
levensbeschouwing, naar ervaring met discriminatie op basis van godsdienst of
levensovertuiging en naar ervaring met bedreiging of fysiek geweld (in het algemeen). Deze
bronnen (de Veiligheidsmonitor en de Staat van de Stad) zijn verkend. Doordat in deze
onderzoeken echter niet specifiek gevraagd wordt naar ervaringen met discriminatie, bedreiging
of (fysiek) geweld gerelateerd aan bekering of geloofsverlating, beantwoorden deze cijfers niet
de centrale onderzoeksvraag maar zij dragen wel bij aan inzicht in factoren die een eventuele
indicatie van de problematiek kunnen zijn. De uitkomsten van de cijferverkenning komen aan
bod in het eerste hoofdstuk.
Gesprekken met experts
Daarnaast hebben we tien gesprekken gevoerd met 11 personen die (potentieel) in contact staan
met de doelgroep van het onderzoek. Het gaat hierbij om theologen, vertegenwoordigers van
religieuze of levensbeschouwelijke organisaties en professionals in contact met bekeerlingen en
geloofsverlaters; voornamelijk in Amsterdam maar in een aantal gevallen elders. Vanwege hun
ervaringen met geloofsverlaters en bekeerlingen, op welke manier dan ook, noemen we hen
experts. Het gaat om verschillende vormen van expertise (gebaseerd op theologische of
professionele kennis) en expertise op verschillende domeinen (van de verschillende religies of
van specifieke doelgroepen).
Aanvankelijk is een aantal organisaties benaderd dat in beeld was bij de directie OOV, de
begeleidingscommissie en/of bij OIS. Gecombineerd met de sneeuwbalmethode, waarbij via
respondenten contact wordt gelegd met nieuwe respondenten, hebben we gesproken met een
diverse groep van experts:
"twee theologen
n vier religieuze leiders (drie voorgangers van christelijke kerken en een rabbijn)
m_drie bestuursleden van organisaties (van een moskee en van het humanisme)
m_ twee personen die hulp bieden aan mensen die het geloof (respectievelijk islamitisch en
gereformeerd) hebben verlaten.
7
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
De gesprekken met de experts duurden een uur en vonden face-to-face of telefonisch plaats. De
topiclijst bevatte vragen over de ervaringen met bekering en geloofsverlaten, de kenmerken van
de geloofs- of levensbeschouwelijke gemeenschap, de gevolgen van bekering of geloofsverlaten
en verschillen daarin en het voorkomen van bedreigingen en reacties hierop.
Interviews met ervaringsdeskundigen
Tot slot zijn er negen interviews gehouden met (oud) Amsterdammers die hun geloof hebben
verlaten of zich hebben bekeerd. Daarbij komen ook drie Amsterdamse experts die zelf ook hun
geloof hebben verlaten. In totaal nemen we daarom van 12 personen de eigen ervaringen mee
voor dit onderzoek. Daarbij waren we niet alleen geïnteresseerd in personen die bedreigingen
hebben meegemaakt, maar willen we in meer brede zin weten wat hun ervaringen zijn. De focus
lag op de (sociale) gevolgen van de bekering of geloofsverlating. Tijdens de gesprekken is een
topiclijst gehanteerd om diverse onderwerpen aan de orde te laten komen. De topiclijst is te
vinden in de bijlage.
Respondenten zijn op verschillende manieren geworven:
= viade experts met wie we gesprekken voerden;
= via de sneeuwbalmethode: respondenten uit de doelgroep hebben we gevraagd naar
contacten met andere personen die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd;
= via oproepen binnen organisaties, zoals social media-berichten.
Daarbij is gestreefd naar diversiteit tussen de geïnterviewden wat betreft leeftijd, geslacht,
geloof of levensbeschouwing (voor en na de bewuste keuze) en herkomst. Het doel was om een
zo divers mogelijke groep respondenten te bereiken om een breed scala aan ervaringen te
kunnen belichten. De implicatie van de brede definitie die in het onderzoek wordt gehanteerd,
was dat het onderzoek zich richtte op een grote en diverse doelgroep. Dit maakte de uitvoering
van het onderzoek lastig, met name het vinden van respondenten die deze diversiteit aan
godsdiensten of levensbeschouwingen en veranderrichtingen reflecteren. Met de interviews is
een diepgaand inzicht verkregen in de individuele belevingsprocessen van de respondenten.
Representativiteit van de groep respondenten was geen hoofddoel. Uiteindelijk is gesproken
met 12 bekeerlingen en geloofsverlaters die we op basis van figuur 1 in drie groepen kunnen
verdelen (figuur 2). Daarbij zijn de godsdiensten en levensbeschouwingen weergegeven zoals
door de respondenten zelf verwoord. In de interviews is niet specifiek gevraagd naar stromingen
binnen religies.
8
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Figuur 2 Overzicht respondenten*
Twee mannen die uitgesloten zijn vit de Jehova's Getuigen.
Een vrouw die het orthodox jodendom verliet.
. liai Een vrouw die de islam verliet.
nietreligleUS Fen man die het gereformeerd christendom verliet.
Een man die zich bekeerde van het katholicisme naar het orthodox
ï jodendom.
_ religieus — Een man die zich bekeerde van het (niet actief) christendom tot de islam.
Een vrouw die zich bekeerde van het hervormd christendom naar de islam.
Twee vrouwen die zich bekeerden van de islam tot het christendom.
nietreligieus Twee vrouwen die zich bekeerden van atheïst tot de islam.
Dankwoord
We zijn zowel de experts als de ervaringsdeskundigen erkentelijk voor hun bereidheid om met
ons te spreken, hun (persoonlijke) ervaringen met ons te delen en alle hulp bij de vitvoering van
het onderzoek. Daarnaast een woord van dank aan de leden van de begeleidingscommissie.
Gedurende het onderzoek is er meermaals contact geweest Fiore Geelhoed, Karin van
Nieuwkerk en Vanessa Vroon die samen deze commissie vormden. Wij zijn hen dankbaar voor
hun kritische blik en vele aanbevelingen. Ook danken wij Joke van Saane en Trees Pels voor hun
bijdrage bij het opstarten van onderzoek.
Rapportage
In de voorliggende rapportage worden in het eerste hoofdstuk de deelvragen beantwoord aan de
hand van bestaand onderzoek, te weten literatuur en enquêtecijfers. In het tweede hoofdstuk
komen de antwoorden van de experts op een aantal onderzoeksvragen aan bod. In het derde
hoofdstuk komen de ervaringsdeskundigen aan het woord over de gevolgen die zij hebben
ervaren van hun verandering, die met name betrekking hebben op hun sociale contacten en
maatschappelijke participatie. In elk hoofdstuk worden daarmee de uitkomsten van de
verschillende toegepaste onderzoeksmethodes apart besproken. De rapportage wordt
afgesloten met een conclusie waarin de verschillende onderzoeks-onderdelen met elkaar
worden verbonden en waarin de deelvragen en de centrale onderzoeksvraag worden
beantwoord.
9
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
1 Inzichten uit bestaand onderzoek
In dit hoofdstuk wordt allereerst kort de context van bekering en geloofsverlating besproken: de
plaats van religie in Amsterdam, en wat bekend is over bekering en geloofsverlaten. Vervolgens
gaan we in op de beantwoording van de deelvragen die in dit onderzoek centraal staan.
Achtereenvolgend komen de volgende vragen aan bod:
= Hoe vaak komen bedreigingen na bekering of geloofsverlating voor?
= Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben?
n Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke
participatie?
n Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt: zoeken zij
hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar?
= Wat zijn mogelijke belemmeringen voor het doen van aangifte of melding?
= Welke andere problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in
termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie?
1.1 Religie in Amsterdam: twee derde Amsterdammers niet gelovig
Om eerst enige context te geven aan de cijfers die zullen volgen, is het belangrijk om het kader
te schetsen. Daarbij is een belangrijk gegeven dat twee derde van de Amsterdammers zich niet
verwant voelt met een religie of levensbeschouwing.? Het aandeel Amsterdammers dat zich wel
verwant voelt met een religie of levensbeschouwing neemt sinds 2010 langzaam af. Vóór 2010
lag het aandeel religieuze Amsterdammers rond de 40%, in 2018 gaat het om 33%. Honderd jaar
geleden waren vrijwel alle Amsterdammers nog gelovig.* Deze daling is in de laatste jaren vooral
gerelateerd aan de sterke afname van het aandeel Amsterdammers dat zich verwant voelt met
het christendom. In 2018 is de daling gestopt en lijkt dit percentage zich te stabiliseren op 15%.
Het aandeel moslims ligt al een aantal jaar rond de 13%. Verder is 1% van de Amsterdammers
boeddhist, hindoeïstisch of joods. Alle andere geloven worden door minder dan 1% van de
bevolking genoemd.
2 OIS (2019), Staat van de Stad X, https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/de-staat-van-de-stad-amsterdam-
x/c022b42a-58f2-49af-993a-e61227ae6del/
3 OIS (2019, 28 november), Geloven in Amsterdam, https://data.amsterdam.nl/artikelen/artikel/geloven-in-
amsterdam/6f11318a-b96f-4607-a0de-4f247e983fc2/
10
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Figuur 1.1 Godsdienst, religieuze of levensbeschouwelijke stroming waarmee men zich verwant voelt,
Amsterdam, 2006-2018 (procenten)
100
go geen antwoord
niet gelovig
80
manders
70 m Joods
B Hindoeisme
bo em Boeddhisme
50 mIslam
overig Christelijk
40 m Protestantse Kerk
— T T e= Rooms-Katholiek
30
2 T T
. m Denen
0
2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018
bron: OIS/ SvdS X
Vergelijken we de situatie in Amsterdam met die in heel Nederland, dan blijkt de secularisatie in
de hoofdstad sterker dan landelijk. In 2017 rekende 49% van de Nederlanders van 15 jaar en
ouder zich tot een godsdienstige of levensbeschouwelijke groepering. Eind jaren negentig was
dit percentage 60%.*
Ook in de verhouding tussen groepen zijn er verschillen tussen Amsterdam en heel Nederland.
Zo noemt 24% van de Nederlandse bevolking zich katholiek en 15% protestants. Daarmee
vormen christelijke Nederlanders een veel grotere groep dan de groep islamitische Nederlanders
(5%). In Amsterdam zijn deze groepen even groot.
1.2 Bedreigingen na bekering of geloofsverlating
1.2.1 Bekering en geloofsverlaten: verschillen in kennis tussen groepen
Cijfers over bekering en geloofsverlaten zijn zeer beperkt beschikbaar, over bedreigingen nog
minder. Wel is bekend dat de ontkerkelijking in Nederland sneller is gegaan dan waar dan ook ter
wereld, zo blijkt uit cijfers van het CBS.° Niet alle geseculariseerde personen hebben bewust een
geloof verlaten, er kan ook sprake zijn van een geleidelijk proces waarbij de band met een
geloofsgemeenschap en/of geloof langzaam verwatert. Over de omvang van bekering en
4 Schmeets, H. (2018). ‘Wie is religieus, en wie niet?’ Statistische Trends. Den Haag: CBS. https://www.cbs.nl/nl-
nl/achtergrond/2018/43/wie-is-religieus-en-wie-niet-
$ CBS. (2016, 12 april). 111 jaar statistiek in tijdreeksen, 1899-2010. https://www.chs.nl/nl-nl/publicatie/2010/35/111-
jaar-statistiek-in-tijdreeksen-1899-2010
11
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
geloofsverlaten geven landelijke studies enige relevante inzichten. Hieronder bespreken we de
uitkomsten van studies naar de religieuze beleving van christenen en moslims. Over andere
religieuze groepen zijn geen vergelijkbare cijfers gevonden.
Geloofsverlaten onder christenen in Nederland
In een recent verschenen onderzoek naar christenen in Nederland® is in kaart gebracht hoeveel
mensen zich niet meer rekenen tot het kerkgenootschap of de levensbeschouwelijke groepering
waarin zij zijn grootgebracht. Tussen 1983 en 2016 is dit aandeel gestegen van 24% naar 38%
van de Nederlandse bevolking vanaf 16 jaar. Onder jongeren tot 30 jaar is dit aandeel gelijk
gebleven (30%) in dezelfde periode. De vraag richt zich overigens meer op aansluiting bij een
geloofsgemeenschap dan op geloof.
De publicatie geeft verder inzicht in het verlaten van een aantal christelijke kerkgenootschappen
en kerklidmaatschap vanuit een buitenkerkelijke opvoeding. Dit laatste komt beperkt voor: 4%
van de bevolking wordt christelijk kerklid vanuit een buitenkerkelijke opvoeding. Andersom
geldt dat ontkerkelijking vooral sterk is toegenomen onder personen die rooms-katholiek zijn
opgevoed: in 2016 was 73% buitenkerkelijk geworden. Onder personen die Nederlands-
hervormd en gereformeerd zijn opgevoed is buitenkerkelijkheid ook gestegen, maar in mindere
mate (tussen 50% en 60% in 2016).
Religieuze beleving van moslims
In de verwante SCP-publicatie over de religieuze beleving van moslims? worden geen
vergelijkbare cijfers gegeven over het verlaten van de islam. Echter, aangezien de tweede
generatie migranten van Turkse en Marokkaanse herkomst (in Nederland geboren van ouders
die in het buitenland zijn geboren) zich iets minder vaak moslim noemt dan de eerste generatie
migranten met dezelfde herkomst, kan een schatting worden afgeleid.
Tabel 1.2 Aandeel dat zichzelf als moslim ziet, Turkse en Marokkaanse Nederlanders van 15 jaar en ouder,
naar generatie van migratie, 2015 (procenten)
1° generatie 90 96
2e generatie 82 91
totaal 86 94
bron: Huijnk 2018
Zo ziet 90% van de in Turkije geboren Turkse Nederlanders zichzelf als moslim, van de groep die
in Nederland is geboren is dit 82%. Dit verschil van acht procentpunt tussen de eerste en de
tweede generatie heeft waarschijnlijk te maken met het verlaten van de islam (al dan niet voor
een andere religie). Volgens dezelfde redenering zou maximaal 5% van de tweede generatie
Marokkaanse Nederlanders de islam hebben verlaten. Overigens zijn er nauwelijks verschillen in
6 de Hart, J. & P. van Houwelingen (2018), Christenen in Nederland. Kerkelijke deelname en christelijke gelovigheid. Den
Haag: SCP.
https://www.scp.nl/Publicaties/Alle publicaties/Publicaties 2018/Christenen in Nederland/Christenen in Nederlan
d
7_Huijnk, W. (2018), De religieuze beleving van moslims in Nederland, Den Haag: SCP.
https://www.scp.nl/Publicaties/Alle publicaties/Publicaties 2018/De religieuze beleving van moslims in Nederlan
d/De religieuze beleving van moslims in Nederland
12
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
leeftijd in de mate van religieuze zelfidentificatie. Wel zijn er verschillen in geslacht: vrouwen
noemen zichzelf iets vaker moslirn dan mannen. Verder geldt onder Turkse Nederlanders dat
hoogopgeleiden zich minder identificeren met de islam dan personen met een lager
opleidingsniveau.
Tussen 2006 en 2015 zijn Turkse Nederlanders zich minder vaak moslim gaan noemen; deze
daling geldt zowel voor de eerste als voor de tweede generatie. Dit vormt eveneens een
aanwijzing voor enige mate, zij het beperkt, van geloofsverlaten. Deze ontwikkeling geldt niet
voor Marokkaanse Nederlanders: hun identificatie met de islam is constant gebleven.
Mechanismen voor identificatie met de islam
Maliepaard en Lubbersë geven verder inzicht in het mechanisme van identificatie met de islam
van jongeren. Dit doen zij op basis van een enquête onder Nederlanders van Turkse en
Marokkaanse herkomst die zich als moslim identificeren en hun kinderen. De enquête richt zich
op de vraag hoe ouders religieuze waarden en van het praktiseren van religie doorgeven. Dat
gebeurt in grote mate, ongeacht het onderwijsniveau van de kinderen en de mate waarin zij
vrienden hebben buiten de eigen etnische groep. Het resultaat is een sterke overdracht in
identificatie met de islam. Dit wordt ook bevestigd in een recent internationaal onderzoek onder
zowel christelijke als islamitische jongeren. Simsek en collega’s laten zien dat terwijl onder
christelijke jongeren (zowel met als zonder migratieachtergrond) sprake was van secularisatie,
onder islamitische jongeren nauwelijks verandering is opgetreden tijdens hun tienerjaren in de
mate van identificatie met de islam, het bezoek van de moskee en de frequentie van het bidden.°
Behalve naar verschillen tussen religieuze groepen kan ook gekeken worden naar verschillen in
individuele en contextuele kenmerken bij geloofsverlaten. Need en de Graaf hebben dit gedaan
met Nederlandse enquêtegegevens: zij laten zien dat een hoger opleidingsniveau van de
persoon en van de ouders, en het trouwen met een niet-religieuze partner de kans vergroten om
het geloof te verlaten waarin men is opgevoed. Verder is er een effect van leeftijd: personen in
de late adolescentie verlaten relatief vaak hun geloof.10
Enige kennis over geloofsverlaten, weinig over bekering
Al met al zien we dat sprake is van een proces van secularisering dat sterker voor sommige
groepen opgaat dan voor anderen. Vooral het verschil tussen religieuze groepen lijkt groot: de
cijfers duiden op een grotere mate van kerk- en/of geloofsverlaten van het katholicisme en het
protestantisme. Dat geldt daarentegen in geringe mate voor de islam.
Over bekeringen is echter heel weinig bekend. Volgens een internationale vergelijkende studie
zou naar schatting 1,4% à 1,7% van de moslims in Nederland (in totaal ongeveer 1 miljoen
personen) bekeerd zijn tot de islam. '! Op basis van haar onderzoek onder islamitische
8 Maliepaard, M. & M. Lubbers (2013), ‘Parental Religious Transmission after Migration: The Case of Dutch Muslims’,
Journal of Ethnic and Migration Studies 39 (3): 425-442. http:/{dx.doi.org/10.1080/1369183X.2013.733862
9 Simsek, M., F. Fleischmann & F. van Tubergen (2019), ‘Similar or divergent paths? Religious development of Christian
and Muslim adolescents in Western Europe’, Social Science Research 79: 160-180.
https://doi.org/10.1016/j.ssresearch.2018.09.004
10 Ariana Need and Nan Dirk De Graaf (1996), “Losing my religion”: a dynamic analysis of leaving the church in the
Netherlands’, European Sociotogicat Review 12 (1): 87-99.
u Schuurman, B, P. Grol & S. Flower (2016), ‘Converts and Islamist Terrorism: An Introduction’, ICCT Journal 7 (3).
https://www.icct.nl/wp-content/uploads/2016/06/ICCT-Schuurman-Grol-Flower-Converts-June-2016.pdf
13
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
bekeerlingen stelt Vroon-Najem dat de meeste jonge bekeerlingen zich niet bekeren vanuit een
ander geloof, het gaat vooral om personen die van huis uit geen geloof hebben meegekregen?
1.2.2 Weinig bekend over dreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Over de omvang van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten zijn geen cijfers bekend. Een
van de weinige studies over dit onderwerp toont aan hoe moeilijk het is om inzicht te verschaffen
in dit fenomeen. Larsson heeft onderzoek gedaan in Zweden op basis van verschillende
getuigenissen van personen die zich bedreigd hebben gevoeld nadat zij de islam hebben
verlaten.'* Larsson ziet echter nauwelijks dergelijke gevallen terug in politiedossiers. Hij heeft
daarnaast gekeken naar de standpunten van imams in Zweden: hij vindt geen ondersteuning in
hun woorden voor het idee dat het verlaten van de islam bestraft zou moeten worden. Er zijn
daarnaast kwalitatieve onderzoeken die de ervaringen van bekeerlingen in kaart brengen. Zo
komt naar voren dat bekeerlingen tot de islam te maken kunnen krijgen met negatieve reacties
en met fysiek geweld.!* Overigens ervaren zij dit niet per se als bekeerlingen aangezien hun
ervaringen worden gedeeld door moslims meer in het algemeen (zie hieronder). Op basis van
deze studies is het echter niet mogelijk om de omvang van bedreigingen te kwantificeren.
Discriminatie en religie in Amsterdam
Om de Amsterdamse context te schetsen maken wij hier gebruik van enquêtegegevens uit de
Veiligheidsmonitor (VM) over discriminatie onder verschillende levensbeschouwelijke groepen,
als ook de grond en de vorm van die discriminatie. Deze cijfers geven geen antwoord op de
onderzoeksvragen, maar geven wel een bredere context aan de problematiek. Mensen die
negatieve consequenties ervaren van hun bekering of geloofsverlaten vallen onder de groepen
die discriminatie ervaren op grond van religie of levensbeschouwing, alleen weten we niet in
welke mate.
Van alle Amsterdammers had 12% in 2018/19'° discriminatie ervaren in het afgelopen jaar. Van
hen zegt 18% dat dit gebeurde op grond van godsdienst of levensovertuiging. Omgerekend zegt
2% van alle Amsterdammers discriminatie te hebben ervaren vanwege religie of
levensbeschouwing in 2018/19.
12 NRC (2014, 10 april). ‘De islam past nou eenmaal goed bij deze tijd.’ https://www.nrc.nl/nieuws/2014/04/10/de-islam-
past-nou-eenmaal-goed-bij-deze-tijd-136395/-a1128024
13 Larsson, G. (2018) ‘Let's talk about apostasy! Swedish Imams, Apostasy Debates, and Police Reports on Hate Crimes
and (De)conversion.' In K. van Nieuwkerk (ed.) Moving in and out of Islam. Austin: University of Texas Press: 385-404.
14 Geelhoed, F.R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories
and (non-) involvement in jihadist movements’. ICCT Research Paper. https://icct.nl/publication/understanding-dutch-
converts-to-islam-on-turbulent-trajectories-and-non-involvement-in-jihadist-movements/
18 We gebruiken hiervoor de cijfers van september 2018 t/m augustus 2019 onder 11.357 Amsterdammers. Er is
gekozen voor deze periode omdat toen is gestart met het vragen naar religie of levensbeschouwing.
14
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Figuur 1.3 Ervaren discriminatie, 2018/19 (procenten)
Ervaring met discriminatie Ervaren discriminatie naar grond
weet ik niet op grond van
5% godsdienst of
levensovertuiging
nee andere grond
83% 82%
Bron: OIS/ VM 2018/19
Discriminatie en bedreiging of geweld
Van de personen die aangaven discriminatie te hebben ervaren op grond van religie of
levensbeschouwing gaat het bij 12% om geweld of agressief gedrag en bij 9% om bedreiging
(omgerekend 0,3% en 0,2% van de Amsterdamse bevolking). Dit gaat om bedreiging vanwege
religie in algemene zin, niet (uitsluitend) om bedreiging vanwege bekering of geloofsverlaten.
Discriminerende opmerkingen of beledigingen komen het meeste voor, in bijna 60% van de
gevallen.
Figuur 1.4 Ervaren vorm van discriminatie bij discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging
(meerdere mogelijk), 2018/19 (procenten)
door discriminerende opmerkingen/belediging | 59
door ongelijke behandeling/benadeling | 48
negatief beeld/stigmatisering (bijv. in de media) | 46
door negeren/ uitsluiting | 37
door roddels | 24
het was meer gevoel dan dat er iets gebeurde | 18
door geweld/ agressief gedrag | 12
door bedreiging mn 9
door vernieling/ beschadiging van eigendommen B 6
anders B 6
weet niet | 1
%
0 20 40 60 80 100
Bron: OIS/ VM 2018/19
Vooral moslims blijken discriminatie op grond van religie of levensbeschouwing bovengemiddeld
veel te rapporteren. Driekwart van hen heeft religieuze discriminatie ervaren. Onder katholieken
is dit percentage met 6% veel minder dan gemiddeld (18%). Van de seculiere Amsterdammers
15
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
heeft 8% discriminatie op grond van levensbeschouwing ervaren. Voor andere religieuze of
levensbeschouwelijke groepen zijn de aantallen te klein om hierover te rapporteren.
Figuur 1.5 Ervaren discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, naar religieuze of
levensbeschouwelijke groep, 2018/19 (procenten)
katholiek TJ 6
seculier Tj 8
%
o 20 40 60 80 100
* Het gaat bij moslims specifiek om soenitische moslims, omdat de vragenlijst de
mogelijkheid aanbiedt om een specifieke levensbeschouwelijke groepering te kiezen. De
groep sjiitische moslims is relatief beperkt in Amsterdam. Bron: OIS/ VM 2018/19
1.3 Onbekend welke groepen veel te maken krijgen met bedreigingen
Er zijn geen studies gevonden die specifiek het probleem van bedreigingen na bekering of
geloofsverlaten adresseren. Dat maakt het identificeren van groepen die relatief veel te maken
hebben met bedreigingen heel lastig. Wel zien we dat de publieke discussie zich toespitst op het
verlaten van en de bekering tot de islam.
Zo is er veel discussie over de vraag of personen die de islam verlaten structureel of relatief vaak
te maken hebben met bedreigingen tot geweld. Er zijn geen cijfers die dit staven of ontkrachten.
Bovengenoemd onderzoek van Larsson heeft op basis van politiecijfers geen specifieke cijfers
hierover gevonden. Larsson schrijft hierover dat er sprake lijkt te zijn van een discrepantie tussen
de perceptie dat het gevaarlijk is om de islam te verlaten en de liberale standpunten van imams
bij geloofsverlaten.!ê
Er is ook debat over de vraag of er een theologische basis is in de islam voor bedreigingen of zelfs
doodstraffen bij apostasie. Volgens sommige theologen kunnen moslims bedreigingen en fysiek
eweld baseren op religieuze teksten.” Volgens andere theologen geldt dit echter niet. Zo is er
g Pp rélig g geng
volgens Aulad Abdellah in de islamitische theologie ‘geen dwang in de godsdienst’. 'ê Hij erkent
dat volgens sommige interpretaties apostasie met de dood zou moeten worden bestraft maar
16 Larsson, G. (2018), zie boven.
17 van den Broeke, C. (2017) ‘Waar is de uitgang? Vrijheid van godsdienst, het recht op uittreding, geloofsafval en het
apostasieverbod in joodse, christelijke en islamitische geloofsgemeenschappen!, NTKR, Tijdschrift voor Rechten
Religie 2017 (2): 105-122.
18 Aulad Abdellah, M. (2017). “Er is geen dwang in de godsdienst” (9:129) Het recht op godsdienstvrijheid en
burgerlijke vrijheden in de islam” NTKR, Tijdschrift voor Recht en Religie 2017 (2): 165-177.
16
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
daar staan teksten tegenover over het respect van andere religies en het verbod om deze religies
of diens aanhangers te beledigen.
Als het gaat om de positie van tot de islam bekeerde vrouwen schrijft Vroon-Najem'9:
‘veranderingen op gebied van kleding, voedsel, het zich onthouden van alcohol of omgang met
de andere sekse, waren vaak een verrassend korte weg naar het stempel “buitenlander”
Bekeerde moslima's kunnen dan te maken krijgen met vormen van discriminatie waar ze eerder
niet mee geconfronteerd werden? Volgens Vroon-Najem zijn ze hier vaak verbaasd over: er is
opeens verschil in hoe mensen hen behandelen, bijvoorbeeld wanneer ze willen solliciteren of
wanneer mensen ervan uitgaan dat ze slecht Nederlands spreken.
1.4 Alleen kennis over gevolgen bedreigingen in het algemeen
Aangezien heel weinig bekend is over het voorkomen van bedreigingen na bekering of
geloofsverlaten, valt er ook niet veel te zeggen over de gevolgen daarvan. Wel weten we dat
dreiging om slachtoffer te worden van criminaliteit kan leiden tot een onveilig gevoel. Over
onveiligheidsbeleving is veel geschreven. Zo legt Rader uit dat de dreiging om slachtoffer te
worden uit drie componenten bestaat?! Eris allereerst een emotioneel aspect: de angst voor
misdaad. Uit de Veiligheidsmonitor 2018/2019 blijkt dat 14% van de Amsterdammers die in het
jaar voorafgaand aan bevraging slachtoffer werden van (bedreiging met) geweld zich vaak
onveilig voelt, tegenover 2% van de Amsterdammers die nergens slachtoffer van werden. Het
tweede element is het cognitieve aspect een inschatting van de hoogte van het risico. Uit
dezelfde Veiligheidsmonitor blijkt dat 26% van de Amsterdammers die in het jaar voorafgaand
aan bevraging slachtoffer waren van (bedreiging met) geweld, de kans (heel) groot schat om
slachtoffer te worden van mishandeling. Dat percentage is onder deze slachtoffers hoger dan
onder slachtoffers van andere uitgevraagde delicten (uiteenlopend van 7% tot 17%) en onder
mensen die nergens slachtoffer van werden (2%).2? De derde component gaat over gedrag: de
zaken die mensen niet doen uit angst voor slachtofferschap. Dit kan er toe leiden dat mensen
minder durven en hun gedrag aanpassen: zij beperken hun activiteiten en maken niet volledig
gebruik van hun fysieke omgeving.® Deze gedragsaanpassing kan vervolgens hun sociale
interacties maar ook de mate van lichaamsbeweging beïnvloeden en kan daarmee leiden tot een
slechtere mentale en fysieke gezondheid. Ross voegt daaraan toe dat mensen die bang zijn
slachtoffer te worden een slechtere gezondheid rapporteren, niet alleen omdat zij weinig
19 Yroon, V. E. (2014). Sisters in Islam. Women’s conversion and the politics of belonging: A Dutch case study. Dissertatie:
Universiteit van Amterdam. https://pure.uva.nl/ws/files/2046672/13/7821 thesis.pdf
20 Zie ook: Geelhoed, F.‚‚ R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent
trajectories and (non-) involvement in jinadist movements’. ICCT Research Paper.
https://icct.nl{publication{understanding-dutch-converts-to-islam-on-turbulent-trajectories-and-non-involvement-
in-jihadist-movements/
21 Rader, N. E. (2004). The Threat of Victimization: A Theoretical Conceptualization of Fear of Crime. Sociological
Spectrum, 24(6), 689-704. https://doi.org/10.1080/02732170490467936
22 In deze verkenning is niet gecontroleerd voor eventuele interveniërende variabelen, waardoor niet zonder meer kan
worden gesteld dat er een causaal verband is tussen ervaren slachtofferschap enerzijds en onveiligheidsgevoelens en
angst voor slachtofferschap van mishandeling anderzijds.
23 Keane, C. (1998). Evaluating the Influence of Fear of Crime as an Environmental Mobility Restrictor on Women's
Routine Activities. Environment and Behavior, 30(1), 60-74. https://doi.org/10.1177/0013916598301003
17
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
lichaamsbeweging hebben (zij lopen relatief weinig) maar ook vanwege de psychische stress die
zij ervaren door angst.*
1.5 Waarschijnlijk weinig aangiftes en meldingen
Na het meemaken van bedreiging kan men eventueel melding of aangifte doen bij de politie. Bij
een melding wordt de politie op de hoogte gesteld van het strafbare feit, bij een aangifte wordt
verzocht om over te gaan tot strafvervolging.? De vraag of bedreiging na geloofsverlating of
bekering wordt gemeld of aangegeven bij de politie, kan niet beantwoord worden met
bestaande cijfers. De politie beschikt niet over dergelijke specifieke cijfers en in
slachtofferenquêtes worden specifieke vormen van bedreiging niet uitgevraagd. Cijfers die er
wel zijn, schetsen een beeld van meldings- en aangiftebereidheid van meer algemene delicten
waarvan mensen die in de Veiligheidsmonitor (een tweejaarlijks bevolkingsonderzoek naar
veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap) aangaven slachtoffer te zijn geworden.
In 2015 gaf 36% van de ondervraagde Nederlanders die slachtoffer werden van een delict aan
daar een melding van te hebben gemaakt.27 Er zijn (sterke) verschillen naar delictstype: het
meldingspercentage voor geweldsdelicten en vermogensdelicten is 44%, voor vandalisme is dat
19%. Binnen geweldsdelicten is het meldingspercentage voor mishandeling 55%, voor
bedreiging 40% en voor seksuele delicten 30%. In het algemeen is de meldingsbereidheid in de
regio Amsterdam lager dan landelijk.
De aangiftecijfers zijn met 27% (in 2015) over alle delictstypen lager dan de meldingscijfers en de
verschillen naar delictstype zijn groter: 21% van de geweldsdelicten werd aangegeven, 35% van
de vermogensdelicten en 13% van de vandalismedelicten. Dat de aangiftebereidheid voor
vermogensdelicten het hoogst is, is (deels) te verklaren doordat een aangifte nodig kan zijn om
een schadevergoeding te ontvangen van de verzekering. Voor de geweldsdelicten zijn de
aangiftepercentages 35% voor mishandeling, 15% voor bedreiging en 12% voor seksuele
delicten. De melding/aangifte ratio (het percentage meldingen dat opvolging krijgt in een
aangifte) is bij bedreiging met nog geen 40% het laagst van alle delictssoorten, tegenover 74%
gemiddeld.
1.6 Andere problemen na bekering of geloofsverlating
Op een aantal onderzoeksvragen vinden we weinig antwoorden in de bestaande literatuur, maar
over problemen bij bekering of geloofsverlaten is wel het een en ander bekend. Het belangrijkste
waar deze studies op wijzen is het risico op eenzaamheid en/of vervreemding. Zo laat Vroon-
Najem zien dat eenzaamheid het grootste probleem is onder tot de Islam bekeerde vrouwen: na
24 Ross, C.E. (1993) ‘Fear of victimization and health’, Journal of Quantitative Criminology 9 (2): 159-175. https:/{doi-
org.vu-nl.idm.oclc.org/10.1007/BFO1071166
28 politie (datum onbekend). Wat is het verschil tussen een aangifte en een melding? Geraadpleegd op 7 januari 2020 via
https://www.vraaghetdepolitie.nl/politiewerk-en-boetes/aangifte-of-melding/wat-is-het-verschil-tussen-een-
aangifte-en-een-melding.htm).
28 Meer informatie over de Veiligheidsmonitor is te vinden via http://www veiligheidsmonitor.nl/.
27 Akkermans, M. (2016). Melding en aangifte van veelvoorkomende criminaliteit. Den Haag: Centraal Bureau voor de
Statistiek.
18
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
de bekering krijgen zij veel positieve aandacht van geloofsgenoten, maar voelen zij zich vaak
alleen.® Er kunnen immers grote verschillen bestaan tussen de omgeving van mensen die als
moslim zijn opgegroeid, en mensen die pas later moslim zijn geworden. Daarbij kunnen
familieleden van bekeerde moslima’s zich schamen en om die reden niet meer met hen gezien
willen worden. De ervaring met deze twee mechanismes kan leiden tot een gevoel van
vervreemding.”
Ook voor andere groepen is eenzaamheid een groot risico. Dit geldt vooral voor personen die uit
hechte geloofsgemeenschappen stappen en meer in het bijzonder voor ex-leden van sektarische
bewegingen. Matthews en Salazar leggen uit dat personen die uit sektarische bewegingen
stappen depressie, rouw, verlies en angst kunnen ervaren na het verlaten, maar dat ook hun
kinderen te maken krijgen met problemen. Hun persoonlijkheid is in de beweging gevormd,
aanpassing aan het leven daarbuiten is vaak lastig.
Sociaal isolement in relatie tot religie
We hebben geen vergelijkbare cijfers voor Amsterdam maar we kunnen wel kijken naar de
relatie tussen sociaal isolement en religie of levensbeschouwing. Amsterdammers die zich
verwant voelen met een religie of levensbeschouwing ervaren over het algemeen even vaak
sociaal isolement als gemiddeld (13%).®! Voor personen die zich verwant voelen met het
katholicisme is dit aandeel lager (9%), onder protestanten gemiddeld en onder moslims iets
hoger (15%). Er zijn met andere woorden verschillen in de mate van ervaren eenzaamheid tussen
personen van verschillende levensbeschouwelijke groepen, maar er is geen verband tussen
verwantschap met religie in het algemeen en sociaal isolement.
Wel zien we verschillen als we kijken naar de frequentie van het bezoek van een gebedshuis:
gelovigen die wekelijks een gebedshuis bezoeken ervaren iets vaker sociaal isolement dan
degenen die dit zelden of nooit doen. Onder moslims zien we echter dat degenen die zelden naar
de moskee gaan zich vaker sociaal geïsoleerd voelen dan degenen die wekelijks naar de moskee
gaan. Bij gebrek aan verdere gegevens is het lastig om deze verschillen te duiden. Het zou er wel
op kunnen wijzen dat de moskee voor moslims een belangrijke rol speelt in de sociale contacten.
28 Vroon, V. E. (2014), zie boven.
29 Geelhoed, F.‚R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories
and (non-) involvement in jihadist movements’. ICCT Research Paper. https://icct.nl/publication/understanding-dutch-
converts-to-islam-on-turbulent-trajectories-and-non-involvement-in-jihadist-movements/
30 Matthews, C. H.& C. F. Salazar (2014), ‘Second-Generation Adult Former Cult Group Members! Recovery
Experiences: Implications for Counseling’, International Journal for the Advancement of Counselling 36 (2): 188-203.
https://doi.org/10.1007/s10447-013-9201-0
31 OIS (2019), Staat van de Stad X, https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/de-staat-van-de-stad-amsterdam-
x/c022b42a-58f2-h9af-993a-e6122/aebdel/
19
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Figuur 1.6 Aandeel Amsterdammers dat zich sterk sociaal geïsoleerd voelt naar levensbeschouwing en
frequentie bezoek gebedshuis, 2018 (procenten)
Cc
& zelden of nooit bezoek gebedshuis |
Ed
E
2 wekelijks bezoek gebedshuis |
E zelden of nooit bezoek gebedshuis |
3
U
5 wekelijks bezoek gebedshuis |
a
8 zelden of nooit bezoek gebedshuis |
8
8 wekelijks bezoek gebedshuis |
5 3, zelden of nooit bezoek gebedshuis |
>=
oe
z 8 wekelijks bezoek gebedshuis VO
gemiddeld Amsterdam VO |
%
o 10 20 30 40 50
Bron: OIS/ SvdS X
Er bestaan in Nederland en elders (online) groepen van lotgenoten. De behoefte hieraan
verschilt. Vliek laat zien op basis van interviews met personen die de islam hebben verlaten dat
de behoefte aan lotgenotencontact groter is in het Verenigd Koningrijk dan in Nederland. Een
van de redenen is dat deze personen in Nederland vaker aangeven dat zij zich niet willen
rofileren als ‘ex-moslims’ omdat zij zich niet willen identificeren met tegenstanders van de
Pp J g
islam. Dit mechanisme verklaart volgens van Nieuwkerk ook waarom sommige personen die de
islam hebben verlaten, vooral als dit al enige tijd geleden is gebeurd, niet voor de zoveelste keer
hun verhaal willen doen omdat zij hun voormalige geloofsgemeenschap niet willen schaden.
32 Maria Vliek (2019) ‘lt's Not Just about Faith’: Narratives of Transformation When Moving Out of Islam in the
Netherlands and Britain, Islam and Christian-Muslim Relations 30 (3): 323-344.
https://doi.org/10.1080/09596410.2019.1628459
33 Van Nieuwkerk, K. (2018), ‘Introduction’, in K. van Nieuwkerk (ed..) Moving in and out of Islam. Austin: University of
Texas Press: 1-23.
20
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
2 Experts aan het woord
Op basis van de tien gesprekken die wij hebben gevoerd met de experts komen in dit hoofdstuk
de drie eerste deelvragen van het onderzoek aan de orde, namelijk:
n Welke problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof verlaten in termen
van sociale contacten en maatschappelijke participatie?
= _Hoe vaak komen bedreigingen voor?
= Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben?
De andere deelvragen zijn nauwelijks besproken in de gesprekken met de experts. Een paar
opmerkingen over de vragen (over de gevolgen van bedreigingen, gezochte hulp en aangiftes en
meldingen) komen in de laatste paragraaf kort aan bod.
2.1 Geen cijfers bekend over bekeringen en geloofsverlaten in Amsterdam
Aan de experts hebben we steeds gevraagd om een inschatting te maken van hoe vaak bekering
of geloofsverlaten voorkomt. Zij doen dit vanuit verschillende perspectieven: als kenner van een
geloofsgemeenschap of van een kerk of moskee, of vanuit organisaties die hulp bieden aan
mensen die zich bekeren of het geloof verlaten. De antwoorden variëren van ‘heel veel’ tot
specifieke aantallen, zoals ‘zo’n 100’ of ‘elke week een bekeerling’. Een van de geïnterviewden
legt vit dat bij sommige christelijke kerken op lokaal niveau het aantal dopen wordt bijgehouden,
waarbij volwassendopen een indicatie kunnen geven van bekeringen. Als iemand binnen het
christendom echter verandert naar een andere stroming, hoeft men niet opnieuw te worden
gedoopt. Voor die gevallen bieden doopcijfers dus geen uitkomst. Ook de vraag naar de
frequentie van het verlaten van geloofsgemeenschappen leidde niet tot concrete antwoorden.
Een aantal gaf aan dat het actief verlaten van hun geloofsgemeenschap of bekering tot een
andere religie niet veel voorkomt maar het lijkt er op dat geleidelijke verwatering van een religie
wat vaker voorkomt. Cijfers over bekeringen en geloofsverlaten worden met andere woorden
niet bijgehouden en het is dan ook niet mogelijk om inzicht te kijken in de concrete omvang van
bekeringen en geloofsverlaten in Amsterdam.
2.2 Gevallen van bedreigingen en geweld bekend, maar zeldzaam
Op de vraag hoe vaak bedreigingen tot (fysiek) geweld voorkomen komt uit de meeste
interviews het antwoord dat deze zeldzaam zijn. De beperkte aantallen zijn overigens geen
reden om bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten te bagatelliseren: voor alle experts is
duidelijk dat elke bedreiging er een te veel is. De experts kennen dergelijke voorbeelden van
negatieve gevolgen van bekering of geloofsverlaten. Om daar meer grip op te krijgen hebben wij
uit alle gesprekken met de experts een lijst gemaakt van deze casussen. Dit heeft een lijst
opgeleverd van 25 concrete gevallen van negatieve reacties op bekering of geloofsverlaten. Dit
zijn, op twee na, casussen uit tweede hand. Verreweg de meeste gevallen hebben
21
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
plaatsgevonden in Amsterdam, maar sommige daarbuiten of zelfs in het buitenland. De precieze
omstandigheden waren in de gesprekken niet altijd goed te achterhalen.
Acht van deze 25 casussen betreffen gevallen van bedreiging tot geweld of daadwerkelijk
geweld, en van vijf weten wij dat zij in Amsterdam hebben plaatsgevonden:
meen persoon met een islamitische achtergrond die na bekering tot het christendom bedreigd
werd door zijn vader die appte: ‘ik kom met een pistool’;
meen jongere die in elkaar is geslagen omdat zijn moeder zich bekeerd had tot het christendom
vanuit een islamitische achtergrond;
meen jongere, niet-gelovig opgevoed door ouders met een islamitische achtergrond, die
gepest werd door andere kinderen op school, geslagen werd en gedwongen om Koranverzen
op te zeggen;
meen persoon met een islamitische achtergrond, betrokken bij een kerk met veel bekeerlingen,
die rouwkransen thuis kreeg met daarbij briefjes “Jij gaat dood!;
=_bommeldingen bij een kerk omdat daar personen met een islamitische achtergrond gedoopt
worden.
De overige casussen betreffen vooral gevallen van discriminerende opmerkingen en ongelijke
bejegening. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van een vrouw van wie de ouders, die niet
gelovig zijn, niet aanwezig wilden zijn bij de doop van hun dochter omdat ze er niet achter
stonden dat zij naar ‘zo’n achterlijke kerk’ zou gaan. Een ander voorbeeld is dat van een
bekeerling tot de islam die van familie expres varkensvlees op het bord kreeg. Er zijn ook een
paar voorbeelden van mensen die bang zijn voor geweld of uitsluiting, zoals een predikant die
iemand met een islamitische achtergrond doopte die op dat moment moest huilen en zei: ‘als dit
uitkomt, ga ik eraan.”
2.3 Uiteenlopende meningen over kwetsbare groepen voor bedreigingen
Uit de gesprekken komt het beeld naar voren dat personen die zich bekeren tot de islam of die
de islam verlaten kwetsbaar zijn voor bedreigingen. De meeste gevallen van negatieve reacties
die de experts aandragen betreffen dergelijke situaties. Daarbij moeten we in acht nemen dat
incidenten die voormalige moslims waren overkomen de aanleiding waren voor het huidige
onderzoek. Dit was ook bij de meeste experts bekend en kan geleid hebben tot een focus op de
islam tijdens de interviews. In de gesprekken hebben we steeds wel de vragen over negatieve
reacties breder getrokken dan alleen over de islam.
Al ging het bij het benoemen van groepen die kwetsbaar zijn voor bedreigingen vaak over de
islam, de meningen zijn verdeeld als het gaat om de vraag wat er precies speelt. Een van de
experts sprak in dit verband van een ‘tunnelvisie! (zie citaat hieronder). Een andere expert die
veel mensen kent die de islam hebben verlaten ziet dit beeld vooral als een focus van de media
maar herkent het beeld niet dat mensen die de islam hebben verlaten bedreigd zouden worden.
22
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
het verlaten van de islam tot problemen leidt. Maar de islam stappen worden bedreigd. Maar
islamitische gemeenschap is heel groot, heel divers. De dat is een keuze van de media. Ik ken
ene vader of moeder gaat heel ontspannen met de keuzes geen gevallen van bedreigingen na het
van hun kinderen om, anderen niet. verlaten van het geloof.
na na
joodse religieuze leider biedt hulp aan personen die de
islam hebben verlaten
Voor andere experts is er daarentegen een structureel probleem bij het verlaten van de islam.
Het zou volgens hen per definitie problematisch zijn om de islam te verlaten vanwege
theologische interpretaties en culturele gebruiken. Dit is het standpunt van een theoloog die de
islam heeft bestudeerd en van christelijke religieuze leiders die veel te maken hebben met
bekeerlingen met een islamitische achtergrond. Twee van hen citeren we hieronder; deze
opvattingen zijn onder een paar andere experts en ervaringsdeskundigen een aantal keer
teruggekomen.
probleem als je afvallig wordt. In de gefotografeerd. Hun foto's mogen niet op social media.
koran gaat het over de gemeenschap Want op moment dat die mensen zich bekeren tot het
vaarwel zeggen, daar staat de christelijk geloof, gaan ze problemen krijgen. Dan vrezen ze
doodstraf op. ook echt voor hun leven. Zelfs in Nederland.
® ®
ma ma
christelijke religieuze leider christelijke religieuze leider
Zij zien hierbij wel verschillen tussen groepen binnen de islam, maar zijn ze het niet met elkaar
eens over welke groepen vooral kwetsbaar zouden zijn. Zo zegt de een dat Marokkaanse
Nederlanders kwetsbaar zijn voor bedreigingen terwijl een ander deze groep juist niet noemt.
Een factor die hierbij door twee experts is genoemd is dat voor sommige groepen religieuze en
culturele scheidslijnen samenvallen. Deze experts geven aan dat in die gevallen bekering of
geloofsverlaten lastiger is, zeker voor mensen die verbonden willen blijven met de groep.
Bekeerlingen en geloofsverlaten hechten soms juist wel aan de culturele verbondenheid, maar
hun keuze kan door anderen in de gemeenschap worden ervaren als afstand van de groep omdat
de culturele identiteit ook verbonden is met de religie van de meerderheid.
Specifieke situatie van vluchtelingen
Wel komen vluchtelingen die de islam verlaten — zowel degenen die zich bekeren tot een ander
geloof als degenen die atheïst zijn geworden — in verschillende gesprekken naar voren als een
kwetsbare groep. In de beleving van twee experts bekeren zij zich relatief vaak; zij hebben
relatief weinig te maken met de sociale controle van directe familie of een bredere
gemeenschap. Tegelijk kunnen zij juist bedreigingen ervaren binnen asielzoekerscentra (azc)
door andere vluchtelingen of bedreigingen krijgen via social media vanuit het land van herkomst.
23
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Incidenten in AZC’s waren een van de aanleidingen voor het onderzoek. We hebben daar
verschillende experts naar gevraagd, de media-artikelen hierover doorgenomen en contact
gehad met het COA. In de media worden geen gevallen in Amsterdam genoemd. Een van de
experts heeft ons verteld over een persoon, bekeerd tot het christendom vanuit de islam, die op
die grond slecht bejegend wordt door andere vluchtelingen in het azc in Amsterdam. Het COA
geeft aan geen signalen te hebben over incidenten binnen het Amsterdamse azc.
Verschillen tussen mannen en vrouwen
Als het gaat om mensen die zich tot de islam bekeren lijken vooral vrouwen kwetsbaar, zeker
wanneer zij een hoofddoek gaan dragen. ‘Dat roept weerstand op’, legt een expert vit. Daarbij
geldt bovendien: ‘hoe meer je in de openbare ruimte bent, hoe meer het gebeurt.’ Deze expert
heeft dit zelf ervaren en kent verschillende voorbeelden van bekeerde moslima's die negatieve
opmerkingen krijgen, worden vitgescholden of bedreigd door onbekenden in de openbare
ruimte. Dat zou minder gelden voor mannen: bij hen de keuze om een het dragen van een baard
vanuit religieuze overwegingen door anderen ook als ‘trendy’ kan worden ervaren. Bekeerde
islamitische mannen hebben het volgens dezelfde expert ook minder lastig met hun familie.
Ook een andere expert ziet verschillen tussen mannen en vrouwen, in dit geval bij bekering tot
het christendom vanuit de islam. In zijn kerk zijn er vooral mannelijke bekeerlingen, wat volgens
hem samenhangt met het feit dat vooral vluchtelingen zich bekeren en onder vluchtelingen
vooral mannen zijn. Volgens hem hebben ‘mannen minder problemen omdat ze redelijk
zelfstandig zijn’. Vrouwen zijn hier vaker in familieverband en ervaren meer druk van de
omgeving bij hun bekering.
Bedreigingen bij familieruzies
Een van de geïnterviewden stelt dat niet de kenmerken van gemeenschappen een rol spelen bij
negatieve reacties, maar de sociale vaardigheden van de betrokken individuen, vooral binnen het
gezin. Hij omschrijft het als volgt:
Er zijn situaties waar het niet meer goed komt. Bij verlaten of bekering. Dat heeft ook te maken met de
sociale competenties van de betrokkenen (ouders en kinderen). Het ligt niet echt aan het karakter van de
gemeenschap, veel meer aan de individuen.
®
|
joodse religieuze leider
Ook een ander expert ziet dat zo: bedreiging of fysiek geweld komt voor bij ruzies binnen de
familie, waarbij religie een rol kan spelen maar niet de enige factor is.
2.4 Eenzaamheid en angst belangrijkste gevolgen; lotgenotencontact
nuttig
In de voorbeelden die zij kennen van negatieve reacties op bekering of geloofsverlaten zien de
experts in veel gevallen eenzaamheid en angst. Het verlies van de sociale contacten binnen de
24
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
geloofsgemeenschap is niet snel gecompenseerd. Het duurt vaak lang voordat nieuwe sociale
contacten zijn opgebouwd. Mensen die hun geloof verlaten hebben ook vaak het idee dat zij de
enige zijn die dit proces meemaken en het is niet altijd makkelijk om lotgenoten te vinden.
Internet helpt daarbij wel.
Verder is er sprake van angst. Die angst heeft te maken met de mogelijkheid voor negatieve
gevolgen voor de persoon zelf, maar ook voor de ouders en kinderen. Het kan hierbij gaan om
angst voor uitsluiting, voor onbegrip maar ook voor bedreiging of geweld. Dat laatste speelt
vooral voor de personen van wie de experts weten dat zij bedreigd zijn. Aangezien hier weinig
voorbeelden van bekend zijn kunnen we verder weinig zeggen over de gevolgen specifiek van
bedreiging.
Een ander gevolg voor mensen kan zijn dat zij niet de vrijheid voelen om naar hun geboorteland
(of dat van hun ouders) te reizen, uit angst om daar geconfronteerd te worden met bedreigingen
of fysiek geweld. Volgens een van de gesproken experts kunnen ze daar gevaar lopen.
Aangiftes en meldingen
De vraag welke acties personen ondernemen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt, waar
zij hulp zoeken, en wat mogelijke belemmeringen zijn voor het doen van aangifte of melding zijn
gelet op het kleine aantal voorbeelden van bedreigingen weinig aan de orde geweest in de
gesprekken. Van de vijf casussen van bedreigingen die in Amsterdam hebben plaatsgevonden en
eerder zijn beschreven is in twee gevallen (de laatste twee) aangifte gedaan, in de andere
gevallen niet.
Een van de experts kent iemand die aangifte heeft gedaan van bedreigingen en heeft zelf ook
aangifte gedaan. Daarbij was het contact met de politie goed en is de dader ook gevonden. De
expert is tevreden over hoe dit proces is verlopen. Een andere expert geeft daarentegen aan dat
hij zelf afraadt om aangifte te doen:
persoonlijk proces. Ik ben voorzichtig omdat ze vanuit hun thuisland bang zijn voor de overheid. En met de
aangifte wordt niet zoveel gedaan maar je bent wel vit de kast gekomen en dat kan gevaarlijk zijn. Als je
dan je zaak niet hard krijgt, is het ook lastig en de bewijslast is lastig.
®
ma
christelijke religieuze leider
Contact met lotgenoten
Lotgenotencontact, binnen de nieuwe geloofsgemeenschap of onder gelijkgestemden, wordt
door de meeste experts gezien als de meest reële en effectieve manier om hulp te bieden. Dat
heeft er ook mee te maken dat als bekering tot negatieve reacties leidt met name binnen het
gezin, vaak sprake is van andere spanningen tussen een kind en de ouders. In die gevallen kan
professionele hulp versnipperd zijn. Zo zijn twee experts betrokken bij het regelen van opvang
voor bekeerlingen die niet meer thuis kunnen verblijven vanwege conflicten met hun familie,
waarbij de bekeerlingen worden begeleid door mensen die zich zelf hebben bekeerd. In een van
25
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
de gesprekken, waarbij het ging over jonge vrouwen die zich bekeren tot de islam, werd het zo
toegelicht:
Hulpverlening aan de meisjes door de vrijwilligers is belangrijk, want zij [de vrijwilligers] hebben de
zoektocht ook zelf gedaan, ze hebben ervaring, ze kunnen meepraten over het geloof en over de band
met de familie en kunnen mediator zijn. Die meisjes zullen dus niet naar [GGZ] of de huisarts gaan, dat
voelt niet vrijblijvend.
®
mm
bestuurslid organisatie, biedt
hulp aan bekeerlingen
26
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
3 Ervaringsdeskundigen aan het woord
We zijn in gesprek gegaan met twaalf ervaringsdeskundigen: mensen die een geloof hebben
verlaten of zich bekeerd hebben tot een ander geloof. De groep is zeer divers qua leeftijd en
geslacht, maar vooral in de veranderingen die zijn doorgemaakt (zie figuur 3.1). Daarbij zijn de
godsdiensten en levensbeschouwingen weergegeven zoals door de respondenten zelf verwoord.
In de interviews is niet specifiek gevraagd naar stromingen binnen religies.
Figuur 3.1 Overzicht respondenten*
Twee mannen die uitgesloten zijn vit de Jehova's Getuigen.
Een vrouw die het orthodox jodendom verliet.
. liai Een vrouw die de islam verliet.
nietreligie US en man die het gereformeerd christendom verliet.
Een man die zich bekeerde van het katholicisme naar het orthodox
jodendom.
religieus Een man die zich bekeerde van het (niet actief) christendom tot de islam.
Een vrouw die zich bekeerde van het hervormd christendom naar de islam.
Twee vrouwen die zich bekeerden van de islam tot het christendom.
Twee vrouwen die zich bekeerden van atheïst tot de islam.
religieus
In dit hoofdstuk gaan we voornamelijk in op de vraag in hoeverre personen die hun geloof
hebben verlaten of zich hebben bekeerd te maken hebben met negatieve reacties, waaronder
bedreigingen. Verder gaan we in op aanvullende inzichten vit de interviews. Een van deze
inzichten is dat de ervaringen sterk afhankelijk zijn van hoe hecht en gesloten de gemeenschap is
waar men vandaan komt. Daarnaast zijn er belangrijke verschillen met betrekking tot hoe de
familie met de keuze om is gegaan.
Bekering of geloofsverlating: waarom?
In de interviews stonden het proces en de redenen voor bekering of het geloofsverlaten niet
centraal, maar omwille van een schets van de context is daar wel over gesproken. De
respondenten hadden diverse redenen om hun voormalige geloof te verlaten of zich te bekeren
tot een (ander) geloof. Aanleidingen waren bijvoorbeeld twijfels over het voormalige geloof, een
zoektocht naar antwoorden op vragen die tot dan toe onvoldoende of niet beantwoord werden
of teleurstelling in het toenmalige geloof. Voor alle respondenten was de bekering of
geloofsverlating een (soms langdurig) proces, soms van meerdere jaren. Eris niet sprake van één
duidelijk moment van bekering of verlaten. Twee respondenten, beide voormalig Jehova’s
Getuigen, hebben niet uit eigen beweging het geloof verlaten maar werden door de
gemeenschap uitgesloten.
27
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
3.1 Negatieve gevolgen van de verandering
3.1.1 Reacties op de verandering
Drempel om familie te vertellen over bekering of geloofsverlating, gevolgd door negatieve reacties
De mensen die we hebben gesproken, zijn over het algemeen huiverig geweest om hun familie
te vertellen over de verandering. De reactie van familie was in de meeste interviews het eerste
waarover respondenten vertelden als het gaat om gevolgen van de bekering of geloofsverlating:
die reactie is voor hen een belangrijk element van de verandering. Vooral omdat respondenten
verwachtten dat de reacties niet positief zouden zijn en de beslissing niet zou zijn wat familie van
hen verwachtte. Hierdoor vertelden sommige respondenten hun familie pas na lange tijd over de
verandering. Toch hebben alle geïnterviewden hun familie en anderen om hen heen uiteindelijk
verteld over hun keuze.
Bijna alle respondenten geven aan dat de reacties vanuit de familie in eerste instantie negatief
waren. De verandering van levensovertuiging stuitte op onbegrip of teleurstelling van familie
omdat de nieuwe levensovertuiging vaak haaks stond op hun manier van leven. Ook komt het
voor dat negatieve beeldvorming of vooroordelen over de nieuwe religie meespeelden in hoe
familie reageerde. Vooral het zichtbaar uiten van een religie in hoe iemand zich kleedt, middels
bijvoorbeeld traditionele joodse kleding of een hoofddoek, wekte negatieve reacties op. Maar
ook het juist niet meer dragen van bepaalde kleding na het verlaten van een orthodoxe
gemeenschap leidde tot negatieve reacties. In sommige gevallen hebben respondenten de
nieuwe levensovertuiging of religie aanvankelijk dan ook niet zichtbaar geuit in het bijzijn van
familie.
carport als ik bij mijn ouders kwam. dragen was dat wel lastig. Ze waren teleurgesteld. Dat je niet
voldoet aan de eisen.
® ®
mm mm
bekeerd tot islam het orthodox Jodendom verlaten
Reacties van andere sociale contacten
Met reacties van andere sociale contacten, zoals collega’s en vrienden, hebben de respondenten
uiteenlopende ervaringen. Soms was er teleurstelling van contacten vit de oude gemeenschap.
De oude gemeenschap probeert iemand dan bijvoorbeeld ‘binnenboord’ te houden of bidt voor
de persoon in kwestie. lets soortgelijks komt ook voor als men zich van geen religie naar een
religie bekeert, zoals een man die zich bekeerde tot de islam (van niet-actief christen) heeft
ervaren. Zijn vrienden vroegen hem: “Hoezo? Waarom doe je dat?” Daarover vertelt hij:
28
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
van de vrienden was van: ‘Niet doen, ga er niet naar toe.” Maar dat is logisch, want als ik moslim word, dan
wil ik niet meer naar feestjes enzo. (…) Het ging niet meer matchen. (…) Ik was wel een beetje in shock dat
zij zo reageerden, want ik was heel close met hen, ik ken ze al jaren, het zijn mijn ‘besties’ zeg maar.
®
ma
bekeerd tot islam
Ook kritiek vit de oude gemeenschap of sociale contacten komt voor. Zo kreeg een vrouw die
zich bekeerde van de islam naar het christendom negatieve reacties op de school van haar
kinderen. Andere moeders zeiden tegen haar: “/e mag niet zo lopen [zonder hoofddoek].”
Daarnaast zijn er bij sommige respondenten mensen in de omgeving die liever niet willen dat de
respondenten praten over hun bekering of geloofsverlating en wederom spelen er soms
vooroordelen. Ook waren sociale contacten soms verbaasd over de bekering of geloofsverlating
of waren er juist mensen in de omgeving van de respondenten die het al hadden verwacht en
accepteerden.
Voor sommige respondenten heeft de bekering niet alleen impact op henzelf, maar ook op hun
naasten. Twee respondenten die de islam verlieten, vertellen dat hun kinderen op school
negatieve reacties kregen op hun beslissing. Zij vertelden dat een van deze kinderen vanwege
het geloofsverlaten van de moeder door een overblijfjuf een ‘slecht kind’ is genoemd, een ander
kind kreeg (o.a. fysieke) straffen van een leerkracht en daarnaast kreeg een kind te maken met
fysiek geweld van klasgenoten. Ook ouders van respondenten kregen soms te maken met boze
reacties in de omgeving of kregen het gevoel zich niet meer te kunnen laten zien in het
gebedshuis.
Negatieve reacties van onbekenden vooral als religie zichtbaar ís
Vooral mensen die hun nieuwe religie zichtbaar maken door bijvoorbeeld kleding of andere
uiterlijke kenmerken, krijgen reacties van onbekenden. Zo geeft een vrouw aan dat zij meer
moeite heeft gekregen met solliciteren sinds zij een hoofddoek draagt. Sommige respondenten
krijgen (sporadisch) negatieve reacties op straat, zoals naroepen of uitschelden. Van reacties op
straat is niet altijd te zeggen of het een reactie is op de bekering of op de religie in het algemeen.
Sommigen relateren de reacties aan maatschappelijke gebeurtenissen: een bekeerling naar het
orthodox jodendom geeft aan wel eens te worden nageroepen als er spanningen zijn in het
Midden-Oosten en een bekeerling naar de islam wanneer er aanslagen zijn geweest.
Daarentegen is er soms juist ook positieve belangstelling voor iemands verschijning. Ook komt
het voor dat men berichten ontvangt via social media van vreemden, naar aanleiding van de
bekering. Een man die zich bekeerde tot de islam geeft aan dat mensen in het algemeen negatief
praten over de islam maar dat hij zelf geen reacties heeft ontvangen in het openbaar. Hij zegt
daarover: “Ik zie er ook niet echt uit als een moslim.”
Negatieve reacties van onbekenden zijn er ook voor de respondenten die maatschappelijk actief
zijn en daarbij laten weten dat zij hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd. Voor twee
van onze respondenten (één bekeerd van het christendom naar de islam, één bekeerd van de
islam naar het christendom) geldt dit: zij hebben telefonisch of via sociale media negatieve
29
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
reacties of bedreigingen gekregen en relateren dat aan het feit dat zij zichtbaar zijn. Zij geven
aan dat deze (veelal anonieme) reacties voor anderen een reden zijn om hun bekering of
geloofsverlaten niet in het openbaar bekend te maken.
Bedreiging vooral ervaren in subtielere, niet-strafrechtelijke vorm
Bijna alle respondenten hebben na hun bekering of geloofsverlating geen ervaring gehad met
bedreiging in strafrechtelijke zin. Eén respondent, die de islam heeft verlaten, heeft wel
bedreigingen in juridische zin ervaren. Ze heeft in reactie hierop haar huis beveiligd met
camera’s, wordt altijd gebracht naar en gehaald van werk en heeft haar telefoonnummer
veranderd. Deze respondent geeft aan dat zij zelf niet bang is, maar dat vooral haar kinderen
zich zorgen maken om haar.
Een andere respondent die de islam heeft verlaten, is niet bedreigd maar geeft aan wel op haar
hoede te zijn met publieke uitspraken over haar bekering omdat dit gevolgen, zoals bedreiging,
zou kunnen hebben. Een ander, bekeerd tot de islam, geeft aan zich niet zo snel bedreigd te
voelen maar vertelde wel via social media berichten te hebben ontvangen met “Als ik je zie, dan
weet je niet wat je te wachten staat.”
De andere respondenten hebben geen bedreiging in juridische zin ervaren, maar wel situaties die
emotioneel en sociaal dreigend kunnen voelen. Daarbij valt te denken aan het dreigen met of
vrezen van verbroken contact (door iemand “emotionele manipulatie” genoemd) of vijandige
reacties, uit de oude gemeenschap of op straat. Zo werd een man die zich bekeerde van het
katholicisme naar het jodendom door zijn oude gemeenschap gezien worden als een “deserteur,
een verrader” en kregen bekeerlingen tot de islam negatieve reacties op straat, zoals
“landverrader”, die zij als bedreigend ervaren. Een van hen wijt dit aan het feit dat zij een
hoofddoek draagt en blauwe ogen heeft.
3.1.2 Contact met familie en anderen uit de ‘oude gemeenschap’
Nadat met name de familie en anderen de eerste schok te boven waren gekomen, wisselen de
ervaringen van de respondenten in hoe het contact met de familie en anderen is geworden.
Sommigen hebben weer goed contact met de familie en/of anderen uit de voormalige
(geloofs)gemeenschap, bijvoorbeeld omdat men wist dat iemand altijd al zoekende was, terwijl
bij andere respondenten de banden (grotendeels) zijn verbroken.
Herstel van contact duurt lang en vaak verandert het contact
Bij respondenten waarvan het contact met de familie is hersteld, wisselt het hoe lang dit heeft
geduurd. Bij sommigen herstelde het contact, maar duurde het lang voordat de omgeving de
verandering volledige accepteerde of voordat er weer plezierig contact mogelijk was. Daarnaast
is voor veel respondenten het contact weliswaar hersteld maar veranderd.
30
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Naarmate de tijd, veranderde ik heel veel. Toen ik met die vrienden omging, ging het niet goed op school,
geen goede band met mijn moeder. Ik had niet echt werk, niet serieus in het leven. Toen ik moslim werd,
ging alles echt de goede kant op. Dat zag ze [mijn moeder] op een gegeven moment en toen begon ze na
te denken. Dat duurde wel heel lang.
®
ma
bekeerd tot islam
Zo is er bij sommigen acceptatie van de verandering maar wordt er niet (meer) over religie
gesproken omdat het voor veel discussie zorgt of er wordt verzocht om niet over de nieuwe
levensovertuiging te praten. Ook komt het voor dat de verandering niet helemaal is
geaccepteerd maar het contact wel volledig is hersteld:
We zijn allebei sterke vrouwen die ons gelijk willen halen. Zij wil contact met haar dochter, ik wil contact
met mijn moeder. We blijven elkaar zien. Er zijn die verschillen maar de bloedband, de familieband, staat
op de eerste plek.
®
ma
islam verlaten
Ook komt het voor dat respondenten nog contact hebben met hun familie en/of oude
gemeenschap, maar dat dit contact gepaard gaat met vragen, opmerkingen of acties die duiden
op enig onbegrip. Daarbij valt te denken aan vragen of men nog terugkeert naar de
gemeenschap of het voorschotelen van voedsel dat respondenten vanwege religieuze
overtuigingen niet willen eten.
Daarnaast wordt het (herstelde) contact met de oude gemeenschap soms ervaren als anders dan
voorheen. De manier van leven sluit niet meer op elkaar aan, waardoor het contact oppervlakkig
kan blijven bestaan maar men toch vit elkaar groeit. Mensen spreken elkaar nog wel, maar
bijvoorbeeld het niet kunnen delen van sommige feestdagen met elkaar wordt ervaren als een
gemis. Voor twee respondenten die zich op jonge leeftijd hebben bekeerd tot de islam
verwaterde het contact met vrienden doordat zij stopten met vitgaan en met het gebruik van
middelen zoals alcohol:
Toen op gegeven moment bouwde het een Wat je gewoon heel erg merkt is dat de meiden,
beetje af, en toch zag ik: wow, dus het was ook al waren er kinderen, er bleef alcohol, de
eigenlijk best wel fake. Dat zij mij niet supporten mannen en de vrouwen samen — dingen die ik
in de keuze die ik maak. op een gegeven moment niet meer wil.
® ®
ma ma
bekeerd tot islam bekeerd tot islam
31
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Sommige contacten blijven verbroken na de bekering of geloofsverlating
Voor sommige respondenten is er met (een deel van de) familie of anderen geen contact meer.
Soms gaan daar pogingen aan vooraf om nog wel contact te hebben. Zo heeft een vrouw na haar
bekering tot de islam haar ouders vier jaar niet gezien.
Daarnaast komt het voor dat een huwelijk de verandering niet overleeft. Zo kon en wilde de
toenmalige echtgenote van een respondent die zich bekeerde tot het orthodox jodendom niet
mee in de verandering. Daarmee kan de impact op een gezin groot zijn: hoewel zijn kinderen
aanvankelijk geïnteresseerd waren in zijn nieuwe religie, kreeg de teleurstelling van de scheiding
de overhand. Met een aantal kinderen is er een goede band, maar met een aantal ook niet.
De twee respondenten die uitgesloten werden van de Jehova’s Getuigen hebben niet of
sporadisch contact met de oude gemeenschap (familieleden die nog Jehova’s Getuigen zijn en
alle andere sociale contacten vit die gemeenschap). Een van hen zegt daarover: "Je mag blij zijn
als ze hoi zeggen op straat.” Met hem wordt enkel nog contact gezocht bij belangrijke maar nare
gebeurtenissen, zoals ziekte of overlijden. De ander vertelt:
Jehova's getuigen mogen alleen vriendschappen opbouwen binnen de gemeenschap. Bij een uitsluiting
verliest men dus het contact met vrijwel alle sociale contacten die iemand heeft opgebouwd. Ook in mijn
geval ben ik op het moment van mijn uitsluiting al mijn vrienden kwijtgeraakt en tevens het contact met
één van mijn zussen en haar kinderen. Het grootste gevaar is dus een sociaal isolement.
®
mm
uitgesloten van Jehova's Getuigen
Beide respondenten benoemen dat contact alleen nog mogelijk is wanneer zij terugkeren naar
de Jehova's Getuigen. Een van de ex-Jehova's Getuigen vertelt dat de uitsluiting een dubbele
impact had op zijn kinderen: hij scheidde van zijn vrouw en werd daardoor uit de gemeenschap
gesloten. De scheiding en uitsluiting zorgen voor een dubbele klap voor zijn kinderen.
Tot slot komt het ook voor dat respondenten zelf geen contact meer willen met sommige
mensen om hen heen. Zo vertelt een van de respondenten dat sommige familieleden haar
dusdanig hebben gekwetst, dat zij zelf geen contact meer met hen wil.
3.1.3 Mentale gevolgen
Eenzaamheid en vervreemding in een zoektocht naar jezelf
Het voornaamste gevolg van de bekering of het verlaten van het geloof is volgens de
respondenten de ervaren eenzaamheid. Soms is er sprake van letterlijke eenzaamheid, door het
verliezen van sociale contacten. Maar er is ook sprake van vervreemding doordat men zich niet
(meer) kan identificeren met mensen om zich heen. Mensen ervaren onbegrip vanuit de oude
gemeenschap en hebben niet allemaal meteen nieuwe warme contacten met wie ze hun
ervaringen kunnen delen. De bekering of geloofsverlating is een proces waar iemand zelf
doorheen moet, het is een persoonlijk proces waarbij het moeilijk is om een gesprekspartner te
vinden die het proces echt begrijpt. Bij sommigen blijft het gevoel van eenzaamheid, de
32
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
vervreemding of de zoektocht naar zichzelf in een bepaalde mate aanwezig. Zij blijven zoekende
of voelen zich nergens echt op hun plek. Een respondent zegt daarover:
ook ‘hier’ niet op mijn plek.” (…) Het is niet heel actief, maar meer een knagend gevoel.
®
ma
Uitgesloten van Jehova's Getuigen
Op het moment dat iemand de keuze maakt van geloof te veranderen of uit een geloof te
stappen, leidt dit ertoe dat diegene zichzelf opnieuw moet uitvinden. Veel van wat iemand heeft
meegekregen gedurende zijn/haar jeugd staat op losse schroeven, waardoor je aan een
zoektocht begint naar wie je bent, waar je hoort en hoe je nieuwe leven vorm te geven. Dit
proces van jezelf opnieuw uitvinden kost tijd, en wordt soms als moeilijk ervaren. Zo dacht een
van de respondenten soms: “Waar ben ik aan begonnen?” Bij sommigen, met name de
respondenten die uit een gesloten gemeenschap zijn gestapt (het orthodox jodendom) of
werden gezet (Jehova's Getuigen), kan deze zoektocht schokkend zijn. De mogelijkheden die
iemand ineens heeft, met name in een stad als Amsterdam (denk aan uitgaan, alcohol, drugs,
seks), worden als heftig ervaren als je hier nooit eerder mee in aanraking bent gekomen.
Sommige respondenten kregen het gevoel veel gemist te hebben. Ze gingen hierdoor “als een
kip zonder kop door het leven rennen” om alles maar in te halen dat ze gemist hadden.
Daarnaast hadden sommige respondenten in de zoektocht behoefte aan een plek voor zichzelf,
bijvoorbeeld als zij nog bij hun ouders in huis woonden en zichzelf in een nieuwe religie
verdiepten. Dit geheim houden wordt als zwaar ervaren. Een respondent die zich bekeerde tot
de islam logeerde een jaar lang bij verschillende vriendinnen en wilde zo snel mogelijk iemand
vinden om mee te trouwen om een plek te krijgen voor zichzelf.
Schuldgevoelens, drankmisbruik, depressie
Bij een deel van de respondenten is het contact met familie of vrienden niet hersteld. Het verlies
van dit contact wordt door de respondenten als heftig ervaren. Soms wordt het contact niet
hersteld vanuit onbegrip van de oude contacten voor de nieuwe levenswijze, soms omdat het
contact niet toegestaan is vanuit de oude geloofsgemeenschap.
Bij een deel van de respondenten heeft verandering die ze hebben doorgemaakt, geleid tot
grotere mentale gevolgen. Sommige respondenten die vit een gesloten geloofsgemeenschap
zijn gestapt hebben te kampen met een blijvend knagend gevoel van schuld, omdat ze een leven
leiden dat niet overeenkomt met wat ze vanuit huis hebben meegekregen. Het gevoel niet aan
de verwachtingen te voldoen en het gevoel de mensen om je heen teleur te stellen, heeft voor
een aantal respondenten geleid tot psychische problemen. Tegelijkertijd voelen enkelen zich ook
niet volledig thuis in hun ‘nieuwe’ wereld. Deze gevoelens in combinatie met een scala aan
nieuwe mogelijkheden in het leven heeft bij sommigen tot persoonlijke gevolgen geleid zoals
alcoholproblematiek en depressie.
33
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
3.2 Positieve gevolgen: rust, acceptatie, nieuwe perspectieven en vrijheid
Ondanks negatieve reacties overheerst blijdschap na bekering of geloofsverlating
Alle personen die we hebben gesproken zijn achteraf blij met de bekering of (al dan niet
vrijwillige) geloofsverlating en willen dit ook graag benadrukken. Het belangrijkste genoemde
positieve gevolg van de bekering is dat mensen rust vinden in het leven. Dit lijkt in tegenspraak
met de hiervoor besproken negatieve gevolgen, maar uiteindelijk overheerst het gevoel van
respondenten dat zij acceptatie voelen van wie zij zijn, het gevoel hebben dat ze zichzelf hebben
gevonden en dat zij zichzelf kunnen zijn binnen de nieuwe situatie/gemeenschap. Dit wordt ook
wel omschreven als puzzelstukjes die in elkaar vallen. Een tweede punt dat naar voren komt in de
gesprekken is dat de keuze leidt tot nieuwe perspectieven en dat het antwoorden geeft op
vragen die men had.
Je ergens op een heuveltop, Je kijkt uit overeen . houden. Dat ik andere mensen kan vergeven
vergezicht, er openen zich mogelijkheden waar je door de kracht van God.
niet bewust van was. Je perspectief verandert.
® ®
ma ma
bekeerd van katholicisme naar bekeerd van islam naar
orthodox jodendom christendom
Een ander positief gevolg van de keuze is dat men vrijheid ervaart. Vooral respondenten die een
vrij gesloten gemeenschap verlieten, ervaren vrijheid van doen en denken en vrijheid om keuzes
te maken. Tot slot werkt de verandering voor sommigen door in belangrijke
levensgebeurtenissen, zoals het vinden van de juiste studie of een (nieuwe) geliefde. In de
gesprekken die we met de respondenten voerden, merkten we dan ook vaak dat er door deze
positieve gevolgen een bepaalde rust en kalmte over respondenten kwam wanneer er gesproken
werd over hun nieuwe religie of levensbeschouwing.
Reacties vanuit de nieuwe gemeenschap vaak warm
Meerdere respondenten die zich bekeerden tot een (andere) religie, kregen een warm welkom in
een nieuwe geloofsgemeenschap. Als zij daarover praten, gebruiken zij woorden als “liefde” en
“steun”. Ook zijn er in de nieuwe geloofsgemeenschap vriendschappen ontstaan. Niet iedereen
ontving direct een enthousiast welkom in de nieuwe gemeenschap. Een van de respondenten
kreeg vragen over waarom hij zich bij de orthodox joodse gemeenschap wilde aansluiten, met
name van mensen die de oorlog hadden meegemaakt. Uiteindelijk is het contact goed gekomen.
Mensen die vit een orthodoxe gemeenschap zijn gestapt of gezet zonder zich te bekeren naar
een andere geloofsgemeenschap, ervaren voor zichzelf ongeloof over het verleden maar ook hun
nieuwe contacten kunnen soms niet voorstellen dat zij in een vrij gesloten gemeenschap hebben
geleefd:
34
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
De nieuwe contacten die ik sinds mijn uitsluiting heb opgebouwd, kunnen maar nauwelijks geloven dat ik
in het verleden een fanatieke gelovige ben geweest.
®
ma
Uitgesloten van Jehova's Getuigen
Voor een van de respondenten, die zich bekeerde van de islam naar het christendom, kwam het
contact met de nieuwe geloofsgemeenschap voordat zij zich bekeerde. Zij werd in een
persoonlijk moeilijke periode geholpen door de nieuwe geloofsgemeenschap. Zij kreeg bij de
kerk het gevoel “gedragen te worden door liefde” en heeft zich toen bekeerd. “God zorgt altijd
voor een plekje.”
3.3 Hulp tijdens de verandering
Lotgenoten zijn van groot belang
De geïnterviewden geven aan dat hun sociale netwerk van belang was in de periode van hun
geloofsverlaten of bekering, vooral als het voormalige netwerk geheel of deels wegvalt vanwege
de keuze die iemand heeft gemaakt. Aangezien eenzaamheid naar voren komt als een belangrijk
gevolg van de stap, is het belangrijk dat iemand mensen heeft om op terug te vallen. Lotgenoten
hebben daarin een speciale rol. Voor mensen die niet hetzelfde hebben meegemaakt is het
namelijk moeilijk te begrijpen hoe een geloofsverlater of bekeerling zich kan voelen, lotgenoten
begrijpen dat wel:
We hebben een nieuwe familie gecreëerd. (…) Je Mensen van mijn eigen roots, Ik wist niet dat ik
kan je ei … . … iets miste, mensen waarin ik mezelf kon
an je eigenlijk nergens bij aansluiten, behalve bij .
elkaar. herkennen. Dat gevoel dat je met elkaar deelt,
wat je hebt gevoeld.
® ®
ma ma
bekeerd tot islam islam verlaten
Binnen sommige religies zijn er georganiseerde groepjes voor bekeerlingen, waar men elkaar
vindt. Maar ook voor mensen die een geloof verlaten, zijn er plekken waar zij lotgenoten vinden,
zoals online groepen op sociale media. Lotgenotencontact is soms een meerwaarde ten opzichte
van andere sociale contacten in een nieuwe geloofsgemeenschap. Mensen in de nieuwe
geloofsgemeenschap zijn bijvoorbeeld opgegroeid met de religie waardoor bekeerlingen het
gevoel hebben dat hun bekering niet goed wordt begrepen. Ook zijn sommige religies sterk
verbonden aan specifieke culturen, waarmee een bekeerling zich niet per definitie identificeert
en waardoor de geloofsbeleving met lotgenoten voor hen beter werkt.
Anderzijds zijn bepaalde personen (geen lotgenoten) in de (al dan niet religieuze) nieuwe
gemeenschap voor sommige respondenten wel degelijk erg belangrijk geweest. Dat kan
bijvoorbeeld iemand zijn waarmee zij kennismaakten tijdens hun zoektocht en die hen
inspireerde, iemand waaraan een respondent veel steun had of iemand die de eerste
35
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
kennismaking was met de nieuwe religie. En hoewel sommige respondenten veel vrienden zijn
verloren door hun verandering, hebben anderen de verandering juist door kunnen zetten door
vrienden. Een van de respondenten vertelt dat hij het achteraf juist goed vindt dat hij het proces
vooral alleen heeft doorgelopen. Dat heeft hem geholpen:
Ik heb besloten die weg te gaan dus dan neem je het serieus. Je moet zelf door dat proces heen dat je de
oude levenswijze achter je laat.
®
ma
Bekeerd van katholicisme naar orthodox jodendom
De meeste respondenten hebben steun gezocht bij hun reeds bestaande netwerk, bij lotgenoten
in het nieuwe netwerk of bij belangrijke andere personen in het nieuwe netwerk. Voor een aantal
respondenten dat een orthodoxe/gesloten gemeenschap verlieten of daarvan werden
uitgesloten, is het uiteindelijk nodig geweest om psychische hulp te zoeken als gevolg van de
verandering.
Wat zou voor andere bekeerlingen kunnen helpen en wat kan de gemeente betekenen?
De respondenten denken dat lotgenotengroepen ook andere bekeerlingen of geloofsverlaters
zouden kunnen helpen. Daarnaast denken zij ook aan meer professionele hulp. Daarbij valt te
denken aan therapeuten met kennis over de problematiek en de impact die geloofsverlating of
bekering kan hebben of aan een coach die helpt om vanuit een gesloten gemeenschap de "echte
wereld” in te stappen. In beide gevallen gaat het om hulp die niet werkt vanuit het “normale
kader” maar rekening houdt met de bekering of geloofsverlating. Tot slot geeft een van de
respondenten het advies aan anderen om te laten zien dat je als persoon niet bent veranderd:
Laat zien dat het jou gelukkig maakt en dat je niet veranderd bent. Veel ouders hebben de angst dat
bekeerlingen zichzelf verliezen, dat je het doet voor anderen en niet voor jezelf.
®
mm
bekeerd tot islam
Voor ervaringsdeskundigen blijkt het lastig om de vraag te beantwoorden wat de rol van de
gemeente is in het bieden van steun rondom bekering of geloofsverlating. Een aantal keer wordt
opgemerkt dat de gemeente niet zoveel kan doen.
Ook al zou er een ambtenaar of beleidsmedewerker zijn die iemand gaat begeleiden, met alle goede
bedoelingen, dan nog kan je iemand niet vrijwaarden van dat soort [afkeurende, afwijzende, vijandige]
reacties.
®
mm
Bekeerd van katholicisme naar orthodox jodendom
Desondanks noemen de respondenten ook een aantal punten waarop de gemeente eventueel
wel iets zou kunnen betekenen. Zij denken hierbij aan steun en aandacht van de gemeente om
36
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
hulp te ondersteunen en eenzaamheid tegen te gaan. Dat kan door het organiseren van
verbindingsgroepen of lotgenotengroepen of het beschikbaar stellen van ruimtes daarvoor en
een erkenning of vergoeding van de gemeente voor de vrijwilligers (ervaringsdeskundigen) die
bekeerlingen helpen. Tot slot zien een paar respondenten een taak voor de gemeente om
voorlichting te geven over bekering, geloofsverlaten en vrijheid van levensbeschouwing, en het
doen van onderzoek naar dit onderwerp.
37
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Samenvatting en discussie
Naar aanleiding van artikelen in de media over bedreigingen van christenen met een islamitische
achtergrond en raadsvragen hierover heeft de burgemeester van Amsterdam opdracht gegeven
voor onderzoek naar de omvang en aard van bedreigingen van bekeerde personen. De centrale
onderzoeksvraag van dit onderzoek is als volgt geformuleerd:
In hoeverre hebben personen die hun geloof verlaten of zich bekeren (ongeacht vanuit welke
godsdienst en voor welk nieuw geloof of levensbeschouwing) te maken met bedreigingen in
Amsterdam en welke gevolgen hebben deze bedreigingen voor hen?
De onderzoeksvraag is uitgewerkt in een aantal deelvragen die wij hieronder als leidraad voor de
samenvatting gebruiken. Om deze vragen te beantwoorden is gebruik gemaakt van
verschillende onderzoeksmethoden. Allereerst is pragmatisch de bestaande literatuur over de
onderzoeksvragen onderzocht en is gebruik gemaakt van cijfers uit enquêtes die inzicht kunnen
geven in de problematiek in Amsterdam. Verder zijn tien gesprekken gevoerd met experts die in
relatie staan tot de doelgroep van het onderzoek en rapporteren we over de persoonlijke
ervaringen van 12 (oud) Amsterdammers die hun geloof hebben verlaten of zich hebben
bekeerd. Met deze combinatie van methoden tonen we aan dat, hoewel de kennis beperkt is
over dit fenomeen en bedreigingen na het verlaten van het geloof of bekering naar alle
waarschijnlijkheid zelden voorkomen, het wel mogelijk is om inzicht te geven in de risicofactoren
voor bedreigingen.
Samenvatting
Om de context van bekering en geloofsverlaten te schetsen, is het ten eerste belangrijk om te
beseffen dat twee derde van de Amsterdammers zich niet verwant voelt met een religie of
levensbeschouwing. In Amsterdam is de secularisatie sneller gegaan dan landelijk. Niet alle
geseculariseerde personen hebben echter bewust een geloof verlaten, er kan ook sprake zijn van
een geleidelijk proces waarbij de band met een geloofsgemeenschap en/of geloof langzaam
verwatert.
Onder de groep die wel gelovig is, zijn geen cijfers bekend over het aantal bekeringen of over het
aantal personen dat hun geloof heeft verlaten. Wel zijn er landelijke cijfers met betrekking tot
christenen en moslims: deze cijfers wijzen op een sterke en groeiende mate van kerk- en/of
geloofsverlaten onder christenen terwijl dit niet lijkt op te gaan voor moslims. Cijfers over
bekeringen naar het christendom hebben wij niet gevonden maar naar schatting zou 1,4% à
1,/% van alle Nederlandse moslims niet van huis uit met de islam zijn opgegroeid, oftewel
bekeerd zijn.#
34 Schuurman, B, P. Grol & S. Flower (2016), ‘Converts and Islamist Terrorism: An Introduction’, ICCT Journal 7 (3).
https://www.icct.nl/wp-content/uploads/2016/06/ICCT-Schuurman-Grol-Flower-Converts-June-2016.pdf
38
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Hoe vaak komen bedreigingen na bekering of geloofsverlaten voor?
Wanneer we uitgaan van de strafrechtelijke definitie van bedreiging kunnen we dit fenomeen
niet kwantificeren: er bestaan voor Amsterdam, Nederland of voor vergelijkbare context geen
cijfers over bedreigingen na bekering of geloofsverlaten. Onze gesprekken met experts leveren
ook geen harde cijfers op maar we kunnen er vit opmaken dat bedreigingen tot (fysiek) geweld
na bekering of geloofsverlaten zeer zelden voorkomen in Amsterdam.
Als we het iets breder trekken komt uit de Veiligheidsmonitor dat 2% van alle Amsterdammers
discriminatie ervaart vanwege religie of levensbeschouwing in 2018/19, dat 0,3% geweld of
agressief gedrag heeft ervaren in relatie tot discriminatie op grond van religie en 0,2%
bedreiging. Vooral moslims blijken discriminatie op grond van religie of levensbeschouwing
bovengemiddeld veel te rapporteren. Bij al deze cijfers weten we niet of sprake was van bekering
of geloofsverlaten maar deze gevallen zullen daar waarschijnlijk wel onder vallen.
Gesprekken met de ervaringsdeskundigen geven ook geen inzicht in de omvang van bedreiging
na bekering of geloofsverlating maar wel in de aard van het probleem. Daaruit blijkt dat
bedreigingen vooral bestaan in subtielere, niet-strafrechtelijke vorm. Het gaat hierbij om
situaties die emotioneel en sociaal dreigend kunnen voelen. Daarbij valt te denken aan het
dreigen met of vrezen voor verbroken contact met familie of vijandige reacties van personen vit
de oude gemeenschap of op straat. Concreet zijn in de gesprekken met experts en
ervaringsdeskundigen vijf gevallen genoemd van bedreiging na bekering of geloofsverlaten die
in Amsterdam hebben plaatsgevonden. Met een van de slachtoffers hebben wij een gesprek
gevoerd. De kleine aantallen die worden genoemd zijn in geen geval aanleiding tot het
relativeren van de problematiek. In de beperkte bekende gevallen schuilt ook een deel van de
kwetsbaarheid van de groep die bedreigingen en andere negatieve reacties ervaart.
Zijn er groepen die relatief veel met bedreigingen te maken hebben?
Er zijn geen studies gevonden die specifiek het probleem van bedreigingen na bekering of
geloofsverlaten adresseren. Dat maakt het identificeren van groepen die relatief veel te maken
hebben met bedreigingen lastig. Zowel in de pragmatisch gezochte literatuur om antwoorden te
formuleren op de onderzoeksvragen als in onze gesprekken met experts richt de discussie zich
vooral op de vraag of personen die de islam verlaten of die zich bekeren tot de islam relatief veel
te maken hebben met bedreigingen tot geweld. Uit de gesprekken met ervaringsdeskundigen
komt het beeld naar voren dat personen die zich bekeren tot de islam of die de islam verlaten
kwetsbaar zijn voor bedreigingen. De meeste gevallen van negatieve reacties die de experts
aandragen betreffen dergelijke situaties. Er zijn geen cijfers die dit staven. Er is ook debat over
de vraag of er een theologische basis is in de islam voor bedreigingen of zelfs doodstraffen bij
geloofsverlaten. Volgens sommige theologen kunnen moslims bedreigingen en fysiek geweld
baseren op religieuze teksten maar volgens andere theologen geldt dit niet. Er is op basis van de
bestaande literatuur en cijfers dan ook geen eenduidig antwoord te formuleren op deze vraag.
In onze gesprekken met experts en met ervaringsdeskundigen werden daarnaast andere
groepen benoemd die mogelijk kwetsbaar zijn voor negatieve reacties en in sommige gevallen
voor bedreigingen: vluchtelingen die de islam verlaten en vrouwen die zich bekeren tot de islam.
39
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
In de literatuur zagen we dat bijvoorbeeld vrouwen die zich tot de islam bekeren, te maken
krijgen met vormen van discriminatie waar ze eerder niet mee geconfronteerd werden.® Ook
ervaringsdeskundigen die wij spraken en die hun nieuwe religie zichtbaar maken door
bijvoorbeeld kleding of andere uiterlijke kenmerken krijgen, krijgen negatieve reacties van
naasten maar ook van onbekenden. Negatieve reacties van onbekenden zijn er ook voor de
respondenten die maatschappelijk actief zijn en daarbij laten weten dat zij hun geloof hebben
verlaten of zich hebben bekeerd.
Welke gevolgen hebben de bedreigingen voor sociale contacten en maatschappelijke
participatie?
Bij gebrek aan gegevens en onderzoek naar bedreigingen specifiek na bekering of
geloofsverlaten valt eveneens niets te zeggen over de gevolgen daarvan. Alleen over de
gevolgen van bedreigingen en dreiging van criminaliteit in meer algemene zin is het een en
ander bekend. Daarbij is de hypothese te stellen dat bedreiging kan leiden tot gevoelens van
onveiligheid (de angst voor misdaad), een hoge inschatting van risico op slachtofferschap en
gedragsaanpassing (mijden van situaties), wat vervolgens kan leiden tot een slechtere mentale
en fysieke gezondheid.
Deze vraag kan ook beantwoord worden vanuit het perspectief van een bredere definitie van
bedreigingen, oftewel ervaren bedreigingen en negatieve reacties van anderen op bekering en
geloofsverlaten. Op basis van de literatuur en van onze gesprekken met experts en
ervaringsdeskundigen komt naar voren dat eenzaamheid en vervreemding belangrijk risico's
vormen met betrekking tot sociale contacten en maatschappelijke participatie. Dit punt werken
we hieronder verder uit.
Welke actie(s) ondernemen personen nadat zij bedreigingen hebben meegemaakt:
zoeken zij hulp, bij wie? Doen zij aangifte of melding, en waar? Wat zijn
mogelijke belemmeringen hierbij?
De vraag of bedreiging na geloofsverlating of bekering wordt gemeld of aangegeven bij de
politie, kan niet beantwoord worden met bestaande cijfers. De politie beschikt niet over
dergelijke specifieke cijfers en in slachtofferenquêtes worden specifieke vormen van bedreiging
niet uitgevraagd. Cijfers die er wel zijn met betrekking tot meer algemene delicten tonen aan dat
er relatief weinig melding of aangifte wordt gedaan na delicten van mishandeling en bedreiging
vergeleken met andere delicten. We kunnen verwachten dat dit ook geldt voor de specifieke
casus van bedreigingen na bekering of geloofsverlaten.
In onze gesprekken met de experts en ervaringsdeskundigen werden meestal geen gevallen
genoemd waarbij sprake was van bedreiging in strafrechtelijke zin. Van de vijf Amsterdamse
casussen waar dat wel het geval was, is in twee gevallen aangifte gedaan.
38 Vroon, V. E. (2014). Sisters in Islam. Women’s conversion and the politics of belonging: A Dutch case study. Dissertatie:
Universiteit van Amterdam. https://pure.uva.nl/ws/files/2046672/137821 thesis. pdf;
Geelhoed, F., R. Staring & B. Schuurman (2019), ‘Understanding Dutch converts to Islam: On turbulent trajectories and
(non-) involvement in jihadist movements’. ICCT Research Paper.
40
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Met alle experts en ervaringsdeskundigen is daarnaast gesproken over hulp in meer algemene
zin bij negatieve reacties op bekering of geloofsverlaten. Zij benadrukken hoe belangrijk het is
dat iemand familie en vrienden heeft om op terug te vallen. De meeste respondenten hebben
steun gezocht bij hun reeds bestaande netwerk, bij lotgenoten in het nieuwe netwerk of bij
belangrijke andere personen in het nieuwe netwerk. Voor een aantal respondenten die een
orthodoxe en/of gesloten gemeenschap verlieten, is het viteindelijk nodig geweest om
psychische hulp te zoeken.
Welke andere problemen ervaren Amsterdammers die zich bekeren of hun geloof
verlaten in termen van sociale contacten en maatschappelijke participatie?
Het belangrijkste risico dat in de literatuur, gesprekken met experts en met
ervaringsdeskundigen naar voren komt is het risico op eenzaamheid of vervreemding na
bekering of geloofsverlaten, en nog meer na negatieve reacties hierop. De ervaringsdeskundigen
zijn over het algemeen huiverig geweest om hun familie te vertellen over de verandering. Bijna
alle respondenten geven aan dat de reacties vanuit de familie in eerste instantie negatief waren,
en soms leidde dit tot een (tijdelijke) breuk in het contact. De ervaringen die respondenten met
ons hebben gedeeld zijn op dit punt in lijn met de vitkomsten van verschillende onderzoeken,
met name kwalitatieve studies over bekering en geloofsverlaten. Met reacties van andere sociale
contacten, zoals collega's en vrienden, hebben de respondenten uiteenlopende ervaringen. Het
verlies van de sociale contacten binnen de oude geloofsgemeenschap is niet snel
gecompenseerd, ook niet in een nieuwe geloofsgemeenschap. Dit geldt vooral voor personen die
uit hechte en gesloten geloofsgemeenschappen stappen.
Verder is er volgens de experts en ervaringsdeskundigen met wie wij hebben gesproken sprake
van angst onder mensen die hun geloof hebben verlaten of zich hebben bekeerd: angst voor
uitsluiting, voor onbegrip maar ook voor bedreiging of geweld. Die angst heeft te maken met de
mogelijkheid voor negatieve gevolgen voor de persoon zelf, maar ook voor de ouders en
kinderen. Een ander gevolg voor mensen kan zijn dat zij niet de vrijheid voelen om naar hun
geboorteland (of dat van hun ouders) te reizen, vit angst om daar geconfronteerd te worden met
bedreigingen of fysiek geweld.
De focus van dit onderzoek ligt op negatieve reacties op bekering en geloofsverlaten en hun
meest ernstige vormen. Maar behalve negatieve reacties benadrukken de ervaringsdeskundigen
met wie wij hebben gesproken ook de positieve gevolgen van hun bekering of (al dan niet
vrijwillige) geloofsverlating. Zij vinden rust in het leven, zelfacceptatie en kunnen zichzelf zijn
binnen de nieuwe situatie of gemeenschap. Ook vaak genoemd is de nieuwe ervaren vrijheid.
Discussie
We moeten concluderen dat we geen cijfermatig antwoord kunnen geven op de vraag in
hoeverre personen die hun geloof verlaten of zich bekeren te maken hebben met bedreigingen.
Nemen we de inzichten vit bestaand onderzoek en onze gesprekken met experts en
ervaringsdeskundigen samen, dan kunnen we wel iets meer zeggen over de context waarin
41
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
negatieve reacties ontstaan op bekering en geloofsverlaten. Op basis van de informatie uit alle
bronnen samen, lijken vier niveaus hierbij een rol te spelen:
1. het niveau van opvattingen of geloofsbeleving;
2. de kenmerken van een gemeenschap;
3. primaire relaties, met name tussen ouders en kinderen;
4. opvattingen in de samenleving.
Op basis van de voorbeelden die zijn gegeven en de reflectie van experts en
ervaringsdeskundigen zien we onderstaande factoren als een risico voor mogelijke bedreigingen
of andere negatieve gevolgen. Er is nooit sprake van één enkele factor die bepalend is voor het
voorkomen van bedreigingen. Meestal spelen zaken op minstens twee van deze niveaus.
Daarnaast gelden de hieronder beschreven factoren als risico’s: vit de gesprekken bleek dat het
niet automatisch leidt tot negatieve reacties bij geloofsverlating of bekering als er sprake is van
een of meerdere van deze factoren.
Opvattingen of geloofsbeleving
Op het eerste niveau gaat het met name om theologische opvattingen en de geloofsbeleving.
Als deze orthodox worden ingevuld of uitgaan van exclusief denken, kan er weinig begrip zijn
voor de keuze van een persoon voor een ander geloof of voor geen geloof. Het gaat hierbij om
‘wij-zij-denken waarbij onoverbrugbare verschillen worden ervaren. In eerste instantie gaat het
bij dit niveau om opvattingen en geloofsbeleving van personen die religieus zijn en van religieuze
gemeenschappen. Een duidelijk voorbeeld hiervan zijn de Jehova's Getuigen, bij uittreding uit
deze gemeenschap speelt dit niveau een belangrijke rol in de negatieve reacties. Maar ook
sommige atheïsten kunnen exclusief denken en zich fel keren tegen de keuze van iemand om
een geloof te kiezen.
Op dit niveau speelt ook mee hoe zichtbaar de religie van een persoon is. Als een vrouw die zich
bekeert tot de islam een hoofddoek gaat dragen of andersom, als een vrouw die zich bekeert van
de islam tot het christendom en geen hoofddoek meer draagt, kan dit reacties uitlokken vanuit
de omgeving. Onze gesprekspartners hebben dergelijke reacties genoemd, waarbij bekeerde
vrouwen zijn beschuldigd van verraad. Hetzelfde geldt voor mannen die zich bekeren tot het
orthodox jodendom en dit zichtbaar uitdragen, ook zij krijgen te maken met reacties.
De kenmerken van de oude (geloofs)gemeenschap
Uit de gesprekken met experts en ervaringsdeskundigen blijkt het moeilijk om uit een hechte en
gesloten gemeenschap te stappen. In onze gesprekken ging het hierbij om de Jehova's Getuigen,
om het orthodox jodendom en om sommige islamitische gemeenschappen. In dat laatste geval
is sprake van het samenvallen van culturele en religieuze scheidslijnen, wat de kenmerken van de
gemeenschap versterkt. Mensen die hun geloof verlaten of zich bekeren vanuit een dergelijke
gemeenschap zien dat hun sociale contacten onder druk komen te staan. Er bestaat in die
omstandigheden een risico op negatieve reacties.
Relaties binnen de directe familie
Veel van de gerapporteerde fricties ontstaan tussen de bekeerling of geloofsverlater en zijn of
haar directe familieleden (zoals ouders of kinderen). Ouders kunnen moeite hebben met het feit
dat hun kind een andere geloofskeuze maakt dan degene die zij voor zichzelf en hun kinderen
hebben gemaakt. Daarbij spelen de eerder genoemde niveaus ook een rol: vanuit een orthodoxe
geloofsbeleving of andere opvattingen van exclusief denken hebben ouders daar vaak meer
42
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
moeite mee. En als de gemeenschap van ouders en kinderen hecht en gesloten is, speelt de druk
van de gemeenschap door in de relatie tussen ouders en kinderen. Toch zijn deze gegevens op
zichzelf geen reden voor een escalatie van het conflict, en speelt ook de omgang tussen de
betrokkenen een rol (door een expert ‘sociale vaardigheden’ genoemd). Overigens begrijpen we
uit de diverse persoonlijke verhalen dat conflicten meestal na verloop van tijd worden bijgelegd.
Opvattingen in de samenleving
Een deel van de negatieve reacties die bekeerlingen specifiek (en geloofsverlaters niet)
meemaken zijn gerelateerd aan opvattingen die in de samenleving bestaan over religie, in het
algemeen en over de islam in het bijzonder. Het gaat hierbij enerzijds om negatieve reacties van
mensen die tegen elke vorm van religie zijn en zich uitspreken tegen de keuze om een religie aan
te hangen. Anderzijds hebben (bekeerde) moslims te maken met zeer uitgesproken meningen
tegen de islam. Bekeerlingen worden hiermee geconfronteerd op straat, in geval van personen
die zichtbare uiterlijke kenmerken van religie dragen (met name moslima's maar ook orthodoxe
joden). Zij worden hier ook mee geconfronteerd op sociale media wanneer bekend is dat zij zich
hebben bekeerd. Ook personen die islamitisch zijn opgevoed krijgen te maken met negatieve
opvattingen over de islam maar voor bekeerlingen komt daar een extra dimensie bij: zij worden
door sommigen als verraders gezien.
Aanbevelingen
We richten ons hier op de (mogelijke) acties die bij dit vraagstuk ondernomen kunnen worden.
Het gaat hierbij in eerste instantie om ideeën die door de experts en ervaringsdeskundigen
hebben aangedragen. Zij laten zich hierbij meestal niet belemmeren door wat de formele taken
zijn van verschillende overheidsinstanties. In de aanbevelingen is een driedeling te maken: de
strafrechtketen, sociaal beleid en imago en communicatie.
De strafrechtketen
Voor mensen die bedreiging meemaken na bekering of geloofsverlating, zou het helpen als er bij
de politie meer kennis is over deze problematiek. Voor slachtoffers is er behoefte aan een
luisterend oor bij de politie en aan kennis in de politieorganisatie over dit onderwerp en de
gevoeligheid ervan. Daarnaast is het moeilijk om de omvang van de problematiek in kaart te
brengen. Hoewel de meldingsbereidheid bij dit soort delicten waarschijnlijk laag is, zou
specifiekere registratie kunnen helpen om het probleem enigszins in kaart te brengen.
Sociaal beleid
Veel van de negatieve gevolgen waarover de ervaringsdeskundigen en experts ons hebben
verteld zijn geen bedreiging in juridische zin maar hebben wel impact op de bekeerling of
geloofsverlater. In die vorm raakt het aan onderdelen van het sociaal beleid van de gemeente, in
het bijzonder het vergroten van (zelf-)acceptatie, het tegengaan van discriminatie en bestrijden
van polarisatie. Om de impact van de negatieve ervaringen van bekeerlingen en geloofsverlaters
te verkleinen is door experts en ervaringsdeskundigen een aantal tips voor beleid gegeven. Deze
bespreken we hier puntsgewijs.
mn De gemeente kan in gesprek gaan met vertegenwoordigers van verschillende
geloofsgemeenschappen om de specifieke problemen van bekeerlingen en geloofsverlaters
aan te kaarten. Op die manier wordt bekend dat mensen bij bekering of geloofsverlaten
43
| Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
negatieve reacties kunnen krijgen. Ook kunnen ervaringen met bekeerlingen en
geloofsverlaters worden besproken, om na te gaan bij welke aanpak mensen baat hebben.
= Daarnaast kan de gemeente netwerken van lotgenoten onder de aandacht brengen.
Bekeerlingen en geloofsverlaters hebben baat bij contact met personen die soortgelijke
ervaringen hebben. De gemeente zou dat lotgenotencontact kunnen faciliteren door dit te
organiseren, er een ruimte beschikbaar voor te stellen of vrijwilligers (ervaringsdeskundigen)
die bekeerlingen of geloofsverlaters helpen te ondersteunen door middel van training en/of
een vergoeding.
= Met betrekking tot opvattingen in de samenleving heeft de gemeente een rol om acceptatie
te vergroten en discriminatie tegen te gaan. Het gaat hierbij om acceptatie binnen
geloofsgemeenschappen voor de vrije keuze van personen. Daarnaast komt In het onderzoek
naar voren dat er met betrekking tot bekering en geloofsverlaten veel aandacht is voor de
islam, maar ook dat personen die de islam hebben verlaten of zich daartoe hebben bekeerd
ervaring hebben met discriminatie. Verder rapporteren een aantal experts en
ervaringsdeskundigen dat personen die gelovig worden te maken krijgen met negatieve
opvattingen over religies in het algemeen.
m _Totslot hebben we in het onderzoek gezien dat kinderen op school last gehad hebben van de
geloofsverlating of bekering van de ouder. Kennis over het geloof en levensbeschouwingen
binnen de overheid en op scholen kan volgens geïnterviewden worden vergroot. Hiermee
wordt de vrije keuze van kinderen en het onderling begrip ondersteund.
Een van de vragen die een aantal keer in de gesprekken aan de orde is gekomen is of er een
speciale voorziening moet komen (een aanspreekpunt bijvoorbeeld) voor bekeerlingen en
geloofsverlaters. Een aantal mensen ziet het nut hiervan in, maar de meerderheid niet. Over het
algemeen heerst het besef dat het gaat om een kleine groep en dat juist de combinatie van
problemen tot negatieve gevolgen leidt. Dan is de focus op alleen de bekering of het
geloofsverlaten niet het meest effectief. Wel geldt dat er in meer brede zin bij hulpverleners
maar ook bij beleid aandacht moet zijn voor de problematiek van bekeerlingen en
geloofsverlaters.
Imago en communicatie
Niet alleen daadwerkelijke acties maar ook het uitdragen van een boodschap kan volgens
geïnterviewden helpen. Een aantal van hen stelt dat de overheid pal moet staan voor de vrijheid
van godsdienst en voor de vrijheid om niet te geloven, en dat moet blijven herhalen.
Respondenten vinden het belangrijk dat de overheid dit grondrecht uitdraagt, zodat er geen
twijfel bestaan over de keuzevrijheid. Bij dit punt hoort ook dat er behoefte is aan erkenning
door de overheid van de problemen die bekeerlingen en geloofsverlaters ondervinden, zodat
mensen die problemen ervaren bij het maken van keuzes zich gesteund weten.
bh
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Bijlage 1: Topiclijst interviews experts
1. Uitleggen doel onderzoek (5 minuten)
-_ Introductie onderzoek: aanleiding, opdrachtgever, wie wij zijn.
-__Anonimiteit.
2. Algemene vragen (10 minuten)
-__ Kunt u iets vertellen over uw geloofsgemeenschap/ organisatie?
-__En vw rol daarin?
-_ Krijgtu ook met bekeerlingen te maken?
3. Proces bekering/ geloofsverlaten (10 minuten)
-__Hoe zou u het proces omschrijven van bekering of geloofsverlaten?
-_ Wat kunnen volgens u redenen zijn hiervoor?
-_Hoe vaak komt het voor?
-__ Kuntuiets zeggen over de gemeenschappen die mensen verlaten?
4. Gevolgen (10 minuten)
-__ Kuntuiets vertellen over gevolgen van bekeren/verlaten van het geloof?
-__ Welke reacties ontvangen mensen?
o Vande oude geloofsgemeenschap
o Vande nieuwe geloofsgemeenschap
o Vanfamilie
o Vande buitenwereld
-__Is er verschil in gevolgen voor verschillende groepen? Zo ja welke?
5. Negatieve gevolgen (15 minuten)
-_In hoeverre is er sprake van negatieve reacties?
o Hoe vaak en wanneer komt dit voor?
o Van wie komen deze reacties?
o Wat voedt negatieve reacties?
o Watis de impact op het slachtoffer?
o Welke acties ondernemen mensen wanneer dit gebeurt?
-__ Ziet/hoort u wel eens dat personen bedreigd (fysiek of mentaal) worden?
o Wat wordt ervaren als bedreiging?
o Hoe vaak en wanneer komt dit voor?
o Van wie komen deze reacties?
o Wat voedt negatieve reacties?
o Welke acties ondernemen mensen wanneer dit gebeurt?
45
Onderzoek, Informatie en Statistiek | Bedreigingen bij bekering of geloofsverlaten
Bijlage 2: Topiclijst interviews
ervaringsdeskundigen
6. Uitleggen doel onderzoek (5 minuten)
-_ Introductie onderzoek: aanleiding, opdrachtgever, wie wij zijn.
-__Anonimiteit.
-__ Geen goed of fout, antwoorden niet verplicht.
-_ Intro respondent en onderzoekers:
o Leeftijd, gezinssituatie, woonplek (waar in Amsterdam?), waar vonden/vinden
in het verleden en/of heden religieuze activiteiten plaats?
2. Geloofsverlating of bekering (20 minuten)
Hoe verliep het proces van het verlaten van uw (vorige) geloof?
-__ Oude geloofsgemeenschap.
-_ Redenen tot twijfelen.
-_ Nieuwe geloofsgemeenschap/levensbeschouwing.
-__ Wat heeft de keuze gebracht?
3. Gevolgen geloof verlaten (15 minuten)
Kunt u iets vertellen over de gevolgen van het verlaten van uw geloof/veranderen van geloof?
-__ Mentaal, sociaal, fysiek? > associatiekaarten.
Kunt u iets vertellen over de reacties vanuit vw sociale omgeving?
-_ Oude én nieuwe geloofsgemeenschap/sociale contacten?
Kunt u iets vertellen over negatieve of heftige reacties op uw verandering?
-_Hoe vaak?
- __ Vanwie?
-_ Impact (evt. dagelijks leven).
-_Hulp zoeken.
-__ Optioneel: bedreigingen waargemaakt?
4. Ondersteuning (10 minuten)
Wat heeft geholpen of zou kunnen helpen bij een dergelijke verandering?
-__ Omgaan met negatieve reacties
-_ Steun, hulp
-__ Lotgenoten (evt. verschil man/vrouw)
-_ Wat zou anderen kunnen helpen?
-__ Wat zoude gemeente kunnen betekenen?
5. Afronding (5 minuten)
46
%
%
es
|
Onderzoeksrapport
| 47
|
test
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2017
Afdeling 1
Nummer 1168
Publicatiedatum 15 november 2017
Ingekomen op 17 oktober 2017
Te behandelen op 8/9 november 2017
Onderwerp
Amendement van het lid Roosma inzake de Begroting 2018 (cliëntondersteuning dak-
en thuislozen).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2018.
Overwegende dat:
— het aantal dak- en thuislozen toeneemt en bekomende problematiek complexer
wordt;
— daarom een groeiende behoefte is aan cliëntondersteuning;
— naar aanleiding van de extra incidentele middelen voor cliëntondersteuning de
MDHG, Bureau Straatjurist/BADT en de daklozenvakbond plannen hebben
ontwikkeld om samen te werken en cliëntondersteuning voor dak- en thuislozen in
de stad te versterken;
— structurele financiering voor deze activiteiten wenselijk is.
Besluit:
— vanaf 2018 structureel 0,5 miljoen euro beschikbaar te stellen voor
cliëntondersteuning voor dak- en thuislozen (aan het samenwerkingsverband van
MDHG, Bureau Straatjurist/BADT en de Daklozenvakbond).
— hiervoor dekking te vinden in het verhogen van de toeristenbelasting.
Het lid van de gemeenteraad
F. Roosma
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
Handleiding
Versie 12 januari 2022
Taak: nr 3. Afval en grondstoffen
Algemene beschrijving
De inzameling van huishoudelijk en bedrijfsafval is als taak opgedragen aan het DB.
Dit betekent in de dagelijkse praktijk…
Dat het college het DB betrekt bij de voorbereiding van stedelijke kaders als het gaat om de
inzameling van afval.
Dat daarbinnen ruimte is voor maatwerk, voor belangenafweging, om snel te kunnen handelen
in de actualiteit en voor initiatieven, inspraak en tegenspraak.
Dat de dagelijkse besturen binnen de kaders van het Uitvoeringsprogramma Afval &
Grondstoffen jaarlijks gebiedsgerichte uitwerkingen vaststellen. Onderdelen van
gebiedsuitwerkingen zijn:
e een analyse van de huidige situatie op het gebied van afvalinzameling, reiniging en
handhaving ten opzichte van de gemeentelijke doelstellingen;
e analyse van de dienstverlening aan bewoners en ondernemers op basis van onder meer de
beschikbare inzamelvoorzieningen;
e aanpak voor samenwerking met bewoners en ondernemers, aangevuld met eventueel
woningcorporaties, bezoekers en andere betrokken partijen, rondom preventie, inzameling en
schone straat;
e het pakket aan maatregelen dat wordt toegepast en op welke manier. Denk aan de
gebiedsgerichte aanpak van bijplaatsingen, het inzetten van nieuwe of alternatieve
inzamelsystemen zoals mobiele inzamelpunten voor kleine elektrische apparaten en klein
chemisch afval, inzameling van GFT en/of wormenhotels, grofvuil op afspraak etc;
e afspraken over de dienstverlening;
e gebiedsgerichte communicatie;
* financiële kaders.
De gebiedsgerichte uitwerkingen landen in een jaarlijks vast te stellen programmaplan
gekoppeld aan de P&C cyclus.
Verder stelt het dagelijks bestuur het uitvoeringsbesluit en de afvalwijzer vast, met daarin de
regels voor het aanbieden van afval en de tijden waarop dat dient te gebeuren.
Ook heeft het de dagelijks bestuur de taak hebben om locaties aan te wijzen voor boven- en
ondergrondse inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen voor (mini) containers en grof
huishoudelijk afval
Het dagelijks bestuur is als verlengd bestuur verantwoordelijk voor het uitvoeren en bijsturen
van de maatregelen, afspraken en regels met het oog op het behalen van de gemeentelijke
doelstellingen t.a.v. schoon, duurzaam, de opvolging van meldingen en medebeheer door
bewoners en ondernemers.
Specifieke aandachtspunten
e _Eengezamenlijk beeld over de resultaatgebieden en welke KPI's op strategisch{tactisch
niveau daarbij horen. Het gaat om het resultaat op straat. Ambtelijk kan er gestuurd
worden op operationele KPI's,
e De bestuurlijke rol en werkwijze hoe om te gaan met bewonersinitiatieven en
gedragsverandering vragen nadere uitwerking.
e Tijdig informeren van bestuurders over voorvallen en ontwikkelingen die van belang
zijn voor de het resultaat op straat.
Organisatie & samenwerking
Wat doen de e Input leveren aan het stedelijke kader
stadsdeelorganisaties? e Eerste aanspreekpunt voor bewoners
e Deelname aan overleggen (o.a. door de
gebiedsteams) om te komen tot goede analyses en
oplossingen van de problematiek op/rondom
afvalprobleemlocaties
e Gebiedsgerichte communicatie in afstemming met
A&G en Stadswerken
Welke directies zijn betrokkenen | A&G, Stadswerken en THOR
wat doen zij?
Algemeen:
e _ Analyse, monitoring en rapportage van de situatie
op het gebied van afvalinzameling, schoon,
handhaving en afhandeling van meldingen t.o.v.
de gemeentelijke doelstellingen
e Tijdig informeren van het stadsdeel over
voorvallen en ontwikkelingen die van belang zijn
voor de uitvoering van de werkzaamheden
e Faciliteren handelingsperspectief dagelijks bestuur
e Faciliteren en ondersteunen van
bewonersinitiatieven (A&G en SW)
e Input leveren voor het informeren en
beantwoording van vragen van de
stadsdeelcommissie
A&G:
e _ Organisatie en uitvoering van de afvalinzameling
© _Inkoopen beheer van inzamelmiddelen
e _ Uitvoeren van pilots en projecten inzameling en
duurzaamheid
© Afhandeling van meldingen inzameling
Stadswerken:
Stadswerken (schoon) is verantwoordelijk voor het
schoonmaken en -houden van de openbare ruimte
(reiniging) en het opvolgen van meldingen reiniging.
Daarnaast maakt Stadswerken ook schoon bij
evenementen, demonstraties en herdenkingen. Anti Klad
en Plak verwijdert onder andere graffiti op straatmeubilair,
gemeentelijke panden en verkeersvoorzieningen. (taak 2
openbare ruimte, groen en parken).
THOR:
Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte is
verantwoordelijk voor het terugdringen van overlast door
verkeerd aangeboden afval en het opvolgen van meldingen
daarover.
Aandachtspunten bij de organisatie en besluitvorming:
-___Eén keer in de zes weken vindt bestuurlijk overleg plaats met wethouder en
portefeuillehouders op basis van gezamenlijke agenda & rapportage op KPI's
-___Eén keer per kwartaal gesprek bestuurder — directeur A&G op basis van stadsdeel
specifieke rapportage/ KPI's
- __ Vanuitde directies A&G, Stadswerken en THOR is een accounthouder /
gebiedsbeheerder beschikbaar als contactpersoon en aanspreekpunt voor het dagelijks
bestuur.
|
Actualiteit
| 3
|
test
|
> Gemeente
Amsterdam
D Motie
Datum raadsvergadering 9 november 2022
Ingekomen onder nummer 435
Status Ingetrokken
Onderwerp Motie van het lid Abdi inzake de Begroting 2023
Onderwerp
Terugdringen van aantal vithuisplaatsingen
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2023
Constaterende dat:
— _ Het aantal vithuisplaatsingen onverminderd hoog blijft in Amsterdam ondanks eerdere inten-
sieve inzet vanuit de gemeente en haar partners;
— Een vithuisplaatsing op het leven van kinderen een ingrijpende en traumatiserende werking
kan hebben;
— _ Uit het rapport over het feitenonderzoek voorafgaand aan uithuisplaatsingen van de Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd‘ en de eindevaluatie wet herziening kinderbeschermingsmaatre-
gelen van de Universiteit Leiden? blijkt dat de praktijk van vithuisplaatsingen ernstige tekort-
komingen heeft;
— _ Ambulante en gezinsgerichte hulp vaak een beter alternatief is;
— De gemeente onvoldoende zicht heeft op wat er gebeurt rondom de praktijk van vithuisplaat-
singen;
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders
— _ Om samen met jeugdprofessionals en (ervarings-)deskundigen een ambitieus plan van aanpak
te maken met heldere doelen en streefcijfers om:
o het aantal vithuisplaatsingen te verminderen;
o prioriteit te geven aan het adresseren van voorliggende problematiek van ouders
voordat jeugdhulp wordt aangeboden;
o Inte zetten op gezinsgerichte hulp
— _Om samen met relevante partners te werken aan betere informatievoorziening en sturings-
data rondom de praktijk van uithuisplaatsingen
+ https://www.igj.nl/publicaties{rapporten/2022/06/27/feitenonderzoek-voorafgaand-aan-uithuisplaatsingen-van-kinderen
2 https://www.universiteitleiden.nl/nieuws{2022/o5/factsheet-uithuisplaatsingen-kinderen-opgesteld
Gemeente Amsterdam Status Ingetrokken
Pagina 2 van 2
Indiener
F. Abdi
|
Motie
| 2
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2020
Afdeling 1
Nummer 849
Behandeld op 2 juli 2020
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van de leden Boomsma en Hammelburg inzake de Voorjaarsbrief 2020
(onderzoek terugdringen verkoop (nep)cannabis-gerelateerde producten in winkels)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Voorjaarsbrief 2020.
Overwegende dat:
- Lijst 2 van de Opiumwet een verbod bevat op de verkoop van o.a. ‘elk deel van de
plant van het geslacht Cannabis (…)'
- Coffeeshops worden gedoogd op voorwaarde van toepassing van de AHOIG-
criteria, die onder meer bepalen dat coffeeshops geen reclame mogen maken en
geen cannabisbladeren zichtbaar mogen zijn in het logo, enz.
- Maar er wel meer (souvenir)winkels in Amsterdam producten verkopen en vol in
de etalage aanprijzen als eetbare cannabisproducten;
- veel van de toeristenspullen Cannabis Sativa bevat en/of CBD, een bestandsdeel
van cannabis, en/of hennepolie;
- Veel toeristen het verschil niet weten tussen een coffeeshop en het kopen van
dergelijke producten in de winkel,
- de grootschalige verkoop van dergelijke producten bijdraagt aan het imago van
Amsterdam als drugsstad voor toeristen en het goed is om dat imago te wijzigen,
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
Te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om het aanprijzen en de verkoop van (al
dan niet nep) cannabis-gerelateerde producten zoals koekjes, ijsjes, cakes, thee,
donuts, lolly's, snoepjes en dergelijke in winkels in de stad aan banden te leggen dan
wel te beëindigen en dat terug te koppelen aan de raad.
De leden van de gemeenteraad
D.T. Boomsma
A.R. Hammelburg
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2015
Afdeling 1
Nummer 842
Publicatiedatum 18 september 2015
Ingekomen onder B"
Ingekomen op 9 september 2015
Behandeld op 9 september 2015
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van de raadsleden de heer Groot Wassink, mevrouw Shahsavari-Jansen
en mevrouw Moorman inzake de opvang van vluchtelingen (transformatie van
kantoorpanden en gemeentelijk vastgoed voor vluchtelingen en statushouders).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de actualiteit van de leden Moorman, Groot Wassink,
Shahsavari-Jansen, Paternotte, Peters, Ruigrok en Van Soest inzake de opvang
van vluchtelingen (Gemeenteblad afd. 1, nr. 833);
Overwegende dat:
— de gemeente Amsterdam een grote achterstand heeft bij het huisvesten van
statushouders;
— de druk op de opvangcapaciteit van Nederlandse asielzoekerscentra verder
toeneemt door de recente vluchtelingstromen;
— het gemeentebestuur heeft aangegeven alles op alles te zetten om de huidige
achterstand weg te werken;
— erin de stad brede steun is voor ruimhartige opvang van vluchtelingen;
Voorts overwegende dat:
— Amsterdam nog altijd grote leegstand van kantoorpanden en gemeentelijk
vastgoed kent (20% van de kantoren staat leeg);
— het gemeentebestuur transformatie als een nuttig instrument ziet om deze
leegstaande panden te herbestemmen;
— er tal van initiatieven zijn die laten zien dat al dan niet tijdelijke transformatie snel
kan worden gerealiseerd.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— _op een zo kort mogelijke termijn de transformatie van leegstaande kantoorpanden
en gemeentelijk vastgoed bij voorrang in te zetten als instrument om
statushouders te huisvesten;
1
Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 842 Moti
Datum 18 september 2015 otie
— _op zo kort mogelijke termijn een uitwerking van het vorenstaande aan
de raadscommissie voor Bouwen, Wonen, Wijkaanpak en Dierenwelzijn te doen
toekomen.
De leden van de gemeenteraad
B.R. Groot Wassink
M.D. Shahsavari-Jansen
M. Moorman
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
Gemeente
X Amsterdam
% Zuidoost
Overlegvergadering stadsdeelcommissie Zuidoost
Datum : dinsdag 6 december 2022
Aanvang : 19.00 UUr
Locatie : raadzaal, 1° verdieping stadsdeelkantoor
Voorzitter : Michel Idsinga
Secretaris : Peter Vrieler
Agenda
1. Opening en vaststellen agenda 19.00
2. Bewoners aan het woord 19.05
3. Mededelingen 19.15
4. Vaststellen (concept) Besluitenlijst 22 november 2022 19.20
5. a. Mondelinge vragen 19.25
-_Mw. Marshall (Lijst Marshall)
-__Mw. Lugman (PvdA)
b. Moties
-__Mw. Lugman (PvdA)
6. Ingekomen stukken 19.55
BESPREEKPUNTEN
Gevraagde adviezen
7. Beleidsvoornemen invoering betaald parkeren (bespreken) 20.00
Ongevraagde adviezen
8. Integrale Toegankelijkheid —T. Lugman/ PvdA, D. Bakker/ Bla, G. Owusu/ DENK 20.25
(vaststellen)
g. Invoering betaald parkeren — A. Heuvel{PvdA (bespreken) 20.30
10. Rondvraag en sluiting 20.50
Ter kennisname:
Toezeggingenlijst SDC december 2022
|
Agenda
| 1
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam VV L
% Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn
en Luchtkwaliteit)
% Gewijzigde Agenda, donderdag 10 maart 2011
Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie
voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en Luchtkwaliteit)
Tijd 09.00 uur tot 12.30 uur en zonodig vanaf 13.30 uur tot 17.00 uur
Locatie Rooszaal 0239, Stadhuis
Algemeen
1 Opening
2 Mededelingen
3 Vaststellen agenda
4 _Inspreekhalfuur Publiek
5 Actualiteiten
6 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie VVL
d.d. 10 februari 2011
e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier
doorgegeven, commissie VVL@raadsgriffie amsterdam.nl
7 Openstaande toezeggingen
e _Toezeggingenlijst/ termijnagenda niet bijgevoegd. U ontvangt op de maandag
voorafgaande aan de vergadering per mail en in hardcopy een bijgewerkt exemplaar
Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de
vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn
slechts richtlijnen waaraan geen rechten zijn te ontlenen. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn.
Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien
verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda
staat. De vergaderingen zijn openbaar en hiervan worden geluids- en beeldregistraties gemaakt.
De agenda van de raadscommissie is ook te vinden via internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl.
Voor algemene informatie: info@raadsgriffie.amsterdam.nl
1
Gemeente Amsterdam
Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en VVL
Luchtkwaliteit)
Gewijzigde Agenda, donderdag 10 maart 2011
8 Termijnagenda
e _Toezeggingenlijst/ termijnagenda niet bijgevoegd. U ontvangt op de maandag
voorafgaande aan de vergadering per mail en in hardcopy een bijgewerkt exemplaar
9 Openstaande Schriftelijke vragen
10 Rondvraag - Tkn lijst
Verkeer, Vervoer en Infrastructuur
11 Genmod2010, basisgegevens verkeersprognoses Nr. BD2011-001566
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
Geagendeerd op verzoek van commissielid Van Drooge (CDA)
e Was Tkn 3 in de raadscommissie VVL, d.d. 10 februari 2011
12 Verkenningenstudie HOV Westtangent Nr. BD2011-001567
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
e Geagendeerd op verzoek van commissielid Van Drooge (CDA)
e Was Tkn1 in de raadscommissie VVL, d.d. 20 januari 2011
e Gevoegd behandelen met agendapunt 13
e Wegens tijdgebrek uitgesteld in de raadscommissie VVL. d.d 10 februari 2011
e _ Stukken reeds in uw bezit
13 Beantwoording Motie Van Drooge Tram over Allendelaan Nr. BD2011-001571
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
e Gevoegd behandelen met agendapunt 12
e Wegens tijdgebrek uitgesteld in de raadscommissie VVL, d.d. 10 februari 2011
e _ Stukken reeds in uw bezit
2
Gemeente Amsterdam
Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur (inclusief NoordZuidlijn en VVL
Luchtkwaliteit)
Gewijzigde Agenda, donderdag 10 maart 2011
14 Vrijgeven voor inspraak van het Voorlopig Ontwerp van de Rode Loper (tussen
Prins Hendrikkade en Weteringcircuit) Nr. BD2010-008997
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e _Raadsadres van het MKB, d.d. 28 januari 2011 is meegezonden / staat op ingekomen
lijst Gemeenteraad d.d. 16 maart 2011
e _Deleden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Bouwen en Wonen,
Grondzaken, Klimaat en energie, Openbare Ruimte en Groen, Zeehaven en
Westpoort, Volkshuisvesting, Wijkaanpak en Stedenbeleid zijn hierbij uitgenodigd.
15 Nadere uitwerking dekking kosten aanpassing verkeersinfrastructuur Rode Loper
(tussen Prins Hendrikkade en Weteringcircuit) Nr. BD2010-009003
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e _Deleden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Bouwen en Wonen,
Grondzaken, Klimaat en energie, Openbare Ruimte en Groen, Zeehaven en
Westpoort, Volkshuisvesting, Wijkaanpak en Stedenbeleid zijn hierbij uitgenodigd.
16 Wijziging Verordening op de Stadsdelen Nr. BD2011-000682
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(Gemeenteraad d.d. 16 maart 2011).
17 Meerjarenanalyse 2011-2013 Afstemming werkzaamheden Amsterdam Nr.
BD2010-006462
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e _ Hierbij wordt een presentatie gegeven door Dhr. Van Eerden
e _Raadsadressant is hierbij uitgenodigd
TOEGEVOEGDE AGENDAPUNTEN
Circa 12.00 uur
Verkeer, Vervoer en Infrastructuur
18 Openbare Verlichting Diamantbuurt Nr. BD2011-002240
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e Op verzoek van fractie RED Amsterdam geagendeerd
3
|
Agenda
| 3
|
train
|
X Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2014
Afdeling 1
Nummer 561
Datum akkoord college van b&w van 26 augustus 2014
Publicatiedatum 29 augustus 2014
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid de heer R.H. van Dantzig van
28 april 2014 inzake de helft van de sociale huurwoningen naar voorrangsgroepen.
Aan de gemeenteraad
inleiding door vragensteller.
Op 19 april 2014 berichtte Het Parool dat ongeveer de helft van de sociale
huurwoningen naar voorrangsgroepen gaat. “Uit cijfers van de Amsterdamse
Federatie van Woningcorporaties blijkt dat bijna vijftig procent van de sociale
huurwoningen is bedoeld voor bijzondere gevallen. Dat kunnen ouderen en zieken
Zijn, maar ook tienermeisjes, alcoholisten, jonge ex-criminelen en slachtoffers van
huiselijk geweld of mensenhandel.”
De fractie van D66 zou graag een meer nauwkeuriger beeld krijgen van deze cijfers
en van het beleid dat hieraan ten grondslag ligt.
Gezien het vorenstaande heeft vragensteller op 28 april 2014, namens de fractie van
D66, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van
Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen tot het college van burgemeester en
wethouders gericht:
1. Kan het college een overzicht geven van alle voorrangsgroepen met daarbij de
aantallen?
Antwoord:
In de bijlage is de tabel met voorrangsgroepen opgenomen.
2. Kan het college per groep aangeven op basis waarvan zij voorrang krijgen bij
voor een sociale huurwoning? Met andere woorden: welke wettelijke kaders zijn
van toepassing? Rijksregels? Gemeentelijke afspraken enz.?
Antwoord:
In de bijlage wordt na de tabel het wettelijk kader genoemd.
| http://www.parool.nl/parool/nl/4/AMSTERDAM(/article/detail/3638264/201 4/04/19/Helft-sociale-
huurwoningen-gaat-naar-voorrangsgroepen.dhtml
1
Jaar 2014 Gemeente Amsterdam R
Neng et Gemeenteblad
ummer = su -
Datum 29 augustus 2014 Schriftelijke vragen, maandag 28 april 2014
3. Hoe kijkt het college aan tegen het feit dat ongeveer de helft van de sociale
huurwoningen naar voorrangsgroepen gaat?
Antwoord:
In 2015 treedt de nieuwe Huisvestingswet in werking. Naar verwachting moeten
een aantal elementen uit deze wet, waaronder de toewijzing van woningen aan
voorrangsgroepen, uiterlijk 1 juli 2015 lokaal en regionaal in een
huisvestingsverordening en convenanten worden uitgewerkt. Vragen over
aantallen en positie van voorrangsgroepen komen daarbij uiteraard aan de orde.
Het college zal hiertoe met voorstellen komen.
4. Is het mogelijk deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Antwoord:
Met de beantwoording van uw vragen is gewacht tot het nieuwe college.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
2
Bijlage bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van de heer Van Dantzig van
28 april 2014 inzake de helft van de sociale huurwoningen naar voorrangsgroepen.
Dit is een overzicht van doelgroepen in Amsterdam. De basis daarvoor bestaat uit door de
gemeente geprioriteerde doelgroepen, die zijn beschreven in de huisvestingsverordening. Die
geprioriteerde doelgroepen zijn:
1. acute noodsituatie (calamiteiten);
2. urgentie om dringende medische en sociale redenen;
3. opvang;
4. stadsvernieuwing;
5. verblijfsgerechtigden;
6. maatschappelijk noodzakelijke doelgroepen;
7. maatwerk corporaties.
eer ge Oe ne (PS a |
2012 2013 2014
[_1_| acute noodsituatie |__7S5Sl 810}
dringendmedisch | urgentie | 451 | 550} 550} M2| …|
|_| en/ef sociaal [OMPG_________ | 2858
Lj [Laatste Kans | 45) 5 Ae
| LWaS
Lj |detentiekverslaving | 26) 30} 30} 3} |
| subtotaal | 484) 595} 595] A9} 500
[3 |opvag MO ll 500|
L_ | ______________MO.volwassenen | 81} 100) 120} 86] |
| __________,MO.jongeren | ____ 15} 25) 50} 18) |
LL [MO.Jeugdzog __ | _____ 0} 2} 2} | |
TL [MOWW 000
L_|___________JMO.begeleidwonen | 78} 80} 20} | |
| _________,MO.Disus | 5} 2} 50} 0} |
L_\______________LM.O.ambulantisering | 58} 50} 70) 0
L_|______________} vrouwenopvang | 60} 60} 60} 31] 60}
LL Levergeopvag | _____5}) 0} 0} __6| |
L____________[sebtetaal | ___ 302} 370} 580) 165 | 560
| peertelier | 29} 50) 50} 39] 50}
| ___________\subtotaal_ | 788] 850) _ 1050| 839 | 850
5 | verblijfsgerechtigde |_____________| 170} 501} _ 7956| 194] 807|
|6 | beroepsgroepen _|______________ | 12} 0 0} 56] 0}
[7_\5%corporaties | ______________| 22} _ 300| 300) _ 211| 250}
Jongste ontwikkelingen
‚8 [PMO 0} 50} 20} | |
‚9 | Top600 LL 0 onbekend) |
EK
0 zorg
[totaal | ______L _2185] 2671} 3585] 1739] 2977 |
(bron: WZS en Jaarboek 2013 AFWC)
1 In deze kolom is de ongekaderde vraag weergegeven.
? In de raming van de toewijzing van sociale huurwoningen in 2014 is geprobeerd om nauw bij de resultaten uit 2013
aan te sluiten en tegelijkertijd niet te ver af te wijken van wensen en verwachtingen. Daarnaast is de weergave
vereenvoudigd door de aantallen voor subdoelgroepen niet apart te vermelden. In deze raming is, afgezien van de
doelgroep verblijfsgerechtigden, geen rekening gehouden met de ‘achterstand’ die in 2013 is opgelopen.
$ Dit aantal betreft de Maatschappelijke Opvang in zijn geheel. Tot deze doelgroep worden gerekend: volwassenen,
jongeren, Jeugdzorg, WLW, Begeleid Wonen, Discus en ambulantisering.
$ Dit aantal is een schatting; het te verwachten aantal wordt geleverd door de Federatie.
° De raming voor 2014 is opgebouwd uit de Rijkstaakstelling voor 2014 (606 woningen) aangevuld met de
achterstand uit 2013 (201 woningen). De raming voor heel 2014 is gebaseerd op de taakstelling voor de eerste helft
van 2013 (303 woningen). De taakstelling voor de tweede helft van 2014 wordt later door het ministerie bepaald. De
verwachting is dat het aantal hoger zal zijn dan voor de eerste helft van 2014.
® Dumo staat voor Doorstroom in en Uitstroom uit de Maatschappelijke Opvang en is het resultaat van een
onderzoek door de GGD naar potentiële kandidaten voor Begeleid Wonen. Het gewenste aantal van 260 betrof een
periode van drie jaar. Omdat deze ‘groep’ terugkomt via de reguliere M.O.-doelgroepen is het aantal per jaar
meegenomen in de raming voor de M.O.
7 Aan Top600 kandidaten worden in principe geen reguliere woningen toegewezen. In voorkomende gevallen vindt
woningtoewijzing plaats via de Maatschappelijke Opvang.
$ Er is een inschatting gemaakt van de woningvraag die samenhangt met het scheiden van wonen zorg voor de
doelgroepen GGZ (RIBW) en VB. Omdat de uitstroom via de M.O. loopt is het aantal (+ 60) daar meegenomen.
Wettelijk kader:
Voorrang op de Amsterdamse woningmarkt is voor een groot deel bepaald door de
Amsterdamse gemeenteraad en vastgelegd in verordening en convenant. Dat geldt niet
voor de huisvesting van verblijfsgerechtigden, dat het resultaat is van een
rijkstaakstelling. De huisvesting van kandidaten uit de MO is een gevolg van afspraken
die zijn gemaakt in G4- en rijksverband; het resultaat daarvan is als te verwachten
woningvraag in de tabel opgenomen. Het kader voor DUMO is vastgesteld door G4 en
Rijk. Voor de Top600 wordt een apart kader ontwikkeld dat past binnen de
maatschappelijk noodzakelijke groepen waarvoor het college aan de gemeenteraad kan
vragen voorrang te geven (los van de vorm waarop dat moet gebeuren).
Per categorie:
1. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant
Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013
2. Idem
3. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Plan van Aanpak
Maatschappelijke Opvang G4 en Rijk (2010)
4. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant
Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013
5. Rijkstaakstelling op grond van de Huisvestingswet van 1 oktober 1992 (heden geldig)
6. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant
Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013
7. Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en Convenant
Woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013
8. Onderzoek door GGD (DUMO = Doorstroom uitstroom maatschappelijke opvang).
9. Gemeentelijke aanpak Top600
10. Rijks hervorming AWBZ
|
Schriftelijke Vraag
| 4
|
discard
|
> < Gemeente
Amsterdam
Ô $ Amendement
Datum 7 juni 2023
raadsvergadering
Ingekomen onder 338
nummer
Status Aangenomen
Onderwerp Amendement van de leden Broersen en Krom inzake beleidskader
burgerberaden
Onderwerp
Regiegroep duidelijkere taakstelling
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende(n) hebben de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over de raadsinformatiebrief over burgerberaden en bijbehorend kader en
handboek,
Constaterende dat
-__ In het handboek op pagina 10 bij de aanpak van Bureau Burgerberaad een duidelijke
taakstelling wordt geschetst;
-__Een regiegroep in staat kan zijn om ook toezicht te houden op de onafhankelijkheid van
het burgerberaad.
Overwegende dat
-__Burgerberaden onafhankelijk moeten zijn;
-_Burgerberaden ook als onafhankelijk moeten worden beschouwd door deelnemers,
media, politici en Amsterdammers voor het draagvlak;
-__Een burgerberaad ook mensen kan meenemen die zijn afgehaakt, of hun vertrouwen in de
politiek hebben verloren;
-__ Om deze mensen mee te nemen het essentieel is dat het burgerberaad, ook door hen, als
onafhankelijk wordt beschouwd?
1 https://openknowledge.worldbank.org/server/api/core/bitstreams/233340ba-bof1-5396-ba1o-
172b8agae357/content
Gemeente Amsterdam Status
Pagina 2 van 2
Besluit:
In het Beleidskader Burgerberaden op pagina 16, de volgende zin aan te passen:
Tenslotte komt er gedurende het Tenslotte komt er gedurende het
burgerberaad een vorm van onafhankelijk burgerberaad een vorm van onafhankelijk
toezicht in de vorm van een regiegroep van toezicht in de vorm van een regiegroep van
deelnemers om het eigenaarschap zo veel deelnemers om het eigenaarschap zo veel
mogelijk bij hen te leggen (of twee of drie mogelijk bij hen te leggen (of twee of drie
buitenstaanders met verstand van buitenstaanders met verstand van
burgerberaden). burgerberaden). Deze regiegroep houdt
toezicht op dat het burgerberaad eerlijk en
onafhankelijk verloopt.
En dit ook te laten doorwerken in het handboek burgerberaden.
Indiener(s),
J. Broersen
J.M. Krom
|
Motie
| 2
|
train
|
Gemeente Amsterdam
Bestuurscommissie Oost
Voordracht en besluit D B = AB
Registratienummer Z-17-32704 [ INT-17-10958
Afdeling Gebiedspool
Onderwerp
Principebesluit initiatief VORM: woongebouw Fibonacci aan de Panamalaan — hoek
Cruguiuskade
Portefeuille Wonen en grote projecten
DB lid Thijs Reuten
Gebied OHG
Datum DB 14 februari 2017
Datum AB voorbereidend 28 februari 2017
Datum AB besluitvormend 14 maart 2017
Behandelend ambtenaar (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Karoline Legel
06 2900 0302
k.legel@amsterdam.nl
xZO0OO035584B6EG6G + Pagina a van7
Het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost besluit:
het initiatiefdocument Fibonacci, ingediend door VORM op 14 december 2016 en gewijzigd
op 1 februari 2017, ter besluitvorming aan het algemeen bestuur voor te leggen.
Tekst van openbare Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost besluit:
besluiten wordt
gepubliceerd
1. in principe akkoord te gaan met het initiatiefdocument Fibonacci, ingediend door
ontwikkelaar VORM op 14 december 2016 en gewijzigd op 1 februari 2017, onder de
volgende voorwaarden:
a. de initiatiefnemer werkt het initiatief uit tot een ontwerpbestemmingsplan
conform de daarvoor geldende juridische procedure;
b. de initiatiefnemer draagt de kosten van de onderzoeken (onder meer naar
de wind- en geluidhinder (binnen en buiten de bebouwing) en de ecologie),
procedures en alle andere activiteiten en maatregelen die benodigd zijn om
dit initiatief tot realisatie te kunnen brengen;
c. voorafgaand aan de start van de benodigde juridisch planologische
procedure wordt met de eigenaar van de kavel (NS Vastgoed BV) en de
initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin onder
andere afspraken worden vastgelegd over kostenverhaal: proceskosten,
planschade, inrichting, beheer en onderhoud van openbare ruimte en van
de openbaar toegankelijke ruimte, herinrichting van (het kruispunt in) de
Panamalaan; evenals over de duurzaamheidsambities, planning,
woonprogramma (prijsniveau en prijsontwikkeling per woningcategorie in
aanvulling op wat wordt vastgelegd in het bestemmingsplan), parkeren,
communicatie en het betrekken van de omgeving;
d. er worden nadere afspraken gemaakt en vastgelegd over de aansluiting
van het gebouw en bijbehorende parkeergarage op de omgeving;
e. er worden nadere afspraken gemaakt en vastgelegd over de exacte
grenzen tussen de toekomstige openbare ruimte en het openbaar
toegankelijk terrein;
f. _de initiatiefnemer informeert de omwonenden over dit besluit en draagt
zorg voor een goede communicatie met en betrokkenheid van de buurt
over de voortgang van zijn initiatief;
2. akkoord te gaan met het opstellen van bestemmingsplan ‘Woontoren Fibonacci’ op
basis van het initiatiefdocument en onder de voorwaarde dat alvorens het ontwerp
bestemmingsplan ter visie wordt gelegd met de eigenaar van de kavel (NS
Vastgoed BV) en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst is afgesloten;
3. de initiatiefnemer van dit besluit met een brief op de hoogte te brengen.
Ondertekening
Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost,
Sjoukje Alta, Ivar Manuel,
secretaris voorzitter
Pagina 2 van7
Bevoegdheid
Het voorbereiden en uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur (artikel 25
verordening op de bestuurscommissies).
Bestuurlijke achtergrond
Overwegende dat:
-__initiatiefnemer op de locatie Panamalaan - hoek Cruguiuskade een woongebouw
met 182 woningen en aan het woonprogramma toegespitste voorzieningen wil
realiseren;
-_ uit de hoogbouw effect rapportage is gebleken dat het bouwplan met een
maximale bouwhoogte van 62 meter geen negatief effect heeft op het
omringende stedelijke landschap en het UNESCO-gebied;
-__ het initiatief niet binnen het huidige juridisch-planologische regime past;
-_om medewerking te kunnen verlenen herziening van het bestemmingsplan nodig
is;
-_Het Algemeen Bestuur een uitspraak moet doen of zij in principe bereid is aan het
initiatief mee te werken;
-_ Initiatiefnemer hiervoor, in overleg met de gemeente, het voorliggende
initiatiefdocument Fibonacci heeft opgesteld;
-_ het Initiatiefdocument Fibonacci tevens als startnotitie dient voor het nieuwe
(ontwerp)bestemmingsplan ‘Amsterdam Woontoren Fibonacci’;
-__initiatiefnemer op eigen kosten het bestemmingsplan zal laten opstellen inclusief
de daarvoor verplichte en benodigde onderzoeken;
-__de gemeente haar verantwoordelijkheid ten aanzien van het publiekrechtelijke
besluitvormingsproces behoudt;
-_ voorterinzagelegging van het bestemmingsplan kostenverhaal geregeld zal
moeten zijn;
Gelet op:
-__de Structuurvisie Amsterdam 2040;
-__Contouren Amsterdamse Woonagenda;
-_Agenda Duurzaamheid.
Onderbouwing besluit
Beoogd effect
Inleiding
Het plan behelst de bouw van een woongebouw met 182 woningen van ca. 25, 50 en vanaf
75 m° BVO. Het totaal aan BVO is 20.000 m* en voorziet tevens in gedeelde voorzieningen
die op het woningprogramma zijn toegespitst. Het gebouw komt op grond die (nog) in
eigendom is bij de NS, direct aan het spoor op de hoek van de Panamalaan en
Cruguiuskade. Het initiatief gaat uit van een woongebouw dat getrapt in vier stappen
wordt opgebouwd van laag (14 meter) aan de Cruguiuskade met twee tussenstappen (23
en 36 meter) tot hoog (62 meter) aan de Panamalaan.
Initiatiefnemer werkt, in overleg met gemeente en belanghebbenden, het
initiatiefdocument ‘Fibonacci’ verder uit tot een gedragen plan en een nieuw
bestemmingsplan op basis van het initiatiefdocument en de bijbehorende
randvoorwaarden. Ten behoeve van deze ontwikkeling dient de initiatiefnemer vervolgens
een aanvraag omgevingsvergunning in.
Pagina 3 van 7
Argumenten
1.12 Het plan draagt bij aan de behoefte van de gemeente Amsterdam aan voldoende,
betaalbare en kwalitatief goede woningen
In dit complex komen 182 woningen in het sociale huur of koop segment (< 710 euro
per maand of rond 150.000 euro (25 m°), in het middeldure segment (>710 euro tot 970
euro per maand of tot 300.000 euro (5o m°)) of in het dure segment (> 970 euro per
maand of >» € 300.000 (vanaf 75 m°)). Het totale aandeel sociale en middeldure
woningen is 65%.
1.2 De initiatiefnemer borgt de kwaliteit van dit project door goede afstemming met de
gemeente over ontwerp en inpassing in de omgeving
Eris regelmatig overleg over het project. Afspraken worden mede vastgelegd in een
anterieure overeenkomst. Stedenbouwkundig kan het Fibonacci gebouw een
interessante toevoeging zijn voor de stad. De ruimtelijke opbouw is vernieuwend en
uniek voor Amsterdam. Het gebouw kent een goede mix van verschillende soorten
woningen.
1.3 Duurzaamheid, klimaatbestendigheid en ecologie
VORM heeft een hoge duurzaamheidsambitie die past in het stedelijk beleid. De
ambities EPC 0,15 en GPR 8 met GPR 8,5 voor energie versterken elkaar. Er wordt
aangesloten op de ambities in de Agenda duurzaamheid, doordat er minder energie
verbruikt wordt, duurzame energie opgewekt wordt en het opgesteld vermogen
zonnepanelen vergroot wordt.
Ook wordt in de plannen rekening gehouden klimaatbestendigheid en met
‘natuurinclusief bouwen’ in het kader van het versterken van de biodiversiteit.
1.4 Afstemming met de buurt
De omwonenden worden regelmatig op de hoogte gebracht van de voortgang van het
project. 1 februari jl. is een tweede bewonersbijeenkomst geweest. Het verslag is
bijgevoegd. De Bewonersgroep Panama-Cruguius wordt actief benaderd. Een
klankbordgroep wordt opgericht waarin ook omwonenden zitting hebben.
1.5 Initiatiefnemer werkt het initiatief vit tot een ontwerp bestemmingsplan
Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan
nodig. Aangezien er sprake is van een particulier initiatief, werkt de initiatiefnemer het
initiatief vit tot een ontwerp bestemmingsplan.
1.6 Initiatiefnemer draagt alle kosten om dit initiatief tot realisatie te kunnen brengen
Eris sprake van een particulier initiatief op particuliere gronden. Alle kosten om het
initiatief tot realisatie te brengen, zoals onderzoekskosten en procedurekosten zijn
voor initiatiefnemer.
1.7 Afsluiten anterieure overeenkomst
De gemeenteraad stelt voor gronden waar woningbouw op is voorzien een
exploitatieplan vast of zorgt ervoor dat het verhaal van kosten voor grondexploitatie
op een andere wijze verzekerd is. Tot de te verhalen kosten worden onder andere
gerekend de kosten voor het opstellen en begeleiden van gemeentelijke ruimtelijke
plannen en tegemoetkoming van planschade. Voordat met de planologische
procedure gestart wordt, wordt met initiatiefnemer en de eigenaar van de kavel een
anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder andere afspraken worden vastgelegd
over kostenverhaal, waaronder proceskosten, planschade, inrichting, beheer en
onderhoud van de openbare ruimte en de openbaar toegankelijke ruimte, over
(betaalbaarheid van) het woonprogramma (aandeel per woningcategorie en termijn
dat woning in sociale huur of middensegment wordt verhuurd), herinrichting van (het
kruispunt in) de Panamalaan, de duurzaamheidsambities, parkeren (zowel bewoners
als bezoekers en leveranciers), planning, en communicatie en het betrekken van de
Pagina 4 van 7
omgeving.
Het initiatief wordt gerealiseerd op particuliere grond (tot onherroepelijk vastgesteld
bestemmingsplan in eigendom van NS Vastgoed, na onherroepelijk vastgesteld
bestemmingsplan in eigendom van initiatiefnemer). Een deel van het plangebied wordt
bebouwd of gebruikt voor de ontsluiting van het woongebouw. Voor de overige
gronden moeten afspraken vastgelegd worden over het gebruik, de gewenste
inrichting en het beheer ervan.
De duurzaamheidsambities gaan verder dan wat wettelijk is geregeld. Om de
afspraken hierover te borgen worden ze vastgelegd.
(Het kruispunt in) de Panamalaan moet worden aangepast om een goede en veilige
ontsluiting te kunnen garanderen. Initiatiefnemer zal dit moeten verzorgen in overleg
met de gemeente. Om dit te borgen worden de afspraken hierover vastgelegd.
Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de communicatie en het actief betrekken van
de omgeving. Ook dit moet in een overeenkomst worden vastgelegd.
Met initiatiefnemer is afgesproken dat het verhaal van kosten via een anterieure
overeenkomst geregeld wordt. Er wordt pas gestart met de
bestemmingsplanprocedure, wanneer een anterieure overeenkomst is gesloten waarin
bovenstaande is geregeld.
1.8 De grenzen tussen openbare ruimte en openbaar toegankelijk terrein worden vastgelegd
Het plangebied is particulier eigendom, maar zal deels openbaar toegankelijk worden.
Welke gronden openbaar worden en openbaar blijven (en al dan niet aan de gemeente
overgedragen worden) moet worden vastgelegd.
2.1 Het initiatief past niet binnen het huidige bestemmingsplan
Het bestemmingsplan Cruquius staat een dergelijke bebouwing niet toe. De
initiatiefnemers willen via een planologisch-juridische procedure vooral woonfuncties
mogelijk maken. Hiervoor moet het vigerende bestemmingsplan worden herzien. De
hiervoor benodigde onderzoeken (onder meer naar wind- en geluidhinder binnen en
buiten de bebouwing) zullen worden uitgevoerd conform wet- en regelgeving.
Het initiatiefdocument Fibonacci is tevens startnotitie voor het opstellen van dit
bestemmingsplan. Het initiatiefdocument zal na besluitvorming door het AB ter
kennisname worden gestuurd naar de Wethouder Ruimtelijke ordening van de
gemeente Amsterdam. Het bestemmingsplan zal de wettelijke procedure doorlopen,
waarbij in het stadsdeel de reguliere weg wordt gevolgd (procedure 3 van het
Procesvoorstel bestemmingsplannen Stadsdeel Oost vastgesteld op 24 november
2015). Het verzoek tot stedelijke besluitvorming voor vrijgave van het
ontwerpbestemmingsplan zal ter besluitvorming worden voorgelegd aan het
Algemeen Bestuur.
Kanttekeningen
Voor dit initiatief is de anterieure overeenkomst nog in voorbereiding. Deze dient
ondertekend te zijn, voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.
Het algemeen bestuur adviseert de gemeenteraad over dit project. De besluitvorming vindt
plaats door de gemeenteraad.
Het is belangrijk dat de partijen betrokken bij het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer
(PHS) en bij de ontwikkeling van Fibonacci overeenstemming hebben over de plannen.
Pagina 5 van7
Risico's / Neveneffecten
De afspraak die VORM heeft met NS Vastgoed BV is dat alleen als het bestemmingsplan
onherroepelijk wordt, de koop doorgaat.
Uitkomsten ingewonnen adviezen
Juridisch bureau Juridisch Bureau stelt anterieure overeenkomst op
Financiën Financiën akkoord
Communicatie Communicatie is geïnformeerd
Overige Beheer OR, Gebiedsteam, Economie, V&OR, R&D en Wonen zijn betrokken. Hun reacties
zijn verwerkt in het Iníitiatiefdocument (door VORM) en de voordracht.
Financiële paragraaf
Financiële gevolgen? Nee
Indien ja, dekking aanwezig?
Indien ja, welke kostenplaats?
Toelichting Nvt.
Voorlichting en communicatie
De initiatiefnemer wordt per brief geïnformeerd.
Na besluitvorming over het initiatiefdocument, dat tevens dient als startnotitie zal het
besluit aan de wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam worden
gestuurd. Vervolgens zal conform artikel 1.3.1 Bro het voornemen bekend worden gemaakt
dat een bestemmingsplan wordt voorbereid.
Omwonenden worden door de initiatiefnemer geïnformeerd over het besluit.
Uitkomsten inspraak
N.v.t.
Uitkomsten maatschappelijk overleg (participatie)
Verslag van bewonersavond van 1 februari jl. is bijgevoegd. Uit contacten met een aantal
omwonenden komt naar voren dat zij bezwaar hebben tegen de hoogte van het gebouw,
vanwege schaduwwerking, belemmering uitzicht, zorgen over geluidhinder, verkeer en
inpassing in de omgeving.
Pagina 6 van 7
Geheimhouding
N.v.t.
Stukken
Meegestuurd Initiatiefdocument met bijlages:
1. Plangrenzen
2. Bestaande sitvatie kadastraal
3. Situatie bestaand
4. Situatie nieuw
5. Verslag overleg bewonersgroep d.d. 14 december 2016
6. Verslag inloopavond d.d. 1 februari 2017
7. Ruimtelijke onderbouwing d.d. 5 februari 2016
8. Studie omgevingshinder d.d. 2 december 2016
Ter inzage gelegd N.v.t.
Parafen
Manager Portefeuillehouder
Nadia el Gargouri Thijs Reuten
Besluit dagelijks bestuur
Conform.
Pagina 7 van 7
|
Besluit
| 7
|
train
|
Ee2922005960 N% Gemeente Tijdelijke Algemene Raadscommissie TAR
Ontwikkeling X Amsterdam
Voordracht voor de Tijdelijke Algemene Raadscommissie van o7 april 2022
Ter kennisneming
Portefeuille Grondzaken
Agendapunt 46
Datum besluit 8 maart 2022, College van B&W
Onderwerp
Kennisnemen van vrijgave voor inspraak van de concept-investeringsnota Nelson Mandelabuurt in
Amsterdam Zuidoost
De commissie wordt gevraagd
1. Kennis te nemen van de raadsinformatiebrief inzake het collegebesluit om de concept-
investeringsnota Nelson Mandelabuurt vrij te geven voor inspraak.
2. Kennis te nemen van de geheimhouding die op grond van artikel 25, tweede lid van de
Gemeentewet is opgelegd. Dit in verband met de belangen genoemd in artikel 10, tweede
lid, onder ben g van de Wet openbaarheid van bestuur. De geheimhouding wordt tot twee
jaar na afsluiting van de grondexploitatie of tot uiterlijk 2 januari 2030 opgelegd.
3. _Kenniste nemen van het verzoek om de opgelegde geheimhouding op grond van artikel 25,
derde lid van de Gemeentewet tijdens de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad
na aanlevering van de stukken bij de raadsgriffie te bekrachtigen.
Wettelijke grondslag
Artikel 2, eerste lid, Algemene inspraakverordening
Inspraak wordt verleend door het College van burgemeester en wethouders
Artikel 12, eerste lid van de Verordening op het lokaal bestuur
Het stedelijk bestuur betrekt het Dagelijks Bestuur bij het opstellen van stedelijke kaders.
Artikel 25, tweede lid van de Gemeentewet
Opleggen van geheimhouding door het College van burgemeester en wethouders op de “GEHEIM
Financiële Verkenning”. Dit in verband met de belangen genoemd in artikel zo, tweede lid onder
lid ben g van de Wet op de openbaarheid van bestuur. De geheimhouding wordt tot twee jaar na
afsluiting van de grondexploitatie of tot uiterlijk 1 janvari 2030 opgelegd.
Artikel 25, derde lid van de Gemeentewet
Het College van burgemeester en wethouders verzoekt de gemeenteraad de opgelegde
geheimhouding tijdens de eerstvolgende vergadering na aanlevering van de stukken bij de
raadsgriffie te bekrachtigen.
Artikel 169 van de Gemeentewet
1. Het college van burgemeester en wethouders en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de
Gemeenteraad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur. 2. Zij geven de
raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
Bestuurlijke achtergrond
De basis voor dit plan is gelegd in de Nota van Uitgangspunten Bijlmerpark (2002), het
Stedenbouwkundig Programma van Eisen Bijlmerpark (SPvE, 2005) en het bestemmingsplan
‘De Nieuwe Bijlmer! (2007). [1] Hierin was de nieuwe woonwijk onderdeel van een overkoepelend
herinrichtingsplan voor het Bijlmerpark — in 2014 omgedoopt tot het Nelson Mandelapark. Door de
financiële crisis is de woningbouw er tot nu toe niet gekomen. Door de toenemende woningvraag
Gegenereerd: vl.13 1
Ee2922005960 % Gemeente Tijdelijke Algemene Raadscommissie TA R
Ontwikkeling %
Voordracht voor de Tijdelijke Algemene Raadscommissie van o7 april 2022
Ter kennisneming
in Amsterdam ligt hier een kans om de geplande woningen alsnog te bouwen. De locatie is in
Koers 2025 opgenomen als kansrijke bouwlocatie voor nieuwbouw in de stad. In 2017 is gestart met
het opstellen van een hernieuwd stedenbouwkundig plan voor de woonwijk. Na een uitgebreid
participatietraject zouden de plannen in 2019 ter besluitvorming worden voorgelegd aan het
dagelijks bestuur van stadsdeel Zuidoost. Er ontstond echter twijfel of de woonwijk, het Kwakoe
festival en alle (sport)voorzieningen in het park naast elkaar kunnen bestaan. Om zich te beraden
op deze kwestie is de vaststelling van de plannen uitgesteld. Het dagelijks bestuur van Zuidoost
heeft toen besloten om naast een stedenbouwkundig plan voor de woonwijk een gebruiksvisie
voor het park op te stellen, een plan op te stellen om sport beter in het park in te passen en een
toekomstbestendige visie voor het Kwakoe festival. Deze afzonderlijke trajecten zijn in de loop van
2021 gestart en worden integraal ontwikkeld. De voorliggende concept-investeringsnota voorziet
in het hernieuwde stedenbouwkundige plan dat is afgestemd met de gebruikers van het Nelson
Mandelapark, de sportfunctie in het park en het Kwakoe festival.
[1] Gemeente Amsterdam, Stedenbouwkundig Programma van Eisen, raadsbesluit 22-12-2005.
Reden bespreking
Nvt.
Uitkomsten extern advies
Participatie heeft een belangrijke rol in het planproces voor de Nelson Mandelabuurt. Omwonenden
en geïnteresseerden zijn in een zo vroeg mogelijk stadium geïnformeerd en betrokken en
tussendoor op de hoogte gehouden. Uitgangspunt was dat iedereen die dat wil, invloed kan
hebben op de planontwikkeling. Door middel van informatiebijeenkomsten, wandelingen door het
park, ontwerpsessies met kinderen van basisscholen uit de buurt, ontwerpatelier-bijeenkomsten,
gesprekken met doelgroepen, maar ook online vragenlijst (enquête), is input opgehaald bij de
doelgroepen. Alle deze acties gaven veel nuttige en bruikbare ideeën en meningen over het
stedenbouwkundig plan die zijn gebruikt om de huidige versie van het plan te maken.
Geheimhouding
Geheimhouding van de “GEHEIME concept-financiële paragraaf”, op grond van artikel 25, tweede lid
van de Gemeentewet. Dit in verband met de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid onder ben
g van de Wet op de openbaarheid van bestuur. De geheimhouding wordt tot twee jaar na afsluiting
van de grondexploitatie of tot uiterlijk 1 janvari 2030 opgelegd.
Artikel 1o, tweede lid onder lid b
De economische of financiële belangen van de Staat (ook: gemeente) wegen zwaarder dan het
belang van openbaar bestuur
Artikel 10, tweede lid onder lid q
Het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de
aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden weegt
zwaarder dan het belang van openbaar bestuur.
Geheimhouding is van belang vanwege de financiële informatie die in de financiële verkenning staat.
Uitgenodigde andere raadscommissies
Nvt.
Gegenereerd: vl.13 2
VN2022-005960 % Gemeente Tijdelijke Algemene Raadscommissie
Grond en % Amsterdam
Ontwikkeling %
Voordracht voor de Tijdelijke Algemene Raadscommissie van o7 april 2022
Ter kennisneming
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
N.v.t.
Welke stukken treft v aan?
AD2022-026902 Bijlage 1_BRIEF raadsinformatiebrief_NMbuurt.pdf (pdf)
AD2022-026903 Bijlage 2.0_Concept-investeringsnota NMbuurt.pdf (pdf)
AD2022-026904 Bijlage 2.1_Concept-SP Nelson Mandelabuurt. pdf (pdf)
Bijlage 2.2. GEHEIM concept-financiële par. investeringsnota NMbuurt.pdf
AD2022-026905
(pdf)
AD2022-026906 Bijlage 2.3_ Overige bijlagen concept-investeringsnota NMbuurt. pdf (pdf)
AD2022-026907 Bijlage 3 advies DB investeringsnota NM buurt.pdf (pdf)
AD2022-020853 Tijdelijke Algemene Raadscommissie Voordracht (pdf)
Ter Inzage
Registratienr. Naam
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Delphine van Wageningen, Grond en Ontwikkeling, d.van.wageningen@®amsterdam.nl,
06-13984037
Gegenereerd: vl.13 3
|
Voordracht
| 3
|
train
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2018
Afdeling 1
Nummer 448
Publicatiedatum 18 mei 2018
Ingekomen onder H
Ingekomen op woensdag 16 mei 2018
Behandeld op woensdag 16 mei 2018
Status Aangenomen
Onderwerp
Amendement van de leden Van Renssen, De Heer, Hammelburg en Flentge inzake
het bestemmingsplan De Baarsjes (niet verruimen mogelijkheden onderkeldering).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over het bestemmingsplan De Baarsjes (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 429).
Overwegende dat:
— Het bestemmingsplan De Baarsjes een conserverend karakter zou hebben; de
huidige planregeling het mogelijk maakt dat naast hoofdgebouwen bijbehorende
bouwwerken in de tuin worden onderkelderd,
— bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd conform het Besluit
omgevingsrecht (Bor), tot 4 meter vanaf de achtergevel en deze op grond van het
voorgestelde bestemmingsplan zouden kunnen worden onderkelderd bij recht;
— dit deels een uitbreiding is ten opzichte van de mogelijkheden van het huidig
geldende bestemmingsplan De Baarsjes:
— de Bestuurscommissie West op 13 maart 2018 een amendement heeft
aangenomen voor het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Oud-West, naar
aanleiding van inspraakreacties, waarbij het toestaan bij recht van onderkeldering
van de bijbehorende bouwwerken is geschrapt uit de planregels;
— het bestemmingsplan De Baarsjes echter toen al was voorbereid, waardoor op
dat moment het niet mogelijk was voor de Bestuurscommissie West dezelfde
regeling te schrappen uit het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan De
Baarsjes;
— de mogelijkheid bij recht om zowel bijbehorende bouwwerken als kelders in
Tuinen de druk op de binnentuinen ook in De Baarsjes zal vergroten.
Constaterende dat:
— inde Toelichting bij het bestemmingsplan is opgemerkt dat De Baarsjes dicht is
bebouwd en stenig aandoet en dat een belangrijke rol in de groenstructuur de
vele besloten binnentuinen, de voortuinen en boombeplanting spelen;
— in De Baarsjes een zeer beperkt aantal vierkante meters groen per inwoner
beschikbaar is;
— dat in de Toelichting bij het bestemmingsplan is overwogen dat het wenselijk is
om tuinen zo open en groen te houden en gelet op de doelstellingen van
Amsterdam Rainproof zo min mogelijk te bebouwen;
1
Jaar 2018 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer 448 , Amendement
Datum 18 mei 2018
— onvoldoende bekend is over de gevolgen van het grootschalig onderkelderen van
tuinen in de gehele stad en hier nader onderzoek naar moet worden uitgevoerd,
— onderkeldering niet alleen gevolgen kan hebben voor grondwaterstromen, maar
tevens op de grondwaterstand, waterberging en infiltratie en de klimaatbestendige
stad;
— het bestemmingsplan De Baarsjes in principe voor tien jaar wordt vastgesteld;
Voorts overwegende dat:
— inde Expertmeeting Binnentuinen West van 29 maart 2017 (zie raadsadres,
agenda raad 16 en 17 mei 2018, ingekomen stukken 20) meerdere oplossingen
en onderzoeksrichtingen zijn benoemd die nader onderzoek behoeven voor de
gehele stad;
— een van de oplossingen die aan de orde is gekomen een nadere regeling betreft
in bestemmingsplannen voor onderkeldering in binnentuinen; in afwachting van
nader onderzoek het niet wenselijk is het onderkelderen van bijgebouwen in
tuinen toe te staan bij recht;
— door de regeling te schrappen in het bestemmingsplan De Baarsjes, van geval tot
geval een afweging kan worden gemaakt, waardoor de belangen van open en
groene tuinen, grondwaterstand, infiltratie, waterbergende capaciteit op het
niveau van perceel of blok kan worden meegenomen in de afweging.
Besluit:
1. om de onderkeldering van bijbehorende bouwwerken niet bij recht toe te staan en
daartoe de planregels van het bestemmingsplan De Baarsjes met
identificatienummer NLIMRO.0363.E1504BPSTD-VGO1, als volgt aan te passen
door de volgende zinssnede:
'…, Onder bijbehorende bouwwerken die op grond van het Besluit omgevingsrecht
zonder vergunning kunnen worden gebouwd of onder bijbehorende bouwwerken
die op grond van het bestemmingsplan met een vergunning mogen worden
gebouwd, …' door te halen in de volgende artikelen:
a. artikel 4 Gemengd — 1: artikel 4.2.2, onder e2;
b. artikel 5 Gemengd — 2: artikel 5.2.2, onder e2;
c. artikel 6 Gemengd — 3: artikel 6.2.2, onder e2;
d. artikel 7 Gemengd —4: artikel 7.2.2, onder e2;
e. artikel 8 Gemengd — 5: artikel 8.2.2, onder e2;
f. artikel 9 Gemengd — 6: artikel 9.2.2, onder e2;
g. artikel 12 Maatschappelijk — 1: artikel 12.2.2, onder e2;
h. artikel 13 Maatschappelijk — 2: artikel 13.2.2, onder d2;
\. artikel 14 Tuin: artikel 14.2.2, onder c2;
j. artikel 18 Wonen: artikel 18.2.2, onder e2;
k. artikel 26 Algemene aanduidingsregels: artikel 26.1, onder a.
2. Inde toelichting een addendum op te nemen bij in ieder geval hoofdstuk 4, 13 en
14 luidende dat het wenselijk is om een regeling op te nemen voor ondergronds
bouwen onder alleen hoofdbebouwing, zodat kelders en souterrains op grond van
dit bestemmingsplan zijn toegestaan onder enkel hoofdgebouwen en niet onder
bijbehorende bouwwerken. Dit geldt zowel voor gebieden met de aanduiding
‘grondwateraandachtsgebieden" als voor gebieden zonder die aanduiding
2
Jaar 2018 Gemeente Amsterdam R
weing Ts Gemeenteblad
ummer
Datum _ 18 mei 2018 Amendement
De leden van de gemeenteraad,
N.A van Renssen
A.C. de Heer
A.R. Hammelburg
E.A. Flentge
3
|
Motie
| 3
|
discard
|
VN2021-025772 N% Gemeente Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, AZ
oere Openbare Juridische Zaken, Communicatie, Raadsaangelegenheden, Preventie
rde en Veiligheid X Amsterdam
Jeugderiminaliteit, Vluchtelingen en Ongedocumenteerden, Handhaving
% en Toezicht
Voordracht voor de Commissie AZ van 14 oktober 2021
Ter kennisneming
Portefeuille Openbare Orde en Veiligheid
Agendapunt 1
Datum besluit nvt nvt
Onderwerp
Afdoening motie van de leden Van Dantzig, Khan, Veldhuyzen en Ernsting inzake afzien van
preventief fouilleren
De commissie wordt gevraagd
Kennis te nemen van de raadsinformatiebrief over de afdoening van de motie van de leden Van
Dantzig, Khan, Veldhuyzen en Ernsting inzake afzien van preventief fouilleren
Wettelijke grondslag
Artikel 79 en 80 Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam
Bestuurlijke achtergrond
In de vergadering van de gemeenteraad van 26 en 27 mei 2021 heeft de raad bij de behandeling van
agendapunt 22 motie 301 van de leden Van Dantzig, Khan, Veldhuyzen en Ernsting inzake het afzien
van de proef gerichte wapencontroles, aangenomen.
De motie behelst een verzoek om de proef gerichte wapencontroles geen doorgang te laten vinden.
Tijdens dezelfde raadsvergadering heeft de burgemeester aangegeven het noodzakelijk te vinden
het middel van gerichte wapencontroles te onderzoeken en de proef doorgang te laten vinden.
Mondeling is aangegeven is dat de motie niet ten vitvoer wordt gebracht.
Reden bespreking
nvt
Uitkomsten extern advies
nvt
Geheimhouding
nvt
Uitgenodigde andere raadscommissies
nvt
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
Ja
Welke stukken treft v aan?
Gegenereerd: vl.6 1
VN2021-025772 % Gemeente Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid,
Directie Openbare 3 Amsterdam Juridische Zaken, C icatie, Raadsaangelegenheden, Preventi
Ordeen Veiligheid X uridische Zaken, Communicatie, Raadsaangelegenheden, Preventie
Jeugderiminaliteit, Vluchtelingen en Ongedocumenteerden, Handhaving
en Toezicht
Voordracht voor de Commissie AZ van 14 oktober 2021
Ter kennisneming
AD2021-098760 301_21_ Motie Van Dantzig c_s_ afzien van preventief fouilleren.pdf (pdf)
AD2021-098761 Afdoening motie 301 proef GWC.pdf (pdf)
AD2021-098754 Commissie AZ Voordracht (pdf)
Ter Inzage
Registratienr. Naam
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
OOV, secretariaatOOV@ amsterdam.nl
Gegenereerd: vl.6 2
|
Voordracht
| 2
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 1345
Publicatiedatum 18 november 2016
Ingekomen op 2 november 2016
Ingekomen in brede commissie Begroting
Te behandelen op 9/10 november 2016
Onderwerp
Amendement van het lid Moorman inzake de Begroting 2017 (bestrijding
lerarentekort).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2017;
Constaterende dat:
— _ op basis van onderzoek voor de komende jaren een lerarentekort wordt
voorspeld in het Amsterdamse primair onderwijs (PO) van circa 171 fte in 2017
tot 415 fte in 2020;
— de verklaring voor het tekort aan leraren kan worden gevonden in de toename
van het aantal leerlingen, een tekort aan mannelijke docenten, een afname van
de instroom op de PABO en een relatief grote uitval onder startende leraren
binnen 5 jaar:
— elke FTE in principe staat voor een schoolklas waar geen docent voor gevonden
kan worden. Dit betekent dat volgend jaar al ca 4275 Amsterdamse kinderen
geen vaste juf of meester meer hebben;
Van mening dat:
— _ het lerarentekort een grote bedreiging vormt voor kwaliteit van het Amsterdamse
primair onderwijs;
— _ derhalve zo snel mogelijk een actieplan nodig is om aan de vraag tegemoet te
komen.
Besluit:
1) De Begroting 2017 op de volgende wijze te wijzigen:
Op pagina 159, onder 3.5.1 Onderwijs en voorschoolse educatie, in de opsomming
van de belangrijkste ontwikkelingen voor 2017, het volgende toe te voegen:
1
'Er komt een actieplan om meer bevoegde basisschoolleraren aan te trekken en te
voorkomen dat goede basisschooldocenten vertrekken uit het Amsterdamse
basisonderwijs; In dit actieplan Zal in ieder geval aandacht worden besteedt aan de
volgende zaken:
— het tegengaan van het teruglopende aantal aanmeldingen op de
Amsterdamse PABO, bijvoorbeeld door het aanboren van nieuwe
doelgroepen zoals VWO leerlingen;
— maatregelen die zorgen dat jonge startende leraren zo goed mogelijk
kunnen worden behouden voor het onderwijs, bijvoorbeeld door
goede begeleiding van ervaren leerkrachten, extra aandacht voor het
omgaan met diversiteit in de klas (urban education) en onderlinge
uitwisseling van kennis en ervaring.
— de huisvestingsproblematiek van Amsterdamse leraren;
— het verruimen van de mogelijkheden van zij-instromers, in het
bijzonder mannelijke zij-instromers (hij-instromers);
— een onderzoek naar overige oorzaken van de uitval van
basisschoolleraren en op welke wijze dit kan worden voorkomen;
— een onderzoek naar de verdeling van het lerarentekort over het
Amsterdamse scholenbestand.
Voor het actieplan stelt de gemeenteraad 1 miljoen euro ter beschikking, te dekken uit
de reserve frictiekosten. Het actieplan wordt voor de Voorjaarsnota 2017 aan de
Amsterdamse gemeenteraad voorgelegd.’
2) De begroting voor het overige conform te wijzigen.
Het lid van de gemeenteraad
M. Moorman
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2015
Afdeling 1
Nummer 724
Publicatiedatum 7 augustus 2015
Ingekomen onder AO
Ingekomen op donderdag 2 juli 2015
Behandeld op donderdag 2 juli 2015
Status Verworpen
Onderwerp
Amendement van de raadsleden mevrouw Roosma, de heer Poorter en mevrouw
Van Soest inzake de notitie Visie op subsidies’.
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de notitie ‘Visie op subsidies’ (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 621);
Overwegende dat:
— er verschillende bezwaren zitten aan vervangen van subsidies door
inkoopprocedures, zoals juridische onduidelijkheden over wanneer iets inkoop is
en wanneer niet, de kosten van tenders, afschrijvingstermijnen, btw-kwesties,
etc;
— het argument voor inkoop, namelijk ‘afdwingbaarheid van prestaties’, juridisch
ingewikkeld is en feitelijk geen probleem oplost;
— het uitschrijven van tenders voor periodieke subsidies geen probleem oplost,
maar vooral extra bureaucratie en kosten met zich meebrengt;
— het introduceren van concurrentie en marktwerking in het sociaal domein over het
algemeen niet succesvol is, kostbaar is en bestaande samenwerkingsrelaties
tussen de gemeente en lokale initiatieven ondermijnt;
— het daarom onwenselijk is om inkoop boven subsidie te verkiezen als de
gemeente prestaties wil afdwingen en het onwenselijk is om tenders uit te
schrijven voor periodieke subsidies.
Besluit:
— beslispunt 2.c: “Bij de keuze tussen subsidie en inkoop kiest de gemeente
voortaan voor inkoop als zij de door de wederpartij toegezegde prestatie zo nodig
in rechte wil kunnen afdwingen en voor subsidie als zij dat niet nodig vindt.” uit de
raadsvoordracht te verwijderen;
— beslispunt 2.f “De gemeente gaat over tot een vierjaarlijkse tender voor periodieke
subsidies. Het college bepaalt binnen welke programmaonderdelen een dergelijke
tender zal plaatsvinden en besluit over de uitkomsten daarvan.” te verwijderen;
— de notitie Visie op Subsidies overeenkomstig aan te passen
1
Jaar 2015 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 724 A d é
Datum 7 augustus 2015 mendemen
De leden van de gemeenteraad
mevr. F. Roosma
dhr. M.F. Poorter
mevr. W. van Soest
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2017
Afdeling 1
Nummer 820
Publicatiedatum 7 juli 2017
Ingekomen onder Z
Ingekomen op donderdag 29 juni 2017
Behandeld op donderdag 29 juni 2017
Status Verworpen
Onderwerp
Amendement van de leden Roosma en De Heer inzake het Jaarverslag 2016.
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer u voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over het Jaarverslag 2016 van de gemeente Amsterdam
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 664).
Overwegende dat:
— Het aflossen van de ‘schuld’ onnodig en onwenselijk is, gezien de noden in de
stad.
Besluit:
In de voordracht ‘Toelichting op de besluiten’ als volgt aan te passen:
Onder het kopje Rekeningresultaat (besluit 6c) te schrappen:
“Een deel van het resultaat wordt conform de nota Herziening rentestelsel ingezet
voor schuldreductie. Het deel dat ingezet wordt voor schuldaflossing bedraagt € 55,7
miljoen en bestaat uit het hoger dan begrote renteresultaat (€35,3 miljoen), het
resultaat uit de verkoop van deelnemingen (€ 19,2 miljoen) en een deel van het
resultaat van verkoop van vastgoed (€ 1,2 miljoen).
En te vervangen door:
‘Een deel van het resultaat wordt ingezet voor de vervroegde afschrijving van
conventionele armaturen, opdat die armaturen versneld kunnen worden vervangen
door LED-verlichting”
De leden van de gemeenteraad,
F. Roosma
A.C. de Heer
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
a]
Evaluatie Kunstenplan 21-24 Ké
Totstandkoming en integraliteit 5
(aa)
23-09-2021
Voorwoord 4
1. Inleiding 6
11. Totstandkoming van het Kunstenplan 6
12. Opdrachtformulering 7
1.3. Leeswijzer 8
14. Methode van onderzoek 9
1.5. Een definitiekwestie 10
2, Integraal Kunstenplan 11
21. Amsterdam Bis in twee delen 13
2.2. Verbinding met beleidsdoelstellingen 14
2.3. Functies als voorbeeld 15
2.4. Verschillen in beoordeling 16
2,5. Samenhang tussen regelingen 17
3. Proces: Ontwerpfase 19
3.1. Planning 19
3.2. Evaluatie 2017-2020 19
3.3. Verkenning 2019 20
3.4. Contouren Kunstenplan 2021-2024 22
3.5. Samenstelling van de Bis 23
3.6. Debat met de sector 23
4. Proces: Beleidsfase 26
Al. Planning 26
4.2. Over de Hoofdlijnen 26
4.3. Introductie van functies 28
5. Proces: Adviseringsfase 29
51. Planning 29
5.2. Verschillen in de advisering 29 Ee
5.3. Ervaring van aanvragers 31 pel
pd
5.4. Dubbele aanvraag 32 ff
5.5. Lastendruk 32 |
Ma
6. Proces: Besluitvormingsfase 34
61. Planning 34
6.2. Besluitvorming bij het AFK 34
6.3. Besluitvorming in de gemeenteraad 35
6.4. Verzoek aan het AFK 35
6.5. Dilemma’s bij besluitvorming 36
6.6. Bezwaren 36
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 2
7. Eerste effecten van het ingezette beleid 38
71. Diversiteit en inclusie 38
7.2. Spreiding 43
7.3. Verbinding met de stadsdelen 45
74. Cluster Cultuureducatie 46
8. Conclusies en aanbevelingen 49
8.1. Algemene conclusie 49
8.2. Een integraal Kunstenplan 50
8.3. Verloop van de totstandkoming 53
8.4. Eerste ervaringen 58
8.5. Tot slot: de definitiekwestie 59
a)
<
pd
5
|
fa]
Auteurs
Jurriaan Rammeloo
Margot Gerené
Diana Hoilu Fradique
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 3
Voorwoord
Voor u ligt — wellicht op papier, maar gezien de omvang hopelijk op een
beeldscherm — de evaluatie van het Kunstenplan 2021-2024. De evaluatie is een
terugkerende exercitie die telkens, nadat de besluitvorming voor de dan startende
beleidsperiode is afgerond, wordt uitgevoerd door een externe partij. Ditmaal ging
de eer naar Blueyard.
De opdrachtformulering bevatte een omvangrijke vraagstelling. Daarom besloot
Blueyard direct betrokkenen bij de opdracht (Amsterdamse Culturele Instellingen
(ACI), de Amsterdamse Kunstraad, de afdeling Kunst en Cultuur en het
Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK)) bij aanvang te vragen naar de accenten
die zij zien voor de evaluatie. Uit de antwoorden maakten wij op dat naast het
proces van de totstandkoming en de eerste effecten, de vraag belangrijk is of er nu
sprake is van een samenhangend Kunstenplan.
Zowel de uitgebreide vraagstelling voor het proces van totstandkoming als het
accent op de samenhang, bleken een voorbode te zijn van de algemene conclusie
die we trekken: het systeem en daarmee het proces, zijn te complex geworden.
Niet alleen voor aanvragers, maar ook voor adviseurs en gemeenteraadsleden.
Terwijl de integraliteit van het Kunstenplan een leidend uitgangspunt was, zijn er
door wijzigingen in deze en afgelopen periodes steeds meer verschillen in
procedures en werkwijzen ontstaan. Er kwamen steeds meer categorieën, zoals de
tweeledige Amsterdam Bis, een Cluster Cultuureducatie en een onderscheid in
beoordeling door de Kunstraad of het AFK. Elk onderscheid leidt weer tot
verschillen in het proces.
De grootste opgave is om te vereenvoudigen. Dat kan beginnen bij het duidelijk
maken waar het Kunstenplan integraal is, en waar niet. Verschillen mogen er zijn
en kunnen er juist voor zorgen dat het beleid beter aansluit op het veld. Uiteraard
vertrekt de gemeente hierbij vanuit een en dezelfde beleidsvisie. a
Ki
In de totstandkoming van die beleidsvisie en de uitwerking daarvan is zeer eef
duidelijk geworden dat de gemeente een representatief en inclusief aanbod van |
cultuur verwacht voor alle Amsterdammers. Met dit uitgangspunt zijn we het meer en
dan eens, maar we zijn kritisch over de gekozen oplossing voor het verankeren van
diversiteit en inclusie! in de Amsterdam Bis. We constateren echter ook dat door
het beleid diversiteit en inclusie meer een vaste waarde is geworden dan voorheen.
Onze aanbeveling is om deze waarde om te zetten naar een vereiste voor alle
instellingen in de Amsterdam Bis, dat zij naar vermogen bijdragen aan de
representatie en inclusie van alle Amsterdammers.
t In sociaal-demografische zin. Zie ook: Code Diversiteit & Inclusie, codedi.nl.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 4
De andere in het oog springende aanbeveling die we doen, is om voor de
Amsterdam Bis een functiemodel te overwegen. Dat zou dan in de plaats komen
van het systeem met benoemingen op naam. De huidige vorm is funderend en
robuust, maar de vraag is of het systeem voldoende open kan staan voor de
veranderingen die nu en straks van de sector worden verwacht. Een
basisinfrastructuur op functie is eveneens funderend, maar staat meer open voor
aanpassingen. Het sluit bovendien goed aan bij de landelijke structuur waar veel
Amsterdamse instellingen ook onderdeel van zijn. Over de omvang en uitwerking
van een functiemodel of de balans met het AFK doen wij geen uitspraken. Wij
hopen dat de Kunstraad en het AFK zich daarover willen buigen.
In het proces van de totstandkoming van het Kunstenplan zien we een betere
samenwerking tussen de driehoek: gemeente, AFK en Kunstraad. De aanbeveling
hiervoor vanuit de vorige evaluatie is goed opgevolgd. De ruimte voor verbetering
zien we in een sterkere regierol van de gemeente op twee vlakken. In de eerste
plaats op de planning van het proces, aangezien er sprake is geweest van uitloop
met nadelige effecten voor de aanvragers en de adviseurs. En in de tweede plaats
regie op rollen en verhoudingen, zoals door het faciliteren van een debat met de
sector met een vooraf gesteld doel, de afstemming met het AFK en de Kunstraad
over wenselijke of toelaatbare verschillen of het goed informeren van raadsleden
over de werking van de procedure en effecten van keuzes.
Wij hebben in de evaluatie met alle direct betrokkenen constructieve gesprekken
gevoerd en bereidheid en noodzaak gevoeld om stappen te zetten naar een
eigentijdse, representatieve en inclusieve cultuursector voor Amsterdam. Bovenop
wat er nu al is gerealiseerd.
Blueyard wil graag alle betrokkenen van dit rapport danken voor hun waardevolle
medewerking. Wij kijken ten zeerste uit naar verdere ontwikkelingen en zijn erg
benieuwd naar de vervolgstappen die mede door de terugblik op de
totstandkoming van het Kunstenplan van 2021-2024, zullen worden genomen.
a]
na
Ll
=
(aa)
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 5
© ©
1. Inleiding
Blueyard heeft de opdracht gekregen om de totstandkoming, de integraliteit van
en de eerste ervaringen met het Kunstenplan 2021-2024 te evalueren. Ook is
gevraagd de administratieve lastendruk te evalueren. Het betreft een opdracht van
de afdeling Kunst en Cultuur, op verzoek van het Amsterdamse gemeentebestuur.
1.1. Totstandkoming van het Kunstenplan
Voordat we de evaluatie starten, schetsen we eerst de verschillende fasen die
doorlopen worden in de totstandkoming van het Kunstenplan. Dit doen we
vooruitlopend op een van de hoofdeonclusies van het rapport: dat het proces
complex is en een lange doorlooptijdtijd en vele stakeholders kent. In deze
paragraaf geven we een korte introductie. Om de cyclus in één oogopslag in beeld
te brengen hebben we een model ontwikkeld met vier fasen. Hierin laten we de
zeven stappen zien die in Amsterdam doorlopen worden.
venom | ON Ontwerpfase
Totstandkoming
Î van het Kunstenplan
Adviseringsfase Verdeling van schaarste
\ via een tenderregeling
Aanvraag &advies Debatten 5
Ki
pd
5
__Hoofdlijnen — D
(aa)
Beleidsfase
De ontwerpfase omvat de volgende processtappen:
"De evaluatie uit de voorgaande periode (2017-2020) geeft aandachtspunten
en verbeterpunten voor de periode 2021-2024.
" Een Verkenning door de Kunstraad met de stand van zaken in de sector.
= Mede op basis van de Verkenning stelt de gemeente de Contourennota op,
waarin het college de uitgangspunten voor het beleid formuleert.
"Over deze uitgangspunten wordt een aantal debatten gevoerd met de sector.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 6
In de beleidsfase wordt het beleid vastgelegd in de Hoofdlijnen 2021
2024 die door de gemeenteraad wordt vastgesteld.
"In dit Kunstenplan is in deze fase een wijziging in het systeem doorgevoerd
door toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis.
"In de beleidsfase worden kaders en criteria voor beoordeling vastgelegd en er
zijn indieningsvereisten, zoals de instapeis voor diversiteit en inclusie.
Vervolgens komen we in de adviseringsfase:
"Aanvragers gaan met de beleidskaders aan de slag, interpreteren deze en
formuleren hun plannen.
» Daarna zijn het de adviescommissies die de beleidscriteria en procedure
toepassen op de aanvragen en dit verwerken in adviezen.
Na de advisering volgt de besluitvormingsfase:
= Deze omvat het besluit over de Amsterdam Bis door het college.
"Aanvragers bij het AFK krijgen een toekenning of afwijzing via het fonds.
= Daarna volgt de vaststelling van het Kunstenplan door de gemeenteraad.
=_Tot slot kan er ook sprake zijn van bezwaarprocedures van culturele
instellingen; zowel bij het AFK, als bij de gemeente.
1.2. Opdrachtformulering
Gemeente Amsterdam heeft haar vraagstelling in een 21-tal hoofdvragen
geformuleerd (zie Bijlage I). Een groot aantal vragen betreft het procedurele
verloop. Deze beantwoorden we per fase die wordt doorlopen (zie ook het model
van pagina 6).
Ontwerpfase
"Hoe verliep het proces van de ontwerpfase?
= Welke rol speelde de evaluatie van het voorgaande Kunstenplan?
= Wat was de rol en inbreng van de betrokken stakeholders?
Beleidsfase
"Hoe zijn de procedure, de criteria en de samenstelling van de Amsterdam Bis
tot stand gekomen?
=_In hoeverre was deze totstandkoming transparant? a
= Hoe zijn de Ontwikkelregeling en de budgetten bij het AFK tot stand gekomen? ee
Adviseringsfase en
= Hoe verliep het proces van de aanvraagprocedures in de adviseringsfase? 3
= Hoe is het proces rond de instapeis op diversiteit en inclusie als onderdeel van @
de aanvraagprocedure verlopen, inclusief de nulmeting?
=__Hoe zijn de actieplannen diversiteit en inclusie meegewogen bij de beoordeling
van de aanvragen?
Besluitvormingsfase
"Hoe verliep het proces van besluitvorming, inclusief ingediende moties en
amendementen, tegen de achtergrond van de beleidsthema’s voor cultuur?
= Wat waren de rollen van het college en de gemeenteraad?
= Welke rol speelde de adviezen van de Kunstraad bij het Kunstenplan?
= Hoe is de inrichting en subsidiëring van cultuureducatie tot stand gekomen?
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 7
= Welke rol speelde de coronasteun voor de culturele sector het debat over het
Kunstenplan?
= Hoeveel bezwaren zijn ingediend bij de gemeente en het AFK, hoe zijn deze
afgehandeld en met welk resultaat?
Naast vragen ten aanzien van het procedurele verloop komen er ook een aantal
inhoudelijke onderwerpen ten aanzien van het resultaat:
= Wat is het effect van de toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis?
= Wat heeft de instapeis op het gebied van diversiteit en inclusie opgeleverd?
= Wat is de verdeling naar disciplines en stadsdelen (inclusief budgetten) van de
instellingen in het Kunstenplan 2021-2024?
= Watis het effect van het Kunstenplan 2021-2024 op de sector als geheel?
=_Is er sprake van één samenhangend Kunstenplan dat bestaat uit instellingen in
de Amsterdam Bis (op naam en op functie) en instellingen bij het AFK?
Voor de evaluatie van de administratieve lastendruk (motie van het lid De Grave-
Verkerk) wordt gevraagd om te kijken naar de lastendruk bij culturele instellingen
en indien nodig aanbevelingen te doen voor een verlichting hiervan.
1.3. Leeswijzer
Blueyard heeft de vragen voor de evaluatie vertaald naar 3 hoofdonderwerpen:
=De integraliteit van het Kunstenplan
«Het proces van de totstandkoming van het Kunstenplan
"Aandacht voor een aantal beleidsthema’s en eerste ervaringen hiermee
Integraal Kunstenplan
In het eerste deel van deze evaluatie besteden we aandacht aan de integraliteit van
het Kunstenplan. We staan stil bij een aantal zaken die hierop van invloed zijn.
Daarbij kijken we zowel naar de opzet van het stelsel in Amsterdam als de
uitwerking ervan in criteria, kaders en richtlijnen. Daarbij gaan we in op de
effecten van de toevoeging van functies aan de Amsterdam Bis, de gehanteerde
beoordelingskaders en de verschillen in werkwijze tussen het AFK en de
Kunstraad (hoofdstuk 2).
Procesverloop a
In deel twee van de evaluatie zoomen we in op het proces. We beschrijven de ee
verschillende stappen die zijn gezet en doel en uitvoering van de verschillende ef
onderdelen in het proces. We kijken of in elke fase waarde wordt toegevoegd aan |
het proces door een of meerdere nieuwe elementen, zoals een advies of een debat. ma
Daarnaast kijken we naar het samenspel van actoren, ieders rol, taak en
verantwoordelijkheid. We evalueren de afstemming tussen de actoren en kijken of
de planning gehaald is. We analyseren of deze cyclus leidt tot een gedragen,
transparant, effectief en efficiënt proces (hoofdstuk 3, 4, 5 en 6).
Beleidsthema'’s en eerste ervaringen
In het derde deel van de evaluatie kijken we naar hoe het gerealiseerde
Kunstenplan aansluit bij het vastgestelde beleid. We richten ons daarbij op de
belangrijkste beleidsthema’s uit de vraagstelling: diversiteit en inclusie en
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 8
spreiding. De nulmeting voor diversiteit en inclusie levert direct een eerste beeld
op. We evalueren hoe het voornemen voor meer spreiding van cultuur over de stad
zich vertaald heeft in beleid, criteria en tot welke resultaten dit heeft geleid. We
kijken naar de inrichting en werking van het Cluster Cultuureducatie, de
systematiek van beoordeling, de gedane ingrepen en de wisselwerking van het
cluster Cultuureducatie met het Kunstenplan en met het onderwijs (hoofdstuk 7).
Conclusies en aanbevelingen
Tot slot besluiten we de evaluatie met de belangrijkste conclusies. Deze voorzien
we van een aanbeveling. We presenteren de conclusies en aanbevelingen in
dezelfde opbouw als de drie hoofdonderdelen van het rapport (hoofdstuk 8).
1.4. Methode van onderzoek
De methode voor deze evaluatie is vooraf meegegeven in de opdrachtformulering
en verwerkt in onze aanpak. Deze paragraaf biedt een korte omschrijving van de
gebruikte methodiek. In Bijlage I wordt deze in meer detail beschreven.
Via deskresearch namen wij kennis van de relevante stukken. Daarnaast voerden
we een groot aantal gesprekken; zowel met medewerkers van de gemeente, als met
een vertegenwoordiging van gemeenteraadsleden, de wethouder, een
vertegenwoordiging van de Amsterdamse culturele instellingen (ACI) en het AFK
en de Amsterdamse Kunstraad. Om de evaluatie ook in een landelijke context te
kunnen plaatsen, spraken we met OCW, de (voormalige) directie van Fonds
Podiumkunsten en de directie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
Onder alle aanvragers is een enquête uitgezet. Tegelijk met deze enquête liepen er
andere enquêtes en raadplegingen vanuit het AFK en de ACI. Om overvraging te
voorkomen hebben wij gekozen de enquête zo beknopt mogelijk te houden. De
respons op onze enquête bedroeg 54 procent.
En uiteraard is er geput uit de kennis en ervaring van gehanteerde procedures, die
het Blueyard team tijdens relevante projecten heeft opgedaan. Zo zijn recente
evaluaties voor onder meer Gemeente Utrecht, Provincie Friesland en van eerdere
sectoranalyses, deelname in beoordelingscommissies en het schrijven van Ee
beleidsadviezen van meerwaarde geweest voor dit evaluatietraject. <<
ù
Om ons scherp te houden op opzet en inhoud hebben wij overleg gehad met een mi
door de gemeente ingestelde begeleidingscommissie, bestaande uit Ernestine @
Comvalius en Anna Elffers. Zij hebben de (tussentijdse) rapportage meegelezen.
Nota Bene: Voor de analyse van verdeling en spreiding over de stad is ingezet op
het gebruik van de verzamelde gegevens uit de aanvragen. Deze bleken voor de
aanvragers voor de Amsterdam Bis niet beschikbaar te zijn. Deze gegevens worden
beheerd door de gemeente, maar konden niet tijdig geleverd worden. Daarom
doen we hierover geen uitspraken in deze evaluatie. We verwijzen naar de
deelanalyse die het AFK heeft gemaakt in haar inleiding op de besluiten.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 9
1.5. Een definitiekwestie
Vooraf vragen we aandacht voor een definitiekwestie. We constateren dat het
gebruik van de term Kunstenplan leidt tot verwarring en door de verschillende
spelers op verschillende wijze wordt gebruik. Soms duidt Kunstenplan op het
totaal aan regelingen voor kunst en cultuur, soms alleen op de 4-jarig
gesubsidieerden, soms gaat het over de nota die Kunstenplan heet.
Figuur 1: Weergave van wat er onder Kunstenplan valt, en wat niet
nationaal
/ Cluster Ontwikkel-
q ek Cultuureducatie Lie VE
game Kunstenplan
(Gelijke criteria) ie
Vv regelingen
Stadsdelen: Gebied
gebonden activiteiten
lokaal (Grotere) instellingen << dynamiek > Makers en nieuw initiatief
* Het AFK kent naast projectregelingen ook activiteiten, zoals 3Package Deal, City Company
Crowd, Amsterdamprijs, Cultuurlening etc.) die bijdragen aan de dynamiek buiten het
Kunstenplan.
De vraagstelling van de opdrachtgever van deze evaluatie richt zich op het proces
en de regelingen voor 4-jarige subsidies, zowel binnen de Amsterdam Bis (op
naam en op functie) als bij het AFK. We volgen deze vraagstelling. We refereren
soms ook naar andere regelingen, maar alleen wanneer deze relevant zijn in het
licht van deze evaluatie. Wanneer we in deze evaluatie spreken over het
Kunstenplan, verwijzen we naar de regelingen voor 4-jarige subsidies. Wanneer
we spreken over de nota Kunstenplan, dan geven we dat expliciet aan. We Ee
schrijven regelmatig over de gemeente. Hiermee bedoelen we de afdeling Kunst & el
pd
Cultuur. Wanneer we het college van burgemeester en wethouders of de Ll
gemeenteraad bedoelen, dan geven we dat expliciet aan. me
Vertrekkend vanuit een brede vraagstelling met de opdracht een uitvoerig proces
en een complex systeem te evalueren, is het een omvangrijk rapport geworden. We
ontkomen er daarbij niet aan om gebruik te maken van vaktermen. We zijn ons
ervan bewust dat dit een bepaalde mate van kennis en inzet vraagt van de lezer.
Dank daarvoor.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 10
2. Integraal Kunstenplan
Amsterdam streeft naar een integraal Kunstenplan. Daar is geen definitie van, we
leiden daarom uit de documentatie de volgende kenmerken af. Er is één
beleidsvisie voor alle instellingen die 4-jarige subsidie willen aanvragen. Deze visie
Is vertaald in beleidsdoelstellingen. Die zijn weer vertaald naar
beoordelingscriteria, die weer zijn uitgewerkt met subcriteria. Het doel hiervan is
dat alle aanvragen aan de hand van dezelfde criteria worden beoordeeld. De
gemeente formuleert het als volgt: “Alle aanvragen, van zowel de instellingen die
zijn aangewezen in de Amsterdam Bis, de instellingen die inschrijving op functies
in de Amsterdam Bis en de instellingen die een aanvraag indienen voor de
regeling 4-jarige subsidies van het AFK, worden beoordeeld op deze criteria”?
Amsterdam Bis en overige aanvragers
Amsterdam heeft het Kunstenplan ingedeeld in twee delen: een Amsterdam Bis en
een deel overige aanvragers, waarbij de Kunstraad oordeelt over de Amsterdam
Bis aanvragen en het AFK over de overige aanvragen. Ongeacht een plek in de
Amsterdam Bis of bij het AFK, zouden aanvragers ervan op aan kunnen dat het
beleid voor iedereen geldt. In de evaluatie van de vorige periode (2017-2020) werd
geconcludeerd: er is één integrale visie en twee uitvoerders. Dat geldt ook voor
deze periode. Tussen de uitvoerders zijn verschillen, zoals in de richtlijnen voor
het ondernemingsplan, de nadere uitwerking en toepassing van de
beoordelingskaders. Daarnaast hanteerden de Kunstraad en het AFK ieder een
eigen werkwijze voor de beoordeling. In dit hoofdstuk gaan we in op het effect van
de verschillen op de integraliteit van het Kunstenplan.
Er zijn andere aspecten die als onderdeel gezien kunnen worden van een integraal
Kunstenplan. Zoals de samenhang tussen de 4-jarige regeling, de 2-jarige regeling
en de projectsubsidies. Door deze op elkaar af te stemmen wordt onder meer de
toetreding tot het Kunstenplan gefaciliteerd. Daarnaast kan het gaan over de
samenhang van beleid tussen centrale stad en stadsdelen. Dit onderwerp
behandelen we in 7.3. ee
pd
Ll
Ontwikkeling van het Kunstenplan |
Als context beschrijven we kort de ontwikkeling van het Kunstenplan tot nu. a
= Tot 2013 oordeelde de Kunstraad over alle aanvragen binnen het Kunstenplan.
Het AFK had als taak het verstrekken van diverse projectsubsidies.
=_In 2013-2016 waren er benoemingen op naam, benoemingen op functie en was
er een Vrije ruimte. Beoordelingen werden gedaan door de Kunstraad. Het AFK
had als taak het verstrekken van diverse projectsubsidies.
=_ In 2017-2020 kwam er een Amsterdamse Bis op naam en werd het AFK — als
zelfstandig fonds op afstand — belast met uitvoering van de 4-jarige regeling
2 Hoofdlijnen, p. 87.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 11
voor alle overige aanvragers. Amsterdam werd met de meeste culturele
instellingen — en veel overlap met de landelijke Bis — de enige gemeente met
een Bis.
= Voor 2021-2014 is er een Amsterdam Bis op naam, een Amsterdam Bis op
functie en is het AFK belast met de uitvoering voor de overige aanvragers.
Het landelijk stelsel
Een stelsel met een basisinfrastructuur en een fonds is deels vergelijkbaar met het
landelijke stelsel, waarbij de Raad voor Cultuur oordeelt over de Bis en de
Rijkscultuurfondsen over de overige aanvragers. Het verschil is echter dat beide
delen niet gezien worden als een integrale benadering. Het zijn verschillende
beleidsinstrumenten in een bestel, met eigen werkwijzen en beoordelingscriteria.
Figuur 2: Weergave integraliteit van het Amsterdamse Kunstenplan 2021-2024
Eén beleidsvisie
vier hoofddoelstellingen
groei van kunst en cultuur meer ruimte voor verbreding van versterking van
in de wijken en meer experiment, innovatie cultuureducatie, talent- internationale
aandacht voor makers en de nachtcultuur ontwikkeling en participatie kunst en cultuur
vier beleidscriteria
artistiek belang belang voordestad uitvoerbaarheid diversiteit en inclusie
Cluster Cultuureducatie
Uitzonderingspositie: Beoordeling door AFK,
besluitvorming door Gemeente
—_________ tweeuitvoerders
AFK Kunstraad
a]
5 n n n n n 1
veen ezel fd 133 op ute <
[M
Eigen regeling en Beoordelingskader — |
KOT erge ond Hete TR publicatie na vaststelling ca
Hoofdlijnen Hoofdlijnen
Nadere specificatie van Integrale overname van
beleidscriteria uit de Hoofdlijnen, beleidscriteria uit de
op voordracht van het AFK Hoofdlijnen
vastgesteld door de gemeente
Zelfstandige Besluitvorming door
besluitvorming Kete) ES
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 12
2.1. Amsterdam Bis in twee delen
De belangrijkste wijziging in het Kunstenplan 2021-2024 is de toevoeging van
functies aan de Amsterdam Bis. Daarmee creëert de gemeente een Amsterdam Bis
met twee delen. En nieuwe verschillen, wat de integraliteit van het Kunstenplan
lastiger maakt om te realiseren. De gemeente motiveert deze ingreep in de
Hoofdlijnen; in de basisinfrastructuur komt ruimte voor kleine en middelgrote
instellingen die een voortrekkersrol vervullen ten aanzien van de
beleidsdoelstellingen, vooral in het maken van een verschil in het realiseren van
een open en inclusief aanbod van kunst en cultuur in Amsterdam.
Voorbeeldfunctie, vernieuwing en meer zekerheid
De wethouder benadrukt in een gesprek dat door deze instellingen op te nemen in
de functies, zij vernieuwing toevoegt aan de Amsterdam Bis en dat de instellingen
een voorbeeldfunctie krijgen voor anderen. Een meer gelijkwaardige positie voor
de instellingen in de functies ten aanzien van die op naam, zou moeten leiden tot
een meer vanzelfsprekende samenwerking en uitwisseling van kennis, met name
op het onderwerp diversiteit en inclusie. Bovendien is de ingreep gedaan opdat
instellingen in de functies meer zekerheid krijgen in de Amsterdam Bis.
Een nieuwe strategische Bis
De gemeente baseert de ingreep met functies in de Amsterdam Bis mede op advies
van de Kunstraad. In de Verkenning 2019 stelt de Kunstraad dat de Amsterdam
Bis flexibel, dynamisch en institutioneel moet zijn. De Kunstraad pleit voor een
nieuw en ander fundament onder de culturele infrastructuur. Gebaseerd op
strategische keuzes waarmee beleidsdoelen worden geborgd, zoals inclusie,
representatie, internationale excellentie, talentontwikkeling, educatie, experiment
en innovatie, technologische kunst en community art. Met deze strategische Bis
stelt de Kunstraad impliciet de bestaande selectiecriteria3 voor de Amsterdam Bis
ter discussie.
In het latere advies over de samenstelling van de Amsterdam Bis werkt de
Kunstraad haar visie op een strategische Bis verder uit. Daarin wordt geadviseerd
om niet meer de selectiecriteria voor de Bis te hanteren, maar uit te gaan van een
a]
nd
ee <<
3 Bij de introductie van de Amsterdam Bis zijn selectiecriteria geformuleerd waar instellingen in ef
de Amsterdam Bis op naam aan moeten voldoen. De criteria zijn voor 2021-2024: Voor de
instellingen die op naam worden aangewezen in de Amsterdam Bis geldt dat ze: artistiek- ca
inhoudelijk zeer goed presteren; een belangrijke rol spelen binnen de culturele infrastructuur
van Amsterdam en een cruciale schakel vormen binnen de culturele ketens; een groot aanzien
hebben in Amsterdam, nationaal en internationaal; zakelijk goed presteren en de Governance
Code Cultuur toepassen; een voorbeeldfunctie vervullen als cultureel ondernemer, onder meer
op het gebied van goed werkgeverschap (Fair Practice Code); een substantieel publiek bereiken
en zich inzetten voor het bereiken van nieuwe publieksgroepen; structureel verbonden zijn met
andere organisaties en initiatieven binnen de kunst- en cultuursector en verantwoordelijkheid
nemen voor culturele ketens én zicht hebben op cultuureducatie en/of talentontwikkeling en/of
cultuurparticipatie binnen de discipline en daaraan vanuit de eigen organisatie een belangrijke
bijdrage leveren.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 13
aantal vereisten die aan de Amsterdam Bis als geheel worden gesteld. Met als
aanvulling dat instellingen niet aan alle vereisten hoeven te voldoen.
"De A-Bis is goed gespreid over de stad en biedt ruimte aan alle disciplines.
=De A-Bis bevat internationale topinstellingen
=De A-Bis bevat funderende instellingen
=De A-Bis sluit aan op het landelijk beleid
=De A-Bis is representatief voor de beleidsdoelstellingen 2021-2024
2.2. Verbinding met beleidsdoelstellingen
Het advies is niet in deze vorm opgevolgd. In de Hoofdlijnen neemt de gemeente
een aspect over. “Het gemeentebestuur kan zich deels vinden in het advies van de
kunstraad en ziet belangrijke aanknopingspunten voor aanpassing van de
Amsterdam Bis in de nieuwe Kunstenplanperiode. Daarbij gaat het vooral om de
verbinding met de beleidsdoelstellingen gericht op inclusie en vernieuwing,
waardoor de Amsterdam Bis meer vernieuwingskracht krijgt.”
Het is de hierboven genoemde verbinding met beleidsdoelstellingen waar wij
vraagtekens bij zetten. Niet omdat er iets tegen het pleidooi is voor een meer
representatieve en inclusieve Bis. Maar wel omdat we willen wijzen op een risico
voor het systeem. De verbinding met beleidsdoelstellingen kan een zwak punt in
het stelsel zijn. We lichten dat onderstaand toe waarbij we stilstaan bij de werking
van een basisinfrastructuur en het systeemrisico dat we zien.
Funderend maar open
Voorwaarden om onderdeel van een Bis te zijn (landelijk of in Amsterdam), gaan
vooral uit van de functionele kenmerken van culturele voorzieningen of een
voorzieningenniveau. Daarnaast kunnen er spreidingskenmerken zijn van het
aanbod in de keten, over disciplines of in geografie. Er wordt een basis beschreven
voor een continue infrastructuur van culturele voorzieningen (functies).
De bedoeling van een Bis is dat het meer zekerheid biedt voor instellingen die er
onderdeel van zijn, ondanks een vierjaarlijkse beoordeling. Tegelijkertijd is een
Bis nooit in beton gegoten. Er kunnen instellingen bijkomen of afvallen, zoals in
de landelijke Bis af en toe gebeurt. Dat veroorzaakt altijd veel ophef en gaat niet a
zonder slag of stoot. ee
Ù
Een Bis is in principe een funderend maar open systeem. Waarbij het wel mogelijk |
Is om het functionele voorzieningenniveau aan te passen, zoals ook in de en
landelijke Bis is gebeurd, met de uitbreiding naar nieuwe disciplines.
Systeemrisico
We zien een systeemrisico in het benoemen van beleidsdoelstellingen per
Kunstenplan als systeemvereiste voor de Amsterdam Bis. Hierdoor wordt de Bis
onderhevig aan periodiek variabele invloeden. In de beleidsdoelstellingen zit de
bestuurlijke ruimte om prioriteiten te stellen. Die kunnen in principe elk
4 Hoofdlijnen, p. 75.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 14
Kunstenplan variëren. Nu zal de aandacht voor diversiteit en inclusie van
blijvende aard zijn. Maar wellicht komt er naast diversiteit en inclusie, meer
aandacht voor bijvoorbeeld de ecologische voetprint of sociale cohesie. Dat geeft
dan een veranderende invloed op wat eigenlijk de basis is voor een culturele
infrastructuur. Het kan de onderbouwing van wat tot de Amsterdam Bis behoort
erg breed maken. Het kan daarmee ook leiden tot meer en meer onduidelijke
grensgevallen.
Ondanks dat beleidsdoelstellingen in de praktijk doorgaans vrij constant zijn, zien
we de verbinding als een technisch gezien onnodig risico. De beleidsdoelstellingen
worden — vertaald in de criteria — immers ook gebruikt om iedere aanvrager te
beoordelen. Door beleidsdoelstellingen te verbinden als systeemvereiste, krijgen
deze een dubbele werking: als beoordelingscriterium en als systeemcriterium. De
kracht van een beoordelingscriterium wordt daarbij bepaald door de toepassing
ervan in de feitelijke beoordeling: streng of soepel.
Nogmaals, we zien diversiteit en inclusie als vaste waarde. Het doel van de
gewenste vernieuwing van de Amsterdam Bis als krachtige boodschap is
begrijpelijk en invoelbaar. Wij zien de gekozen oplossing echter als risico voor een
duurzaam funderend maar open systeem. Daarnaast kunnen (variabele)
doelstellingen niet de gezochte mate van zekerheid geven van een plek in de
Amsterdam Bis.
Een alternatief was bijvoorbeeld geweest om diversiteit en inclusie op te nemen als
een van de vereiste criteria om onderdeel te kunnen zijn van de Amsterdam Bis.
Of, zoals hierboven gesuggereerd, een strengere beoordeling op diversiteit en
inclusie. Deze oplossing is bijvoorbeeld gekozen in de gemeente Utrecht (waar
geen Bis is).
2.3. Functies als voorbeeld
De functies vormen een nieuwe categorie in de Amsterdam Bis. Hierin werden
instellingen benoemd die nog niet in de Amsterdam Bis zaten en “een
voortrekkersrol vervullen bij het realiseren van de beleidsdoelstellingen in de
nieuwe Kunstenplanperiode en zich hier in de afgelopen periode ruimschoots a)
hebben bewezen.”5 ee
pd
Ll
Met het instellen van de functies gaat de gemeente mee in het voorstel van de |
Kunstraad om benoeming op beleidsdoelstellingen mogelijk te maken. Het De
alternatief zou zijn geweest om het advies niet over te nemen. Dit vanwege de
juridische belemmeringen die later bleken te bestaan bij het voornemen om 36
benoemingen op naam op te nemen in de Amsterdam Bis, als vernieuwingsslag.
We komen hierop terug in 3.5.
Met de functies op beleidsdoelstellingen wordt het toch mogelijk om de gewenste
vernieuwing in de Amsterdam Bis door te voeren. De functies kunnen daarom ook
5 Hoofdlijnen p. 75.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 15
worden gezien als noodzakelijke ingreep om het advies van de Kunstraad deels op
te volgen. Over de overige vereisten die de Kunstraad voorstelt (zie 2.1), spreekt de
gemeente zich niet uit. De selectiecriteria voor de benoemingen op naam, blijven
daardoor van kracht.
In de benoeming van de instellingen op de functies was het advies van de
Kunstraad doorslaggevend. Wat naar onze mening onduidelijk is, is wat precies de
beoordelingscriteria zijn, die doorslaggevend zijn voor toelating tot een functie.
Voor de functies gelden niet de criteria zoals die voor de Bis op naam®. Was dit
voor de Bis op functie de voortrekkersrol, en zo ja hoe is die beoordeeld? Waarom
past de ene instelling wel binnen de onderbouwing zoals gegeven aan het begin
van deze paragraaf, en waarom een andere niet? De benoeming op voortrekkersrol
in een functie veronderstelt een duidelijk onderscheid met de afvallers. Terwijl het
verschil tussen de best beoordeelde en de runner up niet groot hoeft te zijn. Deze
kan net zo goed een voorbeeldfunctie hebben, maar krijgt daarvoor niet de
erkenning en zelfs een afwijzing.
Wij zien nog een nadelig (imago-)effect van de functies. Door voorbeeldstellende
instellingen te benoemen in de Bis, wordt de suggestie gewekt dat er een
kwaliteitsverschil is tussen de Bis en de overige aanvragers bij het AFK. In de
sector wordt over de tweedeling in het Kunstenplan ook wel gesproken als een
Amsterdam Bis met A-kwaliteit en de overige instellingen met B-kwaliteit.
2.4. Verschillen in beoordeling
Het uitgangspunt bij de integraliteit is dat er één beleid is en twee uitvoerders. De
Kunstraad en het AFK stellen op basis van de criteria in de Hoofdlijnen een
beoordelingskader op. Het beoordelingskader van de Kunstraad is gepubliceerd
kort na de vaststelling van de Hoofdlijnen. Het AFK werkt een beoordelingskader
uit in de Regeling Vierjarige subsidies AFK Kunstenplan 2021-2024 en de
Toelichting bij de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2021-2024. De
regeling is onderdeel van de Hoofdlijnen en opgenomen in de bijlagen ervan. Deze
Is dus tegelijk met de Hoofdlijnen vastgesteld door de gemeenteraad.
De Kunstraad neemt uit de Hoofdlijnen de criteria en de uitwerking ervan één-op- a)
één over. Het AFK werkt de criteria nog nader uit en is in een aantal gevallen ook ee
specifieker over de invulling van een criterium dan de Kunstraad. Voorbeelden ef
hiervan zijn de meer specifieke eisen aan spreiding, het accent op stedelijke |
thema’s, de beoordeling op uitvoerbaarheid en de nadruk op culturele diversiteit ca
binnen het criterium diversiteit en inclusie.
Het AFK en de Kunstraad hanteren net andere richtlijnen voor het
ondernemingsplan, hoewel ze daarin beide de criteria volgen. Ook de ingediende
plannen verschillen dus in opzet omdat ze net een ander stramien volgen.
6 Hoofdlijnen, p. 77.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 16
Andere instellingen, ander kader
Hoewel gebaseerd op hetzelfde beleid, zijn de kaders waarmee de uitvoerders aan
de slag gaan verschillend. Is dit wenselijk? Nee, als integraal betekent dat
aanvragers op een gelijke manier en langs dezelfde meetlat beoordeeld moeten
worden. Ja, als er verschillen tussen groepen aanvragers mogen zijn. Een beetje
van beiden, als er een bepaalde mate van gelijke boordeling dient te zijn, met de
mogelijkheid van accentverschillen.
Een verschil in beoordelingskader kan ook recht doen aan de verschillen tussen
groepen instellingen, zoals in een Bis of daarbuiten. Het kan daarmee een gerichte
en dus een kwalitatief betere beoordeling opleveren. Mits de beoordelingskaders
zijn afgestemd op de typen aanvragers. Dat hebben we binnen de reikwijdte van
deze evaluatie niet kunnen onderzoeken.
Andere werkwijze
Het verschil in werkwijze tussen de Kunstraad en het AFK komt, naast het verschil
in doelgroep, voort uit het verschil in positie. De Kunstraad legt een advies voor
aan het gemeentebestuur, die daar vervolgens een politiek besluit over neemt. Het
AFK adviseert en besluit zelf over de aanvragen. Het besluit is gestoeld op een
gelijk speelveld, de criteria in de regelingen en de ingerichte procedure. Om de
procedure en de uitkomst ervan transparant, uitvoerbaar en juridisch houdbaar te
maken, heeft het AFK een zorgvuldige werkwijze opgezet. Dat is nodig omdat
onder de aanvragers van het AFK meer nieuwkomers of kleinere (kwetsbare)
instellingen vallen, wat zorgt voor dynamiek: in- en uitstroom. Dat leidt tot
kritische besluiten die goed onderbouwd moeten worden, op basis van een
transparante procedure en specifieke criteria. Het risico op bezwaren is hier
groter. In de Bis zitten andere instellingen omdat ze apart geselecteerd zijn. In de
Bis op naam zitten overwegend instellingen met een langlopend trackrecord.
Daarin is weinig dynamiek. Dat geeft minder risico op bezwaarprocedures en dus
minder noodzaak voor een gedetailleerd uitgewerkte beoordelingsprocedure. De
adviezen van de Kunstraad zijn over het algemeen meer globaal geformuleerd.
Verschil van inzicht
Hoewel de regeling en de toelichting van het AFK in overleg met de gemeente tot a
stand zijn gekomen en door de gemeenteraad zijn vastgesteld, heeft de gemeente nd
ook twijfels geuit. Bijvoorbeeld over de specificatie van diversiteit en inclusie naar {
een nadruk op culturele diversiteit. Voor het AFK betekent een nadere uitwerking en)
een transparante, uitvoerbare en juridisch houdbare procedure. Uiteindelijk is de Fr
gemeente daarmee akkoord gegaan.
2.5. Samenhang tussen regelingen
Bij het AFK zijn er diverse regelingen die instellingen in staat stellen om te groeien
van projectfinanciering, naar 2-jarige en vervolgens 4-jarige financiering. Er was
tot 2021 een regeling voor innovatie. Deze zou met de tweejarige regeling
samengevoegd worden in de regeling Innovatie & Ontwikkeling. Er kwam echter
alleen een Ontwikkelregeling als voortzetting van de 2-jarige regeling. Het budget
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 17
voor de innovatieregeling is in de besluitvorming over het Kunstenplan 2021-2024
toegevoegd aan het 4-jarig budget om extra toekenningen te kunnen doen.
De lijn om te groeien van regeling naar regeling bestaat sinds 2017 en is succesvol.
Het AFK behandelde voor de huidige periode 206 aanvragen voor de 4-jarige
regeling, waarvan er 54 (26%) voor het eerst aanvroegen. Hiervan kwamen er 15
uit de 2-jarige regeling en daarvan werden er 10 gehonoreerd. Het
slagingspercentage van deze groep (67%) is hoger dan dat van overige nieuwe
aanvragers. Van deze 39 nieuwe aanvragers werden er 18 gehonoreerd: een
slagingspercentage van 46%.
Toenemende concurrentie
Wij denken overigens dat Amsterdam er goed aan doet te reflecteren op de mate
van dynamiek in de zin van in-, door- en uitstroom. Dynamiek is in zichzelf
gezond voor het aanbod. Het is bovendien inherent aan het verdelen van schaarse
middelen over culturele instellingen, dat er nieuwkomers en uitvallers zijn.
Echter, dynamiek als doel kan ook leiden tot een hogere drempel en
kapitaalvernietiging. Zeker in de context van een gelijkblijvend cultuurbudget in
een groeiende en meerpolige stad. Door de groeiende vraag en een stagnerend
budget neemt de concurrentie om schaarse middelen toe. En die is al behoorlijk
omdat er binnen de groep aanvragers bij het AFK al gevestigde instellingen zitten
die een voorsprong hebben met een goede positie in het kunstenveld. Door
toenemende concurrentie moeten steeds scherpere keuzes worden gemaakt en
wordt de inzet die nodig is om de subsidie daadwerkelijk te verkrijgen steeds
groter. Met als effect dat de drempel steeds hoger wordt. En de kans groter wordt
dat instellingen vroegtijdig uit de ingroeilijn van regelingen vallen. Bijvoorbeeld
omdat er te weinig tijd is om zich te bewijzen.
a]
na
Ll
=
(aa)
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 18
3. Proces: Ontwerpfase
3.1. Planning
De stappen die de gemeente onderscheidt in deze fase zijn:
=De evaluatie van de voorgaande periode (2017-2020).
=De Verkenning die de Kunstraad opstelt als stand van zaken in de sector.
"Het opstellen van de Contourennota en het debat daarover met de sector.
De ontwerpfase wordt voorafgegaan door de evaluatie van de afgelopen periode.
Die verscheen in maart 2018. De eerste inhoudelijke stap is de opdracht van de
gemeente aan de Kunstraad voor het uitvoeren van de Verkenning op 19 oktober
2018. De ontwerpfase sluit na de laatste input voor het vaststellen van de
Hoofdlijnen. In dit geval het advies van de Kunstraad over de samenstelling van
de ‘A-Bis’, dat verscheen op 5 juli 2019.
AKR ADVIES
VERKENNING AKR CONTOUREN A-BIS
UITBREIDING
EVALUATIE OPDRACHTBRIEF | NE
KP 17-20 ; VERKENNING VERKENNING DVIES MAIS
© ö © © © @ ©
mrt. 18 apr. 18! okt. 18 nov. 18 dec. 18 jan. 19 feb. 19 mrt. 19 apr. 19 mei 19 jun. 19 jul. 19 aug. 19
AKR ADVIES
ld: EN INCLUSE
SECTORDEBAT 3
We hebben niet kunnen vaststellen of en in welke mate de planning is
gerealiseerd. Er blijkt geen planning voor deze fase te zijn. In de voorbereiding van
de voorgaande periode verschenen de Contouren in maart. Nu was dat mei. Dat
kan een indicatie zijn van een vertraging. Daarnaast zien we in deze fase dat de
tussentijdse adviezen van de Kunstraad, met betrekking tot het Kunstenplan, nog
geen plek hebben in de stappenplanning. a
na
. KN
3.2. Evaluatie 2017-2020 ef
De evaluatie van 2017-2020 stond in het teken van het nieuwe stelsel dat werd |
doorgevoerd, met de introductie van de “A-Bis’ en de nieuwe rol voor het AFK. en
Discussie over grensgevallen
In de evaluatie 2017-2020 wordt geconcludeerd dat het AFK en de Kunstraad in
hun nieuwe rol goed gefunctioneerd hebben. Verder concludeert de evaluatie dat
de knip tussen directe politieke verantwoordelijkheid en de politiek op afstand
verdedigbaar is op basis van de selectiecriteria voor de Bis op naam, maar ook
leidt tot discussie over de grensgevallen. Wie komt er in de Bis en wie net niet?
In deze periode was er ook discussie, zoals over benoemingen in de Bis op functie
en in de gemeenteraad over instellingen die tussen wal en schip kwamen. De
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 19
grensproblematiek bestaat nog steeds en is inherent aan het opdelen van het
stelsel.
Één integrale visie en twee uitvoerders
Over de integraliteit wordt geconcludeerd dat er sprake is van één integrale visie
en twee uitvoerders. Met als aanbeveling dat meer samenwerking in de driehoek
gemeente, AFK en Kunstraad belangrijk is om de integraliteit te waarborgen.
Deze aanbeveling is opgevolgd door meer structureel overleg te organiseren en
nauwer samen te werken. Uit onze gesprekken met de partijen in de driehoek
blijkt dat zij allen positief zijn over de samenwerking en constateren dat deze beter
is geworden dan voorheen.
Rol van eultuurhuizen in de stadsdelen
De integraliteit is ook gezien als de samenhang tussen het beleid van de centrale
stad en dat van de stadsdelen. Met het nieuwe stelsel werden de cultuurbudgetten
van de stadsdelen voor meerjarige subsidies aan instellingen in het Kunstenplan
gecentraliseerd. De evaluatie 2017-2020 concludeert dat zonder dit eigen budget,
de stadsdelen meer afhankelijk worden van de cultuurhuizen in het stimuleren
van het lokale culturele klimaat. En dat die mogelijkheid voor stadsdelen zonder
cultuurhuis kleiner is.
In deze evaluatie gaan we in 7.3 in op de samenhang tussen beleid van de centrale
stad en de stadsdelen.
Meer dynamiek door nieuwkomers
In de voorgaande evaluatie werd geconcludeerd dat de invoering van de 2-jarige
regeling kan leiden tot meer dynamiek. Om dit te bevorderen is gesuggereerd
budget te verhogen en indieningsdrempels te verlagen. Die eerste aanbeveling is in
de praktijk niet overgenomen. Het budget bleef gelijk.
3.3. Verkenning 2019
Op 18 januari 2019 bracht de Kunstraad de Verkenning 2019 uit. Het hoort bij de
opdracht van de Kunstraad om tijdig een objectieve Verkenning op te stellen ter Ee
voorbereiding van de komende kunstenplanperiode?. ed
Ù
De gemeente stuurde op 19 oktober 2018 een opdrachtbrief voor de Verkenning. 3
“De Verkenning 2018 vormt een belangrijke basis voor het formuleren van beleid a
door het gemeentebestuur en dient als input voor de Hoofdlijnennota 2021-
2024.” Voor de gemeente heeft de Verkenning een beschouwende én adviserende
betekenis. De gemeente vroeg aan de Kunstraad om in te gaan op een aantal
specifieke thema’s, zoals diversiteit, ketenverantwoordelijkheid, doorstroom van
talent, cultuureducatie, groei van de stad, rol van de cultuurhuizen en fair practice.
In de opdracht vraagt de gemeente daarnaast naar advies op onderdelen voor het
7 Verordening op de Amsterdamse Kunstraad 2016.
8 Verkenning 2019, p. 127 (opdrachtbrief).
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 20
dan komende Kunstenplan. Zoals voor de mogelijkheden voor het realiseren van
nieuwe cultuurhuizen, de samenstelling van de Amsterdam Bis en over criteria
voor goed werk- en opdrachtgeverschap.
De Verkenning 2019 gaat in op bovenstaande onderwerpen. Opvallend is dat naar
aanleiding van de vraag van de gemeente over de samenstelling van de
Amsterdam Bis, de Kunstraad pleit voor een ander fundament onder de culturele
infrastructuur: een strategische Bis om beleid te borgen (zie 2,1 en 2.2). Dat is in
potentie een stelselwijziging en daarom een vergaand advies.
Opdracht als startpunt
Doordat de gemeente in de opdracht accenten meegeeft en op onderdelen advies
vraagt, zien wij de opdracht aan de Kunstraad als een startpunt voor het beleid.
Door de Verkenning worden eveneens onderwerpen op de kaart gezet. Het advies
over de samenstelling van de Bis is achteraf gezien het startpunt voor de
heroriëntatie op de Bis. Uit de gesprekken met ACI, AFK, Gemeente en Kunstraad
blijkt dat dit startpunt niet als zodanig wordt gezien en dat men eerder de
Contourennota zo ziet. Dat is het moment dat de gemeente een eerste aanzet geeft
voor de contouren van het beleid. Naar ons oordeel is de opdracht voor de
Verkenning wel degelijk een startpunt, omdat het een eerste aanzet is tot
beleidsaccenten.
Kritiek op de methodiek
Gesprekspartners zoals ACI en AFK plaatsen een kritische kanttekening bij de
Verkenning. Deze is volgens hen niet voor alle disciplines even herkenbaar of een
soms eenzijdige weergave. Wij begrijpen de kritiek maar constateren tegelijk dat
de Verkenning een zeer breed spectrum omvat van het culturele ecosysteem. Het
Is onmogelijk om alle nuances mee te nemen in een beperkte rapportage.
Wat de gesprekspartners, zoals ACI en AFK, een belangrijker kritiekpunt vinden is
dat de aanpak transparanter en vollediger kan. Er wordt in de Verkenning
verwezen naar gesprekken en overleggen, waarbij de stakeholders aangeven dat zij
die niet als verkennend of onderzoekend ervaren hebben. Ook kan het AFK meer
betrokken worden, Een meer methodische aanpak en verantwoording kan volgens
hen de Verkenning inzichtelijker, vollediger en transparanter maken, zodat ee
duidelijk is waarop bevindingen zijn gebaseerd en hoe deze tot stand zijn gekomen verf
in analyses, gesprekken en overleggen. Wij delen de constatering dat meer inzicht 2
in hoe de Verkenning tot stand is gekomen bijdraagt aan transparantie en ca
draagvlak.
Stand van zaken per discipline
De Verkenning levert een relevante bijdrage in het proces van de totstandkoming.
Er worden onderwerpen benoemd, uitgangspunten van de gemeente verkend en
dit alles komt terug in de Contouren. Bij de Verkenning vragen wij ons af wat de
verwachtingen van de Kunstraad, de sector, het AFK en de gemeente zijn bij de
meerwaarde van de disciplinebeschrijvingen. Deze geven — conform de opdracht —
een stand van zaken per discipline weer. Maar bevindingen uit deze beschrijvingen
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 21
worden niet vertaald in de Contouren of andere beleidsstukken. Wij zien het nut
van de beschrijvingen in, maar denken dat deze mogelijk effectiever zijn als van
tevoren duidelijk is wat de toegevoegde waarde moet zijn. Mogelijk kunnen de ACI
en het AFK ook aandachtspunten benoemen waar zij een onafhankelijk oordeel
van de Kunstraad over zouden willen zien.
3.4. Contouren Kunstenplan 2021-2024
In de Contouren van 14 mei 2019 noemt de gemeente een aantal uitgangspunten
voor het beleid. Deze zijn in lijn met onderwerpen uit de Verkenning en de
bestuurlijke reactie daarop. Voor het opstellen van de Contouren organiseerde de
gemeente enkele verkennende gesprekken en thematische bijeenkomsten. De
raadpleging van de sector over de Contouren vindt plaats in de debatten naar
aanleiding van de Contouren. In de evaluatie ligt daar de focus op.
Diversiteit en inclusie voor heel Amsterdam
Uit de Contouren blijkt direct het belang dat wordt gegeven aan diversiteit en
inclusie en aan spreiding van het aanbod door heel Amsterdam, inclusief de
benodigde cultuureducatie en -participatie. Daarmee geeft de gemeente ook gevolg
aan de visie uit het coalitieakkoord waarin inclusie en verbondenheid centrale
thema’s zijn. In de opdrachtbrief voor de Verkenning is diversiteit en inclusie
eveneens een belangrijk thema.
In de Contouren wordt duidelijk gesteld dat aanvragers als instapvereiste een
actieplan moeten opstellen voor diversiteit en inclusie. Daarnaast wordt goed
werkgeverschap genoemd en wordt er vooruitgeblikt op het voornemen om een
systeem van maatschappelijke huur in te voeren. Daarvoor is bijvoorbeeld eerst
inzicht nodig in de consequenties hiervan voor cultuurbeleid.
Contouren voor de Amsterdam Bis
In de Contouren reageert de gemeente op het pleidooi van de Kunstraad in de
Verkenning, voor een andere kijk op de Amsterdam Bis. De gemeente stelt dat zij
zich kan voorstellen dat op basis van nieuwe beleidsdoelstellingen enkele
instellingen aan de Amsterdam Bis worden toegevoegd of deze juist verlaten.
Daarbij houdt de gemeente tegelijkertijd vast aan de bestaande selectiecriteria a)
voor Amsterdam Bis-instellingen. “Kunst- en cultuurinstellingen komen in ee
aanmerking voor een positie in de A-Bis 2021-2024 indien ze voldoen aan alle ef
onderstaande criteria: … [hier somt de gemeente de selectiecriteria op |”. |
(aa)
Uit de wat ambigue reactie van de gemeente over de samenstelling van de
Amsterdam Bis, is af te leiden dat de gemeente open staat voor verandering van de
Amsterdam Bis, maar niet als het gaat om de selectiecriteria voor deze Bis. Er
wordt ook verwezen naar een advies van de Kunstraad dat zal volgen in juni 2019.
Als het advies verschijnt (op 5 juli 2019) — overigens gelijktijdig met het advies
van de Kunstraad over diversiteit en inclusie — blijkt wat de Kunstraad voor ogen
heeft bij een Bis met strategische keuzes op basis van beleidsdoelen.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 22
3.5. Samenstelling van de Bis
De Kunstraad presenteert alternatieve vereisten voor een Bis (zie ook 2.1) als
alternatief voor de selectiecriteria. Tot de nieuwe vereisten behoort ook de
verbinding met beleidsdoelstellingen. Aan de hand van alle vereisten komt de
Kunstraad tot een selectie van 36 instellingen op naam in de Amsterdam Bis.
De visie van de Kunstraad over de samenstelling van de Bis is nooit een onderwerp
van gesprek geweest met de sector. Het advies werd na de debatten over de
Contouren gepubliceerd en vlak voor de start van het zomerreces. In het advies
stelt de Kunstraad op 3 juni een verzoek te hebben gehad van de gemeente om een
advies uit te brengen over de samenstelling van de Bis. Dat kan een formaliteit zijn
omdat het advies al in de Contouren (14 mei) werd aangekondigd.
Reactie uit de sector
Het advies van de Kunstraad leidt tot reacties in de sector. De ACI verwoordt deze
in haar reactie op het advies. “De […] richtlijnen waarop de kunstraad haar keuzes
baseert, zijn naar onze mening erg breed waardoor het lijkt alsof er enigszins
willekeurig een lijst met instellingen is opgesteld door het bestuur van de
kunstraad.”9
Juridische bezwaren
Uiteindelijk blijkt na overleg met de gemeente dat het advies over de
samenstelling van de Bis en de aanwijzing van 36 instellingen op zwaarwegende
juridische bezwaren stuit. Binnen de regels voor de verdeling van subsidies voor
culturele instellingen, dient de uniciteit van een instelling op naam volstrekt
duidelijk te zijn. Het advies van de Kunstraad met de visie op de Amsterdam Bis
en de 36 aanwijzingen op naam, voldeed onvoldoende aan dit juridische principe.
Door de gang van zaken heeft de gemeente geen uitgebreide reactie gegeven op het
advies, waaruit blijkt of (en zo ja, hoe) zij de visie van de Kunstraad op de
Amsterdam Bis deelt. In de Hoofdlijnen wordt naar het advies verwezen (zie 4.3).
Wat in de Verkenning 2019 (januari 2019) start met een in potentie vergaande
wijziging in het denken over de Bis, wordt in juli onderbouwd met de visie van de a)
Kunstraad. Het advies wordt echter belemmerd door juridische voorwaarden en ee
blijkt onuitvoerbaar. el
=
Achteraf gezien was het naar ons oordeel verstandig geweest om in de opdracht en
aan de Kunstraad aan te geven dat een juridische toets nodig was — aangezien het
om een advies gaat over een grote tenderprocedure om subsidies te verdelen.
3.6. Debat met de sector
De debatten over de beleidsvoornemens in de Contouren zijn georganiseerd op 22
en 27 mei en op 5 juni 2019. Hierin kon de sector meepraten over en reflecteren
9 Brief van ACI aan de wethouder Kunst & Cultuur, ‘ACI-reactie op het advies van de kunstraad
over de A-Bis 2021-2024’, 2 september 2019.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 23
op de uitgangspunten in de Contouren. Deze werden georganiseerd door de
gemeente. In de voorgaande periode werd dit gedaan door de gemeente en ACI.
Die zag er dit keer van af omdat zij de onafhankelijke begeleidende rol niet
passend vond bij de vertegenwoordigende rol voor de culturele sector.
Aangezien de ACI een overlegstructuur is en geen organisatie zijn we voorzichtig
in het benoemen van een eenduidige verantwoordelijkheid. Wat ons opvalt is dat
de ACI zichzelf positioneert als vertegenwoordiger van de sector, meer dan
belangenbehartiger. Andere gesprekspartners bevestigen dat beeld. Dit komt
doordat er in het verbond van de ACI verschillende meningen vertegenwoordigd
zijn, soms langs de lijn van belangen van Bis instellingen en de overige
instellingen. Echter, voor het debat in de sector zou het goed zijn als er op basis
van onderlinge solidariteit één belangenbehartiger zou zijn. Of mogelijk twee in
het geval de ACI de belangen opsplitst langs de lijn tussen Bis en niet-Bis.
Breed programma
In het programma van de debatten was aandacht voor de thema’s uit de
Contouren. Er zijn ook externe partijen gevraagd om bij te dragen, zoals het AFK,
Mocca, Cultuur&Ondernemen, DutchCulture en de ACI. Daarnaast waren er nog
cultuureducatiedebatten op scholen.
Ondanks het uitgebreide programma is het algemene beeld van de debatten, dat
uit verschillende gesprekken naar voren komt, dat er veel is gediscussieerd over
diversiteit en inclusie maar weinig over andere uitgangspunten. Dat is ook het
punt in de Contouren dat het meest concreet is.
Weinig richtinggevend
Geen van de gesprekspartners kan concrete bijdragen noemen van de debatten in
de totstandkoming van het Kunstenplan. De samengevoegde verslagen van de
debatten bevestigen dat, naar ons oordeel. Er worden tal van inzichten, suggesties
en vragen verzameld. Deze hebben vooral betrekking op de praktijk. Hoe zit het
nu, wat zijn knelpunten, hoe kan je monitoren of waar liggen kansen? Het
bevestigt wel dat het programma van de debatten breed was opgezet. De
uitkomsten uit de enquête bevestigen dat aanvragers vooral neutraal zijn over de a
invloed van de debatten, terwijl er wel waarde aan wordt gehecht. Qc
8
Dat de debatten als weinig richtinggevend worden ervaren komt door het brede |
karakter. Bovendien is er een algemeen doel om de sector in het gesprek te ca
betrekken over het brede programma van het cultuurbeleid. De bijdrage van de
debatten kan groter zijn als er een doel aan wordt verbonden. Bijvoorbeeld door
keuzes of dilemma’s voor te leggen over beleidsprioriteiten of de uitwerking ervan.
Of door vooraf te bepalen of de debatten gericht zijn op bijvoorbeeld draagvlak
creëren, informeren of inzichten voor beleidsontwikkeling op te halen.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 24
Figuur 3: Antwoord van aanvragers op de stelling dat het debat naar aanleiding van de
Contouren invloed had en dat een dergelijk debat zinvol is (beide n=133).
80%
70%
60% m Debat had
45% invloed
40% 38%
m Debat is
20% 16% zinvol
1%
6% : m Se 5%
1% 1%
o% Mm T N° mm”
Eens Overwegend eens NeutraalOverwegend oneens Oneens
Chiquer
Het advies van de Kunstraad over de nieuwe strategische Bis kon, door de
planning van de debatten en de publicatie van het advies, geen onderdeel zijn van
het debatprogramma. Aangezien het wel bekend was dat het advies aanstaande
was, was het chiquer geweest om de visie over een belangrijke stelselwijziging als
deze, onderdeel te maken van het publieke debat. Dat is voor het andere
belangrijke thema — diversiteit en inclusie — wel gelukt. Het is spijtig dat de opzet
en samenstelling van de Amsterdam Bis door een gebrekkige timing niet uitvoerig
Is besproken met de sector. Ondanks dat er sprake kan zijn van een ongelukkige
samenloop van omstandigheden, moeten we constateren dat de uiteindelijke
indeling van de Amsterdam Bis helaas niet transparant en zonder inspraak is
verlopen.
a]
Ki
pd
5
|
(aa)
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 25
id
4. Proces: Beleidsfase
4.1. Planning
De processtap in deze fase is de publicatie van de Hoofdlijnen 2021-2024. Het
was de bedoeling de Hoofdlijnen in oktober of november 2019 te presenteren en in
november 2019 te laten vaststellen. Op 25 oktober liet de gemeente echter weten
dat er vertraging was door juridische complicaties over de wijze waarop de Bis
wordt samengesteld (zie 3.5). De gemeente voert hierbij aan dat de jurisprudentie
die hier aanleiding toe gaf pas verschenen was.
De Hoofdlijnen werden in december voorgelegd. De belangrijkste consequentie
van de vertraging is dat de aanvragers later bekend waren met de indieningseisen
en de beoordelingscriteria, en dat de indieningstermijn korter werd. De
startdatum is namelijk circa een maand opgeschoven en de deadline twee dagen.
PRESENTATIE
HOOFDLIJNEN KP
21-24 VASTSTELLING HOOFDLIJNEN
| START SLUITING
AANVRAAG AANVRAAG
© í í
sep. 19 okt. 19 nov. 19 dec. 19 jan. 20 feb. 20 mrt. 20
BRIEF UITSTEL |
HOOFDLIJNEN INSPRAAKAVOND HOOFDLIJNEN
KDD BEHANDELING HOOFDLIJNEN
Op 15 november 2019 presenteerde de gemeente de Hoofdlijnen kunst en cultuur
2021-2024: De kracht van cultuur, Na behandeling in de raadscommissie zijn de
Hoofdlijnen op 18 december door de gemeenteraad besproken en vastgesteld,
inclusief moties en amendementen. Met de Hoofdlijnen worden ook de criteria en
vereisten vastgesteld waaraan aanvragers moeten voldoen. Het is voor hen het Ee
ijkpunt om hun aanvraag op in te richten. S
5
4.2. Over de Hoofdlijnen 5
De onderwerpen uit de Contouren komen duidelijk terug in de Hoofdlijnen.
Vooral waar het gaat om de speerpunten diversiteit en inclusie en spreiding in het
belang van de stad. De debatten zijn minder van invloed geweest en zien we eerder
als een voorbereidende discussie over het toekomstige beleid en het volgen
daarvan in de praktijk, bijvoorbeeld door monitoring. In de enquête konden
aanvragers aangeven welke van de beleidsdoelstellingen uit de Hoofdlijnen zij
belangrijk vinden voor het cultuurbeleid van de stad. Hiervoor verdeelden zij 100
punten over de doelstellingen. Diversiteit en inclusie zijn opgenomen in andere
vragen.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 26
Figuur 4: Waardering van aspecten uit de beleidsdoelstellingen in de Hoofdlijnen (n=135).
Doelstelling Punten \ Aandeel
De mate waarin aanvragers belang hechten aan bepaalde doelstellingen blijkt vrij
evenredig te zijn verdeeld. Deze uitkomst zien we als een breed draagvlak onder de
beleidsdoelstellingen. Dat ‘meer ruimte voor de nachtcultuur’ het minst belangrijk
wordt gevonden kan komen doordat dit beleid wel werd genoemd in de
Hoofdlijnen, maar pas onlangs is uitgewerkt. Ook scoort ‘versterking van
internationale kunst en cultuur’ iets lager dan andere beleidsdoelstellingen. In
beide gevallen kan dat zijn omdat het niet voor iedere aanvrager even relevant is.
Daarnaast is aanvragers gevraagd naar de inzichtelijkheid van de criteria, de
inrichtingseisen en het beoordelingskader uit de Hoofdlijnen. Over het algemeen
zijn deze als voldoende inzichtelijk ervaren, vooral de criteria. De criteria waren:
"Artistiek belang
= Belang voor de stad
=_ Uitvoerbaarheid
=_ Diversiteit en inclusie
Het beoordelingskader, waarin criteria zijn uitgewerkt of samengevat als meetlat
voor beoordeling, wordt als minst inzichtelijk naar voren gekomen; zoals te zien in
Figuur 2 vond 34% het matig en heeft 7% het als slecht bestempeld (totaal 41%).
Dat heeft waarschijnlijk te maken met het gegeven dat de kaders anders genoemd
worden en deels wel en niet als bijlage zijn opgenomen in de Hoofdlijnen.
Figuur 5: de mate waarin aanvragers de criteria, inrichtingseisen en het beoordelingskader, a)
inzichtelijk vonden (n=135). 1
<
Ù
62% a
60% 56%
0%
m Criteria
40% 34% = Inrichtingseisen
9 27 Beoordelingskader
20% —16%14% o oe .
M --
0% mm EN
Goed Voldoende Matig Slecht
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 27
Ook uit de diverse gesprekken, zoals met raadsleden en de ACI, maken we op dat
het niet iedereen duidelijk is dat bij de vaststelling van de Hoofdlijnen ook de
specifieke regeling en toelichting voor het AFK worden vastgesteld. Er zijn niet
alleen twee uitvoerders, de gemeente stelt voor beide uitvoerders afzonderlijke
beoordelingskaders vast. Waarbij die van het AFK wordt voorgedragen voor
vaststelling door het college.
4.3. Introductie van functies
In de Hoofdlijnen stelt de gemeente het advies voor de aanwijzing op naam van de
Kunstraad deels op te volgen. Vanwege de juridische beperkingen introduceert de
gemeente daarnaast functies in de Bis. Over deze functies is uitvoerig informeel
overleg geweest met de Kunstraad om aan te sluiten bij het advies, ondanks een
andere uitvoering. Binnen de functies is plaats voor 14 instellingen.
De functies worden in algemene zin onderbouwd: ‘Het gemeentebestuur gaat
extra ruimte creëren voor kleine en middelgrote instellingen die het verschil
maken in het aanbod van kunst en cultuur in Amsterdam en bijdragen aan het
realiseren van een sterke, open en inclusieve cultuurstad.”'® In de onderbouwing
van de functies volgt de gemeente met name de vereiste dat de Bis (op functie)
representatief moet zijn voor de beleidsdoelstellingen 2021-2024.
De functies zijn specifiek beschreven. Soms zo specifiek dat het voor de goede
lezer meteen duidelijk is welke instelling(en) in aanmerking komen. Hierbij
konden de gemeente en de Kunstraad putten uit de lijst van 36 instellingen die
werden beoogd in het advies over de samenstelling van de Bis.
Hoewel het beleid voor een inclusieve cultuurstad aanleiding was om de functies
in te voeren wordt maar bij vijf van de negen functies inclusie nadrukkelijk
genoemd. De negende functie is toegevoegd door de gemeenteraad bij de
behandeling van de Hoofdlijnen. Deze is relatief eenzijdig gericht op
muziekgezelschappen, vooral voor moderne gecomponeerde muziek. De
pluriformiteit van het aanbod van andere muziekgenres is daarmee aangewezen
op de 4-jarige regeling bij het AFK.
a]
na
Ll
=
(aa)
10 Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024: De kracht van cultuur.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 28
e Id
5. Proces: Adviseringsfase
5.1. Planning
Na het vaststellen van de Hoofdlijnen, stellen de instellingen hun plannen op.
Deze zijn ter beoordeling voorgelegd aan adviseurs bij het AFK en de Kunstraad.
De adviseurs van de Kunstraad hebben hun adviezen voorgelegd aan het
gemeentebestuur. Het AFK besloot zelf over de aanvragen op basis van de
commissie-adviezen.
Er hebben geen grote verschuivingen in de planning plaatsgevonden. De
publicatie van het advies van de Kunstraad en de bekendmaking van de besluiten
van het AFK zijn volgens de initiële planning verlopen.
AFK
BEKENDMAKING
AKR ADVIES SUBSIDIES BESLUITEN
SLUITING KP 21-24
AANVRAAG | |
feb. 20 mrt. 20 apr. 20 mei 20 jun. 20 size aug. 20 sep. 20
COLLEGE B&W
BESLUIT ADVIES
AKR
5.2. Verschillen in de advisering
Een terugkerend onderwerp in de gesprekken met alle direct betrokken
stakeholders was het verschil in beoordeling tussen de adviseurs van de Kunstraad a
en het AFK. Zo zijn de adviezen anders van opzet. De adviezen van de Kunstraad ee
zijn opgezet met een meer globale argumentatie en die van het AFK zijn meer ef
specifiek beargumenteerd. Daarnaast wordt er opgemerkt dat de beoordelingen |
van elkaar afwijken op het criterium diversiteit en inclusie en het aspect van en
spreiding binnen het criterium belang voor de stad. Het AFK zou daar kritischer
op hebben beoordeeld dan de Kunstraad. Het AFK heeft in de regeling vastgelegd
dat binnen diversiteit en inclusie specifiek gekeken werd naar culturele diversiteit.
De Kunstraad is uitgegaan van de brede opvatting van diversiteit en inclusie,
volgens de code.
De opmerkingen over de adviezen zijn eveneens relevant voor de beoogde
integraliteit van het Kunstenplan. Blijkbaar hebben aanvragers verwachtingen bij
een (zekere mate van) gelijkwaardige beoordeling.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 29
Andere werkwijze
De verschillen zijn te verklaren. In eerste instantie omdat het beoordelen van
aanvragen mensenwerk is en de adviescommissies samengesteld zijn uit
individuele experts, waardoor er per definitie verschillen kunnen ontstaan. Enige
mate van verschil is inherent aan het systeem van een peer review.
In de praktijk gaat de werkwijze van het AFK uit van een nadere uitwerking van de
criteria om de beoordeling uitvoerbaar te maken binnen de organisatorische en
juridische kaders van het fonds. Door criteria specifiek uit te werken, wordt het
mogelijk om een meer specifieke beoordeling te geven. Daarmee biedt het fonds
transparantie aan aanvragers en creëert het voorwaarden voor een gelijk
speelveld. Daarnaast is de uitwerking nodig om tot een onderbouwd en juridisch
houdbaar advies te komen. Het maakt ook een effectief en efficiënt proces
mogelijk om in korte tijd 206 aanvragen te beoordelen en hierover te besluiten.
De Kunstraad ontving 49 aanvragen, waarvan 21 voor de Bis op naam en 28 voor
de functies. Alle aanvragers kregen de mogelijkheid om hun aanvraag mondeling
toe te lichten. De commissies beoordelen de aanvragen op de beleidscriteria en
stellen een pre-advies per instelling op. Nadat de pre-adviezen van de commissie
zijn uitgebracht maakt het bestuur van de Kunstraad de adviezen definitief en
maakt het een integrale afweging voor de Bis.
Alle aanvragers voor de Amsterdam Bis ontvangen zoals gezegd een meer globaal
geformuleerd advies. Zo ook de 14 afgewezen aanvragers voor de functies. In het
geval bezwaar was gemaakt tegen het besluit van de gemeente — op basis van het
advies — zou een verweer vanuit de gemeente lastiger te formuleren zijn geweest.
Dat is in theorie makkelijker voor de gemeente met een meer specifiek advies.
Een integrale afweging
In diverse gesprekken (Kunstraad, ACI en gemeente) wordt de vraag opgeworpen
waarom het AFK geen integrale afweging hanteert. Het AFK licht toe dat het
aspecten van een integrale afweging integreert in de bestaande procedure. De
budgetplafonds zijn daar een voorbeeld van. Deze zorgen voor een pluriforme
verdeling over de disciplines met redelijk continue budgetten. Die komen mede tot a
stand door een prognose op basis van ervaring en cijfers van de afgelopen jaren. In ee
deze periode is daarbij nog € 3,8 miljoen van het budget overgeheveld naar de Bis, verf
als budget voor de functies. Dit bedrag heeft de gemeente in afstemming met het 2
AFK en de Kunstraad bepaald. Het is binnen het AFK via een verdeelsleutel ca
verrekend met de budgetten per discipline. Bij de Kunstraad is het toegevoegd als
budget voor de functiebenoemingen. Bij het AFK is er ook de mogelijkheid om een
multidisciplinaire beoordeling aan te vragen om te voorkomen dat aanvragers
buiten een hokje vallen. Aanvragers maken daar overigens nauwelijks gebruik van.
De commissies bestaan uit adviseurs met elkaar aanvullende deskundigheid, zodat
er geen monodisciplinaire beoordeling is. Het AFK werkt met een score per
criterium, wat leidt tot een ranking waarin aanvragers met een score ten opzichte
van elkaar worden afgewogen (binnen een discipline).
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 30
Het toevoegen van een integrale eindafweging bij het AFK is juridisch complex.
Het AFK zou vooraf moeten aangeven volgens welke spelregels deze afweging
verloopt, hoe het omgaat met budgetconsequenties en daarvoor budget
reserveren. Ook organisatorisch heeft het een impact. Er zou bijvoorbeeld een
aparte commissie, op basis van criteria, alle ruim 200 aanvragen in onderlinge
samenhang moeten beoordelen. Ook bij de Rijkscultuurfondsen is een
eindafweging — als deze wordt gehanteerd — vooraf ingeregeld. Het Fonds
Podiumkunsten hanteert voor de meerjarige regeling bijvoorbeeld een flexibel
budget dat wordt aangewend voor aanvragen met een positief advies maar
waarvoor onvoldoende budget is. Het flexibele budget wordt volgens vooraf
bepaalde rekenregels toebedeeld aan de categorieën waar sprake is van
overvraging.
5.3. Ervaring van aanvragers
De verschillen in beoordeling komen ook terug in de wijze waarop aanvragers naar
de beoordelingsadviezen kijken. Uit onze enquête blijkt dat aanvragers gemiddeld
een positievere waardering voor de beoordeling van het AFK hebben dan die van
de Kunstraad, zoals te zien in Figuur 5 en 6. Daarbij merken we op dat het verschil
in beoordeling kan samenhangen met verschillen tussen de groepen. Bij het AFK
tellen bovendien de afwijzingen mee. Uit nadere analyse blijkt ook dat als adviezen
volgens aanvragers goed onderbouwd zijn met argumenten en dat dit van invloed
Is op de ervaren mate van deskundigheid in de commissies.
Figuur 6: De deskundigheid die uit het advies van de commissie sprak, voldeed aan onze
verwachtingen (AFK n=113; Kunstraad n=22; Totaal n=135).
42% 41%
40% 36%
2%
23% mAFK
20% 16% 19% \gscpmmi0% = Kunstraad
SS” 11% 9% Eindtotaal
helt EN a
9
oe 0% Ki
Eens Overwegend Neutraal Overwegend Oneens ee)
eens oneens |
(aa)
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 31
Figuur 7: Het oordeel van de commissie in het advies voor onze instelling is goed onderbouwd
met argumenten (AFK n=113; Kunstraad n=22; Totaal n=135).
40% 39% 6% 36%
0,
20% 14% me 7e anna
9% 10%
In Dal =-
0%
Eens Overwegend eens NeutraaDverwegend oneensOneens
5.4. Dubbele aanvraag
Dat aanvragers voor de functies tegelijkertijd zowel een aanvraag bij de Kunstraad
als bij het AFK moesten indienen, werd als een extra last gezien. Bijvoorbeeld
omdat er verschillende richtlijnen waren voor het ondernemingsplan. Uiteindelijk
kozen 28 instellingen er toch voor om een plan in te dienen binnen de 14 functies.
De adviseurs van het AFK en de Kunstraad kregen de aanvragen ter beoordeling
voorgelegd. Beide partijen melden dat de afstemming over deze aanvragen goed is
verlopen. Daarbij waren ook dubbeladviseurs betrokken die zowel bij het AFK als
de Kunstraad in de adviescommissie zaten. Daardoor was er ook zicht op de
overige aanvragen en ontwikkelingen binnen een discipline.
De rol van dubbeladviseurs was om te zorgen voor de aansluiting tussen de
advisering over ‘dubbelaanvragen’ bij de Kunstraad en het AFK. Daarnaast om te
adviseren over aanvragen met samenwerkingsverbanden tussen AFK- en
Amsterdam Bis-aanvragers.
5.5. Lastendruk
Hoewel er net als in de voorgaande evaluatie gevraagd is naar de lastendruk,
kunnen we niet met zekerheid zeggen dat de methode van uitvragen identiek was.
Daarvoor was te weinig informatie beschikbaar over de precieze opzet van de a
enquête die gebruikt is in de vorige evaluatie. De uitkomst is daarom indicatief. rd
8
Die uitkomst is wel een duidelijke indicatie dat de lastendruk is toegenomen. Uit 2
… . . |
onderstaande tabel blijkt dat de lastendruk in uren besteed aan de aanvraag is ra)
toegenomen. Het aantal aanvragers dat 51 tot en met 100 uur heeft besteed aan de
aanvraag is afgenomen van 23% naar 7%. Het aantal aanvragers dat meer dan 200
uur heeft besteed is toegenomen van 16% naar 43%.
Dat de lastendruk is gestegen was te verwachten aangezien er een extra Actieplan
diversiteit en inclusie opgesteld diende te worden (en een facultatieve nulmeting).
Daarnaast kan er een effect zijn van ‘dubbel aanvragers’. Deze geven vaak aan
meer dan 200 uur te hebben besteed. Opvallend is ook dat de instellingen in de
Amsterdam Bis op naam veel tijd hebben besteed. Binnen deze groep werkte 79%
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 32
aan meerdere aanvragen voor meerjarige subsidies, waaronder ook landelijke
subsidies. Mogelijk is het in de praktijk lastig onderscheid te maken naar welk
werk voor welke aanvraag wordt gedaan. Binnen de aanvragers bij het AFK werkte
51% aan meerdere meerjarige aanvragen.
Figuur 8: tijd besteed aan de aanvraag voor het Kunstenplan in de periode 2017-2020 (n=103)
vergeleken met de periode 2021-2024 (n=135).
43%
40%
30%
20% 23% 21% 2 m 2017-2020
20% 17% 16% B 2021-2024
I 7 L Ì L
0%
0% 5
1t/ms5ouur 50-100 uur 100-150 uur 150-200 uur >200 uur
Figuur 9: tijd besteed aan de aanvraag voor het Kunstenplan door aanvragers bij het AFK, de
Kunstraad en bij beiden (dubbel aanvragers) (AFK n=106; Dubbel n=14; Kunstraad n=15).
100%
79%
0,
80% 67%
60% mAFK
40% 35% 35% = Dubbel
24% 20% Kunstraad
0,
20% 14%
7% 7% 7% IJ 7% ox
o
_ 5 ’
50-100 uur 100-150 uur 150-200 uur >200 uur
Gebruik van gegevens
Aanvragers vullen als indieningsvereiste een formulier in met algemene gegevens, 8
activiteiten gegevens en financiële informatie. Deze gegevens kunnen gebruikt d
worden voor individuele monitoring of algehele analyses van activiteiten, eef
prestaties en spreiding. Het AFK presenteert bijvoorbeeld in de algemene |
inleiding bij de besluiten een analyse van de aanvragen, toekenningen en en
spreiding. De gemeente die de aanvragen voor de Bis ontvangt, ontsluit deze
gegevens niet voor dergelijke beleidsmatige analyses. Ook voor deze evaluatie
waren de verzamelde gegevens niet beschikbaar.
Uit gesprekken met de ACI blijkt dat aanvragers deze formulieren tijdrovend
vinden en dat het hen niet volledig helder is hoe de ingevulde gegevens gebruikt
worden in de verantwoording. Naar ons oordeel dient de lastendruk van wat je
vraagt in verhouding te staan tot wat je met de informatie doet. Die balans dient
een continu punt van aandacht te zijn in het kader van de lastendruk.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 33
®
6. Proces:
Besluit ngsfe
6.1. Planning
Het besluit over het Kunstenplan zou in november 2020 in de gemeenteraad
worden gebracht. Dat werd december, waardoor de definitieve toekenningen pas
vlak voor de start van de nieuwe kunstenplanperiode verzonden werden. Het AFK
heeft de besluitvorming op tijd afgerond in begin augustus.
AFK
BEKENDMAKING
BESLUITEN BESLUIT EXTRA GEMEENTERAAD BESLUITEN
| HONORERING 11 |
THEATERINSTELLINGEN &
TOEVOEGING ONS' LIEVE
HEER OP SOLDER
® e
aug. 20 sep. 20 okt. 20 nov. 20 dec. ie jan. 21
KDD BEHANDELING
KP 21-24
BESLUIT COLLEGE
B&W LAATSTE
RAADSVOORSTELLEN
6.2. Besluitvorming bij het AFK
In aanloop naar de besluitvorming door het AFK bleek dat er een tekort aan
subsidiebudget was binnen de discipline theater. Ten opzichte van andere
disciplines vielen er veel aanvragers onder de zaaglijn. Het tekort kwam voort uit
een te lage inschatting van de subsidiebehoefte binnen deze discipline. Onder
meer door een onderschatting van het aantal nieuwe aanvragers. Dit betrof nieuwe
podia en gezelschappen die (onvoorzien) van Amsterdam hun standplaats
maakten. Daarnaast werden in de functie voor theatergezelschappen in de
Amsterdam Bis aanvragen toegekend met een relatief laag bedrag. Daardoor
bleven aanvragers met een relatief hoog bedrag bij het AFK. Ee
L
Bij publicatie heeft het AFK de instellingen genoemd die als wel subsidiabel ee)
werden beoordeeld maar waarvoor onvoldoende budget beschikbaar was. In de Fr
gesprekken met raadsleden komt de indruk naar voren dat het AFK hierin met een
politieke opzet heeft gehandeld. Echter, het publiceren van de totale lijst van
instellingen die als subsidiabel zijn beoordeeld is gangbaar en is in de vorige
periode ook gedaan. Een instelling kan namelijk geholpen zijn met een positief
oordeel en het achterhouden van dat oordeel zou een benadeling kunnen zijn. Het
Is ook een vorm van transparantie.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 34
6.3. Besluitvorming in de gemeenteraad
In de raad ontstond discussie over de beoordeling van een aantal instellingen die
door het AFK niet met een subsidie werden gehonoreerd omdat ze onder de
zaaglijn vielen. Volgens de raad mochten deze instellingen echter niet ontbreken
in het Kunstenplan. Een aantal instellingen maken ook nog gebruik van vastgoed
van de gemeente. Dat maakte het dilemma voor de raad alleen maar groter.
Reparaties door de raad
De raad heeft een aantal reparaties zelf doorgevoerd. Er is een instelling (Museum
Ons' Lieve Heer op Solder) alsnog op naam benoemd in de Amsterdam Bis en
Stichting Educatieve Projecten is toegevoegd aan het Cluster Cultuureducatie.
Omdat het AFK als fonds op afstand zelfstandige besluiten neemt, de gemeente
binnen het bestaande budget geen ruimte had en de gemeenteraad geen ruimte
zag om de probleemgevallen onder de zaaglijn op te lossen, werd het AFK
gevraagd met een oplossing te komen. Die oplossing is afgestemd met de
gemeente als opdrachtgever van het AFK.
6.4. Verzoek aan het AFK
Uit de raadsdebatten komt ten aanzien van het AFK een beeld naar voren van ‘hoe
heeft dit kunnen gebeuren?’ Daarbij doelend op de instellingen die volgens de
raad onterecht tussen wal en schip kwamen (lees: onder de zaaglijn bij het AFK).
Daarbij moeten naar onze mening twee punten in ogenschouw worden genomen.
Ten eerste dat pijnlijke afwijzingen inherent zijn aan een systeem waarin schaarse
middelen worden verdeeld op basis van een criteriumbeoordeling door
deskundige peer-review. Ten tweede dat de druk op het budget bij het AFK groot
Is. Het budget was 101% overvraagd. Er was € 39,6 miljoen gevraagd en € 19,7
miljoen beschikbaar. Binnen de Amsterdam Bis op naam was de overvraging 13%.
De overvraging voor de functies is bij het AFK terechtgekomen, en is onderdeel
van de € 39,6 miljoen.
Om de probleemgevallen op te lossen is het AFK gevraagd € 1,9 miljoen vrij te
maken uit de regeling Ontwikkeling voor de overvraging in de discipline theater.
Voor deze regeling was oorspronkelijk € 2,6 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er Ee
€ 0,8 miljoen vrijgemaakt uit de projectsubsidies om de Ontwikkelregeling weer S
aan te vullen. Dit bedrag wordt ingezet om een aantal instellingen die in andere fi)
disciplines onder de zaaglijn waren geëindigd alsnog te honoreren vanuit deze 2- 5
jarige regeling. Hiervoor is de regeling specifiek aangepast, zodat deze alleen @
toegankelijk is voor een afgebakende groep instellingen die aan bepaalde
voorwaarden voldoen.
In het advies bij het Kunstenplan 2021-2024 stelt de Kunstraad onomwonden dat
de politieke ingreep bij het AFK een slecht idee is!!, De getroffen regeling biedt
naar het oordeel van de Kunstraad eigenlijk te weinig soelaas, is tijdelijk van aard,
u Advies Kunstenplan 2021-2024, Amsterdamse Kunstraad.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 35
gericht op een select aantal instellingen die vastgoed exploiteren en verstoord
daarmee het gelijke speelveld.
Het effect van de herverdeling is dat de pot projectsubsidies is geslonken van 4,8
miljoen naar 3,4 miljoen, omdat hieruit ook de subsidie van € 0,6 miljoen is
vrijgemaakt voor de overheveling van Museum Ons’ Lieve Heer op Solder naar de
Amsterdam Bis, Er is nu minder budget beschikbaar voor projecten van kleinere
initiatieven, projecten en makers. Dat is volgens iedereen een ongewenst effect
maar uiteindelijk een keuze tussen twee kwaden.
6.5. Dilemma's bij besluitvorming
De gemeente kan bij instellingen zowel subsidieverstrekker zijn in het kader van
het Kunstenplan en beheerder van het vastgoed of het erfgoed zijn. Dat de
gemeente geconfronteerd kan worden met het feit dat deze twee rollen niet meer
samenvallen, kan een aandachtspunt zijn in het beleid voor cultureel vastgoed.
Het is binnen de regelingen niet goed mogelijk een voorkeurspositie te geven aan
instellingen met een dergelijke relatie omdat er dan geen sprake meer is van een
eerlijk speelveld.
Lobbykracht
Bij de behandeling van het Kunstenplan in de gemeenteraad is er voor instellingen
die buiten de boot dreigen te vallen nog de gelegenheid om een lobby op te zetten
om te proberen alsnog in de Amsterdam Bis te komen. Alle gesprekspartners
signaleren dat het daarbij voor grotere of meer gevestigde instellingen makkelijker
is om een lobby te organiseren. Nieuwkomers of minder gevestigde instellingen
zijn hier overwegend in het nadeel. Overigens heeft niemand een effectieve
oplossing om ook hier een gelijk speelveld te creëren.
Complex
Uit de gesprekken met enkele raadsleden blijkt overigens dat het hele systeem van
het Kunstenplan voor hen complex is. Raadsleden hebben beperkte tijd en
meerdere dossiers. Het is voor hen lastig om het aan hen voorgelegde beleid, de
adviezen en de besluiten in alle nuances, met alle specificaties en met alle
consequenties volledig te doorgronden. =
L
6.6. Bezwaren En
Aanvragers kunnen bezwaar aantekenen bij een onafhankelijke bezwaarcommissie Fr
tegen het besluit van het AFK als er feitelijke onjuistheden zijn in het proces of het
advies. Het aantal bezwaren bij het AFK is licht hoger dan in de vorige periode.
Bij het AFK waren er vijf procedurele bezwaren en 27 inhoudelijke bezwaren. Alle
procedurele bezwaren zijn ongegrond verklaard. In eerste instantie waren er 39
inhoudelijke bezwaren waarvan er 12 uit de discipline theater zijn ingetrokken
omdat deze alsnog werden gehonoreerd. Uiteindelijk zijn er 26 bezwaren
ongegrond verklaard en één bezwaar gedeeltelijk gegrond. Er zijn op de besluiten
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 36
in de bezwaarprocedures zes beroepszaken aangespannen. Daarvan zijn er door de
rechtbank twee ongegrond verklaard en vier nog lopend.
In de vorige periode werden er ook vijf procedurele bezwaren ingediend, waarvan
er één gegrond werd verklaard. Er werden 21 inhoudelijke bezwaren op de
besluiten ingediend. Eén bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, dertien
ongegrond en zeven gegrond. In twee gevallen heeft de heroverweging van de
adviescommissie destijds alsnog geleid tot honorering door het AFK.
Bij de gemeente is één bezwaar ingediend over de gevolgde procedure bij de
toewijzing op naam. Over de stand van zaken heeft de gemeente voor deze
evaluatie geen informatie kunnen geven omdat het vertrouwelijke informatie is.
In theorie kan hierin een risico schuilen. In het geval dat het bezwaar gehonoreerd
wordt, kan dat van invloed zijn op het principe van de benoeming op naam. Die is
gebaseerd op de uniciteit van instellingen. Mocht de uniciteit ter discussie komen
te staan, zou dat effect kunnen hebben voor meer instellingen in de Amsterdam
Bis als er sprake is van vergelijkbare posities in het Kunstenplan.
a]
na
Ll
=
(aa)
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 37
7. Eerste effecten van het
ingezette belei
gezette beleid
In de vraagstelling bij deze evaluatie wordt gevraagd naar eerste effecten,
ervaringen en constateringen bij het Kunstenplan 2021-2024. Daarbij wordt
specifiek aandacht gevraagd voor het belangrijke beleidsthema diversiteit en
inclusie en de spreiding in de stad, waaronder we ook de samenwerking met de
stadsdelen meenemen.
7.1. Diversiteit en inclusie
Diversiteit en inclusie vormden een zichtbare rode draad in het cultuurbeleid van
2021-2024 en worden ook wel gezien als een stempel van de huidige coalitie en
wethouder. De thematiek stond centraal in de Contouren, de Hoofdlijnen en de
debatten en was een leidend argument voor een verandering van de Amsterdam
Bis. Met de invoering van nieuwe beleidsinstrumentaria rondom diversiteit en
inclusie — een actieplan, een nulmeting en in zekere mate ook de functies — toonde
de wethouder bereidheid om zich wezenlijk in te zetten voor een meer inclusieve
cultuursector. In deze evaluatie kijken we naar eerste ervaringen daarmee.
Het AFK constateert een verschuiving op het vlak van culturele diversiteit, mede
door eerder beleid. Ten opzichte van het Kunstenplan 2017-2020 ziet het fonds
een stijging van instellingen die naar hun inschatting ‘volledig cultureel divers
werken’? Hieronder schaart het AFK instellingen die dit element als uitgangspunt
nemen in hun gehele werkwijze (waaronder aanbod, publieksbereik, personeel en
toezicht). In de vorige periode werd dat geschat op een vijfde en bij het huidige
Kunstenplan op bijna een kwart van de gehonoreerden.
Uit onze enquête blijkt dat 54% van de aanvragers in de plannen meer aandacht
aan diversiteit en inclusie hebben geschonken dan anders. Bij instellingen die zijn a
beoordeeld door het AFK is dat 56%; in de Amsterdam Bis op naam is het 40% en ee
in de Amsterdam Bis op functie 57%. Niemand besteedde er minder aandacht aan. ef
Alleen in de Amsterdam Bis op naam besteedde het merendeel evenveel aandacht |
aan diversiteit en inclusie. Dat deze groep naar verhouding het minst extra inzet ca
op het beleidsthema, kan worden gezien als een matig effect. Juist grotere en
‘statische!’ instellingen, waar de huidige Amsterdam Bis op naam voornamelijk uit
bestaat, worden immers het meest bekritiseerd op hun gebrek aan diversiteit.
2 Uit de interne analyse van het AFK. Zie ook: Algemene inleiding regeling Vierjarige subsidies
2021-2024, Amsterdams Fonds voor de Kunst.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 38
Figuur 10: In welke mate de Hoofdlijnen van invloed zijn geweest op de aandacht voor
diversiteit en inclusie in het meerjarenplan (AFK n=112; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=134).
100%
80%
60%
m Meer
40% m Evenveel
20%
0%
AFK Bisop naam Bis op Functie Eindtotaal
Beoordeling op het criterium
In de Hoofdlijnen van 2017-2020 was diversiteit nog verweven in de criteria
zakelijke kwaliteit en publieksbereik. Nu was het een separaat criterium, dat
aansloot bij de herziening van de landelijke Code Diversiteit & Inclusie (de
opvolger van de Code Culturele Diversiteit).
Het AFK is — in overleg en met instemming van de gemeente — in de regeling niet
meegegaan met de bredere benadering van de Hoofdlijnen en prioriteerde
culturele diversiteit in de beoordeling. De motivering daarvoor is dat op dat vlak
de grootste inhaalslag nodig is. Het fonds geeft in de algemene inleiding van de
besluiten aan niemand louter op een slechte beoordeling van dit criterium te
hebben afgewezen!3. De Kunstraad neemt de criteria uit de Hoofdlijnen integraal
over.
Opvallend is dat de Kunstraad zich in enkele beoordelingen kritisch heeft
uitgesproken over diversiteit en inclusie, met name bij instellingen op naam. De
insteek van het Actieplan was om hier in deze beoordelingsronde geen
consequenties aan te verbinden en te wachten tot de beoordeling voor het
volgende Kunstenplan. Dan zal worden teruggekeken naar hoe de plannen tot Ee
uitvoering zijn gekomen. Er wordt daarbij uitgegaan van verschillende <
startposities van instellingen en de nadruk op hun groeiproces (hierover meer op en)
pagina 41). Of het beleidsaccent op diversiteit en inclusie leidt tot substantiële |
verschuivingen in subsidietoekenningen van de Amsterdam Bis op naam, zal, naar
verwachting, pas in de volgende periode blijken.
13 Algemene inleiding regeling Vierjarige subsidies 2021-2024, Amsterdams Fonds voor de
Kunst.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 39
Figuur 11: In welke mate aanvragers vinden dat de commissie in het advies recht doet aan de
bijdrage aan diversiteit & inclusie (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135).
0,
80% 71%
m (Redelijk) Groot
60%
%
42% 0 Niet kei
% = Niet klein en
40% — 370 33%
° 20% niet groot
20% 20% .
20% (Redelijk) Klein
0%
AFK Bis op naam Bis op Functie
Figuur 12: Hoe aanvragers het vermogen van hun organisatie inschatten om bij te dragen aan
een inclusieve stad (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135).
100%
86%
80% m (Redelijk) Groot
67%
60%
60%
= Niet klein en niet
groot
40%
9 27%
25% (Redelijk) Klein
20% 13% 14%
8%
E
0%
AFK Bis op naam Bis op Functie
In de enquête is gevraagd hoe aanvragers het advies beoordelen op het thema en
hoe zij hun eigen vermogen inschatten om bij te dragen. Dit kan inzicht geven in
hoe het oordeel uit de adviestekst aansluit op het perspectief van de aanvragers. a
Ki
Van het totaal van alle aanvragers vindt 40% dat de commissie in redelijke tot ef
grote mate recht doet aan de bijdrage op diversiteit en inclusie (Fout! |
Verwijzingsbron niet gevonden). Vrijwel hetzelfde aandeel (39%) vindt het en
tegenovergestelde, De kritische houding van de aanvragers ten opzichte van de
commissies blijkt ook uit de inschatting van hun eigen bijdrage. Uit Fout!
Verwijzingsbron niet gevonden. blijkt dat 67% van hen het vermogen om bij
te dragen groot tot redelijk groot inschatten.
Bij de instellingen die zijn benoemd in de Amsterdam Bis op functie sluit de
waardering van het advies het beste aan bij de beoordeling van het vermogen om
zelf bij te dragen. Het is goed denkbaar dat de verweving van de “inclusieve stad’ in
5 van de 9 functies (zoals we eerder aangaven op pagina 28), hier heeft
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 40
meegespeeld. Bij de AFK-aanvragers is het verschil het grootst. Dit sluit aan bij het
beeld dat uit de gesprekken naar voren komt: de beoordeling van het AFK op dit
onderdeel wordt als het meest kritisch gezien.
Hoewel het niet verwonderlijk is dat aanvragers hun eigen bijdrage hoger
inschatten dan dat adviseurs dat met een kritische blik doen, is er nog winst te
behalen in de stimulans en beoordeling van diversiteit en inclusie. De aanvragers
schatten hun bijdrage namelijk structureel en substantieel hoger in.
Actieplan en nulmeting
Het Actieplan diversiteit en inclusie was een nieuwe instapeis voor de 4-jarige
subsidies van het Kunstenplan. Met dit plan werden aanvragers aangezet om aan
te geven welke stappen ze zouden zetten ter bevordering van hun bijdrage aan
diversiteit en inclusie. Met het oog op de vele verschillen tussen instellingen in
aard, doelgroepen en grootte, ging het actieplan uit van het individuele vermogen
van instellingen en hun ontwikkeling. In andere woorden: welke stappen zijn
mogelijk en reëel per instelling, wat komt daarvan tot realisatie en wat brengen ze
teweeg.
Ondanks de kwaliteitsverschillen tussen de plannen, kan de aanzet als een
duidelijk effect worden gezien. Het heeft bijgedragen aan het op de kaart zetten
van het beleidsthema diversiteit en inclusie. Door dit vereiste hebben alle
aanvragers zich immers over de betreffende thematiek gebogen en een plan
opgesteld — en bijvoorbeeld niet enkel instellingen die dat altijd of al langer deden.
Uit de enquête van het AFK komt naar voren dat er onder diens aanvragers
minder begrip was voor een separaat stuk, naast het ondernemingsplan. Verder
geven meerdere gesprekspartners aan dat instellingen die geen visie op diversiteit
en inclusie hadden ontwikkeld, geen gegevens paraat hadden of (nog) niet goed
wisten hoe met deze thematiek om te gaan, het actieplan als een bijkomende last
hebben ervaren. Het is logisch dat een thema dat nog niet in een organisatie is
geïncorporeerd, als een bijkomstige last wordt ervaren. Dit hoeft geen probleem te
zijn; de actieplannen waren immers bedoeld om te stimuleren. Echter kan de
verhoogde werkdruk, door de verkorte indieningstijd voor de aanvragen, het a
gevoel van ‘een extra last’ hebben versterkt voor wie meer tijd behoefde om het ee
actieplan in te vullen. ef
|
De nulmeting, een vragenlijst die voorbereidend aan het actieplan werd uitgezet, na)
is door meer dan de helft van de 250 bevraagde kunstinstellingen ingevuld en
heeft tot een cumulatieve analyse geleid.'s Daaruit bleek onder andere dat vrijwel
alle instellingen zich met diversiteit en inclusie bezighouden, maar niet allemaal
even concreet. Ook bleek het bereiken van een divers personeelsbestand als het
4 Deelrapport aanvragers procesevaluatie vierjarige regeling 2021-2024.
15 Rapport Nulmeting diversiteit en inclusie kunstinstellingen van de afdeling
Onderzoek, Informatie en Statistiek, Gemeente Amsterdam.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 41
lastigst te worden ervaren en is er ruimte voor verbetering van fysieke
toegankelijkheid.
Zodoende leidde de nulmeting tot een zekere indicatie van trends en
aandachtspunten, wat bruikbaar kan zijn voor toekomstig beleid. Ook zou een
vervolgmeting de effecten van het huidige beleid omtrent diversiteit en inclusie
kunnen aantonen. Echter zet Blueyard kanttekeningen bij de methodiek. Het
invullen van de nulmeting was namelijk facultatief. In een volgende ronde zou de
vragenlijst door andere instellingen ingevuld kunnen worden, waardoor de
analyse niet goed te vergelijken is met de nulmeting. Bovendien werd in de
interviews kritiek geuit over de anonimiteit van de nulmeting, waardoor er in de
analyse geen onderscheid gemaakt kon worden tussen aanvragers van het AFK en
de Amsterdam Bis. Ook zou het zo kunnen zijn dat vooral instellingen die belang
hechten aan diversiteit en inclusie de moeite hebben genomen de nulmeting in te
vullen, waardoor het wellicht een te positief beeld geeft.
Functies
Met de toekenningen van de functieplekken is het in principe gelukt om meer
diversiteit in de Amsterdam Bis te halen. Of de Bis als geheel (dus de instellingen
op naam meegerekend) een inclusiever karakter heeft gekregen, moet nog blijken
uit komende ontwikkelingen. Mits goed wordt gemonitord hoe de Amsterdam Bis
uiteindelijk met diversiteit omgaat in de periode 2021-2024 en welke resultaten al
dan niet worden geboekt op dat vlak.
Meerdere gesprekspartners geven aan dat de functietoekenningen ook tot
onbegrip hebben geleid. Met name bij het afvallen van instellingen die
bekendstaan om diversiteit in bijvoorbeeld hun aanbod en personeel goed bij de
beleidslijnen zouden passen. Dit wringt des te meer omdat ook sommige
instellingen op naam een negatieve beoordeling op het criterium hebben gekregen.
Reparaties: effect op diversiteit en inclusie?
Alle direct betrokken gesprekspartners maken zich zorgen over de mogelijkheid
dat de budgettaire verschuivingen voor het bekostigen van de reparaties, een
negatieve impact hebben op kleine instellingen en individuele makers. Deze a
partijen zijn veelal afhankelijk van projectsubsidies. Dat er nu minder middelen tE
… . . . KN
zijn voor de projectenregeling kan een extra nadelig effect betekenen voor de verf
diversiteit van het aanbod en bereik, alsook voor de diversiteit onder 2
gesubsidieerde makers en andere betrokkenen. Doorgaans wordt geconstateerd D
dat grassroots-initiatieven ‘organischer’ bijdragen aan diversiteit en inclusie van
het veld, omdat daar bijvoorbeeld meer onderbelichte verhalen worden verteld.
Ook komen er allerlei initiatieven of projecten tot stand doordat personen of
groepen uit de samenleving zichzelf ondervertegenwoordigd zien in culturele
instituten, of daar geen aansluiting bij voelen.
Blueyard constateert dat de reparaties met middelen uit de projectenregeling
vooral ten goede zijn gekomen aan de grotere instellingen die 4-jarig ondersteund
worden, terwijl deze regeling daar niet voor bestemd was. Bovendien loopt de
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 42
aanwas voor cultureel diverse aanvragers in de volgende vierjarige regeling ook via
de route van de projectenregeling en de regeling ontwikkeling. Deze ingreep staat
daarmee haaks op het beleid, waarin meer aandacht is voor diversiteit, makers en
kleine initiatieven.
7,2. Spreiding
In deze evaluatie kijken we wat er terecht is gekomen van het beleidsvoornemen
om meer oog te hebben voor een betere spreiding over de stad. Hier wordt door de
gemeente op in gezet in de gedachte dat wanneer kunst en cultuur voor iedereen
nabij is dit bij kan bijdragen aan sociale cohesie en persoonlijke ontwikkeling.
We schetsen een beeld zoals dat naar voren komt uit gesprekken met de
stadsdelen en zoomen in op de afstemming tussen de verschillende actoren.
Uit de enquête blijkt dat 27% van de aanvragers meer aandacht besteedde aan
spreiding. De overige 73% besteedde evenveel aandacht als voorheen. Bij het AFK
en Bis op functie zijn vergelijkbare uitkomsten te zien. Bij de Bis op naam
besteedde slechts 13% van de aanvragers meer aandacht aan spreiding.
Figuur 13: In welke mate de Hoofdlijnen van invloed zijn geweest op de aandacht voor
spreiding van activiteiten over de stad (AFK n=112; BoN n=t5; BoF n=7; Totaal n=134).
100%
80%
60%
m Meer
40% m Evenveel
20%
0%
AFK Bisop naam Bis op Functie Eindtotaal za
Ki
Ook voor spreiding is gevraagd hoe aanvragers het advies op dit punt beoordelen ef
en hoe zij hun eigen vermogen inschatten om bij te dragen. |
(aa)
Van het totaal van alle aanvragers vindt 24% dat de commissie in redelijke tot
grote mate recht doet aan de bijdrage aan spreiding (Figuur 13). Het grootste deel
(51%) is hier neutraal over. Dat beeld komt terug bij de andere categorieën. Over
de inschatting van hun eigen bijdrage zijn de aanvragers explicieter. Van hen vindt
42% de bijdrage groot tot redelijk groot en 27% vindt die klein tot redelijk klein.
Bij de Bis op naam is de uitkomst het meest uitgesproken. Daarvan is 53% positief
over die bijdrage en 40% ziet een bescheiden bijdrage.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 43
Figuur 14: In welke mate aanvragers vinden dat de commissie in het advies recht doet aan de
bijdrage aan spreiding (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135).
100%
86%
80% m (Redelijk)
Groot
60% 53%
49% = Niet klein en
niet groot
40% 34% 33%
9 Redelijk
20% 18% 13% 14% Kein Jo
LT TD ”
0%
AFK Bis op naam Bis op Functie
Figuur 15: Hoe aanvragers het vermogen van hun organisatie inschatten om bij te dragen aan
spreiding (AFK n=113; BoN n=15; BoF n=7; Totaal n=135).
100%
80% m (Redelijk)
67% Groot
60% 57%
43% n Niet gen en
40% — 35% 35% 34% 08700
27%
(Redelijk)
20% .
0%
0% mm
AFK Bis op naam Bis op Functie
Beoordelingscriterium
Spreiding is in de beoordelingskaders opgenomen onder het criterium ‘belang
voor de stad’. Wanneer we inzoomen op het criterium zien we in de Hoofdlijnen =
dat er met name gekeken wordt naar het aanbod. Oftewel, weet een instelling een <
programmatische verbinding te leggen met instellingen of bewoners uit Pe
omliggende buurten, maar ook andere buurten in de stad. Bij de beoordeling door |
de adviescommissies zowel bij AFK als bij de Kunstraad wordt er gekeken naar of De
en hoe er met andere instellingen wordt samengewerkt en of dit op basis van
gelijkwaardigheid en wederkerigheid gebeurt.
Bij het AFK wordt spreiding benoemd als zowel het cultuuraanbod, als het
publieksbereik ervan. Nog specifieker wordt er gevraagd of de aanvrager
activiteiten ontplooit en publiek bereikt buiten de stadsdelen Centrum en Zuid. De
Kunstraad kijkt breder naar dit criterium. Bereik van diverse groepen uit andere
stadsdelen met aanbod in Centrum of Zuid werd ook als spreiding gezien.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 44
Blueyard constateert — mede op basis van de gesprekken — dat juist de verschillen
in de invulling en beoordeling op het criterium spreiding bij het AFK en de
Kunstraad bijdragen aan onbegrip bij de aanvragers.
7,3. Verbinding met de stadsdelen
In de Contouren is aangekondigd dat er afgestemd zou worden met de stadsdelen.
Daarbij wordt niet gespecifieerd waarover en met welk doel. In het stedelijk
overleg is er op ambtelijk niveau regelmatig overleg geweest over de Hoofdlijnen.
Uit gesprekken met de bestuurders en ambtenaren uit de stadsdelen blijkt dat dit
overleg op prijs wordt gesteld. Stadsdelen pleiten wel voor een duidelijkere
markering van momenten in het proces waarop zij input kunnen leveren,
gekoppeld aan voldoende tijd om dit op een kwalitatieve wijze te kunnen doen.
Hierbij wordt verwezen naar de Hoofdlijnennota, die op bestuurlijk niveau
weliswaar voor input en feedback is voorgelegd, maar waarbij de responstijd te
kort was (slechts een aantal dagen) om hier gedegen werk van te kunnen maken.
Effect van centralisering
Door centralisering hebben de stadsdelen minder invloed op het cultuurbeleid in
hun eigen stadsdeel.'é Stadsdelen geven wel uitvoering aan de stedelijke regeling
Gebiedsgebonden kunst- en cultuuractiviteiten. Daartoe stellen de
stadsdeelbesturen ieder jaar een bijbehorend Uitwerkingsbesluit vast waarin de
verbinding wordt gelegd met de gebiedsplannen en de lokale situatie/behoeften.
Uit deze budgetten kan eenmalige ondersteuning worden gegeven. Stadsdelen
ervaren echter wel dat het moeilijk is om samenhang en doorstroom te realiseren
voor initiatieven die vanuit de regeling Gebiedsgebonden kunst- en
cultuuractiviteiten worden ondersteund naar het Kunstenplan. Terwijl ze hier wel
kansen toe zien. De stadsdelen zouden afstemming willen over de inzet van deze
middelen in samenhang met de projectregelingen bij het AFK.
Blueyard constateert uit de gesprekken dat er kansen liggen om de stedelijke
regeling Gebiedsgebonden kunst- en cultuuractiviteiten meer te benutten als
doorgeleiding naar de regelingen bij het AFK (of andersom). Dit vereist een
structurele afstemming tussen de stadsdelen en AFK, om kansrijke initiatieven op
te sporen en te begeleiden in deze doorgroei. De cultuurverkenners van het AFK a
zouden hierin wellicht een (grotere) rol kunnen spelen. Zij zijn al actief in de ee
buurten en kennen de spelers. ef
=
Profielen ca
In de totstandkoming van de Hoofdlijnen is de stadsdelen gevraagd een profiel op
te stellen. Deze profielen beschrijven waar de stadsdelen zich met cultuur in
onderscheiden en wat hun speerpunten voor cultuur zijn, gekoppeld aan de
bredere gebiedsplannen. De concepten van de profielen zijn gedeeld en vervolgens
zijn ze bestuurlijk vastgesteld en opgenomen als bijlage in de Hoofdlijnen. Uit
16 Evaluatie Totstandkoming Amsterdamse Kunstenplan 2017-2020, APE, maart 2018.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 45
verschillende gesprekken blijkt dat de precieze functie van de profielen niet voor
alle stadsdelen duidelijk is.
Blueyard is van mening, met een aantal gesprekspartners in de stadsdelen, dat in
de ontwikkeling van Amsterdam als een meerpolige stad de profielen nog meer
kunnen bijdragen aan een dialoog tussen de stadsdelen onderling en de centrale
stad. Er kan nog beter gekeken worden naar hoe de stadsdelen elk op eigen wijze
kunnen bijdragen aan het totale culturele profiel van Amsterdam.
Verbinding met AFK en Kunstraad
Daar waar de stadsdelen via de Cultuurverkenners van het AFK een verbinding
hebben met het fonds, is deze er niet met de Kunstraad. Met name in de
Verkenning zou hier volgens de stadsdelen extra aandacht aan gegeven kunnen
worden. De Kunstraad geeft aan dat de verslagen van de cultuurverkenners bij het
AFK zijn opgevraagd als input voor de Verkenning. Een wat meer direct contact
tussen Kunstraad en de stadsdelen, zou door de stadsdelen op prijs worden
gesteld. Echter realiseren ze zich daarbij ook dat de Kunstraad slechts over een
kleine staf beschikt. Blueyard suggereerde eerder in dit rapport al een meer
methodische aanpak van de Verkenning (zie pagina 21). Afstemming met de
stadsdelen kan hier onderdeel van zijn.
Speerpunten
In het beleid is ruimte gemaakt voor de ontwikkeling van kunst en cultuur in de
stadsdelen. In de evaluatie van het Kunstenplan 2017-2020 wordt reeds
geconstateerd dat de aanwezigheid van Cultuurhuizen in de stadsdelen “een
belangrijke bijdrage levert aan de pluriformiteit van het kunstaanbod en de
diversiteit van makers en publiek”7
Door de gemeente is in de afgelopen jaren ingezet op de ontwikkeling van een
aantal grootstedelijke voorzieningen ook buiten het centrum. In het Kunstenplan
2021-2024 wordt ruimte gemaakt voor een inhaalslag in de stadsdelen Noord,
Zuidoost en Nieuw-West.
We stellen vast dat de Stadsdelen Zuid en Oost nog niet over een cultuurhuis a
beschikken. In Oost is er wel een ontwikkeling in gang gezet, waarbij vijf ee
instellingen in een multidiseiplinair cultuurnetwerk de rol van Cultuurhuis willen ef
oppakken. In hun individuele aanvragen hebben deze instellingen specifiek |
aandacht gegeven aan deze samenwerking en hiervoor extra middelen ca
aangevraagd. Deze middelen zijn overwegend niet toegekend, waardoor de
ontwikkeling van Cultuurhuis Oost onder druk komt te staan.
7.4. Cluster Cultuureducatie
In 2017 (bij de stelselherziening) is er gekozen voor een apart Cluster
Cultuureducatie binnen het Kunstenplan, met instellingen die vanuit de subsidie
17 Evaluatie Totstandkoming Amsterdamse Kunstenplan 2017-2020, APE, maart 2018.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 46
grotendeels gratis diensten aan scholen aanbieden? Het cluster valt onder directe
verantwoordelijkheid van de gemeente vanwege de inhoudelijke samenhang met
het (gemeentelijke) onderwijsbeleid.
De afspraken met deze instellingen en het onderwijs maken deel uit van het
convenant Basispakket. Dit convenant loopt synchroon met het landelijke
bestuurlijke akkoord Cultuur en Onderwijs 2013-2023. Landelijke en lokale
bestuurders hebben voor een langere looptijd gekozen om te zorgen voor een
structurele verankering van cultuur in het onderwijs. Op dit moment is
vernieuwing van het convenant en de looptijd ervan onderwerp van gesprek op
landelijk en lokaal niveau. Of er een nieuw convenant komt staat nog niet vast.
De Kunstraad pleit, bij een mogelijke beëindiging van het convenant en opheffing
van het cluster, om de betreffende instellingen binnen de Amsterdam Bis te
plaatsen. Dit vanwege hun belangrijke maatschappelijke en onmisbare rol voor de
stad. Wij achten het verstandig om deze constructie eerst juridisch te toetsen.
Beoordeling
Het AFK is door de gemeente verzocht om de instellingen uit het Cluster
Cultuureducatie te beoordelen, waarbij de bestaande afspraken met scholen (die
een financiële vertaling hebben) het uitgangspunt waren. Het budget voor
muziekeducatie is voor de periode 2021-2024 met € 400.000 gekort door het niet
continueren van de subsidie voor muziekeducatie aan het Concertgebouw en aan
Muziekschool Amsterdam Noord, om ruimte te maken voor een ophoging van de
subsidie met € 400.000 aan Aslan Muziekcentrum en Het Leerorkest.
Niet voor al onze gesprekspartners was duidelijk dat de verdeelsleutel voor
verdeling van het budget op basis van afspraken met scholen over de instellingen
gehandhaafd moest worden. Omdat het om grotendeels gratis diensten aan
scholen gaat is voor deze instellingen een uitzonderingspositie gecreëerd ten
opzichte van de overige instellingen in het Kunstenplan, waarvoor een beoordeling
wel degelijk tot financiële gevolgen kon leiden, zowel in positieve als in negatieve
zin.
a]
Blueyard is van mening dat het verstandig zou zijn om de instellingen binnen het ee
cluster op gelijke wijze te beoordelen als de overige 4-jarigen en daar indien nodig ef
ook financiële consequenties, positief dan wel negatief, aan te verbinden. Dit |
draagt bij aan de integraliteit van het Kunstenplan en een eenduidige beoordeling. ca
Bovendien is het niet uit te leggen waarom deze instellingen vrijgesteld zijn van
concurrentie. De voorkeurspositie die gemeente geeft aan muziekeducatie,
vanwege het convenant, beperkt de kansen van andere aanvragers.
Tijdens deze evaluatie is de vraag naar voren gekomen waar de beoordeling van
het Cluster Cultuureducatie het meest geëigend is: bij het AFK of bij de
18 Vanaf 2021 bestaat het Cluster Cultuureducatie uit de volgende instellingen: Aslan
Muziekcentrum, Het Leerorkest, Muziekschool Amsterdam en Stichting Educatieve Projecten
(SEP).
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 47
Kunstraad? Als we uitgaan van de structurele aard en werking van de instellingen
en het convenant kunnen ze als onderdeel van de Amsterdam Bis worden
beschouwd. De inhoudelijke expertise voor beoordeling zit zowel bij het AFK als
bij de Kunstraad. Om de kennis over het gehele veld bij het oordeel te betrekken
en het onderwerp cultuureducatie integraal te benaderen raden wij aan om ook in
de commissie educatie te werken met dubbel-adviseurs.
Ingrepen
Ondanks dat het cluster niet openstond voor nieuwe aanvragers zijn er wel
ingrepen gedaan door toevoeging van de Stichting Educatieve Projecten (SEP) en
het Jongerencultuurfonds Amsterdam. Er is geschoven met budgetten binnen het
cluster (door onder meer onderbesteding bij Mocca vanwege verminderde
activiteiten in het coronajaar 2020) en er is een toevoeging gedaan aan het budget
door een onttrekking aan de reserve Kunstenplan voor financiering van SEP. SEP
heeft aangevraagd bij het AFK, maar is toegevoegd aan het cluster omdat het AFK
vanuit de 4-jarige regeling onvoldoende budget had om de aanvraag te honoreren.
Het college oordeelde dat de coördinerende en faciliterende rol van SEP zowel
voor scholen als het netwerk van cultuureducatieprofessionals van belang is. De
toevoeging van het Jongerencultuurfonds Amsterdam aan het cluster is
budgetneutraal geweest.
Een kritische beoordeling van Muziekschool Amsterdam heeft geleid tot een
tussentijdse evaluatie. Een positieve beoordeling van Aslan Muziekcentrum en Het
Leerorkest hebben geleid tot een extra bijdrage. Voor Het Leerorkest betrof dit een
bijdrage voor uitbreiding van de buitenschoolse cultuureducatie en voor fair pay,
bij Aslan Muziekcentrum voor extra huisvestingslasten en fair pay.
Fair pay
We constateren dat Aslan Muziekcentrum en Het Leerorkest een hogere subsidie
hebben gekregen, waarmee ze onder meer in staat werden gesteld om aan het
principe van fair pay te voldoen. Tegelijkertijd stellen we ook vast dat niet alle
instellingen binnen het Kunstenplan die omwille van fair pay een hogere subsidie
hebben aangevraagd, deze ook hebben gekregen. We zouden verwachten dat
hierin een meer eenduidige lijn zou zijn gevolgd. jaN
na
Blueyard constateert dat het Cluster Cultuureducatie binnen het Kunstenplan 5
feitelijk functioneert als onderdeel van de Bis, maar dan met een langere looptijd a
dan vier jaar. Fi
Blueyard adviseert om bij verlenging van het convenant te overwegen om de
looptijd beter aan te sluiten op die van het Kunstenplan door bijvoorbeeld een
looptijd van twee keer vier jaar aan te houden in dezelfde ritmiek als het
Kunstenplan. Dit gezien het feit dat veel instellingen in het Kunstenplan intensief
samenwerken met instellingen uit het cluster en vice versa. Er is daarmee deels
ook sprake van onderlinge afhankelijkheid.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 48
®
8. Conclusies en
e
aanbevelingen
We vatten in dit hoofdstuk de conclusies en aanbevelingen samen voor de
evaluatie van de totstandkoming van het Kunstenplan 2021-2024. Dit doen we in
dezelfde volgorde als die van de drie hoofdonderwerpen die we benoemen in de
inleiding en hanteren dezelfde volgorde als in dit evaluatierapport, te weten:
=De integraliteit van het Kunstenplan.
= Het proces van totstandkoming van het Kunstenplan, inclusief lastendruk.
"Aandacht voor een aantal beleidsthema’s en eerste ervaringen hiermee.
De conclusies en aanbevelingen zijn gebaseerd op de gesprekken die we voerden,
de documenten die we bestudeerden, de enquête onder aanvragers met een
respons van 54% en de afstemming met de onafhankelijke begeleidingscommissie.
Tussentijdse resultaten zijn besproken met de gemeente, de Kunstraad, de ACI en
het AFK, waar mogelijk zijn reacties verwerkt. Zoals gevraagd in de opdracht bij
deze evaluatie, geven we een onafhankelijk oordeel over de totstandkoming van
het Kunstenplan. We geven aan wanneer iets een oordeel is van Blueyard.
In de inleiding gaven we al aan dat de onderliggende vraagstelling breed is, het
proces van de totstandkoming een uitvoerig proces is en het systeem complex. Dat
maakt het rapport uitgebreid. Deze conclusies en aanbevelingen zijn daar een
verdichte weergave van, waarin we soms vaktermen gebruiken en bepaalde kennis
van het Kunstenplan als bekend veronderstellen. Waar mogelijk proberen we de
lezers die beginnen (en eindigen) bij dit hoofdstuk mee te nemen in de
belangrijkste bevindingen uit deze evaluatie. Met daarbij de kanttekening dat niet
alle bevindingen meegenomen konden worden in deze samenvatting.
De conclusies en aanbevelingen zijn samengenomen per onderwerp: de
integraliteit, de totstandkoming en de eerste ervaringen. Voorafgaand daaraan, 8
benoemen we een algemene conclusie. <
5
8.1. Algemene conclusie J
We constateren dat het Kunstenplan met veel zorg en aandacht tot stand is
gekomen. En dat er deze periode in het proces van totstandkoming vanuit
politieke wil duidelijk is ingezet om een aantal beleidsprioriteiten te stellen. In die
zin is het proces van totstandkoming en het Kunstenplan zelf, misschien meer dan
voorheen, tot een actief onderdeel gemaakt van een actueel maatschappelijk debat
over inclusie en verbinding met alle Amsterdammers.
Tegelijkertijd constateren we dat het Kunstenplan als systeem te complex is
geworden. Mede door ingrepen in het systeem in deze periode, die bovenop
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 49
ingrepen kwamen uit voorgaande periodes. Dat heeft zijn weerslag op het proces
van totstandkoming. Dat is nu niet alleen een lang proces, maar door de vele
keuzes en uitwerkingen die het systeem vraagt, eveneens een complex proces.
Complexiteit maakt het systeem en het proces minder inzichtelijk. Dat is in de
eerste plaats nadelig voor aanvragers. Het vergt inmiddels bijna specialistische
kennis om alle stappen van het proces en alle aspecten van het systeem te
doorzien. Dit geldt al voor instellingen die nu deel uitmaken van het Kunstenplan.
Laat staan hoe ingewikkeld het is voor nieuwe toetreders.
In de tweede plaats wordt het systeem zelf kwetsbaar. De legitimatie van gemaakte
en nog te maken keuzes wordt complexer en daarmee aanvechtbaar. Voor een
systeem waarin schaarse middelen worden verdeeld en waarbij er scherpe keuzes
moeten worden gemaakt, is dat onwenselijk.
Aanbeveling
Onzes inziens is de grootste opgave om te bekijken hoe het systeem eenduidiger en
inzichtelijker kan worden, en het proces eenvoudiger en effectiever. Zodat het voor
iedereen begrijpelijk en toegankelijk is. En waar nodig recht doet aan verschillen.
Hiervoor doen we in dit hoofdstuk een aantal concrete aanbevelingen.
8.2. Een integraal Kunstenplan
De gemeente gaat uit van één integraal Kunstenplan. Wij concluderen dat er
sprake is van één beleidsvisie. Die is helder en wordt algemeen geaccepteerd en
onderschreven als het cultuurbeleid van Amsterdam.
Er is geen integraal systeem. Het systeem in Amsterdam kent een tweedeling in
een Amsterdam Bis en een deel overige aanvragers; binnen de Amsterdam Bis is
er ook een tweedeling in een Amsterdam Bis op naam en op functie. Er zijn
verschillende werkwijzen van de uitvoerders AFK en de Kunstraad. Volledige
integraliteit is ook niet nodig. Op nationaal niveau is er een Bis en zijn er de
Rijkscultuurfondsen. Dat zijn twee aparte beleidsinstrumenten die werken vanuit
één beleidsvisie op cultuur.
a]
Geen verbinding met beleidsdoelstellingen KS
Er is gekozen voor een strategische Amsterdam Bis die is verbonden met periodiek fi)
variabele beleidsdoelstellingen. Deze keuze is onvoldoende onderbouwd en geeft en
een zwak punt in het systeem. Het leidt tot een aantal risico’s, zoals: periodiek en
veranderende invloeden op wat tot de Amsterdam Bis behoort en wat niet, een
brede en mogelijk onduidelijke onderbouwing van de samenstelling van de
Amsterdam Bis en daardoor meer grensproblematiek: wat hoort wel bij de
Amsterdam Bis en wat niet en waarom precies. Dit staat los van het belang dat
wordt gehecht aan een inclusieve Amsterdam Bis.
Het creëren van een representatieve en inclusieve Amsterdam Bis kan rekenen op
draagvlak. Wij pleiten voor een duurzame oplossing om dit te bereiken. Het
vereiste om voorbeeld stellend te zijn, is dat niet. Het is een gemiste kans om
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 50
diversiteit en inclusie niet op te nemen in de selectiecriteria voor de Amsterdam
Bis, zoals met goed werkgeverschap wel is gebeurd.
Beperkte waarde van functies op beleid
We concluderen dat de toevoeging van de functies op beleidsprioriteiten, een
stevige beleidsimpuls is geweest om het thema diversiteit en inclusie te agenderen
in de Amsterdam Bis. We concluderen ook dat de functies als systeemingreep het
geheel complexer maken. En dat de onderbouwing ervan gebrekkig is.
Doordat de functies zijn gekoppeld aan beleidsprioriteiten per periode biedt het
instellingen die zijn benoemd in de Amsterdam Bis op functie geen zekerheid. Dit
werd wel beoogd met de invoering ervan. Het biedt een symbolische waarde om
benoemd te zijn als voorbeeld stellend.
De onderbouwing van een voorbeeldfunctie in de functies is te weinig concreet en
leidt daarmee onvoldoende tot een transparante toewijzing. De voorbeeldfunctie
heeft als criterium nadelen, bijvoorbeeld omdat het andere goed presterende
instellingen dit keurmerk onthoudt. Deze instellingen kunnen net zo goed
inspirerend zijn voor de sector. Het leidt bovendien onnodig tot een tweedeling
tussen instellingen in de Amsterdam Bis (met en zonder keurmerk) en ten
opzichte van instellingen bij het AFK (zonder keurmerk).
Aanbeveling
Voor Amsterdam kan de aansluiting op het landelijk systeem profijtelijk zijn, zoals
ook blijkt uit de adviezen van de Kunstraad. In dat perspectief is het aan te
bevelen om eenzelfde indeling te hanteren: één beleidsvisie, vertaald in twee
beleidsinstrumenten die onderling overeenkomsten en verschillen kunnen
hebben. Deze worden dan voor aanvragers inzichtelijk gemaakt.
Het doel van een representatieve en inclusieve Bis vertrekt vanuit de constatering
dat de Bis vernieuwing nodig heeft. Blijkbaar biedt het huidige systeem hiervoor te
weinig ruimte en is het te gesloten. Daarom adviseren wij als vertrekpunt: een
funderend maar open systeem. Hiervoor zijn meerdere modellen denkbaar.
a]
Blueyard adviseert voor de Amsterdam Bis om minimaal diversiteit en inclusie als ee
vaste vereiste op te nemen voor alle instellingen. Net als met goed werkgeverschap ef
Is gebeurd. Instellingen worden gevraagd om naar vermogen bij te dragen aan een |
representatief en inclusief aanbod en bereik in de stad. De aan beleidsdoelen en
verbonden functies vervallen. Diversiteit en inclusie kan als criterium voor alle
instellingen blijven bestaan.
In het geval dat Amsterdam kiest voor aansluiting op het landelijke stelsel en een
Amsterdam Bis die ruimte biedt aan vernieuwende functies en rollen, adviseert
Blueyard, als een van de mogelijke opties, een functiemodel te overwegen. Dit
biedt de mogelijkheid om zowel funderende functies en wenselijke voorzieningen
te definiëren, als om functionele rollen te benoemen. Zoals er ook in de landelijke
Bis een functie voor de rol van ontwikkelinstelling is. Bovendien biedt het de
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 51
mogelijkheid om in een eigentijdse onderbouwing een vereiste zoals diversiteit en
inclusie niet alleen als persisterende waarde op te nemen maar ook mee te nemen
in een heroriëntatie op de benodigde disciplines in de Amsterdam Bis.
Aanvullend op een funetiemodel is een Vrije ruimte nodig, gericht op dynamiek in
de sector en doorstroom naar de Amsterdam Bis op functie. Over de omvang van
en balans tussen beide onderdelen doen wij geen uitspraken. Noch over de rollen
van de Kunstraad of het AFK in de beoordeling. In beide organisaties is relevante
expertise aanwezig.
Aandachtspunten bij dit model, ten opzichte van de Amsterdam Bis op naam, zijn:
= Dat er oog moet zijn voor een goede balans tussen functies en Vrije ruimte.
=_Dat de besluitvorming over de toekenningen voor de functies moet zijn
afgerond, alvorens de advisering voor de Vrije ruimte van start gaat.
= Dat het leidt tot dubbel aanvragen van instellingen die een poging wagen voor
de Amsterdam Bis en bij afwijzing een aanvraag indienen voor de Vrije ruimte.
= Dat een systeem met meer dynamiek, zoals een functiemodel, vraagt om een
beoordelingsproces dat efficiënt uitvoerbaar en juridisch houdbaar is. Dit is
vooral een aandachtspunt als er een meer open gedefinieerde functie komt,
bijvoorbeeld zoals de ontwikkelfunctie in de landelijke Bis.
Het ligt voor de hand dat de Kunstraad een advies uitbrengt over een nieuwe
structuur. Onze aanbeveling is om daarbij ten eerste de expertise en ervaring van
het AFK nadrukkelijk te betrekken, de Kunstraad is immers ook belanghebbende.
Ten tweede pleiten we ervoor om ook buiten de gebaande paden te denken en een
brede consultatie te houden onder spelers die bijdragen aan een representatieve
en inclusieve stad. Om de sector goed te informeren, draagvlak te creëren en waar
gewenst inspraak te organiseren zou ook deze systeemwijziging besproken en
beargumenteerd moeten worden in een publiek debat.
Over verschillen in beoordeling
Dat de beoordelingskaders van de Kunstraad en het AFK van elkaar verschillen is
niet iedereen duidelijk. In de Hoofdlijnen is het uitgangspunt dat iedereen op
dezelfde criteria is beoordeeld. Dat geldt wel voor de hoofderiteria maar niet voor a
de afzonderlijke uitwerkingen. Zo ontstaat er verwarring over verschillen in de nd
beoordeling van de Kunstraad en het AFK. 5
>
Waar de Kunstraad met het beoordelingskader dicht bij de beleidscriteria en de D
uitwerking blijft, maakt het AFK een vertaalslag. Die maakt het fonds als
zelfstandig bestuursorgaan vanuit een eigen verantwoordelijkheid. Bovendien
heeft het AFK gegronde juridische en organisatorische redenen om het proces
houdbaar, inzichtelijk en uitvoerbaar te maken. Zo is het inhoudelijk te verdedigen
dat binnen het criterium diversiteit en inclusie de nadruk wordt gelegd op
culturele diversiteit. Het nadelige effect is dat er voor aanvragers onbegrepen
verschillen kunnen ontstaan in de beoordeling. Naar ons oordeel is het AFK (naast
de gemeente) verantwoordelijk om onbegrip over verschillen te voorkomen.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 52
Vanuit het perspectief van de aanvragers gaat het om de balans tussen:
"welke nadere uitwerking van criteria noodzakelijk is voor een uitvoerbare en
juridisch houdbare procedure,
"welke uitwerking beleidsmatig en organisatorisch wenselijk is en
"welke mate van uitwerking mogelijk is als het vertrekpunt is om te werken
vanuit één algemeen geldende beleidsvisie.
Dit maakt een eenduidig begrip van de beoordeling bij aanvragers en adviseurs
mogelijk. Gemeente en AFK zouden het samen over de balans eens moeten zijn.
Aanbeveling
Het is van belang voor aanvragers inzichtelijk te maken op welke onderdelen de
criteria of de uitwerking daarvan gelijk zijn en waar niet. Zoals voor de uitwerking
voor de Amsterdam Bis en bij het AFK. Vervolgens is het uitgangspunt dat waar
het beoordelingskader gelijk is, de beoordeling zo gelijk mogelijk is.
Als in de uitwerking van de beleidseriteria de visie van het AFK en van de
gemeente van elkaar afwijken, zou dat duidelijk moeten blijken in het proces van
totstandkoming van het beleid en expliciet moeten worden gemaakt in de
Hoofdlijnen.
8.3. Verloop van de totstandkoming
De planning is op een aantal onderdelen niet gehaald. Dat heeft geleid tot een
verkorte indientermijn voor aanvragers en een late start van de besluitvorming.
"Voor de ontwikkelfase was er geen planning. We constateren dat de stappen in
deze fase later zijn opgestart dan in de voorgaande periode.
"In de beleidsfase heeft het proces vertraging opgelopen door onverwachte
juridische complicaties. Dit ging ten koste van de indieningstermijn voor de
aanvragers.
=_In de adviseringsfase heeft de Kunstraad de planning gehaald.
=_In de adviserings- en besluitvormingsfase heeft het AFK de planning gehaald.
=_De besluitvormingsfase voor de Amsterdam Bis liep door tot twee weken voor
de start van de kunstenplanperiode. Daardoor hebben instellingen lang in
onzekerheid gezeten.
a]
Aanbeveling pi
Blueyard is van mening dat de gemeente meer regie had kunnen voeren op het Pa
realiseren van de planning, bijvoorbeeld ook door de Kunstraad te vragen vroeger |
adviezen voor het Kunstenplan uit te brengen. Ook had de gemeente ervoor fl
kunnen kiezen geen nieuwe inbreng uit kunstenplanadviezen van de Kunstraad
mee te nemen na de debatten met de sector.
De gemeente is de regisseur van het proces van de totstandkoming en zou die rol
beter kunnen organiseren door uit te gaan van een vaststaande planning voor de
procedure elke vier jaar. Naast een vast ritme, is het ook het overwegen waard om
eerder te starten met de procedure.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 53
Publiek debat over een stelselwijziging
Het was chiquer geweest als de stelselwijziging, die uiteindelijk uitmondde in de
toevoeging van de functies, onderdeel was geweest van een debat met de sector.
Dit om de sector goed te informeren en draagvlak te creëren. Dat de inrichting en
samenstelling van de Amsterdam Bis vooral via informeel overleg tot stand is
gekomen, zien we als een effect van een gebrekkige planning en van onvoorziene
omstandigheden door juridische belemmeringen.
Op basis van deze evaluatie kunnen we geen constateringen doen bij de vraag of
de juridische obstakels eerder voorzien hadden kunnen worden. Dat zou een
nadere juridische analyse vragen.
Naar onze mening had de Kunstraad een signaal kunnen afgeven over de
wenselijkheid van transparantie en een publiek debat over een stelselwijziging.
Het heeft immers ook gevolgen voor de transparantie van het eigen adviesproces
en de rol als onafhankelijk adviseur van het college en de gemeenteraad.
Aanbeveling
Een langdurig en op onderdelen complex proces met vele actoren kan niet vaak
genoeg helder in beeld en onder de aandacht worden gebracht. Het verdient
aanbeveling om zowel naar de sector, als naar de betrokken gemeenteraadsleden
informerende bijeenkomsten gericht op het proces en niet op de inhoud te
organiseren. Dit kan zowel bij aanvang als in updates tijdens het proces.
Voor voldoende transparantie in het proces is het aan te bevelen om tijdig
opdrachten te formuleren voor de (aanvullende) adviezen van de Kunstraad. Alle
adviezen die raken aan het Kunstenplan dienen bekend te zijn voorafgaand aan de
debatten met de sector.
Omdat de periodieke vaststelling van cultuursubsidies een verdeling is van
schaarse middelen, die vallen onder de Algemene Wet Bestuursrecht, is het aan te
bevelen om altijd een juridische toets te doen. In ieder geval bij elk advies of
ingreep die uitgaat van een verandering.
a]
De Verkenning als startpunt ee
De Verkenning zelf geeft relevante inzichten voor de Contouren. Doordat de ef
gemeente in de opdracht voor de Verkenning al aandachtspunten meegeeft, is dit |
het feitelijke startpunt. Nu wordt de publicatie van de Verkenning gezien als a
startpunt van de cyclus en de Contouren als het startpunt van beleid. Hoe eerder
er inzicht is in de beleidsaccenten hoe eerder de sector en betrokken actoren
daarop kunnen reageren of anticiperen.
Aanbeveling
Wij adviseren gehoor te geven aan het verzoek van de AFK en de sector aan de
Kunstraad om de Verkenning uit te voeren met een meer methodische aanpak. Zo
zouden van tevoren de onderzoeksvragen en onderwerpen gedeeld kunnen
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 54
worden met de gesprekspartners en zou beter inzichtelijk gemaakt kunnen worden
waarop bevindingen gebaseerd zijn en hoe adviezen onderbouwd zijn.
Contouren en het doel van de debatten
In de Contourennota werd direct duidelijk wat de belangrijkste beleidsprioriteit
zou worden: diversiteit en inclusie. Dit was het meest concreet uitgewerkt. Het is
terecht dat dit een belangrijk onderwerp was tijdens de debatten met de sector.
Dat de gemeente de betrokkenheid van de sector organiseert, wordt gewaardeerd.
De invulling ervan wordt door de sector als te weinig richtinggevend ervaren. Het
programma van de debatten is erg breed en gericht op een open dialoog. Het
ontbreekt aan een doelstelling bij wat de debatten zouden moeten opleveren.
De ACI opereert op momenten meer als vertegenwoordiger van de sector dan als
belangenbehartiger, omdat deelbelangen ruis veroorzaken. Daardoor ontbreekt
het de culturele sector in Amsterdam op deze momenten aan een eenduidige
belangenbehartiging.
Aanbeveling
Omdat de debatten wel op prijs worden gesteld, adviseren we de doelstelling van
de debatten van tevoren helder te formuleren, en ook de uitkomsten te delen met
de sector. Dit om te voorkomen dat ze aan belangstelling en betekenis verliezen.
Een agenda voor belangenbehartiging voor de culturele sector van Amsterdam, al
dan niet met een onderscheid naar Amsterdam Bis en Niet-Amsterdam Bis, zou
een kwalitatieve impuls zijn voor de discussie over het cultuurbeleid van
Amsterdam en de hele totstandkoming van het Kunstenplan.
Hoofdlijnen worden gedeeld
De beleidsprioriteiten uit de Hoofdlijnen worden door de sector breed gedeeld en
gewaardeerd. De vertaalslag naar beleidseriteria is over het algemeen duidelijk.
Het is voor de sector en de raadsleden onduidelijk dat met het vaststellen van de
Hoofdlijnen er tegelijk twee verschillende beoordelingskaders worden vastgesteld.
Hierin ligt de basis voor verschillen in beoordeling door de Kunstraad en het AFK. a
Ki
Aanbeveling Pr
Met de Hoofdlijnen wordt de ontwerpfase afgerond en worden de regels voor het |
Kunstenplan bepaald. Het belang van deze processtap mag explicieter toegelicht De
worden, met name aan de raadsleden, die op dat moment besluiten nemen die ook
later in het proces impact hebben. Het mag duidelijker zijn wat behoort tot de
algemeen geldende beleidsvisie en waar er verschillen zijn.
Goede adviezen en goede samenwerking
De adviezen van de Kunstraad en de adviezen en besluiten van het AFK zijn tijdig
afgerond en als voldoende beoordeeld. De afstemming tussen de Kunstraad en het
AFK in de voorbereiding op de advisering en over de dubbel aanvragers, verliep
naar tevredenheid.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 55
Door het verschil in werkwijze tussen AFK, doordat AFK op grote schaal
(onderbouwde) keuzes moet maken, en Kunstraad blijft er bij aanvragers een
beeld hangen dat het AFK strenger oordeelt dan de Kunstraad. Dat verschil
contrasteert voor hen met het uitgangspunt van een integraal Kunstenplan.
Aanbeveling
Een verbeterpunt bij de Kunstraad kan zijn dat een kritisch oordeel wordt
opgevolgd met een kritisch advies. Bijvoorbeeld in een toekenning onder
voorwaarden, zoals een ja, mits… of nee, tenzij. Bij het AFK kan een verbeterpunt
zijn om voorzichtig te zijn in al te specifieke uitwerkingen van de criteria. Dat
voorkomt onbegrepen verschillen.
Toegenomen lastendruk
Zoals te verwachten viel is de administratieve lastendruk voor aanvragers
gestegen. Dit komt onder meer door het extra actieplan dat moest worden
opgesteld, dat dubbel aanvragers meer tijd nodig hadden en mogelijk door de
ervaren tijdsdruk door de verkorte aanvraagtijd.
Het uitvoeren van een nulmeting is nuttig, maar had beter op een ander moment
gekund. Door het uit het aanvraagproces te halen en later te doen, had dit tot
minder druk voor de aanvragers geleid. Een verplichtend karakter had bovendien
voor een betere representativiteit gezorgd.
Aanbeveling
Minder complexiteit, oftewel meer eenvoudige en inzichtelijke procedures,
kunnen de lastendruk verlichten.
Een quick win is om nut en noodzaak van de gevraagde informatie in formulieren
af te wegen tegen de lastendruk. De gemeente kan vervolgens een heroverweging
maken van de gevraagde hoeveelheid informatie.
Het afstemmen van de in formulieren gevraagde gegevens en informatie met de
landelijke Bis of de Rijkscultuurfondsen, kunnen leiden tot minder lastendruk.
a]
Heroverweeg het meten van de lastendruk voor het Kunstenplan. Veruit de meeste ee
aanvragers hebben toch een meerjarenplan. Zij vragen ook subsidie aan buiten de ef
gemeente en bij private fondsen. Wat het effect van het Amsterdamse beleid is op |
de lastendruk is naar ons oordeel niet goed te meten. Het is natuurlijk mogelijk fl
een diepteonderzoek te doen. Daarvan vragen we ons af of het tot concrete
aanbevelingen kan leiden die voor aanvragers echt een verschil kunnen maken.
Besluitvorming conform de regels
De besluitvorming bij het AFK is volgens de regels verlopen. Dat er discussie was
naar aanleiding van enkele subsidiebesluiten van het AFK is niet verwonderlijk
omdat bij het AFK de meeste scherpe keuzes gemaakt moeten worden wegens een
beperkt budget.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 56
De discussie over de instellingen onder de zaaglijn is versterkt door de
omstandigheden, zoals:
= Dat de inschatting voor het budget voor de discipline theater onjuist was.
= Dat de benoemingen in de functies vooral een effect had op hetzelfde budget.
= Dat het midden in de eoronacrisis moeilijk is om instellingen onder de zaaglijn
definitief te laten vallen.
=_Dat er op onderdelen verwevenheid was met de gemeentelijke rol voor
vastgoed en erfgoed.
"Een beperkt cultuurbudget versus een bloeiende sector met veel instellingen
die blijkbaar kwalitatief goede en honoreerbare voorstellen doen.
Gedacht vanuit de rol van het bestuursorgaan en tegen de achtergrond van de
omstandigheden is het voor ons een vraag of het terecht is om de oplossing bij het
AFK te beleggen. Het door het gemeentebestuur beschikbaar gestelde budget bij
het AFK is een gegeven. De coronacrisis is ook voor het AFK een externe factor. De
verwevenheid met vastgoed en erfgoed is voor het AFK geen criterium, zoals door
het gemeentebestuur vastgelegd in de Hoofdlijnen.
Uitzonderlijke ingreep bij het AFK
In deze omstandigheden raakte op de achtergrond dat confronterende adviezen en
pijnlijke besluiten horen bij het verdelen van schaarse middelen op basis van peer-
review. Dat staat los van het AFK, en kan ook gebeuren bij toekenningsbesluiten
door het gemeentebestuur op basis van adviezen van de Kunstraad.
Dat het gemeentebestuur het AFK heeft verzocht om een aantal gevallen onder de
zaaglijn te repareren met budget uit andere regelingen van het AFK, staat op
gespannen voet met de rol van een fonds dat juist op afstand staat en bedoeld is
om juist dynamiek — oftewel in-, door- en uitstroom — te stimuleren. Het is
waarschijnlijk dat de door de coronacrisis gevoelde druk om niemand te laten
vallen, tot deze uitzonderlijke ingreep heeft geleid.
De herstelingrepen zijn ten koste gegaan van budgetten voor de Ontwikkelregeling
en de projectenregeling. Ondanks dat er afspraken zijn over mogelijke vrijval die
ten goede kan komen aan het budget van de regelingen, zien we een risico voor de a
dynamiek en het initiatief in de sector. Dat is nadelig voor de culturele humuslaag nd
van Amsterdam en daarmee ligt er al een hypotheek op het volgende Kunstenplan. 5
>
Aanbeveling D
Neem de vooruitblik op de kwantitatieve ontwikkeling binnen disciplines mee in
de Verkenning of overweeg een externe toets op de doorrekeningen van het AFK.
Laat het AFK als fonds op afstand juist bijdragen aan een minder complex
systeem, door de aanwezige kennis en expertise te benutten. Voorwaarde is dat de
context waarin het fonds opereert goed begrepen wordt: een dynamische context
met een hoge druk op het subsidiebudget.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 57
Overweeg opnieuw om extra middelen toe te voegen aan de Ontwikkelregeling of
de projectenregeling, om vernieuwing en dynamiek in de sector te kunnen blijven
stimuleren, mede met het zicht op een volgend Kunstenplan.
8.4. Eerste ervaringen
De evaluatie omvat een inventarisatie van de eerste ervaringen. De nadruk ligt op
diversiteit en inclusie, spreiding in de stad, waaronder ook de samenwerking met
de stadsdelen, en het Cluster Cultuureducatie.
Duidelijk effect op diversiteit en inclusie
De prioriteit die is gegeven aan diversiteit en inclusie heeft veel aandacht gekregen
en in eerste aanleg al effect gesorteerd. Het merendeel van de aanvragers heeft er
meer aandacht aan besteed en er zijn uitgebreide discussies gevoerd in de sector
over het belang van dit thema. Er zijn twee aandachtspunten. Ten eerste dat er
juist op dit centrale thema verschillen in beoordeling zijn, door afwijkende
beoordelingskaders. Ten tweede dat het juist voor diversiteit en inclusie nadelig is
dat er nu minder budget is in de projectenregeling van het AFK.
Het is ons onvoldoende duidelijk geworden waarom de beleidscriteria, of meer
specifiek het criterium diversiteit en inclusie, onvoldoende houvast bieden om
vernieuwing door te voeren binnen de bestaande Amsterdam Bis. Bijvoorbeeld
door te vragen om een scherpe beoordeling en zo verandering af te dwingen.
Aanbeveling
Maak meer gebruik van de kracht van beleidscriteria. Een duidelijke (en strenge)
beoordeling in combinatie met financiële consequenties — positief dan wel
negatief — kunnen een effectief middel voor verandering zijn.
Samenwerking met stadsdelen
Er liggen kansen voor nog meer samenwerking tussen de stadsdelen onderling en
tussen de stadsdelen en de centrale stad. Afstemming kan leiden tot een
gezamenlijke visie op het samengestelde cultuurprofiel van de stad en de spreiding
van het aanbod in de stad.
a]
. na
Aanbeveling S
Zet in op een doorlopende ontwikkellijn van belangwekkende initiatieven voor de fi)
stadsdelen naar het AFK en het Kunstenplan. Kijk of de Cultuurverkenners van mi
het AFK hierin een (sterkere) rol kunnen spelen. ga
Status aparte voor Cluster Cultuureducatie
De status aparte van het Cluster Cultuureducatie leidt tot een tweedeling in
muziek- en cultuureducatie, tot vrijstelling van concurrentie en een andere
behandeling van de instellingen in dit cluster. Door de langere looptijd van de
afspraken met het onderwijs is er eigenlijk sprake van een visitatieprocedure.
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 58
Aanbeveling
Laat in het cluster financiële consequenties toe van beoordelingen voor een gelijk
speelveld in de cultuursector. Overweeg om het Cluster Cultuureducatie bij de
Kunstraad onder te brengen, gezien het structurele en langlopende karakter ervan.
Benut bij de beoordeling ook de expertise van het AFK. Zorg ondanks een langere
looptijd van afspraken dat deze is afgestemd op de cyclus van het Kunstenplan.
8.5. Tot slot: de definitiekwestie
In de inleiding constateerden we al dat het begrip Kunstenplan verschillend
gebruikt wordt. Soms als naam voor het hele beleid, soms voor de 4-jarige regeling
en soms wordt de nota met de naam Kunstenplan bedoeld. Onderstaand doen we
een voorstel waarinwe uitgaan van één beleidsvisie wordt beschreven in de
Hoofdlijnen van het cultuurbeleid en de term Kunstenplan verwijst naar de 4-
jarige regeling voor cultuursubsidies.
Hoofdlijnen Ì a
van Eén beleidsvisie
cultuurbeleid |
hoofddoelstellingen
algemeen geldende beleidscriteria
Kunstenplan nn Te
. . criterla criterla
GD
regelingen | |
Uitvoerder(s)
a]
Ki
pd
Lal
Heldere definities, een eenduidig systeem en een inzichtelijk proces zullen het |
Kunstenplan, de culturele sector en de stad Amsterdam ten goede komen. fl
Evaluatie Kunstenplan 2021-2024 59
Keizersgracht 100-104
BLU EYAR D 1015 CV Amsterdam, the Netherlands
info@blueyard.nl
research concepts funding www.blueyard.nl
|
Onderzoeksrapport
| 60
|
train
|
Gemeente Bezoekadres
Amstel 1
Amste rdam 1011 PN Amsterdam
Postbus 202
1000 AE Amsterdam
Telefoon 14 020
> < amsterdam.nl
Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam
Aan de leden van de gemeenteraad
Datum 30 juni 2020
Behandeld door Team MidzomerMokum
Bijlage 1. Infographics hoofdlijnen programmering MidzomerMokum
Onderwerp Programma MidzomerMokum — het Amsterdamse zomerprogramma en uitvoering
van de motie 430 accent (TA2020-000445) van de leden Yilmaz, Ceder en Simons
Geachte raadsleden,
In navolging van het bericht in de bijlage ‘sociale kwetsbaarheid’ van de veegbrief corona (dd. o2
juni 2020) informeren we u hierbij over de uitwerking van MidzomerMokum: het Amsterdamse
zomerprogramma voor kinderen en jongeren tussen o en 23 jaar. Het lukt in deze brief niet om
recht te doen aan de enorme variatie in, en het grote aantal activiteiten dat er tussen 4 juli 2020 en
16 augustus 2020 wordt georganiseerd. Dat is te bekijken op het afgelopen week gelanceerde
platform www.midzomermokum.nl We informeren u in deze brief op hoofdlijnen over een aantal
rode draden in de programmering.
Aanleiding MidzomerMokum
Het zomerprogramma is bedoeld als tegenwicht tegen de negatieve gevolgen van de coronacrisis
voor jonge Amsterdammers. In een levensfase waarin contact met leeftijdgenoten essentieel is,
waarin je volop in ontwikkeling bent en de basis legt voor je toekomst, hebben veel kinderen en
jongeren zich verveeld, zich eenzaam gevoeld en te weinig ondersteuning gekregen bij hun
schoolwerk of de vragen waar zij mee worstelen. Zo waren sommige ouders minder goed in staat
hun kinderen te ondersteunen bij het thuisonderwijs, en was er voor bepaalde groepen jongeren
geen alternatief voor de sportclub of het bewegen in de openbare ruimte waardoor ze veel binnen
hebben gezeten, in doorgaans kleine woningen. En de leefwereld van heel veel jongeren werd
ingeperkt door het wegvallen van bijvoorbeeld culturele activiteiten. De maatregelen die als
gevolg van covid-1g genomen zijn hebben op bepaalde groepen Amsterdammers meer impact en
vergroten daardoor de al bestaande ongelijkheid in kansen. In het coalitieakkoord heeft het
college aangegeven het belangrijk te vinden om kansenongelijkheid met alle mogelijke middelen
te willen bestrijden. MidzomerMokum biedt deze kinderen en jongeren een positief perspectief in
aanloop naar de start van het nieuwe school- of werkjaar, in een zomervakantie waar meer dan
andere jaren veel kinderen en jongeren in de stad zullen zijn. De opzet en uitvoering van
MidzomerMokum ligt in het verlengde van de motie van de leden Yilmaz, Ceder en Simons inzake
aanpak Coronavirus (onderzoek naar de achterstand van leerlingen)”. Het college beschouwt de
motie hiermee als afgehandeld.
* Motie 430 accent (22-04-2020) van de leden Yilmaz, Ceder en Simons vraagt het college 1. Te kijken op welke manier eventuele
achterstanden zoveel mogelijk kunnen worden ingelopen buiten de reguliere schooltijden om alvorens met het volgende leerjaar
te beginnen en 2. De raad hierover tijdig te informeren.
Een routebeschrijving vindt v op www.amsterdam.nl.
Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020
Kenmerk
Pagina 2 van 5
HET AMSTERDAMSE ZOMERPROGRAMMA
|
MID ZOMERMOKUM.NL
— e n
Tijdens MidzomerMokum kunnen kinderen en jongeren in hun eigen wijk naar zomerscholen,
deelnemen aan sportactiviteiten of meedoen aan culturele workshops. We hebben een
activiteitenaanbod op het gebied van sport, cultuur en onderwijs waar duizenden kinderen in de
stad deze zomer naar toe kunnen. De extra inzet vanuit de stad is verdeeld op basis van de
spreiding van kinderen en jongeren die het het hardst nodig hebben. Hierdoor investeert
Amsterdam niet gelijkmatig over de gebieden, met als doel de activiteiten daar te programmeren
waar naar verwachting de achterstanden het grootste zijn. Voor de jeugd die vanuit thuis minder
intensief, leuk of zinvolle vrijetijdsbesteding geboden krijgt.
Inhoud en bereik programmering MidzomerMokum
In het programma is ruimte voor activiteiten rondom allerlei verschillende thema's. Bij de
totstandkoming van het aanbod hebben we (zoals bij de ‘sociale basis’ gebruikelijk is) de input van
kinderen en jongeren meegenomen. Onderstaand ter illustratie een uitsnede van enkele thema’s
uit de programmering in de stad tijdens Midzomer Mokum, die in bijgaande ‘Infographics
MidzomerMokum' (bijlage 1.) uitgebreider zijn toegelicht:
= __ Kunst en Cultuur — De ambitie is om via het laagdrempelige cultuuraanbod dat in alle
stadsdelen wordt aangeboden door welzijns- en culturele instellingen duizenden kinderen
en jongeren te bereiken. Er wordt samengewerkt met diverse stedelijke partners. De OBA
biedt bijvoorbeeld wekelijks minimaal 5o verschillende culturele activiteiten door de hele
stad aan. In aanvulling hierop worden in samenwerking met Stadspas en het
Jongerencultuurfonds Amsterdam nog door ruim 25 cultuureducatieve instellingen
intensieve programma’s aangeboden (bijvoorbeeld meerdaagse workshops,
zomerkampen of cursussen van 5 à 10 lessen op het gebied van theater, muziek, dans of
beeldend werk). Door Mocca (Expertisecentrum voor cultuureducatie) wordt in overleg
met onder andere zomerscholen po en vo en zomerkampen een cultuurprogramma
verzorgd, inclusief vervoer naar de locatie.
= __ Onderwijs — Ruim 2000 plekken zomerscholen van veelal drie weken (24 dagdelen) in het
primair onderwijs en 1500 plekken zomerscholen van twee weken (10 dagdelen) in het
voortgezet onderwijs en het mbo. Hierbij hebben we aandacht voor groepen zoals
nieuwkomers, leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en leerlingen van
vakscholen en vmbo-leerlingen die de overstap maken naar het mbo. MBO-studenten
kunnen gebruik maken van het beschikbare zomeraanbod MidzomerMokum.
= __ Sport - Honderden uitdagende sport- en beweegactiviteiten zorgen voor een bereik van
duizenden kinderen/jongeren. Denk bijvoorbeeld aan voetbalclinics door Ajax,
sportactiviteiten voor kinderen met een beperking, schoolzwemmen dat doorgaat tijdens
MidzomerMokum en zomerkampen voor minimajongeren in samenwerking met
sportaanbieders
Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020
Kenmerk
Pagina 3 van 5
= Natuur en Techniek - Activiteiten op het gebied van natuur en techniek. Denk
bijvoorbeeld aan programma’s op diverse schooltuinen, de vele activiteiten in de
stadsdelen vanuit brede talentontwikkeling, en de workshops in de Maakplaatsen van de
OBA.
= Media - Diverse activiteiten op het gebied van media. Denk bijvoorbeeld aan het maken
van je eigen film of rap, kinderpersbureaus maar ook een weekprogramma waarbij de
oudere doelgroep (14-20 jaar) een kijkje gaan nemen in de wereld van TV, radio, muziek
en reclame.
" Jongerenwerk — Geïntensiveerde inzet van het jongerenwerk, met een focus op de
oudere groep jongeren (16+). Het jongerenwerk heeft alle 6 weken een programmering en
maakt daarbij een combinatie van het online aanbod dat sinds de coronacrisis is
ontwikkeld en offline aanbod. Met bijvoorbeeld mooie nieuwe initiatieven zoals een
combinatie van sportaanbod én leer/werk trajecten in de horeca of bij lokale partners uit
de buurt. Of een activiteit waarbij jongeren onder professionele begeleiding aan de slag
gaan met het maken van een film over discriminatie en racisme.
= _ Aandacht voor doelgroepen — In het programma is er ook extra aandacht voor bijzondere
doelgroepen. Denk aan coachingssessies voor meiden, aanbod voor kinderen die
gehuisvest zijn in vormen van begeleid wonen en voor jongeren die jeugdhulp krijgen,
zodat ook zij een leuke zomer hebben (en ouders wat verlichting hebben van de
zorgtaken).
Het is de ambitie van het college om kinderen en jongeren van verschillende stadsdelen met elkaar
in contact te brengen en zodoende ontmoeting te stimuleren en daarnaast jongerenbuiten hun
stadsdeel te laten profiteren van de mooie stedelijke instellingen die onze stad rijk is. In de geest
van de motie ‘Samen sport en spel, stimuleer ontmoeting ook buiten school’? van de raadsleden
Boomsma (CDA) en Martinn (VVD), is hier ook tijdens MídzomerMokum aandacht voor. Via een
aantal activiteiten halen we de barrières weg die het moeilijk maken deze ontmoeting mogelijk te
maken (onder andere vervoer), waarmee we nieuwe groepen bij elkaar en bij de culturele parels
van onze stad brengen.
Belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat activiteiten worden uitgevoerd volgens de richtlijnen en
kaders van het RIVM, zodat iedereen veilig kan deelnemen. Daarnaast vinden we het belangrijk
dat activiteiten plaats vinden in een fysiek en sociaal veilige omgeving en er geen ongezond eten
en drinken wordt aangeboden, niet gerookt, geen alcohol geschonken en geen reclame gemaakt
voor ongezonde producten. Zo wordt het een leuke, leerzame en gezonde zomer.
Toeleiding en inschrijving activiteiten
Aan de meeste activiteiten van MidzomerMokum kunnen kinderen en jongeren kosteloos
deelnemen, en andere tegen een (kleine) vergoeding. Hiermee hopen we de toegankelijkheid van
de activiteiten voor iedereen te garanderen. Het actief toeleiden en bereiken van kinderen en
jongeren is de grootste uitdaging bij MidzomerMokum. Het grootste gedeelte van de activiteiten
blijft daarom ook lokaal, dicht bij huis in de vertrouwde omgeving van de buurt; omdat zo de kans
het grootste is dat we de groep die we willen bereiken ook daadwerkelijk kunnen bereiken. Naast
de netwerken van de verschillende aanbieders in de stad, die in de haarvaten van onze wijken en
buurten opereren, hebben we hiervoor aanvullende acties ondernomen:
2? Motie 1326 (11-07-2019) van de leden Boomsma en Marttin inzake het beleidskader PIEK-aanpak 2019-2023 (Samen sport en
spel: stimuleer ontmoeting ook buiten school)
Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020
Kenmerk
Pagina 4 van 5
"Om de juiste kinderen en jongeren te stimuleren en in te schrijven voor de zomerscholen
in het po, vo en de verschillende ‘losse activiteiten van MídzomerMokum, hebben de
schoolbesturen (po en vo) en mbo-instellingen een belangrijke rol in het onder de
aandacht brengen van het gevarieerde activiteitenaanbod. Zij zijn afgelopen week
geïnformeerd over MidzomerMokum.
"Jongerenwerkers en andere welzijnswerkers, ouders en kind adviseurs, veiligheidspartners
(wijkagenten, regisseurs van individuele aanpakken, straatcoaches, handhaving),
medewerkers van jongerenpunten en andere professionals worden goed op de hoogte
gehouden van het aanbod, zodat zij kinderen en jongeren er naar kunnen verwijzen en
voor motiveren. Ook spelen zij een rol bij de signalering en doorgeleiding van kinderen en
jongeren waarbij tijdens het zomerprogramma duidelijk wordt dat ze een andere vorm
van (bijvoorbeeld psychosociale) ondersteuning nodig hebben.
= Allerlei professionals rondom jongeren zijn gevraagd een rol te vervullen in het onder de
aandacht brengen van het activiteitenaanbod. Denk aan schoolcontactpersonen (zoals
vakdocent bewegingsonderwijs, brede school coördinator), inzet van
sportbuurtwerkpartners en sleutelfiguren in de wijk, en tevens inzet van bekende sporters
als rolmodel.
= Een uitgebreide social media campagne, met gerichte inzet op de doelgroep en
mogelijkheden om gedurende de looptijd van MidzomerMokum bij te sturen; zowel in
programmering als in (extra) promotie voor bepaalde activiteiten.
= Een pilotproject waarbij een groep van 150 leerlingen onder begeleiding zijn of haar eigen
MidzomerMokum programmaweek samenstelt en volgt.
Financiële component MidzomerMokum
De gemeente investeert in de opzet en uitvoering van MidzomerMokum ruim 5,5 miljoen euro. De
dekking hiervan is voor maximaal 4 miljoen euro gevonden via een claim op de ‘noodkas corona’.
Daarnaast is er activiteitenaanbod geïntensiveerd via het anders besteden van lopende subsidies
en opdrachten met aanbieders, en door ruimte te creëren in verschillende begrotingen. Onder
andere in programma 4 (kunst, cultuur en erfgoed), programma 5 (onderwijs), programma 6
(sport) en programma 8 (volksgezondheid, jeugd en zorg — inclusief budgetten stadsdelen).
Vanaf het collegebesluit op 2 juni 2020 is de organisatie en het programma voor MidzomerMokum
in korte tijd op poten gezet. We zijn ervan overtuigd dat er nu een stevige basis ligt voor zes
leerzame, sportieve en culturele weken voor de Amsterdamse jeugd. Met, voor én door de stad!
We denken hiermee niet alleen een investering te doen voor aankomende zomer, maar door
intensieve samenwerking tussen directies en stadsdelen een werkwijze te hebben ontwikkeld die
ons in de toekomst van meerwaarde kan zijn bij uitdagingen en ambities van onze stad. Denk
bijvoorbeeld aan de mix van activiteiten ter ondersteuning van het onderwijs, vanwege het
lerarentekort.
Gemeente Amsterdam Datum 30 juni 2020
Kenmerk
Pagina 5 van 5
We zullen u in het najaar informeren over de resultaten en evaluatie van de eerste editie van
MiídzomerMokum. Hierbij zullen we uitgebreider stilstaan bij de resultaten, bovenal om op basis
hiervan een perspectief schetsen voor een eventueel vervolg op de eerste editie MidzomerMokum.
Met vriendelijke groet,
gd
Simone Kukenheim
Aaen ns
Touria Meliani
Wethouder Kunst en Cultuur
| Ei
LE | Oo OO
, ’ la
Marjolein Moorman
Wethouder Onderwijs, Armoede en Inburgering
|
Motie
| 5
|
discard
|
> < gemeente Raadsinformatiebrief
| msterdam Afdoening motie
Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam
Datum 15 september 2023
Portefeuille(s) Openbare Ruimte en Groen
Portefeuillehouder(s): _ Melanie van der Horst
Behandeld door Verkeer en Openbare Ruimte, a.cannoo@amsterdam.nl
Onderwerp Afdoening motie 459 van de leden Moeskops (D66), Noordzij (PvdA), Garmy
(Volt), Koyuncu (DENK) en Wijnants (VVD) inzake betere
klimaatbestendigheid bij het planten en/of herplanten van bomen in
Amsterdam
Geachte leden van de gemeenteraad,
In de vergadering van de gemeenteraad van 19 juli 2023 heeft vw raad bij de behandeling van
agendapunt 3, motie 459 van de raadsleden Moeskops, Noordzij, Garmy, Koyuncu en Wijnants
aangenomen. Daarin wordt het college gevraagd om:
- Wegens de nu al opwarmende stad en vooruitlopend op de onderzoeksresultaten die
waarschijnlijk in de loop van 2024 beschikbaar komen, bij het planten of herplanten van
bomen in Amsterdam, met name in de buurten die een hoog risico vormen bij hittestress,
meer rekening te houden met boomsoorten die hittestress voorkomen.
Het college geeft als volgt uitvoering aan de motie:
Wij benadrukken het belang van bomen die hittestress kunnen reduceren en houden hier dan ook
rekening mee. Onderzoek naar klimaatbomen wordt door ons actief gevolgd. We brengen deze
kennis in praktijk door bomen te kiezen die bijdragen aan het voorkomen van hittestress. Dit wordt
geborgd door middel van het Handboek Groen welke door ontwerpers en boomtechnisch adviseurs
wordt gebruikt. De inhoud van het Handboek Groen wordt continue bijgehouden met verwerking
van de nieuwste ontwikkelingen en inzichten. ledere 1 tot 2 jaar wordt een actualisatie geleverd als
basis van de plantkeuze. De eerstvolgende actualisatie Handboek Groen staat gepland voor
vaststelling eind 2023.
Hierbij is nog wel op te merken dat de boomkeuze samen met bewoners wordt gemaakt. Zij
hebben soms andere wensen ten aanzien van de inrichting van hun straat. We zullen daarbij het
belang van hittestress voorkomende bomen benadrukken.
Het college beschouwt de motie hiermee als afgehandeld.
Met vriendelijke groet,
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
í dl Ai, eb. Ds
(} EU Ie SN
mn De / En >
Melanie van der Horst
Wethouder Openbare Ruimte en Groen
|
Motie
| 1
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 2049
Datum indiening 24 september 2019
Datum akkoord 10 december 2019
Publicatiedatum 10 december 2019
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid A.L. Bakker inzake de herplantplicht na
bomenkap en de zware storm.
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragenstelster:
Bij bomenkap geldt in principe een herplantplicht. De aanvrager kan deze plicht
afkopen door de monetaire boomwaarde van de gekapte boom in een fonds te
storten wat de gemeente gebruikt om bomen te planten: het herplantfonds.
De fractie van de Partij voor de Dieren vindt dat bomenkap te allen tijde voorkomen
moet worden. Mocht er toch kap plaatsvinden, dan zou de herplant niet langer dan
noodzakelijk moeten duren. Op 11 september 2019 deed wethouder Ivens in de
raadscommissie Wonen, Bouwen en Groen de mededeling dat het herplantfonds
naar schatting na 2020 leeg zal zijn. Dit terwijl er bij de publicatie van de laatste
Voorjaarsnota in mei 2019 nog 1,7 miljoen in het herplantfonds zat. De gemeente liep
pijnlijk achter met het herplanten van bomen.
Gezien het vorenstaande heeft het lid A.L. Bakker, namens de fractie van de Partij
voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van
Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en
wethouders gesteld:
1. Aan welke geplante bomen zal het tegoed in het herplantfonds zijn opgemaakt na
2020 naar schatting? Op welke locaties zijn deze bomen (dan) te vinden?
Antwoord: Op dit moment (november 2019) staat de teller op ruim 1.600 bomen.
Geschat wordt dat het totaal aantal geplante bomen bij uitputting van het
herplantfonds op circa 3.000 bomen zal uitkomen.
De bomen worden op diverse locaties door de hele stad geplant; o.a. bij scholen,
in het Westelijk Havengebied en in het Amsterdamse Bos. Maar ook op
particuliere grond worden bomen via de subsidieregeling honderden bomen
geplant.
2. Hoeveel geld wordt er gemiddeld aan het herplanten van een boom uit het
herplantfonds uitgegeven?
Antwoord: Op dit moment ca. € 1.100 per boom.
€ 1.821.651 uitgegeven voor 1.621 bomen = € 1.124 per boom
1
Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer wo bcember 2019 Schriftelijke vragen, dinsdag 24 september 2019
Dit is een gemiddelde voor bomen die via de subsidieregeling door particulieren in
hun eigen tuin worden geplant en bomen die in de openbare ruimte (straten)
worden geplant.
Het planten van een stevig formaat boom in de straat, waarbij de boom onder
goede groeiomstandigheden uit kan groeien tot volle wasdom kost gemiddeld ca.
€ 3.000
3. Hoeveel geld wordt er gemiddeld per gekapte boom ter compensatie in het
herplantfonds gestort?
Antwoord: Uitgangspunt is dat gekapte bomen worden gecompenseerd door één
of meerdere bomen. Mocht dit niet kunnen dan moet de monetaire boomwaarde
wordt vastgesteld, conform een landelijke rekenmethode van de Nederlandse
Vereniging van Taxateurs voor bomen (N.V.T.B).
De berekening houdt met verschillende factoren rekening. Zo zijn dicht
opeenstaande jonge bomen in een spontaan opgegroeide bosschage, veel
minder waard, dan een solitaire oude boom op een markante locatie. De waarden
kunnen uiteenlopen van € 50 per boom tot zelfs € 50000 en meer.
Omdat de grootheden zo ver uit elkaar liggen voor zulke verschillende situaties, is
het niet mogelijk om een representatief gemiddelde te geven.
4. Registreert het college de opgelegde herplantplicht bij toegekende
kapvergunningen in de bomenadministratie?
Antwoord: Ja, hieronder een voorbeeld van de bomenboekhouding over het
eerste kwartaal van 2019.
Stadsdeel Aantal Aantal Aantal | Aantalkap |Opgelegde | Storting in
Aanvragen | aangevraagde kap geweigerd | herplant | herplantfonds
bomen vergund
|
Centrum _|___z0| ___ 28| zo) 8} ss} eol
Nieuw-
West 17 76 76 50 €o
West \__ u 6 ul 9} ul eol
Zuidoost |___ 5 «| wl ou} eol
oo | | 28 ze ol | ez74s8
| sal gel al al asl et
2019 970 917 53 935 €17.458
2
Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer wo bcember 2019 Schriftelijke vragen, dinsdag 24 september 2019
5. Op welke wijze en met welke regelmaat controleert het college de uitvoering van
een opgelegde herplantplicht?
Antwoord: De Omgevingsdienst (OD) controleer actief of voldaan wordt aan de
Herplantplicht. Bij de stadsdelen is dit reactief: de herplant wordt alleen
gecontroleerd als er een handhavingsverzoek is ingediend.
6. Heeft het college scherp in beeld bij welke toegekende kapvergunningen nog niet
aan de herplantplicht is voldaan?
Antwoord: De registratie vindt plaats bij de stadsdelen en de Omgevingsdienst.
Stadsdelen kunnen dit checken in hun registratiesysteem, maar er is geen
stadsbreed overzicht.
7. Watis de stand van zaken met betrekking tot het vervangingsprogramma van de
bomen die met de laatste hevige storm in de nacht van woensdag op
donderdag 6 juni 2019 zijn omgewaaid?
Antwoord: Het betreft in totaal 229 bomen. Deze stormbomen maken deel uit
van het stadsbrede vervangingsprogramma 2020/2021. We starten dit
plantseizoen (november — maart) nog met de kap en herplant van bijna 1.800
bomen die vanuit veiligheid moeten worden gekapt. Dit is een omvangrijke
operatie. In het plantseizoen van november 2020 tot maart april 2021 worden de
stormbomen herplant.
8. Heeft het college al in beeld of alle bomen vervangen gaan worden op dezelfde
locatie en wanneer dit zal gebeuren?
Antwoord:
In principe wordt elke boom 1-op-1 herplant op dezelfde locatie. Daarbij wordt
eerst gekeken of de plantplaats wel geschikt is voor aanplant van een nieuwe
boom. Er moet voldoende onder- en bovengrondse groeiruimte zijn. Het kan zijn
dat het pal onder de plantplaats vol zit met kabels en leidingen. In dat geval wordt
de nieuwe boom iets opgeschoven of wordt uitgeweken naar een alternatieve
plantlocatie. Bij voorkeur zo dicht mogelijk in de buurt. Ook in situaties waar
bijvoorbeeld een grote boom met een brede kruin boven de plantplaats hangt
wordt er niet altijd een nieuwe boom direct onder de kruin geplant. Deze bomen
hebben nauwelijks kans om goed te kunnen groeien.
9. Hoe beschermt het college herplante bomen om te voorkomen dat deze vanwege
de kleine stamomtrek buiten de Bomenverordening om onterecht op een kaplijst
worden gezet?
Antwoord: De bescherming van deze pas geplante bomen is geregeld in de
Bomenverordening; Artikel 3 ‘Verbod om te vellen’, lid 4. Hier staat:
‘Het is verboden zonder vergunning of jaarvergunning van het college een
houtopstand te vellen of te doen vellen die op grond van artikel 7 of artikel 9 is
geplant, ook als deze nog niet de omvang heeft bereikt als bedoeld in artikel 1,
onder b.’
3
Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R
weing Jo4o Gemeenteblad
ummer - -. .
Datum 10 december 2019 Schriftelijke vragen, dinsdag 24 september 2019
Anders gezegd: Voor een boom die niet voldoet aan de omtrekmaat voor een
kapvergunning, maar als jonge boom geplant is als compensatie voor de gekapte
boom, is toch een kapvergunning nodig. Doel van dit artikel is dat dat pas
geplante (compensatie)bomen ook worden beschermd.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris
4
|
Schriftelijke Vraag
| 4
|
discard
|
Zorgen &
Ervaringen
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam
Amsterdam, september 2020
Colofon:
Kwetsbaar en weerbaar in Coronatijd
Zorgen en ervaringen van Marokkaanse en Turkse
ouderen in Amsterdam
Verkennend onderzoek van EMCEMO en HTIB
Onderzoeksperiode: 15 juli - 15 september 2020
www.emcemo.nl
www.htib.nl
E-mail: info@emcemo.nl
E-mail: info@htib.nl
2 Zorgen & Ervaringen
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 3
Inleiding
Net als andere kwetsbare groepen hebben ook Ad 1. Inkomen, huisvesting, remigratie
oudere Turkse en Marokkaanse Amsterdammers een
zeer moeilijke tijd beleefd tijdens de Coronacrisis. * Er zijn aanwijzingen dat de kortgeleden
veranderde regels van de AIO (aanvullende
Het was een periode waarin de sociale en maatschap- inkomensvoorziening ouderen) tijdens Corona-
pelijke achtergestelde positie van deze groep extra crisis (maart t/m juni 2020) onverminderd hard
duidelijk werd, namelijk dat deze ouderen in een gehandhaafd zijn. Terwijl deze door minister
situatie terecht kwamen waar ze met armoede, Asscher (2012-2017) veranderde regeling,
uitsluiting en eenzaamheid te maken hebben gekregen. waarbij eigendom ook in het land van her-
Daarnaast kwamen tijdens de lockdown bij deze komst niet groter mag zijn dan 12.450 euro, al
ouderen bovendien nieuwe problemen naar boven, grote problemen heeft veroorzaakt. Mensen
waaronder de zorgen over de plaats en het land van die jarenlang gespaard voor en geïnvesteerd
de ter aarde bestelling in geval van overlijden. hebben in een huis in het herkomstland, waar
ze na hun pensionering gebruik van zouden
EMCEMO en HTIB, zelforganisaties voor respectievelijk kunnen maken, moeten hun eigendom nu
Marokkaanse en Turkse Nederlanders, organiseren opgeven, als ze in aanmerking willen komen
daarom een conferentie voor gemeentelijke beleid- voor de AIO. De problematische gevolgen
smakers en uitvoerders om deze algemene en van deze regeling moeten erkend worden, de
specifieke problemen voor het voetlicht te brengen handhaving hiervan moet onderzocht worden
en om oplossingsrichtingen te verkennen. Ervaringen de regeling moet veranderd worden en de
uit de praktijk zullen deze problemen illustreren. handhaving tijdens Coronacrisis tijdelijk
worden versoepeld;
Enerzijds hebben we te maken met de gevolgen van
het landelijke beleid (Coronamaatregelen, AIO- * Hoe speelt het huisvestingsbeleid in op de
uitkering, huisvesting en remigratievoorwaarden), perspectieven van remigratie? Regelingen zijn
waarvoor de gemeentelijke uitvoerders onvoldoende veranderd en het perspectief moet worden
oog hebben. Anderzijds is er sprake van de gevolgen bijgesteld? Tegen welke kosten?
van gemeentelijk beleid of het beleid op stadsdeel-
niveau, dat tot voor kort principieel ‘generiek’ was,
terwijl specifieke doelgroepen juist met specifieke Ad 2. Toegankelijkheid en inclusiviteit
problemen kampen, waarvan de gevolgen voelbaar van voorzieningen zorg en welzijn
zijn in de wijk, buurt, straat, bij buren en familie.
* De Nederlandse taal is voor deze groep
Belangrijke zorgen van Marokkaanse en Turkse migrantenouderen een obstakel. Zeker als er
ouderen, zijn: sprake is van ziekte (bijvoorbeeld dementie)
bestaat behoefte aan communicatie in de
1. Zorgen over inkomen (AOW, AIO, pensioen) eigen taal. Zorgverleners hebben onvoldoende of
- 86% van de Marokkaanse en 67% van de geen mogelijkheden om een tolk in te zetten.
Turkse ouderen leeft in armoede, tegenover Voorlichting vanuit de gemeente, ook over
11% van de Nederlandse ouderen, Het Corona, heeft deze groepen onvoldoende
remigratieperspectief speelt een rol, evenals bereikt;
het huisvestingsbeleid;
* De inzet van digitale hulpmiddelen is voor deze
2. Zorgen over gezondheid en welzijn (toegan- groepen geen oplossing. Door de grote nadruk
kelijkheid en inclusiviteit van de zorgvoor- op digitale communicatie in zorg- en welzijn
zieningen) -informatievoorziening, worden deze groepen opnieuw buitengesloten.
cultuursensitieve zorg en welzijnsaanbod; Er zullen andere wegen moeten worden
bewandeld, bijvoorbeeld via de lokale radio-
3. Zorgen over contacten binnen de familie en televisiezenders;
(mantelzorg, contact met kinderen en klein-
kinderen) en binnen bredere sociale kring *_In de ouderenzorg, zowel thuis als binnen
(moskee, andere ontmoetingsmogelijkheden). zorginstellingen en mantelzorgondersteuning
wordt een grote afstand ervaren tussen de
4. Zorgen & Ervaringen
formele en informele zorg. Binnen instellingen van hun achterban en een bijdrage leveren
is nog te weinig sprake van cultuursensitieve over de vraag op welke wijze cultuursensitief
zorg (bijvoorbeeld in muziek, voeding, aankle- gewerkt kan worden in zorgorganisaties.
ding, activiteiten en omgang met familieleden;
Ad 3. Contacten binnen familie en in wijk
* Op het gebied van de uitvaartzorg zijn de en buurt
mogelijkheden ontoereikend. De tijdens de
Coronacrisis overleden personen van Turkse * Binnen veel families verloopt de communicatie
of Marokkaanse afkomst hebben vaak niet tussen generaties moeizaam. Professionele
gebruik kunnen maken van hun uitvaartverze- ondersteuning met begeleiding van zelf-
kering die een teraardebestelling in het land organisaties zou aangeboden moeten worden.
van herkomst garandeerde. Dit heeft veel leed
veroorzaakt bij de betrokkenen. Informatie *_Ontmoetingsmogelijkheden: de huidige be-
op dit gebied is ontoereikend geweest: veel leidskaders maken een eigen ontmoetingsplek
families hebben te lang in onwetendheid of voor migrantenouderen niet mogelijk. Alleen
onzekerheid geleefd; dan in de moskee, en hooguit enkele uren
per week binnen buurthuizen. Er is behoefte
*_Welzijnsvoorzieningen zoals de Stadspas zijn aan een ruimte in eigen beheer, zoals voor
niet aantrekkelijk voor Turkse en Marokkaanse Nederlandse ouderen bestaat bij SOOP of De
ouderen, omdat de mogelijkheden van die Tweede Uitleg (https://www.tweedeuitleg.nl/).
pas te weinig aansluiten op hun behoeften en
interesses;
* De stem van de Marokkaanse en Turkse
ouderen wordt te weinig gehoord in
cliëntenraden en ouderenbonden. De rol van
migrantenorganisaties binnen de ouderenzorg
in Amsterdam zou versterkt moeten worden
door die organisaties meer de ondersteunings-
functie, brugfunctie en adviesfunctie te laten
vervullen. Zij kunnen meedenken met
instellingen over de wijze waarop de benade-
ringswijze van professionals beter kan worden
toegesneden op de leefwereld en behoeften
Kd
a Ml Fn
k et en
EED Mt en
4 € _ PARE Ek
A ee En N ' kh ie hin : en min Un À vl f
Ds Nn” A N ; ; en 2 f Ni WS
| eik ear ‘ a ze A
are Vid ae 5 KL $ EE LE 5e
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 5
Uitwerking resultaten inventarisatie
Zorgen en ervarin en van Marokkaanse
en Turkse ouderen in Amsterdam
Onderzoek Conclusie: het dilemma rond terugkeer speelt voor
Het onderzoek bestond uit een vragenlijst (Zie Resultaten: een belangrijke groep nog een rol, terwijl het meren-
bijlage 1), een aantal rondetafelgesprekken (bijlage 2) deel zich - met moeite- lijkt te verzoenen met verblijf
en interviews met Marokkaanse mantelzorgwerkers en in Nederland.
twee oudere Marokkaanse vrouwen (bijlage 3).
De vragenlijst is ingevuld door 66 personen. Aan de Wonen in Amsterdam
rondetafelgesprekken namen 150 personen deel. Van de deelnemers woont 20% alleen en het meren-
deel met familie (72,3%). Een deel van de respon-
Zes vrouwen en 59 mannen hebben de vragenlijst denten woont met plezier. Maar gevraagd naar de
ingevuld, in leeftijd variërend van 58 tot 87 jaar. De woonwensen wordt vaak genoemd: het ontbreken
meesten zijn afkomstig uit Amsterdam-West (41), van een lift, traplift, een woning op de begane grond,
waarvan 15 uit Amsterdam-Nieuw-West. De overige een kleiner huis en lagere huur. Gevraagd naar de
respondenten komen uit Amsterdam-Oost en -Zuid. woonzorgen komt de huur en de huurverhoging vaak
naar voren. Daarnaast worden genoemd: te veel
Inkomen trappen, onvoldoende woningaanpassingen, te grote
Het merendeel van de respondenten heeft AOW en te dure woning en de onmogelijkheid om een
(60%). De helft heeft daarnaast een pensioen. 43,1% geschikte woning te vinden.
heeft recht op een Aanvullende Inkomensvoorziening
Ouderen (AIO). Conclusie: er is behoefte aan woningaanpassingen,
Van de geïnterviewden gaf 30,8% aan, problemen te met name liften en trapliften. De woonlasten zijn
hebben met uitkeringen. Er is veel behoefte aan een hoog en als men wil verhuizen naar een kleinere
langer verblijf in Marokko en Turkije. Dat is nu niet woning, is die niet te vinden.
meer mogelijk.
Ook tijdens de rondetafelgesprekken met Marokkaanse
Ruim driekwart van de respondenten ontvangt een ouderen in Amsterdam kwam de woonsituatie ter
zorgtoeslag (76,9%). Dit duidt op een lage inkomen- sprake. Daarin werd geconstateerd dat er een groot te-
spositie. Velen ervaren echter problemen met de kort is aan geschikte woningen voor ouderen. Geschikte
vragen die ze hebben met hun uitkering of huur-/ woonvormen voor Marokkaanse en Turkse ouderen
zorgtoeslag. Ze ervaren te ingewikkeld waarbij vaak zijn noodzakelijk om zelfstandig te kunnen blijven
hulp gezocht moet worden. wonen, mogelijk te maken. Specifieke woonvormen
voor ouderen kunnen hier een oplossing bieden.
Conclusie: het merendeel van de respondenten heeft
een lage inkomenspositie en een derde ervaart pro- Coronacrisis en de toegankelijkheid van
blemen bij de aanvraag van toeslagen en uitkeringen. zorg- en welzijnsvoorzieningen
De maanden maart-juni 2020 gaan de geschiedenis in
Tijdens de rondetafelgesprekken met Marokkaanse als de Coronacrisis.
ouderen in Amsterdam werd geconstateerd dat veel Hoe hebben de respondenten deze periode ervaren?
ouderen in financiële problemen verkeren, onder Hoe hebben zorg- en welzijnsvoorzieningen hen in deze
meer door de gevolgen van de vele begrenzingen in periode kunnen helpen?
de sociale zekerheid op het gebied van inkomen.
“Ervaring van de Coronacrisis
Terugkeer Het algemene beeld was dat ouderen angstig waren
Op de vraag of men in de toekomst zou willen en een zorgelijke periode doormaken. Respondenten
terugkeren naar het geboorteland antwoordde ruim hebben hun leven kunnen inrichten met thuis zitten
75% negatief. Bijna 25% wil wel terug, maar ziet veel en tv-kijken. Contact met kinderen, kleinkinderen,
belemmeringen. Gedeeltelijk zijn die financieel van familie en vrienden werd node gemist, alsmede
aard (50%), maar de belemmeringen hebben vooral vakanties naar Marokko/Turkije, wat ook familie-
te maken met familieverhoudingen (81%). bezoek betekent. Ook moskeebezoek werd gemist.
6 _ Zorgen & Ervaringen
*Mantelzorg Conclusie: in vergelijking met de huisarts lijken
Volgens de respondenten maakt 83,1% geen ge- de Thuiszorg en de Wijkverpleging minder of niet
bruik van mantelzorg. Het is mogelijk dat sommige toegankelijk te zijn. Taalproblemen spelen een rol,
respondenten niet bekend zijn met deze term. Bijna ook bij de huisarts. Er is behoefte aan sleutelfiguren
70% had geen zorg nodig buiten de familie om. 30% die als bruggenbouwer fungeren tussen zorgvrager
had dus wel een zorgvraag waarvoor ze een beroep en aanbieder, bijvoorbeeld door het organiseren van
moesten doen op zorgvoorzieningen. inloopspreekuren.
*Thuiszorg In een van de interviews met Marokkaanse vrouwen
Slechts 20% van de respondenten geeft aan recht op blijkt dat het verkrijgen van de juiste zorg veel moeite
thuiszorg te hebben. Taalproblemen met de thuis- en stress kost:
zorgmedewerkers werd bij 32,3% ervaren.
Rachida heeft onlangs een operatie gehad aan haar
*Huisarts rug. Hierbij heeft ze een tijdje een medewerker van
Contact met de huisarts was mogelijk voor 81,5. Wel de thuiszorg gehad. Dit is alleen niet zo gemakkelijk
werd bij 61,5% hulp ingeroepen van een familielid gegaan. Ze heeft hier veel voor moeten doen en veel
tijdens dit contact met de huisarts. Voor 35,4% had mensen van buitenaf moeten benaderen om de juiste
de huisarts onvoldoende tijd om de vraag te beant- hulp te krijgen. Dit heeft er zelfs voor gezorgd dat ze
woorden. terug moest naar het ziekenhuis omdat haar wond
niet op tijd werd schoongemaakt. Rachida: “Ik wist
*Wijkverpleging en apotheek niet waar ik recht op had en hoe ik ervoor moest zorgen
Opvallend is dat 96,9% geen contact heeft kunnen dat ik de juiste zorg kreeg. Dit heeft ervoor gezorgd dat ik
opnemen met de wijkverpleging. in mijn herstelperiode alleen maar aan het stressen was
Voor 18,5% geldt dat zij hun medicijnen niet op tijd over de zorg die ik nodig had maar niet kreeg. Ook wist
hebben kunnen krijgen. ik niet wat ik moest doen om het te krijgen.”
*Sleutelfiguren Ook in de rondetafelgesprekken met Marokkaanse
Het overgrote deel van de respondenten (90,8%) zou ouderen kwam naar voren dat die wel behoefte
het een goed idee vinden om sleutelfiguren uit de hebben aan bijvoorbeeld hulp in het huishouden
gemeenschap te laten fungeren als bruggenbouwer/ en bij lichamelijke verzorging en verpleging, maar
intermediair tussen zorgvrager en aanbieder, bijvoor- _ dat de ouderen nauwelijks gebruik maken van
beeld door het organiseren van inloopspreekuren. zorgvoorzieningen op dit gebied, Veel Marokkaanse
ouderen met thuiszorgvragen zijn afhankelijk van
de ondersteuning die ze krijgen van hun kinderen of
' er En El zn
hm ms as Ne
De E | fi ez , e
| … |
NR ; Ei Dn
a RC À rh iks ND pe En
WE ie. ER A
“ak | En hk ‘A
EN Ad Ld pa Ram
, a jé 7e Dn Ean
„A @ . ar 57 N
Ed ; a Ie pd S A ON “ r NE
5 é SPB 4E
p, Za “5
ES ' U 8 e - nd
Un 4 4 JN RN ST
hd Mi he been scans ‚ | m =
kk N 1 k a k. ‘ KR
zr À EA
ij nn. N ï …—
|
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam _/
mantelzorgers. Ook op het gebied van psychosociale logisch aangezien de Coronadreiging een besmet-
ondersteuning blijkt dat deze ouderen nauwelijks ge- tingsgevaar met zich meebrengt.
bruik maken van de beschikbare professionele hulp.
Onwetendheid, schaamte en taboe spelen hierbij een De bewegingsvrijheid van de respondenten werd
belangrijke rol. ernstig beknot. 60% kon alleen naar de supermarkt
en verder nergens anders naartoe. Er is een grote be-
Berichtgeving over Corona hoefte (89,2%) aan een permanente ontmoetingsplek
De berichtgeving tijdens de Coronacrisis heeft gezorgd voor ouderen in de directe omgeving.
voor angst, zorg en onzekerheid. De belangrijkste
bron van informatie was de tv. Daarnaast worden Conclusie: zeker in crisistijden is de bewegingsvrij-
kinderen genoemd en ook vrienden die beter op de heid van deze ouderen beperkt. Er is grote behoefte
hoogte waren van de informatie rond Corona. aan meer ontmoetingsplekken.
Bijna 60% van de respondenten heeft de berichtgeving Ook in de rondetafelgesprekken met Marokkaanse
rond het Coronavirus niet goed begrepen. 70% kreeg ouderen komt dit naar voren. Er is een gebrek aan
hulp van familie en vrienden om die informatie beter voorzieningen op het gebied van sociale contacten
te. Liever had 83,1% van de respondenten de informatie en ontmoeting. Voor veel ouderen fungeert de mos-
over het Coronavirus in de eigen taal ontvangen. kee als enige plek voor dergelijke contacten. Met de
Bijvoorbeeld via een programma in de eigen taal Coronamaatregelen is deze mogelijkheid ook wegge-
op een lokale radio- of televisiezender (81,5% voelt vallen, waardoor mensen meer en meer in een soci-
daarvoor). Naar aanleiding van de informatie rond aal isolement terecht zijn gekomen. Sociale voorzie-
het Coronavirus is bijna 90% van de respondenten ningen op het terrein van ontmoeting zijn hard nodig
angstiger geworden. om een dreigende eenzaamheid onder deze ouderen
tegen te gaan.
Gevraagd naar de wenselijkheid om een permanente
contactpersoon in de buurt te hebben werd door Behoefte aan ontmoetingsplekken kwam ook naar
bijna 90% van respondenten geantwoord dat dit voren in de interviews met de mantelzorgwerkers:
gewenst is. ‘Wat het meest naar voren kwam in onze gesprekken
was de behoefte die vrouwen hebben om iemand
Conclusie: de berichtgeving in deze periode heeft de te hebben waarmee ze een gesprek kunnen voeren.
ouderen volstrekt onvoldoende bereikt. Dit heeft de De oudere vrouwen in Amsterdam willen gehoord
angst en zorg enorm vergroot. Informatie in de eigen worden, Ze willen een plek waar ze samen kunnen
taal, via een lokale radio- of televisiezender of via komen om over alledaagse onderwerpen te kunnen
een permanente contactpersoon in de buurt, zou een praten. Een veilige plek waarin deze vrouwen niet
bepalende rol kunnen spelen. worden gezien als de vrouw of moeder van, maar
vooral als gewoon als een onafhankelijke vrouw.’
Dagbesteding en verpleeghuis
Van de respondenten is slechts 38,5% bekend met Medezeggenschap en participatie
zorginstellingen, zoals een verpleeghuis of een Hoewel er enige bekendheid is met ouderen-
verzorgingshuis met dagbestedingsactiviteiten. 70% organisaties en cliëntenraden van zorginstellingen, en
vindt dit ook niet aantrekkelijk: Anderen (30%) ziet 29,2% werd uitgenodigd om daaraan deel te nemen,
een andere kant, dus dat deze voorzieningen nodig neemt slechts 21,5% hieraan deel.
zijn als je niet meer thuis kunt blijven wonen.
Conclusie: ouderenorganisatie en cliëntenraden zijn
Conclusie: er is onbekendheid met en weerstand op dit moment nauwelijks een plek waar de oudere
tegen zorginstellingen zoals een verpleeghuis en Turkse en Marokkaanse Amsterdammers hun stem
dagbesteding. Ook al zien sommigen nut en nood- kunnen laten horen,
zaak wel in.
Het verslag van de rondetafelgesprekken met Marok-
Sociaal netwerk kaanse ouderen sluit af met de volgende constate-
Tijdens de Coronacrisis kreeg 26,2% geen hulp van de ring: “Om de woon-, zorg- en welzijnsvoorzieningen
directe omgeving. Het is niet duidelijk of er een hulp- beter af te stemmen op de vraag en behoeften van
vraag was. Men heeft de familie zeer gemist (71,9%). deze ouderen, dienen deze voorzieningen mensen
Respondenten gaven ook aan dit te ervaren als dat uit hun doelgroep te betrekken bij het bedenken en
het beter en veiliger is voor iedereen en daarom maken van strategieën en plannen.
8 Zorgen & Ervaringen
Palliatieve zorg en uitvaartzorg -_De berichtgeving tijdens de Coronacrisis heeft
Tijdens de Coronacrisis bestonden er veel zorgen ouderen volstrekt onvoldoende bereikt. Dit
over de gang van zaken rond sterven, uitvaart en heeft de angst en de zorgen enorm vergroot.
begraven. Uit de rondetafelgesprekken met Marok- Informatie in de eigen taal, bij voorbeeld via
kaanse ouderen kwam de wens om een islamitische een lokale radio- of televisiezender, of door
begraafplaats in Amsterdam tot stand te laten komen een permanente contactpersoon in de buurt,
sterk naar voren. Het realiseren van een islamitische zou een goede rol kunnen spelen.
begraafplaats in Amsterdam verdient aandacht. …_Eris in de meeste gevallen onbekendheid met
en weerstand tegen zorginstellingen zoals een
verpleeghuis en dagbesteding.
Alle conclusies op een rij:
-_Het merendeel van de respondenten heeft een …_ Zeker in crisistijden is de bewegingsvrijheid
lage inkomenspositie en ervaart problemen bij van deze ouderen beperkt. Er is grote behoef-
de aanvraag van toeslagen en uitkeringen; te aan meer ontmoetingsplekken.
-_Het dilemma rond terugkeer speelt voor een -_Ouderenorganisaties en cliëntenraden zijn op
belangrijke groep nog een rol, terwijl het me- dit moment nauwelijks een plek waar de ou-
rendeel zich met moeite lijkt te verzoenen met dere Turkse en Marokkaanse Amsterdammers
verblijf in Nederland; hun stem kunnen laten horen (ze zijn onder-
vertegenwoordigd).
- Eris behoefte aan woningaanpassingen, met
name liften en trapliften. De woonlasten zijn
hoog en als men wil verhuizen naar een klei- …
nere woning, is die in de meerderheid van de Bijlagen:
gevallen, niet te vinden; 1. Resultaten van het Verkennend onderzoek
Zorgen en ervaringen van Marokkaanse en
-_In vergelijking met de huisarts lijken de Turkse ouderen in Amsterdam;
thuiszorg en de wijkverpleging minder of niet
toegankelijk te zijn. Taalproblemen spelen 2. Verslag rondetafelgesprekken Marokkaanse
een rol, ook bij de huisarts. Er is behoefte aan ouderen;
sleutelfiguren/intermediairs die als brug-
genbouwer fungeren tussen zorgvrager en 3. Verslag van Halima El Yousfi; gesprekken met
aanbieder, bijvoorbeeld door het organiseren 40 Marokkaanse ouderen.
van inloopspreekuren;
Î pr 4 ij 4
Vn k ed
« | nj | 75
À É In E, Es |E
| | € mss |
| | | Bn N
El e ke. | n
ame Fe dd Le nl. :
A pe ki el - k
ze En 3 ie FE] ze. P
‚ : ARE EEN Be
\| … á ed
ú pn
4 __ We »
. er
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam OQ
Bij lage 1: Resultaten inventarisatie (66 respondenten)
Zorgen en ervaringen van Marokkaanse
en Turkse ouderen in Amsterdam
a. Hoe ziet uw inkomenspositie eruit? b. Terugkeer
Hoe gaat het met uw inkomen?
Wilt u in de toekomst terug naar uw geboorteland?
Heeft u AOW? Ja 24,6%
Ja 60% Nee 75,4%
Nee 40%
Enkele toelichtingen:
Heeft u pensioen? *__ Alleen met de medewerking van mijn partner
Ja 49,2% * __Nu een vast inkomen in Nederland
Nee 49,2% * Financieel te moeilijk en te ingewikkeld
*__ Ontbreken van goede zorg geeft geen zekerheid
Heeft u recht op een Aanvullende Inkomensvoorzie- in herkomstland
ning Ouderen (AlO)? * Kinderen die hier zijn, houden me tegen
Ja 43,1% * Faciliteren om langer periodes te mogen blijven,
Nee 56,9% zes maanden per jaar
Ervaart u problemen met uitkeringen? Ziet u op tegen de kosten die dat met zich
Ja 30,8% meebrengt?
Nee 69,2% Ja 66,2%
Nee 33,8%
Toelichting:
Ik kan niet langer dan drie maanden in Marokko Ziet u belemmeringen om terug te gaan naar uw
blijven. geboorteland?
Ja 76,9%
Heeft u een WAO-uitkering? Nee 23,1%
Ja 18,5%
Nee 81,5% Zijn die financieel van aard?
Ja 50,8%
Ontvangt u kinderbijslag? Nee 49,2%
Ja 15,4%
Nee 84,6% Of heeft dat eventueel te maken met familieleden
die u achterlaat?
Heeft u recht op huurtoeslag? Ja 81,5%
Ja 64,6% Nee 18,5%
Nee 35,4%
c. Wonen in Amsterdam
Ontvangt u zorgtoeslag?
Ja 76,9% Hoe woont u op dit moment?
Nee 23,1% Sociale huurwoning, etage of eengezinswoning.
Heeft u problemen ervaren met vragen over uw uit- Welke woonwensen heeft u verder?
kering of toeslag? *_ Woning in een veilige omgeving
Ja 30,8% * Woning met een lift
Nee 69,2% * Ik wil een woning met lift of een benedenhuis of
een huis met traplift
Een toelichting: *__Nu een groot huis met lage huur
Ingewikkeld. Ik moet daar altijd hulp voor zoeken. * _Ik woon prima
10 Zorgen & Ervaringen
*__Een woning met lift of een traplift Hoe heeft u uw leven kunnen inrichten?
* Genoeg ruimte voor familieleden Thuis zitten, tv kijken
* _Rentevrij een huis kopen Ik heb me aangepast aan de situatie en aan de regels
*__ Kleiner wonen
*__ Kleiner en goedkoper wonen Wat heeft u gemist tijdens de periode rond de
*_Benedenhuis of 1 etage met traplift Coronacrisis?
* __Traplift of lift
*___Kleiner wonen op de begane grond Meeste antwoorden:
*_Kleiner huis en met lagere huur Contact met kinderen, kleinkinderen, familie en
* Woning in een schone en mooiere buurt vrienden; vakantie naar Marokko/Turkije en mos-
* _ Aangepaste woning keebezoek,
Woont u alleen? Maakt u gebruik van mantelzorg?
Ja 20% Ja 16,9%
Nee 80% Nee 83,1%
Woont u met familie? Heeft u zorg nodig gehad buiten de familie om?
Ja 72,3% Ja 30,8%
Nee 27,7% Nee 69,2%
Welke zorgen heeft u over uw woonsituatie? Heeft u recht op thuiszorg?
*__ Veiligheid in mijn buurt Ja 20%
*_ De huren worden meer en meer verhoogd Nee _ 80%
* __Hoge huur
* _ Woning wordt steeds duurder Zo ja, ervaart u taalproblemen met de thuiszorgme-
*__ Slechte service van woningcorporatie dewerkers?
*__Geen huis kunnen kopen vanwege het oplopen Ja 32,3%
van hoge vaste lasten Nee 67,7%
* __Te groot huis op een bovenverdieping zonder lift
*__Te hoge huur Kon u contact opnemen met uw huisarts?
* Ik zie mijn kinderen niet vaak genoeg Ja 81,5%
* Aanpassingen nodig voor mijn aangepaste be- Nee 18,5%
hoeften
* _ Te groot en op de derde verdieping Heeft u hulp gehad tijdens het contact met uw huis-
* _Trappenlopen en achterstallig onderhoud arts van bijvoorbeeld een familielid?
* Ik loop moeilijk daarom zou ik graag willen ver- Ja 61,5%
huizen Nee 38,5%
*__Ikkan moeilijk de trap op lopen
* _ Te groot en op de vierde verdieping Had de huisarts genoeg tijd om uw vraag te beant-
*_ Ouderdom in relatie met hoge huur woorden?
* Huurprijzen zijn te hoog, verhuizen naar een Ja 64,6%
betere woning is te moeilijk Nee 35,4%
* __ Huidige woning is niet geschikt met te veel trappen
* __ Woning op een hoge etage Enige voorbeelden bij de toelichting:
* Woning is niet aangepast voor 70+ *_ Goed contact met huisarts
* Ervaar eenzaamheid * Huisarts heeft het druk
*__De huisarts had door Coronacrisis en de vele
vragen van cliënten weinig of geen tijd
2. Gezondheid, welzijn, toegankelijk- *_Via mijn dochter heb ik contact gezocht met de
heid van voorzieningen huisarts
*_Huisarts nam de tijd voor mij
Hoe heeft u de afgelopen periode tijdens de * Ik kreeg antwoord op al mijn vragen
Corona-crisis ervaren? * _Mijn Nederlands is ontoereikend
* _ Via een e-consult ging het contact met de huis-
Meeste antwoorden: moeilijk, angstig, bezorgd. arts prima
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 1
* _ Wegens de regels en de drukte te weinig tijd Kreeg u hulp van familie en vrienden bij het begrij-
* _ Bezoek werd kort houden pen van die informatie?
*__Nam genoeg tijd voor mij Ja 70,8%
* Aardige huisarts die veel tijd voor me had Nee _ 29,2%
* __Door Corona was alles ontregeld
* Ik heb de huisarts niet nodig gehad Had u de informatie over het Coronavirus en de
* _ De huisarts was alleen telefonisch bereikbaar gevolgen daarvan liever in uw eigen taal willen
* __ Viatelefoon contact met huisarts ontvangen?
Ja 83,1%
Heeft u contact kunnen opnemen met de wijk- Nee 16,9%
verpleging?
Ja 3,1% Zou u het prettig vinden om een permanente con-
Nee 96,9% tactpersoon in de buurt te hebben?
Ja 89,2%
Heeft u uw medicijnen op tijd kunnen krijgen? Nee 10,8%
Ja 81,5%
Nee 18,5% Had u bijvoorbeeld een programma in uw eigen taal
op een bepaalde televisiezender op prijs gesteld?
Veel migrantenouderen van de eerste generatie Ja 81,5%
hebben vaak moeite om hun klachten en zorgbehoef- Nee 18,5%
ten goed te verwoorden. Dit kan enerzijds te maken
hebben met de beheersing van de Nederlandse taal Bent u angstiger geworden naar aanleiding van de
maar anderzijds ook met beperkte gezondheidsvaar- informatie rond het Coronavirus?
digheden. Ja 89,2%
Nee 10,8%
Herkent u zich in dit beeld?
Ja 81,5% Bent u bekend met zorginstellingen, zoals een ver-
Nee 18,5% pleeghuis of een verzorgingshuis met dagbestedings-
activiteiten?
Nu veel migranten zorgconsulenten zijn verdwe- Ja 38,5%
nen, kunnen sleutelfiguren uit de gemeenschap Nee 61,5%
als bruggenbouwer fungeren tussen zorgvrager en
aanbieder, bijvoorbeeld door het organiseren van Vindt u deze vorm van zorg in een verzorgingshuis
inloopspreekuren. aantrekkelijk?
Ja 30,8%
Zou u dat een goed idee vinden? Nee 69,2%
Ja 90,8%
Nee 9,2% Enige toelichting:
*__ Alleen nodig als je niet thuis kunt blijven wonen
Hoe heeft u de berichtgeving tijdens de Coronacrisis * _ Als je niet altijd kunt rekenen op je naasten
ervaren? * __Ja, wanneer er geen alternatieven zijn
Meeste antwoorden: * _ Het is nodig als het niet anders kan
Zorgde voor angst, zorgen en onzekerheid. Berichtge- * __ Als het niet alleen thuis wonen niet meer lukt
ving was onduidelijk en niet afgestemd op Turkse en * Liever bij familie blijven wonen
Marokkaanse Nederlanders. *_Ikweet niet wat het een verzorgings- of verpleeghuis is
* Minder vrijheid in een verzorgingshuis
Wat was uw belangrijkste bron van informatie tij- *_Te weinig familie in de omgeving
dens de Coronacrisis? * __ Wel handig als je alleen bent
Nederlandse tv, Marokkaanse en Turkse tv, kinderen * __ Verlies van eigen regie in verzorgingshuis
en vrienden. * __ Geen ervaring mee
* __ Geen behoefte aan
Heeft u alle berichtgeving rond het Corona-virus *__Je bent zonder familie en te weinig vrijheid in een
goed begrepen? verzorgingshuis
Ja 41,5% * __Niet aantrekkelijk maar wel nodig wanneer het
Nee 58,5% niet anders kan
12 Zorgen & Ervaringen
«Ik denk dat je niet 100% op je kinderen kunt reke- Neemt u hieraan deel?
nen als het zover is Ja 21,5%
*__Ik maak daar geen gebruik van Nee 78,5%
* __ Daarvoor heb je kinderen grootgebracht, om je
later te kunnen helpen Bent u benaderd/uitgenodigd door deze organisaties
* Een te onbekende omgeving voor mij om hieraan deel te nemen?
* __ Het is nodig. Mijn vrouw wordt ouden kinderen gaan _ Ja 29,2%
weg Nee 70,8%
* __Ik wens liever thuis verzorgd te worden
*_Het zit niet in onze cultuur Overige vragen:
Man: 90,8% (59)
3. Contacten binnen familie en Vrouw: 9,2% (7)
bredere sociale kring
Wat is uw geboortejaar?
Kreeg u tijdens de Coronacrisis hulp van familie, 1933 - 1962 (60 respondenten)
buren, vrienden?
Ja 73,8% Wat is uw land van herkomst?
Nee 26,2% Marokko 62,5% (40)
Turkije 34,4% (22)
Vond u dat u uw familieleden voldoende kon zien Nederland 1,6% (1)
tijdens de Coronacrisis?
Ja 28,1% Welk stadsdeel van Amsterdam?
Nee 71,9% Bos en Lommer 9 +1
Baarsjes 1
En wat vond u daarvan? Geuzenveld 1
* __ Bang Slotermeer 2+1
*___Het was beter en veilig voor iedereen West 6 +6+10
* __Logisch aangezien de coronadreiging West 1
* Een groot gemis Oud west 1+2
* __ Jammer, maar ook goed voor iedereen
* __ Werd er angstiger van Totaal West en Nieuw-West: 41 (waarvan Nieuw West: 15)
* _ Zeer treurig
* _ Vond het lastig De Pijp 1 +1+1
*__Niet goed voor mijn gezondheid Oud Zuid 1
*__Niet fijn Rivierenbuurt 1
*_ Jammer maar verstandig Zuid 1+1
* _ Beter om besmetting te voorkomen
* _ Begrijpelijk, gezien besmettingsgevaar Totaal Zuid 7
* _ Eenzaam gevoel
Oost 3
Kon u tijdens de Corona-crisis nog ergens naar toe Oost 2+1
behalve de supermarkt? Centrum Oost 1
Ja 40%
Nee 60% Totaal Oost 7
Niet ingevuld 2+3=5
Heeft u behoefte aan een permanente ontmoetings-
plek voor ouderen?
Ja 89,2%
Nee 10,8%
Bent u bekend met ouderenorganisaties (landelijk,
lokaal, of op buurtniveau) of cliëntenraden van
zorginstellingen?
Ja 35,4%
Nee 64,6%
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 3
Bijlage 2:
Verslag Rondetafelgesprekken met
Marokkaanse ouderen in Amsterdam
Ter voorbereiding op de conferentie Zorgen en kaanse ouderen zijn hard nodig om zelfstandig
ervaringen van Turkse en Marokkaanse ouderen in blijven wonen mogelijk te maken. Specifieke
Amsterdam op 1 oktober 2020, heeft EMCEMO een ouderen woonvormen kunnen hier een oplos-
aantal rondetafelgesprekken gehouden met Marok- sing bieden. Deze woonvormen passen ook
kaanse ouderen in Amsterdam, een groep ouderen goed in de Wet Maatschappelijk Ondersteu-
die behoort tot de eerste generatie immigranten uit ning (WMO);
Marokko. De gesprekken hebben plaatsgevonden 3) Veel Marokkaanse ouderen hebben behoefte
respectievelijk op 26 augustus 2020 bij EMCEMO; op aan hulp in het huishouden en bij lichamelij-
28 augustus 2020 in de Rivierenbuurt bij de Moskee ke verzorging en verpleging. Toch blijken zij
Ashoura; op 31 augustus 2020 in Amsterdam-Oost bij nauwelijks gebruik te maken van zorgvoor-
Studio K; op 3 september 2020 Amsterdam-West op zieningen op dit gebied. Veel Marokkaanse
het Mercatorplein; en op 5 september 2020 in Bos en ouderen met thuiszorgvragen zijn afhankelijk
Lommer op de Mansveltschool. van de ondersteuning die ze krijgen van hun
kinderen (mantelzorgers). Ook op het gebied
Doel van deze rondetafelgesprekken was om infor- van psychosociale ondersteuning blijkt dat
matie te verzamelen over de huidige situatie van Ma- deze ouderen nauwelijks gebruik maken van
rokkaanse ouderen en inzicht in hun problemen en de beschikbare professionele hulp. Onwetend-
wensen te krijgen op het terrein van wonen, zorg en heid, schaamte en taboe spelen hierbij een
welzijnsvoorzieningen. In dit kader hebben we in ver- belangrijke rol;
schillende regio's vijf buurtgerichte rondtafelgesprek- 4) Gebrek aan voorzieningen op het gebied van
ken gehouden (Oost, De Pijp, De Baarsjes, Bos en sociale contacten en ontmoeting. Voor veel
Lommer en Oud-West). In totaal hebben 150 ouderen ouderen fungeert de moskee als enige plek
aan deze gesprekken deelgenomen. Het gesprek met voor ontmoeting en sociale contacten. Met de
de aanwezige ouderen ging over de volgende vraag: coronamaatregelen is deze mogelijkheid ook
weggevallen, waardoor mensen meer in een
Wat zijn de problemen, wensen en behoeften van sociaal isolement terecht zijn gekomen. Sociale
Marokkaanse ouderen op het terrein van wonen, voorzieningen op het terrein van ontmoeting
welzijn en zorg en op welke wijze kan het aanbod zijn hard nodig om dreigende eenzaamheid
aansluiten bij de vraag en behoefte van deze oude- onder deze ouderen tegen te gaan;
ren, nu en in de toekomst? 5) Gebrek aan geschikte begraafplaatsen in Am-
sterdam en omgeving voor ouderen met een
Het is algemeen bekend dat Marokkaanse ouderen islamitische achtergrond. De wens voor een is-
diverse problemen ervaren op het gebied van ge- lamitische begraafplaats in Amsterdam is in de
zondheid, sociale contacten, wonen, inkomen en wel- coronatijd sterk toegenomen. Het realiseren
zijn. Uit deze gesptrekken met Marokkaanse ouderen van een islamitische begraafplaats in Amster-
blijkt dat er veel vragen en behoeften leven die op dit dam voorziet in een sterke behoefte;
moment extra aandacht vragen. Deze problemen zijn 6) Veel ouderen verkeren in financiële proble-
in de coronacrisis extra zichtbaar waarbij ook nieuwe men, hetgeen onder meer komt door de
problemen aan het licht komen. Hieronder een weer- gevolgen van de begrenzingen in de sociale
gave van deze problemen en wensen: zekerheid op het gebied van inkomen.
1) Geconstateerd werd dat het aanbod van
woon-, zorg, en welzijnsvoorzieningen niet Ter afsluiting. Om de woon-, zorg- en welzijnsvoorzie-
toegankelijk is of niet aansluit op de behoeften ningen beter af te stemmen op de vraag en behoef-
van Marokkaanse ouderen. Als gevolg hier- ten van deze ouderen, dienen deze voorzieningen
van blijken Marokkaanse ouderen nauwelijks mensen uit deze doelgroep te betrekken bij het
gebruik maken van deze voorzieningen; bedenken en maken van strategieën en plannen.
2) Een groot tekort aan geschikte ouderenwo-
ningen. Geschikte woonvormen voor Marok-
14 Zorgen & Ervaringen
Bij lage 3: Halima el Yousfi
Gesprekken met 40 Marokkaanse
ouderen in Amsterdam
Als input voor de conferentie Zorgen en ervaringen
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam
Inleiding Tijdens Corona
Op 1 oktober 2020 zullen EMCEMO en HTIB geza- Al deze dingen waren helaas niet mogelijk tijdens de
menlijk een conferentie organiseren. Deze conferen- Coronacrisis, wat er natuurlijk voor zorgde dat de
tie wordt georganiseerd om de positie van oudere vrouwen zich steeds meer gingen isoleren. Want de
Amsterdamse Turken en Marokkanen vooral ten tijde bijeenkomsten waar de vrouwen naar toe kunnen ko-
van de Coronacrisis, onder de aandacht te brengen men in het Tagerijn of buurthuis Mansvelt is niet voor
van de lokale politici en uitvoerders binnen zorg- en elke vrouw vanzelfsprekend. Ze hebben de optie om
welzijnsinstellingen. hier aan deel te nemen alleen als het voor hen wordt
georganiseerd, Dit komt niet alleen door het ontbre-
Onderzoek ken van financiële mogelijkheden maar ook omdat
Voor een inventarisatie besloten we ongeveer 40 ou- vrouwen vaak niet durven en niet de mogelijkheden
deren te interviewen. Dit besloten wij te doen om een hebben om dit uit zichzelf te doen. Daarom heeft
goed beeld te hebben van de situatie van de ouderen het werk dat Khadija en Saadia doen een belangrijke
voor, tijdens en na corona. Dit is een belangrijk punt functie binnen de Marokkaanse gemeenschap. Ze
voor ons onderzoek omdat het om de ouderen gaat. zorgen ervoor dat veel vrouwen binnen die gemeen-
Alvorens ik deze interviews heb afgenomen heb ik schap kunnen socialiseren, leren, en meer te weten
gesprekken gehad met twee vrouwen die heel betrok- komen over het land waar ze in leven. Dit is belangrijk
ken zijn bij stichtingen. Ik heb gesproken met Khadija omdat het niet alleen migrantenvrouwen zijn maar,
Alami van stichting Tagerijn en met Saadia van Aknarij ook de moeders die de toekomst van Nederland
West, mede bepalen. De ouderen die geholpen hebben dit
land op te bouwen en het zijn gewoon vrouwen die
Khadija Alami & Saadia onderdeel zijn van onze maatschappij.
Wat het meest naar voren kwam in onze gesprekken
was de behoefte die vrouwen hebben om iemand Interviews
te hebben waarmee ze een gesprek kunnen voeren. Tijdens een ontbijtochtend die werd georganiseerd
De (oudere) vrouwen uit Amsterdam willen gehoord door Saadia van Aknarij West zijn er een aantal Ma-
worden. Ze willen een plek hebben waar ze samen rokkaanse vrouwen die druk met elkaar in gesprek
kunnen komen om over alledaagse onderwerpen zijn. De onderwerpen verschillen van de school voor
te kunnen praten. Een veilige plek waarin ze niet hun kinderen tot aan wat ze gaan koken die avond.
worden gezien als de vrouw van of moeder van maar Ook hebben ze het over het laatste nieuws en wordt
vooral gewoon als zelfstandige vrouw. Zowel Saadia er gesproken over de studiekeuzes van hun kinderen.
als Khadija regelen regelmatig uitjes voor deze vrou- Ik kreeg de gelegenheid om een aantal vrouwen te
wen, waar heel veel vraag voor blijkt te bestaan. Een interviewen, De namen zijn in verband met de privacy
dag picknicken in het park, een tour met de boot, een van de cliënten fictief,
uitje naar Giethoorn. Ook worden er onder andere
ontbijtochtenden, workshops en voorlichtingsbijeen- Casus 1 Malika
komsten georganiseerd. Hierdoor blijven de vrouwen De 78-jarige Malika woont in Amsterdam-West. Ze
op de hoogte en kunnen zij nieuwe dingen leren, heeft twee kinderen en vijf kleinkinderen. De man
van Malika is na jarenlang ziek te zijn geweest, overle-
den. Malika komt over als een sterke vrouw die weet
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 5
wat ze wil maar ondertussen wel eenzaam is. Ze wil Afsluiting
anderen liever niet tot last zijn. Malika heeft jarenlang Voor mij was dit onderzoek heel interessant. Zelf kom
voor de gemeente gewerkt. Ook is ze meer dan 20 ik uit een familie waarin het vanzelfsprekend is dat er
jaar mantelzorger geweest voor haar man. Ze heeft altijd iemand met mij opa en oma mee kan naar een
nu AOW en een pensioen en kan nog goed haar eigen doktersbezoek, We weten altijd hoe het met hun ge-
boodschappen doen. Als ze ziek is, kan ze zelf naar de zondheid gesteld is en er is altijd wel iemand bij hen.
huisarts bellen om een afspraak maken. Als het een Tijdens dit onderzoek heb ik gezien hoe het er ook
moeilijker probleem is dan gaat haar zoon mee. Die aan toe kan gaan. Er heerst veel eenzaamheid onder
moet dan uitleggen wat het probleem precies is, Als de ouderen, Vele ouderen voelen zich niet begrepen
haar zoon een keer niet mee kan gaan dan vraagt ze en voelen zichzelf soms zelfs een last. Dit vind ik een
een ander familielid. Een contactpersoon in de wijk hele kwalijke zaak. Ze hebben iemand nodig bij wie
heeft ze niet. Dit zou ze wel handig vinden, mocht ze terecht kunnen en missen een plek waar ze samen
dat nodig zijn. Malika zou graag terug willen naar kunnen komen. Ze leven in een land waar er andere
vaderland maar heeft niemand om mee te nemen. regels heersen en waar de cultuur anders is. Dit be-
Haar kinderen zijn beiden getrouwd en hebben hun grijpen en accepteren ze zeker maar ze willen ook dat
eigen leven, Bij deze vraag wordt Malika dan ook erg er meer begrip komt voor hun specifieke situatie.
emotioneel, Malika: “Ik kan wel teruggaan maar ook
in Marokko heeft ieder zijn leven. Dan ben ik alleen
maar alleen. Hier heb ik in ieder geval mijn kinderen
en die kan ik tenminste dan nog regelmatig zien.”
Malika heeft het buurthuis Mansvelt net ontdekt en is
blij dat ze hier met andere vrouwen kan praten over
het dagelijkse leven. Ze herkent haar eigen verhaal in
andere vrouwen en is dan ook van plan om vaker te
komen.
Casus 2 Rachida
Rachida is een 67-jarige vrouw wonend in Amster-
dam-West. Rachida heeft twee uitwonende kinderen
en woont alleen. Met vochtige ogen vertelt Rachida
mij dat ze helemaal alleen woont en zich erg eenzaam
voelt. Tijdens de Coronacrisis kon ze niet op vakantie
en dit heeft een groot effect op haar gehad. Haar kin-
deren ziet ze niet vaak. Rachida: “Af en toe komt mijn
zoon langs en na een half uur zegt ie mam, ik moet
weer weg mijn vriend wacht beneden op mij.”
Al snel begon Rachida mij te vertellen over haar
afspraak met haar huisarts waar ze veel moeite mee
heeft gehad. Rachida heeft onlangs een operatie ge-
had aan haar rug. Hierbij heeft ze een tijdje een me-
dewerker van de thuiszorg gehad. Dit is echter niet zo
gemakkelijk gegaan. Ze heeft hier veel voor moeten
doen en veel mensen van buitenaf moeten bena-
deren om de juiste hulp te krijgen. Dit heeft er zelfs
voor gezorgd dat ze terug moest naar het ziekenhuis
omdat haar wond niet op tijd werd schoongemaakt.
Rachida: “Ik wist niet waar ik recht op had en hoe ik
ervoor moest zorgen dat ik de juiste zorg kreeg. Dit
heeft ervoor gezorgd dat ik in mijn herstelperiode
alleen maar aan het stressen was om de zorg die ik
nodig had, maar niet kreeg. Ook wist ik niet wat ik
moest doen om de juiste zorg te krijgen.” Het buurt-
huis is voor haar een uitlaatklep en een plek waar ze
wordt afgeleid van de dagelijkse realiteit.
16 Zorgen & Ervaringen
van Marokkaanse en Turkse ouderen in Amsterdam 1 /
|
Onderzoeksrapport
| 17
|
train
|
ET reet ET: gn
EN mr en
Huisvesting kWêtsbare zijn
gro : il ze — 4 Nregw-We Elie. ed EE
rn An OPE
ES NR On we
Er pn in ee OL en Ee
HE Ee Ee AR EE
| & eg irr) Jg My u sce
Ne Ik PEEM
ee FR & EA
En et TE B ID HH Ì
Eu ese Dld
worn EN / zhe OO Ai g ik dl dtkb added daddeh
Ewa Me OBN err ern
eN Pi IL B ae e A EN IN EEn zhe il
RAe Tete Oude: @phuisf ie naa vn On KS 8 NEE gt Â
MEE La loki 00/77 adh bj EN IN mmm: |
> < Aantal en aandeel toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen per
| gebied in Nieuw-West (periode 2016-2017)
> In Geuzenveld-Slotermeer is het aantal toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen veruit het hoogst,
> < zowel absoluut (346) als relatief (1,8% van de woningvoorraad). Dit geldt eveneens voor het percentage
verhuringen van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen (4,0%);
> In Osdorp ligt het aantal toewijzingen ten opzichte van de hele woningvoorraad iets boven het
Amsterdamse gemiddelde, maar qua percentage verhuringen van de vrijgekomen sociale
corporatiewoningen ligt het er onder;
> In Slotervaart is van de vrijgekomen sociale corporatiewoningen het laagste aandeel woningen
toegewezen aan de kwetsbare doelgroepen;
> In DASNS is er een zeer beperkt aantal woningen toegewezen aan de doelgroepen;
Verdeling 657 t ijzi kwetsbare doel d Ez : :
8de gebiedenin Nieuw-West, 2016-2017 Eoaneworingen op deden orn
346 2,0 - 45
1,8 | Em - 40
19 | 30% norm: - 35
181 4e oere Ene _ 30 m% woningvooraad
1,2 HE
110 ae | : - 25
URS 0 - 20 m% toewijzingen op
20 0,8 Em hl aantal verhuringen
_ En ol —_—_—_—_R ha
G-s Osdorp Slotervaart DASNS 0,4 == Kn | Ni - 10
0,2 Pml nier Ì á
oo _En___—_ Es _ 0
G-5 Osdorp Slotervaart DASNS Nieuw-West Amsterdam
> < Aandeel toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen per wijk in Nieuw-
| West (periode 2016-2017)
> In 3 wijken van Geuzenveld-Slotermeer worden relatief veel kwetsbare groepen gehuisvest (>1,7% van
> < de voorraad).
OO Ruim de helft van de toewijzingen in Nieuw-West is in de 3 wijken.
OO Het hoge aandeel wordt mede verklaard door het hoge aandeel corporatiehvurwoningen en aandeel verhuringen
van vrijkomende woningen in het gebied (40%).
OO De 3 wijken behoren tot de hoogste 5 in de stad in (na Zeeburgereiland (3,8%) en Volewijck (3,0%)).
> In Osdorp worden in -Oost en -Midden relatief veel kwetsbare groepen gehuisvest
> In Slotervaart worden in -Noord en -Zuid relatief veel kwetsbare groepen gehuisvest
Percentage toewijzingen kwetsbare doelgroepen op woningvoorraad op wijkniveau,
2016-2017 (alleen wijken met=>10 toewijzingen)
F77 Slotermeer-Zuidwest FAI
F76 Slotermeer-Moordoaost km:
F78 Geuzenveld LE:
F81 Osdorp-Oast 1,5
F85 Slotervaart Moord 1,1
F82 Osdarp-Midden 0,9
F89 Sloterwaart Zuid 0,8
F87 Westlanderacht La
F86 Owertoomse Veld La}
F84 Midde weldsche Akerpolder ue]
Nieuw-West
Amsterdam he:
> < Aandeel en aantal toewijzingen van nieuwe verhuringen aan de
| | kwetsbare doelgroepen per wijk in Nieuw-West (periode 2016-2017)
> Inde periode 2016-2017 zijn er 5 wijken in Nieuw-West waarin 30% of meer van de vrijgekomen sociale
corporatiewoningen zijn toegewezen aan de kwetsbare doelgroepen
> In Geuzenveld en Slotermeer-Zuidwest wordt het grootste aandeel (c.a. 45%) van de vrijgekomen
sociale corporatiewoningen toegewezen aan de kwetsbare doelgroepen. Het zijn ook wijken met een
hoge aantal toewijzingen.
% toewijzingen kwetsbare doelgroepen op totaal aantal verhuringen van sociale
corporatiewoningen en aantallen toewijzingen, op wijkniveau 2016 - 2017 (alleen
wijken met =>10 toewijzingen)
F78 Geuzenveld 110
. 157
F77 Slotermeer-Zuidwest EU
21
F87 Westlandgracht 34%
F81 Osdorp-Oost 34% 117
F76 Slotermeer-Noordoost EED 73
F85 Slotervaart Noord 28% 36 aantal toewijzingen
F84 Middelveldsche Akerpolder ts
| m % toewijzingen op aantal
F82 Osdorp-Midden Mc 62 verhuringen corporatie-
woningen
F86 Overtoomse Veld EE 18
H 35
F89 Slotervaart Zuid 13%
2x Onderverdeling toewijzingen type kwetsbare doelgroep per wijk In
> < Nieuw-West (periode 2016-2017)
> < > De doelgroep met begeleiding heeft de veruit meeste toewijzingen in Geuzenveld.
> Statushouders hebben veruit de meeste toewijzingen in Slotermeer-Zuidwest.
Re aan kwetsbare groepen
met Zeal (le
eha ashkknedden dkn ehe begeleiding begeleiding statushouders LET)
F77 Slotermeer-Zuidwest *
F81 Osdorp-Oost 13
F78 Geuzenveld * >=10
F76 Slotermeer-Noordoost >=31 * 39 79
F82 Osdorp-Midden 17 11 34 62
F85 Slotervaart Noord >=10 * 17 36
F89 Slotervaart Zuid 19 >=10 * 35
F87 Westlandgracht * * 11 21
F86 Overtoomse Veld 11 * * 18
F84 Middelveldsche Akerpolder * * * 13
* minder dan 10 waarnemingen.
> < Aantal en aandeel toewijzingen aan de kwetsbare doelgroepen per
% buurt in Nieuw-West (periode 2016-2017)
> Zowel absoluut als relatief worden de meeste kwetsbare groepen gehuisvest in de 3 buurten
> < Slotermeer-Zuid, Beerenbrouck en de Wildeman. Na de Van der Pekbuurt worden in de periode 2016-
2017 in deze 3 buurten ook het hoogste aantal kwetsbare doelgroepen in de hele stad toegewezen.
> Ten opzichte van de woningvoorraad neemt Slotermeer-Zuid de tweede positie in de stad in (na
Zeeburgereiland).
Percentage (>=1,5) toewijzingen kwetsbare doelgroepen op woningvoorraad op Aantallen
buurtniveau + aantallen, 2016-2017
0 10 20 30 40 50 60 70 50
F78d Buurt 9 (Beerenbrouck)* Bek
F8la Wildeman BeRa4
F81d Calandlaan/Lelylaan
F76a Buurt 3 (Burgermeestersbuurt)
F77d Buurt 5 Noord (L. van Deysselbuurt)
F78a Buurt 6 (Weegener Sleeswijk) REA
F77c Buurt 4 Oost (Louterbuurt) |
F87c Delflandpleinbuurt Oost EE
F77f Buurt 5 Zuid (Confucius)
|
* In Buurt 9 ontbreken vanwege privacyregels de exacte cijfers van personen zonder
begeleiding en statushouders. Bij beide groepen is dit minder dan 10 personen
> < Onderverdeling toewijzingen type kwetsbare doelgroep per buurt In
NX Nieuw-West (periode 2016-2017)
> < > Beerenbrouck heeft zowel relatief als absoluut een zeer hoog aantal toewijzingen met begeleiding
(resp.3,3% en 73). Ook op stedelijk niveau heeft zij veruit het hoogste aantal.
> Ook de Wildeman en Burgermeesterbuurt hebben absoluut en relatief veel groepen met begeleiding.
Zij behoren ook tot de hoogste van de stad.
> De meeste statushouders komen terecht in Slotermeer Zuid.
woningtoewijzingen aan kwetsbare PETS |
De 10 buurten met de meeste toewijzingen aal zonder
periode 2016-2017 begeleiding begeleiding statushouders KEE
F81a Wildeman >=31 *
F78d Buurt 9 (Beerenbrouck)** 73 * *
F77a Slotermeer Zuid >=13 *
F76a Buurt 3 (Burgermeestersbuurt) 29 * >=24
F77d Buurt 5 Noord (L. van Deysselbuurt) * * 26 28
F77c Buurt 4 Oost (Louterbuurt) >=10 * 13 25
F77f Buurt 5 Zuid (Confucius) 16 * * 24
F85c Jacob Geelbuurt >=10 * 12 24
F78a Buurt 6 (Weegener Sleeswijk) >=10 * 12 24
F82b Osdorp Midden Zuid * * * 17
* minder dan 10 waarnemingen.
>= onderdrukt om onthulling te voorkomen.
> < Toelichting op de cijfers periode 2016-2017
> < Het Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen (PHKG) loopt sinds december 2015 en heeft als doel om kwetsbare groepen met een
urgente woonvraag binnen 3 maanden een passende corporatiewoning aan te bieden. Tussen de centrale stad en de corporaties is
> < afgesproken dat 30% van alle vrijkomende woningen wordt verhuurd aan de doelgroep.
Kwetsbare doelgroepen binnen het PHKG zijn:
a Groepen zonder begeleiding op de woning: sociaal en medisch urgenten, rolstoelgeschikte woningen (codes: noodsituatie medisch,
sociaal; Rowo-WMO).
a Groepen met begeleiding op de woning: voormalige sekswerkers, ex-gedetineerden, slachtoffers van huiselijk geweld, multi-
probleem gezinnen, uitstroom maatschappelijke opvang en omslag maatschappelijke opvang/begeleid wonen.
a Statushouders: statushouders die in reguliere corporatiewoningen worden gehuisvest (code: statushouder regulier). Dit is exclusief de
huisvesting die recent voor statushouders gebouwd is (statushouders projecten) en die in de particuliere voorraad gehuisvest worden
(statushouders particulier).
Verhuringen van sociale corporatiewoningen met een huur onder de liberalisatiegrens:
a De cijfers hebben alleen betrekking op verhuringen die geregistreerd zijn via WoningNet. Omdat directe bemiddeling niet altijd
geregistreerd wordt in WoningNet, kan een deel van de toewijzingen ontbreken in het totaal aantal verhuringen.
Nuancering van de cijfers:
a Op hettotaal aantal huishoudens in de stad (ruim 460.000) gaat het om kleine aantallen toewijzingen van kwetsbare huishoudens uit
de doelgroep (ruim 3.300 in 2 jaar tijd).
a De doelgroep van het PHKG is zeer divers en dit geldt daarmee ook voor de mate van kwetsbaarheid.
a Niet alle gehuisveste kwetsbare huishoudens zijn blijvend kwetsbaar.
a De doelgroep van het PHKG is slechts één element in een veelheid van factoren die van invloed kunnen zijn op de kwetsbaarheid van
wijken.
Bronnen cijfers:
a Deze Factsheet is opgesteld op basis van een analyse van gegevens uit de “Tabellenset verhuringen kwetsbare groepen in buurten en
wijken” behorende bij het rapport “Woningtoewijzing kwetsbare groepen” (februari 2018, OIS). OIS heeft voor deze producten de
volgende bronnen gebruikt:
> OIS (woningvoorraad)
> AFWC (verhuringen via WoningNet)
> Rve Wonen (toewijzingen van woningen via het PHKG)
|
Factsheet
| 8
|
train
|
Cmgevingsaienst
noordzeekanaalgebied
Jaarrapportage 2021
Amsterdam
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Inhoud
Bestuurlijke samenvatting …..nssssunsaarsanrsaarsannsanrsanrsannsanrsannsannsnnssnnnnnnnnssansnansnanennnsnanennnennnenvennnn D
1. Programma MÍli@U … sans saarsaarsaarsanrsanrsenrsenrsenrsenrsnnrsenrsenrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrnnrnnnrnnnrnen Ó
1.1 Wat is onze bijdrage … … … ……….anoooooooooooonenenenennennenennenensnnnnnnenenvnenenvenvnennenenenennnnnnnnnnnnneen nen Ó
1.2 __ Vergunningverlening & regulering … … ..u…oonsssennennserrrnseennnensenersnsnrnnnnensenrnnenvennvennenen vendere nnn
1.3 Toezicht en Handhaving … … uu. oasssennennsserrenseennenensnnrnnseenndensnnennsnnennddensennnnsnrenndennenen vendere Ö
1.4 __Milieu-advies en Milieuregi® ….….…usssuneenererrensernennnsnnnenssenenenennenennnsnennndennnnennvereendennnenennnveennnnrnnn 14
1.5 Inzet uren en middelen … … ……..……..nasoooooooeooneneneenneenenenensnnenenenennnenenenenenenenenenennnennnnnnneneeeneenne nen LO
2. Programma BOUW …….nssnssnsrnsrnorsansansansensenssnrsnnsansansansensensnnrsnnsansansnnsnnennsnnsnnrsanssnsnnensnnrnnnnnnen 20
2.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen? … … unne neneneennenneneeneeeneeveeeneeeneenenenenenenen eneen Ì
2.2 _Vergunningverlening & regulering ……….…usssuenererrenseeennensenrensenennenennnnnnnnnnennennnnnennsnsennennnn nerven ZÀ
2.3 Toezicht & Handhaving …….…...….ussuunsnrrerenssenrnennnenrenserennnnnnennenseneenenennnnnnnnnnenndennnnnennsnrennennnn nennen ZÀ
2.4 Bouwadvies en bouwregie … ……..uussssnnnnnsnnennneneneeeneeneeeeneenenereeeenereneneneneeeennneerennennenenee nennen vererven D
2.5 Inzet uren en middelen … … nnn nnnnnnneneeneneneeeneneneeeeeeneeneeenenneeneneeeeneneneeeneeeeeenenenen nennen
2 Programma Bodem ...…....snssarssarsaarsanrsanrsenrsenrsnnrsenrsnnrsenrsenrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrsnnrnnnnnnrnnrrn 20
3.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen? … …….….....nnnnnnneeneneeeeeneneeeneneneneeeneeneeeneneeeenenenenennenenennen enen 2
3.2 __VTH-uíitvoering in outputpakket.………… …….....nnnssnnnneeeneeeneeeeneeeeeeeneeeeneeeeeeeeeeeeneeeeeneeeneeneneennennennenenenn 2
3.3 Bodemadvies en bodemregie … ……......nnnnnneeeneeeeneeeeeneneeeeneeeneneneeeneeeeeeneneeeeeneneeeeeeeeveneeeeevnneneeerenn 3Û
3.4 Knellend beleid … … nanne nennennennenenneeenenneeenennennenennernnennnnnenennnnennnenneneneneeneneneneeev ennen DÌ
3.5 Inzet uren en middelen... nnsssrrnseennennneereeeeernennneeereeenennennnseeeeeneernennnneeerennennnenvnnnnnneenen neen 3
3 Programma randvoorwaardelijk/ programma overstijgend …………ssssssanssarsaarssarsenrsnrssnrsenrsenrn 33
Pagina 2 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Bestuurlijke samenvatting
Als Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) voeren wij namens de gemeente Amsterdam wettelijke
taken uit op het gebied van milieu, bouw en bodem. Naast deze taken adviseren we de gemeente Amsterdam
op deze thema’s. Deze rapportage over gaat over het jaar 2021 en geeft inzicht in de wijze waarop de OD
NZKG uitvoering heeft gegeven of een bijdrage heeft geleverd aan onderstaande punten die opgenomen zijn in
de Uitvoeringsovereenkomst 2021:
e _de minimaal uit te voeren wettelijke taken
e _uw doelen en visies
e _ ontwikkelingen in landelijke opgaven
De Uitvoeringsovereenkomst sluit aan op de doelen van het coalitieakkoord, de contouren van de
omgevingsvisie en de programmabegroting van gemeente Amsterdam.
Corona
De impact van de coronapandemie bepaalde in 2021 in grote mate de wijze waarop het werk is georganiseerd
en vraagt op alle terreinen nog steeds een enorme inzet en veerkracht van onze medewerkers. De
aanscherpingen van de Rijksoverheid rond de pandemie hebben ook invloed op de manier van werken van
onze toezichthouders in de werkvelden milieu, bodem en bouw. Mede op verzoek van onze voorzitter zijn de
instructies verder aangescherpt tot 1 maart 2021 en vanaf november 2021. Dat betekent dat controles zo veel
mogelijk digitaal of administratief uitgevoerd worden. Per werkveld is een aangepaste werkwijze opgesteld met
instructies wanneer we op locatie controleren en wanneer we een video- of administratieve controle uitvoeren.
De risico’s voor de veiligheid en gezondheid van mens en milieu zijn ook hier altijd leidend. Vanwege de
preventieve werking zijn we zoveel mogelijk zichtbaar aanwezig in het gebied.
Systematiek
De OD NZKG voert VTH-taken uit voor opdrachtgevers en ondersteunt bij het opstellen van beleid, ontwikkelen
en uitdragen van kennis. Wij gaan slim en effectief om met de gegevens en informatie die wij verkrijgen bij het
uitvoeren van onze taken. Dit programma, dat op grond van onder meer de Wet algemene bepalingen
omgevingswet (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor)
dient te worden vastgesteld, is in die zin te beschouwen als de leidraad bij de uitvoering van de door de
OD NZKG te verrichten activiteiten.
Grondslag voor het Uitvoeringsprogramma en de rapportage en een vooruitblik naar de strategische agenda 2022
Beleidsdocumenten, analyses van trends en ontwikkelingen, de visie van de OD NZKG en de regionale VTH-
strategie OD NZKG 2019-2022 dienen als basis voor onze inzet. Het Uitvoeringsprogramma is opgesteld om de
VTH-taken uit te voeren. De kwaliteit van onze dienstverlening is afgestemd in het Uniform Uitvoeringsniveau en
de afgeleide productbladen. Detailinvulling actualiseren we jaarlijks en is beschreven in de
Uitvoeringsovereenkomst 2021. In de rapportage die voor u ligt treft u de samenvatting van onze inzet en de
analyse van risico’s en inzichten die wij hebben opgedaan in 2021.
Verdere doorontwikkeling van het monitoren van onze invloed op uw beleidsdoelstellingen geven we samen met
opdrachtgevers vorm vanuit de ontwikkelagenda. Om focus te houden hebben we in 2021 een strategische
agenda 2022-2024 geformuleerd. In de kaderbrief voor de jaren 2023-2026 benoemen we de belangrijkste
opgaven voor de komende jaren. De strategische agenda werken we in 2022 verder uit, met daaraan gekoppeld
de resultaatgebieden voor de komende jaren. De strategische agenda bestaat uit drie samenhangende en elkaar
versterkende onderdelen:
Pagina 3 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
1. Inhoudelijke opgaven op het gebied van klimaat, milieu-gerelateerde gezondheid en
transformatiegebieden.
2. Versterking van ons instrumentarium op het vakgebied vergunning verlenen, toezicht houden, handhaven
en adviseren.
3. Organisatieontwikkeling: wat is er nodig binnen de ODNZKG om punt 1 en 2 te realiseren.
VTH Strategie 2019-2022
Bij het vaststellen van de VTH Strategie is bestuurlijk afgesproken om een aantal thema’s regionaal uit te
werken. In 2021 hebben we voor de doorontwikkeling van de volgende onderwerpen uit het voorgestelde VTH-
beleid het regionaal overleg opgestart:
e Verbetering van de probleem- en risicoanalyse;
e Actualisatie van de preventie-, regulerings- en nalevingsstrategie om beter aan te sluiten op de doelen
van het bestuurlijk referentiekader;
e Innovatie van de expertise van de OD NZKG, gericht op de bestuurlijke prioriteiten van gemeenten en
provincies;
e Ontwikkeling van nieuwe producten en werkwijzen vanwege de Omgevingswet en de Wet
kwaliteitsborging voor het bouwen, informatietechnologie, data-analyse en informatieanalyse.
Regiotafels
Op acht thema’s organiseerden wij de zogenaamde “Regiotafels”. Aan deze Regiotafels heeft de dialoog plaats
gevonden tussen onze opdrachtgevers en de OD NZKG over ontwikkelingen, zowel beleidsmatig als vanuit de
uitvoering. We inventariseren de lokale verschillen per thema, de regionale tekorten en de ontwikkelingen. De
opbrengst hiervan werken we per thema uit in een hiervoor ontworpen factsheet en handzame samenvatting
hiervan. Het ontbreken van beleid bij een gemeente of provincie op een of meer van de thema’s wordt in 2022
verder in kaart gebracht.
Samenwerkingsagenda vier Omgevingsdiensten
Na een succesvolle afronding van de Samenwerkingsagenda 2019-2021 heeft het overleg tussen de vier
directeuren van de OD's in Noord-Holland besloten om 2022-2024 opnieuw tot een samenwerkingsagenda te
komen. In deze rapportage wordt bij diverse onderwerpen aan deze samenwerkingsagenda gerefereerd,
Energielabel C kantoorgebouwen
Op 1 januari 2023 moet elk kantoorgebouw met een vloeroppervlakte van meer dan 100 m2 minimaal
energielabel C hebben. Voldoet het gebouw hier niet aan, dan mag het per 1 januari 2023 niet meer als kantoor
functioneren. In 2021 lag de nadruk op communicatie over deze wettelijke plicht.
In het werkgebied van de ODNZKG voldoet op 1 januari 2022 67% van de kantoren nog niet aan energielabel C.
Het risico bestaat dat een groot aantal kantoren op 1 januari 2023 niet zal voldoen en daarmee niet meer in
gebruik mag zijn.
Duurzaamheid en energiebesparing
Alle meldingen in het kader van de meldplicht energiebesparing zijn in 2021 afgerond en we zien goede
resultaten bij bedrijven ten aanzien van energiebesparing. Bij een zorgaanbieder met meerdere panden is een
projectteam opgezet om duurzaamheid op te pakken en de energiebesparende maatregelen toe te passen naar
aanleiding van de controles van de OD NZKG. De OD NZKG wordt actief geïnformeerd over de voortgang.
Bij een museum in het centrum bleek na controle dat alle wettelijke duurzaamheidsmaatregelen zijn
doorgevoerd en daarnaast veel extra aandacht wordt gegeven aan duurzaamheid. De toekomstige nieuwbouw
van een ziekenhuis wordt uitgevoerd met duurzaamheidsmaatregelen die 25% boven de wettelijke BENG norm
Pagina 4 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
uitkomt. De OD NZKG ziet een positief effect van de wettelijke instrumenten die we nu in handen hebben om
energiebesparing en duurzaamheid onder de aandacht te brengen en is tevreden over de initiatieven die
bedrijven zelf ontplooien.
Financiële verantwoording op hoofdlijn
Voor 2021 is in totaliteit € 703.336 minder gerealiseerd ten opzichte van de initiële begroting. Deels als gevolg
van de coronamaatregelen waardoor brandveiligheidscontroles niet op locatie konden worden uitgevoerd en
deels als gevolg van een verminderde vraag voor bouw en bodem.
De OD NZKG ziet geen structurele oorzaak die de verminderde vraag veroorzaakt en gaat dan ook van een
incidenteel effect. Omdat onze financiering voor de betreffende producten gebaseerd is op aantallen is de
realisatie over 2021 aanzienlijk lager. Wij verwachten vooralsnog voor 2022 geen verminderde vraag. Samen
met Amsterdam onderzoeken en monitoren wij welke factoren van invloed zijn op de verminderde vraag.
Tabel 1: totaaloverzicht
Afwijking
Realisatie -
Financiën 2021 Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€)
Output |
2.069.362| 1.605.808) -463.554| 2.069.362
2.143.641| 1851880| -291.761| 2.034.970
3.555.091| 3547.393| -7.69B8| 3.548.986
7.768.094| _7.005.081| -763.013| 7.653.318
Regie
7.018.099) 6.751.260| -266.838| 7.018.148
1.437.568) 1.505.975) _68.407| 1.517.488
1.987.581) _2.223.840| 236.259| 1.994.605
10.443.247| 10.481.076| 37.828) 10.530.241
Randvoorwaardelijk pakket 2.585.219 2.607.068 21.849 2.585.275
Bouw materieel taakgebonden budgetten 25.000 25.000 0 25.000
Milieu materieel taakgebonden budgetten 374.445 374.445 0 374.445
21.196.005| 20.492.670| -703.336| 21.168.279
Pagina 5 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
1. Programma Milieu
In dit hoofdstuk maken wij inzichtelijk hoe het programma Milieu bijdraagt aan de beleidsopgaven en wat de
OD NZKG daarvoor aan activiteiten levert. Allereerst worden de beleidsdoelen vertaald naar het programma
Milieu. Vervolgens worden de uitvoeringskaders geschetst. Daarna komt de analyse van risico-gestuurd werken
aan bod. Samen met de informatie over de VTH-uitvoering, milieu-advies en regulering vormt dit de basis voor
de inzet binnen het programma Milieu in 2021.
Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken voor milieu zorgt de OD NZKG dat bedrijfsprocessen kunnen
worden gevoerd met een aanvaardbaar risico voor het milieu. Hiermee borgen wij dat, ondanks de
aanwezigheid van de bedrijfsmatige activiteiten, onze leefomgeving schoon en leefbaar blijft, veilig is en we de
landelijke ambities tegen klimaatverandering volgen. Activiteiten vinden energiezuinig plaats en we dwingen
besparingen af. Toezicht op de bedrijven vindt periodiek plaats. Bij de controles wordt gebruik gemaakt van
een systematische aanpak, op basis van de verleende vergunningen of digitale checklisten van AmvB's.
Hiermee is ook de inhoudelijke kwaliteit van het toezicht gewaarborgd en navolgbaar.
1.1 Wat is onze bijdrage
De OD NZKG levert in 2021 vanuit het programma Milieu een bijdrage aan de onderstaande beleidsdoelen met
de uitvoering van de volgende taken:
Energietransitie
Bij de wettelijke taken is energie één van de thema’s waarop we de bedrijven binnen de wettelijk kaders
toetsen. Met de nieuwe informatieplicht heeft de OD NZKG er een extra instrument bijgekregen om met deze
informatie gericht aan de slag te gaan. De OD NZKG adviseert bij het maken van ruimtelijke plannen over het
vormgeven van de energietransitie. Het onderzoek naar de toepassing van warmte- en koudeopslag is daarvan
een goed voorbeeld,
Círculaire economie, afvalpreventie en afval ketenbeheer.
Bij regulering streven we naar het opstellen van een toetsingskader CE voor vergunningverleners. De
verwachting is dat bij vergunningsplichtige bedrijven de meeste milieuwinst te behalen is. In 2020 is onderzocht
hoe circulariteit in de vergunningsvoorschriften kan worden opgenomen. Nu passen we de voorschriften toe om
ervaring op te doen. We beginnen met het opnemen van voorschriften over bijvoorbeeld het opstellen van een
afvalpreventieplan en tekst over rechtsoordelen bij nieuwe aanvragen, te actualiseren vergunningen of
revisievergunningen. We hebben een aantal rechtsoordelen uitgegeven aan bedrijven met uitspraken over
einde afvalstatus of bijproductstatus.
Een ander thema waarop we wettelijk toetsen is afvalpreventie en het afvalketenbeheer. Circulaire economie,
het hergebruiken van producten, materialen en reststromen, is benoemd tot één van de drie speerpunten de
komende vijf jaar. Doelstelling is het verminderen van het gebruik van grondstoffen (preventie) en het zo
milieuveilig mogelijk scheiden, hergebruiken en verwerken van rest- en afvalstromen. De OD NKZG zet in op
samenwerking en kennisontwikkeling binnen de regio (onder andere met Metropoolregio Amsterdam en in de
Samenwerkingsagenda met vier OD’s), op landelijk en Europees niveau. Een fevel playing field voor bedrijven is
erg belangrijk. In 2021 is het programma Circulaire Economie vastgesteld en het team ingericht dat fungeert als
kwartiermaker voor een milieudienst in een circulaire economie. Dit is een grote transitie die — gelijk aan de
ambitie van het Rijk- tot 2050 duurt. In het programma dat van 2022 tot 2026 loopt, worden de eerste
fundamentele stappen gezet naar een circulaire Omgevingsdienst. Die stappen zijn klein en gericht, zodat de
Pagina 6 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
impact groot is en er een katalyserende werking voor de rest van de organisatie van uit kan gaan. Het
programma bouwt verder aan de basis van een circulaire economie door de eigen organisatie stap voor stap te
transformeren. Hierbij staan twee doelen centraal die gezamenlijk de transformatie gestalte geven:
e Het worden van een kennisschakelpunt op het gebied van circulaire economie
e Het ontwikkelen en eigen maken van een verbeterd VTH-instrumentarium dat een circulaire economie
ondersteunt.
Het afvoeren van afval is een activiteit die gevoelig is voor criminele activiteiten. Daarom besteden wij ook
aandacht aan het thema veiligheid binnen de circulaire economie. Denk hierbij aan focus op het ontdoen van
zeer zorgwekkende stoffen, e-waste en bijvoorbeeld asbest. Bij het ontdoen van deze stoffen raakt circulaire
economie het thema ondermijning. Voor e-waste werken wij samen met onder andere ILT, de politie, het OM
en andere omgevingsdiensten omdat er een nauwe relatie is met het thema ondermijning.
Transformatieopgave
Het Noordzeekanaalgebied is onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam (MRA): dichtbevolkt en
bedrijvig, daarnaast vol met groen en water. Een omgeving vol tegenstellingen en soms ook
tegengestelde belangen van burgers, ondernemers en overheden. We willen hier wonen, werken,
spelen, recreëren, groeien, bouwen en investeren. De OD NZKG zet in op het benutten én het beschermen van
de leefomgeving in één van de meest verstedelijkte en geconcentreerde gebieden van Nederland.
Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken borgen wij dat bedrijven binnen de bestaande contouren van
milieu opereren. In deze verdichte stedelijke omgeving, waar wonen en werken dicht op elkaar plaatsvinden, is
het behandelen van overlastmeldingen een belangrijk onderdeel van ons werk. Hierbij borgen we de naleving
van regels door bedrijven en beperken we de overlast voor bewoners zoveel mogelijk.
Gezond leefklimaat
Met de uitvoering van de wettelijke VTH-taken voor de 7.745 bedrijven namens de gemeente Amsterdam
toetsen we de milieubelasting van de bedrijven op de leefomgeving op negen thema’s. Dit draagt bij aan een
leefklimaat waarin evenwicht kan worden gevonden tussen de ontwikkeling van de bedrijvigheid en een
gezonde leefomgeving. Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken draagt de OD NZKG bij aan ons
beleidsdoel “een gezond en veilig leefklimaat”, De OD NZKG deelt deze taken op in enerzijds
vergunningverlening & regulering en anderzijds toezicht & handhaving. Ook adviseren wij opdrachtgevers bij
bijvoorbeeld het vormen van beleid of ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.
1.2 Vergunningverlening & regulering
Een omgevingsvergunning biedt rechtszekerheid aan ondernemers en beschermt omwonenden tegen
onaanvaardbare milieuhinder. Vergunningprocedures geven omwonenden tevens de gelegenheid inspraak uit te
oefenen op en kennis te nemen van de inhoud van een vergunning. Vanuit dit programma behandelen wij
aanvragen omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu en actualiseren wij vergunningen indien daar
aanleiding of noodzaak toe is. Tevens behandelen wij meldingen van bedrijven die milieurelevante activiteiten
uitoefenen die geen vergunning vereisen.
De reguleringswerkzaamheden bestaan voornamelijk uit:
e het behandelen van vergunningaanvragen, toetsen van meldingen en opgelegde bedrijfsrapportage,
het uitvoeren van maatwerkprocedures en het voeren van vooroverleg
Pagina 7 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
e het systematisch toetsen en zo nodig actualiseren van vergunningen op basis van de leeftijd van
vergunningen
e het, binnen gestelde termijn, uitvoeren van actualisaties op door te voeren ‘nieuw beleid’, i.c. nieuwe
standaarden en inzichten e/o specifieke beleidsobjectieven van de gemeente Amsterdam.
Vergunningen zijn een instrument voor normering van milieubelastende activiteiten, waardoor de kans op
overlast en veiligheidsrisico's wordt beperkt. De gecombineerde jaarlijkse werklast wordt bepaald door:
e _ vergunningaanvragen van bedrijven (de zogenaamde autonome vraag);
e actualisatie van vergunningen als gevolg van de doorwerking van technologische ontwikkelingen,
gewijzigde wetenschappelijke inzichten, ‘level playing field’, de politiek-maatschappelijke agenda,
nieuwe wet- en regelgeving en (wereldwijde) ongevallen en incidenten e.a.
Ingediende vergunningaanvragen krijgen voorrang op actualisaties en ambtshalve wijzigingen, uitgezonderd
specifiek geprioriteerde actualisaties, bijvoorbeeld vanwege (potentiële) fysieke risico’s of op afspraak met de
gemeente Amsterdam. Niet actueel betekent overigens dat een vergunning niet meer in zijn geheel voldoet aan
de laatste standaarden en inzichten. Dit hoeft niet te betekenen dat de hele vergunning kwalitatief slecht is qua
normstelling of tot omgevingsgevaar leidt. De actualisaties worden zoveel mogelijk als ambtshalve wijziging
uitgevoerd. Bij aanvragen hebben procedures met wettelijke termijnen voorrang op procedures met
servicetermijnen.
Tabel 2: aantallen vergunningen en regulering
Fee hbs eer ET
EE
milieu
Actualisatietoetsen |B
[mer beoordeïngsoes | | 7 | 2 |
Toelichting bij de tabel:
e Meldingen 8.40 Wm: In de rapportageperiode ontvangen en afgehandelde meldingen in het kader van
artikel 8.40 Wm.
e _Omgevingsvergunningen milieu: In de rapportageperiode verleende omgevingsvergunningen voor het
onderdeel milieu in het kader van Wm/Wabo.
e Waarvan actualisaties: Aantal verleende omgevingsvergunningen (als onderdeel van totaal aantal)
waarin een actualisatieslag heeft plaats gevonden.
e _Actualisatietoetsen: Aantal omgevingsvergunningen ouder dan 5 of 10 jaar waarbij de vergunning is
getoetst op het al dan niet actueel zijn.
e MER beoordelingstoets: In bepaalde gevallen beoordelen we voorafgaand aan een
vergunningenprocedure of een initiatief MER-plichtig is. Een MER is noodzakelijk wanneer het initiatief
dermate grote gevolgen voor het milieu kan hebben dat een alternatieven-afweging noodzakelijk is.
1.3 Toezicht en Handhaving
Toezicht en handhaving hebben tot doel het vergroten van de milieukwaliteit en veiligheid van de fysieke
leefomgeving, door het verbeteren van het naleefgedrag inzake milieu- en brandveiligheidsregels binnen de
Pagina 8 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
inrichtingen en bij activiteiten. Toezicht bestaat uit een palet van instrumenten. Het uitvoeren van controles is
er daar slechts één van. De inzet van het meest geschikte instrument is afhankelijk van de score langs de Tafel
van 11 (het landelijk integraal afwegingskader voor beleid en handhaving). In brancheplannen of een
basisbeeld per bedrijf wordt de keuze voor het instrument gericht uitgewerkt. In lijn met de VTH-
programmering is het toezicht op de risicovolle en dominante branches of bedrijven met prioriteit voortgezet.
Over risico- en aandachtsdossiers wordt separaat terugkoppeling gegeven.
Bij de afkondiging van coronamaatregelen (in het eerste half jaar en vanaf november, zijn alleen de
noodzakelijke Wabo-controles uitgevoerd. Bij het uitvoeren van de fysieke controles is telkens het belang voor
milieu en veiligheid afgewogen tegen het risico op besmetting met corona. Dit heeft geresulteerd in minder en
kortere locatiebezoeken. Hierdoor was het niet mogelijk om alle milieuthema's even uitgebreid te controleren.
Bij de complexe bedrijven zijn vrijwel alle fysieke Wabo-controles uitgevoerd conform de risicoanalyse.
Klachten, controles en inspecties die niet om een locatiebezoek vragen, zijn digitaal of administratief afgedaan.
Methoden van toezicht
De OD NZKG werkt risicogestuurd. Alle bedrijven zijn ingedeeld in branches op basis van de aard van de
activiteiten. De verschillende bedrijfstakken worden beoordeeld op de thema’s: externe veiligheid,
brandveiligheid, energiebesparing, afval, afvalwater, lucht, geur, geluid/licht en bodembescherming. Alle
bedrijven in een bedrijfstak zijn ongeacht grootte, ligging of naleefgedrag ingedeeld in uitvoeringsniveaus. In
de risicobenadering en prioriteitstelling behoeven bedrijven met minder klachten en een goed naleef patroon
minder aandacht. Dit versterkt het /evel playing field en de rechtsgelijkheid. De werkwijze is beschreven in het
Uniform uitvoeringsniveau.
De OD NZKG past de overeengekomen VTH-strategie toe, deze is gebaseerd op de landelijke
handhavingsstrategie. Als uit analyse blijkt dat preventief toezicht het meest succesvolle middel is om recidive
te voorkomen, geniet dat de voorkeur. Preventief toezicht heeft als doel kennis over te dragen. De volgende
instrumenten zijn ingezet in 2021:
e Preventief toezicht uitbreiden tot gerichte voorlichtingscampagnes.
e De uit noodzaak ontwikkelde digitale controles gedurende de coronapandemie worden in 2021 geëvalueerd
op effectiviteit en kwaliteit. Op basis van de evaluatie beslissen we welke plek deze controles in ons vaste
arsenaal zullen innemen.
e Terugdringen van de administratieve lasten en de verkenning van de technische ontwikkelingen. De
inhoudelijke aanpassingen van onze correspondentie in het kader van de Omgevingswet benutten wij om
de kwaliteit hiervan te verbeteren.
Basisbeeld of brancheplan
Risicogestuurd toezicht wordt uitgevoerd op basis van een risicoanalyse. Hierin wordt aan de hand van thema’s
de intensiteit van het toezicht bepaald. Bij potentieel zwaardere, de omgeving belastende activiteiten zetten we
meer in dan bij eenvoudiger, minder belastende activiteiten.
Aan de hand van de bevindingen van het lopend jaar wordt de kennis over complexe bedrijven of branches
(kleinere of AMvB-bedrijven) geactualiseerd. Naast informatie over het bedrijf/ de branche en ontwikkelingen
wordt ook informatie over het naleefgedrag en veroorzaakte klachten hierin meegenomen.
Voor branches wordt dit uitgewerkt in een brancheplan. Risicoweging gebeurt dan op branche-informatie.
Voor complexe bedrijven wordt een maatwerk uitwerking per bedrijf opgesteld, het basisbeeld. Een basisbeeld
bevat naast informatie over dit bedrijf/ de branche en ontwikkelingen ook informatie over het naleefgedrag en
veroorzaakte klachten.
Pagina 9 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Tabel 3: overzicht controles
Aantal CAT EEE Aantal en
Er it n pan overtreding it jn Bij hercontrole
groting uitgevoerde overtreding uitgevoerde n
geconstateerd in orde
controles geconstateerd pr hercontroles
1e Contok voorgaande ren ere
wv mtegrak noe | am | ea | ee | | |
wvttemacortee | | | ee | w |
ww digitaal toezicht EE
Als een overtreding wordt geconstateerd, leidt dat niet in alle gevallen tot een hercontrole. De overtreding kan
bijvoorbeeld soms ter plekke hersteld worden. In de toezichttabellen staat verder aangegeven in hoeveel
gevallen de overtreding bij hercontrole in orde is, Na de hercontrole wordt in een aantal gevallen (bijvoorbeeld
als het gaat om keuringsrapporten of certificaten en niet om veiligheidsvoorschriften) een extra termijn
gegeven om deze schriftelijk te overleggen. Pas als deze termijn niet wordt nagekomen, gaat het
handhavingsproces van start. Deze factoren veroorzaken de verschillen in aantallen tussen bovenstaande tabel
(bij hercontrole niet in orde) en de tabel handhaving (zie tabel 5). NB. Een deel van de hercontroles komt voort
uit geplande controles van 2020.
Naleefgedrag per branche
Wanneer alle bedrijven ingedeeld zijn in branches kunnen (mogelijke) risico’s binnen bepaalde branches
duidelijk In kaart worden gebracht. De bedrijven binnen een branche worden zo op een uniforme manier
benaderd en beoordeeld, Bij de programmering wegen we het naleefgedrag uit eerdere jaren mee om te
bepalen welke bedrijfstakken we projectmatig aanpakken en welke thema’s we specifiek controleren. Uit de
controles zal blijken welke bedrijven (additionele) grote risico’s met zich mee brengen en/of veelplegers zijn.
Regionale naleefpercentages zijn voor de OD NZKG een indicator bij het bepalen van de inzet later in het jaar
of in het daarop volgende jaar.
In onderstaande tabel zijn de resultaten opgenomen van de controles in 2021, Daarnaast laten we in deze tabel
het aantal bedrijven in de verschillende branches zien en daarbij het naleefgedrag in deze branches over het
gehele werkgebied van de OD NZKG.
Tabel 4: resultaten per branche
Integrale UK] [pT Naleef
SBI Branche Totaal controles Kete Talig; controles Kete Talig; Pre
EE EE EZ
erancnes teton Asetentmbees _{_ 2 {a teem |
CEE ZE ET
erancnes-tomentar me le Ce em |
EE EE
eranches-tupbstvenenschetaren {0 fes tete Lem |
eranches -Gebedzaanpaken Onderminno [6 {2 { 2 {0 Len |
EE EE EN
EE EE CE
EE EC
Branches Verf, DukkerjenenWasserjen {9% {2 {On Ca Lem
Branches -voedrg Pm fw FP 0 F0 | 6% |
EE 7
EE
eee
A :
tel) 2343 VAAR 153 vp Pagina 10 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Het niet opvolgen van afspraken heeft geleid tot de volgende handhavingsacties:
Tabel 5: handhavingsacties
Overtreding laid a er Gedoog-
else dwangsom bestuursdwang kak
Handhaving 605 |
Zienswijzebrief 6
Conceptdwangsom nn
Conceptbestuursdwang nn
Waarschuwingsbrief A
Onbekend 0
Overlastmeldingen
Bedrijven met meer overlastmeldingen behoeven meestal meer aandacht. Geplande controles worden integraal
uitgevoerd. Controles naar aanleiding van overlastmeldingen of meldingen van ongewone voorvallen zijn veelal
(mono)thematisch. Deze themacontroles zijn niet standaard gepland, maar voeren we uit wanneer daar
aanleiding voor is.
Bij iedere binnengekomen overlastmelding tracht de OD NZKG een veroorzaker aan te wijzen. In onderstaande
tabel is het aantal overlastmeldingen Amsterdam over 2021 weergegeven:
Tabel 6:
Nietbenoemd || jes jajs | 3 | aj | m5 |
anders |De) js jj j|ala | jw |
|Bodemverontreiniging |____ | | | a | | jj DDT
Geluid | 2 | 24} 24 | ws | 2 | 15 | 2 | 1 | 68 | a | 15 | 14 | 299 |
Geer | aja js | wvl} | 6 | 5 |} 2} 5 | | 8 | 2 | 45 |
Lichthinder | 3 | a jaja | | jaja} | a} | | 9 |
eene
[Opslag gevaarlijke stoffen ___ | |J a} || jj a Tj
[opslag overige stoffen |___|__ ja} jj T|
CE EE
ser ||| jj jaja} || 7 |
Eindtotaal | 16 | 28 | 36 | 39 | 20 | 25 | 32 | 26 | 78 | a | 25 | 16 | 397 |
Meldingen met betrekking tot overlast van geur, geluid en licht komen het meest voor.
De volgende casus is kenmerkend voor het wisselende pakket aan maatregelen om coronabesmettingen te
voorkomen;
Om besmettingen te voorkomen, stimuleerde het Rijk in verschillende periodes van 2021 het buiten sporten. Dit
heeft gezorgd voor geluidsoverlast bij buren van de buitensporters. Naar aanleiding van de overlastmeldingen
zijn geluidsmetingen uitgevoerd en heeft handhaving plaatsgevonden door het plaatsen van geluidsbegrenzers.
De coronaperiode lijkt net als in 2020, naast bovenstaande meldingen, weinig invloed te hebben op het aantal
en soort meldingen.
In onderstaand overzicht een weergave op de kaart van de overlastmeldingen die gerelateerd kunnen worden
aan een bedrijf en een weergave op de kaart in welke gebieden veel overlastmeldingen gedaan worden.
Pagina 11 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Overlast veroorzaakt e
x Í, Á ln pe Rnd N235
PA 5101 ij / ©
A S102 (| AA / A sine @
Í aa :
: \ 4 A 5115
ris sa 4 e rtl :
z ri a tat A F A if ú „ à
w2og —ri06 A20 EEEN sio ke EL
ú fr à nf \Ameer
N513 ) pa Amsterdam > .
| z à * a Ep &
« dk ka al
j | ASIC es AS |
/ sr Ns
f n ” Ì za dn , se
# s106 a á (ke piemen
4 Ta fte pel ne Î De sua
î sk
SC N520 A
5 „ X A
Ne ,
AN. Ar ve Oe N26 Ee
/ - pen Wees
ee # en s108 DE Se
2k 5 A52 Ì
Lel naarde herl Se © OpenstreetMap contributors
Overlast ervaren
el, Ee
IJmuiden N202 ‚8 Nl Monnickendam
F 8 5151 M235 ER
En re N246 e @ Yaandam e rn
\ hi "8. e% : . Landsmeer
N R104 e ij We
\ 10 lor SK N247
- in e ok &
e
1200 / ú @ . e mA:
== iten Ne dd
Ade on et Ve
or / pe N519 J ge ij 2 ®Amst Pam en î ae
N201 __N232 4 | ee
et Î Ï pa EN
| 4 e Ì
Heemstede Nn 5107 tie ee © < X .° ì
/ ie . ee 4 ® ° piemeng ss
Aal Ei ri dik
Ne 4 ® 510 Sn 7 5 ë
Lak j ie EN N520 _ 5 © OpenStreetMap contributors
Aantal overlastmeldingen
Puntlaag
Samengevoegd Soor mj Anders B Geluid B Lichthinder Mm Rook EH Stof
t Overlast
EH Bodemverontreiniging B Geur B Lozing MB Soort overlast niet …
Geuroverlast in Tuindorp Oostzaan
In het kader van samenwerking in de regio onderzoeken wij nieuwe methoden van gebiedsgericht werken. In
2021 hebben wij ervaring opgedaan met de aanpak van geuroverlast in diverse gebieden.
In de wijk Tuindorp Oostzaan is overlast van geuren. Er is sprake van een cocktail van geuren, er is niet één
enkele veroorzaker aan te wijzen. Steeds meer wordt onderkend dat de geuren door olieterminals, het varend
ontgassen en activiteiten van andere bedrijven een rol spelen in de overlast.
Pagina 12 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Twee keer per jaar is er vanuit OD NZKG een gesprek met de bewoners in Tuindorp Oostzaan. De gesprekken
zijn er om te horen hoe het in de wijk gesteld is met geuroverlast en om te vertellen over onze inspanningen
om het vrijkomen van geuren te beperken. De meldingen van geuroverlast zijn er nog, maar niet meer in hoge
mate. De bewoners gaven in het gesprek in november aan dat de ervaringen hetzelfde zijn gebleven. Vooral bij
zuidwestenwind. Eerder genoemde procedures voor aanpassing van omgevingsvergunningen milieu en het
toezicht op meerdere bedrijven lopen door. De bedrijven werken aan het verminderen van de uitstoot van geur.
De informatie van de eNoses wordt gebruikt om gebiedsgericht aan bronduiding te doen. We werken samen
met de GGD Amstelland en de gebiedsmakelaar van de gemeente Amsterdam. Dit is belangrijk, omdat de
bewoners zich zorgen maken over hun gezondheid en de gemeente Amsterdam woningbouwplannen heeft in
het gebied rond de bedrijven (Haven-Stad). Zie het Aandachtsdossier op ednzkg.nl voor de laatste stand van
zaken.
Bestrijden van illegale activiteiten ín het kader van ondermijning
Via het Directeurenoverleg Veiligheid Noordzeekanaalgebied (DOVN) wordt în opdracht een speelveldanalyse
uitgevoerd. Inzet in het kader van ondermijning gebeurt vooral op verzoek van externe partners in de
veiligheidsregio’s om een integrale aanpak van criminaliteit te bewerkstelligen. Wij nemen deel aan
projectgroepen om de integrale aanpak verder te ontwikkelen. Intern is blijvend aandacht voor bewustwording
en kennisontwikkeling. Milieucriminaliteit is grensoverschrijdend. Samenwerking in het opsporen en handhaven
op crimineel gedrag vergroot kansen op strafrechtelijke handhaving en vervolging.
Het Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit 2021 is tot stand gekomen door samenwerking van de meeste partijen die
betrokken zijn bij toezicht op en handhaving van wet- en regelgeving die bedoeld is om het milieu te
beschermen. In het rapport zijn negen vormen van milieucriminaliteit geselecteerd die nader zijn uitgediept:
« _Mestfraude
* Illegale gewasbeschermingsmiddelen
e _Bodemtoepassingen
e _Afvalcriminaliteit
« Oliefraude
e Gefluoreerde broeikasgassen
e Lozen of verspreiden van Zeer zorgwekkende stoffen
e _Vuurwerkcriminaliteit
* Illegale jacht, handel en consumptie van (producten van) wilde dieren
Landelijke duiding wordt gegeven via het impulsprogramma van ODNL.
Samenwerking tussen de vier omgevingsdiensten in Noord-Holland wordt geformaliseerd in de
Samenwerkingsagenda 2022-2024. In de samenwerking vindt reflectie plaats van de uitkomsten van het
rapport van de algemene rekenkamer “Handhaven in het duister”, Op basis van de uitkomsten prioriteren wij
projecten op het gebied van milieucriminaliteit.
Intensieve Handhaving
Het team Intensieve Handhaving komt in beeld voor die bedrijven, waar de reguliere handhavingsinstrumenten
niet tot het gewenste naleefgedrag leiden. Deze dossiers kenmerken zich, naast een slecht naleefgedrag, vaak
door verhoogde bestuurlijke aandacht en aandacht van de pers en in enkele gevallen ook de omwonenden. In
deze gevallen wordt een intake gedaan en kan intensieve handhaving of verscherpt toezicht als instrument
worden gebruikt om te komen tot naleving. In 2021 is de focus gericht op het achterhalen van de bronoorzaak
van het níet naleven. Door beter zicht te krijgen op het ‘waarom’ van het niet naleven door een bedrijf, kan met
gerichte inzet van instrumenten het niet naleven worden doorbroken. Bijvoorbeeld door het versterken van
kennis en kunde. Dit is maatwerk per casus, waarbij gericht gedragsbeïnvloeding wordt ingezet. Met als doel
om naleving te borgen na het afronden van een traject van intensieve handhaving of verscherpt toezicht.
Pagina 13 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
In 2021 is er in gemeente Amsterdam geen bedrijf onder intensieve handhaving of verscherpt toezicht gesteld,
wel zijn er uren besteed aan het afronden van het verscherpt toezicht van een afvalverwerker.
1.4 Milieu-advies en Milieuregie
De OD NZKG adviseert de gemeente Amsterdam op het gebied van milieu bij de ontwikkeling en implementatie
van lokaal beleid. Wij adviseren en ondersteunen beleidsmedewerkers en bestuurders. Daarnaast
beantwoorden wij vragen op ambtelijk en bestuurlijk niveau. De advisering heeft betrekking op de thema’s
externe veiligheid, geluid, lucht/geur en duurzaamheid (circulaire economie, energietransitie, klimaatadaptatie).
Aanvragen om advies betreffen reguliere adviesvragen en vragen ingegeven door de actualiteit en nieuw beleid.
De hoeveelheid aanvragen is niet van tevoren bekend. Diverse projecten voeren wij uit onder regie.
Samenwerking
In 2021 liep het samenwerkingsprogramma tussen de vier omgevingsdiensten (OD) in Noord-Holland af. In het
kader van het landelijke programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV) ontvingen de OD’s in Noord-Holland van
de provincie extra middelen om de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid te verbeteren en op niveau te
houden. In dat kader is door de provincie Noord-Holland een regulier overleg over dit onderwerp opgestart en
gefaciliteerd. Naast de OD's maakten ook de veiligheidsregio’s hier deel van uit. In dit overleg zijn de afgelopen
jaren de inhoudelijke voortgang en de resultaten gemonitord. Daarnaast is de beleidsvernieuwing op dit
onderwerp in het kader van de Omgevingswet aan de orde geweest. In 2021 eindigde de IOV subsidie. Partijen
zijn voornemens het overleg voort te zetten, zodat afstemming en kennisoverdracht kan blijven plaatsvinden.
Project Duurzaamheid en Energie
De energietransitie in onze regio gaat steeds meer aandacht vragen van de VTH taken. Deze toename van
aandacht komt door de politieke prioriteit voor de energietransitie, de nieuwe wet- en regelgeving, en de extra
intensiveringsbudgetten die hiervoor beschikbaar komen. De doelstellingen voor 2030 worden daarbij Europees
en nationaal nog aangescherpt. Dit betekent dat er in een korte periode veel werk verzet moet worden.
De focus van het toezicht is dit jaar verlegd naar het daadwerkelijk doorvoeren van de energiebesparende
maatregelen. De inzet lag in dat verband in 2021 op het uitvoeren van 500 controles voor energiebesparing. Dit
zijn de controles in het kader van de Urgendagelden 2020 (VUE gelden), reguliere integrale controles en extra
inzet voor Amsterdam. De vorm die hiervoor is gekozen werd gedurende het hele jaar 2021 mede bepaald door
de beperkingen die er zijn binnen de nog steeds voortdurende coronacrisis. Zo zijn met name die bedrijfstakken
gecontroleerd die zo min mogelijk getroffen zijn door de pandemie. Daarnaast is er gekozen de controles zo
veel mogelijk digitaal of administratief uit te voeren. Omdat een online controle op gebied van energiebesparing
relatief complex blijkt te zijn, kon deze vorm van controleren niet alle controles ter plaatse 1:1 vervangen.
Sinds half mei 2021 zijn ook de controles op locaties, rekening houdend met de risico’s voor de veiligheid en
gezondheid van de inspecteurs, weer opgestart. Ook in de nieuwe lockdown zijn de controles ter plaatse zoveel
als mogelijk doorgegaan. Wel is de tendens dat bedrijven afspraken afzeggen en zijn de controles ter plaatse
die niet online konden worden uitgevoerd, opgeschoven tot nader order.
Tot slot richtte de OD NZKG zich in 2021 op de voorbereiding van het toezicht op nieuwe taken zoals het
toezicht op de label C kantoren en de energiekeuringsverplichting van klimaatinstallaties.
Pagina 14 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Stand van zaken eind 2021
Er zijn tot nu toe bij 1.555 groot- en middelgrootgebruikers afspraken gemaakt over te nemen
energiemaatregelen en zijn er in dezelfde periode bij 768 groot- en middelgrootgebruikers maatregelen
gerealiseerd of is er voldoende voortgang over de te nemen maatregelen.
Tabel 7: Voortgangsindicatoren afspraken groot- en middelgrootverbruikers:
indicatoren
EE EE
gebruikers gebruikers gebruikers gebruikers
Voortgangs
EEE
jeje jeje
indicator 2 961 637 913 642
u Re
indicator 3
ee ee
ee eee
In het kader van de UVO afspraak en gelet op de eerder genoemde aangepaste aanpak door de
coronapandemie zijn er 475 controles uitgevoerd. Hierbij hebben 350 controles plaatsgevonden op basis van de
VUE gelden en zijn er ruim 100 thema controles uitgevoerd op basis van de extra gelden. Daarnaast vindt er
controle op energiebesparing plaats tijdens integrale controles. Hierbij wordt onder andere meegenomen of er
voortgang is in het nemen van maatregelen en of de melding informatieplicht is gedaan. De inschatting is dat
met de uitgevoerde integrale controles (ruim) boven de 500 uitgekomen wordt.
Klimaatroute
De gemeente Amsterdam stimuleert bedrijven om de eigen verantwoordelijkheid voor energiebesparende
maatregelen in te laten vullen met het aanbod van de Klimaatroute. In Amsterdam zijn 92 bedrijven met een
besparingsverplichting die hiervan gebruik maken. Met de gemeente is afgesproken dat deze bedrijven niet de
eerste prioriteit krijgen bij de controles.
Informatieplicht - Algemeen
Per juli 2019 is de informatieplicht van toepassing geworden, waarbij alle groot en middelgroot gebruikers (niet
vergunningplichtig) melding moeten doen van hun gebruik en de genomen maatregelen. Dit heeft, dankzij het
verplichte karakter, een positief effect gehad op het in 2020 afronden van het eerdere project Energiebesparing
bij bedrijven. Uit de cijfers van 2021 blijkt dat dit effect nog steeds doorzet.
In 2021 zijn alle meldingen (bekend bij de OD NZKG) afgehandeld door een brief te sturen of voldaan is aan de
informatieverplichting danwel een termijn mee te geven waarop dit geregeld moet zijn. Voor de bedrijven die
voldoen aan de informatieplicht zijn controles ingepland. Daarnaast verzorgt de OD NZKG het beheer van de
RVO meldingen en stuurt de rapportages, die door de stadsdelen afgehandeld worden, door naar Amsterdam.
Zodra de laatste meldingen waren verwerkt, is het handhavingtraject ingezet bij de meldingsplichtige bedrijven
die nog geen melding hebben gedaan. Hier is in de tweede helft van het jaar mee gestart en zijn inmiddels 50
niet melders aangeschreven.
Pagina 15 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Tabel 8: informatieplicht
Stand van zaken Stand van zaken
| Melding ontvangen maar nog nietbeoordeeld} 13 | 0
doorgezonden aan de gemeente
rote | 246 | 288
Informatieplicht - VUE gelden
De VUE gelden (Versterkte uitvoering energiebesparings- en informatieplicht) vanuit het Rijk zijn ook in 2021
toebedeeld. Vanwege de tweede lockdown is daarbij gekozen de controles zo veel mogelijk digitaal of
administratief uit te voeren. Sinds half mei 2021 zijn ook de controles op locaties, rekening houdend met de
risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de inspecteurs, weer opgestart.
In overleg met Amsterdam heeft de OD als prioritaire branches de supermarkten en de kantoren aangemerkt.
In de praktijk bleek het verrichten van een digitale controle in een supermarkt moeizaam vanwege het feit dat
er bij bepaalde ketens alleen werd meegewerkt aan een fysieke controle. Daarnaast blijkt uit inmiddels
opgedane ervaring bij een eerste controle, dat het controleren van de duurzaamheidsaspecten het beste lukt
ter plaatse aangezien er op een scala van aspecten wordt gecontroleerd. Vervolgcontroles zijn meer geschikt
voor de digitale aanpak.
Implementatie nieuwe regelgeving — label C; keuringsverplichting EPBD III; normering CO2
Energielabel C kantoorgebouwen
Per 2023 moeten alle kantoren aan het energielabel C voldoen. Dit betekent dat elk kantoorgebouw met een
vloeroppervlakte van meer dan 100 m? minimaal energielabel C moet hebben. Voldoet het pand dan niet aan
deze eisen, dan mag het per 1 januari 2023 niet meer als kantoor functioneren. Deze verplichting staat in het
Bouwbesluit 2012.
Het is van groot belang dat bedrijven bekend gemaakt worden met de label C plicht maar evenzo belangrijk dat
ze beseffen dat gemeenten hierop zullen gaan toezien. Deze boodschap is in samenwerking met de stadsdelen
în aanloop naar 2023 krachtig gecommuniceerd en ondersteund met twee wekelijkse berichten over deze
verplichting op social media. Daarbij moeten de effecten hiervan op het meldingsgedrag worden gemeten om
vanaf 2023 zo goed mogelijk voorbereid de fase van handhaving te kunnen starten.
Voor 2021 lag de nadruk op communicatie over de verplichting uiterlijk 2022 het kantoor van een label te
voorzien. Daarvoor is een inventarisatie naar het kantorenbestand en de bijbehorende eigenaren in onze regio
afgerond. Deze informatie is gekoppeld aan de afgegeven energielabels.
Pagina 16 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Tabel 9; werkvoorraad label C
Werkvoorraad (aantal kantoren)
BVO: >100m?
Amsterdam
Status kantoor Aantal kantoren % van het totaal
2.573
Voldoet (ABC 765 30%
Voldoet niet (DEFG 310 12%
23 1%
Niet gemeld 1.475 97%
Hierbij heeft 57% van de kantoren die moeten voldoen aan energielabel C nog geen label laten opstellen —
12% heeft een label dat minder goed is dan label C. Opgeteld voldoet op peildatum 1 januari 2022 70% van de
kantoren nog niet aan energielabel C.
In de maand juni is aan alle relevante kantooreigenaren een brief toegestuurd waarin ze op de verplichting
worden gewezen. In totaal hebben iets meer dan 2.500 kantoren een brief ontvangen (waarvan 1.157 door de
OD NZKG en 1.417 door de stadsdelen zelf). In samenwerking met de gemeente Amsterdam is daarbij een
persbericht opgesteld, In 2022 zullen de eigenaren die nog steeds niet voldoen een 2° keer worden herinnerd.
Monitoring van het meldingsgedrag vindt plaats via het dashboard.
Met de gemeente Amsterdam is verder afgesproken dat de OD zich alleen richt op de energierelevante
kantoren (midden- en grootverbruik). Dit zijn met name de kantoren van 800m?+. Hierbij is de verwachting dat
zij energierelevant (dus minstens 50.000kWh) zijn, hetgeen In lijn ligt met de bestaande afspraken gericht op
het controleren van alle midden en groot verbruikers. De stadsdelen doen de communicatie naar de
kleinverbruikers (kantoren met een vloeroppervlak tot 800m?).
De mandatering voor het uiteindelijke toezicht is in Amsterdam slechts voor een beperkt aantal kantoren (14%)
geregeld (grootstedelijk gebied). Het overleg over de verdergaande mandatering van het toezicht heeft bij geen
van de opdrachtgevers nog concreet resultaat opgeleverd. Desondanks is de communicatie (de brief), als
relatief eenvoudig uit te voeren actie, wel voor alle opdrachtgevers uitgevoerd.
Energie keuringsverplichting klimaatinstallatie EPBD III
Op 10 maart 2020 is een keuringsverplichting voor ketels en airco's opgenomen in het Bouwbesluit. De
keuringsverplichting — die volgt uit Europese wetgeving - geldt voor installaties groter dan 70 kW en betreft de
volledige klimaatinstallatie in gebouwen. De keuringsverplichting kent nog een overgangsperiode tot maart
2022. Tijdens die overgangsperiode is het loket waar de keuringen worden afgemeld (SCIOS) nog niet optimaal
beschikbaar. De afgemelde controles van de stookinstallatie zijn hieronder vermeld, De airco's zijn niet eerder
gekeurd. De bedrijven moeten de komende jaren aangeschreven worden over hun installaties en deze dienen
ook geregistreerd te worden.
De energiekeuring kan in belangrijke mate bijdragen aan het realiseren van de CO» doelstellingen.
Tekortkomingen in het energiezuinig afstellen/inregelen van installaties leiden nu al tot forse energieverliezen,
en maken het daarnaast lastiger om duurzame bronnen goed in te zetten: zonder goede afstelling/inregeling
Pagina 17 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
van installaties functioneren deze installaties vaak minder goed en worden verwachte energiebesparingen
onvoldoende gehaald. De keuringen zijn erop gericht dat de installaties energiezuinig blijven functioneren.
De OD NZKG heeft de gesignaleerde knelpunten bij het SCIOS loket in samenwerking met de VNG aan de orde
gesteld bij het ministerie van BZK.
Voor 2022 is de doelstelling daarbij:
e _Scios loket wordt gekoppeld aan het zaaksysteem van de OD NZKG;
e Alle installaties zijn uiterlijk 2025 gekeurd.
Voor de energiekeuringsverplichting van klimaatinstallaties is de OD NZKG bezig met het inrichten van een
dashboard en het voorbereiden van de koppeling van data met de landelijke portalen Hierbij dringt de OD
NZKG bij het ministerie en de RVO aan op het goed toegankelijk maken van de beschikbare data.
Energie akkoord Provincie Noord Holland
Energiebesparing is belangrijk om Nederland vóór 2050 energieneutraal te maken. In het Nationaal
Energieakkoord (SER) zijn afspraken gemaakt over energiebesparing, schone technologie en klimaatbeleid.
Gemeenten en omgevingsdiensten zetten zich volop in om bedrijven te stimuleren om energiebesparende
maatregelen te nemen. Dat is in veel gevallen een wettelijke verplichting. Amsterdam heeft de afgelopen jaren
een grote ambitie getoond, waarbij de OD NZKG als partner een aandeel levert aan de verduurzaming en
energiebesparing bij bedrijven in de stad. De OD NZKG heeft de afgelopen jaren sterk ingezet op stimulering
van bedrijven om te voldoen aan de wettelijk verplichte energiebesparende maatregelen. Energie die niet
gebruikt wordt, hoeft immers ook niet opgewekt te worden. De OD NZKG draagt op deze wijze bij aan het
behalen van de doelen uit het Klimaatakkoord.
Met het energiebesparingsakkoord van de provincie Noord-Holland kan het toezicht op energiebesparende
maatregelen geïntensiveerd worden.
De OD NZKG heeft in samenwerking met de provincie Noord-Holland en de drie andere omgevingsdiensten
binnen de provincie de verdere uitwerking verzorgd van het akkoord. Dit heeft veel inzet gevraagd. Het akkoord
richt zich op zowel de wettelijke taken als op stimulering. Door de vier omgevingsdiensten is een gezamenlijk
werkplan opgesteld. Ook is een planningstool ontwikkeld waarmee de gemeente het budget dat beschikbaar
komt vanuit het akkoord kan toedelen aan zowel toezicht en handhavingstaken als aan stimulering. De
gemeente zal door de OD NZKG ondersteund worden bij werking van de tool en de aanvraag om subsidie.
1.5 Inzet uren en middelen
Tabel 10: totaal milieu
Afwijking
Realisatie -
Milieu - output Begroot (€) Actueel(€) Begroot (€) E/V 6mnd (€)
[Rie Overig Regulering &Toezicht(M&L+M&I) | 80.863| 80.863) _O| 80.863
Op het outputpakket zijn geen bijzonderheden te melden. Er is sprake van een kleine afwijking als gevolg van
de jaarlijkse herijking van het bedrijvenbestand op 1 september.
Pagina 18 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Tabel 11: regiepakket
Afwijking
Realisatie -
Milieu - regie Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€)
Totaal 1.987.581| 2.223.840| 236.259| 1.994.606 |
Evenementenadvies heeft in 2021 toch meer uren gevraagd dan verwacht bij de halfjaarprognose. Door de
versoepeling in de zomerperiode is veel advies werd gevraagd voor evenementen die uiteindelijk deels helaas
toch niet door konden gaan. Daarnaast heeft de OD NZKG expertise geleverd voor de regietafel in Amsterdam.
Milieuadvies is bijna gelijk gebleven aan de bijgestelde prognose in de halfjaarrapportage.
Voor milieu-regie is sprake van een overschrijding van iets meer dan € 17/k. Dit wordt veroorzaakt door een
aantal posten. Voor VTH programmering zijn de uren voor onze bijdrage aan het VTH beleid Amsterdam op
deze post geschreven, voorheen werd dit op bouwbeleid geschreven. Daarnaast is op de regiepost toezicht en
handhaving overige sprake van een overschrijding van iets meer dan 1.200 uur. Afgelopen jaar zijn extra
duurzaamheidscontroles energiebesparing uitgevoerd (125 in plaats van 100). Daarnaast is veel tijd besteed
aan het afronden van de informatieplicht en het aanschrijven van niet melders (zie ook de inhoudelijke
toelichting paragraaf 1.4).
Pagina 19 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
2. Programma Bouw
In dit hoofdstuk maken wij inzichtelijk hoe het programma Bouw heeft bijgedragen aan de beleidsopgaven en
wat wij daarvoor aan activiteiten geleverd hebben in 2021. In het Noordzeekanaalgebied wordt het steeds
drukker: meer industrie, meer mobiliteit en een forse woningbouwopgave. De klimaat- en
duurzaamheidsdoelstellingen van de landelijke en lokale overheden zijn belangrijke kaders bij de uitvoering van
onze werkzaamheden.
Door de uitvoering van de wettelijke VTH-taken voor bouw, gebruik en sloop zorgt de OD NZKG dat
bouwwerken veilig (brandveilig en constructief), gezond, bruikbaar en energiezuinig worden gebouwd en dat
ook blijven. Betrokken zijn bij bouwtaken betekent dat er volledig vraaggestuurd gewerkt wordt. De OD NZKG
behandelt de vergunningaanvragen. De werkvoorraad voor bouwtoezicht is vooral afhankelijk van de verleende
bouwvergunningen. Vanaf het moment van de daadwerkelijke start van de bouw voeren we controles uit. Bij de
controles gebruiken we een systematische aanpak, op basis van digitale checklisten. Hiermee is ook de
inhoudelijke kwaliteit van het toezicht gewaarborgd en navolgbaar. De Wet kwaliteitsborging bouw betekent
een verschuiving van taken. In 2021 is het gesprek over de impact van de verschuiving van taken opgestart.
Effect van corona
Alleen voor controles waarbij niet conform de RIVM-richtlijnen kan worden gewerkt, wordt toezicht anders
vormgegeven of opgeschort. Dat geldt vooral bij controles op brandveiligheid of oneigenlijk gebruik.
De coronacrisis heeft grote invloed gehad op het inplannen van de controles brandveilig gebruik. Een groot deel
van de kantoren en bedrijven waren gesloten voor werknemers, waardoor het heel moeilijk tot onmogelijk werd
om controles uit te voeren. Bij het inplannen van controles voor 2021 is hier al rekening mee gehouden. Dit
heeft geresulteerd in een lager aantal geplande controles. Door de langere periode van coronamaatregelen en
lockdown is het aantal controles verder achtergebleven. In het laatste kwartaal van 2021 zijn deze weer
opgepakt. De opgelopen achterstanden door de coronarestricties konden in dit korte tijdsbestek niet meer
geheel ingehaald worden. Dit is dan ook zichtbaar in het totaal aantal gedane controles en bevindingen.
Capaciteit versus uitvoering
Vanwege de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en de hoge bouwproductie, is het in 2020 niet mogelijk
geweest om het bouwtoezicht op het Uniform Uitvoeringsniveau (UUN) uit te voeren. Dit UUN is op genomen in
de VTH-strategie van de OD NZKG en bestuurlijk vastgelegd door het bestuur van Amsterdam.
Een risicoanalyse, in 2020 uitgevoerd door de OD NZKG, heeft geleid tot definiëring van een ondergrens die,
gezien deze omstandigheden, tijdelijk verantwoord is. Daarbij is rekening gehouden met de aard van de werken
waarop de OD NZKG toezicht houdt en met de mate waarin de bouwers hun eigen processen van
kwaliteitsborging op orde hebben. Deze ondergrens is bij het kiezen van prioriteiten in het werk leidend. Daar
waar uitvoeringscapaciteit beschikbaar is, en/of het bouwwerk of de kwaliteit van de bouwer dit verlangt, wordt
een hoger toetsingsniveau toegepast. De functie van het vastleggen van deze ondergrens is om te voorkomen
dat toezicht uitsluitend wordt gericht op de hoogste veiligheidsrisico’s, terwijl ook andere kwaliteitsaspecten van
maatschappelijk belang blijven, zoals een goede bruikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, energiezuinigheid en
dergelijke, De mate van niveau van toezicht wordt per object en per inspectieonderwerp vastgelegd.
In 2021 is een bedrag van € 300k beschikbaar gesteld om het UUN te kunnen bereiken. Door deze extra
bijdrage was het mogelijk om op UUN niveau te werken. Het team Toezicht & Handhaving Bouw had in 2021 de
beschikking over meer (inhuur)capaciteit—Hiermee is het toezichtniveau geleidelijk verder gegroeid. Er is meer
Pagina 20 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
aandacht voor energie en duurzaamheid (EPC, glaswaarde, isolatiewaarden), milieu en gezondheidsaspecten.
Tevens is tijdens de coronacrisis de bouw in volle productie gebleven. Projecten die in voorgaande jaren zijn
vergund, zijn in uitvoering gegaan en in 2020 en 2021 zijn er nieuwe projecten bijgekomen.
2.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen?
De OD levert in 2021 vanuit het programma Bouw een bijdrage aan de beleidsdoelen met de uitvoering van de
volgende taken:
Energiebesparing en energietransitie
OD NZKG draagt bij aan kennisontwikkeling over energiebesparende maatregelen op regionaal en landelijk
niveau, onder andere door deelname aan de energietafels. De genoemde wijziging in de wet- en regelgeving
over energiebesparende maatregelen draagt na opvolging in de uitvoering bij aan aanzienlijke
energiebesparing. OD NZKG ziet toe op de uitvoering van deze taken.
Crculaire economie, afvalpreventie en afval ketenbeheer
Op regionaal niveau zijn wij de drijvende kracht op het gebied van Circulaire Economie. Het circulair toepassen
van bouwmaterialen is één van onze speerpunten. Wij ondersteunen in kennis- en beleidsontwikkeling en doen
ervaring op bij de projecten waar wij zelf de regie op voeren.
Het afvoeren van asbest is gevoelig is voor criminele activiteiten. Bij het ontdoen van deze stoffen hebben wij
extra aandacht voor de afvoer en verwerking, ook in het kader van circulaire economie.
OD NKZG neemt deel aan landelijke en regionale werkgroepen (zoals Aantoonbaarheid Circulaire
Bouwmaterialen van ministerie van BZK, MRA werkgroepen, Werkgroep afvalstoffenbeheer). Er zijn twee
workshops georganiseerd met Havenbedrijf Amsterdam en OD NKZG over optimaliseren van de samenwerking
bij vergunningverlening van circulaire initiatieven in de haven. Kennis delen blijft belangrijk om voortgang op dit
thema te bewaken. Zo willen we meer helderheid creëren over de grenswaarden die bepalen of een bedrijf om
een afvalpreventieplan gevraagd kan worden of niet.
Voor toezicht ligt de focus op uitvoering van het plan van aanpak Ketentoezicht e-waste en circulair bouwen. Bij
R&D circulair bouwen is het concept toezichtprotocol MPG opgesteld. Deze is besproken in het VTH overleg
bouw (stadsdelen). Doorontwikkeling van dit protocol doen we samen met stadsdelen van Amsterdam.
Om circulaire kansen zichtbaar te maken voor bedrijven hebben de OD NKZG, gemeente Amsterdam, provincie
Noord-Holland en haven van Amsterdam het initiatief genomen om de tool van het bedrijf Geofluxus — platform
afvalprofielen- te ontwikkelen. De tool geeft inzicht in o.a. afval-en materiaalstromen, de milieu-impact, gebruik
van kritische en de daarbij behorende risico’s.
Omgaan met verdichting, transformatie van gebouwde omgeving en gebiedsontwikkeling
De analyses van de Raad van State laten zien dat er meer inspanningen in samenhang en geïntensiveerd
beleid, maar vooral in aanpak nodig zijn. Daarin ligt de toegevoegde waarde van de OD NZKG. Wij stemmen
uitvoering van onze taken af op rijks-, provinciaal, regionaal en lokaal niveau. Wij werken integraal vanuit de
verschillende programma’s Bodem, Bouw en Milieu. De samenhang draagt bij aan afwegingen in het kader van
de ruimtelijke indeling en gebruik. Afstemming zorgt voor inzage in de haalbaarheid van ambities.
Pagina 21 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
2.2 Vergunningverlening & regulering
Tot en met 31 december 2021 zijn de volgende aantallen vergunningen aangevraagd, in behandeling genomen
en afgerond.
Tabel 11: aantal vergunningen en regulering
Ontvangen voor
2020
maar Ontvangen in Totaal
afgehandeld of 2021
openstaand in
2021
Ontvangen aanvragen -
Ontvangen aanvragen -
Verleende beschikkingen
Aanvragen nog In behandeling
aanvragen
Van rechtswege verleende 2 3 5
vergunningen
Geweigerde aanvragen
Ingetrokken aanvragen
Tweemaal per jaar wordt een audit uitgevoerd op het legesproces ter onderbouwing van de financiële
rechtmatigheid.
Asbest en sloop
In onderstaande tabel geeft het aantal ontvangen sloopmeldingen weer en de verhouding tussen meldingen
met en zonder asbest.
Tabel 12: sloopmeldingen met en zonder asbest
Sloopmeldingen Sloopmeldingen Sloopmeldingen
met asbest zonder asbest etl
Nog ‘n behandeng |
Akkoord na toetsing 5 | | 8
Niet akkoord na toetsing
Net voor ODNZKG eee |
2.3 Toezicht & Handhaving
Algemeen doel van toezicht en handhaving in het kader van de Wabo is het bevorderen dat
bouwwerkzaamheden en het gebruik van de betrokken panden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende
Pagina 22 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
wet- en regelgeving en — voor zover van toepassing — de afgegeven vergunning. Indien overtredingen worden
geconstateerd wordt opgetreden met passende waarschuwingen of sancties.
Bouwtoezicht volgt op het moment van start bouw. Deze sluit niet altijd direct aan op het moment van verlenen
van de vergunning. Hetgeen tot vertraging van feitelijke bouwactiviteiten kan leiden. Bij de controles gebruiken
we een systematische aanpak, op basis van digitale checklisten. Hiermee is ook de inhoudelijke kwaliteit van
het toezicht gewaarborgd en navolgbaar.
Asbest en sloop
In het WABO beleid van 2017/2018 van Amsterdam is vastgesteld dat door Amsterdam alleen nog toezicht
gehouden wordt op particuliere en niet asbest sloop. Op dit moment vinden er gesprekken plaats tussen de OD
NZKG en Amsterdam om deze taak in 2022 over te dragen.
Bij het toezicht op de sloopmeldingen met asbest is wederom opgevallen dat de meest voorkomende
overtredingen zich toespitsen op het vooraf melden van de start werkzaamheden. Dit is mede te verklaren
doordat de startmeldingen nu verplicht gedaan worden via het Landelijk Asbest Volgsysteem (LAVS). Deze
automatische verzending gaat op postcode en niet bevoegd gezag. Hierdoor komt het merendeel van de
meldingen bij stadsdelen terecht. We zijn op dit moment bezig om een koppeling tussen het zaaksysteem van
de OD NZKG en het LAVS te realiseren waardoor dit probleem kan worden ondervangen.
Brandveiligheid
Eigenaars en gebruikers voelen zich verantwoordelijk voor de brandveiligheid van hun gebouw. Het gewenste
maatschappelijk effect van de aanpak brandveilig gebruik is het waarborgen van een brandveilig woon-, werk
en verblijfsklimaat. Hoofddoel is het risico van brand bij bestaande (risicovolle) gebouwen te verminderen door
de kans op brand te reduceren en de gevolgen van brand te beperken. Resultaat van de activiteiten moet zijn
dat gebouwen voldoen aan de wettelijke voorschriften op het gebied van brandveiligheid. Objecten in het kader
van brandveilig gebruik kunnen gebouwen zijn, maar ook delen daarvan. Als in een groter gebouw meerdere
functies gehuisvest zijn, kan het zijn dat voor specifieke delen van het gebouw soms strengere eisen gelden.
Soms zijn alleen die onderdelen meldingsplichtig.
In onderstaande tabel staan de aantallen uitgevoerde controles brandveiligheid.
Tabel 12: brandveiligheidscontroles
Prioritering brandveilig Maa jn
ello TS kenbare
controles
Categorie 1 - Controlefrequentie:
2x per jaar
Categorie 2 - Controlefrequentie:
ix per jaar
Categorie 3 - Controlefrequentie: 25
ix per 2 jaar
Categorie 4 - Controlefrequentie: 13
ix per 3 jaar
Categorie 5 - Controlefrequentie:
n.v.t.
VA
Pagina 23 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Er is op dit moment geen toename van meldingen voor het brandveilig gebruik. Wij verwachten toename zodra
de coronamaatregelen versoepeld worden en op locatie werken weer mogelijk is.
2.4 Bouwadvies en bouwregie
Bouwadvies of -regie kan betrekking hebben op de volgende onderwerpen:
Gelijkwaardigheidscommissie Bouwbesluit
Het Bouwbesluit kent duidelijke prestatie-eisen. Soms kan een plan niet rechtstreeks aan deze regels voldoen,
maar is het aantoonbaar dat er op andere, gelijkwaardige wijze toch wordt voldaan aan het doel van het
artikel. Het Bouwbesluit biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om via de gelijkwaardigheidsbepaling met
een dergelijke oplossing in te stemmen. De gelijkwaardigheidscommissie is in te zetten om gelijkwaardigheid te
bepalen bij onder andere energieprestatieberekeningen, de aansluitplicht op warmte-infrastructuur en
brandveiligheidsvraagstukken.
In Amsterdam is voor twaalf dossiers gelijkwaardigheid toegepast. In twee gevallen op basis van ventilatie, in
één geval op sterkte bij brand en een casus waarbij glas is toegepast als constructie.
Advies constructieve veiligheid
Ook voor adviezen van onze constructeurs geldt dat capaciteit van invloed is op de kwaliteit van het advies.
Circa 13% van de adviezen is opgesteld op acceptabel en aanvaardbaar niveau ín plaats van op uniform
uitvoeringsniveau. De blijvende zoektocht naar capaciteit met continu opstaande vacatures heeft nog
onvoldoende effect. Daarbij nog uitval door ziekte waardoor minder capaciteit is besteed.
Dit jaar zijn opvallend veel klachten binnengekomen, omdat ontwerpend constructeurs het niet eens waren met
ons negatieve advies, De klachten komen veelal voort uit de werkdruk bij de ontwerpend constructeurs die
fouten. Alle klachten zijn, nadat wij een second opinion door andere constructeurs hebben laten uitvoeren,
ongegrond verklaard.
De eerste zes maanden zijn geen adviezen gegeven op evenementen, omdat deze door de coronapandemie
niet hebben plaats gevonden.
Vanaf juni hebben wij actief deelgenomen aan de nieuwe tijdelijke werkvorm voor Amsterdam, de regietafel
plus. Een eerste indruk van de constructie werd aan de hand van stukken binnen enkele dagen, in plaats van
een adviestermijn van twee weken, van ons gevraagd. Dit heeft extra capaciteit gevraagd in de coördinatie en
zal geëvalueerd worden.
Er is een trend om gebouwen waaronder ook hoogbouw, in het kader van duurzaamheid, met hout uit te
voeren. Brandveiligheid en constructie is daarbij een extra aandachtspunt die wij kritisch benaderen. Wij
hebben geadviseerd op het hoogste houten gebouw van Amsterdam, het woongebouw Haut, waarbij een
innovatieve houtconstructie is toegepast (CLT-hout in combinatie met beton). Hiervoor zijn nog geen
vastgestelde rekenregels vastgelegd în normen. Ter ondersteuning van onze advisering hebben wij de TU-delft
ingeschakeld omdat zij samen met de Universiteit van München dit type hout onderzoeken en meewerken aan
rekenregels en normen hiervoor. Daarmee hebben wij onze kennis vergroot, en delen wij onze kennis in de
normcommissie via het landelijke constructeursoverleg.
Er zijn dit jaar een aantal zaken waarbij wij de juristen van Amsterdam ondersteunen op constructief vlak bij de
zittingen. Deze samenwerking is zeer positief.
Pagina 24 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Regulering en toezicht tunnels
Piet Heíintunnel
Het vooroverleg over Bouwplan en definitief ontwerp voor de renovatie van de Piet Heintunnel is in goede
samenwerking met Programma AWA en Tunnelbeheerorganisatie verlopen. De omgevingsvergunning is medio
mei 2021 verleend, Veel aandacht vroeg het aspect stikstof. In afstemming met alle betrokken partijen is bij de
vergunningverlening de Handreiking Beheer en Onderhoud Aanpak Stikstof toegepast.
Er zijn verschillende omgevingsvergunningen en werktijdenontheffingen verleend om voorbereidende
werkzaamheden in de tunnel en de dienstgebouwen uit te voeren. Dit vooruitlopend op de afsluiting van de
tunnel en de start van de renovatie. Het vooroverleg en de beoordeling gebruiksmelding hebben
plaatsgevonden voor het brandveilig gebruiken van de IJtram tijdens de renovatie. Er zijn tijdelijke
voorzieningen maatregelen getroffen voor een aantoonbaar veilig gebruik in deze periode. Het gebruik van de
tunnel in de gedoogperiode is binnen de uitgangspunten van de QRA gebleven en het aantal vrachtauto's is
door digitale handhaving en verkeersafname door de coronapandemie nog verder gedaald. Met het verlenen
van de omgevingsvergunning medio mei 2021 is de gedoogperiode beëindigd.
Al met al veel werk in een relatief korte periode en intensief overleg met Programmaorganisatie AWA van Metro
en Tram en tunnelbeheerorganisatie in 2021 met goed resultaat.
Michiel de Ruiftertunnel
De brandwerende beplating ís gerealiseerd en kwalitatief op orde. De werkzaamheden waren twee maanden
eerder gereed. De werktijdenontheffing voor de werkzaamheden in de avond en nacht ís verlengd. Uit
geluidmetingen in het voorgaande kwartaal bleek dat de werkzaamheden minder geluid veroorzaken dan
ingeschat en wegvalt tegen het achtergrondlawaai (spoor- en wegverkeer). Er zijn geen klachten gekomen.
Arenatunnel
Vooroverleg renovatie Arenatunnel met Programmaorganisatie AWA is in juni 2021 gestart. In de voorbereiding
op de renovatie is uit CFD berekening (Computational Fluid Dynamics is een techniek waarmee met behulp
van geavanceerde software vloeistof- en gasstromen worden gesimuleerd) gebleken dat er niet in alle
realistische brandscenario’s voldoende tijd is om veilig uit te tunnel te komen. De vluchtveiligheid is dan niet
geborgd. De Tunnelbeheerder heeft de OD NZKG hierover geïnformeerd. Op 21 december 2021 heeft het
college van B&W besloten de Arenatunnel voor verkeer af te sluiten en een tweetal restrisico’s, de doorgang
van nood- en hulpdiensten en het openhouden van uitrit P1 te accepteren.
De OD NZKG heeft voor deze twee gebruikssituaties op een gemotiveerd en onderbouwd verzoek van V&OR
gedoogbesluiten genomen. Vanwege de raakvlakken integrale veiligheid Arenatunnel en parkeergarage Arena is
met stadsdeel Amsterdam Zuidoost afgesproken dat de OD NZKG, in elk geval gedurende uitvoering van
Programma AWA, de bevoegdheid voor parkeergarage Arena in mandaat namens het college van B&W uitvoert.
In samenwerking met een adviseur van de Brandweer AA is een inspectie gehouden naar de gebruiksveiligheid.
Parkeerbeheer voert acties uit voor verbeteringen op de korte termijn om de constateringen te herstellen en
komt in januari 2022 met een Plan van Aanpak voor de langere termijn. Daarin is aandacht voor verbeteringen
op het aspect integrale veiligheid met stadion en tunnel qua installatietechnische voorzieningen en de integrale
veiligheidsaspecten omtrent toekomstige bouwontwikkelingen bij de JC Arena.
Zuidasdok Openbaar Vervoer Terminal (OVT 1 en 2)
Pagina 25 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Over de aanvraag omgevingsvergunning voor de OVT 1 en 2 is gedurende een jaar frequent vooroverleg
gevoerd. OVT 1 en 2 betreft een complexe aanvraag qua fasering, techniek en veiligheid (constructie,
bouwveiligheid en gebruik{/brandveiligheid). Ook onderwerpen als stikstof, welstand en BENG vroegen het
nodige vooroverleg en afstemming. De omgevingsvergunning is 2 december 2021 verleend. Een intensief
traject voor een omvangrijke complexe vergunningaanvraag. Het projectteam heeft veel werk verzet en er is
volgens planning een goed resultaat gehaald.
De OD heeft omgevingsvergunningen verleend voor tijdelijke perrons bij de Brittenpassage, het ophogen
perrons Noord- Zuidlijn en voor het treffen van bouwkundige maatregelen in station Amsterdam-Zuid om de
gebruiksveiligheid te verhogen. Werktijdenontheffingen voor bouwactiviteiten Brittenpassage in avond en nacht
is verleend. Er zijn geen klachten ingediend. Het veiligheidsbewustzijn naar de omgeving, zoals met name
kraanopstellingen en veiligheidszonering heeft veel aandacht gevraagd. Met Zuidasdok zijn de geleerde lessen
besproken en toegepast bij de nieuwe contracten OVT 1 en 2. Voor de borging van de wijze van veiligheid
heeft Zuidasdok een Kader Bouwveiligheidsplan als eis in de aanbesteding opgenomen en het Kaderplan
Bouwveiligheid OVT maakt deel uit van de omgevingsvergunning.
De bodemdossiers als gevolg van eerdere werkzaamheden Brittenpassage zijn in 2021 afgerond en het overleg
over het Raamsaneringsplan voor OVT 1 en 2 is gestart. De inwerkingtreding van de omgevingsvergunning OVT
1 en 2 is verbonden aan een goedgekeurd Raamsaneringsplan voor deze fasen.
Rozenoordbrug
Over de uitgangspunten en voortgang van de monitoring van scheurvorming in de Rozenoordbrug Zuid
informeert RWS (en TNO) de OD op transparante wijze in het structurele voorgangsoverleg.
Vooroverleg over de ondersteuningsconstructie van de brug monitoring resulteerde eind mei 2021 in een
vergunningaanvraag voor versterking van de brug. In augustus is de omgevingsvergunning verleend en de start
uitvoering versterking Rozenoordbrug Zuid was 1 november 2021. De beoordeling van de constructie
staalvakwerk en toezicht omgevingsveiligheid vaarwater zijn bijzonder bij dit werk.
Projecten bouw
Gaasperdammertunnel/Gaasperdammerkunstwerken
Het project is binnen de OD NZKG in juli 2021 afgeschaald. Integrale projectmatige aanpak is voor deze
werkzaamheden niet meer nodig. De werkzaamheden die nog lopen (VTH taken inzake kap, sloop en bouw)
worden in de lijn afgehandeld. Dat betekent dat de verschillende taken door de betreffende teams worden
afgehandeld.
PHS Amsterdam (Programma Hoogfreguent Spoor)
Veel tijd is besteed aan de commotie rondom het bouwlawaai met Pasen bij de Contactweg. Dit heeft onder
andere geleid tot raadsvragen, een Wob verzoek en veel communicatie via twitter en overige media. Er lopen
diverse aanvragen (o.a. monumentenaanvragen rijksmonument CS, tijdelijke hulpbrug etc.). Daarnaast een
toezichttraject en constructief advies onderdoorgang Contactweg, en wijzigingen station Amstel. Veel
vooroverleg en afstemming over diverse locaties naast Amsterdam CS, o.a. Westpoort, Dijksgracht, bruggen
Oostertoegang en Kattenburgerstaat, relaishuisjes. Speerpunt is met name bouwlawaai.
Pagina 26 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
2.5 Inzet uren en middelen
Tabel 13: totaal bouw
Afwijking
Realisatie -
Bouw - output Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) E/V 6mnd (€)
[Totaal (inclusief VUN) _____| 2.069.362] 1.605.808| -463.554| 2.069.362 |
Bij de output producten is de realisatie lager omdat we minder aanvragen hebben ontvangen dan verwacht.
Het gaat om de categorie Bom A1/A2, dit zijn vergunningplichtige aanvragen waarvan de bouwsom lager is dan
€ 100.000,- zoals bijvoorbeeld een reclameobject, onderkelderingen of een dakopbouw waar 25% minder
aanvragen zijn ontvangen en de categorie Bom BV1 t/m BV 7 verbouw waar 30% minder aanvragen zijn
ontvangen.
Tabel 14: bouw regie
Afwijking
Realisatie -
Bouw - regie Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€)
[Totaal 1 7-018.099| 6.751260| -266.838| 7.018.148 |
Voor constructieve veiligheid zijn minder uren gemaakt als gevolg van capaciteitsgebrek. Waar dat gezien de
risico’s verantwoord was, is het kwaliteitsniveau aangepast (In 13% van de gevallen). Daardoor is de realisatie
in de uren ook lager. Voor uitvoeringsbeleid bouw zijn minder uren gerealiseerd omdat er minder capaciteit
beschikbaar is en deels op VTH beleid is geschreven (voor de UVO 2022 zijn de uren naar beneden bijgesteld).
Als gevolg van de bestuurlijke besprekingen voor het project Eleven Square (voorheen UID) zijn de uren voor
projectmatig vooroverleg hoger dan begroot. Voor regulering en toezicht tunnels zijn de uren hoger dan
begroot als gevolg van een hogere uren inzet Zuidasdok. Voor het project bruggen en kademuren is de
realisatie fors lager. In de begroting is rekening gehouden met VTH inzet voor de niet gemeentelijke
Pagina 2/7 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
kademuren voor het gehele jaar. In september 2021 is een aanpak ontwikkeld voor de niet gemeentelijke
kademuren waarbij de VTH inzet vooralsnog beperkt is,
Pagina 28 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
2 Programma Bodem
De grond onder onze voeten is letterlijk de basis waarop wij wonen, werken, spelen, ons verplaatsen en ons
voedsel verbouwen. Het is een belangrijke bron voor grondstoffen: zand, grind, cement en drinkwater. We
gebruiken de bodem ook steeds meer voor energieopslag. Op onze bodem moeten we dus zuinig zijn, maar dat
zijn we vaak niet: we dumpen afval, lozen afvalwater, gebruiken bestrijdingsmiddelen en wijzigen de
temperatuur van het grondwater. Door de eeuwen heen is de bodem in Nederland op veel plekken, bewust of
onbewust, vervuild. De uitvoering van de wettelijke VTH-taken draagt bij aan een schonere en gezondere
bodem.
De grote woningbouwopgave bij onze opdrachtgevers levert veel bodemverplaatsingen op. Bodem levert
noodzakelijke inzet van expertise voor de versnelling daarvan. In dit hoofdstuk maken wij inzichtelijk hoe het
programma Bodem bijdraagt aan de beleidsopgaven en welke activiteiten wij uitvoeren.
3.1 Wat is onze bijdrage aan de doelen?
In 2021 levert de OD NZKG via uitvoering van de wettelijke VTH-taken een bijdrage aan een schonere en
gezondere bodem. Verder wordt een bijdrage geleverd aan de volgende doelen uit uw beleidsopgaven:
Woningbouwopgave
Bij bouwprojecten vinden vaak bodemverplaatsingen plaats. Onze bodemkwaliteitskaarten dragen bij aan snelle
besluitvorming in het kader van de woningbouwopgave.
Energiebesparing en energietransitie
Vanwege de duurzaamheidsopgave is het de komende periode nodig om veel in de grond te werken, denk
hierbij bijvoorbeeld aan de warmte-koude opslag. Dat betekent dat het in de ondergrond steeds drukker zal
worden.
Wij informeren gebruikers van WKO-systemen over de effectiviteit van het systeem. Indien sprake is van grote
afwijkingen in de opslag van koude of warmte, vragen we om een plan van aanpak voor herstel van de balans
of om effectief gebruik van het overschot.
Circulaire economie
De afgelopen decennia is toezicht op afvalstoffen zoals grond- en grondstromen als laag risico ingeschat. Uit
onderzoek blijkt dat bij overdracht van afvalstoffen (schakels in de keten) meer risico is op milieucriminaliteit/
ondermijning dan ingeschat. Zie ook het rapport van RIVM. De OD NZKG heeft In 2020 pilotprojecten gestart
die in 2021 voortduurden. We hebben toezicht gehouden bij onder andere:
e transport van een afvalstof naar een andere inrichting,
e de overgang van afvalstromen naar een ander bevoegd gezag (bijv. ander OD-gebied) of afdeling.
We hopen aan te kunnen tonen hoe verscherpt toezicht bijdraagt aan de ambities van opdrachtgevers in het
kader van terugdringen van ondermijning, een veilige en schone omgeving en circulaire economie.
3.2 VTH-uitvoering in outputpakket
VTH-taken met betrekking tot de bodem worden verricht vanuit de wettelijke kaders van de Wet
bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Daarnaast zijn er VTH-bodemtaken op grond van
de Wet milieubeheer als er sprake is van bodemverontreiniging in relatie tot de activiteiten door de inrichting
Pagina 29 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
(bijvoorbeeld ongewone voorvallen met gevolgen voor de bodem) of vanuit het Bouwbesluit als gevolg van
onzorgvuldige (asbest)sloop.
De werkzaamheden rond vergunningverlening en meldingen bij Bodem zijn vrijwel volledig ‘vraaggestuurd’. De
invulling van het uitvoeringsprogramma kan derhalve slechts als een indicatie gezien worden op basis van
beschikbare kengetallen, ervaringen, prioritering en beleidsvereisten. In onderstaande tabel zijn de uitgevoerde
activiteiten opgenomen in 2021.
Tabel 15: aantallen bodem
Bodem Aantal % bezocht Aantal
VTHUP-product cate- Lacs Like [Keet Laks afgeronde waarschu:-
Ri ontvangen Eilt ge) A
fe le bezocht Le Cl wingen
Bodemsarerngzvaremeeet Mb fo fo fa | sm Pa |
EE EC EN ZN EC
eodemsarerne gemee ee |
[Bodemsanering wijziging Be fs fo Fa | ss fs |
Bodemsanerng gemeent u fm feed|
eodemsanerng bereke fs fee em tej
De trend is dat er veel aandacht is voor de bodem, in bredere zin. Ruimte is schaars, en bodem wordt meer en
meer gezien als integraal onderdeel van de grotere maatschappelijke RO/woningbouwopgaven. De integrale,
multidisciplinaire aanpak wordt — in de geest van de OW — steeds belangrijker in gesprekken met onze
opdrachtgevers. Daarnaast wordt de kennis over de bodem in de vorm van een kennisinfrastructuur landelijk
door ODNL als project ontwikkeld en opgepakt. De regio Noordzeekanaalgebied— in samenspel met de provincie
en gemeentes — heeft aangeboden daarbinnen een pilotregio te vormen met als doel te komen tot een
regionaal kennisschakelpunt op het gebied van bodem. In de loop van 2022 worden daarover nadere afspraken
gemaakt.
3.3 Bodemadvies en bodemregie
Binnen Bodemadvies is een grote inzet gepleegd op de voorbereiding van taken onder de Omgevingswet, zoals
het opstellen van het bodembeleidskader onder Omgevingswet voor opdrachtgever Amsterdam, maar ook voor
de overige gemeenten in regioverband. Daarbij zijn we ook gestart met in regioverband te bespreken hoe de
grondwatertaken onder de Omgevingswet verdeeld kunnen worden onder de decentrale overheden.
In 2021 is een visie opgesteld voor het Bodem Informatie Systeem (BIS) en een projectvoorstel geschreven,
met als doel om de overgang naar de Omgevingswet (OW) in het BIS te actualiseren en aan te passen aan de
nieuwe wet. Dit is in de gehele regio, voor alle gemeentes en provincie, relevant, evenals voor de bureaus die
actuele en op toegankelijke wijze informatie over de bodem uit het systeem willen ontvangen. Het project
wordt in 2022 gestart.
Bodemkwaliteitskaart en bodembeleidskader onder Ow
Voor Amsterdam is in het vierde kwartaal van 2020 gestart met voorbereidingen voor een herziening van de
bodemkwaliteitskaart i.v.m. het toetreden van Weesp bij Amsterdam. Weesp had geen eigen
Pagina 30 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
bodemkwaliteitskaart, dus de werkzaamheden betroffen ook het doen van historisch onderzoek, het verzamelen
van bodemdata en het tekenen van kaarten (o.a. een bodemfunctiekaart). Deze werkzaamheden zijn in 2021
voortgezet. Het opleveren van de nieuwe bodemkwaliteitskaart en de bestuurlijke vaststelling staat gepland
voor het eerste kwartaal van 2022.
De verkenning of gebied specifiek beleid mogelijk is voor de aanleg van Buiteneiland is in 2021 nog niet tot een
afronding gekomen. Er is meer onderzoek nodig naar de beïnvloeding van toe te passen grond op het
oppervlaktewater. Deze onderzoeken zijn door Amsterdam ingezet en/of uitbesteed en lopen door in 2022. De
insteek is nog steeds om Buiteneiland circulair aan te leggen met hergebruikgrond en geen primaire
grondstoffen aan te wenden, wat past in de duurzaamheidsambitie van Amsterdam. In 2022 zal het beleid
verder worden uitgewerkt,
Verder is in 2021 een traject ingezet om samen met Amsterdam te inventariseren wat de wensen zijn voor
lokale maatwerkregels en/of beleidsregels onder de Omgevingswet. Dit is verwoord in het Beleidskader bodem
onder de Omgevingswet. In 2021 is dit beleidskader voor een groot deel in concept gereed gekomen, in 2022
zal dit worden afgerond. Ook is een lijst opgesteld met noodzakelijke aanpassingen voor het omgevingsplan.
Deze lijst is met Amsterdam besproken om te komen tot een lijst onderwerpen voor de basisregeling.
Pilot Bodem Artís
Artis heeft met werkzaamheden in de bodem te maken voor o.a. het verzorgen van bomen, struiken en
planten, en het onderhouden van (ondergrondse) infrastructuur. Omdat de bodem van Artis, als deel van de
stedelijke ophoog laag met veel stoffen verontreinigd is, moet onder de huidige wetgeving (Wet
Bodembescherming) voor elk van deze werkzaamheden een melding worden gedaan bij de OD NZKG, die deze
melding toetst.
Vooruitlopend op de Omgevingswet, waarbij voor grondverzet onder de 25 m3 geen melding meer hoeft te
worden gedaan, maar een informatieplicht zal gelden, heeft de OD NZKG, onder afgesproken voorwaarden, met
de wens van Artis om voor dit kleinschalig grondverzet geen meldingen meer hoeven te doen, ingestemd. Dit
als pilot voor de invoering, waarbij de juridische vorm een gedoogbesluit is.
De pilot is gestart in januari 2020 en loopt door totdat de Omgevingswet van kracht wordt. De beoogde nieuwe
datum van inwerkingtreding is 1 januari 2023.
De coronacrisis heeft voor uitstel en vertraging van veel projecten binnen Artis gezorgd. In 2021 zijn 17 keer
werkzaamheden uitgevoerd onder de pilot. Dit aantal is vergelijkbaar met het aantal in 2020.
3.4 Knellend beleid
OD NZKG maakt deel uit van het programma ‘Bodembeheer van de Toekomst’. Inzet heeft inmiddels tot de
nodige correcties in de regelgeving OW geleid. Op dit moment stellen wij de toepassing van staalslakken aan
de orde in het kader van “knellend beleid”:
e Eris een verzoek gedaan aan de provincie en de gemeenten in de NZKG-regio om een meldplicht voor
staalslakken in de omgevingsverordening of in het omgevingsplan op te nemen. Ook is de
wenselijkheid van een meldplicht voor staalslakken binnen het programma ‘Bodembeheer van de
Toekomst’ en regio-overleggen over bodem onder Omgevingswet aan de orde. Gemeenten worden
geholpen met het formuleren van de regels in het omgevingsplan over dit onderwerp.
Vanwege de hoge PH-waarde van staalslakken zijn er risico’s op brandwonden en voor het ecosysteem.
Dit kwam o.a. aan de orde in de uitzendingen van ‘De Vuilnisman’ op tv.
e _ Bij juridische procedures ervaren wij dat staalslak kan worden gezien als bouwstof, terwijl het cruciaal
is dat strikte criteria bij toepassing worden nageleefd.
Pagina 31 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
e _Op dit moment is vaak onduidelijk of voor het toepassen van staalslakken het Activiteitenbesluit van
toepassing is of een vergunning is vereist.
3.5 Inzet uren en middelen
Tabel 16: totaal bodem
Afwijking
Realisatie -
Bodem - output Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€)
Bodemsanering beperkte impact 751.456 683.825 -67.631 743.966
Bodemsanering gemiddelde impact 130.075 130.075) ol 141.856
Bodemsanering grote impact 573.036 531.778 -41.259 568.691
Bodemsanering lichte impact 183.780 172.090 -11.690 194.614
Bodemsanering wijziging 132.322 107.236 -25.086 115.088
Bodemsanering zware impact 208.284 107.613 -100.671 157.347
Bodemtoepassing beperkte impact 131.505 85.948 -45.557 77.310
Bodemtoepassing gemiddelde impact 1.327 1.267
Bodemtoepassing lichte impact 31.855 32519| 664 34.831
Totaal | 2-143.641| 1851.880| -291761| 2.034.970
De realisatie in 2021 is lager dan begroot. Normaliter is sprake van twee piekmomenten in het aanbod van
werk gedurende een jaar. De laatst verwachte piek is er in de laatste vier maanden niet geweest.
Tabel 17: bodem regie
Afwijking
Realisatie -
Bodem - regie Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€)
Bodem Advisering 648.335 573.496 -74.839 614.414
Bodem Regie 358.882 423.919 65.037 405.848
|GH/Ketentoezicht/Surveillance 175.102 186.945 175.102
Zaakgebonden Advies 255.250 321.615 66.365 322.126
Totaal_____________________| 1437.569| _1.505.975| 68407| 1.517.488
Voor het regiepakket zijn er geen grote afwijkingen geconstateerd.
Pagina 32 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
3 Programma randvoorwaardelijk/ programma overstijgend
In het randvoorwaardelijk pakket gaat het om werkzaamheden die voor de opdrachtnemer noodzakelijk zijn om
de taken op een kwalitatief goed niveau uit te voeren, maar die niet direct gekoppeld kunnen worden aan de
individuele producten voor de opdrachtgever. Uitgangspunt hierbij is dat deze randvoorwaardelijke taken
bijdragen aan de kwaliteit van de uitvoering voor alle opdrachtgevers. Daarom dragen alle opdrachtgevers naar
rato bij.
Deze taken zijn onder te verdelen in:
e _Bestuurs- en beleidsondersteuning en accountmanagement
e _ Administratie en procesondersteuning
e _ Risico- en informatiegestuurd werken, consignatiedienst, WOB.
In het Algemeen Bestuur van de OD NZKG is afgesproken deze kosten gezamenlijk te dragen en te verdelen op
basis van een verdeelsleutel (vastgelegd in de DVO 2019).
Tabel 18: randvoorwaardelijk
Randvoorwaardelijk Begroot (€)
418.610
Risicobeheersing 289.964
1.173.844
Nieuwe wet- en regelgeving 255.046
Totaal | 2.137.464)
Naast de randvoorwaardelijke taken zijn een aantal taken die niet direct gekoppeld kunnen worden aan de
individuele producten en die specifiek voor de opdrachtgever worden ingezet. Deze taken zijn opgenomen bij
programma overstijgend.
Tabel 19: programma overstijgend
Afwijking
Realisatie -
Programma overstijgend Begroot (€) Realisatie (€) Begroot (€) EJV 6mnd (€)
70.041 70.347 70.041
204.200) _ 198.278| _-5.922| 204.200
Verweer in bezwaar en beroep 173.570 201.035 27.465 173.626
447.811| _469.660| 21849) _ 447.867
Pagina 33 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Consíignatiedienst
Op het moment van opstellen van de Samenwerkingsagenda 2022-2024 vindt reflectie plaats van de
uitkomsten van het rapport van de algemene rekenkamer “Handhaven in het duister”. Op basis van de
uitkomsten prioriteren wij projecten op het gebied van milieucriminaliteit. Vanuit de Consignatiedienst worden,
buiten het reguliere werk, vele taken op het gebied van Veiligheid opgepakt, dit betreft:
1. Werkgroep en Beheercommissie Bevolkingszorg.
2. Informeren veiligheidsregio’s over vitale processen tijdens de coronacrisis.
3. De OD NZKG is accounthouder voor het Directeurenoverleg Veiligheid Noordzeekanaalgebied (DOVN) met
als speerpunten, circulaire economie, ondermijning, emgevingswet, cybercrime en terrorisme.
Incidenten en Ongewone voorvallen 24/7
In 2021 zijn er door de consignatiedienst diverse grotere incidenten afgehandeld. In samenwerking met de
veiligheidsregio’s zijn er diverse grote (afval)branden bestreden conform de afgesproken structuur.
Varend ontgassen
De consignatiedienst van de OD NZKG controleert in samenwerking met de Inspectie Leefomgeving en
Transport en de politie het verbod op varend ontgassen van binnenvaartschepen. Bij het toezicht op varend
ontgassen heeft de OD NZKG een waarnemingsfunctie door de inzet van de eNoses. Wanneer deze uitslaan
combineren wij onze informatie met meteo- en nautische informatie. Als analyse van de informatie leidt tot een
vermoeden van varend ontgassen, informeren wij de politie en het havenbedrijf.
Gebiedsaanpak en ondermijning
Afgelopen jaar hebben wij de samenwerking met externe partners behoorlijk versterkt, in het bijzonder met de
Ondermijningsbrigade uit Amsterdam. Dit resulteerde in controles bij jachthavens en garagebedrijven, waarbij
vele (milieu)overtredingen zijn geconstateerd.
Inzet informatie analisten
Het gebruik van data is In 2021 steeds beter ingebed geraakt in de uitvoering van onze taken. Datagestuurd
werken is in 2021 gefaciliteerd met dashboards en andere instrumenten. Doorlopend vind optimalisatie plaats
van het registreren en ontsluiten van data. In 2021 is vooruitgang geboekt bij het registreren van de ongewone
voorvallen en het ontsluiten van eNose-data. Analyse van beschikbare data ondersteunt de uitvoering van VTH-
taken. Bij regulering ís in 2021 ingezet op de analyse van de doorlooptijd van bepaalde vergunningsaanvragen.
Bedrijfs- en branchespecifieke inzichten leiden tot inzichten ten behoeve van risicogestuurd werken zoals
opgenoemen in paragraaf 1.3. Met de implementatie van de VTH-Strategie in een Ontwikkelagenda zijn
specifieke thema’s zoals geur, afval (ten behoeve van het programma circulaire economie, ketentoezicht en
asbesttaken) en energie onder de loep genomen. Bij uitvoering van adviestaken passen we data-analyse toe,
zoals bij het onderzoek naar de hoeveelheid beschikbare restwarmte in de Noord-Hollandse industrie.
Datagericht werken moet de komende jaren een steeds grotere rol gaan spelen in het werk van de
Omgevingsdienst. Daarom hebben de analisten een robuustere plek in onze organisatie gekregen met de
opdracht het effect van milieubesparende maatregelen te monitoren en het beter benutten van nieuwe
technieken, zoals object-recognition en machine learning.
Pagina 34 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Overlastmefdingen klanttevredenheidsonderzoek
Wij voeren klanttevredenheidsonderzoek uit naar het proces afhandelen overlastmeldingen. Hiervoor gebruiken
wij de tool Happynizr van Huis voor Klantmanagement. Wekelijks wordt een uitvraag gedaan aan iedereen die
een melding van overlast heeft gemaakt en waarvan wij de contactgegevens hebben. Het
tevredenheidspercentage ligt momenteel rond 65% en het gemiddelde percentage van tevredenheid over de
afgelopen 12 maanden ligt op 62%.
Bezwaar en beroep:
De steeds intensievere menging van functies, de steeds mondigere en beter opgeleide inwoners, de
toenemende aandacht van de pers en de toenemende juridisering bij procedures dragen bij aan een langjarige
toename van het aantal bezwaar- en beroepzaken dat de OD NZKG behandelt. De bezwaar- en beroepzaken
zijn overwegend complex en arbeidsintensief van aard.
Wob/Woo en actieve openbaarmaking
Het aantal Wob-verzoeken, de complexiteit en daarmee de inspanningen daarvoor zijn het afgelopen jaar
explosief gestegen. Deze uren schrijven we niet op opdrachtgeversniveau; ze worden verrekend via
randvoorwaardelijk pakket.
De Directieraad (DR) van de OD NZKG heeft medio 2020 besloten — in het kader van optimale transparantie
van de overheid - het dossier van Tata Steel actief te openbaren. Aanleiding was een Wob-verzoek waarin is
verzocht om het openbaar maken van duizenden documenten. Het project “Actieve openbaarmaking Tata
Steel-dossier” gaat enige jaren in beslag nemen.
Begin 2021 is door de DR besloten een e-tool aan te schaffen om actief geopenbaarde documenten
eenvoudig(er) te ontsluiten via E-Data. Op termijn zal deze E-data ook worden gevuld met documenten van
andere bedrijven. Tegelijkertijd zijn wij gestart met het verder automatiseren van het Wob-proces. De stukken
kunnen nu gemakkelijker uit het systeem worden gehaald en eenvoudiger in Mozard worden doorgezet naar de
anonimiseertool. Dit leidt tot een lastenverlichting in de VTH-keten en bij de juristen.
Desalniettemin blijft het Wob-proces een arbeidsintensief proces, omdat er ook zogenoemd ‘handwerk’ bij komt
kijken, zoals het beoordelen van stukken op de geheimhoudingsgronden in de Wob (straks Woo) en de grote
hoeveelheid stukken die op verzoek openbaar worden gemaakt.
Vanaf 1 januari 2021 wordt bijgehouden hoeveel uren per opdrachtgever op dit product worden geschreven.
Er is dekking op dit product voor ca. 1,3 fte. Er wordt momenteel ca. 3,5-4 fte ingezet op de Wob. Ook dit is
nog niet voldoende.
Vanaf 1 januari tot en met 21 december 2021 zijn voor alle opdrachtgevers gezamenlijk 64 Wob-verzoeken
binnengekomen bij de OD NZKG. Ter vergelijking: In 2020 waren dat er 5/ en in 2019 ontvingen we 67 Wob-
verzoeken. De Wob-verzoeken worden steeds omvangrijker. De verwachting is dat de stijging van het aantal
Wob-verzoeken doorzet dit jaar en dat de overschrijding op het budget (dekking voor 1,3 fte) verder zal
toenemen.
Uitvoering van taken ín het kader van de wet Bibob
Door de OD NZKG wordt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob)
toegepast op aanvragen voor omgevingsvergunningen voor de activiteiten Bouw en Milieu, De Bibob helpt
voorkomen dat de overheid door het verlenen van vergunningen criminele organisaties faciliteert. Ook wordt
Pagina 35 van 36
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
ingegrepen wanneer blijkt dat een vergunning structureel wordt ge-/misbruikt voor het plegen van strafbare
feiten.
In Amsterdam zijn er 74 Bibob-vooronderzoeken geweest (peildatum 6 december 2021). Na het verrichten van
vooronderzoek bleek dat 19 aanvragen "geen gevaar" opleverden. Er zijn geen aanvragen die een “mindere
mate van gevaar" en er zijn ook geen aanvragen die een "ernstig gevaar" opleveren. Voor het overige bleek dat
46 aanvragen niet Bibobplichtig waren. Eén aanvraag is ingetrokken door de aanvrager.
Nieuwe wet- en regelgeving (randvoorwaardelijk)
De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen wijzigen de inhoud en organisatie van ons
werk ingrijpend. OD NZKG voert een omvangrijk implementatieprogramma uit, dat al enige jaren een groot
beslag legt op onze interne capaciteit, bijvoorbeeld rond het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), en ons
opleidingsbudget. De voorbereidingen zoals het opleiden van collega’s en het aanpassen van werkprocessen
lopen op schema.
Omgevingswet (programma-overstijgend)
Een goede implementatie van de Omgevingswet kan alleen samen met de opdrachtgevers. Wij gaan uit van
een beleidsneutrale overgang met inhoudelijk zoveel mogelijk dezelfde taken. In 2021 zijn alle opdrachtgevers
meegenomen in de impact van de wijzigingen van de Omgevingswet op de taken, de mandaten en de
milieuleges. Er is gestart met het oefenen en testen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Met
Amsterdam is geoefend met het instellen van behandeldiensten. Behandeldiensten zorgen dat een
vergunningaanvraag of melding op de juiste plek terecht komt. Met de provincie Noord-Holland en
Haarlemmermeer is geoefend met de samenwerkingsruimte. De samenwerkingsruimte in het DSO biedt de
mogelijkheid om adviezen te vragen en te ontvangen. Voor alle gemeenten ís gestart met concept-regels voor
bodem in de omgevingsplannen.
In Amsterdam is meegewerkt aan de totstandkoming van de omgevingsvisie. Voor het Omgevingsplan hebben
wij samen met de collega’s in Amsterdam de milieuregels voor het Omgevingsplan op basis van de bruidsschat
vastgesteld. Er ligt nu een set met alle bruidsschatregels er in, voorzien van (artikelsgewijze) toelichting en
achtergronddocumenten over aanpassingen t.o.v. de bruidsschat, voorbereiden afstemmingssessies over de
milieuregels, meedenken over de regeling voor het toelaten van bedrijven (o.a. door organiseren van een
workshop bij de OD NZKG). Daarnaast is de OD NZKG nauw betrokken op het gebied van omgevingsveiligheid
en geluid in het omgevingsplan. Ook wordt samen vorm gegeven aan regels over de ondergrond, bodem en
bouw en erfgoed. Wij hebben een brief gestuurd met de urgentie om regels op te nemen over staalslakken.
Pagina 36 van 36
|
Onderzoeksrapport
| 36
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2017
Afdeling 1
Nummer 1376
Publicatiedatum 15 november 2017
Ingekomen op 9 november 2017
Ingekomen onder AP
Behandeld op 9 november 2017
Uitslag Ingetrokken en vervangen door AP’
Onderwerp
Motie van de leden Van Osselaer, Dijk en Geenen inzake de Begroting 2018
(Planvoorraad).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2018.
Constaterende dat:
° In de begroting in paragraaf 3.9.2 “Ruimtelijke ordening en bouwtoezicht” wordt
vermeld "Er zijn in de voorjaarsnota geen middelen opgenomen voor het
voorbereiden van nieuwe plannen voor woningbouw. Dit betekent dat vanaf 2022
onvoldoende woningen ín planvoorraad zijn om 5.000 woningen per jaar te
realiseren.”
° In de technische toelichting op 7 november jl. is bevestigd dat "… voor deze
werkzaamheden per 2018 geen dekking meer is in de begroting.”
Overwegende dat
* Het, gezien de schaarste op de Amsterdamse huizenmarkt, van het grootste belang
is dat er nu en voor in de toekomst woningen bijgebouwd blijven worden
* voor een langdurige hoge bouwproductie het nodig is dat Amsterdam blijft
investeren in de planvoorraad
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— In kaartte brengen welke middelen er (structureel) nodig zijn om de planvoorraad
op (middel)lange termijn op een zodanig niveau te houden dat er jaarlijks
ten minste 5.000 woningen gerealiseerd kunnen worden;
— De uitkomsten hiervan op te nemen in de nota begrotingsruimte;
— Zo snel als mogelijk de raad een voorstel te doen om in ieder geval in de
begroting 2018 hiervoor alsnog de benodigde middelen beschikbaar te stellen.
De leden van de gemeenteraad
J.P.D. van Osselaer
T.W. Dijk
T.A.J. Geenen
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
> Gemeente
Amsterdam
D Motie
Datum raadsvergadering 28 juni 2023
Ingekomen onder nummer 415
Status Ingetrokken
Onderwerp Motie van het lid Boomsma inzake het visiedocument Amsterdam, een
stad vit duizenden (niet polariseren over groepen)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over het visiedocument Amsterdam, een stad uit duizenden,
Overwegende dat,
-__ Het visiedocument de volgende passage bevat: “In deze stad is inmiddels niemand meer
in de meerderheid. We leven in een minderheidsdemocratie en dat is onze kracht. Maar als we kijken wie
macht bezitten, zijn een paar groepen nog steeds oververtegenwoordigd. Een inclusieve stad betekent
dat deze groepen moeten inschikken om ruimte te maken voor al die andere groepen die luidkeels of
bescheiden laten weten ook een volwaardige plek te willen in de Amsterdamse samenleving"
-___Een individu in een democratie per definitie geen meerderheid is, en mensen met verschillende
kenmerken en/of achtergronden niet per definitie één “groep” vormen;
-__ Dit vitgaat van een maatschappijbeeld waarbij posities in de samenleving zouden worden
verdeeld op basis van machtsclaims van etnische groepen, waar anderen via macht en
onderdrukking worden uitgesloten, hetgeen gelukkig niet correspondeert met de Amsterdamse
werkelijkheid;
Verzoekt het College:
De passage op bladzijde 30:
“In deze stad is inmiddels niemand meer in de meerderheid. We leven in een minderheidsdemocratie en
dat is onze kracht. Maar als we kijken wie macht bezitten, zijn een paar groepen nog steeds
oververtegenwoordigd. Een inclusieve stad betekent dat deze groepen moeten inschikken om ruimte te
maken voor al die andere groepen die luidkeels of bescheiden laten weten ook een volwaardige plek te
willen in de Amsterdamse samenleving" geheel te schrappen.
Indiener(s),
D. T. Boomsma
|
Motie
| 1
|
discard
|
> Gemeente
Amsterdam
DS Motie
Datum raadsvergadering 10 mei 2023
Ingekomen onder nummer 218
Status Verworpen
Onderwerp Motie van het lid Von Gerhardt inzake geen vrgentieverklaring meer na
tijdelijk huurcontract van 5 jaar of langer voor statushouders.
Onderwerp
Geen urgentieverklaring meer na tijdelijk huurcontract van 5 jaar of langer voor statushouders.
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over raadsinformatiebrief over de verdeling van de 1800 woningen voor het
Programma Huisvesting Kwetsbare Groepen in 2023.
Constaterende dat:
-_ Amsterdam veel voorrangs- en urgentieregelingen kent in de sociale huursector, waar-
door reguliere woningzoekenden er niet meer tussenkomen: in heel 2021 kwamen slechts
23 van de in totaal 7ooo sociale huurwoningen vrij zonder voorrangsregeling of vrgentie-
verklaring;
-_In de Huisvestingsverordening 2020 is opgenomen dat statushouders opnieuw een urgen-
tieverklaring krijgen als de eerdere woning die zij toegewezen hebben gekregen een tijde-
lijk huurcontract kende?.
Overwegende dat:
-_De woningnood, naast fors bijbouwen en het stimuleren van de doorstroom, Amsterdam
ertoe noopt de voorrangs- en urgentieregelingen aan te scherpen, omdat het geven van
voorrang aan velen er uiteindelijk toe leidt dat niemand meer voorrang heeft;
-_Een tijdelijk huurcontract van meerdere jaren een statushouder lang de tijd geeft op zoek
te gaan naar alternatieve woningruimte, al dan niet als reguliere woningzoekende in de
sociale huursector.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders
Statushouders geen urgentieverklaring meer te geven nadat zij een eerdere (sociale huur)woning
toegewezen hebben gekregen met een tijdelijk huurcontract wat 5 jaar of langer duurde.
1 Zie artikel 7 bij de ‘nadere regels urgenties’, https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR635511/10
Gemeente Amsterdam Status Verworpen
Pagina 2 van 2
Indiener,
M.S. Von Gerhardt
|
Motie
| 2
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Amendement
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 421
Publicatiedatum 29 april 2016
Ingekomen onder AY
Ingekomen op donderdag 21 april 2016
Behandeld op donderdag 21 april 2016
Status Verworpen
Onderwerp
Amendement van het lid Van Lammeren inzake de Agenda Dieren (voorwaarden
subsidies Artis).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Agenda Dieren (Gemeenteblad afd. 1, nr. 261).
Overwegende dat:
— de gemeente Amsterdam Artis jaarlijks subsidieert en in 2016 hierdoor
€ 4.653.700 toebedeeld krijgt;
— de noodzaak tot het houden van een grote diversiteit van soorten en
ondersoorten voor educatieve en recreatieve waarde ter discussie kan worden
gesteld;
— de noodzaak tot het houden van een grote diversiteit van roofdiersoorten en grote
zoogdiersoorten voor het voortbestaan van een soort niet gelden, vanwege
de onmogelijkheid tot uitzetten naar het ‘wild’.
Besluit:
— op pagina 28 de volgende tekst toe te voegen:
“Het is niet wenselijk dat Artis met de beperkte ruimte die zij in de stad hebben
nog meer diersoorten gaan houden. Aan de subsidie aan Artis wordt de
voorwaarde gesteld dat het aantal zoogdieren en roofvogels en het aantal soorten
zoogdieren en roofvogels niet meer toeneemt.”
— op pagina 28 de volgende tabel toe te voegen:
Inzet Actie Verantwoordelijk In samenwerking met
portefeuille
Geen uitbreiding De subsidie aan Artis Wethouder Wethouder
van het aantal wordt alleen beschikbaar Financiën Dierenwelzijn
(soorten) dieren gesteld onder de en Wethouder
voorwaarde dat het Duurzaamheid
aantal zoogdieren en
roofvogels en het aantal
soorten zoogdieren en
roofvogels in Artis niet
meer toeneemt
1
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer 421 A d é
Datum _ 29 april 2016 mendemen
Het lid van de gemeenteraad
J.F.W. van Lammeren
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
> Gemeente
Amsterdam
DS Motie
Datum raadsvergadering 9 november 2022
Ingekomen onder nummer 427
Status Ingetrokken
Onderwerp Motie van de leden Boomsma inzake Begroting 2023
(Vieren van verbondenheid)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2023,
Overwegende dat,
- Het goed is om de verbondenheid van de verschillende delen van ons land, Aruba,
Bonaire, Curacao, Nederland, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten, en ook de
banden met voormalige delen van ons land, te versterken en te vieren;
-_Het CDA in samenwerking met de Arubaanse Volkspartij (AVP — Aruba), de
Democratic Party (DP - Sint-Eustatius) en de Union Patriotiko Boneriano (UPB —
Bonaire) een initiatief heeft opgesteld om die verbondenheid op 15 december
nadrukkelijker te vieren;
-_Het belangrijk is om aandacht te besteden aan het belang van trans-Atlantische
gemeenschappelijkheid binnen ons koninkrijk, en ook aan de culturele uitwisseling
van Europese Nederlanders en Caribische Nederlanders binnen onze samenleving,
Verzoekt het College:
Een ambtswoninggesprek te organiseren met als doel te onderzoeken wat de wensen zijn en
hoe vanuit de gemeente Amsterdam de banden met de niet-Europese delen van Nederland
verstevigd kunnen worden, en de vitkomsten te betrekken bij de viering van Amsterdam 750
jaar
Indiener
D.T. Boomsma
|
Motie
| 1
|
discard
|
Gemeente
% Amsterdam
x%
Jaarverslag
2020
Commissie
Persoonsgegevens
Amsterdam
Inhoud
1. _ Inleiding en samenvatting 2
2. De CPA 4
3. Werkzaamheden 5
4, Adviezen 6
Bijlage 1 11
1. Inleiding en samenvatting persoonsgegevens, een zogeheten
gegevensbeschermingseffectbeoordeling,
De bescherming van persoonsgegevens en ook wel DPIA genoemd. Dit is vereist als de
de Commissie Persoonsgegevens verwerking gelet op de aard, de omvang,
Amsterdam (CPA) in vogelvlucht: de context en de doeleinden waarschijnlijk
een hoog risico inhoudt voor de rechten en
=m Op de overheid rust een bijzondere vrijheden van natuurlijke personen.
verantwoordelijkheid als er met behulp
van nieuwe technologieën gegevens De relatie tussen burger en overheid
worden verzameld en geanalyseerd. wordt beheerst door wettelijke taken
Die bijzondere verantwoordelijkheid en bevoegdheden die moeten worden
houdt in dat dergelijke vormen van ‘data uitgeoefend volgens algemene beginselen
gedreven’ werken alleen zijn toegestaan van behoorlijk bestuur. Die beginselen
indien rechtmatig en als er wordt voorzien moeten daarom ook betrokken worden
in voldoende waarborgen om aantasting bij het in kaart brengen van risico's rond
van de persoonlijke levenssfeer van de datamining, profilering en selectie.
betrokkenen en discriminatie te voorkomen. Het transparantie-, doelbinding- en
De CPA verwijst graag naar de notitie dataminimalisatiebeginsel spelen evenzeer
van de Autoriteit Persoonsgegevens een belangrijke rol bij de toetsing door
(hierna: AP) die op 17 februari 2020 de verwerkingsverantwoordelijke voor de
is gepubliceerd! De AP wijst erop dat verwerking van persoonsgegevens waarbij
de beginselen van ‘rechtmatigheid’, gebruik wordt gemaakt van algoritmes.
‘transparantie! en ‘behoorlijkheid’ een goed
aangrijpingspunt vormen voor de toetsing De CPA wijst hierbij ook op de
door de verwerkingsverantwoordelijke bepalingen uit de Algemene verordening
voor verwerkingen waarbij gebruik wordt gegevensbescherming (hierna: AVG)
gemaakt van algoritmes. Een organisatie met betrekking tot profilering en een
die algoritmes gebruikt, moet vooraf in verbod op geautomatiseerde individuele
kaart brengen welke risico’s er hierdoor besluitvorming, waaronder profilering. In
voor de rechten en vrijheden van personen artikel 4 aanhef en onder 4 van de AVG
ontstaan. Oftewel: goed nadenken over het is profilering gedefinieerd als “elke vorm
ontwerp van het systeem. Is het gekozen van geautomatiseerde verwerking van
algoritme wel passend bij het doel waarvoor persoonsgegevens waarbij aan de hand van
het wordt ingezet? Ook betekent dit het persoonsgegevens bepaalde persoonlijke
testen van de werking van het algoritme aspecten van een natuurlijk persoon worden
en het nemen van gepaste maatregelen en geëvalueerd, met name met de bedoeling
implementeren van waarborgen voordat het zijn beroepsprestaties, economische situatie,
systeem gebruikt wordt. Het gaat daarbij gezondheid, persoonlijke voorkeuren,
bijvoorbeeld over wat er gebeurt wanneer interesses, betrouwbaarheid, gedrag,
algoritmes onbedoeld een verkeerde locatie of verplaatsingen te analyseren of
uitkomst geven en de vraag of door het te voorspellen”. Op grond van artikel 22
gebruik van algoritmes misschien bepaalde van de AVG geldt een algemeen verbod op
groepen in de samenleving stelselmatig volledig geautomatiseerde besluitvorming,
worden gediscrimineerd. Daarnaast met inbegrip van profilering, waaraan voor
moet een verwerkingsverantwoordelijke de betrokkenen juridische of anderszins
voorafgaand aan een bepaalde verwerking aanmerkelijke gevolgen zijn verbonden. Zie
een beoordeling uitvoeren van het de adviezen in paragraaf 4.1. en 4.4.
effect hiervan op de bescherming van
1 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/toezicht-op-algoritmes
2 CPA Jaarverslag 2020
m De CPA heeft de laatste jaren geadviseerd naar voren dat er slechts sprake is van
over de samenwerking met derde toestemming indien deze ‘vrij’, ‘specifiek’
partijen. De CPA constateerde in het en ‘geïnformeerd!’ is. ‘Vrij! betekent dat de
jaarverslag van 2019 dat er vaak een gebrek betrokkene in vrijheid zijn wil moet kunnen
is aan voldoende inzicht en besef van het uiten. Dat wil zeggen zonder dat aan het
belang om als gemeente te beoordelen weigeren of intrekken van toestemming
of een verwerking niet onverenigbaar is negatieve consequenties verbonden zijn.
met het doel waarvoor de gemeente de ‘Specifiek! betekent dat de wilsuiting
persoonsgegevens verwerkt. De CPA heeft betrekking moet hebben op een bepaalde
in het jaarverslag 2019 herhaald dat het gegevensverwerking of een beperkte
van belang is om een afwegingskader voor categorie van gegevensverwerkingen (geen
samenwerking met derde partijen op te algemeen geformuleerde machtiging).
stellen. In de bestuurlijke reactie op het Duidelijk moet zijn welke verwerking,
jaarverslag van 2019 is aangegeven dat van welke gegevens, voor welk doel zal
het College hiervoor het Stedelijk kader plaatsvinden, en als het daarbij gaat om
verwerken persoonsgegevens toepast dat een verstrekking aan derden, ook aan welke
in september 2019 is vastgesteld. Hierbij derden. ‘Geïnformeerd' kan de betrokkene
worden standaardovereenkomsten gebruikt slechts verantwoord zijn toestemming geven
voor datadeling met derde partijen. De wanneer hij zo goed mogelijk is ingelicht.
noodzaak voor een separaat afwegingskader Naast het onderzoek van de AP heeft de
wordt onderzocht. In 2020 ontbreekt dit European Data Protection Board (hierna:
kader nog altijd hetgeen ook is terug te zien EDPB) aangegeven dat het voor werkgevers
in de twijfels over de exacte privacyrechtelijke problematisch is om persoonsgegevens
rollen (wel of geen gezamenlijke van huidige of toekomstige werknemers te
verwerkingsverantwoordelijkheid?). Naast verwerken op basis van toestemming, omdat
het belang van een afwegingskader het onwaarschijnlijk is dat deze vrijelijk wordt
merkt de CPA in haar adviezen van 2020 verleend.
ook op dat bij samenwerking met derde In de bestuurlijke reactie op het jaarverslag
partijen de omgang met de rechten van 2019 geeft het College met betrekking
betrokkenen, waaronder inzageprocedures, tot toestemming als wettelijke grondslag
van belang is. Zie hiervoor artikelen 12 en aan dat de adviezen van de CPA met
13 van de AVG. ledere partij zou moeten name zijn gericht op die verwerkingen
aangeven op welke manier de burger inzage die worden gedaan bij langdurige relaties
kan krijgen in de bestanden die onder tussen gemeente en burger. Het College
verantwoordelijkheid van de deelnemers onderzoekt de mogelijkheden om in
vallen. Als de verantwoordelijkheid van de die gevallen op een andere wettelijke
partijen verdeeld is over processen dan grondslag gegevens te mogen verwerken.
moet dat voor de overzichtelijkheid goed en Waar nodig zal dat worden omgezet naar
helder beschreven worden. Zie de adviezen in overeenkomsten tussen de gemeente en
paragraaf 4.2. betreffende burger(s). De CPA is benieuwd
naar dit onderzoek. Zie de adviezen in
m Om de validiteit van toestemming paragraaf 4.3.
als wettelijke verwerkingsgrondslag
te kunnen bepalen, is het onder meer m De CPA benadrukt het belang van
belangrijk om de factor ‘pressure! te wegen transparantie van de verwerking van
versus de vrijwilligheid van deelname. Bij persoonsgegevens tegenover de burger.
de afweging adviseert de CPA om het De gemeente moet in klare taal de burgers
Braincompass onderzoek van de AP informeren over hoe de gemeente met hun
te raadplegen? In dit onderzoek komt persoonsgegevens omgaat. Hierdoor krijgt
2 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/ap-verwerking-bijzondere-persoonsgegevens-door-braincom-
pass-strijd-met-privacywet
3 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/consent_nl
3
een burger zicht op wat er met hem/ haar gedaan om de betrokkene te informeren
betreffende persoonsgegevens gebeurt. over de belangrijkste consequenties van de
Zorgen van burgers kunnen hierdoor verwerking. Zie de adviezen in paragraaf 4.4.
worden weggenomen. In het jaarverslag
2019 had de CPA ook een stuk gewijd m Door de veelsoortigheid van de
aan het belang van transparantie. In de privacyverklaringen kunnen deze het
bestuurlijke reactie op het jaarverslag 2019 zicht voor de burgers belemmeren op wat
komt naar voren dat het College achter de gemeente en instellingen waarmee
het principe van transparantie staat en de gemeente samenwerkt, met hun
bevordert dat de privacyverklaringen op een persoonsgegevens doen. Veelsoortigheid
inzichtelijke wijze worden gecommuniceerd. kan leiden tot versnippering van informatie.
De mogelijkheid van het gebruik van De CPA adviseert de gemeente om zicht te
pictogrammen is in onderzoek. Echter, het houden op het aantal privacyverklaringen,
gebruik van pictogrammen in plaats van de weergave en de vindbaarheid van de
trefwoorden heeft het nadeel dat het voor privacyverklaringen, om versnippering te
Amsterdammers geen resultaten geeft bij voorkomen. Zie hiervoor de adviezen in
zoekacties via internet. De huidige werkwijze paragraaf 4.6.
geeft dat wel. Er is daarbij sprake van een
zogenaamde gelaagde privacyverklaring,
waarbij de gemeente Amsterdam enerzijds 2. De CPA
algemene informatie geeft en verwijst naar
het door het College vastgestelde stedelijk Het gemeentebestuur is verantwoordelijk
kader verwerken persoonsgegevens en voor het beleid van de gemeente
anderzijds specifieke verklaringen publiceert Amsterdam op het gebied van de
voor thema's die voor de Amsterdammer informationele privacy, oftewel de
van belang zijn. Het College benadrukt bescherming van persoonsgegevens. De
dat in het kader van de zorgvuldigheid Commissie Persoonsgegevens Amsterdam
en de naleving van de AVG niet alle (CPA) is een onafhankelijke adviescommissie,
privacyverklaringen worden samengevoegd ingesteld door het College van B&W. De
in een uniforme privacyverklaring. CPA heeft signalerende, adviserende taken
en fungeert hierbij als een maatschappelijk
In de richtsnoeren van de EDPB klankbord voor het bestuur en ambtelijk
wordt invulling gegeven aan het management. Wwww.amsterdam.nl/cpa).
transparantiebeginsel en worden best
practices gegeven* Dit betreft onder Per 1 december 2020 was de samenstelling
meer zeer concrete aanbevelingen voor als volgt:
wat betreft lay-out van de informatie en Mr. dr. U. van de Pol, voorzitter
taalgebruik. De volgende beschrijvingen Mw. mr. E.F. van Hasselt, vicevoorzitter
uit de richtsnoeren van de EDPB voldoen Drs. C. de Bakker, lid
niet aan de vereiste transparantie: ‘nieuwe Mw. drs. M. McCabe, lid
diensten’, ‘onderzoeksdoeleinden’ en Mw. mr. F.C. van der Jagt- Vink, lid
‘gepersonaliseerde diensten’. Aangezien Mr. A. Commandeur, lid
dit passages zijn die veelvuldig Mr. B. J. P. Hulsman, lid
voorkomen in kennisgevingen van Drs, H. Belarbi, lid
verwerkingsverantwoordelijken, zullen Drs. F. van Rootselaar, lid
veel organisaties hun formulering moeten Mr. T. Kalayciyan, ambtelijk secretaris
aanpassen en dan ook nader dienen te (cpa@amsterdam.nl).
specificeren waar het om gaat. Ook is
noemenswaardig dat de aanbeveling wordt Per 1 januari 2020 zijn de heer H. Belarbi en
4 _https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/transparency_nl
4 CPA Jaarverslag 2020
de heer F. van Rootselaar op voordracht van vergaderingen van de CPA. Hierna vindt een
de CPA door het College van B&W gedachtewisseling plaats en geeft de CPA
benoemd tot nieuwe commissieleden. Zij zijn haar oordeel over de gepresenteerde
gekozen uit 34 kandidaten die zich n.av. plannen.
advertenties hiervoor hebben gemeld. In 2020 zijn 21 adviezen uitgebracht. Deze
adviezen zijn vastgelegd in de notulen van
In 2020 is negenmaal digitaal vergaderd. de openbare plenaire vergaderingen. De
adviezen en de notulen zijn te vinden op de
website van de CPA.
3. Werkzaamheden
De onderwerpen zijn weergegeven in bijlage
3.1 Signalering en contacten CPA 1. Negentien (19) maal is het advies
Op ambtelijk niveau zijn, in aanloop naar de daarnaast ook per brief uitgebracht.
plenaire vergaderingen van de CPA,
voorbereidende gesprekken gevoerd met Bijgaand een kort overzicht van de 21
de contactpersonen van de adviezen zijn uitgebracht:
Informatievoorzieningseenheden van de
Clusters. In het vakoverleg Privacy zijn de Therna aantal voorwaarden positief negatief anders
Privacy Offers per Cluster van de gemeente Interne dienstverlening 3 ï
Amsterdam vertegenwoordigd. Het hoofd
‚ . . Dienstverlening
van de CIO-office, de Functionaris en informatie 2 2
Gegevensbescherming (hierna: FG) en Ruimte en Economie _ 3 3
voorzitter en secretaris van de CPA voeren Sociaal 4
enkele malen per jaar afstemmingsoverleg. Eeden i
In voorkomende gevallen brengt de cro \ \
voorzitter een advies van de CPA
uitdrukkelijk onder de aandacht van de FG,
die als interne toezichthouder bij de Alle uitgebrachte (openbare) adviezen van
gemeente fungeert. de afgelopen drie jaar staan op de CPA-
website.* Oudere adviezen kan men
Sinds kort geven het team FG, de concern opvragen door te mailen naar
adviseur gegevensbescherming van de cpa@amsterdam.nl.
CIO- office, de directie Basisinformatie en de
directie Juridische Zaken aan de CPA vragen 3.3 Onderzoek
met betrekking tot de agendapunten door Onderzoek naar de geschiedenis van de
via de ambtelijk secretaris. Zij wonen ook de CPA ‘Amsterdam regelt privacy liever zelf’
vergaderingen van de CPA bij. Deze inbreng De CPA bestond in 2020 veertig jaar. Om dit
en samenwerking is vruchtbaar gebleken. lustrum te gedenken heeft de CPA aan
journalist Belia Heilbron verzocht om in
3.2. Advisering vogelvlucht de geschiedenis te beschrijven
Bij complexe en/of politiek gevoelige en daarbij ook een doorkijkje te maken naar
kwesties waarin het gebruik van de toekomst van de CPA. Zij heeft hieraan
persoonsgegevens een rol speelt, is volgens voldaan door archiefonderzoek en
het Stedelijk kader van 2018 verplicht advies gesprekken met (oud) commissieleden en
te vragen aan de CPA. Het initiatief ligt bij andere betrokkenen binnen de gemeente te
de organisatieonderdelen. Doorgaans voeren. Zij heeft de opkomst, bijna
worden de organisaties uitgenodigd voor ondergang en doorstart van de CPA in
een presentatie van de onderwerpen op de beeld gebracht en geplaatst in de
5 httops://www.amsterdam.nl/privacy/privacybeleid/
6 www.amsterdam.nl/cpa
7_www.amsterdam.nl/cpa , onder het kopje ‘thema’s en jaarverslagen’
5
bestuurlijke veranderingen in de gemeente, Tweehonderdenvijf (205) professionals van
die vaak van bepalende invloed zijn geweest binnen en buiten de gemeente waren
op het functioneren van de CPA. aanwezig en leverden een bijdrage aan de
privacyvraagstukken bij de gemeentelijke
Enkele hoogtepunten uit het onderzoek: overheid.
m De CPA heeft een lange geschiedenis: ze Journalist mevrouw B. Heilbron vertelde in
gaat terug tot 1980 toen Amsterdam als een vogelvlucht over haar onderzoek naar de
van de eerste gemeenten speciale geschiedenis van de CPA en maakte een
privacyregels opzette, bijna tien jaar voordat doorkijkje naar de toekomst van de CPA.
de eerste landelijke privacywet, de Wet Naast het 40-jarig bestaan kreeg ook het
Persoonsregistraties, van kracht werd. onderwerp profilering aandacht tijdens het
m Met de komst van de Wet bescherming symposium. Profilering kan bruikbaar zijn
persoonsgegevens en daarna de Algemene voor organisaties, zoals de gemeente.
Verordening Gegevensbescherming (AVG), Diensten en producten kunnen beter
werd de positie van de CPA opnieuw tegen afgestemd worden op de individuele
het licht gehouden, mede in verband met de behoeften. Echter, er is een keerzijde aan
komst van de FG. Daarbij diende vastgesteld profilering. Het kan namelijk door onjuiste en/
te worden wie binnen de gemeente toezicht of onvolledige data sprake kan zijn van
houdt op de naleving van de onjuiste voorspellingen. Ook zijn burgers
privacywetgeving. De uitkomst was dat de vaak niet op de hoogte van het feit dat ze
FG toezicht houdt en de commissie zich kan geprofileerd worden. Tijdens het symposium
richten op advies. werd hierop ingegaan. Zo werden ook de
m Onbespied door de stad lopen is volgens _ juridische en maatschappelijke aspecten van
de CPA al lang geen realiteit mee, maar het SyRI proces besproken. Het SyRI proces
vormt eerder een uitzondering op de regel. ging om een systeem van risicoselectie voor
In het jaarverslag 2018 schrijft de CPA dat (sociale) fraude van het ministerie van
de belofte van het College ‘voorbijgaat aan Ministerie van Sociale Zaken en Werk-
de talloze volgsystemen die door of namens gelegenheid, dat door de rechtbank Den
de gemeente inmiddels in de openbare Haag onrechtmatig is verklaard.® Daarnaast
ruimte zijn of worden ingezet’. werd tijdens het symposium ingegaan op het
m De verschuiving die de CPA de afgelopen onderzoek naar smart cities door de
veertig jaar heeft gemaakt van controleur Autoriteit Persoonsgegevens en op de
van privacyreglementen naar een commissie ontwikkelingen van de digitale stad door de
die meedenkt en adviseert over allerhande directie Onderzoek, Informatie en Statistiek.
politieke en complexe zaken, reflecteert de
ontwikkelingen in het privacylandschap.
4 Adviezen
In 2021 wil de CPA nagaan of een nader
onderzoek naar het gebruik van DPIA's Enkele onderwerpen verdienen bijzondere
waarbij ook ethische vraagstukken een plek aandacht:
krijgen.
4.1. Belangrijke kanttekeningen
Symposium '40- jarig bestaan & algoritmes
profilering’ op 30 januari 2020 De afgelopen jaren heeft de CPA steeds
In 2020 heeft de CPA de vijfde editie van het vaker de gemeente geadviseerd over het
breed toegankelijke symposium '40- jarig verwerken van persoonsgegevens bij het
bestaan & profilering’ georganiseerd in de inzetten van algoritmes.
Rode Hoed op de Keizersgracht. Wethouder Als er met behulp van nieuwe technologieën
Meliani opende het symposium met een gegevens worden verzamelen en geanaly-
speech over ICT en de digitale stad. seerd dan rust er op de overheid een
8 Rechtbank Den Haag 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865.
6 CPA Jaarverslag 2020
bijzondere verantwoordelijkheid. Die startpunten voor de toetsing door de
verantwoordelijkheid houdt in dat vormen verwerkingsverantwoordelijke van
van data gedreven werken alleen zijn verwerkingen waarbij gebruik wordt gemaakt
toegestaan als er wordt voorzien in van algoritmes. Het transparantie-
voldoende waarborgen om aantasting van beginsel vergt dat aan de betrokkene
de persoonlijke levenssfeer van de toegankelijke en begrijpelijke informatie over
betrokkenen en discriminatie te voorkomen. de identiteit van de verwerkings-
Over de toepassing van algoritmes heeft de verantwoordelijke en de doeleinden van de
Autoriteit Persoonsgegevens op 17 februari verwerking wordt verstrekt, waarbij gebruik
2020 een notitie gepubliceerd, waarnaar de wordt gemaakt van eenvoudig taalgebruik.
CPA graag verwijst” De AP wijst erop dat Los daarvan moet op grond van dit beginsel
een organisatie die algoritmes gebruik actief verdere informatie worden verschaft om
vooraf in kaart moet brengen welke risico’s te zorgen voor een behoorlijke en
er hierdoor voor de rechten en vrijheden van transparante verwerking van de
personen ontstaan. Ook wijst de AP erop dat persoonsgegevens en moeten alle
de beginselen van rechtmatigheid, betrokkenen zich bewust worden van de
transparantie, en behoorlijkheid een goed risico's, regels, waarborgen en rechten in
aangrijpingspunt vormen voor de toetsing verband met de verwerking van
door de verwerkingsverantwoordelijke voor persoonsgegevens en de wijze waarop zij hun
de verwerking waarbij gebruik wordt privacyrechten kunnen uitoefenen. In de
gemaakt van algoritmes. In het advies uitspraak van het SyRl-proces!® acht de
gebruik van algoritme voor het prioriteren rechter als waarborgen in ieder geval
van meldingen t.b.v. toezicht, advies bias voldoende transparantie en onafhankelijke
analyse algoritmes en het advies toetsing vooraf noodzakelijk. Op grond van
convenant zoeklicht komt naar voren dat de het Europees Verdrag voor de Rechten van
notitie van de AP concreet betekent dat de Mens (hierna: EVRM) moet er worden
vooraf goed over het ontwerp van het voldaan aan het vereiste van ‘fair balance’: de
systeem nagedacht moet worden. Is het redelijke verhouding tussen het maatschappe-
gekozen algoritme wel passend bij het doel lijke belang dat de wetgeving dient en de
waarvoor het wordt ingezet? Ook betekent inbreuk op het privéleven die de wetgeving
het dat de werking van het algoritme getest oplevert. Het doelbindingsbeginsel houdt in
moet worden en dat gepaste maatregelen dat persoonsgegevens voor welbepaalde,
moeten worden genomen en waarborgen uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde
moeten worden geïmplementeerd voordat doeleinden moeten worden verzameld en dat
het systeem wordt gebruikt. Het gaat daarbij _ zij vervolgens niet verder op een met die
bijvoorbeeld over wat er gebeurt wanneer doeleinden onverenigbare wijze mogen
algoritmes onbedoeld een verkeerde worden verwerkt. Het dataminimalisatie-
uitkomst geven en de vraag of door het beginsel vereist dat persoonsgegevens
gebruik van algoritmes misschien bepaalde toereikend, ter zake dienend en beperkt zijn
groepen in de samenleving stelselmatig tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden
worden gediscrimineerd. Daarnaast moet waarvoor zij worden verwerkt.
een verwerkingsverantwoordelijke
voorafgaand aan een bepaalde verwerking In 2021 wil de CPA meer indringend kijken
een beoordeling uitvoeren van het effect op naar de afwegingskaders voor kunstmatige
de bescherming van persoonsgegevens, een intelligentie (Al) gerelateerde onderwerpen.
DPIA. Dit is vereist als de verwerking een De CPA merkt op dat de maatschappelijke
hoog risico inhoudt voor de rechten en discussie hierover ethische vragen oproept. In
vrijheden van natuurlijke personen. Q2 van 2021 wil de CPA een brainstorm sessie
Het transparantie-, doelbindings-, en organiseren met een data ethicus om de
dataminimalisatiebeginsel vormen goede awareness op dit vlak te vergroten.
9 _https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/toezicht-op-algoritmes
10 ECLIENL:RBDHA:2020:865
7
4.2. Delen van persoonsgegevens de regie kunnen nemen over hun eigen
met derden: meer inzage en vitaliteit en inzetbaarheid. De opdracht is
transparantie een digitaal platform te implementeren
Vorig jaar adviseerde de CPA dat er meer om het vitaliteitsaanbod te ontsluiten voor
transparantie en juridische onderbouwing alle medewerkers van de gemeente. Het
nodig is over het delen van persoons- JOHAN-platform biedt (in de vorm van
gegevens met derden. Het is nog steeds van een SaaS-oplossing) een Lego doos met
groot belang om een afwegingskader op te functionaliteiten die door elke partij naar
stellen voor de samenwerking met derde eigen inzicht vanuit hun eigen rol ingericht
partijen. In het convenant zoeklicht advies, kunnen worden.
advies implementatie buurtteams en het In het Braincompass onderzoek komt
advies vitaliteit JOHAN merkt de CPA op naar voren dat er slechts sprake is van
dat gezien de verplichtingen van de toestemming indien deze ‘vrij’, ‘specifiek’
gemeente samenwerking met derde partijen en ‘geïnformeerd!’ is. ‘Vrij betekent dat de
zoals woningcorporaties ervoor zorgt dat er betrokkene in vrijheid zijn wil moet kunnen
effectiever gewerkt kan worden. Om de uiten. Dat wil zeggen zonder dat aan het
samenwerking goed te laten verlopen en om weigeren of intrekken van toestemming
het doel te behalen is het in sommige negatieve consequenties verbonden zijn.
gevallen noodzakelijk om persoonsgegevens ‘Specifiek’ betekent dat de wilsuiting
te delen. De CPA geeft aan dat delen van betrekking moet hebben op een bepaalde
gegevens met derden alleen mag als daar gegevensverwerking of een beperkte
een wettelijke vordering aan ten grondslag categorie van gegevensverwerkingen (geen
ligt. Naast het belang van een algemeen geformuleerde machtiging).
afwegingskader merkt de CPA in haar Duidelijk moet zijn welke verwerking,
adviezen van 2020 ook op dat bij van welke gegevens, voor welk doel zal
samenwerking met derde partijen de plaatsvinden, en als het daarbij gaat om
omgang met de rechten van betrokkenen, een verstrekking aan derden, ook aan
waaronder inzageprocedures, van belang is. welke derden. De betrokkene kan slechts
De CPA merkt op dat uit artikel 12 en 13 van _ verantwoord zijn toestemming geven
de AVG o.a. naar voren komt dat wanneer hij zo goed wordt geïnformeerd.
inzageprocedures duidelijk kenbaar gemaakt Ook kwam uit het advies van de AP naar
moeten worden. ledere partij zou moeten voren dat door de arbeidsrelatie er geen
aangeven op welke manier men inzage kan sprake kon zijn van vrijelijk gegeven
krijgen in de bestanden die onder hun toestemming.
verantwoordelijkheid vallen. Als de
verantwoordelijkheid van de partijen Naast het Braincompass onderzoek heeft de
verdeeld is over de processen dan moet dat AP een forse bestuurlijke boete opgelegd
voor de overzichtelijkheid goed en helder aan een bedrijf dat werknemers verplicht
beschreven worden. heeft om hun vingerafdruk te laten scannen.
In het boetebesluit komt naar voren dat
4.3. Vrijelijk geven van wanverhouding zich ook kan voordoen in het
toestemming kader van de arbeidsverhouding.® “Gezien
In het advies vitaliteit JOHAN adviseert de de afhankelijkheid die het gevolg is van de
CPA om het Braincompass onderzoek van relatie tussen werkgever en werknemer, is
de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: het onwaarschijnlijk dat de betrokkene zijn/
AP) te raadplegen. In dit advies gaat het haar toestemming voor gegevensverwerking
om het feit dat de gemeente een verzuim- zou kunnen onthouden zonder angst of reële
en mobiliteitsbeleid wil invoeren. Het doel dreiging van nadelige gevolgen als gevolg
is dat medewerkers en leidinggevenden van een weigering. Het is onwaarschijnlijk
11 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/ap-verwerking-bijzondere-persoonsgegevens-door-braincom-
pass-strijd-met-privacywet
12 https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/boete-voor-bedrijf-voor-verwerken-vingerafdrukken-werknemers
8 CPA Jaarverslag 2020
dat de werknemer vrijelijk zou kunnen betreffende burgers in klare taal
reageren op een verzoek voor toestemming geïnformeerd worden over hoe de
van zijn/haar werkgever voor, bijvoorbeeld, gemeente met hun persoonsgegevens
het activeren van toezichtsystemen zoals omgaat. Hierdoor krijgt een burger zicht op
camera observatie op de werkvloer, of wat er met haar/ hem betreffende
het invullen van beoordelingsformulieren, persoonsgegevens gebeurt. Zorgen van
zonder druk te voelen om toestemming te burgers kunnen hierdoor worden
verlenen. De EDPB is daarom van mening weggenomen.
dat het voor werknemers problematisch
is om persoonsgegevens van huidige of De CPA adviseert net als vorig jaar om naast
toekomstige werknemers te verwerken de AVG ook de het wetsvoorstel Wet Open
op basis van toestemming, omdat het Overheid (hierna: Woo) te raadplegen die
onwaarschijnlijk is dat deze vrijelijk wordt in januari in de Tweede Kamer is aan-
verleend.” genomen en nu behandeld wordt in de
In overweging 43 van de AVG staat vermeld Eerste Kamer.® Deze nieuwe wet geeft
dat om ervoor te zorgen dat toestemming regels over het actief openbaar en
vrijelijk wordt verleend, toestemming toegankelijk maken van overheidsinformatie
geen geldige rechtsgrond mag zijn voor en moet ervoor zorgen dat deze beter
de verwerking van persoonsgegevens vindbaar, uitwisselbaar, eenvoudig te
wanneer er sprake is van een duidelijke ontsluiten en goed te archiveren is. Deze
wanverhouding tussen de betrokkene en de wet zal in de toekomst de Wet openbaarheid
verwerkingsverantwoordelijke, met name van bestuur (Wob) vervangen. De Wob is
wanneer de verwerkingsverantwoordelijke vooralsnog geldig. De kern van de voor-
een overheidsinstantie is, en dit het gestelde wet Woo is tweeledig. Ten eerste
onwaarschijnlijk maakt dat de toestemming verplicht de wet overheidsorganisaties
in alle omstandigheden van die specifieke documenten in de volgende elf categorieën
situatie vrijelijk is verleend. actief openbaar te maken: wet- en regel-
Ook verwijst de CPA naar de EDPB geving, organisatiegegevens, raadsstukken,
Richtsnoeren inzake toestemming inzake bestuurlijke stukken, stukken van advies-
privacy op de werkvloer naar voren komt colleges, convenanten, jaarplannen- en
dat toestemming hoogstwaarschijnlijk verslagen, Wob/Woo-verzoeken, onder-
niet voldoet als rechtsgrondslag voor zoeken, beschikkingen en klachten. Ten
gegevensverwerking op het werk, tenzij de tweede verplicht de Woo gemeenten om de
werknemers mogen weigeren zonder dat informatiehuishouding op orde te brengen.
daar nadelige gevolgen aan verbonden zijn.* De bepaling uit de Archiefwet, dat gemeenten
Er mogen absoluut geen negatieve gevolgen documenten in een goede, geordende en
zijn van het weigeren van toestemming. toegankelijke staat moeten bewaren, wordt
herhaald in de Woo.
4.4. Meer transparantie De CPA is in 2021 van plan om nauw met de
In de adviezen Integraal klantbeeld, Data informatiecommissaris te werken die zich
inzicht applicatie, Responsible sensing lab, onder andere ontfermd over de Wob en
Telematica in dienstvoertuigen en Digitale Woo.
gracht gaat de CPA in op het transparantie-
beginsel. De CPA benadrukt het belang van In paragraaf 4.5. en 4.6. wordt er ingegaan
transparantie tegenover de burger bij op profilering en privacyverklaringen. Deze
processen die worden ingezet in het kader onderwerpen hangen nauw samen met het
van bepaalde acties en/of taken van de transparantiebeginsel.
gemeente. In dat kader moeten de
13 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/consent_nl
14 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guideline/consent_nl
15 https:/wwweerstekamer.nl/wetsvoorstel/35112_novelle_initiatiefvoorstel
9
4.5. Profilering juridische of anderszins aanmerkelijke
Het transparantiebeginsel krijgt onder meer gevolgen zijn verbonden.
vorm door hetgeen in de AVG is bepaald
over de informatie die — proactief of op Het Al team van de gemeente Amsterdam is
verzoek — moet worden gegeven over het in 2020 bezig geweest met het opzetten van
verwerken van persoonsgegevens in een algoritmeregister dat in 2021
algoritmes. Zo is het onder meer verplicht gelanceerd wordt. Het algoritmeregister is
om, als er sprake is van profilering en/of een overzicht van de algoritmes die de
geautomatiseerde besluitvorming, dit gemeente Amsterdam gebruikt bij
kenbaar te maken. Daarbij moet in bepaalde gemeentelijke dienstverlening. Per algoritme
gevallen ook nuttige informatie worden kan men eerst algemene informatie over de
gegeven over de onderliggende logica van bedoeling en werking van het algoritme.
het algoritme, alsmede het belang en de Daarna kan men meer gedetailleerde
verwachte gevolgen van die verwerking voor _ technische informatie vinden. De CPA is op
de betrokkene. In het geval van profilering de hoogte van dit register en is benieuwd
heeft de betrokkene het recht om daartegen naar de ontwikkelingen in 2021.
bezwaar te maken. Een algoritme beoordelen
op behoorlijkheid (fairness) is op zichzelf 4.6. Privacyverklaringen
complex maar mogelijk met de juiste De commissie merkt op dat door de
middelen en kennis. De vraag of een algoritme _ veelsoortigheid van de privacyverklaringen
of een uitkomst van een algoritme ‘fair’ of deze het zicht voor de burgers kunnen
behoorlijk is, is inmers sterk verweven met belemmeren op wat de gemeente en
de omstandigheden van het geval, maar instellingen waarmee de gemeente
daarnaast ook met mogelijk subjectieve samenwerkt, met hun persoonsgegevens
opvattingen over rechtvaardigheid. doen. Veelsoortigheid kan leiden tot
Een verwerkingsverantwoordelijke zal zelf versnippering van informatie. De CPA
actief moeten verantwoorden en motiveren adviseert de gemeente om zicht te houden
waarom een algoritme fair is en het gebruik op het aantal privacyverklaringen, de
van het gekozen algoritme niet leidt tot weergave en de vindbaarheid van de
onbehoorlijke uitkomsten. privacyverklaringen om versnippering te
voorkomen. In het advies Integraal
De AVG bevat ook bepalingen met klantbeeld komt naar voren dat projecten
betrekking tot profilering en een verbod op vaker volstaan met een verwijzing naar
geautomatiseerde individuele besluit- bestaande privacyverklaringen. De CPA wil
vorming, waaronder profilering. In artikel 4 dit graag stimuleren, maar adviseert
aanhef en onder 4 AVG is profilering tegelijkertijd om goed in de gaten te
gedefinieerd als “elke vorm van geautoma- houden of er, mede vanuit het oogpunt van
tiseerde verwerking van persoonsgegevens transparantie, toch geen aparte
waarbij aan de hand van persoonsgegevens privacyverklaring nodig is en/of er een
bepaalde persoonlijke aspecten van een aanvulling op de specifieke
natuurlijk persoon worden geëvalueerd, met privacyverklaringen nodig is.
name met de bedoeling zijn beroeps-
prestaties, economische situatie, gezondheid, De Commissie Persoonsgegevens Amsterdam
persoonlijke voorkeuren, interesses, betrouw- Amsterdam, 2020.
baarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen
te analyseren of te voorspellen.” Op grond
van artikel 22 AVG geldt een algemeen
verbod op volledig geautomatiseerde
individuele besluitvorming, met inbegrip van
profilering, waaraan voor de betrokkene
10 CPA Jaarverslag 2020
Bijlage 1
LIJST MET ADVIEZEN 2020
Onderwerp Trefwoord
Gebruik van een algoritme voor het Algoritmes, transparantie,
prioriteren van meldingen t.b.v. toezicht doelbindingsbeginsel, SyRI
Convenant Zoeklicht Woonfraude, samenwerking met derde
Herijking HIC- criteria top 600 Bijzondere persoonsgegevens, top 600
OIS- onderzoek naar migranten BRP, WPI, toestemming
Project vitaliteit JOHAN Verzuim- en mobiliteitsbeleid, samenwerking
met derde partij, toestemming
Integraal klantbeeld Applicatie, privacy- verklaring
Regeling gegevensverwerking LPGA Top 400, Top 600,
Verwerkingsverantwoordelijke
BRP aansluiting Erfpacht Privacyverklaringen, informatiestromen
Data inzicht applicatie Transparantie, ethische toets, DIA
Object detectie Anonimisering, datasets, Al lead developer
Samenwerkingsovereenkomst Eigen Haard Basisregistratie adressen en gebouwen,
en basisinformatie woonfraude, BRP afwijkingen
Implementatie buurtteams Amsterdam WMO, doelbinding,
verwerkingsverantwoordelijkheid
PGA doorgroeiers UAVG, bijzondere persoonsgegevens,
Top 600, RIEC criteria
Regeling gegevensverwerking top 400 Top 400, zwaarwegend algemeen belang,
bijzondere persoonsgegevens
Woonruimteverdeling en gezamenlijk gebruik _Proportionaliteit, clouddienst,
Woningnet regio Amsterdam bestandsvergelijking
Responsible sensing lab Gemeentelijke sensoren, zichtbaarheid,
transparantie, algoritme
Telematica in dienstvoertuigen Noodzakelijkheid, rechtvaardigheid,
Dataminimalisatie
Bias analyse over ontwikkelde algoritmes Algoritmes, onterecht/ onjuist verschil
Digitale gracht Handhaving, vignetgegevens
11
Ol
Op Âe
|
Onderzoeksrapport
| 14
|
train
|
Aan de (leden van de) Gemeenteraad
van Amsterdam.
Amsterdam, 27 februari 2016
Geachte dames en heren,
hierbij wil ik een klacht indienen tegen het bedrijf Cition betreffende de automatische incasso
van de parkeergelden.
Op 23-12-2015 ontving ik een schrijven van Cition dat vanaf 1 januari 2016 het parkeerbeleid
zou worden uitgevoerd door Egis Parking Services B.V. Onderaan deze brief staat dat de
automatische incasso voor het parkeertijdvak 1 maart 2016 t/m 31 augustus 2016 zal
plaatsvinden in week 4, dt. vanaf maandag 25 januari.
Ik heb geprotesteerd bij Cition tegen dit moment van incasseren, maar liefst 6 weken voor
aanvang van het parkeertijdvak. Ik vond dit buiten proporties, mede gezien het feit dat dit
tegenwoordig allemaal automatisch en digitaal plaatsvindt.
Cition antwoordde mij toen het volgende (per e-mail van 15 januari 2016):
Geachte heer
De parkeervergunning vervalt automatisch, van rechtswege, als er niet tijdig is betaald. De
acceptgirokaarten worden daarom door Cition ruim op tijd verstuurd en de automatische incasso's
vinden daarom ruim op tijd plaats. Twee weken voor het begin van de nieuwe vergunningperiode
wordt vervolgens een betalingsherinnering naar de vergunninghouders gestuurd, zodat alsnog tijdig
kan worden betaald (men dient dan tevens rekening te houden met een verwerkingstijd van een
drietal dagen). Wanneer Cition de vergunninggelden slechts enkele dagen voor ingang van een
nieuwe vergunningperiode zou incasseren, zou dit echt te krap zijn. Het komt namelijk meermalen
voor dat een automatische incasso niet is gelukt (wegens bijvoorbeeld onvoldoende saldo of andere
oorzaken). De vergunninghouder kan dan, gezien de ruime tijd van betalen, vervolgens alsnog tijdig
de parkeervergunning op andere wijze voldoen. Cition heeft duizenden vergunninghouders. Hopelijk
zult u begrijpen dat het administratief verwerken van deze aantallen enige tijd vergt. Aangezien het
van belang is dat een parkeervergunning tijdig is betaald, is Cition van mening dat de periode waarin
de parkeervergunning kan worden betaald niet te krap kan worden genomen. Wij begrijpen dat
vanuit uw gezichtspunt gezien de datum van het automatisch incasseren erg vroeg lijkt maar gezien
voorgaande uitleg zal Cition de datum van incasseren (vooralsnog) niet wijzigen.
Ik antwoordde daarop het volgende (ook per e-mail van 15 januari 2016):
Er is een groot verschil tussen enkele dagen van tevoren incasseren en 6 weken van tevoren.
Zoals u zelf aangeeft is een termijn van 2 weken voor het begin van een vergunningperiode
ruimschoots voldoende: er is dan nog tijd voor een betalingsherinnering versturen (hooguit 3 dagen)
en een wachttijd van 3 dagen en dan heb je nog 8 dagen speling over.
Al die administratieve handelingen kunnen geautomatiseerd worden (en zijn dat hoogstwaarschijnlijk
al in uw bedrijf). Het administratief verwerken hoeft dus helemaal niet veel tijd te kosten en als dat
toch zo is zet ik daar een paar vraagtekens bij.
Kortom: ik kan uw redenering niet onderschrijven en ik zal proberen het hogerop te zoeken. Ik
verzoek u daarom vriendelijk mij mee te delen bij wie ik nu verder met mijn klacht terecht kan.
Cition verwees mij daarop naar de Gemeentelijke Ombudsman. Deze verwees mij door naar
de gemeenteraad omdat het hier gaat om het algemeen beleid van Cition. Omdat het inmiddels
bijna l maart is en ik dus nu het parkeergeld moet betalen verzoek ik u vriendelijk om een
oordeel te geven over het algemeen beleid van Cition cq. Egis Parking Services BV om 6
weken van tevoren het parkeergeld te incasseren.
Met vriendelijke groet,
|
Raadsadres
| 2
|
train
|
wnz0n020390 N% Gemeente De raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en AZ
igitalisering, : ‘ ‘ bn: :
Innovatie en % Amsterdam Veiligheid, Handhaving en Toezicht, Communicatie, Juridische Zaken,
Informatie Raadsaangelegenheden
Voordracht voor de Commissie AZ van 08 september 2022
Ter kennisneming
Portefeuille Juridische Zaken
Agendapunt 15
Datum besluit
Onderwerp
Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de stand van zaken met betrekking tot
achterstanden bij Woo-verzoeken
De commissie wordt gevraagd
1. _Kenniste nemen van de raadsinformatiebrief over de raadsinformatiebrief over de stand van
zaken met betrekking tot achterstanden bij Woo-verzoeken
Wettelijke grondslag
Artikel 169 van de Gemeentewet
Bestuurlijke achtergrond
In de vergadering van de Tijdelijke Algemene Raadscommissie op g juni 2022 heeft de burgemeester
toegezegd om de raad te informeren over de stand van zaken met betrekking tot achterstanden bij
Woo-verzoeken (verzoeken om openbaarmaking van overheidsinformatie).
Deze brief is eerder aangeboden in de dagmail van 26 juli 2022.
Reden bespreking
Nvt.
Uitkomsten extern advies
Nvt.
Geheimhouding
Nvt.
Uitgenodigde andere raadscommissies
Nvt.
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
Nee
Welke stukken treft v aan?
Gegenereerd: vl.7 1
VN2022-026390 9 Gemeente De raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en AZ
Digitalisering, % Amsterdam Veiligheid, Handhaving en Toezicht, Communicatie, Juridische Zaken
Innovatie en % gneld, 9 ! ! '
Informatie Raadsaangelegenheden
Voordracht voor de Commissie AZ van o8 september 2022
Ter kennisneming
AD2022-076840 Commissie AZ Voordracht (pdf)
AD2022-076841 Raadsbrief Openbaarheid Achterstanden Woo-verzoeken Juli 2022. pdf (pdf)
Ter Inzage
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Sofie Bustraan (informatiecommmissaris): 06- 2314 5164, s.bustraan@®&amsterdam.nl
Gegenereerd: vl.7 2
|
Voordracht
| 2
|
val
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 509
Publicatiedatum 15 juni 2016
Ingekomen onder AK
Ingekomen op donderdag 2 juni 2016
Behandeld op donderdag 2 juni 2016
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van de leden Vink, Vroege en Ernsting inzake de vierde kwartaalrapportage
2015 Noord/Zuidlijn (afronding van de werkzaamheden en ingebruikname van
de Noord/Zuidlijn).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de vierde kwartaalrapportage 2015 Noord/Zuidlijn
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 464).
Constaterende dat:
— er nog veel werk moet worden verzet om de Noord/Zuidlijn af te bouwen en te
zorgen voor een functionerend vervoerssysteem;
— er vele onzekerheden en risico's zijn en dat deze niet zijn verkleind door de
recente faillissementen van Oskomera en Imtech.
Overwegende dat:
— het OV-net ingrijpend zal wijzigen n.a.v. de ingebruikname van de nieuwe
metrolijn en een groot deel van het huidige lijnennet van trams en bussen in en
om de stad tot het verleden zal gaan behoren;
— _hetbelangrijk is dat metro, tram en bus op elkaar aansluiten en overstappen voor
reizigers goed, eenvoudig en veilig kan plaatsvinden vanaf de ingebruikname van
de nieuwe metrolijn;
— het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Amsterdam in december 2015 een
migratiestrategie heeft vastgesteld waarin het kiest voor ingebruikname van de
nieuwe metrolijn én omzetting van verschillende bus- en tramlijnen op één
moment: de “big bang'-migratiestrategie als basisscenario;
— deze strategie en de bijbehorende omzetting van de huidige naar de nieuwe
situatie op één moment bijdraagt aan duidelijkheid voor de reizigers, ervoor zorgt
dat het verkeersaanbod goed kan worden verwerkt en wanorde en slechte
bereikbaarheid kunnen worden voorkomen;
— daartoe aan de criteria uit de vastgestelde strategie (wat betreft planning en
kwaliteit) moet worden voldaan, met veiligheid als randvoorwaarde;
— er daarnaast nog een aantal condities relevant is voor de ingebruikname van de
nieuwe metrolijn:
1
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam
Afdeling 1 Gemeenteraad R
Nummer 509 Motie
Datum 15 juni 2016
1. voorkomen van wezenlijke gebruiksbeperkingen voor de reiziger en OV-bedrijf
dat de lijn bedient;
2. kunnen omzetten van het bovengrondse OV-netwerk van tram- en buslijnen in
en om de stad (qua capaciteit en lijnvoering) op de inzet van de nieuwe
metrolijn;
3. voldoende toerusting van de stationsomgevingen van de nieuwe
Noord/Zuidlijn-stations en van de diverse tram- en bushaltes op de nieuwe
situatie;
4. uitvoering van eventuele nazorg voor de afronding van werkzaamheden aan
de Noord/Zuidlijn moet plaats kunnen vinden zonder de nieuwe metro
substantieel te beperken qua inzet en frequentie;
5. voorkomen moet worden dat kort na ingebruikname de lijn weer (deels) zou
moeten sluiten, bijvoorbeeld voor het afmaken van werkzaamheden;
— in de huidige planning wordt uitgegaan van ingebruikname van de Noord/Zuidlijn
in oktober 2017.
Voorts overwegende dat:
— de gemeenteraad zich niet eerder heeft uitgesproken over de ingebruikname van
de Noord/Zuidlijn;
— het besluit over het moment van ingebruikname van de Noord/Zuidlijn binnenkort
zal worden genomen;
— de vervoerders een jaar van tevoren moeten weten wanneer de ingebruikname
zal zijn, opdat ze alle bijbehorende maatregelen verantwoord kunnen regelen en
inplannen;
— er voorafgaand aan de definitieve keuze verschillende scenario's en data worden
overwogen en daarbij ook scenario's in beeld worden gebracht waarbij de
omzetting niet op één moment plaatsvindt;
— de stadsregio als onderdeel van haar migratiestrategie heeft verwoord onder
welke omstandigheden zou kunnen worden afgeweken van de gekozen 'big
bang'-voorkeursstrategie.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— zich ervoor in te zetten om de ingebruikname van de Noord/Zuidlijn en de
bijbehorende aanpassingen van het lijnennet van bussen en trams in stad en
regio gelijktijdig en conform de door de stadsregio vastgestelde 'big bang’ —
migratiestrategie te kunnen laten plaatsvinden;
— ernaar te streven deze 'big bang’ c.q. deze grote omzetting en de ingebruikname
van de nieuwe metrolijn medio oktober 2017 te laten plaatsvinden;
— te blijven zorgen voor een goed en betrouwbaar functionerend metrosysteem in
Amsterdam, als onderdeel van het gehele openbaar vervoersnetwerk in en om
Amsterdam, uitgaande van de criteria uit de migratiestrategie en de condities die
in de overwegingen van deze motie zijn verwoord;
— de gekozen planning voor de ingebruikname van de Noord/Zuidlijn aan de raad
aan te bieden en deze daaraan voorafgaand toe te lichten bij de afgesproken
hoorzitting vóór het zomerreces van 2016;
2
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 509 Moti
Datum _ 15 juni 2016 olie
— daarbij aan te geven hoe de keuze voor de ingebruikname past bij de criteria uit
de migratiestrategie en de condities uit deze motie, ook wanneer er van de
gekozen strategie zou worden afgeweken.
De leden van de gemeenteraad
B.L. Vink
J.S.A. Vroege
Z.D. Ernsting
3
|
Motie
| 3
|
discard
|
> Gemeente
Amsterdam
D Motie
Datum raadsvergadering 16 maart 2023
Ingekomen onder nummer 113
Status Verworpen
Onderwerp Motie van het lid Bakker inzake een onderzoek naar toekomstscenario’s
zonder jacht in de Amsterdamse Waterleidingduinen
Onderwerp
Onderzoek naar scenario’s zonder jacht in de Amsterdamse Waterleidingduinen
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over de rapportage beheer en telling damherten 2021-2022
Constaterende dat:
-___er vanaf 2016 tot in 2022 meer dan 14.000 damherten zijn doodgeschoten als poging om
de populatie tot een vastgesteld aantal terug te brengen vanwege de druk op beschermde
flora en overlast in het verkeer en in tuinen;
-__dat hetstreefaantal nog altijd niet is behaald en al zou de populatie op het streefaantal
uitkomen, het volgens de rapportage nodig blijft om tot in de eeuwigheid elk jaar 440
damherten te blijven afschieten;
-_de damherten in een gesloten gebied leven zonder natuurlijke vijand.
Overwegende dat:
-_ er gestreefd zou moeten worden naar een dynamisch evenwicht in dit natuurgebied met
zo min mogelijk verstoring door de mens;
-__afschot niet diervriendelijk is.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders
in voorbereiding op het volgende beheerplan samen met de Provincie Noord-Holland een onder-
zoek in te stellen naar het vraagstuk damherten in de AWD en NPZK, dat wordt uitgevoerd door
wetenschappers en dierenwelzijnsorganisaties, met als doel om met toekomstscenario’s en advie-
zen te komen waarin actief beheer van damherten geen rol speelt.
Indiener,
A.L. Bakker
Gemeente Amsterdam Status Verworpen
Pagina 2 van 2
|
Motie
| 2
|
discard
|
Termijnagenda raadscommissie SL vergaderdatum 2012 stadsdeel Zuid, vastgesteld door de deelraad op 25 Te = Te A aan de deelraad
. 5 = er Bespreking
Januari 2012. TK = Ter Kennisgeving
TV = Ter Vaststelling
111|Cie Jong Amsterdam 2 / In de buurt naar school Simone 10-jan-12 TB SL
Kukenheim /
Joep Blaas
112[Deelraad [Benoeming nieuw bestuur OOADA+ bestuur Simone 10-jan-12 TA SL 25-jan-12 TV
OOADA stelt zich voor Kukenheim /
113[Cie Strategisch beleidsplan OOADA, toelichting Simone _ 10-jan-12 TB | SL
OOADA Kukenheim /
114/Deelraad [Wet good Governance/Code goed bestuur Simone 10-jan-12 TA SL 25-jan-12 TV
Kukenheim /
115[Cie Ouderparticipatie Simone 10-jan-12 TK SL
Kukenheim/
116/|Cie Leerlingprognose Simone 10-jan-12 TB SL
Kukenheim/
117fDeelraad [Beantwoording motie PvA Visie Brede school Simone 31-jan-12 TK SL
Kukenheim /
118[Cie Discussiestuk verordening subsidies onderwijs Simone 31-jan-12 TB SL
Kukenheim/
119[Deelraad [Definitieve invulling Jan van der Heijdenhuis Simone 31-jan-12 TA SL 22-feb-12 TV
Kukenheim /
120fDeelraad [Begroting OOADA Simone 31-jan-12 TA SL 22-feb-12 TV
Kukenheim /
121|Deelraad [Beantwoording M51 PvdA/D66 Focus op Simone 31-jan-12 TK SL
onderwijs Kukenheim /
122[Cie Nadere regels eenmalige inburgering Egbert de 31-jan-12 TB SL
Vries
174|Cie Consequenties en uitwerking van aanbevelingen [Simone 31-jan-12 TK SL
commissie Gunning Kukenheim /
123/[Deelraad [Bestuurlijke jaarrapportage Bureau Leerplicht Simone 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV
Plus Kukenheim /
124[Cie Plan van aanpak schoolverzuim (thuiszitters) Simone 6-mrt-12 TK SL
Kukenheim/
125[Cie Beschikkingenlijst 2012 TK Commissie Marco 6-mrt-12 TK SL
Kreuger
126/Deelraad |Verordening subsidies onderwijs meerjarig Simone 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV
Kukenheim /
127[Deelraad [Beantwoording M46 D66 snellere aanpak Simone 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV
schoolverzuim / Plan van aanpak schoolverzuim |Kukenheim /
128[Cie Amsterdams jongerenwerk Nieuwe Stijl Simone 6-mrt-12 TB SL
Kukenheim/
129/Cie Plan van aanpak tegengaan Armoede Egbert de 6-mrt-12 TK SL
Vries
130/fDeelraad [Sportnota in Zuid Paul 6-mrt-12 TA SL 28-mrt-12 TV
Slettenhaar
1 24-2-2012 Kopie van Termijnagenda 2012 definitief ter vaststelling door deelraad moederbestand voor griffie
131/[Cie AWBZ onderzoek naar effecten AWBZ Egbert de 6-mrt-12 SL
pakketmaatregel Vries / Marco
132[Cie Onderzoek effectiviteit Vernieuwd Welzijn Marco 3-apr-12 TB SL
Kreuger
133[Cie Implementatieplannen Woonservicewijken Marco 3-apr-12 SL
Rivierenbuurt en Buitenveldert Kreuger
134[Cie Memo OKC en Onderwijs Simone 3-apr-12 TK SL
Kukenheim /
172[Cie Zorg voor Zuid 1) nota van uitgangspunten Egbert de 3-apr-12 TA SL 25-apr-12 TV
Vries
175[Cie OKC en Onderwijs Simone 3-apr-12 SL
Kukenheim /
135/[Deelraad [Nota vernieuwd jongerenwerk Zuid Simone 8-mei-12 TA SL 30-mei-12 TV
Kukenheim /
136/[Cie Evaluatie Speel-o-theek en Spel aan huis Simone 8-mei-12 TK SL
Kukenheim
137[Cie Herziening nadere regels individuele Marco 8-mei-12 TB SL
ondersteuning vrijwilligers Kreuger
138[Cie Definitie Sportieve openbare ruimte (+ voorstel Paul 8-mei-12 TK SL
monitoring) Slettenhaar
139[Cie Nadere regels zorg eenmalig en Marco 8-mei-12 TB SL
mantelzorgondersteuning (Woonservicewijken, _|Kreuger
140[Cie Herziening nadere regels welzijn en zorg jaarlijks |Marco 8-mei-12 TB SL
Kreuger
141 [Deelraad [Notitie Zorg voor Zuid met bijbehorende nadere re|Marco 8-mei-12 TA SL 30-mei-12 TV
Kreuger
142|Deelraad |Afsprakenbrief Stadsdeel Bureau leerplicht Plus [Simone 5-jun-12 TA SL 27-jun-12 TV
2011 Kukenheim
143[Cie Marktbeleid 2012 + standplaatsenbeleid concept |Simone 5-jun-12 TK SL
Kukenheim
144[Cie Vervolgtraject Kwaliteitsaanpak kinderopvang Simone 5-jun-12 TK SL
Kukenheim
145[Cie Uitvoeringsbesluit toekomst inburgering Egbert de 5-jun-12 TB SL
Vries
146[Cie Huizen van de Wijk programmering en beheer: Marco 5-jun-12 TB SL
voortgangsrapportage Kreuger
147[Cie Uitvoeringsplan Jongerenwerk (incl. BTO 12+) Simone 3e kw SL
Kukenheim 2012
148[Cie Evaluatie/vervolgadvies stages in Simone 3e kw TB SL
Zuid/jeugdwerkloosheid Kukenheim 2012
149/Deelraad [Marktbeleid 2012 + standplaatsenbeleid def Simone 3e kw TA SL [3ekw2012| TV
Kukenheim 2012
150/|Cie OBA voortgang en invulling bezuinigingen 2013 - [Simone 3e kw TK SL
2014 Kukenheim 2012
151|Cie Stand van zaken Voedselbank Egbert de 3e kw TK SL
Vries 2012
152/|Cie Stand van zaken 50+ mannen en gezinnen Egbert de 3e kw TK SL
Vries 2012
153|Cie Rivierenteam: evaluatie/vervolgadvies Simone 3e kw TB SL
Kukenheim 2012
154[Deelraad |Jaarrekening 2011 OOADA Simone 3e kw TA SL | 3ekw2012| TV
Kukenheim 2012
2 24-2-2012 Kopie van Termijnagenda 2012 definitief ter vaststelling door deelraad moederbestand voor griffie
155[Cie Uitvoeringsplan toekomst inburgering Egbert de 3e kw TB SL
Vries 2012
156/[Cie Stand van zaken persoonsgerichte aanpak Paul 3e kw TK SL
risicojongeren Slettenhaar 2012
157 [Deelraad [Stedelijk Sportplan 2013-2016 Paul 3e kw TA SL [3ekw2012| TV
Slettenhaar 2012
158[Cie Nadeelcompensatie ondernemers Joep Blaas 3e kw TK SL
2012
159/[Cie Tussenevaluatie Olympische Coalitie Paul 3e kw TK SL
Slettenhaar 2012
160[Cie Aanpak gezondheid en overgewicht Simone 3e kw TB SL
Kukenheim 2012
161[Deelraad [Voorstel verzelfstandiging van de AC-markt Simone 4e kw TA SL | 4ekw2012| TV
Kukenheim 2012
162[Cie Tussenevaluatie Jong Amsterdam 2 Zuid (JA2) [Simone 4e kw TK SL
Kukenheim / 2012
163[Cie Resultaten Ambitiegesprekken schoolbesturen in Simone 4e kw TK SL
kader van JA2 Kukenheim 2012
164[Cie Evaluatie 2012: In de buurt naar school Simone 4e kw TK SL
Kukenheim / 2012
165/[Cie Evaluatie buurtuitvoeringsplan Marathonbuurt Marco 4e kw TK SL
incl. voortzetting in de lijnorganisatie Kreuger 2012
166/[Cie Evaluatie participatiecentrum Egbert de 4e kw TB SL
Vries 2012
167[Cie Evalauatie woonservicewijken 2012 en acties Marco 4e kw TK SL
2013 Kreuger 2012
173/[Cie Zorg voor Zuid 2) principebesluit Egbert de 4e kw TA SL | 4ekw2012| TV
Vries 2012
168|Cie Lizzy Ansingh/huisvesting OKC Simone 4e kw TK SL
Kukenheim / 2012
Marco
3 24-2-2012 Kopie van Termijnagenda 2012 definitief ter vaststelling door deelraad moederbestand voor griffie
|
Agenda
| 3
|
train
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
De burgemeester van Amsterdam nodigt de leden van de gemeenteraad uit voor de
raadsvergadering.
Datum en tijd woensdag 2 april 2008 13.00 uur en, zo nodig, 19.30 uur
Locatie Raadzaal, Stadhuis
Algemeen
1 Mededelingen.
2 Notulen van de raadsvergadering op 12 maart 2008.
(wordt nagezonden)
3 Vaststelling van de agenda.
4 Mededeling van de ingekomen stukken.
5 Mondeling vragenuurtje.
Ruimtelijke Ordening
6 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 6 november
2007 tot vaststelling Nota Locatiebeleid Amsterdam.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 123)
7 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 12 februari
2008 inzake voorbereiding van een partiële herziening bestemmingsplan AMC-
Bullewijk. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 124)
Grondzaken
8 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 5 februari 2008
tot vaststelling herziene grondexploitatiesaldi naar aanleiding van het Lente-RAG
per ultimo 2006. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 125)
9 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari
2008 tot vaststelling herziening grondexploitatie deelgebied A3 Zuidwestkwadrant
in stadsdeel Osdorp. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 126)
1
Gemeente Amsterdam
Gemeenteraad R
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
Verkeer, Vervoer en Infrastructuur
10 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2008
tot beschikbaarstelling van een krediet voor een vernieuwing van de oostelijke
kolkwand van de Oud Entrepotdokschutsluis, sluis 104.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 127)
11 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 18 maart 2008
tot vaststelling Subsidieverordening verwerving belanghebbendenvergunning
taxichauffeurs. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 128)
Bedrijven
12 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 18 december
2007 inzake reorganisatie van en bezuiniging bij de Dienst Stadstoezicht.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 129)
Deelnemingen en Inkoop
13 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2008
tot instemming met toekomst aandeelhouderschap en strategie-onderneming van
NV Nuon. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 130)
14 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari
2008 inzake Koninklijk Theater Carré: onderzoeksrapport “Toekomst Carré”.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 131)
Algemene Zaken
15 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2008
tot intrekking Archiefverordening 1997 en vaststelling Archiefverordening 2008.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 132)
Openbare Orde en Veiligheid
16 Voordracht van het college van burgemeester en wethouders van 27 november
2007 inzake verplaatsing speelautomatenhal naar Citytheater.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 133)
Bestuurlijk Stelsel
17 Voordracht van het presidium van 19 februari 2008 tot vaststelling van de
jaarrekening 2007 van de Raadsgriffie van de gemeente Amsterdam en vorming
van een reserve voor raadsonderzoeken en -enquêtes.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 134)
18 Voordracht van het presidium van 29 februari 2008 tot kennisneming van het
rapport Raadsondersteuning Onderzoek, analyse en aanbevelingen Onderzoek
Raadsondersteuning. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 135)
2
Gemeente Amsterdam
Gemeenteraad R
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
Sociale Infrastructuur
19 Preadvies van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2008
op de notitie van het raadslid mevr. Van der Garde van 19 april
(nr. 201 van 2007) inzake uitbreiding van de Stadspas, getiteld: Beleef de stad
met de Amsterdampas! (Gemeenteblad afd. 1, nr. 136)
3
Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
Ingekomen stukken
1 _Raadsadres van de heer W.T. van den Berg, voorzitter van de Stichting Vrije
Recreatie van 28 februari 2008 inzake toekomst van het kamperen bij boer en
particulier in het buitengebied.
Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en
Organisatie, Openbare ruimte en Groen.
2 _Raadsadres van de heer prof. dr. C.A. de Lange, namens Milieu Platform
Waterland van 12 februari 2008 inzake bescherming van de kwaliteit van ons
unieke Noord-Hollandse landschap.
Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en
Organisatie, Openbare ruimte en Groen.
3 Burgerbrief van 7 februari 2008 inzake bezwaar tegen het opleggen van
parkeerboetes door Stadstoezicht tijdens het laden en lossen.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Kunst en Cultuur, Lokale
Media, Sport en Recreatie, Bedrijven, Deelnemingen en Inkoop.
4 _Burgerbrief van 13 februari 2008 inzake inperking van de overlast op het
Europaplein veroorzaakt door werkzaamheden voor de aanleg van de Noord-
Zuidlijn door controle en handhaving van de venstertijden waarbinnen deze
werkzaamheden mogen plaatsvinden.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en
Organisatie, Openbare ruimte en Groen.
5 _Burgerbrieven van 14 februari 2008 inzake plan om oude auto's te weren uit het
centrum.
Voorgesteld wordt, deze brieven in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders, teneinde het te betrekken bij de door hen in te
dienen voorstellen terzake.
4
Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
6 Brief van mevr. mr. drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk
en Inkomen van 25 februari 2008 inzake aanbieding van het rapport, getiteld:
Gemeentelijke afdoening de laatste schakel in de handhavingsketen.
Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen.
7 Brief van drs A. Th. B. Bijleveld-Schouten, staatsecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 februari 2008 inzake circulaire betreffende
nieuwe accountantscontrole van provincies en gemeenten.
Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen.
8 Brief van mevr. mr. drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk
en Inkomen van 8 februari 2008 inzake aanbieding van het rapport, getiteld:
Matchen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen.
9 Brief van de heer J. Harmsen, secretaris van de Gebiedscommissie Amstel-,
Gooi en Vechtstreek-Holland van 6 februari 2008 inzake verslag van de
werkbijeenkomst op 24 januari 2008 ten behoeve van het
Uitvoeringsstrategieplan Investeringsbudget Landelijk Gebied regio Amstel-, Gooi
en Vechtstreek.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
10 Brief van mevr. mr. drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van de Inspectie Werk
en Inkomen van 18 februari 2008 inzake aanbieding van het rapport, getiteld:
Zaak van belang, betreffende het stimuleren van ondernemerschap van
uitkeringsgerechtigden.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
11 Burgerbrief van 8 februari 2008 inzake inkomstengrens voor een
langdurigheidstoeslag (LDT S).
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Werk en Inkomen, Sociale
Infrastructuur, Educatie, Jeugdzaken, Diversiteit en Grotestedenbeleid.
12 Raadsadres van de heer W. van Zijl, namens Initiatief Betaalbaar Wonen
Amsterdam Noord van 27 januari 2008 inzake rapport, getiteld: Sociale
woningvoorraad in Amsterdam Noord in gevaar.
Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Verkeer, Vervoer en
Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten.
5
Gemeente Amsterdam
Gemeenteraad R
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
13 Raadsadres van mevr. W. Sorgdrager, voorzitter van het Multatuligenootschap
en het Multatulimuseum van 3 maart 2008 inzake huurverhoging voor het
Multatulimuseum.
Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Kunst en Cultuur, Lokale
Media, Sport en Recreatie, Bedrijven, Deelnemingen en Inkoop.
14 Burgerbrief van 4 maart 2008 inzake Israël en het zionisme.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening.
15 Burgerbrief van 28 februari 2008 inzake verzoek om woonruimtebemiddeling
binnen de gemeente Amsterdam.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening,
Grondzaken, Waterbeheer en ICT.
16 Burgerbrief van 5 maart 2008 inzake invoering minimumloon.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening.
17 Burgerbrief van 6 maart 2008 inzake sociale cohesie.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening.
18 Burgerbrief gericht aan de Nationale Ombudsman met een afschrift aan de
gemeenteraad van 6 maart 2008 inzake handhaving regelgeving APV met
betrekking tot vergunningen voor straatmuzikanten.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
19 Burgerbrief van 9 maart 2008 inzake plannen voor terrasverwarming in strijd met
het milieubeleid in Amsterdam.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening en een afschrift van het antwoord te
zenden aan de leden van de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en
Organisatie, Openbare ruimte en Groen.
20 Burgerbrief van 10 maart 2008 inzake polarisatie.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening.
6
Gemeente Amsterdam
Gemeenteraad R
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
21 Burgerbrief van 12 maart 2008 inzake hotelprijzen.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening.
22 Burgerbrief van 9 maart 2008 inzake de ChristenUnie.
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders ter afdoening.
23 Brief van de heer mr. A.A. de Groot van EBH Elshof Advocaten van 5 maart 2008
gericht aan het college van burgemeester en wethouders namens Rijper Discount
BV h.o.d.n. C1000 Voordeelmarkt, tevens h.o.d.n. C1000 vestiging Boven 't Y
inzake bezwaarschrift tegen beslissing van burgemeester en wethouders.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
24 Brief van mevr. P. Tromp, griffier van gemeente Koggenland van 10 maart 2008
inzake aangenomen motie van de gemeenteraad van Koggenland betreffende
vergoeding raadswerk.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
25 Brief van W. van Twuijver, secretaris en P.J. Möhlmann, burgemeester, namens
het college van burgemeester en wethouders van gemeente Oostzaan van 11
maart 2008 inzake aangenomen motie van de gemeenteraad van Oostzaan
betreffende structurele verhoging van de gemeentelijke bijdrage aan het Twiske.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
26 Brief van mevr. H.W.M. Oppenhuis de Jong, provinciesecretaris van
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 17 maart 2008 inzake vaststelling
van het Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit regio Noordvleugel
(RSL-NV).
Voorgesteld wordt, deze brief in handen te stellen van het college van
burgemeester en wethouders, teneinde het te betrekken bij de door hen in te
dienen voorstellen terzake.
27 Brief gericht aan het college van burgemeester en wethouders van mevr. H. Spel,
namens de Marokkaanse mannengroep van het Multicultureel Ouderen Centrum
“De Ontmoeting" van 17 maart 2008 inzake, met een afschrift aan de
gemeenteraad betreffende aanpassen van parkeerregels op islamitische
feestdagen.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
28 Raadsadres van de heer J. de Koning, namens Tolerance Park van 14 maart
2008 inzake Henry Hudson in Holland.
7
Gemeente Amsterdam
Gemeenteraad R
Raadsagenda, woensdag 2 april 2008
Voorgesteld wordt, dit raadsadres voor kennisgeving aan te nemen.
29 Burgerbrief van maandag 17 maart 2008 inzake Vondelpark.
Voorgesteld wordt, dit raadsadres kennisgeving aan te nemen.
30 Brief van mevr. mr. Drs. C. Kervezee, inspecteur-generaal van Inspectie Werk en
Inkomen van 27 februari 2008 inzake aanbieding rapporten van IWI: “Goed
geplaatst" en "Uitvoering Wet Sociale Werkvoorziening 2006".
Voorgesteld wordt, deze brief kennisgeving aan te nemen.
31 Brief van de griffier van de Rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht
Algemeen van 14 maart 2008 inzake beroepschrift van de Stichting
Bestuursassistentie Mokum Mobiel '99.
Voorgesteld wordt, deze brief te betrekken bij de verdere procedure van het
beroep. Tevens wordt voorgesteld namens de gemeenteraad de heer R.Th.M.
Nederveen, voorzitter van het presidium en de heer mr. Van den Berg verweer te
laten voeren.
32 Brieven van wethouder Vos van 13 maart en 17 maart 2008 inzake voortgang
met betrekking tot de verkoop van het pand Bosbaan 4 in het Amsterdamse Bos.
Voorgesteld wordt, deze brieven te betrekken bij de behandeling van Grand Cafe
De Bosbaan in de Raadscommissie voor Zorg, Milieu, Personeel en Organisatie,
Openbare ruimte en Groen van 9 april 2008.
33 Brief van de heer Asscher, wethouder Financiën van 13 maart 2008 inzake
aanbieding Financieel Meerjarenperspectief 2009-2012.
Voorgesteld wordt, dit rapport te bespreken in de raadscommissie voor
Financiën, Economische Zaken en Lucht- en Zeehaven.
34 Brief van de heer dr. V.L. Eiff, directeur Rekenkamer Amsterdam van 20 maart
inzake Vervolgonderzoek Schaderegeling Noord/Zuidlijn, vergoedingen aan
ondernemers.
Voorgesteld wordt, deze brief voor kennisgeving aan te nemen.
8
|
Agenda
| 8
|
train
|
Gemeente
Amsterdam
Ed
P
Tp s
x d En
à NT El
Te Pi r
ns  m q | ENE
OEE EE EE MIN
BIE ! Hi eN kul INE È
P 4 ie jn UK he
x L
Programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam
Kwartaalrapportage
Í \ open over dichte tunnels
p B
d : nd U |
Ee Pi a LE en Dl le nn U | Re
Pr : \ I Hi - IE rr iN | an rE Pan Ee K a EN
Ct „… ar veen Te
ne pn EN Tel en ri eID LJ MC E AN ___ Ë Er Ar an os Zalk hadi k ST AT KLA
OE El we pi
kh U z ij Ee 5 |, da ei u n
"A EE En Jl
k ES à nn ss Eed
Piet Heintunnel PACE Tat Michiel de Ruiijjtertunnel Verkeerscentrale Amsterdam
1 Managementsamenvatting Q1 2021 ee 3
2 Voortgang. ee &
2.1 Bijdrage aan de stad. … ee &
2.2 De voortgang van de projecten en effecten buiten... 6
2.3 Samenwerking met partners …… ee 8
2.4 Tegenspraak ee ©
3 Programmabeheersing. … 11
3.1 Programma Scope nn 11
3.2 Masterplanning ee 11
3.3 Financiële stand van zaken 12
3.4 Risicomanagement. … nn 13
Bijlage 1. Afkortingen en definities 16
Bijlage 2. Factsheets per project. … eee 17
Factsheet project Vernieuwing Verkeerscentrale … 18
Factsheet project Renovatie Piet Heintunnel 20
Factsheet project Renovatie Amsterdam Arenatunnel ……………………………… 22
Factsheet project Aanpassingen Michiel de Ruiijtertunnel …………………… 24
HOOFDSTUK 1
Managementsamenvatting Q1 2021
De rapportage over het eerste kwartaal 2021 van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam
geeft de gemeenteraad, het gemeentebestuur, de gemeentelijke directies en de strategische partners
inzicht in de voortgang van de programmadoelstellingen. Tevens is de rapportage een bron van
informatie voor inwoners van Amsterdam en andere belangstellenden.
Scope In het eerste kwartaal van dit jaar is de scope van het programma niet gewijzigd.
O4 2020 @
Q1 2021 ©
Planning Op 2 maart 2021 heeft het College van B&W de geactualiseerde masterplanning be-
Q4 2020 © | krachtigd. De voortgang van de projecten is dit kwartaal conform planning en binnen de
O1 2021 © | vastgestelde kaders. Bij het project Aanpassingen Michiel de Ruiijjtertunnel verlopen de
werkzaamheden dusdanig voorspoedig dat weekendafsluitingen niet meer nodig zijn.
Op dit moment wordt bekeken wanneer de werkzaamheden kunnen worden afgerond.
Financiën In totaal is op dit moment circa € 235,9 miljoen aan kredieten beschikbaar voor het
Q4 2020 © | programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam. Hiervan is inmiddels circa € 140,4 miljoen
Q12021 ® verplicht en € 61,4 miljoen betaald. De beschikbaar gestelde kredieten zijn volgens
huidige inzichten voldoende om dat deel van het programma uit te voeren waar deze
kredieten voor zijn toegekend. Bij de Voorjaarsnota 2021 zijn aanvragen ingediend voor
de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale.
Risico's De coronacrisis, de RIVM-maatregelen en de tweede lockdown hebben in het eerste
O4 2020 © | kwartaal effect gehad het programma en dan vooral op het team. Met name de sluiting
Q12021 © van de bassischolen zorgde voor uitdagingen, waarbij in goed overleg is besloten om
werk te herverdelen en te prioriteren. Dit zet druk op alle projecten. Tegelijkertijd zijn de
geplande deadlines wel gehaald.
Discontinuïteit van de projecten en het programma blijft een toprisico zo lang de kosten
voor de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale
niet volledig zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting.
Kwaliteit Elk kwartaal wordt actief tegenspraak georganiseerd, door de inzet van bijvoorbeeld
Organisatie audits of de adviesraad, daarmee worden de keuzes van het programma ter discussie
04 2020 © gesteld (gechallenged) en de kwaliteit van de producten verbeterd. Specifiek is dit
O1 2021 © kwartaal door een afvaardiging van het Commissariaat Civiele Constructies gekeken naar
de haalbaarheid van de tunnelsluiting Piet Heintunnel eind juni 2021. Naar aanleiding
van de opgelopen vertraging vorig jaar zijn door het alliantieteam Piet Heintunnel
aanvullende beheersmaatregelen doorgevoerd. De conclusie van het Commissariaat
is dat de positieve effecten van de beheersmaatregelen zichtbaar zijn en er geen
belemmeringen zijn om de Piet Heintunnel eind juni, conform planning, voor het weg-
verkeer te sluiten en de renovatiewerkzaamheden te starten. Ook is in dit gesprek
uitgebreid stilgestaan bij het kritieke pad van het project, dat van invloed is op het
tijdig openstellen van de tunnel voor het wegverkeer.
®
® ®
HOOFDSTUK 2
ze een tn En n
…e en ee nn eme,
TTT P nn Mn nn nnn s €
P tT Ne, EE ,
Fn ee Ln ne Ee ® Pe
DES ms °
x E Es Zj P | ii Ë _
r en „ RK Aa eg ie Ì nn ee:
B 4 dll Ì OE Er Ee, :
' irt Ein
vn =S AE DEE et
WE, De es A
er re in ME ee RR Er twe
4 en me mn ii eee en beho Maene, br
Emel EE RT
ma en _ ee - =S EE DE _— = , e= dj eri Ee z=kl _… AND
Kd „=d me. _ P_i L 5 Eed = nd eN m5
Ns pn vn "Ve ee KE: Et
pr Pe ed le en
Ad PARA id Á 6 orn eentbereikbaar en
je 7 á Td ede} Amsterdam.
ee / /
‚4 | r de toekomst.”
pr _ ik
me dk CE st el pr
Dit hoofdstuk beschrijft de voortgang van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam in het
eerste kwartaal van 2021. Paragraaf 2.1 relateert deze voortgang aan de programmadoelstellingen.
Paragraaf 2.2 aan de voortgang van de vier projecten, inclusief de impact die de projecten hebben
op mobiliteit in de stad en op de omgevingspartijen. Paragraaf 2.3 licht de samenwerking met onze
partners toe. En in paragraaf 2.4 staat centraal welke tegenspraak is georganiseerd om het resultaat
van het programma te borgen.
2.1 Bijdrage aan de stad
Het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam (AWA) heeft twee hoofddoelstellingen:
1) Het realiseren van veilige en beschikbare wegtunnels die voldoen aan de huidige wetgeving; en
2) Zorgen voor een uniforme bediening, bewaking en een functioneel uniforme, toekomstbestendige
tunneluitrusting die bijdraagt aan de veiligheid en beschikbaarheid van de tunnels. Zodat ook in de
toekomst de bereikbaarheid van de stad is geborgd.
f
|
Samengevat zorgt het programma ervoor dat Amsterdamse wegtunnels en de Verkeerscentrale
Amsterdam (VCA) klaar zijn voor de toekomst: veilig te gebruiken, eenvoudig te bedienen en makkelijk
te onderhouden
Het programma bestaat uit vier projecten:
® de aanpassing van de Michiel de Ruijtertunnel (uitvoering 30 november 2020 — 31 augustus 2021);
e de renovatie van de Piet Heintunnel (uitvoering 25 juni 2021 t/m 30 september 2022);
* de renovatie van de Amsterdam Arenatunnel (uitvoering voorzien vierde kwartaal 2022 t/m
derde kwartaal 2023); en
* de vernieuwing van de Verkeerscentrale Amsterdam (uitvoering voorzien derde kwartaal
2023 t/m begin 2026)
Hieronder beschrijven we wat we in het eerste kwartaal van 2021 hebben gedaan om de programma-
doelstellingen te realiseren.
21.1 Overkoepelend
De opgave van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam en de werkzaamheden van de tunnel-
beheerorganisatie (directie Verkeer & Openbare Ruimte) liggen nadrukkelijk in elkaars verlengde. De
vernieuwing en de uniformering van de wegtunnels en de Verkeerscentrale Amsterdam zorgen immers
niet alleen voor veilig te gebruiken, maar ook voor eenvoudig te bedienen en gemakkelijk te onderhouden
assets. Het is daarom van groot belang dat de resultaten van het programma ten goede komt aan de
beheerorganisatie. In die zin zijn de kosten van het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam een
investering in efficiënt en effectief toekomstig beheer — en daarmee in een beter bereikbare stad.
Ook de samenwerking met de afdeling Verkeersmanagement en het Chief Technology Office (CTO)
staat in dit teken. Samen met Verkeer & Openbare Ruimte werkt CTO aan het programma Smart
Mobility, dat in essentie een bereikbare, schonere en leefbare stad beoogt, onder meer door een
transitie van verkeersmanagement (waarbij de doorstroom en veiligheid van auto's centraal staat) naar
mobiliteitsmanagement (waarbij het gaat om het managen van alle modaliteiten in de mobiliteitsketen
en het sturen op bredere leefbaarheidseffecten als drukte en luchtkwaliteit). Onze samenwerking is
erop gericht om bij de realisatie van de nieuwe Verkeerscentrale Amsterdam waar mogelijk al voor te
sorteren op de mobiliteitscentrale van de toekomst, onder meer door in ontwerp rekening te houden
met de ontwikkeling.
De in het vierde kwartaal 2020 geïnventariseerde eisen en wensen van de tunnelbeheerorganisatie en
de afdeling verkeersmanagement ten aanzien van de nieuwe verkeerscentrale, zijn in het eerste kwartaal
van 2021 nader besproken. Er is een begeleidingsgroep geformeerd waarin afstemming plaatsvindt
over de ontwerpuitwerking in relatie tot functionaliteit en beoogd gebruik.
Het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam werkt met een baselineaanpak. Een baseline is te
vergelijken met een foto van de voortgang op een vooraf bepaald moment. De dan geldende kaders
en uitgangspunten worden in de baseline voor de projecten binnen het programma samengevoegd.
Op deze manier beschikken alle projecten waaruit het programma bestaat over dezelfde kaders en
uitgangspunten bij het (verder) uitwerken van ontwerpen. Omdat vanuit de projecten in hun ontwerpfases
altijd wijzigingen kunnen komen, zijn ook in de toekomst beheerste aanpassingen van de baseline mogelijk.
In het eerste kwartaal van 2021:
e voerden we gesprekken met Verkeer & Openbare Ruimte, om ervoor te zorgen dat de producten,
processen, procedures en aanpakken die het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam ontwikkelt
goed kunnen doorwerken in de beheerfase daarna;
e hebben we in overleg met Verkeer & Openbare Ruimte en het Chief Technology Office de eerste
stap gezet naar een bedienfilosofie die past bij het bredere perspectief van de mobiliteitscentrale
van de toekomst;
e maakten we met de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling Verkeersmanagement afspraken over
hoe de wensen aan het gebruik van de nieuwe Verkeerscentrale Amsterdam worden meegenomen; en
e is baseline T4 afgerond en met de projecten gedeeld. Tevens is besloten om in het tweede kwartaal
de baselinestrategie verder te ontwikkelen, waarin wordt beschreven hoe om wordt gegaan met
toekomstige wijzigingen.
2.1.2 Veilig te gebruiken
Zoals in de eerste doelstelling geformuleerd zorgt het programma ervoor dat de Amsterdamse weg-
tunnels binnen haar scope voldoen aan de huidige wetgeving. Maar we doen meer dan dat. Veilig
gebruik van tunnels is in belangrijke mate afhankelijk van robuuste installaties, bewaking en bediening
enerzijds en de daarvoor benodigde technieken, procedures en menselijke handelingen anderzijds.
We werken aan een testcentrum, waar nieuwe systemen en installaties worden uitgeprobeerd voordat
we ze implementeren in de tunnels en in de vernieuwde verkeerscentrale. Dit verkleint het risico dat
tunnels niet open kunnen of weer moeten sluiten omdat systemen in de praktijk (nog) niet werken zoals
bedacht. Daarnaast werken we aan het ontwerpen van uniforme bediening voor de tunnels, die de
complexiteit en daarmee het risico op menselijk falen moet verkleinen. Hier speelt uiteraard ook het
beheer na oplevering een belangrijke rol.
In het eerste kwartaal van 2021:
e zijn we verdergegaan met het aanbrengen van hittewerende beplating en beweegbare camera's
in de Michiel de Ruijtertunnel. Dit werk verloopt zo voorspoedig dat we sinds 6 februari 2021, de
nachtafsluitingen in het weekend niet meer nodig hebben en de tunnel op die momenten weer
beschikbaar is voor het wegverkeer;
e voerden we vooruitlopend op de sluiting vanaf 25 juni 2021 de eerste werkzaamheden uit in de
Piet Heintunnel om zo de planning van de renovatie robuuster te maken. Zo zijn we begonnen met
de ontvlechting van de energievoorziening voor de tunnel en voor de IJtram (lijn 26);
e werkten we samen met direct belanghebbenden aan de scenarioanalyse voor de veiligheid van de
Arenatunnel, in de bredere context van veiligheid in en rond de Johan Cruijff ArenA. De scenario-
analyse vormt de grondslag voor de ontwerpwerkzaamheden;
e hebben we in het kader van cybersecurity maatregelen uitgewerkt om kwetsbaarheden weg te
nemen of maximaal te beperken. Het gaat daarbij niet alleen om kwetsbaarheden in producten en
systemen, maar ook in (organisatie)processen. Voor de implementatie van de maatregelen zijn we
gesprekken gestart met de directie Verkeer & Openbare Ruimte;
e zijn we samen met de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeersmanagement gestart met het
opstellen van een besluitvormingsdocument, dat ingaat op het beschikbaar houden van de wegtunnels
in geval ze vanuit de nieuwe verkeerscentrale niet meer bedienbaar zijn als gevolg van een calamiteit
of in geval van uitval van systemen hoe deze moet worden gecompenseerd met nadere maatregelen.
21.3 Eenvoudig te bedienen
Omdat de Amsterdamse tunnels in verschillende perioden zijn gebouwd, beschikken ze over verschillende
technische systemen. Dit zorgt voor complexiteit in de bediening en vraagt extra opleiding en inzet van
verkeersleiders. Het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam werkt aan uniforme bediening van
tunnels, vanuit de nieuwe Verkeerscentrale Amsterdam. Uniformering maakt de bediening eenvoudiger,
verkleint de kans op menselijke fouten en vergroot de inzetbaarheid van verkeersleiders. Dit heeft be-
langrijke gevolgen voor het werk van de verkeersleiders. In plaats van verschillende bedieningspanelen
worden ze opgeleid en getraind zijn om te werken met één uniform bedienpaneel. Om dit goed te laten
verlopen werken we aan het digitaliseren van de opleidingen, waarbij permanent leren, verbeteren en
testen centraal staat (OTO: opleiden, trainen en oefenen). De ontwikkeling van het testinstrumentarium
gebruiken we nu voor de realisatie van de nieuwe verkeerscentrale. We zijn met de tunnelbeheer-
organisatie in overleg om te kijken of en hoe dit instrumentarium ook van toegevoegde waarde kan zijn
in de beheerfase.
In het eerste kwartaal van 2021:
e kwamen de eisen aan de uniforme bewaking en bediening gereed. De bediening van de Piet Hein-
tunnel vormt de basis voor de uniforme bediening van de Michiel de Ruijtertunnel en de Arenatunnel,
evenals voor de Spaarndammertunnel en de IJtunnel;
e zijn we, in het verlengde hiervan, gestart met het realiseren van een ‘converter’, die ervoor zorgt dat
alle tunnels vanuit de nieuwe verkeerscentrale via dezelfde filosofie kunnen worden bediend;
e voerden we gesprekken met de directie Verkeer & Openbare Ruimte om te onderzoeken in hoeverre
de tunnelbeheerorganisatie het testinstrumentarium in de beheerfase kan inzetten voor opleiden,
testen en het oefenen van scenario's;
e maakten we aanzienlijke vorderingen met de realisatie van een ‘object type library’, een bibliotheek
met standaarden die nodig is om tot een functioneel uniforme tunneluitrusting te komen;
® is door de directie Verkeer & Openbare Ruimte ook besloten dat het terrein van het Logistiek Centrum
Metro (het LCM-terrein aan de Verlengde van Marwijk Kooystraat, waar zich ons testcentrum bevindt)
de definitieve locatie wordt voor de vernieuwde Verkeerscentrale Amsterdam;
e onderzochten we met GVB, Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte en Waternet eventuele
mogelijkheden voor gezamenlijke huisvesting op het LCM-terrein.
2.1.4 Makkelijk te onderhouden
Functioneel uniforme tunnels dragen bij aan eenvoudiger en daarmee efficiënter onderhoud. De tunnels
geven straks real time informatie over de staat waarin installaties zich bevinden, zodat onderhoud
adequaat kan worden uitgevoerd. De voorspelbaarheid wordt vergroot en onderhoud kan effectiever
gepland en uitgevoerd worden. Dit maakt het beheer van tunnels niet alleen efficiënter maar heeft naar
verwachting ook positief effect op de beschikbaarheid van de tunnels zelf. Tegelijkertijd is informatie
alleen nuttig als de beheerder deze ook kan en gaat gebruiken. De directie Verkeer & Openbare Ruimte
heeft uitgesproken dat doorontwikkeling van haar tunnelbeheerorganisatie en daarbij in het bijzonder
van het informatiemanagement ten behoeve van beheer noodzakelijk is. Vanuit het programma onder-
steunen we deze doorontwikkeling waar mogelijk. Dit doen we onder meer in een ‘object type library’.
Deze objectenbibliotheek beschrijft hoe een tunnel in Amsterdam in elkaar zit. In de bibliotheek ont-
sluiten we assetinformatie zodanig dat die ook voor de toekomst toegankelijk blijft en door de asset-
beheerder geactualiseerd kan worden op basis van de informatie die installaties in de tunnel geven.
In het eerste kwartaal van 2021:
e hebben we de eerste gesprekken gevoerd met de tunnelbeheerorganisatie over de vraag welke
data de tunnels moeten genereren in de beheerfase. Dit aan de hand van zogenaamde use cases.
We zorgen er voor dat de tunnels data genereren die we kunnen opwaarderen tot sturingsinformatie
ten behoeve van het onderhoud. Een voorwaarde is dat we de juiste en actuele data uit de tunnels
kunnen halen. Bovendien moet voor de tunnelbeheerorganisatie duidelijk zijn hoe om te gaan met
de gegenereerde data;
© kwam de ‘object type libary’ voor de Standaard Tunnel Amsterdam gereed voor gebruik in de
renovatieprojecten en startten we de doorontwikkeling voor gebruik in de beheerfase;
e troffen we voorbereidingen om het onderhoud in de Piet Heintunnel eenvoudiger te maken en
daarmee de beschikbaarheid te vergroten;
e hebben we in de Piet Heintunnel er voor gezorgd dat de IJtram tijdens de renovatie van de tunnel
blijft rijden, en blijven de elektrische installaties ook in de beheerfase ontvlochten, waardoor de
beschikbaarheid ook tijdens toekomstig onderhoud verbetert.
| /
2.2 De voortgang van de projecten en effecten buiten
2.2.1 Voortgang projecten
Deze paragraaf geeft beknopt de voortgang weer op de vier projecten. Een uitgebreidere beschrijving
is te vinden in bijlage 2.
Project Aanpassingen Michiel de Ruijter loopt voor op planning
Het aanbrengen van de hittewerende beplating en beweegbare camera's in de Michiel de Ruijtertunnel
verloopt voorspoedig. Ook in het eerste kwartaal van 2021 is de tunnel elke ochtend tijdig (6:00 uur) en
veilig opengesteld voor verkeer. Omdat het werk voor liep op de planning is besloten dat per 6 februari
nachtafsluitingen in het weekend niet meer nodig zijn. De gewenste uniformiteit en de complexiteit van
het technische raakvlak maakt het zinvol om de uitvoering van een deel van de scope (enkele aanpas-
singen aan de besturing, bediening en bewaking) gelijktijdig uit te voeren met werkzaamheden voor
het project Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam. Waar mogelijk kunnen deze werkzaamheden dan
aansluiten bij bestaande sluitingen voor beheer en onderhoud (eind 2021 en/of in 2022). Dit vergroot
de kans dat de nachtwerkzaamheden eerder kunnen worden afgerond en zo de hinder voor de weg-
gebruiker (en ook overlap met de sluiting van de Piet Heintunnel) eerder wordt beperkt. De verwachting
is dat hierover volgend kwartaal een besluit kan worden genomen.
Project Renovatie Piet Heintunnel goed op koers voor tunnelsluiting 25 juni
Ter voorbereiding op de sluiting van de Piet Heintunnel op 25 juni wordt gewerkt aan de (ombouw van
de) energievoorziening en de logistiek (veilig werken onder coronamaatregelen). Voor deze werkzaam-
heden zijn twee weekendstremmingen van de IJtram (tram 26) gepland, op 24-25 april en 9-12 juli.
Deze beheersmaatregelen uit het derde kwartaal van 2020 om de planning robuuster te maken hebben
nu al effect. De datum voor tunnelsluiting op 25 juni 2021 is hiermee stabiel. Ook andere voorbereidende
werkzaamheden verlopen volgens planning. De omgevingsvergunning is op 5 maart aangevraagd en
de ontwikkeling van de communicatiecampagne (zie ook hoofdstuk 2.2.3) voor bewoners en weg-
gebruikers is vergevorderd.
Uitvoeringsstrategie voor het project Renovatie Amsterdam Arenatunnel vastgesteld
De stadsregisseur heeft in januari 2021 de uitvoeringsstrategie voor de renovatie van de Arenatunnel
vastgesteld. Het renoveren van een tunnel kan op verschillende manieren, zoals het volledig afsluiten,
het buis om buis afsluiten of het alleen afsluiten gedurende de nachten. In overleg met stakeholders
zijn de varianten op verschillende aspecten gewogen. Gezien de ligging in een evenementengebied
enerzijds en de technische uitdagingen anderzijds is besloten om de tunnel gedurende 30 weken volledig
te sluiten. De parkeergarage onder het stadion blijft gedurende de renovatie bereikbaar.
Voorlopig Ontwerp voor het project Vernieuwing Verkeerscentrale gestart
Het ontwerp van de verkeerscentrale bestaat uit twee delen: het ontwerp van het gebouw en het
ontwerp van de functionele systemen die nodig zijn om de tunnels goed te kunnen aansturen. Om te
komen tot een goed voorlopig ontwerp is inbreng van de gebruikers van groot belang. Daarom zijn be-
geleidingsgroepen opgestart, met vertegenwoordigers van de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling
verkeersmanagement. In de begeleidingsgroepen wordt gesproken over de ontwerpkeuzes die nog
gemaakt moeten worden binnen de eerder vastgestelde kaders.
2.2.2 Bereikbaarheid
De werkzaamheden in de Michiel de Ruijtertunnel en de Piet Heintunnel veroorzaken verkeershinder in
de stad. In het kader van bereikbaarheid tijdens de werkzaamheden wordt ingezet op verkeersmanage-
ment, mobiliteitsmanagement en communicatie.
De aanpak bij de Michiel de Ruijtertunnel, waarbij taxi's gebruikmaken van het busplatform, verloopt
goed. Zoals eerder in deze rapportage gemeld verlopen de werkzaamheden in de Michiel de Ruijter-
tunnel dusdanig goed dat niet meer hoeft te worden gewerkt in de nachten van zaterdag en zondag.
Het reguliere overleg met de bewoners van de Nassaukade, over de gebruikte omleidingsroute over de
S100, verloopt constructief. Tegelijkertijd blijven deze bewoners zich zorgen maken over de verkeers-
drukte bij hen voor de deur, niet alleen als gevolg van het project Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel,
maar bijvoorbeeld ook door programma’s als autoluw. De samenwerking met de andere projecten is
intensief, om bewoners zo goed mogelijk van dienst te zijn en eenduidige antwoorden te geven op vragen.
In aanloop naar de sluiting van de Piet Heintunnel proberen wij bij automobilisten te verleiden andere
vervoermiddelen te gebruiken en buiten de spits te reizen. Deze mobiliteitsmaatregelen pakken we
samen op met Amsterdam Bereikbaar. Voorbeelden hiervan zijn een fietsstimuleringscampagne waar
via een app punten worden gespaard voor elke gefietste kilometer en een e-bike probeerpool waar
enkele weken een e-bike kan worden uitgeprobeerd. Met de aanbieders van deelscooters wordt
gesproken om het aanbod af te stemmen op te tunnelsluiting. Zo zetten we in op meer scooters op
IJburg en Zeeburgereiland. Ook wordt het overstappen van de auto op andere modaliteiten gestimuleerd
door, naast P+R Zeeburg en P+R Noord, speciaal voor de afsluiting van de Piet Heintunnel versneld
nabij metrostation Noord een extra P+R terrein te realiseren met enkele honderden parkeerplaatsen:
de P+R Boven ‘t IJ. De kosten hiervan komen voor 50% uit het budget van de mobiliteitsmaategelen
van het project Renovatie Piet Heintunnel.
De reguliere auto-omleidingsroute tijdens de sluiting van de Piet Heintunnel is via de S112 en S116.
Met een bijdrage aan de inzet van stedelijk incidentmanagement wordt gezorgd voor snellere afhandeling
van incidenten op de omleidingsroutes en dus een betere doorstroming. En we zetten digitaal verkeers-
management in om de doorstroming op verwachte drukke routes (zoals de Zeeburgerdijk) te verbeteren.
Zo worden automobilisten via de navigatie van Flitsmeister en Waze ontmoedigd om onder meer de
Zeeburgerdijk of de Middenweg te gebruiken.
Er is gekeken naar de verbinding tussen het Oostelijk Havengebied en Zeeburgereiland/IJburg, wanneer
in de weekenden de IJtram niet kan rijden. In dat geval zal GVB pendelbus 76 inzetten. Met uitzondering
van het gedeelte door de Piet Heintunnel rijdt de GVB pendelbus hetzelfde tracé als de tram en stopt hij
ook bij alle haltes. Omdat de tunnel gesloten is rijdt de bus vanaf de kruising IJburglaan/Zuiderzeeweg
een alternatieve route via de Amsterdamsebrug, Zeeburgerdijk en Panamalaan naar de Piet Heinkade,
om daarna de gebruikelijke route te vervolgen. De extra reistijd over dit tracé bedraagt (zonder op-
onthoud) 5 tot 6 minuten. De communicatie hierover is gestart met onder andere een bijeenkomst op
Zeeburgereiland en IJburg en zal in april volop te zien zijn op onze communicatiekanalen.
We moeten er rekening mee houden dat bewoners, bedrijven en weggebruikers bij een dusdanig
ingrijpende verkeersmaatregel als de afsluiting van de Piet Heintunnel moeten wennen aan de nieuwe
situatie. Ondanks het hierboven beschreven brede aanbod van alternatieve reismogelijkheden en een
intensieve communicatiecampagne weten we van vergelijkbare projecten dat verkeer in de eerste periode
altijd een weg moet zoeken naar een nieuwe balans. Hierdoor is forse hinder onvermijdelijk.
22.3 Tevreden omgeving
Door het werken aan de tunnels of de verkeerscentrale ontstaat hinder voor de omgeving, zoals
bouwhinder, geluidhinder en verkeershinder. Het streven is bij de omgeving van de projecten begrip te
creëren door goede communicatie en informatieverstrekking over de werkzaamheden.
De O-meting van het tevredenheidsmeting die eind 2019 is gedaan, wees uit dat de communicatie
over de Piet Heintunnel nog onvoldoende was. De uitkomsten van de tevredenheidsonderzoeken zijn
inmiddels teruggekoppeld aan de bewoners, net als de maatregelen die we nemen om dit te verbeteren.
Inmiddels is via onze communicatiemiddelen meerdere malen gecommuniceerd over de afsluiting, de
omleidingen en start de grootschalige communicatie hierover in april. Via middelen als de website, be-
wonersbrieven, AT5 Verkeer, Twitter, flyers etc. laten we weten waarom de tunnel dichtgaat en wat de
beste alternatieve routes of alternatieve vervoersmiddelen zijn. Door middel van digitale bijeenkomsten
informeren we vanaf april de bewoners en bedrijven nabij de Piet Heintunnel en in de omgeving van de
omleidingsroutes. Vanwege de vooruit getrokken werkzaamheden van het tunneldak, aan de west-
kant van de tunnel, zijn enkele bezoeken gebracht aan de buurt om de situatie rond de bouwhekken in
relatie tot de toegang van de markt te bekijken en te verbeteren. En is er contact met de naastliggende
school om de werkzaamheden te bespreken in relatie tot de toetsen voor de leerlingen.
Eind maart startte de tweede tevredenheidsmeting voor de Michiel de Ruijtertunnel. In mei vindt een
tweede meting voor de Piet Heintunnel plaats. Inmiddels is het panel voor de onderzoeken gegroeid
tot 100 personen.
De tendens is dat bewoners weinig van zich laten horen voor zowel de werkzaamheden aan de Michiel
de Ruiijtertunnel als voor de komende sluiting van de Piet Heintunnel. Oorzaken kunnen zijn dat de
verwachte overlast nog te lang op zich laat wachten voor de Piet Heintunnel, dat de overlast door de
Michiel de Ruijtertunnel relatief klein is en dat door Covid-19 veel mensen vanuit huis werken waardoor
de urgentie minder groot is om goed betrokken te zijn bij de gevolgen van de renovatie van de tunnels.
2.3 Samenwerking met de strategische partners
Meerdere stakeholders hebben vanuit hun formele positie een directe verantwoordelijkheid voor
of een direct belang bij een betrouwbare beschikbaarheid van de wegtunnels in Amsterdam. In het
programmaplan zijn deze stakeholders benoemd als onze strategische partners:
1. de tunnelbeheerder;
2. de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling Verkeersmanagement van de directie
Verkeer & Openbare Ruimte;
3. de veiligheidsbeambte;
4. de stadsregisseur; en
5. de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
De tunnelbeheerorganisatie is de afgelopen periode versterkt met diverse functionarissen om werk te
maken van de versterkingsopgave en het strategisch plan Beheervisie Wegtunnels. Deze versterking
is voor het programma positief en duidelijk merkbaar. Er wordt op veel onderwerpen samengewerkt,
afgestemd en besluiten genomen, zowel voor de projecten als op programmaniveau. Het programma
blijft daarmee een flink beslag leggen op de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeersmanage-
ment (en daarachter VRI-VIS =VerkeersRegellnstallaties en VerkeersinformatieSystemen), maar met de
extra capaciteit kan daar vooralsnog goed invulling aan gegeven worden.
Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de Piet Heintunnel hebben meerdere voor-
overleggen plaatsgevonden met de Omgevingsdienst, waarin de vergunningsstukken zijn toegelicht.
Eventuele opmerkingen van de Omgevingsdienst konden daardoor meegenomen worden in de
vergunningaanvraag die op 5 maart is ingediend.
Specifiek is gesproken over het feit dat het project Piet Heintunnel een renovatieproject is en de
Handreiking Beheer en Onderhoud Aanpak Stikstof kan toepassen waardoor geen vergunning Wet
Natuurbescherming nodig is. Tegelijkertijd wordt in de handreiking geadviseerd om deze met “gezond
verstand” te gebruiken en ook als de activiteit strikt genomen binnen beheer en onderhoud vallen wel
de effecten van stikstofdepositie te berekenen. De stikstofdepositie ten gevolge van zowel de inzet van
het materieel als het omrijdende verkeer tijdens de sluiting van de Piet Heintunnel leiden volgens de
beschikbare aerius calculator niet tot significant negatieve effecten in de Natura 2000 gebieden
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske.
De samenwerking met de stadsregisseur verloopt voorspoedig. Er wordt samengewerkt op het gebied van
duurzame mobiliteitsmaatregelen. Door de intensieve samenwerking ontstaan er maatregelen die ook
na het weer openstellen van de Piet Heintunnel kunnen bijdragen aan de bereikbaarheid van de stad.
Verder is de uitvoeringsstrategie van de Arenatunnel besproken met en goedgekeurd door de stadsregisseur.
2.4 Tegenspraak
Een van de lessen van de Noord/Zuidlijn is het belang van het organiseren van tegenspraak. Deze les is
ook opgenomen in de Regeling Risicovolle Projecten waaronder het programma Aanpak Wegtunnels
Amsterdam valt. Dit kwartaal is er tegenspraak geweest van het Commissariaat Civiele Constructies.
Ook was er tegenspraak vanuit de Tenderboard Fysiek van het IB en audits die het programma zelf
organiseert. Al deze activiteiten zorgen ervoor dat producten met vanuit verschillende perspectieven
worden bekeken waardoor de kwaliteit ervan verbetert.
24.1 Adviesraad
In het eerste kwartaal van 2021 kon de adviesraad niet samenkomen, dit overleg is verschoven naar
april 2021. Individuele afstemming met de adviesraadsleden over de communicatiestrategie en het
inkoopplan Verkeerscentrale hebben beide documenten aangescherpt.
24.2 Commissariaat Civiele Constructies
Vanuit het Commissariaat Civiele Constructies hebben de heren Vrijling en Bijkerk gesproken met een
vertegenwoordiging van het programmateam over de haalbaarheid van de tunnelsluiting van de Piet
Heintunnel eind juni 2021. De conclusie van het commissariaat is dat de positieve effecten van de
beheersmaatregelen die vorig jaar door het alliantieteam Piet Heintunnel zijn doorgevoerd zichtbaar
zijn en er geen belemmeringen zijn om de tunnel eind juni conform planning te sluiten en de renovatie-
werkzaamheden te starten. Ook is uitgebreid stilgestaan bij het kritieke pad van het project wat vooral
relevant is voor het weer tijdig open kunnen stellen van de tunnel voor het wegverkeer na afronding
van de werkzaamheden. Door beide leden van het commissariaat is geadviseerd hiervoor een aanvullend
beheersplan op te stellen. Het projectteam gaat hiermee aan de slag.
2.4.3 Advies van Tenderboard Fysiek
Het inkoopplan Verkeerscentrale Amsterdam is op 21 januari 2021 behandeld in de Tenderboard Fysiek.
Op 27 januari heeft de Tenderboard een positief advies gegeven op het inkoopplan. Dit betekent
dat er voor alle projecten binnen het programma nu een positief advies ligt op de inkoopplannen.
De tenderboard wordt in het najaar nog geconsulteerd voor de contractdossiers van de projecten
Vernieuwing Verkeerscentrale en Renovatie van de Amsterdam Arenatunnel.
24.4 Uitvoeren van audits
Voor het uitvoeren van audits, reviews en evaluatie voor het programma, is eind 2020 Horvat en Partners
gecontracteerd. In het eerste kwartaal van 2021 heeft Horvat een auditstrategie en een auditplanning
2021 opgesteld en zijn deze in het MT AWA vastgesteld.
In de auditstrategie zijn vijf pijlers opgenomen. De eerste vier (complementariteit, nulmeting, kennis
van de organisatie en (risicovolle) mijlpalen van projecten) vormen de basis voor de auditplanning voor
2021. De laatste pijler (adaptief auditplan) wordt ingevuld door een evaluatie (en eventuele bijstelling)
van het auditplan aan het einde van het tweede kwartaal. De auditplanning voor de eerste twee kwartalen
van 2021 is als volgt:
© ) © ® es:
DE
feb-21 I uitvoering
2 mrt-21 In uitvoering
3
1 mrt-21
5 apr!
6 apr!
7
8
9
10
Het doel van de eerste audit is om vast te stellen of het kwaliteitsmanagementsysteem van het programma
voldoende houvast biedt om de programmadoelstellingen te realiseren. Het doel van de tweede audit
is om vast te stellen of de aanpakken verificatie en validatie ook worden gevolgd door de projectteams.
In deze audit nemen we ook de werking van verificatie & validatie in de Alliantie Piet Heintunnel mee.
12
HOOFDSTUK 3
Programmabeheersing
Het programmaplan Aanpak Wegtunnels Amsterdam is vastgesteld door het College van B&W op
4 juni 2019. Op basis van dit plan wordt in de kwartaalrapportages gerapporteerd over de voortgang.
3.1 Programma Scope
De scope van het gehele programma is gedefinieerd in het programmaplan. Dit geeft de mogelijkheid
om op basis van de VTW-procedure (Verzoek Tot Wijziging) formeel wijzigingen van de programmascope
vast te stellen.
In het eerste kwartaal van dit jaar is de scope van het programma niet gewijzigd.
Wel is het programma gevraagd werkzaamheden voor derden op te pakken. De tunnelbeheerder
heeft gevraagd naar de kosten van werkzaamheden aan de constructie boven het trambaanvak van
de Piet Heintunnel. Daarnaast is door de projectontwikkeling Sluisbuurt gevraagd of er werk met werk
kan worden gemaakt. In het tweede kwartaal van 2021 wordt besloten of deze zaken meegenomen
kunnen worden.
3.2 Masterplanning
De masterplanning omvat de vier uitvoeringsprojecten en de planning van de Operational Concept
Description (OCD). De vigerende Masterplanning is versie 4.0. Deze planning is door het college vast-
gesteld op 2 maart 2021. In onderstaande tabel zijn de mijlpalen voor start en einde van de uitvoering
opgenomen, in de bijlage is per project een meer gedetailleerde planning opgenomen.
UITVOERINGSPROJECTEN EINDE UITVOERING
Vernieuwing Verkeerscentrale 23-11-2023 14-02-2025
Renovatie Piet Heintunnel 25-06-2021 30-09-2022
Renovatie Amsterdam Arenatunnel 20-10-2023 25-07-2024
Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel 30-11-2020 30-08-2021
Ten opzichte van bovenstaande is de verwachting dat de mijlpaal nachtelijke tunnelsluiting bij de
Michiel de Ruijtertunnel in positieve zin gaat schuiven. De werkzaamheden in de Michiel de Ruijtertunnel
voor het aanbrengen van de hittewerende beplating en beweegbare camera's lopen voor op planning.
Zoals eerder aangegeven wordt bekeken of de werkzaamheden met betrekking tot de aanpassingen
van het besturingssysteem (3B) tegelijkertijd kunnen worden uitgevoerd met werkzaamheden voor het
project vernieuwing verkeerscentrale, waardoor de Michiel de Ruijtertunnel eerder dan gepland weer
volledig beschikbaar is voor het wegverkeer.
3.3 Financiële stand van zaken
In totaal is op dit moment circa € 235,9 miljoen aan kredieten beschikbaar voor het programma Aanpak
Wegtunnels Amsterdam. Hiervan is inmiddels circa € 140,4 miljoen verplicht en € 61,4 miljoen betaald.
Het huidige gemiddelde kasritme is ruim 3 miljoen per maand.
Aanpak Wegtunnels Amsterdam - Prognose Einde Werk
HUIDIGE VERSLAGPERIODE VORIGE PERIODE
Q1-2021 Project Gemeent. «Actueel Verplicht … Betaald Nog PEW Saldo PEW PEW
STAVAZA 26-03-2021 Raming Begroting « Krediet / te ver- feb 2021 tov Q4-2020 Mutaties
prijspeil 01-01-2021 Expl. plichten Raming
DEELPROJECT 1 2 3 4 5 6 7J=4+6 B=1-7 9 10=7-9
Programma 46,3 42,7 42,7 17,4 16,3 28,9 46,3 0,0 42,7 3,6
Piet Heintunnel 89,9 101,5 101,5 91,7 34,0 3,8 101,5 -11,6 100,4 1,1
Michiel de Ruijter 14,6 16,4 16,4 10,4 5,9 6,1 16,4 -1,9 16,1 0,4
Arenatunnel 34,7 13,1 13,1 2,5 2,1 32,2 34,7 0,0 34,7 0,0
Verkeerscentrale 59,1 27,3 27,3 12,4 3,1 46,7 59,1 0,0 59,1 0,0
Risico voorzieningen 56,0 34,8 34,8 - - 42,5 42,5 13,5 44,0 1,5
Totaal AWA 300,6 235,9 235,9 140,4 61,4 160,2 300,6 -0,0 297,0 3,6
…: overschrijding en +: onderschrijding
In de eerste kolom van de tabel staan het overkoepelende programma, de afzonderlijke projecten
en de risicovoorzieningen die op programmaniveau worden bewaakt. Onder het overkoepelende
programma vallen de activiteiten die in het kader van de integrale aanpak worden georganiseerd voor
alle tunnels gezamenlijk. Het gaat hier om kosten voor systeemintegratie, integrale veiligheid, contract-
zaken, management en beheersing & control.
De totale kosten van het hele programma worden geraamd op € 300,6 miljoen. Ten opzichte van de
vorige rapportage is de raming en de prognose einde werk verhoogd met de indexering ter grootte
van € 3,6 miljoen, zoals aangevraagd bij de Voorjaarsnota 2021. Deze indexerings-aanvraag is op basis
van nacalculatie tot en met 2020 ( prijspeil 1-1-2021).
Voor de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam zijn
eerder kredieten beschikbaar gesteld voor een deel van de scope van deze projecten. Bij de Voorjaars-
nota 2021 zijn overige investeringsaanvragen ingediend voor de volledige scope. De aangevraagde
middelen voor de volledige scope van de projecten Renovatie Amsterdam Arenatunnel en Vernieuwing
Verkeerscentrale Amsterdam zijn in eerdere rapportages reeds als raming opgenomen.
Van de totale geraamde kosten is inmiddels € 235,9 miljoen in de begroting opgenomen (kolom 2:
Gemeentelijke Begroting). In de tabel is te zien dat alle in de begroting opgenomen middelen reeds
beschikbaar zijn gesteld in de vorm van kredieten of exploitatiemiddelen.
De Prognose Einde Werk (PEW) is ten opzichte van de vorige periode gewijzigd met een bedrag van
€ 3,6 miljoen. Dit betreft twee onderwerpen:
1. De aanvraag van middelen bij de Voorjaarsnota 2021 ter grootte van € 3,6 miljoen voor indexering.
2. De projecten Renovatie Piet Heintunnel en Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel hebben te maken
gehad met extra kosten als gevolg van de COVID 19 maatregelen ter hoogte van respectievelijk 1,1
miljoen euro en 0,4 miljoen euro. Dit betreft de extra kosten tot en met het tweede kwartaal 2021
bij ongewijzigde omstandigheden (standlijn ultimo Q2 2020). Zoals reeds toegelicht in kwartaal-
rapportage Q2 2020 komen alleen kosten voor rekening van Amsterdam als dit is conform het
handelingskader “Coronavirus voor GWW-contracten en aanbestedingen”. Deze kosten komen ten
laste van de risicovoorzieningen op programmaniveau.
Neutrale kredietwijzigingen:
Bij de begrotingen van 2020 en 2021 is ervoor gekozen om een deel van de risicovoorzieningen van
de projecten onder te brengen bij het overkoepelende programma. Op deze wijze worden deze
voorzieningen op programmaniveau beheerst. Als de risicovoorzieningen op programmaniveau voor
een project worden ingezet, wordt een neutrale kredietwijziging voor besluitvorming aan de raad
voorgelegd.
De kosten voor de projecten Renovatie Piet Heintunnel en Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel ten
gevolge van de COVID 19-maatregelen komen ten laste van de risicovoorzieningen op programma-
niveau. In de voordracht bij deze kwartaalrapportage is een beslispunt opgenomen, waar de raad
wordt gevraagd in te stemmen met deze neutrale kredietwijzigingen. In de tabellen in deze rapportage
zijn deze mutaties reeds vooruitlopend op dit besluit verwerkt.
KREDIETWIJZIGINGEN RAMING BEGROTING VORIG KREDIET MUTATIES OP ACTUEEL WAARVAN
KREDIET KREDIET RISICOVOORZ
Programma 102,36 71,58 79,05 -1,48 77,58 34,83
Piet Heintunnel 89,92 101,51 100,39 1,12 101,51 0,00
Michiel de Ruijter 14,55 16,45 16,09 0,36 16,45 0,00
Arenatunnel 34,67 13,07 13,07 0,00 13,07 0,00
Verkeerscentrale 59,07 27,31 27,31 0,00 27,31 0,00
Totaal AWA 300,59 235,92 235,92 0,00 235,92 34,83
Zie verder de factsheets in bijlage 2 voor meer detailinformatie over de afzonderlijke projecten.
3.4 Risicomanagement
De coronacrisis, de COVID 19 maatregelen en de tweede lockdown hebben in het eerste kwartaal
effect gehad, onder meer op de voortgang van het programma. Met name de sluiting van de basis-
scholen zorgde voor uitdagingen bij collega's met kinderen, waarbij in goed overleg is besloten om
werk te herverdelen en te prioriteren. Dit heeft druk gezet op alle projecten. De geplande deadlines
zijn desalniettemin gehaald.
Nu het programma van de denk- in de doefase terechtkomt is nogmaals kritisch gekeken naar de
risico’s op programmaniveau. Hieruit is naar voren gekomen dat met name in het kader van de tweede
doelstelling van het programma, de borging van de integraliteit en uniformiteit tussen de projecten
voortdurend aandacht behoeft. Dit is terug te zien in risico 2 en 3.
In hoofdstuk 2.3.1 is toegelicht dat de samenwerking met de verschillende stakeholders dusdanig goed
is, dat er meer vertrouwen is. Dit maakt dat het risico op vertragingen met betrekking tot vergunningen
aanzienlijk minder is geworden. Om deze reden is dit risico niet meer opgenomen in deze rapportage.
Dekking voor de projecten Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam en Renovatie Amsterdam
Arenatunnel zijn niet tijdig of onvoldoende verwerkt in de begroting van de gemeente, met als
gevolg een continuïteitsrisico (mogelijke vertraging vanwege het ontbreken van krediet).
OORZAKEN EN BEHEERSMAATREGELEN: WIJZIGING T.O.V. Q4-2020
OORZAKEN: De druk op de financiële
1. De projecten Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam en middelen binnen de gemeente
Renovatie Amsterdam Arenatunnel worden gefaseerd opgenomen | is groot. Het risico blijft bestaan
in de gemeentelijke begroting. De masterplanning gaat ervan uit | dat bij de Voorjaarsnota
dat de resterende aanvragen door de gemeenteraad bij de Voor- | 2021/ Begroting 2022 niet
jaarsnota 2021/Begroting 2022 worden goedgekeurd en dat de alle aangevraagde middelen
betreffende kredieten eind 2021 kunnen worden toegekend. kunnen worden toegekend.
Met het toekennen van krediet
BEHEERSMAATREGELEN: in december 2020 is dit risico
1. De aanvragen voor Voorjaarsnota 2021/Begroting 2022 worden kleiner geworden, maar zolang
tijdig ingediend. het definitieve budget niet is
toegekend nog steeds groot.
Doelstelling 2 van het programma (uniformiteit en toekomstbestendigheid) komt in gevaar door:
1. vertraging in de ontwikkeling van de producten die de uniformiteit moeten borgen;
2. druk op de voortgang van de projecten Renovatie Piet Heintunnel,
Aanpassingen Michiel de Ruijtertunnel en Vernieuwing Verkeerscentrale.
OORZAKEN EN BEHEERSMAATREGELEN: WIJZIGING T.O.V. Q4-2020
OORZAKEN: Het project Renovatie Piet
1. De projecten Renovatie Piet Heintunnel en Aanpassingen Michiel | Heintunnel heeft een aantal
de Ruijtertunnel dienen zo spoedig mogelijk te worden uitgevoerd. | ontwerpbesluiten moeten
Het risico bestaat dat de uitgangspunten voor deze projecten nemen waar vanuit het pro-
in een later stadium moeten worden aangepast om invulling gramma nog geen principes
te kunnen geven aan doelstelling 2 (uniformiteit en toekomst- voor bedacht waren. Dat
bestendigheid). maakt dat dit risico deels is
2. De vernieuwde Verkeerscentrale Amsterdam gaat invulling opgetreden. Door het vast-
geven aan de manier waarop de tunnels worden bediend. stellen van de baseline T4
De werkprocessen Verkeerscentrale zijn vastgelegd in de is dit hersteld en is het
Operational Concept Description v2.0. programma weer in control.
Maar dit blijft continu onder
BEHEERSMAATREGELEN: de aandacht.
1. Bij het opstellen van de contracten zijn terugvalopties ingebouwd.
2. Er is vooraf nagedacht over ontwerpuitgangspunten die de uniformiteit
tussen de projecten moet borgen.
De verschillende individuele projecten dienen op zichzelf een integraal geheel te vormen.
Daarnaast dienen alle projecten samen invulling te geven aan een integraal werkend tunnelsysteem.
Zonder aantoonbaarheid van de integraliteit bestaat er een risico dat deze onvoldoende is.
OORZAKEN EN BEHEERSMAATREGELEN: WIJZIGING T.O.V. Q4-2020
OORZAKEN: Binnen de programma-
1. Op programmaniveau zijn er onvoldoende duidelijke afspraken organisatie zijn maatregelen
over hoe en wanneer de integraliteit tussen de projecten aange- genomen om de integraliteit
toond moet wordt. Hier moeten de werkwijzers die binnen de ver- | te borgen. Het samenvoegen
schillende taakvelden opgesteld zijn op elkaar afgestemd worden. | van de taakvelden IO/UI/SI
2. De raakvlakken tussen de verschillende projecten worden niet is hier een voorbeeld van.
expliciet benoemd en beheerst. De implementatie van de
plannen rond raakvlak-
BEHEERSMAATREGELEN: management moet nog
1. De taakvelden Commissioning, Systeem Integratie en Integraal plaatsvinden.
Ontwerp komen met een analyse. Hieruit moet blijken in hoeverre
de werkwijzers nader op elkaar afgestemd moeten worden, zodat
de aantoonbaarheid van de werking van het systeem geborgd
wordt.
2. Opstellen en implementeren van expliciet raakvlakmanagement
binnen en tussen de projecten.
BIJLAGE 1
Afkortingen en definities
ting definit
AAT Amsterdam Arenatunnel
ATS Amsterdamse Tunnel Standaard
3B Besturing, Bediening en Bewaking
CCB Configuration Control Board
COB Centrum Ondergronds Bouwen
DMC Dienst Middelen en Control
IBA directie Ingenieursbureau Amsterdam
KES Klant Eis Specificatie
MET directie Metro en Tram
MRT Michiel de Ruijtertunnel
OCD Operational Concept Description
OD NZKG Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
OTL Objecttypebibliotheek
OTO Opleiden, Trainen en Oefenen
PHT Piet Heintunnel
ROVK Raamovereenkomst
SDT Spaarndammertunnel
SSK Standaardsystematiek voor Kostenraming
TN Transmissienetwerk
UPP Uniforme Primaire Processen
V&OR directie Verkeer en Openbare Ruimte
VBP Concept-Veiligheidsbeheerplan
VCA Verkeercentrale Amsterdam
VTW Verzoek tot Wijziging
VRI Verkeersregelinstallatie
O ®& Warvw Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels
if IJT IJ-tunnel
18
Voor de vier projecten binnen het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam is
in de bijlage een factsheet toegevoegd.
P
Pd
2 - u |
ik 7 el Be ij E
f Ee te Jen I= am Ste,
an dak oe adden aa is TEE | In
H k s ze | FE ene Dee …Re LI
ij Elaa r if teem
HEE EE INNEN EN Ki
EE ld IK ' RE
7 Bes sn ge el ll et nl Fi, 5
1 Ld == E Fi Ed lan te En NE Es =
he es
Verkeerscentrale Amsterdam
Ci lie | _ d- EREEEL el ed Sa) eg a Ee | 5 EN
Ed PD re SE tid
« M NE: OLED LELLLLEL _n K dt ed
Ï Û f sd dns menninnnandnn J ij a
8 Ü En 5 EN en kj sE 9 Ë
E rn en 4 : ï ” mn en Pi 0 é Í
en ee | mn e= ij
neme | 3 — 3 + - EN i
ES Er De DN
2 | == _
7 En asen de |
ek:
Amsterdam Arenatunnel
Ei
1 F7, —
fn ge L | 4 Ü
ae ade REN
2E pe | Ted AN mn if Je Al i LE nm
nem B hate oe MA E tE et
TT Tak Ko ER EN ENE Ir nt | St VE re el Ap ie
eN _IJ RE A orc A DN IE Ik il dl | | Ne Tad
an hl Bie ee an ee ed erin, Ef A EE el ij ii: il En 6 Pe ï el REA il
LL | AE | iT a Ef ei TE | Verg Te SEE, É 1 k
mm En Pim erde ien tn hm ar tene
Er jeej ee eng Vers ET de IEEE U Et Ee el lin
TL af tarn leed lei An :
u u p 5 - it 1 k EN
5 ‚ Pela | u
Def enkle N bi Ga : BSS Os
5, ie mm Ke en el
en Ee 5 EB ier | ì ne Vin EN |
an mm _ an = E — lm ge mn en zn nf ve B n = en ° ü L
eb Oh | | [ |
EE ee
ne EE
ent ee
ne
ee
en nennen en
eneen
Vernieuwing Verkeerscentrale
Toelichting Management
In het testcentrum PoC-VCA, aan de Verlengde Van Marwijk Kooystraat 1, zijn in het eerste kwartaal alle
gebouwgebonden installaties, de nutsvoorzieningen en de beveiliging van het gebouw gerealiseerd.
Volgens planning zal het testcentrum eind april bouwkundig opgeleverd worden, voor eind april zal de
buitenruimte (direct rond het testcentrum) ook ingericht zijn en kunnen de werkzaamheden met be-
trekking tot het inrichting van het testcentrum starten. In nauwe samenwerking met de opdrachtnemer
worden nu de opleverdossiers opgesteld. Het contractbeheerplan wordt aangepast voor de beheerfa-
se.
Voor het ontwerp van de vernieuwde verkeerscentrale werd er al van uitgegaan dat deze geplaatst zou
kunnen worden op de Verlengde Van Marwijk Kooystraat, het LCM-terrein. Door de directies van GVB
en Verkeer & Openbare Ruimte is nu ook ingestemd met deze keuze. Hiermee is vertraging als gevolg
van het niet hebben van een bouwlocatie voorkomen. Het doel voor dit jaar is ervoor te zorgen dat aan
het eind van het jaar een ontwerp gereed is waarop een uitvoeringsbesluit genomen kan worden.
Voor de te doorlopen ontwerptrajecten zijn met de tunnelbeheerorganisatie en de afdeling verkeers-
management begeleidingsgroepen gestart waarin zowel voor huisvesting als voor bedieningssystemen
(“functionele systemen”) de afstemming plaats vindt over ontwerpkeuzes binnen de kaders.
Scope
In de scope hebben er ten opzichte van de vorige kwartaalrapportages geen wijzigingen plaatsgevonden.
Geld
Voor project Vernieuwing Verkeerscentrale Amsterdam is door de raad circa € 31,8 miljoen aan middelen
beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van het testcentrum PoC-VCA en voor de voorbereidingen
voor het project. Hiervan betreft € 4,5 miljoen risicovoorzieningen, die gealloceerd is op het niveau van
het overkoepelende programma. De resterende aanvraag voor de volledige scope is onderdeel van de
Voorjaarsnota 2021.
Samenwerking
De samenwerking tussen het projectteam vernieuwing VCA en de diverse stakeholders verloopt goed.
De samenwerking met de tunnelbeheerorganisatie en verkeersmanagement is reeds eerder toegelicht.
Het contact met GVB, THOR en Waternet over het samenwerkingsmogelijkheden bij de ontwikkeling
® ® a: van het vastgoed verloopt voorspoedig, finale uitkomsten worden begin tweede kwartaal 2021 verwacht.
HI |
Tijd
DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH
Mijl- Stuur- A met A met P50 P85
paal mijlpaal SMP vorige huidige | huidige
nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 |Q (wk) | Toelichting Q Q
VERKEERSCENTRALE AMSTERDAM
Start Project LEE
2_| Projectbesluit 07-02-20 07-0220 \___0\07-0220\ 0
2b_|Voorkeursbesluit 02-07-20 02-07-20 \__0 02-07-20
3 | Uitvoeringsbesluit 11-11-21 | 02-12-21 11-11-21 02-12-21 (20-01-22
4 22-11-22 30-06-22 15-08-22 25-07-22 03-10-22
5 23-11-23 01-11-22 15-02-23 06-12-22 14-02-23
6 [Ingebruikname 14-02-25 | 11-01-24 -57 | 23-05-24 -19 op target 11-03-24 | 28-05-24
vernieuwde VCA
7_| Ingebruikname renovatie | 14-02-26 | 12-06-25 -35 | 20-10-25 -19 | op target 11-08-25 28-10-25
Dijksgracht
8 | Acceptatie en overdracht | 20-05-26 15-09-25 22-01-26 -18 | op target 13-11-25 | 30-01-26
9 | Einde project 17-08-26 | 11-12-25 21-04-26 op target 10-02-26 | 29-04-26
Belangrijkste risico's
In de vorige kwartaalrapportage was het risico opgenomen dat er geen gestructureerde aanpak mogelijk
is door onduidelijkheden in de scope. Hoewel dit risico nog niet volledig is weggenomen is er wel veel
meer duidelijkheid gekomen. En waar die nog ontbreekt, is er wel zicht op concretisering.
LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN
4 De uitgewerkte scope- De scope van het project heeft De technische raakvlakken zijn vanuit het
onderdelen vormen samen veel raakvlakken met andere programma in beeld gebracht. Nu dient
geen integraal geheel waar- | projecten in het programma en een | deze verder uitgewerkt te worden zodat
door de Verkeerscentrale gedeelte van de scope wordt ge- de raakvlakken ook vanuit andere aspecten
niet (goed) gaat functioneren. | realiseerd in het project Renovatie geïnventariseerd en beheerst worden in
Piet Heintunnel. een regulier proces.
2 Onzekerheid in de uitkomst | Er moet vastgesteld worden of De GAP-analyse is afgerond in eerste
van de GAP-analyse over het « alle tunnels vanuit de vernieuwde concept, de rapportage volgen in het
koppelvlak met de Michiel verkeerscentrale te bedienen zijn, en tweede kwartaal.
de Ruijtertunnel, IJtunnel, zo niet welke aanpassingen gedaan
Spaarndammertunnel en moeten worden om dit alsnog
Verkeersmanagement. mogelijk te maken.
3 Het Uitvoeringsbesluit kan Er staat veel druk op de (ontwerp) 1. Er is een gedetailleerde productplanning
niet tijdig genomen worden | planning. gemaakt.
omdat de kwaliteit of tijdig- 2. Optimalisatie van de fasering van
heid van de documenten ontwerp en kostencalculatie.
onvoldoende is, met als
gevolg een forse vertraging.
Dl
-
P 4 Li
Pl | r Bn med P j
d Pd
e an Ar me
hf sn 7
dk ae | ä PL tk |
© | rl oe = Pe Ï ; Hi
| hk Aen IE n |
Hú Ï i | ME NN âe ai! Ô
OREERT
EEEN SUN } ER /
" TTE de Rj
Rn rm |
Ed der Kian, |
Ks Ed E
Toelichting Management
In het eerste kwartaal is het definitieve ontwerp afgerond. Daarbij is het reviewcommentaar van het
programmateam en de tunnelbeheerorganisatie in belangrijke mate verwerkt. De resterende review-
commentaren zijn onderdeel van de uitgangspunten voor het uitvoeringsontwerp. In maart 2021 is
de KES voor de uitwerking van de nieuwe systemen (3B) van de integrale bedienketen vastgesteld in
overleg met het project Vernieuwing Verkeerscentrale en het programmateam. Hiermee is de scope
voor het uitvoeringsontwerp stabiel.
Zoals in paragraaf 24.3 is toegelicht heeft een afvaardiging van het Commissariaat Civiele Constructies
gesproken over de start tunnelsluiting. De beheersmaatregelen die het derde kwartaal van 2020 zit
ingezet om de planning robuuster te maken, hebben effect. De datum voor tunnelsluiting op 25 juni 2021
is stabiel. Belangrijke werkzaamheden voor de (ombouw van de) energievoorziening en de logistiek
(veilig werken onder coronamaatregelen) liggen op schema. Voor deze werkzaamheden is van de
Omgevingsdienst deelvergunning verkregen (waarbij overigens een deel van het werk vergunningvrij
is). Daarnaast is op 5 maart 2021 de hoofdaanvraag omgevingsvergunning ingediend. Het verkeer
op de noordelijke omleidingsroute via de S116 (Nieuwe Leeuwarderweg) zorgt voor een beperkte,
tijdelijke toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Aangezien het project voldoet aan
de Handreiking van het ministerie LNV is er geen vergunning Wet Natuurbescherming nodig.
Op het raakvlak IJtram vinden de eerste werkzaamheden plaats tijdens een weekendstremming van 24-
25 april 2021. Een tweede weekendstremming is voorzien van 9-12 juli 2021 waarin de ombouw van de
energievoorziening plaatsvindt.
De scope van het project is stabiel en om de uitvoering zo soepel mogelijk te laten verlopen wordt
ingezet op zo min mogelijk wijzigingen. Wel wordt gekeken of wensen van de projectontwikkeling
Sluisbuurt en de tunnelbeheerorganisatie nog meegenomen kunnen worden onder het principe
“werk met werk maken”. Een besluit hierover is voorzien in het tweede kwartaal van 2021.
In totaal is in de gemeentelijke begroting voor de renovatie van de Piet Heintunnel circa € 116 miljoen
aan middelen beschikbaar. Hiervan was een bedrag groot € 25,9 miljoen aan risicovoorzieningen op
het niveau van het overkoepelende programma gealloceerd. Inmiddels is (inclusief de voorstellen in
@ deze voortgangsrapportage) voor € 11,6 miljoen aanspraak op deze risicovoorzieningen gemaakt.
/ v
Samenwerking
Het contact met de tunnelbeheerorganisatie verloopt goed. In het eerste kwartaal van 2021 is de
inhoudelijke en procesmatige betrokkenheid tijdens de verder projectfasen geconcretiseerd.
Met de Omgevingsdienst vindt constructief vooroverleg plaats bij het aanvragen van vergunningen.
Voor de mobiliteitsmaatregelen zijn concrete stappen in de samenwerking binnen de stad met het pro-
gramma deelmobiliteit en de dienst Parkeren vertaald in definitieve afspraken en financiële bijdragen.
De al lopende samenwerking met Amsterdam Bereikbaar en de Stadsregisseur is goed. De afstemming
met betrekking tot de mobiliteitscampagne met de stad heeft recent geleid tot gelijkschakeling van de
uitingen. Voor de verdere uitwerking wordt de afstemming geïntensiveerd.
Tijd
DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH
Mijl- Stuur- A met A met P50 P85
paal mijlpaal SMP vorige huidige huidige
nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 \ Q (wk) Toelichting Q Q
ae Ln
1 020718 |0207-18 0020718 Oafgerond - |
2_\Projectbesluit 28-09-18 |28-09-18 0 28-09-18 Olafgerond __-— |
NT TE nn
4 31-03-20 \06-03-20 4060320 O afgerond _- |
6 | Openstelling 30-09-22 \ 23-09-22 15-08-22 6 mtb ntb
7_\Acceptatie en overdracht | 30-12-22 | 23-12-22 11-11-22 Ob ntb ntb
&_\ Einde project 03-04-23 | 27-03-23 13-0223 6 ntb \ntb
Belangrijkste risico's
LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN
1 Extra kosten en versnellings- | Vertraging in aanlevering van 1. Hoofdlijnenplanning van de Alliantie
maatregelen nodig om het benodigde informatie vanuit is begin april 2021 verstrekt.
werk binnen de beoogde stakeholders of op het raakvlak 2. Afstemming met stakeholders over
15 maanden te voltooien. met de Verkeerscentrale (vanuit benodigde informatie en capaciteit
het testcentrum PoC-VCA). 3. Afstemming met project Verkeerscentrale
2 __ Ontwerpproducten (soft- Geen duidelijke afspraken met 1. Vraagt meer capaciteit om planning
ware) niet tijdig (conform ketenpartners over hun aandeel in te mitigeren.
planning) op juiste niveau het ontwerpproces tijdens DO/UO 2. Strategisch beheersplan opstellen en
gereed. - Rol programma en andere stake- voortgang monitoren en bijsturen.
holders niet duidelijk tijdens verdere
uitwerking. Reviews verlopen niet
binnen geplande vensters
3 Uitloop werkzaamheden 1. Ingeplande werkzaamheden 1. Binnen het programma en met de
op het kritieke pad zodanig kosten meer tijd dan voor- tunnelbeheerorganisatie afspraken maken
dat deadline openstelling zien (complexe implementatie over in te zetten resources en daarbij te
overschreden gaat worden. programmakaders, beperkte hanteren prioritering
resources) 2. Toets uitvoeren op nieuwe hoofdlijnen-
2. Planning is niet volledig planning planning of planning robuust is
3. Onvoorziene tegenvallers in voor doorlooptijd vanaf tunnelsluiting
uitvoering en de sturing daar op met beheersplan.
4. Optreden van diverse benoemde Resultaten gebruiken om planning
risico's op het kritieke pad robuuster te maken.
3. Sturing op beheersing van risico's op
het kritieke pad door middel van een
beheersplan.
ne te Ed
ON ommen, Al a.
— el STI RE pe
En) as | | ij | KE OS HO, =S gl # == . zi AS 3 A IS met
Lj Ie en EE eem ie mn rel «. _
TL “ [ Lee el ng per, e= Leng hij rg nen ee ensen ITA
Nt : ET ER En ee rel - ad = en E zl 7 TL
ek on LA 8 Andel 75 Eis
ii EV anju $ nRa Berri nn ten
aen at PE Fi ö RPT ER
” ad lande | ANN |
he
Ea Ö pn e _ ï an sE
Renovatie Amsterdam Arenatunnel
Toelichting Management
Op basis van de Nota van Uitgangspunten wordt het voorlopig ontwerp uitgewerkt. Voor een aantal
wezenlijke keuzes in het ontwerp is in het laatste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021
een scenario-analyse uitgevoerd. Hieruit kunnen nog punten voor de definitieve scope van het project
voortkomen. Naar verwachting wordt hierover in april 2021 overeenstemming bereikt, zodat de
systeemdefinitie vastgesteld kan worden.
Verder zijn in het afgelopen kwartaal gesprekken gevoerd over de inkoop van de software voor de
besturing, bediening en bewaking van de tunnel. De contractering van de software is voorzien in het
tweede kwartaal van 2021. Voor dit scopeonderdeel en de uitwerking van het definitief ontwerp is in
de begroting van 2021 budget toegekend. Voor het resterende deel van het project is bij Voorjaarsnota
2021 een aanvraag gedaan.
Scope
Het voorzieningenniveau is vastgelegd in de Nota van Uitgangspunten en bestaat uit het vervangen
van de tunneltechnische installaties, het plaatsen van afsluitbomen en het aanbrengen van brand-
werende beplating. Zoals hierboven aangegeven wordt het voorzieningenniveau verder uitgewerkt
en beschouwd in het ontwerpproces en de scenario-analyse.
Geld
Voor project Renovatie Amsterdam Arenatunnel is tot nu toe door de raad € 21,5 miljoen aan krediet
beschikbaar gesteld voor de voorbereiding van het project en de realisatie van de systemen voor de
bediening, besturing en bewaking. Hiervan betreft € 8,4 miljoen risicovoorzieningen, die gealloceerd
zijn op het niveau van het overkoepelende programma. Bij de Voorjaarsnota 2021 is een aanvullende
investeringsaanvraag van € 21,6 miljoen gedaan voor de volledige scope van het project. De totale
raming van de projectuitgaven bedragen daarmee € 43,1 miljoen.
Samenwerking
De uitvoeringsstrategie is vastgesteld door de stadsregisseur. De tunnel zal gedurende 30 weken
volledig dicht gaan. De afweging is vastgelegd en wordt ondersteund met verschillende verkeerskundige
onderzoeken. In het traject om te komen tot de uitvoeringsstrategie zijn verschillende stakeholders be-
trokken, zoals de Johan Cruijff ArenA, ondernemersorganisaties Evofenedex en Transport en Logistiek
Nederland. Verder zijn met de andere stakeholders gesprekken gevoerd om de wensen tijdens en na
® de renovatie in kaart te brengen. De komende tijd horen de stakeholders of hun wensen gehonoreerd
gen kunnen worden.
Û Hú 2Á
Tijd
De masterplanning is aangepast op de bestaande budgettaire kaders. Dit leidt tot de volgende planning.
DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH
Mijl- Stuur- A met A met P50 P85
paal mijlpaal SMP vorige huidige | huidige
nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 |Q (wk) | Toelichting Q Q
AMSTERDAM ARENATUNNEL
1 01-07-19 |01-07-19 | 0010719 | Oefgerond | |
2_| Projectbesluit 07-02-20 |07-02-20_0\07-0220\__Olafgerond |
2b_|voorkeursbesluit 02-07-20 \02-07-20 |__0 02-07-20 |__nvt afgerond |
3 | Uitvoeringsbesluit 11-11-21 (11-11-21 0 11-11-21 __ Oloptarget 11-11-21 (06-01-21
4 161022161022 | 0 1610-22\ O\optarget _ |3011-22 (03-01-23
5 20-10-23 20-10-23 0201023 O\optarget _ |06-12-23 09-01-24
6 | Volledige vrijgave 25-07-24 | 02-04-24 -16 | 25-07-24 -16 | op target 06-06-24 | 29-07-24
7 _|Acceptatie en overdracht | 24-10-24 | 03-07-24 24-10-24 -16 | op target 06-09-24 | 28-10-24
8 | Einde project 23-01-25 | 02-10-24 23-01-25 -16 op target 13-12-24 | 7-2-2025
Belangrijkste risico's
LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN
4 Conflict over het (veilig- 1. Omdat de tunnel niet onder de 1. Eenduidige onderbouwing maken
heids)voorzieningenniveau Wet aanvullende regels veiligheid van het gekozen voorzieningenniveau.
met stakeholders naar wegtunnels valt, ontbreekt een 2. Verslaglegging van vergaderingen
aanleiding van de opgestelde hard toetsingskader. en vastlegging van afspraken.
integrale veiligheidsbe- 2. Door doorlopende discussies 3. Parallelliseren van ontwerpwerkzaam-
schouwing en het minimale over het voorzieningenniveau kan heden.
(veiligheids)-voorzieningen- de scope voor het ontwerp niet
niveau met gevolgen voor vastgesteld worden.
het ontwerptraject.
2 |De contracten voor de 3. Doordat voor uniformiteit binnen | 1. Gelijktijdig ontwikkelen van de contracten
bediening bewaking en het programma wordt gekozen zodat ze op elkaar afgestemd zijn.
besturing (3B) enerzijds en is voor het 3B deel leveranciers- | 2. Inbouwen van een verantwoordelijkheid
voor de overige scope afhankelijkheid ontstaan. tot afstemming in het contract.
(Alliantie) anderzijds sluiten Dit resulteert in twee contracten. | 3. Inbouwen flexibiliteit in het 3B contract
niet goed op elkaar aan. 4. Van een dergelijke constructie (op regie), zodat werkzaamheden ook op
is beperkte kennis beschikbaar. een later moment passend te maken zijn.
4, Ophalen van kennis over een dergelijke
contractuele constructie bij Rijkswaterstaat.
3 Standaard programma- 1. De Arenatunnel is een specifieke | 1. Waar nodig extra capaciteit inzetten.
principes zijn niet geschikt tunnel waarop bepaalde pro- 2. Doelmatig proces inrichten voor het
of te laat beschikbaar voor grammaprincipes niet toe te afleiden en specifiek maken van eisen
de Arenatunnel, met beno- passen zijn. en ontwerpoplossingen.
digde ontwerpaanpassingen | 2. De programmaprincipes worden | 3. Parallelliseren van uitwerking systeem-
en vertraging in het ontwerp opgesteld vanuit het oogpunt ontwerp (SO) en voorlopig ontwerp (VO).
tot gevolg. van de PHT, het uniformeren van
deze principes voor het programma
kost meer tijd dan verwacht.
in :
en
e El | d ii ee EE
ä td k mach an rien iks
ES EEL
ad = el eng re EE eeh Ean
En op Bn ee re ia Ee ï In:
Ee le wrtinmms : en _ E Er: nn Ee ee en ’ Mg Er
=: re -
- EN A hm
pn GN
WR , mi. _ Di 4 Ë z
an KJ pe ka en ir
es ni, u s pe : f N
rs Ù zi Ï ì
Ee Pe Wer 4 np |
a P e \ Ë Be
Toelichting Management
Sinds 30 november voert ENGIE Infra & Mobility in nauw overleg met de tunnelbeheerorganisatie,
de onderhoudsaannemer £VO en het programma Aanpak Wegtunnels Amsterdam, iedere nacht
werkzaamheden uit in de Michiel de Ruijtertunnel. De tunnel wordt om 22:00 uur gesloten voor het
wegverkeer om de tunnelbuizen te voorzien van hittewerende beplating en beweegbare camera's.
In de ochtenden wordt de tunnel dagelijks uiterlijk om 6:00 uur weer opengesteld voor het wegverkeer.
De uitvoering verliep ook in het eerste kwartaal van 2021 goed, gecontroleerd en volgens planning en
de tunnel is zonder uitzondering dagelijks tijdig en veilig opengesteld. In verband met het voorspoedige
verloop van de werkzaamheden is besloten om de tunnel niet meer te sluiten tijdens de weekendnach-
ten en weggebruikers niet meer hoeven om te rijden. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de werk-
zaamheden eerder kunnen worden afgerond (om ook de overlap in de planning met de sluiting van de
Piet Heintunnel te verkleinen).
De resterende scope-onderdelen (aanpassingen aan de software voor de besturing, bediening en be-
waking) zijn samengebracht in een tweede contract. Vanwege de gewenste uniformiteit en technische
raakvlakken vindt de uitwerking en realisatie hiervan plaats in nauwe samenhang met het programma-
team en het projectteam voor de vernieuwing van de verkeerscentrale. Op dit moment wordt gekeken
of het mogelijk is om de software te testen tijdens een tunnelsluiting voor beheer en onderhoud.
De verwachting is dat dit enkele weekendsluitingen betreft in 2021 en 2022.
Er zijn geen wijzigingen in de scope.
Voor het project Aanpassingen Michiel de Ruiijjtertunnel is in totaal circa € 20,2 miljoen aan middelen
beschikbaar. Circa € 5,6 miljoen hiervan is gealloceerd als risicovoorzieningen op het niveau van het
overkoepelende programma. Inmiddels is voor € 1,9 miljoen aanspraak op deze risicovoorzieningen
gemaakt.
De samenwerking tussen de tunnelbeheerorganisatie, de onderhoudsaannemer (AVO), het project-
team en de opdrachtnemer (ENGIE Infra & Mobility) verloopt constructief. Ook de communicatie bij
het dagelijks afsluiten en openstellen van de tunnel verloopt goed. Men weet elkaar goed te vinden
en er is goed overleg over en weer.
Tijd
In de onderstaande tabel is de planning opgenomen waarbij reeds wordt voorgesorteerd op de eerder
genoemde benodigde verschuiving van 3B naar 2022, hierdoor loopt mijlpaal 7 achter op planning.
Tegelijkertijd zijn de werkzaamheden voor de hittewerende bekleding eerder afgerond en is de tunnel eerder
beschikbaar in de nachten.
DETERMINISTISCH PROBABILISTISCH
Mijl- Stuur- A met A met P50 P85
paal mijlpaal SMP vorige huidige | huidige
nr. Omschrijving MP4.0 Stand Q1 | (wk) Stand Q4 |Q (wk) | Toelichting Q Q
MICHIEL DE RUIJTERTUNNEL
1 07-0219 |07-02-19 0 07-0219 | Olafgerond | |
2 | projectbesluit El NN
3_|uitvoeringsbesluit 28-11-19 (28-11-19 |___0 28-11-19 | __ Olafgerond | |
4 _| Contractering 31-03-20 31-03-20 | __ 0| 31-03-20 0
5 | Start Uitvoering 30-11-20 30-11-20 | ____0| 30-11-20 0
6 [Volledige vrijgave 30-08-21 | 09-07-21 -7 | 06-08-21 voor op target |21-07-21 | 06-08-21
hittewerende bekleding
7 _|Volledige vrijgave incl. 3B | 30-08-21 | 19-07-22 46 | 28-03-22 16 | achter op target | 12-09-22 | 17-10-22
8 | Acceptatie en overdracht | 30-11-21 | 17-08-22 37 | 04-07-22 6 | achter op target | 20-10-22 01-12-22
9 | Einde project 21-2-22 18-01-23 20-09-22 17 | achter op target | 14-03-23 | 19-04-23
Belangrijkste risico's
LA ONGEWENSTE GEBEURTENIS OORZAKEN BEHEERSMAATREGELEN
4 De installaties kunnen na het | 1. Afspraken of procedures zijn 1. Dagelijkse instructie en maandelijkse
uitvoeren van de nachtelijke onvoldoende bekend bij de toolboxen voorafgaand aan de uitvoering.
werkzaamheden niet aan- uitvoerders. 2. Wekelijkse stand-up met tunnelbeheer-
toonbaar werkend worden 2. Taken en verantwoordelijkheden organisatie om het werk door te spreken.
gekregen voor een tijdige zijn onvoldoende afgestemd met | 3. Er is een audit uitgevoerd op het draai-
openstelling. Hierdoor kan betrokkenen. boek, waaruit blijkt dat de werkzaam-
de tunnel niet of later open. | 3. Er is in de gedetailleerde uit- heden vooralsnog volgens plan en
werking van de uitvoering toch planning worden uitgevoerd. Kleine
een belangrijk issue over het verbeteringen worden doorgevoerd
hoofd gezien, waardoor werk- in de uitvoering.
zaamheden onverwachts anders
lopen.
2 De huidige omleidingsroute | 1. ‘Omleiding op omleiding’: 1. Kwalitatieve analyse heeft aangetoond
(S100) blijkt ontoereikend en het project Singelgracht-garage dat de omleidingsroute het extra verkeer
leidt tot hinder voor de stad. wordt gelijktijdig uitgevoerd aan kan. Er wordt extra gemonitord
tijdens realisatiefase, met een tijdens uitvoering.
omleiding via de S10o. 2. Er worden “smiley-borden” geplaatst
2. Het verkeer op de omleidings- op de Nassaukade i.v.m. klachten van
route veroorzaakt overlast bij bewoners over snelrijders.
de bewoners.
3 Scope van aanpassingen aan | 1. In verband met raakvlakken 1. Vroegtijdig (en voorafgaand aan op-
de besturing en bediening binnen het programma wordt er drachtverleningen) afspraken maken
van de tunnel blijft in scope toegevoegd om de Michiel met het programma over de te
beweging. de Ruijtertunnel beter te laten realiseren scope.
aansluiten op de rest. 2. Tussentijdse herijking van de scope
2. Vanuit de tunnelbeheerorganisatie besturing en bediening van de tunnel
komen extra wensen die mogelijk waarbij de ontwikkelingen van de ver-
een plek krijgen in het project. nieuwde verkeerscentrale en het project
Piet Heintunnel worden meegewogen.
|
Onderzoeksrapport
| 27
|
test
|
> Gemeente Raadsinformatiebrief
Amsterdam
Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam
Datum 21 november 2023
Portefeuille(s) Volkshuisvesting
Portefeuillehouder(s): Zita Pels
Behandeld door Directie Wonen (bestuurszaken.wonen@amsterdam.nl)
Onderwerp Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap
Geachte leden van de gemeenteraad,
Met deze brief informeert het college u over het volgende:
Het recht op wonen staat sterk onder druk. Er is een grote schaarste aan woningen, terwijl
Amsterdam als woon- en vestigingsstad onverminderd populair blijft. Deze oververhitting zorgt
ook voor steeds meer misstanden bij de verhuur van woningen. Denk daarbij onder meer aan
discriminatie, intimidatie en het oneigenlijk gebruik van servicekosten. Om deze ongewenste
praktijken op de woningmarkt tegen te gaan is op 1 juli 2023 de Wet goed verhuurderschap
(hierna: de Wet) in werking getreden. Deze wet bevat landelijke algemene regels die een norm
stellen voor goed verhuurderschap waar verhuurders en verhuurbemiddelaars naar moeten
handelen. Op deze manier worden huurders beter beschermd. Het college van burgemeester en
wethouders is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op de Wet goed
verhuurderschap. Het college heeft de intentie om strikt te handhaven op overtreding van de Wet.
Uit het oogpunt van rechtszekerheid en transparantie voor zowel de verhuurder als de huurder
heeft het college ervoor gekozen om een boetebeleid vast te stellen. In deze brief licht het college
het handhavings- en boetebeleid toe.
Handhaving via escalatieladder
De Wet goed verhuurderschap schrijft voor dat in het kader van de handhaving een zogenoemde
escalatieladder wordt toegepast. Daarmee wordt niet alleen ingezet op straffen, maar ook op het
stimuleren van naleving en het voorkomen van overtredingen. Het college geeft daar in haar
handhavingsbeleid als volgt vitvoering aan:
i.__Waar mogelijk zal eerst een gesprek worden gevoerd met de overtreder, tenzij de ernst of
spoed ten aanzien van de overtreding zich daartegen verzet;
ii. In iedergeval zal, alvorens wordt overgegaan tot oplegging van een bestuurlijke boete, een
last onder dwangsom worden opgelegd. De overtreder wordt dan gedwongen binnen een
termijn de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden, anders volgt er een
dwangsom;
ii. Mocht de last onder dwangsom nog steeds niet leiden tot gedragsaanpassing en de
verhuurder gaat opnieuw in overtreding dan wordt overgegaan tot oplegging van een
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 21 november 2023
Pagina 2 van 4
bestuurlijke boete. Het kan voorkomen dat een verhuurder of verhuurbemiddelaar vanwege een
herhaalde overtreding dan een dwangsom én een bestuurlijke boete moet betalen.
Kortom, wanneer wordt overgegaan tot boeteoplegging is de overtreder dus al eerder via een
gesprek en vervolgens via een last onder dwangsom op zijn onrechtmatige gedrag gewezen.
Uitgangspunten boetebeleid
Waar de Huisvestingswet zich focust op de schaarste en de leefbaarheid, daar richt de Wet goed
verhuurderschap zich op de bescherming van de huurder. De Wet moet de sterk ongelijke positie
van de huurder ten opzichte van de verhuurder nivelleren. Het college schat de overtreder van de
normen van goed verhuurderschap daarbij in als een doorgaans professionelere partij dan
personen die aan bijvoorbeeld toeristische verhuur doen en overtreding van de Wet hen daardoor
ook zwaarder valt aan te rekenen. Desalniettemin wordt gelet op de escalatieladder dus niet direct
een boete opgelegd, maar volgt eerst een gesprek en/of een last onder dwangsom.
Bijgaande ‘Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap’ voorziet in een boetebeleid bij
de verschillende overtredingen op de Wet. De boetenormbedragen in deze beleidsregel zijn
anders dan die vanuit de Huisvestingsverordening. Het betreft dan ook twee losstaande regimes
waarbij qua boetebepaling ook een andere grondslag geldt. Het juridische verschil in regimes
komt verderop in deze brief aan bod. Om boetebedragen binnen de G4 op elkaar aan te laten
sluiten is het boetebeleid van Den Haag als basis genomen welke Den Haag reeds in haar
verhuurverordening had opgenomen. Ook de boetebedragen in het boetebeleid van de gemeente
Utrecht komen hiermee overeen. Tot slot zijn ook, hoewel dus voortvloeiend vit een ander regime,
de eerdere kritiekpunten vanuit de rechtsspraak op de boetehoogtes op grond van onze
Huisvestingsverordening meegewogen door meer differentiatie toe te passen in het beleid.
Hoogte boetenormbedragen
Omdat niet iedere opzichzelfstaande verplichting een even erge schending van de normen van
goed verhuurderschap oplevert zijn de boetenormbedragen per overtreding gedifferentieerd,
waarbij de ernst van de betreffende overtreding in de eerste plaats de hoogte van het
boetenormbedrag bepaalt. Zo hebben sommige overtredingen in beginsel vitsluitend een
administratief karakter. Het gaat dan om overtredingen behorende tot de
informatieverstrekkingsplicht, zoals het niet verstrekken van de contactgegevens over het
gemeentelijk meldpunt aan de huurder. Deze administratieve overtredingen kwalificeert het
college als minder erge overtredingen, waar ook een relatief laag boetenormbedrag aan wordt
gekoppeld. Bij een aantal administratieve overtredingen is de relatie met financieel gewin echter
dusdanig groot dat we voor deze overtredingen (toch) kiezen voor een verhoogd
boetenormbedrag. Denk daarbij aan overtredingen als het niet leveren van de kostenspecificatie
bij servicekosten, die naar hun aard slechts administratief lijken, maar desondanks in de praktijk
huurders financieel zwaar kunnen duperen. Ook voor het vragen van een te hoge waarborgsom
geldt eenzelfde boetenormbedrag. Het college wil daar hard tegen optreden. Tot slot kwalificeert
het college discriminatie, intimidatie en het doelbewust te veel vragen van servicekosten als de
meest erge —en bovendien ook de meest ingewikkelde — overtredingen binnen deze Wet. Deze
worden om die reden dan ook bestraft met het hoogste boetenormbedrag.
Naast de differentiatie naar de ernst van de overtreding kan er in het uiteindelijke boetebedrag
nog gedifferentieerd worden naar de mate van verwijtbaarheid. Hiermee wordt aansluiting
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 21 november 2023
Pagina 3 van 4
gezocht bij een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin zij
aangeeft dat er in een boetebeleid voldoende onderscheid moet worden gemaakt naar de mate
van verwijtbaarheid van de overtreder ten aanzien van een overtreding.* De Afdeling gaat daarbij
uit van vier maten van verwijtbaarheid, namelijk verminderde verwijtbaar, normale
verwijtbaarheid, grove schuld en opzet. Bij het bepalen van de mate van verwijtbaarheid kunnen
dan in ieder geval de volgende omstandigheden meewegen:
a. eerdere interventies of overtredingen;
b. andere overtredingen in de controleperiode;
c. het behaald voordeel met de overtreding;
d. de impact/duur van de overtreding; en
e. of de overtreding op eigen initiatief is beëindigd.
Verder wordt nog onderscheid gemaakt tussen bedrijfsmatig handelen (een verhuurder met
meerdere woningen of een verhuurbemiddelaar) en niet-bedrijfsmatig handelen. Reden om in de
boetenormbedragen onderscheid te maken tussen bedrijfsmatig en niet-bedrijfsmatig is dat van
iemand die bedrijfsmatig handelt ook meer verwacht mag worden. Hoewel de regels voor elke
verhuurder gelden en elke verhuurder deze in beginsel ook behoort te kennen, zien we voor
diegenen die bedrijfsmatig handelen een extra verantwoordelijkheidsplicht.
Buiten de genoemde differentiatiemogelijkheden zijn er ten slotte nog twee aspecten die invloed
hebben op het viteindelijke boetebedrag. Zo levert recidive binnen een tijdvak van vier jaar na
oplegging van de eerste boete een verdubbeling van het boetenormbedrag op. Daarentegen kan
een geringe financiële draagkracht van de overtreder juist weer meegenomen worden om het
boetebedrag (verder) te verlagen.
Verschil met boetes Huisvestingsverordening
De juridische grondslag voor bijgaande beleidsregel (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet
bestuursrecht) is een andere dan die voor het boetebeleid in de Huisvestingsverordening (artikel
5:46, derde lid, Algemene wet bestuursrecht). In het kader van de Wet goed verhuurderschap laat
de landelijke wetgever het aan het college om zelf afwegingen te maken in de hoogte van de
boete. In het kader van de Huisvestingsverordening bepaalt de lokale wetgever, namelijk de
gemeenteraad, de boetebedragen. Juridisch gezien kan het college de boete dan alleen nog
matigen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens
bijzondere omstandigheden, zoals geringe financiële draagkracht, te hoog is.
Met dit boetebeleid verwacht het college enerzijds voldoende afschrikwekkende werking te
bieden gelet op de bescherming van de huurderspositie en de betaalbaarheid van de woning
(doelen 2 en 6 van de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting), maar anderzijds ook voldoende
maatwerk te kunnen bieden in het boetebedrag naar gelang de omstandigheden van de
overtreding en de overtreder. Voor een uitgebreidere toelichting van het boetebeleid wordt
* https://www.raadvanstate.nl/®132031/standaardboete-wet-arbeid-vreemdelingen/
ECLI:NL:RVS:2022:1973
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 21 november 2023
Pagina 4 van 4
verwezen naar de beleidstoelichting in bijgaande Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed
verhuurderschap.
Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
OCAS
Zita Pels
Wethouder Volkshuisvesting
Bijlagen
1. Beleidsregel bestuurlijke boetes Goed verhuurderschap
2. Boetebeleid Wet goed verhuurderschap Den Haag
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
|
Brief
| 4
|
train
|
27:02-2013 |
Naam: |
Adres: ee |
Postcode: | ” |
Betreft: bezwaar tegen exorbitante verhoging binnenhavengeld Amsterdam 2013
Beste gemeenteraad,
Op maandag 25 februari 2013 heb ik van Waternet de brlef ontvangen met de mededeling
dat het vaarseizoen weer van start gaat. Om af te: magen meren moet ook dit jaar weer
binnenhavengeld worden betaald, De kosten van het vignet kon:ik echter niet-geloven. Tot |
mijn grote verbazing en schrik heeft de gemeente Amsterdam: besloten een exorbitante |
verhoging van: 100% door te voeren. De extra-Inkomsten zouden ten gunste. komen van de |
algemene begroting van Amsterdam. |
Ek schrijf u deze brief omdat Ik-de gemeenteraad wil verzoeken dit besluit te heroverwegen |
en te. kiezen voor een reële verhoging van het binnenhavengeld. Indien hier geen steun
voor is en vast wordt gehouden aan-een buitensporige verhoging aanzienlijk verhoging dit
in ieder geval geleidelijk in te voeren en hier duidelijk en vroegtijdig over te informeren. |
Ik heb-een houten boot en heb jaarlijks aanzienlijke kosten om mijn boot goed te |
onderhouden. Met deze exorbitante verhoging van het binnenhavengeld Is voor mij -
plezlervaart In Amsterdam niet meer mogelijk. De verhoging van het binnenhavengeld zal
voor vele Amsterdammers pleziervaart onmogelijk maken. Het vaarseizoen zal dus voor
veel mensen nlet van start gaan. In een stad als Amsterdam is het van groot belang dat er |
rulmte is voor inwoners om te kunnen recreëren. Naast de parken speelt het water hierin |
een cruciale rol-en dit wordt veel mensen met deze verfioging ontnomen. Ik wil-daarom de. |
gemeenteraad vragen de exorbitante verhoging te-heroverwegert en te kiezen voor een |
reële verhoging van het binnenhavengeld. |
Het is mij:geheel onduidelijk waarom Waternet niet-eerder over de. buitensporige |
verhoging het binnenhavengeld heeft gecommuniceerd richting de bootelgenaren in
Amsterdam, Graag verneem ik waarom hiertoe Is besloten. Met deze verhoging: wordt ik |
indirect-gedwongen:tot verkoop van mijf\ boot. Het Is echter niet reël dat ik mijn boot |
verkocht krijg voordat de controle-òp:het-bezit van een vignet van start gaat, oftewel Ik ben. 5
verplicht om het binnenhavengeld voor 2013 te betalen. Dit is wat rij betreft niet |
behoorlijk. Ik wil-dan ook pleiten voor uitstel van deze-verhoging en verzoek de |
gemeenteraad te besluiten tot een geleidelijke reële verhoging van het binnenhavengeld.
Tot slot wil ik aanmerken dat-inmiddels een païkeervergunning in Amsterdam goedkoper is |
dan een Ilgplâats voor een boot. Is de-boot de nieuwe melkkoe voorde . ‘ |
gemeentebegreting? Dit lijkt me toch niet weriselijk en onnodig. Bostuursdienst Amsterdam} |
Directie : | |
a akrsnhtina tan nr van sli Datumin:[-3- Gat) |
Im afwachting van: uw reactie. Reg ar, zonk „ | ij
: Clas. nr: de i |
Met vriendelijke groet, | Beh DCT 4
À nome |
Acht 5 ter Kenmsriame |
ON ja len erteger heh, |
US AN | :
| ni Fo
Lj ;
LRZ
Sem dd |
Î
Ì
|
Raadsadres
| 1
|
test
|
Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg
Stelsel in groet
ERS & RA 5 Gy |
EENS )
WAR N/ / |
walen Ke
mf AE
Sj kij G 4e e 5 i .
pe
Belbens :
Andersson Elffers Felix
Maliebaan 16 +31 30 236 30 30 Kamer van Koophandel
Postbus 85198 mail@aef.nl 30096560
3508 AD Utrecht www.aef.nl
Datum
15 december 2020
Opdrachtgever
Ministerie van VWS, BZK, Financiën en JenV, en de VNG
Onderzoeksteam
Aukje Hilderink, projectleider, a.hilderink@aef.nl
Irene Niessen, eindverantwoordelijk partner
Annemiek de Nooijer
Carmen van Schoubroeck
Djoeke Schoonenberg
Gillian Lustermans
Carlijn van Helmond
Lieke Groen
Vivian Hemmelder
Thijs van den Broek
Ruben Jansen
Foto voorblad
Patricia Rehe / Hollandse Hoogte
Referentie
GV572/eindrapportage
Andersson Elffers Felix
Inhoud
Stelsel in groei
1 Inleiding: de achtergrond van het onderzoek 4
2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel 7
3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume 12
4 Heteffect van preventie en vroegsignalering 17
5 Andere uitgangspunten van de Jeugdwet 22
6 Sturingsmogelijkheden binnen de Jeugdwet 27
7 Mogelijkheden voor het Rijk 32
8 Conclusies en adviezen 35
Bijlagen 44
A Onderzoeksverantwoording 45
B Analyse van kosten, budget en volume 69
C Analysekader boeggolf 97
D Het effect van preventie en vroegsignalering 112
E Resultaten per maatregel 130
GV572 3
Andersson Elffers Felix
1 Inleiding: de achtergrond van het
onderzoek
De verantwoordelijkheid voor jeugdzorg is sinds 2015 gedecentraliseerd naar gemeenten
Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp, jeugdbescherming en
jeugdreclassering. Een van de gedachten achter de decentralisatie was dat gemeenten deze
jeugdzorg beter en efficiënter zouden kunnen organiseren, omdat zij dichter bij de jongeren
en hun gezinnen staan en daardoor eerder en effectiever voor de juiste zorg zouden kunnen
zorgen. Daardoor zou duurdere, meer gespecialiseerde zorg op termijn voorkomen kunnen
worden.
De afgelopen jaren is er veel discussie over het budget voor de Jeugdwet
Direct na de decentralisatie leken de kosten nog stabiel te blijven, maar daarna leken ze
eerder toe te nemen dan te dalen. Gemeenten hebben mede hierdoor in de afgelopen jaren te
maken gekregen met tekorten. Het Rijk heeft daarop extra geld toegezegd; eerst voor de
gemeenten met de grootste tekorten op de nieuwe taken jeugd en Wmo via het Fonds
Tekortgemeenten, en later in een extra financiële bijdrage voor jeugd voor alle gemeenten
(400 miljoen euro voor 2019, en 300 miljoen euro per jaar van 2020 tot en met 2022).
Er is behoefte aan meerjarige zekerheid over het benodigde budget
Eerdere onderzoeken! hebben inzicht gegeven in de ontwikkeling van het jeugdhulpgebruik
sinds de decentralisatie. Op basis van die onderzoeken was het echter nog niet mogelijk om
een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe het gebruik en de kosten zich in de
komende jaren zullen ontwikkelen: is de stijging in kosten en volume structureel, of is er
sprake van een boeggolf-effect? Ook was onvoldoende helder of de Jeugdwet op dit moment
doelmatig en doeltreffend wordt uitgevoerd. Daarom was niet duidelijk of er structureel extra
middelen nodig waren. Om zowel gemeenten als het Rijk meerjarige zekerheid te geven over
het jeugdhulpbudget is dit onderzoek uitgezet.
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Rijk en VNG
Het onderzoek is uitgevoerd onder gedeeld opdrachtgeverschap van de ministeries van VWS,
BZK, Financiën en JenV, en de VNG, Voor het onderzoek zijn een begeleidingsgroep en een
stuurgroep samengesteld. Belangrijke keuzes en aannames zijn steeds besproken in de
begeleidings- en stuurgroep. In de begeleidingsgroep zaten naast de opdrachtgevers ook
enkele leden namens de branches gespecialiseerde zorg voor jeugd (BGZ) en enkele
1 Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten, Significant, 2019;
Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019;
Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020.
GV572 4
Andersson Elffers Felix
individuele gemeenten. In de stuurgroep hadden vertegenwoordigers op directeurenniveau
van de opdrachtgevers zitting.
Het onderzoek is uitgevoerd door onderzoeks- en adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF)
in samenwerking met het Verwey-Jonker Instituut, Het eindrapport is onder
verantwoordelijkheid van AEF tot stand gekomen. Voor het onderzoek hebben we een breed
team samengesteld met onderzoekers en adviseurs met kennis van zowel het jeugdstelsel (en
knelpunten daarbinnen) als gemeentefinanciën, en brede ervaring met verschillende
onderzoeksmethoden. Het Verwey-Jonker Instituut is betrokken om aanvullende kennis op te
doen over de kwalitatieve effecten van de onderzochte maatregelen.
Centrale vraag in het onderzoek is welk budget structureel nodig is bij een doelmatige en
doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet
In dit onderzoek stond de vraag centraal of er structureel extra middelen nodig zijn om de
Jeugdwet doelmatig en doeltreffend uit te voeren, en welke maatregelen er genomen kunnen
worden om de kosten te verminderen. Het onderzoek was daarmee bedoeld als solide basis
voor het gesprek over de middelen die structureel nodig zijn voor jeugdhulp?
Om dit doel te bereiken zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:
1. Hoeveel budget hebben gemeenten structureel nodig voor een doelmatige en
doeltreffende uitvoering van de huidige Jeugdwet, binnen de context van de
transformatiedoelen van de Jeugdwet?
2. Welke (budgettaire) maatregelen kunnen worden genomen om te bereiken dat
gemeenten de Jeugdwet doelmatig en doeltreffend uitvoeren?
3. Gegeven de uitkomst van vraag 1), zijn er structureel extra middelen nodig ten
opzichte van het huidige budget, en zo ja in welke mate, gegeven een doelmatige en
doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet?
4. Welke aanpassingen in de Jeugdwet/jeugdstelsel kunnen bijdragen aan een
beperking van de uitgaven vanuit de Jeugdwet?
In het onderzoek is de huidige uitvoering van de Jeugdwet als vertrekpunt genomen, en
zijn mogelijkheden onderzocht om de kosten te verlagen
In het onderzoek is het huidige kostenniveau van gemeenten als uitgangspunt genomen. Met
diverse onderzoeksmethoden is vervolgens bekeken in hoeverre de kosten verlaagd zouden
kunnen worden door maatregelen om doelmatiger te werken, of door aanpassingen aan de
Jeugdwet.
In overleg met de begeleidings- en stuurgroep hebben we daarbij de volgende scope
gehanteerd:
— Het doel van het onderzoek is het budget te bepalen dat gemeenten nodig hebben voor
een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet. Dat betekent dat
maatregelen uitvoerbaar moeten zijn voor gemeenten. Maatregelen die onvoldoende
geoperationaliseerd konden worden of voor gemeenten geen sturingsmogelijkheden
? Het gaat daarbij in dit onderzoek specifiek om het macro-budget, en niet om de verdeling
daarvan over gemeenten. Ook lopende discussies over de financieringssystematiek in
brede zin, bijvoorbeeld de trap-op-trap-af systematiek, het accres en opschalingskorting
vallen niet binnen het bereik van dit onderzoek.
GV572 5
Andersson Elffers Felix
bevatten, zijn daarom niet meegenomen. Ook maatregelen die naar verwachting niet
gekwantificeerd zouden kunnen worden zijn niet meegenomen.”
— In het onderzoek is uitgegaan van mogelijkheden binnen de huidige interpretatie van de
Jeugdwet. Hoewel we wel gekeken hebben naar specifieke potentiële wetswijzigingen, is
niet onderzocht wat het effect zou zijn als de huidige uitgangspunten van de Jeugdwet
zouden worden losgelaten.
— Binnen dit onderzoek kijken we specifiek naar interventies en effecten op kosten binnen
het kader van de Jeugdwet. We beseffen ons dat we de werkelijkheid daarmee sterk
versimpelen; inzet in andere wettelijke kaders kan immers invloed hebben op kosten van
jeugdzorg, en andersom. Als deze relaties er zijn, beschrijven we ze wel kwalitatief,
— Bij de start van dit onderzoek brak de coronacrisis uit. De effecten hiervan op jeugdhulp-
gebruik zijn niet meegenomen. Er waren ten tijde van het onderzoek alleen gegevens uit
2019 beschikbaar (vóór de coronacrisis) en er was nog onvoldoende bekend over de
effecten van de coronacrisis. Op basis van de cijfers over jeugdhulpgebruik in de eerste
helft van 2020 lijkt het jeugdhulpvolume verminderd te zijn,* maar het is nog niet duidelijk
wat dit op langere termijn betekent.
In bijlage A Onderzoeksverantwoording staat in detail toegelicht hoe het onderzoek is
uitgevoerd, en welke keuzes hieraan ten grondslag liggen.
In dit rapport beschrijven we de resultaten in de context van de uitgangspunten van de
Jeugdwet
We hebben een groot aantal aspecten van de (uitvoering van) de Jeugdwet onderzocht om tot
een gedegen onderbouwing te komen. Het resultaat is een omvangrijk onderzoek, met een
groot aantal details. Voor de leesbaarheid van deze rapportage hebben we geprobeerd deze
hoofdtekst zo beknopt mogelijk te houden. De onderbouwing van de hoofdlijnen is te vinden
in de bijlagen.
We gaan in dit rapport eerst in op de beleidsdoelen en uitgangspunten van de Jeugdwet
(hoofdstuk 2). Vervolgens bespreken we in hoofdstuk 3 de ontwikkeling van de kosten in de
laatste vijf jaar, en duiden we die aan de hand van ontwikkelingen in het volume. Daarna gaan
we nader in op de aanname dat deze kosten na verloop van tijd zouden moeten dalen door
inzet van preventie en vroegsignalering (een effect dat ook wel de “boeggolf” wordt
genoemd). We staan ook stil bij de andere uitgangspunten bij de Jeugdwet en de invloed die
deze hebben op het kostenniveau (hoofdstuk 4 en 5).
Vervolgens maken we in hoofdstuk 6 de stap naar de mogelijkheden die gemeenten hebben
om kosten te verlagen binnen de bestaande wettelijke kaders, door de Jeugdwet doelmatiger
uit te voeren. In hoofdstuk 7 kijken we naar mogelijke aanpassingen aan de wettelijke kaders
om het budgettaire beslag van de Jeugdwet te verlagen. Tot slot staan we stil bij de
conclusies uit het onderzoek, en de adviezen op basis van de conclusies.
> Daarmee is overigens niet gezegd dat deze niet effectief kunnen zijn; wel dat ze binnen de
context van dit onderzoek geen bruikbare resultaten opleveren.
< https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/44 fruim-1-op-de-12-jongeren-ontvangt-jeugdzorg-
in-eerste-helft-2020.
GV572 6
Andersson Elffers Felix
2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel
Met het grootste deel van de Nederlandse jeugd gaat het goed
Over het algemeen gaat het goed met de Nederlandse jeugd. Zo prijkt Nederland al bovenaan
de ranglijst voor het welzijn van kinderen sinds het eerste onderzoek hiernaar in 2007.” Deze
eerste plaats is vooral te danken aan het mentale welzijn: 90% van de vijftienjarigen is
tevreden met zijn of haar leven.®
Voor kinderen en jongeren waar het niet goed mee gaat, is er jeugdzorg
Niet met alle kinderen gaat het vanzelf goed. Zo zijn er kinderen met een beperking, kinderen
met GGZ-problematiek, en gezinnen waarin problemen zijn met opvoeden en opgroeien. Voor
deze kinderen is er jeugdzorg. Om te zorgen dat ze kunnen meedoen aan de maatschappij,
dat ze kunnen herstellen van mentale problemen, en dat ze veilig kunnen opgroeien.
De bedoeling van de Jeugdwet van 2015 was om betere jeugdzorg te bieden voor minder
kosten
In de afgelopen decennia is er regelmatig discussie geweest over de jeugdzorg en is op
verschillende manieren geprobeerd om de jeugdzorg te verbeteren. Het beeld was dat dit
werd bemoeilijkt doordat de jeugdzorg versnipperd was over drie verschillende wettelijke
stelsels, terwijl preventie bij gemeenten was ondergebracht. Tegelijkertijd namen de kosten
tussen 2000 en 2010 toe, wat vragen opriep over de mate waarin de juiste kinderen bereikt
werden.
Naar aanleiding van de gesignaleerde problemen werd besloten om de jeugdzorg naar
gemeenten te decentraliseren. Gemeenten werden verantwoordelijk voor een breed palet
aan jeugdzorg, met de bedoeling om op een nieuwe manier te gaan werken. Deze nieuwe
werkwijze zou naast een toename van de kwaliteit ook tot een kostenbesparing moeten
leiden; daarom hebben Rijk en gemeenten afgesproken om vanaf de decentralisatie in 2015 in
drie jaar tijd oplopend 450 miljoen euro te bezuinigen op het jeugdzorgbudget. Naast deze
algemene taakstelling zijn ook enkele specifieke kortingen toegepast op het budget.”
5 Worlds of influence, Understanding what shapes child well-being in rich countries, Unicef,
2020; Child well-being in rich countries, A comparative overview, Unicef, 2013; Child
poverty in perspective: An overview of child well-being in rich countries, Unicef, 2017.
$ Worlds of influence, Understanding what shapes child well-being in rich countries, Unicef,
2020.
1 Het betrof bijvoorbeeld de korting op begeleiding, persoonlijke verzorging en PGB’s, zie
bijvoorbeeld Macrobudget Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015,
Algemene Rekenkamer, 2014.
GV572 T
Andersson Elffers Felix
2.1 De doelen van de Jeugdwet
In deze paragraaf gaan we in op de doelen van de Jeugdwet, Om deze beter invoelbaar te
maken, hebben we in deze paragraaf ook de ervaringsverhalen van Kim? opgenomen. Kim is
een jongere die veel ervaring heeft met jeugdhulp, zowel voor als na de decentralisatie, Zij
heeft in eigen woorden en aan de hand van haar eigen historie beschreven waarom zij de
doelen belangrijk vindt. De woorden van Kim staan als illustraties bij de tekst,
De Jeugdwet gaat meer uit van preventie en de eigen kracht van gezinnen
Een van de problemen in de jeugdzorg was dat gezinnen het gevoel hadden dat zij werden
‘overgenomen’ door jeugdzorgmedewerkers waarvan de werkwijze niet aansloot bij het
gezin. De jeugdhulp was daardoor vaak minder effectief dan mogelijk. In de nieuwe Jeugdwet
stond aansluiten bij de eigen mogelijkheden en het eigen netwerk van het gezin daarom
centraal. Door meer uit te gaan van de eigen kracht van het gezin zou Jeugdhulp effectiever
kunnen worden, en zou het ook mogelijk worden om sneller af te schalen.
Aansluitend op de nadruk op eigen kracht werd er veel nadruk gelegd op preventie. Door
gezinnen te versterken vóór problemen optreden, zou de eigen kracht immers beter benut
kunnen worden, en problemen voorkomen kunnen worden.
“Preventie is een van de belangrijkste dingen. Vroeg bij een probleem zijn, signalen
herkennen van psychische problematiek of problemen in de thuisomgeving van een kind.
Het kind de kans geven om er zelf aan te werken en zelf er verantwoordelijkheid in te
nemen en ervoor te zorgen dat het niet ‘gek’ of ‘raar’ is. Het zou veel schelen als er een
vroege herkenning is en het kind samen met de ouders hieraan kan werken bij
organisaties in de buurt, die samen met hun en hun netwerk zoeken naar mogelijkheden.
Op die manier kan er worden gezorgd voor preventie van ernstige problematiek, vroege
herkenning en erkenning van problematiek en een snelle oplossing. Als de eerste mensen
hierdoor al kunnen worden opgevangen, vermindert dit de wachttijden in de
zorgorganisaties.”
Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp
Zowel het inzetten op eigen kracht als het inzetten op preventie zouden volgens de
beleidstheorie tot lagere kosten voor jeugdzorg moeten leiden, omdat het jeugdhulptrajecten
korter maakt of zelfs voorkomt.
Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren zijn belangrijke doelen
Als één van de oorzaken van het toenemende jeugdhulpgebruik werd de medicalisering van
de samenleving genoemd. De indruk bestond dat zaken steeds sneller als probleem ervaren
werden, en dat steeds eerder naar oplossingen in professionele hulpverlening gekeken werd.
Een uitgangspunt van de Jeugdwet was daarom dat het van belang was om het algemene
opvoedkundige klimaat te versterken, en meer de nadruk te leggen op welke gedragingen tot
normale aspecten van opvoeden en opgroeien horen.
8 Kim heet in werkelijkheid anders en heeft haar pseudoniem zelf gekozen.
GV572 8
Andersson Elffers Felix
“Het herkennen van signalen is een heel belangrijk onderdeel, waar meer aandacht aan
besteed moet worden. Toen ik 10 jaar oud was heb ik een kuchje ontwikkeld, dagenlang
kuchte ik. Hieruit kwam geen medische oorzaak. Dit is wel een signaal wat zou kunnen
aangeven dat er iets aan de hand is. Daarnaast is het wegnemen van de zorgen van
zowel het kind als de ouders een belangrijk punt. Dit kan door meer begrip te tonen, de
ouders en het kind zich op gemak te laten voelen en laten merken dat zij ook hun inbreng
mogen geven. Daarnaast is het goed uitleggen aan zowel ouder als kind een belangrijk
punt. Ook het normaal maken dat mensen soms ‘anders’ zijn zal in het voordeel werken
bij herkenning, erkenning en de omgang met elkaar.”
Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp
Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren zouden volgens de beleidstheorie tot lagere
kosten moeten leiden voor jeugdhulp. Als meer gedrag binnen de bandbreedte valt van wat
‘normaal’ gevonden wordt, leidt dit immers tot minder jeugdhulptrajecten.
Er ligt meer nadruk op vroegsignalering
Uit de casuïstiek van geëscaleerde situaties bleek dat vaak te lang gewacht was met het
inzetten van (de juiste) hulp. Vaak hadden professionals het gevoel dat veel problemen
voorkomen hadden kunnen worden als eerder hulp geboden was. Doordat dit niet gebeurde,
verergerde de problematiek, en liepen ook de kosten op. Een doel van de Jeugdwet was dan
ook om problemen vroeger te signaleren en hierop te handelen, om zo ernstiger problemen te
voorkomen.
“Hoe eerder de juiste hulp komt, hoe beter het is voor het verhelpen van het probleem. Op
het moment dat anorexia bij mij was vastgesteld, werd ik van de een op de andere dag uit
een depressiegroep (via de crisisdienst) gehaald en op de wachtlijst bij een
eetstoorniskliniek gezet. Het wachten op een behandeling duurde zo lang dat mijn
gewicht zo erg was gedaald dat ik in een rolstoel terecht ben gekomen, mijn ruggengraat
ieder moment door mijn vel heen zou komen, mijn ongesteldheid uitbleef en ik meer dood
dan levend was. Helaas is het niet bij deze ene keer gebleven en ben ik van wachtlijst naar
wachtlijst gegaan. Sommige langer dan 2 jaar. Toen ik eindelijk ergens terechtkwam was
ik ‘te complex’ waarna ik werd weggestuurd en weer op een wachtlijst kon.”
Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp
De beleidstheorie van de Jeugdwet heeft als uitgangspunt dat het vroeger bieden van hulp
ernstige problemen voorkomt, en daarmee zware jeugdhulptrajecten. Als dat effect optreedt,
zorgt het daarmee ook voor een afname van de kosten.
De Jeugdwet beoogt integrale hulp met ‘één gezin, één plan, één regisseur’
Zeker bij complexe trajecten bleek dat er vaak sprake was van een groot aantal hulpverleners
die aan verschillende — niet altijd samenhangende - doelen werkten. Daardoor sloot
geleverde hulp niet altijd op elkaar aan, werd dubbel werk gedaan en gaven hulpverleners
soms zelfs tegenstrijdige adviezen.
GV572 9
Andersson Elffers Felix
Met de decentralisatie van de Jeugdwet werden daarom de budgetten binnen jeugd ontschot:
budgetten die voorheen in drie verschillende wetten, vier verschillende financieringsstromen
en vier lagen aan uitvoeringsorganisaties belegd waren, kwamen als één budget onder regie
van de gemeente. Daarnaast heeft de gemeente ook andere taken in het sociaal domein,
waardoor ook op die vlakken meer aansluiting gezocht kon worden.
“Instanties kunnen heel veel bieden, veel therapie geven, veel tips meegeven en het
goede voorbeeld geven, maar zolang er thuis niets verandert, helpt dit allemaal niet.
Tijdens mijn zware depressie wilde de crisisdienst mij opnemen. Mijn ouders waren hier
erg op tegen en begonnen met 24/7 bewaking/mantelzorg. Helaas kwam er maar één
keer per week thuishulp, dit is veel te weinig in vergelijking met de hoeveelheid zorg die
mijn ouders moesten regelen, waarmee zij geen enkele ervaring hadden. Later hebben
wij aangegeven graag familietherapie te willen, om elkaar beter te begrijpen. In het
begin was ik niet stabiel genoeg. Vijf jaar na de aanvraag en drie instanties later kreeg ik
de vraag of ik het nog steeds wilde want het was doorgegeven. Ik ben ondertussen het
huis uiten het is niet meer nodig. Maar als het gelijk was gegeven hadden wij veel sneller
onderling begrip kunnen hebben en met elkaar op één lijn kunnen zitten.”
Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp
Een doel van de Jeugdwet was om jeugdhulp door meer integraal te werken efficiënter en
effectiever te maken, en daarmee ook een kostenbesparing te bewerkstelligen.
Een uitgangspunt is dat professionals meer ruimte hebben om de juiste hulp te bieden
Het laatste knelpunt dat de Jeugdwet wilde oplossen, is dat professionals veel last hadden
van regeldruk, en weinig ruimte voelden om de juiste hulp te bieden. Daardoor werd de
geboden hulp meer gedicteerd door regels en richtlijnen dan door het inzicht van de
professional over wat er in een bepaalde situatie nodig was. Een van de doelen van de
Jeugdwet was om professionals meer ruimte te geven voor een eigen professionele afweging.
“Helaas is het zo dat de professionals een groot deel van hun tijd doorbrengen met het
maken van verslagen en het regelen van passende therapieën die ‘toegestaan’ zijn.
Doordat dit zo’n groot deel van hun dagen inneemt, is er minder tijd om langere één op
één gesprekken te voeren, te kijken naar opties die bij de persoon passen in plaats van bij
het lijstje dat ze mogen aanbieden en het inschakelen van hulp in de buurt. Het is zelfs zo
erg dat er op dit moment soms voor een ‘makkelijke’ weg wordt gekozen. Ik heb
meegemaakt dat als ik een bepaalde therapie wilde doen ik vanaf die dag de diagnose
borderline zou hebben. Geen onderzoeken waren nodig, geen andere opties. Als ik het
wilde had ik vanaf die dag borderline. Het is veel belangrijker dat er wordt gekeken naar
de behoefte van de persoon dan naar de behoefte van de mensen die betalen en het
maken van verslagen.”
Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp
GV572 10
Andersson Elffers Felix
Met meer ruimte om eigen afwegingen te maken zouden professionals passender hulp
kunnen bieden en ook beter in staat moeten zijn om de eigen kracht van het gezin te
benutten. Hiermee zou de jeugdhulp effectiever worden, terwijl onnodige hulp geschrapt kan
worden, en de kosten verlaagd worden.
Er zijn stappen gezet richting de inhoudelijke doelen van de Jeugdwet, maar de praktijk
is weerbarstig
De inhoudelijke doelen van de Jeugdwet zoals bovenstaand beschreven, waren ambitieus. In
de eerste evaluatie van de Jeugdwet in 2018° werd geconcludeerd dat de transformatiedoelen
grotendeels nog vorm moesten krijgen. Er waren voorbeelden waarbij stappen gezet werden
in de richting van de transformatiedoelen, maar de oorspronkelijke doelstellingen waren
zeker nog niet behaald.
In de jaren daarna is vanuit de ministeries van VWS en JenV samen met het veld geprobeerd
de transformatie te versnellen middels het actieprogramma Zorg voor de Jeugd, met als doel
“de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering merkbaar en meetbaar steeds beter
te maken voor kinderen, jongeren en gezinnen, zodat ze op tijd passende hulp ontvangen.
Daarom gaan we kinderen, jongeren en gezinnen beter ondersteunen tijdens de levensloop van
het kind (thuis, uitwonend, op school en bij 18 jaar) én gaan we investeren in het vakmanschap
van jeugdprofessionals.”® In de voortgangsrapportages van het programma wordt benoemd
dat er wel stappen worden gezet, maar ook dat er nog stappen te zetten zijn, en dat de
gevraagde beweging “complex en taai” is!
De financiële doelen van de Jeugdwet zijn niet bereikt
Naast de inhoudelijke doelen bevatte de Jeugdwet ook een daaruit resulterend financieel
doel: het verminderen van de kosten door doelmatiger en doeltreffender te werken.
In de afgelopen jaren hebben steeds meer gemeenten zich gemeld met financiële problemen
en aangegeven beperkt grip te hebben op de kosten in het sociaal domein. * Daarbij worden
specifiek de jeugdhulpkosten benoemd als grootste zorgenkind. In het volgende hoofdstuk
gaan we dieper in op de kwantitatieve ontwikkeling van de jeugdzorg.
° Eerste evaluatie Jeugdwet, ZomMW, 2018.
1 Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, VWS, 2018.
H Tweede voortgangsrapportage Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, 2020.
2 Rapportages Visitatiecommissie Financiële Beheersbaarheid Sociaal Domein, 2019 en
2020.
GV572 11
Andersson Elffers Felix
3 Ontwikkeling van kosten, budget en
volume
De kosten zijn gestegen van 3,6 miljard euro in 2015 tot 5,4 - 5,6 miljard euro in 2019
Om te bepalen hoe groot het structurele tekort is, is in dit onderzoek (in afstemming met de
stuurgroep) 2019 als basisjaar genomen. In het onderzoek hebben we echter ook gekeken hoe
de kosten en het budget zich sinds 2015 ontwikkeld hebben. Daarbij zijn niet alleen de kosten
voor individuele voorzieningen meegenomen, maar ook de meerkosten voor toegang en
voorliggend veld. Dit zijn de extra kosten die gemeenten sinds de decentralisatie gemaakt
hebben in de toegang en het voorliggend veld (inclusief preventie), vaak met als doel kosten
te besparen op individuele voorzieningen. We zijn in het onderzoek uitgegaan van de kosten
die gemeenten maken; daarmee was de financiële positie van aanbieders geen onderdeel van
het onderzoek.
In onderstaande grafiek zijn de kosten en het budget (exclusief tijdelijke middelen) voor
jeugdzorg in de periode 2015-2019 weergegeven. De uitgangspunten, methoden van
achterliggende berekening en uitkomsten van de analyse zijn nader toegelicht in bijlage B
Analyse van kosten, budget en volume.
6
20,2
5 20,3 (er
20,2 ve
4 n OK)
eo 00 Ji
2 1 0,5
5 3
Pe
2 Af
z Lm; ’
=z 2 3,9 d
cp] 3,3
1
0
2015 2016 2017 2018 2019
zee Meerkosten voorliggend veld (max) mm Meerkosten voorliggend veld (min)
EB Kosten Individuele voorzieningen —_— Budget
Figuur 1 Kosten en budget voor jeugdhulp tussen 2015-2019. De kosten zijn uitgesplitst in de
kosten voor individuele voorzieningen, en de meerkosten voor toegang en voorliggend veld.
GV572 12
Andersson Elffers Felix
Vanaf 2017 is een duidelijke stijging zichtbaar in de kosten. Vanaf dat jaar loopt het verschil
tussen kosten en budget verder op. De stijging vindt zowel plaats bij de individuele
voorzieningen als bij de toegang en voorliggend veld. In 2019, het basisjaar voor de analyses,
liggen de totale kosten tussen de 5,4 en 5,6 miljard euro. Het budget in dat jaar was 3,8
miljard euro.” Daarmee ligt de basis voor het tekort tussen de 1,6 en 1,8 miljard euro.
Het aantal cliënten per jaar is met 16% gestegen sinds 2015
De cliëntaantallen voor jeugdzorg worden verzameld en gepubliceerd door het CBS, op basis
van gegevens van instellingen. Voor dit onderzoek zijn we niet uitgegaan van de
gepubliceerde gegevens op StatLine, maar van achterliggende microdatabestanden.
Daarmee was het mogelijk om correcties uit te voeren voor onvolledige gegevens en analyses
te doen op cliëntniveau. In bijlage A.3 Microdata is een meer gedetailleerde beschrijving van
de gehanteerde werkwijze te vinden.
In de onderstaande grafiek is voor 2015 tot en met 2019 weergegeven hoeveel cliënten er per
jaar jeugdzorg kregen.
50
40
5
Z 30
iv
KS)
@
[en]
2 20
@
d
10
5 LL mann en
Jeugdhulp Jeugdbescherming Jeugdreclassering
m2015 M2016 M2017 m2018 2019
Figuur 2 Aantal cliënten per jaar in jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Het aantal cliënten per jaar dat gebruik maakt van jeugdzorg is sinds 2015 met 16% gestegen.
De stijging van het aantal cliënten in jeugdzorg wordt veroorzaakt door jeugdhulp, in het
bijzonder jeugdhulp zonder verblijf, Dit is verreweg de grootste groep cliënten, en de stijging
in deze groep was procentueel het grootst,
5 Na overheveling van het jeugdbudget naar de Algemene Uitkering in 2019 hebben
wijzigingen op de algemene mutaties plaatsgevonden, die ook invloed hebben gehad op
de omvang van het jeugdhulpbudget. In dit onderzoek gaan we uit van het budget na deze
bijstellingen. Omdat we in dit onderzoek kijken naar het structurele tekort, zijn de tijdelijke
extra middelen (400 miljoen euro in 2019) niet meegenomen.
GV572 13
Andersson Elffers Felix
Voor jeugdbescherming namen de cliëntaantallen eerst af, maar deze nemen nu weer licht
toe, waardoor het niveau nu bijna even hoog is als in 2015. Het beeld dat het gebruik van
jeugdbescherming daalt, wordt hierdoor niet bevestigd. Het aantal cliënten jeugdreclassering
is met 20% gedaald sinds 2015.
In bijlage B Analyse van kosten, budget en volume is de ontwikkeling voor verschillende
soorten jeugdzorg uitgesplitst weergegeven.
De stijging komt niet door stijgende instroom, maar door achterblijvende uitstroom
Om nader te onderzoeken waardoor de stijging veroorzaakt wordt, hebben we gekeken naar
de in- en uitstroom per jaar. In de onderstaande grafiek is voor elk jaar sinds 2015 de in- en
uitstroom van cliënten in jeugdzorg weergegeven. Daarbij tellen we een cliënt als instroom in
een jaar als deze in dat jaar een vorm van jeugdzorg kreeg, en in het jaar ervóór niet.
16
14
12
S
© 10
S
iv
U 8
@
[en]
@
5 6
d
4
2
0
2015 2016 2017 2018 2019
EB Instroom totaal jeugdzorg m Uitstroom totaal jeugdzorg
Figuur 3 In- en uitstroom van cliënten in jeugdzorg tussen 2015 en 2019.
In deze grafiek vallen twee zaken op:
— Ten eerste is de instroom redelijk stabiel. Naar aanleiding van de extra inzet op
vroegsignalering zou echter een stijging verwacht worden. Meer vroegsignalering zou
immers tot uiting moeten komen in een hogere instroom van vroeggesignaleerde
kinderen. Dit lijkt vooralsnog niet het geval te zijn. De toename van preventie en
vroegsignalering is dus wel zichtbaar in de kosten voor het voorliggend veld (zie Figuur 1),
maar niet in de instroom in jeugdhulptrajecten.
— Ten tweede valt op dat de uitstroom consequent lager is dan de instroom, dus dat in elk
jaar in de periode 2015-2019 meer jeugdigen de jeugdzorg instromen dan uitstromen. Dit
betekent in combinatie met een constante instroom dat jeugdigen steeds langer in
jeugdzorg blijven.
In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, wordt de stijging in cliëntaantallen dus niet
veroorzaakt door toenemende instroom, maar door achterblijvende uitstroom.
GV572 14
Andersson Elffers Felix
De kosten per cliënt per jaar zijn met 16% gestegen sinds 2015
De stijging in het aantal cliënten door de langere trajectduur is niet de enige verklaring voor
de stijging in de totale kosten. Ook de kosten per cliënt per jaar zijn veranderd. Onderstaande
grafiek geeft de ontwikkeling van de gemiddelde kosten per cliënt per jaar weer!“ In 2015
lagen deze kosten (inclusief loon- en prijsstijging) op € 8.118 per cliënt.
140%
120%
LO
o 100% TE
& 0
=
eo
> 80%
S
iv
z
5 60%
jen
S
U
3 40%
hd
20%
0%
2015 2016 2017 2018 2019
Figuur 4 De ontwikkeling van de gemiddelde kosten per cliënt in jeugdzorg tussen 2015 en 2019.
Het percentage is ten opzichte van de gemiddelde kosten per cliënt in 2015.
De kosten per cliënt per jaar zijn gestegen van € 8.118 in 2015 naar € 10.354 in 2019. Dit is een
stijging van 16% als gecorrigeerd wordt voor loon- en prijsbijstelling.
Om die stijging te duiden, hebben we onder andere gekeken naar de ontwikkeling in aantal
cliënten in jeugdhulp per zorgvorm.*® De kosten van ambulante jeugdhulp zijn immers
beduidend lager dan van bijvoorbeeld jeugdzorg-plus, dus een verschuiving van lichtere naar
zwaardere vormen van jeugdhulp kan leiden tot stijgende kosten per cliënt. Dit lijkt niet het
geval: vooral het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf is gestegen, en dat is een relatief
lichte vorm van jeugdhulp.
Het feit dat cliënten langer in jeugdzorg zitten, kan de stijging deels verklaren. Aanvullend
daarop is de meest waarschijnlijke verklaring dat de intensiteit van trajecten is toegenomen.
Met de beschikbare gegevens is deze veronderstelling echter niet te verifiëren. Een andere
mogelijke oorzaak is dat de gemiddelde tarieven harder zijn gestegen dan de loon- en
prijsbijstellingen, ofwel door prijsverhogingen in de contractering, ofwel door een andere
productstructuur die zorgt voor een hogere gemiddelde prijs.
4 Deze gemiddelde kosten zijn bepaald door de jaarlijkse kosten voor individuele
voorzieningen te delen door het totaal aantal cliënten in jeugdzorg (jeugdhulp,
jeugdbescherming en jeugdreclassering samen).
5 Zie Duiding van kosten aan de hand van ontwikkeling in kosten per cliënt in bijlage B
Analyse van kosten, budget en volume.
GV572 15
Andersson Elffers Felix
Het mediane inkomen van gezinnen met jeugdhulp stijgt
In eerder onderzoek is geconstateerd dat verschillende factoren een verklaring kunnen geven
voor de stijging in het jeugdhulpvolume.! In dit onderzoek hebben we gekeken hoe die
factoren zich in de afgelopen jaren verder ontwikkeld hebben. Daarmee krijgen we ook een
indruk van het type jeugdigen dat gevonden wordt, en de vraag of sinds de decentralisatie
bepaalde specifieke doelgroepen beter worden bereikt.
We hebben daarom onder andere gekeken naar het mediane inkomen van het huishouden
van jeugdigen die per jaar in jeugdhulp instromen. Daaruit is gebleken dat het mediane
inkomen van gezinnen met jeugdhulp weliswaar lager ligt dan het mediane inkomen in
Nederland, maar in de afgelopen jaren voor jeugdhulp zonder verblijf wel harder gestegen is,
Er zijn dus niet meer jeugdigen uit gezinnen met lage inkomens bereikt. Deze resultaten
wijzen er juist op dat er voor de lichte zorgvormen eerder een verschuiving heeft
plaatsgevonden naar huishoudens met een hoger inkomen, in plaats van naar huishoudens
met een lager inkomen.
Verder hebben we geanalyseerd hoeveel van de jeugdigen die jeugdhulp instromen afkomstig
zijn uit een aantal kwetsbare groepen: jongeren in bijstandsgezinnen, eenouderhuishoudens,
en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Dit percentage veranderde tussen
2015 en 2018 nauwelijks.” We zien in de gegevens dus geen aanwijzing dat gemeenten deze
kwetsbare groepen beter bereiken dan in de periode vóór de Jeugdwet.
16 Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019.
H Ten tijde van dit onderzoek waren nog niet alle benodigde gegevens over 2019
beschikbaar. Voor deze analyse is daarom gebruik gemaakt van de data van 2018.
GV572 16
Andersson Elffers Felix
4 Het effect van preventie en
vroegsignalering
Een aanname in de Jeugdwet was dat ‘er eerder bij zijn’ op termijn kosten bespaart
Een van de uitgangspunten van de Jeugdwet was dat inzet op preventie en vroegsignalering
escalatie van problemen van jeugdigen kan voorkomen, waarmee op termijn zwaardere
jeugdhulp vermeden kan worden. Naast de positieve effecten die deze beweging zou hebben
op het welzijn van kinderen en gezinnen was de verwachting dat dit op termijn ook tot een
kostenbesparing zou leiden in de Jeugdwet.
Deze inzet zou een ‘boeggolf’ aan kosten moeten veroorzaken alvorens de kosten dalen
Door stevig in te zetten op preventie en vroegsignalering, zou het kostenniveau eerst stijgen,
en op termijn dalen. De inzet op preventie vraagt immers investeringen die veelal pas op
langere termijn jeugdhulp voorkomen. Ook zou het volume in lichte jeugdhulp in eerste
instantie stijgen, doordat problematiek eerder wordt gesignaleerd en de instroom in
jeugdhulp voor met name lichte trajecten eerst toeneemt. Op termijn zou deze inzet moeten
zorgen voor een daling in met name de zwaardere jeugdhulptrajecten. Omdat deze trajecten
relatief hoge kosten hebben, zou deze daling op termijn ook tot minder kosten in de
jeugdzorg moeten leiden. Deze ontwikkeling is in de afgelopen jaren regelmatig ‘de boeggolf”
genoemd.
Het blijkt dat naar de boeggolf nog weinig onderzoek is gedaan. In het onderzoek hebben we
deze boeggolf nader geanalyseerd om het mogelijke effect op de kosten te kunnen bepalen.
Het analysekader dat ten grondslag lag aan deze analyses is opgenomen in bijlage C
Analysekader boeggolf. Een uitgebreide toelichting op de resultaten is te vinden in bijlage D
Het effect van preventie en vroegsignalering. Hieronder beschrijven we de aanpak en
resultaten van de analyse op hoofdlijnen.
We hebben onderzocht hoeveel tijd en investeringen er nodig zijn voor een transitie
De beoogde transformatie vraagt van gemeenten onder andere het ontwikkelen van nieuw
effectief jeugdbeleid, nieuwe werkwijzen, nieuwe samenwerkingen en een nieuwe
infrastructuur. Om dit te bereiken, is nodig dat gemeenten meerdere cycli in een lerend
proces doorlopen, waarbij steeds de effecten van beleid worden geëvalueerd en (grote of
kleine) aanpassingen worden gedaan. In het onderzoek hebben we gekeken hoeveel van deze
cycli gemeenten al doorlopen hebben, hoe lang een dergelijke cyclus gemiddeld duurt en in
hoeverre gemeenten daarmee de resultaten bereikt hebben die ze met hun beleid beogen.
Veel gemeenten hebben daarbij aangegeven in de komende vijf jaar nog een grote
verandering in haar jeugdhulpbeleid te voorzien. Op basis van het stadium waar gemeenten
zich nu in bevinden, schatten we in dat de transitie gemiddeld ongeveer tien jaar in beslag zal
nemen, gerekend vanaf de decentralisatie in 2015.
GV572 17
Andersson Elffers Felix
Deze transitie brengt gedurende die periode van tien jaar extra kosten met zich mee. Daarbij
gaat het niet alleen om de eerder genoemde jeugdhulpspecifieke kosten voor de ‘boeggolf’,
maar ook om kosten die onlosmakelijk verbonden zijn met een grote transitie. Denk daarbij
bijvoorbeeld aan het ontwikkelen en aanscherpen van nieuw beleid, het opzetten van een
nieuwe infrastructuur of inefficiënties doordat medewerkers zich een werkproces nog eigen
moeten maken.
In het onderzoek ‘Zorgkeuzes in Kaart’ is op basis van een aantal cases geconstateerd dat de
kosten voor grote transities gemiddeld ongeveer 1,5% van het basisbudget bedragen
gedurende de looptijd van de transitie? Hoewel het huisvestingsvraagstuk in de jeugdzorg
groter is dan in de beschreven cases, zijn er voldoende overeenkomsten met de transitie in
het jeugddomein om dit percentage te kunnen hanteren voor de algemene transitiekosten.
Daarmee komen de transitiekosten op 56 miljoen euro per jaar. Voor het bepalen van het
structurele tekort worden de transitiekosten van de totale kosten afgetrokken.
Uit het volumeonderzoek blijkt dat een eventuele boeggolf slechts gedeeltelijk gestart is
De boeggolf veronderstelt tijdelijk een verhoogde instroom in jeugdzorg. Uit het vorige
hoofdstuk blijkt echter dat de instroom in de afgelopen jaren niet gestegen is, Wel is een
toename te zien in de kosten voor het voorliggend veld en lokale teams. Hieruit kan
geconcludeerd worden dat vroegsignalering (het eerder aanbieden van een jeugdhulptraject
om erger te voorkomen) beperkt plaatsvindt, en dat vooral geïnvesteerd is in lokale teams en
voorliggend veld.
In het onderzoek hebben we het effect van preventie en vroegsignalering onderzocht
Om te bepalen of er sprake is van een boeggolfeffect, en wat dit betekent voor de
ontwikkeling van het jeugdhulpgebruik, hebben we effecten van preventie en vroeg-
signalering onderzocht. Via onder andere interviews en werksessies met experts en
literatuurstudie hebben we gekeken wat er nodig is om preventie en vroegsignalering te laten
werken, hoe groot het effect op het jeugdhulpvolume zou kunnen zijn en hoe lang het naar
verwachting zou duren voordat die effecten zichtbaar worden.
Omdat vroegsignalering nog maar beperkt plaatsvindt en effecten mogelijk pas na enkele
jaren zichtbaar zijn, zijn effecten van preventie en vroegsignalering binnen het Nederlandse
stelsel nog niet goed empirisch te onderzoeken. Om de effectiviteit scherper in beeld te
krijgen en daarbij ook een indicatie te krijgen van de bijbehorende kosten hebben we daarom
een analyse gedaan naar bewezen effectieve interventies, om zo het onderzoek te kunnen
baseren op wetenschappelijk onderzochte gegevens.
Voor goede preventie en vroegsignalering zijn naast een sterke basis ook interventies
nodig
Uit het onderzoek komt naar voren dat twee thema’s van belang zijn voor effectieve preventie
en vroegsignalering: een sterke basis en effectieve interventies. Bij de sterke basis gaat het
bijvoorbeeld om aanwezigheid in de natuurlijke omgeving, verstevigen van de samenwerking
tussen onder andere onderwijs en het lokaal team, en het monitoren en analyse van
jeugdhulpgebruik om de gerichte inzet te verbeteren.
B Zorgkeuzes in Kaart, CPB, VWS en Financiën, 2020.
GV572 18
Andersson Elffers Felix
Die sterke basis op zichzelf is echter nog niet voldoende om problematiek te voorkomen of
verminderen. Vroeg signaleren dat een kind problematiek ontwikkelt en weten wat er nodig is
in termen van preventie in een bepaalde doelgroep zijn belangrijke basisvoorwaarden, maar
vervolgens moet er een interventie ingezet wordt om daadwerkelijk een verandering teweeg
te brengen. Dat betekent dat naast de sterke basis ook de juiste interventies beschikbaar
moeten zijn.
Van veel interventies is het effect niet bekend, dus baseren we het onderzoek op
bewezen effectieve interventies
Omdat interventies een noodzakelijke voorwaarde zijn om op termijn jeugdhulpgebruik te
kunnen verminderen, hebben we in dit onderzoek gekeken wat het effect is dat met
interventies bereikt kan worden binnen de Jeugdwet. Daarbij hebben we specifiek gekeken
naar bewezen effectieve interventies, omdat het effect daarvan bekend is. Daarmee is niet
gezegd dat interventies die niet bewezen effectief zijn, niet zinvol zouden zijn. Veel
interventies zijn simpelweg niet of niet voldoende onderzocht. In dit onderzoek zijn we er wel
vanuit gegaan dat de bewezen effectieve interventies een goede indicatie kunnen bieden van
het potentiële effect, aangezien het niet voor de hand ligt dat niet-onderzochte of niet-
bewezen interventies gemiddeld effectiever zijn.
De problematiek is weerbarstig: interventies werken maar bij een deel van de kinderen
Als een interventie wordt ingezet bij verschillende kinderen of gezinnen, zal deze in sommige
situaties wel tot een verbetering leiden, en in andere niet. Tegelijkertijd zijn er ook situaties
waarbij de problematiek ook zonder interventie vanzelf verdwenen was. Een interventie is
dus niet in alle gevallen effectief,
Op basis van de beschikbare informatie over de bewezen effectieve interventies kunnen we
een inschatting maken van hoeveel kinderen/gezinnen gemiddeld genomen de interventie
moeten krijgen, om in één casus tot een verbetering te leiden. Bij veel preventieve
interventies blijkt het om ongeveer acht kinderen te gaan: van iedere acht kinderen/gezinnen
waar de interventie wordt aangeboden, zal er bij één een verbetering optreden ten gevolge
van de interventie. Verbetering’ betekent daarbij niet automatisch dat er ook een (deel van
een) jeugdhulptraject voorkomen wordt: het vasthouden van gedragsverandering over
langere tijd is niet gemakkelijk, en het effect van interventies wordt meestal alleen direct na
de interventie gemeten.
Dat veel preventieve interventies in de jeugdzorg in zeven van de acht gevallen niet tot een
verbetering leiden, betekent niet dat interventies gericht op preventie en vroegsignalering
niet zinvol zijn. Het verloop van jeugdhulpproblematiek is nu eenmaal onvoorspelbaarder
dan (om even een erg simpel voorbeeld te nemen) het verloop van herstel na een gebroken
been, Het is niet op voorhand bekend bij welke kinderen de problematiek vanzelf overgaat,
en bij welke het juist erger wordt. En hoewel voor de meeste interventies wel bekend is voor
welke groepen ze gemiddeld meer of minder goed werken, is de werking op individueel
niveau niet te voorspellen.
Uiteraard ontwikkelt onderzoek naar effectieve jeugdhulp zich nog steeds, en is het denkbaar
dat er effectievere interventies ontwikkeld worden. Gezien de effectiviteit van interventies in
de volwassen-GGZ, is het echter niet aannemelijk dat in de komende decennia de effectiviteit
van interventies over de hele linie dusdanig verbetert dat het de uitkomsten van deze analyse
verandert.
GV572 19
Andersson Elffers Felix
De kosten van veel interventies zijn hoog in verhouding tot de voorkomen jeugdhulp-
trajecten
Interventies zijn vaak gericht op het voorkomen of oplossen van problematiek, maar niet
direct op het voorkomen van jeugdhulp op een later moment. Dat kan uiteraard wel een
gevolg zijn, maar is zeker geen vanzelfsprekendheid. Naast de groep waarvan de
problematiek vanzelf weer overgaat, is er immers ook een groep waarvoor dat niet geldt,
maar die desondanks nooit in jeugdhulp terecht zou zijn gekomen. Ook als een interventie bij
één op de acht kinderen de problematiek vermindert, betekent dit dus niet voor één op de
acht kinderen ook een besparing. Daarnaast kosten de interventies zelf ook geld. Hoewel ook
de kosten per interventie sterk verschillen, maakt onderstaand rekenvoorbeeld duidelijk dat
het over het algemeen lastig is om een besparing te genereren op basis van preventie,
Rekenvoorbeeld. Gemiddeld genomen moet een preventieve interventie bij acht
kinderen ingezet worden, om in het meest gunstige geval bij één kind een jeugdhulp-
traject te voorkomen. Op basis van een aantal effectieve interventies zien we dat de
kosten gemiddeld rond de 2.000 euro per kind zijn. Dat betekent dat er acht keer 2.000
euro geïnvesteerd moet worden, om mogelijk een jeugdhulptraject te voorkomen. Dat
betekent dat de inzet van deze preventie binnen de Jeugdwet zelfs in het meest gunstige
geval alleen kosten bespaart als dat voorkomen jeugdhulptraject minimaal 16.000 euro
kost. De meeste jeugdhulptrajecten zijn goedkoper dan dat.
Er is een grote latente vraag naar jeugdhulp
Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar zorg in een land met hoge welvaart de neiging heeft om
relatief onbegrensd te zijn.” Dat geldt zeker ook voor jeugdhulp. Opvoeden en opgroeien is
uitdagend: de (peuter)puberteit is niet voor niets een veelvoorkomend onderwerp in lectuur
voor ouders, en welke tiener voelt zich nooit neerslachtig? Op dit moment maakt ongeveer
12% van de kinderen en jongeren gebruik van jeugdhulp, maar de geschatte prevalentie van
verschillende DSM-classificaties ligt nog hoger dan dat. Er is dus een latente vraag naar
jeugdhulp van kinderen en jongeren die zonder preventie en vroegsignalering nooit in
jeugdhulp terecht zouden komen.
Een toename van jeugdhulp kan zelfs onbedoeld een zichzelf versterkend effect hebben.
Naarmate meer jeugdhulp gebruikt wordt, bestaat namelijk ook het risico dat de latente
vraag nog verder toeneemt, aangezien mensen, waaronder ook jongeren, geneigd zijn hun
welzijn af te zetten tegen het welzijn van anderen. Naarmate het welzijn in de samenleving
verbetert, stijgt tegelijkertijd ook de wens om meer mensen aan diezelfde normen te laten
voldoen. Hogere welvaart leidt dus vrijwel als vanzelf tot hogere druk op publieke
voorzieningen. In de jeugdhulp kan dat verschijnsel ook tot uiting komen, als een toenemend
welzijnsniveau ertoe leidt dat steeds minder problemen gezien worden als ‘normaal’
onderdeel van opgroeien en opvoeden. In dat geval is er dus sprake van een glijdende schaal,
die steeds meer kosten met zich meebrengt.
1 Zo geeft het CPB aan dat 2,0 %-punt van de jaarlijkse groei van zorguitgaven verklaard
kan worden door toenemende welvaart, in lijn met studies naar de relatie tussen inkomen
en zorg. CPB, Gezondheid loont: Tussen keuze en solidariteit, 2013.
GV572 20
Andersson Elffers Felix
Jeugdzorg heeft voor veel kinderen meerwaarde, maar het is niet goed te voorspellen
welke kinderen het echt nodig hebben
Jeugdzorg biedt voor veel kinderen, jongeren en gezinnen manieren om problematiek op te
lossen of ermee om te leren gaan, en daarmee om volwaardig deel te nemen aan de
maatschappij. Hoewel er zeker ook negatieve ervaringen met jeugdzorg zijn, biedt de sector
als geheel een belangrijke bijdrage aan het welzijn en de ontplooiingsmogelijkheden van
gezinnen en kinderen, en is ze in sommige gevallen zelfs levensreddend.
Voor een doelmatige uitvoering is er echter een inherent selectieprobleem:
— Enerzijds is het lastig om te voorspellen welke interventie bij welk kind baat heeft. De
huidige stand van de wetenschap is niet dusdanig dat op cliëntniveau met hoge mate van
zekerheid een passende interventie geselecteerd kan worden.
— Belangrijker nog is dat problematiek bij een groot deel van de kinderen en jongeren ook
zonder jeugdzorg overgaat of op een niveau blijft dat het hun ontwikkeling niet schaadt,
terwijl het bij anderen juist zo erg wordt dat in later stadium zware jeugdzorg nodig is. Op
voorhand is slecht te voorspellen welk kind bij welke groep hoort, en dus welk kind echt
jeugdhulp nodig heeft.
Algemeen kan op basis van de analyse gesteld worden dat vroegtijdige interventies meer kans
hebben om tot een kostenbesparing te leiden naarmate zij effectiever zijn en als ze zich
richten op die groep van kinderen, jongeren en gezinnen die later grotere problemen
ontwikkelen. De vraag hoe deze selectie goed plaats kan vinden, is echter nog onbeantwoord.
Er eerder bij zijn heeft nut - maar leidt niet tot een besparing binnen de Jeugdwet
Op basis van deze analyse is de conclusie van dit onderzoek dat de inzet van preventie en
vroegsignalering niet kan leiden tot een structurele besparing binnen de Jeugdwet.
Daarmee is niet gezegd dat preventie en vroegsignalering niet waardevol zijn; ze kunnen in
veel gevallen leiden tot een verhoging van de kwaliteit van leven, zonder dat ze bijdragen aan
een lager kostenniveau binnen de Jeugdwet. Ook is het goed mogelijk dat preventie en
vroegsignalering leiden tot vermindering van kosten in andere wettelijke kaders. Voor
kinderen speelt de factor tijd een belangrijke rol. Voor een probleem dat na twee jaar vanzelf
weer overgaat, speelt niet alleen de ziektelast mee, maar in sommige gevallen ook een
leerachterstand die niet meer in te halen is. Preventie en vroegsignalering bij kinderen kan
dus lonen, ook bij problemen na verloopt van tijd vanzelf weer overgaan.
Het veronderstelde (tijdelijke) ‘boeggolfeffect’ is dus eerder een (structurele) ‘verhoging
van het waterpeil’
De aanname dat er eerder bij zijn leidt tot een verlaging van kosten binnen de Jeugdwet, waar
in de afgelopen jaren veel beleid op gebaseerd is, lijkt niet terecht. We concluderen dat er
geen grond is om een boeggolf te veronderstellen, waarin het jeugdhulpgebruik en kosten
eerst toenemen en later afnemen.
In plaats daarvan leidt de brede inzet op preventie en vroegsignalering tot een structurele
verhoging van het waterpeil: een verhoogd voorzieningenniveau, waarmee ook een nieuwe
standaard ontstaat waartegen uitdagingen in het opvoeden en opgroeien worden afgezet.
GV572 21
.
Andersson Elffers Felix
5 Andere uitgangspunten van de Jeugdwet
In dit onderzoek kijken we naar de kosten van de uitvoering van de Jeugdwet, en manieren
om daar invloed op uit te oefenen. De kaders daarvoor worden echter voor een belangrijk
deel bepaald door de uitgangspunten van de Jeugdwet. In het vorige hoofdstuk hebben we al
stilgestaan bij de invloed van de nadruk op preventie en vroegsignalering in de Jeugdwet op
de ontwikkeling van kosten. In dit hoofdstuk kijken we naar de andere uitgangspunten van de
Jeugdwet, om vanuit die basis te kunnen duiden welke mogelijkheden er zijn om bij te sturen.
5.1 Over eigen kracht, normaliseren en de rol van professionals
Eigen kracht en normaliseren staan op gespannen voet met preventie en
vroegsignalering
Twee van de doelen van de Jeugdwet hebben betrekking op mensen meer in staat te stellen
hun eigen problemen op te lossen: ‘eigen kracht’ en ‘normaliseren’. Normaliseren is vooral
gericht op het niet-inzetten van een jeugdhulptraject, terwijl eigen kracht juist ook
aangeboord kan worden door een jeugdhulptraject. In dit onderzoek is meermalen benoemd
dat deze doelen op gespannen voet staan met preventie en vroegsignalering. Bij zowel
preventie als vroegsignalering draait het immers om het voorkómen van (ergere) problemen.
Vanuit die optiek loont het om bij beginnende problemen direct in te grijpen of een gezin op
weg te helpen.
Dat betekent echter ook dat gemeenten en daarmee ook professionals gespitst zijn op
(toekomstige) problemen, en zich al in een vroeg stadium verantwoordelijk voelen om deze
(preventief) op te lossen. De nadruk op het voorkomen van erger kan er ook voor zorgen dat
professionals terughoudend worden om een gezin los te laten als er onvoldoende zekerheid is
dat het op eigen kracht door kan: de impliciete norm vanuit de huidige interpretatie van de
Jeugdwet is immers dat problemen voorkomen moeten worden. Dat maakt het lastig om
begrippen als ‘eigen kracht’ en ‘normaliseren’ te operationaliseren op een manier dat
professionals er goed op kunnen handelen.
De meeste jeugdhulpprofessionals zijn getraind in het herkennen en oplossen van
problemen
Jeugdhulpprofessionals kiezen hun vak over het algemeen omdat ze gedreven zijn om
kinderen en jongeren te helpen. In de meeste opleidingen worden jeugdhulpprofessionals
vooral getraind om met die blik te kijken. Dat betekent dat normaliseren niet altijd
vanzelfsprekend is.
In het onderzoek is in verschillende gesprekken de vergelijking met de medisch-
specialistische zorg gemaakt: een cardioloog is beter in het herkennen van hartproblemen
dan in het besluiten dat een onvolkomenheid aan het hart niet problematisch is. Op dezelfde
GV572 22
Andersson Elffers Felix
manier zijn jeugdhulpprofessionals erin getraind om problemen te signaleren en op te lossen,
en hebben hier vanuit hun beroepsnormen ook een verantwoordelijkheid in. Op individueel
niveau zijn er uiteraard verschillen: de ene jeugdhulpprofessional zal van nature meer
normaliseren, terwijl de andere meer verantwoordelijkheid naar zichzelf toe trekt. Om goed te
kunnen normaliseren, hebben jeugdhulpprofessionals echter steun nodig voor hun handelen,
bijvoorbeeld een helder beeld van waar de maatschappij zich verantwoordelijk voor acht, en
welke problemen buiten de Jeugdwet vallen. Vanuit het uitgangspunt dat de professional
moet doen wat nodig is, is een dergelijk beeld de afgelopen tijd onvoldoende ontwikkeld.
Professionals zijn betrokken bij hun cliënt, waardoor afschalen niet vanzelfsprekend is
Jeugdhulpprofessionals zien als geen ander waarmee kinderen, jongeren en gezinnen
worstelen, en willen in de regel daarbij ondersteunen. Veel van hen zijn in de loop der jaren
geconfronteerd met incidenten waarbij hulp te vroeg afgeschaald is, en verwijten gemaakt
zijn aan de betrokken organisaties. In de afgelopen jaren is veel aandacht geweest voor
casuïstiek waarbij het misgegaan is. De uitgebreide evaluatie hiervan levert een waardevol
leerproces op, maar heeft ook invloed op de discussie over wanneer afschalen verantwoord
is: de minderheid waarbij het misgaat, wordt onbedoeld de norm voor de meerderheid
waarbij trajecten wel passend zijn. Ook om andere redenen kan afschalen ingewikkeld zijn.
Dit is in het bijzonder het geval als van tevoren al duidelijk is dat het geen optie zal zijn om (al
dan niet tijdelijk) weer op te schalen als dat nodig is, bijvoorbeeld door wachtlijsten, strikte
intake-criteria, of vaste afspraken over trajecten.
In het onderzoek is in verschillende gesprekken benoemd dat het een grote cultuur-
verandering vraagt bij zowel gemeenten als professionals om zorg eerder af te schalen. Vanuit
zorgzaamheid, bevlogenheid, en risicomijdend gedrag zijn professionals binnen de huidige
maatschappelijke norm eerder geneigd tot een sessie te veel dan een sessie te weinig, zeker
wanneer niet met zekerheid vast te stellen is of de hulp nog voldoende toevoegt.
Wetenschappelijke inzichten over een gemiddelde effectieve trajectduur staan daarbij soms
op gespannen voet met de behoeften van individuele kinderen en gezinnen, die het gevoel
hebben meer hulp nodig te hebben. Als een extra sessie een gezin meer vertrouwen geeft dat
het weer op eigen kracht verder kan, is het begrijpelijk dat een professional concludeert dat
dit voor dit gezin nodig is. Dit leidt echter wel tot een hoger voorzieningenniveau en hogere
kosten.
Bovenstaande kan een van de verklaringen zijn dat kinderen en jongeren de afgelopen jaren
langer in jeugdhulp zitten (zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume): als
professionals meer ruimte krijgen om trajecten vorm te geven en tegelijkertijd steeds meer
verantwoordelijkheid krijgen om ernstige problematiek te voorkomen, bestaat het risico dat
zij cliënten langer vasthouden.
In het onderzoek is sneller afschalen benoemd als sturingsmogelijkheid voor gemeenten die
tot doelmatigheidswinst zou kunnen leiden. De vraag is dan echter hoe dit in de huidige
constellatie zou moeten werken. Als mogelijke concretisering” is genoemd om beschikkingen
voor kortere perioden af te geven. Deze maatregel werd als niet wenselijk beschouwd,
aangezien hij een groot risico met zich meebrengt voor de doeltreffendheid van de Jeugdwet
en leidt tot extra administratieve lasten, terwijl het bieden van meer ruimte voor de
0 Twee andere opties zijn wel benoemd, maar als onvoldoende concreet /
operationaliseerbaar beoordeeld. De volledige toelichting op de overwogen optie kunt u
vinden in bijlage A1 Proces en keuze maatregelen.
GV572 23
Andersson Elffers Felix
professional nu juist bedoeld was om de regeldruk te verminderen. De stuurgroep heeft
daarom besloten deze maatregel niet mee te nemen in het onderzoek.
5.2 Over integraal werken
Een integrale afweging leidt tot passendere hulp
In het onderzoek zijn verschillende mogelijkheden voor een meer integrale afweging
onderzocht (zie bijlage E Resultaten per maatregel). Bij een integrale afweging zijn alle
relevante disciplines aanwezig, en wordt in gezamenlijkheid gekeken naar wat de beste
oplossing is voor een cliënt. Het blijkt dat een integrale afweging vaak leidt tot passendere
hulp. Daarbij is het wel van belang dat de hulp daadwerkelijk beschikbaar is, en (daarmee
samenhangend) dat er voldoende doorzettingsmacht is bij de professionals die de afweging
maken.
Soms bespaart een integrale afweging kosten, soms leidt ze juist tot meer kosten in de
Jeugdwet
Uit de casuïstiek die in het onderzoek is geanalyseerd, blijkt dat het maken van een integrale
afweging geen eenduidig financieel gevolg heeft. In sommige gevallen leidt een integrale
afweging tot goedkopere jeugdhulp. Dat is vooral het geval als hulp niet meer nodig is omdat
een probleem eerder opgelost wordt, of als een goedkoper alternatief gevonden wordt voor
bepaalde hulp. In andere gevallen verandert een integrale afweging niets aan de uitkomst of
is de hulp weliswaar passender, maar ook duurder.
Daarnaast kan het organiseren van een integrale afweging of een maatwerkoplossing
weliswaar leiden tot betere samenwerking, maar deze aanpak is ook tijdsintensief en
daarmee relatief duur, Hoewel ze voor specifieke gevallen daarom zeer waardevol kan zijn, is
een dergelijke werkwijze minder geschikt als ‘standaard’ voor grote aantallen.
Vooral het oplossen van financiële problemen leidt tot goedkopere hulp, maar dit roept
ook vragen op
In sommige onderzoeken zijn goede resultaten geboekt met integrale oplossingen waarbij
maatwerk geboden wordt?! De kern van de gevonden oplossingen ligt vaak in financiën.
Schuldenproblematiek heeft namelijk bij uitstek grote gevolgen waardoor ook jeugdhulp-
kosten sterk op kunnen lopen: als een gezin op straat staat, levert dit naast een schrijnende
situatie vrijwel altijd ook hoge kosten op.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor schuldhulpverlening. Hieraan zijn echter voorwaarden
verbonden waaraan niet iedereen voldoet. Daardoor vallen gezinnen soms buiten de boot, of
lopen ze vast in bureaucratie. Er worden op verschillende plaatsen in het land goede
resultaten behaald door financiële problemen op te lossen en/of woonzekerheid te bieden
buiten de kaders van de bureaucratie om. Dergelijke maatwerkoplossingen kunnen gezien
worden als een succes van de decentralisatie, aangezien er over domeinen heen gewerkt
wordt.
Deze werkwijze roept echter ook vragen op. Maatwerkoplossingen zijn immers tijdsintensief
en daarmee relatief duur. In Nederland kampt ruim één op de twaalf huishoudens met
problematische schulden.” Hoewel binnen het huidige systeem dergelijk maatwerk een
U Een recent succesvol voorbeeld is het Sociaal Hospitaal.
2 Schuldenproblematiek in beeld 2015 - 2018, CBS, 2020.
GV572 24
Andersson Elffers Felix
goede oplossing vormt voor de gezinnen die het betreft, ligt het vanuit het oogpunt van
doelmatigheid meer voor de hand om te kijken naar systeemoplossingen die dergelijke
schulden en de bijbehorende kosten kunnen voorkomen.
Integraal werken is een opgave, zeker als het breder moet dan het gemeentelijk domein
Integraal werken gaat soms alleen over het verbinden van verschillende disciplines binnen
het jeugddomein, maar zoals bovenstaand al benoemd, is de gemeenten vaak ook afhankelijk
van andere partners. Daarbij spelen verschillende uitdagingen binnen en buiten de gemeente.
Binnen de gemeente zijn verschillende domeinen relevant, maar de meest directe samenhang
werd op Wmo en participatie verwacht. De overlap blijkt in de praktijk beperkt: slechts 10%
van de gezinnen met jeugdhulp maakt ook gebruik van een Wmo-voorziening, en voor
participatie ligt dit percentage nauwelijks hoger.” Bovendien speelt mee dat verschillende
afdelingen vaak verschillende werkwijzen hanteren. Dit is niet alleen historisch gegroeid,
maar volgt ook uit het mensbeeld dat vervat is in verschillende wetten. De Participatiewet
heeft fraudereductie bijvoorbeeld als veel centraler thema dan de Jeugdwet, wat ook tot
meer bureaucratie leidt,
Belangrijker dan samenwerking binnen het gemeentelijk domein is dan ook samenwerking op
andere terreinen. In het onderzoek werden vooral onderwijs en kinderopvang benoemd als
plekken waar aan een pedagogische basis gewerkt kan worden. Daarbij werd wel benoemd
dat dit stevige hervormingen vroeg om ook juist kinderen uit gezinnen met minder
mogelijkheden te bereiken. Denk hierbij aan gratis kinderopvang voor alle kinderen en brede
scholen met kleine klassen waar het personeel sterk gericht is op inclusiviteit, De
beïnvloedingsmogelijkheden die de gemeente heeft op dit soort veranderingen zijn uiteraard
beperkt.
Financiële baten van jeugdhulp vallen veelal in andere domeinen
In het vorige hoofdstuk is besproken dat vroegere interventies niet tot goedkopere jeugdhulp
leiden. Dat betekent uiteraard niet dat ze nergens tot een besparing leiden. Dat is alleen
beperkt het geval in het gemeentelijk domein. De financiële baten van jeugdhulp vallen naar
verwachting vooral in de zorg (minder GGZ en somatische problemen op latere leeftijd) en op
termijn op het gebied van werk en inkomen en belastinginkomsten: een jongere die dankzij
jeugdhulp een startkwalificatie haalt of een hoger onderwijsniveau afrondt en zo een (betere)
baan vindt, levert de samenleving niet alleen inhoudelijk maar ook in financiële zin veel op.
De baten hiervan vallen echter veelal niet bij gemeenten.”
Op basis van de uitgangspunten van de Jeugdwet is het voor gemeenten dus moeilijk om
de kosten te beperken
Op basis van hoofdstuk 4 en 5 kan geconcludeerd worden dat de uitgangspunten van de
Jeugdwet niet automatisch tot een besparing leiden, en zelfs eerder kostenverhogend
werken:
— Preventie en vroegsignalering zorgen voor beter welzijn van kinderen, jongeren en
gezinnen, en leveren mogelijk (op langere termijn) wel baten in andere domeinen, maar
binnen de Jeugdwet werken ze vooral kostenverhogend.
2 Bron: waarstaatjegemeente.nl.
2 Ook als jeugdhulp op termijn tot minder bijstandsuitkeringen leidt, vallen de baten niet
bij gemeenten. Dit ligt deels aan de financieringssystematiek van het macrobudget (zie De
besparing voor een gemeente als er iemand uit de bijstand stroomt, AEF, 2019). Voor een
individuele gemeente geldt ook nog dat een jongere tegen die tijd verhuisd kan zijn.
GV572 25
Andersson Elffers Felix
— Bij het uitgangspunt dat professionals veel ruimte moeten hebben om te doen wat nodig
is, hoort een afbakening van wat vanuit de maatschappij nodig wordt gevonden. De
afgelopen jaren heeft de nadruk in de doorontwikkeling van het jeugdstelsel niet op dit
aspect gelegen. Dit kan bijdragen aan langere of duurdere trajecten.
— Integraal werken leidt tot passender zorg, maar lang niet altijd tot een kostenbesparing,
zeker niet binnen de Jeugdwet. Integraal werken voor multiprobleemgezinnen vraagt
investeringen over domeinen heen, op gebieden waar de gemeente geen zeggenschap
over heeft, terwijl de baten van betere jeugdhulp veelal elders vallen.
De uitgangspunten van de Jeugdwet bevatten dus diverse prikkels voor een kostenverhoging.
In de afgelopen jaren is door Rijk en gemeenten vooral de nadruk gelegd op preventie,
vroegsignalering en het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp vanuit de aanname dat dit
kosten zou verlagen. De uitgangspunten die wel tot besparingen kunnen leiden, zoals
normaliseren en beter gebruik maken van eigen kracht, hebben veel minder aandacht
gekregen en zijn veel minder goed geoperationaliseerd op landelijk en lokaal niveau.
Gemeenten hebben weinig ruimte ervaren om te sturen. Dit hangt ook samen met de
interpretatie die de afgelopen jaren door Rijk en gemeenten gezamenlijk is gegeven aan de
uitgangspunten van de Jeugdwet, en die in dit hoofdstuk en het vorige hoofdstuk beschreven
is, De jeugdhulpplicht die in de Jeugdwet is opgenomen, is geladen met deze interpretatie,
wat het voor gemeenten moeilijk maakt om de kosten te beheersen. De inzichten uit dit
onderzoek geven voor de toekomst mogelijk meer sturingsmogelijkheden. In het volgende
hoofdstuk gaan we in op de sturingsmogelijkheden die gemeenten hebben binnen de huidige
interpretatie van de Jeugdwet.
GV572 26
Andersson Elffers Felix
6 Sturingsmogelijkheden binnen de
Jeugdwet
In het onderzoek is een aantal mogelijke maatregelen onderzocht die gemeenten
kunnen nemen om doelmatiger te werken
Om te komen tot het benodigd budget bij een doelmatige uitvoering, is gekeken naar
verschillende mogelijkheden die gemeenten hebben om doelmatiger te werken. In het begin
van het onderzoek is op basis van interviews, literatuuronderzoek en overleg met de
opdrachtgevers een overzicht gemaakt van mogelijke maatregelen om mee te nemen in het
onderzoek. Deze zijn besproken in de begeleidingsgroep en stuurgroep. De stuurgroep heeft
mede op basis van een advies van de begeleidingsgroep gekozen welke maatregelen
onderzocht zouden worden in het onderzoek, Het doel was daar maximaal 20 maatregelen te
selecteren. Uiteindelijk heeft geen nadere selectie plaatsgevonden op basis van dit maximale
aantal: de andere maatregelen vielen af om andere redenen, bijvoorbeeld omdat ze niet
concreet genoeg waren om te kwantificeren, of er onvoldoende draagvlak voor was. Een
toelichting op het proces en de gemaakte keuzes staat in bijlage A.1 Proces en keuze
maatregelen. Voor iedere maatregel is vervolgens uitgewerkt wat de werkzame mechanismen
naar verwachting zouden zijn, en hoe we die zouden kunnen onderzoeken. Dit is in de vorm
van analysekaders met de stuurgroep afgestemd.
In dit hoofdstuk lichten we toe welke sturingsmogelijkheden zijn onderzocht die gemeenten
hebben om doelmatiger te werken, en welke besparingen daarmee gerealiseerd kunnen
worden. De volledige resultaten per maatregel staan uitgewerkt in bijlage E Resultaten per
maatregel. Maatregelen waarvoor een wetswijziging nodig is staan in hoofdstuk 7
Mogelijkheden voor het Rijk; mogelijke besparingen op grond van deze maatregelen kunnen
immers nog niet meegerekend worden, zolang eventuele wetswijzigingen niet doorgevoerd
zijn.
De mate van concreetheid en verwachting over het kwantitatieve en kwalitatieve effect
zijn meegewogen in de keuze van maatregelen
Bij de selectie van maatregelen om door te rekenen in het onderzoek is onder meer rekening
gehouden met de mate waarin deze voldoende concreet waren geoperationaliseerd. De
maatregelen die hier zijn onderzocht, zijn daarmee niet per definitie de enige mogelijkheden
die gemeenten hebben om doelmatiger te werken.
Daarnaast waren de resultaten van de analyse naar preventie en vroegsignalering nog niet
beschikbaar, aangezien de maatregelen aan het begin van het proces geselecteerd zijn. Een
aantal maatregelen is dus geselecteerd omdat ze vroegsignalering versterken, vanuit de
verwachting dat dit op termijn kosten zou besparen. Gezien de resultaten in hoofdstuk 4 Het
effect van preventie en vroegsignalering is het resultaat van deze maatregelen minder positief
dan op voorhand verwacht. Wel geldt bij veel van dit soort maatregelen dat er naast het
GV572 27
Andersson Elffers Felix
preventie-effect ook een substitutie-effect optreedt, waarbij zorg vervangen wordt door een
andere (goedkopere) vorm van zorg. . Dit geeft over het algemeen wel een netto positief
effect.
Vijf maatregelen leiden naar verwachting tot een besparing binnen de Jeugdwet met
vergelijkbaar voorzieningenniveau
De volgende maatregelen leiden naar verwachting tot doelmatigheidswinst.
— Een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken leidt naar verwachting tot een besparing van 62
tot 88 miljoen euro. Dit wordt met name veroorzaakt door een substitutie-effect: de POH-
jeugd kan lichte hulp verlenen en daarmee een verwijzing voorkomen. De maatregel heeft
een positief effect op ervaringen van kinderen, jongeren en ouders, en kan helpen bij
normaliseren. Voor deze maatregel zijn gemeenten wel afhankelijk van de bereidheid van
de huisartsen om hieraan mee te werken.
— Het versnellen van de doorstroom naar de Wlz kan binnen de Jeugdwet tot een
besparing van 59 tot 85 miljoen euro leiden. Door een betere informatievoorziening
kunnen kinderen en jongeren die voldoen aan de criteria van de Wlz maar nog vanuit de
Jeugdwet geholpen worden eerder een Wlz-indicatie krijgen. Daarbij moet wel opgemerkt
worden dat deze maatregel naar verwachting tot een stijging van de kosten in de Wlz van
68 tot 98 miljoen zal leiden. Deze kosten zijn hoger dan de besparing in de Jeugdwet
omdat de tarieven in de Jeugdwet lager liggen dan in de Wlz,
— Als lokale teams direct hulp verlenen, worden trajecten goedkoper omdat de tarieven
van medewerkers van een lokaal team gemiddeld genomen lager liggen en het lokaal
team eerder afschaalt. Wel worden extra kosten gemaakt voor kinderen en jongeren die
anders niet in jeugdhulp gekomen waren. Daarmee wordt ingeschat dat deze maatregel
een effect kan hebben van tussen 1 miljoen extra kosten tot 10 miljoen euro aan
besparingen. Deze maatregel leidt daarnaast tot diverse positieve kwalitatieve effecten,
zoals een betere ervaring van de jeugdigen en meer werkplezier bij de professionals.
= Een randvoorwaarde voor deze maatregel is dat het lokaal team over de juiste
professionals beschikt. Daarom kan deze maatregel alleen samen ingevoerd worden
met het versterken van de kwaliteit van de toegang. Deze maatregel bleek per
saldo te leiden tot extra kosten van 1 tot 4 miljoen euro, omdat de extra kosten voor
de inzet van deze professionals hoger zijn dan de besparingen door betere kwaliteit,
Aangezien beide maatregelen samen naar verwachting tot een kleine besparing
leiden worden beide meegerekend in het totaaloverzicht.
Het totale resultaat voor deze twee maatregelen ligt daarmee tussen extra kosten van 4
miljoen euro en een besparing van 8 miljoen euro.
— Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband (zoals MKD’s en KDC’s) naar
reguliere kinderopvang of bso met extra ondersteuning leidt met name tot een
besparing omdat de ouders voor de reguliere kinderopvang zelf meebetalen, waar dit
voor MKD’s en KDC’s niet het geval is. De maatregel kan daarmee tussen 49 en 78 miljoen
euro besparen. Kosten van de gemeenten voor een eventuele sociaal-medische indicatie
voor ouders die niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag zijn daarbij niet
meegerekend. Dat geldt ook voor kosten voor het Rijk voor kinderopvangtoeslag. Daarbij
kan de maatregel leiden tot een betere toegankelijkheid, en meer passende en
inclusievere kinderopvang. Voor deze maatregel zijn gemeenten wel afhankelijk van de
bereidheid van de reguliere kinderopvang om dit te faciliteren. De ervaring in de
afgelopen jaren leert dat dit een moeizaam proces is.
— Het verhelderen van de afbakening tussen de Jeugdwet en het onderwijs leidt tot
minder overleg over leerlingen waarvan niet duidelijk is wie welke verantwoordelijkheid
heeft. Dit levert naar verwachting een besparing op van 0,7 tot 2 miljoen euro. Een
randvoorwaarde is wel dat de afbakening daadwerkelijk verhelderd wordt, wat overigens
GV572 28
Andersson Elffers Felix
ook kan leiden tot een verschuiving van kosten tussen jeugdhulp en onderwijs. Ondanks
verschillende onderzoeken is hier vooralsnog geen uitsluitsel over.
Voor het behalen van de besparing zijn gemeenten vaak afhankelijk van andere partijen
Er zijn voor alle maatregelen verschillende randvoorwaarden waaraan voldaan moet worden
om de besparing te kunnen realiseren zonder ten koste te gaan van de kwaliteit van de
jeugdzorg. Deze staan per maatregel toegelicht in Bijlage E Resultaten per maatregel. Veel van
die randvoorwaarden liggen binnen de invloedssfeer van gemeenten; sommigen ook niet. Het
gaat daarbij om:
— De bereidheid van huisartsenpraktijken om mee te werken aan de inzet van een POH-
jeugd;
— De mate waarin aanbieders bijdragen aan het versnellen van de doorstroom naar de Wlz,
door sneller indicaties aan te vragen;
— De bereidheid van kinderopvang om groepen jeugdigen van het KDC en MKD over te
nemen;
— De duidelijkere afbakening tussen jeugdhulp en passend onderwijs, waarmee de
discussies voorkomen kunnen worden.
De kans is reëel dat niet aan alle voorwaarden in alle gemeenten volledig voldaan wordt.
Daarmee kunnen de besparingen in de praktijk lager uitvallen. Omdat niet voorspeld kan
worden hoeveel lager, heeft de stuurgroep van dit onderzoek besloten om hiervoor geen
afslag op de berekeningen toe te passen. De afhankelijkheid van andere partijen is daarmee
onderdeel van de bestuurlijke weging van de resultaten van dit onderzoek.
Een deel van de maatregelen leidt niet of hooguit beperkt tot een besparing
In het onderzoek is van verschillende maatregelen geconstateerd dat die niet tot een
significante besparing leiden.
— Het gebruik van een afwegingskader zou medewerkers in de toegang helpen om te
bepalen wat er noodzakelijk is om vanuit jeugdhulp te bieden en wat er binnen eigen
netwerk georganiseerd kan worden om de zelfredzaamheid van een gezin te verhogen.
Het betreft dus geen landelijke norm, maar een lokale explicitering van afwegingen.
Daarmee zou het de instroom in jeugdhulp verlagen en dus kosten besparen. In het
onderzoek bleek dat een afwegingskader alleen goed werkt wanneer er voldoende is
ingezet op het versterken van de kwaliteit van de toegang. Tegelijkertijd bleek echter dat
wanneer de kwaliteit van de toegang hoog genoeg is, een afwegingskader niet tot extra
scherpe afwegingen leidt.
— Op dit moment streven veel gemeenten naar een outreachende manier van werken,
waarbij ze actief de wijk in gaan op zoek naar verborgen problematiek. Dit zorgt mogelijk
juist voor meer zorggebruik, omdat deze laagdrempeliger beschikbaar is. Daarom hebben
we onderzocht wat het effect is van het inperken van outreachende activiteiten.
Gemeenten blijken echter maar beperkt toe te komen aan outreachend werken.
Daarnaast blijkt uit het volume-onderzoek dat de instroom niet toeneemt, dus dat
outreachend werken maar beperkt tot extra jeugdhulptrajecten leidt, Daarmee zijn de
effecten van het inperken van outreachend werken naar verwachting zeer beperkt,
— De inzet van jeugdhulpprofessionals in het (regulier of speciaal) onderwijs bleek in
het onderzoek juist te leiden tot meer kosten: naar verwachting tussen 21 en 42 miljoen
euro. De maatregel brengt significante extra kosten met zich mee, vooral door omdat er
veel meer problemen gesignaleerd worden en omdat er meer tijd besteed wordt aan
netwerkoverleggen. De kosten die gemaakt worden om deze problemen op te pakken zijn
hoger dan de besparingen door het voorkomen van jeugdhulptrajecten.
GV572 29
Andersson Elffers Felix
— Uit het onderzoek bleek dat het budgetplafond in de praktijk niet tot besparingen leidt.
Dit komt met name omdat het bereiken van het budgetplafond vooral leidt tot het
verhogen van het budget of het onderbrengen van jeugdigen bij andere aanbieders en
niet tot andere afwegingen van professionals over bijvoorbeeld uitstroom. Dat het
budgetplafond bij jeugdhulp minder effectief is dan in andere wettelijke domeinen kan te
maken hebben met waar uiteindelijk de besluitvorming plaatsvindt: een rechte rug
houden bij het bereiken van een budgetplafond is voor een centrale organisatie ten
opzichte van een relatief anonieme patiënt makkelijker dan voor een wethouder die in de
lokale context werkt, dichter bij de cliënten. Daarnaast is in andere onderdelen van de
zorg ook zichtbaar dat de kosten lastig te beheersen zijn.
— De werkzame mechanismen van de taakgerichte bekostiging waarbij (een deel van) de
jeugdhulp voor een gebied bij één organisatie is belegd zijn voor een groot deel
gebaseerd op scherpere afwegingen die gemaakt zouden worden door aanbieders, In de
praktijk lijkt dit echter maar beperkt te gebeuren: driekwart van de aanbieders, die in de
praktijk de afwegingen zouden moeten maken, geeft aan dat deze vorm van bekostigen
niet leidt tot scherpere keuzes.
— Een besparing via het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders zou
voornamelijk voortvloeien uit het partnerschap dat ontstaat tussen gemeente en
aanbieders. Uit het onderzoek blijkt echter dat zowel gemeenten als aanbieders niet
herkennen dat het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders leidt tot
partnerschap. Op contractmanagement worden geen kosten bespaard, en de
administratieve lasten vallen juist hoger uit door het hoge aantal onderaannemers.
Voor vijf maatregelen is het niet mogelijk het effect te kwantificeren
Van vijf maatregelen was het binnen dit onderzoek niet mogelijk om tot een kwantificering
van een mogelijke besparing te komen.
— De interdisciplinaire afwegingen voor de duurste gezinnen, bij ondersteuning vanuit
meerdere domeinen of bij ieder traject met verblijf lijken, zoals toegelicht in paragraaf
5.2 Over integraal werken, vooral tot passendere ondersteuning te leiden. Het effect op de
kosten is nog niet eenduidig; de verschillen in de mate waarin de onderzochte casussen
tot een kostenbesparing of juist extra kosten leidden waren groot. Om met voldoende
zekerheid een mogelijke besparing te kunnen kwantificeren zouden de totale effecten
gedurende een langere periode structureel onderzocht moeten worden.
— Met resultaatgericht financieren per traject zijn wisselende ervaringen. Waar sommige
gemeenten herkennen dat de trajectprijs omlaag gaat, zien andere gemeenten eerder een
stijging. Andere veronderstelde effecten worden niet herkend, of kunnen nog niet worden
onderzocht omdat er te weinig gegevens beschikbaar zijn. Daarmee is het niet gelukt om
mogelijke besparingen aan de hand van deze maatregel te kwantificeren.
— In het onderzoek zijn verschillende activiteiten in het kader van actief contract-
management in beeld gebracht. Contractmanagement werd daarbij vooral ingezet als
manier om de sturing te implementeren. Het bleek dan ook niet mogelijk om in het
algemeen een eigenstandig effect op de kosten of de hoeveelheid benodigde inzet te
bepalen.
Met de onderzochte maatregelen kan naar verwachting 190 tot 240 miljoen euro
bespaard worden
Op basis van de onderzochte maatregelen komen we daarmee tot de conclusie dat er op
macroniveau 190 tot 240 miljoen euro bespaard kan worden binnen de Jeugdwet, door het
invoeren van onderstaande maatregelen.
GV572 30
Andersson Elffers Felix
Maatregel ikt
1. Een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken 62 tot 88 miljoen euro
4. Versnellen doorstroom naar Wlz door betere 59 tot 85 miljoen euro”
informatievoorziening
6. Directe hulpverlening door lokaal team -1 tot 10 miljoen
2. Het versterken van de kwaliteit van de toegang -4 tot -1 miljoen euro
door de inzet van professionals met een SKJ-
registratie of vergelijkbaar, en/of professionals die
specifiek zijn opgeleid voor de toegang
10. Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband 49 tot 78 miljoen euro
(zoals MKD’s en KDC’s) naar reguliere kinderopvang of
bso met extra ondersteuning
12, Afbakening Jeugdwet met onderwijs verhelderen 0,7 tot 2 miljoen euro
Totaal 190 tot 240 miljoen euro?
Geen van deze maatregelen kan op zeer korte termijn volledig ingevoerd worden
De invoering van bovenstaande maatregelen heeft uitvoeringsconsequenties, en vraagt om
tijdelijke investeringen.
— Voor de invoering van een POH-jeugd moet geïnvesteerd worden in een samenwerking
met huisartsen. Het zal naar verwachting enkele jaren duren voordat alle huisartsen
voldoende bereikt worden. Dit vraagt gedurende deze tijd overleggen vanuit beleids-
medewerkers en een inwerkperiode met verminderde productiviteit voor de POH.
— Betere informatievoorziening over de Wlz is al opgepakt door het CIZ, Wel is het van
belang dat jeugdhulpaanbieders hun processen erop inrichten dat de mogelijkheid tot
toegang tot de Wlz tijdig gesignaleerd wordt. Voor gemeenten is de investering hierop
beperkt.
— Voor directe hulpverlening in het lokale team moeten medewerkers geworven worden in
een krappe arbeidsmarkt, en in sommige gemeenten moet de samenstelling van het
lokale team veranderd worden. Vermoedelijk is voor dit grotere lokale team ook een
andere organisatiestructuur nodig. Het is dus wel mogelijk om relatief snel te starten met
zelf hulpverlenen, maar het duurt enkele jaren voor de volledige potentie bereikt is.
— Met het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang of bso zijn
verschillende gemeenten en aanbieders al meerdere jaren bezig. Hoewel op enkele
plaatsen successen behaald zijn, is dit een proces van een lange adem, waarbij de
samenwerking stap voor stap opgebouwd moet worden, en het regelmatig voorkomt dat
gesprekken toch nog afgebroken worden.
— De afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs kan op korte termijn tot lagere kosten
leiden, mits een dergelijke afbakening gevonden wordt. Daar is op dit moment nog geen
zicht op.
2 Deze maatregel leidt tot een verwachte stijging van de kosten in de Wlz met 68 tot 98
miljoen euro.
2% De bandbreedte van het totaalbedrag is kleiner dan de bandbreedtes van alle individuele
maatregelen opgeteld. In bijlage A.4 Bandbreedtes staat toegelicht hoe we omgaan met het
combineren van onzekerheden.
GV572 31
.
Andersson Elffers Felix
7 Mogelijkheden voor het Rijk
We hebben ook mogelijkheden onderzocht waarmee het Rijk het financiële beslag kan
verminderen
In aanvulling op de sturingsmogelijkheden die gemeenten hebben, kan het Rijk keuzes maken
die het budgettaire beslag van de Jeugdwet verlagen. Bij de start van dit onderzoek zijn
verschillende suggesties besproken; daarvan zijn er drie gekozen om mee te nemen in het
onderzoek”? Van een van deze opties, het wijzigen van het wettelijk kader van de Wlz om
meer jeugdigen door te laten stromen, is na een eerste analyse door de stuurgroep besloten
deze niet nader te laten onderzoeken
In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten van het onderzoek naar de inkomensafhankelijke
eigen bijdrage en de inkoop voor bepaalde zorgvormen op regionaal niveau, Meer details over
de analyse en de resultaten kunt u vinden in bijlage E Resultaten per maatregel.
7.1 Invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage
Om het jeugdhulpgebruik af te remmen kan een eigen bijdrage worden ingevoerd. Dat kan
een vast bedrag per maand zijn, of een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. In dit onderzoek
is in overleg met de stuurgroep een inkomensafhankelijke variant doorgerekend. De
achtergrond van deze keuze ligt onder andere in de discussie in hoeverre de maatschappij
moet bijdragen aan jeugdhulp bij lichte problematiek wanneer de ouders voldoende
draagkrachtig zijn om zelf hulp te kunnen betalen; en of het niet juist deze ouders zijn die het
beste de weg naar jeugdhulp te vinden. In het volume-onderzoek werd ook duidelijk dat het
mediane inkomen van gezinnen met jeugdhulp stijgt, met name voor lichtere vormen van
jeugdhulp (zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume).
Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage kan een fors financieel effect hebben
Voor het berekenen van het financiële effect is uit gegaan van de inkomensafhankelijke eigen
bijdrage die voor de Wmo gold, rekening houdend met de bedragen van 2016, het laatste jaar
dat er nog geen vrijstellingen bestonden voor specifieke groepen. Daarbij is er vanuit gegaan
dat de eigen bijdrage geldt voor alle vormen van jeugdhulp; jeugdhulp die opgelegd is vanuit
het gedwongen kader is hierin dus ook meegenomen, maar de jeugdbescherming en
jeugdreclassering zelf niet.
27 Meer informatie over deze suggesties, het proces en de achtergrond van de gemaakte
keuzes staat in bijlage A.1 Proces en keuze maatregelen.
2 De achtergrond van deze keuze staat ook nader toegelicht in bijlage A1 Proces en keuze
maatregelen,
GV572 32
.
Andersson Elffers Felix
Met deze uitgangspunten heeft de maatregel een flink financieel effect: naar verwachting leidt
dit tot een besparing tussen 0,8 en 1,2 miljard euro. Het grootste deel van de besparing zit in
de baten. Daarnaast is er een aanzienlijke besparing door cliënten die afzien van jeugdhulp.
Dit effect wordt echter gedeeltelijk teniet gedaan door geëscaleerde trajecten.
De maatregel heeft ook belangrijke kwalitatieve effecten, voornamelijk negatief
Omdat de maatregel erop gericht is om minder jeugdigen gebruik te laten maken van
jeugdhulp heeft deze een negatief effect op het welzijn van jeugdigen en hun gezinnen.
Daarnaast kan de maatregel zorgen voor een toename van kansenongelijkheid, zorgmijding,
schuldenproblematiek en kosten in andere wettelijke kaders. De eigen bijdrage is immers
weliswaar inkomensafhankelijk, maar ook bij de laagste inkomens is er enige eigen bijdrage.
Voor ouders in de bijstand kan € 20,- per maand al een significant bedrag zijn. Deze
kwalitatieve effecten zijn in kaart gebracht in lijn met de doorgerekende variant; als gekozen
wordt voor een lichtere variant, kunnen kwalitatieve effecten mogelijk minder negatief
uitpakken.
Doorrekenen van verschillende opties kan zinvol zijn voor verdere besluitvorming
In dit onderzoek hebben we de effecten doorgerekend uitgaande van een inkomens-
afhankelijke eigen bijdrage voor alle vormen van jeugdhulp. Dit kan gezien worden als de
meeste extreme beleidsoptie die denkbaar is. In de huidige berekeningen is bijvoorbeeld ook
gerekend met een eigen bijdrage voor jeugdhulp die opgelegd wordt in het gedwongen kader.
Dit kan tot complexe situaties leiden, bijvoorbeeld wanneer door de rechter jeugdhulp is
opgelegd en daarvoor een eigen bijdrage betaald moet worden door ouders aan wie het
gezag is ontzegd. De mogelijke besparing is uiteraard lager als de eigen bijdrage voor
sommige vormen van jeugdhulp geldt; bijvoorbeeld wanneer jeugdhulp in gedwongen kader
of zwaardere vormen van jeugdhulp worden uitgezonderd.
Een alternatieve optie voor een eigen bijdrage zou zijn om een eigen bijdrage te vragen voor
KDC'’s en MKD'’s in lijn met de kosten die ouders normaliter zouden maken voor de
kinderopvang. Daarmee zou het grootste deel van de besparingen van de maatregel rondom
het verplaatsen van jeugdhulp naar kinderopvang behaald kunnen worden zonder de
afhankelijkheid van de kinderdagverblijven om mee te werken.
7.2 Inkoop voor bepaalde zorgvormen op regionaal niveau
Momenteel verschilt het per regio welke jeugdhulp regionaal of op gemeentelijk niveau wordt
ingekocht. Met deze maatregel wordt geformaliseerd op welk niveau (gemeentelijk, regionaal
of bovenregionaal) gemeenten het hulpaanbod voor jeugdigen moeten inkopen.
Deze maatregel is opgenomen in de conceptversie van de voorgenomen wijziging van de
Jeugdwet (Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen). Een deel van de hulp die nu
nog op gemeentelijk niveau wordt georganiseerd, zal na de wijziging op (boven)regionaal
niveau worden ingekocht. In het huidige voorstel gaat het om de beschikbaarheid van
hoogspecialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp, specialistische verblijfsfuncties en
hulp in het kader van urgente crisissituaties. Gemeenten kunnen de andere jeugdhulp,
waaronder opvoed- en gezinsondersteuning en preventieve taken, wel zelf inkopen.
Inkoop op regionaal niveau verplichten heeft weinig impact op de kosten
Met de maatregel zouden naar verwachting de administratieve lasten van aanbieders
verlaagd worden. Omdat het hier enkel gaat om het regionaliseren van de inkoop en niet van
de toegang blijkt echter uit het onderzoek dat deze besparing nog beperkt in omvang is. De
GV572 33
Andersson Elffers Felix
kosten die gemeenten maken voor de inkoop nemen eerder toe dan af, omdat tegenover de
dalende lasten voor contractmanagement stijgende kosten voor regionale afstemming staan.
Het totale effect wordt verder gedempt doordat al veel regionaal wordt ingekocht. Bij elkaar
leidt de maatregel naar verwachting tot een effect dat ligt tussen een kostenstijging van 4
miljoen en een besparing van 7 miljoen euro.
De afweging moet dus vooral gemaakt worden op basis van de kwalitatieve effecten
Omdat het financiële effect zowel positief als negatief kan uitvallen, maar in elk geval per
saldo beperkt is zal de afweging over het invoeren van de maatregel gebaseerd moeten
worden op de kwalitatieve effecten, risico’s en randvoorwaarden. Afwegingen in dit kader
kunnen bijvoorbeeld zijn de toename in continuïteit en toegankelijkheid, verbeterde
samenwerking tussen gemeenten enerzijds en de verminderde lokale verbinding en lokale
beleidsvrijheid anderzijds.
GV572 34
Andersson Elffers Felix
8 Conclusies en adviezen
In het onderzoek is gekeken naar het structurele tekort bij een doelmatige en
doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet
Om te bepalen wat het structurele tekort is bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering
van de Jeugdwet, hebben we in het onderzoek het bestaande kostenniveau in 2019 als
uitgangspunt genomen. Vervolgens hebben we onderzocht of er in dat huidige kostenniveau
tijdelijke extra kosten zitten, naar aanleiding van een boeggolfeffect; dat zou immers
betekenen dat het structurele tekort lager is. Tot slot hebben we gekeken naar de
mogelijkheden om doelmatiger te werken en mogelijkheden voor het Rijk om het
kostenbeslag te verminderen, om te komen tot het structurele tekort bij een doelmatige en
doeltreffende uitvoering. Alle keuzes in het onderzoek zijn afgestemd met een
begeleidingsgroep en een stuurgroep.
De basis voor het tekort bedraagt 1,6 - 1,8 miljard euro, uitgaande van kosten en
budget 2019
Op basis van een vergelijking van de kosten van gemeenten en het budget in 2019 blijkt dat de
basis voor het tekort tussen de 1,6 miljard euro en 1,8 miljard euro bedroeg. Het tijdelijke extra
budget (400 miljoen euro in 2019) is niet meegenomen, omdat het doel is om het structurele
tekort te berekenen. Aan de kostenkant zijn niet alleen kosten voor individuele voorzieningen
meegenomen (4,7 miljard euro), maar ook kosten voor de toegang en intensiveringen in
lokale teams en het voorliggend veld (0,7 tot 0,9 miljard euro). Volgens de beleidstheorie van
de Jeugdwet is het immers juist de bedoeling dat gemeenten investeren aan de voorkant.
Zowel voor individuele voorzieningen als voor het voorliggend veld zijn de kosten met name
vanaf 2017 gestegen.
De kostenstijging voor individuele voorzieningen jeugd wordt veroorzaakt door
achterblijvende uitstroom en hogere kosten per cliënt per jaar
Uit het onderzoek blijkt dat het aantal cliënten in jeugdhulp de afgelopen jaren is gestegen.
De instroom is in die jaren constant gebleven. Wel maken relatief meer gezinnen met hogere
inkomens gebruik maken van jeugdhulp, met name ambulante jeugdhulp. Dit roept de vraag
op of de juiste doelgroep bereikt wordt. Juist bij gezinnen met lagere inkomens werd immers
meer verborgen problematiek verwacht die door het lokaal organiseren van jeugdhulp aan
het licht zou kunnen worden gebracht.
De stijging in het aantal cliënten wordt veroorzaakt doordat de uitstroom structureel lager is
dan de instroom. De kosten per cliënt per jaar nemen ook toe, dus dit wordt niet veroorzaakt
door ‘waakvlamcontacten’. De jeugdhulp per cliënt is dus duurder geworden, en duurt langer.
GV572 35
Andersson Elffers Felix
Het uitgangspunt om er zo vroeg mogelijk bij te zijn leidt tot hogere kosten binnen de
Jeugdwet
Onderdeel van de beleidstheorie van de Jeugdwet is dat een brede inzet op preventie en
vroegsignalering leidt tot kostenbesparing binnen de Jeugdwet. Een belangrijke conclusie in
het onderzoek is dat deze aanname niet terecht is, Daarmee is niet gezegd dat preventie en
vroegsignalering niet zinvol zouden zijn. Voor kinderen, jongeren en gezinnen is het immers
positief als problemen voorkomen worden. Het is ook mogelijk dat deze investeringen leiden
tot kostenbesparingen in andere wettelijke kaders, Op basis van het onderzoek is echter
duidelijk dat de kosten binnen het jeugddomein, op enkele uitzonderingen na, door beter en
steviger in te zetten op preventie en vroegsignalering eerder hoger dan lager worden.
Zowel kosten als baten van integraal werken vallen breder dan het jeugddomein
In dit onderzoek zijn interventies en maatregelen binnen het jeugddomein in relatieve
afzondering onderzocht. In de praktijk zijn deze echter sterk verweven met zowel kosten als
baten in andere domeinen. Waar het gaat om de effecten van preventie en vroegsignalering,
en van diverse vormen van interdisciplinaire afweging, is langduriger onderzoek naar kosten
en baten in verschillende maatschappelijke domeinen nodig.
Gemeenten hebben een aantal mogelijkheden om doelmatigheidswinst te behalen: er
kan 190 - 240 miljoen euro bespaard worden met vijf onderzochte maatregelen
In het onderzoek zijn verschillende maatregelen onderzocht waarmee gemeenten
doelmatiger kunnen werken, en daarmee de kosten van de uitvoering van de Jeugdwet
kunnen verminderen. Van deze maatregelen hadden er vijf een positief effect:
— Invoering van een POH-jeugd bij huisartsen (62 — 88 miljoen euro);
— Tijdige doorstroming naar de Wlz als kinderen daarvoor in aanmerking komen (59 tot 85
miljoen euro);
— Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang en bso (49 tot 78
miljoen euro);
— Hulpverlening in lokale teams, waarbij hoogopgeleide medewerkers in de toegang een
randvoorwaarde zijn (- 4 tot 8 miljoen euro);
— Een duidelijker afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs (0,7 tot 2 miljoen euro).
Met de invoering van deze maatregelen kan tussen de 190 en 240 miljoen euro per jaar
bespaard worden binnen de Jeugdwet.
Het effect van sommige sturingsmogelijkheden is beperkt door de negatieve financiële
effecten van preventie en vroegsignalering
Veel van de onderzochte maatregelen hadden als onderdeel van de werkzame mechanismen
een inzet op vroegsignalering, om daarmee op termijn hogere kosten te voorkomen. Het
onderzoek naar preventie en vroegsignalering, om de veronderstelde boeggolf te analyseren,
heeft echter laten zien dat dit (binnen de Jeugdwet) slechts in specifieke gevallen tot
verlaging van de kosten leidt. Dat betekent dat het effect van verschillende maatregelen lager
is uitgevallen dan vooraf wellicht verwacht werd.
In het onderzoek zijn concrete besparingsopties onderzocht op basis van de huidige
uitgangspunten van de Jeugdwet
Het onderzoek vormt een basis voor de gesprekken over het budget voor de Jeugdwet. Het is
dus van belang dat de uitkomsten niet alleen in theorie haalbaar zijn, maar ook in de praktijk.
Daarom is voor het berekenen van mogelijkheden om doelmatiger te werken aangesloten bij
de feitelijke mogelijkheden die gemeenten hebben, en is onderzocht of deze gekwantificeerd
konden worden op basis van de ervaringen van gemeenten die deze maatregelen al
uitvoeren. Deze gemeenten doen dat in lijn met de huidige interpretatie van de
GV572 36
Andersson Elffers Felix
uitgangspunten van de Jeugdwet, dus de uitkomsten van de maatregelen zijn daar ook op
gebaseerd. We zien dan ook dat sommige onderzochte maatregelen geen besparing
opleveren, terwijl dat op grond van ervaringen in andere stelsels wel de verwachting was, of
niet te kwantificeren zijn. Als de uitgangspunten van de Jeugdwet of de interpretatie daarvan
veranderen, bijvoorbeeld naar aanleiding van dit onderzoek, kunnen maatregelen anders
uitpakken.
Daarnaast zijn niet alle mogelijke suggesties onderzocht om tot verlaging van de kosten te
komen. Op basis van het volume-onderzoek, waarin duidelijk werd dat de toename in het
aantal cliënten niet door toenemende instroom maar achterblijvende uitstroom veroorzaakt
wordt, zou het sturen op snellere uitstroom nog een aanknopingspunt kunnen bieden voor
gemeenten. In het onderzoek zijn geen maatregelen naar voren gekomen die voldoende
concreet waren en draagvlak hadden bij de begeleidingsgroep en de stuurgroep. Nu het
belang van tijdige uitstroom inzichtelijk is, is het mogelijk dat hier andere keuzes in gemaakt
worden, met andere uitkomsten tot gevolg.
Op basis van de huidige uitgangspunten is het structurele tekort 1,3 tot 1,5 miljard euro
Om het structurele tekort te bepalen, hebben we gekeken naar het tekort in 2019, en
vervolgens naar de vragen in hoeverre de kosten naar verwachting nog zullen dalen door een
verwacht boeggolf-effect; en welke mogelijkheden gemeenten hebben om doelmatiger te
werken binnen de huidige uitgangspunten van de Jeugdwet.
— Op basis van het onderzoek hebben we geconstateerd dat het tekort in 2019 tussen de 1,6
en 1,8 miljard euro bedroeg.
— Op basis van de analyse van preventie en vroegsignalering hebben we geconstateerd dat
er eerder sprake is van een verhoging van het waterpeil dan van een boeggolf, en dat de
kosten dus niet zonder meer zullen dalen. Wel kan verwacht worden dat de algemene
transitiekosten die aan een dergelijke grote verandering gerelateerd zijn op den duur
wegvallen; daarbij gaat het om ongeveer 56 miljoen euro per jaar, voor tien jaar, gerekend
vanaf de decentralisatie,
— Daarnaast hebben we geconstateerd dat gemeenten 190 tot 240 miljoen euro kunnen
besparen door doelmatiger te werken.
Daarmee komt het structurele tekort uit tussen 1,3 en 1,5 miljard euro.
Met de invoering van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage kan er nog 0,8 tot 1,2
miljard euro bespaard worden
Een beleidsoptie voor het Rijk die onderzocht is, is het invoeren van een
inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Daarbij hebben we gekeken naar een uiterste optie: een
inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor alle vormen van jeugdhulp, waarbij dus alleen
jeugdbescherming en jeugdreclassering niet zijn meegenomen. Op basis daarvan kan er naar
verwachting tussen 0,8 en 1,2 miljard euro bespaard worden. Deze besparingen vallen
uiteraard (fors) lager uit als gekozen wordt voor een inkomensafhankelijke eigen bijdrage
voor bepaalde vormen van jeugdhulp of als de eigen bijdrage inkomensonafhankelijk wordt.
Ook moet in de afweging rekening gehouden worden met de verwachte negatieve effecten op
het welzijn van jeugdigen en hun gezinnen, en de verwachte toename van
kansenongelijkheid, zorgmijding, schuldenproblematiek en kosten in andere wettelijke
kaders,
Onterechte aannames onder de Jeugdwet hebben bijgedragen aan het ontstaan van het
tekort
In de Jeugdwet zitten verschillende aannames die ertoe leiden dat het voorzieningenniveau
hoger wordt, met een hoger kostenniveau tot gevolg.
GV572 37
Andersson Elffers Felix
— Sinds de decentralisatie hebben gemeenten volop ingezet op preventie en
vroegsignalering, in de veronderstelling dat hiermee op termijn de kosten binnen de
Jeugdwet zouden dalen. Toen in de volgende jaren de kosten bleken te stijgen, is die
inzet in sociale lokale teams en voorliggend veld verder verstevigd. De analyse van het
effect van preventie en vroegsignalering laat zien dat een brede inzet op preventie en
vroegsignalering ook op termijn niet leidt tot een afname van kosten, maar eerder tot een
stijging van het waterpeil, Deze inzet lijkt niet de oorzaak van de stijging in het
jeugdhulpvolume (de instroom neemt immers niet toe), maar leidt wel tot een stijgend
voorzieningenniveau (en daarmee stijgende kosten) in voorliggend veld.
— Daarnaast wordt in de Jeugdwet het belang benadrukt van ‘doen wat nodig is’. Dit komt
tot uiting in de uitgangspunten van integraliteit en ruimte voor professionals. Op het
niveau van een individueel kind is echter niet altijd duidelijk wat nodig is. Als een extra
sessie op basis van wetenschappelijke inzichten niets toevoegt, maar een gezin wel extra
vertrouwen geeft om weer op eigen kracht door te gaan, kan gesteld worden dat hij nodig
is, Zo kan ‘doen wat nodig is’ onbedoeld leiden tot langere trajecten, en daarmee tot een
hoger voorzieningenniveau. Er zijn echter ook kosten aan verbonden.
De stijgende tekorten zijn daarmee tenminste voor een deel een direct gevolg van de
beleidstheorie waaraan Rijk en gemeenten zich gezamenlijk verbonden hebben voorafgaand
aan de decentralisatie,
De conclusies geven aanleiding tot een discussie over de bedoeling van jeugdhulp
Een brede inzet op preventie en vroegsignalering leidt weliswaar niet tot lagere kosten in de
jeugdzorg, maar kan nog wel invloed hebben op kosten in andere wettelijke kaders, en heeft
daarnaast een positieve invloed op het welzijn van jeugdigen. Uit het onderzoek blijkt dat
door deze inzet het voorzieningenniveau met name voor lichtere problematiek (waarvoor
geen individuele voorziening ingezet wordt) gestegen is naar aanleiding van de Jeugdwet.
Tegelijkertijd is de vraag of het huidige kostenniveau op termijn houdbaar is,
Op basis van het huidige onderzoek constateren we dat steviger inzetten op preventie en
vroegsignalering niet zal leiden tot een verlaging van het kostenniveau binnen de Jeugdwet.
Daarmee ontstaat er een noodzaak om het gesprek te voeren over de bedoeling van de
jeugdhulp, en welk voorzieningenniveau daarbij gewenst is, Een eventuele aanpassing van dit
voorzieningenniveau is een afweging die op politiek niveau gemaakt moet worden. Dit
onderzoek kan een basis bieden voor een expliciete en onderbouwde afweging.
Op basis van dit onderzoek constateren we dan ook dat er een stevig tekort is op de middelen
jeugd, en dat binnen het huidige stelsel dat tekort in potentie nog stevig verder kan stijgen.
Daarmee lijkt er naast een eventuele bijstelling van het budget meer nodig is om tot een
beheersbaar kostenniveau te komen, zoals een discussie over het voorzieningenniveau, de
omschreven maatregelen ter vergroting van doelmatigheid en strakke sturing om meer grip te
krijgen op jeugdhulp. In de volgende paragrafen gaan we in op adviezen hierover aan Rijk en
gemeenten.
8.1 Adviezen voor het Rijk
Bezie de tekorten in de context van de beleidstheorie van de Jeugdwet
In het onderzoek hebben we geconstateerd dat er bij doelmatige en doeltreffende uitvoering
van de Jeugdwet een structureel tekort is van 1,3 tot 1,5 miljard euro. Daarnaast blijkt uit het
onderzoek dat de hoogte van dit tekort, en de beperkte mogelijkheden om dit met
doelmatigheidsinspanningen verder omlaag te brengen, nauw samenhangt met de
beleidstheorie van de Jeugdwet. Het is van belang om in gesprekken over oplossings-
GV572 38
Andersson Elffers Felix
richtingen deze samenhang te erkennen en daar rekening mee te houden in de duiding van
het tekort.
Herijk de financiële aspecten van de beleidstheorie van de Jeugdwet
De impliciete aanname achter de uitgangspunten van de Jeugdwet is dat de doeltreffend-
heidswinst van een betere uitvoering opweegt tegen het doelmatigheidsverlies van meer
maatwerk en een groter bereik, Uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is, We adviseren
daarom dit financiële aspect van de beleidstheorie van de Jeugdwet te herijken. Uit de
analyse blijkt namelijk dat het kostenniveau zonder aanpassing van de uitgangspunten zal
blijven stijgen, terwijl de beleidstheorie suggereert dat ze zullen dalen.
Voer - in samenspraak tussen Rijk en gemeenten - een fundamentele discussie over het
gewenste voorzieningenniveau
Door de onterechte aanname over de financiële effecten van preventie en vroegsignalering
hebben gemeenten in de afgelopen jaren hard gebouwd aan de opbouw van een voorliggend
veld waarin zoveel mogelijk jeugdigen goed geholpen kunnen worden. Ook is er op
verschillende plekken gepoogd om professionals meer ruimte te geven voor eigen
afwegingen. Het onderzoek laat echter zien dat deze werkwijze, met een stevige inzet op “er
eerder bij zijn” en meer ruimte voor professionals, niet tot een verlaging van de kosten op de
lange termijn gaat leiden.
Deze conclusie roept fundamentele vragen op: hoeveel geld hebben we als maatschappij over
voor het welzijn en de mogelijkheden tot ontwikkeling van kinderen? Waar voelen we ons als
maatschappij verantwoordelijk voor, en wat moeten gezinnen zelf oplossen? Nu blijkt dat de
kosten binnen de Jeugdwet niet omlaag te brengen zijn door meer preventie en vroeg-
signalering, zijn dergelijke politieke vragen onvermijdelijk. Om die vragen te beantwoorden
en vervolgens de (eventueel) benodigde verandering in gang te zetten is de inzet van zowel
het Rijk als gemeenten nodig. Dit vraagt dus dat zij hier samen over in gesprek gaan, om een
gezamenlijke basis te leggen voor een oplossing voor de structurele tekorten.
Betrek ook mogelijkheden in andere wettelijke kaders bij de afweging over het
voorzieningenniveau
In dit onderzoek hebben we voornamelijk gekeken naar interventies en effecten binnen de
Jeugdwet, Veel problematiek die uiteindelijk leidt tot jeugdzorggebruik, zoals
schuldenproblematiek, ontstaat echter elders. Gemeenten hebben vanuit hun bredere
verantwoordelijkheid invloed op sommige van die domeinen; tegelijkertijd zijn hun
mogelijkheden om deze problemen op te lossen vaak beperkt. Zo zijn gemeenten
verantwoordelijk voor schuldhulpverlening, maar met het Rijk als grootste schuldeiser zijn er
stevige beperkingen aan wat daarin van gemeenten verwacht kan worden. Op andere
belangrijke domeinen - in het bijzonder onderwijs en kinderopvang - hebben gemeenten
zelfs wettelijk gezien weinig invloed.
De mogelijkheden voor gemeenten om aan een brede pedagogische basis te werken, zijn in
de praktijk dus in hoge mate beperkt. Het is van belang dat het Rijk in de oplossing voor het
jeugdhulpprobleem voorbij de Jeugdwet kijkt, en ook expliciete verantwoordelijkheden
neerlegt bij andere partijen die vanuit hun rol en verantwoordelijkheid kunnen bijdragen aan
die brede pedagogische basis,
Als aanpassingen aan het voorzieningenniveau gewenst zijn, neem dan voldoende tijd
om tot dit niveau te komen
Het aanpassen van het voorzieningenniveau, en dan vooral het verlagen van het
voorzieningenniveau, gaat niet van de ene op de andere dag. De samenleving is inmiddels
GV572 39
Andersson Elffers Felix
gewend aan een grotere rol van de overheid bij lichte problemen, en het vraagt een
cultuurverandering bij gemeenten, jeugdzorgorganisaties en de gehele maatschappij om dit
terug te draaien. Als de afwegingen over het voorzieningenniveau ertoe leiden dat aanpassing
gewenst is, adviseren we het Rijk daarom dan ook om voldoende tijd te nemen om tot het
gewenste voorzieningenniveau te komen.
Houd bij een overgang rekening met transitiekosten
Een eventuele aanpassing van het voorzieningenniveau zal daarbij ook vragen van
gemeenten dat ze anders gaan werken. Waar het beleid zich nu richt op het uitbreiden van het
voorliggend veld, kan een discussie over het gewenste voorzieningenniveau met zich
meebrengen dat op zoek gaan naar verborgen problematiek minder wenselijk wordt
gevonden, of dat hier een scherpere selectie in plaats vindt.
Dat betekent dat gemeenten in elk geval werkprocessen zullen moeten aanpassen, en
vermoedelijk ook zullen moeten investeren in opleiding en training. Op basis van de inzichten
uit het onderzoek kan verwacht worden dat de wijziging niet in één keer succesvol zal zijn. Bij
een overgang moet dan ook rekening gehouden worden met transitiekosten.
Aanvaard de gevolgen van een eventuele verlaging van het voorzieningenniveau en
communiceer hier eerlijk over
Rijk en gemeenten hebben gezamenlijk de beleidstheorie van de Jeugdwet omarmd, en die
lijn in de afgelopen jaren beiden gecommuniceerd. Als besloten wordt tot het verlagen van
het voorzieningenniveau, bijvoorbeeld door bij minder problematiek een rol voor de overheid
te zien, of te sturen op het verkorten van trajecten, staan gemeenten ervoor aan de lat om dit
door te voeren. Dit is echter een moeilijke boodschap, waar zij steun van het Rijk voor nodig
hebben. Het is van belang dat ook het Rijk zich realiseert dat het verlagen van het
voorzieningenniveau consequenties heeft en zich eraan committeert om deze consequenties
samen met gemeenten te dragen. Dat betekent in lijn met de geldende bestuurlijke en
financiële verhoudingen onder andere een heldere communicatielijn naar de samenleving,
een eerlijk debat in de Tweede Kamer en grote terughoudendheid met het stellen van
additionele eisen aan de kwaliteit of het voorzieningenniveau, tenzij hier extra middelen voor
ter beschikking gesteld worden.
8.2 Adviezen voor gemeenten
Voer een fundamentele discussie over het gewenste voorzieningenniveau
Uit het onderzoek blijkt dat een brede inzet op preventie en vroegsignalering niet zonder
meer tot een verlaging van de kosten op de lange termijn gaat leiden. Dat betekent dat in de
lokale politiek een ander type afweging gemaakt moet worden: hoeveel geld heeft de
gemeente over voor het welzijn en de mogelijkheden tot ontwikkeling van kinderen in relatie
tot andere domeinen? Waar voelen we ons als gemeente verantwoordelijk voor, en wat
moeten gezinnen zelf oplossen? Op basis van de informatie in dit onderzoek kunnen
dergelijke afwegingen beter gemaakt worden, die meer ruimte geven voor lokale keuzes. Het
is van belang dat binnen gemeenteraden hier het goede gesprek over gevoerd wordt.
Maak de keuze tussen de kosten en de maatschappelijke baten voor jeugdhulp expliciet
Preventie en vroegsignalering blijken weliswaar niet kosteneffectief binnen de Jeugdwet,
maar kunnen wel het welzijn en de ontplooiingsmogelijkheden van de kinderen, jongeren en
gezinnen verbeteren. Daarnaast kunnen er financiële baten in andere domeinen uit volgen,
die in dit onderzoek niet gekwantificeerd zijn. Dit onderzoek is dan ook zeker geen
aanbeveling om bepaalde activiteiten niet uit te voeren; wel adviseren we om zowel kosten als
GV572 40
Andersson Elffers Felix
maatschappelijke baten van jeugdzorg expliciet te maken, zodat de afweging op basis van de
juiste informatie gemaakt kan worden.
Leg een grotere nadruk op normaliseren, demedicaliseren en eigen kracht
Uit het onderzoek blijkt dat de uitgangspunten van normaliseren, demedicaliseren en eigen
kracht op gespannen voet staan met de andere uitgangspunten van de Jeugdwet. Daardoor
zijn zij in de afgelopen jaren op de achtergrond geraakt. Uit dit onderzoek blijkt echter dat de
andere uitgangspunten weliswaar de kwaliteit van de geboden jeugdhulp (bijvoorbeeld bij
integraal werken) en het voorzieningenniveau kunnen verhogen, maar weinig aanknopings-
punten bieden voor een kostenbesparing. Een grotere nadruk op normaliseren,
demedicaliseren en eigen kracht biedt wel enige mogelijkheden om binnen de uitgangs-
punten van de Jeugdwet kosten te besparen ten opzichte van de huidige situatie, In de
afgelopen jaren zijn deze uitgangspunten echter beperkt geoperationaliseerd. Het is daarom
van belang om dit complexe vraagstuk actief op te pakken en manieren te ontwikkelen om dit
concreet te maken.
Overweeg de invoering van een POH-jeugd, het versnellen van de doorstroom naar de
Wlz en het verplaatsen van jeugdhulp naar kinderopvang
In het onderzoek zijn verschillende mogelijke maatregelen waarmee gemeenten op de kosten
kunnen sturen onderzocht. Het invoeren van een POH-jeugd, het versnellen van de
doorstroom naar de Wlz en het verplaatsen van jeugdhulp naar kinderopvang blijken daarbij
de grootste potentiële besparingen met zich mee te brengen. We adviseren gemeenten
daarom om in elk geval de invoering van deze maatregelen te overwegen. Tijdig investeren in
goede relaties met relevante partijen (huisartsen, aanbieders en kinderdagverblijven) is
daarbij van belang, gezien de grote afhankelijkheid van hun medewerking.
Onderzoek belemmeringen voor uitstroom en stuur hierop
In de afgelopen periode is vaak gesteld dat de stijging van het jeugdhulpgebruik tenminste
gedeeltelijk te wijten zou zijn aan een stijgende instroom, omdat de gemeenten (te) actief op
zoek zouden zijn naar verborgen problematiek. Een opvallende conclusie in het onderzoek is
dat de stijging in het jeugdhulpvolume niet zozeer veroorzaakt wordt door een stijgende
instroom, maar door een achterblijvende uitstroom. Dit impliceert ook dat effectieve
sturingsmethoden van gemeenten, in aanvulling op de maatregelen onderzocht in dit
onderzoek, waarschijnlijk vooral te vinden zijn in het onderzoeken van belemmeringen voor
uitstroom en het sturen op die uitstroom.
Daarbij is het van belang om te beseffen dat dit soms strijdig kan zijn met het uitgangspunt
van meer ruimte voor de professional. Dit dilemma zou in het gesprek over de uitgangspunten
van de Jeugdwet besproken moeten worden. Daarnaast is het van belang om te onderzoeken
wanneer eerder afschalen of uitstromen verantwoord mogelijk is en hierop te handelen.
Hanteer realistische termijnen en kostenramingen voor de implementatie van nieuwe
werkwijzen
De implementatie van nieuwe werkwijzen vraagt tijd en investeringen. Complicerende factor
daarbij kan bijvoorbeeld zijn dat er een afhankelijkheid is van andere partijen. Daarnaast is
een verandering vaak ook niet “in één keer raak”, maar is er sprake van een cyclus van
bedenken, doen, resultaat bekijken en daarop weer ingrijpen. In de beschrijving van de
maatregelen hebben we steeds een indicatie opgenomen van het kostenniveau en van de
termijn waarop een besparing gerealiseerd kan worden. We adviseren gemeenten om hier
realistische termijnen en kostenramingen voor te hanteren.
GV572 41
Andersson Elffers Felix
Scherp het beleid waar nodig aan naar aanleiding van de inzichten uit dit onderzoek
Uit het onderzoek blijkt dat concrete maatregelen slechts beperkt bijdragen aan het
terugdringen van de tekorten. Er is dus geen gemakkelijk recept waarmee gemeenten grip
kunnen krijgen op het sociaal domein. Wel geeft dit onderzoek enkele belangrijke handvatten
waarmee gemeenten hun beleid kunnen aanscherpen:
— Op basis van de kennis dat ‘er eerder bij zijn’ niet automatisch leidt tot lagere kosten
binnen het bestek van de Jeugdwet kan er een betere afweging gemaakt worden over de
manier waarop preventie en vroegsignalering ingezet worden.
— Ook de stijging van het mediane inkomen van gezinnen in vooral ambulante jeugdhulp
kan aanleiding zijn voor een herijking van de toegang tot jeugdhulp. Hoewel ook kinderen
in rijkere gezinnen met ernstige problemen kunnen kampen, roept deze verschuiving wel
de vraag op of de juiste gezinnen bereikt worden.
— Het inzicht dat de stijging in volume vooral veroorzaakt wordt door achterblijvende
uitstroom is aanleiding om binnen de gemeente te onderzoeken waardoor cliënten langer
in jeugdhulp blijven en hier gericht op te handelen. Een knelpunt in de keten dat snel op-
of afschalen bemoeilijkt vraagt bijvoorbeeld een andere aanpak dan overbehandeling.
— Een laatste belangrijke notie is de toename in gemiddelde kosten per cliënt per jaar. In
combinatie met de tekorten bij een deel van de jeugdhulpaanbieders en winsten bij
andere, ligt het voor de hand om vormen van tariefdifferentiatie te overwegen.
=— Ook maatregelen waar in dit onderzoek geen besparing voor is gevonden, kunnen met
andere uitgangspunten bijdragen aan sterkere sturing. Een voorbeeld hiervan is het
budgetplafond. Als een gemeente het geen probleem vindt dat (bepaalde groepen)
kinderen lang moeten wachten op hulp, kan een budgetplafond bijdragen aan grip.
Het is van belang dat deze inzichten gericht ingezet worden, in samenhang met de rest van de
sturing in het sociale domein.
Versterk de monitoring op beleidsdoelen, zodat tijdig bijsturen mogelijk is
Het van belang dat verschillende sturingsinstrumenten onderling consistent zijn en
gebaseerd zijn op een duidelijke visie. Daarnaast is het alleen mogelijk om sturing verder te
ontwikkelen als zicht is op de effecten van het gekozen beleid, zowel financieel als
inhoudelijk. In het onderzoek hebben we geconstateerd dat gemeenten dit inzicht vaak
beperkt hebben. Daarmee is niet duidelijk wat succesvol is en wat niet, en waar bijgestuurd
moet worden. We adviseren gemeenten om de monitoring op beleidsdoelen te versterken.
8.3 Tot slot
In de afgelopen jaren hebben gemeenten, aanbieders, jeugdhulpprofessionals, andere
experts hun schouders gezet onder een enorme klus: het decentraliseren en tegelijkertijd
transformeren van het hele jeugdstelsel, In die jaren is ook regelmatig gereflecteerd op
voortgang, waarbij geregeld werd vastgesteld dat het om taaie en complexe materie gaat, en
dat de transformatie gestaag gestalte krijgt.
De lopende discussies over financiering van het stelsel maken het daarbij niet makkelijker. De
verwachte financiële baten van de transformatie bleven uit, en de onzekerheid over de
toekomstige ontwikkelingen maakte het ingewikkeld om structurele afspraken te maken over
het benodigde budget.
Het doel van dit onderzoek was om een stevige basis te leggen onder dit gesprek. De
uitkomsten van het onderzoek laten echter zien dat er eerst een ander gesprek gevoerd moet
worden; over de uitgangspunten van de Jeugdwet en het gewenste voorzieningenniveau. De
GV572 42
.
Andersson Elffers Felix
resultaten van dit onderzoek zijn voeding voor dit gesprek, De uiteindelijke afweging is aan de
politiek.
Om te kunnen komen tot de inzichten die we hebben opgedaan hebben we bij een groot
aantal partijen informatie opgehaald, waaronder veel gemeenten, aanbieders en experts. Wij
willen iedereen die aan het onderzoek deelgenomen heeft hartelijk danken voor de openheid,
de inzichten en de gegevens die jullie met ons gedeeld hebben. We hebben jullie, in
Coronatijd, veel vragen gesteld, die niet altijd gemakkelijk te beantwoorden waren. We
waarderen het enorm dat jullie de tijd hebben genomen om samen met ons te zoeken naar
manieren om daar toch een stap verder in te komen.
GV572 43
Andersson Elffers Felix
Bijlagen
Andersson Elffers Felix
A Onderzoeksverantwoording
In dit onderzoek hebben we gekeken naar het structureel benodigde budget bij een
doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet. Dat is een stevige onderzoeksvraag,
en die vraagt om een stevige aanpak én verantwoording. In deze bijlage lichten we toe welke
uitgangspunten onder de aanpak hebben gelegen en hoe we het onderzoek hebben
opgebouwd.
Uitgangspunten voor het onderzoek
We nemen de huidige kosten van gemeenten als uitgangspunt
Om te komen tot het structureel benodigde budget bij een doelmatige en doeltreffende
uitvoering, zijn er op hoofdlijnen twee routes mogelijk:
— Inde top-downmethode wordt een doeltreffende en doelmatige uitvoering gebaseerd
op de inhoud van de Jeugdwet. Bij deze methode wordt bepaald welke taken gemeenten
hebben op basis van de Jeugdwet, en vervolgens gekwantificeerd wat de kosten zouden
zijn bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken.
— In de bottom-upmethode wordt gestart vanuit de huidige uitvoering en van daaruit
gekeken naar wat doelmatiger of doeltreffender kan. In dat geval wordt het verschil
tussen de huidige kosten en budgetten als uitgangspunt genomen, en onderzocht welke
maatregelen genomen kunnen worden om de uitvoering meer doelmatig en doeltreffend
te maken. Daarnaast wordt gecorrigeerd voor een eventueel boeggolfeffect in de huidige
kosten.
De top-downmethode vereist echter dat de inhoud van de Jeugdwet eenduidig te vertalen is
naar de “juiste” uitvoering. Gezien de specifieke context is dat om meerdere redenen niet
haalbaar:
— De Jeugdwet is dermate open opgesteld dat niet eenduidig vast te stellen is welke taken
van gemeenten precies wel en niet voortvloeien uit de Jeugdwet. De uitkomsten van het
expertiseteam Reikwijdte Jeugdzorg lieten opnieuw zien dat dit een complexe discussie
zonder duidelijk antwoord is.” Het is daarmee niet goed mogelijk om te bepalen wat
gemeenten minimaal moeten doen onder de Jeugdwet,
=— Om vanuit de taken te komen tot kosten moeten aannames gedaan worden over de
inrichting en beleidskeuzes binnen gemeenten. De kern van de Jeugdwet is juist dat
gemeenten keuzes kunnen maken die optimaal aansluiten bij hun lokale situatie. Deze
2 De kracht van wijd reiken. Advies om de transformatie van de jeugdhulp te laten slagen,
VNG Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht, 2020.
GV572 45
Andersson Elffers Felix
aanvliegroute past daarmee niet bij de uitgangspunten van de Jeugdwet, en in bredere
zin niet bij het uitgangspunt van lokale beleidsvrijheid voor gemeenten.
Daarom hebben we in het onderzoek niet gekozen voor de top-downmethode, maar voor de
bottom-up aanpak. Deze sluit beter aan op de beleidsuitgangspunten van de Jeugdwet en is
daardoor wel haalbaar.
We onderzoeken mogelijke doelmatigheidswinsten op basis van concrete maatregelen
Als onderdeel van de beleidsvrijheid die gemeenten hebben staat het hen vrij om meer of
minder uitte geven aan bepaalde taken dan vanuit het Rijk overgeheveld is. Dit uitgangspunt
is ook vertaald naar hoe de wet is opgezet: de Jeugdwet is juist open geformuleerd om
gemeenten de ruimte te geven om eigen keuzes te maken die lokaal het best passend zijn. Dat
betekent niet dat extra uitgaven automatisch gehonoreerd zouden moeten worden in het
macrobudget: als gemeenten bewust kiezen voor een hoger voorzieningenniveau, worden ze
geacht dit te bekostigen door het voorzieningenniveau in een ander domein te verlagen of
andere inkomsten te verhogen.
Als gemeenten geen mogelijkheden hebben om de kosten voor jeugd te beïnvloeden, zou het
voor de hand liggen dat de kosten wel vanuit het Rijk bekostigd moeten worden. In het
onderzoek zijn we daarom uitgegaan van de kosten die gemeenten maken, en maken we
steeds onderscheid tussen beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare extra kosten.
Kosten zijn beïnvloedbaar als het mogelijk is om maatregelen te identificeren die de kosten
ombuigen. In het onderzoek rekenen we de effecten van al deze maatregelen uit. Op die
manier identificeren we de niet-doelmatige uitgaven. Wat overblijft, zijn uitgaven die wel
doelmatig zijn. Alternatieve methodes, zoals het bepalen van het budget op basis van de
‘goedkoopste’ gemeenten of uitkomsten van maatregelen alleen te baseren op gemeenten
die ze met succes hebben ingevoerd, hebben als risico dat conclusies getrokken worden op
basis van toevalligheden. Deze methode geeft conclusies die op betrouwbare wijze te
veralgemeniseren zijn naar alle gemeenten.
Een aanvullend voordeel van deze methode is dat we hiermee niet enkel aangeven hoeveel
doelmatigheidswinst er te behalen zou zijn, maar ook concrete handvatten bieden voor hoe
gemeenten dit kunnen doen. Om de afweging volledig te kunnen maken, is het van belang om
naast de financiële effecten ook zicht te hebben op kwalitatieve effecten, risico’s en
randvoorwaarden. Deze hebben we daarom ook in het onderzoek onderzocht.
Goede verankering van het onderzoek in een stevige theoretische basis
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een solide vertaling van inhoud
naar financiën nodig. In de huidige context is dit een complexe vraag, omdat verschillende
aspecten door elkaar lopen. Zo is de Jeugdwet relatief recent ingevoerd, en is de
transformatie van de jeugdhulp nog in volle gang. Het is niet duidelijk in hoeverre de huidige
hogere kosten mogelijk te maken hebben met een boeggolf-effect. Daarnaast zijn er wel
goede voorbeelden van gemeenten die erin slagen om hun kosten te beheersen, maar is nog
beperkt duidelijk in hoeverre het mogelijk is om de geleerde lessen op te schalen.
Tot nu toe is het moeilijk gebleken om concreet in kaart te brengen hoeveel kosten er
structureel met de uitvoering van de Jeugdwet gepaard gaan. De onzekerheden in de
analyses tot nu toe worden mede veroorzaakt doordat er geen stevige theoretische basis is
voor eventuele maatregelen en mechanismen die tot kostenbesparing moeten leiden: de
GV572 46
Andersson Elffers Felix
‘beleidstheorie’ van de Jeugdwet als geheel heeft een relatief hoog abstractieniveau, wat
toepassing op het niveau van concrete maatregelen lastig maakt.
Voor een betrouwbaar onderzoek is een stevige theoretische basis echter wel van belang. Om
deze stevige basis te verkrijgen, hebben wij per maatregel een concrete beleidstheorie
opgesteld als basis voor het verdere onderzoek. Die geeft inzicht in mogelijke effecten, biedt
de mogelijkheid om de beleidstheorie die achter de berekening ligt uitgebreid te toetsen bij
experts en maakt duidelijk op welke manier de omvang van effecten berekend kan worden.
Gericht onderzoek om belasting van gemeenten en aanbieders én een lage respons te
voorkomen
De ervaring leert dat gemeenten en aanbieders onderzoeken zoals deze weliswaar belangrijk
vinden, maar dat de capaciteit om eraan bij te dragen bij veel van hen beperkt is. Uitgebreide
uitvragen of processen die veel van gemeenten of aanbieders vragen, verkleinen de kans op
een goede respons en daarmee op een representatief beeld. Daarom hebben we ervoor
gekozen om een beperkt aantal dieptestudies te combineren met een bredere uitvraag,
waarin we zeer gerichte en (zoveel mogelijk) toetsende vragen hebben gesteld.
Opbouw van het onderzoek
In het onderzoek hebben we dus de huidige kosten en budget als vertrekpunt genomen.
Vervolgens hebben we gekeken in hoeverre deze kosten omlaag te brengen zijn door
maatregelen om doelmatiger te werken; en wat er eventueel nog te besparen is door
aanpassingen aan de Jeugdwet of aan het stelsel. Ook hebben we onderzocht in hoeverre er
sprake is van een boeggolf, waardoor het kostenniveau tijdelijk zou stijgen maar op termijn
weer zou dalen.
Deze elementen zijn hieronder grafisch weergegeven. Daarbij moet opgemerkt worden dat
deze grafiek slechts bedoeld is ter illustratie van de opbouw; de omvang van de onderlinge
elementen geeft geen indicatie van de werkelijke (relatieve) omvang van de elementen.
Boeggolf
= Maatregelen binnen de Jeugdwet om doelmatiger en doeltreffender te werken
B Structureel tekort te verminderen door aanpassingen aan de Jeugdwet
B Mogelijk resterend structureel tekort
EB Budget —
Tijdelijke hogere kosten door een boeggolf-effect
2 | —
8 | Maatregelen die binnen de Jeugdwet genomen
S | kunnen worden om de kosten te verlagen
5 TT) Het eventuele structurele tekort, en maatregelen die
El genomen kunnen worden buiten de Jeugdwet om het
2 | budgettaire beslag te verminderen. Het totale structurele
& tekort kan hoger of lager zijn dan de kosten die door deze
8 | —— maatregelen bespaard kunnen worden.
Het huidige budget voor de uitvoering van de Jeugdwet
2015 PAN) Po j 2018 2019
Analyse ontwikkeling volume en prijs
Voor de duiding van de ontwikkeling van de
kosten kijken we naar de ontwikkeling in zowel
volume (aantallen trajecten) als prijs
Figuur 5 Illustratieve weergave opbouw onderzoek
GV572 4T
Andersson Elffers Felix
De concrete berekening
Om het structurele tekort te kunnen bepalen, hebben we in het onderzoek vier bouwstenen
uitgewerkt:
— Kosten en budget
— Ontwikkelingen in volume en prijs (als duiding van kosten en budget)
— De boeggolf
— Maatregelen binnen en aanpassingen aan de Jeugdwet
Met de informatie uit deze bouwstenen kan het structureel tekort berekend worden aan de
hand van de volgende formule.
_ _ Kosten -/- Boeggolf -/- Maatregelen binnen de Jeugdwet
eneen -/- (eventueel) Aanpassingen aan de Jeugdwet -/- budget
In de volgende paragrafen lichten we de afzonderlijke bouwstenen nader toe.
Bouwsteen 1: Kosten en budget
Om te bepalen of, en zo ja in welke mate, er sprake is van een tekort voor de jeugdzorg
hebben we zowel het budget als de kosten tussen 2015 en 2019 in kaart gebracht. Daarbij zijn
we in beginsel uit gegaan van zowel budget als kosten horend bij de taken die als gevolg van
de decentralisatie zijn overgeheveld. Voor de kosten gaat het daarbij naast de kosten voor
jeugdhulptrajecten zelf ook om de extra kosten voor intensivering in de activiteiten op het
gebied van preventie en voorliggend veld. De wijze waarop deze kosten zijn berekend is in
meer detail beschreven in bijlage B Analyse van kosten, budget en volume,
Bouwsteen 2: Ontwikkelingen in volume en prijs
In het onderzoek is gekeken naar ontwikkelingen in volume en prijs, deels als duiding voor de
ontwikkeling in kosten en deels als input voor berekeningen van effecten van maatregelen en
de mogelijke boeggolf, We hebben onder andere gekeken naar de ontwikkelingen van aantal
cliënten en trajecten, in- en uitstroom en de mate waarin bepaalde doelgroepen in de
instroom vertegenwoordigd zijn. Meer informatie hierover is opgenomen in bijlage B Analyse
van kosten, budget en volume,
Voor deze analyses is gebruik gemaakt van data bij het CBS op cliëntniveau, de zogeheten
microdata. We hebben gebruik gemaakt van deze data in plaats van de data op StatLine (die
ook gebaseerd is op dezelfde onderliggende data), omdat registratieproblemen tot
onderschatting van het jeugdhulpvolume kunnen leiden. Door de microdata te gebruiken
konden we corrigeren voor de registratieproblemen. De hiervoor gebruikte werkwijze is
beschreven in bijlage A.3 Microdata.,
Bouwsteen 3: De boeggolf
Een van de onderliggende uitgangspunten onder de Jeugdwet was dat inzet op preventie en
vroegsignalering op termijn tot lagere kosten in de Jeugdwet zou leiden, doordat zware
jeugdhulp op termijn voorkomen zou kunnen worden. Deze beweging (eerst een stijging,
gevolgd door een daling) werd vaak aangeduid met de term “boeggolf”. In het onderzoek
GV572 48
Andersson Elffers Felix
hebben we gekeken naar de vraag of er inderdaad een boeggolf ingezet lijkt te zijn, en zo ja
wat het verwachte tijdspad en het eindresultaat is.
In het onderzoek hebben we de beleidstheorie nader uitgewerkt, op basis van de bestaande
beleidstheorie over preventie en vroegsignalering, literatuuronderzoek en interviews /
werksessies met experts, Op basis hiervan is het analysekader (zie bijlage C Analysekader
boeggolf) opgesteld, wat getoetst is in de begeleidingsgroep en stuurgroep. Met deze basis
zijn we het nadere onderzoek gestart.
Op basis van de voorlopige resultaten werd een fundamenteel vraagstuk opgeworpen, toen
bleek dat preventie en vroegsignalering binnen de Jeugdwet niet tot kostenbesparing leiden.
De stuurgroep heeft daarom besloten dat de voorlopige resultaten gepresenteerd zouden
worden in het rapport, maar dat het noodzakelijk is om het fundamentele vraagstuk te
beantwoorden voordat verdere doorrekening van beleidsopties mogelijk is, De resultaten
staan omschreven in bijlage D Het effect van preventie en vroegsignalering.
Naast de structurele resultaten van preventie en vroegsignalering hebben ook de
transitieduur en transitiekosten effect op de berekening om te komen van het huidige
kostenniveau naar het structureel benodigd budget. Voor het bepalen van de transitieduur
hebben we in het diepteonderzoek en in de enquête bij gemeenten navraag gedaan naar het
aantal grote beleidsveranderingen dat zij hebben doorgemaakt of nog gepland hebben. Ook
hebben we de duur van deze beleidsveranderingen getoetst, door dit te relateren aan de tijd
die het kost om een PDCA-cyclus te doorlopen. De transitiekosten zijn bepaald middels een
macrobenadering, die is gebaseerd op het CPB-rapport Zorgkeuzes in Kaart. Het onderzoek
naar de transitieduur en transitiekosten staat nader toegelicht in bijlage C Analysekader
boeggolf en bijlage D Het effect van preventie en vroegsignalering.
Bouwsteen 4: Maatregelen
In het onderzoek kijken we naar concrete mogelijkheden om de Jeugdwet doelmatiger uit te
voeren, of met aanpassingen in de Jeugdwet tot lagere kosten te komen. Welke concrete
mogelijkheden we onderzocht hebben, is afgestemd met begeleidings- en stuurgroep. Een
uitgebreide toelichting op dit proces, en een overzicht van de maatregelen die overwogen
maar niet onderzocht zijn, is opgenomen in bijlage A1 Proces en keuze maatregelen.
Analysekaders en doelenbomen als stevige basis onder het onderzoek
Voor elk van de gekozen maatregelen hebben we een analysekader en doelenboom
opgesteld. Elk analysekader omvatte een beschrijving van de maatregel en vervolgens een
doelenboom met daarin de potentiële financiële effecten (zowel positief als negatief). In elke
doelenboom werden de onderliggende mechanismen van elke maatregel in beeld gebracht.
Op basis hiervan hebben we per financieel deeleffect uitgewerkt welke onderzoeksmethoden
we voor dat specifieke effect zouden inzetten. Een volledig overzicht van de gebruikte
onderzoeksmethoden is te vinden in bijlage A.2 Onderzoeksmethoden.
Op basis van de tabel met de verschillende effecten en bijpassende methoden hebben we
vervolgens de maatregel stap voor stap, waar mogelijk, gekwantificeerd. Voor sommige
maatregelen bleek het niet goed mogelijk om tot een goede en zinvolle kwantificering te
komen. Waar mogelijk hebben we steeds andere, aanvullende onderzoeksmethoden ingezet
om toch tot een resultaat te komen. In sommige gevallen was het ook dan niet mogelijk om
tot een voldoende betrouwbare kwantificering te komen.
GV572 49
Andersson Elffers Felix
Op basis van deze analyse zijn de effecten (zowel financieel als kwalitatief), risico’s en
randvoorwaarden van de maatregelen in kaart gebracht. Bij de financiële effecten hebben we
toegelicht hoe we tot de inschattingen zijn gekomen. Wanneer het niet mogelijk was om iets
te kwantificeren is ook dat toegelicht. Alle resultaten staan in detail omschreven in Bijlage E
Resultaten per maatregel.
In het onderzoek naar de effecten van de maatregelen is vaak gewerkt met inschattingen van
effecten. Bij iedere inschatting zit logischerwijs enige mate van onzekerheid. In het onderzoek
hebben we daarom steeds gewerkt met bandbreedtes. Bij het combineren van effecten per
maatregel, en het combineren van verschillende maatregelen, zijn die bandbreedtes met
elkaar gecombineerd via de (in de statistiek gebruikelijke) methode van de
foutenvoortplanting. Een toelichting op de aard van en omgang met onzekerheden in het
onderzoek vindt u in bijlage A4 Bandbreedtes,
Combineren van de bouwstenen
Om tot een beantwoording van de onderzoeksvragen te komen hebben we de resultaten van
de verschillende bouwstenen bij elkaar gebracht. Ook hier hebben we gebruik gemaakt van
foutenvoortplanting om resultaten bij elkaar te kunnen voegen.
A1 Proces en keuze maatregelen
In het onderzoek is gekeken naar maatregelen om de kosten die gemeenten maken te
verlagen. Daarbij gaat het zowel om maatregelen die binnen het huidige stelsel mogelijk zijn,
als om maatregelen waarvoor aanpassing van de Jeugdwet nodig is. In deze bijlage lichten we
toe hoe gekozen is welke maatregelen onderzocht zouden worden, en welke maatregelen zijn
afgevallen,
We hebben breed het net opgehaald en suggesties waar nodig geconcretiseerd
Als eerste stap hebben we een groslijst samengesteld, op basis van suggesties uit
verschillende bronnen. Het gaat dan met name om:
— De opdrachtgevers van het onderzoek (Ministeries van VWS, BZK, Financiën, JenV, en de
VNG);
— Gemeenten, naar aanleiding van een oproep via de J42;
— Kennisinstituten en brancheorganisaties, middels een interviewronde;
— Literatuuronderzoek, waaronder de recente onderzoeken van Significant en KPMG, en
adviezen van het NJi® en de VNG;
— Eigen ervaringen, ter aanvulling op thema’s waar nog geen maatregelen voorgesteld
waren.
De ontvangen suggesties waren niet in alle gevallen voldoende concreet om mee te nemen. In
die gevallen hebben we geprobeerd deze alsnog te concretiseren, eventueel in overleg met de
indienende partij.
20 Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en aanpak, Yperen T van, Maat A van der,
Prakken J, 2019, Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
31 De kracht van wijd reiken. Advies om de transformatie van de jeugdhulp te laten slagen,
VNG Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht, 2020.
GV572 50
Andersson Elffers Felix
Suggesties voor maatregelen zijn gewogen op vooraf gedefinieerde criteria
In de stuurgroep is (mede op advies van de begeleidingsgroep) een lijst met criteria
vastgesteld om per maatregel een afweging te kunnen maken. De maatregelen op de groslijst
hebben we getoetst op deze criteria. Deze afwegingen hebben we in detail per maatregel
uitgewerkt en voorgelegd aan de begeleidingsgroep en stuurgroep.
Onderstaande criteria zijn gebruikt voor de afweging van de maatregelen. De voorwaardelijke
criteria hadden daarbij prioriteit boven de prioriterende criteria.
Voorwaardelijke criteria
Criterium Toelichting
Concreet Een maatregel moet voldoende concreet zijn om
De maatregel is voldoende concreet. uitvoerbaar te zijn, en om de effecten te kunnen
onderzoeken. Maatregelen die onvoldoende
geoperationaliseerd konden worden, zijn daarom niet
meegenomen.
Kostenverlagend Maatregelen die leiden tot verhoging van de kwaliteit van
De maatregel leidt naar verwachting de jeugdhulp, maar geen invloed hebben op de kosten of de
(binnen 5 jaar) tot een verlaging van de kosten verhogen sluiten niet aan bij het doel van dit
kosten voor de uitvoering van de onderzoek, en zijn daarom niet meegenomen.
Jeugdwet.
Kwantificeerbaar Als bij voorbaat helder was dat er onvoldoende
De effecten van de maatregelen kunnen aanknopingspunten zouden zijn om de effecten van een
naar verwachting gekwantificeerd maatregel te kwantificeren, is de maatregel niet gekozen.
worden.
Prioriterende criteria
Criterium Toelichting
De verwachte omvang van de besparing Een maatregel die de kosten naar verwachting sterk
verlaagt heeft kreeg prioriteit boven een maatregel die naar
verwachting tot een kleinere besparing zou leiden.
Invloed op doeltreffendheid van de Wanneer een maatregel de kosten verlaagt (en dus de
Jeugdwet doelmatigheid verhoogt) maar tegelijkertijd een negatief
effect heeft op de doeltreffendheid, kon dit een reden zijn
om de maatregel niet mee te nemen.
Het verwachte effect op de kwaliteitvan Alseen maatregel vermoedelijk zou leiden tot vermindering
de jeugdhulp van de kwaliteit van de jeugdhulp, is de maatregel
negatiever beoordeeld.
Het verwachte effect op professionals Een positief of negatief effect op professionals, zoals
werkdruk of werkplezier, is meegewogen in de beoordeling
van de maatregel.
Het verwachte effect op kosten in andere Verwachte positieve effecten op de kosten van uitvoering
wettelijke kaders van andere wettelijke kaders leidden tot een positievere
beoordeling van de maatregel,
GV572 51
Andersson Elffers Felix
Eerdere ervaringen met de maatregel Positieve eerdere ervaringen met een maatregel maken de
kans groter dat er daadwerkelijk besparing gerealiseerd
kan worden, en leidden daarmee tot een positievere
beoordeling van de maatregel.
De invloed op de complexiteit van het Toenemende complexiteit door de maatregel leidde tot een
systeem negatievere beoordeling van de maatregel.
De stuurgroep heeft twintig maatregelen gekozen; één is later afgevallen
De stuurgroep is na een advies van de begeleidingsgroep tot het besluit gekomen om 20
maatregelen in het onderzoek mee te laten nemen. Van deze maatregelen is er één in een
later stadium afgevallen. Daarbij gaat het om de maatregel om de wettelijke afbakening
tussen de Wlz en de Jeugdwet aan te passen, zodat er meer jeugdigen zouden voldoen aan de
criteria voor de Wlz. In het onderzoek is geconcludeerd dat er twee operationaliseringen
mogelijk waren:
— Het openstellen van de Wlz voor jeugdigen met psychische problematiek, zoals dit voor
volwassenen recent al is gebeurd. Hier liep echter al een onderzoek naar, waarin ook
gekeken zou worden naar de financiële aspecten.
— Het criterium “levenslang” (voor jeugdigen) laten vervallen of veranderen. Hiervan werd
echter geconcludeerd dat een dermate fundamentele discussie over de Wlz niet gevoerd
moet worden binnen de context van een financieel onderzoek over de Jeugdwet.
De stuurgroep heeft besloten dat het van beide operationaliseringen niet wenselijk was om
deze variant te onderzoeken. Daarom is de maatregel later in het onderzoek vervallen.
Negentien maatregelen zijn overwogen maar afgevallen
De volgende maatregelen die binnen het huidige stelsel mogelijke zouden zijn, zijn niet
opgenomen in het onderzoek:
— 2, Vastleggen dat jeugdhulpaanbieders (bij verwijzing buiten lokale teams om) op
dezelfde manier onderzoek moeten indiceren voor doen naar de benodigde
jeugdhulp als gemeentelijke lokale teams, omdat de maatregel positief beoordeeld
wordt op de criteria maar voor een deel aangrijpt op dezelfde kosten als de POH-Jeugd.
— 9, Duur van beschikkingen voor ambulante jeugdhulp verkorten, omdat er mogelijke
negatieve effecten op doeltreffendheid, kwaliteit en professionals zijn.
— 10. Investeer in een alternatief aanbod voor langdurige jeugdhulp om uitstroom of
substitutie te bevorderen, omdat de maatregel onvoldoende concreet is (de resultaten
zijn erg afhankelijk van hoe het alternatieve aanbod er dan uit ziet) en het niet haalbaar
werd geacht om binnen de doorlooptijden van dit onderzoek tot concretisering te komen.
— 11. Afschalen van (intensieve) zorg, omdat de maatregel in deze vorm onvoldoende
concreet is: het bleek niet mogelijk om duidelijk te definiëren hoe gemeenten ervoor
moeten zorgen dat zorg afgeschaald wordt (behalve via maatregel 9), waardoor het niet
mogelijk was de maatregel te operationaliseren en de werkzame bestanddelen te
onderzoeken.
— 12. Effectievere bescherming van jeugd en gezin, omdat de besparing naar
verwachting gering is, en omdat dit onderwerp op dit moment onderzocht wordt in een
groter traject waarin verschillende aspecten van de jeugdbeschermingsketen aan de orde
komen.
— 15. Afbakening Jeugdwet en onderwijsverantwoordelijkheden, omdat ondanks
diverse discussies en onderzoek nog onvoldoende duidelijk is hoe dit gedaan kan worden,
en de maatregel daarmee onvoldoende concreet en kwantificeerbaar is.
— 16. Opstellen van een visie op jeugdhulp, waarop gemeente kan sturen, omdat de
maatregel beperkt concreet en onvoldoende kwantificeerbaar is.
GV572 52
Andersson Elffers Felix
— 22. Uniformering processen, omdat besparing van deze maatregel in zichzelf wel van
voldoende omvang kan zijn, maar als er (in lijn met de Kamerbrief Perspectief voor de
Jeugd) meer regionaal ingekocht gaat worden, verdere uniformering van
inkoopprocessen en contractering naar verwachting beduidend minder bespaart; en dit
daarnaast vereist dat alle gemeenten hierin meegaan.
De volgende maatregelen waarvoor aanpassing aan het stelsel nodig zou zijn, zijn niet
opgenomen in het onderzoek:
— 23, Inperken van de ruimte van de Gl’s in doorverwijzingen (in vier mogelijke
uitwerkingen), omdat er zorgen zijn over de kwaliteit als de Gl’s niet kunnen
doorverwijzen naar de best passende hulp. Daarnaast lopen er momenteel diverse
trajecten om de afstemming te verbeteren.
— 24. Afnemen van het verwijsrecht van huisartsen, medisch specialisten en
jeugdartsen, omdat het niet wenselijk wordt geacht om de medische verwijsroute aan te
passen en standaard langs de gemeentelijke lokale teams te laten lopen. Dit zou leiden
tot een extra stap en meer bureaucratie.
— 25. Mogelijkheid om alleen naar gecontracteerde hulp te verwijzen, omdat deze lastig
te kwantificeren is en niet duidelijk is hoe deze zich verhoudt tot het pgb.
— 27. Invoeren Inkomenstoets voor Generalistische Basis-ggz, omdat de maatregel naar
verwachting de kosten verlaagt maar er ook verschillende mechanismen zijn waarmee hij
voor hogere kosten zou kunnen zorgen.
— 28, Betaaltitels voor samenwerking met andere hulpverleners in Zvw-kader, omdat
de maatregel ingewikkeld te kwantificeren is en naar verwachting maar een zeer beperkt
effect zal hebben op de kosten binnen de Jeugdwet.
— 29, Mogelijkheden voor jeugdhulpaanbieders om volwassenenzorg te indiceren,
omdat de maatregel lastig te kwantificeren is en naar verwachting tot hogere kosten in
Zvw-kader zal leiden.
— 30. Stel bij een echtscheiding met kinderen verplicht dat er een mediator betrokken
wordt, omdat daarmee mogelijk jeugdhulpgebruik voorkomen zou kunnen worden, maar
dit niet binnen de scope van het onderzoek valt dat zich beperkt tot de Jeugdwet. Daarbij
loopt er een onderzoek in het kader van het programma Scheiden zonder Schade en is
het niet zinvol geacht om deze maatregel ook binnen dit onderzoek mee te nemen.
— 32, Wettelijk regelen van sterk vereenvoudigde accountantscontrole, omdat de
besparing naar verwachting zeer beperkt is.
— 33, Beperken reikwijdte jeugdhulp (in verschillende subopties), omdat deze ingrijpt
op dezelfde kosten als het Afwegingskader benoemd in maatregel 4 (Afwegingskader
gebruikelijke hulp, in latere nummering maatregel 3), en omdat voor deze maatregel
nadere concretisering nodig was. Het wetenschappelijk onderbouwen van welke
jeugdhulp effectiever is gaat gepaard met een grote onzekerheid en veel nuances, omdat
dit per doelgroep kan verschillen. In dit stadium van de transformatie zijn gemeenten nog
aan het leren hoe ze goed om kunnen gaan met het inperken van jeugdhulp zonder de
reikwijdte meteen landelijk wettelijk vast te leggen (zie maatregel 4 wat de mogelijkheid
biedt tot leren en ontwikkelen op dit terrein) en gemeenten hun beleidsvrijheid hierin te
beperken.
— 34, Onderbrengen dyslexie in het onderwijs, omdat nog onzeker is of dit enkel een
verschuiving van kosten naar het onderwijs-kader is of ook daadwerkelijk leidt tot
besparingen.
— 36. Onderbrengen jeugd-GGZ in Zvw, omdat de maatregel enkel leidt tot een
verschuiving van kosten en ingaat tegen de uitgangspunten van het stelsel,
GV572 53
Andersson Elffers Felix
A.2 Onderzoeksmethoden
In deze bijlage gaan we nader in op de verschillende methoden die we tijdens het onderzoek
hebben gebruikt.
Literatuurstudie
Om gebruik te maken van de kennis die er al is op het gebied van jeugdzorg en de eerdere
onderzoeken die al zijn gedaan”, hebben we op basis van literatuurstudie de mogelijke
maatregelen binnen de Jeugdwet en aanpassingen aan de Jeugdwet in kaart gebracht.
Vervolgens hebben we, voor zover mogelijk, door middel van literatuurstudie in kaart
gebracht waar de maatregelen op aangrijpen en wat dit betekent voor de uitgaven vanuit de
Jeugdwet, Dit hebben we daarna meegenomen in het opstellen van een analysekader en
doelenboom per maatregel. Daarnaast hebben we literatuurstudie gebruikt voor de duiding
van het volumeonderzoek.,
In aanvulling op de onderzoeken en andere bronnen die wij voorafgaand aan dit onderzoek
relevant achtten, hebben wij een groot aantal documenten ontvangen van gemeenten en
aanbieders die hebben deelgenomen aan het diepteonderzoek. Daarnaast hebben we ook
van gemeenten buiten het diepteonderzoek documenten ontvangen, evenals van leden van
de begeleidingsgroep. Deze hebben wij bestudeerd en meegenomen in de analyse van de
verschillende bouwstenen.
Diepteonderzoek
Om een groot aantal van de kwantitatieve en kwalitatieve effecten van de verschillende
maatregelen in beeld te krijgen hebben we diepte-interviews gevoerd met verschillende
gemeenten en aanbieders. Per gemeente/aanbieder voerden we in de meeste gevallen twee
gesprekken. Vanwege het coronavirus hebben alle gesprekken online plaatsgevonden. De
interviews gaven ons inzicht in de manier waarop gemeenten en aanbieders bepaalde
maatregelen in de praktijk uitvoeren en stelden ons in staat om de onderliggende
mechanismen verder te doorgronden en waar nodig aan te scherpen.
Daarnaast gaven de gesprekken, evenals de kwantitatieve data die bij veel gemeenten en
aanbieders beschikbaar zijn, inzicht in de kosten die gepaard gaan met een bepaalde
maatregel. Om de belasting voor gemeenten en aanbieders beperkt te houden hebben we
met een beperkt aantal gemeenten en aanbieders diepte-interviews gehouden. De inzichten
die we verkregen uit deze gesprekken hebben we vervolgens getoetst middels een uitvraag
die door alle gemeenten een aanbieders kon worden ingevuld. Door de informatie eerst op te
halen bij een kleine groep betrokken partijen konden we de vragen aan de rest van de
gemeenten/aanbieders gerichter stellen.
Criteria voor selectie van gemeenten en aanbieders
Voor het diepteonderzoek was het nog niet noodzakelijk om te komen tot een representatieve
steekproef, omdat we voor de representativiteit in een later stadium de uitvraag hebben
uitgevoerd, Om een goed beeld te krijgen van de mechanismen was diversiteit echter wel van
belang. Na advies van de begeleidingsgroep heeft de stuurgroep de criteria vastgesteld om te
2 Het gaat dan bijvoorbeeld om Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten,
Significant, 2019; Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019; en Inzicht in besteding
jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020.
GV572 54
Andersson Elffers Felix
komen tot de selectie van gemeenten en aanbieders voor het diepteonderzoek, waarbij is
benoemd dat de prioriteit lag bij de ervaring met de maatregelen die onderzocht zouden
worden.
Deelnemende gemeenten
Om alle gemeenten de gelegenheid te bieden om zichzelf aan te melden voor het
diepteonderzoek is er door de VNG via de J42 een open uitnodiging verspreid. Op basis van de
ervaring die gemeenten hebben met één of meerdere van de maatregelen is er door AEF in
overleg met VWS en de VNG een concept-selectie gemaakt. Hierin zijn ook enkele gemeenten
opgenomen die zichzelf niet hadden aangemeld, maar wel ervaring hebben met meerdere
maatregelen. Daarbij is aandacht besteed aan diversiteit op de andere criteria, zoals omvang
en ligging.
Alle gemeenten die gevraagd zijn hebben toegezegd deel te nemen. We hebben het
diepteonderzoek uitgevoerd bij de volgende gemeenten:
— Leeuwarden
— Kempengemeenten”
= Deventer
— Utrecht
— Halderberge
— Almere
— Alphen aan den Rijn
— Eindhoven
— Hoeksche Waard
— Krimpen aan den IJssel
Deelnemende aanbieders
Om aanbieders te werven voor het diepte-onderzoek hebben we de VGN, Jeugdzorg
Nederland en GGZ Nederland gevraagd mee te denken welke aanbieder(s) mogelijk
interessant zouden zijn om maatregelen mee te bespreken. Ook hier hebben we gestreefd
naar een diverse groep: aanbieders die verschillende vormen van jeugdhulp leveren en
verspreid zijn over het land. Waar mogelijk is rekening gehouden met omvang.
In afstemming met VWS en de VNG zijn negen aanbieders benaderd. Een aanbieder die is
benaderd heeft aangegeven niet deel te willen nemen; daar is een alternatief voor gevonden.
Een andere aanbieder heeft aangegeven alleen tijd te kunnen maken voor één gesprek; in dit
geval was dat ook voldoende. De volgende aanbieders hebben deelgenomen aan het
diepteonderzoek:
— Sterk Huis
— De Rading
= Yorneo
— Altrecht
— Curium-LUMC
— Novadic-Kentron
—= Cordaan
— Ipse de Bruggen
— De Passerel
53 De Kempengemeenten bestaan uit de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De
Mierden.
GV572 55
Andersson Elffers Felix
Uitvraag
Om te onderzoeken of de voorlopige conclusies die volgden uit het diepte-onderzoek
representatief waren voor andere gemeenten en aanbieders, hebben wij een uitvraag
uitgezet. De uitvraag is op verschillende manieren verspreid: via de J42 is een oproep
verspreid aan alle gemeenten om deel te nemen, en voor de aanbieders is de uitvraag
verspreid via verschillende brancheverenigingen en via Linkedin.
In deze uitvraag hebben we, op basis van gerichte vragen, de voorlopige conclusies
voorgelegd om te onderzoeken of gemeenten en aanbieders zich konden herkennen in het
geschetste beeld. Naast vragen over de maatregelen hebben we in de uitvraag ook vragen
opgenomen over twee andere bouwstenen, namelijk de boeggolf en kosten en budget.
Om de belasting voor gemeenten en aanbieders zoveel mogelijk te beperken hebben we de
uitvraag zo ingericht dat gemeenten en aanbieders alleen vragen kregen over de
onderwerpen waarvan zij aangaven daar ervaring mee te hebben.
Respons gemeenten en aanbieders
In onderstaande tabellen is de definitieve respons van de uitvraag opgenomen. In totaal
hebben 144 gemeenten en 93 aanbieders de uitvraag ingevuld. Enkele gemeenten en
aanbieders hebben de vragenlijst wegens tijdgebrek niet volledig kunnen invullen. In die
gevallen hebben we steeds zorgvuldig gekeken welke antwoorden we wel en niet konden
meewegen. Voor de respons van aanbieders hebben we in onderstaande tabel geen
percentage van het landelijk aantal opgenomen, omdat die aantallen niet bekend zijn.
Op het totaal hebben we daarmee (met name onder gemeenten) een goede respons weten te
halen. Voor specifieke maatregelen was de respons vaak lager, omdat niet alle gemeenten
ervaring hebben met alle maatregelen. Dit hebben we meegewogen bij het analyseren van de
uitkomsten.
Gemeenten
PETN B ane Respondenten Landelijkaantal Percentage
Minder dan 20.000 24 81 30%
20.000 - 50.000 84 189 44%
50.000 - 100.000 18 54 33%
Meer dan 100.000 (excl. G4) 15 27 56%
G4 3 4 75%
Totaal 144 355 41%
Aanbieders
Aantal cliënten Respondenten
Minder dan 25 33
25 - 100 14
100 - 500 18
500 - 1000 10
Meer dan 1000 18
Totaal 93
GV572 56
Andersson Elffers Felix
Interviews met kennisinstituten en experts
Om te zorgen dat we gebruik maakten van de expertise die reeds beschikbaar is, hebben we
semi-gestructureerde interviews gevoerd met kennisinstituten en experts. Vanwege het
coronavirus hebben deze interviews online plaatsgevonden.
We hebben gesprekken gevoerd met de volgende partijen:
— Nederlands Jeugdinstituut
— _Movisie
— Nederlands Centrum Onderwijs en Jeugdzorg
— Nederlands Centrum voor Jeugdgezondheidszorg
— Jeugdzorg Nederland
— GGZ Nederland
— VGN
— VOBC
— Landelijke Huisartsen Vereniging
—= ROB
= CPB
=— SCP
— NDSD
— Divosa
— Visitatiecommissie financiële beheersbaarheid
Werksessies
In aanvulling op de diepte-interviews en expertinschattingen hebben we een aantal
werksessies georganiseerd waarin professionals en experts met elkaar in gesprek gingen over
bepaalde maatregelen en over preventie en vroegsignalering in het kader van de boeggolf.
Deze sessies stelden ons in staat om mechanismen achter bepaalde maatregelen verder uit te
diepen en ruimte te laten voor kritische kanttekeningen. Dit resulteerde in een dieper begrip
van maatregelen op basis waarvan we de kwantitatieve en kwalitatieve effecten vervolgens
scherper in beeld konden brengen. Voor de boeggolf is mede op basis van deze werksessies
bepaald wat er nodig is voor goede preventie en vroegsignalering. Ook hebben experts een
inschatting gegeven van wat het effect kan zijn op het jeugdhulpvolume als preventie en
vroegsignalering op deze wijze zouden worden ingericht.
Vanwege het coronavirus hebben we de werksessies online georganiseerd, waarbij we
gebruik hebben gemaakt van verschillende online werkvormen om zoveel mogelijk interactie
en discussie mogelijk te maken.
Gesprek met jongeren
Als onderdeel van ons onderzoek hebben we een gesprek met vijf jongeren gevoerd die zelf
jeugdzorg hebben gehad. Deze jongeren hebben zich via LOC aangemeld om deel te nemen
aan het gesprek. We hebben aan de hand van hun eigen ervaringen besproken wat anders
had gekund om op tijd de juiste hulp te ontvangen, en waar vanuit hun perspectief meer of
minder geld naartoe kan. Het gesprek heeft daarmee bijgedragen om de opbrengsten van het
onderzoek in context te plaatsen. Zo heeft een van deze jongeren de teksten geschreven die
in hoofdstuk 2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel zijn opgenomen. De naam Kim is een
pseudoniem.
GV572 5T
Andersson Elffers Felix
EffectenArena - overkoepelend niveau
Om meer inzicht te krijgen in de effecten die maatregelen kunnen hebben op verschillende
partijen hebben we sessies georganiseerd met diverse groepen van experts op het gebied van
jeugdhulp. Per sessie bespraken we een of meerdere maatregelen. De nadruk in deze sessies
lag op de potentiële kwalitatieve effecten, evenals de randvoorwaarden en risico’s bij
implementatie van de betreffende maatregel{en). Door experts met diverse achtergronden en
uit verschillende contexten bij elkaar te brengen, verkregen we inzicht in hoe de maatregel
ingrijpt op de organisatie en uitvoer van jeugdhulp. De uitkomsten van deze sessies zijn
gebruikt om de beleidstheorie achter de maatregelen te verrijken en belangrijke kwalitatieve
effecten, risico’s en randvoorwaarden een plek te geven in de analyse.
Wij hebben in deze sessies gebruik gemaakt van het instrument EffectenArena. Per sessie
vonden er twee bijeenkomsten plaats. In de eerste bijeenkomst stond steeds centraal welke
verwachte positieve en negatieve effecten de maatregel zal hebben. In de vervolgbijeenkomst
is verder uiteengezet welke randvoorwaarden er belangrijk zijn voor het bereiken van
verwachte positieve effecten en welke risico’s de maatregel met zich meedraagt. Vanwege het
coronavirus zijn deze sessies online georganiseerd.
De EffectenArena’s zijn uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut,
EffectenArena - uitvoeringsniveau
Naast de EffectenArena’s op overkoepelend niveau hebben we EffectenArena’s op
uitvoeringsniveau georganiseerd, met (ervarings)experts uit de praktijk van de jeugdhulp. In
deze sessies hebben we rondom specifieke maatregelen een lokale praktijk uitgelicht, waarin
de maatregel in bepaalde mate en vorm al is uitgevoerd. Het doel van deze sessies was om
meer inzicht te krijgen in hoe de effecten van maatregelen doorwerken in de werkpraktijk van
de jeugdhulp en het dagelijks leven van hulpbehoeftige jeugdigen en hun omgeving.
In deze sessies hebben we wederom gekeken naar de effecten, risico’s en randvoorwaarden
rondom een bepaalde maatregel, maar nu met een focus op de uitvoering en vanuit een
lokale praktijk. De sessies zijn georganiseerd voor die maatregelen, waar het diepte-
onderzoek nog onvoldoende (kwalitatieve) informatie gaf en verdere verdieping nodig was.
Vanwege het coronavirus zijn deze sessies online georganiseerd.
De EffectenArena’s zijn uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut,
Casuïstiekanalyse (keukentafel-niveau)
Voor de maatregelen rondom interdisciplinair afwegen zijn casuïstiekanalyses uitgevoerd.
Aan de hand van geanonimiseerde casuïstiek uit het werkveld van intensieve jeugdhulp
hebben wij een indruk gekregen van de potentiële effecten op (de zorg voor) hulpbehoevende
jeugdigen en hun gezinnen. Het doel van de casuïstiekanalyse was het vinden van
aanwijzingen voor inhoudelijke effecten in individuele verhalen en het creëren van
exemplarische casuïstiekbeschrijvingen. Op die manier kon in de afweging van de
maatregelen ook het perspectief/de leefwereld van de jeugdige meegewogen worden.
In de gesprekken hebben we met groepen betrokkenen rondom een individuele casus eerst
gereconstrueerd wat er in die gezinnen in de afgelopen periode gebeurde en wat voor inzet
van jeugdhulp er is geweest. Waar mogelijk hebben we een inschatting gemaakt van de
kosten. Vervolgens hebben we met de betrokkenen in kaart gebracht welk verschil een
GV572 58
Andersson Elffers Felix
maatregel gemaakt zou kunnen hebben op de situatie van de jeugdige en het gezin en de
gemaakte kosten. Deze werkwijze is gebaseerd op het instrument Effectencalculator.
Vanwege het coronavirus zijn ook deze gesprekken online georganiseerd.
De casuïstiekanalyses zijn uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut.
Data-analyse
Voor een aantal van de bouwstenen hebben we analyses gedaan op basis van data die
openbaar beschikbaar is, bijvoorbeeld via het CBS, Data over bijvoorbeeld het percentage
verwijzingen door huisartsen, of het aantal leerlingen in het regulier onderwijs, zijn gebruikt
om de potentiële omvang van bepaalde (deeljeffecten van maatregelen berekenen.
Naast de openbare data hebben we ook gebruik gemaakt van microdata-bestanden van het
CBS, waarin de data op cliëntniveau (geanonimiseerd) beschikbaar is. Meer informatie
hierover vindt u in bijlage A.3 Microdata.
Daarnaast hebben we de aansluitverschillen in de herijking gemeentefonds geanalyseerd om
te onderzoeken of gemeenten met een groot positief aansluitverschil mogelijke interessante
best practices hebben op het gebied van het beheersen van de kosten.
Reflectiesessie
Aan het eind van het project is er een online reflectiesessie georganiseerd voor gemeenten en
aanbieders die hebben meegedaan aan het diepteonderzoek. Deze sessie diende als moment
om met elkaar te reflecteren op een aantal thema’s en opvallende resultaten uit het
onderzoek,
A.3 Microdata
Op verschillende momenten in dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van gegevens die
verkregen zijn met behulp van CBS microdata. In deze bijlage gaan we ten eerste dieper in op
de reden achter het gebruik van microdata in plaats van directe gegevens van StatLine te
gebruiken, Ook beschrijven we de methode die gebruikt is om vanuit de microdata op
cliëntniveau te komen tot gebruikte gegevens zoals het aantal cliënten, het aantal trajecten,
of de verwachte baten bij het invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage.
Het gebruik van microdata in plaats van StatLine
Cijfers over jeugdhulpgebruik worden verzameld door het CBS en op StatLine gepubliceerd.
Voor het onderzoek hebben we echter vooral gebruik gemaakt van de microdata-bestanden
van het CBS. Deze zijn gebaseerd op dezelfde gegevens als StatLine, maar zijn bestanden
waarin de data op cliëntniveau (geanonimiseerd) geanalyseerd kan worden.
De databestanden worden samengesteld aan de hand van registraties die aanbieders over
een bepaald jaar aanleveren. leder jaar wordt dus een nieuw bestand opgebouwd op basis
van de registraties die over dat jaar worden aangeleverd; bestanden van andere jaren worden
niet gecorrigeerd, tenzij aanbieders specifiek een correctie melden. Het databestand van een
24 Om onthullingsrisico te voorkomen, mogen de resultaten van deze analyses alleen onder
strikte voorwaarden uit de beveiligde omgeving van CBS geëxporteerd worden.
GV572 59
Andersson Elffers Felix
jaar bevat de trajecten die in dat jaar zijn gemeld. Bij elk gemeld traject is onder andere
vermeld om welke cliënt het gaat, wat voor type zorg het bedroeg en wat de start- en
einddatum van het traject waren. Als een traject in een bepaald jaar nog niet beëindigd is, dan
staat de einddatum geregistreerd als “nog lopend”, Een traject dat meerdere jaren loopt,
hoort dus in de databestanden van ieder jaar waarin het liep gemeld te worden.
Door registratieproblemen leidt een directe analyse van de microdata (en dus ook StatLine)
tot een onderschatting van aantallen cliënten en trajecten. Om toch tot zo correct mogelijke
gegevens te komen, zijn er verschillende correcties gedaan. Hieronder zijn de verschillende
registratieproblemen van trajecten die voorkomen in de databestanden weergegeven. Voor
de verschillende situaties zijn de manier waarop deze zich manifesteren, het effect dat ze
hebben op het totaal aantal trajecten, en de correcties die ervoor worden gedaan
aangegeven.
Registratieprobleem1 Trajecten worden niet ieder jaar gemeld
Manifestatie Een traject is in jaar T gemeld, waarbij de einddatum als “nog
lopend” geregistreerd staat. In jaar T+ is dit traject niet gemeld. In
een later jaar is het traject wel weer geregistreerd. Dat kan zowel
als “nog lopend” of als “beëindigd” zijn. Er zijn ook trajecten die
twee, drie, of vier jaar niet worden gemeld, maar daarna wel weer
geregistreerd worden.
Effect Door dit registratieprobleem worden er in jaar T+ (en eventueel
andere tussenjaren) minder trajecten geteld dan er eigenlijk liepen.
Correctie We tellen deze trajecten ook mee in de tussenliggende jaren.
Registratieprobleem2 Trajecten worden niet afgemeld
Manifestatie Een traject is in jaar T gemeld, waarbij de einddatum als “nog
lopend” geregistreerd staat. In geen enkel later jaar wordt dit
traject gemeld.
Effect Deze trajecten worden na jaar T niet meer meegeteld, Het is echter
niet duidelijk of ze in opvolgende jaren nog lopen of niet.
GV572 60
Andersson Elffers Felix
Correctie Trajecten die in 2015 of 2016 voor het laatst worden gemeld,
worden in latere jaren niet meer meegenomen. Hier ligt de
aanname onder dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een traject 3
jaar (2017, 2018 én 2019) of langer niet gemeld wordt.
Voor trajecten die in 2017 of 2018 voor het laatst gemeld worden
maar in latere jaren niet meer terugkomen, is het mogelijk dat deze
trajecten één of twee jaar niet gemeld zijn, maar later nog terug
zullen komen. Deze trajecten zouden we dan in de dataset van
2020 of 2021 terug zien. Die zijn echter uiteraard nog niet (volledig)
beschikbaar, dus we kunnen niet met zekerheid vaststellen om
hoeveel trajecten dit gaat. Van de trajecten zonder einddatum die
voor het laatst in 2017 of 2018 worden gemeld, rekenen we daarom
een deel mee in de latere jaren. We bepalen dit percentage op basis
van het aantal trajecten dat in 2016 als “nog lopend” wordt gemeld,
in 2017 niet gemeld wordt, en in 2018 of 2019 wel weer wordt
gemeld.
Manifestatie In jaar T (of nog later) wordt een traject gemeld met een
startdatum in het jaar T-1, In het jaar T-1 werd dit traject echter niet
gemeld.
Effect Deze trajecten worden in jaar T-1 niet geteld, terwijl ze toen wel
degelijk liepen.
Correctie We tellen het traject ook mee in de jaren voordat het gemeld werd,
tot aan het vermelde startjaar. Omdat deze registratieproblemen
voorkomen, is het ook te verwachten dat er trajecten in 2020 en
later gemeld zullen worden, waarvan de startdatum in 2019 of
eerder ligt, Om hiervoor te corrigeren kijken we naar het
percentage trajecten dat pas in 2019 wordt gemeld, maar waarvan
de startdatum één, twee, of drie jaar eerder is. Omdat naar
verwachting een even hoog percentage trajecten in 2020, 2021 en
2022 gemeld zal worden met begindatum in 2017, 2018, of 2019,
hogen we het aantal trajecten in deze jaren op met de eerder
bepaalde percentages.
Al deze correcties zorgen ervoor dat de aantallen cliënten toenemen ten opzichte van de
cijfers die gepubliceerd worden op StatLine. In de tabellen hieronder is een indicatie
opgenomen van de omvang van de correcties, in de vorm van een percentage stijging ten
opzichte van Statline.
De eerste tabel geeft aan hoeveel correcties gedaan konden worden binnen de dataset. Dit
zijn de correcties voor registratieprobleem 1, en de correcties voor registratieprobleem 3 voor
trajecten die tussen 2015 en 2019 voor het eerst worden gemeld, maar een startdatum in een
eerder jaar hebben.
GV572 61
Andersson Elffers Felix
Cliënten 2015 2016 Vl 2018 2019
Jeugdhulp 8% 6% 4% 3% 0%
Jeugdbescherming 1% 1% 1% 0% 0%
Jeugdreclassering 2% 1% 0% 1% 0%
De volgende tabel geeft de omvang aan van de correcties waarvoor een inschatting gedaan is.
Dit omvat de correcties voor registratieprobleem 2, en de correcties voor registratieprobleem
3 waarbij het aantal trajecten in 2017, 2018 en 2019 wordt opgehoogd omdat er naar
verwachting in latere jaren trajecten gemeld zullen worden met een startdatum in deze jaren.
Cliënten 2015 2016 Vl 2018 2019
Jeugdhulp 0% 0% 1% 2% 5%
Jeugdbescherming 0% 0% 0% 0% 0%
Jeugdreclassering 0% 0% 0% 0% 1%
Trajectaantallen en cliëntaantallen
De databestanden in de microdata bevatten voor ieder gemeld traject in een bepaald jaar een
registratie, Hierbij wordt ook een geanonimiseerd persoonsnummer vermeld. Het aantal
cliënten per jaar kan dus bepaald worden door te kijken naar de hoeveelheid unieke
persoonsnummers in het databestand van dat jaar.
In de eerder beschreven correcties wordt op twee manieren gebruik gemaakt van een
inschatting om het aantal trajecten op te hogen:
— Voor registratieprobleem 2 worden trajecten die in 2017 of 2018 gemeld worden met als
einddatum “nog lopend”, maar in latere jaren niet meer terugkomen, voor een bepaald
percentage meegeteld in de latere jaren.
— Voor registratieprobleem 3 wordt het aantal trajecten in 2017, 2018 en 2019 opgehoogd
met een percentage dat weerspiegelt hoeveel trajecten er naar verwachting in 2020, 2021
en 2022 gemeld zullen worden, met een startdatum in de eerdere jaren.
Bij het bepalen van het aantal unieke cliënten zijn deze percentages opnieuw bepaald. Het
kan immers bijvoorbeeld zo zijn dat een traject dat als “nog lopend” staat geregistreerd in
2017, maar later niet meer terugkomt, bij een cliënt hoort die wel al een ander traject heeft
lopen in latere jaren.
Ook is het zo dat de aantallen cliënten van de verschillende zorgvormen niet optellen tot het
totaal aantal cliënten binnen jeugdzorg. De reden hiervoor is dat een cliënt meerdere
trajecten kan hebben lopen van verschillende zorgvormen. Deze cliënt telt dan voor ieder van
de zorgvormen mee bij het bepalen van het totaal aantal unieke cliënten. Voor het totaal
aantal unieke cliënten telt deze cliënt echter maar één keer mee.
Trajectduur en jaarlijkse in- en uitstroom
Het bepalen van een gemiddelde trajectduur kan in principe gedaan worden door te kijken
naar de begin- en einddatum van ieder traject, daarmee de trajectduur te bepalen, en
GV572 62
Andersson Elffers Felix
vervolgens te middelen over alle trajecten. Er is echter een aantal praktische problemen met
deze werkwijze,
— Het komt voor dat de einddatum van een traject als “nog lopend” geregistreerd staat,
maar dat het traject in latere jaren niet meer wordt gemeld (zie registratieprobleem 2
hierboven). Zoals beschreven bij de correctie voor dit registratieprobleem is het tot op
zekere hoogte mogelijk om een inschatting te maken van het aantal trajecten dat
daadwerkelijk is beëindigd in een bepaald jaar. Het is echter onmogelijk om de
daadwerkelijke einddatum van een dergelijk traject te bepalen. De verwachting is ook dat
trajecten die minder dan een jaar lopen vaker op een correcte wijze worden gemeld bij
beëindiging dan trajecten die over meerdere jaren lopen. Het alleen meenemen van
trajecten met correct gemelde einddata zou dus een onderschatting geven van de
gemiddelde trajectduur,
— Veel van de trajecten die in latere jaren (bijvoorbeeld 2018 of 2019) gestart zijn, zijn nog
niet afgelopen. Voor deze trajecten is er dus geen einddatum bekend en is het niet
mogelijk om een trajectduur te bepalen. Het niet meenemen van deze trajecten zou ook
een onderschatting van de gemiddelde trajectduur opleveren. Juist veel lange trajecten
worden dan immers weggelaten.
Ondanks dat het dus wel mogelijk is om op een betrouwbare wijze het aantal trajecten en
cliënten in een jaar te bepalen, is het niet mogelijk om op het niveau van individuele trajecten
op een betrouwbare manier de trajectduur te bepalen. Hierdoor is het dus ook niet mogelijk
om een betrouwbare gemiddelde trajectduur te berekenen.
Om toch zicht te krijgen op hoe lang cliënten gemiddeld in jeugdzorg blijven, hebben we per
zorgvorm gekeken naar de jaarlijkse in- en uitstroom van cliënten. De verhouding tussen de
in-en uitstroom geeft inzicht in de verandering van de duur van trajecten.
De instroom van cliënten in een bepaalde zorgvorm in jaar T is bepaald door te kijken welke
(unieke) cliënten er in het jaar T-1 geen traject van die zorgvorm hadden lopen, maar in jaar T
wel, De uitstroom van cliënten van jaar T is gelijk aan het aantal (unieke) cliënten dat wel een
traject van die zorgvorm had lopen in jaar T, maar niet in jaar T+1. De in- en uitstroom van
cliënten is volledig in de zin dat het aantal cliënten van jaar T precies gelijk is aan het aantal
cliënten van jaar T-1, minus de uitstroom van dat jaar, plus de instroom in jaar T.
Verklarende factoren
Om de toename van het aantal jeugdigen in jeugdhulp nader te verklaren, hebben we
onderzocht of de samenstelling van de groep jeugdhulpgebruikers is veranderd. We hebben
daarvoor gekeken naar de volgende eigenschappen®”:
— jongeren met niet-westerse migratie-achtergrond
=— jongeren in bijstandsgezinnen
— jongeren in eenoudergezinnen
— mediaan inkomen
Omdat de microdata toegang biedt tot jeugdhulpinformatie op cliëntniveau, was het mogelijk
om op cliëntniveau deze eigenschappen te onderzoeken. We hebben per jaar de groep
bekeken die in jeugdhulp instroomde, en geanalyseerd hoeveel daarvan tot één van de drie
genoemde kwetsbare groepen behoort. Daarnaast hebben we berekend wat het mediane
35 Deze zijn gebaseerd op de eigenschappen die volgens een eerder onderzoek
samenhangen met de ontwikkeling van jeugdhulpgebruik: Significant, Analyse volume
jeugdhulp, 2019.
GV572 63
Andersson Elffers Felix
gestandaardiseerd inkomen was van de huishoudens van de jongeren, Voor elk van deze
factoren hebben we de definitie van het CBS gevolgd.
De gecorrigeerde jeugdhulpbestanden vormden de basis voor deze analyse. Per jaar hebben
we gekeken naar de cliënten die dat jaar een jeugdhulptraject zijn gestart. We zijn immers
geïnteresseerd in hoe de kenmerken van de jeugdhulppopulatie zich ontwikkelen tussen 2015
en 2019, Als we per jaar in de periode 2015-2019 zouden kijken naar de cliënten die dat jaar
een jeugdhulptraject hebben lópen, zou de gevonden ontwikkeling ‘vervuild’ zijn door
trajecten die over de jaargrenzen heen lopen.
We hebben voor deze analyse de door ons bewerkte jeugdhulpbestanden gekoppeld aan
persoonsgegevens (GBAPERSOONTAB) en inkomensgegevens (INHATAB). Om de
inkomensgegevens van de huishoudens van de cliënten in de jeugdhulpbestanden te bepalen
hebben we gebruik gemaakt van koppelbestanden, die de leden van een huishouden
koppelen aan de bijbehorende hoofdkostwinner. Niet alle cliënten in de jeugdhulpbestanden
werden gevonden in de GBA-bestanden. Een deel van de persoonsnummers (nummers die
corresponderen met unieke cliënten) in de jeugdhulpbestanden komt namelijk niet uit het
GBA, maar heeft een andere bron. De cliënten die we om deze reden niet in de GBA-bestanden
konden vinden, hebben we uitgesloten van de analyse. Het percentage cliënten dat we niet
konden meenemen lag tussen de 2% en 5% per jaar. Per kenmerk hebben we gecorrigeerd
voor de cliënten waarvan dat kenmerk niet bekend was.
We hebben de analyse uitgesplitst naar zorgvormen. Cliënten die in een bepaald jaar
meerdere trajecten van een bepaalde zorgvorm startten, zijn in dat jaar slechts één keer
meegeteld bij die zorgvorm. Cliënten die in een bepaald jaar meerdere trajecten van
verschillende zorgvormen startten, zijn bij elk van die zorgvormen één keer meegeteld.
A.4 Bandbreedtes
Het doel van het onderzoek was om te bepalen wat het benodigde structurele budget voor
jeugdhulp is bij een doelmatige uitvoering. Het antwoord op deze vraag is niet exact te
bepalen. Wij geven dan ook geen exacte uitkomst, maar een bandbreedte. De bandbreedte
geeft de marge aan waarin we verwachten dat het benodigde structurele budget valt.
In deze bijlage leggen we uit waar onzekerheden uit voortkomen, hoe we tot een bandbreedte
komen, en wat deze bandbreedte betekent. In het eerste deel leggen we dit op hoofdlijnen
uit. In het tweede deel gaan we dieper in op de exacte berekeningen met voorbeelden.
Per deelvraag bepalen we een bandbreedte
Om het benodigde structurele budget te berekenen, hebben we gekeken naar verschillende
deelvragen, zoals het effect van individuele maatregelen en de boeggolf, Per deelvraag
hebben we een financieel effect onderzocht door deel-effecten te identificeren en te
kwantificeren. Van deze deel-effecten hebben we een inschatting gemaakt.
Voorbeeld
Voor de maatregel over de POH-jeugd is een van de deeleffecten de salariskosten die
gemeenten zouden maken voor POH’s, We hebben ingeschat welke kosten alle gemeenten
gezamenlijk zouden maken bovenop hun huidige kosten, waarbij we rekening houden met
het feit dat sommige gemeenten al POH’s in dienst hebben. Het antwoord hierop is niet één
getal, maar een bandbreedte waarbinnen we verwachten dat deze totale kosten zullen
vallen. De bandbreedte geeft de onzekerheid op ons antwoord aan.
GV572 64
Andersson Elffers Felix
— We weten bijvoorbeeld niet hoeveel gemeenten exact gemiddeld per fte zullen moeten
betalen, maar op basis van de uitvraag weten we wel een bandbreedte waartussen dit
gemiddelde zich bevindt.
— Hetzelfde geldt voor hoeveel fte aan POH’s er in het land nodig zijn, en hoeveel er op dit
moment al ingezet worden. Deze aantallen zijn verkregen door de uitvraagresultaten te
extrapoleren.
Voor de andere deel-effecten (zoals besparingen die hier tegenover staan) zijn vergelijkbare
berekeningen gemaakt.
De bandbreedtes zijn expert-inschattingen
We hebben dus per deel-effect een inschatting gemaakt van de financiële waarde, én van hoe
onzeker die is, om tot een bandbreedte te komen. Veel deel-effecten hebben we
gekwantificeerd via expert-inschattingen. Daarbij hebben we ook gevraagd om een
inschatting van de onzekerheid op antwoorden. Daarnaast leverde de validatie van
inschattingen uit de uitvraag ook een beeld van de onzekerheid. Als gemeenten sterk
verschillende ervaringen hebben zonder een duidelijk aanwijsbare oorzaak, is de onzekerheid
op het antwoord groter.
We hebben gecombineerde bandbreedtes met statistische rekenregels berekend
Als we per deel-effect een bandbreedte hebben, moeten we deze nog combineren tot een
bandbreedte van de gehele maatregel. Voor de gemiddelde waardes kan dat door optellen en
vermenigvuldigen. Bandbreedtes kunnen niet zomaar opgeteld worden door de onder- en
bovengrenzen op te tellen. Ook vermenigvuldigen van bandbreedtes geeft geen goede
inschatting van de uiteindelijke bandbreedte. Hier moet dus een andere techniek voor
gebruikt worden.
De manier waarop we bandbreedtes combineren komt voort uit de statistiek, dit heet ook wel
foutenvoortplanting. Dit is in het tweede deel van deze bijlage in meer detail uitgewerkt. Deze
hebben we zowel voor optelling van effecten binnen een maatregel als voor het combineren
van verschillende maatregelen gebruikt, De technische stappen zijn in beide gevallen
hetzelfde,
De uiteindelijke ‘echte waarde’ ligt naar verwachting binnen de bandbreedte
De bandbreedte is een onder- en bovengrens, waarvan we een gerechtvaardigd vertrouwen
hebben dat de echte waarde er tussenin zal zitten. Dit kunnen we echter niet met zekerheid
zeggen: er blijft een kans bestaan dat de echte waarde buiten de bandbreedte valt. Dit geldt
niet alleen voor dit onderzoek, maar is altijd het geval als je werkt met bandbreedtes in reële
situaties. Over het algemeen geldt wel: hoe groter de bandbreedte, hoe groter de zekerheid
waarmee je uitspraken kan doen, maar hoe kleiner de waarde van je uitspraak.
Vaak wordt een bandbreedte gehanteerd waarbij 68% kans bestaat dat de werkelijke
uitkomst binnen de bandbreedte valt.® Binnen grootschalige kwantitatieve onderzoeken is
het mogelijk om deze bandbreedte te bepalen op basis van statistiek. In dit onderzoek is de
bandbreedte zelf echter ook een expertinschatting, waarbij we op basis van alle beschikbare
informatie uit literatuuronderzoek, gesprekken en de uitvraag een inschatting hebben
gemaakt van de onzekerheid. De bandbreedte en de onderbouwing hiervan is expliciet
gemaakt in de rapportage.
% Deze waarde komt uit de statistiek, het is één standaarddeviatie van de normale
verdeling.
GV572 65
Andersson Elffers Felix
Technische verdieping: de oorsprong van onzekerheden en rekenvoorbeelden met
bandbreedtes
De rest van deze bijlage is bedoeld voor mensen die meer willen weten over de principes
achter de bandbreedtes, en de manier waarop we ze berekend hebben.
Er zijn verschillende soorten onzekerheden
De onzekerheid in de besparing die een maatregel kan opleveren heeft meerdere oorzaken.
Ten eerste zijn er statistische onzekerheden. Voor de mogelijke besparing van een aantal
maatregelen worden bijvoorbeeld de uitkomsten van de uitvraag gebruikt. Omdat niet alle
gemeenten de uitvraag hebben ingevuld, moesten de resultaten worden geëxtrapoleerd om
een landelijk beeld te krijgen. Hierbij was het belangrijk om ons ervan te verzekeren dat de
gemeenten die de uitvraag hebben ingevuld een goede afspiegeling zijn van alle gemeenten.
Omdat het onmogelijk is om zeker te weten dat de resultaten uit de uitvraag een exacte
afspiegeling zijn van het landelijke beeld, levert dit een onzekerheid op.
Ten tweede zijn er inschattings-onzekerheden. In de uitvraag is vaak gevraagd naar
inschattingen, omdat er in sommige gevallen geen cijfermatige gegevens beschikbaar zijn, of
omdat we vroegen naar een verwacht toekomstbeeld. In beide gevallen is er een inherente
onzekerheid in de gegeven antwoorden.
De onzekerheden die voortkomen uit inschattingen die gemaakt worden aan de hand van
bestaande casussen zijn een combinatie van statistische en inschattings-onzekerheden. De
reden hiervoor is dat de lokale context net kan afwijken van de randvoorwaarden voor het
effect dat wordt ingeschat.
Een voorbeeld van hoe een bandbreedte geïnterpreteerd moet worden
Voor alle maatregelen die naar verwachting tot een besparing leiden en te kwantificeren zijn,
is er uiteindelijk een besparing berekend. De uitkomst van zo’n berekening bestaat uit een
meest waarschijnlijke besparing, en de onzekerheid op die besparing. Uit de meest
waarschijnlijke besparing en de onzekerheid volgt een onzekerheidsbandbreedte. Deze
bandbreedte geeft aan tussen welke bedragen de werkelijke besparing naar verwachting zal
liggen. De bandbreedte loopt van de meest waarschijnlijk uitkomst minus de onzekerheid, tot
de meest waarschijnlijke uitkomst plus de onzekerheid.
Voorbeeld
Een berekening wijst uit een bepaalde maatregel landelijk kan leiden tot een totale
besparing van € 2.000.000. Door statistische en/of inschattings-onzekerheden blijkt deze
uitkomst een onzekerheid van € 300.000 te kennen.
De onzekerheidsbandbreedte van de maatregel loopt dan van € 1.700.000 tot € 2.300.000.
Zoals hierboven beschreven is er geen absolute garantie dat de werkelijke besparing van een
maatregel binnen de gehanteerde onzekerheidsbandbreedte zal vallen. In ons rapport
schatten we onzekerheden in met het uitgangspunt dat er 68% kans is dat de werkelijke
besparing van een maatregel binnen de uitgewerkte bandbreedte zal vallen. Dit komt overeen
met één standaarddeviatie van de normale verdeling. Er zijn ook onderzoeken die werken
met twee of meer standaarddeviaties; dit hangt af van onder meer de beschikbare data.
Er zijn statistische rekenregels om onzekerheidsbandbreedtes te combineren
Bij het berekenen van een gecombineerde besparing van een combinatie van meerdere
maatregelen, hebben we ditzelfde uitgangspunt van 68% zekerheid aangehouden. De
onzekerheden van de individuele maatregelen zijn dus zodanig gecombineerd dat de
GV572 66
Andersson Elffers Felix
resulterende bandbreedte weer dezelfde betekenis heeft, namelijk dat de kans dat de
werkelijke besparing van beide maatregelen samen binnen deze bandbreedte valt 68% is,
De vraag die dan logischerwijs volgt is hoe de onzekerheden van de individuele maatregelen
gecombineerd moeten worden zodat de resulterende bandbreedte deze betekenis heeft. Een
eerste gedachte zou kunnen zijn om de onzekerheden van beide maatregelen bij elkaar op te
tellen en deze gecombineerde onzekerheid te vertalen naar een onzekerheidsbandbreedte op
de besparing van beide maatregelen samen. Hetzelfde geldt voor de deel-effecten van
maatregelen, die we moeten optellen om het effect van de totale maatregel te krijgen.
Voorbeeld van een naïeve optelling van bandbreedtes
Maatregel X heeft een verwachte besparing van € 2.000.000, met een onzekerheid van
€ 300.000. De onzekerheidsbandbreedte van deze maatregel loopt dus van € 1.700.000 tot
€ 2.300.000. Maatregel Y heeft een verwachte besparing van € 3.000.000, met een
onzekerheid van € 400.000. De onzekerheidsbandbreedte van deze maatregel loopt dus van
€ 2,600.000 tot € 3.400.000
Bij het simpelweg optellen van deze resultaten en onzekerheden zou de combinatie van de
twee maatregelen leiden tot een verwachte besparing van € 5.000.000. Het optellen van de
onzekerheden zou leiden tot een totale onzekerheid van € 700.000. Hierdoor zou de
onzekerheidsbandbreedte lopen van € 4.300.000 tot € 5.700.000.
Zoals in het voorbeeld hierboven te zien is, krijg je uit het simpelweg optellen van
onzekerheden nieuwe bandbreedtes, Deze methode leidt echter niet tot een gecombineerde
bandbreedte die dezelfde betekenis heeft als de individuele bandbreedtes. Met andere
woorden, de kans dat de daadwerkelijke totale besparing binnen de op deze manier
geconstrueerde bandbreedte valt is niet gelijk aan 68%.
Dit kan worden ingezien aan de hand van de maatregelen uit het hierboven gegeven
voorbeeld. De kans dat de daadwerkelijke besparing van maatregel X lager uitvalt dan
€ 1.700.000, of hoger dan € 2.300.000, is 32%. De kans dat de besparing van maatregel Y lager
uitvalt dan € 2.600.000, of hoger dan € 3.400.000, is ook 32%, De kans dat de daadwerkelijke
besparing van zowel maatregel X als maatregel Y buiten de gegeven bandbreedtes vallen is
dan veel kleiner (namelijk 32% van 32%, ofwel 10%). Bij het simpelweg optellen van de
onzekerheden van de individuele maatregelen zou de gecombineerde bandbreedte dus een
andere betekenis krijgen: de kans dat de daadwerkelijke totale besparing buiten deze
bandbreedte valt is 10% (in plaats van 32%).
Analogie
Dit is te vergelijken met het werpen van twee dobbelstenen. De kans dat met de ene
dobbelsteen 6 wordt gegooid is 1/6. De kans dat met de andere dobbelsteen 6 wordt gegooid
is ook 1/6. De kans dat er met beide dobbelstenen tegelijkertijd 6 wordt gegooid is echter veel
kleiner, namelijk 1/36
In de statistiek wordt hiervoor de foutenvoortplanting gebruikt. Dit is de methode die gebruikt
wordt om onzekerheden op te tellen zodat de resulterende bandbreedte de gewenste
betekenis heeft. De theorie van foutenvoortplanting leidt tot een formule waarmee
onzekerheden correct gecombineerd kunnen worden. Beide individuele onzekerheden
worden eerst gekwadrateerd, daarna worden ze opgeteld. Tot slot wordt van deze combinatie
de vierkantswortel genomen.
GV572 67
Andersson Elffers Felix
Voorbeeld
De onzekerheid van maatregel X bedroeg € 300.000. Door dit te kwadrateren komen we uit
op 90 miljard. De onzekerheid van maatregel Y bedroeg € 400.000, wat gekwadrateerd
uitkomt op 160 miljard. De som van deze gekwadrateerde onzekerheden bedraagt dus 250
miljard. Hier moet tot slot nog de vierkantswortel van worden genomen. Hierdoor komt de
onzekerheid van de combinatie van maatregel X en Y uit op € 500.000. De bandbreedte loopt
dan dus van € 4.500.000 tot € 5.500.000.
Zoals uit het voorbeeld te zien is, leidt deze methode tot een kleinere bandbreedte bij het
combineren van uitkomsten. Met de (foutieve) methode van het simpelweg optellen kwamen
we tot een onzekerheid van € 700.000, terwijl de correcte methode een onzekerheid van
€ 500.000 oplevert.
Er is ook een formule om de bandbreedte te berekenen als je twee waardes met
onzekerheden met elkaar wilt vermenigvuldigen. Dit was relevant op het moment dat we
tussenuitkomsten van de maatregelen wilden combineren om een eindbedrag per maatregel
te verkrijgen.
GV572 68
.
Andersson Elffers Felix
B Analyse van kosten, budget en volume
De basis voor het bepalen van een structureel tekort in het jeugddomein is een helder beeld
van de kosten die gemeenten sinds de decentralisatie hebben gemaakt voor hun jeugdtaken,
en het budget dat hier tegenover heeft gestaan. In deze bijlage leest u het volgende:
=— De afbakening van kosten en budget die meegerekend zijn
— De werkwijze die gebruikt is om kosten en budget te gebruiken
— De ontwikkelingen in kosten en budget in de jaren 2015-2019
— Duiding van de ontwikkeling in kosten aan de hand van ontwikkelingen in volume en
prijs.
Afbakening van de kosten en het budget
De basis voor het bepalen van een structureel tekort in het jeugddomein is een helder beeld
van de kosten die gemeenten sinds de decentralisatie hebben gemaakt voor hun jeugdtaken,
en het budget dat hier tegenover heeft gestaan.
De definities van budget en kosten hangen nauw met elkaar samen: om de kosten op een
zuivere manier te kunnen vergelijken met het budget moeten de definities goed op elkaar
aansluiten, anders worden immers appels met peren vergeleken. Voor het budget is gekozen
om het budget mee te nemen dat bij de decentralisatie is overgeheveld, inclusief indexatie en
taakmutaties, zonder de tijdelijke extra middelen jeugd. Deze optie sluit het beste aan bij de
uitgangspunten van de decentralisatie. Door de scope van het onderzoek op deze manier te
definiëren, wordt de decentralisatie in 2015 als startpunt genomen. Het tekort is dan het
verschil tussen budget en kosten sinds dat moment.
De mogelijke keuzes voor de afbakening en de betekenis van de verschillende opties zijn
besproken met de begeleidingsgroep en de stuurgroep. In deze paragraaf lichten we toe
welke afbakening na deze bespreking door de stuurgroep is vastgesteld. We bespreken eerst
op hoofdlijnen welke afbakening gekozen is, en gaan vervolgens in meer detail in op de
gedecentraliseerde budgetten en bijbehorende taken en de betekenis van de
normeringssystematiek van de Algemene Uitkering voor het onderzoek.
De afbakening op hoofdlijnen
Het uitgangspunt van de berekening is dat we eerst in beeld brengen of er sprake is van een
tekort en, indien dat zo blijkt te zijn, daarna bepalen welk gedeelte van het tekort in 2019
structureel is. Daarbij kijken we naar het jeugdbudget dat in het kader van de decentralisatie
aan gemeenten verstrekt wordt. Dat betekent concreet het volgende:
— Voor het budget gaan we uit van het jeugdbudget in de Integratieuitkering Sociaal
Domein (IU SD), dat overgeheveld is in het kader van de decentralisatie en vanaf 2019
GV572 69
Andersson Elffers Felix
overgeheveld is naar de Algemene Uitkering (AU), plus de Integratieuitkering (IU)
Voogdij/18+. Daarbij nemen we ook de gehanteerde indexaties en taakmutaties mee.
= De tijdelijk extra toegevoegde middelen van 2019 t/m 2022 nemen we niet mee in
deze grondslag voor het budget. Dit zijn immers middelen die slechts tijdelijk
toegevoegd zijn, en dus niet het structurele budget reflecteren.”
= Algemene mutaties op de AU zoals het accres, BTW-compensatiefonds en de
opschalingskorting rekenen we niet mee, omdat het jeugdhulpbudget bij de
overheveling naar de algemene uitkering hiervoor is gecorrigeerd. Wijzigingen op
deze mutaties die na mei 2018 (in uitkeringsjaar 2019) hebben plaatsgevonden
hebben wel invloed gehad op het budget in 2019.
— Voor de kosten gaan we uit van de kosten voor gemeenten voor jeugdhulptrajecten”® én
de intensiveringen in toegang en voorliggend veld voor jeugd sinds 2014,
= Aangezien de beschikbare gegevens exclusief overhead voor gemeentelijke
medewerkers zijn, moet hier nog overhead bij opgeteld worden. Ook hier zijn
verschillende keuzes mogelijk, maar in de praktijk betreft het slechts een klein
gedeelte van het budget.” Er is daarom besloten om een vast opslagpercentage te
rekenen op basis van gemiddeld 32% overhead” voor gemeentelijke
personeelskosten.
Met deze uitgangspunten maken we het verschil tussen kosten en budget in 2019 inzichtelijk.
Om te komen tot het structurele verschil zijn ook de boeggolf en de maatregelen van belang.
Deze worden beschreven in hoofdstuk 4 Het effect van preventie en vroegsignalering en
hoofdstuk 6 Sturingsmogelijkheden binnen de Jeugdwet.
Toelichting: de gedecentraliseerde budgetten en bijbehorende taken
Het jeugdbudget dat met de decentralisatie werd overgeheveld van het Rijk naar gemeenten
omvatte grofweg de volgende vier onderdelen:
— Middelen voor jeugd-GGZ (voorheen gefinancierd door zorgverzekeraars)
— Middelen voor jeugd met een beperking (waarvan de zorg voorheen gefinancierd werd
door de zorgkantoren, inclusief PGB’s)
— Middelen voor jeugd- en opvoedhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering, en de
toegangstaken van Bureau Jeugdzorg (voorheen gefinancierd door de provincies)
— Middelen voor jeugdzorgplus, wat voorheen rechtstreeks via het Rijk liep
De kosten voor taken waar deze middelen voor bestemd zijn, worden daarom logischerwijs in
elk geval meegenomen in dit onderzoek. Daarbij gaat het om de kosten die geboekt worden
op de taakvelden gerelateerd aan individuele maatwerkvoorzieningen.
Gemeenten besteden het overgehevelde jeugdbudget echter niet alleen aan de
overgehevelde taken. Ook vóór de decentralisatie zetten zij al in op preventie en voorliggend
veld, bijvoorbeeld via de jeugdgezondheidszorg, jongerenwerk en preventieve
opvoedondersteuning. Een van de doelen van de decentralisatie was een beweging naar de
voorkant: de beleidstheorie van de Jeugdwet was immers dat door meer in te zetten op
preventie, de hogere kosten voor (zwaardere vormen van) jeugdhulp voorkomen zouden
kunnen worden. Sinds de decentralisatie zijn de taken van gemeenten op het gebied van
51 In eerste instantie ging dit om 2019-2021; in 2020 is ook extra geld voor 2022 toegezegd.
38 Daarbij is uitgegaan van de kosten van gemeenten. Bij de berekening van de kosten is
geen (inschatting van) eventuele geleden verliezen door aanbieders meegewogen.
5 Overhead van medewerkers van zorgaanbieders zit in de kosten voor jeugdhulptrajecten.
“0 Berenschot Benchmark gemeentelijke kosten.
GV572 70
Andersson Elffers Felix
preventie en het voorliggend veld dus geïntensiveerd. Er is daarom gekozen om niet alleen de
kosten voor individuele voorzieningen jeugd te bekijken, maar om ook de meerkosten voor
preventie en voorliggend veld ten opzichte van vóór de decentralisatie mee te nemen,
inclusief de apparaatslasten voor al deze taken. We definiëren de meerkosten voor preventie
en voorliggend veld dus ten opzichte van de kosten die gemeenten maakten vóór de
decentralisatie (2014), en kijken niet naar de absolute kosten. Op deze manier sluit de
afbakening van de kosten aan bij de definitie van het budget.
Kanttekening bij deze methode
Een aandachtspunt bij het vergelijken met 2014 is dat de kosten voor het sociaal domein bij
gemeenten in de jaren voor de decentralisatie afnamen, vooral in 2014.“ Aangezien destijds
vooral voorliggende voorzieningen bij gemeenten belegd waren, roept dit de vraag op of er
voorafgaand aan de decentralisatie niet bezuinigd is hierop. Bij nadere inspectie blijkt
echter dat de daling grotendeels wordt verklaard door de afname in kosten op het taakveld
huishoudelijke verzorging.* Waarschijnlijk hebben gemeenten daarbij voorgesorteerd op
de korting die het jaar erna op dat budget doorgevoerd zou worden. Dit betreft echter geen
jongeren. Omdat we alleen kijken naar de meerkosten voor het voorliggend veld en
preventie op het gebied van jeugd, is de afname in de totale kosten voor voorliggende
voorzieningen (Wmo + jeugd) in 2014 dus geen probleem. Voor jeugd kan wel meespelen dat
enkele gemeenten in 2014 al kosten hebben gemaakt voor pilots met wijk- of jeugdteams.
De macrovergelijking tussen 2013 en 2014 voor het sociaal domein exclusief het taakveld
huishoudelijke verzorging suggereert echter dat dit om beperkte bedragen ging.“
Een nadeel van de vergelijking met 2014 is dat eventuele bezuinigingen op het voorliggend
veld jeugd in jaren voorafgaand aan de decentralisatie die later weer teruggedraaid zijn wel
meegenomen worden. Andersom worden investeringen die gemeenten al in 2014 gedaan
hebben juist niet meegenomen. Er is echter geen aanleiding is om te veronderstellen dat
het beeld voor het voorliggend veld en preventie voor jeugd sterk veranderd is in de jaren
voorafgaand aan de decentralisatie. Een ander vergelijkingsjaar zou daarom geen
betrouwbaardere resultaten opleveren, terwijl het voor gemeenten wel aanmerkelijk
moeilijker wordt om de benodigde gegevens te leveren.
De kosten die gemeenten maken op het gebied van Jeugdhulp bestaan dus grofweg uit twee
delen: kosten voor individuele maatwerkvoorzieningen en kosten voor preventie en het
voorliggend veld.
Achtergrond: over de algemene mutaties op de AU
Het jeugdbudget is sinds 2019 aan de AU toegevoegd. Dat betekent dat het vanaf 2020
meeloopt in de reguliere mutaties op de AU, Daarnaast zijn de wijzigingen op de mutaties op
de AU die na mei 2018 zijn gedaan (zoals de afrekening van het accres 2018 en bepaling accres
2019) ook toegepast op het jeugdbudget, dus deze hebben in 2019 wel (een negatief) effect
“1 Zie periodiek onderhoudsrapport gemeentefonds 2015. Hieruit blijkt dat in het cluster
maatschappelijke zorg in 2014 meer dan 100 miljoen minder kosten gemaakt zijn dan in
2013.
“2 Zie de lv3-gegevens op het CBS: https://iv3StatLine.chs.nl.
3 De aantallen jongeren met jeugdhulp in 2014 wijken ook af. Het is echter niet duidelijk of
dit om een registratieprobleem of een feitelijke teruggang ging. Aangezien gemeenten nog
geen kosten droegen voor jeugdhulp in 2014, zijn deze kosten ook niet relevant. Voor de
vergelijking wordt alleen gekeken naar kosten van gemeenten aan voorliggende
voorzieningen en preventie voorafgaand aan de decentralisatie.
GV572 71
Andersson Elffers Felix
gehad op het budget jeugd. Oude taken jeugd waren uiteraard al wel onderdeel van de AU,
dus deze lopen al langer mee in de reguliere mutaties op de AU.
Op de volledige AU worden de volgende mutaties toegepast:
— Het accres wordt op de gehele AU toegepast. Het accres is gebaseerd op de rijksbegroting
in enge zin en recent is daaraan het kader voor zorg en sociale zekerheid toegevoegd. De
achtergrond hiervan is dat deze uitgavenkaders harder stijgen dan de rijksbegroting in
enge zin. Daarnaast is de dynamiek hiervan naar verwachting meer vergelijkbaar met het
sociaal domein. Als het accres alleen op de rijksbegroting in enge zin gebaseerd zou zijn,
is de verwachting dat het niet goed aansluit op de kostenstijging voor gemeenten in het
sociaal domein. Het accres is dus opgebouwd uit verschillende onderdelen, zoals ook de
AU opgebouwd is uit verschillende clusters. Het accres is dus een gemiddelde dat
uitgesmeerd wordt over alle clusters, terwijl de afzonderlijke onderdelen van het accres
inhoudelijk een sterkere relatie met specifieke clusters hebben.
— Naast de AU worden ook DU’s meegeteld voor het accres. Dit accres wordt toegevoegd
aan de AU, en niet aan de DU’s.
— Tijdelijk budget genereert structureel accres. De tijdelijke middelen die gedurende drie
jaar zijn toegevoegd, zorgen dus ook op langere termijn voor een grotere AU; niet alleen
direct, maar ook via een ‘rente op rente effect’.
— Erzijn ook andere mutaties op het macrobudget, waaronder de opschalingskorting. Ook
deze wordt toegepast op alle onderdelen van de AU, ook al was deze oorspronkelijk
alleen van toepassing op de oude onderdelen van het budget.
Voorspellingen van het accres zijn lastig, aangezien het accres meebeweegt met de uitgaven
van het Rijk. In beginsel is de normeringssystematiek echter afgestemd op een eventuele
kostenstijging in het sociaal domein en is een discussie over de normeringssystematiek niet
het doel van dit onderzoek. Daarom is door de stuurgroep besloten dat het structurele tekort
bepaald wordt op basis van de kosten en het budget in het jaar 2019, gecorrigeerd voor
tijdelijke kosten en mogelijke besparingen door doelmatiger te werken.
Werkwijze om kosten en budget te bepalen
Het budget en de kosten zijn bepaald conform de zojuist beschreven afbakening.
De werkwijze op hoofdlijnen
Het budget is aangeleverd door BZK, Voor de jaren 2015 t/m 2018 is dit conform de
afbakening gebaseerd op de IUSD Jeugd en de IU Voogdij/18+. Voor 2019 is het budget
verkregen door het subcluster Jeugdhulp uit de AU op te tellen bij de IU Voogdij/18+. Dit totaal
bevat ook de tijdelijke middelen. Om aan te sluiten bij de gehanteerde afbakening van het
budget worden deze extra middelen ervan afgetrokken. De cijfers zijn bijgewerkt tot en met
de stand van september 2020. In onderstaande tabel is uitgewerkt welk budget er in de
meicirculaire 2018 is overgeheveld en welke mutaties daarop sindsdien zijn toegepast.
GV572 72
Andersson Elffers Felix
Onderdeel van het budget Bedrag (Xx 1.000 euro)
Jeugdhulpbudget (exc. tijdelijke middelen) €3.136.192
Overgeheveld bedrag jeugdhulp meicirculaire 2018 3.074,945
Uitvoeringskosten SVB PGB trekkingsrechten -11,005
Academische component kinder- en jeugdpsychiatrie -4,410
Jeugdhulp aan kinderen in een AZC -3.000
Loon- en prijsbijstelling 2019 Jeugdhulp 108.978
Verhoging leeftijdsgrenzen gezinshuizen 2.200
Compensatieregeling Voogdij/18+ 8.154
Correctie loon- en prijsbijstelling 2019 Jeugdhulp -4,707
Effect algemene mutaties en ontwikkeling uitkeringsbasis -34.963
Budget voogdij / 18+ 680.360
Totaal budget 3.816.552
Voor het bepalen van de kosten zijn op hoofdlijnen de volgende stappen gezet:
— Kosten voor jeugdhulptrajecten zijn bepaald op basis van het saldo van baten en lasten
op de relevante taakvelden in de lv3: maatwerkdienstverlening 18- en geëscaleerde zorg
18-. Hiervoor is voor elk jaar de 2e (definitieve) plaatsing van de jaarrekening gebruikt. In
alle jaren waren van enkele gemeenten geen data beschikbaar; deze zijn aangevuld op
basis van de aanpalende jaren (voor missende data in de jaarrekening van 2019 is
gebruikt gemaakt van de 4° kwartaalrekening van 2019 indien deze beschikbaar was),
— Voor de meerkosten voor preventie en voorliggend veld is eerst een inschatting
gemaakt op basis van het Fonds tekortgemeenten. Op basis van de uitvraag is deze
inschatting aangescherpt en uitgebreid naar de andere jaren. We hebben hierbij
onderscheid gemaakt tussen meerkosten voor lokale teams, en meerkosten voor
voorliggend veld. Uit deze analyse blijkt dat de meerkosten voor lokale teams voor elk
jaar sinds 2015 ongeveer 3 à 4 keer hoger zijn dan de meerkosten voor het voorliggend
veld.
We lichten de analyse onderstaand nader toe.
Vooraf: omgang met overhead
De uitvoeringskosten zijn op te splitsen in twee componenten: de feitelijke taakuitvoering
(inclusief taakgerelateerde overhead) en algemene (PIOFACH®) overhead. Van de feitelijke
taakuitvoering ligt het voor de hand de apparaatslasten mee te nemen. De algemene
overhead is een complexer vraagstuk. Die is niet eenduidig toe te schrijven aan de nieuwe
taken, maar weegt wel mee in de kosten.
4 Personeel, Informatievoorziening, Organisatie, Financiën, Administratieve organisatie,
Communicatie en Huisvesting.
GV572 73
Andersson Elffers Felix
Het is van belang om op te merken dat alle diensten die extern ingekocht zijn sowieso
inclusief overhead zijn. Algemene overhead is dus alleen van toepassing op medewerkers in
dienst van de gemeente. Ten opzichte van de totale kosten zijn deze kosten beperkt,
aangezien het overgrote gedeelte van de activiteiten en diensten die vanuit het jeugdbudget
uitgevoerd worden extern ingekocht is.“
In de begeleidingsgroep en de stuurgroep is de vraag besproken in hoeverre een toename van
taken één op één leidt tot een toename van overhead. Ter illustratie: één extra medewerker
leidt niet tot extra formatie voor de HR-afdeling, maar 100 extra medewerkers wel,
Vergelijkbare voorbeelden gelden voor andere onderdelen van de PIOFACH.
Uit de Berenschot benchmark volgt dat ca. 32% van de gemeentelijke personeelskosten uit
overhead bestaat, en dat de overheadkosten per medewerker niet sterk veranderd zijn na de
decentralisatie.* Daarom is ervoor gekozen om de overhead mee te nemen middels een vast
opslagpercentage op basis van 32% overhead voor gemeentelijke personeelskosten.
Kosten voor maatwerkvoorzieningen
De kosten voor voorzieningen waarvoor een (individuele) beschikking afgegeven wordt
(inclusief de apparaatskosten die hiervoor gemaakt worden) worden sinds 2017 door
gemeenten geboekt op de Iv3-taakvelden 6.72 en 6.82.” Vóór 2017 waren dit de lv3-functies
672, 682, 683 en 687, waarbij 672 zowel taken op het gebied van Wmo en Jeugdhulp omvatte.
Om het aandeel van de op deze functieplaats geboekte kosten dat bedoeld is voor Jeugdhulp
te bepalen, is gebruik gemaakt van POR 2017.
In de onderstaande tabel is een overzicht te zien van de Iv3-functies en de Iv3-taakvelden die
relevant zijn voor de gemaakte kosten op het gebied van Jeugdhulp.
2015, 2016 2017, 2018, 2019
Maatwerkvoorzieningen 672 (deel Jeugd) en 682 6.72
Maatwerkvoorzieningen 683 en 687 6.82
Voorliggend veld 670 (deel Jeugd) 6.1 (deel Jeugd)
Voorliggend veld 671 (deel Jeugd) 6.2 (deel Jeugd)
Aangezien de taakvelden in het voorliggend veld niet volledig betrekking hebben op jeugd,
maar ook op andere taken, zijn deze niet gebruikt voor het bepalen van de kosten. Voor de
maatwerkvoorzieningen is dit wel het geval. Daarop zijn de volgende bewerkingen gedaan:
— Voor elk taakveld zijn de baten afgetrokken van de lasten, om tot de totale kosten te
komen.
5 Zie bijvoorbeeld Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020.
4 De Berenschot benchmark wordt jaarlijks uitgevoerd bij gemeenten die zich hiervoor
aanmelden om meer inzicht te krijgen in hun kostenstructuur. De overall bevindingen zijn
voor verschillende jaren gepubliceerd.
“7 Uit de analyse die uitgevoerd is in de herijking gemeentefonds bleek dat deze taakvelden
relatief betrouwbaar werden ingevuld.
GV572 74
Andersson Elffers Felix
— De overhead is voor 2017, 2018 en 2019 meegenomen op de taakvelden L1.1 (salarissen
en sociale lasten) en B3.5.2 (uitgeleend personeel). Voor 2015 en 2016 is dit gedaan op de
corresponderende functies B3.0 (vergoeding voor personeel) en L1.1 (loonbetalingen en
sociale premies). De overhead op de baten (uitgeleend personeel, vergoeding voor
personeel) is opgeteld bij de overhead op de lasten (salarissen en sociale lasten), en
vervolgens opgeteld bij de totale kosten.
Meerkosten voor preventie en voorliggend veld
Om de kosten te bepalen die gepaard zijn gegaan met de intensivering van de taken van
gemeenten op het gebied van preventie en het voorliggend veld inclusief toegang kan geen
gebruik gemaakt worden van de lv3-informatie, Deze is namelijk niet gesplitst tussen jeugd en
volwassenen. Daarom zijn twee andere methodes gebruikt om de inzet in het voorliggend
veld te bepalen:
— De enquête die voor dit onderzoek uitgezet is onder gemeenten. Hiervoor zijn alle
gemeenten bevraagd op extra kosten voor het voorliggend veld ten opzichte van 2014
voor de jaren 2015 t/m 2019. Deze dataset geeft dus inzicht in de ontwikkeling van de
kosten. Niet alle ondervraagde gemeenten hebben dit gedeelte van de enquête ingevuld
en niet alle responses waren plausibel, Per jaar hebben we de analyse gebaseerd op 34
tot 55 gemeenten die dit gedeelte van de uitvraag voor dat jaar plausibel hebben
ingevuld. In verband met de doorlooptijd en het beperken van de belasting van
gemeenten is de inhoudelijke toets op de ingevulde cijfers wel beperkt.
— De aanvragen voor het Fonds tekortgemeenten. In 2018 hebben 88 gemeenten een
aanvraag gedaan voor het Fonds tekortgemeenten. Hierin is gevraagd naar extra kosten
voor het voorliggend veld voor 2016 en 2017, waarbij de splitsing tussen de jaren niet
altijd beschikbaar is. Deze aanvragen zijn in detail gecontroleerd en beoordeeld door de
Commissie Fonds tekortgemeenten. Een nadeel is dat het alleen gegevens betreft van
gemeenten met relatief hoge kosten voor het sociaal domein, en dat het slechts twee
jaren betreft. Ook is de splitsing tussen jeugd en volwassenen niet altijd expliciet; dit is
handmatig door het onderzoeksteam toebedeeld op basis van de kwalitatieve
beschrijvingen, en in sommige gevallen zijn hier aannames voor gedaan.
Door deze bronnen te combineren, hebben we een betrouwbaar bedrag bepaald voor het
voorliggend veld. Onderstaand lichten we de werkwijze kort toe.
— In de aanvragen Fonds tekortgemeenten zijn de meerkosten voor toegang en voorliggend
veld jeugd geïdentificeerd. Op basis daarvan is per gemeente bepaald hoeveel extra
kosten er zijn in 2016 en 2017,
— Deze informatie is ook uit de enquête gehaald voor de jaren 2015 t/m 2019.
— Om de aantallen voor deze gemeenten te extrapoleren naar een landelijk beeld, is
onderzocht welke variabele het beste correleerde met de meerkosten. Dit bleek het
aantal jeugdigen in een gemeente te zijn. Dit betekent dat de meerkosten voor het
voorliggend veld toenemen naarmate het aantal jeugdigen toeneemt.
— Voor de extrapolatie naar een landelijk beeld zijn grofweg vier mogelijke methodes:
= Voor alle gemeenten die de meerkosten voor het voorliggend veld hebben ingevuld in
de enquête worden de meerkosten per jeugdige bepaald. Vervolgens wordt het
gemiddelde van deze kosten per jeugdige genomen over de gemeenten. Dit
gemiddelde wordt vermenigvuldigd met het landelijk aantal jeugdigen om te
extrapoleren naar de landelijke meerkosten voor het voorliggend veld. Deze methode
houdt er echter geen rekening mee dat enkele grote gemeenten in de uitvraag relatief
veel kosten maken per jeugdige, en wegens hun omvang zwaar meewegen in het
totaal van kosten.
GV572 75
Andersson Elffers Felix
= Alle door de gemeenten opgegeven meerkosten worden eerst opgeteld. Daarna
worden deze kosten gedeeld door het totaal aantal jeugdigen in al deze gemeenten.
Hieruit volgt ook een gemiddelde van de kosten per jeugdige dat vervolgens
geëxtrapoleerd kan worden. Hierin worden grote gemeenten zwaarder meegewogen
dan kleine gemeenten, aangezien hun kosten ook in de totale kosten meer
meewegen. Relatief hebben echter meer grote dan kleine gemeenten de enquête
ingevuld, dus dit kan een vertekening geven.
= De gemeenten worden eerst naar inwonertal opgedeeld in vijf groepen: gemeenten
met minder dan 20.000 inwoners, gemeenten met 20.000-50.000 inwoners,
gemeenten met 50.000-100.000 inwoners, gemeenten met 100.000-250.000 inwoners,
en gemeenten met meer dan 250.000 inwoners (de G4). Per groep worden voor alle
gemeenten de meerkosten per jeugdige bepaald, waarna per groep een gemiddelde
van deze kosten per jeugdige wordt genomen over de gemeenten in die groep. Dit
gemiddelde wordt vervolgens geëxtrapoleerd aan de hand van het landelijk aantal
jeugdigen in iedere groep gemeenten.
= Voor iedere hierboven genoemde groepen gemeenten worden de totale meerkosten
van de gemeenten eerst opgeteld. Daarna worden deze kosten gedeeld door het
aantal jeugdigen in de gemeenten van de desbetreffende groep. Hieruit volgt ook
voor iedere groep een gemiddelde van de kosten per jeugdige dat vervolgens
geëxtrapoleerd kan worden.
— leder van de hierboven genoemde methoden kent voor- en nadelen, en het is niet
duidelijk welke het meest betrouwbare resultaat geeft, Daarom worden alle vier de
methoden gehanteerd. De uiterste verschillen in de uitkomsten worden als bandbreedte
gehanteerd voor de meerkosten voor het voorliggend veld. De uitkomsten van de analyse
van de aanvragen van het Fonds tekortgemeenten bleken vrij goed aan te sluiten bij de
bandbreedte die uit de enquête volgde.
Ontwikkelingen in de afgelopen jaren: kosten en budget 2015-
2019
In onderstaande grafiek zijn de kosten en het budget voor jeugdhulp in de periode 2015-2019
weergegeven. De bedragen uit de grafiek zijn ook opgenomen in de tabel daaronder.
6
Eer
5 ze
Pe
5 4
5
5 3
Pe
la®
z2
1
0
2015 2016 2017 2018 2019
zee Meerkosten voorliggend veld (max.) mmm Meerkosten voorliggend veld (min)
EB Kosten Individuele voorzieningen —— Budget
Figuur 6 Kosten en budget voor jeugdhulp tussen 2015-2019. De kosten zijn uitgesplitst in de
kosten voor individuele voorzieningen, en de meerkosten voor toegang en voorliggend veld.
GV572 76
Andersson Elffers Felix
2015 2016 Vl 2018 2019
Meerkostentoegang 0,386-0,428 0,496-0,568 0,587-0,836 0,624-0,884 0,655 - 0,904
en voorliggend veld mld mld mld mld mld
Kosten individuele 3,198 mld 3,264 mld 3,853 mld 4,311 mld 4,729 mld
voorzieningen
Budget 3,757 mld 3,651 mld 3,578 mld 3,715 mld 3,817 mld
Uit de cijfers volgen de volgende punten.
— Inde eerste jaren daalt het budget naar aanleiding van de oplopende taakstelling.
Vervolgens stijgt het licht. Deze stijging komt deels door loon- en prijsbijstelling, en deels
door taakuitbreidingen (zoals een verlenging van pleegzorg en gezinshuizen naar 21 jaar).
Vanaf 2020 is er via het accres een indirecte koppeling met de kostenontwikkeling in de
Zvw en WlLz; in de jaren waar dit onderzoek betrekking op heeft, was dat nog niet het
geval. De bijstellingen voor volumegroei en loon- en prijsbijstelling zijn opgenomen in
onderstaande tabel (bedragen x 1,000 euro).
2015 2016 Vl 2018 2019
Volumegroei 30.400 5.000 14.000 - -
LPO 4.141 55.889 69.217 99.578 124.573
— De kosten in 2015 en 2016 zijn nog relatief stabiel, en redelijk in lijn met het budget;
— Vanaf 2017 is een duidelijke stijging zichtbaar in de kosten. Vanaf dat jaar loopt het
verschil tussen kosten en budget verder op. Daarbij moet opgemerkt worden dat, zoals
benoemd in de afbakening, de tijdelijke extra middelen niet meegerekend zijn.
— De meerkosten voor toegang en voorliggend veld zijn fors gestegen, met name van 2016
naar 2017, Het verschilt per gemeente sterk wat voor activiteiten zij binnen het
voorliggend veld uitvoeren en wat de kosten daarvan zijn. Er is weinig bekend over de
belangrijkste kostendrijvers, en de effecten van de investeringen.
— In 2019, het basisjaar voor de analyses, liggen de totale kosten op 5,4 - 5,6 miljoen euro.
Het budget in dat jaar was 3,8 miljard euro. Daarmee is de basis voor het tekort 1,6 - 1,8
miljard euro.
Kosten in context: ontwikkelingen in volume en prijs
Om de ontwikkeling van de kosten beter te begrijpen, hebben we onderzocht hoe het volume
van jeugdhulpgebruik zich ontwikkeld heeft tussen 2015 en 2019. Het is fundamenteel niet
mogelijk om op landelijk niveau onderscheid te maken tussen autonome groei en
ontwikkeling door beleidsmatige keuzes. In eerder onderzoek is wel gekeken naar verschillen
tussen regio’s en de mate waarin deze verklaard werden door beleidsmatige keuzes. Door de
grote verschillen in de wijze van uitvoeren en de verschillende fasen van transitie, werden hier
echter geen verschillen in effect tussen beleidskeuzes gevonden. Er is geen aanleiding om te
veronderstellen dat een regionale analyse op dit moment meer inzicht zou geven. Met de
stuurgroep is daarom afgestemd dat het doel van de analyse van het volume primair was om
meer inzicht te geven in de ontwikkelingen, en niet om de volumeontwikkeling volledig te
verklaren. Aan het eind van het onderzoek is wel gesproken over een mogelijke meerwaarde
van regionale analyses, Deze zijn echter niet meer meegenomen in het onderzoek,
GV572 TT
Andersson Elffers Felix
Onze analyse van de volumeontwikkeling is een kwantitatieve analyse van microdata-
bestanden van het CBS, We hebben verschillende bewerkingen op de microdata-bestanden
gedaan om te corrigeren voor registratie-fouten. De precieze werkwijze is beschreven in
bijlage A.3 Microdata. Daar is ook toegelicht waarom het niet mogelijk om de duur van
trajecten betrouwbaar in te schatten.
Ontwikkelingen in volume
In onderstaande figuur 7 is de ontwikkeling van het aantal cliënten van 2015 - 2019
weergegeven. Daarbij is onderscheid gemaakt naar jeugdhulp, jeugdbescherming en
jeugdreclassering.
50
45
40
35
5
Z 30
iv
VV 25
@
[en]
2 20
@
d
15
10
5
5 LL mann en
Jeugdhulp Jeugdbescherming Jeugdreclassering
m2015 M2016 M2017 m2018 2019
Figuur 7 Aantal cliënten per jaar in jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering.
2015 2016 Vl 2018 2019
Jeugdhulp 377.427 402.189 418.904 433.063 442.942
Jeugdbescherming 42.318 39.892 39.693 40.255 41.249
Jeugdreclassering 11.420 10.756 10.186 9.460 9.170
Het aantal cliënten dat per jaar jeugdzorg krijgt is met 16% gestegen sinds 2015
Sinds 2015 is het aantal cliënten dat per jaar jeugdhulp, jeugdbescherming of
jeugdreclassering krijgt met 16% gestegen. Dit komt voornamelijk door een stijging van 17%
in het aantal cliënten in jeugdhulp. Voor jeugdbescherming namen de cliëntaantallen eerst af,
maar nemen ze nu weer licht toe. Het niveau in 2019 lag daarmee nog 2,5% lager dan het
niveau van 2015. Het aantal cliënten jeugdreclassering daalde met 20% sinds 2015.
GV572 78
Andersson Elffers Felix
De stijging wordt met name veroorzaakt door jeugdhulp zonder verblijf
Als eerste stap om nader te onderzoeken wat de oorzaak is van de stijging van het volume, is
onderstaand de ontwikkeling van het aantal cliënten uitgesplitst naar verschillende
zorgvormen weergegeven.
A
rs |
0 10 20 30 40 50 60
10.000 cliënten
= Jeugdhulp zonder verblijf m Jeugdhulp met verblijf
= Jeugdbescherming = Jeugdreclassering
Figuur 8 Het aantal cliënten in 2015 en 2019 uitgesplitst naar verschillende zorgvormen.
Hierin is voor 2015 en 2019 het aantal cliënten weergegeven in jeugdhulp met en zonder
verblijf, in jeugdbescherming en in jeugdreclassering.“® Er is zichtbaar dat het merendeel van
de cliënten in jeugdhulp zonder verblijf zit. De ontwikkeling van jeugdhulp zonder verblijf
bepaalt dus grotendeels de ontwikkeling van het totale jeugdzorggebruik.
Verder is te zien dat de relatieve omvang van jeugdhulp zonder verblijf in 2019 groter was dan
in 2015: jeugdhulp zonder verblijf is harder gestegen dan de andere zorgvormen. Dit is in meer
detail te zien in de volgende grafieken, waar de verschillende zorgvormen verder uitgesplitst
zijn.
Ook andere zorgvormen laten een stijging zien; niet altijd in lijn met de transformatie
De stijging van het totale aantal cliënten wordt vooral verklaard door een stijging in
verschillende vormen van zorg zonder verblijf, zowel bij wijk- of buurtteams teams als bij
aanbieders. Dit is zichtbaar in figuur 9. Hierin is weergegeven hoe verschillende vormen van
jeugdhulp zich ontwikkeld hebben sinds 2015 (waarbij het volume van 2015 op 100% is gezet).
“® Het opgetelde aantal komt iets hoger uit dan het totaal aantal cliënten in jeugdzorg,
omdat een klein aantal kinderen meerdere vormen van jeugdzorg heeft.
GV572 79
Andersson Elffers Felix
180%
160%
‚n 140%
—d
3 120%
5 100%
5 80%
‚5 60%
> 40%
20%
0%
Uitgevoerd door Ambulante Daghulp op locatie Jeugdhulp in het
het wijk- of jeugdhulpop vande aanbieder netwerk van de
buurtteam locatie van de jeugdige
aanbieder
m2015 M2016 M2017 m2018 2019
Figuur 9 De ontwikkeling van het aantal cliënten in verschillende vormen van jeugdhulp zonder
verblijf, De percentages zijn ten opzichte van het aantal cliënten in 2015.
Bij lokale teams is van 2015 naar 2017 een duidelijke stijging zichtbaar, die vervolgens
stabiliseert en in 2019 zelfs weer wat daalt. Waarschijnlijk wordt dit vooral verklaard doordat
in 2015, en deels ook 2016, veel trajecten van lokale teams nog niet aan het CBS geleverd
werden.
35
30
S
3% 25
5
2 20
u
8 15
— 10
d
ml 1
& À $ L % 5 ‚ S
£ & & ˰ pl A ò j
> > S & & co © er
> ® ® NN @ 5 Q FS
S e ‚ & é & ©
NC Ed > 5 9 so 9
$ &® & & £
R & KS
s NS &
> S ©
NS 9 NSS
m2015 m2019
Figuur 10 Het aantal cliënten in jeugdhulp in 2015 en 2019, uitgesplitst naar verschillende
vormen van jeugdhulp.
De stijging van jeugdhulp zonder verblijf uitgevoerd door het lokaal team in 2019 ten opzichte
van 2015 verklaart echter maar beperkt de totale stijging van jeugdhulp zonder verblijf: zoals
in bovenstaande grafiek te zien is, is jeugdhulp door het lokaal team maar een klein deel van
de totale jeugdhulp zonder verblijf. In absolute zin is de stijging het grootst bij ambulante
jeugdhulp op locatie van de aanbieder,
GV572 80
Andersson Elffers Felix
Ook andere vormen van jeugdhulp laten een stijging zien. Soms is deze verklaarbaar en
wenselijk. Een voorbeeld is de stijging van gezinsgericht verblijf.” Hier is de afgelopen jaren
sterk op ingezet, en het aantal gezinshuizen is dan ook sterk gestegen.” In andere gevallen
past dit minder goed bij het streven van de transformatie. Dit geldt bijvoorbeeld voor de
stijging van gesloten plaatsing. Wel is de jeugdhulp met verblijf in een open groep (categorie
“overig verblijf”) de afgelopen twee jaar gedaald, waardoor het niveau nu onder dat van 2015
ligt.
140%
120%
LO
> 100%
5
5 80%
5 60%
€
© 40%
9
20%
0%
& SS ‚& S ‚ _%
g & 2 & & d
E &% òf ee È 5
& se Q zo RN ce
rs QG CL 2 &
G £ S e D
2e NS So
& © ©
m2015 M2016 M2017 m2018 2019
Figuur 11 De ontwikkeling van het aantal cliënten in verschillende vormen van jeugdhulp met
verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De percentages zijn ten opzichte van het aantal
cliënten in 2015.
Om de daling van het aantal cliënten in Jeugdbescherming tot 2017, en de stijging in de twee
daaropvolgende jaren te duiden is in figuur 12 een uitsplitsing gemaakt in de twee vormen van
Jeugdbescherming: ondertoezichtstelling, en voogdij. Hiervoor zijn voorlopige en tijdelijke
maatregelen toegerekend aan de desbetreffende vorm. Te zien is dat de daling tot 2017 en de
daaropvolgende stijging vooral toe te rekenen is aan ondertoezichtstelling. De
voogdijmaatregelen laten zelfs een tegenovergestelde trend zien, waarbij er tot 2017 juist
sprake is van een stijging, waarna het aantal cliënten in 2018 en 2019 afneemt.
“9 De daling van gezinsgericht verblijf in 2019, komt volgens het CBS vermoedelijk door een
registratiefout.
50 Factsheet gezinshuizen, gezinspiratieplein, 2019.
GV572 81
Andersson Elffers Felix
110%
105%
2
> 100%
ON
=
o
> 95%
S
U
In
Ss
© 90%
u
85%
80%
Totaal OTS Totaal voogdij
m2015 M2016 M2017 m2018 2019
Figuur 12 De ontwikkeling van het aantal cliënten in de verschillende vormen
jeugdbescherming. De percentages zijn ten opzichte van het aantal cliënten in 2015.
Analyse van in- en uitstroom
In de vorige paragraaf hebben we geconstateerd dat het jeugdhulpvolume is gestegen. In
deze paragraaf kijken we naar de in- en uitstroom. Deze in- en uitstroom is bepaald door te
kijken welke cliënten er in een bepaald jaar in zorg zaten, maar een jaar eerder of later niet.
In de grafieken in deze paragraaf zijn in- en uitstroom per jaar voor jeugdhulp,
jeugdbescherming en jeugdreclassering weergegeven.” Voor jeugdhulp is het volgende beeld
te zien.”
51 De instroom in 2015 kan niet met voldoende betrouwbaarheid bepaald worden, omdat
veel jeugdigen die al vóór 2015 jeugdhulp kregen met een startdatum in 2015 geregistreerd
zijn. Een aansluiting naar gegevens voor 2015 is onvoldoende betrouwbaar om conclusies
uit te trekken. Voor 2019 kan de uitstroom nog met onvoldoende betrouwbaarheid bepaald
worden, omdat de gegevens van 2020 nog niet beschikbaar zijn. Daarom kunnen we niet
bepalen welke jeugdigen in 2020 nog steeds jeugdhulp krijgen.
52 In de bijlage B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom is een uitsplitsing naar jeugdhulp
met verblijf en jeugdhulp zonder verblijf opgenomen.
GV572 82
Andersson Elffers Felix
16
14
12
S
%® 10
S
iv
u 8
[en]
Ss
5 6
4
2
0
2015 2016 2017 2018 2019
EB instroom jeugdhulp _m Uitstroom jeugdhulp
Figuur 13 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp tussen 2015 en 2019.
In deze grafiek vallen twee zaken op, die van belang zijn voor de duiding van de stijging van
het volume van jeugdhulp.
— Ten eerste valt op dat de instroom voor jeugdhulp redelijk constant is. Dat betekent dat in
de instroom nog geen duidelijk boeggolfeffect zichtbaar is. Een toename in preventie en
vroegsignalering zou immers — naast een toename van kosten in het voorliggend veld —
als eerste tot uiting moeten komen in een hogere instroom van vroeggesignaleerde
kinderen. Dit lijkt vooralsnog niet het geval te zijn.
— De tweede bevinding is dat de uitstroom consequent lager is dan de instroom. Dat
betekent dat ieder jaar sinds 2015 meer jeugdigen de jeugdhulp instromen dan
uitstromen, wat in combinatie met een constante instroom betekent dat trajecten steeds
langer duren, en wat ook de toename van het aantal cliënten verklaart.
Het algemene beeld over de toename van jeugdhulp is dat veranderende maatschappelijke
normen en de nabijheid van het aanbod zouden leiden tot een grotere instroom. Eerdere
onderzoeken op basis van enkele gemeenten lijken hier ook op te wijzen > Op basis van de
analyse binnen dit onderzoek blijkt dit echter niet de oorzaak te zijn van de volumestijging:
als we kijken naar de data op cliëntniveau, zien we namelijk dat de instroom over de jaren
heen redelijk stabiel is. De stijging van het jeugdhulpgebruik wordt dus niet verklaard door de
instroom, maar door een achterblijvende uitstroom.
Vervolgens tonen we in onderstaande grafiek de in- en uitstroom van jeugdbescherming.
5 Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020.
GV572 83
Andersson Elffers Felix
1,2
1
< 0,8
®
c
W
0 0,6
oo
oo
oo
©
04
0,2
0
2015 2016 2017 2018 2019
EB Instroom jeugdbescherming m Uitstroom jeugdbescherming
Figuur 14 In- en uitstroom van cliënten in jeugdbescherming tussen 2015 en 2019.
Voor jeugdbescherming is de daling na 2015 vooral vanwege een hoge uitstroom in dat jaar,
en de toename in de latere jaren vooral vanwege een stijging in de instroom. Dit verklaart ook
waarom jeugdbescherming na een daling weer stijgt.
Onderstaand tonen we tot slot de in- en uitstroom van jeugdreclassering. Het blijkt dat zowel
de instroom (met uitzondering van 2019) als de uitstroom daalt, en dat de uitstroom steeds
hoger is dan de instroom.
0,45
0,4
0,35
< 0,3
®
5 0,25
VU
8 0,2
oo
©
1 0,15
0,1
0,05
0
2015 2016 2017 2018 2019
EB Instroom Jeugdreclassering m Uitstroom jeugdreclassering
Figuur 15 In- en uitstroom van cliënten in jeugdreclassering tussen 2015 en 2019.
GV572 84
Andersson Elffers Felix
Verklarende factoren
In een eerder onderzoek zijn correlaties gevonden tussen een toename in jeugdhulpgebruik
en de populatie van de gemeente.” Deze analyse was gedaan voor de periode 2015 — 2017 op
basis van StatLinegegevens. In dit onderzoek hebben we met behulp van microdata op
persoonsniveau gekeken of deze factoren vaker voorkwamen bij jeugdigen in jeugdhulp.
Het mediane inkomen van huishoudens met jeugdigen in jeugdhulp stijgt
In onderstaande grafiek staat per type jeugdhulp het mediane inkomen van huishoudens
waarvan één of meerdere jeugdigen in 2015 en in 2018 in jeugdhulp stroomden, afgezet tegen
het mediane inkomen in heel Nederland.
120%
5 100%
5 80%
€
‘= 60%
€
ES 40%
ke)
U
= 20%
0%
X S ee $ $N _& 8
£ & & go 5 © & Ò
$ KS 5 & É & ® @
5 © © NS & SS Q &
°° © © à é À &
‚© & & e © NS N
SN \® \° ‚ ® £ 9
NR eN KS EN
& S & e
> S G RS
S 9 NS KS)
m2015 m2018
Figuur 16 Mediane inkomen van cliënten die in 2015 en 2018 instroomden als percentage van het
landelijke mediane inkomen, uitgesplitst naar verschillende zorgvormen.
Uit de grafiek” blijkt dat het mediaan inkomen lager is naarmate de hulp zwaarder is:
gezinnen met jeugdigen in ambulante hulp hebben een duidelijk hoger mediaan inkomen dan
gezinnen met jeugdigen in jeugdhulp met verblijf,
Het mediane inkomen van jeugdhulp ambulant op locatie van aanbieder (de grootste groep)
ligt dicht bij het mediane inkomen van alle huishoudens in het land. Het is gestegen van 96%
van het landelijke mediane inkomen in 2015 naar 98% ervan in 2018.
Er zijn dus niet meer jeugdigen uit gezinnen met lage inkomens bereikt. Deze resultaten
wijzen er juist op dat er voor de zorgvormen zonder verblijf een verschuiving heeft
plaatsgevonden naar huishoudens met een hoger inkomen, in plaats van naar huishoudens
met een lager inkomen.
54 Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019, p. 39.
5 De gegevens over inkomens en samenstelling van huishoudens in 2019 zijn in de CBS
microdata nog niet beschikbaar; daarom gaat deze analyse tot 2018. Daarnaast zijn er
jeugdigen met jeugdhulp die niet in deze analyse meegenomen zijn, omdat de koppeling
met het huishouden niet gemaakt kan worden op basis van de CBS-gegeven.
GV572 85
Andersson Elffers Felix
Bij zorgvormen met verblijf is het beeld anders. Voor gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf
daalde het mediane inkomen van de instromende jeugdigen: in 2015 was het 76% van het
landelijke mediane inkomen en in 2018 was het 67% ervan. Voor pleegzorg daalde het van
63% naar 59%. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat door het beleid om jeugdigen zoveel
mogelijk in een gezinsomgeving op te laten groeien, in deze jeugdhulpvormen een relatief
zwaardere groep jeugdigen werd aangetrokken; en dat deze relatief zwaardere groep vaker
uit een huishouden met een lager inkomen komt.
Andere verklarende factoren worden niet bevestigd in de analyse
Naast het mediane inkomen hebben we gekeken naar jeugdigen uit bijstandsgezinnen,
eenouderhuishoudens en met een niet-westerse migratieachtergrond. We hebben gekeken
naar de mate waarin jeugdigen uit deze groepen voorkomen in de groep die jaarlijks in
jeugdhulp instroomt. Als het aandeel van deze jeugdigen in de totale populatie stijgt, zou dit
immers een toename in jeugdhulpgebruik kunnen verklaren.
De resultaten van deze analyse voor ambulante jeugdhulp staan in onderstaande grafiek,
30%
jen
5 25%
EE
ke]
5
® 20%
U
E
Z 15%
2
5
E 10%
©
2
_ I Ì Ì
0%
Bijstandsgezinnen Eenouderhuishoudens Niet-westerse
migratieachtergrond
M2015 M2016 Mm2017 2018
Figuur 17 Percentage van jaarlijkse instroom in ambulante jeugdhulp dat uit specifieke
groepen afkomstig is.
Op basis van deze resultaten lijken deze factoren niet te leiden tot een stijging in het
jeugdhulpvolume. Er zijn immers geen grote veranderingen te zien in de instroom vanuit deze
specifieke groepen. Bovenstaande grafiek toont specifiek de resultaten voor ambulante
jeugdhulp. De ontwikkelingen in de andere vormen van jeugdhulp zijn vergelijkbaar, behalve
pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf. Voor deze vormen van jeugdhulp steeg
het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens, en het aantal
jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond.”® Op beide vormen van jeugdhulp is
door gemeenten in de afgelopen jaren sterker ingezet. Deze beleidswijziging is gedeeltelijk
succesvol geweest, De doelgroep van deze vormen is mogelijk uitgebreid met relatief veel
kinderen uit huishoudens met een lagere sociaaleconomische status.
56 Grafieken hiervan zijn opgenomen in de bijlage B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom.
GV572 86
Andersson Elffers Felix
Duiding van deze resultaten: welke jeugdigen bereiken we?
Op basis van de analyse van de verklarende factoren valt het volgende op:
— Voor jeugdhulp zonder verblijf is er een beweging richting meer jeugdhulp voor jeugdigen
uit huishoudens met hogere inkomens. Voor pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp met
verblijf is een verschuiving richting gezinnen met lagere inkomens zichtbaar;
— De instroom van jeugdigen uit bijstandsgezinnen, eenouderhuishoudens en gezinnen met
een niet-westerse migratie-achtergrond neemt in de meeste zorgvormen niet toe.
Uitzondering hierop vormen pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp met verblijf,
Ook is de instroom niet vergroot, waarmee het onwaarschijnlijk is dat er al veel
vroegsignalering plaatsvindt. Daarmee lijkt de beweging die aan het begin van de boeggolf
verwacht zou worden nog niet zichtbaar te zijn in de data.
Duiding van kosten aan de hand van ontwikkelingen in kosten per cliënt per jaar
Naast een ontwikkeling in volume speelt mogelijk ook een ontwikkeling in kosten per cliënt
per jaar mee. Daarom hebben we de gemiddelde kosten per cliënt per jaar berekend door de
totale kosten voor maatwerktrajecten te delen door het totale aantal cliënten in het
betreffende jaar. Dit is weergegeven in onderstaande grafiek.
€ 12.000
€ 10.000 nn
5 € 8.000
KS)
8 €6.000
S
U
3
2 €4.000
€ 2.000
€0
2015 2016 2017 2018 2019
== Met correctie loon- en prijsbijstelling
=®= Zonder correctie loon- en prijsbijstelling
Figuur 18 De jaarlijkse gemiddelde kosten per cliënt in jeugdzorg.
Wat opvalt, is dat de gemiddelde kosten per cliënt per jaar vanaf 2016 stijgen. In 2015 lagen de
gemiddelde kosten per cliënt op € 8118; in 2019 waren deze kosten € 10.354. Dit is een stijging
van 16% in vier jaar als gecorrigeerd wordt voor loon- en prijsstijging.” Een deel van de
kostentoename wordt dus verklaard door een stijging van de kosten per cliënt per jaar.
Een verschuiving van lichtere naar zwaardere vormen van jeugdhulp kan een oorzaak zijn van
stijgende kosten per cliënt per jaar. De kosten voor ambulante jeugdhulp zijn immers
57 Voor de loon-en prijsbijstelling hebben we de prijsindexatie gehanteerd waarmee elk jaar
is gerekend voor het macrobudget jeugd in het gemeentefonds.
GV572 87
Andersson Elffers Felix
beduidend lager dan voor bijvoorbeeld jeugdzorg-plus. Dit lijkt echter niet het geval te zijn,
want vooral het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf is gestegen. In theorie is het
mogelijk dat binnen de ambulante jeugdhulp een verschuiving naar duurdere zorgvormen
heeft plaatsgevonden, maar hier zijn in de gegevens geen aanwijzingen voor.
De meest waarschijnlijke oorzaak van de stijging naast de langere duur is dat de intensiteit
van trajecten is toegenomen, dat wil zeggen dat jeugdigen in dezelfde tijdspanne meer hulp
krijgen. Dit is echter niet te verifiëren met de beschikbare gegevens.
Samenspel langere trajectduur en stijgende kosten per cliënt per jaar
In het onderzoek hebben we geconstateerd dat de instroom redelijk stabiel is, en de stijging
in het jeugdhulpvolume vooral veroorzaakt wordt doordat de uitstroom stokt. Dit impliceert
ook dat de trajectduur langer wordt.” Gezien de registratieproblemen kunnen we dit niet
nader specificeren, en daarmee ook niet bepalen welk deel van de kostenstijging hierdoor
mogelijk veroorzaakt wordt. Wel kan opgemerkt worden dat dit slechts beperkt een
verklaring kan zijn. Er wordt immers gekeken naar kosten per cliënt per jaar, dus voor
trajecten die over de jaargrens heen lopen, worden de kosten verdeeld over meerdere jaren.
Andere mogelijke oorzaken
Bovenstaande betekent dat er alleen andere verklaringen overblijven voor het stijgen van de
kosten per cliënt per jaar. In eerder onderzoek zijn factoren als upcoding, de inzet van
duurder personeel en uitvoeringskosten benoemd. Deze bespreken we onderstaand kort.
In alle bovengenoemde verklaringen is er een samenspel tussen de tarieven die gemeenten
bieden en de interpretatie die hieraan gegeven wordt. Zo kunnen de inzet van duurder
personeel en hogere uitvoeringskosten bij aanbieders alleen terugkomen in de kosten van
gemeenten als de tarieven hierop aangepast worden. Tot op zekere hoogte is dit gebeurd — al
dan niet naar aanleiding van diverse rechtszaken - maar de jaarrekeningen van met name de
grote jeugdzorgaanbieders suggereren dat er weinig marge is, Een deel van deze extra kosten
komt naar verwachting dus niet terug in de kosten van gemeenten.
Daarnaast is in eerdere onderzoeken upcoding genoemd als verklaring. Hoewel dit zeker
voorkomt, zijn hier ook de nodige nuanceringen bij te plaatsen. Onderstaand gaan we in op
enkele achtergronden van upcoding, om op die manier de complexiteit van de discussie weer
te geven.
— Allereerst: er zijn uiteraard voorbeelden van upcoding of erger: er worden bijvoorbeeld
frauduleuze zorgaanbieders opgespoord. Het feit dat hier door gemeenten in wisselende
mate tegen opgetreden wordt, geeft aan dat de omvang van dit probleem niet in beeld is,
Ook onschuldiger vormen van upcoding komen voor. Binnen de Jeugdwet is hier geen
uitgebreid onderzoek naar gedaan, maar uit analyses in de GGZ bleek dat DBC's relatief
vaak net lang genoeg opengehouden werden om in een hogere prijscategorie te vallen.”
Gezien de druk op tarieven in jeugdhulp is te verwachten dat dit in jeugdhulp eerder meer
dan minder voorkomt. Dit is een terecht aandachtspunt.
— In de dieptestudies zijn we ook voorbeelden tegengekomen die aangeven dat er in
sommige gevallen ook een andere kant aan upcoding is. Zo werd door een aanbieder het
58 Ook andere onderzoeken suggereren dat er knelpunten zijn bij de uitstroom, en dat de
kosten per cliënt stijgen door een langere trajectduur. Zzie bijvoorbeeld: Inzicht in
besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020.
59 Zie bijvoorbeeld: Gedragsreacties van ggz-aanbieders op financiële prikkels, Douven,
Remmerswaal en Zoutenbier, 2018.
GV572 88
Andersson Elffers Felix
voorbeeld genoemd van een gemeente die voor een interventie die alleen door WO of
HBO-professionals uitgevoerd mocht worden het tarief bleek te rekenen voor een MBO-
professional. Het feit dat in overleg met de gemeente een andere code gedeclareerd is,
kan technisch gezien wellicht als ‘upcoding’ gecategoriseerd worden, maar in de kern is
het natuurlijk een reële afspraak over een reëel tarief,
— Erzijn ook voorbeelden van een tegenovergestelde beweging. Gemeenten hanteren
veelal eenzelfde tarief voor een bepaald product voor alle aanbieders. Dit is anders dan
zorgkantoren en zorgverzekeraars, die veelal gedifferentieerde tarieven hanteerden
waardoor gespecialiseerde aanbieders voor al hun producten hogere tarieven kregen dan
minder gespecialiseerde aanbieders, Op die manier werd de hogere overhead bij
‘systeemaanbieders’ verdisconteerd. Door één prijs voor alle aanbieders te hanteren, en
vaak ook een gemiddelde prijs voor een bepaald type cliënten of producten, hebben met
name sommige kleine aanbieders grote marges. Ook dit zijn voorbeelden van prijzen die
niet reëel zijn.
— Daarnaast is de jeugdhulp — en dan met name de jeugd- en opvoedhulp - een sector
waarin de bedrijfsvoering in mindere mate geprofessionaliseerd is dan bijvoorbeeld de
ziekenhuiszorg. Foutieve declaraties komen voor (ontbrekende declaraties overigens
ook) en veelal is daar geen opzet in het spel. Ook veranderingen in de bekostiging kunnen
daar een rol bij spelen. Niet alle aanbieders begrijpen de bekostiging, dus hij wordt ook
niet overal correct toegepast.
=— Ook gemeenten hadden processen de afgelopen jaren vaak nog niet strak genoeg op
orde, waardoor afwijkingen niet altijd op tijd geconstateerd werden. Ook worden
verschillende keuzes gemaakt in de manier waarop met afwijkingen omgegaan wordt.
Voorbeeld: invoering resultaatgestuurd bekostigen
In verschillende regio’s is resultaatgestuurd bekostigen ingevoerd, waarbij aanbieders aan
de voorkant de intensiteit en daarmee de prijs van trajecten bepalen. In veel regio’s heeft
dat geleid tot een toename van de afgegeven prijs. Regio’s zijn hier echter heel
verschillend mee omgegaan. Er zijn voorbeelden van regio’s die naar aanleiding van een
stijging van de totale kosten na een paar maanden een onderzoek lieten uitvoeren en
daarna harde beheersmaatregelen namen, met een hoge administratieve last tot gevolg.
Andere regio’s hadden strakke monitoring op de intensiteiten die aanbieders afgaven, en
vergeleken deze met andere aanbieders en de trajectprijzen van eerdere jaren. Bij
afwijkingen gingen zij direct in gesprek met de betreffende aanbieder. Vaak bleek deze het
systeem verkeerd geïnterpreteerd te hebben, en akkoord te gaan met een aanpassing van
de beschikking.
We hebben niet onderzocht welke van bovenstaande aspecten meer of minder voorkomt; in
sommige gevallen lopen ze ook door elkaar, Wellicht nog belangrijker dan deze technische
aspecten is echter dat upcoding ook samenhangt met de vraag wanneer het goed genoeg is.
Upcoding is niet alleen een Hbo-tarief declareren terwijl een Mbo-er ingezet wordt, maar het
gaat ook over de vraag of een Hbo’er of Mbo’er ingezet moet worden, welke toegevoegde
waarde nodig is om een hogere prijs te legitimeren, en welke (impliciete) eisen gesteld
worden aan de kwaliteit van jeugdhulp.
Belangrijkste conclusies
De belangrijkste conclusies van de analyse van kosten en volume zijn:
— De jeugdhulpkosten zijn de afgelopen jaren sterk gestegen.
GV572 89
Andersson Elffers Felix
— De instroom in jeugdhulp is sinds 2015 niet toegenomen. Wel blijft de uitstroom
structureel achter op de instroom. Daardoor neemt het aantal cliënten in jeugdhulp
jaarlijks toe.
— Het mediane inkomen van gezinnen die jeugdhulp zonder verblijf gebruiken is in de
afgelopen jaren toegenomen ten opzichte van het landelijke mediane inkomen. Er
worden daarin dus relatief meer welvarende gezinnen bereikt.
— Ook de kosten per cliënt per jaar zijn toegenomen. Dit wordt niet verklaard door
zwaardere zorgvormen, aangezien vooral ambulante jeugdhulp is toegenomen.
Bovenstaande conclusies geven niet alleen inzicht in de achtergronden van de kostenstijging,
maar ook in veronderstelde achterliggende oorzaken. Zo zou in het geval van een boeggolf in
eerste instantie vooral een toename in de instroom verwacht worden®, en een stijgend
aandeel groepen met een lagere sociaaleconomische achtergrond. Beide zaken blijken niet
uit de gegevens: de instroom blijft constant, en vooral gezinnen met hogere inkomens zijn
vaker ingestroomd.
Deze conclusies gelden op landelijk niveau. Tussen gemeenten bestaat uiteraard variatie in
de ontwikkeling in kosten en volume van jeugdhulp.
B.1 Aanvullende data over in- en uitstroom
In- en uitstroom jeugdhulp uitgesplitst naar met en zonder verblijf
In onderstaande figuren is de in- en uitstroom getoond van jeugdhulp met verblijf en
jeugdhulp zonder verblijf.
60 Zoals beschreven wordt in bijlage C Analysekader boeggolf, zou de instroom naar
aanleiding van de boeggolf eerst toe moeten nemen (op het moment dat geïnvesteerd
wordt in vroegsignalering) en pas later af moeten nemen (als de effecten van preventie
zichtbaar worden).
GV572 90
Andersson Elffers Felix
In figuur 19 is zichtbaar dat de instroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en
2019 afneemt. De instroom blijft in elk jaar wel hoger dan de uitstroom. Tot 2017 stijgt het
aantal cliënten dat uitstroomt uit jeugdhulp met verblijf, maar in 2018 neemt het aantal flink
af.
1,6
14
1,2
S
Vv 1
€
iv
T 0,8
@
Ss
— 0,6
d
0,4
0,2
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom B Uitstroom
Figuur 19 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf tussen 2015 en 2019.
Figuur 20 laat zien dat ook het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf dat instroomt,
tussen 2015 en 2018 hoger is dan het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf dat
uitstroomt.
16
14
12
c
© 10
c
W
0 8
oo
oo
oo
5 6
dd
4
2
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom BE Uitstroom
Figuur 20 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf tussen 2015 en 2019.
GV572 91
Andersson Elffers Felix
Figuur 21 laat zien dat tussen 2015 en 2018 het aantal cliënten in jeugdhulp zonder verblijf,
uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, de uitstroom flink toeneemt, terwijl de instroom
afneemt tussen 2016 en 2019.
4,5
4
3,5
sc 3
%
© 2,5
VU
8 2
oo
o
— 1,5
1
0,5
0
2015 2016 2017 2018 2019
Einstroom BE Uitstroom
Figuur 21 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, uitgevoerd door het wijk-
of buurtteam, tussen 2015 en 2019.
In figuur 22 is zichtbaar dat de in- en uitstroom van cliënten die ambulante jeugdhulp op de
locatie van de aanbieder ontvangen over het algemeen stabiel blijft.
14
12
10
cz
%
TE:
VU
8
8 6
o
dd
4
2
0
2015 2016 2017 2018 2019
Einstroom Em Uitstroom
Figuur 22 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, ambulante jeugdhulp op
locatie van de aanbieder, tussen 2015 en 2019.
GV572 92
Andersson Elffers Felix
In figuur 23 is te zien dat de instroom van cliënten met daghulp op locatie van de aanbieder
het ene jaar afneemt en dan het volgende jaar weer toeneemt.
1,6
1,4
1,2
cz
Vv 1
E
W
Oo 08
oo
e
o 0,6
dd
0,4
0,2
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom B Uitstroom
Figuur 23 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, daghulp op locatie van de
aanbieder, tussen 2015 en 2019.
Figuur 24 toont in de instroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, in het netwerk van de
jeugdige een flinke stijging in 2018. De uitstroom blijft redelijk gelijk, enkel in 2017 is deze
minder dan de andere jaren.
4,5
4
3,5
c 3
U
E
© 25
VU
8 2
oo
o
1 1,5
1
0,5
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom B Uitstroom
Figuur 24 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp in het
netwerk van de jeugdige, tussen 2015 en 2019.
GV572 93
Andersson Elffers Felix
Figuur 25 toont een stijging in de uitstroom van cliënten in gezinsgerichte jeugdhulp met
verblijf tussen 2015 en 2018. De instroom blijft tussen 2016 en 2018 gelijk, maar neemt in 2019
af.
0,35
0,3
0,25
c
®
5 02
VU
8 o15
©
dd
0,1
0,05
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom HE Uitstroom
Figuur 25 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, gezinsgericht, tussen 2015 en
2019.
In figuur 26 is te zien dat de instroom van cliënten met pleegzorg tussen 2016 en 2017 licht
stijgt, en daarna sterkt afneemt tot 2019. De uitstroom daalt in 2016 en in 2018.
0,45
0,4
0,35
< 0,3
®
5 0,25
VU
8 0,2
oo
©
— 0,15
0,1
0,05
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom HE Uitstroom
Figuur 26 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, tussen 2015 en 2019.
GV572 94
Andersson Elffers Felix
Figuur 27 laat zien dat de instroom van cliënten in jeugdhulp met overig verblijf geleidelijk
daalt tussen 2016 en 2019. De uitstroom stijgt in 2016 en met name in 2017, waarna het in 2018
weer afneemt tot hetzelfde niveau als 2015.
14
1,2
1
c
®
5 08
U
8
3 0,6
o
dd
0,4
0,2
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom HE Uitstroom
Figuur 27 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, overig verblijf, tussen 2015 en
2019.
In figuur 28 is te zien dat de in- en uitstroom van cliënten met gesloten plaatsing ieder jaar
licht toeneemt of afneemt, maar over het algemeen stabiel is over de jaren.
0,16
0,14
0,12
c
® 01
c
W
0 0,08
oo
oo
oo
5 0,06
dd
0,04
0,02
0
2015 2016 2017 2018 2019
B instroom B Uitstroom
Figuur 28 In- en uitstroom van cliënten in jeugdhulp met verblijf, gesloten plaatsing, tussen 2015
en 2019.
GV572 95
Andersson Elffers Felix
Instroom specifieke doelgroepen in pleegzorg en gezinsgerichte jeugdhulp
In de gezingsgerichte jeugdhulp steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of
eenouderhuishoudens, en het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond
tussen 2015 en 2018. Dit is te zien in figuur 29.
40%
S
5 35%
5
ke]
2D 30%
‚Ee
U
z 25%
‚S
8, 20%
u
S
DN 15%
a0
5 10%
2
2 5%
0%
Bijstandsgezinnen Eenouderhuishoudens Niet-westerse
migratieachtergrond
m2015 Mm2016 m2017 2018
Figuur 29 Het aandeel van specifieke groepen in de jaarlijks instromende cliënten in
gezinsgerichte jeugdhulp.
In de pleegzorg steeg het aandeel jeugdigen uit bijstandsgezinnen of eenouderhuishoudens
ook tussen 2015 en 2018, Het aantal jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond
blijft in de pleegzorg gelijk. Dit is te zien in figuur 30.
50%
45%
40%
20
9 35%
a0
8 30%
a
S 25%
5 20%
2
” 15%
E
10%
5%
0%
Bijstandsgezinnen Eenouderhuishoudens Niet-westerse
migratieachtergrond
m2015 M2016 m2017 2018
Figuur 30 Het aandeel van specifieke groepen in de jaarlijks instromende cliënten in pleegzorg.
GV572 96
Andersson Elffers Felix
C Analysekader boeggolf
Inleiding
Het doel van het onderzoek naar de boeggolf was om te acherhalen of er sprake is van een
boeggolf; en zo ja, hoe deze boeggolf er (in vorm en tijdsduur) uit zou zien. Om dit te
onderzoeken, hebben we onderstaand analysekader opgesteld. Door de voorlopige
resultaten van het eerste deel van de vraag, hebben we in overleg met de begeleidingsgroep
en stuurgroep dit deel van het onderzoek anders uitgevoerd. In plaats van de doorrekening
van het uiteindelijke resultaat na de boeggolf hebben we (in aanvulling op het
literatuuronderzoek naar de effectiviteit van interventies) een analyse verricht van de
bewezen effectieve interventies in de NJi databank Effectieve jeugdinterventies. In bijlage D
Het effect van preventie en vroegsignalering zijn de aangepaste werkwijze, analyse en
resultaten nader toegelicht.
In dit analysekader lichten we toe wat volgens de beleidstheorie de werkzame mechanismen
zouden zijn achter de boeggolf. Vervolgens wordt beschreven hoe deze mechanismen kunnen
worden uitgesplitst en gekwantificeerd. Het analysekader begint met een uitleg van wat de
boeggolf is, en met welke karakteristieken een boeggolf in kaart kan worden gebracht. Voor
elk van deze karakteristieken wordt vervolgens apart toegelicht welke mechanismen
hierachter liggen, en met welke onderzoeksvragen deze mechanismen in kaart gebracht
kunnen worden. Aan het eind van bijlage C Analysekader boeggolf worden de
onderzoeksmethoden beschreven die gehanteerd kunnen worden om elk van de
onderzoeksvragen te beantwoorden.
Wat is het boeggolfeffect?
Zoals het woord ‘boeggolf’ al suggereert, beschrijft het boeggolfeffect de tijdelijk hogere
kosten die de transitie en transformatie naar een nieuwe werkwijze met zich meebrengen. Er
zijn minimaal twee redenen om een boeggolf te verwachten:
— Een transformatie zorgt tijdelijk voor inefficiëntie en hogere uitvoeringskosten. Het
inzetten van een transformatie vraagt namelijk een extra inspanning: het kost tijd om een
nieuwe manier van organiseren in te richten, en het aanleren van nieuwe manieren van
werken gaat in de eerste periode ten koste van de efficiëntie. Dit noemen we de
transitiekosten.
— Door inte zetten op (1) preventie en (2) vroegsignalering, zou voorkomen kunnen worden
dat er later zwaardere — en daarmee duurdere — jeugdhulp nodig is. Het realiseren van
deze beweging naar de voorkant kost echter tijd, en leidt op de korte termijn
waarschijnlijk tot meer gebruik van (lichte en zware) jeugdhulp. Ondertussen is de zware
jeugdhulp voor de bestaande groep nog nodig, waardoor er tijdelijk dubbele kosten
kunnen zijn.
Onderstaande figuur (figuur 31) vat de belangrijkste mechanismen achter de boeggolf samen.
GV572 97
Andersson Elffers Felix
TRANSITIE TRANSITIE KLAP SIGNALERING sld ELZEN
Voorbereiding op transformatie
|
45
d [ Voorkomen van erger |
me Be
Figuur 31. samenvatting boeggolf mechanismen
In onderstaande figuur 32 ziet u de theoretische vorm van de boeggolf. Zoals te zien kan de
vorm met grofweg drie karakteristieken in beeld gebracht worden:
— A, Structureel resultaat transformatie. De transformatie is ingezet met het
uitgangspunt dat betere preventie en vroegsignalering structureel zullen leiden tot een
afname van (zware) jeugdhulp. En daarmee tot een besparing van jeugdhulpkosten.
Uiteraard kosten betere preventie en vroegsignalering ook structureel meer geld. Deze
extra kosten moeten worden meegenomen om tot het structurele resultaat van de
transformatie te komen.
— B, Tijdsduur transformatie. De vorm van de boeggolf is afhankelijk van hoe lang het
duurt om de doelstellingen van de transformatie te bereiken. In deze tijdsduur spelen
twee factoren een rol. Ten eerste hoe lang het duurt om de beoogde effecten van
preventie en vroegsignalering te bereiken. Ten tweede het proces waarin gemeenten
met trial en error proberen om de transformatie vorm te geven.
— C. Tijdelijke kosten tijdens de transformatie. De transformatie brengt op twee
manieren tijdelijke extra kosten. Ten eerste door een tijdelijk extra gebruik van
jeugdhulp. Terwijl meer jeugdigen in hulp/zorg komen door meer vroegsignalering,
moeten tegelijk bestaande jeugdhulptrajecten worden doorgezet. Dit betekent tijdelijk
dubbele kosten. Daarnaast vraagt de transformatie van gemeenten onder andere het
ontwikkelen van nieuw beleid, een nieuwe werkwijze, nieuwe samenwerkingen en een
nieuwe infrastructuur, Ook hier zijn kosten aan verbonden.
L
1 Tijdelijke extra kosten transformatie
I
Ï
I ! \
|
Structureel resultaat transformatie
= structurele kosten - structurele besparing
Tijdsduur transformatie
Figuur 32. Schematische weergave boeggolf. Op de x-as staat tijd in jaren. Op de y-as de jeugdhulpkosten.
Deze weergave is indicatief en geeft nog geen inzicht in daadwerkelijke tijdsduur of hoogte van de boeggolf
GV572 98
Andersson Elffers Felix
Opzet van dit analysekader
In dit analysekader werken we uit op welke manier we de relevante onderdelen van de
boeggolf in het onderzoek zullen kwantificeren. We hebben het analysekader opgedeeld in de
volgende paragrafen:
1. Structurele resultaat transformatie
a. Watis het structurele effect van preventie?
b. Watis het structurele effect van vroegsignalering?
c. _Categoriseren van de jeugd populatie in doelgroepen
d. Structurele kosten door inzet op preventieve werkwijze en op betere
vroegsignalering
2. Tijdsduur transformatie
a. Duurtot effect van preventie
b. Duurtot effect van vroegsignalering
c. Meerdere cycli nodig in een lerend proces
3. Tijdelijke kosten tijdens de transformatie
a. Hoe komen we tot een totaalbeeld?
b. Hoe benaderen we het beloop van de boeggolf?
c. _Investeringskosten
d. Waar staan gemeenten nu?
4. Gehanteerde onderzoeksmethoden
a. Methoden
b. Datatriangulatie
Voorafgaand aan het onderzoek ligt de vraag óf er sprake is van een boeggolf
In het onderzoek naar de boeggolf kunnen we ons voor weinig onderdelen baseren op data en
observaties over wat de decentralisatie/transformatie voor effecten heeft op de ontwikkeling
van het jeugdhulpvolume over tijd. Dit komt doordat gemeenten zich nog in de beginfase
bevinden van de transformatie en er vele factoren zijn die een rol spelen in de ontwikkeling
van het jeugdhulpvolume over de periode 2015-2019. We zijn daarom genoodzaakt om ons
voor een aanzienlijk deel te baseren op inschattingen en aannames van experts. Het kan zijn
dat we er achter komen dat het soms niet mogelijk om een kengetal of bandbreedte te
vinden. Dit kan betekenen dat we daarin keuzes moeten maken, bijvoorbeeld om minder
details mee te nemen, of kengetallen op een andere manier te benaderen.
Ook is er de mogelijkheid dat de boeggolf mechanismen niet structureel leiden tot een
besparing, of dat het benutten van de potentiële besparing nadrukkelijk vraagt om
flankerend beleid om ervoor te zorgen dat de nieuwe gecreëerde ruimte niet wordt opgevuld.
Immers, zelfs als preventie en vroegsignalering in theorie leiden tot afname van de ernst van
jeugdproblemen op lange termijn, hoeft dat in de praktijk nog niet te leiden tot afname van
het jeugdhulpvolume als de capaciteit op andere wijze wordt benut. In de praktijk blijkt ook
dat gemeenten door tekorten soms niet de optimale keuzes maken én succesvolle
beleidsveranderingen in de ene gemeente niet leiden tot hetzelfde succes in andere
gemeenten.
Het is denkbaar dat preventie en vroegsignalering leiden tot normverschuiving: ook als het
met alle jeugdigen beter gaat, zijn er nog steeds kinderen waarmee het relatief slechter gaat
dan met andere. Als het gemiddelde welzijn verschuift, kan de tolerantie voor afwijkingen of
het moeilijk hebben afnemen, waardoor kinderen juist eerder in jeugdhulp terechtkomen dan
GV572 99
Andersson Elffers Felix
nu het geval is, In de context van jeugdhulp zijn hiervoor geen empirische aanwijzingen — los
van het anekdotische gegeven dat Nederland het land is met de gelukkigste jeugd en het
meeste jeugdhulpgebruik. Voor gezondheidszorg in brede zin zijn wel aanwijzingen gevonden
dat dergelijke mechanismen spelen. In dat geval leidt preventie wel tot een betere
levensstandaard, maar niet tot verlaging van de kosten binnen de Jeugdwet.
Voorafgaand aan een analyse naar de specifieke vorm van de boeggolf ligt daarom eerst de
vraag: is er sprake van een boeggolf? De uitkomst van de boeggolfanalyse is dus niet op
voorhand duidelijk, en de benodigde transformatie gaat zeker niet vanzelf, Deze analyse
beoogt wel om een betere basis te leggen onder de discussie, en de potentiële effecten van de
boeggolf inzichtelijk te maken.
1. Structurele resultaat
De beleidstheorie waarop de Jeugdwet is gebaseerd, voorspelt dat inzet op preventie en
vroegsignalering op termijn zal zorgen voor minder inzet van jeugdhulp en daarmee tot een
structurele besparing. Onderstaande figuur 33 geeft de effecten weer van betere preventie en
meer vroegsignalering op het totale jeugdhulpvolume in de tijd. Een toename van
preventieve activiteiten zorgt ervoor dat meer jongeren bereikt worden. Daarnaast zorgt een
toename van signalering dat meer jongeren gesignaleerd worden. In het begin neemt het
jeugdhulpvolume dus toe, als gevolg van meer signalering. Vervolgens zien we effecten van de
preventieve activiteiten, waardoor de totale doelgroep die jeugdhulp nodig heeft afneemt.
Hierdoor worden er ook minder jeugdigen gesignaleerd die jeugdhulp nodig hebben. Het
jeugdhulpvolume wordt hierdoor uiteindelijk kleiner.
Toename preventie
a Afname doelgroep met
problemen waarvoor
Populatie die bereikt jeugdhulp nodigis Populatie die bereikt
Populatie die bereikt wordt met ET preventieve
wordt met preventieve maatregelen maatregelen
maatregelen
n 7
Toename signalering Door afname doelgroep ook
minder gesignaleerde
jeugdigen
Figuur 33 Schematische weergave van effecten betere preventie en meer vroegsignalering
In de paragrafen hieronder gaan we dieper in op hoe we de specifieke effecten van preventie
en vroegsignalering, de interactie tussen deze effecten, en de verschillen tussen doelgroepen
willen bepalen.
sl Health care is an individual necessity and national luxury, Getzen, T.E., 2000, Journal of Health Economics,
19(2), p. 259-270.
GV572 100
Andersson Elffers Felix
Definities
Preventie en vroegsignalering verschillen van elkaar in doelgroep en doel. Onder preventie
wordt vaak verstaan universele en selectieve preventie met betrekking tot doelgroepen,
gericht op gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering. Onder vroegsignalering
wordt over het algemeen verstaan dat de problematiek van jeugdigen in een vroeger stadium
herkend wordt, waardoor een jeugdige eerder (vroeger in zijn/haar ontwikkeling) zorg en
ondersteuning kan ontvangen om specifieke (of verergering van ) jeugdhulpgerelateerde
problemen te voorkomen. Er zit dus enige overlap in deze doelgroepen.
In dit onderzoek zijn we begonnen vanuit een onderscheid dat het mogelijk maakt om
aansluiting te vinden bij bestaande gegevens, namelijk dat preventie plaatsvindt in het
voorliggend veld en bij lokale teams, terwijl vroegsignalering betrekking heeft op de
doelgroep van geïndiceerde jeugdhulp. Inhoudelijk is dit geen zuivere definitie, aangezien er
overlap zit tussen geïndiceerde jeugdhulp en werkzaamheden van lokale teams. In de praktijk
is het onderscheid tussen preventie en vroegsignalering ook niet altijd duidelijk, door overlap
en interactie: wanneer ben je problemen aan het voorkomen, en wanneer bied je lichte
vormen van hulp om verergering te voorkomen? Uit praktische overwegingen hanteren wij
daarom een definitie die weliswaar niet volledig inhoudelijk zuiver is, maar wel aansluit op
bestaande gegevens.
a. Wat is het structurele effect van preventie?
Door versterkte inzet van sociale basisvoorzieningen en beschikbaarheid van voorzieningen
of interventies als opvoedcursussen, is de verwachting dat lichte problemen zich minder vaak
zullen ontwikkelen tot problemen die jeugdhulp vereisen. Om het verwachte effect van de
preventieve werkwijze te kwantificeren dienen de volgende vragen beantwoord te worden
(zie paragraaf 4 voor de onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen):
— Hoeveel/welke jeugdigen lopen risico problemen te ontwikkelen die jeugdhulp
vereisen?
— Hoeveel/welke van deze jeugdigen worden met betere inzet op preventie extra
bereikt? (oftewel, wat is het verwachte bereik van de preventie?)
— Voor hoeveel/welke van deze jeugdigen kan met betere preventie worden voorkomen
dat zich problemen ontwikkelen waarvoor jeugdhulp nodig is? (oftewel, wat is de
verwachtte effectiviteit van de preventie?)
— Welke typen jeugdhulp kunnen vooral voorkomen worden met betere preventie?
= Wat zijn de gemiddelde kosten per jeugdige voor dit type jeugdhulp?
b. Wat is het structurele effect van vroegsignalering?
Wanneer de problematiek van jeugdigen vroeger gesignaleerd wordt, kan hier eerder op
worden ingegrepen en kunnen grotere problemen mogelijk worden voorkomen. Volgens de
beleidstheorie zou vroegsignalering hiermee op termijn een besparend effect hebben. Daar
staat echter tegenover dat niet bij alle jongeren waarbij nu een lichte hulpvraag gesignaleerd
wordt en (lichte) jeugdhulp wordt geboden, anders een behoefte aan (meer of zwaardere)
jeugdhulp zou zijn ontstaan.
Om deze verwachte besparing te kwantificeren dienen de volgende vragen beantwoord te
worden (zie paragraaf 4 voor onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen):
— Bij hoeveel/welke jeugdigen zou eerder helpen/behandelen later gebruik van
zwaardere typen jeugdhulp kunnen voorkomen (deze groep is dus groter dan de groep
waarbij het de problematiek daadwerkelijk voorkomt)?
GV572 101
Andersson Elffers Felix
— Hoeveel/welke van deze jeugdigen worden er bij meer inzet op vroegsignalering ook
daadwerkelijk vroeger gesignaleerd?
— Welke typen jeugdhulp worden naar verwachting meer ingezet door betere
vroegsignalering?
= Om hoeveel jeugdigen gaat dit?
= Wat zijn de gemiddelde kosten per jeugdige voor dit type jeugdhulp?
— Welke typen jeugdhulp zouden kunnen worden voorkomen met vroegsignalering?
= Om hoeveel jeugdigen gaat dit?
= Wat zijn de gemiddelde kosten per jeugdige voor dit type jeugdhulp?
c. Categoriseren van jeugdpopulatie in doelgroepen
We verwachten dat de effecten van preventie en vroegsignalering per doelgroep verschillen.
Het bepalen van bovenstaande effecten voor de gehele jeugdhulppopulatie in één keer geeft
daarom waarschijnlijk een te globaal beeld. Daarom delen we de jeugdpopulatie op in een
aantal categorieën. In de categorisering nemen we ook de jeugdigen mee die geen problemen
ervaren waarvoor jeugdhulp nodig is. Dit doen we omdat deze jeugdigen ook in aanraking
zullen komen met het preventieve aanbod en mogelijk met (over)signalering. Een mogelijke
opdeling is bijvoorbeeld:
— Jeugdigen met problematiek die primair kindgebonden is
— Jeugdigen met problematiek die primair extern veroorzaakt is
— Jeugdigen met problematiek die zowel kindgebonden als extern veroorzaakt is
— Totale populatie jeugdigen min bovenstaande categorieën
Er zijn ook andere voorbeelden van opsplitsingen denkbaar, zoals op basis van leeftijd,
diagnose of jeugdhulpgebruik.
d. Structurele kosten door inzet op preventieve werkwijze en op betere
vroegsignalering
Beter en meer inzetten op vroegsignalering en preventie kost over het algemeen ook meer
geld. De precieze kosten zijn afhankelijk van de gekozen aanpak voor de transformatie. Deze
aanpak is niet vastgesteld in de Jeugdwet en valt onder beleidsvrijheid van gemeenten.
Gemeenten hebben hier tot op heden in wisselende mate invulling aangegeven.
We kunnen wel een inschatting maken van de benodigde elementen van een passende
aanpak. Deze elementen vragen over het algemeen een incidentele investering (deze
bespreken we in paragraaf 4.b.) en structurele kosten. Bijvoorbeeld, in veel gesprekken wordt
een passende datainfrastuctuur genoemd als een benodigd element voor succesvolle
preventie en vroegsignalering. Deze datainfrastructuur moet worden ontwikkeld en opgezet
(incidentele kosten) en onderhouden (structurele kosten).
In het onderzoek gaan we uit van de benodigde elementen volgens de huidige inzichten.
Hierin nemen we niet de elementen mee die gemeenten al vóór 2015 geregeld hebben, zoals
het vormgeven van een aanbestedingsplatform. Een eerste aanzet van de benodigde
elementen staat hieronder,
— Extra capaciteit in fte voor implementatie preventieve maatregelen (bijv. personeel
sociale lokale teams)
— Extra capaciteit in fte voor implementatie vroegsignalerende maatregelen (bijv. extra
personeel op scholen)
— Onderhoud en gebruik data-infrastructuur
— Ontwikkelen nieuw beleid en lerende aanpak
GV572 102
Andersson Elffers Felix
— Extra gebruik basisvoorzieningen
Op basis van de verschillende elementen maken we een inschatting van de typische kosten
van een dergelijk element. In bovenstaand voorbeeld werken we dus niet uit welke data-
infrastructuur precies nodig is - dat moet immers nog ontwikkeld worden — maar op basis van
de eigenschappen waar een dergelijke infrastructuur aan moet voldoen (bijvoorbeeld het
benodigde aggregatieniveau om de informatie te kunnen gebruiken om te kunnen sturen), is
wel een inschatting te maken van de kosten die daarmee typisch gepaard gaan.
2. Tijdsduur transformatie
In paragraaf 1.a, 1.b en 1.d staat beschreven hoe we het structurele resultaat kunnen bepalen.
Oftewel: wat kunnen we voorspellen qua resultaat van het einde van de boeggolf? Een tweede
relevante vraag is vervolgens: hoe lang duurt het voordat we daar zijn? In deze paragraaf is de
aanpak voor het benaderen van de tijdsduur van de transformatie beschreven.
Gemeenten ontwikkelen niet in één keer een volledig effectief jeugdbeleid. Om tot het
gewenste resultaat te komen maken gemeenten grote en kleine aanpassingen in hun beleid
en monitoren ze de uitkomsten hiervan. De trial and error die gemeenten hiervoor doorlopen
brengt zijn eigen dynamiek met zich mee. Het duurt even voor je een effect ziet van een actie.
Pas als je een effect ziet, kan je gaan bijsturen. Wij benaderen deze dynamiek met de PDCA
cyclus, die schematisch is weergeven in figuur 34.
Vormgeven nieuw Uitvoeren nieuw Bepalen effectiviteit Evaluatie en besluit
beleid beleid uitvoering en beleid over continuering
Tijd die het kost om Tijd die het kost om uitvoering en effecten bepalen of nieuw
De nieuw beleid vorm te nieuw beleid in de van nieuw beleid beleid voldoende
geven praktijk te brengen zichtbaar worden werkt of moet worden
aangepast
Figuur 34. De plan, do, check, act (PDCA)-cyclus in beleidsverandering
Zoals te zien in figuur 34 beschrijft de PDCA-cyclus het proces van het vormgeven van nieuw
beleid (Plan), het tot uitvoering brengen hiervan (Do), het bepalen of het beleid en de
uitvoering tot de gewenste resultaten leiden (Check) en de besluitvorming over het wel of niet
continueren van deze aanpak (Act). De tijdsduur van de transformatie hangt af van hoe lang
het gemiddeld duurt om zo’n cyclus te doorlopen en van het aantal cycli dat gemeenten
gemiddeld doorlopen tot ze een beleid hebben vormgegeven dat hun doelstellingen bereikt.
Hierbij hangt de tijdsduur van de Plan, Do en Act fase voor een groot deel af van de snelheid
van besluitvorming en inrichting van nieuwe processen bij gemeenten. De tijdsduur van de
Check hangt veel meer af van de duur tot de eerste effecten van de beleidsverandering
zichtbaar zijn. De tijdsduur van de Check fase hangt daarentegen af van hoe lang het duurt tot
de getroffen preventieve of vroegsignalerende maatregelen invloed hebben op het
jeugdhulpvolume.
GV572 103
Andersson Elffers Felix
In deze paragraaf zullen we eerst bespreken hoe we duur tot het effect van preventie en
vroegsignalering kunnen bepalen (2.a en 2.b). Vervolgens zullen we in paragraaf 2.c
beschrijven hoe de gemeentelijke dynamiek onderzocht kan worden, zowel voor een
inschatting van de gemiddelde duur van de cycli als van het aantal cycli waar gemeenten
gemiddeld doorheen moeten.
a. Duur tot effect van preventie
Door meer in te zetten op sociale basisvoorzieningen en beschikbaarheid van voorzieningen
of interventies als opvoedcursussen, is de verwachting dat minder lichte problemen zich
zullen ontwikkelen tot problemen die jeugdhulp vereisen. Maar hoe lang duurt het voordat dit
effect zichtbaar is? Dat hangt af van hoe lang het anders geduurd zou hebben tot deze
problemen zich ontwikkeld en geopenbaard zouden hebben. De duur tot het effect van
preventie is dus afhankelijk van (de dynamiek van) het type problematiek dat door preventie
voorkomen wordt, Hiervoor moet bepaald worden (zie paragraaf 4 voor
onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen):
— Wanneer zijn gemeenten gestart met inzet van preventieve werkwijze?
— Hoelang duurt het voordat de eerste effecten van preventie zichtbaar zijn?
b. Duur tot effect van vroegsignalering
Door jeugdigen vroeger te signaleren en te helpen kan de inzet van zwaardere jeugdhulp
voorkomen worden, is de verwachting. De tijd die het kost om het resultaat van
vroegsignalering te zien is ook hierbij afhankelijk van hoe lang het anders geduurd zou
hebben tot de problematiek zich zou hebben ontwikkeld tot problemen waarvoor zwaardere
jeugdhulp nodig is, Hiervoor moet bepaald worden (zie paragraaf 4 voor
onderzoeksmethoden voor het beantwoorden van deze vragen):
— Wanneer zijn gemeenten gestart met inzet van beter vroegsignalering?
— Hoelang duurt het voor de problematiek die wordt gesignaleerd zich ontwikkeld tot
problemen waarvoor anders zwaardere jeugdhulp nodig zou zijn?
c. Meerdere cycli nodig in een lerend proces
Gemeenten doorlopen in het vormgeven van de transformatie meerdere PDCA cycli, op
verschillende niveaus. Wij onderscheiden hierin grofweg drie categorieën:
1) volledig nieuw model;
2) aanpassingen in het model;
3) finetuning.
Act Plan
eel OE eN
op 48
Volledig nieuw model Aanpassingen in model Finetuning
* _ Veel (tijds)investering in Plan *_ Flinke (tijds)investering in Plan *_ Kleine (tijds)investering in Plan
* _ Veel (tijds)investering in Do * Flinke (tijds)investering in Do *_ Kleine (tijds)investering in Do
*_Langetijd tot effectiviteit uitvoering * Medium tijd tot effectiviteit uitvoering *_Kortetijd tot effectiviteit uitvoering
bepaald kan worden bepaald kan worden bepaald kan worden
*_Tijd tot effectiviteit beleid bepaald kan *_Tijd tot effectiviteit beleid bepaald kan *_Tijd tot effectiviteit beleid bepaald kan
worden is afhankelijk van dynamiek worden is afhankelijk van dynamiek worden is afhankelijk van dynamiek
effect effect effect
*_Groot besluit om wel of niet het beleid «Flinke (tijds)investering om aanpassing te *__ Kleine (tijds)investering om aanpassing
nogmaals om te gooien evalueren te evalueren
Figuur 35 Drie categorieën beleidsveranderingen{/PDCA-cycli
GV572 104
Andersson Elffers Felix
Sommige gemeenten kozen in 2015 direct een model dat goed paste, andere gemeenten
hebben één of meerdere keren hun beleid volledig omgegooid. Daarnaast zijn in vrijwel alle
gemeenten over de loop van de afgelopen jaren aanpassingen gemaakt in het jeugdbeleid.
Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld een nieuwe inrichting van sociale locale teams,
aanpassing van de toegang, of grote aanpassingen in de kostenstructuur. Tot slot worden er
constant kleine beleidsveranderingen (finetuning) doorgevoerd, zoals bijvoorbeeld het
toevoegen van nieuw preventieve initiatieven of kleine aanpassingen in de
samenwerkingsafspraken met aanbieders. Figuur 36 geeft een voorbeeld van dit verloop voor
gemeente X.
Een fictieve gemeente X kiest voor een p*q model. Al tijdens invoering van het model voegen ze hier een
centrale toegang aan toe. De eerste jaren zien ze de kosten van jeugdzorg zo sterk stijgen dat ze besluiten
dat dit model niet passend is. Ze kiezen voor een nieuw model met populatiebekostiging.
Ook op dit model maken ze een aantal aanpassingen. Eén van de aanpassingen is om zeer lichte vormen van
jeugdhulp wél p*q te organiseren om hier meer innovatie te stimuleren. Op termijn merkt de gemeente
echter dat innovatie niet beter op gang komt dankzij deze aanpassing, en nemen ze ook deze vorm van
jeugdhulp mee in de populatiebekostiging.
Bovenop de aanpassingen gaat de gemeente aan de slag met finetuning van het model, zoals een
veranderingen van prijzen en aanbestedingsregels. Langzaam worden de effecten van het nieuwe model
zichtbaar. Het gebruik van jeugdhulp en algemene voorzieningen is de afgelopen jaren gestegen, maar een
eerste daling van lichte en zware jeugdhulp lijkt zichtbaar te worden.
DK
DE
EDPEDEDTED
DD
Don
DD
DE
Dn
2015 tijd in jaren >
Figuur 36 Het tijdsverloop van verschillende beleidsveranderingen in fictieve gemeente X
Om in te schatten hoe lang gemeenten gemiddeld nodig hebben om effectief beleid te
ontwikkelen, stellen we de volgende vragen:
— Hoeveel PDCA-cycli hebben gemeenten gemiddeld doorlopen?
— In hoeverre overlappen deze cycli gemiddeld met elkaar? (zie figuur 36)
Welke (tijds)investeringen kosten het vormgeven (P), uitvoeren (D) en bijstellen (A) van beleid
gemiddeld, en hoe verschilt dit per categorie?
Deze vragen worden meegenomen in de uitvraag bij gemeenten, om zowel een beeld te
krijgen van de beoogde gemiddelde duur, repetitie en samenloop van PDCA-cycli bij
gemeenten, als ook de spreiding hiervan. We verwachten best grote verschillen tussen
gemeenten, waarbij sommige gemeenten in één keer een passend model hebben gekozen en
andere gemeente zich ook nu nog opmaken voor het invoeren van een nieuw model. Door het
gemiddelde en de spreiding van deze factoren in beeld te brengen kunnen we een schatting
maken van de tijdsduur van de boeggolf voor heel Nederland. Aangezien de decentralisatie
GV572 105
Andersson Elffers Felix
pas vijf jaar geleden is gestart, kunnen we onvoldoende uit data van gemeenten halen en
vraagt dit scenariodenken om hiervan een prognose te maken. We voeden de scenario’s door
naar de actuele stand van zaken te vragen in de uitvraag.
3. Tijdelijke kosten tijdens de transformatie
We begonnen dit analysekader met een beschrijving van de belangrijkste karakteristieken van
de boeggolf (zie figuur 32). In paragraaf 1 en 2 beschreven we vervolgens hoe we de structurele
besparing, de structurele kosten en de tijdsduur van de transformatie gaan bepalen. Uit deze
analyses volgt een beeld van de eindsituatie, Ook volgt hieruit een beeld van de weg hiernaar
toe, oftewel van de boeggolf, In deze paragraaf beschrijven we hoe we de gegevens uit de
voorgaande paragrafen zullen samenbrengen tot deze twee beelden.
a. Hoe komen we tot een totaalbeeld?
In figuur 32, waarin de vorm van de boeggolf beschreven wordt, geven we eigenlijk een
gestileerd beeld van de werkelijkheid. In werkelijkheid zal de boeggolf zich veel grilliger
gedragen, met pieken en dalen op momenten dat specifieke aanpassingen of interventies
worden ingezet en specifieke doelgroepen worden bereikt. In feite geeft figuur 32 de vorm van
één preventieve interventie voor één specifieke doelgroep weer. De totale boeggolf voor een
gemeente is de accumulatie van deze preventieve en vroegsignalerende interventies, voor
alle bijbehorende doelgroepen. De boeggolf voor heel Nederland is vervolgens weer een
accumulatie van de boeggolven van alle Nederlandse gemeenten. Figuur 37 weergeeft
schematisch hoe het eruit ziet als de boeggolven van 4 fictieve interventies/aanpassingen
worden gecombineerd.
ZT TEN -…
/ „ \ \
’ TK
Í Nx
1 x
\
1
\
/
, \
IS Neen ‘
/ \
VEN NEN
4 \
/ N
-Z Sj LL 4 ZN NS N N
Sn —— N
OE DAN
Dn
Figuur 37 Schematische weergave van de accumulatie (blauwe stippellijn) van de boeggolf van 4 fictieve
maatregelen. Op de x-as staat tijd in jaren. Op de y-as de jeugdhulpkosten
GV572 106
Andersson Elffers Felix
Om tot een boeggolf voor heel Nederland te komen, moeten veel verschillende gegevens met
elkaar gecombineerd worden. De analyses beschreven in paragraaf 1, 2 en 3 brengen ons de
volgende informatie:
— We hebben een inschatting van het aantal PDCA-cycli dat gemeenten doorlopen
= Opgesplitst per categorie beleidsverandering
— We hebben een inschatting van de gemiddelde duur van de Plan, Do en Act fase
= Opgesplitst per categorie beleidsverandering
— Voor de Check fase hebben we een inschatting van:
= Opgesplitst per doelgroep:
= De effecten van preventie op jeugdhulpgebruik over tijd (kosten, besparing, duur)
= De effecten van vroegsignalering op jeugdhulpgebruik over tijd (kosten,
besparing, duur)
Figuur 38 geeft schematisch de verschillende onderwerpen en opsplitsingen weer.
Gemiddeld aantal
keer per categorie
vroegsignalering
Gemiddelde Gemiddelde duur Gemiddelde structurele kosten, Gemiddelde
duur structurele besparing en duur duur
Figuur 38 Gegevens die we met elkaar combineren om tot een totale boeggolf te komen
Zoals te zien, zijn er een heel aantal verschillende combinaties mogelijk van categorieën en
doelgroepen met verschillende tijdsduren, structurele besparingen en structurele kosten. In
principe kunnen we deze combinaties met hun relatieve gewichten (sommige zullen meer en
sommige minder vaak voorkomen) bij elkaar brengen tot een totaal eindresultaat en een
totale tijdsduur van de transformatie. Hierbij moeten we nog wel rekening houden met een
aantal factoren:
— De interactie tussen preventie en vroegsignalering: deze is geïllustreerd in Figuur 33, en
kan tot contra-intuïtieve resultaten leiden.
— De omgang met de onzekerheden in de analyse: het optellen van onzekerheden kan
wellicht niet helemaal op basis van statistiek; soms is een expertinschatting nodig voor
het gewicht van een bepaalde onzekerheid.
b. Hoe benaderen we het beloop van de boeggolf?
Zoals het woord boeggolf al zegt, brengt de transformatie tijdelijk hogere kosten met zich
mee. Terwijl meer jeugdigen in hulp/zorg komen door meer vroegsignalering, moeten tegelijk
bestaande jeugdhulptrajecten worden doorgezet. Dit betekent tijdelijk dubbele kosten. De
precieze hoogte van deze dubbele kosten kunnen niet per jaar bepaald worden, omdat te veel
GV572 107
Andersson Elffers Felix
variabelen hier een rol spelen. Wel kunnen we een grove inschatting maken van de hoogte en
duur van deze boeggolf, Hieronder wordt beschreven hoe dit gedaan kan worden. We
verwachten dat de vorm voor het grootste deel bepaald zal worden door het ‘dubbele’
volume aan jeugdhulp. Daarnaast vraagt een nieuwe werkwijze ook tijdelijke investeringen en
inefficiëntie.
Tijdelijk extra volume aan jeugdhulp
Onze insteek voor deze analyse is om een inschatting te maken van de piek: wanneer is het
extra volume aan jeugdhulp het hoogst en hoe hoog is het dan? We kunnen het moment van
de piek op twee manieren benaderen:
1. _ Op basis van de duur tot het effect van preventie (2a) en vroegsignalering (2b) start,
rekening houdend met (2c) de periode die het heeft geduurd voordat gemeenten zijn
gestart met de nieuwe werkwijze vanaf 2015.
Dit is waarschijnlijk iets te vroeg, maar benadert redelijk wanneer de piek plaatsvindt.
2. Op basis van kengetallen/bandbreedtes die volgen uit (1a) structurele effect van
preventie, (1b) het structurele effect van vroegsignalering, (2a) de periode die het
duurt voordat we effect zien van preventie, (2b) voordat we effect zien van
vroegsignalering, rekening houdend met (2c) de periode die het heeft geduurd
voordat gemeenten zijn gestart met de nieuwe werkwijze vanaf 2015.
Deze manier is in beginsel nauwkeuriger, maar ook afhankelijk van de bandbreedte op
basis van ta en 1b. Naar aanleiding van de uitkomsten van die analyses moet de meest
passende werkwijze gekozen worden.
c. Investeringskosten en transitiekosten voor de nieuwe werkwijze
Naast kosten door tijdelijke toename van de jeugdhulp, zijn er ook investeringen nodig om de
transformatie mogelijk te maken (investeringskosten) en zorgt een transformatie tijdelijk voor
inefficiëntie en hogere uitvoeringskosten (transitiekosten). Het inzetten van een
transformatie vraagt een extra inspanning: het kost tijd om een nieuwe manier van
organiseren in te richten, en het aanleren van nieuwe manieren van werken gaat in de
beginperiode ten koste van de efficiëntie,
We onderzoeken welke elementen er noodzakelijk zijn voor het opzetten van een nieuwe
werkwijze die aansluit bij de beoogde doelen van de transformatie en wat hiervoor naar
schatting de investeringskosten zijn. In onderstaande tabel hebben we opgenomen welke
elementen hiervoor van belang zijn en hoe we de kosten hiervoor kunnen inschatten.
Opleiden en Het is nog niet volledig duidelijk welke competenties nodig zijn in de nieuwe
omscholen werkwijze. Daarom kan niet gerekend worden op basis van een specifieke opleiding.
Wel is het aannemelijk dat medewerkers nog bijgeschoold moeten worden. We
stellen daarom de volgende werkwijze voor:
= Inde diepteonderzoeken vragen we aan aanbieders en gemeenten welke
kosten en tijdsinvestering opleidingen bij eerdere veranderingen gevraagd
hebben per medewerker,
= _ Daarbij maken we onderscheid tussen het type verandering (par 2c).
— We vragen in hoeverre er naar verwachting gedifferentieerd moet worden
tussen verschillende typen medewerkers.
— Op basis van het aantal te verwachten cycli dat doorlopen moet worden (par
2c) kunnen de investeringskosten ingeschat worden.
GV572 108
Andersson Elffers Felix
Opzetten Onderdeel van de nieuwe werkwijze is in ieder geval dat meer
samenwerkingen samenwerkingsverbanden aangegaan moeten worden. Het opzetten van een
nieuwe samenwerking kost tijd van zorgprofessionals.
= Inde diepteonderzoeken vragen we aan aanbieders en gemeenten welke
kosten en tijdsinvesteringen de recent opgezette samenwerkingen gevraagd
hebben. Eventueel toetsen we dit nog in de uitvraag.
= We onderzoeken op basis van literatuuronderzoek en de diepteonderzoeken
op welke schaal samenwerkingen levensvatbaar zijn (een samenwerking
waar te veel mensen bij betrokken zijn, levert onvoldoende verbinding op
om werkzaam te zijn, een samenwerking waar te weinig mensen bij
betrokken zijn, is onvoldoende effectief).
=— Op basis daarvan maken we een inschatting van het aantal samenwerkingen
dat opgezet moet worden, en hoeveel tijd dat dus kost,
Opzetten IT- De kosten van het opzetten van een IT-infrastructuur om op voldoende verfijnd
infrastructuur niveau gegevens over risicoprofielen te hebben zijn sterk afhankelijk van de manier
waarop dit gebeurt. Als iedere gemeenten dit zelf moet doen, is dat uiteraard erg
inefficiënt. Ons voorstel is dan ook om uit te gaan van een landelijke werkwijze,
waarbij informatie wordt opgehaald bij gemeenten. Daarbij kijken we naar kosten
van eerdere projecten die tegemoet moesten komen aan de behoeften van
verschillende gemeenten, zoals waarstaatjegemeente.nl.
Afbouw vastgoed Als er minder verblijf is en meer ambulant gedaan wordt, zal een deel van het
zorgvastgoed een andere bestemming moeten krijgen. Hoeveel dit kost, hangt sterk
af van het specifieke gebouw: waar het ene gebouw in de markt een goede prijs
opbrengt, geldt voor het andere gebouw dat het afgebroken moet worden. In de
meeste gevallen speelt een situatie tussen deze twee uitersten in: het gebouw kan
een andere bestemming krijgen, maar hier moeten wel kosten voor gemaakt
worden. Om dit in beeld te brengen, stellen we de volgende werkwijze voor:
=— We vragen aanbieders in de diepteonderzoek naar hun ervaringen met
afbouw van vastgoed tot nog toe.
— We vragen aanbieders een grove inschatting te maken voor verschillende
scenario’s voor afname van het aantal kinderen in verblijf.
=— Hieruit volgen naar verwachting verschillende typeringen voor aanbieders.
— We toetsen deze kengetallen in de uitvraag, waarbij we ook nagaan hoeveel
aanbieders welke typering hebben.
Efficiëntieverlies Gedurende een dergelijke transitie zal er naar alle waarschijnlijkheid sprake zijn van
lagere productiviteit en efficiëntieverlies. Grotendeels zullen deze kosten ook
terugkomen in het opleiden en omscholen, en opzetten van samenwerkingen. We
nemen deze vragen ook mee in het diepteonderzoek, maar verwachten dat
gemeenten hier moeilijk een inschatting van kunnen geven.
Zoals uit bovenstaande tabel duidelijk wordt, hangen dergelijke incidentele kosten sterk af
van de exacte keuzes in de implementatie. Daarnaast hangt de opgave lokaal sterk af van de
specifieke context en startpositie, Voor een landelijk beeld zijn deze individuele verschillen
minder relevant. Voor iedere aanbieder die bovenmatig hoge kosten heeft, is er immers een
aanbieder die juist zeer weinig kosten heeft. Voor het landelijke beeld gaan we daarom uit van
één of enkele archetypen waarop we een macroraming baseren. De mate waarin
verschillende archetypen aanbieders of gemeenten voorkomen baseren we op de uitvragen
aan gemeenten en aanbieders.
GV572 109
Andersson Elffers Felix
Het CPB heeft in 2020 in het rapport Zorgkeuzes in Kaart een inschatting gemaakt van de
budgettaire effecten van verschillende transities in het zorg en Wmo domein. De resultaten op
basis van de elementen in bovenstaande tabel vergelijken we met de kengetallen
(percentages) die het CPB heeft gevonden voor grote transities in de Wmo en zorg. Deze
macrobenadering komt met een kengetal van 1,5 % voor de jaren die de transitie duurt, wat
afhankelijk is van de omvang van de transformatie. Hierbij gaan we in principe uit van het
kengetal van 1,5% zoals geraamd door het CPB, behalve als onze eigen analyse sterke
redenen geeft om hiervan af te wijken.
d. Waar staan gemeenten t.o.v. 2015?
Op basis van de kengetallen die volgen uit (1a) structurele effect van preventie, (1b) het
structurele effect van vroegsignalering, (2a) de periode die het duurt voordat we effect zien
van preventie, (2b) voordat we effect zien van vroegsignalering, én (2c) de periode die het
gemiddeld duurt om de nieuwe werkwijze vorm te geven (na 2015) volgt een voorspeld
beloop. Op basis hiervan kan een inschatting gegeven worden van waar gemeenten in 2019
staan t.o.v. 2015.
Tegelijkertijd kan de situatie in 2019 t.o.v. 2015 ook benaderd worden door te kijken naar hoe
kwetsbare en moeilijk bereikbare groepen die voorheen onder gerepresenteerd waren, nu
worden bereikt. Zijn zij minder onder gerepresenteerd in jeugdhulp door betere
vroegsignalering? Dit geeft een duiding van de verandering die plaatsvindt. Daarbij gaan we
ervanuit dat uiteindelijk deze groepen net zo gerepresenteerd zijn in jeugdhulp als ze
gerepresenteerd zijn in de bevolking, eventueel gecorrigeerd voor SES,
Met deze twee methoden kan de positie waar gemeenten zich bevinden in de boeggolf in 2019
benaderd worden, om een inschatting te geven van de incidentele en structurele kosten die
dan van toepassing zijn.
Gehanteerde onderzoeksmethoden
a. Methoden
In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van verschillende methoden, zoals in de tabel
hieronder beschreven
Onderzoeksonderdeel Voornaamste methoden
1a,. Wat is het structurele effect — Werksessie met jeugdhulpprofessionals,
van preventie? beleidsmedewerkers, wetenschappers,
ervaringswerkers
— Literatuuronderzoek over de effectiviteit van
(preventieve) interventies/ basisvoorzieningen, o.a.
Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi
GV572 110
Andersson Elffers Felix
1b, Wat is het structurele effect — Werksessie met jeugdhulpprofessionals,
van vroegsignalering? beleidsmedewerkers, wetenschappers,
ervaringswerkers
— Literatuuronderzoek over de effectiviteit van
vroegsignalering en het bereik ervan
— Volumeontwikkeling (bouwsteen 2) en bereik van
onder gerepresenteerde subpopulaties
Ic. Categoriseren van de — Werksessie met jeugdhulpprofessionals en
jeugdpopulatie in doelgroepen wetenschappers
= Literatuuronderzoek naar categorieën jeugdigen die
gebruikmaken van jeugdhulp
1d. Structurele kosten door inzet _— Diepteonderzoek gemeenten
op preventieve werkwijzeenop __— Interviews met experts/EffectenArena’s
betere vroegsignalering — Literatuuronderzoek, o.a. Zorgkeuzes in Kaart: Analyse
van beleidsopties voor de zorg van tien politieke
partijen“?
2a. Duur tot effect van preventie — Werksessie met jeugdhulpprofessionals,
beleidsmedewerkers, wetenschappers,
ervaringswerkers
— Diepteonderzoek gemeenten
2b, Duur tot effect van — Werksessie met jeugdhulpprofessionals,
vroegsignalering beleidsmedewerkers, wetenschappers,
ervaringswerkers
— Diepteonderzoek gemeenten
2c. Meerdere cycli nodig in een — Uitvraag bij gemeenten
lerend proces — Diepteonderzoek gemeenten
— Literatuuronderzoek over transformaties in andere
domeinen en over duur van beleidsveranderingen
3c. Investeringskosten en — Diepteonderzoek gemeenten
transitiekosten — Literatuuronderzoek, o.a. Zorgkeuzes in Kaart: Analyse
van beleidsopties voor de zorg van tien politieke
partijen
— Interview CPB
b. Schattingen kunnen worden samengebracht door middel van datatriangulatie
Uit bovenstaande bronnen komen uiteenlopende schattingen van de verwachtte effecten en
tijdsduur van preventie en vroegsignalering. Deze kunnen worden samengevoegd door
datatriangulatie op basis van de verschillende onderzoeksmethodes en waar nodig het
extrapoleren van bevindingen voor het hele land.
2 https://www.cpb.nl/publicatie/zorgkeuzes-in-kaart-analyse-van-beleidsopties-voor-de-
zorg-van-tien-politieke-partijen.
GV572 111
Andersson Elffers Felix
D Het effect van preventie en
vroegsignalering
Introductie
Onderdeel van het onderzoek is de vraag: “Is er sprake van een boeggolf, en zo ja: hoe ziet
deze eruit?” Hierbij verstaan we onder ‘boeggolf’ de tijdelijk hogere kosten die de transitie en
transformatie naar een nieuwe werkwijze met zich meebrengen. In het analysekader (zie
bijlage C Analysekader boeggolf) hebben we beschreven hoe we de vorm van de boeggolf
kunnen benaderen door het structureel resultaat, de tijdelijke extra kosten en de tijdsduur
van de transformatie te berekenen.
In dit hoofdstuk vindt u een beschrijving en de uitkomsten van ons onderzoek naar het
structurele resultaat van de transformatie — oftewel de vraag ‘is er sprake van een boeggolf?’
We beschrijven we onze aanpak, resultaten, conclusies, en de duiding hiervan. Vervolgens
beschrijven we onze resultaten wat betreft de transitieduur en transitiekosten.
Vooraf: we beperken ons tot de Jeugdwet
In deze analyse beperken we ons tot de Jeugdwet. Dat betekent enerzijds dat we alleen kijken
naar welke invloed gemeenten zelf op basis van de Jeugdwet hebben op het
jeugdhulpgebruik. Anderzijds betekent dit dat we kijken naar de gevolgen van de activiteiten
rondom jeugdhulp (inclusief sociale basisvoorzieningen) voor het jeugdhulpgebruik en de
kosten daarvan.
Uiteraard hebben meer inzet op preventie en vroegsignalering ook effect op andere
overheidsuitgaven, zoals uitgaven binnen de Wmo, de Participatiewet en de
Zorgverzekeringswet. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat budgettaire effecten van
onderzochte interventies vaak groter zijn als er ook naar andere overheidsuitgaven wordt
gekeken, £46566 Ook heeft effectieve inzet op preventie en vroegsignalering een positief effect
85 MKBA Nu niet zwanger 2019.
8 The Rate of Return to the High/Scope Perry Preschool Program, Heckman J, Moon S, Pinto R,
Peter A. Savelyev P, Yavitz A, 2010, Journal of Public Economics, 94(1), p. 114-128.
6 Population cost-effectiveness of the Triple P parenting programme for the treatment of conduct
disorder: an economic modelling study, Sampaio F, Barendregt J, Feldman |, Liee Y,‚ Sawyer M,
Dadds M, Scott J, Mihalopoulos C., 2017, Euroean Child & Adolescent Psychiatry 27, p. 933-944.
66 The high societal costs of childhood conduct problems: evidence from administrative
records up to age 38 in a longitudinal birth cohort, Rivenbark J, Odgers Cm Caspi A,
Harrington H, Hogan S, Houts R, Poulton R‚ Moffitt T., 2018, Journal of Child Psychology
and Psychiatry 59:6, p. 703-710.
GV572 112
Andersson Elffers Felix
op het welbevinden van kinderen en ouders, wat ook breder gezien tot maatschappelijke
baten leidt, zowel op korte als op lange termijn.
Aangezien het doel van dit onderzoek is om de kosten van de Jeugdwet te kwantificeren, zijn
besparingen in andere domeinen en brede maatschappelijke baten geen onderdeel van deze
analyse. Bij afwegingen over het budget is het uiteraard wel van belang om de
maatschappelijke kosten en baten van preventie en/of vroegsignalering mee te wegen.
Structureel resultaat transformatie - kunnen we spreken van
een boeggolf?
Verwachting: preventie en vroegsignalering leiden tot structurele besparing
De beleidstheorie waarop de Jeugdwet is gebaseerd, voorspelt dat betere preventie en
vroegsignalering op termijn zullen leiden tot een afname van (zware) jeugdhulp en daarmee
tot een besparing van jeugdhulpkosten. Uiteraard kosten betere preventie en
vroegsignalering niet alleen tijdelijk, maar ook structureel meer geld. In dit onderzoek hebben
we geprobeerd inzichtelijk te maken in hoeverre de structurele baten opwegen tegen de
structurele kosten. Dit hebben we gedaan door eerst de vraag te stellen wat er nodig is voor
effectieve inzet op preventie en vroegsignalering, en vervolgens te onderzoeken wat het
resultaat daarvan zou zijn.
Ons onderzoek bestond uit (groeps)interviews met experts, literatuuronderzoek, vragen in de
enquête onder gemeenten en aanbieders, en een analyse van de effectiviteit van diverse
bewezen effectieve interventies op basis van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van
het NJi, die inzetten op preventie en/of vroegsignalering.
Wat is nodig voor effectieve inzet op preventie en vroegsignalering?
Inzet op preventie en vroegsignalering vraagt het opzetten van een sterke basis en het
inzetten van de juiste interventies
Als eerste hebben we op basis van literatuuronderzoek en in samenspraak met diverse
experts opgesteld wat er nodig is om preventie en vroegsignalering goed in te richten binnen
gemeenten.” Hieruit kwamen twee hoofdthema's: het opzetten van sterke basis en het
inzetten van de juiste interventies, De belangrijkste elementen binnen deze thema’s zijn in
de tabel hieronder weergegeven.
sr Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en aanpak, Yperen T van, Maat A van der,
Prakken J., 2019, Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
8 Opkomen voor een effectievere jeugdhulp, Yperen T van, & Gorissen W., 2018, Utrecht:
Nederlands Jeugdinstituut.
© De kracht van wijd reiken. Advies om de transformatie van de jeugdhulp te laten slagen,
VNG Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht, 2020.
GV572 113
Andersson Elffers Felix
= Aanwezig zijn in de natuurlijke omgeving Integrale aanpak met inzet op universele en
= Algemene informatiekanalen voor burgers _ selectieve preventie, en vroegsignalering in het
= Deskundigheid aan de voorkant, gerichtop kader van signaleren wanneer geïndiceerde
normaliseren en goede signalering preventie of behandeling nodig is:
=— Inzetten op beschermende factoren — Universele interventies, e.g. Taakspel en
bevorderen, en zo zelfredzaamheid van PAD
gezinnen vergroten =— Gericht aanbod met effectieve interventies
=— Stimuleren samenwerking onderwijs, aan specifieke groepen, waaronder
WE/kinderopvang, JGZ, lokale teams = KOPP/KVO, waaronder trauma bij ouders
gemeente = Gezinnen waar risico is op
=— Monitoring kindermishandeling
= Goede analyse van jeugdhulpgebruik en = Andere risicogroepen, zoals
oorzakelijke factoren, om gerichte inzet van gedragsproblemen, angststoornissen,
preventie en vroegsignalering te verbeteren depressie
— Effectiviteitsonderzoek (maatschappelijken — Peer-to-peer interventies, e.g. Centering
financieel) van interventies Pregnancy & Parenting en Home-start
De sterke basis is vooral een randvoorwaarde voor de inzet van interventies: op zichzelf heeft
deze nog weinig tot geen effect op het jeugdhulpgebruik, Om een voorbeeld te noemen: het
aanwezig zijn in de natuurlijke omgeving of betere samenwerking kan ervoor zorgen dat
problemen vroeger gesignaleerd worden, maar deze observatie verandert op zichzelf nog
niets, als er niet vervolgens ook effectief geïntervenieerd kan worden. Het structurele effect
op jeugdhulpvolume wordt daarmee naar verwachting vooral door de effectieve interventies
bepaald.
Wel kan er door bevorderen van beschermende factoren, analyse van onderliggende
oorzaken van jeugdhulpgebruik en verder effectiviteitsonderzoek naar interventies nog
verdere winst worden behaald. Gezien er hierover onvoldoende gegevens bekend zijn om dit
te kwantificeren en dit langere termijn mogelijkheden betreft, laten we dit in deze analyse
buiten beschouwing.
De sterke basis beperkt zich niet tot Jeugdwet
De experts benadrukten ook het belang van een domeinoverstijgende benadering. Ze
noemden voorbeelden als kinderopvang vrijtoegankelijk en een basisvoorziening maken, het
inrichten van brede ‘scholen’ waar opvang bij zit en die een pedagogische basis vormen voor
kinderen tussen de 0 en 16 jaar, het versterken van sociale netwerken buiten professionals
om, het inzetten op preconceptiezorg en ondersteunen van kwetsbare zwangere vrouwen, en
het verminderen van kwetsbaarheid van gezinnen door bijv. schulden.
De effectiviteit van preventie en vroegsignalering wordt zeer wisselend ingeschat
Door versterkte inzet van sociale basisvoorzieningen, vroegsignalering en beschikbaarheid
van passende interventies zullen lichte problemen zich minder vaak ontwikkelen tot
problemen die jeugdhulp vereisen.
In (groeps)interviews met experts van het NJi, NCJ, Trimbos, en onderzoekers uit het veld van
de publieke gezondheid, kansrijke start en jeugd-GGZ, vroegen we de aanwezigen een
inschatting te maken van de mogelijke afname in jeugdhulpgebruik als gevolg van versterkte
inzet preventie en vroegsignalering. Hieruit kwam als eerste naar voren dat er weinig bekend
GV572 114
Andersson Elffers Felix
is over de verwachtingen van het effect van goede preventie en vroegsignalering op langere
termijn op het volume van jeugdhulp. Denemarken wordt vaak aangehaald als voorbeeld van
een effectieve transformatie, maar hiervan zijn geen duidelijke kwantitatieve resultaten
beschikbaar. De gesproken experts gaven aan dat een inschatting maken moeilijk is. Er zaten
dan ook grote variaties in de inschattingen, met inschattingen tot wel 80% voor de afname
van lichte jeugdhulp. Bij deze bovengrens bleek echter de aanname gedaan te zijn dat alle
kinderen naar kinderopvang en brede scholen zouden gaan.
Als alleen naar preventie en vroegsignalering binnen het gemeentelijk domein werd gekeken,
werden inschattingen gemaakt tussen de 20 — 40% afname van lichte jeugdhulp, en 0 — 25%
afname van zware jeugdhulp. In het algemeen verwachten experts dat goede preventie en
vroegsignalering meer effect heeft op lichte jeugdhulp dan op zware jeugdhulp. De
onderbouwing hiervan was dat jeugdigen die zware jeugdhulp ontvangen veelal echt
professionele hulp nodig hebben en dat de problemen voor een aanzienlijk deel van deze
jeugdigen moeilijk te voorkomen zijn met preventie of vroegsignalering in een eerder
stadium.
Aanbieders gaven in de enquête aan weinig zicht te hebben op hoeveel jeugdhulp door
preventie en vroegsignalering voorkomen kon worden. Waar de vraag wel beantwoord was,
was de aanbieder het over het algemeen eens met de schattingen van de experts. Daarnaast
geeft een (soms nog groter) deel aan niet te weten of niet in te kunnen schatten wat het
structurele effect zal zijn.
De afname die ingeschat werd door experts, zou significante besparingen opleveren.
Tegelijkertijd is deze omgeven door grote onzekerheden. Daarom hebben we een andere
manier gezocht om de potentiële effecten van preventie en vroegsignalering te onderzoeken.
Analyse van de effectiviteit van bewezen effectieve interventies
Zoals eerder besproken onder het kopje “Wat is nodig voor effectieve preventie en
vroegsignalering?’ is het voorkomen van jeugdhulpgebruik via preventie en vroegsignalering
voornamelijk afhankelijk van de inzet van de juiste interventies. Naast het bevragen van
experts op de effecten hebben we daarom in het onderzoek de effectiviteit van interventies
geanalyseerd. Daarvoor hebben we gekeken naar de bewezen effectieve interventies (voor
preventie en vroegsignalering) in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi. We
hebben hierbij de interventies geselecteerd met het label ‘effectief volgens goede
aanwijzingen’ of ‘effectief volgens sterke aanwijzingen’.
Bewezen effectieve interventies zijn uiteraard niet de enige ‘effectieve’ interventies die in
Nederland in de jeugdzorg worden toegepast: van een groot deel van de nog niet onderzochte
interventies is nog niet bekend wat de effectiviteit is. Ter illustratie: naar schatting zijn er
1.500 interventies op het terrein van jeugd en opvoeding, waarvan er in 2012 maar 1á 5 % op
effectiviteit was onderzocht met gedegen wetenschappelijk onderzoek (Boendermaker et al,
2007'% Veerman, 20121), De effectieve interventies in de Databank van het NJi zijn dus maar
een tipje van de sluier van alles wat er momenteel in Nederland gebeurt op het vlak van
7 Programmeringsstudie Jeugdzorg, Boendermaker L, Harder A, Speetjens P, Pijll M van
der, Bartelink C, & Erverdingen J van, 2007, Utrecht / Groningen: Nederlands
Jeugdinstituut / Rijksuniversiteit Groningen.
1 Percentage effectieve interventies in de Nederlandse jeugdzorg. Een gecontroleerde
schatting, Veerman J., 2012, Nijmegen: Praktikon.
GV572 115
Andersson Elffers Felix
preventie en vroegsignalering. Het is echter niet waarschijnlijk dat nog niet bewezen
interventies gemiddeld effectiever zullen zijn dan de tot nu toe erkende en bewezen effectieve
interventies die in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi staan.
Het effect van interventies
Voor elk van de effectieve interventies in de Databank van het NJi staan de belangrijkste
resultaten van de interventie voor deelnemende jeugdigen en ouders beschreven. Daarbij
wordt vaak ook omschreven hoe groot het effect is,
De effectiviteit van de interventie op deze metingen wordt (waar bekend) beschreven met per
effect een Cohen’s d: een gestandaardiseerde maat om aan te geven hoe sterk het effect van
een interventie is. Wiskundig kan Cohen's d omschreven worden als het gemiddelde effect ten
opzichte van de spreiding in het effect tussen cliënten.
In het kader hieronder is een voorbeeld opgenomen van hoe over de effectgrootte
gerapporteerd wordt,
Voorbeeld: interventie Dappere Dino’s - Effectief volgens goede aanwijzingen
Volgens de beschrijving van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi zijn er 3
Nederlandse onderzoeken uitgevoerd naar de effectiviteit van Dappere Dino's.
“Volgens moeders van deelnemende kinderen leek hun probleemgedrag minder te worden
tussen de voor- en nameting (M =-2.25, SD = 4.94, p =.06; d= 0.33). Ook was er een positieve
trend zichtbaar in de rapportage door moeders over het positief functioneren van de
kinderen tussen de voor- en nameting. Het functioneren van hun kinderen leek vooruit te zijn
gegaan (d=0.39) [.…]. Volgens rapportage door de trainers verbeterde het positief
functioneren (d =1.03) en verminderde de totale gedragsproblemen (M= -4.00, SD =7.41, p=
02) van de kinderen in Dappere Dino's aanzienlijk. 61% van de kinderen liet een duidelijke
verbetering zien in algeheel functioneren (RCI > 1.96)”
“Moeders zagen een positieve reactie bij hun kind en vonden dat hun kind positief veranderd
was na Dappere Dino's. Trainers werkten graag met het programma. Bovendien waren
verschillen te zien tussen voor- en nameting op positief functioneren van de kinderen
(toegenomen; gerapporteerd door trainers (d = 0,61) en door moeders (d = 0,50)) en op
problematiek van de kinderen (emotionele problemen, gedragsproblemen, totale
problemen afgenomen; gerapporteerd door trainers (d = 0,33 - 0,49), door leerkrachten (d =
0,21 — 0,41) en door moeders (d = 0,50 — 0,76)).” *
Vergelijking van de scores voor positief functioneren zoals gerapporteerd door trainers met
de GLEF (vragenlijst, red.), duidden op een afname van problemen (d= 0,35) en een toename
van competenties (d = 0,66) tussen de voor- en nameting in de experimentele groep. Ook
totaal positief functioneren van kinderen in de experimentele groep zoals gerapporteerd
door trainers met de GLEF was na deelname significant gestegen (d= 0,76). Kinderen hadden
na deelname significante afnames in emotionele problemen (d = 0,32) gedragsproblemen (d
72 Child adjustment in divorced families: Can we successfully intervene with Dutch 6- to 8-
year-olds? Feasibility study Children of Divorce Intervention Program (CODIP) in the
Netherlands, Klein Velderman M, Pannebakker F, de Wolff M‚ Pedro-Carroll J, Kuiper R,
Vlasblom E & Reijneveld S., 2011, Leiden: TNO.
5 Dappere Dino's: interventieprogramma voor kinderen van 6-8 jaar van gescheiden
ouders, Klein Velderman M, Pannebakker F., 2014, Eindrapportage Dappere Dino’s Leiden:
TNO.
GV572 116
Andersson Elffers Felix
= 0,32) en totale problemen (d = 0,44). Kinderen in de Dappere Dino’s groepen lieten
bovendien een significante toename zien van welbevinden na deelname (op basis van
moeder-, vader- en trainer-rapportage; d= 0,75, 0,77 en 0,73). Verbeteringen in functioneren
van de kinderen werden niet teruggevonden in de vergelijkingsgroepen.” *
Effecten gevonden in interventiestudies op specifieke doelgroepen kunnen niet één op één
vertaald worden naar voorkomen jeugdhulptrajecten:
— Een beschreven gedragseffect heeft niet direct effect op het jeugdhulpvolume. Zoals
te zien in bovenstaand voorbeeld wordt de effectiviteit van de interventie beschreven
voor specifieke metingen van gedrag, gevoel, competentie of gerapporteerde
vermindering van bepaald gedrag door ouders of docenten, Zo werd voor Dappere Dino’s
zowel de effectiviteit bepaald op gerapporteerd gedrag door ouders/trainer/leerkracht als
op gemeten emotionele- en gedragsproblemen. Een gemiddelde afname van een divers
scala aan klachten betekent echter niet direct dat een jeugdhulptraject voorkomen
wordt: in veel gevallen blijven waarschijnlijk nog klachten bestaan waarvoor jeugdhulp
nodig/gewenst is.
— Eriseen grote variatie in effectiviteitsstudies, Aansluitend op bovenstaand punt,
worden er naast verschillende metingen voor het bepalen van effectiviteit ook
verschillende onderzoeksmethodes gehanteerd. Zo wordt gebruik gemaakt van
verschillende typen controlegroepen (zowel met gebruikelijke hulp - care as usual - als
controlegroepen zonder hulp, bijvoorbeeld op de wachtlijst). Dit maakt het soms lastig
om onderzoeken tegen elkaar af te wegen.
— De theoretische effectiviteit is niet gelijk aan de effectiviteit in de praktijk. In een
onderzoek is er vaak sprake van deskundige en gemotiveerde trainers, een populatie die
voldoet aan de inclusiecriteria en daarmee relatief homogeen is, en een selectiebias
doordat ouders en/of jeugdige gemotiveerd zijn om mee te doen aan dit onderzoek. In de
praktijk komt het vaak voor dat de trainers minder ervaring hebben met de geboden
interventie, de groep heterogener is en ouders/jeugdigen onder andere omstandigheden
meedoen met de geboden interventie. Ook als er een contra-indicatie is voor de
interventie, kan het in de praktijk immers wel wenselijk zijn om een jeugdige deel te laten
nemen, bijvoorbeeld omdat er geen alternatief is, Dit leidt bij veel interventies tot een
lagere effectiviteit in de praktijk. Soms is er sprake van een implementatie onderzoek,
waarbij de effecten doorgaans ook iets lager uitvallen qua effectgrootte.
— Vertaling van de effecten naar de langere termijn is moeilijk. Veel van de effecten zijn
relatief kortdurend danwel het onderzoek heeft maar korte follow-up (doorgaans
maximaal 6 maanden). Mogelijk is er op langere termijn alsnog noodzaak kan voor een
jeugdhulptraject bijvoorbeeld als er slechts tijdelijk herstel optreedt.
Naast de algemene methodologische kanttekeningen bij de (duurzame) effectiviteit van
interventies in de praktijk, speelt voor dit onderzoek nog een belangrijke onzekere factor
mee: niet alle jeugdigen ontvangen jeugdhulp voor de problematiek die zij hebben. Van
de jeugdigen die deelnemen aan de interventies naar aanleiding van preventie of
vroegsignalering zou een deel ook in de toekomst niet in jeugdhulp beland zijn. De
verschillende doelgroepen van een interventie zijn geïllustreerd in figuur 39.
% Preventie van psychosociale problematiek als gevolg van (echt)scheiding: Onderzoek
naar de effectiviteit van preventieve groepsinterventie Dappere Dino's voor kinderen van 6-
8 jaar, Klein Velderman M, Pannebakker F., e.a. 2017, ZonMw Eindverslag dossier
531005009.
GV572 117
Andersson Elffers Felix
voorkomt jeugdhulp
Pa) beland zijn 8
> nog steeds nodig
0
:
rn nog steeds jeugdhulp nodig
T
0 beland zijn 5. Problematiek zou anders niet
of te hoge drempel)
Figuur 39. Bij maar een deel van de deelnemers aan een interventie in het kader van
vroegsignalering of preventie wordt een jeugdhulptraject voorkomen.
Van de vijf bovenstaande groepen wordt alleen bij de eerste groep een jeugdhulptraject
voorkomen, en bij de tweede groep is het mogelijk dat de kosten van het latere traject
goedkoper zijn. Bij de andere drie groepen is de interventie niet effectief, zou de problematiek
vanzelf overgaan of zou de problematiek niet gesignaleerd worden. De mate waarin preventie
en vroegsignalering kosten besparen, is dus afhankelijk van de relatieve omvang van de
eerste (twee) groep(en). In onderstaand kader is een voorbeeld uitgewerkt van
angststoornissen.
Voorbeeld: angststoornissen
Angststoornissen zijn de meest voorkomende psychiatrische stoornissen in de kindertijd.
Prevalentiecijfers variëren van 15 tot 20 % van de Nederlandse jeugdigen.’ Het overgrote
merendeel van deze jeugdigen krijgt momenteel geen behandeling. Bij een deel van deze
jeugdigen is er sprake van spontaan herstel na verloop van tijd. Bij een deel van de jeugdigen
zijn de zichtbare en onzichtbare drempels tot jeugdhulp te groot en/of de klachten van de
angststoornis worden onvoldoende herkend/erg gevonden om er hulp voor te zoeken.
Als er een interventie wordt aangeboden in het kader van vroegsignalering om ernstigere
problemen te voorkomen, nemen alle jeugdigen die met een angststoornis kampen hieraan
deel, ongeacht of er sprake zou zijn van spontaan herstel of geen gebruik van jeugdhulp door
zichtbare en onzichtbare drempels. De besparing van jeugdhulptrajecten die er plaats vindt
door het effect van de interventie is alleen te behalen bij de groep jeugdigen met een
angststoornis die met een hulpvraag in de jeugdhulp terecht waren gekomen.
Er is weinig bekend over de grootte van deze groepen. Immers, deze groepen zijn juist niét in
beeld. In onderzoek wordt vaak gekeken naar de Control Event Rate, wat het aantal cliënten
is dat herstelt zonder behandeling. Voor angststoornissen bij jeugdigen hebben we hieronder
enkele bevindingen benoemd.
— Primaire angststoornis, controlegroep (wachtlijst) 28 kinderen, spontaan herstel na 8
weken: 6 %'®
— Primaire of sociale of gegeneraliseerde angststoornis, controlegroep (wachtlijst) 28
” Factsheet Cognitieve gedragstherapie voor kinderen met een angststoornis, VCGt,
7 Therapy for youths with anxiety disorders: a second randomized clinical trial, Kendall P‚,
Flannery-Schroeder E‚ Panichelli-Mindel S, et al, 1997, J Consult Clin Psychol 65, p. 366-
380.
GV572 118
Andersson Elffers Felix
kinderen, spontaan herstel na 12 weken, 14 %77
— Angststoornis, controlegroep (wachtlijst) 35 adolescenten, spontaan herstel na 14 weken,
16 %’*
Het gebruiken van een wachtlijst om spontaan herstel te meten is niet geheel gelijk aan geen
behandeling, omdat er een verwachting van behandeling ontstaat. Als gevolg hier van valt het
spontaan herstel zonder wachtlijst waarschijnlijk gelijk of hoger uit.” Daarnaast hebben
bovenstaande drie onderzoeken maar een follow-up van maximaal 14 weken. Mogelijk treedt
er na deze 14 weken nog spontaan herstel op.
Over de groep die niet in jeugdhulp belandt vanwege zichtbare en onzichtbare drempels is
qua omvang minder bekend, maar gezien de prevalentie van angststoornissen en het totale
percentage jeugdhulpgebruik in Nederland (12%) is deze groep aanzienlijk.
Onderstaand schetsen we een analyse zonder bovenstaande kanttekeningen. Dat is dus over
het algemeen een zeer optimistische interpretatie van de werkelijkheid.
Categorisering in doelgroepen
De interventies geïncludeerd in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi hebben
effect op verschillende en deels overlappende doelgroepen. Veelal hebben de interventies
voor een deel dezelfde structuurelementen. Om deze reden hebben we gekozen om per
doelgroep een grove indeling te maken naar type (jeugdhulp)problemen, in lichtere en
ernstigere mate.” Per doelgroep hebben we de bewezen effectieve interventies voor
preventie en/of vroegsignalering ingedeeld. De categorieën zijn:
— externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD
— angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen
— onzekerheid, problemen op gebied van sociale vaardigheden en weerbaarheid
— verslavingsproblematiek
— opvoedvaardigheden
— universele preventie, gericht op alle jeugdigen
Deze categorieën zijn niet limitatief (ze bevatten overlap en niet alle psychische problemen
worden door deze categorieën gedekt), maar hadden minimaal twee bewezen effectieve
interventies om te onderzoeken.
Vervolgens hebben we de analyse van de effectiviteit van studies en kosteneffectiviteit van de
interventies uitgevoerd voor twee van deze doelgroepen:
1. Externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD.
2. Angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen.
TT Cognitive-behavioral therapy for youth anxiety: An effectiveness evaluation in
community practice, Villabg M, Narayanan M,‚ Compton S, Kendall P, Neumer S., 2018, J
Consult Clin Psychol ;86(9), p. 751-764.
78 A randomized controlled trial examining the efficacy of an internet-based cognitive
behavioral therapy program for adolescents with anxiety disorders, Stjerneklar S,
Hougaard E‚ McLellan L, Thastum M., 2019, PLoS One.14(9):e0222485.
7 The use of waitlists as control conditions in anxiety disorders research, Patterson B,
Boyle M, Kivlenieks M & Van Ameringen M., 2016, J. Psychiatr. Res. 83, p. 112-120.
50 Gebaseerd op de indeling van de interventiematrix van het NJi en de consortia van het
ZonMW programma Effectief werken in de jeugdsector. Dit is andere indeling dan in het
analysekader, omdat dit qua structuur beter aansluit bij de effectieve interventies.
GV572 119
Andersson Elffers Felix
We hebben voor deze twee doelgroepen gekozen, omdat voor jeugdigen die vallen onder (1)
de meeste bewezen effectieve interventies met effectgrootte (in Cohen’s d) voor beschikbaar
zijn in de databank van het NJi en de interventies voor jeugdigen die vallen onder (2) relatief
effectief zijn, Bovendien zijn het beide doelgroepen die relatief vaak voorkomen in jeugdzorg.
Uiteraard hebben we in onze analyse gecontroleerd of de resultaten voor deze doelgroepen
op grote lijnen overeenkomen met de andere doelgroepen. Hieruit blijkt dat de gemiddelde
effectgroottes en interventiekosten voor andere groepen in lijn zijn met de resultaten van de
doelgroep externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD.
Voor deze doelgroepen hebben we verder onderzocht hoe de structurele kosten en baten van
de effectieve interventies tegen elkaar opwegen. Dit wordt hieronder verder beschreven. We
maken hierin geen onderscheid tussen preventie en vroegsignalering, aangezien er diverse
interventies zijn die zich op beide richten en het onderscheid vaak niet duidelijk te maken
bleek. Voor de analyse van de effectiviteit van de interventies is het onderscheid niet relevant.
Daarnaast verschillen de gerapporteerde effectgroottes tussen preventie en vroegsignalering
over het algemeen weinig tot niet, uitzonderingen daargelaten.
Berekenen van gemiddelde effectgrootte per interventie
Wat is de effectiviteit van interventies gericht op preventie en vroegsignalering van
externaliserende gedragsproblemen bij jeugdigen?
Om tot het effect van de interventies op jeugdhulpgebruik te komen, hebben we gekeken
naar de gerapporteerde effectgroottes per interventie. Voor de doelgroep ‘jeugdigen met
externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD’, geeft dit de volgende lijst van bewezen
effectieve interventies en hun effectiviteit (range en gemiddelde).
Naam Interventie LE Max Gemiddelde
Cohen’sd Cohen’sd Cohen'sd
Dappere Dino’s 0,21 1,03 0,53
Betere Start 0,3 0,9 0,60
Incredible Years ® -0,83 1,24 0,26
Behavioral Parent Training Groningen groep (BPTG-G)®* 0,18 0,93 0,53
Ik kies voor zelfcontrole - - 0,31
Alles Kidzzz 0, 0,43 0,32
Agression Replacement Training (ART) 0,13 1,06 0,60
Minder boos en opstandig (MBO) % > 0,61 >1,07 > 0,84
Multisysteem Therapie (MST) >-0,12 >0,55 > 0,23
Gemiddelde van de interventies incl. MBO & MST Nvt Nvt 0,47
Gemiddelde van de interventies excl. MBO & MST Nvt Nvt 0,45
1 Gebaseerd op de gemiddelde effectgrootte gemeten op gedragsproblemen uit Menting A,
Orobio de Castro B, & Matthys W. 2013. Effectiveness of the Incredible Years parent training
to modify disruptive and prosocial child behavior: A meta-analytic review, Clinical
Psychology Review, 33, 901-913.
82 De gegeven Cohen’s d's zijn het extra effect wat wordt gezien als deze interventie wordt
aangeboden bovenop reguliere zorg.
8 De gegeven Cohen's d’s zijn in vergelijking met andere interventies. De gegeven waarden
kunnen daarom gezien worden als een ondergrens.
GV572 120
Andersson Elffers Felix
Zoals te zien, variëren de gerapporteerde effectgroottes van de beschreven effecten van de
interventies tussen de -0,83 en 1,24, en de gemiddelde effectiviteit van deze interventies
tussen de 0,25 en de 0,84.5* De onderste twee interventies Minder boos en opstandig en
Multisysteemtherapie worden ter vervanging van andere behandelingen aangeboden in de
praktijk en pas als er sprake zijn van ernstige problemen. De gegevens die in de Databank
effectieve jeugdinterventies van het NJI beschikbaar zijn van deze interventies, betreffen de
effectiviteit in vergelijking met reguliere jeugdhulp. Om deze reden nemen we het gemiddelde
van de interventies zonder deze twee jeugdhulpinterventies als voorbeeld verder in deze
analyse.
Wat is de effectiviteit van interventies gericht op preventie en vroegsignalering van
angststoornissen bij jeugdigen?
Voor de doelgroep ‘jeugdigen met angst, depressie, stemmingsproblemen en andere
internaliserende gedragsproblemen’, geeft dit de volgende twee bewezen effectieve
interventies en hun effectiviteit (range en gemiddelde). We hebben alleen relevante effecten
met een redelijk directe relatie met jeugdhulpgebruik meegenomen in het bereken van de
gemiddelde effectgrootte, en effecten op bijvoorbeeld kwaliteit van leven achterwege
gelaten.
Naam Interventie LE Max Gemiddelde
Cohen’sd Cohen’sd Cohen'sd
VRIENDEN 0,32 0,81 0,57
Denken + Durven = Doen” 0,73 1,39 0,97
Gemiddelde van de interventies Nvt Nvt 0,77
Zoals te zien, variëren de gerapporteerde effectgroottes van de beschreven effecten van de
interventies tussen de 0,32 en 1,39, en de gemiddelde effectiviteit van deze interventies
tussen de 0,57 en de 0,97.
Wat zegt die effectgrootte? Vertaling van effectgrootte naar Number Needed to Treat
Om een eerste indicatie te krijgen van het mogelijke volume aan jeugdhulp dat voorkomen
zou kunnen worden, is het vooral van belang om te weten bij hoeveel jeugdigen een
interventie tot een effect leidt. Daarvoor kijken we naar de Number Needed to Treat (NNT).
Dit is het aantal mensen dat de interventie moet ontvangen om bij één iemand het gewenste
effect te bereiken. De NNT wordt in de medische wereld veel gebruikt.
De NNT wordt bepaald door de combinatie van de effectgrootte (de eerder genoemde
Cohen's d), met de Control Event Rate (CER): een maat voor hoeveel jeugdigen zonder
interventie ook vanzelf hersteld zouden zijn. Onderstaand kader legt uit hoe de NNT
samenhangt met de Cohen's den de CER.
8 Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een bewezen effectieve behandelmethode voor
angststoornissen. Twee meta-analyses laten een gemiddelde effectgrootte zien van CGT bij
jeugdigen met een angststoornissen van 0.86 (In-Albon T, Schneider. 2007. Psychotherapy
of childhood anxiety disorders: A meta-analysis) en 0.68 (Ishikawa S, Okajima |, Matsuoka H
en Sakano Y. 2007. Cognitive behavioral therapy for anxiety disorders in children and
adolescents: A meta-analysis).
85 Denken + Durven = Doen is ook voor kinderen met ASS een effectieve interventie voor het
behandelen van angststoornissen en heeft een vergelijkbare effectgrootte.
GV572 121
Andersson Elffers Felix
Bij de berekening van Cohen's d wordt de interventiegroep vergeleken met een Randomized
Controle Group (RCT). Op basis hiervan wordt de Control Event Rate (CER) bepaald. De CER
geeft aan hoe vaak het effect van de interventie (bijvoorbeeld verbetering/herstel) in deze
controle groep plaatsvindt. Dus eigenlijk: hoeveel jeugdigen verbeteren/herstellen er uit
zichzelf?
De Number Needed to Treat hangt af van de CER. De CER wordt bepaald door de specifieke
doelgroep, het type controlegroep en het specifieke ‘event’ dat gemeten wordt. Voor de
interventies in de NJi databank is de CER meestal niet benoemd. Onderstaande grafiek laat zien
wat de NNT is bij een Cohen’s d van 0,1-0,9 voor alle mogelijke CER waarden.
1
60
5
Vv
E= 50
e
E 40
ke)
®
zZz 30 L____
3
EO mmm
=
Z
0 ee
0,1 0,2 0,3 0,4 0,5 0,6 0,7 0,8 0,9
CER
mmm (), | 0,2 mmm (),4 _—_—(),5 mm ),7 mmm (),3
Figuur 40 Number needed to treat (y-as) voor verschillende Cohen's d (legenda) en CER (x-as)
waarden.
De bewezen effectieve interventies voor externaliserende gedragsproblemen hebben
doorgaans een effectgrootte van 0,3 tot 0,6, maar zelfs als we een uiterste waarde van 1 nemen
en daarbij kijken naar de mogelijke waarden van de CER, komen we tot de conclusie dat de NNT
in het meest gunstige geval 2,9 is (met een CER van 0,4 en een Cohen’s d van 1), en in het meest
ongunstige geval 23% (met een CER van 0,9 en een Cohen’s d van 0,3).
Wanneer we uitgaan van een wat meer realistische inschatting voor preventieve interventies
van de Cohen’s den CER - een Cohen’s d van 0,45 en een CER tussen de 0,1 en 0,3 - komen we
uit op een NNT tussen de 6 en de 10.
Aangezien de gemiddelde effectgroottes en interventiekosten voor andere groepen in lijn zijn
met de resultaten van de doelgroep externaliserende gedragsproblemen en/of ADHD,
gebruiken we deze doelgroep hierboven als illustratie,
8 Er zit hier een groot verschil tussen het meest gunstige en het minst gunstige scenario.
Dat komt omdat we in het minst gunstige scenario rekenen met zowel een hele lage
effectgrootte als de CER die het minst gunstige resultaat geeft, en voor het meest gunstige
voor beide waarden de meest gunstige maat nemen.
GV572 122
Andersson Elffers Felix
Voor angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen
komen we op basis van de twee bewezen effectieve interventies voor deze doelgroep op een
maximale range van de NNT van 2,5 tot 14. Waarbij de gemiddelde Cohen’s d van 0,77 met een
CER tussen de 0,1 -0,3 een NNT geeft tussen de 3 en de 5. Zoals eerder al genoemd zijn de
interventies voor deze doelgroep relatief effectief, deze NNT’s kunnen dus als bovenrange
gezien worden. Tegelijkertijd zijn dit, zoals eerder geïllustreerd, ook bij uitstek problemen
waarvoor veel kinderen en jongeren nooit in jeugdhulp terechtkomen.
De preventieve interventies voor de doelgroep externaliserende gedragsproblemen en/of
ADHD (excl. MBO en MST) liggen meer in lijn liggen met de gemiddelde effectiviteit van de
interventies in de Databank bewezen effectieve interventies van het NJi, Een gemiddelde
Number Needed to Treat ligt dus meer tussen de 6-10, Concreet betekent dit dat de bewezen
effectieve interventies in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi gemiddeld op
6-10 jeugdigen moeten worden ingezet om bij één jeugdige het gewenste effect te hebben.
Wat betekent dit voor kosten?
Van Number Needed to Treat naar effect op de kosten
Naast de gemiddelde effectgrootte van bewezen effectieve interventies, hebben we ook
gekeken naar de gemiddelde kosten van de interventie per jeugdige. Onderstaande tabel
toont de resultaten hiervan voor de eerdergenoemde interventies gericht op externaliserende
gedragsproblemen.
Dappere Dino’s € 600,-
Betere Start € 5.000,-
Incredible Years €1.887,50
Behavioral Parent Training Groningen groep (BPTG-G) €1.093,-
Ik kies voor zelfcontrole € 936,-
Alles Kidzzz €1.750,-
Agression Replacement Training (ART) € 3.200,-
Minder boos en opstandig (MBO) € 667,-
Multisysteem Therapie (MST) € 15.534,-
Gemiddelde van de interventies incl. MBO & MST°7 € 3.319,-
Gemiddelde van de interventies excl. MBO & MST € 1.952,-
Op basis van deze gegevens, en uitgaande van een gemiddelde NNT van 8 kan met een
simpele berekening geconcludeerd worden dat een gemiddelde effectieve interventie netto
alleen kosten bespaart als er een jeugdhulptraject van minstens € 16,000,- mee voorkomen
wordt® (zie onderstaand blauwe kader voor verdere uitleg).
87 Zoals eerder benoemd worden de onderste twee aangeboden ter vervanging van andere
behandelingen. Dit betekent dat deze interventies minder preventief worden ingezet. We
nemen ze daarom in de verdere berekening niet mee in de gemiddelde kosten voor
preventieve interventies,
®® Ter ondersteuning van het rekenvoorbeeld hebben we gekozen voor simpele getallen: bij
gedragsproblemen een NNT van 8 en een prijs per interventie van €2.000—…. Correcter zou
zijn om te rekenen met een NNT range van 6-10 en een gemiddelde prijs van €1.952,-.
Hiervan zou de uitkomst een range zijn voor gedragsproblemen van € 11.712,- tot €19.520,-.
GV572 123
Andersson Elffers Felix
VRIENDEN € 900,-
Denken + Durven = Doen” €2.751,-
Gemiddelde van de interventies € 1.825,50
De tabel hierboven toont de gemiddelde interventiekosten per jeugdigen voor de doelgroep
angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen. In
deze categorie zijn de gemiddelde kosten van de interventie ongeveer € 2,000,- en is er een
NNT van ongeveer 3-5. Dit betekent dat gemiddelde effectieve interventie voor angst,
depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen netto alleen
kosten bespaart als er een jeugdhulptraject van minstens € 8.000,- mee voorkomen wordt®®
(zie onderstaand blauwe kader voor uitleg).
Belangrijk om te benoemen is dat bij angststoornissen, waar deze twee interventies zich op
richten, trajecten relatief vaker enkelvoudig zijn, mogelijk vaker spontaan herstel kennen en
doorgaans niet leiden tot gebruik van jeugdhulp met verblijf, Het is daarmee de vraag of
ondanks de hogere effectiviteit van deze trajecten, de interventies kosteneffectief zijn binnen
de Jeugdwet, omdat de bespaarde trajectkosten vermoedelijk lager liggen dan € 8.000 ,-.
Onderstaand lichten we deze berekening als voorbeeld nader toe.
Berekening: wanneer bespaart een interventie kosten?
Voor een interventie kunnen we over het algemeen uitgaan van:
— Kosten per jeugdige van ongeveer €2,000,-
— Een NNT van 8, oftewel 8 jeugdigen moeten de interventie krijgen om op 1 jeugdige
effect te hebben
De totale kosten van de hoeveelheid interventies die nodig zijn om het gedrag van één
jeugdige te verbeteren zijn dus 8*€ 2.000,- = € 16.000,-
Het is nog een grote stap van ‘verbetering van gedrag’ naar ‘voorkomen van een
jeugdhulptraject: het gedrag is bijvoorbeeld gemeten direct na het traject, terwijl
gedragsverandering notoir lastig vast te houden is. Daarnaast zegt een verbetering nog niet
of een verbetering groot genoeg is om geen jeugdhulp meer nodig te hebben. Het is ook
denkbaar dat er alsnog jeugdhulp nodig is, maar een lichter traject. In de praktijk zullen
prijzen van voorkomen jeugdhulptrajecten dus nog hoger moeten zijn dan € 16.000 om met
effectieve interventies de jeugdhulpkosten omlaag te brengen.
Bij brede inzet op preventie is dus een investering van gemiddeld € 16.000,- benodigd om te
leiden tot afname van klachten/verbetering van gedrag bij één jeugdige. Dit bespaart dus
alleen kosten in de Jeugdwet als een gemiddeld voorkomen (deel van een) jeugdhulptraject
meer dan € 16.000,- kost en iedere gedragsverbetering/klachtenafname leidt tot het
voorkómen van een jeugdhulptraject.
59 De kosten voor Denken + Durven = Doen liggen bij jeugdigen met ASS hoger, rond de €
7.638,- per jeugdige.
° Ter ondersteuning van het rekenvoorbeeld hebben we gekozen voor simpele getallen: bij
angstproblemen een NNT van 4 en een prijs per interventie van € 2.000,-. Correcter zou zijn
om te rekenen met een NNT range van 3-5 en een gemiddelde prijs van € 1.825,50. Hiervan
zou de uitkomst een range zijn voor angstproblemen van € 5.476,50 tot € 9.127,50.
GV572 124
Andersson Elffers Felix
Het probleem van de selectie
Er zijn dus interventies met een relatief hoge effectiviteit, die voor de desbetreffende
doelgroep waar de interventie op gericht is, kosteneffectief zijn binnen de Jeugdwet. Dit zijn
echter specifieke interventies, en bij een deel hiervan bestaat het risico dat er een latente
vraag aangeboord wordt, waardoor er wel kinderen en jongeren geholpen worden, maar geen
jeugdhulptrajecten worden voorkomen.
De reden dat de kosten van preventie (of preventieve interventies naar aanleiding van
vroegsignalering) zo hoog oplopen, is een selectieprobleem: op voorhand is niet duidelijk bij
welke jeugdigen problematiek vanzelf over gaat en bij welke niet. In de onderzoeken van
effectieve interventies is dit meegenomen: bij iedere interventie is beschreven voor welke
jeugdigen hij geschikt is, en wat de contra-indicaties zijn. De NNT is dus gebaseerd op de
ideale situatie dat alle kinderen die de interventie krijgen aan de selectiecriteria voldoen: we
weten eenvoudigweg niet hoe de selectie beter kan dan dit.
Kosteneffectiviteit binnen de Jeugdwet is gemakkelijker te bereiken wanneer het zwaardere
jeugdhulptrajecten zijn die voorkómen worden . Het overgrote deel van de jeugdhulp is
ambulant (90,4% o.b.v. 2019) en daarmee relatief lager qua kosten. In de praktijk is het
moeilijk om al vroeg te herkennen welke jeugdigen uiteindelijk zwaardere jeugdhulp nodig
hebben. Dit lukt beter naarmate jeugdigen ernstigere problematiek hebben en er niet zozeer
sprake is van preventie, maar hooguit van vroegsignalering. Het verschil tussen de kosten van
de geboden interventie en anders geboden jeugdhulp is dan echter doorgaans ook kleiner,
Concluderend, hoe ernstiger de problemen en des te zwaarder de benodigde jeugdhulp, hoe
meer kans dat de problematiek niet vanzelf overgaat, maar het verschil tussen de geboden
interventie en de gemiddelde kosten van de reguliere jeugdhulptrajecten is in dat geval vaak
ook kleiner. Er zijn dus voorbeelden waarbij preventie en vroegsignalering kostenbesparend
werken, maar dat is alleen het geval als het mogelijk is om kinderen en jongeren te selecteren
die zonder de interventie met een grote kans in jeugdhulp terechtgekomen waren, en de
interventie een relatief hoge effectiviteit heeft.
Dat betekent uiteraard niet dat effectieve interventies niet zinvol zijn, puur dat ze veelal niet
leiden tot een besparing binnen de Jeugdwet. Als gekozen wordt tussen een effectieve
interventie en een niet-effectieve interventie, zal de eerste vanzelfsprekend betere resultaten
opleveren. Hoewel effectieve interventies als preventief instrument in veel gevallen de kosten
verhogen, kunnen ze wel een besparing opleveren als ze fungeren als substitutie voor een
minder effectief jeugdhulptraject.
Goede preventie en vroegsignalering gaat ook gepaard met structurele kosten voor de
sterke basis
De precieze structurele kosten zijn afhankelijk van de gekozen aanpak voor de transformatie.
Deze aanpak is niet vastgesteld in de Jeugdwet en valt onder beleidsvrijheid van gemeenten.
Conform wat er nodig is voor het mogelijk maken van een sterke basis, zitten er structurele
kosten verbonden op zowel gemeentelijk als landelijk niveau aan
— het faciliteren van algemene informatiekanalen voor burgers;
— het stimuleren van samenwerking tussen onderwijs, VVE/kinderopvang, JGZ, lokale
teams en gemeenten;
— het faciliteren van goede monitoring;
— onderzoek doen naar oorzakelijke factoren van jeugdhulpgebruik en
— effectiviteitsonderzoek van interventies.
GV572 125
Andersson Elffers Felix
Dit hebben we in dit onderzoek niet verder doorgerekend, maar komt nog bovenop de kosten
van de interventies zelf,
Conclusie
De breed gedeelde verwachting was dat inzet op preventie en vroegsignalering op termijn zal
zorgen voor een kleiner jeugdhulpvolume en daarmee tot een structurele besparing binnen
de Jeugdwet. Ook was het uitgangspunt dat deze besparing groter is dan de extra kosten
waarmee preventie en vroegsignalering gepaard gaan. Op basis van een analyse van bewezen
effectieve interventies blijkt dat dit in de praktijk onhaalbaar is als wordt gekeken naar de
kosten en financiële baten binnen de Jeugdwet.
Dit komt omdat interventies maar voor een klein deel van de jeugdigen die de interventie
ontvangen, leiden tot het voorkómen van een jeugdhulptraject. Hieruit volgt dat de meeste
interventies alleen kosteneffectief zijn, als de prijs van de interventie naar verhouding veel
lager is dan de kosten van het voorkómen jeugdhulptraject, en er voor een relatief groot
gedeelte van de jeugdigen een jeugdhulptraject voorkomen wordt. Vanzelfsprekend zijn er
specifieke interventies (voor specifieke doelgroepen) waarvoor dit het geval is, maar deze zijn
meer uitzondering dan regel. Over het algemeen hebben preventie en vroegsignalering eerder
een kostenopdrijvend effect binnen de Jeugdwet, omdat een latente vraag wordt aangeboord
en omdat er relatief veel jeugdigen behandeld moeten worden om er bij één tot een effect te
leiden.
Dit betekent niet dat preventie en vroegsignalering niet werken of niet waardevol zijn, puur
omdat ze binnen de Jeugdwet niet direct tot een kostenbesparing leiden. Ze hebben een
positief effect op het welzijn en de ontplooiingsmogelijkheden van jeugdigen. Ook is hiermee
niet gezegd dat de interventies financieel niets opleveren. Als er wordt gekeken naar langere
termijneffecten van deze interventies in de andere wettelijke kaders, kunnen de interventies
vermoedelijk wel tot een besparing leiden. Deze financiële baten vallen echter grotendeels
niet bij gemeenten.
De transitieduur en kosten
De transformatie vraagt van gemeenten onder andere het ontwikkelen van nieuw effectief
jeugdbeleid, een nieuwe werkwijze, nieuwe samenwerkingen en een nieuwe infrastructuur.
Gemeenten hebben in de transformatie met trial en error geprobeerd om hun beleid zo goed
mogelijk in te richten. Hiervoor hebben gemeenten meerdere cycli nodig in een lerend proces
(zie ook het stuk over de PDCA-cycli in het analysekader boeggolf).
Vooraf
Een kanttekening bij deze analyse van de transitieduur is dat het oorspronkelijk beoogde doel
van het in beeld brengen van de transitieduur was, om te kijken wanneer verwacht kan
worden dat het gemeenten lukt om hun beleid in de Jeugdwet middels preventie en
vroegsignalering kosteneffectief in te richten. Het blijkt niet mogelijk om binnen de Jeugdwet
met preventie en vroegsignalering een kostenbesparing te bewerkstelligen. Tegelijkertijd
willen we wel een voorzichtige inschatting doen van de tijd die gemeenten nodig hebben om
een transitie als deze adequaat in te richten zodat het opgezette beleid leidt tot de gewenste
effecten.
GV572 126
Andersson Elffers Felix
We hebben in interviews met experts, gemeenten en aanbieders, en in een enquête onder
gemeenten, onderzocht hoe lang het gemeenten gemiddeld kost om tot effectief jeugdbeleid
te komen. Daarnaast hebben we de transitiekosten bepaald op basis van het onderzoek
Zorgkeuzes in Kaart. Beide analyses beschrijven we hieronder, te beginnen met de
transitieduur,
Uitkomsten transitieduur
De meeste gemeenten hebben er al één of meer grote beleidsveranderingen opzitten, en
het overgrote deel verwacht nog grote beleidsveranderingen te maken.
Om te komen tot effectief beleid maken gemeenten grote en kleinere aanpassingen in hun
beleid. Gemeenten doorlopen hiervoor doorgaans een lerende cyclus, waarbij ze een
aanpassing vormgeven, uitvoeren, de effectiviteit ervan monitoren en vervolgens evalueren
of het beleid tot het gewenste effect geleid heeft (de Plan-Do-Act-Check-cyclus). Doorgaans
implementeren gemeenten een grote beleidsverandering (bijv. het implementeren van een
nieuw bekostigingsmodel, of een volledig andere inrichting van de gemeentelijke toegang tot
de jeugdhulp), en maken hier vervolgens kleine/middelgrote aanpassingen (bijv. het
toevoegen van expertise aan de lokale teams, extra functies toebedelen aan de lokale teams,
het ontwikkelen van een nieuwe preventieve voorziening, kleine wijzigingen in de
aanbestedingsprocedure, verplaatsen inkoop van bepaalde zorgvormen van de gemeente
naar de regio). Wanneer het ook met de aanpassingen niet mogelijk blijkt om de gewenste
beleidsdoelstellingen te bereiken, komt een gemeente tot het besluit om weer een grote
beleidsverandering vorm te geven.
In de landelijke enquête hebben we gemeenten gevraagd aan te geven of ze sinds 2015 een
grote beleidsverandering hebben doorgevoerd, én of ze voor de komende jaren nog grote
beleidsveranderingen op de planning hebben staan. Zo’n 60% van de gemeenten 145 die deze
vraag beantwoord hebben gaf aan sinds 2015 één of meer grote beleidsverandering(en) te
hebben doorgevoerd. Hierbij gaven ze aan gemiddeld 3 tot 4 (gemiddeld 3,8) aanpassingen te
doen. Zo’n 80% vulde in de komende 5 jaar nog een aanpassing op de planning te hebben
staan. Hiervoor gaven ze als redenen dat het huidige beleid onvoldoende tot de gewenste
effecten van de transformatie leidt (namelijk: een beweging naar meer jeugdigen in lichte en
minder jeugdigen in zware zorg) en/of dat het huidige beleid tot ongewenste effecten leidt,
zoals geen grip op aanbieders of kosten. Het beeld dat de transitie nog niet leidt tot het beter
bereiken van kwetsbare doelgroepen, wordt in landelijke cijfers bevestigd door het feit dat
achterstandsgroepen niet meer gebruik maken van jeugdhulp (zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling
van kosten, budget en volume), terwijl dat wel een van de beleidsdoelstellingen was.
Naast de landelijke enquête hebben we gemeenten in de diepteonderzoeken gevraagd
hoeveel grote beleidsveranderingen gemeenten waarschijnlijk nodig hebben om de
transformatie goed vorm te geven. Hun antwoorden wisselden tussen de 1 en de 3 (inclusief
geplande grote beleidsveranderingen).
Het kost zo’n 5-9 jaar voordat duidelijk is of een grote beleidsverandering het gewenste
effect heeft.
Uit de uitkomsten van de enquête blijkt dat gemeenten gemiddeld 3,5 jaar nodig hebben voor
het plannen, ontwikkelen en in uitvoering brengen van een grote beleidsverandering 3,5 jaar
(de Plan en Do). Gemeenten zien meestal de eerste effecten van hun beleid na ongeveer 1,7
jaar (de Check), alhoewel dit ook sterk afhangt van de beleidsverandering. In de praktijk
betekent dit dat een PDCA-cyclus voor een grote verandering minimaal zo’n 5 jaar duurt.
GV572 127
Andersson Elffers Felix
Voor de kleinere beleidswijzigingen duur het plannen, ontwikkelen en in uitvoering brengen
korter, namelijk doorgaans 1,25 jaar. Ervan uitgaande dat deze aanpassingen nodig zijn om
het gewenste effect te bereiken zou een grote beleidswijziging met 3 aanpassingen wel zo’n 9
jaar kunnen duren. In de praktijk worden echter aanpassingen (en zelfs aanpassingen en
grote beleidsveranderingen) vaak ook parallel aan elkaar gemaakt (zie ook figuur 34 in het
analysekader). Realistischer is daarom om te zeggen dat het 5-9 jaar kan duren tot duidelijk is
of een doorgevoerde grote beleidsverandering de gewenste effecten behaalt, afhankelijk van
de specifieke situatie.
De transitieduur wordt op basis van deze informatie geschat op minimaal 7 tot 14 jaar.
In de enquête gaf 60% van de gemeenten aan de afgelopen 5 jaar een grote
beleidsverandering te hebben doorgemaakt. Bovendien gaf 80% van de gemeenten aan de
komende jaren nog een grote verandering te verwachten. Dit betekent dat gemeenten
minimaal 1-2 grote beleidsveranderingen nodig hebben om tot adequaat jeugdbeleid te
komen (mogelijk meer, dat is op dit moment in de transformatie nog niet te voorzien).
Als we ervan uitgaan dat een gemeente gemiddeld 1,5 grote beleidsverandering nodig heeft,
en dat het voor een grote beleidsverandering 5-9 jaar duurt voordat duidelijk is of de
gewenste effecten behaald worden, dan kost het gemeenten 7,5-13,5 jaar om tot adequaat
beleid te komen. Mogelijk is deze range een onderschatting, aangezien we op dit moment in
de transformatie niet goed kunnen inschatten hoeveel cycli gemeenten nodig gaan hebben
om de transformatie goed vorm te geven. Tegelijkertijd is het ook mogelijk dat gemeenten
van elkaar leren, waardoor de transitie in de toekomst sneller gaat. Daarom lijkt het midden
van de bandbreedte (10,5 jaar) op dit moment de meest realistische inschatting. Aangezien
gemeenten al voor 2015 zijn begonnen met de transitie en het formuleren van beleid, rekenen
we met 10 jaar vanaf 2015.
Uitkomsten transitiekosten
De transitiekosten voor de decentralisatie bedragen 1,5% van het totale jaarlijkse
budget
Aan iedere transitie zijn kosten verbonden. Bij deze decentralisatie zijn dat bijvoorbeeld het
ontwikkelen van nieuw beleid, infrastructuur, productiviteitsverlies etc, De hogere
uitvoeringskosten worden ingeschat aan de hand van een vastgesteld kengetal voor
transitiekosten voor de volledige periode van de transitie,
Het CPB heeft in 2015 en 2020 een inschatting gemaakt van de budgettaire effecten van
verschillende transities in de zorg en Wmo. Deze macrobenadering komt met een kengetal
van 1,5 % voor de jaren die de transitie duurt, wat afhankelijk is van de omvang van de
transformatie. We hebben het onderzoek Zorgkeuzes in Kaart geanalyseerd om het vaste
percentage voor transitiekosten te duiden in relatie tot de transitie in het jeugdstelsel. Op
basis daarvan is geconcludeerd dat dit percentage ook gebruikt kan worden als inschatting
voor de transitiekosten van de Jeugdwet. In dit onderzoek houden we daarom rekening met
transitiekosten van 1,5% van 3.757 miljoen euro (het budget in 2015) dus 56 miljoen euro per
jaar, gebaseerd op een transitieduur van tien jaar, gerekend vanaf de decentralisatie.
Geleden verliezen van aanbieders vallen buiten dit percentage. De winsten/verliezen van
aanbieders zijn ook buiten de scope van dit onderzoek, omdat het effect van deze
winsten/verliezen op de kosten van gemeenten maar beperkt is en daarmee zeer slecht in
beeld te brengen is, De veranderingen op het gebied van huisvestiging door de
ambulantisering spelen een grotere rol bij deze transitie dan bij de transities die in het
GV572 128
.
Andersson Elffers Felix
onderzoek Zorgkeuzes in Kaart zijn geanalyseerd, en waar de 1,5 % op gebaseerd is,
Tegelijkertijd is hiervan nog niet duidelijk hoe dit zich gaat ontwikkelen en hangen de
financiële consequenties onder andere samen met de ontwikkelingen in de vastgoedmarkt.
GV572 129
Andersson Elffers Felix
E Resultaten per maatregel
Deze bijlage bevat de kwantitatieve en kwalitatieve uitkomsten van de maatregelen uit
het onderzoek
In deze bijlage worden per maatregel de volgende elementen besproken:
— Beschrijving van de maatregel. Per maatregel zal er allereerst een beknopte
beschrijving van de maatregel worden toegevoegd.
— Beleidstheorie van de maatregel. Op basis van effectenarena’s en literatuuronderzoek
blijkt dat een maatregel vaak op verschillende manieren invloed kan hebben op de
kosten onder de Jeugdwet. Onder dit kopje worden deze verschillende manieren waarop
een maatregel mogelijk kostenverlagend werkt kort beschreven. Dit noemen we de
beleidstheorie per maatregel. Dit wordt schematisch weergegeven in de bijgevoegde
doelenboom.
— Verwachte omvang van de besparing. Per effect is opgenomen hoe het effect berekend
wordt, en op basis van welke bronnen we tot een inschatting komen voor kengetallen en
een bandbreedte hierin, Op basis van de genoemde inschattingen en de kengetallen is de
berekening per effect gemaakt. Enkele noties voorafgaand aan de berekeningen delen we
in de paragraaf hieronder.
— Kwalitatieve effecten. In het diepteonderzoek, de werksessies en effectenarena’s die er
in de afgelopen maanden zijn georganiseerd, zijn kwalitatieve effecten van maatregelen
opgehaald. Ook is op basis van literatuur verder in beeld gebracht wat kwalitatieve
effecten van bepaalde maatregelen zijn. We vatten hier samen wat de kwalitatieve
effecten zijn per maatregel. Het wisselt of deze kwalitatieve effecten al werkelijk in de
praktijk voorkomen, of verwacht worden. We hebben niet getoetst of alle kwalitatieve
effecten ook overal daadwerkelijk voorkomen.
— Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel. Om de beoogde financiële
resultaten te behalen, moet er vaak aan een aantal randvoorwaarden voldaan worden.
Na het bespreken van de kwalitatieve effecten zal er een overzicht worden gegeven van
deze randvoorwaarden. Bij het analyseren van de effecten van de betreffende maatregel
is ervan uitgegaan dat aan deze randvoorwaarden voldaan is. Als aan deze
randvoorwaarden niet voldaan wordt, zullen de omschreven effecten zich mogelijk niet of
niet volledig voordoen.
— Risico’s van de maatregel. Als laatste zal er een overzicht van de risico’s van de
maatregel worden gepresenteerd. Het kan hier gaan om financiële risico’s, maar ook
andere significante risico’s, bijvoorbeeld op het gebied van doeltreffendheid of kwaliteit
van de jeugdhulp, zullen worden benoemd.
Enkele noties vooraf over de kwantificering van de effecten van de maatregelen
Om te komen tot de verwachte omvang van de besparing per maatregel zijn de resultaten van
het diepteonderzoek en de enquête onder aanbieders en gemeenten gecombineerd met
andere bronnen om tot een inschatting van de verschillende effecten te komen. Ook is op
basis hiervan de onzekerheid op deze uitkomsten bepaald.
GV572 130
Andersson Elffers Felix
In deze bijlage is per effect opgenomen hoe het effect berekend wordt, en op basis van welke
bronnen we tot een inschatting komen voor kengetallen en een bandbreedte hierin. Op basis
van de genoemde inschattingen en de kengetallen is de berekening per effect gemaakt. Uit
het oogpunt van leesbaarheid hebben we de berekeningen niet expliciet opgenomen.
Voorbeeld
Op basis van het onderzoek schatten we in dat een effect betekent dat voor 40% van de
jeugdigen die anders een jeugdhulptraject zouden hebben gekregen, dit traject niet meer
nodig is. Dit traject had anders naar verwachting 2.000 euro gekost. We weten dat er in 2019
442.942 jeugdigen in jeugdhulp zaten. We berekenen het effect door 40% van 442.942 te
nemen, en dat te vermenigvuldigen met 2.000 euro.
In de tekst lichten we toe hoe we tot de inschattingen van 40% en 2,000 euro zijn gekomen;
het aantal jeugdigen in jeugdhulp is te vinden in de kengetallen hieronder. De berekening
nemen we niet op.
Dit is uiteraard een versimpeld voorbeeld; in de meeste berekeningen houden we ook
rekening met de onzekerheidsmarge. Die berekeningen zijn toegelicht in het eerdere memo
over omgang met onzekerheden.
Voor een aantal maatregelen bleek het kwantificeren van effecten van de maatregelen niet
goed mogelijk. In de literatuur is er maar van een beperkt aantal effecten iets bekend, en ook
gemeenten hebben de effecten van de beleidskeuzes die zij hebben gemaakt niet altijd
onderzocht of gemonitord. Waar mogelijk hebben we deze lacunes opgevangen door
bijvoorbeeld extra werksessies om tot expertinschattingen te komen. Wanneer we op basis
van de onderzoeksmethoden niet tot een voldoende betrouwbaar beeld konden komen,
hebben we dat aangegeven.
We bespreken ook per maatregel de verwachte termijn waarop de eventuele besparing van
een maatregel zich zal voortdoen. Hierin maken we onderscheid in drie categorieën: kort is
een termijn van minder dan één jaar, middellang betekent een termijn van één tot drie jaar,
en lang betekent een termijn van drie jaar of langer.
In de bijlage wordt een aantal algemene kengetallen gehanteerd
Een aantal kengetallen wordt in verschillende maatregelen gebruikt. Dit zijn algemene
kengetallen. Met een deel van deze gegevens zijn geen inschattingen gemoeid, dus wordt er
geen bandbreedte voor gehanteerd. Voor de leesbaarheid van deze bijlage hebben we deze in
onderstaande tabel samengevat.
Totaal aantal jeugdigen (<18 3.357.755 CBS StatLine
jaar) 2019
Totaal aantal jeugdigen (<18 442.942 CBS microdata volumeontwikkeling
jaar) in jeugdhulp 2019
GV572 131
Andersson Elffers Felix
Percentage verwijzingen door 38,7 % CBS StatLine
huisarts in 2019, op basis van
gestarte trajecten?
Percentage verwijzingen door 32,1 % CBS StatLine
sociaal lokale teams in 2019,
op basis van gestarte
trajecten
Ook omtrent het voorliggend veld zijn er aandachtspunten vooraf
In een aantal maatregelen speelt het voorliggend veld een rol. De dynamiek van het
voorliggend veld is anders dan die van de meeste andere effecten. Dit wordt veroorzaakt door
twee aspecten:
— Uit het diepteonderzoek blijkt dat het voorliggend veld vooral aanbodgestuurd is. Als er
te weinig aanbod is, levert dit knelpunten op in de keten. Daarom investeren gemeenten
wel in het voorliggend veld, maar er is geen directe relatie tussen de vraag en het aanbod.
Een oorzakelijk verband tussen een maatregel en kosten voor het voorliggend veld is dan
ook niet te geven.
— Het tweede aspect dat het lastig maakt om benodigde investeringen in het voorliggend
veld te kwantificeren, is dat ze breder zijn dan het sociaal domein. Voorzieningen als
jongerenwerkers en een lokaal team zijn nog relatief gemakkelijk aan het sociaal domein
te verbinden, maar gemeenten investeren ook in sportverenigingen, culturele activiteiten
of bibliotheken. Voor dit soort activiteiten ligt het niet voor de hand om ze mee te rekenen
met het jeugdbudget, maar voldoende aanwezigheid hiervan is net zo van belang als
jongerenwerkers of een lokaal team. De afbakening van het relevante voorliggend veld is
daarmee niet duidelijk.
Kortom: als er geen voorliggend veld zou zijn, dan zou dat waarschijnlijk wel effect hebben op
de jeugd. Aan de andere kant is het voorliggend veld zo breed, dat het niet mogelijk is om dit
goed af te bakenen. Ook door het aanbodgedreven karakter is dit niet goed te kwantificeren.
De stuurgroep heeft daarom besloten dat extra investeringen in het voorliggend veld niet
gekwantificeerd worden in de rapportage. Daarbij willen we benadrukken dat dat niet
betekent dat er niet in geïnvesteerd hoeft te worden. Het is van groot belang dat het
voorliggend veld op orde is. Dit geldt echter niet alleen voor de kosten voor jeugdhulp, maar
ook voor andere domeinen. In de praktijk betekent dat dat we in deze rapportage uitgaan van
de aanwezigheid van een goed functionerend voorliggend veld, dat eventuele extra vragen
naar aanleiding van maatregelen op kan vangen. Daarom rekenen we geen extra kosten voor
het voorliggend veld naar aanleiding van maatregelen.
“1 Bij het bepalen van het aantal verwijzingen door een bepaalde categorie hebben we het
aantal verwijzingen in de categorie ‘verwijzer onbekend’ naar rato toegerekend aan de
verschillende categorieën verwijzers.
GV572 132
Andersson Elffers Felix
Maatregel 1 Een POH-jeugd bij huisartsenpraktijken
Beschrijving van de maatregel
Een Praktijk Ondersteuner Huisartsenzorg voor de jeugd (POH-jeugd) werkt op de locatie van
een huisarts en kan laagdrempelig jongeren met lichte problemen zelf behandelen. Het gaat
daarbij om jongeren die zich bij de huisarts melden met psychosociale problemen.
Er zijn verschillende varianten mogelijk voor de verdeling van verantwoordelijkheid tussen
huisarts en POH-jeugd en de financiering. Zo kan de verantwoordelijkheid voor de zorg die de
POH-jeugd levert onder de huisarts vallen of onder de gemeente. In het eerste geval levert de
POH-jeugd huisartsenzorg. Deze constructie is vergelijkbaar met een POH-GGZ, hoewel de
POH-jeugd zich specifiek op jeugdigen richt. Een andere optie is dat de POH-jeugd betaald
wordt door de gemeente voor het werk in (een) huisartspraktijk(en).® Een gedeelde
financiering is ook mogelijk.
We hebben wisselende verhalen gehoord over welke inrichtingsvorm de voorkeur heeft, zowel
bij gemeenten als onder huisartsen. Voor het beschrijven en berekenen van het effect van de
maatregel gaan we er vanuit dat de POH-jeugd gefinancierd wordt door de gemeente” en
onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt.
Daarnaast werken sommige huisartsenpraktijken met een POH-GGZ die ook gesprekken met
jeugdigen met psychische problemen kan voeren voor vraagverheldering. Dit kan overlappen
met de werkzaamheden van de POH-jeugd. In de praktijk betalen sommige zorgverzekeraars
meerdere gesprekken, waarmee de grens met lichte behandeling een grijs gebied wordt.
Omdat niet duidelijk is hoeveel jeugdigen in de praktijk gezien worden door een POH-GGZ en
de invloed op het effect van de maatregel gering is uitgaande van vraagverheldering (en geen
behandeling) hebben we hier in het onderzoek niet voor gecorrigeerd.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Erzijn uiteraard kosten omdat de POH-jeugd betaald moet worden.
— De maatregel kan leiden tot minder verwijzingen door huisartsen doordat de POH-jeugd
een deel van de problematiek zelf oplost.
— Een POH-jeugd biedt mogelijk een laagdrempeligere vorm van zorg voor jeugdigen en
ouders. Dit kan leiden tot een toename van signalering van zorgbehoefte, mogelijk zowel
in de vorm van vroegsignalering als oversignalering. Vroegsignalering kan leiden tot een
afname in lange en dure trajecten en tot meer gebruik van lichte jeugdhulp en sociale
basisvoorzieningen, omdat escalaties worden voorkomen vanwege minder wachttijd.
Oversignalering zal hier voornamelijk resulteren in meer jeugdigen die door de POH-
Jeugd gezien worden; het financiële effect is dus onderdeel van de kosten POH-jeugd.
— Door de specifieke expertise en kennis van de sociale kaart en contractering in de
gemeente is de POH-jeugd beter in staat om jeugdigen direct naar de juiste plek door te
verwijzen (naar specialistische aanbieders of juist naar een sociale basisvoorziening).
2 Deze manier van inrichting wordt soms ook anders genoemd dan ‘POH-jeugd’ omdat de
geleverde zorg niet onder de verantwoordelijkheid van de huisarts valt. Gehanteerde
termen zijn bijvoorbeeld ‘jeugdconsulent' of ‘ondersteuner jeugd’. Omdat we echter
hebben gemerkt dat de term ‘POH-jeugd’ de herkenbare term is, hebben we die
aangehouden.
° Er zijn ook POH’s-jeugd die vanuit de Zvw worden gefinancierd, maar hier heeft de
gemeente niet altijd invloed op.
GV572 133
Andersson Elffers Felix
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
Deel lichte ‚ En
jeugdhulp Minder verwijzingen 1. Afname lichte
overgenomen door vanuit huisarts jeugdhulp
POH-jeugd
2. Afname lange, dure
trajecten
AA ger Fan NC daa) R R
OVEN Minder escalaties
3. Toename lichte
jeugdhulp / sociale
basisvoorzieningen
Invoering POH-
jeugd
4. Afname lange, dure
trajecten
Betere verwijzingen Passendere hulp
5. Toename lichte(re)
jeugdhulp / sociale
basisvoorzieningen
6. Kosten POH-jeugd
(beschikbaarheid incl.
behandeling)
Verwachte omvang van de besparing
Voor effect 1 de afname van lichte jeugdhulp wordt gerekend met de volgende kengetallen.
— Uit uitgebreid onderzoek naar POH’s-jeugd®* blijkt dat iets meer dan 40% van de kinderen
die door de POH-jeugd gezien wordt niet doorverwezen wordt naar specialistische
jeugdhulp. Diverse gemeentelijke onderzoeken en de enquête suggereren dat dit
percentage iets hoger ligt.” Daarom hanteren we een bandbreedte van 40 — 50%.
— De variatie in inschattingen lijkt sterk samen te hangen met de populatie van de POH-
jeugd: sommige huisartsen sturen alle kinderen naar de POH-jeugd die zij zelf
doorverwezen zouden hebben (dit was het geval in het bovengenoemde onderzoek),
andere maken hier een selectie in, en weer andere sturen juist meer jeugdigen door. De
bandbreedte van 40 - 50% geldt voor het geval dat de huisarts die jeugdigen doorverwijst
naar de POH-jeugd die anders naar specialistische jeugdhulp verwezen waren.
— Voor de gemiddelde prijs van een voorkomen traject worden in veel onderzoeken
aannames gedaan die uitkomen rond de € 2800 - € 3000. In het enige onderzoek waar de
bespaarde trajectprijs wel onderzocht is, komt deze echter uit op € 2326, een prijs die ook
% Jeugdhulp bij de huisarts - Onderzoek naar inzet en effect van de Praktijkondersteuner
Jeugd, Accare, Molendrift en Karakter, i.s.m. Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie,
2019.
95 Er waren ook gemeenten die een lager percentage aangaven. De meeste hiervan zaten
echter in de opstartfase, of gaven aan onvoldoende capaciteit ingezet te hebben.
GV572 134
Andersson Elffers Felix
door andere gemeenten herkend werd. We rekenen daarom met een bandbreedte van €
2100 - € 2500.
Wat betreft vroegsignalering (effecten 2 en 3) blijkt uit het diepteonderzoek en aanvullende
interviews dat huisartsen verschillend omgaan met doorverwijzingen naar jeugdhulp.
— Erzijn huisartsen die zelf gesprekken voeren om problematiek te normaliseren. Bij twijfel
verwijzen huisartsen over het algemeen echter door naar jeugdhulp. Daarmee zijn de
effecten van vroegsignalering op escalatie verwaarloosbaar,
— POH’s verwijzen vaker door naar het voorliggend veld. Zoals eerder opgemerkt kunnen de
kosten hiervan niet gekwantificeerd worden.
Door GGZ-instellingen wordt aangegeven dat de verwijzingen van POH’s-jeugd (effect 4 en 5)
duidelijk passender zijn dan die van huisartsen:
— In interviews uit het diepteonderzoek werd door enkele professionals genoemd dat
huisartsen gemiddeld in ongeveer 50% van de gevallen passend verwijzen, terwijl een
goede POH-jeugd dat altijd doet. In de uitvraag gaven aanbieders aan dat het percentage
van de gevallen waarin de huisarts niet passend verwijst duidelijk lager ligt. Dit werd
zowel door zeer grote als door zeer kleine aanbieders genoemd, en de onderbouwing
gold duidelijk voor de gehele organisatie, Daarom hanteren we een bandbreedte van 10-
20%. Vrijwel alle aanbieders geven aan dat de POH-jeugd in alle gevallen passend
verwijst,
— Een niet-passende verwijzing kan betekenen dat de verkeerde aanbieder is gekozen,
maar ook dat alleen naar GGZ is verwezen, terwijl parallel opvoedondersteuning ingezet
zou moeten worden.
— Aanbieders geven hier aan zelf een check op te doen en jeugdigen zo nodig door te
verwijzen naar een andere aanbieder. Dit leidt dus slechts beperkt tot het inzetten van
niet-passende trajecten. Een aanbieder is wel 1 à 2 uur per kind bezig om te constateren
dat de verwijzing niet passend is, in conclaaf te gaan met de verwijzer, en het kind door te
geleiden naar een passender plaats of parallel traject. Uit het diepteonderzoek blijkt dit
ongeveer € 300 te kosten. Er zijn ook gevallen waar extra diagnostiek nodig is voordat de
aanbieder het meest passende traject kan bepalen. Deze situaties brengen significant
hogere kosten met zich mee. Uit de uitvraag blijkt dat een niet-passende verwijzing dan
gemiddeld leidt tot een kostenpost van € 800 — € 1200. Echter ligt het niet in de lijn der
verwachting dat de cliënten waarvoor een uitgebreid diagnostisch onderzoek nodig is
door een POH wél direct goed zouden worden verwezen. Het is waarschijnlijker dat de
diagnostiek voor deze cliënten hoe dan ook nodig is. Daarom nemen we deze laatste
kosten niet mee, maar stellen de kosten voor een niet-passende verwijzing op € 250 - €
350.
Voor de kosten van een POH-jeugd wordt uitgegaan van hoogopgeleide professionals met
voldoende opleidingsmogelijkheden, inclusief overheadkosten. Wel gaan we ervan uit dat de
huisarts de kosten voor de ruimte betaalt.
— Op grond van de diepteonderzoeken en de enquête lopen de kosten voor één fte in dat
geval uiteen van € 100.000 — € 110.000.
— Daarnaast blijkt uit diepteonderzoek en literatuurstudie’ dat ongeveer 0,8 fte POH-jeugd
per 10.000 kinderen nodig is. Uit de enquête blijkt dat hoger te liggen, dus hanteren we
°% jeugdhulp bij de huisarts - Onderzoek naar inzet en effect van de Praktijkondersteuner
Jeugd”, Accare, Molendrift en Karakter, i.s.m. Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie,
2019; Pilot Huisartsen & Jeugdzorg Hengelo, Kennispunt Twente, 2016, via Twentse
Huisartsen Onderneming Oost Nederland.
GV572 135
Andersson Elffers Felix
een bandbreedte van 1,0 — 1,2 fte POH-jeugd per 10.000 jeugdigen. Dat betekent dus dat
er landelijk 336 — 403 fte aan POH-jeugd nodig is,
Voor een vertaling van landelijke cijfers zien we op basis van de enquêtes van dit onderzoek
dat zo’n 67% van de jeugdigen in een gemeente woont waarin al met een POH-jeugd wordt
gewerkt. In die gemeenten is gemiddeld 0,94 fte POH-jeugd werkzaam. Door dit te
extrapoleren is er landelijk naar verwachting al zo’n 192 — 230 fte aan POH-jeugd werkzaam.
Om te bepalen hoeveel jeugdigen nog bereikt kunnen worden door een POH, is het van
belang te weten hoeveel jeugdigen momenteel al worden bereikt. Hiervoor kijken we naar de
hoeveelheid ingezette fte POH-jeugd door de gemeenten in de uitvraag. Dit vergelijken we
met de benodigde 1,0 — 1,2 fte die ook uit de uitvraag volgde. De verhouding tussen de twee is
het percentage jeugdigen dat in potentie al bereikt kan worden door POH’s-Jeugd in die
gemeente. Als gemeenten momenteel méér dan 1,2 fte inzetten, dan kan 100% van de
jeugdigen bereikt worden. Uit deze berekening volgt dat 52,5% van de jongeren in potentie al
kan worden bereikt door een POH-jeugd. Landelijk gaat het om ongeveer 1,76 miljoen
jeugdigen die in potentie al door een POH-jeugd bereikt kunnen worden.
Effect Financieel effect
1. Afname lichte jeugdhulp 72 tot 96 miljoen euro
2. Afname lange, dure trajecten -
3. Toename lichte jeugdhulp/sociale -
basisvoorzieningen
4. Afname lange, dure trajecten 5 tot 11 miljoen euro
5. Toename lichte(re) jeugdhulp / sociale -
basisvoorzieningen
6. Kosten POH-jeugd (beschikbaarheid incl. -21 tot -13 miljoen euro
behandeling)
Totaal 62 tot 88 miljoen euro
Incidentele kosten Laag
Termijn van besparing Middellange termijn, afhankelijk van
medewerking huisartsen
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Om meerdere redenen is de verwachting dat
de jeugdige en diens ouders een prettigere ervaring hebben met een POH-jeugd. Ten
eerste omdat de POH-jeugd meer tijd heeft voor een consult dan een huisarts. Daarnaast
kan zorg vaker nabij plaatsvinden, omdat (een eerste deel van) de hulp door een POH-
jeugd wordt overgenomen en de jeugdige in de lokale de huisartspraktijk geholpen kan
worden, in plaats van dat de jeugdige direct doorgestuurd wordt naar jeugdhulp die niet
altijd in de woonplaats van de jeugdige aanboden wordt, Als laatste wordt problematiek
GV572 136
Andersson Elffers Felix
eerder of passender aangepakt zal worden of zelfs voorkomen kan worden, waardoor er
persoonlijk leed voorkomen wordt. Dit zal ten goede komen aan het welzijn van de
jeugdige. Meerdere onderzoeken bevestigen dat jeugdigen en ouders een prettigere
ervaring hebben.”
— Normalisering. Een POH-jeugd heeft de mogelijkheid om langer dan een huisarts in
gesprek te gaan met ouders en jeugdigen over dat sommige problemen bij bepaalde fases
en/of het leven horen, en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar niet van
uitgesloten zijn.
— Minder wachttijden. Deze maatregel leidt naar verwachting tot minder wachttijden,
omdat jeugdigen beter verwezen worden en daardoor direct op de juiste wachtlijst
terecht komen. Ook kan de POH-jeugd lichte ondersteuning bieden gedurende de tijd dat
de jeugdige op de wachtlijst staat. Waar lichte ondersteuning door de POH-jeugd
afdoende is, kan wachttijd zelfs grotendeels vermeden worden.
— Betere samenwerking in de keten. Het aanstellen van een POH-jeugd kan ervoor zorgen
dat er een betere samenwerking tussen partijen ontstaat. Een POH-jeugd is een actievere
schakel in de keten, en staat nauwer in contact met de jeugdigen in de wijk en de
jeugdhulp-en zorgaanbieders dan een huisarts. Dit kan het werkplezier van
jeugdhulpprofessionals verbeteren.
— Lagere werkdruk bij huisartsen. Deze maatregel zorgt ervoor dat de huisarts in de
mogelijkheid is om jeugdigen met jeugdhulpproblematieken door te sturen naar een
POH-jeugd. Dit kost minder tijd dan het zelf doorgronden van de problematiek en het
kiezen van de aanbieder waarnaar een jeugdige doorverwezen wordt. Hierdoor kan er een
lagere werkdruk bij huisartsen ontstaan.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Huisartsen moeten voldoende enthousiast zijn over een POH-jeugd. Huisartsen zijn
onafhankelijk van de gemeente en hebben het recht om een POH-jeugd te weigeren of er
minder gebruik van te maken dan wenselijk. De medewerking van de huisartsen is een
harde randvoorwaarde voor deze maatregel.
— Afbakening taken POH-jeugd. Een heldere doel- en taakomschrijving en afbakening van
taken van een POH-jeugd is ook van belang om verwarring over functies en verschillen
tussen aanbod vanuit praktijken te voorkomen. Op deze manier kan er een betere match
ontstaan tussen de functie en de personen die voor de functie geworven worden.
— Expertise en competenties. Een POH-jeugd moet in staat zijn om een goede inschatting
te maken van de noodzakelijkheid om een jeugdige door te verwijzen naar
jeugdhulpaanbieders, in plaats van het zelf hulp verlenen. Dat vraagt een hoog
kennisniveau van verschillende soorten problematiek, Daarnaast is het van belang dat de
POH-jeugd beschikt over competenties op het gebied van gespreksvoering en
normaliseren.
— Goede kennis van de sociale kaart. De POH-Jeugd moet de sociale kaart zeer goed
kennen: alleen dan kan er passend verwezen worden. Randvoorwaarde is dat hierin
wordt geïnvesteerd.
°7 Zie bijvoorbeeld de voortgangsrapportage van de pilot Huisartsen & Jeugdzorg van de
gemeente Hengelo en het onderzoeksrapport “Jeugdhulp bij de huisarts” van Accare,
Molendrift en Karakter (2019).
GV572 137
Andersson Elffers Felix
— Voldoende capaciteit aan POH-jeugd. Om de effecten te behalen, is het van belang dat
een POH-jeugd voldoende uren heeft zodat er voldoende kinderen geholpen kunnen
worden zonder dat er geen wachttijd ontstaat voor de POH-jeugd.
— Behouden verwijsrecht. In het onderzoek is benoemd dat het behoud van rechtstreeks
verwijsrecht door een huisarts behouden moet worden. Indien dit niet gebeurt, zal er een
extra schakel in de keten worden ingebouwd, die het systeem complexer maakt. Dit is
geborgd in de huidige wetgeving.
— Huisvesting voor de POH-jeugd. Veel huisartsen hebben geen fysieke ruimte voor een
ondersteuner, terwijl het juist van belang zal zijn om de werkzaamheden van een POH-
jeugd het in de vertrouwde omgeving van de huisarts aan te bieden. Randvoorwaarde is
dat er wordt gezorgd dat de POH-jeugd een geschikte ruimte heeft om de
werkzaamheden uit te voeren en contact te hebben met de huisarts.
— Goede informatie-uitwisseling. (Voor)kennis over eerdere en lopende ondersteuning
(o.a. met lokaal team en gemeente) is een voorwaarde voor goede triage en
doorverwijzing. Omdat een POH-jeugd een actieve schakel wordt tussen de huisarts, de
sociale basisvoorzieningen en het lokaal team is goede informatie-uitwisseling van
belang. Een passende infrastructuur kan dit faciliteren.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Onduidelijke afbakening verantwoordelijkheden huisarts. Een huisarts is niet
verantwoordelijk voor het verlenen van jeugdhulp. Met de komst van de POH-jeugd wordt
er lichte jeugdhulp verleend op de huisartsenpraktijk. Risico is dat huisartsen zich
verantwoordelijk gaan voelen -— of van buitenaf verantwoordelijk worden geacht - voor de
taken van een POH-jeugd, terwijl dit geen verantwoordelijkheid is van een huisarts.
Maatregel 2 Het versterken van de kwaliteit van de toegang door de inzet van
professionals met een SKJ-registratie en/of professionals die specifiek zijn opgeleid
voor de toegang
Beschrijving van de maatregel
Om tijdig passende hulp in te zetten is de kwaliteit van de toegang van groot belang.
Gemeenten kunnen de kwaliteit van de toegang verbeteren door lokale teams samen te
stellen met hoogopgeleide professionals. Daarbij gaat het om professionals met een SKJ-
registratie of gelijkwaardig, en/of professionals die specifiek zijn opgeleid voor de toegang
(overal waar we spreken van SKJ-registratie bedoelen we SKJ-registratie of gelijkwaardig,
zoals een BIG-registratie).
In dit onderzoek gaan we ervanuit dat het hele lokale team bestaat uit professionals die zowel
voldoende opleiding hebben gehad om complexe problematiek te kunnen herkennen, als
voldoende training om in staat te zijn tot normaliseren en het voeren van het juiste gesprek
wanneer een voorziening niet toegekend wordt”? Secundair hieraan zou er binnen een lokale
team academische expertise (gedragswetenschapper/orthopedagoog/psycholoog)
beschikbaar moeten zijn op basis van consultatie, maar nauw betrokken en als vast
onderdeel van het team. Hiermee kan worden gestimuleerd dat er onderzoeksmatig wordt
°® Kennis van de sociale kaart en gecontracteerde aanbieders wordt verondersteld reeds
aanwezig te zijn in de lokale teams en is daarom niet expliciet benoemd.
GV572 138
Andersson Elffers Felix
gekeken naar de werkwijze en deze regelmatig wordt geëvalueerd. Dit leidt tot brede
professionalisering van het lokaal team.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Door het toevoegen van expertise aan de toegang zijn professionals beter in staat om in te
schatten wat nodig is. Dit leidt enerzijds tot waar mogelijk substitutie van zware trajecten
door lichte trajecten en anderzijds tot het inzetten van zwaardere hulp zonder eerst
lichtere trajecten aan te bieden (matched care).
— Als de professionals in de toegang beter zijn opgeleid tot normaliseren, zorgt dit ervoor
dat zij in gesprek met jeugdige en gezin beter in staat zijn om de hulp en ondersteuning zo
te organiseren dat dit de zelfredzaamheid van het gezin versterkt. Dit door zowel het
eigen netwerk te betrekken als te verwijzen naar passende sociale basisvoorzieningen.
— Erzijn uiteraard extra kosten om de professionals met een SKJ-registratie in dienst te
nemen voor de toegang, academische expertise toe te voegen aan het team en
professionals de juiste opleidingen te bieden.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Substitutie van zware trajecten
door lichte{re) trajecten
Betere inschatting van wat er
nodig is
2. Matched care, waardoor kortere
trajecten per cliënt
3. Geen hulp wanneer het niet
nodig is of in eigen netwerk kan,
Inzet professionals met waardoor afname trajecten
een SKJ-registratie Beter in staat tot
en/of professionals die normaliseren en
specifiek zijn opgeleid gespreksvoering
voor de toegang 4. Toename gebruik sociale
basisvoorzieningen
5. Extra kosten SKJ-geregistreerde
professionals bij de toegang
6. Opleidingskosten lokale teams
Verwachte omvang van de besparing
De mate waarin de toegang een betere inschatting maakt van trajecten waardoor onnodig
zware trajecten voorkomen worden (effect 1) berekenen we als volgt:
— Uit het diepteonderzoek en aanvullende werksessies volgt dat een toegang met te weinig
expertise 10 — 20% van de jeugdigen naar onnodig zware hulp doorverwijst. Uit de
GV572 139
Andersson Elffers Felix
uitvraag blijkt dat zowel veel gemeenten als veel aanbieders hier geen goed zicht op
hebben. Degenen die aangeven dat wel te hebben, herkennen deze percentages.
— Een verwijzing naar een onnodig zwaar traject door een lokaal team wordt meestal door
een aanbieder aangepast naar een beter passend traject. Het kost echter tijd om te
ontdekken dat er een ander traject beter zou passen. Hiervoor nemen we dezelfde kosten
als voor een verkeerde doorverwijzing door een huisarts (zie maatregel 1), namelijk € 250
—- €350.
Doordat SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) naar verwachting beter kunnen
inschatten wat voor traject een jeugdige nodig heeft, zal er minder vaak naar te lichte hulp
verwezen worden. Dit gaat onder de noemer “matched care” (effect 2) en kan als volgt
worden beschreven:
— In sommige gevallen hebben jeugdigen die naar een GGZ-traject zijn verwezen ook
behoefte aan aanvullende hulp. Bij die jeugdigen zal een SKJ-geregistreerde (of
vergelijkbaar) toegangsmedewerker eerder naar een parallel J&O-traject verwijzen dan
een niet-SKJ-geregistreerde toegangsmedewerker,
— Het financiële effect hiervan is in de eerste instantie dat de jeugdhulp duurder wordt.
Immers wordt er naar een extra traject verwezen. Echter kan het parallelle J&O-traject
ervoor zorgen dat het GGZ-traject efficiënter ingericht kan worden. Zo kan het
bijvoorbeeld minder lang nodig zijn. Omdat dit laatstgenoemde traject een stuk duurder
is, zal het financiële effect naar verloop van tijd dus positief zijn.
— Deze situatie speelt alleen bij jeugdigen die wél verwezen worden naar een GGZ-traject,
maar waar eigenlijk een J&O-traject ook nodig was geweest.
— Of de extra kosten voor het J&O-traject opwegen wegen de besparing op het GGZ-traject
is maar zeer de vraag. Omdat dat van geval tot geval heel erg kan verschillen, zal dit effect
uiteindelijk verwaarloosbaar zijn.
— Het is ook mogelijk dat een te lichte verwijzing er uiteindelijk toe leidt dat er een escalatie
optreedt en er veel zwaardere (en duurdere) hulp nodig is dan wanneer er oorspronkelijk
naar een passend traject was verwezen. Dit gaat echter om een klein aantal gevallen.
Daarbij is het helemaal niet evident dat een SKJ-geregistreerde toegangsmedewerker kan
voorkomen dat er uiteindelijk escalaties optreden. Ook dit effect wordt dus verwaarloosd
in de berekening.
Een afname in onnodige verwijzingen (effect 3) kwantificeren we als volgt:
— Inhet diepteonderzoek en een aanvullende werksessie blijkt dat 10 - 20% van de
verwijzingen van minder goed functionerende lokale teams onnodig zijn. In de enquête
gaf bijna twee derde van de gemeenten aan dat ze dit effect herkennen, maar dat het
lastig te kwantificeren was. Van de overige gemeenten was het overgrote deel het eens
met het ingeschatte percentage.
=— Dit zijn gewoonlijk doorverwijzingen naar relatief lichte trajecten. Uit het
diepteonderzoek blijkt dat de 20% lichtste trajecten in jeugdhulp gemiddeld ongeveer €
1000-1100 kosten. Dit houden wij dus aan als besparing
De toename van het gebruik van het voorliggend veld (effect 4) is zoals eerder opgemerkt.
niet goed te kwantificeren, dus nemen we niet mee in de berekening.
De toename in kosten voor jeugdhulpprofessionals (effect 5) en opleidingskosten (effect 6)
zijn als volgt berekend:
— Het verschil in kosten (salaris inclusief sociale lasten) voor een wel of niet SKJ-
geregistreerde professional is op grond van het diepteonderzoek en cao's ongeveer € 15
per uur, Uit de enquête volgt dat veel gemeenten alleen met SKJ-geregistreerde
GV572 140
Andersson Elffers Felix
professionals werken en daarom geen inschatting kunnen maken van het verschil in
uurtarief. De antwoorden van de gemeenten die dit wel kunnen inschatten vallen
gemiddeld iets lager uit. Daarom hanteren we voor het verschil in uurtarief een
bandbreedte van € 10- €15.
— Op basis van de enquêtes van dit onderzoek en het CPB hebben we gemeenten kunnen
indelen in vier categorieën. Dit zijn gemeenten die al dan niet met een toegang met
professionals met een SKJ-registratie of vergelijkbaar werkten. Deze gemeenten zijn
verder opgedeeld in gemeenten waarin de toegangsteams zelf hulp verleenden in 2019,
en gemeenten waar dat niet het geval was. Voor ieder van deze categorieën is bepaald
welk percentage van het totale aantal verwijzingen door lokale teams door deze
gemeenten is gedaan. Dit is samengevat in onderstaande tabel.
LDR SS Percentage Fte toegang per
jeugdigen 1.000 jeugdigen
SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij de 63,6% 1,6 fte
toegang. Toegangsteam verleent zelf ook hulp.
SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij de 21,5% 1,3 fte
toegang. Toegangsteam verleent zelf géén hulp.
Géén SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij 5,3% 1,6 fte
de toegang. Toegangsteam verleent zelf ook hulp.
Géén SKJ-geregistreerde professionals (of vergelijkbaar) bij 9,6% 1,0 fte
de toegang. Toegangsteam verleent zelf géén hulp.
— Naast hogere salarislasten zorgt ook voldoende opleiding voor extra kosten. Voor een
SKJ-registratie is 12 uur deskundigheidsbevordering en 12 uur reflectie per jaar vereist.
Daarnaast worden nog specifieke cursussen gegeven over juridische kennis (1 dag per
jaar) en is voor normaliseren een vorm van intervisie of andere reflectie nodig (1 dag per
jaar). Daarmee komen we op ca 40 uur per fte per jaar. Om de kosten hiervan te bepalen is
het uurtarief van een SKJ-geregistreerd professional nodig. Uit het diepteonderzoek blijkt
dit tarief rond de 75 euro te liggen. Veel gemeenten herkennen dit bedrag. Zij die dit niet
herkennen geven gemiddeld genomen aan dat het bedrag iets lager ligt. Daarom
gebruiken we een bandbreedte van € 70-75 voor dit tarief,
Met behulp van deze percentages, het landelijk aantal verwijzingen door lokale teams, en het
aantal fte toegangsmedewerkers, hebben we het landelijk aantal fte toegangsmedewerkers
bepaald voor de gemeenten die nog niet werken met SKJ-geregistreerde (of vergelijkbaar)
professionals. Dit blijkt landelijk om 253 - 267 fte toegangsmedewerkers te gaan.
Via deze percentages is ook het landelijke aantal verwijzingen door lokale teams zonder SKJ-
geregistreerde professional te bepalen. In totaal gaat dit over 13.413 — 13.483 verwijzingen
(4.771 - 4.804 door lokale teams die zelf hulpverlenen, en 8.630 — 9.691 door lokale teams die
zelf geen hulp verlenen). Dit is het aantal verwijzingen dat gebruikt wordt om effecten 1, 3en 5
op te schalen naar landelijke aantallen.
GV572 141
Andersson Elffers Felix
Effect Financieel effect
1, Substitutie van zware trajecten door 0,4 tot 0,8 miljoen euro
lichte(re) trajecten
2. Matched care, waardoor kortere trajecten _ -
per cliënt
3. Geen hulp wanneer het niet nodig is of in 1tot 3 miljoen euro
eigen netwerk kan, waardoor afname
trajecten
4. Toename gebruik sociale -
basisvoorzieningen
5. Extra kosten SKJ-geregistreerde -5 tot -4 miljoen euro
professionals bij de toegang
6. Opleidingskosten lokale teams -0,8 tot -0,7 miljoen euro
Totaal -4 tot -1 miljoen euro
Incidentele kosten Hoog, wegens werven nieuw personeel en evt.
afscheid nemen van het oude
Termijn van besparing nvt,
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Sneller de juiste hulp. Een goede toegang heeft een positief effect op cliënten, omdat
een jeugdige eerder passende hulp krijgt.
— Verhoging werkplezier in de toegang. Door het vergroten van kennis van
toegangsprofessionals, en het mogelijk maken van professionalisering in de toegang, is
de verwachting dat de medewerkers in de toegang meer werkplezier ervaren.
— Lokale teams functioneren beter als sparringpartner voor gemeenten. Door de
professionalisering ontstaat een competent lokaal team dat een goede afweging kan
maken over kosten in relatie tot de effectiviteit van de zorg. Het lokale team kan hierdoor
een sterkere rol vervullen in zaken waar de inkoopafdeling van gemeenten geen zicht op
heeft, mits ze deze ruimte durft te nemen.
— Hogere tevredenheid jeugdigen en ouders. Doordat de toegang verder
geprofessionaliseerd is, is er ook meer duidelijkheid voor jeugdigen en ouders zelf. Dit
leidt tot beter verwachtingsmanagement en meer draagvlak onder jeugdigen en ouders.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— De professionals zijn naast voldoende opleiding om complexe problematiek te
kunnen herkennen, ook getraind om te normaliseren. Dit is belangrijk om te zorgen
GV572 142
Andersson Elffers Felix
dat professionals in staat zijn tot normaliseren en het voeren van het juiste gesprek
wanneer een voorziening niet toegekend wordt.”
— Binnen een lokaal team is er academische expertise op consultatie beschikbaar. Er is
een gedragswetenschapper/orthopedagoog/psycholoog beschikbaar voor consultatie,
die nauw betrokken is en een vast onderdeel vormt van het team,
— Functieprofiel moet niet te nauw gedefinieerd worden. Enkel een diploma op hbo-
niveau is niet voldoende om de beoogde effecten te realiseren, Het is belangrijk dat er
met het implementeren van deze maatregel ook gekeken wordt naar bredere manieren
om de toegang te versterken. Zo kan jarenlange ervaring of een specifieke opleiding voor
de toegang ook toegevoegde waarde hebben. Een toegangsmedewerker moet
bijvoorbeeld ook weten hoe er omgegaan moet worden met het afwijzen van hulpvragen
en wanneer het verstandig is om bijvoorbeeld een gedragswetenschapper te betrekken in
een casus.
— Er moet (financiële) ruimte voor voldoende professionals met hoge kwaliteit. Een
toegang functioneert alleen goed als er voldoende capaciteit is om alle werkzaamheden
zorgvuldig uit te voeren. Daarnaast is het van belang continu te investeren in opleiding
zodat het lokale team goed gekwalificeerd blijft.
— Monitoring moet mogelijk worden gemaakt en vraagt passende infrastructuur. Een
deel van de effecten is gebaseerd op de effectiviteit van een lerende aanpak bij dit type
professionals. Met monitoring kunnen lokale teams sturen op eigen indicatoren en
hiervan leren. Zonder monitoring is kort-cyclische evaluatie veel beperkter. Om het
potentieel van deze maatregel te benutten kan het helpen om monitoring te faciliteren,
zodat professionals beter zicht hebben op trends in hun verwijzingen en zichzelf hierdoor
kunnen verbeteren.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Eris een tekort aan geschikte, hoogopgeleide toegangsmedewerkers. Om deze
maatregel te implementeren zullen er genoeg hoogopgeleide professionals moeten zijn
die de taken kunnen vervullen. Risico is dat er niet genoeg aanbod is op de arbeidsmarkt.
— De hoogopgeleide professional neemt onnodig het werk over van een niet-
hoogopgeleide professional. Dit risico kan gelden op het moment dat er een
gedragswetenschapper in een toegangsteam wordt ingezet, die taken en besluitvorming
overneemt van andere toegangsmedewerkers, Er moet bewust worden ingezet op het
inzetten van expertise in plaats van overnemen van werk.
— Meer verwijzingen. Een risico is dat hoogopgeleide professionals meer specialistische
kennis hebben en daardoor mogelijk minder normaliserend werken. Wanneer je
specialistische kennis ‘naar voren haalt’, kan dat ook juist zorgen voor meer verwijzingen.
Zo bleek er binnen de Wmo, waar zowel professionals als Wmo-consulenten met cliënten
in gesprek gingen dat professionals meer geneigd waren tot tegemoet komen aan de
behoefte van de cliënt.°® Concluderen is het van belang om prioriteit te geven aan de
vaardigheden die een lokaal team helpen te professionaliseren boven specialistische
expertise.
® Kennis van de sociale kaart en gecontracteerde aanbieders wordt verondersteld reeds aanwezig te zijn in de
lokale teams en is daarom niet expliciet benoemd.
100 De verhuizing van de verzorgingsstaat. Hoe de overheid nabij komt, Bredewold, F., J.W. Duyvendak, Kampen
T., Tonkens, E. en L. Verplanke, 2018. Amsterdam: Van Gennep.
GV572 143
.
Andersson Elffers Felix
Maatregel 3 Het gebruiken van een afwegingskader in de toegang of equivalent
Beschrijving van de maatregel
Uit de Jeugdwet volgt dat een gemeente geen jeugdhulp hoeft te verstrekken voor zover de
eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s)
toereikend zijn (artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet). Voor zover gebruikelijke hulp kan worden
verwacht, hoeft de gemeente dus geen jeugdhulpvoorziening toe te kennen. In de praktijk kan
het ingewikkeld zijn om die afweging te maken.
Een maatregel die gemeenten kunnen nemen om dit eenvoudiger te maken is het vaststellen
van een lokaal afwegingskader gebruikelijke hulp. Dit houdt in dat gemeenten vastleggen
welke procedure wordt gehanteerd om te beoordelen wat onder gebruikelijke hulp valt, en
welke elementen een rol (kunnen) spelen bij de beoordeling door de professional
(bijvoorbeeld aard en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte). Het gaat hier dus niet
om een landelijke norm, maar een lokaal afwegingskader dat gemeenten zelf opstellen. Het
afwegingskader hoeft niet puur een juridisch instrument te zijn, maar meer een handvat om
gezamenlijk met ouders en jeugdige na te denken over wat er noodzakelijk is om vanuit
jeugdhulp te bieden en wat er binnen eigen netwerk georganiseerd kan worden om de
zelfredzaamheid van een gezin te verhogen. Het afwegingskader gaat alleen over de
verstrekking van jeugdhulp, niet over het (niet) inkopen van bepaalde voorzieningen of
behandelingen.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Het aantal (lichte) trajecten dat vanuit de Jeugdwet bekostigd moet worden gaat omlaag.
De omvang hangt echter wel sterk af van de kwaliteit en inhoud van het afwegingskader
en het flankerend beleid (inclusief opleiding van de toegang).
— Erkan sprake zijn van substitutie, wanneer in plaats van het toekennen van een
individuele voorziening verwezen wordt naar een sociale basisvoorziening.
— In principe gaat het afwegingskader ervan uit dat gebruikelijke hulp in het eigen netwerk
geleverd kan worden, en waar dit niet mogelijk is alsnog een beroep gedaan kan worden
op de Jeugdwet. Een mogelijk negatief neveneffect is dat een deel van de problematiek
die niet meer voor jeugdhulp in aanmerking komt escaleert en uiteindelijk zwaardere
jeugdhulp vraagt.
— Het toepassen van het afwegingskader kan gepaard gaan met een extra tijdsinvestering
van de toegang voor het implementeren van deze werkwijze en eventuele nazorg om
gezinnen te helpen in het zelf organiseren van de hulp vanuit eigen netwerk of anderszins.
In de analyse gaan we er daarbij vanuit dat deze kosten zich voornamelijk voordoen bij
cliënten die nu lichtere vormen van jeugdhulp krijgen, omdat bij zware jeugdhulp snel
duidelijk zal zijn dat gebruikelijke hulp niet volstaat. Anderzijds bij cliënten die nu geen
individuele voorziening toegekend krijgen zal het afwegingskader de beslissing eerder
makkelijker worden dan moeilijker.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
GV572 144
Andersson Elffers Felix
1. Afname volume
(lichte) jeugdhulp
AL ordi
MEE age
SEL lade basisvoorzieningen
enden door substitutie
Gebruiken van een
afwegingskader in Meer escalaties 3. Toename lange,
de toegang dure trajecten
4. Kosten
tijdsbesteding
nalopen
Toepassing van het lk lele
afwegingskader
door de toegang 5. Kosten
afhandeling en
eventuele nazorg
voor gezinnen waar
hulp is afgewezen
Verwachte omvang van de besparing
In het diepteonderzoek is gebleken dat een afwegingskader alleen goed werkt wanneer ook is
ingezet op het versterken van de kwaliteit van de toegang, door het inzetten van uitsluitend
medewerkers met een SKJ-registratie en/of die specifiek zijn opgeleid voor de toegang. Bijna
alle deelnemende gemeenten in de uitvraag die ervaring hebben met de maatregel (90%)
hebben dit beeld bevestigd.
In het diepteonderzoek is daarnaast gebleken dat een afwegingskader vooral een hulpmiddel
is om uniform te werken binnen de toegang, en niet op grote schaal leidt tot andere
afwegingen wanneer al is ingezet op het versterken van de kwaliteit van de toegang. Als er al
voldoende is ingezet op de kwaliteit van de toegang zijn die medewerkers namelijk al
voldoende in staat om te bepalen wanneer bepaalde hulp geboden moet worden, en wanneer
niet. Meer dan de helft van de gemeenten in de uitvraag is het eens met bovenstaande
constatering. Daarnaast gaf een deel van de gemeenten aan het niet te weten. Slecht een
beperkt aantal gemeenten gaf aan dat het afwegingskader wel een bijdrage zou leveren aan
het inzetten van de eigen kracht van het gezin of het netwerk van de jeugdige.
Daarmee concluderen we dat de kwaliteit van de toegang een randvoorwaarde is voor deze
maatregel, maar tegelijkertijd dat een goede toegang ervoor zorgt dat het afwegingskader
nauwelijks tot andere afwegingen leidt. Daarmee wordt er niet verwacht dat er minder hulp
bekostigd vanuit de Jeugdwet wordt ingezet, en zijn de financiële effecten 1, 2, en 3 nihil.
Uit het onderzoek tot nu blijkt dat het gebruik van een afwegingskader bij het beoordelen van
een hulpvraag niet meer tijd kost dan wanneer dit niet wordt gebruikt (effect 4). Uit de
gesprekken in het diepteonderzoek is gebleken dat met deze maatregel met name een
werkwijze die vaak al geïnternaliseerd is, geformaliseerd wordt. Het nalopen van het
afwegingskader neemt geen extra tijd in beslag, vindt ook 55% van de gemeenten in de
GV572 145
Andersson Elffers Felix
uitvraag die ervaring hebben met de maatregel (39% van de gemeenten geeft als antwoord
‘weet niet’). Omdat het afwegingskader niet op grote schaal leidt tot andere afwegingen, zijn
er ook geen extra kosten voor afhandeling en eventuele nazorg (effect 5).
De maatregel bespaart daarom geen kosten, maar leidt ook niet tot extra kosten. Het
financiële effect van deze maatregel is daarmee nihil.
Effect Financieel effect
1, Afname volume (lichte) jeugdhulp Nihil
2. Toename gebruik sociale
basisvoorzieningen door substitutie Nihil
3. Toename lange, dure trajecten Nihil
4. Kosten tijdsbesteding nalopen Nihil
afwegingskader
5. Kosten afhandeling en eventuele nazorg Nihil
voor gezinnen waar hulp is afgewezen
Totaal Nihil
Incidentele kosten Laag
Termijn van besparing nvt,
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Normalisering en focus op eigen kracht. Het afwegingskader zal meer nadruk leggen op
zorg die uit het eigen netwerk kan worden geboden. Nu wordt zorg vaak nog teveel uit
gewoonte toegewezen. Een afwegingskader kan stimuleren dat gekeken wordt naar wat
een gezin nodig heeft om zelf bepaalde zorg op te kunnen pakken en zo de
zelfredzaamheid van een gezin verhogen.
— Uniformering afwegingen. Doordat alle toegangsmedewerkers hetzelfde kader
hanteren, zullen keuzes minder afhankelijk zijn van de verschillende medewerkers. Dit
zorgt voor consistentere en objectievere afwegingen.
— Een afwegingskader versnelt het leerproces van professionals in lokale teams,
omdat het een manier is om keuzes en casuïstiek onderling te expliciteren.
— Mogelijke invloed op cliënttevredenheid. Een afwegingskader kan een handvat zijn
voor toegangsmedewerkers, waarmee ze vaker zorgvragen kunnen afwijzen door de rol
die het eigen netwerk heeft. Meer afwijzingen kunnen zorgen voor minder tevredenheid.
Anderzijds is een uitgangspunt van het afwegingskader is dat er transparantere en betere
afwegingen worden gemaakt. Dit leidt naar verwachting tot passendere hulp en meer
duidelijkheid voor jeugdigen en ouders zelf. Verwachtingen kunnen op deze manier
realistischer worden geschept. Dit draagt bij aan een hogere tevredenheid van jeugdigen
en ouders,
GV572 146
Andersson Elffers Felix
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Het afwegingskader is helder en transparant over de gemeentelijke definitie van
gebruikelijke zorg. Een afwegingskader moet aansluiten bij lokale waarden.
Randvoorwaarde is dat de gemeente zich uitspreekt over wat er wordt gedefinieerd als
gebruikelijk en wat niet. Een afwegingskader zou moeten voortkomen uit de
verbinding tussen bestuur, beleid en professional. Zoek de verbinding in de
uitgangspunten/visie en laat daar het afwegingskader (lokaal) uit groeien.
— De systematiek van het afwegingskader moet recht doen aan individuele verschillen.
Een afwegingskader moet (ook) oplossingen faciliteren die voor het gezin passend zijn.
Het afwegingskader faciliteert dat de professional kijkt naar de context van een
gezin/jeugdige. Hierbij kan er ook gekeken worden naar financiële draagkracht, waarbij
de vraag wordt gesteld of er geen financiële problemen in een gezin ontstaan als de hulp
door de ouder wordt geboden.
— Het afwegingskader wordt opgesteld door de gemeente en belangrijke stakeholders,
waaronder de jeugdhulpprofessionals zelf. Brede gedragenheid van (de visie van) het
afwegingskader wordt hiermee gewaarborgd. Het helpt professionals dat er een publiek
vastgesteld kader is om de schaarste-afweging te maken, en dat ze daar ook in een
gesprek naar kunnen verwijzen.
— In het afwegingskader is een werkwijze uitgewerkt, er is geen sprake van een
afvinklijst. Om een doelmatige en effectieve invoering van deze maatregel te
garanderen, is het belangrijk dat het afwegingskader vastlegt welke procedure wordt
gehanteerd om te beoordelen wat onder gebruikelijke hulp valt, en welke elementen een
rol (kunnen) spelen bij de beoordeling door de professional. Het gaat niet om een lijst van
hulp die men te allen tijde wel of niet gebruikelijk acht of een instrument wat tot extra
bureaucratie leidt.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Risico op escalatie wanneer de sociale basisvoorzieningen / de hulp uit eigen
netwerk niet toereikend is. Het afwegingskader zorgt er mogelijk voor dat meer gebruik
wordt gemaakt van de sociale basisvoorzieningen. Wanneer sociale basisvoorzieningen in
een gemeente of de hulp die het gezin zelf moet organiseren niet toereikend is, is de kans
aanwezig dat een jeugdige na verloop van tijd toch jeugdhulp nodig heeft. Het risico op
escalatie wordt hiermee groter.
Maatregel 4 Versnellen doorstroom naar Wlz door betere informatievoorziening
Beschrijving van de maatregel
Wanneer voor het eerst jeugdhulp wordt aangevraagd voor een jeugdige, is nog niet altijd in
te schatten wat het ontwikkelperspectief is, en dus ook niet of er levenslange en levensbrede
ondersteuning nodig is. Jeugdigen krijgen daarom in eerste instantie vaak een voorziening
vanuit de Jeugdwet, ook als de jeugdige op termijn wel voldoet aan de criteria voor de Wlz. Er
zijn signalen dat dit niet overal tijdig gesignaleerd wordt, waardoor de hulp langer dan nodig
uit de Jeugdwet bekostigd wordt.
GV572 147
Andersson Elffers Felix
De toeleiding naar de Wlz kan in ieder geval beïnvloed worden bij de gemeentelijke toegang
en jeugdhulpaanbieders.!°! Door de criteria voor verwijzing naar de Wlz bij de
jeugdhulpaanbieders en gemeentelijke toegang helder in beeld te krijgen en zo de
doorverwijzingen naar de Wlz te uniformeren, zouden er jeugdigen die nu vanuit de Jeugdwet
geholpen worden eerder een Wlz-indicatie krijgen.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Voor een deel van de jeugdigen met jeugdhulp wordt door deze maatregel zorg
overgeheveld naar de Wlz. Deze maatregel verlaagt zo de kosten binnen de Jeugdwet,
maar leidt wel tot verhoging van de kosten binnen de Wlz.
— Hiervoor moet wel ingeregeld worden dat de toewijzing beter verloopt, bijvoorbeeld door
professionals in de toegang en bij relevante jeugdhulpaanbieders beter op te leiden, en
periodieke evaluaties in te bouwen bij kinderen waar dit relevant voor is,
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Afname jeugdhulp die vanuit
Jeugdwet gefinancierd wordt
Deel van jeugdhulp
wordt overgeheveld van
Jeugdwet naar Wlz
2. Toename jeugdhulp die vanuit
Wlz gefinancierd wordt
Doorstroom naar
Wlz versnellen
3. Kosten voor opleiden
professionals bij gemeentelijke
toegang en jeugdhulpaanbieders
voor toeleiding Wlz
Proces inregelen
Verwachte omvang van de besparing
Voor de afname van de hulp uit de Jeugdwet (effect 1) en bijbehorende toename van de hulp
uit de Wlz (effect 2) geldt het volgende:
— Voor dit onderzoek hebben we cijfers ontvangen van het CIZ over de instroom in de Wlz
per leeftijdsgroep. Het blijkt dat rond 18 jaar veel jeugdigen instromen. Ook als
geschoond wordt voor VG3 en SGLVG-profielen!®?, evenals voor de profielen die niet
langer worden uitgegeven, blijkt er een piek te zijn die alleen verklaard kan worden
doordat jeugdigen later de Wlz instromen dan zou kunnen. In de onderstaande grafiek is
het aantal Wlz-aanvragen van de relevante zorgprofielen uitgesplitst naar
leeftijd (zie Figuur 41). We hebben gekeken naar het verschil tussen het aantal Wlz-
1 Ouders kunnen ook een Wlz-indicatie aanvragen; hier kunnen gemeenten echter niet of
nauwelijks op sturen, dus voor dit onderzoek richten we ons op de gemeentelijke toegang
en jeugdhulpaanbieders.
102 Voor deze profielen bestaat de toegang tot de Wz pas vanaf 18 jaar.
GV572 148
Andersson Elffers Felix
aanvragen van cliënten tussen de 17-19 en het gemiddelde aantal aanvragen van cliënten
tussen de 16-17 en 19-20, Hieruit is op te maken hoeveel cliënten er naar verwachting
eerder uit de Jeugdwet naar de Wlz hadden kunnen stromen. Door te kijken naar het
percentage van de aanvragen die ook daadwerkelijk tot toegang tot de Wlz leidt, volgt dat
er 265-325 cliënten van rond de 18 jaar de Wlz zijn ingestroomd, bovenop het aantal dat
logischerwijs verwacht zou worden.
— Regio’s waar al lange tijd extra aandacht is voor doorstroom naar de Wlz dragen per
definitie ook niet bij aan deze aantallen. Cliënten uit deze regio’s zullen immers eerder in
de Wlz ingestroomd zijn en dus niet bijdragen aan de piek die te zien is rond de 18 jaar.
— Het effect van regio’s waarin pas sinds een paar jaar extra aandacht is voor doorstroom
naar de Wlz is nog niet zichtbaar in deze cijfers, In theorie zou het dus zo kunnen zijn dat
in de praktijk besparingen deels al zijn ingeboekt, maar nog niet zichtbaar zijn in de data.
Als dat zo zou zijn, dan zou er wel een merkbaar verschil moeten zitten tussen de
percentages van de Wlz-aanvragen tussen 2015 en 2019 die worden gedaan van jeugdigen
onder de 17, jeugdigen tussen 17 en 19, en jeugdigen boven de 19. Dit is echter niet het
geval: deze percentages zijn over de jaren heen zeer stabiel. Hieruit concluderen we dat
het effect van regio’s die nu al extra aandacht besteden aan de doorstroom naar de Wlz al
is verdisconteerd in de gebruikte gegevens.
— Uit het diepteonderzoek bleek dat deze cliënten gemiddeld 3-4 jaar eerder de Wlz in
hadden kunnen stromen, zodat er jaarlijks, landelijk, 851-1212 cliënten uit de Jeugdwet
naar de Wlz zouden kunnen worden overgeheveld.
— Het gaat hier om een onderschatting, omdat cliënten die vóór hun 18° levensjaar van de
Jeugdwet naar de Wlz zijn gegaan, maar die overstap nog eerder hadden kunnen maken,
niet zijn meegenomen in de analyse,
— Uit literatuuronderzoek bleek dat jeugdigen die nog hulp uit de Jeugdwet krijgen terwijl
ze eigenlijk al de Wlz in zouden kunnen stromen, daar veelal onder profiel VG6 zouden
vallen. Echter gaven aanbieders in de enquête aan dat andere profielen ook voorkomen.
De meest frequent voorkomende profielen blijken VG4 en VG6 te zijn.
— De jaarlijkse kosten voor deze zorgprofielen (inclusief dagbesteding, gemiddeld over
prijzen inclusief/exclusief behandeling) bedragen gemiddelde ongeveer 77 — 84 duizend
euro.
— Inde Jeugdwet liggen de tarieven lager. Uit het diepteonderzoek en de enquête blijkt dat
tarieven daar ca 12 - 15% goedkoper zijn.
140
120
ce 100
So
5 80
€
la®]
® 60
3
40
ahead
zaza
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10111213 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23
Leeftijd
Figuur 41 Het aantal Wlz aanvragen in 2019 afgezet tegen de leeftijd van de cliënt. Hierbij zijn
alleen de profielen meegenomen die ook toegankelijk zijn voor jongeren onder de 18.
GV572 149
Andersson Elffers Felix
Om het proces in te regelen om tijdige doorverwijzingen te implementeren (effect 3 en 4),
blijkt uit het diepteonderzoek dat vooral bewustwording nodig is zodat
jeugdhulpprofessionals zich bewust zijn van de mogelijkheid van de Wlz en zich regelmatig de
vraag stellen of dit passender zou zijn voor het kind. Deze periodieke vraag hoeft weinig extra
tijd te kosten als hij ingebed wordt in het reguliere proces, bijvoorbeeld als onderdeel van de
zorgplanbesprekingen, die over het algemeen ook periodiek plaatsvinden. Als het op die
manier in het primaire proces verwerkt wordt, kost dit vrijwel geen extra tijd.
Effect Financieel effect
1. Afname jeugdhulp die vanuit jeugdwet 59 tot 85 miljoen euro
gefinancierd wordt
2. Toename jeugdhulp die vanuit Wlz 68 tot 98 miljoen euro
gefinancierd wordt
3. Kosten voor opleiden professionals bij -
gemeentelijke toegang en
jeugdhulpaanbieders voor toeleiding Wlz
4. Periode evaluaties -
Totaal (Jeugdwet) 59 tot 85 miljoen euro
Totaal (Wlz) -68 tot -98 miljoen euro
Incidentele kosten Middel, maar proces is al begonnen
Termijn van besparing Korte termijn, want proces is al begonnen
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Hogere cliënttevredenheid. Voor cliënten heeft de maatregel als voordeel dat bij
langdurige problematiek niet steeds om verlenging van een beschikking hoeft te worden
gevraagd, waardoor het wat gebruikersvriendelijker is,
— Minder ruimte voor verwerking ouders/jeugdigen. Het doorstromen naar de Wlz
bevestigt dat de problematieken van een jeugdige niet van tijdelijke aard zijn, maar dat er
levenslang en levensbreed ondersteuning nodig is. Dit is een ingrijpende gebeurtenis zijn
voor jeugdigen en hun ouders. Op het moment dat de doorverwijzing versneld of
geüniformeerd wordt, kunnen jeugdigen de Wlz instromen terwijl zij en hun ouders daar
mogelijk nog niet klaar voor zijn.
— Betere informatievoorziening over Wlz-criteria kan leiden tot verandering van het
afwijzingspercentage. Als er wordt ingezet op eerder doorverwijzen naar de Wlz kan dit
leiden tot meer afwijzingen voor de Wlz vanuit het CIZ. Aan de andere kant kan meer
bekendheid met de Wlz-criteria ook leiden tot beter zicht op welke jeugdigen in
aanmerking komen voor de Wlz, en daarmee leiden tot een lager afwijzingspercentage.
GV572 150
Andersson Elffers Felix
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Het evaluatieproces moet overal ingeregeld zijn. Het is van belang dat de vraag over
toegang tot de Wlz geregeld gesteld wordt en verankerd wordt in de reguliere processen,
bijvoorbeeld bij het actualiseren van het zorgplan.
— Voldoende expertise. Alle betrokken medewerkers moeten voldoende expertise hebben
om situaties te herkennen waarin het relevant is om naar de mogelijkheden van de Wlz te
kijken.
— Voldoende ondersteuning vanuit het CIZ. Om snel te leren welke kinderen wel of juist
geen toegang tot de Wlz hebben, is het van belang dat het CIZ beschikbaar is om
informatie te geven over de betekenis van criteria. Hier is het CIZ al mee bezig.
— Voldoende mogelijkheden voor instroom Wlz. Als kinderen toegang hebben tot de Wlz,
maar daar op de wachtlijst komen, komt het voor dat de gemeente hulp blijft betalen
vanuit de Jeugdwet. In zo’n geval is het van belang dat het zorgkantoor deze
verantwoordelijkheid direct overneemt.
— Jeugdzorgaanbieders moeten worden meegenomen in het proces. Omdat
jeugdzorgaanbieders verantwoordelijk zijn voor de dossieropbouw die nodig is voor de
beoordeling van het CIZ, is het belangrijk dat er voldoende draagvlak is voor deze
maatregel vanuit jeugdzorgaanbieders.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Ouders hebben onvoldoende tijd om te wennen en rouwen. De Wlz is definitief. Voor
ouders betekent de instroom in de Wlz vaak dat ze definitief een laatste stukje hoop
moeten opgeven voor hun kind, ook omdat voor de aanvraag schriftelijk onderbouwd
moet worden wat een jeugdige allemaal niet kan. Als dit proces meer geüniformeerd
wordt, neemt dat ook de mogelijkheid weg voor ouders die dat nodig hebben om wat
langer te rouwen over de dromen die geen werkelijkheid worden. Dat kan zowel voor
ouders als voor professionals zwaar zijn.
Maatregel 5 Inperken van outreachende activiteiten
Beschrijving van de maatregel
Op dit moment hebben veel gemeenten (vaak ingericht in de lokale teams) een outreachende
manier van werken. Lokale teams gaan bijvoorbeeld actief de wijk in om te kijken welke
problematiek daar speelt. Dit zorgt mogelijk juist voor meer zorggebruik, omdat deze
laagdrempeliger beschikbaar is. Het doel is dus om oversignalering tegen te gaan.
Uit onderzoek blijkt dat lokale teams beperkt toekomen aan outreachende activiteiten:
slechts 28% van de lokale teams voert deze activiteiten uit.°* Uit het onderzoek blijkt dat
gemeenten de volgende outreachende activiteiten uitvoeren:
— Het inzetten van jongerenwerkers in de wijk
— Het inzetten van lokale teams op vindplaatsen van de potentiële doelgroep, zoals
buurthuizen, jongerenketen, op straat op in parken
— Het geven van voorlichting op locaties waar de potentiële doelgroep collectief aanwezig
is
03 Sociale (wijk)teams vijf jaar later, Movisie, 2019.
GV572 151
Andersson Elffers Felix
— Het inzetten van jeugdhulpprofessionals op het (speciaal) onderwijs
— Het uitvoeren van huisbezoeken op afspraak of op basis van signalen van formele en
informele netwerkpartners
— Het inzetten van migrantenzelforganisaties
We gaan er voor het onderzoek vanuit dat de toegang georganiseerd wordt als loketfunctie
om zo de outreachende werking te verkleinen. Dit betekent bijvoorbeeld dat lokale teams niet
meer aanwezig zijn bij scholen, buurthuizen, jongerenketen en andere vindplaatsen, tenzij ze
daar voor een specifieke cliënt zijn gevraagd.
Beleidstheorie van de maatregel
Een belangrijk onderdeel van de beleidstheorie van de Jeugdwet is het idee dat het nuttig is
om problemen vroeg te signaleren en dan zwaarder te voorkomen. Het beperken van
outreachend werken heeft uiteraard het tegengestelde effect:
— Doordat de toegang minder jeugdigen ziet, zullen er ook minder problemen gesignaleerd
worden. Daardoor neemt het aantal jeugdhulptrajecten af, Voor een deel van deze
jeugdigen zal de problematiek naar verwachting verergeren, waardoor zij later alsnog in
duurdere trajecten zullen stromen. Het aantal duurdere trajecten neemt dus juist toe.
— Minder outreachend werken leidt er ook toe dat de toegang minder bekend is bij
jeugdigen en ouders, waardoor naar verwachting meer verwijzingen via de huisarts zullen
lopen. Dit leidt mogelijk tot een toename van jeugdhulptrajecten, aangezien huisartsen
minder bekend zijn met sociale basisvoorzieningen en dit dus minder snel zullen inzetten.
Daarnaast is een toename van verwijzingen naar niet-gecontracteerde aanbieders te
verwachten, aangezien huisartsen minder goed op de hoogte zijn van welke aanbieders
door de gemeente gecontracteerd zijn.
— Erzijn minder werkzaamheden voor het lokale team, waardoor de kosten voor het lokale
team afnemen.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
GV572 152
Andersson Elffers Felix
1. Afname
jeugdhulp
trajecten
Minder jeugdigen Minder
bekend bij toegangs B (vroeg)signalering
2. Toename
Toename
EEN EEN
escalaties N
trajecten
KM Nat laat)
gebruik sociale
sr:
voorzieningen
Inperken ,
Are Toegang wallie Meer verwijzingen LE Toename
RA bekend bij — . 8 jeugdhulp
activiteiten van R fi via de huisarts
jeugdigen/ouders trajecten
FA KE
5. Toename
LAND AlaFl
naar niet-
gecontracteerde
aanbieders
Minder R 6. Afname kosten
Afname aantal fte in
werkzaamheden Jm PN RG lokale
voor lokale teams teams
Verwachte omvang van de besparing
De EffectenArena en het diepte-onderzoek gaven weinig inzicht in deze maatregel. Wel bleek
uit eerder onderzoek! dat meer dan de helft van de lokale teams onvoldoende toekomt aan
outreachende activiteiten. Gemeenten die bevraagd zijn op outreachende activiteiten in het
diepteonderzoek, hadden weinig inzicht in de effecten hiervan. Ook was er weinig zicht op het
aantal jeugdigen dat bereikt werd met de outreachende activiteiten. Op basis daarvan is
geconcludeerd dat het weinig zinvol was om vragen over effecten en aantallen op te nemen in
de enquête. In de enquête is wel gevraagd naar het type outreachende activiteiten dat
gemeenten uitvoerden en de doelgroep waar deze op gericht zijn.
De uitkomsten van de enquête gaven het volgende beeld:
— Op één gemeente na, doen alle gemeenten aan minstens één outreachende activiteit.
Bijna de helft van de deelnemende gemeenten in de uitvraag is in de afgelopen jaren
(vanaf 2015) méér outreachende activiteiten gaan uitvoeren. Een derde van de
gemeenten geeft aan dat er nog evenveel outreachende activiteiten worden uitgevoerd
als in 2015. lets minder dan 20% heeft de outreachende activiteiten beperkt in de
afgelopen jaren; in enkele gemeenten gebeurde dit vanwege financiële krapte en/of te
weinig capaciteit, andere gemeenten kozen hier bewust voor vanwege beleidsredenen.
— De meest voorkomende activiteit staat over het algemeen los van het lokale team: 95%
van de gemeenten heeft jongerenwerkers in de wijk. De overgrote meerderheid (70%)
heeft hiervoor geen specifieke doelgroep gedefinieerd, maar beoogt met deze activiteit
alle jeugdigen te bereiken. In de helft van de gemeenten zijn lokale teams aanwezig op
10% Sociale (wijk)}teams opnieuw uitgelicht, Movisie, 2018.
GV572 153
Andersson Elffers Felix
vindplaatsen. Ook dit wordt veelal breed ingezet. De brede insteek geldt ook vaak voor de
andere activiteiten. Bepaalde activiteiten worden in een klein deel van de gemeenten in
de uitvraag ingezet voor specifieke doelgroepen. Deze doelgroepen zijn bijvoorbeeld
jeugdigen met een migratieachtergrond of hangjongeren. Het grootste gedeelte van de
activiteiten worden echter voor alle jeugdigen ingezet.
Het onderzoek naar de boeggolf, waarbij effectieve interventies onderzocht zijn, geeft wel
aanwijzingen.
— Het blijkt dat preventieve interventies binnen de Jeugdwet vaak niet tot een
kostenbesparing leiden.” Naarmate preventie en vroegsignalering gericht is op het
voorkomen van duurdere trajecten, worden ze kosteneffectiever. Dit punt werd herkend
in het diepteonderzoek en werksessies: hierin werd verschillende keren benoemd dat het
van belang is dat outreachende activiteiten gericht zijn op risicogroepen.
— Gezien de uitkomsten van de enquête, waaruit blijkt dat outreachende activiteiten veelal
gericht zijn op alle jeugdigen, is te verwachten dat het stoppen met outreachende
activiteiten tot een besparing binnen de Jeugdwet zal leiden. Aangezien niet bekend is
hoeveel jeugdigen op dit moment bereikt worden door outreachende activiteiten en van
veel activiteiten onvoldoende bekend is wat het effect hiervan is, is het echter niet
mogelijk om het bedrag dat hiermee gemoeid is te kwantificeren.
Op grond van het volumeonderzoek is wel te verwachten dat een eventuele besparing naar
aanleiding van het beperken van outreachende activiteiten zeer beperkt is.
— Een toename van outreachende activiteiten zou gepaard moeten gaan met meer
vroegsignalering en daarmee met een toename in de instroom in jeugdhulp. Een
dergelijke toename is niet zichtbaar in de cijfers, Op basis van het volumeonderzoek kan
dus geconcludeerd worden dat de outreachende activiteiten slechts beperkt effect
hebben gehad op het jeugdhulpgebruik. Dat betekent dat het gecombineerde effect van
effecten 1, 2 en 4 nihil is.
Voor de afname in het gebruik van sociale basisvoorzieningen (effect 3) is eerder toegelicht
dat dit niet goed af te bakenen is en daarom niet opgenomen wordt.
Een toename van kosten voor verwijzingen naar niet-gecontracteerde aanbieders (effect 5) is
niet getoetst, Dit is uiteraard ook sterk afhankelijk van de aanwezigheid van een POH-jeugd in
een huisartsenpraktijk en de mogelijkheid om afspraken met huisartsen te maken. Aangezien
deze jeugdigen sowieso hulp zouden krijgen, is de verwachting dat de kostentoename die
hierdoor veroorzaakt wordt op gering is.
Tot slot zou de maatregel volgens de doelenboom leiden tot een afname aan kosten voor
lokale teams (effect 6). Zoals eerder benoemd komt meer dan de helft van de lokale teams
onvoldoende toe aan outreachende activiteiten. Wel heeft meer dan de helft van de
gemeenten aangegeven dat de inzet voor outreachende activiteiten is toegenomen, terwijl
deze bij slechts een derde van de gemeenten is afgenomen. Naar verwachting is er dus wel
enige kostenstijging - en daarmee ook potentiële besparing — gerealiseerd. Het is ingewikkeld
om deze te kwantificeren. Uit de enquête blijkt dat er in de afgelopen jaren extra is ingezet op
sociale lokale teams en voorliggend veld, maar dat betreft ook middelen voor de reguliere
toegangs- en hulpverleningstaken.
105 Deze conclusie geldt alleen binnen de Jeugdwet; de eventuele kostenbesparing die dit
op zal leveren op andere domeinen, zijn buiten beschouwing gelaten.
GV572 154
Andersson Elffers Felix
Effect Financieel effect
1, Afname jeugdhulp trajecten Nihil
2. Toename duurdere trajecten Nihil
3. Afname gebruik sociale basis- Nihil
voorzieningen
4. Toename jeugdhulp trajecten Nihil
5. Toename verwijzingen naar niet- - (naar verwachting beperkt)
gecontracteerde aanbieders
6. Afname kosten voor lokale teams - (naar verwachting beperkt)
Totaal Onbekend, maar naar verwachting beperkt
Incidentele kosten Laag
Termijn van besparing Korte termijn
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Welzijn jeugd. Lokale teams zijn minder vindbaar en doen minder aan vroegsignalering,
waardoor er minder (snel) hulpvragen komen. Dit heeft niet alleen effect op de kosten,
maar ook op het welzijn van jeugdigen. Jeugdigen zullen namelijk minder snel hun weg in
het zorglandschap weten te vinden waardoor problematiek kan verergeren.
— Toename van gezondheidsverschillen. Als outreachend werken specifiek ingezet wordt
op plaatsen waar jeugdigen meer risico hebben om problemen te hebben en niet zelf de
route naar jeugdhulp weten te vinden, leidt het naar verwachting tot beter bereik van
deze risicogroepen. Het inperken van outreachend werken heeft als gevolg dat deze
jeugdigen minder goed worden bereikt, terwijl juist de groepen die in het systeem wel de
weg weten te vinden naar hulp en ondersteuning, dit ook zonder outreachend lokaal
team nog weten te vinden.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Geen substitutie. Voor deze maatregel is het uiteraard van belang dat de outreachende
functie niet op een andere manier wordt ingevuld.
— De toegankelijkheid van lokale teams moet gewaarborgd blijven. Jeugdigen en hun
ouders moeten open toegang hebben tot de loketfunctie van de gemeente. Als dit niet
geborgd is, zijn er veel meer negatieve effecten.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Minder verbinding met lokale partijen. Door het inperken van outreachende
activiteiten van lokale teams is de verbinding met lokale netwerken in de buurten minder
vanzelfsprekend. Daardoor bestaat het risico dat minder gebruik wordt gemaakt van
GV572 155
Andersson Elffers Felix
sociale basisvoorzieningen omdat men in het toegangsteam niet goed op de hoogte is
van de mogelijkheden en de overdracht minder vanzelfsprekend is.
— Minder opbouw van kennis. Doordat professionals van de lokale teams minder in de
haarvaten van de wijk zitten en minder professionals in sociale basisvoorzieningen of van
andere partijen ontmoeten, bouwen ze minder vanzelfsprekend kennis op over wat er
speelt in de wijk. Daardoor bestaat het risico dat zij minder goed in staat zijn om te
analyseren wat er in een wijk nodig is aan aanbod of interventies.
— Verminderen werkplezier toegangsmedewerkers. Er is veel draagvlak voor de positieve
werking van outreachend werken. Wanneer deze maatregel wordt geïmplementeerd,
bestaat de kans dit weerstand oproept bij medewerkers. Gezien de arbeidsmarkttekorten
vormt dit een risico voor de continuïteit van de dienstverlening.
— Maatschappelijke kosten op andere domeinen. Als minder hulpvragen tijdig
gesignaleerd worden, kan dat ook leiden tot andere problemen, zoals schooluitval of
verlies van werk van één of beide ouders. Het risico bestaat dat in de Jeugdwet kosten
bespaard worden, maar dat latere kosten op het gebied van participatie of in de Zvw
uiteindelijk hoger uitvallen.
— Minder sturingsmogelijkheden voor de gemeente. De gemeente heeft meer grip op de
eigen lokale teams dan op andere verwijzers. Naarmate meer verwijzingen via de huisarts
verlopen, betekent dit dat de gemeente minder mogelijkheden heeft om bij te sturen op
het jeugddomein.
Maatregel 6 Directe hulpverlening door lokaal team
Beschrijving van de maatregel
Lokale teams kunnen naast de toegangsfunctie ook zelf hulpverlening aanbieden. Op die
manier hoeft niet meer altijd doorverwezen te worden naar jeugdhulpaanbieders. 77% van de
lokale teams geeft aan zelf kortdurende ondersteuning te bieden.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Er wordt directe hulpverlening in het lokale team gedaan. Dit brengt uiteraard extra
kosten met zich mee voor het lokale team.
— Het aantal doorverwijzingen naar jeugdhulpaanbieders zal afnemen door de directe
hulpverlening in het lokale team. Directe hulpverlening in het lokale team kan tegen
lagere kosten dan de hulpverlening door jeugdhulpaanbieders door lagere tarieven en
andere dienstverlening.
— Er wordt meer hulpverlening geboden, omdat de hulp laagdrempeliger is wanneer er een
hulpverlener in het lokale team zit. Dit werkt enerzijds kostenverhogend: uit een rapport
van het CPB blijkt dat professionals van de lokale teams met een zorgachtergrond op het
gebied van de Wmo meer doorverwijzen dan professionals met een ambtelijke
achtergrond.’ Voor Jeugd zou zich een vergelijkbaar effect kunnen voordoen.
Laagdrempeliger hulp bieden kan echter ook erger voorkomen, waardoor de kosten juist
afnemen.
— In een lokaal team is minder wachttijd, waardoor jeugdigen sneller geholpen kunnen
worden. Dit voorkomt dat problemen erger worden en meer hulp ingezet moet worden.
106 Sociale (wijk)teams vijf jaar later, Movisie, 2019.
107 De wijkteambenadering nader bekeken: Het effect van de inzet van lokale teams op
Wmo-zorggebruik, Centraal Planbureau, 2018.
GV572 156
Andersson Elffers Felix
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
NIKO IIET NEC IE
KS ETA OENE ESTE geen overdracht fe KTA Ca Oa
neemt hulpverlening
AA Cl AG EN 2. Hogere of lagere
fe KTA Ca Oa OKKI
Te EG kosten door
. i 5 URE HI
Directe
hulpverlening door Laagdrempeligheid
VOREN R 4, Minder kosten aan
oorkomen escalatichg N
duurdere trajecten
An en _| Seep
interventies
Jeugdhulpprofessionals Oversignalering en 6. Extra ol AN Aeg
N —_— extra — trajecten bij
in lokaal team nn R
doorverwijzingen aanbieders
Verwachte omvang van de besparing
Voor de lagere prijs van de dienstverlening (effect 1) en de veranderde kosten naar aanleiding
van andere dienstverlening (effect 2) zijn de volgende elementen onderzocht:
— Op basis van het diepteonderzoek en een aanvullende werksessie blijkt dat 10 — 30% van
de jeugdhulp die via een lokaal team dat niet zelf hulp verleent verwezen wordt ook door
een lokaal team zelf geleverd kan worden.
— Uit de diepteonderzoeken bleek dat de uurtarieven van medewerkers van een lokaal
team gemiddeld liggen op € 70 - 75, wat 5 - 15 % lager is dan van vergelijkbare
medewerkers bij een aanbieder. Dit komt door een verschil in overhead, productiviteit en
(risico)marge. Dit werd bevestigd in de enquête.
— Van deze jeugdigen wordt volgens het diepteonderzoek 40 — 60% op dezelfde manier
geholpen als bij een aanbieder (effect 1). Dit betreft vooral de wat zwaardere trajecten die
1- 2 jaar duren en € 4000 - € 5000 kosten. Bij de andere jeugdigen levert het lokale team
andere hulp dan aanbieders (effect 2). Het belangrijkste verschil is dat het lokale team
veelal eerder afschaalt, waardoor het traject 10 — 30 % goedkoper is. Uit het
diepteonderzoek blijkt dat de kosten van het oorspronkelijke traject vergelijkbaar zijn
met trajecten die voorkomen worden door een POH-jeugd (€ 2100 - € 2500).
— Een tweede besparing is dat er geen overdracht tussen organisaties meer plaatsvindt: er
hoeft geen beschikking in orde gemaakt te worden, en er is geen inhoudelijke overdracht
van informatie of dubbele uitvragen nodig. Uit het diepteonderzoek blijkt dat dit
gemiddeld 1 - 2 uur bespaart.
108 Het is uiteraard mogelijk om de definitie van een lokaal dusdanig uit te breiden dat het
grootste deel van de jeugdhulp eronder valt. Voor deze situatie gaan we echter uit van een
lokaal team dat alleen de relatief lichte trajecten oppakt.
GV572 157
Andersson Elffers Felix
De laagdrempeliger hulpverlening bij lokale teams leidt volgens de doelenboom tot meer
hulpverlening (effect 3) en voor een deel van de jeugdigen die extra geholpen zijn tot minder
escalatie (effect 4).
— Uit het diepteonderzoek, aanvullende werksessies en de enquête blijkt dat 10 — 30% van
de jeugdigen die hulp krijgt als het lokale team zelf hulp verleent anders geen jeugdhulp
hadden gekregen.
— Op hoofdlijnen zijn er twee groepen jeugdigen die deze extra jeugdhulp krijgen.
= Uit de werksessies blijkt dat 70 - 80% van deze jeugdigen lichte problemen hebben
die met een paar gesprekken geholpen zijn. Een traject van enkele gesprekken kost
gezien de tarieven van medewerkers van een lokaal team typisch € 400 — € 600 en
voorkomen als een effectieve interventie gebruikt wordt?” in 5 - 15% van de gevallen
later een licht traject bij een aanbieder van € 900 - € 1.200.
= De overige 20 - 30% van deze jeugdigen heeft zwaardere jeugdhulp nodig. Deze groep
wordt sowieso doorverwezen, maar de drempel om naar een aanbieder te gaan is te
groot. Voor deze jeugdigen is een traject van één tot twee jaar nodig dat € 4.000 - €
5.000 kost. Bij 5 — 15% van deze jeugdigen kan een preventief traject echter een zwaar
traject in een later stadium voorkomen. De kosten van dergelijke trajecten *® lopen
sterk uiteen, maar gemiddeld kan men uitgaan van € 10.000 - € 30.000 per jaar.
Het effect van kortere wachttijden (effect 5) lijkt in de praktijk weinig te spelen. Uit het
diepteonderzoek blijkt dat aanbieders over het algemeen een inschatting maken van de
urgentie van het probleem bij het prioriteren van de wachtlijst. Escalatie door een wachtlijst
komt daarom vooral voor bij cliënten die moeilijk te plaatsen zijn, en sowieso niet door het
lokale team geholpen zouden worden. Dit effect is in de praktijk dus nihil.
In de doelenboom is tot slot een effect opgenomen dat ook in het diepteonderzoek en de
enquête is benoemd: hulpverlening in een lokale team kan ook juist tot meer verwijzingen
kunnen leiden (effect 6). Een hulpverlener kijkt met een andere blik dan een
toegangsmedewerker, wat kan leiden tot minder normaliseren en daarmee meer
jeugdhulptrajecten. Zo bleek in de Wmo dat zorgaanbieders in het lokale team leidden tot
meer gebruik van Wmo-voorzieningen.* Bij jeugd is niet bekend in hoeverre dit effect
optreedt, en de beelden hierover zijn te divers om er een conclusie aan te verbinden. Daarom
is het effect hiervan onbekend.
Bovenstaande kengetallen moeten nog geëxtrapoleerd worden naar een macrobedrag. Van
de in 2019 gestarte trajecten zijn volgens CBS 117.349 jeugdigen verwezen en/of behandeld
door lokale teams. Conform deze maatregel zouden 11.735 — 35.205 jeugdigen door lokale
teams behandeld kunnen zijn als alle lokale teams zelf direct hulp hadden verleend (zoveel
als volgens het onderzoek mogelijk is). Er is gekeken naar gemeenten waarin het lokale team
een kleiner percentage jeugdhulp verleende dat volgens het onderzoek mogelijk zou zijn. Dit
betrof 71 gemeenten. Voor 212 gemeenten waren de aantallen verwijzingen te laag om dit te
kunnen bepalen. Op basis daarvan is bepaald dat er in totaal 13.029 trajecten door het lokale
109 Het ‘succespercentage’ sluit aan bij de analyse van effectieve interventies die gedaan
zijn voor de boeggolf. Van belang is om te vermelden dat het na een interventie over het
algemeen wel met meer jeugdigen beter gaat dan ervoor dan de 5 —15% die hier genoemd
wordt, maar bij een deel van deze jeugdigen was de problematiek vanzelf overgegaan. In
dit percentage is dat verdisconteerd.
10 Het gaat om trajecten als Relationele Gezinstherapie (RGT), Multisysteemtherapie (MST),
crisishulp of een behandelgroep.
1 De wijkteambenadering nader bekeken, CPB, 2019.
GV572 158
Andersson Elffers Felix
team uitgevoerd zouden kunnen worden in plaats van door een aanbieder ten opzichte van
2019. Daarbij is rekening gehouden met het percentage trajecten dat nu al door de
betreffende lokale teams uitgevoerd wordt. Daarbij is uitgegaan van het huidige aantal
jeugdigen dat met het lokale team te maken heeft gehad: voor jeugdigen die via een andere
verwijsroute in de jeugdhulp terechtgekomen zijn, ligt het immers niet voor de hand dat ze
jeugdhulp via het lokale team zouden krijgen.
Effect Financieel effect
1. Lagere prijs dienstverlening 0,9 tot 5 miljoen
2. Hogere of lagere kosten -1tot9 miljoen
3. Extra kosten door extra activiteiten -1tot-0,3 miljoen
4. Minder kosten aan duurdere trajecten -3 tot -0,3 miljoen
5. Goedkopere interventies Nihil
6. Extra kosten voor trajecten bij aanbieders _ -
Totaal -1tot 10 miljoen
Incidentele kosten Hoog: inrichten andere organisatiestructuur
Termijn van besparing nvt,
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Doordat professionals van de lokale teams
zelf sneller en passend bij onderliggende problematiek kunnen aansluiten, kan er
persoonlijk leed voorkomen worden. Daarnaast kan hulpverlening vaker nabij
plaatsvinden, omdat een jeugdige bij het eigen lokale team behandeld kan worden, in
plaats van dat de jeugdige direct doorgestuurd wordt naar jeugdhulp die niet altijd in de
woonplaats van de jeugdige aanboden wordt.
— Betere reputatie lokaal team. Doordat lokale teams zelf actie kunnen ondernemen en
hulp kunnen inzetten voor jeugdigen, is de verwachting dat de reputatie verbetert. Het
lokale team wordt dan de plaats waar je meteen geholpen wordt.
— Meer kennis over zorgbehoeften in de wijk. De diepere connecties in en met de wijk en
de verbeterde reputatie van het lokale team hebben verschillende effecten. Zo ontstaat er
laagdrempeligheid waardoor jeugdigen en ouders eerder zorg vragen en problematiek
voorkomen kan worden. Ook is er betere kennis over wat er speelt in de wijk, waardoor er
preventief geacteerd kan worden op zorgbehoeften en bijvoorbeeld groepsaanbod kan
worden ingezet vanuit sociale basisvoorzieningen.
— Meer werkplezier professionals van de lokale teams. Doordat de professionals van de
lokale teams zelf de ruimte krijgt om te doen wat nodig is, is de verwachting dat het
werkplezier verhoogd wordt. Jeugdprofessionals hebben daarnaast bredere taken en
daardoor meer de mogelijkheid om zichzelf te ontwikkelen.
— Mogelijke verhoging werkbelasting bij aanbieders. Als lichte vormen van jeugdhulp
door het lokale team opgepakt worden, komen alleen zwaardere gevallen nog bij
GV572 159
Andersson Elffers Felix
aanbieders terecht. Dit kan leiden tot een zwaardere belasting van professionals bij
aanbieders.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Voldoende capaciteit bij het lokale team. Als er door wachtlijsten met het lokale team
alsnog direct wordt doorgezet naar jeugdhulpaanbieders bereikt deze maatregel zijn doel
niet. In de praktijk is gebleken dat dit voorkomt en dat dan het behandelen van jeugdigen
als eerste op pauze wordt gezet.
— Voldoende competenties bij het lokale team. Als het lokale team zelf hulp verleent, is
het van belang dat een combinatie van competenties geborgd is: enerzijds moeten
medewerkers in staat zijn om hulp te verlenen, maar tegelijkertijd moeten zij in staat zijn
om te normaliseren en soms nee te zeggen. Deze combinatie van competenties gaat niet
vanzelf samen, dus het is van belang dat medewerkers hierin geschoold worden.
— Het lokale team is divers. Een gemengde samenstelling van het team waarin men elkaar
kan aanvullen en helpen, is belangrijk voor het efficiënt invoeren van deze maatregel.
— Goede monitoring. Het is belangrijk om de ‘voortgang’ te monitoren. Ondersteuning
rond complexe vraagstukken, over de levensdomeinen vraagt erom samen te leren en
anders te verantwoorden. En dat vraagt een goede monitoring. Monitoring kan ook gaan
om het duiden van trends (bijvoorbeeld van schuldhulp en armoedevraagstukken) en
daarvan leren, om door te kunnen ontwikkelen. Tot slot kan monitoren helpen om te
ontdekken wat wel en niet werkt.
— De sociale basisvoorzieningen zijn toereikend en goed verbonden met het lokale
team. Er moet een goede sociale basisinfrastructuur zijn, waar je als lokaal team bij kunt
aansluiten en waar overleg mee plaats vindt om het aanbod te laten aansluiten op de
vraag.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Veel dubbele trajecten met als gevolg meer professionals betrokken bij een jeugdige.
Het risico is dat een lokaal team wel een deel van de jeugdhulp kan bieden, maar een deel
van de specialistischere jeugdhulp niet, waarvoor zij alsnog een traject starten bij een
specialistische jeugdhulpaanbieder. Dit leidt tot fragmentatie van trajecten en minder
doelmatige jeugdhulp.
— Kennis over specifieke toegangstaken raakt versnipperd. In het onderzoek geven
toegangsmedewerkers aan dat de toegang een vak apart is. Er is expertise nodig op het
gebied van zorginhoud, maar ook kennis over het brede zorglandschap en wettelijke
kaders, en gespreksvaardigheden om vraagstukken te normaliseren. Als medewerkers
een flink deel van hun tijd bezig zijn met behandelen, doen zij minder ervaring op met de
specifieke toegangstaken. Daarom hebben sommige toegangsteams die zelf hulp
verlenen de taken van de toegang en die van de hulpverlening bij verschillende mensen
belegd. Daarmee gaat uiteraard wel een deel van de laagdrempeligheid verloren.
Maatregel 7, 8 en 9 Interdisciplinaire afweging voor specifieke groepen
Beschrijving van de maatregel
We onderzoeken een interdisciplinaire afweging langs de lijn van drie selectiecriteria: de
duurste gezinnen, ondersteuning vanuit meerdere domeinen en een traject met verblijf. Een
interdisciplinaire afweging helpt in het kijken naar de context van een jeugdige en gezin, en
GV572 160
Andersson Elffers Felix
bieden van maatwerk waar nodig. Afwegingen en overleggen vinden in iedere gemeente
reeds plaats, maar met deze maatregelen worden er structureel en gericht interdisciplinaire
afwegingen gemaakt als er sprake is van een van de drie selectiecriteria. Onderstaand
beschrijven we elk van deze maatregelen apart.
Duurste gezinnen
Gemeenten kunnen kosten verlagen door het bieden van integraal maatwerk, vooral voor
gezinnen en jeugdigen met hoge kosten. Door in de duurste gezinnen te inventariseren waar
de (jeugd)hulp heengaat en een heroverweging te maken voor het gezin en/of kind, kunnen
kosten voor gemeenten verminderen. Een interdisciplinaire afweging kan ook indien
wenselijk als tussentijds evaluatiemoment worden ingezet waarin er wordt overwogen of de
geboden zorg (nog) de meest passende zorg is voor het gezin.
Ondersteuning vanuit meerdere domeinen
Wanneer een gezin gebruik maakt van ondersteuning of hulp vanuit meerdere gemeentelijke
domeinen, wordt er vaak per domein in isolatie een afweging gemaakt over de benodigde
ondersteuning. Integrale ondersteuning vanuit meerdere domeinen is juist essentieel om te
komen tot goede hulpverlening bij multiprobleemgezinnen.? Met deze maatregel wordt
voorgesteld om in het geval dat er vanuit meerdere domeinen ondersteuning geboden wordt
in de toegang steeds een interdisciplinaire afweging maken over de benodigde ondersteuning
(ongeacht de hoogte van de kosten van de ondersteuning tot dan toe) middels een
casusoverleg met (specialistische) professionals uit meerdere domeinen. Het interdisciplinair
afwegen van ondersteuning van gezinnen met problemen in meerdere domeinen kan kosten
besparen, doordat er aandacht is voor achterliggende oorzaken die mogelijk tot problemen in
andere domeinen leiden.
Traject met verblijf
Jeugdhulp met verblijf is duur en het is niet altijd het meest effectief; soms komen jeugdigen
in jeugdhulp met verblijf terwijl dat voor hen niet de beste oplossing is. Deze maatregel houdt
in dat er een interdisciplinaire afweging wordt gemaakt (met specialistische kennis) op het
moment dat er nagedacht wordt over een traject met verblijf, Op het moment dat de juiste
interdisciplinaire expertise aanwezig is bij de afweging en er een eenduidige beslissing wordt
genomen kan een betere keuze gemaakt worden of jeugdhulp met verblijf noodzakelijk en
gewenst is.
Beleidstheorie van de maatregel
De beleidstheorie voor de drie maatregelen is sterk vergelijkbaar, maar er zijn wel
nuanceverschillen. Daarom werken we hem hieronder voor elk van de drie apart uit.
Duurste gezinnen
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Gezinnen krijgen passendere ondersteuning geboden en niet-passende hulp wordt
sneller stopgezet. In bepaalde gevallen wordt zware hulp onnodig (lang) geboden, terwijl
er eerder afgeschaald zou kunnen worden naar lichtere of alternatieve hulp, of wordt er te
vaak met hulp ‘gestapeld’ zonder vorm van evaluatie. Door een interdisciplinaire
afweging kan dit eerder gesignaleerd worden.
2 Een goed voorbeeld wat in de praktijk al wordt toegepast is de Doorbraakmethode® van
het Instituut voor Publieke Waarden, wat in Den Haag is toegepast en leidde tot een
kostenbesparing van 3 miljoen euro, grotendeels voor de gemeente (Sociaal Hospitaal).
GV572 161
Andersson Elffers Felix
— Het prioriteren en aanpakken van achterliggende oorzaken kan betekenen dat er meer
vanuit hulp vanuit andere wettelijke kaders nodig is en minder vanuit de Jeugdwet. Naar
verwachting zal er in eerste instantie meer kosten worden gemaakt in andere domeinen.
Een effectieve aanpak van achterliggende problemen kan op termijn leiden tot minder
kosten in de desbetreffende domeinen.
— Het noodzakelijke casusoverleg met diverse (specialistische) professionals zal echter ook
kosten met zich meebrengen.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
Tijdig stopzetten R
niet-passende hulp ——— 1. Lagere trajectkosten
2. Hogere kosten in ander
wettelijk kader
Interdisciplinaire afweging Inzetten hulp uit
voor duurste gezinnen ander wettelijk kader
3. Lagere kosten in de
Jeugdwet
Casusoverleg duurste gezinnen ED eee
Ondersteuning vanuit meerdere domeinen
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Gezinnen krijgen passendere, integrale ondersteuning geboden en niet-passende hulp
wordt sneller stopgezet.
— Het prioriteren en aanpakken van achterliggende oorzaken kan betekenen dat er meer
vanuit hulp vanuit andere wettelijke kaders nodig is en minder vanuit de Jeugdwet. Naar
verwachting zal er in eerste instantie meer kosten worden gemaakt in andere domeinen.
Een effectieve aanpak van achterliggende problemen kan op termijn leiden tot minder
kosten in de desbetreffende domeinen.
Het noodzakelijke casusoverleg met diverse (specialistische) professionals zullen echter ook
kosten met zich meebrengen.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
Uijelig stopzetten miet 1. Lagere trajectkosten
passende hulp
2. Hogere kosten in ander
wettelijk kader
selen Inzetten hulp uit ander
bij ondersteuning vanuit ne
meerdere domeinen
3. Lagere kosten in de
Jeugdwet
Casusoverleg ondersteuning
en
GV572 162
Andersson Elffers Felix
Traject met verblijf
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Jeugdhulp met verblijf zal afnemen doordat er vaker alternatieve hulp in hun eigen
omgeving wordt ingezet,
— Ook kan het gebeuren dat er waar mogelijk een lichter jeugdhulp met verblijf traject
wordt geboden.
— Het noodzakelijke casusoverleg met diverse (specialistische) professionals zullen echter
ook kosten met zich meebrengen.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Afname jeugdhulp met
Nici del U
N 2. Toename alternatieven
Wegsljkemelsralaevas voor jeugdhulp met verblijf
3. Toename (lichter)
en: R jeugdhulp met verblijf
Interdisciplinaire afweging
bij ieder traject met verblijf
Casusoverleg bij verblijf 4. Kosten casusoverleg
Verwachte omvang van de besparing
Om de effecten van deze maatregelen te onderzoeken hebben we in het diepteonderzoek
gesproken met gemeenten die ervaring hebben met een van de verschillende soorten
interdisciplinaire afwegingen. In aanvulling op de gemeenten die deelnamen aan het diepte-
onderzoek is daarbij ook met de gemeente Midden-Groningen gesproken. Door middel van
EffectenCalculatoren zijn er daarnaast aanvullend vijf casussen in de diepte onderzocht.
De uitkomsten uit de EffectenCalculatoren en de ervaringen in de gemeente Midden-
Groningen met de maatregel laten zien dat het maken van een interdisciplinaire afweging
vaak leidt tot passendere ondersteuning voor de jeugdigen. Zo heeft de gemeente Midden-
Groningen in 2018/2019 de 300 duurste gezinnen onderzocht en interdisciplinair afgewogen
welke jeugdhulp ingezet moest worden. In 22% van de gevallen werd geconcludeerd dat de
lopende indicaties niet passend waren.
Passendere ondersteuning blijkt echter niet altijd kostenbesparend te zijn. In het ene geval
worden er kosten bespaard doordat problematiek eerder verholpen wordt, in een ander geval
is de nieuwe ondersteuning zwaarder en duurder.
Voor de maatregel is het in beginsel niet nodig dat elke casus die interdisciplinair afgewogen
wordt tot een besparing leidt. Er zijn echter weinig gegevens van de totale effecten als
gedurende langere periode structureel de casussen die voldoen aan de criteria
GV572 163
Andersson Elffers Felix
interdisciplinair afgewogen worden. Niet alle gemeenten die deze maatregel al enige tijd
structureel uitvoeren hebben daar gegevens over beschikbaar. Daarbij laten de bestudeerde
casussen zien dat de verschillen in effecten redelijk groot kunnen zijn, waarmee op deze basis
geen betrouwbare inschattingen gegeven kunnen worden. Om goed inzicht te verkrijgen in de
effecten vraagt eigenlijk longitudinaal onderzoek over een groot aantal casussen, waarin
verschillende manieren van afweging tussen gemeenten worden vergeleken.
Op basis van de gesprekken in het diepteonderzoek blijkt dat de interdisciplinaire afweging
niet altijd op dezelfde manier ingericht hoeft te worden. De invulling van een casusoverleg
kan variëren van een vast, vaak tweewekelijks, overleg tot een ad hoc overleg op het moment
dat een verwijzer of case manager besluit hulp in te roepen van mensen met een andere
discipline. Uit het diepteonderzoek blijkt dat het bespreken van één casus doorgaans 30-45
minuten duurt, Daarnaast wordt een casus vaak door de deelnemers van het overleg
voorbereid en is er ter afronding van enkele deelnemers nog inspanning nodig. Er wordt dus
verwacht dat één casus gemiddeld 1 uur aan inspanning vergt van alle deelnemers. Het aantal
personen dat aanwezig is tijdens een overleg blijkt te verschillen; dat varieert van enkele
personen tot 12 personen per casus.
Effect Financieel effect
1. Lagere trajectkosten (maatregel 7 en 8) / Onbekend
1. Afname jeugdhulp met verblijf (maatregel
9)
2. Hogere kosten in ander wettelijk kader Onbekend
(maatregel 7 en 8) /
2. Toename alternatieven voor jeugdhulp met
verblijf (maatregel 9)
3. Lagere kosten in de Jeugdwet (maatregel 7 Onbekend
en 8) /
3. Toename (lichter) jeugdhulp met verblijf
(maatregel 9)
4. Kosten casusoverleg (maatregel 7, 8en9) Onbekend
Totaal Onbekend
Incidentele kosten Laag
Termijn van besparing Middellang
Kwalitatieve effecten
Uit het onderzoek blijkt er geen kenmerkend verschil te zijn tussen de kwalitatieve effecten
voor de verschillende soorten interdisciplinaire afwegingen die we onderzoeken. De volgende
kwalitatieve effecten gelden voor alle drie de soorten van interdisciplinair afwegen:
— Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Door het interdisciplinair afwegen kan
problematiek passender aangepakt worden, waardoor er persoonlijk leed voorkomen
wordt. Ouders kunnen door middel van de interdisciplinaire afwegingen mogelijk ook
meer deelgenoot zijn van de afweging. Dit zal ten goede komen aan het welzijn van de
jeugdige en de motivatie in het gezin.
GV572 164
Andersson Elffers Felix
— Meer en/of betere overlegmomenten voor jeugdzorgprofessionals. Als er
interdisciplinaire afwegingen plaatsvinden, zullen er ook veel overleggen plaats moeten
vinden. Dit is tijd die men minder kan besteden aan het daadwerkelijk hulpverlenen. Er
wordt echter niet verwacht dat dit een afbreuk doet aan het werkplezier van professionals,
omdat de tijd beter wordt ingezet om een zo goed mogelijke keuze voor een jeugdige te
maken.
— Betere samenwerking en mogelijkheid om van elkaar te leren. In een interdisciplinair
overleg zijn afgevaardigden met verschillende disciplines en organisaties aanwezig. Dit
draagt positief bij aan de samenwerking tussen betrokken partijen. Men is intensiever
bezig met gezamenlijke casussen, waardoor ieders eigen vakkennis gedeeld wordt en
men elkaar beter leert kennen. Het netwerk van professionals groeit hierdoor, waardoor
de drempel voor professionele consultatie over het algemeen lager wordt.
— Bijdrage aan transformatie (paradigmashift/ander zorglandschap), doordat
professionals anders gaan kijken en er meer ingezet zal worden op ondersteunen van
‘eigen kracht’ en een heldere stip op de horizon voor jeugdigen, waar nodig met creatieve
oplossingen. Daarnaast kan er met een interdisciplinaire afweging grondiger gekeken
worden naar oorzakelijke factoren, wat helpend kan zijn in het krijgen van meer kennis
over de oorzaak van bepaalde problemen en handelingsperspectief hierin op een eerder
moment.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregelen het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Het team dat een interdisciplinaire afweging maakt, heeft een vaste samenstelling,
maar er zijn waar nodig makkelijk specialisten te betrekken. Afhankelijk van de casus
is er een groep specialisten beschikbaar die kunnen ondersteunen in het afwegingsproces
en breed zicht hebben op de sociale kaart . Dit moet makkelijk en snel te regelen zijn. Met
name bij de interdisciplinaire afweging bij ondersteuning vanuit meerdere domeinen is
de verwachting dat het betrekken van specialisten nodig is. De vaste groep professionals
heeft ervaring met het interdisciplinair afwegen en heeft mandaat binnen de eigen
organisatie(s).
— Focus op vertrouwen. Professionals hebben vertrouwen in elkaars professionaliteit
nodig om samen een goede afweging te kunnen maken. Hier moet aandacht aan worden
besteed bij het opzetten van de casusoverleggen. In dit kader is het ook van belang om de
kosten wel mee te wegen, maar alleen in relatie tot de effectiviteit van de hulp. Daarnaast
is vertrouwen in het team dat de afweging maakt vanuit de eigen organisaties (ook op
bestuurlijk niveau) en vanuit de ouders belangrijk.
— Een afgebakende regiehouder in iedere casus. In de groep professionals die de
interdisciplinaire afweging maakt, moet een duidelijke, goed toegeruste regiehouder op
het geheel van ondersteuning voor een jeugdige worden aangemerkt. In de praktijk blijkt
dit vaak de verwijzer te zijn.
— Passende financiering. De financiering moet ruimte bieden voor oplossingen die buiten
één domein vallen. Interdisciplinair afwegen en handelen vereist financiële
mogelijkheden voor maatwerk. Ook moet er voldoende ruimte zijn voor innovatie en
ontwikkeling/leren in het afwegingsteam, en het ontwikkelen van samenwerking. Denk
hierbij bijvoorbeeld aan tijd voor reflectie, evaluatie en professionele consultatie, en de
juiste overlegcultuur (‘elkaars taal leren spreken’).
— Beschikbaarheid van zorg. In de praktijk blijkt de gekozen ondersteuning als gevolg van
een interdisciplinaire afweging niet altijd beschikbaar te zijn. De beschikbaarheid van die
passende zorg is een belangrijke randvoorwaarde voor deze maatregel.
GV572 165
.
Andersson Elffers Felix
Risico’s van de maatregel
Er zijn geen noemenswaardige inhoudelijke risico’s benoemd bij deze maatregelen. Wel is het
van belang de randvoorwaarden goed te borgen: als niet de juiste professionals aan tafel
zitten of kostenverlaging te pregnant als doel wordt meegegeven, kan dit tot de verkeerde
afwegingen leiden. Daarnaast kent de maatregel beperkingen: als de oplossing gezocht moet
worden buiten jeugdhulp of zelfs buiten het gemeentelijk domein, zijn de mogelijkheden
beperkt door de medewerking van andere afdelingen of financiers.
Maatregel 10 Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband (zoals MKD’s en
KDC’s) naar reguliere kinderopvang of bso met extra ondersteuning
Beschrijving van de maatregel
De afgelopen jaren is op verschillende plekken ervaring opgedaan met het verplaatsen van
jeugdhulp in groepsverband naar een meer reguliere setting, zoals een kinderopvang of bso.
Hier zijn verschillende vormen voor:
— Bij kinderen met een relatief lichte hulpvraag (tot kinderen die normaal gesproken naar
een MKD zouden gaan) volstaat het om enkele keren per jaar een groepsobservatie te
doen door een jeugdhulpprofessional en een consultatiefunctie te bieden, zodat de
kennisbasis binnen de kinderopvang of bso voldoende versterkt wordt om het kind de
juiste ondersteuning te bieden.
— Bij kinderen met een zwaardere hulpvraag, die gewoonlijk typisch naar een KDC zouden
gaan, is meer ondersteuning nodig. Kinderen die op een KDC zitten gaan - zeker als ze
onder de Jeugdwet vallen - niet naar school en/of naar de BSO, In de berekening is dus
uitgegaan van het verplaatsen van de jeugdhulp naar kinderopvang, en niet van het
verplaatsen van jeugdhulp naar school en BSO. Op de kinderopvang is continu een
jeugdhulpprofessional op de groep aanwezig, die in samenwerking met de pedagogisch
medewerkers van de kinderopvang zorgt dat de jeugdige voldoende begeleid wordt, Waar
nodig kan er vanuit de KDC/moederorganisatie van de jeugdhulpprofessional andere
expertise worden geconsulteerd,
Beide varianten hebben als gevolg dat er meer kinderen op een reguliere kinderopvang of bso
kunnen blijven en er meer inclusieve opvang mogelijk is.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Het inzetten van jeugdhulpprofessionals op een groep op de kinderopvang of bso maakt
het mogelijk dat meer jeugdigen naar een reguliere opvang kunnen in plaats van een
kinderdienstencentrum (KDC) of medisch kinderdagverblijf (MKD), Daardoor verschuiven
kosten van KDC/MKD naar de kinderopvang of bso. De jeugdhulpkosten nemen ook af:
alleen de hulp hoeft immers bekostigd te worden, de kosten voor de aanwezigheid op de
groep vallen onder de kinderopvang.
— De reguliere kinderopvang gaat voor ouders met kosten gepaard, waar dit bij opvang
vanuit MKD/KDC niet het geval is. Deze maatregel verhoogt dus de kosten voor ouders
van deze kinderen, wat kan leiden tot zorgmijding.
— De maatregel bevordert de onderlinge samenwerking tussen kinderopvang of bso en
jeugdhulp, en kan zo helpen in het ontwikkelen van een sterke pedagogische basis
waarbij medewerkers bij kinderopvang of bso meer mogelijkheden hebben op problemen
in de ontwikkeling van een kind zelf op te lossen. Dit leidt tot minder jeugdhulp.
— Daarnaast kunnen problemen in de ontwikkeling eerder gesignaleerd worden, wat kosten
later kan voorkomen. De tegenkant hiervan is uiteraard dat ook meer oversignalering kan
plaatsvinden.
GV572 166
Andersson Elffers Felix
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Afname kosten MKD/KDC
Ken LDD 2. Toename kosten
PN oe met ondersteuning in reguliere
dai kinderopvang/bso
ondersteuning
AL PEEN) Zorgmijding door kosten 8
van jeugdhulp in kinderopvang/bso van Em 3. Mee dus
groepsverband aud meer dure trajecten
naar reguliere
kinderopvang of
bso met Al Meer mogelijkheden
ondersteuning problemenzelfopte gag 4. Minder lichte jeugdhulp
lossen
Kennisontwikkeling
medewerkers
kinderopvang/bso 5. Minder escalaties, dus
minder dure trajecten
6. Meer oversignalering,
dus meer lichte trajecten
Verwachte omvang van de besparing
Voor deze maatregelen kwamen uit het diepteonderzoek en literatuuronderzoek
betrouwbare resultaten. Uit de enquête kwamen echter weinig antwoorden: gemeenten die
aangaven dit te doen, konden geen aantallen opgeven over hoeveel kinderen het betrof, of
hoeveel er in totaal in de betreffende gemeente op een KDC of MKD zaten. Daarom baseren
we de berekening op het diepteonderzoek.,
Bij het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar reguliere kinderopvang of bso hangt
de afname van kosten in de daghulp (effect 1) sterk samen met de toename van kosten voor
jeugdhulp op de locatie van de kinderopvang of bso (effect 2). Beide effecten reflecteren dat
in dat geval de hulp nog steeds betaald wordt door de gemeente, maar dat de
opvangcomponent betaald wordt door de ouders (die hiervoor een tegemoetkoming krijgen
via de belastingdienst of de gemeente). We maken voor beide effecten onderscheid naar de
doelgroep die op een KDC zit en de wat lichtere doelgroep die op een MKD zit of gebruik
maakt van andere jeugdhulp in groepsverband.
— Op grond van eerder onderzoek!“ en het diepteonderzoek blijkt dat het aantal jeugdigen
op een KDC dat onder de Jeugdwet valt 3.600 - 3.630 is. Uit eerder onderzoek!“ volgt de
verwachting dat 20 - 30% van deze jeugdigen ook geholpen zou kunnen worden met
jeugdhulp op een kinderopvang. Dit wordt ook genoemd in het diepteonderzoek. Er zijn
op dit moment onvoldoende data beschikbaar om dit effect in de praktijk al te
observeren en kwantificeren.
H3 Het KDC-landschap in 2019, AEF, 2019.
Mi Passende kinderopvang als effectief alternatief, AEF, 2016.
GV572 167
Andersson Elffers Felix
— De kosten voor deze zorgtrajecten zijn lager dan gemiddeld op een KDC, aangezien het
om een relatief lichte groep gaat. Uit het diepteonderzoek volgt dat het om kosten gaat
van € 45.000 - € 55.000 per jaar.
— Voor jeugdigen die nu nog naar het KDC gaan, gaan we er op basis van het
diepteonderzoek vanuit dat een fulltime jeugdhulpprofessional toegevoegd wordt aan
het team van de kinderopvang, en dat deze uit het jeugdhulpbudget betaald wordt. Deze
staat op een groep met 4 KDC-jeugdigen, en een aantal reguliere jeugdigen. Incidenteel
wordt andere expertise vanuit het KDC ingezet. Dat leidt tot kosten van € 18.000 - € 22.000
per jaar voor inzet van jeugdhulp op een kinderopvang.
— Het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van een MKD is niet direct beschikbaar. Wel is
bekend dat in totaal volgens CBS-StatLine 6.313 - 6,328 jeugdigen tot 7 jaar gebruik
maken van jeugdhulp op de locatie van een aanbieder. Dit is naar verwachting naast de
KDC-doelgroep vooral de MKD-doelgroep of vergelijkbaar, die daarmee geschat wordt op
2.689 — 2.721. Op basis van eerder onderzoek! en het diepteonderzoek is de verwachting
dat 40 - 60 % van de MKD-doelgroep ook binnen een reguliere kinderopvang of bso
terecht zou kunnen. Er zijn op dit moment onvoldoende data beschikbaar om dit effect in
de praktijk al te observeren en kwantificeren.
— De kosten voor MKD-zorg zijn volgens het diepteonderzoek en enquête gemiddeld
€ 27.000 - € 33.000 per jaar. Voor jeugdigen die naar een bso zouden gaan, is dit de helft,
aangezien zij de helft van de tijd op school zitten. Hoewel deze vorm (bso + MKD) over het
algemeen geen MKD genoemd wordt, komt hij wel voor. De groep is wel veel kleiner dan
de groep die hele dagen op een MKD zit; de inschatting is dat het 0 - 10% van de totale
groep betreft.
— Voor MKD-jeugdigen is het niet nodig dat er constant een jeugdhulpprofessional aanwezig
is: veelal wordt dit vormgegeven met extra coaching voor en enige extra inzet door de
pedagogisch medewerkers op de kinderopvang, aangevuld met enkele groepsobservatie
en voor een deel van de jeugdigen enkele individuele sessies, Volgens het
diepteonderzoek komen deze kosten gemiddeld uit op € 2,500 per jaar, waarbij er gezien
de aard van de extra inzet geen onderscheid is tussen kinderopvang en bso.
Het risico van zorgmijding (effect 3) blijkt in de praktijk ondervangen te worden door de
financiële tegemoetkoming die ouders krijgen voor hun kinderopvangkosten vanuit de
belastingdienst. Voor ouders die onvoldoende uren werken om hiervoor in aanmerking te
komen, zetten gemeenten een tegemoetkoming op basis van een Sociaal Medische Indicatie
(SMI) in, of soms bijzondere bijstand. Daarmee is het effect nihil, Wel betekent dit dat de
gemeente deze tegemoetkoming moet betalen. Deze kosten vallen buiten de Jeugdwet, en
zijn daarom niet meegenomen in de berekening.
De kennisontwikkeling van medewerkers op de kinderopvang of bso (effect 4, 5 en 6) wordt in
het diepteonderzoek benoemd als beperkt. De reden hiervoor is dat kennisoverdracht in de
praktijk lokaal is en vaak niet structureel. Dit komt enerzijds door de tijdelijke inzet van
jeugdhulpprofessionals en anderzijds de inzet op specifieke groepen met kinderen die extra
ondersteuning vragen. Pedagogisch medewerkers op andere groepen, en zeker bij andere
locaties, krijgen de kennis niet mee. Dat dit leidt tot minder jeugdhulptrajecten door
kennisontwikkeling in het algemeen (effect 4) is daarmee onwaarschijnlijk en we schatten dit
effect in op nihil, Voor meer signalering (effect 5 en 6) geldt hetzelfde, omdat dit in den brede
vraagt dat medewerkers op de kinderopvang en bso vaardigheden op doen waarmee ze
sneller signalering dat kinderen zich anders ontwikkelen of bepaalde problemen hebben en er
Hs Passende kinderopvang als effectief alternatief, AEF, 2016.
GV572 168
Andersson Elffers Felix
zo vroeger bij zijn. In de huidige situatie worden ernstige problemen wel al herkend, maar is
het eerder signalering van lichte afwijkingen door tijdelijke of lokale ondersteuning door
jeugdhulpprofessionals onwaarschijnlijk, wat we daarmee op nihil zetten.
Effect Financieel effect
1. Afname kosten MKD/KDC 71 tot 98 miljoen euro
2. Toename kosten ondersteuning in reguliere -26 tot -17 miljoen euro
kinderopvang/BSO
3. Meer escalaties, dus meer dure trajecten Nihil
4. Minder lichte jeugdhulp Nihil
5. Minder escalaties, dus minder dure Nihil
trajecten
6. Meer oversignalering, dus meer lichte Nihil
trajecten
Totaal 49 tot 78 miljoen euro
Incidentele kosten Middel, afhankelijk van medewerking van de
kinderopvang
Termijn van besparing Middellange termijn
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Betere toegankelijkheid. De stap naar een jeugdhulpprofessional op de kinderopvang
kan door ouders als laagdrempeliger ervaren worden.
— Betere ervaring voor jeugdige en ouders. Er wordt benoemd dat leer-, opvoed- en
opgroeiproblemen eerder worden gesignaleerd en besproken, waardoor er persoonlijk
leed voorkomen wordt. Dit zal ten goede komen aan het welzijn van de jeugdigen.
— Meer passende en inclusievere opvang. Door (zo nodig) jeugdhulp toe te voegen aan de
kinderopvang kunnen meer kinderen op de reguliere kinderopvang blijven. Kinderen met
en zonder een beperking of ontwikkelingsstoornis komen daardoor meer met elkaar in
contact. Dit kan voor de kinderen met een beperking stimulerend werken. De andere
kinderen leren dat kinderen met een beperking bestaan en leuke speelkameraadjes zijn.
Inclusievere opvang kan zo bijdragen aan een inclusievere maatschappij.
— Meer expertise bij pedagogisch medewerkers. Effect van deze maatregel is dat de
pedagogisch medewerkers meer ervaring opdoen met het signaleren van en omgaan met
jeugdhulpproblematieken. Voor pedagogisch medewerkers die extra uitdaging zoeken,
heeft dit een positief effect op het werkplezier van de medewerker.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Kinderopvang/bso moet bereid zijn om samen te werken. Kinderopvangorganisaties
staan over het algemeen niet onder gemeentelijke regie, hoewel er in het kader van
GV572 169
Andersson Elffers Felix
Vroeg- en Voorschoolse Educatie (VVE) wel contact is. De maatregel is afhankelijk van de
bereidheid van deze organisaties om eraan mee te werken.
— Samenwerkingsafspraken tussen jeugdhulp, kinderopvang/bso en gemeente.
Jeugdhulp werkt anders dan veel aanbieders van kinderopvang of bso. Dat komt tot
uiting in verschillende cao’s en verschillende kwaliteitseisen *®, maar ook in verschillen in
organisatiecultuur. Voor een (commerciële) kinderopvang/bso betekent een dergelijke
stap ook een (financieel) risico, terwijl de jeugdhulporganisatie een deel van de regie
kwijtraakt en moet uitvinden hoe kwalitatief goede jeugdhulp geleverd kan worden in de
nieuwe setting. Beide partijen moeten dus in het diepe springen. Het is van belang om
hier goed het gesprek over aan te gaan en duidelijke samenwerkingsafspraken te maken
met voldoende waar borgen voor beide partijen.
— Integratie van jeugdhulp op de kinderopvang/bso. De taken van de jeugdhulp moeten
zodanig opgezet worden dat het geïntegreerd is in de kinderopvang, en door jeugdigen en
ouders zo min mogelijk als een drempel wordt ervaren. Dit is van belang om
normaliserend te kunnen werken. Tegelijkertijd moet de privacy van een jeugdige niet
geschonden worden. Ook hier moet uitdrukkelijk over worden nagedacht bij de
implementatie van deze maatregel.
— Pedagogisch medewerkers met specifieke competenties. Niet alle pedagogisch
medewerkers op kinderopvang of bso zijn geschikt voor deze groepen. Medewerkers
moeten affiniteit hebben met ontwikkelvraagstukken en kinderen met een beperking, en
hebben relatief goede analytische en contactuele vaardigheden nodig om te kunnen zien
wat een kind nodig heeft. Het is dus van belang om op deze groepen medewerkers te
hebben die gemotiveerd raken door de extra uitdaging.
— Goede communicatie met de andere ouders. Voor ouders van ‘reguliere’ kinderen kan
het in eerste instantie wennen of zelfs schrikken zijn dat hun kind in contact komt met
kinderen met een beperking. Goede communicatie hierover is van belang om te zorgen
dat ouders er de meerwaarde van inzien.
— De jeugdhulpprofessional op de kinderopvang moet voldoende tijd krijgen, om iets te
betekenen voor kind/gezin en voldoende ondersteuning te kunnen bieden om inzet van
andere jeugdhulp te beperken dan wel gericht in te zetten. Geef professionals de ruimte
en tijd om in hun rol te groeien en een nieuw vakmanschap onder de knie te krijgen.
— Inzet van jeugdhulpprofessionals met kennis van het zorglandschap en
normaliseren. Het implementeren van deze maatregel kan tot vroegsignalering leiden.
Het vereist echter goede, ervaren professionals met kennis over het zorglandschap (zoals
sociale basisvoorzieningen) om oversignalering te voorkomen.
— Voldoende capaciteit van jeugdhulpprofessionals en pedagogisch medewerkers.
Gezien de diverse behoeften aan ondersteuning van jeugdigen die voorheen op een
MKD/KDC zaten, is het belangrijk dat er voldoende capaciteit is van
jeugdhulpprofessionals om te voorzien in de behoefte van de jeugdige en groep. Dit is
echter bij de huidige MKD/KDC'’s ook het geval, immers ook op deze groepen is er
overcapaciteit of ondercapaciteit afhankelijk van de zorgzwaarte.,
— Mogelijkheid tot Sociaal Medische Indicatie. Met het verlenen van een Sociaal Medische
Indicatie (SMI) kan kinderopvang worden ingezet voor ouders met beperkte middelen en
inzet van (veel duurdere) specialistische jeugdhulp worden voorkomen. Dit is inmiddels
mogelijk via de reguliere route. In de praktijk blijkt echter dat de uitvoering nog hapert, en
niet alle gemeenten zijn het erover eens dat SMI hiervoor ingezet moet worden. Het
16 Kinderopvang is veelal meer gereguleerd dan jeugdhulp wat betreft bijvoorbeeld eisen
aan de locatie en leidster/kindratio.
GV572 170
.
Andersson Elffers Felix
vraagt bewustzijn en uniformering van deze werkwijze binnen een gemeente om dit goed
te kunnen inzetten.
— Aansluiting op onderwijs. Verplaatsen van de opvang van een MKD/KDC naar bso is
alleen zinvol als de jeugdigen de rest van de dag naar onderwijs kunnen. Anders moet
namelijk de infrastructuur bij de jeugdhulpaanbieder volledig in stand gehouden worden
voor de ochtend, en staat die leeg in de middag.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Zorgmijding door eigen bijdrage. De aanwezigheid van de eigen bijdrage voor de
reguliere kinderopvang/bso kan ervoor zorgen dat ouders ervoor kiezen om de jeugdigen
niet te laten deelnemen in de reguliere kinderopvang. De mogelijkheid van de Sociaal
Medische Indicatie is eerder benoemd als randvoorwaarde voor ouders die de financiële
middelen niet hebben om de drempel weg te halen, maar voor ouders die wel de
financiële middelen hebben, kan de eigen bijdrage een drempel vormen. Naast het effect
op (latere) zorgkosten kan dit ook leiden tot blijvende schade bij de jeugdigen, wat zowel
tot uiting kan komen in levensgeluk als in hogere kosten in andere domeinen (zoals Zvw
of participatie).
Maatregel 11 Inzet van jeugdhulpprofessionals in het (regulier of speciaal) onderwijs
Beschrijving van de maatregel
Met deze maatregel wordt voorgesteld schoolteams te verbreden met een
jeugdhulpprofessional, zoals (afhankelijk van de schoolpopulatie) medewerkers van een
lokaal team, jeugdhulp- en/of zorgorganisaties. Het doel van de maatregel is om
problematiek op scholen eerder te signaleren en lichte problematiek direct aan te kunnen
pakken. Vroegsignalering kan bijvoorbeeld bij ziekteverzuim of oppositioneel gedrag sneller
plaatsvinden, waarbij gekeken kan worden naar de oorzaak en bijbehorende hulp die nodig
is, Ook kan er vanuit het onderwijs in groepsverband worden ingezet op selectieve preventie,
bijvoorbeeld weerbaarheidstrainingen.
Deze maatregel kan zowel voor het regulier als speciaal onderwijs toegepast worden, waarbij
de inzet afhankelijk van primair of voortgezet onderwijs/MBO anders kan zijn en de impact
kan verschillen. Ook kan de vorm waarin de maatregel wordt toegepast verschillen, zowel
middels het deels ‘detacheren’ van een medewerker van het jeugdteam op scholen, als het
opzetten van een schoolhulpteam met hierin ook een jeugdhulpprofessional. De basis-
jeugdhulp kan laagdrempelig op school plaatsvinden en daarmee kan de bestaande
zorgstructuur op scholen worden versterkt. Voor specialistische jeugdhulp zal de school
voornamelijk een vindplaats blijven.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Erzijn uiteraard kosten omdat de jeugdhulpprofessionals betaald moet worden.
— Inzet van jeugdhulpprofessionals op regulier en speciaal onderwijs biedt mogelijk een
laagdrempeligere vorm van zorg voor jeugdigen en ouders. Dit kan leiden tot een
toename van signalering van zorgbehoefte, mogelijk zowel in de vorm van
vroegsignalering als oversignalering. Vroegsignalering kan leiden tot een afname in het
volume van jeugdhulp, omdat escalaties worden voorkomen. Oversignalering zal hier
naar verwachting voornamelijk resulteren in meer jeugdigen die door de
GV572 171
Andersson Elffers Felix
jeugdhulpprofessionals gezien worden; het financiële effect is dus onderdeel van de
kosten van deze jeugdhulpprofessionals.
— Minder verwijzingen naar duurdere, intensieve jeugdhulp doordat de
jeugdhulpprofessionals zelf een deel van de problematiek oplossen en kijken waar
groepsaanbod ingezet kan worden als vorm van selectieve preventie,
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
Minder NEET CRS
overhead fe KT AVE Ca Oa
Andere 2. Hogere of lagere
elisie LOERT
Meer 3. Extra kosten door
hulpverlening extra activiteiten
Vroegsignalering en
laagdrempeligheid
Voorkomen 4. Minder kosten aan
Inzet van jeugdhulp- escalaties duurdere trajecten
professionals in het
(regulier of speciaal)
oneervijk Selectieve preventie Afname 5: Afname jeugdhulp
. R —_—— door selectieve
in groepsverband problematiek N
Te AA IS
Afname dubbelingen 6. Afname jeugdhulp
in hulpverlening door minder dubbele
door betere AN
samenwerking
7. Niet-cliëntgebonden
kosten jeugdhulp-
professionals op
scholen
Verwachte omvang van de besparing
Deze maatregel hangt samen met zowel maatregel 1 als maatregel 6, omdat grotendeels
dezelfde jeugdigen worden bereikt met deze maatregelen en de jeugdhulpprofessionals uit
de lokale teams komen. Dit geldt specifiek voor effect 1 en 2, omdat het effect van substitutie
van jeugdhulp door een jeugdhulpprofessional op een school vervalt als dit effect ook
behaald wordt door inzet op een POH-jeugd en een lokaal team dat direct hulp verleent.
Gemeenten die dus zowel alle jeugdigen toegang bieden tot een POH-jeugd als tot een lokaal
team wat hulp verleent, zullen het effect van substitutie door inzet van een
jeugdhulpprofessional op school niet zien.
— Voor de mate waarin jeugdhulpprofessionals op school trajecten van
jeugdhulpaanbieders kunnen overnemen, sluiten we aan bij de resultaten van maatregel
6 (hulpverlening door het lokale team): 10 - 30%, Er is geen reden om aan te nemen dat
dit percentage voor deze populatie anders ligt.
— Aansluitend bij maatregel 6 hanteren we uurtarieven van jeugdhulpprofessionals in een
lokaal team op € 70-75, wat 5 - 15 % lager is dan van vergelijkbare medewerkers bij een
aanbieder,
GV572 172
Andersson Elffers Felix
— Conform maatregel 6 wordt bij lokale teams 40 - 60% van deze jeugdigen volgens het
diepteonderzoek 40 - 60% op dezelfde manier geholpen als bij een aanbieder (effect 1).
Dit betreft vooral de wat zwaardere trajecten die 1 - 2 jaar duren en € 4000 - € 5000
kosten. Bij de andere jeugdigen schalen jeugdhulpprofessionals uit lokale teams eerder af
aanbieders (effect 2), waardoor het traject 10 — 30 % goedkoper is. Uit het
diepteonderzoek blijkt dat de kosten van het oorspronkelijke traject vergelijkbaar zijn
met trajecten die voorkomen worden door een POH-jeugd (€ 2100 - € 2500).De trajecten
die voorkomen worden bedragen tussen de € 2100 en € 2500.
— Het aantal verwijzingen naar de huisarts zal met de komst van een jeugdhulpprofessional
op school afnemen. De inschatting op basis van dit onderzoek en ervaring is dat 40 à 70 %
van de jeugdigen die bij de huisarts (of POH-jeugd) komen indirect vanuit school wordt
verwezen. Gemeenten met een POH-jeugd kunnen verwachten dat het aantal jeugdigen
bij de POH-jeugd zal afnemen en de effecten hiervan geringer worden met inzet van
jeugdhulpprofessionals op school.
School is vanzelfsprekend een vindplaats waar veel problemen gevonden kunnen worden,
aangezien bijna alle jeugdigen op school zitten. Het inzetten van jeugdhulpprofessionals op
scholen leidt daarmee tot zowel laagdrempeligere hulp als vroegsignalering van problemen
bij jeugdigen die anders niet zelf met een hulpvraag naar een huisarts of lokaal team waren
gegaan. Dit leidt tot meer hulpverlening (effect 3) en voor een deel van de jeugdigen die extra
geholpen zijn tot minder escalatie (effect 4). Essentieel onderdeel hiervan is het goed kunnen
inschatten van welke jeugdigen gebaat zijn bij vroegtijdig extra hulp en ondersteuning om het
percentage oversignalering zo laag mogelijk te houden.
— We schatten in dat 1-3 % van alle jeugdigen op school met vroegsignalering door
jeugdhulpprofessionals zal worden bereikt.
— Deze populatie heeft voor het overgrote deel lichte problemen. We gaan er vanuit dat het
aantal jeugdigen bij wie een zwaar jeugdhulptraject kan worden voorkomen zeer laag is
met wat je op school extra signaleert, Dit komt grotendeels omdat deze jeugdigen wel bij
de huisarts, JGZ of lokaal team in beeld komen. Daarnaast wordt dit deels veroorzaakt
doordat je mogelijk wel problemen voorkomt bij jeugdigen die niet in jeugdhulp zitten,
maar die dus doorgaans geen jeugdhulptraject krijgen op een later tijdstip, waardoor dit
niet resulteert in een afname van zware jeugdhulptrajecten.
= Een traject van enkele gesprekken kost, gezien de tarieven van medewerkers van een
lokaal team, typisch € 400 — € 600 en voorkomt als een effectieve interventie gebruikt
wordt in 5 - 15%!''van de gevallen later een licht traject bij een aanbieder van € 900 -
€ 1.200.
Er wordt nog weinig tot niet ingezet op het aanbieden van selectieve preventie in
groepsverband (effect 5). Dit effect nemen we nu niet mee in het doorrekenen van deze
maatregel,
Het effect van het voorkomen van dubbele hulp (effect 6) wordt niet herkend in de
diepteonderzoeken en lijkt in de praktijk niet te spelen.
7 Het ‘succespercentage’ sluit aan bij de analyse van effectieve interventies die gedaan
zijn voor de boeggolf. Van belang is om te vermelden dat het na een interventie over het
algemeen wel met meer jeugdigen beter gaat dan ervoor dan de 5 —15% die hier genoemd
wordt, maar bij een deel van deze jeugdigen was de problematiek vanzelf overgegaan. In
dit percentage is dat verdisconteerd.
GV572 173
Andersson Elffers Felix
De kosten door niet-cliëntgebonden overleggen van jeugdhulpprofessionals op scholen
komen nog bovenop de cliëntgebonden kosten die in de hierboven beschreven effecten
worden meegenomen.
— We schatten op basis van informatie uit de diepteonderzoeken dat dit om gemiddeld 1 à 2
uur per week gaat per school, met een gemiddeld uurtarief van € 70 - 75.
— We rekenen met 8768 scholen, waarbij zowel primair, voortgezet als speciaal onderwijs is
meegenomen?
Bovenstaande kengetallen moeten nog geëxtrapoleerd worden naar een macrobedrag.
Momenteel wordt er door diverse gemeenten al ingezet op jeugdhulpprofessionals op
scholen, waarbij we zien dat gemiddeld ongeveer 80 à 100 % van de leerlingen in de gemeente
hiermee wordt bereikt op basis van de enquête onder gemeenten. Binnen dit onderzoek
kunnen we op basis van de enquête nog onvoldoende inschatten of deze gemeenten de hulp
al zodanig hebben ingericht dat de beschreven effecten al worden bereikt, maar we hebben
wel gemeenten die school of sociaal maatschappelijk werk of vergelijkbaar inzetten niet
meegerekend in deze maatregel. Hier nemen we aan dat er met de inzet van
jeugdhulpprofessionals meer jeugdhulp voorkomen en/of gesubstitueerd kan worden.
Effect Financieel effect
1. Lagere prijs dienstverlening 0,2 tot 2 miljoen
2. Hogere of lagere kosten -0,7 tot 3 miljoen
3. Extra kosten door extra activiteiten -19 tot -5 miljoen
4. Minder kosten aan duurdere trajecten Nihil
5. Afname jeugdhulp door selectieve Nihil
preventie
6. Afname jeugdhulp door minder dubbele Nihil
hulp
7. Niet-cliëntgebonden kosten jeugdhulp- -29 tot -14 miljoen
professionals op scholen
Totaal -42 tot -21 miljoen
Incidentele kosten Middel
Termijn van besparing n.v.t
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
18 Scholen en schoolbesturen leveren hun gegevens aan DUO. Hiervan wordt een
maandelijks ververst en gepubliceerd adressenbestand gemaakt. De bestanden voor
basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs zijn gebruikt.
GV572 174
Andersson Elffers Felix
— Meer expertise bij onderwijsprofessionals. Het inzetten van jeugdhulpprofessionals
leidt tot lokale kennisbevordering onder onderwijsprofessionals op het gebied van
jeugdhulpproblemen. Dit leidt naar verwachting tot sneller signaleren en beter kunnen
omgaan met jeugdigen dit soort problemen. Daarnaast hebben zij door de aanwezigheid
van een jeugdhulpprofessional de mogelijkheid om laagdrempelig advies te vragen. Als
onderwijsprofessionals zich capabeler voelen op dit gebied, heeft dit een positief effect
op het werkplezier.
— Betere toegankelijkheid van (jeugd)hulp. De stap naar een jeugdhulpprofessional op
scholen is voor jeugdigen laagdrempeliger en daarmee gemakkelijker dan contact op te
nemen met het lokale team/jeugdhulp.
— Normalisering. De jeugdhulpprofessional kan op de scholen in gesprek gaan met ouders
en jeugdigen over dat sommige problematieken bij het leven horen, en problematiek
rondom opvoeden en opgroeien daar niet van uitgesloten zijn.
— Meer continuïteit/samenhang in voorzieningen voor jeugdhulp en onderwijs,
waardoor ondersteuning beter afgestemd kan worden aangeboden. Dit biedt
mogelijkheden om breder te kijken dan het individu en in te zetten op collectief aanbod
voor problemen die vaak voorkomen op een school. Het investeren in selectieve
preventie gericht op risicogroepen is van grote waarde en kan juist op scholen (buiten
schooltijd) plaatsvinden, waardoor het laagdrempelig is en toegespitst op de lokale
prioriteiten.
— Minder verzuim en vroegtijdige schoolverlating van de jeugdigen. De baten van deze
maatregel vallen niet alleen in het jeugddomein. Naar verwachting leidt deze maatregel
tot minder schoolverzuim, doordat problemen eerder gesignaleerd, laagdrempeliger en
meer gericht opgepakt kunnen worden. Doordat er sneller/breder contact is met de
jeugdige, is er meer zicht op de specifieke context en behoeften van de jeugdige. Door
hierop in te spelen is de kans kleiner dat een jeugdige thuis komt te zitten of vroegtijdig
school verlaat,
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— De school moet akkoord zijn dat er een jeugdhulpprofessional op school is. De
mogelijkheid om de maatregel uit te voeren, hangt uiteraard sterk af van de medewerking
van de school. De school moet de jeugdhulpprofessional toelaten in de eigen structuur,
en ook voor een ruimte zorgen waar gesprekken gevoerd kunnen worden.
— Integratie van jeugdhulp met het onderwijs. De taken van de jeugdhulp moeten
zodanig opgezet worden dat het geïntegreerd is op school, en door jeugdigen en ouders
zo min mogelijk als een drempel wordt ervaren. Dit is van belang om normaliserend te
kunnen werken. Tegelijkertijd moet de privacy van een jeugdige niet geschonden worden.
Ook hier moet uitdrukkelijk over worden nagedacht bij de implementatie van deze
maatregel,
— Afstemming docenten en jeugdhulpprofessionals. Om te voorkomen dat docenten zich
verantwoordelijk gaan voelen voor jeugdhulptaken, is het belangrijk dat docenten en
jeugdhulpprofessionals hun taken blijven afstemmen en afbakenen.
— Inzet van jeugdhulpprofessionals met kennis van het zorglandschap. Het
implementeren van deze maatregel kan tot vroegsignalering leiden. Het vereist echter
goede, ervaren professionals met voldoende inhoudelijke expertise en kennis over het
zorglandschap (zoals de sociale basisvoorzieningen) om dit effect te bereiken. Dat
voorkomt oversignalering, wat juist tot hogere kosten kan leiden.
— De jeugdhulpprofessional op de scholen moet ook voldoende tijd krijgen, om iets te
betekenen voor kind/gezin en voldoende ondersteuning te kunnen bieden om inzet van
GV572 175
.
Andersson Elffers Felix
andere jeugdhulp te beperken dan wel gericht in te zetten. Geef professionals de ruimte
en tijd om in hun rol te groeien en een nieuw vakmanschap onder de knie te krijgen.
— Goede samenwerkingsafspraken tussen gemeenten, jeugdhulpaanbieders en
scholen. Om deze maatregel effectief te laten zijn is het belangrijk dat alle betrokken
partijen duidelijkheid hebben over taken en verantwoordelijkheden. Het is helpend om
de jeugdhulp vaker beschikkingsvrij toegankelijk te maken. Als je voor kortdurende
ambulante begeleiding/behandeling of psychische hulp op school een beschikking nodig
hebt, is dat erg bureaucratisch,
— Stel eisen aan de jeugdhulppartijen t.a.v. samenwerking en terugkoppeling van de
voortgang van de begeleiding/behandeling en zo nodig het eindadvies aan de scholen.
Zorg ervoor dat jeugdhulppartijen kennis nemen van de praktijk op school in de klas,
zodat zij hier met hun behandeling en eindadvies rekening mee kunnen houden. Vaak
wordt dagelijks of wekelijks één op één begeleiding geadviseerd, wat een school
nauwelijks kan bieden.
— Durven differentiëren tussen scholen. Ondersteuning moet worden ingericht o.b.v.
behoefte van de school. Niet overal is immers dezelfde ondersteuning nodig, het is van
belang om te kijken naar de samenstelling van de populatie en specifieke vraagstukken in
de school en wijk.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Onvoldoende draagvlak voor samenwerking. Deze maatregel vereist goede
samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Het zal per school sterk verschillen welke
voedingsbodem er ligt voor een goede samenwerking. Risico is dat er in sommige scholen
onvoldoende basis of draagvlak is om (binnen afzienbare tijd) een dergelijke functie te
ontwikkelen.
— Jeugdhulpprofessional wordt te snel ingeschakeld. Idealiter wordt de
jeugdhulpprofessional ingeschakeld op de momenten dat het onderwijs er niet zelf
uitkomt. Docenten kampen echter met hoge werkdruk, dus bestaat het risico dat
ingewikkelde leerlingen snel doorgestuurd worden naar de jeugdhulpprofessional als
deze beschikbaar is, en docenten hier zelf juist minder verantwoordelijkheid in pakken.
— Stigmatisering als gevolg van inzet groepsaanbod vanuit selectieve preventie. Er is
zorgvuldigheid in de selectie van ‘risicogroepen’ nodig. Het kan nadelige gevolgen
hebben als jeugdigen een bepaalde stempel krijgen, welke ook op school bij docenten
bekend is. Voorzichtigheid en oog voor de privacy zijn van belang als het gaat om
selectieve preventie als gevolg van jeugdhulp op school, zeker als er informatie-
uitwisseling plaatsvindt tussen school en jeugdhulp.
Maatregel 12 Afbakening Jeugdwet met onderwijs verhelderen
Beschrijving van de maatregel
In sommige gevallen is er onduidelijkheid over de afbakening tussen de
verantwoordelijkheden van het onderwijs, en de jeugdhulpplicht. Dat leidt tot veel overleg
over die leerlingen waarbij niet voldoende duidelijk is wie welke verantwoordelijkheid heeft.
Daarnaast leidt dit tot een groep cliënten die eigenlijk onder verantwoordelijkheid valt van
het onderwijs, maar nu jeugdhulp ontvangt of andersom.
Beleidstheorie van de maatregel
We onderscheiden twee werkzame mechanismen waarmee een scherpere afbakening effect
heeft op de kosten van uitvoering van de Jeugdwet: enerzijds de hogere kosten van
GV572 176
Andersson Elffers Felix
coördinatie en overleg door de onduidelijkheid, en anderzijds de kosten van hulp die nu
vanuit de Jeugdwet verleend wordt maar eigenlijk onder het onderwijs zou vallen of
andersom.
Organisatorische overleggen
Het aantal overleggen en aanwezigen in de samenwerking tussen gemeente en onderwijs zal
verminderen wanneer de afbakening duidelijker is en tot minder discussie leidt, Dit leidt tot
lagere uitvoeringskosten. Naast de kosten voor overleg zijn er natuurlijk de kosten om
daadwerkelijk de hulp te bieden. Deze veranderen naar verwachting niet met deze maatregel.
Verschuiving van kosten voor hulp van Jeugdwet naar onderwijs of andersom
Een verschuiving van kosten voor hulp van de Jeugdwet naar het onderwijs of andersom kan
op verschillende manieren.
— Onderwijs-zorgarrangementen (OZA): in de praktijk blijkt dat sommige kinderen met een
complexe zorgvraag op school soms moeilijk meekomen. Dit kan leiden tot veel discussie
tussen gemeenten en onderwijs over wie waar verantwoordelijk voor is of welk aanbod
voorliggend is: zorg of onderwijs(ondersteuning). Terwijl het voor deze kinderen vaak
gaat om de combinatie van beiden. Onderwijs- zorgarrangementen kunnen hier een
uitkomst in zijn. Momenteel verkennen het ministerie van VWS en OCW, wat hoe er meer
ruimte kan komen om te komen tot deze combinatie, waarbij financiering een belangrijk
vraagstuk is. De resultaten hiervan worden op korte termijn verwacht.
— Zorg in onderwijstijd: vooral in het speciaal onderwijs cluster 3 en 4 hebben leerlingen op
school extra zorg nodig. Momenteel wordt onderzoek gedaan naar regionale pilots
rondom collectieve financiering en naar de inzet van zorgarrangeurs. Dit moet
duidelijkheid bieden over de kosten van zorg in onderwijstijd en zo bijdragen aan het
inzetten van de collectieve financiering van zorg in onderwijstijd!” Uit dit onderzoek zal
dan ook moeten blijken wat de financiële gevolgen hiervan zijn voor de uitvoering van de
Jeugdwet, Gezien de tijdslijn van dit onderzoek kunnen we de resultaten hiervan niet
meenemen in het onderhavige onderzoek. Op basis van eerder onderzoek is het
vermoeden echter dat een herziene afbakening een maar zeer beperkte besparing zal
opleveren.
Scope van de maatregel in het onderzoek
Gezien de onderzoeken die lopen, heeft de stuurgroep om dubbelingen te voorkomen
besloten om afbakeningsvraagstuk niet apart in het huidige onderzoek te onderzoeken.
Relevante uitkomsten zullen wel in de rapportage geschetst worden. De focus in het
onderzoek ligt daarom op het effect van een scherpere afbakening op de kosten die gepaard
gaan met het aantal organisatorische overleggen. De verschuiving van kosten voor hulp van
Jeugdwet naar onderwijs valt buiten de scope van dit onderzoek. Daarom is ook geen
doelenboom opgenomen: in het onderzoek is alleen de capaciteit in beeld gebracht die
gemoeid is met de overleggen, zonder een aanname te doen over hoe de afbakening uit zal
pakken.
Verwachte omvang van de besparing
Binnen deze maatregel is het tweede effect afhankelijk van de afbakening die gekozen wordt
tussen jeugdhulp en onderwijs. De stuurgroep heeft besloten dat het niet zinvol is om hier in
dit onderzoek een voorstel voor te doen, aangezien er andere trajecten lopen vanuit OCW en
H8 https://www.dsp-groep.nl/projecten/zorg-in-onderwijstijd/.
20 Onderzoek Berenschot Inzicht Zorg in Onderwijstijd.
GV572 177
Andersson Elffers Felix
VWS. Een afbakening definiëren in dit onderzoek zou geen recht doen aan de complexiteit van
het vraagstuk.
De hoeveelheid overlegtijd over onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen
jeugdhulp en onderwijs (effect 1) berekenen we als volgt:
— Erzijn verschillende overleggen, zowel op casusniveau als overkoepelend. De verdeling
tussen deze overleggen verschilt per gemeente/samenwerkingsverband. Uit het
diepteonderzoek blijkt echter dat de tijdsbesteding gemiddeld 0,5 - 1,5 uur per kind is als
er sprake is van onduidelijkheid over de verantwoordelijkheidsverdeling. In de enquête
geeft meer dan de helft van de gemeenten aan dat dit meer tijd kost. Dat komt vooral
door het feit dat dit typisch lastige casussen zijn, met veel betrokken partijen. Met
inachtneming hiervan houden we een gemiddelde vergadertijd van 1,5 - 2,5 uur per kind
aan.
— Bij een dergelijk overleg nemen we aan dat er gemiddeld 2-3 personen vanuit gemeente
betrokken zijn, vanuit domein jeugd, domein onderwijs en domein openbare orde en
veiligheid met een gemiddeld uurtarief van € 70 - € 80,
— Uit het diepteonderzoek en de enquête blijkt het ongeveer 0,2% - 0,4% van de jeugdigen
in het onderwijs te betreffen. Landelijk komt dat neer op 4.840 — 9.683 jeugdigen. Hierin is
onder andere het aantal jeugdigen met dyslexie een groot aandeel.
— Op basis van de diepteonderzoeken en reële schattingen is de verwachting dat een betere
afbakening van jeugdhulp en onderwijs leidt tot ongeveer 40 - 60 % afname van het
aantal overleggen over verantwoordelijkheidsverdeling.
Een belangrijke kanttekening is dat het de overleggen over afbakening ook deels gaan over
dat gemeenten soms niet outreachend genoeg werken, met name als er geen actieve
hulpvraag is vanuit cliënt. Scholen hebben een zorgplicht en komen ook in contact met
leerlingen als er geen actieve hulpvraag is. Dit leidt tot andere signalering van behoeften dan
een lokaal team van gemeenten. Een deel van de overleggen gaat hierover, en niet over
afbakening per se. Dit soort overleggen zullen blijven bestaan, vandaar ook de inschatting dat
er een afname kan zijn van ongeveer 40 à 60 % van de overleggen.
1, Minder overleg tussen onderwijs en 0,7 tot 2 miljoen euro
gemeenten over wie welke
verantwoordelijkheid heeft
2. Verschuiving van kosten voor hulp van -
Jeugdwet naar onderwijs of andersom
Totaal 0,7 tot 2 miljoen euro
Incidentele kosten Middel
Termijn van besparing Korte termijn, op het moment dat de
afbakening helder is
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
GV572 178
Andersson Elffers Felix
— Tevredenheid jeugdigen en ouders. Als helderder is wie verantwoordelijk is, versnelt dit
naar verwachting de doorlooptijden tot de start van de hulp, en hebben ouders en
jeugdigen minder het gevoel ‘tussen wal en schip te vallen’. Dit is een positief effect voor
jeugdigen en hun ouders. Daar staat tegenover dat een helderder afbakening het risico
met zich meebrengt dat partners strikter volgens de vastgestelde lijnen gaan handelen,
waardoor bepaalde maatwerkoplossingen voor jeugdigen die niet “in een hokje passen’
juist lastiger worden.
— Effect op werkplezier betrokken professionals. Een duidelijkere afbakening leidt
hoogstwaarschijnlijk tot minder discussie en overlegtijd, waardoor er meer tijd overblijft
om te besteden aan het primaire proces. Dit leidt naar verwachting tot meer werkplezier
bij de betrokken professionals in het onderwijs en in de jeugdhulp. Anderzijds, als een
jeugdhulpprofessional minder ruimte ervaart om hulp te verlenen die formeel niet binnen
de Jeugdwet valt maar wel nodig is, kan dat een negatief effect hebben op het
werkplezier van de jeugdhulpprofessional.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Goede samenwerking en afstemming tussen betrokken onderwijs en gemeenten. Om
de maximale effectiviteit van deze maatregel te behalen is het belangrijk dat er
geïnvesteerd wordt in goede samenwerkingsafspraken tussen gemeenten en scholen.
— Heldere landelijke afbakening tussen onderwijs en de Jeugdwet. Het vraagt een
landelijk traject met de betrokken stakeholders om te komen tot een herziene afbakening
die meer duidelijkheid schept over wat onder onderwijs en wat onder de Jeugdwet valt.
Daarnaast is het van belang dat helder over deze afbakening gecommuniceerd wordt,
zodat alle betrokkenen ervan op de hoogte zijn.
Risico’s van de maatregel
Als het lukt deze maatregel op een goede manier te implementeren, brengt hij weinig risico’s
met zich mee, Het gesprek over een goede afbakening loopt echter al enige tijd. Het is dus
niet duidelijk of het mogelijk is om tot een heldere afbakening te komen. Als de afbakening
inhoudelijk niet goed is, is het mogelijk dat er kinderen tussen wal en schip vallen, wat tal van
negatieve effecten met zich meebrengt.
Maatregel 13 Werken met een budgetplafond
Beschrijving van de maatregel
Het inzetten van een budgetplafond wordt in diverse gemeenten gedaan. Bij een
budgetplafond wordt een maximum bedrag toegekend per aanbieder, waarvoor de aanbieder
de totale jeugdhulp moeten verlenen. Soms worden ook budgetplafonds per zorgvorm
gehanteerd; daar gaan wij voor deze maatregel echter niet van uit.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— De maatregel biedt een prikkel voor aanbieders om de kosten te beperken, waardoor zij
mogelijk scherpere keuzes maken over instroom, afschalen en uitstroom. Dit leidt tot een
afname in het aantal trajecten, en tot een verschuiving van duurdere naar goedkopere
trajecten. Deze scherpere keuzes kunnen ook leiden tot meer terugval en meer escalaties,
waardoor er een toename in het aantal zware en dure trajecten ontstaat,
— De prikkel voor aanbieders tot kostenbeperking kan ook leiden tot ‘cherry picking’:
aanbieders die jeugdigen met complexe problematiek niet meer (in dezelfde mate)
GV572 179
Andersson Elffers Felix
aannemen omdat zij hun budgetplafond bereiken. Dat kan leiden tot langere wachttijden
voor deze jeugdigen, waardoor zij uiteindelijk zwaardere en duurdere trajecten nodig
hebben.
— Wanneer het budgetplafond bij een aanbieder wordt bereikt, zullen hierover gesprekken
gevoerd worden tussen aanbieder en gemeente. Dit zorgt voor meer overhead en
overlegkosten. Als het bereiken van het budgetplafond tot langere wachtlijsten leidt, is
een toename in duurdere trajecten te verwachten als gevolg van meer escalaties. Aan de
andere kant kan een deel van de problematiek bij cliënten op de wachtlijst vanzelf
oplossen, wat tot een afname in het aantal trajecten leidt,
— Hetinstellen van een budgetplafond voorkomt onbeheerste groei van aanbieders, wat tot
een afname van het aantal jeugdhulptrajecten leidt,
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Verschuiving
van duurdere
naar goedkopere
trajecten
Scherpere
keuzes over > AEmE
late trajecten
EEn Clan
uitstroom
. Meer risico op 3. Toename
SA FAT NN — duurdere
aanbieders om escalaties Le: fte In}
fe CR eK)
else EG 4. Toename
Ren nn TT EKE gemiddelde duur
Adank fee lnal 1 Ta Ean
Werken met een jeugdigen trajecten
budgetplafond Een deel van de 5. Afname
problematiek Gm jeugdhulp-
lost vanzelf op trajecten
WEES ce)
6. Toename
Bij een deel van Meer escalaties pm duurdere
de aanbieders trajecten
wordt het
plafond bereikt LG Ee
ancam UNE
aanbieder, soms en overle
ook in de politiek a
BMR hd 8. afname aantal
bh TO trajecten
aanbieders
Verwachte omvang van de besparing
Een verschuiving van duurdere naar goedkopere trajecten (effect 1) blijkt zich in de praktijk
niet voor te doen. Uit het diepteonderzoek is gebleken dat een budgetplafond er niet toe leidt
dat aanbieders scherpere keuzes maken over instroom of uitstroom van cliënten. De reden
hiervoor is dat deze beslissingen in de uitvoering genomen worden. Professionals zijn relatief
ongevoelig voor dergelijke financiële prikkels: een kind in de spreekkamer telt nu eenmaal
zwaarder dan een (anoniem) kind op de wachtlijst. Dit beeld wordt breed bevestigd in de
uitvraag: slechts één aanbieder heeft aangegeven naar aanleiding van een budgetplafond
strakker te zijn gaan sturen op duur van trajecten.
GV572 180
Andersson Elffers Felix
Aan de instroomkant (effect 2) en daarmee ook het risico op escalatie (effect 3) is het beeld
genuanceerder:
— Uit het diepteonderzoek bleek dat een budgetplafond in de praktijk niet ‘hard’ is, en dat
jeugdigen veelal alsnog bij andere aanbieders terechtkunnen of dat het plafond
opgehoogd wordt.
— Aanbieders gaven in de uitvraag wel aan dat ze terughoudender werden met instroom
van nieuwe cliënten. Over het algemeen gebeurt dit pas wanneer een plafond (bijna)
bereikt wordt,
— Gemeenten geven echter een ander beeld. Enerzijds geeft iets meer dan de helft van de
gemeenten met een budgetplafond aan dat er wachtlijsten ontstaan als het plafond
bereikt wordt. Anderzijds geven nog meer gemeenten aan dat op dat moment het budget
voor specifieke aanbieders opgehoogd wordt, maatwerkafspraken gemaakt worden voor
specifieke casuïstiek, of dat jeugdigen niet op de wachtlijst komen, maar ondergebracht
worden bij een andere aanbieder. Er is geen enkele gemeente in de enquête die een
wachtlijst heeft laten ontstaan zonder extra acties om jeugdigen alsnog te voorzien van
jeugdhulp.
— Dit suggereert dat een budgetplafond op individuele aanbieders veel meer effect heeft
dan op de kosten van de gemeente. Desondanks wordt er weinig bijgestuurd tot het
plafond (bijna) bereikt is, Op dat moment ziet de gemeente zich voor een voldongen feit
gesteld, en wordt vaak alsnog extra budget beschikbaar gesteld voor specifieke gevallen,
of wordt gezocht in de ruimte van andere aanbieders, Een budgetplafond is daarmee
beperkt effectief als beheersinstrument voor de instroom: als het lager gesteld is dan de
vraag, wordt op het laatste moment een opnamestop ingesteld, met vaak een aanpassing
van het budget als gevolg. Dit is ook een gevolg van de politieke omgeving die de
gemeente is: een raadsvergadering een rechte rug houden terwijl de betreffende cliënt in
het publiek zit, is voor een wethouder politiek gezien zeer risicovol, dus het is gemeenten
er veel aan gelegen om een dergelijke situatie te voorkomen.
— De conclusie is daarmee dat het effect op de instroom zeer beperkt is. Dat geldt daarmee
uiteraard ook voor het risico op escalatie. Hiermee is niet uitgesloten dat dit effect in
combinatie met andere maatregelen wel kan bijdragen aan een besparing. Zo zijn er
voorbeelden waarbij contractmanagement een budgetplafond gebruiken om aanbieders
gedurende het jaar aan te spreken op hun instroom. In beginsel is hier bij een
constructieve relatie echter geen budgetplafond voor nodig.
Een toename van cherry picking (effect 4) is in het diepteonderzoek door gemeenten noch
aanbieders die ervaring hebben met een budgetplafond herkend. Ook uit de enquête blijkt
dat er weliswaar tal van redenen zijn dat cliënten niet geaccepteerd worden, maar dat een
budgetplafond daar niet aan bijdraagt.
Bij het bereiken van het plafond wordt er over het algemeen een oplossing gevonden, en
ontstaan er slechts beperkt wachtlijsten (effect 5 en 6). De gesprekken die hierover gevoerd
worden (effect 7) worden meestal meegenomen in de reguliere accountgesprekken. Een
enkele keer leiden ze tot lange procedures, maar dit gebeurt niet op grote schaal.
Aangezien cliënten relatief vaak naar andere aanbieders doorgeleid wordt, kan een
budgetplafond wel voorkomen dat aanbieders snel groeien (effect 8). Bijna 20% van de
gemeenten geeft in de enquête aan te maken te hebben met aanbieders waar de omzet sterk
van steeg, terwijl zij twijfels hadden over de meerwaarde van de jeugdhulp die de betreffende
aanbieders leverden. Een budgetplafond kan dit ‘lek’ uiteraard dichten. Het is niet bekend
hoeveel dit zou besparen. Het is sowieso een oneigenlijke manier om een budgetplafond te
GV572 181
Andersson Elffers Felix
gebruiken: dergelijke aanbieders zouden immers niet gecontracteerd moeten worden. Een
budgetplafond is hier een suboptimaal instrument voor, aangezien het ook gewenste
innovatie voorkomt.
Effect Financieel effect
1. Verschuiving van duurdere naar Nihil
goedkopere trajecten
2. Afname trajecten Nihil
3. Toename duurdere trajecten Nihil
4. Toename gemiddelde duur en intensiteit Nihil
trajecten
5, Afname jeugdhulp-trajecten Nihil
6. Toename duurdere trajecten Nihil
7. Toename kosten overhead en overleg Nihil
8. Afname aantal trajecten -
Totaal Nihil
Incidentele kosten Middel
Termijn van besparing nvt,
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Negatief effect op ervaring jeugdigen en ouders. Deze maatregel leidt naar
verwachting tot meer wachttijden en lagere keuzevrijheid voor cliënten, omdat de
aanbieders die hun plafond behalen geen jeugdigen meer kunnen toelaten. Dit zal een
negatief effect hebben op de ervaring van jeugdigen en ouders. In de praktijk speelt wel
mee dat er vaak een uitzondering mogelijk is in gemeenten via commissies passend
alternatief.
— Mate van innovatie in de jeugdhulp. Als gevolg van het meer centraal stellen van
budgetbeheersing in jeugdhulporganisaties, kan er minder innovatie ontstaan binnen
aanbieders. Aan de andere kant is het mogelijk dat aanbieders juist innovatiever worden,
omdat ze geprikkeld worden om goedkopere alternatieven te ontwikkelen en in te zetten.
— Grotere verschillen in wachtlijsten jeugdhulp tussen gemeenten en aanbieders.
Budgetplafonds leiden tot wachtlijsten in de gemeente waar ze van kracht zijn. Hiermee
kunnen de verschillen in wachtlijsten voor jeugdhulp tussen gemeenten en aanbieders
groter worden. Zo kunnen de verschillen in wachtlijsten voor jeugdhulp bij een aanbieder
groter worden tussen verschillende gemeenten.
— Meer frustratie bij verwijzers. Als gevolg van het budgetplafond treden er, zeker later in
het jaar, meer behandelstops op. De mate waarin verwijzers naar aanbieders van hun
keuze kunnen verwijzen is dus afhankelijk van de periode in het jaar, wat tot een gevoel
van onrechtvaardigheid kan leiden.
GV572 182
Andersson Elffers Felix
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Het budgetplafond moet gebaseerd zijn op een visie en passen bij de vraag. Wanneer
er enkel naar de budgetten van voorgaande jaren wordt gekeken, is de kans groot dat er
trends en ontwikkelingen gemist worden, waardoor het inzetten van budgetplafonds niet
de wenselijke sturing oplevert. Andersom zijn ook knelpunten te verwachten — zowel
financieel als in de kwaliteit van zorg — als budgetplafonds te ver afliggen van de vraag
naar jeugdhulp.
— Actieve datamonitoring door gemeenten. Gemeenten moeten hun data blijven
monitoren, om inzicht te behouden in trends en ontwikkelingen.
— Toegankelijkheid voor acute situaties borgen. Jeugdigen met acute problemen
moeten op korte termijn ergens terechtkunnen, ofwel bij een andere organisatie ofwel via
aparte financiering.
— Wachtlijstmanagement. Het kan voorkomen dat er bij één aanbieder een wachtlijst is en
bij een andere niet. Inzicht in actuele wachtlijsten - al of niet ten gevolge van het
budgetplafond — en actieve sturing op doorverwijzing naar andere aanbieders is van
belang om te voorkomen dat jeugdigen onnodig lang op de wachtlijst staan.
— Actief contractmanagement. Zoals uit de doelenboom blijkt, bestaat het risico op
ongewenste effecten. Deze kunnen tegengegaan worden door hier in contracten
bepalingen over op te nemen en hier aandacht aan te besteden in het
contractmanagement.
— Voldoende (politiek) draagvlak en een rechte rug. Bij wachtlijsten naar aanleiding van
een budgetplafond zijn raadsvragen te verwachten met cliënten die het betreft in de zaal,
Als hieraan toegegeven wordt, werkt het instrument uiteraard niet.
— De sociale basisvoorzieningen zijn toereikend. Een budgetplafond vraagt om de
aanwezigheid van sociale basisvoorzieningen, omdat de kans groter is dat wachtlijsten
toenemen en problematieken kunnen verergeren. Sterke sociale basisvoorzieningen
zouden dit effect kunnen dempen.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Minder passende jeugdhulp. Wanneer budgetplafonds bereikt worden, moeten
jeugdigen langer wachten op hulp of andere (soms minder passende) hulp accepteren.
Dit kan leiden tot meer escalaties. Naast extra kosten brengt dit ook persoonlijk leed met
zich mee.
— Inzet van duurdere hulp. Zeker bij budgetplafonds per zorgvorm, maar in sommige
gevallen ook bij budgetplafonds per aanbieder bestaat het risico dat verwijzers de
wachtlijst omzeilen door cliënten naar duurdere hulp te verwijzen. In dat geval leidt een
budgetplafond tot ondoelmatigheid.
Maatregel 14 Resultaatgericht financieren per traject
Beschrijving van de maatregel
Bij resultaatgericht financieren krijgen aanbieders betaald aan de hand van het behaalde
resultaat. Dit is een systeem dat is ingevoerd door West-Brabant-West, waar het leidde tot een
kostenbesparing. Dit systeem is vervolgens gekopieerd door andere gemeenten, waar in een
aantal gevallen de kosten juist toenamen.
GV572 183
Andersson Elffers Felix
Bij resultaatgericht financieren spreken toegang en jeugdhulpaanbieder aan het begin van
een traject met de jeugdige en gezin af welk resultaat zij samen willen behalen. Het budget
dat een aanbieder voor het traject krijgt, wordt aan het begin vastgesteld aan de hand van
enkele standaard prijzen. Het budget is op cliëntniveau dan ook vaak niet passend.
Gemiddeld over een groter aantal cliënten zou dat wel zo moeten zijn. Er worden in
verschillende regio’s verschillende keuzes gemaakt in de rol die toegang en aanbieders: in
sommige regio’s bepaalt de aanbieder het budget, in andere de toegang. Over het algemeen
hebben aanbieders binnen een bepaald profiel een aannameverplichting voor een kind.
Eén aanbieder is voor het eindresultaat verantwoordelijk. Als de aanbieder dat resultaat niet
alleen kan betalen, kan een onderaannemer ingeschakeld worden. De hoofdaanbieder krijgt
het eerste deel van het budget vooraf en het tweede deel aan het einde, In sommige regio’s
wordt het tweede deel alleen uitbetaald bij behaald resultaat (te bepalen door de toegang),
andere zijn hier minder strikt mee. Over het algemeen geldt een ‘terugneemgarantie”: als een
jeugdige zich binnen een bepaalde tijd na afronding van het traject opnieuw meldt met
hetzelfde probleem, moet de oorspronkelijke aanbieder de behandeling hervatten zonder
hiervoor extra middelen te ontvangen.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Door het resultaat aan de voorkant helder te definiëren, kan het jeugdhulptraject
efficiënter ingericht worden. Een aandachtspunt daarbij is wel dat er voldoende
mogelijkheid moet blijven om bijkomende of achterliggende problematiek te signaleren.
Anders wordt deze onterecht niet geadresseerd, waardoor problemen later kunnen
verergeren.
— Door een vaste trajectprijs hebben aanbieders een prikkel om de trajectduur te beperken.
Dit leidt tot scherpere keuzes over afschalen en uitstroom, waardoor trajecten korter
worden. Door de terugneemgarantie wordt voorkomen dat de hulp te snel wordt
afgeschaald of beëindigd. Naar verwachting heeft dit pas op lange termijn effect op de
prijzen: wellicht kunnen deze kunnen op termijn naar beneden bijgesteld worden als
blijkt dat sommige trajecten standaard korter kunnen.
— Aan het eind van het traject wordt getoetst of het resultaat behaald is. Dit leidt tot minder
terugval, en dus een afname van het aantal trajecten. Het resultaat moet wel vastgelegd
en getoetst worden, wat een extra administratieve handeling betekent. Daarbij moet wel
opgemerkt worden dat het concretiseren van het resultaat niet alleen een
administratieve handeling is, maar ook zorginhoudelijk betekenis heeft,
— Omdat de verantwoording per traject is, hoeven geen uren per cliënt meer verantwoord
te worden. Dit vermindert de administratieve lasten.
— Door het systeem van hoofd- en onderaannemers is er op cliëntniveau ontschotting van
verschillende typen hulp. Daardoor wordt de hulp effectiever, en zou het aantal cliënten
af moeten nemen. Het hoofd- en onderaannemerschap brengt wel extra administratieve
lasten met zich mee, omdat aanbieders (financiële) afspraken moeten maken over hun
samenwerking.
GV572 184
Andersson Elffers Felix
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Goedkopere
trajecten
Resultaat aan de Menn
ericht O
hank d TO er Ondersignalering Kell
td Ten Ene gemiddelde duur
problemen bij Kg en intensiteit van
dezelfde trajecten door
jeugdige escalatie
Prik voor eeu 3. Kortere trajecten
EAN — ES Keien
kosten per cliënt afschalen of
: de kosten)
te beperken uitstroom
Minder terugval KR asl abekaalkln
trajecten
Resultaatgericht Toen op
financieren per Knensn Voor
traject bus Vastleggen
Ks resultaten voor Se eamame
gemeente voor a . administatieve
en na traject ak
Verantwoording Gen NAG
RN —__ NGE Eene
per traject e
uren per cliënt lasten
R 7. Afname aantal
En BN Effectievere hulp trajecten door
minder terugval
Samenwerking
OEE Nd rl Tat
onderaannemers tussen 8. IV
EERDE EKE
(inhoud en lasten aanbieders
financiën)
Verwachte omvang van de besparing
De ervaringen met resultaatgericht financieren geven een zeer wisselend beeld. Sommige
regio’s geven aan dat het hun geholpen heeft met grip krijgen op jeugdhulp en het beheersen
van de kosten, in andere lijkt het weinig effect op de kosten gehad te hebben, en er zijn ook
regio’s waar de kosten sterk toenamen na de invoering van resultaatgericht financieren, Het is
daarom niet mogelijk om conclusies te trekken over het effect van deze maatregel. Wel geven
we onderstaand een duiding van de (deel)resultaten.
Over het effect op de trajectprijs (effect 1) verschillen de meningen tussen aanbieders en
gemeenten: van beide groepen geeft een groot gedeelte aan dat resultaatgericht bekostigen
niet leidt tot een verandering in de trajectprijs. Er zijn echter relatief veel gemeenten die
aangeven dat de prijzen eerder omhoog dan omlaag gaan, terwijl dat bij aanbieders juist
andersom is,
GV572 185
Andersson Elffers Felix
— Gemeenten vinden over het algemeen niet dat resultaatgericht financieren leidt tot
lichtere inzet van jeugdhulptrajecten: een aantal gemeenten geeft zelfs aan dat trajecten
eerder zwaarder en duurder worden dan goedkoper.
— De helft van de aanbieders in de uitvraag die ervaring hebben met deze maatregel, geven
aan dat de trajectprijzen gemiddeld gezien gelijk blijven als er gekozen wordt voor
resultaatgericht financieren, Een derde geeft aan dat trajecten gemiddeld goedkoper
worden. De rest geeft aan dat trajecten gemiddeld duurder worden.
Het risico dat bepaalde problematiek niet gesignaleerd wordt (effect 2) lijkt niet te spelen:
driekwart van de aanbieders die ervaring heeft met resultaatgericht financieren geven aan
dat de maatregel er niet toe leidt dat de inhoud van het traject verandert, De meeste
aanbieders die de inhoud wel veranderen, geven aan dat op cliëntniveau gekeken wordt of
iets niet ingezet hoeft te worden. Slechts enkele aanbieders geven aan dat zij meer op zoek
gaan naar de ondergrens in wat er nodig is om kwaliteit te leveren.
Voor een verandering in werkwijze die op den duur tot lagere kosten zou leiden (effect 3) is
het nog te vroeg. Er zijn echter op dit moment weinig signalen dat de dienstverlening zo
verandert dat dit een grote rol kan spelen. Zo zien aanbieders geen verschil in de trajectduur,
De mogelijkheid dat jeugdigen minder terugvallen (effect 4) kan lastig onderzocht worden,
omdat deze gegevens maar beperkt beschikbaar zijn. Daarnaast zijn gegevens lastig
vergelijkbaar: bij een terugval binnen een aantal maanden, geldt het immers als hetzelfde
traject, waar dat voorheen niet zo was. In de enquête ziet bijna drie kwart van de aanbieders
die ervaring heeft met deze maatregel geen verandering in de mate waarin jeugdigen
terugvallen na een traject. Waar aanbieders wel verandering zien, geven ze over het algemeen
aan dat er minder terugval is, maar dat dit meer met kwaliteit van zorg te maken heeft dan
met de bekostigingssystematiek.
Over het effect op de administratieve lasten (effect 5 en 6) verschillen de meningen. Uit het
diepteonderzoek volgt dat de administratieve lasten die hiermee samenhangen vergelijkbaar
zijn met andere modellen. De korte samenvatting van de verschillende gesprekken was: “het
één kost wat meer tijd, het ander wat minder, en netto komt het op hetzelfde neer”. In de
uitvraag geeft meer dan de helft van de aanbieders aan het hiermee oneens te zijn. De
redenen hiervoor zijn divers, maar vallen een in een aantal categorieën:
— Eendeel van de aanbieders geeft aan dat de lasten hoger zijn omdat de systematiek niet
aansluit bij de gebruikelijke bedrijfsvoering (bijvoorbeeld op het epd, of gebruikelijke
kostenbeheersingsinstrumenten).
— Aan de andere kant zijn er aanbieders die aangeven dat er juist minder administratieve
lasten zijn, omdat minder vaak gefactureerd moet worden (effect 6), en er meer ruimte is
om te doen wat nodig is voor een kind.
— Aardig wat aanbieders geven aan dat de lasten toenemen door de afstemming met de
gemeente (effect 5). Daarbij worden echter vooral voorbeelden genoemd waaruit blijkt
dat vooral onenigheid tussen aanbieder en gemeente over de benodigde inzet veel tijd
kost. Er zijn ook aanbieders die aangeven dat de combinatie van deze systematiek met
andere beheersinstrumenten (zoals een budgetplafond) veel tijd kost.
— Tot slot betreffen enkele antwoorden een algemene frustratie met administratieve lasten
inde Jeugdwet, die losstaan van deze maatregel.
De administratieve lasten lijken dus sterk afhankelijk van de manier waarop de gemeente de
maatregel implementeert, en welke additionele beheersmaatregelen hiervoor ingezet
worden. Daarom is het niet mogelijk om een algemene conclusie te trekken over de mate
waarin administratieve lasten toe- of afnemen.
GV572 186
Andersson Elffers Felix
Voor effectievere hulp door ontschotting (effect 7) is niet duidelijk in welke mate dit optreedt.
De verwachting was dat dit zou leiden tot een afname van het aantal trajecten. In het
onderzoek is daarbij de nuancering gekomen dat ook als het leidt tot een afname in het
aantal trajecten, dit niet automatisch leidt tot een afname in hoeveel hulp een jeugdige
ontvangt. Dat in sommige gevallen effectievere hulp wordt geboden door samenwerking,
wordt wel herkend. Het is echter niet duidelijk of daarmee de kosten ook lager worden.
Het hoofd- en onderaannemerschap heeft ook consequenties voor de administratieve lasten
van aanbieders (effect 8).
— Uit het diepteonderzoek bleek dat een rol als hoofdaannemer aanbieders veel tijd kost. Er
werd door deelnemers uit het diepteonderzoek ingeschat dat de werkzaamheden als
hoofdaannemer ongeveer 2,5 uur per jeugdige kosten.
— Inde enquête gaf ongeveer een derde van de aanbieders aan dit te herkennen. Meer dan
40% geeft aan dat het meer of veel meer tijd kost. Er zijn slechts een paar aanbieders die
aangeven dat het minder tijd kost. Activiteiten die bijdragen aan deze extra lasten zijn het
controleren van facturen, het invoeren van uren in het EPD, kwaliteitstoetsing, opstellen
van contracten, en overleg voeren over het in te zetten werk. Tegelijkertijd zit hier ook
een groot leereffect in. Veel aanbieders hebben hier pas recent ervaring mee, terwijl een
aantal van deze werkzaamheden gemakkelijk te standaardiseren zijn. We schatten dit
effect daarom in op 2 - 3 uur per jeugdige.
— Uit het diepteonderzoek bleek dat een rol als onderaannemer gemiddeld 2 uur extra kost.
Bijna de helft van de aanbieders herkent dut. Een kwart geeft aan dat dit meer tijd kost,
maar er zijn ook een paar aanbieders die aangeven dat het minder tijd kost. Daarom
hanteren we een bandbreedte van 1,5 - 2,5 uur. Activiteiten die worden genoemd als
reden voor deze extra administratieve lasten zijn het opstellen van contracten, het
(handmatig) factureren per maand en accountscontrole, De toename van de
administratieve lasten is echter wel erg afhankelijk van de precieze
declaratievoorwaarden. Als er alleen facturen gestuurd hoeven te worden (die ook tijdig
betaald worden), is er aanzienlijk minder tijd nodig.
— Het is niet duidelijk voor hoeveel jeugdigen meerdere aanbieders nodig zijn. Een
onderschatting is het aantal jeugdigen dat voorafgaand aan de decentralisatie zorg uit
meerdere domeinen had. Deze gegevens zijn beschikbaar op StatLine, en in 2013 bleek
het om ongeveer 60.000 jeugdigen te gaan. Aangezien het volume van jeugdhulp
inmiddels groter is, en meerdere aanbieders binnen één domein ook voor kunnen komen,
ligt het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger. Uit het diepteonderzoek bleek echter dat
aanbieders de extra administratieve lasten ook een reden vinden om minder snel een
andere aanbieder erbij te vragen. Mogelijk neemt het aantal jeugdigen waarvoor dit nodig
is dus af als een dergelijke systematiek wordt ingevoerd. Daarom hanteren we hiervoor
een bandbreedte van 60.000 — 100.000 jeugdigen op landelijk niveau. Een aantal regio’s
werkt momenteel al met resultaatgericht financieren. In deze regio’s is ongeveer 17% van
de jeugdigen woonachtig. Bij het opschalen van deze maatregel is dus 87% van de
hierboven genoemde bandbreedte genomen.
— Hettarief dat we tellen voor deze extra uren is gebaseerd op een salaris vergelijkbaar met
schaal 9 - 11. Het uurtarief komt dan neer op € 65,70 - € 77,98.
Op overkoepelend niveau is opgemerkt dat de resultaten sterk wisselen waren. Dit kan te
maken hebben met de mate waarin aan de randvoorwaarden om dit goed te laten werken
voldaan is. De ervaringen geven in dat geval echter wel aan dat het resultaat van de maatregel
in dat geval zeer gevoelig is voor de mate waarin aan randvoorwaarden voldaan zijn. Dat
GV572 187
Andersson Elffers Felix
maakt het los van een verwacht financieel effect een risicovolle maatregel, waaraan regio’s
alleen moeten beginnen als aan alle randvoorwaarden voldaan is.
Effect Financieel effect
1. Goedkopere trajecten Wisselende beelden
2. Toename gemiddelde duur en intensiteit Nihil
van trajecten door escalatie
3. Kortere trajecten (niet direct effect op de Nihil
kosten)
4. Afname aantal trajecten Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
5. Toename administratieve lasten Wisselende beelden
6. Afname administratieve lasten Wisselende beelden
7. Afname aantal trajecten door minder Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
terugval
8. Meer administratieve lasten aanbieders -27 tot -16 miljoen
Totaal Niet duidelijk, maar beperkt
Incidentele kosten Hoog
Termijn van besparing Lange termijn, compleet nieuwe systematiek
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Meer focus op resultaat bij gemeenten. Doordat gesprekken tussen aanbieder en
gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk
beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de hulpvragen van
jeugdigen. Dit kan de kwaliteit van zorg ten goede komen. Dit effect wordt echter maar
door enkele gemeenten en aanbieders ervaren. Bij veel andere aanbieders wordt het
resultaatgericht financieren vooral als instrument ervaren om de bekostiging anders af te
spreken, en verandert het niet de focus.
— Effectievere zorgtrajecten. De systematiek brengt een prikkel met zich mee om zo
effectief mogelijk te werken en een jeugdige zo snel mogelijk weer te laten herstellen.
Naast de kosteneffecten die dat oplevert, zorgt sneller herstel er ook voor dat jeugdigen
weer sneller hun normale leven kunnen oppakken en daarmee voor meer welzijn van
jeugdigen.
— Het definiëren van een resultaat helpt in het effectiever maken van jeugdhulp op
termijn. Het is niet eenvoudig een goed resultaat te formuleren. Geformuleerde
resultaten zijn al snel te abstract, waardoor ze niet meer meetbaar zijn. Aan de andere
kant hebben te concrete resultaten het risico dat ze slechts betrekking hebben op
symptomen en de kern van het probleem niet raken. Het is bijvoorbeeld gemakkelijker
om te toetsen of een jeugdige dagelijks de tanden poetst dan of het een gezin lukt om een
veilige en geborgen omgeving te bieden. In eerste instantie vraagt dit veel van
professionals, en zal dit ook frustratie met zich meebrengen. Door samen taal te
GV572 188
Andersson Elffers Felix
ontwikkelen voor het definiëren van betekenisvolle resultaten, kan na verloop van tijd het
effect van jeugdhulp echter concreter gemaakt worden. Dit draagt bij aan snellere
beleidsontwikkeling, maar ook aan effectievere jeugdhulp.
— Meer integrale samenwerking tussen aanbieders. Aanbieders zullen wel móeten
samenwerken als hoofd- en onderaannemers om gezamenlijk doelen te bereiken, en
stemmen daarvoor met elkaar af op casusniveau. Doordat één aanbieder
verantwoordelijk is, is er een helder aanspreekpunt als het niet goed loopt. Jeugdigen en
hun ouders, maar ook de gemeente, krijgen daardoor minder vaak het gevoel ‘van het
kastje naar de muur’ gestuurd te worden.
— Meer samenwerking tussen zorg en sociale basisvoorzieningen. Er is een financiële
prikkel voor aanbieders om sociale basisvoorzieningen te betrekken om bepaalde
resultaten gemakkelijker te halen. De tegenkant hiervan is het risico van ‘afschuiven’ het
hangt af van het beleid van de gemeente of dit een probleem is of niet. Als de gemeente
het standpunt inneemt dat het inzetten van sociale basisvoorzieningen de voorkeur
geniet en budget overhevelt vanuit specialistische hulp (tarieven aanpassen) naar sociale
basisvoorzieningen, zodat daar voor de benodigde kennis en capaciteit gezorgd wordt, is
dit een positief effect dat transformatie versnelt.
— Meer zicht op wat effectief is. In de jeugdhulp zijn er relatief weinig bewezen effectieve
interventies. Ze worden bovendien niet altijd gebruikt, Er zijn relatief weinig analyses
beschikbaar over wat in welke situatie effectief is, In de meeste
bekostigingssystematieken is de prikkel om dit na te gaan beperkt. Bij resultaatgericht
financieren loont het om hier bij de keuze van het traject bij stil te staan, wat mogelijk de
kennisontwikkeling (en toepassing van deze kennis) in de sector versnelt.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Coherent systeem binnen de gemeente. Het ‘systeem’ van toegang, uitvoering en
uitstroom moet goed georganiseerd zijn en aansluiten bij de gemeentelijke visie. Zo moet
de toegang zodanig ingericht en bemenst zijn dat er zorgvuldig in te schatten is welke
resultaten realistisch, haalbaar en gewenst zijn voor jeugdigen.
— Heldere definitie van resultaat opgesteld met aanbieders. Belangrijk voor het slagen
van deze maatregel is dat gemeenten en aanbieders samen met het gezin bepalen wat er
door hen als resultaat gezien wordt, De kwaliteit van de formulering is van belang voor de
werking van het systeem.
— Goede kennis van sociale kaart bij aanbieders. Aanbieders moeten de lokale sociale
kaart goed kennen om op de juiste momenten de juiste onderaannemers in te kunnen
schakelen.
— De mogelijkheid open om bepaalde zorgvormen per tijdseenheid te financieren
openhouden. Niet elke vorm van hulp leent zich voor resultaatgerichte financiering. Zo
zijn er jeugdigen die nooit volledig zullen herstellen of, in geval van specifieke syndromen,
zelfs achteruit zullen gaan. In zo’n geval is het hoogst haalbare resultaat om
achteruitgang te beperken, maar na afloop van het traject is nog steeds hulp nodig. Een
financiering per week of maand is hier passender, Naast deze jeugdigen ‘duurzaam’
ondersteunen, werken verschillende - maar niet alle — gemeenten met aparte tarieven
voor verblijf, die in aanvulling op een behandelcomponent betaald worden.
— Voer resultaatgericht financiering regionaal in. Als organisaties in elke gemeente
andere resultaatafspraken maken, worden de administratieve lasten te hoog. Landelijk
vastgestelde resultaatafspraken zijn praktisch niet haalbaar, omdat elke gemeente/regio
andere trajecten kent. Het is sterk verweven met gemeentelijk/regionaal beleid.
GV572 189
Andersson Elffers Felix
— Aanbieders mogen na inschrijving op een bepaald profiel geen cliënten weigeren
binnen dit profiel. Resultaatgericht financieren maakt het voor organisaties
aantrekkelijk om cliënten te ondersteunen met makkelijk haalbare doelen. Om dit te
voorkomen, schrijven jeugdhulpaanbieders vooraf in voor een bepaald profiel met een
bandbreedte aan intensiteiten en bijbehorend tarief. Binnen deze marges mogen zij geen
cliënten weigeren.
— Voldoende (politiek) draagvlak en duidelijke overgangsperiode. Voor aanbieders is de
overgang naar resultaatgericht financieren soms groot: het vraagt een ander type
bedrijfsvoering en een cultuuromslag in de organisatie. Dit heeft tijd nodig, en in de
overgangsfase is te verwachten dat er politieke druk uitgeoefend wordt om het systeem
terug te draaien of minder strikt uit te voeren. Het is van belang om aanbieders de tijd te
geven om aan de nieuwe systematiek te wennen en hun bedrijfsvoering erop aan te
passen. Daarbij hoort echter wel een duidelijke routekaart, waaruit ook blijkt dat lossere
omgang met sommige eisen van tijdelijke aard is.
— Actief contractmanagement. Zoals uit de doelenboom blijkt, bestaat het risico op
ongewenste effecten. Zeker als aanbieders zelf het tarief kunnen bepalen, bestaat het
risico dat zij dit voorzichtig inschatten. Dit kan worden tegengegaan door goede
monitoring en actief contractmanagement. Door aanbieders, zeker in de beginfase, direct
aan te spreken op dit gedrag, blijkt het vaak mogelijk om in overleg beschikkingen naar
beneden bij te stellen.
— Duidelijke afspraken over mogelijkheden tot bijstelling van beoogde resultaten. Er
moeten duidelijke afspraken gemaakt worden tussen gemeenten en aanbieders over hoe
er wordt omgegaan met het bijstellen van gesignaleerde problematieken, als een traject
al gestart is bij een aanbieder.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Onvoldoende aandacht voor voorbereiding van de implementatie. Een te snelle
invoering is een groot risico van resultaatgericht financieren. Bovengenoemde
randvoorwaarden laten zien dat er veel tijd en inzet voor nodig is om een dergelijke
financieringsvorm voor te bereiden, en dat tijdens de invoering continu scherp
gemonitord moet worden.
— Te nauwe definitie van resultaten. Om correct om te gaan met complexe
problematieken moeten integrale doelen en resultaten omschreven worden. Een risico is
namelijk dat complexe problematiek opgeknipt wordt in subdoelen waardoor de kern
niet geraakt wordt,
— Gemiddeld tarief niet passend voor kleine aanbieders. Resultaatgericht financieren
werkt met een beperkt aantal tarieven, vanuit de gedachte dat het tarief gemiddeld
toereikend moet zijn. Voor kleine aanbieders met weinig cliënten, kan echter een
vertekening optreden waardoor het gemiddelde tarief te hoog of te laag kan zijn.
Hetzelfde kan gelden voor grotere aanbieders met specifieke cliëntgroepen waarvoor
inzet nodig is aan de boven- of onderkant van een tariefklasse.
— Verandering werkplezier professionals. De mogelijke toename van administratieve
lasten bij aanbieders kan tot een negatief effect op het werkplezier van professionals
leiden.
— Liquiditeit onder druk. De liquiditeit kan op twee manieren onder druk staan. Enerzijds
betaalt de gemeente de aanbieder aan het begin het traject, waardoor de gemeente in
één keer veel moet uitbetalen. Normaal gesproken kan een gemeente hiervoor putten uit
de reserve of goedkoop lenen, dus dit zal in de praktijk geen probleem vormen. Aan de
andere kant krijgt de aanbieder weliswaar middelen aan het begin van het traject, maar
GV572 190
Andersson Elffers Felix
loopt de betaling aan het eind van het traject achter. Daardoor kan de liquiditeit van
aanbieders onder druk komen te staan, zeker bij langdurige trajecten. Uiteraard wordt dit
effect wel verkleind doordat aanbieders voor nieuwe cliënten juist weer direct relatief
veel middelen krijgen.
Maatregel 15 Taakgerichte bekostiging waarbij (een deel van) de jeugdhulp voor een
gebied bij één organisatie is belegd
Beschrijving van de maatregel
Taakgerichte bekostiging houdt in dat er wordt aanbesteed aan één organisatie die het
volledige zorg- en ondersteuningspakket aanbiedt binnen een bepaald gebied. Het gebied
kan een wijk zijn, een gemeente, of meerdere gemeenten. Deze sturingsvorm wordt
bijvoorbeeld toegepast in Utrecht, Alphen aan de Rijn, Heerlen en Hollands Kroon.
Er kunnen verschillende keuzes gemaakt worden wat betreft de reikwijdte van de hulp die
binnen de taakgerichte bekostiging valt. Het is mogelijk om onderdelen van de jeugdhulp
taakgericht te bekostigen, maar ook om Wmo en jeugd samen te voegen. In de meeste
gemeenten met taakgerichte bekostiging zijn de lokale teams en specialistische jeugdhulp
ondergebracht bij één partij.
Als partij wordt vaak een nieuwe organisatie opgericht, waar diverse moederorganisaties
capaciteit aan leveren. Dit faciliteert het aanbieden van integrale hulp binnen een domein,
door schotten tussen organisaties weg te halen. Het idee hierachter is dat institutionele
belangen niet het maatschappelijk resultaat in de weg moeten staan.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Taakgerichte bekostiging leidt tot een prikkel om de kosten te beperken. Aanbieders
zullen naar verwachting scherpere afwegingen gaan maken wat betreft de noodzaak en
vorm van een traject. Dit kan leiden tot minder trajecten, lichtere en kortere trajecten. Het
leidt echter ook tot een hoger risico dat de noodzaak soms verkeerd wordt ingeschat en
er escalatie van problemen plaatsvindt. Dit kan leiden tot een lichte toename van langere
en dure trajecten.
— Taakgerichte bekostiging leidt ook tot scherpere afwegingen over uitstroom en afschalen,
waarbij er meer wordt ingezet op normaliseren, versterken van zelfredzaamheid van een
gezin en het oppakken van problemen in het eigen netwerk. Dit effect wordt met name
verwacht bij lichtere jeugdhulptrajecten waar professionele hulp minder essentieel is op
de lange termijn. Dit leidt tot een afname van de gemiddelde duur en intensiteit van
(lichte) jeugdhulptrajecten. Op de lange termijn kan dit effect ook worden gezien bij
zware jeugdhulp.
— Scherpere afwegingen over uitstroom en afschalen leiden daarnaast tot het aanbieden
van alternatieven voor jeugdhulp waar mogelijk, met als gevolg een breder aanbod van
de sociale basisvoorzieningen en de inzet van lichtere trajecten waar mogelijk.
=— Door verschillende typen hulp aan te bieden in één organisatie treedt er ontschotting op
van hulp en kunnen meerdere vormen van hulp makkelijker in één traject worden
aangeboden.
— Het samenvoegen van verschillende expertises en vormen van jeugdhulp in één
organisatie vraagt veel afstemming en overleg tussen de verschillende
moederorganisaties. Dit leidt zowel tijdelijk als structureel tot extra administratieve
lasten en coördinatie- en overlegkosten.
GV572 191
Andersson Elffers Felix
=— Omdat één organisatie per gebied verantwoordelijk wordt voor alle hulp, ondersteuning
en toeleiding, hebben aanbieders en gemeenten wel minder administratieve lasten voor
verantwoording en minder contractmanagement.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
1. Afname aantal
trajecten
ART Scherpere 2, Afname
En EGA gemiddelde duur
ON noodzaak en Ta Ean
vorm traject trajecten
Toename 3. Toename lange,
escalaties TT KICI
ENNE Laat)
Normaliseren gemiddelde duur
Ta Nah HET
Scherpere TENT el eelt
EAA) =i la RON (Cd
uitstroom en ENNE
afschalen trajecten door
Ideeën voor substitutie
Taakgerichte RE
ale k Breder aanbod 6. Extra kosten
sociale basis- EB _ sociale basis-
voorzieningen voorzieningen
Ontschotting van TN vÁ cls aantal
typen hulp trajecten
NE
samenwerking
tussen aanbieders TL laan 4 NA
tussen aanbieders acminikweifeve
OE EE
financiën)
(ET 9. Minder kosten
VEE contract-
per aanbieder Lata EFA Kel
Verantwoording
op wijkniveau EEn TJ Minder
verantwoording administratieve
ST Ae 2 lasten aanbieders
Taal 10
Verwachte omvang van de besparing
In het diepteonderzoek zijn geen duidelijke aanwijzingen gekomen dat deze maatregel tot
significante besparingen leidt. De ervaringen met deze maatregel zijn beperkt, en de
gemeente in het diepteonderzoek die deze maatregel heeft ingericht in lijn met de
beleidstheorie ontstaan er inmiddels ook tekorten in jeugd.
GV572 192
Andersson Elffers Felix
Daarmee hebben we in de uitvraag geen concrete inschattingen kunnen valideren. Wel
hebben we uitgevraagd in hoeverre de gemeenten en aanbieders die ervaring hebben met de
maatregel de effecten herkennen. Hier hebben 11 aanbieders en 30 gemeenten op
gereageerd, waarvan een groot deel slechts sinds 2020 ervaring had met de systematiek, en
een ander deel antwoordt op eerdere ervaringen (in sommige gevallen in een andere
gemeente).
Voor de prikkel voor aanbieders om de kosten te beperken en de scherpere afwegingen te
maken over uitstroom en afschalen (samen het werkzame mechanisme voor effect 1 t/m 6) is
in het diepteonderzoek geen kwantitatieve onderbouwing gevonden. De enquête suggereert
dat de omvang van de effecten sowieso beperkt is:
— lets minder dan de helft van de gemeenten geeft aan dat taakgerichte bekostiging leidt
tot het maken van scherpere keuzes als het gaat om instroom of uitstroom.
— Opvallend is echter dat de aanbieders, die deze scherpere keuzes in de praktijk zouden
moeten maken, dit beeld niet herkennen: ruim drie kwart geeft aan dat deze vorm van
bekostiging niet leidt tot scherpere keuzes. Aangezien aanbieders de scherpere keuzes in
de praktijk moeten brengen, is het daarmee niet waarschijnlijk dat deze daadwerkelijk
gemaakt worden.
— Dit beeld wordt bevestigd door wat er in de praktijk lijkt te gebeuren wanneer het
afgesproken budget wordt overschreden. Bij driekwart van de aanbieders met
taakgerichte bekostiging is het afgesproken budget van de taakgerichte bekostiging wel
eens overschreden. Op één aanbieder na zijn er in alle gevallen door de gemeente extra
middelen beschikbaar gesteld. Ook van de gemeenten geven bijna alle gemeenten aan
dat er extra middelen beschikbaar zijn gesteld. Aanvullend heeft het ook geleid tot
wachtlijsten of bezuinigingen, dus enig financieel effect is zeker mogelijk, maar dit zal
naar verwachting wel beperkt zijn. De financiële prikkel (effect 1 t/m 3) is in de praktijk
dus kleiner dan in theorie.
Ook voor effectievere hulp door ontschotting (effect 7) is niet duidelijk in welke mate dit
optreedt. De verwachting was dat dit zou leiden tot een afname van het aantal trajecten. In
het onderzoek is daarbij de nuancering gekomen dat ook als het leidt tot een afname in het
aantal trajecten, dit niet automatisch leidt tot een afname in hoeveel hulp een jeugdige
ontvangt. Dat in sommige gevallen effectievere hulp wordt geboden door samenwerking,
wordt wel herkend. Het is echter niet duidelijk of daarmee de kosten ook lager worden.
Over het effect op de administratieve lasten (effect 8 t/m 10) verschillen de meningen. Uit het
diepteonderzoek is gebleken dat de administratieve lasten van de verantwoording hiervan
vergelijkbaar zijn: er worden andere nadrukken gelegd dan bij andere bekostigingsvormen,
maar in totaal vallen de plussen en minnen tegen elkaar weg. Bijna de helft van de aanbieders
in de uitvraag die ervaring hebben met deze maatregel herkent dit beeld. Daarnaast geeft
ongeveer een derde aan dat de lasten hoger zijn, en een kleine 20% dat de lasten lager zijn.
Voor het saldo van effecten 8 tot en met 109 kan dus geconcludeerd worden dat er zeer
waarschijnlijk door deze besparing per saldo geen besparing verwacht kan worden, en een
eventuele stijging in kosten vermoedelijk beperkt zal zijn. Wel is er een aandachtspunt in de
afstemming tussen aanbieders. Hiervoor wordt een nieuwe organisatie opgericht. Als deze te
complex wordt, neemt de overhead toe.
Al met al concluderen we voor deze maatregel dat het financiële effect vermoedelijk beperkt
is; maar dat we tegelijkertijd op basis van de informatie die binnen het onderzoek is
opgehaald niet tot een voldoende betrouwbare kwantificering kunnen komen.
GV572 193
Andersson Elffers Felix
Effect Financieel effect
1, Afname aantal trajecten Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
2. Afname gemiddelde duur en intensiteit Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
3. Toename lange, dure trajecten Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
4. Afname gemiddelde duur en intensiteit Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
5. Lichtere trajecten door substitutie Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
6. Extra kosten sociale basisvoorziening Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
7. Afname aantal trajecten Vermoedelijk beperkt, niet gekwantificeerd
8. Extra administratieve lasten aanbieders Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
9. Minder kosten contractmanagement Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
10. Meer administratieve lasten aanbieders Zeer beperkt, niet gekwantificeerd
Totaal Beperkt
Incidentele kosten Hoog
Termijn van besparing Lange termijn, compleet nieuwe systematiek
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Ruimte voor innovatie en doorontwikkeling van de jeugdhulp. Taakgerichte
bekostiging gaat gepaard met lumpsumbekostiging waarbij veel vrijheid is om het budget
in te zetten. Dit schept mogelijkheden om meer budget in te zetten voor (niet-
cliëntgebonden) projecten gericht op innovatie of verbetering van kwaliteit van de
jeugdhulp.
— Het toepassen van een lerende aanpak wordt bevorderd. Doorlopend leren en
verbeteren wordt interessanter voor de organisatie nu alle kosten en baten die worden
bereikt met verbetering van de kwaliteit en doelmatigheid van jeugdhulp bij dezelfde
partij terecht komen.
— Toename werkplezier professionals. Door minder administratieve lasten,
verantwoording op basis van kwaliteit en meer ruimte voor innovatie en verbetering van
de jeugdhulp, hebben professionals meer plezier in hun werk,
— Meer focus op resultaat bij gemeenten. Doordat gesprekken tussen aanbieder en
gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk
beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de populatie. Dit kan de
kwaliteit van zorg ten goede komen.
— Effectievere zorgtrajecten. De systematiek brengt een prikkel met zich mee om zo
effectief mogelijk te werken en een jeugdige zo snel mogelijk weer te laten herstellen of
problemen te voorkomen. Naast de kosteneffecten die dat oplevert, zorgt sneller herstel
er ook voor dat jeugdigen weer sneller hun normale leven kunnen oppakken en daarmee
voor meer welzijn van jeugdigen.
GV572 194
Andersson Elffers Felix
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Heldere en consistente visie in samenwerking met de keten. Deze maatregel vereist
een consistente langetermijnvisie die in de diverse sturingsmechanismen van de
maatregel terugkomt. Deze visie dient opgesteld te zijn in samenwerking met de keten.
Binnen deze visie is het belangrijk dat de nieuwe brede jeugdorganisatie ruimte en tijd
krijgt om zich om te vormen tot een netwerk dat werkt aan een gezamenlijk doel.
— Blijvend partnerschap. Ook na invoering blijft partnerschap tussen gemeenten en
aanbieders van belang om de visie continu door te ontwikkelen en te operationaliseren.
Bij deze sturingsvorm worden beslissingen namelijk relatief ver van de gemeente
gemaakt. Het is van belang dat ook in de gemeentelijke organisatie afwegingen
voldoende doorleefd en gedragen worden. Daarnaast is het van belang dat de gemeente
de randvoorwaarden blijft verzorgen voor doelmatige jeugdhulp, waaronder
investeringen in sociale basisvoorzieningen en samenwerking met andere domeinen
binnen de gemeente.
— Voldoende tijd en budget voor implementatie. Het is belangrijk dat gemeenten de
aanbieders voldoende tijd en financiële ruimte geven om te komen tot een goede
werkwijze. Deze werkwijze is een grote transformatie, waar in de opstartfase in
geïnvesteerd moet worden.
— Voldoende budget in de lumpsum. Een taakgerichte bekostiging werkt alleen als het
budget past bij de vraag van de populatie. Het bepalen en inschatten van het volume
waarbij taakgerichte bekostigen goed kan functioneren, is ingewikkeld en hangt sterk
samen met factoren die zowel binnen als buiten de invloedssfeer liggen van de aanbieder.
Bij een te hoog budget is de besteding niet doelmatig, bij een te laag budget worden te
veel risico’s op de aanbieder afgewenteld, met een risico op kwaliteitsverlies, In het
verlengde hiervan is het ook goed om met elkaar vooraf afspraken te maken over de wijze
waarop onvoorziene situaties worden gemonitord en vanuit het oogpunt van (financiële)
risicobeheersing worden bewaakt.
— Te contracteren aanbieder krijgt ruimte om de uitvoering ervan in samenspraak met
de cliënt, naar eigen professioneel inzicht in te vullen. Het goed inrichten van
taakgerichte bekostiging vraagt dat de aanbieder die inschrijft voldoende beleidsvrijheid
heeft om de uitvoering van jeugdhulp in te richten, aansluitend op de gemeentelijke visie,
— Investeren in professionals. Taakgerichte bekostiging in één gebied vraagt om een
nieuwe beroepsopvatting voor professionals en specifiek ontwikkelen van bepaalde
vaardigheden zoals normaliseren. Het vraagt investeren in opleiding en de juiste
professionals om dit te bereiken.
— Waarborg maatwerk jeugdigen. Ondanks het beperkt aantal partijen dient de
mogelijkheid tot maatwerk voor een jeugdige met jeugdhulp gewaarborgd te worden. Dit
kan bijvoorbeeld via onderaannemers.
— Een goede verantwoordingssystematiek en monitoring. Gemeenten en de nieuwe
aanbieders dienen een manier van verantwoorden te ontwikkelen die passend is. Dat
betekent dat de verantwoording voldoende handvatten moet bieden voor het juiste
gesprek op verschillende niveaus. Zowel ambtelijk als bestuurlijk en politiek is het van
belang dat de visie en de operationalisering hiervan naar de praktijk doorleefd worden en
gezamenlijk het juiste budget bepaald kan worden.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
GV572 195
Andersson Elffers Felix
— Verschraling van zorglandschap. Er is een risico op verschraling van het zorglandschap
omdat alle jeugdhulp via één hoofdaannemer moet lopen. Als deze te terughoudend is
met het contracteren van (bepaalde) onderaannemers, kan het zorglandschap minder
divers worden, waardoor mogelijk niet alle vragen meer opgepakt kunnen worden en de
keuzevrijheid van de jeugdige afneemt.
— Continuïteit van dienstverlening is afhankelijk van één grote aanbieder. Door alle
jeugdhulp bij één grote aanbieder te beleggen (weliswaar uit meerdere
moederorganisaties opgericht) is er een risico dat als deze aanbieder omvalt, de
dienstverlening niet zomaar gecontinueerd kan worden bij andere aanbieders.
— Democratische legitimiteit. De gemeente is verantwoordelijk voor jeugdhulp, maar
besteedt dit met deze sturingsvorm vrijwel volledig uit aan een andere organisatie, Deze
organisatie wordt niet direct gecontroleerd door een democratisch orgaan.
Democratische legitimiteit van de afwegingen is dus niet automatisch geborgd.
Maatregel 16 Beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders
Beschrijving van de maatregel
Deze maatregel behelst het contracteren door gemeenten van een beperkt aantal aanbieders.
Deze maatregel onderscheidt zich van selectief contracteren, waarbij aanbieders die niet aan
bepaalde kwaliteitseisen voldoen uitgesloten worden, en ook van de taakgerichte variant,
waar het contracteren van een beperkt aantal aanbieders een logisch gevolg is van een
bredere sturingsmethode.
Het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders wordt onderzocht als op zichzelf
staande maatregel. Bij deze maatregel is dus expliciet het doel om een klein aantal
aanbieders te contracteren. Het wisselt wat als ‘klein aantal’ wordt gezien, maar als
ordegrootte kan men denken aan maximaal 20.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Doordat gemeenten slechts een beperkt aantal aanbieders contracteren, kan het
partnerschap tussen gemeenten en aanbieders sterker worden! Een mogelijk gevolg
hiervan is dat er gezamenlijke doelen kunnen worden gesteld voor de korte en lange
termijn, waardoor er scherpere afwegingen worden gemaakt over uitstroom en afschalen.
Dit kan leiden tot lichtere en kortere trajecten.
— Beperkt contracteren en het bijbehorende actiever contractmanagement leidt tot meer
contact en reflectie op waarnemingen uit de praktijk. Dit kan leiden tot het aanbieden van
alternatieven voor jeugdhulp waar mogelijk, met als gevolg een breder aanbod van de
sociale basisvoorzieningen en het inzetten van lichtere trajecten waar mogelijk.
— Omdat gemeenten met minder aanbieders contracten afsluiten, hoeven ze minder tijd te
investeren in contractmanagement.
=— Door verschillende typen hulp aan te bieden in één organisatie treedt er ontschotting op
van hulp, waardoor meerdere vormen van hulp makkelijker in één traject kunnen worden
aangeboden.
21 Zo geeft KMPG in hun rapport “Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen” aan dat
gemeenten minder grip ervaren door een toenemend aantal aanbieders, en adviseert
daarom om het aantal aanbieders te beperken om partnerschap te versterken.
GV572 196
Andersson Elffers Felix
— Doordat er meer gewerkt wordt met hoofd- en aannemerschap is er meer afstemming
nodig tussen aanbieders over inhoud en financiën. Dit leidt zowel tijdelijk als structureel
tot extra administratieve lasten en coördinatie- en overlegkosten.
— Het contracteren van een beperkt aantal aanbieders voorkomt onbeheerste groei van
andere aanbieders, al wordt dit effect verkleind doordat deze aanbieders wel als
onderaannemers actief kunnen zijn.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
Gezamenlijke Scherpere afweging ‚
doelen voor korte bmg over uitstroom en bgg '- Kortere trajecten
CTR Ea FER Chal La) afschalen
Meer partnerschap
gemeenten en 2. Lichtere
skslaledkelesdË trajecten door
NTA ET eN Leng Ideeën voor lenie
waarnemingen uit MM alternatief aanbod
de praktijk uit de praktijk Ee
Beperken van sociale basis-
het aantal voorzieningen, met
gecontracteerde LLU CST
aanbieders
Minder 4. Minder kosten
EENIG INE een iclee
voor gemeente Eelt E la
Samenwerking via Ontschotting van . 5. Afname aantal
NN EEM —_ BGG — naiecten
onderaannemers
TL laan 4 CMN CTI
VSSA EL LOI TEN Ee
(over inhoud en lasten aanbieders
financiën)
Beheersen van
ENNE Á Ra
aanbieders Genk
Verwachte omvang van de besparing
Uit het diepteonderzoek blijkt dat het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders
niet automatisch leidt tot beter partnerschap tussen aanbieders en gemeente (effect 1 t/m 3).
— De overgrote meerderheid van de gemeenten in de uitvraag die ervaring heeft met deze
maatregel bevestigt dit beeld, Zeker als geschoond wordt voor een aantal gemeenten die
taakgerichte bekostiging hebben ingevoerd. Dit is een andere maatregel, maar ook
daarbij wordt het aantal aanbieders beperkt. Deze gemeenten hebben daarom soms ook
deze vraag ingevuld. Interessant is dat er twee regio’s zijn waar gemeenten tegengestelde
antwoorden hebben gegeven op de vraag, en de mate van partnerschap dus anders
beoordelen.
— Van de aanbieders is bijna drie kwart het met dit beeld eens. Ook van de aanbieders die
wel meer partnerschap herkennen, blijkt van een deel dat zij de uitvraag hebben ingevuld
vanuit de ervaring met taakgerichte bekostiging (maatregel 15); in sommige gevallen is
zelfs expliciet genoemd dat ze in een regio die alleen het aantal gecontracteerde
aanbieders beperkt niet meer partnerschap zien.
GV572 197
Andersson Elffers Felix
Aangezien het partnerschap in de praktijk geen (automatisch) gevolg is van beperkt
contracteren, zijn de financiële effecten 1, 2, en 3 nihil, In sommige gesprekken is aangegeven
dat de hoofdaannemers onderling wel kortere lijntjes kregen. Dat speelde echter vooral op
bestuurlijk niveau, en niet op het niveau van de uitvoering. De betreffende aanbieders konden
zichzelf dus vooral beter onderling organiseren in gesprekken met de gemeente.
Uit het diepteonderzoek bleek dat de kosten voor contractmanagement (effect 4) voor zowel
gemeenten als aanbieders gelijk zijn gebleven, aangezien per aanbieder meer tijd besteed
wordt. Hoewel dit niet duidelijk bevestigd is in de enquête, is er ook geen aanleiding om een
andere conclusie te trekken.
— lets meer dan de helft van de aanbieders in de enquête herkent dit. De rest van de
aanbieders geeft aan dat het meer tijd kost. Dit kan echter verklaard worden doordat het
per gecontracteerde aanbieder wel meer tijd kost, maar dat aanbieders die niet
gecontracteerd zijn uiteraard geen tijd kwijt zijn aan contractmanagement
— Van de gemeenten is dit iets minder dan de helft. Een groot gedeelte van de gemeenten
geeft echter aan dit niet te kunnen inschatten. Slechts één gemeente heeft aangegeven
dat er minder contractmanagement nodig was en dit gekwantificeerd. Dit ging echter om
een zeer beperkte afname.
Voor de toename van de administratieve lasten van aanbieders (effect 6) sluit de berekening
aan bij die van maatregel 14, resultaatgericht financieren. Doordat er minder regio’s zijn die
dit geïmplementeerd hebben, zijn de meerkosten echter iets groter. Momenteel is ongeveer
85% van de jeugdigen woonachtig in een regio waar aan beperkt contracteren wordt gedaan.
In beginsel voorkomt het beperken van het aantal aanbieders wel dat aanbieders ‘onder de
radar’ snel groeien (effect 7). Bijna 20% van de gemeenten geeft in de enquête aan te maken
te hebben met aanbieders waar de omzet sterk van steeg, terwijl zij twijfels hadden over de
meerwaarde van de jeugdhulp die de betreffende aanbieders leverden. Aanbieders die
ervaring hebben met beperkt contracteren geven in het diepteonderzoek echter ook aan dat
niet-gecontracteerde aanbieders bij hun aankloppen met een cliënt om onderaannemer te
worden, of dat cliënten zelf een dergelijke voorkeur uitspreken. In de praktijk sluit de
hoofdaannemer dan een contract af met de betreffende aanbieder, zodat deze alsnog als
onderaannemer aan het werk is, Op die manier is het alsnog mogelijk dat aanbieders sterk
groeien zonder dat de gemeente dit weet,
Effect Financieel effect
1. Kortere trajecten Nihil
2. Lichtere trajecten door substitutie Nihil
3. Breder aanbod sociale basisvoorzieningen, Buiten scope
met meer kosten
4. Minder kosten contractmanagement Nihil
5. Afname aantal trajecten Nihil
6. Meer administratieve lasten aanbieders -28 tot -17 miljoen
7. Afname aantal trajecten Niet duidelijk, maar beperkt
Totaal Nihil / negatief
GV572 198
Andersson Elffers Felix
Incidentele kosten Middel
Termijn van besparing n.v.t
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Meer focus op resultaat bij gemeenten. Doordat gesprekken tussen aanbieder en
gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk
beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de populatie. Dit kan de
kwaliteit van zorg ten goede komen. In de praktijk blijkt dit niet automatisch te gebeuren.
— Effect op innovatie in de jeugdhulp. Als gevolg van het contracteren van grote,
gevestigde aanbieders die minder druk hebben om concurrerend te zijn, kan er minder
innovatie ontstaan. Aan de andere kant kan meer zekerheid bij aanbieders ook leiden tot
meer ruimte voor innovatie, mits deze aanbieders voldoende innovatiekracht hebben.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Waarborg maatwerk jeugdigen. Ondanks het beperkt aantal partijen dient de
mogelijkheid tot maatwerk voor een jeugdige met jeugdhulp gewaarborgd te worden. De
keuzevrijheid is vanzelfsprekend kleiner door deze maatregel.
— Frequent overleg over de inhoud tussen gemeente en aanbieders. Contact over
waarnemingen in de praktijk maken mogelijk dat zowel gemeenten als aanbieders meer
inzicht en grip krijgen op waar er behoefte aan is. Het aanbieden van alternatief aanbod
en inzetten op sociale basisvoorzieningen vereist dat hier ook invulling aan wordt
gegeven.
— Goede selectiecriteria voor aanbieders. Met deze maatregel worden veel aanbieders
niet gecontracteerd. Daarmee is het extra van belang dat de aanbieders die wel
gecontracteerd worden over de noodzakelijke competenties beschikken. Daarbij gaat het
zowel om zorginhoud als om de competentie om regie te kunnen voeren over
onderaannemers,
— Voldoende (politiek) draagvlak. De keuze voor beperkt contracteren is er een van de
lange adem. Het is van belang dat de gemeente gedurende langere tijd een consistente
lijn houdt, zodat het partnerschap tussen de gemeente en de aanbieders kan worden
opgebouwd en er gezamenlijke lange termijndoelen kunnen worden gesteld.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Het construct van hoofd- en onderaannemers kan leiden tot minder grip op de
kosten. Onderaannemers hebben geen contract met de gemeente; de contractering ligt
bij de hoofdaannemers. Dit zijn vaak zorginhoudelijke partijen met minder ervaring op
het gebied van contractmanagement dan de gemeente.
— Toename niet-passende jeugdhulp. Risico van beperkt contracteren is dat een
hoofdaannemer terughoudend is met het inzetten van onderaannemers, zelfs als het een
passender oplossing is. Een onderaannemer brengt immers altijd een financieel en
inhoudelijk risico met zich mee dat moeilijker te beheersen is dan de eigen uitvoering. Dit
kan ervoor zorgen dat jeugdigen vaker niet passende hulp ontvangen.
GV572 199
Andersson Elffers Felix
— Voordeel voor grote aanbieders, nadeel voor kleine aanbieders. Het beperkt
contracteren gaat vaak gepaard met een Europese aanbesteding. Veel grotere aanbieders
weten beter dan kleinere aanbieders hoe ze een dergelijke aanbesteding binnen kunnen
halen en hebben de mankracht om goede aanbestedingsdocumenten te schrijven. De
kwaliteit van een aanbestedingsdocument hoeft niet te correleren met de kwaliteit van
de geboden jeugdhulp.
— Verschraling van zorglandschap. Er is een risico op verschraling van het zorglandschap
omdat alle jeugdhulp via enkele hoofdaannemers moet lopen. Als deze te terughoudend
is met het contracteren van (bepaalde) onderaannemers, kan het zorglandschap minder
divers worden, waardoor mogelijk niet alle vragen meer opgepakt kunnen worden en er
minder keuzevrijheid is voor de cliënt,
— Continuïteit van dienstverlening is afhankelijk van enkele aanbieders. Door alle
jeugdhulp bij een klein aantal aanbieders is er een risico dat als één van deze aanbieders
omvalt, de dienstverlening niet zomaar gecontinueerd kan worden bij andere aanbieders.
Maatregel 17 Actief contractmanagement
Beschrijving van de maatregel
Gemeenten hebben met verschillende aanbieders contracten. Om grip te houden op de
werkwijze van aanbieders kunnen gemeenten verschillende activiteiten ondernemen in hun
contractmanagement. Op hoofdlijnen gaat het daarbij om inkoop, informatievoorziening en
contact. Onderstaand lichten we elk van deze aspecten kort toe.
Inkoop
Gemeenten geven aan dat contractmanagement al een belangrijke rol speelt in het stadium
van inkoop. Onderstaande zaken moeten daarbij geborgd zijn.
— Het is van belang om een heldere en gedeelde visie te ontwikkelen op wat er ingekocht
moet worden en waarom, en een bijpassende inkoopstrategie.
— Er moeten contracten opgesteld worden die tot de juiste prikkels voor aanbieders leiden.
— De afspraken met aanbieders moeten duidelijk zijn. Deze afspraken kunnen over tal van
aspecten gaan: wat er inhoudelijk van aanbieders verwacht wordt, maar ook eisen in het
kader van informatievoorziening en zakelijke afspraken.
— Gedurende de inkoopperiode is het van belang om goed in gesprek te gaan met
aanbieders. Zowel bij een aanbesteding als bij open house is het bijvoorbeeld van belang
dat alleen aanbieders geselecteerd worden die daadwerkelijk meerwaarde leveren;
aanbieders die in hun dienstverlening teveel overlap hebben met de sociale
basisvoorzieningen van de gemeente kunnen op die manier van contractering uitgesloten
worden.
Informatievoorziening
Een belangrijk onderdeel van actief contractmanagement is het verzamelen van de juiste
data. Dit is de basis waarmee het stelsel en de werking ervan geanalyseerd kan worden,
gesprekken met individuele aanbieders gevoerd kunnen worden en er bijgestuurd kan
worden op het stelsel of individuele aanbieders. Hierbij kan gedacht worden aan
onderstaande activiteiten.
— Data moeten verzameld worden en gecontroleerd worden op volledigheid en kwaliteit,
Naast declaratiegegevens en beschikkingen zijn ook informatie over het lokale
zorglandschap, jaarrekeningen, en cliëntervaringen van belang.
— Er moeten data-analyses uitgevoerd worden om zicht te houden op bewegingen binnen
de gemeente,
GV572 200
Andersson Elffers Felix
— Naast deze algemene analyses is het van belang om risicoanalyses uit te voeren om te
onderzoeken of zich bepaalde patronen voordoen bij specifieke aanbieders (bijvoorbeeld
of de gemiddelde trajectduur bij een aanbieder veel langer is dan bij soortgelijke
aanbieders).
— Hetis aan te raden om alle bovenstaande informatie over een aanbieder op één plek te
verzamelen, bijvoorbeeld in een dashboard.
— Naast de algemene monitoring is het waardevol om af en toe zichtbaar thematische
onderzoeken uit te voeren. Dit is in een werksessie treffend omschreven als “flitspalen
neerzetten’: dergelijke onderzoeken geven maar bij een enkele aanbieder aanleiding tot
actie, maar ze zenden een signaal dat de gemeente alert is en belang hecht aan de
gemaakte afspraken. Daarnaast beperken dergelijke onderzoeken de administratieve
last: gegevens hoeven immers alleen steekproefsgewijs aangeleverd te worden, en niet
continu.
— Ook voor fraudebestrijding is dataverzameling van groot belang. Als fraude speelt, is het
uiteraard van belang om dit tegen te gaan. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat
fraudeonderzoeken dusdanig intensief en langdurig zijn, dat ze op korte termijn over het
algemeen weinig besparing opleveren. Op langere termijn is het uiteraard wel mogelijk
dat een ‘afschrikwekkend’ effect speelt. Het belangrijkste argument voor
fraudebestrijding lijkt echter het morele argument te zijn.
Contact
Effectief contact met aanbieders is cruciaal voor succesvol contractmanagement. Deze
gesprekken dienen er ook toe om de gezamenlijke visie tussen gemeenten en aanbieders te
verstevigen. Dit geldt zowel vóór als tijdens de looptijd van het contract.
— Zoals reeds benoemd bij inkoop kunnen gemeenten vóór contractering
‘toelatingsgesprekken’ voeren met aanbieders.
— Het is zinvol om periodieke gesprekken te voeren over zowel de zorginhoud als de cijfers,
Daarbij is het van belang dat deze gesprekken goed voorbereid zijn met bovenstaande
data-analyse, aangevuld met ervaringen die opgehaald zijn bij de toegang. De frequentie
van dit contact kan wisselen afhankelijk van de omvang van de aanbieder, het aantal
aanbieders in de gemeente of de sturingsfilosofie van de gemeente.
Naast contact met de aanbieders is het van belang dat contractmanagers ook contact hebben
met beleidsmedewerkers van de gemeente en de toegang. Op die manier zijn al deze partijen
op de hoogte van elkaars werkzaamheden en kan gezamenlijk aan knelpunten gewerkt
worden. Als toegangsmedewerkers bijvoorbeeld niet gedetailleerd genoeg op de hoogte
blijken te zijn van de inhoud van de contracten, kan daarop ingezet worden, zodat zij beter
gebruik kunnen maken van de ruimte en begrenzing die de contracten bieden.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Actief contractmanagement biedt meer sturingsmogelijkheden voor gemeenten, wat kan
leiden tot effectievere jeugdhulp en daardoor een afname in lange, dure trajecten.
— Gemeenten maken uiteraard kosten voor de activiteiten die zij ondernemen in het kader
van actief contractmanagement.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
GV572 201
Andersson Elffers Felix
mre Effectievere 1. Afname lange,
GUT gele le R ee :
hulpverlening dure trajecten
Anda Ka
Actief contract-
kel 2. Kosten voor
actief contract-
management
Verwachte omvang van de besparing
Op actief contractmanagement is ingegaan in de diepteonderzoeken, een aparte werksessie
en de enquête. Hieruit blijkt dat het uiterst lastig is om de opbrengsten van actief
contractmanagement te kwantificeren. De reden hiervoor is dat de activiteiten van actief
contractmanagement sterk afhangen van de bekostigingssystematiek en verdere sturing:
contractmanagement moet uiteraard aansluiten op de inkoop en de veranderstrategie van de
gemeente. Zo zijn er regio’s die sterk inzetten op het samen begrijpen van het stelsel en een
gemeenschappelijke visie ontwikkelen. Deze regio’s hebben frequent contact met
aanbieders: iedere één à twee weken een gesprek. Andere regio’s laten het contact meer
ontstaan vanuit de werkvloer en geven de toegang en casuïstiek een grotere rol. Ook hier zijn
gesprekken met de grootste aanbieders, maar die zijn veel minder frequent.
Ook op andere vlakken zijn er grote verschillen in het type activiteiten waar gemeenten de
nadruk op leggen. Zo hebben veel regio’s een dashboard, maar de reikwijdte en het gebruik
van het dashboard verschilt sterk. Ook op het gebied van data-analyse en fraude bestrijding
maken gemeenten verschillende keuzes. Daarbij is er niet één soort activiteit die leidt tot
betere resultaten dan de andere: goed contractmanagement wordt juist gekenmerkt door het
slim en samenhangend inzetten van verschillende instrumenten.
Gemeenten die ervaring hebben met het invoeren van actiever contractmanagement, hebben
dit over het algemeen in samenhang met een aantal andere maatregelen gedaan, zoals het
instellen van een budgetplafond of een andere sturingsmethode. Het contractmanagement
fungeerde daarbij vooral als manier om de sturing te implementeren. Contractmanagement is
dus een belangrijke randvoorwaarde om een veranderstrategie te implementeren, maar er is
geen recept voor. Het is dan ook niet mogelijk om in het algemeen een eigenstandig effect op
de kosten of de hoeveelheid benodigde inzet te bepalen.
Effect Financieel effect
1, Afname lange, dure trajecten Niet duidelijk
2. Kosten voor actief contractmanagement Niet duidelijk
Totaal Niet duidelijk
Incidentele kosten Laag
Termijn van besparing Middellange termijn
GV572 202
Andersson Elffers Felix
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Snellere leercurve bij gemeente en aanbieders. Actief contractmanagement zoals
bovenstaand beschreven leidt ertoe dat knelpunten sneller geïdentificeerd worden. Door
deze knelpunten samen te brengen en erop te handelen, kunnen alle partijen sneller
leren wat van hun nodig is om het stelsel optimaal te laten werken. Contractmanagement
kan zo bijdragen aan een snellere doorontwikkeling van het stelsel,
— Sterkere gezamenlijke visie. Door heldere afspraken en geregeld contact zijn er meer
manieren waarop de visie op jeugdhulp uitgewisseld wordt. Daardoor kunnen de visies
van verschillende partijen steeds beter op elkaar afgestemd worden.
— Betere kwaliteit van zorg. Via actief contractmanagement kunnen slecht
functionerende aanbieders of aanbieders die weinig meerwaarde leveren sneller
geïdentificeerd worden en aangezet worden tot verbetering, of in het meest extreme
geval uitgesloten worden van een contract. Ook goed functioneren aanbieders kunnen
zichzelf een spiegel voorhouden via benchmarking en duiding hiervan. Deze continue
verbetering leidt naar verwachting tot betere kwaliteit van zorg, wat prettiger is voor
jeugdigen en ouders,
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Contractmanagement als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid. De
grootste meerwaarde van contractmanagement is dat het een manier is om het beleid
van de gemeente ook daadwerkelijk te implementeren. Dat werkt alleen als
contractmanagement gezien wordt als integraal onderdeel van het beleid en
sturingsinstrumentarium van de gemeente.
— Voldoende capaciteit. Gemeenten moeten voldoende capaciteit hebben om gedegen
contractmanagement uit te kunnen voeren.
— Zichtbaarheid. Om de relatie met zorgaanbieders en de rest van de gemeente te
versterken is het nodig dat contractmanagers van de gemeente zichtbaar zijn.
— Gedegen en transparante monitoring. Het voeren van actief contractmanagement dient
volgens een planmatige en transparante aanpak te gebeuren. Op deze manier is de
verleiding om te sturen op de waan van de dag minder, en kunnen gemeenten en
aanbieders gezamenlijk werken aan een intensievere relatie en opgestelde doelen.
— Sturing gaat verder dan cijfers. Het is van belang om niet enkel op cijfers te sturen,
maar ook andere bronnen te gebruiken, zoals bijvoorbeeld cliëntervaringen.
— Goede samenwerking met sociale recherche. Voor het aanpakken van fraude bij
aanbieders is het nodig dat gemeentelijke handhavers een goede samenwerking hebben
met de sociale recherche en regionale handhaving.
— Competenties van contractmanagers. Het is van belang dat de medewerkers die deze
gesprekken voeren goede gespreksvaardigheden hebben en zowel verbindend kunnen
zijn als kritisch kunnen doorvragen. Daarnaast moeten er voldoende competenties
aanwezig zijn op het gebied van data-analyse en strategisch denken. Tot slot moet het
contractmanagement het lef hebben om door te pakken als dat nodig is en creatief
kunnen nadenken over manieren om een scherp beeld te krijgen op basis van vaak
onvolledige gegevens.
Risico’s van de maatregel
Er zijn geen significante risico’s gesignaleerd bij het implementeren van deze maatregel. Wel
is het van belang om naast de noodzaak voor gegevens altijd de extra administratieve
GV572 203
Andersson Elffers Felix
belasting af te wegen. Bij een goede uitvoering van contractmanagement is dit echter
geborgd.
Maatregel 18 Invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage
Beschrijving van de maatregel
Door middel van een wetswijziging is het mogelijk om een inkomensafhankelijke eigen
bijdrage?” in te voeren voor jeugdhulp om zo het onnodig gebruik af te remmen. Deze eigen
bijdrage wordt bepaald uit een rekenformule die afhangt van de kosten van de ondersteuning
en de inkomsten van een huishouden, op eenzelfde manier als de eigen bijdrage voor de Wmo
voordat het abonnementstarief werd ingevoerd. De manier waarop de eigen bijdrage van een
huishouden is bepaald wordt hieronder verder toegelicht,
Berekening van de eigen bijdrage
Voor huishoudens met een jaarlijks belastbaar inkomen (de som van inkomsten van box 1, 2
en 3 van de belastingaangifte) onder de € 28.177 geldt per zorgperiode een maximale eigen
bijdrage van € 27,80.
Voor huishoudens met een inkomen boven de € 28.177 wordt de maximale eigen bijdrage op
jaarbasis verhoogd met 15% van het inkomen dat boven deze grens ligt, Per zorgperiode
wordt het inkomen boven de € 28.177 dus eerst gedeeld door dertien (het aantal
zorgperiodes in een jaar), en daar wordt vervolgens 15% van gerekend. Dat bedrag wordt
opgeteld bij de standaard maximale eigen bijdrage van € 27,80. De berekening voor
huishoudens met een inkomen boven de grens van € 28.177 is dus:
maximale eigen bijdrage per periode
inkomen — € 28.177
= €27,80 + 0,15 Xx
13
Het gaat hier om de maximale eigen bijdrage. Per periode betaalt een huishouden de totale
kosten voor jeugdhulp tot aan deze maximale eigen bijdrage. Er wordt dus nooit meer
betaald dan er aan zorg geleverd is,
Er zijn verschillende manieren waarop de eigen bijdrage toegepast kan worden, bijvoorbeeld
voor sommige zorgvormen wel en andere niet. In het onderzoek gaan we uit van de meest
vergaande vorm. Het uitgangspunt voor de berekening is dus dat de eigen bijdrage geldt voor
alle vormen van jeugdhulp, waarbij alleen jeugdbescherming en jeugdreclassering
uitgezonderd zijn als onderdeel van het gedwongen kader. Jeugdhulp in gedwongen kader is
echter wel meegerekend. Dit kan uiteraard tot complexe situaties leiden, bijvoorbeeld
wanneer door de rechter jeugdhulp is opgelegd en daarvoor een eigen bijdrage betaald moet
worden door ouders aan wie het gezag is ontzegd. De mogelijke besparing is uiteraard lager
als de eigen bijdrage voor sommige vormen van jeugdhulp geldt; bijvoorbeeld wanneer
jeugdhulp in gedwongen kader of zwaardere vormen van jeugdhulp worden uitgezonderd.
Net als in de Wmo is het mogelijk om gemeenten de ruimte te geven om hun eigen bijdrage bij
te stellen. Dit valt echter onder gemeentelijke beleidsvrijheid, dus hier hoeft geen rekening
mee gehouden te worden bij het bepalen voor de besparing. Voor het onderzoek van deze
22 Een vast bedrag als eigen bijdrage is ook een optie, maar in de stuurgroep is besloten
om alleen de inkomensafhankelijke variant te onderzoeken.
GV572 204
Andersson Elffers Felix
maatregel gaan we daarom uit van de inkomensgrenzen zoals die in de Wmo op landelijk
niveau waren vastgesteld.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— Eeneigen bijdrage vormt een drempel voor zorggebruik, waardoor het aantal cliënten in
jeugdhulp zal dalen.
— Mogelijk zijn er ook cliënten die de zorg vermijden die dat wel nodig hadden, waardoor er
mogelijk meer escalaties ontstaan. Daardoor kan het aantal lange, dure trajecten
toenemen.
— De eigen bijdrages die gemeenten ontvangen leveren direct baten voor de gemeenten op.
— Voor het innen van de eigen bijdrage zullen uitvoeringskosten gemaakt woorden door
gemeenten en het CAK,
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
cliënten
voor gebruik
jeugdhulp
(zorgmiiding)
TRISH Ke PICNIC
een inkomens- eigen bijdragen
afhankelijke FATA Kerl
eigen bijdrage
Fick a Ca er
Verwachte omvang van de besparing
Omdat er momenteel geen eigen bijdrage geldt voor jeugdzorg, en dat ook nooit het geval is
geweest, is het lastig om een inschatting te maken van de financiële effecten van een
dergelijke bijdrage. Eerder is echter wel een eigen bijdrage in de GGZ voor volwassenen
ingevoerd, en gold een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de Wmo. Met de stuurgroep
is afgestemd dat de ervaringen hierin vertaald worden naar jeugdhulp, om een eerste
inschatting te maken van het financiële effect. Daarbij is de inkomensafhankelijke eigen
bijdrage die voorheen in de Wmo gold gebruikt als basis voor de berekening van de eigen
bijdrage voor gezinnen. Voor de effecten van zorgmijding is met de stuurgroep geconcludeerd
dat de eigen bijdrage in de GGZ qua dynamiek meer overeenkomt met jeugdhulp. Daarom is
in de berekening uitgegaan van de ervaringen die daar opgedaan zijn.
Uiteraard is niet duidelijk of de invoering van een eigen bijdrage voor jeugdhulp hetzelfde
effect zal hebben als een eigen bijdrage in de GGZ. Dit zal onder andere afhankelijk zijn van de
hoogte van de eigen bijdrage en van de zorgvormen waar hij voor ingevoerd wordt,
GV572 205
Andersson Elffers Felix
Onderstaande berekening kan dan ook gezien worden als een eerste inschatting van dit
effect.
— Bij de invoering van een eigen bijdrage voor de GGZ bleek het aantal cliënten af te nemen
met 10,8% - 16,0%.!* Deze bandbreedte is ook gehanteerd voor het percentage jeugdigen
dat zorg gaat mijden vanwege de eigen bijdrage.
— Het is niet duidelijk voor welk type trajecten dit zal gelden. Daarom rekenen we met het
gemiddelde traject. Dit is op basis van de analyse van kosten, budget en volume € 8.259 -
€ 10.259 per cliënt per jaar, waarbij een onzekerheidsmarge van € 1000 beide kanten op
gehanteerd is, omdat niet duidelijk is in hoeverre zorgmijding inderdaad ‘gemiddelde?
trajecten betreft.
Ook de toename van lange en dure trajecten door escalatie (effect 2) berekenen we op basis
van de ervaringen in de GGZ.
— Als inschatting van het aantal jeugdigen dat momenteel door een escalatie in een
zwaarder traject terecht komt is het percentage cliënten genomen waarvan de trajecten
begonnen zijn door een crisis, ten opzichte van het totaal aantal cliënten in 2019, Deze
gegevens zijn van StatLine te halen en leiden tot een percentage van 3,9% - 4,8%.
— Bij de invoering van een eigen bijdrage voor de GGZ nam het aantal acute opnames toe
met 25% en het aantal onvrijwillige opnames met maar liefst 96,8%. ?* Omdat het niet
geheel duidelijk is wat dit betekent voor de toename van geëscaleerde trajecten in de
jeugdzorg is een grote bandbreedte van 25% - 95% gehanteerd. Dit betekent dat het
percentage jeugdigen dat door een escalatie in jeugdhulp terecht komt als een eigen
bijdrage wordt ingevoerd stijgt tot 5,3% - 8,6%,
— Geëscaleerde trajecten zijn typisch duur. Daarom hanteren we een gemiddelde prijs per
jaar van € 10.000 - € 30.000 (conform de geëscaleerde jeugdhulp in maatregel 6).
Doordat cliënten een eigen bijdrage gaan betalen, zullen de baten van gemeenten omhoog
gaan (effect 3).
— We zijn uitgegaan van de eigenbijdragestructuur van de Wmo in 2016,
— Met behulp van een microdata-analyse is berekend wat de gemiddelde eigen bijdrage zal
zijn voor een cliënt die een heel jaar jeugdhulp krijgt. Deze berekening is gedaan door de
jeugdigen met jeugdhulp te koppelen aan een huishouden, en dit huishouden te
koppelen aan inkomensgegevens. Op basis daarvan zal de gemiddelde eigen bijdrage
€ 3.390 -€ 3.813 zijn.
— Vervolgens is gecorrigeerd voor het feit dat niet iedere cliënt een heel jaar jeugdhulp
krijgt: gemiddeld is op een bepaalde peildatum 63% van de cliënten die in een bepaald
jaar jeugdhulp krijgt op dat moment in jeugdhulp.
— Het totaal aantal cliënten is verminderd met het aantal cliënten dat af zal zien van
jeugdhulp vanwege de invoering van de eigen bijdrage op basis van effect 1. Hierdoor
zullen er naar verwachting 271.358 - 282.434 volledige zorgjaren zijn waarover een eigen
bijdrage betaald zal worden.
— Bovenstaande analyse is eerst gedaan op basis van de jeugdigen waarvoor begin- en
einddatum gedurende een jaar bekend is, Vervolgens zijn deze geëxtrapoleerd naar alle
23 “Association of cost sharing with mental health care use, involuntary commitment, and
acute care”, Ravesteijn et. al, 2017.
24 “Association of cost sharing with mental health care use, involuntary commitment, and
acute care”, Ravesteijn et. al, 2017.
25 Vanaf 2017 is de eigen bijdrage Wmo stapsgewijs aangepast, waardoor bepaalde
groepen uitgesloten werden van een eigen bijdrage.
GV572 206
Andersson Elffers Felix
jeugdigen op basis van de percentages die hiervoor ook gehanteerd worden in de
volume-analyse. Bovenstaande cijfers zijn inclusief deze correcties.
Voor de administratieve lasten van gemeenten en rijk (effect 4) geldt het volgende.
=— De uitvoeringskosten die het CAK in 2018 maakte voor de inkomensafhankelijke eigen
bijdrage in de Wmo lagen rond de 36 miljoen euro. ?* Hoewel wellicht van de bestaande
infrastructuur gebruik gemaakt kan worden, vraagt een inkomensafhankelijke eigen
bijdrage een ander proces dan de inkomensonafhankelijke eigen bijdrage die nu voor de
Wmo geldt, Daarom gaan we uit van dit bedrag, met een bandbreedte van 1 miljoen euro
beide kanten op.
— Ook voor gemeenten gelden extra uitvoeringskosten. Enerzijds moeten zij gegevens
leveren aan het CAK, en anderzijds moeten zij cliënten vertellen dat een eigen bijdrage
geldt in het toegangsproces. De levering vanuit gemeenten is echter sterk vergelijkbaar
met die in de Wmo, waardoor de verwachting is dat hier na een initiële investering geen
extra kosten aan verbonden zijn. Daarnaast blijkt op basis van interviews dat de ervaring
inde Wmo is dat de toelichting op de eigen bijdrage een onderdeel is van het brede
gesprek dat vanuit de toegang gevoerd wordt, en dat dit geen extra tijd kost,
Effect Financieel effect
1. Afname aantal cliënten 267 tot 420 miljoen euro
2. Toename lange, dure trajecten -225 tot -64 miljoen euro
3. Toename baten eigen bijdragen gemeente 688 tot 1.039 miljoen euro
4. Uitvoeringskosten gemeente + CAK -37 tot -35 miljoen euro
Totaal 0,8 tot 1,2 miljard euro
Incidentele kosten Hoog
Termijn van besparing Lange termijn (wetswijziging en
implementatietijd nodig)
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Invloed op welzijn jeugdigen en hun ouders. De maatregel is erop gericht dat minder
jeugdigen gebruik maken van jeugdhulp. Het welzijn van deze jongeren en hun ouders
wordt daardoor verlaagd. Dit geldt zeker voor jeugdigen die de zorg eigenlijk wel echt
nodig hebben. De extra problemen die deze groep op langere termijn ontwikkelt hebben
een negatief effect op het welzijn van de jeugdigen.
— Invloed op werkplezier professionals. Jeugdhulpprofessionals worden over het
algemeen niet gemotiveerd door gesprekken over geld. Voor toegangsmedewerkers zijn
deze gesprekken, en de negatieve reacties die zij soms zullen uitlokken, dan ook niet
prettig.
26 Jaarverslag CAK 2018.
GV572 207
Andersson Elffers Felix
— Toename administratieve lasten aanbieders. Doordat de eigen bijdrage gebaseerd
wordt op de maandelijkse kosten, moeten aanbieders hun maandelijkse inzet bijhouden.
Dit zal extra administratieve lasten opleveren, zeker bij financieringsvormen waar geen
bedrag per kind per maand wordt gefactureerd.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Afbakening zorgvormen met eigen bijdrage. Voor het effect van deze maatregel is van
belang om af te bakenen voor welke vormen van jeugdhulp de eigen bijdrage gaat gelden.
In het onderzoek is bijvoorbeeld genoemd dat crisiszorg uitgesloten zou moeten worden.
— Aanpassing van systemen om eigen bijdrages te innen. Het innen van een eigen
bijdrage zou belegd kunnen worden bij het CAK, zoals momenteel ook voor de Wmo het
geval is, Ook de gemeentelijke systemen zouden hierop aangepast moeten worden. Het
Rijk kan gemeenten hier handvatten voor bieden, zodat niet elke gemeente het wiel
opnieuw uit hoeft te vinden.
— Goede informatievoorziening. Het is van belang dat ouders niet verrast worden door
een factuur voor een eigen bijdrage, dus hierover moet goede voorlichting gegeven
worden in de toegang. Toegangsmedewerkers moeten hiervoor opgeleid worden, zodat
zij de systematiek begrijpen en het gesprek hierover kunnen voeren. Een aandachtspunt
daarbij is de huisarts en andere medische verwijzers. Ook die moeten voldoende op de
hoogte zijn van de gevolgen voor de cliënt.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Toename kansenongelijkheid. Hoewel de eigen bijdrage inkomensafhankelijk is, kan
ook € 20 een significant bedrag betekenen voor ouders in de bijstand. Zeker bij lichtere
zorgtrajecten zijn rijkere ouders beter in staat om de eigen bijdrage te betalen, of buiten
de Jeugdwet om de volledige hulp zelf te betalen. Daardoor krijgen kinderen van rijkere
ouders meer hulp en ondersteuning dan die van armere ouders.
— Stapeling van kosten. Als kosten uit verschillende domeinen opstapelen (zoals eigen
bijdragen voor de Wmo, Wlz en Zvw) kan dat ook voor middeninkomens tot relatief hoge
kosten leiden. Het is niet duidelijk hoe vaak dit voor zou komen.
— Toename schuldenproblematiek. Eigen bijdragen kunnen schuldenproblematiek bij
ouders veroorzaken of verergeren. Dat leidt tot meer stress in het gezin en negatieve
effecten op jeugdhulpgebruik en andere voorzieningen. Dit kan op termijn tot meer
kosten leiden.
— Extra kosten in andere wettelijke kaders. Als problematiek van jeugdigen niet in de
jeugdhulp opgelost wordt, kan dat betekenen dat jeugdigen later in hun leven minder
zelfredzaam zijn. Dit kan leiden tot hogere kosten in bijvoorbeeld de Zvw en in het
participatiedomein.
Als de maatregel slechts geldt voor bepaalde vormen van jeugdhulp of cliëntgroepen en voor
een ander deel niet, spelen er nog twee andere risico’s,
— Verschuiving naar andere zorgvormen. Het blijkt dat bij invoering van een eigen
bijdrage cliënten vaker doorverwezen worden naar vormen van zorg waar geen eigen
bijdrage voor geldt. Zo werd relatief veel behandeling van ouders op de DBC van het kind
geschreven toen voor de volwassen-GGZ een eigen bijdrage gold. Ook in de jeugdhulp kan
dit mechanisme optreden. Dit kan leiden tot minder passende en in sommige gevallen
duurdere jeugdhulp.
GV572 208
Andersson Elffers Felix
— Ook als bepaalde inkomensgroepen of zorgvormen worden uitgezonderd, blijft het
risico op zorgmijding bestaan. Het feit dat er een eigen bijdrage wordt gehanteerd kan
een afschrikkende werking hebben. Jeugdigen kunnen zorg gaan mijden, ook indien de
eigen bijdrage misschien niet voor hen persoonlijk zou gaan gelden. Dat betekent dat
uitzonderingen voor bepaalde groepen, zoals huishoudens met lage inkomens, of
specifieke zorgvormen minder effectief kunnen zijn dan verwacht.
Maatregel 19. Inkoop voor bepaalde zorgvormen verplicht op regionaal niveau
Beschrijving van de maatregel
Momenteel verschilt het per regio welke jeugdhulp regionaal of op gemeentelijk niveau wordt
ingekocht. Met deze maatregel wordt geformaliseerd op welk niveau (gemeentelijk, regionaal
of bovenregionaal) gemeenten het hulpaanbod voor jeugdigen moeten inkopen.
Deze maatregel is opgenomen in de conceptversie van de wijziging van de Jeugdwet. Een deel
van de hulp die nu nog op gemeentelijk niveau wordt georganiseerd, zal na de wijziging op
(boven)regionaal niveau worden ingekocht. In het huidige voorstel gaat het om de
beschikbaarheid van hoogspecialistische en/of weinig voorkomende jeugdhulp,
specialistische verblijfsfuncties en hulp in het kader van urgente crisissituaties. Gemeenten
kunnen de andere jeugdhulp, waaronder opvoed- en gezinsondersteuning en preventieve
taken, wel zelf inkopen.
Beleidstheorie van de maatregel
Het werkingsmechanisme van de maatregel is als volgt samen te vatten:
— De gemeenten die gezamenlijk inkopen zullen dezelfde contractuele eisen hebben,
waardoor de administratieve lasten van aanbieders die in verschillende gemeenten
binnen de regio werken kunnen dalen.
— De administratieve lasten van gemeenten en aanbieders kunnen ook dalen doordat de
samenwerkende gemeenten gezamenlijk hun contractmanagement kunnen organiseren.
— De gemeenten moeten op regionaal niveau met elkaar afstemmen wat leidt tot hogere
administratieve lasten voor gemeenten.
Deze verwachte financiële effecten zijn visueel samengevat in onderstaande doelenboom.
Minder verschillende 1. Lagere administratieve
ON EINECS MERCI
mn n VAER
Wanden rain IJK administratieve lasten
zorgvormen verplicht op NN
regionaal niveau E24 voor LSA Cal
aanbieders
Noodzaak voor 3. Hogere
afstemming op regionaal ER administratieve lasten
a lAAELD voor gemeenten
GV572 209
Andersson Elffers Felix
Verwachte omvang van de besparing
In het diepteonderzoek is gebleken dat het voor aanbieders lastig is om vermindering van
administratieve lasten door minder contractuele eisen (effect 1) en door gezamenlijk
contractmanagement (effect 2 voor aanbieders) van elkaar te onderscheiden. Om deze reden
zijn de effecten 1 en 2 samengenomen. Wel is er onderscheid gemaakt tussen de uitkomsten
voor gemeenten en aanbieders. Voor de aanbieders geldt:
— Uit het diepteonderzoek volgt dat de administratieve lasten van aanbieders naar alle
waarschijnlijkheid niet of nauwelijks zullen verminderen als gemeenten bepaalde
zorgvormen regionaal inkopen: de administratieve lasten ontstaan meer door verschillen
inde toegang dan door verschillen in contracteren. Uit de enquête bleek dat veel
aanbieders dit herkenden. Enkele aanbieders gaven hogere percentages aan. Uit de
toelichting bleek echter dat een deel hiervan betrekking had op verschillen in de toegang
(waar deze maatregel niet op aangrijpt). In sommige gevallen werd benoemd dat het
contracteringsproces tijdrovend is. De tijdsinzet hiervoor hangt uiteraard sterk af van de
duur van de contracten, en het aantal gemeenten waarmee deze afgesloten worden. We
houden daarom een ruime bandbreedte aan van 0% - 1% van de administratieve lasten.
— De landelijke omzet van alle aanbieders bedraagt volgens de analyse van de kosten in dit
onderzoek ongeveer 4,7 miljard euro}?
Voor de gemeenten geldt ook dat er minder contractmanagement nodig is (effect 2 voor
gemeenten). Uit het diepteonderzoek bleek dat het effect beperkt was, maar ook dat maar
weinig gemeenten hier inzicht in hadden. Op basis van de uitvraag was het mogelijk om dit te
kwantificeren.
— In het onderzoek hebben we de volgende zorgvormen onderscheiden, waarop regionaal
ingekocht zou kunnen worden:
= Weinig voorkomende specialistische jeugdhulp: intensieve ambulante vormen ter
vervanging van jeugdhulp met verblijf, specialistische behandeling met verblijf,
gesloten jeugdhulp;
= Jeugdhulp in het kader van een urgente crisissituatie;
= Pleegzorg en gezinsvervangend verblijf;
= Jeugdverslavingszorg;
= Benodigde jeugdhulp vanuit de brede veiligheidsketen, waaronder systeem- en
gezinsinterventies;
= In een strafrechtelijk vonnis opgelegde jeugdhulp (ook wel ‘forensische jeugdhulp’
genoemd);
= Regionale expertteams (dit is geen jeugdhulp maar vraagt wel regionaal
opdrachtgeverschap).
— Uit de uitvraag volgt dat regio’s waarin al deze zorgvormen op regionaal niveau ingekocht
worden gemiddeld ongeveer 0% tot 0,2% van de totale omzet per regio besparen op
contractmanagement.
Regionaal inkopen betekent ook dat er regionale afstemming en overleg nodig is (effect 3). Dit
kost tijd, en dus ook geld voor gemeenten.
— De toename in kosten doordat er regionaal overleg plaats vindt bedraagt 0% tot 0,8% van
de totale omzet in per regio.
Voor de extrapolatie naar landelijk niveau is van belang om te bepalen welke regio’s in 2019
regionaal inkochten.
B1 Zie hoofdstuk 3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume.
GV572 210
Andersson Elffers Felix
— Uit de uitvraag blijkt dat veel regio’s bovenstaande vormen al (grotendeels) op regionaal
niveau inkopen. De meest voorkomende uitzondering waren regionale expertteams,
jeugdverslavingszorg en jeugdhulp vanuit de veiligheidsketen. Dit betreft echter een
beperkt gedeelte van het budget in de volledige jeugdhulp, dus bij deze regio’s is geen
kostenbesparing gerekend.
— Bij regio’s die bijvoorbeeld pleegzorg apart inkochten, is dat wel gedaan: in dat geval is
dus de volledige besparing gerekend, hoewel dit in werkelijkheid wellicht iets lager zal
zijn.
— Daarnaast zijn enkele jeugdhulpregio’s in tweeën gedeeld, of zijn er afsplitsingen van
enkele gemeenten. Aangezien hier nog steeds gedeeltelijk gezamenlijk ingekocht wordt,
is hier de halve besparing meegerekend.
— Tot slot hebben enkele regio’s de uitvraag niet ingevuld. Op deze regio’s is de
bandbreedte gebaseerd, door er al ene uiterste vanuit te gaan dat zij volledig regionaal
inkopen (zoals de meerderheid van de regio’s) en als andere uiterste dat zij gemiddeld
voor de helft regionaal inkopen.
— Daaruit volgt dat de omzet in regio’s die al regionaal inkopen 81%- 83% van de landelijke
omzet bedragen.
1. en 2. Lagere administratieve lasten voor 0 tot 9 miljoen euro
aanbieders
2. Lagere administratieve lasten voor 0 tot 2 miljoen euro
gemeenten
3. Hogere administratieve lasten voor -7 miljoen euro tot 0 miljoen euro
gemeenten
Totaal -4 tot 7 miljoen euro
Incidentele kosten Middel
Termijn van besparing Middellange termijn
Kwalitatieve effecten
Naast de eerder beschreven kwantitatieve effecten heeft de maatregel ook de volgende
kwalitatieve effecten:
— Meer continuïteit en toegankelijkheid van de zorg. Regionale inkoop kan efficiënt
invulling geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid en
continuïteit van de specialistische zorg voor jeugd.
— Betere samenwerking tussen gemeenten. Het verplichte inkopen op regionaal niveau
leidt naar verwachting tot een betere samenwerking tussen de gemeenten in een regio.
— Positie aanbieders. Voor grote aanbieders is het prettig dat jeugdhulp uniformer wordt
ingekocht. Voor kleine lokale aanbieders kan het juist lastiger zijn als meer regionaal
wordt ingekocht.
— Minder lokale verbinding met jeugdhulpaanbieders. Er ontstaan mogelijk minder
warme contacten tussen lokale gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Dit kan een negatief
effect hebben op de samenwerking die naast de zorginkoop van belang kan zijn.
— Minder beleidsvrijheid voor gemeenten. Als een deel van de jeugdhulp op
(boven)regionaal niveau ingekocht wordt, beperkt dit de mogelijkheden voor gemeenten
GV572 211
Andersson Elffers Felix
om hun lokale stelsel naar eigen inzicht effectief in te richten. Als bijvoorbeeld de
bovenregionaal inkoop met een PxQ-systematiek werkt, brengt een taakgerichte
bekostiging voor de overige jeugdhulp een risico op ‘afschuiven’ met zich mee.
Gemeenten zullen zich dus moeten verhouden tot de keuzes die op (boven)regionaal
niveau gemaakt zijn.
— Meer expertise inkoop complexe zorg. Het komt voor dat (kleine) gemeenten niet de
juist expertise hebben om complexe zorg goed in te kopen. Als de inkoop voor bepaalde
zorgvormen verplicht op regionaal niveau plaatsvindt kan dit verholpen worden.
Randvoorwaarden bij uitvoering van de maatregel
Om bij de maatregel het beoogde effect te behalen, moet er aan de volgende
randvoorwaarden voldaan zijn:
— Overeenstemming over afbakening van specialistische jeugdhulp. Voor een werkend
stelsel is het van belang dat er landelijk overeenstemming is over de afbakening van de
regionaal in te kopen jeugdhulp. Als hier nog verdere discussies over ontstaan, leidt het
tot extra onduidelijkheid.
— Inrichten samenwerkingsverband gemeenten. Het is belangrijk dat gemeenten die
samen bepaalde zorgvormen inkopen, investeren in het opzetten en in stand houden van
een goed werkend samenwerkingsverband. Het opstellen van een regionale agenda en/of
visie kan hierbij helpen. Het is hierbij van belang dat gemeenten duidelijke afspraken
maken over besluitvorming en governance, inclusief een werkwijze voor als ze het niet
onderling eens worden.
Risico’s van de maatregel
De maatregel gaat gepaard met de volgende risico’s, die het effect van de maatregel kunnen
beïnvloeden:
— Invoering geeft regievraagstukken. Veel gemeenten hebben (langlopende) contracten,
die zeker bovenregionaal niet op hetzelfde moment aflopen. Dat betekent dat keuzes
gemaakt moeten worden over het moment dat gestart moet worden met
(boven)regionale inkoop: worden één of meerdere contracten opengebroken of wordt
een andere oplossing gezocht? Dit kan tijdelijk extra onrust in het stelsel geven.
— Toename van conflicten tussen gemeenten. Op dit moment ontstaat met enige
regelmaat onenigheid tussen gemeenten over de te volgen strategie. Deze worden vaak
opgelost door jeugdhulpregio’s op te splitsen, waarna (kleinere groepen van) gemeenten
alleen verder gaan. Deze maatregel kan als gevolg hebben dat het moeilijker wordt om
dergelijke conflicten op te lossen als gemeenten verplicht aan elkaar verbonden zijn, dan
wel dat er meer van dergelijke conflicten zullen ontstaan.
GV572 212
|
Onderzoeksrapport
| 212
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2018
Afdeling 1
Nummer 61
Publicatiedatum 31 januari 2018
Ingekomen onder L
Ingekomen op woensdag 24 januari 2018
Behandeld op woensdag 24 januari 2018
Status Ingetrokken
Onderwerp
Motie van de leden Vroege en Ernsting inzake het beleidskader Verkeersnetten
(afwaardering van de Valkenburgerstraat en de Kattenburgerstraat).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over het beleidskader Verkeersnetten (Gemeenteblad afd. 1,
nr. 15).
Overwegende dat:
— De Valkenburgerstraat de meest vieze straat van Nederland is
— De Valkenburgerstraat als Plusnetcorridor in zijn huidige vorm ongezond en
onveilig is en een barrière vormt tussen het oude Centrum en West aan de ene
kant en de plantagebuurt en Oost aan de andere kant.
Constaterende dat:
— Er vele plannen zijn voor vernieuwing in de directe omgeving zoals de
Eilandenboulevard en herinrichting Marineterrein.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
De Valkenburgerstraat en de Kattenburgerstraat af te waarderen van PlusnetCorridor
naar Hoofdnet Auto.
De leden van de gemeenteraad
J.S.A. Vroege
Z.D. Ernsting
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2018
Afdeling 1
Nummer 181
Publicatiedatum 21 februari 2018
Ingekomen onder AC
Ingekomen op woensdag 14 februari 2018
Behandeld op woensdag 14 februari 2018
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van de leden Nuijens, Groen, Van Lammeren en Boutkan inzake
het geluidbeleid Evenementen en de locatieprofielen (nader uitwerken van ‘slecht
weer scenario’s voor parken’ en het beoordelen van de actuele staat van het park
in de systematiek van locatieprofielen en vergunningen).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de beleidsregel “Geluid bij evenementen in Amsterdam”,
de locatieprofielen voor evenementenlocaties en de richtlijn “Duurzaamheid
Evenementen” in Amsterdam (Gemeenteblad afd. 1, nr. 130).
Overwegende dat:
— Zorgen over bodem, ecologie en beschadiging en herstel van parken naar
aanleiding van (grootschalige) evenementen door het nieuwe evenementenbeleid
en de locatieprofielen maar gedeeltelijk worden weggenomen;
— Het faciliteren van grootschalige evenementen in parken alleen wenselijk is als
blijvende schade op alle mogelijke manieren systeemtechnisch wordt uitgesloten;
— De QuickScan die aangeleverd moet worden in het kader van de
vergunningverlening meestal weken voor het evenement plaatsvindt en daarom
per definitie geen informatie verschaft over de actuele staat van park en bodem,
terwijl deze, bijvoorbeeld door extreme regenval, sterk verslechterd kan zijn ten
opzichte van het moment van de QuickScan;
— In hoorzitting en commissiebehandeling bevestigd is dat de huidige systematiek
middels de APV voorziet in de mogelijkheid om in een uiterst geval een
evenement geen doorgang te laten vinden, hetgeen nog nooit is voortgekomen;
— Met regelmaat sprake is van aanpassingen in opbouw, positionering, gebruikte
ondergrond enz, maar hiervoor geen eenduidige procedures zijn vastgelegd.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
1. Het beoordelen van de actuele staat van het park voor aanvang van een
evenement per park te beleggen bij een ambtenaar of afdeling van gemeente of
stadsdeel; en tot verplicht onderdeel te maken van de reguliere systematiek;
1
Jaar 2018 Gemeente Amsterdam
Afdeling 1 Gemeenteraad R
Nummer 181 Motie
Datum 21 februari 2018
2. Daarbij vast te stellen of het vanwege extreme weersomstandigheden, dan wel
door schade veroorzaakt door een eerder evenement in hetzelfde seizoen,
noodzakelijk is extra maatregelen voor te schijven, waarbij in het uiterste geval
de burgemeester de vergunning kan intrekken op basis van de APV, artikel 2.43;
3. Een voorafgaand advies hier over op een vast moment tot verplicht onderdeel te
maken van de reguliere systematiek bij vergunningen;
4. Hierbij per evenement met de organisator afspraken te maken over het door de
organisator aanleveren ‘slecht weer scenario's’ die vastleggen welke maatregelen
de organisator op basis van dat advies moet (kunnen) treffen.
De leden van de gemeenteraad
J.W. Nuijens
RJ. Groen
J.F.W. van Lammeren
D.F. Boutkan
2
|
Motie
| 2
|
train
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2014
Afdeling 1
Nummer 487
Publicatiedatum 9 juli 2014
Ingekomen onder A
Ingekomen op woensdag 2 juli 2014
Behandeld op woensdag 2 juli 2014
Status Ingetrokken
Onderwerp
Motie van de raadsleden mevrouw Moorman en de heer Groot Wassink inzake de
uiteenlopende uitingen in de media over de ambitie van het college met betrekking
tot de sociale woningvoorraad.
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de interpellatie van de raadsleden mevrouw Moorman en
de heer Groot Wassink van 30 juni 2014 inzake de uiteenlopende uitingen in de
media over de ambitie van het college met betrekking tot de sociale woningvoorraad
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 479);
Overwegende dat
— de woningmarkt in Amsterdam vele knelpunten kent waaronder de huisvesting van
studenten, middeninkomens, een toename in zelfstandig wonende ouderen en er
nog altijd forse wachtlijsten bestaan voor de sociale huurwoningen;
— ín het programakkoord als ambitie voor de sociale woningvoorraad is opgenomen
‘dat er op termijn voldoende woningen zijn voor Amsterdammers die een sociale
huurwoning nodig hebben’;
— het programakkoord een ondergrens heeft geformuleerd van 187.000 sociale
huurwoningen. Deze ondergrens gebaseerd is op een steekproef (WIA 2013)
waarmee het aantal Amsterdammers met een bruto inkomen tot
€ 34.700 wordt bepaald;
— vanaf 1 januari de inkomensgrens voor het aanspraak kunnen maken op een
sociale huurwoning echter wordt opgetrokken naar € 38.000 en het daarom
wenselijk is te onderzoeken hoeveel huishoudens Amsterdam heeft met een
brutoinkomen tot € 38.000;
— voorts effecten te verwachten zijn van de aanpassingen van het Woning
Waarderingstelsel (VWS) in huurprijzen, woningwaarderingen en daaruit
voorvloeiende liberalisaties;
— het wenselijk is als het college een analyse maakt van de effecten van toekomstig
rijksbeleid en haar eigen ambities en hiervoor een projectie opstelt voor de
woningvoorraad zoals zij die voor ogen heeft in 2018 en 2025,
1
Jaar 2014 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 487 Motie
Datum 9 juli 2014
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— een projectie op te stellen voor de Amsterdamse woningmarkt, waarbij de
verdeling van de woningvoorraad wordt geprojecteerd voor de jaren 2018 en 2025;
— te onderzoeken hoeveel huishoudens Amsterdam heeft met een brutoinkomen tot
€ 34.700 en hoeveel huishoudens Amsterdam heeft met een brutoinkomen tot
€ 38.000;
— indien blijkt dat meer dan 187.000 huishoudens, ook gezien het optrekken van de
grens naar € 38.000, aanspraak mogen maken op een sociale huurwoning de
ondergrens van 187.000 naar boven bij te stellen en hierover met de corporaties in
overleg te treden;
— hierover de raad vooraf aan de begroting 2015 te informeren.
De leden van de gemeenteraad,
M. Moorman
BR. Groot Wassink
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
X Gemeente Amsterdam AZ
% Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Juridische
Zaken, Bestuurlijk Stelsel, Project 1012,Regelgeving en Handhaving,
x Raadsaangelegenheden en Communicatie
Agenda, maandag 24 juni 2013
Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare Expertmeeting van de Raadscommissie
voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Juridische Zaken,
Bestuurlijk Stelsel, Project 1012,Regelgeving en Handhaving,
Raadsaangelegenheden en Communicatie
Tijd 13.30 tot 17.30 uur.
Locatie De Rooszaal (0239), stadhuis
1. Opening
2. Mededelingen
3. Expertmeeting:
Het college van Burgemeester en wethouders heeft op 22 januari 2013 ingestemd
met de notitie '10 wegen naar innovatiever aanbestedingsbeleid en professioneler
opdrachtgeverschap.
De notitie komt voort uit verschillende initiatieven om de rol van de Gemeente
Amsterdam als opdrachtgever te professionaliseren. Voor meer achtergrondinformatie
over het ontstaan van deze notitie verwijs ik u naar de eveneens bijgevoegde
commissieflap.
Deze notitie is op 28 februari 2013 ter kennisname voorgelegd aan de
raadscommissie voor Algemene Zaken. In deze vergadering is vanuit de fractie van
Groenlinks verzocht om een openbare expertmeeting over dit onderwerp te
organiseren. De commissie heeft hiermee ingestemd. Het doel van deze
expertmeeting is om de visie van externe deskundigen op het aanbestedingsbeleid
van de gemeente Amsterdam te vernemen en te behoeden eventuele valkuilen. Voor
de goede orde; het college van burgemeester en wethouders is, met instemming van
de raadscommissie, al met het uitvoeren van de beleidspunten van deze notitie aan
de slag gegaan. Na de expertmeeting zal de notitie inhoudelijk in de commissie
besproken worden. De aanwezige raadsleden zullen hier een procesvoorstel voor
doen.
Omdat het onderwerp vrijwel betrekking kan hebben op vrijwel alle portefeuilles zijn
alle raadscommissies voor deze bijeenkomst uitgenodigd.
Van deze vergaderingen worden geluids- en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is
ook te vinden op internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl.
Voor algemene informatie: info @gemeenteraad.amsterdam.nl
1
Gemeente Amsterdam AZ
Raadscommissie voor Algemene Zaken, Openbare Orde en Veiligheid, Juridische Zaken,
Bestuurlijk Stelsel, Project 1012,Regelgeving en Handhaving, Raadsaangelegenheden en
Communicatie
Agenda, maandag 24 juni 2013
Voor deze expertmeeting zijn deskundigen benaderd uit de wetenschap, een juridisch
aanbestedingsbureau en een economisch onderzoeksbureau.
Enkele vragen die aan de orde kunnen komen zijn:
- Wat is uw mening op de beleidsnotitie van het college: '10 wegen naar
innovatiever aanbestedingsbeleid en professioneler opdrachtgeverschap.
o Wat staat er in de notitie dat volgens uw mening anders, beter of niet
gedaan moet worden?
o Wat ontbreek er naar uw mening in dit voorstel?
- Welke voordelen biedt het aanbesteden van opdrachten ten opzichte van het zelf
uitvoeren ervan. (denk hierbij bijvoorbeeld aan het ophalen van vuilnis).
o Is de beslissing om een politieke wens wel of niet via aanbesteding te
realiseren voorzien van een goed en kritisch proces dat tunneldenken voorkomt in het
voortraject?
- Welke tips (do's en don'ts) heeft u voor het gemeentebestuur van Amsterdam.
o De gemeenteraad heeft hier vooral een kaderstellende en controlerende
rol. Heeft u nog tips hoe de raad zijn taken beter kan vervullen.
De volgende experts zijn hier aanwezig.
-_Prof. dr. Ir. Bart Vos, hoogleraar inkoopmanagement aan de universiteit van
Tilburg
- Siep Eilander, Chief procurement officer Rijksoverheid
- Wouter Stolwijk, directeur PIANOo, expertisecentrum aanbesteden.
De expertmeeting zal het format van een ronde tafelgesprek hebben. De experts
krijgen de gelegenheid om zichzelf te introduceren en hun visie op één of meerdere
onderdelen die aan bod komen in deze bijeenkomst te geven waarna de aanwezige
raadsleden u vragen kunnen stellen.
Als bijlage treft u aan:
- De commissieflap
-_Notitie “10 wegen naar innovatiever aanbestedingsbeleid en professioneel
opdrachtgeverschap”
- Besluit College d.d. 22 januari 2013
-__ Brief burgemeester aan de leden van de Raadscommissie AZ d.d. 21 maart 2013
2
|
Agenda
| 2
|
train
|
X Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
DS Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2020
Afdeling 1
Nummer 1245
Datum indiening 8 oktober 2020
Datum akkoord 9 november 2020
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid A.L. Bakker inzake
de samenwerkingsafspraken met woningbouwcorporaties over het opwekken van
zonne-energie
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragensteller:
Het opwekken van zonne-energie is al jarenlang onderwerp van gesprek in het kader
van de energietransitie en speelt ook een rol bij de verduurzaming van huurwoningen
van woningcorporaties. De doelstellingen worden vastgelegd in
samenwerkingsafspraken tussen de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties
(AFWG), de Federatie Amsterdamse Huurderskoepels (FAH) en de gemeente.
In de periode 2014-2019 is de afgesproken doelstelling voor het opwekken van 80
MW stroom met zonnepanelen op huurdaken bij lange na niet gehaald. Toenmalig
wethouder Choho concludeerde in 2018 dat de woningcorporaties onvoldoende
inzicht gaven in de acties en doelen per corporatie. Huurders bleken zelfs te worden
tegengewerkt door de woningbouwverenigingen bij eigen initiatieven om aan de slag
te gaan met zonnepanelen. De gemeente zou daarom zelf met een bureau starten
waar Amsterdammers naartoe kunnen voor hulp bij bemiddeling tussen huurders en
de woningcorporaties |
In de nieuwe samenwerkingsafspraken voor de periode 2020-2023 is de ambitie
teruggeschroefd naar 15 MW aan zonne-energie. De fractie van de Partij voor de
Dieren wil dat de gemeente een stevige vinger aan de pols houdt bij de voortgang en
vraagt om een tussentijdse update.
Gezien het vorenstaande heeft het lid A.L. Bakker, namens de fractie van de Partij
voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van
Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en
wethouders gesteld:
1. Hoeveel megawatt zonnestroom aan nieuwe installaties is er sinds 2020 door de
samenwerkende partijen gerealiseerd ten opzichte van 2019?
Antwoord:
De geïnstalleerde hoeveelheid zonnestroom in 2020 wordt opgenomen in de
monitor van de Samenwerkingsafspraken 2020-2023 (Amsterdamse
prestatieafspraken tussen de woningcorporaties, de huurderskoepels en de
gemeente). Voor 2020 wordt de monitor in 2021 opgesteld en vervolgens ook aan
1
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam
Neng boas Gemeenteblad R
Datum 9 november 2020 Schriftelijke vragen, donderdag 8 oktober 2020
de raad gestuurd. Met alle partijen is afgesproken om jaarlijks, over een
kalenderjaar te rapporten over de voortgang van de afspraken.
2. Heeft het college in beeld welke daken van woningbouwcorporatiewoningen
geschikt zijn voor zonnepanelen en kan het college deze informatie delen met de
raad?
Antwoord:
Het college heeft op basis van data afkomstig van zonatlas.nl een beeld van de
daken die op basis van de ligging van de daken en de instraling van de zon
mogelijk geschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen. Het college heeft de
gegevens gekoppeld met eigendomsgegevens en hieruit blijkt dat er ruimte voor
circa 180 MW aan zonnepanelen op daken die in eigendom zijn van de
corporaties. Dak-ligging in relatie tot de zon zegt echter niet alles over het
potentieel. Zo hebben we bijvoorbeeld te maken met monumenten en
beschermde stadsgezichten. Door middel van een pilot met de Commissie
Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) en de directie Monumenten en Archeologie wordt
onderzocht of er aanvullende mogelijkheden zijn voor zonnepanelen binnen
beschermd stadsgezicht.
Het college beschikt daarnaast niet over technische- en onderhoudsgegevens
van gebouwen. Het is voor het college niet mogelijk inzichtelijk te maken welke
daken van de woningcorporaties daadwerkelijk geschikt zijn voor de installatie
van zonnepanelen.
3. Heeft het college in beeld aan welke woningbouwcorporatie daken tussen nu en
2023 herstel- en/of renovatiewerkzaamheden worden verricht en kan het college
deze informatie delen met de raad”?
Antwoord:
Het college beschikt niet over de planning voor herstel- en
renovatiewerkzaamheden van de corporatiedaken.
4. Is het college van mening dat de woningbouwcorporaties over de juiste
instrumenten beschikken om de doelstelling van 15 MW te behalen? Graag een
toelichting.
Antwoord:
Ja, de corporaties hebben bij de totstandkoming van de
Samenwerkingsafspraken 2020-2023 aangegeven dat 15 MW op basis van de bij
hun bekende nieuwbouw en renovatieplannen, haalbaar is. Het college heeft er
vertrouwen in dat 15 MW haalbaar is.
5. Hoe staat het ervoor met het in 2018 aangekondigde bureau dat de gemeente
zelf zou oprichten? Is dit bureau opgericht en zo ja, wat zijn de doelstellingen en
wat is de werkwijze? Indien het niet is opgericht: waarom niet?
Antwoord:
Het programmabureau is in 2019 klein gestart en heeft zich samen met de
corporaties in eerste instantie gericht op het in kaart brengen van knelpunten en
mogelijke oplossingsrichtingen. Op projectniveau zijn knelpunten weggenomen,
een goed voorbeeld is het project in buurt Indië2 van Eigen Haard. Hier maken de
2
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Neng boas Gemeenteblad
Datum 9 november 2020 Schriftelijke vragen, donderdag 8 oktober 2020
corporatie en de gemeente zonnepanelen in beschermd stadsgezicht mogelijk.
Met andere corporaties zijn financieringsconstructies voor een zon ESCO (Energy
Service Company) uitgewerkt en zijn leningen vanuit het duurzaamheidsfonds
verleend.
In de samenwerkingsafspraken 2020-2023 is afgesproken dat het
programmabureau Zon in samenwerking tussen corporaties en gemeente verder
wordt vormgegeven. Dat is in de loop van 2020 gebeurd. Zowel bij de gemeente
als bij de AFWG is hiervoor een projectleider/projectsecretaris aangesteld.
De komende maanden, tot Q2 2021, gaat de aandacht van Programmabureau
Zon met name uit naar:
— het vormgeven van de zonmotor (een fonds) om zon grootschalig en versneld
‘uit te rollen’ met een specifieke focus op meerlaagse
appartementencomplexen;
— het uitwerken van modellen en oplossingsrichtingen voor het leggen van zon
op daken van VvE's';
— het vergemakkelijken van de vergunningprocedure rondom zon op
monumentale panden en beschermd stadsgezicht.
De gemeente en de AFWGC coördineren de uitwerking van de verschillende
thema’s en projecten. Zij betrekken woningcorporaties en experts in verschillende
werkgroepen. De werkgroepen bestaan uit experts vanuit de woningcorporaties,
gemeente en AFWG en overige belanghebbenden zoals een koepelvereniging
van huurders, eigenaren (gemengde VVE) en Liander.
6. Hebben er in de periode 2014-2019 tussentijdse evaluaties plaatsgevonden over
het halen van de afgesproken 80MW zonnestroom tussen de samenwerkende
partijen AFWC, FAH en de gemeente? Zo ja: kan de gemeente deze aan de raad
doen toekomen? Zo nee: waarom niet?
Antwoord:
Er hebben geen evaluaties plaatsgevonden over het behalen van de afspraken op
zon. Wel is en wordt jaarlijks gerapporteerd over de voortgang via de Monitor
Samenwerkingsafspraken. De resultaten worden met de partijen uit de
samenwerkingsafspraken besproken. De monitor wordt tevens elk jaar aan de
raad gestuurd. De monitor over 2019 is voor de commissie WB van 9 december
2020 geagendeerd.
Overigens was de afspraak over zon in de vorige periode (80 MW) een
inspanningsverplichting, De huidige afspraak (15 MW) is een resultaatafspraak.
7. Welke nieuwe oplossingen voor de financiële, administratieve en technische
uitdagingen bij zonneprojecten zijn er door de samenwerkende partijen
aangedragen en praktisch uitvoerbaar gebleken vanaf het moment dat er
knelpunten werden geconstateerd in 2018?
Antwoord:
Op financieel vlak zijn de niet goed passende rijksregelingen, de magere
business case op gestapelde bouw en beperkte investeringsruimte een
belemmering. De oplossingen zitten in de inzet van het duurzaamheidsfonds voor
zonprojecten en de inzet van een risicofonds in het kader van duurzaam herstel.
Met het risicofonds wordt het voor corporaties mogelijk gemaakt te starten met
zonprojecten zonder dat er bij aanvang van het project al voldoende
3
Jaar 2020 Gemeente Amsterdam R
Neng boas Gemeenteblad
ummer = en
Datum 9 november 2020 Schriftelijke vragen, donderdag 8 oktober 2020
deelnemende huurders zijn. Bewoners kunnen op een later moment besluiten
mee te doen en zonnepanelen te nemen. Zo kunnen zonprojecten sneller worden
gerealiseerd en wordt vaker het hele dak benut. Daarnaast lobbyen de
gezamenlijke corporaties en de gemeente voor passende subsidiering en
aanpassing van de verhuurdersheffing.
Om een aantal administratieve uitdagingen en oplossingen uit te lichten:
— er wordt gewerkt aan een makkelijke en slimme datadeling, bijvoorbeeld over
gebouwen met monumenten status of beschermd stadsgezicht en
mogelijkheden voor zonnepanelen;
— bij Liander is een nettoets geïntroduceerd, waar woningcorporaties kunnen
toetsen of hun plannen wat betreft zon op het elektranet passen.
Een ander punt van aandacht is de besluitvorming bij VVE's. 40% van het
corporatiebezit zit in VvE's. De komende maanden werkt programmabureau zon
met corporaties aan modellen voor investeringen en besluitvorming over
zonprojecten, waarbij ook huurders kunnen meedoen, die aan ALV's (algemene
ledenvergadering) van VvE's kunnen worden voorgelegd.
Een deel van de daken is technisch niet geschikt en heeft (constructieve)
aanpassingen nodig (veel van de vooroorlogse panden). Ook komt het voor dat
het aantal panelen per huishouden laag is in relatie tot de kosten voor de
omvormers en bekabeling. In deze gevallen zijn de benodigde investeringen te
hoog in relatie tot de opbrengsten. De inzet van extra middelen in het kader van
duurzaam herstel leidt ertoe dat op meer daken rendabel zonne-energie kan
worden opgewekt.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris
í https://www.at5.nl/artikelen/181315/woningcorporaties-laks-met-zonnepanelen-wethouder-pakt-6-
ton-af en https://www.youtube.com/watch?v=c4Jc6XCAn3M&feature=emb title
ÏÌ https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/ruimte-
economie/wonen/samenwerkingsafspraken/
4
|
Schriftelijke Vraag
| 4
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 1375
Datum indiening 31 juli 2019
Datum akkoord 29 augustus 2019
Publicatiedatum 30 augustus 2019
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid A.L. Bakker inzake de aangekondigde
plannen van stadsdeel Oost om alle bomen in de Eerste van Swindenstraat neer te
halen.
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragenstelster:
De fractie van de Partij voor de Dieren rolt van de ene in de andere verbazing door
het gemak waarmee dit college de bomen in de stad naar de grond haalt.
Woningbouw, sporthal, tijdelijke parkeerplaats: er is altijd een prangende noodzaak
voor het opofferen van bomen. Nu bereikte onze fractie het nieuws dat stadsdeel
Oost van plan is om alle bomen in de Eerste van Swindenstraat om te hakken,
vanwege de nodige herinrichting. De fractie van de Partij voor de Dieren vindt dat het
uitgangspunt moet zijn om zoveel mogelijk bomen te behouden bij de herinrichting en
niet om bij voorbaat al alle bomen te willen kappen.
Gezien het vorenstaande heeft het lid A.L. Bakker, namens de fractie van de Partij
voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van
Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en
wethouders gesteld:
1. Gaat het college ingrijpen bij stadsdeel Oost zodat de Eerste van Swindenstraat
zal worden heringericht met het behoud van zoveel mogelijk bomen?
Antwoord:
Nee.
2. Indien het college niet gaat ingrijpen:
a. waarom niet?
Antwoord 2a:
Stadsdeel Oost heeft, als gemandateerd bevoegd gezag, het proces om te komen
tot een herinrichtingsvoorstel correct en zorgvuldig doorlopen. Er wordt voldaan
aan de voorgeschreven boomverordening 2016 met de bijbehorende
herplantplicht.
Het stadsdeel heeft voor omwonenden een intensief traject doorlopen bestaande
uit verschillende inspraakmomenten en informatiebijeenkomsten. Ook is de
Stadsdeelcommissie nauw betrokken bij de besluitvorming, waarbij de
meerderheid een voorkeur aangeeft voor het vervangen van de bomen.
1
Jaar 2019 Gemeente Amsterdam R
weing la7s Gemeenteblad
Datum 30 augustus 2019 Schriftelijke vragen, woensdag 31 juli 2019
Op 9 juli 2019 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost ingestemd met het
herinrichtingsvoorstel en de Nota van Uitgangspunten vastgesteld. Momenteel
wordt toegewerkt naar een voorlopig ontwerp.
b. beseft het college dat het tientallen jaren gaat duren voordat nieuwe jonge
sprietjes weer dezelfde kwaliteiten (luchtzuivering, waterberging, biodiversiteit)
hebben als de huidige oude bomen in de straat?
Antwoord 2b:
Het college is zich zeer bewust van de bijdrage die bomen leveren aan de
(leef)kwaliteit, zoals luchtzuivering, waterberging, groenbeleving en als
schuilplaats voor dieren en insecten, en juicht de kap van bomen in algemene zin
niet toe. Het besluit van het stadsdeel om de bomen in de Eerste Van
Swindenstraat te vervangen is echter een weloverwogen keuze die op de langere
termijn juist kansen biedt voor de (leef)kwaliteit in de straat. De herinrichting biedt
de kans om de groeiplaats van de nieuwe bomen te verbeteren, waardoor de
bomen beter kunnen wortelen en groeien. Desalniettemin beseft het college dat
het een aantal jaren kan duren voordat de nieuwe bomen op deze plek dezelfde
omvang hebben als de bestaande bomen.
Overigens blijkt uit onderzoek dat ruim 70% van de bestaande bomen in de
Eerste van Swindenstraat een matige kwaliteit heeft, en dat 60% van de bomen
een levensverwachting van globaal 10-25 jaar heeft. Bij de geplande
werkzaamheden, zoals het verleggen van kabels en leidingen, blijven de wortels
niet onaangetast. Dit betekent een (extra) negatief effect op de kwaliteit van de
bomen.
Mede op basis van de resultaten van dit specialistisch onderzoek is de
herinrichting volgens het stadsdeel het meest logische moment om de bomen te
vervangen. In het nieuwe ontwerp van de straat herplant het stadsdeel zo groot
en breed mogelijke bomen. Ook wordt gekozen voor extra groen in de vorm van
groenvakken tussen de bomen in.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris
2
|
Schriftelijke Vraag
| 2
|
train
|
zE
la 5
CN 5
0
5 Ig ol [oe
o 8 ù Dl [0
zl > 9 o ® ®
Bl 8 = el |ó
TD) 8 Ò > >
® p 5 vj Jo
€ o 8 ® 0 DO |
& Í Kd 2 8 8 ù |
5 LI |
En
0
>
: en |
… : ‚®
; 0 :
‚ E .
2 ®
o 5 í
5 5 |
el 0
Ò 9
5 D
Bal +
Cc T
U d i
> Xe
el 2e) 5 |
hand aan
ù 5
() X 5 .
1 5 5 |
S 8
3 ” In
LO 7 „®
ols 5 |
sI9S — S |
1 ==
al® oo GT
sIsl5 ON S |
old ® TT
OD) oc IN |G 5) ol ®
5 clsis 5 oe
5 o E ci ®
tE a
Dd @ © 0
ke) TIEl dn a Pla
5 DIE 5 @ ©[o
o el 0 nl G o
Ie {| Dl > bd va >
® =lö|5 o oft
=lelelD|5 N z Dn
T alc ElE
ciolol 00 Tc ®Ö SIS
Bl sl ® N os
5 alolsiele els 5 > SN BIN
5 Stal NINIEIEIN z E q Se
lS ZEISS ssl els 5 5 kf ol =
ö15 sisfsielol® 4 Oo @ olo
0 Tc > =|0 > Dl. > 5 | Sn
0 [ Û c end a CE
5 el ®loloi® ú 0D
als Sisi el2isl8IE ® o @ ge
ae SlEl iel 5 el 5 n - 5 Sc
al SI&lbll2lel5 5 E 3 s|e
® je d = 5 BIT
3 — i =| ©
Ö afst ols
dj [DH
8 Sl Ef Clus frs Z=is/s
IE MEE Bee
Epe colGSI SIS Eee DISS steu Böse
o 515
& 2 Sos
G
E
G 5 al.
B £
G 5 Ie) xe
hand < Ò
o! 8 2
mn E N © 2 u 8
5 © 5 al MIT u 1 T
7 5 5 sels 0 3 5
B 5 eg AMES 5 ë
LC SE ö s| jaje[js N 05 3
9 w z ml El 2 Ez Ol al ®
G al E ojee T 8 lof INlels
D == Tt ù DT Eed EN @ Olclhol® iS &
8 £ als sl lel8l8 ij Sltselslel I2|SI5
E ol oo EZ ‚® Plon DE zere SIS 5
& Nij z of rz ol IE 9) 4 elslelslei2ieie ols 5
58 EISIES) |= ot Sllslsl ÍS sIel8IslISR| WIS 5
dof OrEl0 5 stsleld Dl © 0 @Ofefd ol N Dll El ld
zt slol5|ó ÛÒ sl EISIN ZI3lBl lid ZI SIe
Ek EAN GEE ERMEER EERE JE ME
GoT slelsl=lP|5 sia lZlalELS| > E SES ES ere Sl SISI Srël2 ©
a ES xe Ú 5 me) Oi e Olt e® SS glsteist® 0 Eed
EE se en [Al 5 {Leo Holl Eleos Re) Tio stelEisl2l Sis sla Sl zl el sli?
Ea ep v Ke) Sfalal > alot Ft 255 slolfeizlol®
mo siE SIS Etslë al s[EIEl Be esi? sels el ESS sle
SN S[2 Eiale SIE Ssi 85 SIS zlElSI Isere Siel slê{2
Es Sloisialci= SIZIEIS 5 SEE FEE BiEfsla Zl lelie 2
En 5 sr 5ELD| 5 ole{3 lol SlolElziël ei ë{8lel sl SIE ol DIE |A FZ
5 285 SI&rels Sl ei 8ISLEL2LS SS SlatsiglSI2lsElgle SELS ELS S2 Sns
„a T ol 5 ee a 2 elols albielstele|S zlslaro
2 c NN Ol T alelsi2 &isislml 215 ® Lid ol © 5 ©
te 84 DNS Srslel ene ele 55 [5 sy ebio gases SI sel Sja
=mj@ BIESEN ESS Basin Stein SIN SE sl Slee ls}
ZIE EISISISIËIEISIgsI8 NE 6 Blalninini 212
SISISISISISlel ele es SSI sels SIS
° | EIO =- IE
EEE
=h ä
2 AO 8 AKEEE
5 BSE 218 8 alors
EE AE ERE
2 elk ss z Slee
sE BEER © SjElsjels
SIRE z|s 21818 38 EE
Blo SIS [eN 83 Sos 8 s SIERIES
SIeIelsje SIDE Bleie ze Sjsje 26 Me
EEZ SES ESE Bl slä dais SE Ela
AE AES EIS Stef sja SES e á. <
E ol8IE me al 8
: e= 5 |
EEEN ofzo ES Se ble Elelg 215 BIS II
aafsi3 slee SIS 2e <l° sjees ss Ek
Do o ols Blois "< Ei 8 o15 2 SI
MD 5 il
SRE o[s|e ò) [8 ol5 > à 18 512 ú 5
s|2elf as 5 5 ole 3 z 28 3
815 ; DIN 5 ö 5 3 Ù |
SIËlsis D e 5 3 [9 3 de
ziele zo 3 1 À |
Sisi5|E al 8 |
BIE 5, | |
EISlsle a |
SISA 5
ens „l8
ASR Sj
Op) 5
| ZsSIS RIELE
8 wl | di
mm sE } } sn
Id SE SS âlî
_ SISI EE |
| sle sislsis: |
EE EENES |
O OD KS PN | |
gu Po Sie Ie zals |
NIER < ZIE 818188 L |
NEE 8 [8 pals | Ee
Lomi St
j dn DIE. 2
2 8 8 ie
Q asl ib Ô
3 d <isle Ë
5 ot > ES |
et PD
D A5 0 go 312 ik
| | 3 zi s 5[8jo ® 15 ö
. - . o 8E = 5 5 ib
. 3 28 Z d EIS êE
ve - ® 55 5 BEE ik
. 0 no 5 _ alsl® | |
Zl Ils 5 E SIE E |
5 28 N 5 gla il |
| | ie Ie ve
. : an 3 8 gele
| | TO fa 5
Dd 192] 5 55
. si. |
sn 2. ®D [ny N ú ze IG Ee
. ee. N 20 D len Zale ie
CA 2 3
ze a D ass JE
: IE 8 5 slâe © >
ne A 0 BEE [
. , A 3 ®Ò N 5 |
L vd Sin n oo 5l&e |
8 8 5 8 3 L ®
: IJ @ 5 Ö 953 |
| Ee : | | | |
. 8 Ie > ss | |
. TD > st | |
_ 8 BIE = od
8 8 iE |
Ô 3 ä il | |
o. 8 JEE |
o 8 zi |
0 3 ER |
z[S |
' à olols
| ” 3 @l3
Ë al3l8
î Do.
D ds
E {213
5 Ek
XK 5
5 et
a
DO 3
e sj
D SÉ
5
ka
a
ö 3
é | |
5 5.
_ ee fet 7
oo 8 2 8
| KO
DD 8 8
t | | |
| il ER IE 8 B
CD
| EE ss 3 B
a | < 5 5 7 | |
5 d [g il
5 B ie
® 5 8
d 8 B
d mal
| 5
|
Agenda
| 2
|
train
|
X Gemeente Amsterdam l D
% Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen,
Duurzaamheid en ICT
% Agenda, woensdag 7 december 2016
Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie
voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en ICT
LET OP: de vergadering vindt bij uitzondering (in zijn geheel) in de
avond plaats en niet zoals gebruikelijk in de ochtend.
Tijd Aanvang is van 19.30 uur tot 23.00 uur
Locatie De Rooszaal 0239, Stadhuis
Algemeen
1 Opening procedureel gedeelte
2 Mededelingen
3 Vaststellen agenda
4 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie ID
d.d. 16 november 2016
e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier
doorgegeven, commissielD @raadsgriffie.amsterdam.nl
5 Termijnagenda, per portefeuille
Termijnagenda niet bijgevoegd. U ontvangt op de vrijdag voorafgaande aan de
vergadering per mail een bijgewerkt exemplaar
Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de
vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn
slechts richtlijnen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn.
Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien
verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda
staat. De vergaderingen en de verslaglegging daarvan zijn openbaar. Van deze vergaderingen worden geluids-
en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op
internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl.
Voor algemene informatie: info @gemeenteraad.amsterdam.nl
1
Gemeente Amsterdam l D
Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en
ICT
Agenda, woensdag 7 december 2016
6 _TKN-lijst
7 _ Opening inhoudelijk gedeelte
8 _Inspreekhalfuur Publiek
9 Actualiteiten en mededelingen
10 Rondvraag
Verkeer en Vervoer
11 Intrekken garageverordening Nr. BD2016-015081
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(Gemeenteraad d.d. 21 december 2016)
12 Nota van Uitgangspunten Hobbemakade tussen Ruysdaelstraat en Stadionweg
Nr. BD2016-015747
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
Gemeentelijk Vastgoed
13 Initiatiefvoorstel van de raadsleden Bosman (D66) en Groen (GL), getiteld:
Deelplatform voor zonnedaken. Nr. BD2016-015875
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 14
14 Beantwoorden initiatiefvoorstel Deelplatform voor Zonnedaken Nr. BD2016-
016952
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 13
2
Gemeente Amsterdam l D
Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en
ICT
Agenda, woensdag 7 december 2016
Duurzaamheid
15 Strategie 'Naar een stad zonder Aardgas’ Nr. BD2016-014407
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(Gemeenteraad d.d. 21 december 2016)
e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 16
16 Bestuurlijke reactie op de moties 13-601, 13-779 en 13-780 betreffende
stadswarmte en verbonden met de strategie ‘Naar een stad zonder Aardgas!’ Nr.
BD2016-015331
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e Voorgesteld wordt dit gevoegd te behandelen met agendapunt 15
17 Bestuurlijke reactie op motie 1194 van het lid Van Lammeren inzake de Begroting
2016 (onderzoek investeringen fossiele industrie) Nr. BD2016-017225
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
e Geagendeerd op verzoek van het lid Van Raan (PvdD)
e Was Tkn 3 in de raadscommissie ID, d.d. 16 november 2016
e _Deleden van de raadscommissie WE zijn hierbij uitgenodigd
Openbare Ruimte en Groen
18 Vaststellen format behandeling financiële jaarstukken recreatieschappen binnen
de gemeente Amsterdam Nr. BD2016-011196
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
19 Aanvalsplan Schoon Amsterdam 2017 Nr. BD2016-017346
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
ICT
20 Informatiebeveiligingsbeleid gemeente Amsterdam Nr. BD2016-017045
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
3
Gemeente Amsterdam l D
Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Openbare Ruimte en Groen, Duurzaamheid en
ICT
Agenda, woensdag 7 december 2016
21 10e voortgangsrapportage ICT (Centraal) en Applicatierationalisatie Nr. BD2016-
017044
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen
BESLOTEN DEEL
4
|
Agenda
| 4
|
train
|
4 Gemeente Amsterdam R
% Gemeenteraad
% Motie
Jaar 2021
Nummer 226
Behandeld op 1 april 2021
Status Aangenomen bij schriftelijke stemming op 6 april 2021
Onderwerp
Motie van het lid Bloemberg-Issa inzake de afsprakenbrief met de
volkstuinen in De Nieuwe Kern (transparantie over de verslaglegging en
conclusies over de stand van zaken van de co-creatie)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de afsprakenbrief met de volkstuinen in De
Nieuwe Kern.
Constaterende dat:
- de wethouder de raad op 29 maart schriftelijk heeft geïnformeerd
over de stand van zaken van de co-creatie met volkstuinen in De
Nieuwe Kern;
- de vertegenwoordigers van de volkstuinparken zich echter niet
herkennen in de raadsbrief noch de verslagen en conclusies die zijn
opgesteld naar aanleiding van de verschillende overleggen die
hebben plaatsgevonden;
- de inbreng van de vertegenwoordigers van de tuinparken in de
verslaglegging slechts summier zou zijn weergegeven;
- de vertegenwoordigers meerdere malen zouden hebben aangegeven
dat de verslaglegging onvolledig en onjuist was.
Overwegende dat:
- het opmerkelijk is te noemen dat de tuinparkbestuurders de raad
moeten wijzen op onjuistheden in de brief van de wethouder;
— het vertrouwen van de tuinparken is geschaad omdat zij door de
wethouder als onbetrouwbaar worden afgeschilderd;
— het voor een adequate uitvoering van de controlerende taak voor
raadsleden wenselijk is om volledig geïnformeerd te worden omtrent
de verslaglegging in kwestie, de getrokken conclusies en de wijze van
totstandkoming.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
- de verslaglegging en conclusies van de bijeenkomsten, zoals deze
zijn voorgelegd aan de vertegenwoordigers van de volkstuinen in De
Nieuwe Kern, binnen 2 weken te delen met de raad;
-— de raad te voorzien van informatie over de wijze van totstandkoming
van de verslagen en eventuele wijzigingen die zijn gemaakt naar
aanleiding van de feedback van tuinparkvertegenwoordigers.
Het lid van de gemeenteraad
J.F. Bloemberg-lssa
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
Erfgoedvereniging Heemschut
Commissie Amsterdam
Gh À ae a t.a.v. Norman Vervat
(ó IE Ee ä Vondellaan 6
Ina rall 1217 RX Hilversum
HEEMSCHUT MS ma vervat2000@yahoo.com
vereniging promotie westelijke tuinsteden 03 5 -6 2 44 3 2 0
Aan de Stadsdeelcommissie en het Dagelijks Bestuur van
Stadsdeel Nieuw-West
Postbus 2003
1000 CA Amsterdam
Betreft: Vernieuwingsplannen Slotermeer
CC aan: De leden van de gemeenteraad
Amsterdam/Hilversum, 11 januari 2019
Geachte leden van de Stadsdeelcommissie en het Dagelijks Bestuur ,
Bewonersvereniging ProWest en de Erfgoedvereniging Bond Heemschut maken zich ernstig zorgen
over de toekomst van delen van Slotermeer in Nieuw-West. Het betreft vooral de Couperusbuurt
en de dichtersbuurt. In 2007-2008 zijn er grootschalige vernieuwingsplannen opgesteld voor de
buurt die door de crisis nooit zijn gerealiseerd. Nu de bouw weer aangetrokken is willen de in de
buurt actieve woningcorporaties toch weer aan de slag met de vernieuwing van de wijk. Gezien het
vele achterstallige onderhoud is dat positief. Omdat er echter ook gesproken wordt over
(grootschalige) sloop en toevoeging van stadsstraten maken wij ons ernstig zorgen. Het unieke
karakter van dit gebied dreigt hierdoor te verdwijnen.
Dit woongebied, onderdeel van de Westelijke Tuinsteden, was na de oorlog toonaangevend en
heeft dan ook een grote architectuur- en cultuurhistorische waarde. Het is niet voor niets dat de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) enkele jaren geleden heeft besloten om een gebied van
de Haarlemmerweg tot aan de Slotervaart incl. Sloterplas- en park aan te wijzen tot toonaangevend
wederopbouwgebied. Het gebied behoort volgens de rijksoverheid tot de 30 belangrijkste
naoorlogse gebieden in Nederland. Daarnaast is een kleiner deel van Slotermeer ook aangewezen
tot gemeentelijk beschermd gezicht (Van Eesterenmuseum). De nu besproken buurten vallen
buiten het gemeentelijke beschermd gezicht, maar zijn onderdeel van het door de rijksoverheid
aangewezen gebied (zie pagina 3).
De grote architectuur- en cultuurhistorische waarden geven de gemeente en de betrokken
woningcorporaties de verplichting dat bij de ontwikkeling van de Couperus- en dichtersbuurt en
omgeving het behoud van het karakter van Slotermeer voorop dient te staan. Dat betekent niet dat
er geen enkele verandering mogelijk is maar met name sloop dient voorkomen te worden. Sloop
kan alleen wanneer er een aantoonbare noodzaak is en renovatie niet mogelijk is.
Op dit moment wordt echter ingezet op een grootschalige aanpak, die mogelijk grote gevolgen zal
hebben voor het tuinstedelijk karakter van het gebied. De kans bestaat dat het hart van het door
het Rijk aangewezen wederopbouwgebied verdwijnt.
Hoewel de planvorming zich nog in een beginstadium bevindt, trekken wij nu al aan de bel.
Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland.
Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix
Erfgoedvereniging Heemschut | Nieuwezijds Kolk 28 | 1012 PV Amsterdam | www.heemschut.nl | info@heemschut.nl
Erfgoedvereniging Heemschut
Commissie Amsterdam
G À ea t.a.v. Norman Vervat
(ó IE Ee Vondellaan 6
Ina rall 1217 RX Hilversum
HEEMSCHUT MS ma vervat2000@yahoo.com
vereniging promotie westelijke tuinsteden 03 5 -6 2 44 3 2 0
Zoals aangegeven zijn er duidelijke signalen dat er gekoerst wordt op sloop, met name in de
Couperus- en dichtersbuurt, en de toevoeging van stadsstraten.
In de stukken die wij tot op heden hebben gezien ontbreken de erfgoedwaarden. Juist deze dienen
centraal te staan en richting te geven aan de verdere ontwikkelingen waarbij sloop niet aan de orde
is.
De voorgenomen vernieuwing van het onderhavige gebied wordt sterk gestimuleerd door de trend
om in Amsterdam te verdichten. Onze organisaties begrijpen dat er ook in Nieuw-West woningen
toegevoegd moeten worden. Voorkomen moet echter worden dat de cultuurhistorisch meest
waardevolle delen, d.w.z. delen van Slotervaart en Slotermeer en de oevers van de Sloterplas hun
unieke karakter verliezen. Andere delen van het gebied (bijv. Osdorp, Overtoomse Veld en delen
van Geuzenveld) zijn minder waardevol en/of al aangetast door eerdere vernieuwingen. Hier is
wellicht een grotere verdichting mogelijk. Door het ontbreken van een goede visie op Nieuw-West
zien wij echter dat beide niet gebeurt. In de waardevolle delen dreigen op veel plekken
aantastingen, terwijl in de minder waardevolle delen kansen om te verdichten blijven liggen.
Wij vragen u dan ook om samen met de in Nieuw-West actieve woningcorporaties, Bureau
Monumenten en Archeologie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Amsterdamse
erfgoedorganisaties een duidelijke visie op Nieuw-West op te stellen. Een goede visie stimuleert
het behoud en herstel van de waardevolle gebieden en jaagt vernieuwing en verdichting van
andere delen aan. Dat is in het belang van het Amsterdamse erfgoed en onze woningvoorraad.
Uiteraard geven wij graag een nadere toelichting op deze brief.
Het bestuur van Erfgoedvereniging Heemschut en Bewonersvereniging ProWest,
namens deze organisaties,
Drs. N.W.A. Vervat, lid van de commissie Amsterdam van Heemschut
T. Rombout, Vereniging Promotie Westelijke Tuinsteden
Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland.
Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix
Erfgoedvereniging Heemschut | Nieuwezijds Kolk 28 | 1012 PV Amsterdam | www.heemschut.nl | info@heemschut.nl
Erfgoedvereniging Heemschut
Commissie Amsterdam
G À ProWest t.a.v. Norman Vervat
( ) Ee Nl Vondellaan 6
Le rall 1217 RX Hilversum
HEEMSCHUT MS ma vervat2000@yahoo.com
vereniging promotie westelijke tuinsteden 03 5 -6 2 44 3 2 0
Contouren van 1 van de 30 wederopbouwgbieden van nationaal belang aangewezen door de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed : Amsterdam Nieuw-West
; ie nk ene mall —_— mek en
Te = Ee TEN = Od == | | 1 | | |
1 Is À pen |
Ge STN - ii ||
Peet Se EUD he
a el RU AN A
\ MEO En En enk
é, /) | | | ij ed EE, u
AAN st =| bn
AA \ a
LE \ \ Í $ sil. eN ele
A EEE
\ \ ‚ gpeg | rn | \ 5 2 Ee
AN KN | k
De Zi | | | | | | é Ee
Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland.
Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix
Erfgoedvereniging Heemschut | Nieuwezijds Kolk 28 | 1012 PV Amsterdam | www.heemschut.nl | info@heemschut.nl
|
Raadsadres
| 3
|
train
|
| EEn © __…_N EN m
| ee ee —
> Gemeente Amsterdam | ann
ú - Pin em
> Ke => 5
x Pd L / Tie ks
A Ï \ F
gen a Ne
p | “A | ik ,
p | ' =
p_ : ES
$ en in ©
Stop die zak zal d ge ce an
e in de bak! NE el hl
À L De el 3 NN x = h hie
Voorkom overlast! | ” wa er gs he, : Ee | nn
We
www.ggd.amsterdam.nl/dierplaagbeheersing
—, | GGD-DPB-folder-A5oblong DEF.indd 2-3 ® 20-12-13 156 | —
| |
Koop en kook op maat.
oaf Per huishouden gooien we
st jaarlijks ruim 100 kilo
Ë (ongeveer € 350) aan voedsel weg.
Benieuwd hoeveel u zelf weg-
gooit? Doe de weggooitest op
eniliau A mean www.weggooitest.nl
Bied uw afval aan op de
juiste tijd, plaats én op
de juiste wijze. Maak de
vuilniszak niet te vol en …
Stop die zak Stop die zak je
in de bakt in de bak! Kn |
a |
F
De RT e 5 NM | - 1
B NN En 7 Le NG eN) Gooi geen rommel op straat 4 eg Ke ke
4 a lk dee hk 3 ht eN, (verpakkingen, wikkels, (plastic) . ne | r
| he EU ek Le ie de alii verant Meld voedselvervuiling en flesjes), want ook zwerfvuil is Ì : 5
ke hk ge KE Ee | overlast van dieren inde aantrekkelijk voor dieren. AE an eek
Ne hi he he he, Ke sil . er openbare ruimte via internet in — :
Ke ge: N Scheid uw afval. Afvalscheiding MORA (meldingen openbare rie 4
an a lj 5 Ne zorgt voor nieuwe grondstoffen en ruimte Amsterdam) of via & ij
K ‚N ih, 4 Em sn Ee energie en voorkomt milieuvervuiling. apps als ‘Verbeterdebuurt’ en En laf
ke " Ki . Ee Twijfel welk afval waar thuishoort? Opgeruimd’. end SN
* ea B + Afvalscheidingswijzer.nl vertelt het u. r
5 l gsWIj f B
ot E u al
| Ll Ee L Ee
| | GGD-DPB-folder-A5oblong DEF.indd 4-5 ® 20-12-13 14:56 | |
|
Schriftelijke Vraag
| 2
|
train
|
Stadsdeelcommissie Oost
Agenda
Datum 06-06-2023
Aanvang 19:30
Locatie Oranje-Vrijstaatplein 2
Overlegvergadering stadsdeelcommissie en dagelijks bestuur
Bij deze vergadering is ondertiteling beschikbaar. U kunt deze aanzetten door in de balk onderaan de videoplayer op "CC"
te klikken.
Algemeen
1 Openen en vaststellen agenda
2 Mededelingen
3 Vaststellen van de conceptbesluitenlijst van de vergadering van 23 mei 2023
4 TKN-lijst
5 Mededelingen van de ingekomen stukken
6 Het woord aan bewoners, ondernemers en instellingen
VOORBEREIDEND
7 Zwembad Zeeburgereiland/IJburg
5/6: agendapuntformulier gewijzigd
5/8: voorbeeld raadsmotie toegevoegd
BESLUITVORMEND
8 Afvalplan stadsdeel Oost
1/8: Motie 119 toegevoegd
2/6: Motie 120 toegevoegd
5/8: ongevraagd advies ingetrokken
5:6: Motie 121, 122 en 123 toegevoegd
9 Niet meer uitgeven tweede parkeervergunning bewoners
5/6: motie 124 toegevoegd.
10 Voorontwerpbestemmingsplan Simon Stevinstraat zelfbouw kavel 01
ALGEMEEN
11 Vooruitblik
Doel bespreking: voorbespreken agenda komende vergaderingen en of agenda en lijst met moties, adviezen en
toezeggingen nog actueel is
6/6: MAT lijst en termijnagenda toegevoegd
12 Rondvraag en sluiten vergadering
TKN-lijst
1/8: TKN 5 toegevoegd
TKN 1 Ingekomen adviesaanvraag college aan stadsdeel over concept-ambitiedoeument ‘Sprong naar de toekomst’
recreatieschap Groengebied Amstelland
2/6: Infographic toegevoegd.
TKN 2 Ingekomen adviesaanvraag college aan stadsdeel over concept-Hoogbouwbeleid
TKN3 Reactie op brief van vereniging Vrienden van het Oosterpark 16 februari 2023 zijnde afhandeling toezegging 65
TKN 4 Verzonden advies DB aan college over Nota deelvervoer 2023
TKN5 Reactie DB op het ongevraagd advies stadsdeelcommissie inzake geen ontheffing en vergunning No Art Festival
Ingekomen stukken
1 Persbericht van Stichting Herstel Oosterpark over eis voor strafvervolging van burgemeester en college van
Amsterdam
Ingediend ter kennisname SDC.
Insprekerslijst
De definitieve lijst met insprekers wordt gepubliceerd op de dag van de vergadering.
Besluitenlijst
Informatie
Locatie en opnamen
Deze overlegvergadering met de leden van de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur vindt plaats in de
Raadszaal van het stadsdeelkantoor. De overlegvergaderingen zijn openbaar toegankelijk. Van de vergaderingen
op het stadsdeelkantoor worden geluid- en beeldregistraties gemaakt. De vergaderingen zijn daarmee live te
volgen en achteraf terug te bekijken via deze pagina.
Inspreken en daarvoor aanmelden
Inspreken kan live ter vergadering - fysiek of virtueel - of schriftelijk.
Aanmelden voor inspreken kan tot uiterlijk 24 uur voor aanvang van de vergadering via het online
aanmeldformulier: htips://www.amsterdam.nl/@338353/inspreken-commissievergaderingen/
|
Agenda
| 3
|
train
|
VN2021-022163 Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Zuidas en
Kunst en cultuur % Gemeente Marineterrein Energietransitie RO
% Amsterdam '
Voordracht voor de Commissie RO van 08 september 2021
Ter kennisneming
Portefeuille Kunst en Cultuur, Monumenten en Erfgoed
Ruimtelijke Ordening (30)
Agendapunt 20
Datum besluit nvt
Onderwerp
Kennisnemen van de beantwoording van het raadsadres over Participatieproces rond de nieuwe
locatie van de Meervaart
De commissie wordt gevraagd
Kennis te nemen van de beantwoording van het raadsadres inzake Participatieproces rond de
nieuwe locatie van de Meervaart.
In de beantwoording is vermeld dat de brief betrokken is bij de behandeling van de stukken
over de locatie van de Meervaart in de commissie Ruimtelijke Ordening van 9 juni 2021 en in de
raadsvergadering van 16 juni 2021.
Wettelijke grondslag
Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam, artikel 55, lid 3.
Artikel 160, eerste lid, onder a Gemeentewet
Het college is bevoegd om het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren.
Artikel 169 gemeentewet. Het college van burgemeester en wethouders en elk van zijn leden
afzonderlijk zijn aan de gemeenteraad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde
bestuur (lid 1).
Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (lid 2).
Bestuurlijke achtergrond
Op 29 september 2020 heeft de Vereniging Vrienden van de Sloterplas een brief gestuurd aan de
gemeenteraad. Op 20 november 2020 heeft de gemeenteraad besloten de afhandeling van de brief
in handen te stellen van het college van B en W met een afschrift aan de gemeenteraad.
Reden bespreking
nvt
Uitkomsten extern advies
nvt
Geheimhouding
nvt
Uitgenodigde andere raadscommissies
Een kopie van de beantwoording is ook tkn naar de commissie KDD van 1 september 2021
gezonden.
Gegenereerd: vl.4 1
VN2021-022163 % Gemeente Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Zuidas en
Kunst en cultuur % Amsterdam ‚ ‚ .
% Marineterrein, Energietransitie
Voordracht voor de Commissie RO van 08 september 2021
Ter kennisneming
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
Hiermee wordt raadsadres TA2021-000713 Participatieproces rond de nieuwe locatie van de
Meervaart afgedaan.
Welke stukken treft v aan?
AD2021-082770 Beantwoording raadsadres. pdf (pdf)
AD2021-082772 Commissie RO Voordracht (pdf)
AD2021-082771 Raadsadres participatieproces rond nieuwe locatie de Meervaart.pdf (pdf)
Ter Inzage
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Kunst en Cultuur, Femke Box, 06 1079 9849, f.box@amsterdam.nl
Gegenereerd: vl.4 2
|
Voordracht
| 2
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R O
% Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht)
% Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015
Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie
voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht)
Tijd 13.30 uur tot 17.00 uur en zo nodig vanaf 19.30 uur tot 22.30 uur
Locatie De Rooszaal, 0239, stadhuis
Algemeen
1 __ Opening procedureel gedeelte
2 Mededelingen
3 Vaststellen agenda
4 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie RO
d.d. 2 september 2015
e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier
doorgegeven, commissieRO@raadsgriffie. amsterdam.nl
Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de
vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn
slechts richtlijnen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn.
Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien
verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda
staat. De vergaderingen en de verslaglegging daarvan zijn openbaar. Van deze vergaderingen worden geluids-
en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op
internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl.
Voor algemene informatie: info@gemeenteraad.amsterdam.nl
1
Gemeente Amsterdam R O
Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht)
Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015
5 Termijnagenda, per portefeuille
e Termijnagenda per portefeuille niet bijgevoegd. U ontvangt op de vrijdag
voorafgaande aan de vergadering per mail bijgewerkte exemplaren.
6 _Tkn-lijst
7 _ Opening inhoudelijk gedeelte
8 _Inspreekhalfuur Publiek
9 Actualiteiten en mededelingen
10 Rondvraag
Ruimtelijke Ordening
11 Vaststellen van het bestemmingsplan Taxiopstelstrook Leidsebosje Nr. BD2015-
009871
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
e Eenniet- geanonimiseerde versie van de stukken ligt voor de commissieleden in de
leeskamerraad.
e Kabinet bijlagen liggen alleen voor de commissieleden ter inzage bij de Raadsgriffie.
12 Vaststellen van het bestemmingsplan uitbreiding Camping Zeeburg Nr. BD2015-
008012
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
e Eenniet- geanonimiseerde versie van de stukken ligt voor de commissieleden in de
leeskamerraad.
e Kabinet bijlagen liggen alleen voor de commissieleden ter inzage bij de Raadsgriffie.
2
Gemeente Amsterdam R O
Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht)
Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015
13 Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Zuidas-Ver- en
nieuwbouw Prinses Irenestraat 31-33 Nr. BD2015-012609
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
Geagendeerd op verzoek van het lid Van Raan (PvdD).
e Was TKN 4 in de Commissievergadering RO van 2 september 2015.
14 Vaststellen bestemmingsplan eerste herziening Bijlmerweide Nr. BD2015-007627
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
15 Vaststellen derde herziening bestemmingsplan Landelijk Noord Nr. BD2015-
011000
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
16 Vaststellen van het bestemmingsplan ArenAPoort West Nr. BD2015-011333
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
17 Benoeming van drie leden van de Technische Adviescommissie
Hoofdgroenstructuur (TAC) voor een tweede termijn Nr. BD2015-012698
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
18 Vaststellen van het bestemmingsplan Oosterpark 89 Nr. BD2015-009552
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
e Kabinet bijlagen liggen alleen voor de commissieleden ter inzage bij de Raadsgriffie.
3
Gemeente Amsterdam R O
Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht)
Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015
19 Jaaroverzicht Stadsloods 2014 Nr. BD2015-012353
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
e Voorgesteld wordt hierbij te betrekken: TKN 9. Overzicht Loodsen cluster Ruimte en
Economie.
Grondzaken
20 Vaststellen van de stedenbouwkundige randvoorwaarden, de grondexploitatie en
het beschikbaar stellen van een krediet voor bouw- en woonrijp maken voor drie
zelfbouwlocaties aan de Sloterweg Nr. BD2015-010789
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
21 Vaststellen van de grondexploitatie (309.59) voor Zeeburgerdijk 420-538, sloop-
nieuwbouwproject Braspenning van corporatie Eigen Haard Nr. BD2015-011247
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
22 Beantwoording van mondelinge vragen van het raadslid de heer Van Osselaer
inzake verlengde afkoop onder de Algemene Bepalingen voor voortdurende
erfpacht 1994 Nr. BD2015-012610
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
Geagendeerd op verzoek van het lid Van Osselaer (D66).
e Was TKN 9 in de Commissievergadering RO van 2 september 2015.
4
Gemeente Amsterdam R O
Raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (inclusief Erfpacht)
Gewijzigde agenda, woensdag 23 september 2015
Bouwen en Wonen
23 Toezegging informatie m.b.t. afwaardering Haarlemmerweg Nr. BD2015-012611
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
Geagendeerd op verzoek van het lid Vink (D66).
e Was TKN 12 in de Commissievergadering RO van 2 september 2015.
e Deleden van de Raadscommissie voor Bouwen en Wonen zijn hierbij uitgenodigd.
TOEGEVOEGD AGENDAPUNT
Grondzaken
24 Vaststellen investeringsbesluit Scheepsbouwweg in Amsterdam Noord Nr.
BD2015-013151
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 30 september 2015).
BESLOTEN DEEL
5
|
Agenda
| 5
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2019
Afdeling 1
Nummer 1575
Publicatiedatum 16 oktober 2019
Ingekomen onder G
Ingekomen op woensdag 9 oktober 2019
Behandeld op woensdag 9 oktober 2019
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van de leden Taimounti, Ceder en Kreuger inzake het Amsterdams
Ondernemers Programma 2019-2022 'Naar een sterke buurteconomie’
(uitbreiden van ‘freezones’ naar uitstervende winkelgebieden)
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over het Amsterdams Ondernemers Programma 2019-2022
'Naar een sterke buurteconomie’ (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1427).
Constaterende dat:
— Er winkelgebieden uitsterven in Amsterdam;
— Leegstand vaak gepaard gaat met verloedering van gebouwen en gebieden.
Overwegende dat:
— Freezones ondernemers vrijheid geven om creatief te zijn en mogelijk de
noodzakelijke impuls leveren om leegstand in Amsterdam tegen te gaan;
— De gemeente Amsterdam streeft naar een nieuwe en optimale invulling van
leegstand in de stad.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
1. Te onderzoeken hoe free zones optimaal actief ingezet kunnen worden in
winkelgebieden die te kampen hebben met leegstand, zoals die in de omgeving
van het Osdorpplein, Plein '40-45, Boven ‘t Y en Amsterdamse Poort;
2. Vervolgens de uitkomsten hiervan z.s.m. terug te rapporteren aan de raad.
De leden van de gemeenteraad
M. Taimounti
D.G.M. Ceder
K.M. Kreuger
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2017
Afdeling 1
Nummer 1063
Datum indiening 23 augustus 2017
Datum akkoord 13 september 2017
Publicatiedatum 13 september 2017
Onderwerp
Beantwoording aanvullende schriftelijke vragen van de leden Poot en Van Dantzig
inzake het deradicaliseringsbeleid van de gemeente Amsterdam.
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragenstellers:
Recentelijk zijn er verschillende berichten naar buiten gekomen over vriendjespolitiek,
beïnvloeding van buitenaf en bagatellisering van religieuze invloeden door het
deradicaliseringsteam van de gemeente.
Het is van het grootste belang dat de gemeente een effectief beleid hanteert dat erop
is gericht om radicaliserende jongeren vroeg in het oog te krijgen en te beletten om
verder te radicaliseren. Dat beleid en de medewerkers van het team moeten wat de
fracties van de VVD en D66 betreft boven alle twijfel verheven zijn.
Op 4 augustus 2017 zijn er door het lid Boomsma, namens de fractie van het CDA,
over ditzelfde onderwerp schriftelijke vragen gesteld (zie voor de beantwoording
gemeenteblad afd. 1, nr. 1062).
Gezien het vorenstaande hebben de leden Poot en Van Dantzig, respectievelijk
namens de fracties van de VVD en D66, op grond van artikel 45 van het Reglement
van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende aanvullende schriftelijke vragen
op de schriftelijke vagen van het lid Boomsma van 4 augustus 2017 gesteld:
1. Hoe beoordeelt het college het functioneren van het antiradicaliseringsteam
de afgelopen 6 jaar?
Antwoord vraag 1
De aanpak Radicalisering en Polarisatie is één onderdeel, maar wel een
fundamenteel onderdeel van de brede aanpak terrorisme en radicalisering. De
aanpak Radicalisering en Polarisatie is de laatste twaalf jaar in gezamenlijkheid
met de politie, het OM, de NCTV en diverse andere partners ontwikkeld. Het doel
is om meldingen over radicalisering tijdig op de vangen en aan te pakken en de
desbetreffende personen door intensieve begeleiding te bewegen tot het staken
van radicaal of anti-integratief gedrag. Een centrale rol is daarbij weggelegd voor
de integrale Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering (iPGA-R) waar op dit
moment (11 september 2017) 50 personen in regie zijn. Sinds 2007 wordt
daarnaast geïnvesteerd in Amsterdamse sleutelfiguren en het Strategisch
Netwerk Radicalisering en Polarisatie (SNRP). Deze netwerken zetten zich
1
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Joes Gemeenteblad
Datum 13 september 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017
samen met partners en het team Radicalisering en Polarisatie in voor een veilige
stad.
Zowel het College als de Driehoek hebben vertrouwen in de toegevoegde waarde
van deze aanpak en in de nieuwe persoonsgerichte aanpak die geënt is op de
werkwijze van de Top600. Wel bestonden er intern al langer zorgen over de
aansturing van het team. Dit heeft geleid tot personele wijzigingen. Na het vertrek
van een leidinggevende in januari 2017 is een nieuwe leidinggevende aangesteld
om het team verder te ontwikkelen. Er is ook een interim-programmamanager
aangesteld om het functioneren van het team Radicalisering en Polarisatie verder
te professionaliseren. Voor de overige maatregelen die worden getroffen naar
aanleiding van deze kwestie verwijs ik u naar de bijgevoegde Collegebrief.
2. Welke samenwerking bestond er tussen het anti-radicaliseringsteam en het
bedrijf Scholten en Partners? Klopt de berichtgeving dat regelmatig kleine
opdrachten aan Scholten en Partners zijn verstrekt teneinde niet boven de
aanbestedingsgrens te komen?
Antwoord vraag 2
Vanwege het lopende onderzoek worden momenteel geen concrete
mededelingen gedaan over bedrijven en particulieren die opdrachten hebben
uitgevoerd voor de gemeente Amsterdam. In het algemeen geldt dat ten aanzien
van alle opdrachtnemers momenteel nagegaan wordt of de inkoop- en
aanbestedingsregels bij verleende opdrachten goed zijn toegepast.
3. Welke signalen heeft het college dat, zoals blijkt uit de berichtgeving, de
invloed van de islam bij het radicaliseren van jongeren door het
antiradicaliseringsteam werd gebagatelliseerd”?
Antwoord vraag 3
Het College heeft u op verschillende momenten meegenomen in de
wetenschappelijke afbakening van het concept radicalisering, zoals in de notitie
'Heroriëntatie radicaliserings- en polarisatiebeleid beleid’ uit 2012 en de brief
‘Aanscherping aanpak radicalisering’ uit 2015. Daaruit blijkt dat het College
allerminst de rol onderschat die de gewelddadige Islam kan spelen bij
radicalisering.
Het programma Radicalisering en Polarisatie richt zich op alle vormen van
radicalisering, waaronder jihadistisch, links- en rechtsextremisme. Momenteel ligt
het zwaartepunt van de iPGA-R bij jinadistisch extremisme. Van daaruit komt
momenteel namelijk de grootste dreiging, gelet op de aard, omvang en impact
van jihadistische terroristische bewegingen in Nederland en het buitenland.
Meldingen over radicalisering komen binnen bij het Meld- en Adviespunt
Radicalisering van de gemeente Amsterdam. Deze meldingen worden in eerste
aanleg door de specialisten van het Meld en Adviespunt beoordeeld aan de hand
van een beoordelingskader dat door onafhankelijke deskundigen is ontwikkeld.
Adviezen aan de melder door de specialist worden vooraf besproken met een
collega in het team om zoveel mogelijk deskundigheid in te bouwen. Daarnaast
worden de meldingen en adviezen ook wekelijks besproken in het werkoverleg.
2
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer 13 saptemher 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017
Bij signalen van (mogelijke) radicalisering wordt de melding besproken door de
politie, het Openbaar Ministerie en de gemeente. De genoemde driehoekspartners
zorgen in dat kader voor aanvullende informatie over de betrokkene waarover de
melding is gedaan. Vervolgens worden de signalen gezamenlijk geduid. Door het
gebruik van het beoordelingskader wordt bewerkstelligd dat alle mogelijke
risicofactoren, waaronder de invloed van een gewelddadige jihadistische ideologie,
worden onderzocht. Ook het feit dat de procedure verschillende interne en externe
beoordelingsmomenten kent, maakt
dat meldingen en risicofactoren adequaat worden beoordeeld.
Uiteraard is het belangrijk om wel scherp te blijven op eventuele risico's. Daarom zijn
alle meldingen van 2017 opnieuw in kaart gebracht. Hieruit zijn geen
onregelmatigheden gebleken.
4. In hoeverre was er sprake van een diverse, bijvoorbeeld naar geslacht en
etnische achtergrond, samenstelling van het anti-radicaliseringsteam?
Antwoord vraag 4
Amsterdam is een multiculturele stad. Bij de werving van medewerkers besteedt
de gemeente Amsterdam als werkgever aandacht aan diversiteit ten aanzien van
onder andere geslacht, leeftijd en culturele achtergrond. Het team Radicalisering
en Polarisatie is dan ook divers samengesteld.
5. Zijn er bij het college signalen binnengekomen van nepotisme door leden
van het anti-radicaliseringsteam?
Antwoord vraag 5
In 2015 is bij één van de collegeleden een e-mail binnengekomen. Het betrof
vage verdachtmakingen met onvoldoende onderbouwing. Er is om die reden
verder niet op gehandeld.
Daarnaast zijn in het najaar van 2016 twee meldingen ontvangen op basis
waarvan Bureau Integriteit in februari 2017 een onderzoek is gestart naar de
inmiddels ontslagen medewerker.
6. Is het anti-radicaliseringteam betrokken geweest bij de beoordeling van de
situatie na de aanrijding bij het Centraal Station op 10 juni?
Antwoord vraag 6
Nee. De beoordeling van de situatie lag bij de Driehoek. Het politieonderzoek is
inmiddels afgerond en overgedragen aan het Openbaar Ministerie. U wordt
hierover op korte termijn nader geïnformeerd. De uitkomst van het onderzoek
naar dit incident geeft op dit moment geen enkele aanleiding om te stellen dat er
sprake was van een aanslag.
7. Was Saadia el T Amsterdams aanspreekpunt voor de AIVD?
Antwoord vraag 7
Nee. In het geval de AIVD informatie wil delen met de gemeente Amsterdam
gebeurt dat in de vorm van een schriftelijk of, in geval van spoed, mondeling
ambtsbericht dat later schriftelijk wordt bevestigd. Ambtsberichten worden in alle
3
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Joes Gemeenteblad
Datum 13 september 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017
gevallen gericht aan de burgemeester die het formele aanspreekpunt is voor de
AIVD.
Daarnaast kan indien nodig, op ambtelijk niveau, overleg plaatsvinden tussen de
AIVD en medewerkers van de Directie Openbare Orde en Veiligheid.
8. Zijn er door de gemeente Amsterdam personen ingehuurd die, indien
bekend, in aanraking zijn gekomen met justitie wegens ronselen of
anderszins betrokken zijn (geweest) bij jihadisme?
Antwoord vraag 8
Binnen de brede aanpak van Radicalisering en Polarisatie is soms gebruik
gemaakt van ervaringsdeskundigen die, vanuit hun eigen ervaring en beleving,
hun verhaal delen. Over een gederadicaliseerde jongere die enige tijd gewerkt
heeft voor een organisatie (Streetcornerwok) die door de gemeente werd ingezet
voor de aanpak Radicalisering en Polarisatie, is reeds in januari 2015 in een
besloten deel van de commissie AZ met u gesproken. Intussen heeft de Driehoek
besloten om in de toekomst geen personen in te zetten die zelf een
radicaliseringsproces hebben doorgemaakt.
9. Is Bilal L. veroordeeld voor bedreigingen en ronselen, nog werkzaam voor
Streetcornerwork of anderszins ingehuurd door de gemeente Amsterdam?
Zo nee, waarom staat hij nog steeds op de website van Streetcornerwork
vermeld?
Antwoord vraag 9
Nee, genoemde persoon is sinds april 2015 niet meer werkzaam voor
Streetcornerwork en wordt sinds die periode öok niet meer door de gemeente
Amsterdam ingezet.
Bij Streetcornerwork is nagegaan waarom hij nog steeds op de website vermeld
staat. Het blijkt om informatie te gaan die op de website was geplaatst toen
betreffende persoon nog werkzaam was bij Streetcornerwork. De gegevens staan
nog in de cache van Google. Door Streetcornerwork is een verzoek ingediend bij
Google om de gegevens te verwijderen. Dit verzoek is inmiddels ingewilligd.
10. Is Bilal L. gescreend door de gemeente en/of AIVD of andere
veiligheidsautoriteiten alvorens als jongerenwerker in dienst te treden? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, zijn daaruit problematische zaken naar voren
gekomen?
Antwoord vraag 10
Bij wijze van screening heeft genoemde persoon voor beide werkgevers een VOG
moeten overleggen. Vanwege zijn eerdere veroordeling is hem in 2010 een
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) geweigerd door het Ministerie van
Veiligheid en Justitie. Omdat de gemeente het bereikte resultaat uit het
deradicaliseringstraject wilde bestendigen, heeft de gemeente de werkgever
dispensatie verleend om als gesubsidieerde organisatie een medewerker in de
dienst te hebben die niet over een VOG beschikt. Na een hernieuwde aanvraag,
heeft de betreffende persoon op 24 november 2014 alsnog een VOG ontvangen.
4
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer 13 saptemher 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017
11. Welke werkzaamheden zijn er door Bi lal L. verricht voor d- gemeente
Amsterdam? Heeft hij contact gehad met mogelijk radicaliserende
jongeren?
Antwoord vraag 11
Zie het antwoord op vragen 8 en 9.
12. Aan wie legde Bilal L. verantwoording af? Wie was zijn leidinggevende?
Antwoord vraag 12
Genoemde persoon legde in zijn werk als tiener- en jongerenwerker
verantwoording af bij het management van zijn toenmalige werkgever.
13. Klopt de berichtgeving dat Bilal L in contact is geweest met de
Hofstadgroep?
Antwoord vraag 13
Ja.
14. Klopt de berichtgeving dat Bilal L. voor Streetcornerwork naar Jordanië is
geweest? Zo ja, is deze reis (deels) met subsidiegeld van de gemeente
Amsterdam bekostigd? Welke activiteiten hebben in Jordanië
plaatsgevonden”?
Antwoord vraag 14
Genoemde persoon is niet voor Streetcornerwork naar Jordanië geweest en er is
dus ook geen sprake van bekostiging.
15. Is de verblijfplaats van Bilal L. bekend? Is er door de gemeente of verwante
organisaties zoals Streetcornerwork geïnformeerd naar aanleiding van zijn
verdwijning?
Antwoord vraag 15
De gemeente heeft na de berichtgeving in de media binnen de eigen organisatie,
bij de politie en de voormalige werkgevers van genoemde persoon navraag
gedaan over zijn verblijfplaats. Inmiddels is contact met hem geweest en is
bevestigd dat hij in Nederland verblijft en werkt. Er is aldus geen sprake van een
verdwijning.
16. In hoeverre is door medewerkers of jongerenwerkers van de gemeente
tijdens contacten met Amsterdammers positief gesproken over
fundamentalistische organisaties zoals Hizb ut-Tahrir? Kan hier onderzoek
naar worden gedaan?
Antwoord vraag 16
Er zijn geen signalen bekend dat door jongerenwerkers of gemeenteambtenaren
positief is gesproken over Hizb-Ut-Tahrir (HuT). Het College acht één anonieme
bron in een krantenpublicatie onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek.
5
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
weing Joes Gemeenteblad
ummer - =.
Datum 13 september 201 7 Schriftelijke vragen, woensdag 23 augustus 2017
17. Kunnen deze vragen worden beantwoord vóór de eerstvolgende
commissievergadering Algemene Zaken?
Antwoord vraag 17
Ja.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
6
|
Schriftelijke Vraag
| 6
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Raadsactualiteit
Jaar 2019 Vergaderdatum 3 en 4 april 2019
Afdeling 1 Agendapunt 11
Nummer 357
Publicatiedatum 27 maart 2019
Onderwerp
Actualiteit van de leden Poot, Roosma, Van Dantzig, Mbarki, Nanninga, Flentge, Van
Lammeren, Boomsma, Ceder en Van Soest inzake bedreigingen aan het adres van
een Kamerlid tijdens een antiracisme demonstratie.
Aan de gemeenteraad
Op 23 maart vond in Amsterdam de jaarlijkse Mars tegen Racisme plaats. Een
belangrijk signaal dat Amsterdam een vrije en tolerante stad is waarin racisme en
discriminatie geen plaats hebben.
Tijdens deze demonstratie, zo bleek later uit videobeelden, werd er door een
demonstrant of demonstranten bedreigingen geuit aan het adres van Kamerlid Thierry
Baudet. Deze bedreigingen zijn bijzonder verwerpelijk en ernstig.
Reden bespreking
Indieners bespreken graag met de burgemeester hoe om te gaan met dergelijke
bedreigingen en de stappen die worden genomen om tot vervolging van deze
persoon of personen over te gaan.
De leden van de gemeenteraad
M.C.G. Poot
F. Roosma
R.H. van Dantzig
S. Mbarki
A. Nanninga
E.A. Flentge
J.F.W. van Lammeren
D.T. Boomsma
D.G.M. Ceder
W. van Soest
1
|
Actualiteit
| 1
|
test
|
Kr 02460 X Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken RO
Duurzaamheid N Amsterdam
Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022
Ter advisering aan de raad
Portefeuille Ruimtelijke Ordening
Agendapunt 7
Datum besluit College van B&W, d.d. 12 juli 2022
Onderwerp
Vaststellen bestemmingsplan Buiksloterham 8e herziening
De commissie wordt gevraagd
In te stemmen met de raadsvoordracht waarin de gemeenteraad wordt voorgesteld de volgende
besluiten ten nemen:
1. Kennis te nemen van en te betrekken bij de besluitvorming:
a. De ingediende zienswijzen naar aanleiding van de terinzagelegging van het
ontwerpbestemmingsplan Buiksloterham 8° herziening;
b. Het positieve advies van het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Noord op het
voorontwerpbestemmingsplan.
2. De zienswijzen als bedoeld onder beslispunt 1a te beantwoorden overeenkomstig de bijgevoegde
Nota van beantwoording zienswijzen welke onderdeel vitmaakt van dit besluit.
3. Kennis te nemen dat het voorliggende bestemmingsplan Buiksloterham 8° herziening past
binnen de scope van het MER “Herinrichting Buiksloterham{/Overhoeks te Amsterdam” en de
aldus voor dit plan verrichtte onderzoeken, hetgeen leidt tot de beoordeling dat het voorliggende
bestemmingsplan niet zal leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en dat om die
reden geen (geactualiseerd) milieveffectrapport behoeft te worden opgesteld.
4. Het bestemmingsplan Buiksloterham 8° herziening, bestaande uit de verbeelding en regels en
vergezeld van een toelichting, met identificatienummer NL.IMRO.0363.N2105BPGST-VGo1 in
elektronische en analoge vorm gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zoals
ter inzage heeft gelegen, vast te stellen overeenkomstig de van dit besluit onderdeel vitmakende
Nota van wijzigingen, waarbij voor de locatie van de geometrische planobjecten gebruik is gemaakt
van een ondergrond welke is ontleend aan de Basisregistratie Grootschalige Topografie, versie
2021-06-07.
5. Geen exploitatieplan vast te stellen.
6. Dat afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de Crisis- en herstelwet van toepassing is.
Wettelijke grondslag
e Wet ruimtelijke ordening (Wro), artikel 3.1, eerste lid
De gemeenteraad is bevoegd om een bestemmingsplan vast te stellen.
* Crisis- en herstelwet (Chw), artikel 1.1, eerste lid jo bijlage 1, categorie 3.1. Het plan ziet (ook)
op de (herbestemming van de) bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten
gebied.
Bestuurlijke achtergrond
Aanleiding bestemmingsplan
Gegenereerd: vl.12 1
VN2022-023460 9 Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken
Ruimte en % Amsterdam RO
Duurzaamheid %
Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022
Ter advisering aan de raad
Op 16 december 2009 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het bestemmingsplan Buiksloterham
vastgesteld. Omdat de ontwikkelingen van het gebied gedurende de economische crisis (ongeveer
2008-2014) is achtergebleven en vanwege het bijstellen van het gemeentelijk beleid, heeft de
gemeenteraad op 10 november 2020 de Herijking van de Investeringsnota Buiksloterham 2020
(HIB) vastgesteld. In de HIB is rekening gehouden met de bijstelling van het beleid zoals in ‘Koers
2025! vit 2016 is vastgelegd. Hierin is een forsere stedelijke woningbouwambities neergelegd en is
Buiksloterham als versnellings- en verdichtingslocatie aangemerkt.
Doel
Deze 8° herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham heeft betrekking op kavel 19 tussen
de Papaverweg en de Johan van Hasseltkade en is in overeenstemming met het HIB. Op deze kavel
worden woningen met commerciële ruimten in de plint en een school ontwikkeld. De herziening
verhoogt de floorspace-index en wijzigt een aantal bouwregels waarmee meer woningen kunnen
worden gebouwd. De functies die het geldende bestemmingsplan Buiksloterham mogelijk maakt
zijn ongewijzigd gebleven, met vitzondering van het schrappen van horeca V, waardoor een hotel
niet meer mogelijk is op deze kavel.
Eerdere relevante besluitvorming
Het bestemmingsplan ‘Buiksloterham’ dat in 2009 is vastgesteld is het vigerende planologisch
juridisch kader. Vervolgens zijn één wijzigingsplan en vijf herzieningen vastgesteld waarvan
de eerste en de vierde herziening ook betrekking hebben op het plangebied van voorliggend
bestemmingsplan. Dit betreft uitsluitend een tweetal regelingen die afwijken van de parkeernormen
mogelijk maken.
In het najaar 2021 hebben achtereenvolgens de zevende respectievelijk de zesde herziening
Buiksloterham in ontwerp ter inzage gelegen. De zesde herziening heeft tot 6 janvari 2022 ter
inzage gelegen en ziet op het verleggen van de westelijke ontsluitingsweg tussen de Papaverweg en
de Distelweg over het Johan van Hasseltkanaal. De zevende herziening van het bestemmingsplan
Buiksloterham ziet op het gedeelte aan de oostelijke zijde van Buiksloterham. Naar verwachting
worden deze herzieningen komend kwartaal voor vaststelling aan de raad aangeboden.
Daarnaast is in oktober 2021 het (paraplu)bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders
vastgesteld. De regels van dit (paraplu)bestemmingsplan zijn overgenomen in voorliggende
herziening.
* Voorontwerpbestemmingsplan
Op 6 juli 2021 heeft wethouder Van Doorninck het voorontwerpbestemmingsplan vrijgegeven voor
vooroverleg. Het voorontwerp bestemmingsplan is op 23 juli 2021 aan de overlegpartners verzonden
om te reageren. Hierop zijn geen inhoudelijke reacties gekomen.
Overeenkomstig de Verordening op het lokaal bestuur is het Dagelijks Bestuur van Stadsdeel Noord
in de gelegenheid gesteld om een advies vit te brengen over het voorontwerpbestemmingsplan.
* Ontwerpbestemmingsplan
Op 16 november 2021 heeft het college ingestemd met de vrijgave van het
ontwerpbestemmingsplan ten behoeve van de terinzagelegging. Het ontwerpbestemmingsplan
heeft met ingang 25 november 2021 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen met de
mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen ingediend
Deze zienswijzen leiden niet tot een gewijzigde vaststelling van voorliggende herziening van
Gegenereerd: vl.12 2
VN2022-023460 9 Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken
Ruimte en % Amsterdam
Duurzaamheid %
Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022
Ter advisering aan de raad
het bestemmingsplan. Voor nadere toelichting op de beantwoording van de zienswijzen wordt
verwezen naar hieronder onder de kop ‘ad2- voorgestelde beantwoording zienswijze’.
Reden bespreking
nvt.
Uitkomsten extern advies
nvt.
Geheimhouding
nvt.
Uitgenodigde andere raadscommissies
nvt.
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
nvt.
Welke stukken treft v aan?
Gegenereerd: vl. 12 3
VN2022-023460 % Gemeente De raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening, Grondzaken
Ruimte en % Amsterdam
Duurzaamheid %
Voordracht voor de Commissie RO van 31 augustus 2022
Ter advisering aan de raad
AD2022-071542 1. NL.IMRO.0363.N2105BPGST-VGo1.pdf (pdf)
AD2022-071541 2. Advies SDC 8e herziening OBP Buiksloterham definitief.pdf (pdf)
3. 20220317 Nota van wijzigingen BP Buiksloterham 8e herziening.corr. 3.b.
AD2022-071543
docx.docx (msw12)
4.4. 20220613 NvB-Ziensw BP Buiksloterham 8e
AD2022-071544 ,
herz_geanonimiseerd_Geredigeerd.pdf (pdf)
AD2022-071545 4.b. bijlage NvZ-Zienswijze RWS Buiksloterham 8e herziening.pdf (pdf)
‚C. bijlage NvZ-Zienswijze VVE lofts _Geredigeerd geanonimiseerd.pdf
AD2022-071546 6 Dag ) 4 9 9 p
(pdf)
AD2022-071547 4.d. bijlage NvB-Zienswijz overzicht bezonning 20EF V2.pdf (pdf)
AD2022-071548 5. Buiksloterham 8e herziening_Toelichting.pdf (pdf)
AD2022-071549 5.a. Buiksloterham 8e herziening_ Bijlagen bij toelichting.pdf (pdf)
AD2022-071550 6. Buiksloterham 8e herziening_Regels.pdf (pdf)
AD2022-071553 7. Gemeenteraad Voordracht (4). pdf (pdf)
AD2022-071533 Commissie RO Voordracht (pdf)
VERTROUWELIJK - 8. 20220613 NvB-Ziensw BP Buiksloterham 8e
AD2022-071551
herz_NIET GEANONIMISEERD. pdf (pdf)
VERTROUWELIJK - g. bijlage NvZ-Zienswijze VVE loft4_NIET
AD2022-071552
GEANONIMISEERD.pdf (pdf)
Ter Inzage
Registratienr. | Naam
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Ruimte en Duurzaamheid, Boudewijn Thier / b.thier@&amsterdam.nl / 06-2824,6182
Gegenereerd: vl.12 4
|
Voordracht
| 4
|
discard
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 1371
Publicatiedatum 18 november 2016
Ingekomen op 2 november 2016
Ingekomen in brede commissie Begroting
Te behandelen op 9/10 november 2016
Onderwerp
Motie van het lid Van Soest inzake de Begroting 2017 (stop eenzijdige focus; oog
voor groeiend aantal ‘centrummijders’).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Begroting 2017.
Constaterende dat:
— de focus in Amsterdam teveel is gericht op toeristen;
— dit leidt tot een eenzijdig winkelbestand dat meer en meer leunt op het toerisme;
— we steeds meer ‘centrummijders' krijgen.
Overwegende dat:
— de balans tussen wonen en toerisme moeten terugvinden;
— de sociale cohesie en leefbaarheid moeten verbeteren.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— te stoppen met een eenzijdige focus op toerisme;
— te komen met een plan van aanpak om de sociale cohesie en leefbaarheid,
die door het massatoerisme onder druk staat, te verbeteren;
— de raad over de uitkomsten te informeren.
Het lid van de gemeenteraad
W. van Soest
4
|
Motie
| 1
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 1728
Publicatiedatum 6 januari 2017
Ingekomen onder Ss
Ingekomen op woensdag 21 december 2016
Behandeld op woensdag 21 december 2016
Status Ingetrokken
Onderwerp
Motie van de leden Boutkan en Groen inzake Experimenten Stad in Balans
(onderzoek effect (toekomstige) groei vliegbewegingen op Schiphol op toestroom
toeristen Amsterdam).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekenden hebben de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de invulling van de tweede tranche van de prioriteit
Experimenten Stad in Balans (Gemeenteblad afd. 1, nr. 1659).
Overwegende dat:
— De stad op dit moment onder druk staat vanwege het grote aantal bezoekers;
— De prognoses voor de groei van het aantal bezoekers in 2025 op 25 miljoen
staat en een deel van deze groei afkomstig is van Europese bezoekers en de
goedkope mogelijkheden van toeristen om via Schiphol de stad te bezoeken
een rol speelt;
— In de Gebruiksprognose 2016 door Schiphol is uitgegaan van 470.800
vliegtuigbewegingen en dat de prognose is dat er 475.000 bewegingen
worden uitgevoerd, dus ruim 4.200 meer. Schiphol verwacht hiermee bijna 60
miljoen passagiers.
Voorts overwegende:
— Het onbekend is in hoeverre het hier bezoekers dan wel zakelijke bezoekers
zijn;
— In harde afspraken met overheden en omwonenden vastgelegd is dat
Schiphol in 2020 tot maximaal 500 duizend vliegbewegingen (starts en
landingen) mag doorgroeien, maar dat de luchthaven zelf verwacht dat die
grens al eind 2017 wordt bereikt;
— In antwoord op kamervragen van GDA en PvdA bevestigd is dat het bereiken
van 500.000 vliegtuigbewegingen eerder wordt bereikt dan verwacht en dit
voor de PvdA Amsterdam belangrijke afspraken zijn die moeten worden
nagekomen;
— Factoren als aantrekkende economie, lage brandstofprijzen waardoor vliegen
nog steeds relatief goedkoop is, bijdragen aan groei;
— Er met name sprake is van een snelle groei van het aantal Schengen
reizigers, waardoor het totaal aantal passagiers mogelijk boven de 63 miljoen
4
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteraad
Nummer 1713 Moti
Datum <datum oute
onbekend>
uitkomt;
— Dat van alle passagiers die in 2015 via Schiphol reisden, bijna 30 procent met
een zogenaamde prijsvechter vloog;
— De Nederlandse overheid en Schiphol gaan beginnen met het
doorontwikkelen van Lelystad Airport om hiermee meer passagiers te
accommoderen.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
— Te onderzoeken wat het effect is van deze groei in vliegtuigbewegingen op de
(groeiende) toestroom van bezoekers naar Amsterdam
— Hierin duidelijk te rapporteren wat het aandeel is van zogenaamde
prijsvechters;
— Over de opzet van dit onderzoek in overleg te treden met Schiphol en het Rijk;
— De uitkomsten van dit onderzoek voor t leggen aan de raad, uiterlijk het 2e
kwartaal 2017.
De leden van de gemeenteraad
D.F. Boutkan
RJ. Groen
2
|
Motie
| 2
|
discard
|
> < Gemeente Raadsinformatiebrief
| Amsterdam Afdoening motie
Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam
Datum 24 oktober 2022
Portefeuille(s) Openbare Orde en Veiligheid
Portefeuillehouder(s): Femke Halsema
Behandeld door Programma Weerbaar Amsterdam/Ondermijning
secretariaatoov.@amsterdam.nl
Onderwerp Afdoening motie 702.21 van het lid Poot van de VVD
Geachte leden van de gemeenteraad,
Op 11 november 2021 heeft uw raad motie 702 inzake de doorrekening van de tekorten en keuzes
voor structurele aanpak van ondermijning en georganiseerde misdaad vanaf 2023 van raadslid
Poot van de VVD aangenomen. Hiermee wordt het college gevraagd om een doorrekening te
maken die de raad inzage geeft in de tekorten die per 2023 of eerder ontstaan in de financiering
van de aanpak ondermijning en de bestrijding van georganiseerde misdaad.
Allereerst dank ik de raad voor de betrokkenheid en de aandacht die er is voor het onderwerp.
Aan de onderhandelaars is dit voorjaar inzicht gegeven in de voorziene benodigde financiële
middelen om de stad veiliger en leefbaarder te maken en te houden. In het coalitieakkoord 2022-
2026 is de uitkomst daarvan weergegeven en met voorgestelde concrete middelen inde
gemeentelijke begroting 2023.
Op voorhand wil ik graag benadrukken hoe groot ik het belang acht van structurele versterking en
slagkracht van de ondermijningsaanpak in Nederland en in Amsterdam. In de afgelopen periode
heb ik samen met de driehoekspartners gesprekken gevoerd met de minister van Justitie en
Veiligheid en met de vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid om de ernst van de
situatie in Amsterdam toe te lichten. Samen met mijn ambtsgenoot Ahmed Aboutaleb van
Rotterdam heb ik namens de beide driehoeken een position paper ingediend bij de Tweede
Kamer om de ernst van de situatie in onze steden toe te lichten en op hoofdlijnen aan te
geven wat er nodig is. Naast capaciteit en middelen in de gehele veiligheidsketen gaat het ook
om versnelde uitwerking en implementatie van wet- en regelgeving, nieuw instrumentarium
en inzet op intelligence en informatiedeling. In de bijlage treft v het position paper aan.
Amsterdam heeft structurele financiering nodig om het integrale programma tegen het geld
en geweld van de drugseconomie van de driehoek te verstevigen en te versnellen en
kwetsbare wijken weerbaarder te maken. Ook in de media heb ik aandacht gevraagd voor de
ontwrichtende effecten van de drugscriminaliteit. Alleen met een langdurige inzet van
minimaal 20 jaar met bijbehorende structurele financiering en de mogelijkheid tot
schaalvergroting kan dit succesvol worden tegengegaan.
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 24 oktober 2022
Pagina 2 van 2
Eris versterking nodig van de gehele veiligheidsketen, van bestaande maatregelen en acties
in het programma Weerbaar Amsterdam en daarnaast adaptieve, nieuwe interventies.
Voorbeelden zijn de het voorkomen van jonge aanwas, het aanpakken van doorgroeiers en
het ontwrichten van criminele netwerken in kwetsbare wijken; het opzetten van een Integraal
Financieel team bij het RIEC gericht tegen underground banking, verhullende financiële
structuren en criminele dienstverleners; uitbreiding van het werkingsgebied Bibob naar
ondermijningsgevoelige branches en straten, of begeleiding en controle in detentie.
Voor het voorkomen van jonge aanwas in de drugscriminaliteit, het aanpakken van
doorgroeiers en het ontwrichten van criminele netwerken in de meest kwetsbare buurten is
een grote financiële bijdrage van het Rijk nodig. Zoals ik v eerder heb verteld is Amsterdam
gevraagd om een aanvraag in te dienen voor de zogenaamde Preventie met Gezag-middelen
die het Rijk hiervoor beschikbaar stelt. Mede namens met partners uit de (jeugd)zorg- en
veiligheidsketen heb ik om een grote bijdrage van het Rijk gevraagd. Het proces van
toekenning hiervan loopt momenteel. Ik verwacht daar tegen het eind van 2022 uitsluitsel
over te krijgen en zal v daar dan over informeren. Ik ben blij dat de nieuwe Amsterdamse
coalitie heeft besloten eveneens een investering te doen in veiligheid, waardoor een
substantiële inzet op dit onderwerp mogelijk blijft.
Naast deze middelen zijn er extra Rijksmiddelen beschikbaar vanaf 2023, voor de aanpak van
ondermijning ten behoeve van de integrale aanpak van ondermijning door gemeente en
partnerorganisaties gezamenlijk in de Regionale Informatie en Expertise Centra. Vanaf 2023 komt
er voor de RIEC-samenwerking in de regio AA €2.836.960 structureel per jaar beschikbaar voor de
integrale versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Vooruitlopend daarop krijgt
het RIEC AA ook nog éénmalig € 2.583.660 voor 2022 dat tot eind 2023 mag worden ingezet (want
dit wordt deels nog in 2022 uitgekeerd en deels in 2023). Voor de besteding van deze RIEC-
middelen is een integraal meerjarenplan opgesteld.
Om succes te boeken is zowel internationaal, landelijk, als regionaal en lokaal bundeling van
krachten nodig. Ik hoop daarbij ook op uw steun.
Het college beschouwt de motie hiermee als afgehandeld.
Met vriendelijke groet,
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
Le
Femke Halsema
burgemeester
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
|
Motie
| 2
|
discard
|
Bezoekadres Gemeente Amsterdam
Anton de Komplein 150 Stadsdeel Zuidoost
1102 CW Amsterdam
Postbus 12491
1100 AL Amsterdam RAADSGRIFFIE
telefoon 020 2525000
fax 020
RAADSCOMMISSIE RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, VERKEER EN BEHEER
Ruimtelijke Ordening, Grondzaken, Aanleg sportparken, Milieu, Verkeer en Vervoer,
Interimbeheer, Beheer, Wijkbeheer
Voorzitter : mw. A. Kersjes
Commissiegriffier : mw. A.D. Jhinkoe-Rai
Griffie : mw. C.L. Hordijk
Telefoon : 252.5023
AGENDA van de openbare vergadering van de raadscommissie op donderdag 19 januari 2006
van 20.00 tot 22.55 uur in de raadzaal van het stadsdeelkantoor Zuidoost
Punt onderwerp Tijdschema
Á. ALGEMEEN 20.00 — 20.30 uur
A1. Opening en vaststelling agenda
A2. Mededelingen
A3. Vragen halfuur commissieleden
B. BESPREEKPUNTEN
Beheer
B1 Concept-raadsvoordracht inzake wijziging Bomenverordening Zuidoost 2005
e de stadsdeelraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
Bijgevoegd. 20.30 — 21.30 uur
Verkeer
V1 Richtlijnen voor de Trajectnota / MER hoofdwegverbinding Schiphol — Amsterdam —
Almere
e op verzoek SP-fractie geagendeerd
e voor kennisgeving aannemen
Bijgevoegd. 21.30 — 22.00 uur
V2 Concept-raadsvoordracht tot onttrekking aan het openbaar verkeer van een gedeelte
van het parkeerterrein gelegen aan de Kormelinkweg
e isin SDR van 20-12-2005 aangehouden omdat bezwaarmakers niet zijn gehoord;
e bezwaarmakers zijn uitgenodigd om hun bezwaar toe te lichten;
e de stadsdeelraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
Bijgevoegd. 22.00 — 22.20 uur
V3 Parkeerproblemen Ravensteinplein
e op verzoek CDA-fractie geagendeerd
e geen stukken bijgevoegd 22.20 — 22.35 uur
Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen zich tot en met de dag vóór de vergadering daarvoor
aanmelden bij de Griffie. Dit kan per telefoon 020-5670.528 of per e-mail naar c.hordijk@zuidoost amsterdam.nl. De vermelde
aanvangstijden zijn richttijden waaraan geen rechten zijn te ontlenen.
AGENDA (vervolg)
Punt onderwerp Tijdschema
C. PUNTEN VOOR EEN VOLGENDE VERGADERING
C1. Termijnagenda
e ter bespreking
Bijgevoegd 22.35 — 22.45 uur
D. RONDVRAAG 22.45 — 22.55 uur
E. SLUITING 22.55 uur
Lijst ter kennisneming:
Notitie portefeuillehouder RO d.d. 5 januari 2006 over hellingbaan garage Hakfort
Lijst ter inzage:
a. Besluit voor het realiseren van een verkeersregelinstallatie op de kruising
Karspeldreef/Fliersbosdreef
b. Besluit voor het realiseren van een verkeersregelinstallatie op de kruising
Holendrechtdreef/ Meerkerkdreef/ Mijehof
C. Besluit voor het realiseren van een verkeersregelinstallatie op de kruising
Daalwijkdreef/ Bergwijkdreef
d. Kapvergunning t.b.v. de uitvoering van het regulier onderhoud in het Gaasperpark
(kapnr. 1192)
e. Verkeersbesluit voor het plaatsen van het verkeersbord GO7 (voetpad) bij het
Humberto Delgadoplein
f. Uitbreiding (sub) straatnaamcategorie en straatnaamgeving nieuwe woonwijk Grunder
Grubbehoeve
g. Straatnaamgeving niet benoemde weggedeelten F-Zuid
h. Werkplan “dunningsprogramma winterperiode 2005-2006”
i Rapport Gemeentelijke Ombudsman d.d. 23 december 2005
Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen zich tot en met de dag vóór de vergadering daarvoor
aanmelden bij de Griffie. Dit kan per telefoon 020-5670.528 of per e-mail naar c.hordijk@zuidoost amsterdam.nl. De vermelde
aanvangstijden zijn richttijden waaraan geen rechten zijn te ontlenen.
|
Agenda
| 2
|
discard
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
% Raadsagenda supplement 1,
woensdag 4 april 2018
Datum en tijd woensdag 4 april 2018 19.30 uur
Locatie Raadzaal
TOEGEVOEGD:
Openbare Orde en Veiligheid
7 Actualiteit van de leden Poot, Van Lammeren en Moorman inzake de
onlusten op de Wallen door ‘supporters’ van het Engelse elftal.
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 367)
Gemeentelijk Vastgoed
8 Actualiteit van de leden Groen en De Heer inzake het beleid rond
het gemeentelijk vastgoed. (Gemeenteblad afd. 1, nr. 368)
TOEGEVOEGDE INGEKOMEN STUKKEN:
27 Brief van het college van burgemeester en wethouders van 29 maart 2018 inzake
de bestuurlijke reactie op motie 303 van 14 maart van de leden Van Dantzig en
Groot Wassink over het betrekken van Amsterdammers bij de keuze voor een
nieuwe burgemeester.
Voorgesteld wordt, deze brief te betrekken bij de behandeling van agendapunt 5,
de expertmeeting naar aanleiding van de motie van de leden Van Dantzig en
Groot Wassink inzake het betrekken van Amsterdammers bij de keuze voor
een nieuwe burgemeester.
28 Brief van 12 maart 2018 van de initiatiefnemers van het volksinitiatief “Wij willen
onze burgemeester kiezen”.
Voorgesteld wordt, deze brief desgewenst te betrekken bij de behandeling van
agendapunt 6, kennisnemen van het advies van de initiatief- en
referendumcommissie over het volksinitiatief “Wij willen onze burgemeester
kiezen” en kennisnemen van de bestuurlijke reactie van het college.
1
Gemeente Amsterdam
Gemeenteraad R
Raadsagenda supplement 1, woensdag 4 april 2018
GEWIJZIGD AFHANDELINGSVOORSTEL INGEKOMEN STUK:
22 Raadsadres van Wij — Amsterdam, de Federatie van Samenwerkende
Bewonersorganisaties in Amsterdam, van 28 maart 2018 inzake de overlast
op de Wallen, veroorzaakt door Engelse ‘voetbalfans’.
Was:
Voorgesteld wordt, dit raadsadres in handen van het college van burgemeester
en wethouders te stellen ter afhandeling en een kopie van het antwoord te sturen
naar de leden van de raadscommissie met de portefeuille Openbare Orde en
Veiligheid.
Wordt:
Voorgesteld wordt, dit raadsadres desgewenst te betrekken bij de behandeling
van agendapunt 7, de actualiteit van de leden Poot, Van Lammeren en Moorman
inzake de onlusten op de Wallen door ‘supporters’ van het Engelse elftal.
2
|
Actualiteit
| 2
|
train
|
x Gemeente Amsterdam EZ P
% Raadscommissie voor Economische Zaken, Bedrijfsvoering en Inkoop, Bedrijven en
Deelnemingen, Personeel en Organisatie, Dienstverlening, Luchthaven,
x Dierenwelzijn, Waterbeheer
Gewijzigde agenda, donderdag 4 oktober 2012
Hierbij wordt u uitgenodigd voor de openbare vergadering van de Raadscommissie
voor Economische Zaken, Bedrijfsvoering en Inkoop, Bedrijven en Deelnemingen,
Personeel en Organisatie, Dienstverlening, Luchthaven, Dierenwelzijn, Waterbeheer
Tijd 13.30 tot 17.00 uur en zonodig van 19.30 tot 22.30 uur
Locatie 0239
Algemeen
1 __ Opening procedureel gedeelte (13:30 tot 13:45)
2 Mededelingen
3 Vaststellen agenda
4 Conceptverslag van de openbare vergadering van de Raadscommissie EZP
d.d. 13 september 2012
e Tekstuele wijzigingen worden voor de vergadering aan de commissiegriffier
doorgegeven, commissieEZP@raadsgriffie. amsterdam.nl
5 Termijnagenda, per portefeuille
6 _Tkn-lijst
7 Opening inhoudelijk gedeelte (13:45 tot 17:00)
8 _Inspreekhalfuur Publiek
9 Actualiteiten en mededelingen
10 Rondvraag
Degenen die bij één van de agendapunten wensen in te spreken, kunnen tot 24 uur voor de aanvang van de
vergadering spreektijd aanvragen bij de raadsgriffie telefoon 020-5522062. De vermelde aanvangstijden zijn
slechts richtlijnen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Men dient derhalve tijdig aanwezig te zijn.
Voor degenen die gebruik willen maken van het “inspreekhalfuur” geldt het bovenstaande ook, met dien
verstande dat men het onderwerp dient aan te geven en dat het onderwerp niet als agendapunt op de agenda
staat. De vergaderingen en de verslaglegging daarvan zijn openbaar. Van deze vergaderingen worden geluids-
en beeldregistraties gemaakt. De agenda van de raadscommissie is ook te vinden op
internet: www.gemeenteraad.amsterdam.nl.
Voor algemene informatie: info@gemeenteraad.amsterdam.nl
1
Gemeente Amsterdam EZ P
Raadscommissie voor Economische Zaken, Bedrijfsvoering en Inkoop, Bedrijven en
Deelnemingen, Personeel en Organisatie, Dienstverlening, Luchthaven, Dierenwelzijn,
Waterbeheer
Gewijzigde agenda, donderdag 4 oktober 2012
Economische Zaken
11 Initiatiefvoorstel duurzame evenementen Nr. BD2012-009370
e _Terbespreking en voor kennisgeving aannemen.
Geagendeerd op verzoek van de raadsleden mevrouw Van Roemburg (GrLí) en de
heer Capel (D66).
e _Hetbetreft het verslag van een ronde tafel bijeenkomst over duurzame evenementen
d.d. 13 juli 2012,
TOEGEVOEGD AGENDAPUNT
Deelnemingen
12 Onderzoek van de rekenkamer naar toezicht bij GVB Nr. BD2012-008212
e De gemeenteraad te adviseren in te stemmen met de raadsvoordracht
(gemeenteraad d.d. 17 oktober 2012).
2
|
Agenda
| 2
|
val
|
> Gemeente Amsterdam
% Stadsdeel Zuid
x
Agenda van de openbare Commissie
Ruimte & Wonen van 6 december 2012
Vergaderdatum donderdag 6 december 2012
Tijd 20:00 -23.00 uur
Locatie Raadzaal te President Kennedylaan 923
Voorzitter Dhr. P. Guldemond
Griffier Mw. F. Alkan
Attentie:
De tijden die zijn genoemd bij de agendapunten zijn slechts richtlijnen, hier
kunnen geen rechten aan ontleend worden. De raadscommissie kan ter plekke
de concept-agenda aanpassen.
1. 20.00 uur
Opening en vaststellen agenda
2. Mededelingen en vragen over actualiteiten aan het DB
3. Vaststellen verslag n.v.t.
4. Toezeggingen en termijnagenda
5. 20.15 uur
Vaststellen Ontwikkelplan Gelderlandplein
Ter advisering aan de deelraad
6. 21.30 uur
Eindrapportage project De Mirandastrook
Ter advisering aan de deelraad
7. 22.00 uur
Beantwoording vragen over Afwijzing verzoek actualisering bestem-
mingsplan Willemsparkweg - Van Eeghenstraat 2002
Ter bespreking
1
Commissie Ruimte & Wonen - donderdag 6 december 2012
8. 22.45 uur
Sluiting
Ter kennisname stukken
A. Omgevingsvergunning A3 Nieuwbouw woonzorgcentrum Schinkelhaven
B. Bovenbouw stationsgebouwen NoordZuidlijn
C. Voorontwerpbestemmingsplan Buitenveldert
D. Evaluatie gedragscode splitsen
E. Voortgang planontwikkeling Archiefterrein
2
|
Agenda
| 2
|
train
|
4 Î
Raadsadres, Aan de Gemeenteraad van Amsterdam
Postbus 202
1000AE Amsterdam
Amsterdam 24 oktober 2012,
Geachte raadsleden,
Ondergetekenden, buurtbewoners uit de directe omgeving van de Metro-bouw op de Vijzelgracht,
doen hun beklag over het voornemen van het stadsdeel Centrum een ondergrondse parkeergarage te
realiseren. De garage zal toegang bieden via een drietal lifthuisjes geplaatst in het voetgangersgebied
van de groenbeplanting langs de ventweg aan de westkant van de Vijzelgracht.
Het stadsdeel heeft daartoe een inspraakprocedure in gang gezet die naar onze mening voorbij gaat aan
het regiem van de Rode Loper planning.
Wij voorzien nu een ontwikkeling die een latere inrichting van het Rode Loper gebied voor voldongen
feiten plaatst.
In de reeds uitgebrachte Nota van Uitgangspunten Parkeergarage Vijzelgracht zijn, ondanks
uitdrukkelijk verzoek vanuit de BegeleidingsCommissie Uitvoering NZlijn, geen bewoners of
_buurtorganisaties geraadpleegd. Wij constateren hier reeds een valse start van de inspraakprocedure. In
de Nota is ondermeer geen rekening gehouden met:
-_de afgesproken teruglegging van de tramrails, verlegd indertijd vanwege de vereiste
afmetingen van het bouwterrein voor het metrostation op de Vijzelgracht
- de terugplaatsing van een groot aantal bomen over de hele lengte van de gracht
-__de belemmering van zichtlijn en voetgangerstracé door de opstand van de lifthuisjes en de
aantasting van het beschermd stadsgezicht
=de grote weerstand tegen een parkeergarage onder vooral Weteringbuurt bewoners reeds
sedert 2003 bekend
=de te verwachten wijziging in de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid van de bouw, het
beheer en onderhoud van de parkeergarage
Wij voegen daar aan toe als ‘Noorderlingen’ dat de entree van de parkeergarage aan de overzijde van
de Vijzelgracht geen bijdrage vormt aan het ambitieniveau van het Rode Loper gebied. Onze straatjes,
uitkomend op de Vijzelgracht, zien graag weer bomen aan de overkant. Open plekken en andere
voorzieningen (nooduitgangen) t.g.v. de komst van een parkeergarage en de ontsluiting van het station
zelf zullen zorgen voor een aanzienlijke kaalslag van de bomenzône ten opzichte van het jaar 2001.
De reden dat wij ons tot u wenden heeft te maken met de opstelling van de portefeuillehouder van het
stadsdeel Centrum. De parkeergarage is zijn ding geworden, zodat wij cen voortzetting van de
inspraakprocedure niet meer serieus kunnen nemen.
Het ambitieniveau van de Rode Loper behoeft een grootstedelijke benadering en vormt een
aangelegenheid van de stad Amsterdam. Vandaar dat wij een nadrukkelijk beroep doen op uw
verantwoordelijkheid ongeacht politieke kleur. Zowel in kaderstellende termen als gehoor gevend aan
een grote groep buurtbewoners die al 12 jaar te maken hebben met een maaiveldbederf van ongekende
omvang. ‘Overrule’ de inspraakprocedure van het stadsdeel en breng de mogelijkheid van een
parkeergarage alsnog onder in de planvorming van het Rode Loper project!
Namens de Noorderbuurt en Vereniging Amstelveldbuurt,
|
Raadsadres
| 1
|
train
|
> Gemeente
Amsterdam
Motie
Datum raadsvergadering 7 oktober 2021
Ingekomen onder nummer 693
Status Aangenomen
Onderwerp Motie van het lid Vroege inzake zorgvuldige evaluatie van bijeenkomsten
alliantie
Onderwerp
Zorgvuldige evaluatie van bijeenkomsten alliantie
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De Raad,
Gehoord de discussie over de raadsbrief "Subsidie instrumentarium diversiteit en inclusie: uitslag
procedure ‘Diversiteit en Inclusiviteit voor Allianties Amsterdam 2021-2023’ en Diversiteit in de So-
ciale Basis VN2021-025091.
Constaterende dat:
— er met subsidie van de gemeente evenementen en bijeenkomsten georganiseerd worden door
deelnemers aan de alliantie;
— er voorwaarden zijn gesteld aan deze subsidie verstrekking t.a.v. toegankelijkheid en inclusie.
Overwegende dat:
— er overlap tussen diverse allianties bestaat;
— _ het kunnen deelnemen aan meerdere allianties mogelijk is;
— het nuttig is om te evalveren of de subsidie goed besteed is en aan de voorwaarden van de
verstrekking voldoet.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders
Bij de evaluatie van de nieuwe subsidiesystematiek o.a. mee te nemen de aspecten overlap tussen
diverse allianties, het kunnen deelnemen in meerdere allianties en toegankelijkheid en inclusie van
bijeenkomsten en evenementen.
Gemeente Amsterdam Status Aangenomen
Pagina 2 van 2
Indiener
J.S.A. Vroege
|
Motie
| 2
|
discard
|
> < Gemeente Raadsinformatiebrief
| Amsterdam Afdoening toezegging
Aan: De leden van de gemeenteraad van Amsterdam
Datum 2 november 2023
Portefeuille(s) ICT en digitale stad
Portefeuillehouder(s): _ Alexander Scholtes
Behandeld door DII (bestuurszaken.dii@&amsterdam.nl)
Onderwerp Afdoening toezegging EU-wetgeving l-domein vit de commissievergadering
van 19 januari 2023
Geachte leden van de gemeenteraad,
In vw commissievergadering FKD, d.d. 19 januari 2023, heeft wethouder Rijxman, naar aanleiding van
vragen van de raadsleden Garmy en IJmker, toegezegd v nader te informeren over de manier waarop
Amsterdam zich voorbereidt op de aankomende nieuwe Europese regelgeving op het gebied van
digitalisering en ICT. Ik ga hieronder in op de manier waarop het college anticipeert op de komst van de
nieuwe Europese digitale wetten en verordeningen (zoals de Al-act en e-IDAS) en welke maatregelen
Amsterdam gaat nemen om daaraan te voldoen.
1. De Europese context en gelaagdheid van de digitaliseringswetten.
De Europese Unie heeft de afgelopen periode verschillende wetten en regels op het gebied van
digitalisering vastgesteld, of is nog bezig dat te doen. Deze wetten en regels hebben onder meer als
doel om de werking van de interne markt te versterken en innovatie te stimuleren. Ook beogen deze
wetten de democratie en burgerrechten te beschermen en om de veiligheid van de technologische
ontwikkelingen te waarborgen. Verder zijn er wetten en regels die betrekking hebben op specifieke
sectoren of thema's, zoals telecommunicatie, cyberveiligheid, kunstmatige intelligentie, auteursrecht,
consumentenbescherming netneutraliteit en duurzaamheid van ICT. De Europese digitale wetgeving is
een dynamisch en complex geheel dat ook regelmatig wordt aangepast aan de veranderende
technologische realiteit.
De relaties tussen de Europese digitale wetten en de maatschappelijke doelen zijn niet altijd eenduidig
en soms kunnen de wetten elkaar versterken, maar ze kunnen ook conflicteren. Een voorbeeld van een
primair maatschappelijk doel is het waarborgen van de privacy en de gegevensbescherming van de
gebruikers. Dit doel wordt nagestreefd door wetten zoals de Algemene Verordening
Gegevensbescherming (AVG) en de e-Privacy verordening. Dit doel kan botsen met een afgeleid
secundair doel, zoals het stimuleren van innovatie en concurrentie in de digitale markt. Dit doel wordt
nagestreefd door wetten zoals de Digitale Diensten Act (DSA) en de Digitale Markten Act (DMA).
De complexe samenhang tussen de primaire maatschappelijke doelen en afgeleide secundaire doelen
van de Europese digitale wetten vereist een zorgvuldige afweging en een evenwichtige benadering.
Het is niet altijd mogelijk om alle doelen tegelijk te bereiken of om alle belangen tevreden te stellen.
Daarom is het belangrijk om de voordelen en de nadelen van elke wet te beoordelen en rekening te
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 2 november 2023
Pagina 2 van 4
houden met de mogelijke onbedoelde gevolgen voor de digitale samenleving. De wetten zijn niet
alleen juridische instrumenten, maar ook drijfveren voor maatschappelijke verandering en digitale
transformatie.
De Europese digitale wetten zijn in hun opzet en werking te verdelen in drie lagen, die elk een ander
aspect van de digitale economie en samenleving reguleren.
e Deeerstelaag bestaat uit wetten die de fundamentele rechten en principes van de digitale
samenleving vastleggen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), de
Cybersecurity Act, en de Data Governance Act. Deze wetten zijn van toepassing op alle
partijen die met digitale gegevens omgaan, dus ook op gemeenten.
e De tweede laag bestaat uit wetten die specifieke regels stellen aan bepaalde sectoren of
diensten in de digitale economie, zoals de Digital Services Act (DSA), de Digital Markets Act
(DMA). Deze wetten zijn vooral gericht op het bevorderen van eerlijke concurrentie,
transparantie en veiligheid in de online markt. Gemeenten moeten zich aan deze wetten
houden als ze zelf digitale diensten aanbieden of inkopen.
e De derde laag bestaat uit wetten die strategische doelen en ambities formuleren voor de
digitale toekomst van Europa, zoals de Al Act en de Data Act. Deze wetten zijn bedoeld om
Europa te positioneren als een wereldleider op het gebied van innovatie, duurzaamheid en
democratie in het digitale tijdperk. Gemeenten kunnen bijdragen aan deze doelen door hun
eigen digitale strategieën te ontwikkelen en samen te werken met andere overheden,
bedrijven en burgers.
Volgens de huidige Europese planning moeten alle nieuwe ‘digitale’ wetten eind 2026
geïmplementeerd zijn. De VNG heeft, in samenwerking met Amsterdam, voor de meest relevante
Europese digitale wetgeving voor gemeenten een overzicht gemaakt: eindrapport-analyse-
samenhang-europese-digitale-wetgeving.pdf (vng.nl)
De algemene conclusie van het VNG-overzicht is dat invoering van de Europese digitale wetten een
groot beslag legt op het verandervermogen van gemeenten. Het gaat niet alleen om ondersteunende
technologie en de waarborgen daarvoor per wet reguleren, maar om het transformeren van de
gemeentelijke organisatie naar een wendbare organisatie die niet meer volgtijdelijk techniek laat
aansluiten bij het oplossen van maatschappelijke opgaven maar integraal en in samenhang de hoogst
mogelijke maatschappelijke waarde creëert.
2. De collegeambities en Amsterdamse context
Bij de invoering van de EU-wetgeving houden we rekening met de college-ambities en de
Amsterdamse context. De doelen uit het collegeakkoord 2022-2026 van de gemeente Amsterdam zijn
gericht op een toekomstbestendige digitale stad, op z'n Amsterdams, menselijk en betrouwbaar. Het
college stelt zich ten doel dat alle Amsterdammers kunnen meedoen en meepraten over de stad, dat ze
gebruik kunnen maken van de kansen die digitalisering biedt en dat hun fundamentele rechten zijn
beschermd. Daarom zet het college in op:
e Het verbeteren van de digitale dienstverlening aan Amsterdammers en ondernemers, door
meer onlinemogelijkheden, betere bereikbaarheid en meer maatwerk.
e Het versterken van de digitale inclusie, door iedereen toegang te geven tot internet, digitale
vaardigheden te vergroten en digitale hulp te bieden waar nodig.
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 2 november 2023
Pagina 3 van 4
e Het stimuleren van innovatie en samenwerking op het gebied van digitale technologie ten
behoeve van maatschappelijke vraagstukken
e Het verminderen van de ecologische voetafdruk van digitalisering.
e _Hetvergroten van de digitale weerbaarheid en veiligheid van de stad, haar inwoners en haar
organisaties tegen cyberaanvallen en digitale verstoringen.
e Het versterken van de digitale rechten en vrijheden van de Amsterdammers, zoals privacy,
transparantie en zeggenschap over hun eigen data.
Deze doelen sluiten aan bij de andere ambities van het college, zoals het vergroten van
kansengelijkheid, openheid en duurzaamheid.
3. Welke voorbereidingen treffen we?
Als wethouder ICT en digitale stad heb ik een stelselverantwoordelijkheid bij de vertaling van Europese
en nationale wet- en regelgeving naar de Amsterdamse context. Het is belangrijk om hierbij een balans
te vinden tussen de verschillende belangen en waarden die op het spel staan. De eerste stap is om
samen te werken met andere overheidslagen en belanghebbenden. De Europese digitale wetten
hebben namelijk niet alleen effect op gemeenten, maar ook op het rijk, de provincies, de
waterschappen, het bedrijfsleven en de burgers.
Wat betreft de landelijke prioritering en implementatie zijn we afhankelijk van de acties uit de
Nationale Werkagenda Waardengedreven Digitaliseren, waaraan de VNG namens de gemeenten actief
deelneemt. Op rijksniveau worden de Europese wetten vertaald naar nationale wetgeving en met de
werkagenda worden overheden, bedrijven en ondernemers geholpen met instrumenten voor de
implementatie. Zo is de Wet digitale overheid (Wdo) een vertaling van de Europese e-IDAS verordening
en in de eerste tranche van de Wdo wordt geregeld aan welke eisen de toegang tot de digitale
dienstverlening en het toezicht daarop moet voldoen.
Daarnaast werken we samen met andere overheden en Europese steden om de Europese digitale
wetten uit te voeren en te beïnvloeden. De interbestuurlijke samenwerking van de gemeente
Amsterdam is gericht op het volgen van de ontwikkelingen, het anticiperen op de impact, het delen van
kennis en het zoeken naar oplossingen.
De volgende stap is de voorbereiding in de ambtelijke organisatie voor de implementatie van de wetten
en het realiseren van de achterliggende doelen binnen de Amsterdamse context.
We hanteren de volgende werkwijze:
e _Wemakenen actualiseren voortdurend impactanalyses* van nieuwe Europese en nationale
wet- en regelgeving op gebied van digitalisering en informatie. In bijlage 1 treft v een overzicht
aan van de nieuwe EU- en NL-wetten gericht op het I-domein. Dit document wordt gebruikt
om de impactanalyses op te stellen en is alleen bedoeld ter inventarisatie.
e We voeren proactief het gesprek met het rijk, de VNG en andere grote gemeenten over de
vertaling van Europese regels naar nationale wetgeving. We doen dat ook internationaal via
Eurocities en de Cities Coalition for Digital Rights.
1 We hebben op dit moment van twaalf Europese en nationale wetten de globale impactanalyse
opgesteld.
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
Gemeente Amsterdam, raadsinformatiebrief Datum 2 november 2023
Pagina 4 van 4
e _Wemaken gedurende het wetgevend traject al actieplannen en bereiden ons voor op de
invoering; zodra de betreffende wetten definitief zijn vastgesteld en duidelijk is hoe de wetten
nationaal worden vertaald kunnen de plannen direct in vitvoer worden gebracht.
e _ Voor privacy en de brede ethische toetsing van technologische toepassingen heb ik,
vooruitlopend op de aankomende wetgeving, opvolging gegeven aan uw raadsinitiatief "Grip
op technologie" en een gerichte aanpak met v gedeeld.
Met deze stappen scheppen we inzicht in de reikwijdte en werkingsgebied, implementatietijd en
effecten van niet-tijdige naleving van de wetten. We scheppen inzicht in ambtelijke en bestuurlijke
besluitvorming en relevante momenten in de planning- en controlcyclus. Met deze stap leggen we de
relatie met de begrotingsprogramma'’s en de verhouding tussen bestuurlijke en ambtelijke
verantwoordelijkheden.
In het eerste kwartaal van 2024 zal ik v nader informeren over de aanpak en prioritering, ook gebaseerd
op de gegeven implementatieperiode van gemiddeld twee jaar per wet.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
Alexander Scholtes
Wethouder ICT en digitale stad
Een routebeschrijving vindt v op amsterdam.nl
|
Brief
| 4
|
val
|
X Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2017
Afdeling 1
Nummer 1353
Datum indiening 15 augustus 2017
Datum akkoord college van b&w van 31 oktober 2017
Publicatiedatum 2 november 2017
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid Boomsma inzake de invoering van
de Overstapregeling Eeuwigdurende Erfpacht.
Aan het college van burgemeester en wethouders
Toelichting door vragensteller:
Onlangs heeft een meerderheid van de gemeenteraad ingestemd met het invoeren
van de Overstapregeling Eeuwigdurende erfpacht voor bestaande erfpachters, met
de methode van grondwaardebepaling die daarbij wordt gehanteerd, en met het
aanvullende beleid daarbij. Dit beleid heeft grote financiële consequenties voor veel
erfpachters in onze stad, maar een aantal zaken is nog niet helemaal duidelijk.
Gezien het vorenstaande heeft het lid Boomsma, namens de fractie van het CDA,
op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam,
de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders
gesteld:
Over de Onroerende Zaakbelasting.
Om de WOZ-waarde van huizen op erfpacht te bepalen telt de Dienst Belastingen bij
de verkoopprijs een bedrag op dat de waarde van het bloot-eigendom van de grond
vertegenwoordigt en wordt berekend als de contante waarde van de toekomstige
verplichtingen volgens het huidige contract vanaf de koopdatum tot het einde van het
erfpachtcontract (1), plus de contante waarde van de toekomstige verplichtingen over
het daaropvolgende tijdvak (2). Omdat de canon daarvan in het voortdurende stelsel
op het moment dat de WOZ-waarde wordt vastgesteld nog niet bekend is, werd deze
tot dusverre benaderd door de canon van het huidige tijdvak te vermeerderen met
een fictieve inflatie van 3,75 procent, en dat geheel contant te maken over 50 jaar.
Vervolgens wordt daarvan 60 procent genomen, omdat uit onderzoek van Francke en
Wilders (1996) bleek dat de toekomstige erfpachtverplichtingen niet zijn weerspiegeld
in de marktwaarde’. Francke en Wilders betogen in dat onderzoek tevens dat het
percentage waarmee gecorrigeerd wordt in de loop van de tijd kan worden
aangepast. Inmiddels is voor nieuwe woningen eeuwigdurende erfpacht ingevoerd,
en is ook de Overstapregeling vastgesteld, waarmee de waarde van het ‘tweede’
tijdvak niet bestaat of op een andere manier wordt vastgesteld en al van te voren
bekend is.
1 http://www.erfpachters.nl/files/1 996-01-01-Onderzoek-Gemeentebelastingen-onderzoek-naar-de-
invloed-van-erfpacht-opverkoopcijfers.pdf
1
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam
Neng Laea Gemeenteblad R
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
1.
a. Wordt de methode om de WOZ-waarde van huizen op erfpacht vast te stellen
aangepast naar aanleiding van de invoering van (de overstapregeling op)
eeuwigdurende erfpacht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wordt de nieuwe
methode om de WOZ-waarde vast te stellen van woningen op eeuwigdurende
erfpacht en/of woningen die op één va de daartoe geboden mogelijkheden zijn
overgestapt of gaan overstappen op eeuwigdurende erfpacht?
b. Hoe verhoudt de nieuwe methode zich tot de oude? Leidt dit tot een hogere of tot
een lagere erfpachtcorrectie en dus WOZ-waarde?
c. Is het college het eens met de fractie van het CDA dat de korting op de verhoging
van de WOZ-waarde van huizen op erfpacht door de '60-procent-correctie’ in
ieder geval niet lager mag worden?
d. Vertegenwoordigt de erfpachtcorrectie die de Dienst Belastingen berekent om de
WOZ-waarde vast te stellen de waarde van het bloot-eigendom van de grond, en
hoe verhoudt de aldus berekende waarde zich tot de gekozen genormeerde
residuele grondwaardebepaling van de BSQ's?
Antwoord vraag 1 door het College:
1a-b. Voor het bepalen van de WOZ-waarde geldt voor alle woningen en niet-
woningen het wettelijke voorschrift dat is opgenomen in artikel 17, het tweede lid,
van de Wet waardering onroerende zaken. De grondslag om de WOZ-waarde
vast te stellen van woningen op erfpacht kan daarom niet worden aangepast door
een gemeentelijke dienst.
Wat betreft de erfpachtcorrectie zal na invoering van eeuwigdurende erfpacht het
effect op de parameters die gebruikt worden voor het bepalen van de WOZ-
waarde nader geanalyseerd worden. Dit gebeurt overigens permanent voor alle
transactieprijzen van de woningen op erfpacht. Het effect van eeuwigdurende
erfpacht op de erfpachtcorrecties voor de WOZ is nu nog niet bekend.
1c. De ‘60-procentcorrectie’ is een afwaardering en is een wetenschappelijk
onderbouwde en door de rechter als rechtmatig beoordeelde werkwijze. Deze 60-
procentcorrectie is gebaseerd op feitelijk onderzoek door De gemeentelijke Dienst
Belastingen. Er is overigens geen sprake van een korting. Een aanpassing van de
60-procentcorrectie, hoger danwel lager, is alleen van toepassing indien de
gerealiseerde verkoopprijzen en marktgedrag dit rechtvaardigen. Het
gemeentebestuur heeft niet de bevoegdheid om deze correctie om andere
redenen aan te passen.
1d. De erfpachtcorrectie en de BSQ kunnen niet met elkaar worden vergeleken.
Deze hebben een verschillend doel:
e De erfpachtcorrectie rekent — gegeven een bestaande erfpachtsituatie met
een vastgelegd tijdvak — de waarde van een zakelijk recht om naar een
waarde vol eigendom (WOZ-waarde) — en is daarmee retrospectief van aard.
e De BSQ wordt gebruikt om vanuit de waarde vol eigendom (WOZ-waarde) de
grondwaarde van de opstalwaarde te onderscheiden, ten behoeve van het
vaststellen van de canon bij het overstappen naar eeuwigdurende erfpacht —
en is daarmee prospectief van aard
2
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Laea Gemeenteblad
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
De erfpachtcorrectie die de Dienst Belastingen berekent om de WOZ waarde vast
te stellen, is gebaseerd op de Wet waardering onroerende zaken. Deze
erfpachtcorrectie wordt gebruikt om de verkoopcijfers erfpachtrechten om te
rekenen naar verkoopcijfers vol eigendom. Met die verkoopcijfers vol eigendom
wordt uiteindelijk de WOZ-waarde bepaald.
Hierbij hoeft de erfpachtcorrectie niet gelijk te zijn aan de erfpachtgrondwaarde.
De erfpachtcorrectie wordt gebruikt om vanuit een bestaande canonverplichting te
komen tot een waarde vol eigendom. De erfpachtgrondwaarde bij overstap wordt
gebruikt om tot een nieuwe eeuwigdurende canonverplichting te komen.
De bepaling van de genormeerde residuele grondwaarde als verhouding tot de
onbezwaarde waarde (uitgedrukt in BSQ's) is niet gebaseerd op fiscale
wetgeving, maar op het advies van de Grondwaardecommissie in 2015.
2. Een van de onrechtvaardige aspecten van het erfpachtstelsel is dat erfpachters
Onroerend Zaakbelasting (OZB) moeten betalen over hun woning op basis van
de WOZ-waarde, die wordt vastgesteld door de erfpachtcorrectie bij het de
waarde op te tellen alsof de grond van de erfpachters is, en vervolgens moeten
ze ook erfpacht betalen juist omdat de grond juist niet van hen is. Dit is een
gevolg van de Wet Waardering Onroerende zaken die voorschrijft dat de waarde
wordt bepaald op grond van de fictie dat er geen andere privaatrechtelijke
verplichtingen op de woning rusten. Het staat de gemeente echter vrij om
rekening te houden met deze discrepantie, en in de toelichting op de wet wordt
daar ook op gewezen. Is het college bereid om rekening te houden met het
fenomeen dat erfpachters als het ware dubbel betalen, door een compensatie of
correctieregeling op te stellen voor de OZB die erfpachters betalen? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, hoe? Welke wettelijke mogelijkheden bestaan daartoe? Is het
college bijvoorbeeld bereid om de 60-procent-correctie die thans wordt
gehanteerd op grond van het onderzoek van Francke en Wilders te verlagen?
Graag een toelichting.
Antwoord vraag 2 door het College:
De canon is verschuldigd als vergoeding voor het gebruik van de grond, die in
erfpacht is uitgegeven. De OZB betreft een wettelijk voorgeschreven
belastingaanslag, die zowel bij erfpacht als bij eigen grond verschuldigd is.
Omdat de WOZ-waarde gebaseerd is op de waarde-vol-eigendom, wordt bij de
berekening van de Overstapcanon een depreciatie van 10% gerekend, om te
komen van grondwaarde-vol-eigendom naar erfpachtgrondwaarde. Daardoor is er
geen sprake van een dubbeling.
De OZB wordt op grond van artikel 220c Gemeentewet geheven op voet van de
Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
voor het betreffende kalenderjaar. Het college heeft geen beleidsvrijheid om
hierop compensatie of een correctie toe te passen.
Een aanpassing van de 60-procentcorrectie is alleen van toepassing indien dit
wordt gerechtvaardigd door de gerealiseerde verkoopprijzen en marktgedrag. De
gemeentelijke dienst Belastingen voert daarom permanent marktanalyses uit naar
het effect van erfpacht op de verkoopprijzen.
3
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Laea Gemeenteblad
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
De overstapregeling
Vanaf 1 oktober kunnen Amsterdamse erfpachters een aanbod ontvangen om over te
stappen op eeuwigdurende erfpacht. Om erfpachters tegemoet te komen en meer tijd
te bieden om deze belangrijke beslissing te nemen heeft het college na de inspraak
de termijn uitgebreid zodat erfpachters tot 2020 mogen overstappen op basis van de
WOZ-waarde van peildatum 2014 (of 2015, als die lager is). Daarbij is op
verschillende momenten uitgesproken dat het aanbod vervolgens vast staat, zodat
mensen daadwerkelijk de tijd hebben om zich een goed oordeel te vormen over deze
ingrijpende beslissing over zeer complexe materie, zonder daarbij de tijdsdruk te
voelen dat elk uitstel tot hogere bedragen leidt. In de commissie Ruimtelijke ordening
van 31 mei 2017 zei de wethouder: “Dan: hoe lang staat het aanbod? Formeel staat
het aanbod drie maanden, maar materieel geldt het natuurlijk niet in de jaren 2017,
2018 en 2019, omdat we namelijk in de jaren 2017, 2018 en 2019 de peildatum 2014
als uitgangspositie nemen. In die zin kun je zeggen dat het aanbod weliswaar formeel
drie maanden staat, maar in die periode kun je dus steeds terugvallen op 1 januari
2014. Daarna, na 2019, geldt de normale procedure, die bij aanbiedingen geldt: drie
maanden.” Op een vraag van D66 “Maar toch even voor de duidelijkheid. Maar tot
2020 kunnen ook die BSQ's voor het aanbod niet veranderen, de canonpercentages
et cetera?” antwoordde de wethouder vervolgens: “Tot 2019 niet. Althans als u
instemt met het voorstel om dat niet te doen. Vervolgens worden jaarlijks de BSQ's
vastgesteld en stelt u jaarlijks canonpercentages vast, maar die hebben geen effect
voor de mensen die zijn overgestapt.” Daarbij, en ook op andere momenten, is de
verwachting gewekt dat het aanbod voor de overstap op eeuwigdurende erfpacht (het
bedrag van de canon/afkoopsom) gedurende de genoemde periode vast ligt. Uit de
tweede rekentool rolde ook een bedrag voor de overstap waarbij de tekst verscheen
dat dit bedrag tot 2020 vast lag. Veel erfpachters die ook na 9 mei de tool hebben
ingevuld, kregen dat dan ook te zien.
3. Klopt het dat het bedrag van de afkoopsom of canon die rolt uit het gemeentelijke
aanbod vastligt tot 2020? Mocht het college ervan uitgaan dat de BSQ, WOZ-
waarde en het canonpercentage vastliggen maar dat het bedrag wel kan
veranderen doordat het einde van het huidige tijdvak dichterbij komt:
a. Kan het college aangeven hoe zich dat verhoudt tot eerdere uitspraken, en de
teksten over het aanbod die verschenen na het invullen van de rekentool?
b. Kan het college aangeven hoe veel de bedragen van het aanbod als gedaan
in 2017 kunnen oplopen, als mensen wachten tot begin 2018 of tot 2019?
Graag een indicatie van de gemiddelde toename, en van de toename in meer
extreme gevallen.
c. Is het college het met de CDA-fractie eens dat het in strijd is met de wens om
erfpachters voldoende tijd te geven om zich te beraden op deze zeer
ingrijpende maar complexe beslissing, waarvoor ze vaak ook financiering
moeten aangaan, als het bedrag, ondanks het vaststaan van WOZ-waarde,
canonpercentage en BSQ, toch aanzienlijk kan oplopen, eg. door het naderen
van het einde tijdvak? En is het college bereid om derhalve de bedragen van
het aanbod vast te leggen (eventueel uitgezonderd van inflatie}? Zo nee, is
het college dan wel bereid om in die gevallen dat het bedrag meer dan 5
procent kan oplopen, alternatieve maatregelen te nemen bijvoorbeeld om de
verhoging dan te maximeren?
4
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam
Neng Laea Gemeenteblad R
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
Antwoord vraag 3 door het College:
3a-b. Het klopt dat eeuwigdurende gedeelte van het bedrag van de afkoopsom
volgens het gemeentelijke aanbod, vastligt t/m 31 december 2019. Het
eeuwigdurende gedeelte van de afkoopsommen kan dus niet oplopen bij het
verstrijken van de tijd in 2018 en 2019.
Wanneer de erfpachter tevens het voortdurende gedeelte wil afkopen, geldt
daarvoor de reguliere afkoopinstructie, waardoor dit bedrag wel enigszins kan
variëren in de jaren 2018 en 2019, mede doordat vóór het moment van afkoop
nog halfjaarlijkse canonbetalingen plaatsvinden.
Het uiteindelijke overstap-aanbod (gebaseerd op bovenstaand uitgangspunt) is
leidend en prevaleert boven eerdere indicatieve uitspraken en boven teksten in de
destijds nog indicatieve rekentool.
Nu de Overstap daadwerkelijk ingaat, is de berekeningswijze definitief gemaakt.
3c. Gelet op het antwoord op vraag 3a. en b. zullen afkoopbedragen gedurende
de jaren 2018 en 2019 niet aanzienlijk oplopen. Daarom zijn hiervoor geen
aanvullende maatregelen meer nodig.
(Inleidende tekst op vraag 4):
De tijdsdruk is extra hoog voor mensen met Algemene Bepalingen 1994 die op grond
daarvan de mogelijkheid hebben van een verlengde afkoop. Tot nu toe geldt dat
mensen kunnen afkopen op grond van de historische grondwaarde die is gehanteerd
voor het bepalen van de huidige canon/afkoopsom. Maar in het flankerende beleid
staat dat dit ook binnen het bestaande stelsel van voortdurende erfpacht wordt
aangepast, en dat de gemeente daarbij voortaan de huidige grondwaarde gaat
hanteren: “De hoogte van de verlengde afkoopsom onder de AB1994 wordt niet meer
gebaseerd op de historische grondwaarde bij uitgifte, maar op de actuele
erfpachtgrondwaarde. Dit sluit beter aan bij artikel 11 van de AB1994, waarin wordt
bepaald dat de afkoopsom voldoende moet zijn om de gemeente te compenseren
voor het niet meer ontvangen van de nog niet vervallen canon door de verlengde
afkoop. Hiermee wordt voorkomen dat verlengde afkoopsommen veel hoger of lager
uitvallen dan de afkoopsom voor vergelijkbare erfpachtrechten.” Erfpachters kunnen
tot die tijd besluiten om verlengd af te kopen en dan overstappen eeuwigdurende
erfpacht, waarmee de ingang van dat nieuwe, eeuwigdurende tijdvak verder de
toekomst in wordt geduwd. De keuze om wel of niet verlengd af te kopen kan op die
manier enorme bedragen schelen, terwijl mensen maar enkele maanden hebben om
die beslissing te nemen.
4. Is het college het eens met de fractie van het CDA:
a. Dat het wijzigen van de grondslag voor verlengde afkoop onder AB1994 in
feite een eenzijdige wijziging van het contract betekent?
b. Daarmee in ieder geval nu een onredelijk hoge tijdsdruk staat op mensen met
de mogelijkheid voor verlengde afkoop onder AB1994?
c. Dat dit onwenselijk is?
d. Dat het dus wenselijk is om de mogelijkheid om volgens de huidige regels
verlengd af te kopen te verlengen tot 2020 zodat deze erfpachters niet onder
hogere tijdsdruk komen te staan dan andere erfpachters—of tenminste, om
deze termijn uit te breiden tot 1 januari 2019 zodat men meer tijd heeft om
zich te oriënteren? Graag een toelichting.
5
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Laea Gemeenteblad
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
e. Dat het college als antwoord op schriftelijke vragen van de heer van Ree van
2 februari 2012 inzake de canonvoorziening einde tijdvak in de
Beethovenstraat heeft aangegeven dat het “wenselijk is dat de erfpachter ten
tijde van de procedure canonherziening einde tijdvak door de gemeente nog
eens expliciet op de mogelijkheid van verlengde afkoop wordt gewezen” en
dat dit nu dus ook geldt?
f. Dat de gemeente een belangrijke zorgplicht heeft om mensen actief en
adequaat te informeren over wijzigingen in het erfpachtbeleid met mogelijk
grote financiële consequenties, zeker gezien de complexiteit van de erfpacht?
Zo ja, hoe gaat het college deze zorgplicht uitvoeren”?
Antwoord vraag 4 door het College:
4a. Met de erfpachter zijn de AB1994 overeengekomen. In art. 11.4 van de
AB1994 staat: De afkoopsom, waarin begrepen de door de erfpachter
verschuldigde toeslag, wordt berekend volgens een door Burgemeester en
Wethouders vast te stellen instructie, welke in het Gemeenteblad wordt
bekendgemaakt.
Artikel 11.4 van de AB1994 voorziet er dus in dat het College hiervoor, via een
instructie, beleid vaststelt. Dit beleid kan — binnen de kaders van art. 11 van de
AB1994 — worden gewijzigd met inachtneming van de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur.
Het bekend maken van een gewijzigde afkoopinstructie, die voldoet aan de
criteria die art. 11 van de AB1994 stelt, past dus binnen de kaders van het
erfpachtrecht en de AB1994. De nieuwe rekenwijze sluit ook beter aan bij de tekst
van art. 11.3 van de AB1994 dan de oude rekenwijze. In art. 11.3 van de AB1994
staat: “Het toeslagpercentage wordt bepaald op een zodanig niveau als naar het
oordeel van Burgemeester en Wethouders nodig is om de Gemeente schadeloos
te stellen voor het verschuiven naar de toekomst van de herziening van de canon
op de voet van art. 12”. De afkoopsom in de oude rekenwijze was echter niet
gerelateerd aan de canon die de gemeente zou ontvangen indien niet verlengd
wordt afgekocht, maar alleen aan de historische grondwaarde bij uitgifte. De
afkoopsom in de nieuwe instructie is wel gerelateerd aan de canon die de
gemeente zou ontvangen indien niet verlengd wordt afgekocht (waar de
verwijzing in art. 11.3 naar art. 12 op doelt).
4b-c. Het College is van mening dat aan de erfpachters met de AB1994
voldoende tijd wordt geboden om een weloverwogen keuze te maken over het
verlengd afkopen op basis van de oude afkoopformule.
Bij verlengde afkoop gaat het om een extra mogelijkheid in de AB1994, die
erfpachters met andere AB’s niet hebben. Deze mogelijkheid blijft in stand voor
alle erfpachters met AB1994 die nog niet verlengd hebben afgekocht, alleen wordt
de rekenwijze per 1-1-2018 aangepast.
Desgewenst kunnen erfpachters die nog niet hebben afgekocht in 2017 eerst
verlengd afkopen, en daarna, op enig moment in 2018 en 2019, alsnog besluiten
om — na de verlengde afkoop — over te stappen naar eeuwigdurende erfpacht.
4d. Het College vindt het belangrijk dat er per 1-1-2018 één uniforme rekenwijze
voor verlengde afkoop is, en niet twee jaar lang twee rekenwijzen naast elkaar,
om de volgende redenen:
6
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Laea Gemeenteblad
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
e Door twee jaar lang twee rekenmethodes naast elkaar te houden, wordt het
erfpachtstelsel nog complexer (terwijl vereenvoudiging juist een doel van de
Vernieuwing Erfpachtstelsel is)
e De nieuwe rekenwijze sluit beter aan bij het bepaalde in art. 11 van de
AB1994 dan de oude rekenwijze
e De oude rekenwijze leidde in sommige gevallen tot een verlengde afkoopsom
die hoger uitvalt dan de verwachte toekomstige canoninkomsten ingeval niet
zou worden afgekocht (in die gevallen kwam de verlengde afkoopsom ook
beduidend hoger uit dan eeuwigdurende afkoop bij Overstap); daarom acht
het College het niet gewenst, om deze rekenwijze nog langer te hanteren dan
nodig is. Daarbij komt dat het bij de Overstap moeilijk uit is te leggen dat een
afkoopsom voor een met 50 jaar verlengd tijdvak, hoger uitvalt dan de
eeuwigdurende afkoopsom voor hetzelfde perceel
4e. Bij canonherziening einde tijdvak van rechten met de AB1994 wijst de
gemeente de erfpachter expliciet op de mogelijkheid van verlengde afkoop. Dit is
opgenomen in de standaarddocumenten voor de canonherziening van rechten
met de AB1994.
4f. Zie het antwoord op vraag 5.
5. Hoe gaat het college de mensen die dit aangaat zo goed mogelijk informeren over
deze beleidswijziging? Is het college bereid al deze mensen actief op de
mogelijkheid te wijzen? Is het college bereid om mensen die geld zouden kunnen
besparen door eerst een extra verlengd tijdvak onder AB1994 af te kopen daar
actief op te wijzen, en zeker ook als zij dat, mogelijk uit onwetendheid, niet zelf
aangeven? Graag een toelichting.
Antwoord vraag 5 door het College:
Het College zal alle erfpachters met AB1994, voor zover zij nog niet verlengd
hebben afgekocht, schriftelijk attenderen op de gewijzigde rekenwijze voor
verlengde afkoop. Hiertoe bereidt het College een rekentool voor, waarmee
erfpachters met AB1994 een indicatie kunnen krijgen van de verlengde
afkoopsom onder de oude en de nieuwe instructie. Deze rekentool zal rond 1
november 2017 gereed zijn. Zodra deze rekentool beschikbaar is, worden alle
AB1994-erfpachters die nog verlengd kunnen afkopen, hierop schriftelijk
geattendeerd. Zij kunnen — indien zij dat wensen — dan nog een verlengde afkoop
op basis van de oude instructie aanvragen.
(Inleidende tekst op vraag 6):
Banken mogen geen hypotheek verstrekken aan mensen als die financiële
verplichtingen oplevert die te groot zijn voor hun inkomen. De maximale hoogte van
het hypothecair krediet ten opzichte van het inkomen (LTl-norm) wordt bepaald met
financieringslastpercentages, die jaarlijks door de Ministeries van Financiën en
Binnenlandse Zaken worden vastgesteld bij verschillende rentestanden, op advies
van het NIBUD, na consultatie van onder andere de AFM*. Deze financieringslast-
percentages drukken de maximale bruto hypotheeklasten uit in een percentage ten
opzichte van het toetsinkomen, dat wordt afgeleid uit het bruto-inkomen:; al hebben
banken de mogelijkheid om er onder bepaalde voorwaarden van af te wijken. Nadat
2 https://www.nibud.nl/wp-content/uploads/advies-hypotheeknormen-2017-def.pdf
7
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Neng Laea Gemeenteblad
Datum 2 november 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
de overstapregeling in de gemeenteraad is aangenomen, heeft de Nederlandse
Vereniging van Banken aangegeven dat banken aanvragen voor financiering van
afkoopsommen voor erfpacht in overweging zullen nemen en daarbij zullen kijken
naar dezelfde normen als bij reguliere financieringsaanvragen, namelijk op basis van
de LTV-normen en de LTl-normen (Loan-to-Value en Loan-to-Income)”.
6. Zullen banken, bij het beoordelen of ze een afkoopsom voor de overstapregeling
willen financieren, inderdaad gebruik maken van de financieringslastpercentages
zoals die jaarlijks worden vastgesteld? En geldt daarbij dat daarbij de optelsom
van hypotheekverplichtingen en erfpachtverplichtingen samen aan deze normen
moeten voldoen?
Antwoord vraag 6 door het College:
Dit is een vraag die niet door het College, maar door de banken moet worden
beantwoord.
De afgelopen jaren heeft de gemeente meerdere malen met de grote banken
gesproken over de Vernieuwing Erfpachtstelsel. De banken hebben toen
aangegeven afkoopsommen te kunnen financieren, onder de voorwaarde dat de
aanvrager voldoet aan de voorwaarden om een financiering te krijgen. Omdat de
banken in de loop van de tijd hun regels bij hypotheekverstrekking kunnen
wijzigen, kan het College echter niet garanderen dat een bepaalde werkwijze van
de banken over enkele jaren nog van kracht zal zijn.
Overigens kunnen erfpachters bij Overstap altijd kiezen voor eeuwigdurende
canonbetaling. In dat geval hoeven zij niet bij te lenen.
7. Is het college het eens met de fractie van het CDA dat het niet wenselijk is dat
mensen na een herziening of na de overstapregeling financiële verplichtingen
krijgen, die (in combinatie met hun reguliere hypotheeklasten) niet voldoen aan de
LTl-normen en die eigenlijk te hoog zijn voor hun inkomen? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, hoe gaat de gemeente er zorg voor dragen dat dit niet het geval is?
Antwoord vraag 7 door het College:
De overstap leidt niet zozeer tot nieuwe financiële verplichtingen, maar maakt een
(voorheen onvoorspelbare) toekomstige canonwijziging inzichtelijk, en geeft er
zekerheid over. De gemeente verwacht dat de banken meer zekerheid niet
negatief zullen waarderen.
Als gevolg van de motie van Osselaer, Dijk en Bakker inzake geen gedwongen
verhuizing bij canonaanpassing is het College aan het uitzoeken op welke wijze
een vangnetregeling voor overgestapte erfpachtrechten ingevoerd kan worden,
voor situaties wanneer de erfpachter de canon als gevolg van de overstap niet
kan betalen.
3 https://www.nvb.nl/nieuws/2086/invulling-van-de-erfpachtherziening-amsterdam-bekend.html
8
Jaar 2017 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Nummer 1 ember 2017 Schriftelijke vragen, dinsdag 15 augustus 2017
8. Erkent de gemeente dat zij de plicht heeft om overkreditering te voorkomen? Hoe
gaat de gemeente daar zorg voor dragen? Hoe denkt de gemeente zich ervan te
gaan vergewissen dat erfpachters de overstap kunnen financieren?
Antwoord vraag 8 door het College:
In zijn algemeenheid heeft de gemeente deze plicht niet, zij heeft er ook geen
instrumenten voor. Ook in het kader van de privacy regels is dit niet mogelijk. De
gemeente kan iemand bijvoorbeeld niet verbieden om een (te) dure woning te
kopen. Slechts bij leningen door de Kredietbank Amsterdam heeft de gemeente
wel instrumenten met betrekking tot overkreditering omdat daar wel een wettelijke
basis is.
De gemeente biedt erfpachters bij overstap de keuze tussen afkoop en
canonbetaling, zodat niemand door de overstap gedwongen wordt om een schuld
aan te gaan.
Zie verder de beantwoording van de vragen 6 en 7.
9. Wat doet de gemeente als blijkt dat banken niet bereid zijn om de afkoopsom te
financieren, en/of aangeven dat de kosten van het overstappen op een
canonbetalende eeuwigdurende erfpacht te hoog zijn voor het inkomen van de
erfpachter (uitgaande van de op dat moment geldende
financieringslastpercentages? Graag een toelichting. Geldt dan dat deze mensen
sowieso in aanmerking komen voor de vangnetregeling?
Antwoord vraag 9 door het College:
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de beantwoording
van de vragen 6, 7 en 8.
10. Wat is de tekst van de obligatoire overeenkomst voor erfpachters met
appartementen? Kun het college de modeltekst daarvoor opsturen en voor
bespreking voorleggen aan de raadscommissie’?
Antwoord vraag 10 door het College:
Deze modeltekst wordt als bijlage bij deze beantwoording verstrekt.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E. van der Burg, locoburgemeester
9
|
Schriftelijke Vraag
| 9
|
discard
|
VN2023-014312 issi i i i i
Wonen X Gemeente Raadscommissie voor Duurzaamheid, Circulaire Economie, Afval en DC
Reiniging, Voedsel en Dierenwelzijn
% Amsterdam
Voordracht voor de Commissie DC van 06 juli 2023
Ter bespreking en ter kennisneming
Portefeuille Duurzaamheid, Energietransitie en Circulaire Economie
Volkshuisvesting (43)
Agendapunt 5
Datum besluit 13-06-2023
Onderwerp
Kennis nemen van de raadsinformatiebrief de voortgang en de uitgangspunten voor de sturing van
het isolatieoffensief
De commissie wordt gevraagd
Kennis te nemen van de raadsinformatiebrief met daarin een update over de voortgang van
de aanpak energiearmoede en de invulling die het college geeft aan het versnellen van het
isolatietempo in buurten waar dit het hardst nodig is en behorende bijlagen met toelichting op beide
punten.
Wettelijke grondslag
Gemeentewet Artikel 169:
1. Hetcollege en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over
het door het college gevoerde bestuur.
2. Zijgeven de raad alle inlichtingen die de raad voor de vitoefening van zijn taak nodig heeft.
Bestuurlijke achtergrond
In het Coalitieakkoord 2022-2026 is aangekondigd dat het college een grootschalig isolatieoffensief
gaat lanceren gericht op het versnellen van de verduurzaming en verbetering van woningen.
Hiervoor is €32 miljoen gereserveerd.
Reden bespreking
nvt.
Uitkomsten extern advies
In het (nog op te stellen) uitvoeringsplan zal de input en adviezen van verschillende stakeholders en
Amsterdammers worden verwerkt. Met hen zijn dit voorjaar gesprekken gevoerd. Eris onder andere
gesproken met:
* Professionele stakeholders, zoals de woningcorporaties, adviesbureaus en
bouwondernemingen.
e Bewonersorganisaties, die al betrokken zijn bij het verduurzamen van woningen.
Gegenereerd: vl.18 1
VN2023-014312 % Gemeente Raadscommissie voor Duurzaamheid, Circulaire Economie, Afval en
Wonen % Amsterdam On ‚ _
% Reiniging, Voedsel en Dierenwelzijn
Voordracht voor de Commissie DC van 06 juli 2023
Ter bespreking en ter kennisneming
« Bewonerspanel, een dwarsdoorsnede van individuele bewoners vit Amsterdam, met een
diverse achtergrond en woonsituatie.
Geheimhouding
n.v.t.
Uitgenodigde andere raadscommissies
n.v.t.
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
Ja. Met deze brief wordt de toezegging aan de commissie DC op 25 mei 2023 over het sturen op
lokale partijen bij de inzet op energiearmoede afgedaan.
Welke stukken treft v aan?
AD2023-049800 Bijlage 1_Resultaten en evaluatie Energiebespaarservice.doc (msw)
Bijlage 2_Hoofdlijnen isolatie- en sociaal-maatschappelijke
AD2023-049801
opgaven_15.06.docx (msw212)
AD2023-045109 Commissie DC Voordracht (pdf)
Raadsinformatiebrief voortgang en vitganspunten isolatieoffensief.pdf
AD2023-049799
(pdf)
Ter Inzage
Registratienr. Naam
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Directie Wonen, Roben Gort, 0639270571, r.gort®amsterdam.nl; Directie R&D, Geertje Sonnen,
0620090294, g.sonnen@®amsterdam.nl
Gegenereerd: vl.18 2
|
Voordracht
| 2
|
val
|
mend Agenda vergadering Stadsdeelcommissie
% Nieuw-West Commissiezaal Plein 40-45, nr.
% 1
16 januari 2024
Start om 19.30 uur
Vergadering Stadsdeelcommissie
Voorzitter SDC: Yassin Askkali
Secretaris SDC: Fatima Meziani
1. Opening
2. Mededelingen
3. Insprekers
4. Mondelinge vragen
5. Uitvoeringsplan Nationaal Programma Samen Nieuw-West
6. Adviesaanvraag Agenda Dieren 2024-2026
(Oordeelsvormend)
7. Ingekomen stukkenlijst
8. Vaststellen afsprakenlijst SDC 19 december 2023
9. Informatieverzoeken aan het DB
10. Rondvraag
11. Sluiting
Mocht u willen inspreken dan kunt u zich tot maandag 12.00 uur
aanmelden via stadsdeelcommissie.nieuw-west@amsterdam.nl
Dit is een conceptagenda. De agenda kan wijzigen. De meest actuele
versie kunt u vinden op: https://nieuw-west.notubiz.nl/
|
Agenda
| 1
|
train
|
VN2023-014098 Raadscommissie voor Financiën, Kunst en cultuur, Diversiteit
Belastingen 96 Gemeente commissie voor” De FKD
en antidiscriminatiebeleid, Lucht-en zeehaven (incl. Schiphol),
% Amsterdam ee en
Bedrijfsvoering, Inkoop, Personeel en organisatie, Dienstverlening,
% Deelnemingen (excl. AEB en Schiphol), Deelnemingen (incl. AEB), Lokale
media, ICT en digitale stad, Evenementen
Voordracht voor de Commissie FKD van o2 november 2023
Portefeuille Ferendiäsering aan de raad
Agendapunt 5
Datum besluit 3 oktober 2023
Onderwerp
Verordening Toeristenbelasting 2024
De commissie wordt gevraagd
De gemeenteraad te adviseren om de Verordening Toeristenbelasting 2024 zoals opgenomen in
bijlage 1 vast te stellen, waarvan de belangrijkste onderdelen zijn:
e De heffingssystematiek vereenvoudigd wordt naar een enkelvoudig percentage van de
overnachtingsprijs;
* Een uniform tarief van 12,5% van de overnachtingsprijs gehanteerd wordt.
Wettelijke grondslag
Artikel 216 van de Gemeentewet bevat de bevoegdheid van de gemeenteraad om
belastingverordeningen vast te stellen. Elk besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van
een belasting geschiedt in de vorm van een belastingverordening. Gemeentelijke belastingen
kunnen enkel worden geheven op grond van de Gemeentewet, dan wel een andere wet. Zonder een
wettelijke basis is invoering van een gemeentelijke belasting niet mogelijk.
Artikel 224 van de Gemeentewet is de wettelijke basis voor de toeristenbelasting. Op grond van
dit artikel kan de gemeente een toeristenbelasting heffen voor het houden van verblijf door niet-
ingezetenen.
Bestuurlijke achtergrond
Op basis van art. 224 van de Gemeentewet kan door gemeenten toeristenbelasting worden
geheven voor verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een
adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. De verordening op
de toeristenbelasting Amsterdam 2020 is vastgesteld bij raadsbesluit van 30 oktober 2019
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 1814).
Bij de Voorjaarsnota heeft het college de Raad voorgesteld om de baten toeristenbelasting te
verhogen met ten minste 30 min. Bij de behandeling van de Voorjaarsnota heeft de raad motie 273
van het lid Heinhuis c.s. aangenomen, waarmee het college werd opgeroepen om bij de Begroting
2024 een voorstel te doen aan de Raad voor verdere verhoging van de toeristenbelasting.
De raad wordt nu gevraagd om de als bijlage 1 opgenomen Verordening op de Toeristenbelasting
2024 vast te stellen, waarmee:
1. De heffingssystematiek voor de toeristenbelasting wordt vereenvoudigd door de
gecombineerde heffingsmaatstaf te vervangen door een enkelvoudig percentage van de
overnachtingsprijs;
2. Hettarief wordt bepaald op 12,5%;
3. Uitvoering wordt gegeven aan motie 273
Reden bespreking
Gegenereerd: vl.28 1
VN2023-014098 % Gemeente Raadscommissie voor Financiën, Kunst en cultuur, Diversiteit F K D
i msterdam
Belastingen % en antidiscriminatiebeleid, Lucht-en zeehaven (incl. Schiphol),
Bedrijfsvoering, Inkoop, Personeel en organisatie, Dienstverlening,
Deelnemingen (excl. AEB en Schiphol), Deelnemingen (incl. AEB), Lokale
media, ICT en digitale stad, Evenementen
Voordracht voor de Commissie FKD van o2 november 2023
Ley advisering aan de raad
Uitkomsten extern advies
Nvt.
Geheimhouding
Nvt.
Uitgenodigde andere raadscommissies
Nvt.
Wordt hiermee een toezegging of motie afgedaan?
e Motie 237 van de leden Heinhuis, Ernsting en Rooderkerk inzake verhogen toeristenbelasting.
* _TA2023-000846 over dat bij de Begroting 2024 een voorstel gedaan wordt voor de
vormgeving en inrichting van de
toeristenbelasting.
Aan beide geeft het college invulling in de Begroting 2024 en de uitwerking daarvan in deze nieuwe
Verordening Toeristenbelasting 2024. Het college beschouwt zowel de motie als de toezegging
daarmee als afgedaan.
Welke stukken treft v aan?
Bijlage 1 besluit tot bekendmaking verordening toeristenbelasting
AD2023-073136
2024.docx (msw12)
AD2023-044362 Commissie FKD Voordracht (pdf)
AD2023-070170 | Gemeenteraad Voordracht.pdf (pdf) |
Ter Inzage
Registratienr. | Naam
Behandelend ambtenaar of indienend raadslid (naam, telefoonnummer en e-mailadres)
Belastingen, Abush Derks, abush.derks@&amsterdam.nl
Gegenereerd: vl.28 2
|
Voordracht
| 2
|
val
|
Geachte gemeenteraad, Ln
ik zal mij eerst even voorstellen: Ei
Mijn naam is! “_” geboren 19 september 1952 ie Amsterdam thans wonende aan El
5 : een a _…) :
In dienst als ambtenaar sinds 1 februari 1974 bij de gemeente Amsterdam. ig
Enkele dagen geleden heb ik een e-mail gestuurd aan wethouder Eric van der Burg it
betreffende de duivenoverlast in Amsterdam. Zoals u weet is de duivenoverlast in Amsterdam Lj
een zeer groot probleem. Ik ben al jaren bezig een poot aan de grond te krijgen binnen de EG
gemeente om de duivenoverlast op te lossen. En
Ik heb de stedelijke conferentie bijgewoond in 2001 „ik heb met diverse wethouders gesproken Dn
(o.a.Guido Frankfurther) stadsdelen gebeld en bezocht stadsdeelwoorzitters gesproken en Ed
demonstraties gehouden voor milieudiensten en hoofd sanitaire dienst van de GG en GD de EG
heer Gerard Zwart. ‘|
Ook heb ik van gedachten gewisseld met de onderzoeker van de GG en GD de heer Jan ;
Buis.Al deze activiteiten hebben voor mij niet tot het gewenste resultaat geleid. Lj
De toenmalige wethouder Hester Maij is een dag met mij op stap geweest in Amsterdam, wij
hebben o.a. de locatie rond de Bijenkorf parkeergarage bezocht waar destijds de duiventil Ee
stond en de middenstanders op de Nieuwendijk. Dit bezoek was mede voor haar aanleiding EO
ora met mij een project te starten binnen de gemeente om de duiven overlast beheersbaar te Et
maken. Helaas werd zij enige tijd later loco-burgemeester van Zandvoort en is het project Es
jammer genoeg stil komen te liggen. Ef
De Wethouder Van der Burg verzocht de heer Zwart van de GG en GD een afspraak met mij io
te maken, in de eerste instantie heb ik hier gehoor aan gegeven tot dat ik merkte dat het een
tweemans gesprek zou zijn.Ik liet de heer Zwart weten dat het gesprek niet door kon gaan TE
omdat de wethouder zelf er niet bij aanwezig zou zijn. De
Tevens heeft de GG en GD kennelijk een visie die de duivenoverlast niet oplost, dus heeft cen EO
gesprek met de heer Zwart voor mij geen meerwaarde, io
Als mijn informatie juist is begrijp ik dat de sanitaire dienst van de GG en GD geprivatiseerd
is, als dat zo is lijkt het mij vreemd dat de heer Zwart mij aan moet horen. Se
Het zou zelfs zo kunnen zijn dat er andere belangen mee gaan spelen en dat kan niet de
bedoeling van de gemeente zijn (inteariteit)
Waar het mij in de eerste instantie om gaat dat ik een uitvinding heb gedaan dat de duiven ij
onvruchtbaar maakt doer een extern hulpmiddel. Het middel moet nog verder doorontwikkeld EO
worden en het is diervriendelijk. De
Nadeel is dat de duivenoverlast dan nog vele jaren blijft bestaan, Verder heb ik Et
nog diverse opties om de duiven populaties beheersbaar te maken, diervriendelijke en ook wat LS
minder diervriendelijke. Deze opties wil ik nader toelichten, EO
Ik heb inmiddels bewezen dat ik de duivenoverlast in Amsterdam op kan lossen, stadsdeel ij ij
Osdorp had het lef om mij in te huren als duivenoverlast bestrijder. Vanaf de zomer 2001 had Di
ik het stadsdeel binnen enkele weken totaal onder controle wat betreft de overlast, de netten |
om de duiven te weren verdwenen massaal van de gevels en het overgrote deel van de Ld
bewoners warten zeer blij met mijn werkzaamheden.De kosten die men heeft bespaart aan ES
onderhoud gebouwen zal ook niet gering geweest zijn. Dt
Ik heb namelijk een duivenoverlast bestrijdings bedrijf opgericht in 2001 daar ik als ij |
hulpverlener binnen de gemeente Amsterdam veelvuldig met de ellende van duivenoverlast te it
maken had,temeer omdat ik sinds 1960 ervaring had opgedaan met duiven en het vangen EO
ervan.Ik durf mij dan ook best ervaringsdeskundige op dat gebied te noemen.
Wat betreft de telling van stadsduiven van de GGen GD in 2001 durf ik te beweren dat die | |
niet correct was, zij kwamen op £ 12000 duiven mijn inschatting is dat het toen + 50000
duiven waren. Et
Als de gemeente Amsterdam mij de duivenoverlast laat bestrijden zal ik ongeveer 4a | |
5 jaar nodig hebben om de populatie onder controle te krijgen.Naar mijn idee is het zeer EO
belangrijk dat de gemeente Amsterdam de populaties onder controle gaat krijgen voor het te it
laat is. DO
Wereldwijd gaan de stadsduiven overlast veroorzaken, Venetie is volgens mij nu koploper |
wat bestrijding betreft. Ik hoop dat Amsterdam de tweede wereldstad gaat worden die het Dt
probleem aan gaat pakken, De
Ik hoop dat u mij voor een gesprek uit gaat nodigen dan is de oplossing hopelijk nabij. |
Met vriendelijke groet, |
C = a
Bezoekadres Gemeente Amsterdam De
Stadhuis, Amstel 1 i
1011 PN AMSTERDAM Erie van der Burg mn
Postbus 202 wethouder Et
1000 AE AMSTERDAM Do
Telefoon 020 552 3200 Di
Fax 020 552 3670 1
Teksttetefoon 020 620 9270 Retouradres: BEW, Postbus 202, 1000 AE AMSTERDAM EO}
www amsterdam.nl
De heerd ES
Datum 28 oktober 2010 EO
Ons kenmerk
Behandeld door Jolanda Pothoven
Doorkiesnummer 020-555 5780 Dt
E-mail ipothoven@ggd.amsterdam.nl
Onderwerp uw brief inzake de duivenoverlast in Amsterdam Sj
Geachte heer
U heeft de gerneenteraad een brief gestuurd inzake de duivenoverlast in Amsterdam.
U geeft aan een uitvinding te hebben gedaan die duiven onvruchtbaar maakt door een ;
extern hulpmiddel. Het middel moet nog verder worden ontwikkeld en is
diervriendelijk. Verder heeft u diverse opties om de duivenpopulaties beheersbaar te EG
maken, diervriendelijke en ook wat minder diervriendelijke. U geeft aan deze opties in
een gesprek nader te willen toelichten. Dt
Goed te merken dat u zo actief meedenkt om de overlast van duiven beheersbaar te Ed
maken in Amsterdam. Dd
Dierplaagbeheersing wordt in de gemeente Amsterdam uitgevoerd door de afdeling Dt
Dierglaagbeheersing (DPB) van de GGD Amsterdam. De GGD is een gemeentelijke EO
dienst. Er is dus geen sprake van privatisering en ook niet van een sanitaire dienst. Dt
De GGD is in 2009 gestart met een nieuwe beleidslijn om bewust om te gaan met EO
knaagdieren, insecten en vogels. Deze visie is vastgelegd in de nota "Beleid en
aanpak van overlast van dieren in de openbare ruimte in Amsterdam: met gezond
verstand samenteven met dieren”,
De lijn in deze aanpak is dierplagen zoveel mogelijk te voorkomen en zo dier- en
milieuvriendelijk in te grijpen. Verschillende dierenwelzijnzorganisaties ondersteunen
deze omslag in het beleid, De nota dient eveneens als richtlijn voor de stadsdelen om
hun eigen dierenwelzijnsbeleid te voeren. :
Medio 2009 is de afdeling Dierplaagbeheersing gestopt met het vangen en laten
inslapen van vogels (voornamelijk duiven}. De insteek is nu gericht op
nestbeheer, wering en het inbrengen van goed voerbeleid in Amsterdam. Er is tevans
een protocol voor duiven opgesteld in de openbare ruimte en ook is er goed overleg |
met diverse dierenwelzijnsorganisaties. |
Het Stedhuis ie bereikbaar per melo an lam (lijnen 9 en 14, halte Waterlooplein
| |
28 oktober 2010 Gemeente Amsterdam ; |
Pagina 2 van 2 |
De GGD en in het bijzonder de afdeling Dierplaagbeheersing is uw gesprekspartner
voor wat betreft oplossingen om de duivenoverlast in Amsterdam terug te dringen. :
Voor een gesprek kunt u contact opnemen met rnevrouw lionka van Oord-Zomn, hoofd i
DPB, Haar gegevens zijn: maik izom@ggd. amsterdam.nl, telefcon: 020-5555603 of Ed
gsm: 06-30873336. EO
Zij is bevoegd te bezien in hoeverre uw bijdrage aan beheersing van duivenoverlast in St
Amsterdam past binnen de visie op beheersing van overlast van dieren, een visie die j
ik overigens van harte ondersteun. | é
Meer informatie over de werkzaamheden van de GGD/DPS en de nota kunt u ook
vinden op de website: hitp:/www. gezond amsterdam. nlAnfectieziekten— EO
nygine/Dierplaagbeheersing/ EO
Ik hoop dat hiermee uw vragen beantwoord zijn.
Een afschrift van deze brief zal aan de ieden van de Raadscommissie voor Onderwijs,
Zorg en Kunst verzonden worden. ii
Met vriendelijke groet,
Erie van der Burg :
Wethouder Zorg :
|
Raadsadres
| 4
|
train
|
Gemeente Amsterdam
% Gemeenteraad R
x% Gemeenteblad
% Schriftelijke vragen
Jaar 2016
Afdeling 1
Nummer 706
Datum akkoord 21 juni 2016
Publicatiedatum 22 juni 2016
Onderwerp
Beantwoording schriftelijke vragen van het lid N.T. Bakker van 27 januari 2016 inzake
de verkoop en functieverandering van het politiebureau Warmoesstraat.
Aan de gemeenteraad
Toelichting door vragensteller:
Op 23 januari 2016 presenteerde Het Parool de resultaten van een onderzoek naar
de verkoop van het voormalige politiebureau Warmoesstraat. Uit het onderzoek
bleek dat de kopers van het pand banden hadden met een aannemer, die op zijn
beurt weer banden had met een figuur uit de Amsterdamse onderwereld.
Deze onderwereldfiguur, veroordeeld voor onder meer drugshandel,” verbleef vier
jaar in één van de panden van de kopers van het voormalige politiebureau
Warmoesstraat.
Gezien het vorenstaande heeft het lid N.T. Bakker, namens de fractie van de SP,
op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam,
de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders
gesteld:
1. Was het college op de hoogte van de banden tussen de hulp van de
onderwereldfiguur en de kopers van het politiebureau Warmoesstraat?
Heeft het college over deze transactie een advies gegeven aan het Rijk,
de verkopende partij?
Antwoord:
In de vergadering van de Commissie Algemene Zaken d.d. 28 januari 2016 is u
een feitenrelaas toegezegd over de verkoopprocedure van het politiebureau
Warmoesstraat. Dit feitenrelaas is inmiddels aan u toegezonden en geeft inzicht
in de door u gestelde vragen.
Ter verduidelijking, vanuit de gemeente is tijdens het verkoopproces advies geven
aan de Nationale Politie en niet het Rijk. De Nationale Politie was de verkopende
partij.
' http://www.parool.nl/parool/nl/4024/AMST ERDAM-
CENTRUM/article/detail/4230618/2016/01/23/Politiebureaus-gekocht-door-eigenaren-
onderduikpand-Dino-Soerel.dhtml
2 http://www telegraaf.nl/binnenland/20128227/ 7 jaar cel voor Dino Soerel __.html
1
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam
Neeing Joe Gemeenteblad R
Datum 22 juni 2016 Schriftelijke vragen, woensdag 27 januari 2016
2. Wat vindt het college ervan dat deze twee vastgoedeigenaren contant huur
ontvingen van een pand via een tussenpersoon? Is het normaal dat deze
vastgoedheren een tweede hypotheek verstrekt hebben aan deze
tussenpersoon? Vindt het college dat deze kwesties blijk geven van integer
zakendoen”?
Antwoord:
De bouwaanvragen die zijn gedaan voor de panden aan de Rozengracht dateren
uit 2007. Op dat moment was de Bibob-beleidslijn voor bouwvergunningen nog
niet vastgesteld. Toetsing van aanvragen bouwvergunningen op grond van de
Wet Bibob vond dus nog niet plaats. Er is dus destijds ook niet nader gekeken
naar hypothecaire leningen die zijn verstrekt door de twee vastgoedeigenaren.
Gelet op voorgaande kan geen uitspraak worden gedaan over of deze kwesties al
dan niet blijk geven van integer zakendoen.
3. Zijn de banden met deze tussenpersoon met een onderduikend figuur uit
de onderwereld op enig moment aan de orde geweest in de screening voor
de kopers van het politiebureau Warmoesstraat?
4. Volgens Het Parool waren er meerdere gegadigden voor de koop van het pand.
Waarom is de keuze uiteindelijk op deze twee heren gevallen? Was dit In lijn met
het gemeentelijke advies?
Antwoord vragen 3 en 4:
Ook voor de antwoorden van vragen 3 en 4 is verwijzing naar voornoemde
feitenrelaas aan de orde. Het feitenrelaas geeft inzicht in de door u gestelde
vragen.
Ter aanvulling, de Nationale Politie heeft conform de selectiecriteria die
publiekelijk kenbaar waren gemaakt zelfstandig, zonder verdere inhoudelijke
betrokkenheid van de gemeente, de selectie verricht. Bij deze selectie speelden
de prijs, het voorgenomen bestemming/gebruik en de integriteit van de kandidaat
een rol.
Toelichting:
In het politiebureau is nu een souvenirwinkel gevestigd. Eerder schaarde de
gemeente souvenirwinkels in dit gebied nog onder het kopje ‘ongewenste
monocultuur’, één van de aanleidingen voor de gemeentelijke wallenaanpak.
5. Wat vindt het college ervan dat er nu een souvenirwinkel gevestigd is in het
voormalige politiebureau, gezien de gemeentelijke wallenaanpak om zulke
winkels in dit gebied juist tegen te gaan?
6. Heeft de gemeente meegewerkt aan het mogelijk maken van een souvenirwinkel
in het voormalige politiebureau? Zo ja, waarom en op welke manier?
Of andersom gesteld: heeft het college op enige manier iets gedaan om te
voorkomen dat er een souvenirwinkel gevestigd zou worden in dit pand?
Antwoord vragen 5 en 6:
Het College heeft navraag gedaan bij het stadsdeel Centrum over de invulling van
de bedrijfsruimte. Er was geen sprake van een uitbreiding van een souvenirwinkel
op dit adres. Het stadsdeel had met de ondernemer afgesproken dat er voor de
duur van vijf maanden een cadeauwinkel mocht worden geëxploiteerd in het
2
Jaar 2016 Gemeente Amsterdam R
Afdeling 1 Gemeenteblad
Demmer 2 juni 2016 Schriftelijke vragen, woensdag 27 januari 2016
pand. Het ging om een tijdelijke invulling van een cadeauwinkel uit de Damstraat
die tijdelijk moest verplaatsen in verband met funderingsherstel. Op grond van het
huidige bestemmingsplan is het verkopen van cadeauartikelen met een aandeel
van 25% souvenirartikelen toegestaan.
De toezichthouders van het stadsdeel hebben 28 januari 2016 geconstateerd dat
de exploitant de winkel grotendeels gevuld had met souvenirs. Vervolgens heeft
het stadsdeel de exploitant per brief d.d. 1 februari 2016 aangegeven dat er in
strijd met het bestemmingsplan werd gehandeld. De exploitant heeft per
9 februari 2016 de bedrijfsvoering beëindigd. Sindsdien vindt er geen exploitatie
plaats in de onderhavige bedrijfsruimte.
Toelichting door vragensteller:
Vlakbij voormalig bureau Warmoesstraat is het oude politiebureau in de Beursstraat.
Ook dit pand wordt afgestoten door de landelijke politie.
7. Kan het college toelichten op welke manier de gemeente invloed probeert uit te
oefenen op de verkoop van dit pand, met als doel dat het in handen komt van
een integere eigenaar en het toekomstig gebruik aansluit bij de doelen van
de gemeentelijke Wallenaanpak?
Antwoord:
De verkoop van het bureau Warmoesstraat en bureau Beursstraat vond
tegelijkertijd plaats en beide panden zijn door dezelfde koper gekocht. De
beantwoording van de vragen 1 t/m 4 geldt dus tevens voor bureau Beursstraat.
Mede onder invloed van aanbevelingen van de gemeente Amsterdam en de
Eenheid Amsterdam van politie zal de Nationale Politie een Bibob-screening tot
standaard onderdeel laten uitmaken van het verkoopproces van politiepanden in
Amsterdam.
Burgemeester en wethouders van Amsterdam
A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester
3
|
Schriftelijke Vraag
| 3
|
train
|
Beheer damherten
Amsterdamse
Waterleidingduinen
Rapportage 2016-2017
Inhoud
Samenvatting 3
1 Inleiding 4
2 _ Uitvoering beheer 6
21 _ Plaatsen hekken 7
2.2 Beheer binnen leefgebied 7
2.21 Actief beheer winter 2016-2017 7
2.2.2 Reactief beheer winter 2016-2017 8
22.3 Afzetgeschoten damherten 9
2.3 Beheer buiten het leefgebied 9
2.4 Afstemming binnen de regionale beheercommissie 10
3 Monitoring effecten van het beheer nl
3.1 Beheer binnen leefgebied 11
3.11 Populatieontwikkeling 11
3.1.2 Flora en fauna 1
3.2 Beheer buiten leefgebied 12
3.21 Verkeersveiligheid en overlast 12
3.2.2 Landbouwschade 13
3.3 Reacties uit de omgeving 14
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 2
Samenvatting
De groei van de populatie damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen en omgeving leidde meer dan 10 jaar
geleden tot een toename van het aantal aanrijdingen, schade aan de landbouw en overlast in de omgeving. Waternet
heeft toen hekken geplaatst en de provincies Noord- en Zuid-Holland hebben een zgn. nulstandbeleid buiten het
leefgebied van de damherten ingevoerd. Met het groeien van de populatie werd ook de schade aan de natuurwaar-
den in het gebied steeds zichtbaarder en de noodzaak om het aantal damherten te reduceren steeds groter. Begin
2016 hebben Gedeputeerde Staten van de provincies Noord- en Zuid-Holland ontheffing verleend om de damherten
in de Amsterdamse Waterleidingduinen actief te beheren. Waternet heeft in maart 2016 een start gemaakt met het
actief beheer. Conform de wens van de gemeenteraad heeft Waternet tevens met de vergunningverleners en hand-
havers van de provincie en de beheerder van de Oostvaardersplassen de kaders verkend waarbinnen het reactief
beheer kan worden toegepast binnen de AWD en hieraan uitvoering gegeven. Jaarlijks rapporteert Waternet over de
uitvoering en de effecten van het beheer in het afgelopen beheerjaar (1 april 2016 - 31 maart 2017). Deze rapportage
2016-2017 is de tweede (de eerste rapportage is behandeld in de vergadering van de commissie financiën op 7 juli
2016 en is te vinden op www.waternet.nl/awd). De hoofdpunten uit deze rapportage zijn:
* De damherten en reeën in de AWD en in de andere delen van het leefgebied zijn op 29 en 30 maart 2017 geteld.
De uitslag laat zien dat er in de AWD minimaal 3258 damherten en 4 reeën leven.
“Het actief beheer is van 1 november tot en met 81 maart uitgevoerd. Er zijn 1328 dieren geschoten.
*_114 damherten zijn vanwege slechte conditie geschoten. Daarbij is het protocol reactief beheer gehanteerd.
Ook zijn er 226 dieren dood gevonden. Dit zijn geen uitzonderlijke aantallen voor een populatie van deze
omvang in een winterperiode.
* De schade aan de natuurwaarden binnen de AWD is nog niet hersteld, omdat het aantal damherten nog
niet is teruggebracht tot een aantal dat in balans is met de overige natuurwaarden. Er is een uitgebreid
monitoringsprogramma opgezet.
*_De hekken in combinatie met het nulstandbeleid buiten leefgebied hebben geleid tot een verbetering van de
verkeersveiligheid in de directe omgeving van de AWD en afname van de meldingen van landbouwschade in de
hele regio. In Zandvoort veroorzaakt een groep herten nog regelmatig overlast.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 8
1 _ Inleiding
De damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en omgeving zijn al jarenlang onderwerp van ge-
sprek. In de afgelopen 12 jaar is de damhertenpopulatie bijna vertienvoudigd. Dit heeft tot een aantal problemen
geleid. In eerste instantie tot een toenemend aantal aanrijdingen en schade aan landbouw. Om dit tegen te gaan
zijn o.a. hekken geplaatst en is in 2011 overgegaan tot uitvoering van een zgn. nulstandbeleid buiten het leefge-
bied van de damherten. Met het groeien van de populatie werd ook de schade aan natuurwaarden steeds zicht-
baarder en de noodzaak om het aantal damherten te reduceren steeds groter.
In 2015 is het “Faunabeheerplan damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied 2016-2020” opgesteld
met daarin een onderbouwing van de noodzaak voor beheer van de damhertenpopulatie. Ook is voor dit plan
een verkenning uitgevoerd van eventuele alternatieven voor afschot. Op basis van dit Faunabeheerplan hebben
Gedeputeerde Staten van de provincies Noord- en Zuid Holland begin 2016 ontheffing verleend om de damherten-
populatie actief te beheren. In maart 2016 heeft Waternet een start gemaakt met het actief beheer. Hierover is
vorig jaar gerapporteerd.
Deze tweede rapportage gaat in op de uitvoering van het beheer in de AWD van 1 april 2016 tot en met 31 maart
2017 en de monitoring van de effecten van het beheer.
Stand van zaken juridische procedures
Ontheffing Flora- en faunawet
De provincies Noord- en Zuidholland hebben de ontheffing Flora- en faunawet (Ffwet) op 9 februari 2016 verleend.
De Faunabescherming, de Dierenbescherming en Stichting Herstel Inheems Duin hebben een beroepschrift ingediend.
De rechtbank Noord-Holland heeft de beroepen tegen de Noord Hollandse ontheffing op 80 augustus 2016 afge-
wezen. Daarop is hoger beroep aangetekend door de stichting Faunabescherming en de Dierenbescherming bij de
Raad van State (RvS). De datum van de behandeling is nog niet bekend.
De rechtbank Zuid-Holland heeft op 2/ december jl. de beroepen tegen de Zuid Hollandse ontheffing eveneens
afgewezen. Er is hoger beroep ingesteld door zowel de Faunabescherming als de Dierenbescherming. Ook de
Faunabeheereenheid' heeft hoger beroep ingesteld (omdat de grondslag verkeersveiligheid niet was gehonoreerd
door de rechtbank).
Het zou kunnen dat de Raad van State ervoor kiest om de hoger beroepen tegen de uitspraken van rechtbank
Noord- en Zuid-Holland gecombineerd te behandelen. Tegen de uitspraken van de Raad van State is niet opnieuw
beroep of cassatie mogelijk. De Afdeling bestuursrechtspraak hanteert als norm dat zij binnen veertig weken na
ontvangst van het hoger beroepschrift uitspraak doet, dat zou neerkomen op uiterlijk eind 2017.
1 De Wet Natuurbescherming kent de Faunabeheereenheid (FBE) een coördinerende rol toe bij het planmatig beheer van diersoorten
en de bestrijding van schade aangericht door dieren, met als doel tot afstemming van faunabeheer in aangrenzende gebieden te ko-
men. In het bestuur van de FBE in Noord-Holland worden de terrein beherende instanties vertegenwoordigd door Waterbedrijf PWN.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 4
Vergunning Natuurbeschermingswet
Op 9 februari 2016 heeft de provincie ook de vergunning Natuurbeschermingswet (Nb wet) verleend. Stichting De
Faunabescherming en Stichting Herstel Inheems Duin hebben bij de Raad van State een beroepschrift ingediend.
De Raad van State heeft op 18 januari 2017 de beroepen tegen de Natuurbeschermingswet afgewezen.
Overzicht procedures:
Ontheffing Ffwet
Voorlopige voorziening rechtbank NH: afgewezen d.d. 10 maart 2016
Beroep rechtbank NH: afgewezen d.d. 30 augustus 2016
Beroep rechtbank ZH: afgewezen d.d. 27 december 2016
Hoger beroep NH (bij RvS): in behandeling, zittingsdatum nog niet bepaald
Hoger beroep ZH (bij RvS): in behandeling, zittingsdatum nog niet bepaald (mogelijk behandeling
in combinatie met hoger beroep NH)
Vergunning Nb wet
Beroep bij RvS: afgewezen d.d. 18 januari 2017 (geen hoger beroep mogelijk)
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 5
2 Uitvoering beheer
In het door de provincies vastgestelde Faunabeheerplan damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied
2016-2020 is in kaart gebracht welke maatregelen er nodig zijn om de damherten in de regio tussen IJmuiden en
Den Haag te beheren. In het faunabeheerplan is onderscheid gemaakt in:
“een ‘leefgebied voor damherten’: het gaat hier om (voornamelijk) duingebied, waarin zich een
damhertenpopulatie kan en mag handhaven.
“een ‘nulstandsgebied': het gaat hier om (voornamelijk) agrarisch en bebouwd gebied waar het damhert
ongewenst is vanwege schadedreiging. In dit gebied is het streven een minimale stand (nulstand), net als in de
bufferzones (aan de randen van het leefgebied waar dieren het gebied verlaten).
j TK NS
Fi de ee
Ä 4E
f pe B
/ hr d we en
Mz Sid A
pf
óv À % PI
EEn
f rn pr A Kk) ee bid
KZ E Os: ee É
1 ' PI LE DES
Nl ZE
EA / .
/ A Nr) Ke 4 Pr Ad
EOL EP FLAME ie
WEST
te Afk 1 a
ek 4 zi AE ed fe AN
G4 ed __< | —— Leefgebied damhert 2015 ed
Ed „<A CJ Provincies (Bestuurijke Grenzen 2015) |< 3
É A [__| Amsterdamse Waterleidingduinen éé
8 se Nn Hb
Ligging plangebied en leefgebied
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 6
De in het plan voorgestelde beheermaatregelen zijn:
“Handhaven en eventueel aanpassen van bestaande wildroosters en hekken.
“Actief beheer: beheerafschot binnen het leefgebied ter regulering van de stand.
*__Reactief beheer: uit het lijden verlossen van zieke of gebrekkige dieren.
“Afschot in de bufferzones van het leefgebied en buiten het leefgebied
2.1 Plaatsen hekken
Waternet heeft het hekkenprogramma in 2013 afgerond. Vorig jaar heeft Waternet op verzoek van de gemeente
Zandvoort twee extra inspringvoorzieningen gemaakt. Dit zijn plekken waar damherten die buiten het leefgebied
lopen, het leefgebied weer in kunnen. Buiten de hekken vindt er een nulstandbeleid plaats (zie paragraaf 2.3).
2.2 Beheer binnen leefgebied
2.21 Actief beheer winter 2016-2017
Het actief beheer binnen het leefgebied heeft als doel om het aantal damherten te verminderen tot een aantal
dat in balans is met de overige natuurwaarden en waarbij de kans op schade en overlast gering is. Het streven is
een populatie van circa 1000 damherten voor de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en het Nationaal Park
Zuid-Kennemerland (NPZK) samen (AWD 800, NPZK 200), die ook in de toekomst goed zichtbaar blijft. Naast het
actief beheer gericht op het terugbrengen van de populatie zal het reactief beheer gericht op het voorkomen van
onnodig en uitzichtloos lijden uitgevoerd blijven worden.
Conform de ontheffing is van 1 november 2016 tot en met 31 maart 2017 het actief beheer uitgevoerd in de regio
Kennemerland. Waternet heeft 1328 dieren in de AWD geschoten. In het NPZK zijn 343 dieren geschoten. De FBE’s
leveren in de loop van het jaar een volledig overzicht van het afschot tussen IJmuiden en Noordwijk.
Veiligheid
De boswachters van Waternet voeren het beheer uit. Afschot vindt plaats in de wintermaanden (1 november tot
en met 31 maart), om de kalvertijd en de bronst niet te verstoren. De eerste jaren ligt de nadruk op vrouwelijke
dieren. Deze dieren bevinden zich over het algemeen wat meer in het centrum van het gebied. Om confrontatie
met bezoekers te vermijden vindt actief beheer niet plaats in de buurt van de ingangen en ligt de nadruk van het
actief beheer op de gebieden in het centrum (een deel daarvan is afgesloten voor het publiek). In het weekend en
in drukke vakantieperioden vindt er geen afschot plaats. De boswachters lossen alleen een schot als de veiligheid
absoluut gegarandeerd is. Ze werken daarom in tweetallen, een boswachter en een buddy. De buddy assisteert
vanwege veiligheid van het publiek en capaciteit bij de verwerking van geschoten dieren. De boswachters werken
met een geluiddemper, waardoor de knal minder hard is, wat minder verstoring geeft voor mens en dier.
Registratie
Elk geschoten dier krijgt een nummer (label), dat de FBE verstrekt, en wordt opgenomen in het fauna registratie
systeem van de FBE.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 7
2.2.2 Reactief beheer winter 2016-2017
Het reactief beheer heeft als doel onnodig en uitzichtloos lijden van de damherten te voorkomen. In 2015 heeft
Waternet voor de uitvoering van het reactief beheer een protocol opgesteld. Conform de wens van gemeenteraad
zijn met de vergunningverleners en handhavers van de provincie en de beheerder van de Oostvaardersplassen
de kaders verkend waarbinnen het reactief beheer in opgerekte vorm kan worden toegepast in de AWD. Waternet
heeft uitvoering gegeven aan dit beheer, zodat in een vroegtijdig stadium dieren waarvan mag worden verwacht
dat ze de winter niet overleven, uit het lijden worden verlost. Waternet blijft, naast beheer gericht op populatie-
reductie, inzetten op dit reactief beheer. Het weer in de afgelopen winter was normaal, in tegenstelling tot de
twee zeer zachte winters hiervoor.
Er zijn 114 dieren uit het lijden verlost. Ook zijn er 226 dieren dood gevonden. Dit is meer dan de jaren hiervoor,
maar normale aantallen voor de populatiegrootte in de AWD. De weersomstandigheden en de grootte van de
populatie verklaren de verschillen tussen de jaren. De nazomer en herfst van 2015 waren zeer groeizaam door een
combinatie van temperatuur en neerslag. Ook de winter 2015/2016 was extreem zacht. Vrijwel de hele winter was
er voedsel beschikbaar. Een flink toegenomen populatie ging de winter 2016/2017 in. Deze winter was ‘normaler’
met lagere temperaturen dan het jaar ervoor en veel minder groeizaam. Het voedselaanbod was beperkter. Ook
kende deze winter enkele koude en natte perioden met veel wind die de vetreserve sneller hebben doen afnemen.
Meer dieren dan voorgaande jaren kwamen in een slechte conditie en hebben de winter niet overleefd.
Bijna driekwart van de dode dieren waren kalveren. Dit is een algemeen verschijnsel. Kalveren investeren meer in
groei dan in vetvoorraad en komen daardoor als eerste in de problemen bij voedseltekorten. Ook bij de edelherten
in de Oostvaardersplassen wordt dit verschijnsel waargenomen.
mem reactief geschoten EN dood gevonden
4
00 20 22 13 174 5 37 13 226
350 6 12 7 23 15 16 11 114
300
250
200
150
100
50
0
winter winter winter winter winter winter winter winter
2009/10 2010/11 2011/12 2012/13 2013/14 2014/15 2015/16 2016/17
Aantallen reactief geschoten dieren en dood gevonden dieren in de AWD (2009-2017)
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 8
‘Onnodig en uitzichtloos lijden’ betekent dat dieren blootstaan aan omstandigheden die hun natuurlijk aanpas-
singsvermogen overschrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij ernstig voedseltekort, terwijl de vetreserves van
het dier op zijn, of door verwonding. De lichamelijke conditie is dan zodanig dat het dier niet op eigen kracht en
aanpassingsvermogen kan herstellen. Of een dier kan herstellen hangt niet alleen af van de lichamelijke conditie,
maar ook van het voedselaanbod en de verwachte weersomstandigheden.
Waternet monitort continu de werkbaarheid van het protocol en evalueert deze in samenspraak met de coördinator
faunabeheer, de dierenarts en de inspecteurs van de provincie. Om de controleerbaarheid achteraf mogelijk
te maken registreert Waternet ook elk reactief geschoten dier in het registratie systeem van de Faunabeheer-
eenheden. Het protocol is te lezen in het damhertendossier (www.waternet.nl\awd).
De inspectieronden door de boswachters en de dierenarts vinden plaats in de wintermaanden, waarbij zij geza-
menlijk het protocol toetsen. Deze werkwijze leidt tot een goed inzicht in de conditie van de damherten, waardoor
er tijdig en effectief opgetreden kan worden. Desondanks sterven er ook dieren op een natuurlijke wijze. Door de
uitgestrektheid van het terrein is er geen garantie dat de beheerders elk dier in verminderde conditie vinden.
2.2.3 Afzet geschoten damherten
Waternet heeft voor de verwerking van de damherten een contract afgesloten met een groothandel in wild en ge-
vogelte in Amsterdam. Deze verwerkt het vlees en zet dit voor een groot deel af in de horeca en bij enkele poeliers
in Amsterdam en in de omgeving rond de AWD. 20% is aan de voedselbank in Amsterdam geleverd. Het product is
herkenbaar als hertenvlees uit de AWD.
Van de 1828 geschoten dieren waren er 1279 voor consumptie geschikt en aan de groothandel geleverd. Zoals
besloten tijdens de raadsbehandeling op 11 september 2013 (Gemeenteblad, Afdeling 3A, nummer 182/668) is het
beheer uitgevoerd door professionals in dienst van Waternet. Ca. 2136 mensuren zijn hieraan besteed. Conform
de aangenomen motie Jager (725) is de uitvoering niet winst gedreven. De verkoop aan de groothandel heeft
€45.000,- opgebracht. Het saldo besteedde uren — opbrengst verkoop is negatief.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 9
2.3 Beheer buiten het leefgebied
Afschot buiten het leefgebied (onder regie van de FBE) en in de bufferzones heeft als doel om een nulstand te
handhaven buiten het leefgebied ten behoeve van de verkeersveiligheid en om schade en overlast te voorkomen.
Tot nu toe trekken alleen mannelijke dieren het leefgebied uit en worden geschoten.
mmm Noord Holland EN Zuid Holland
300
250
200
150
100
50
0
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Afschot buiten leefgebied in Noord Holland en afschot buiten leefgebied
en in de bufferzones in Zuid-Holland (tot en met 31 maart 2017)
2.4 Afstemming binnen de regionale beheercommissie
Er is een regionale beheercommissie ingesteld waaraan beheerders, provincies, FBE's, Wildbeheereenheid (zorgt
voor coördinatie van de uitvoering van het beheer in een regio) en politie deelnemen. De commissie begeleidt
de uitvoering van het beheer, de regionale telling en stelt de jaarlijkse uitvoeringsplannen vast. Zij monitoren de
voortgang van het beheer, de populatieontwikkeling en de schadeontwikkeling.
Voor de AWD is het streven om de damhertenpopulatie in de beheerperiode 2016-2020 geleidelijk terug te bren-
gen naar de streefstand van 800 damherten. Er kan aanleiding zijn om het beheer in de loop van het Faunabeheer-
plan aan te passen. In overleg met de beheercommissie zal Waternet de provincie vragen de voorwaarden waar-
binnen afschot mag plaatsvinden, indien nodig, aan te passen.
Bij de evaluatie van het beheer zal ook een verkenning plaatsvinden van de mogelijkheid voor verwijdering van het
hek op de natuurbrug tussen de AWD en het NPZK. Waternet heeft, nu het actief beheer tot stand is gekomen, het
openstellen van het ecoduct aan de orde gesteld in het gezamenlijk beheeroverleg. De natuurbrug tussen de AWD
en het Nationaal park is de eerste van drie natuurbruggen in de duinen van Zuid-Kennemerland. Begin 2018 wordt
de laatste opgeleverd. De gezamenlijke beheerders in NPZK en AWD onderzoeken of het moment van oplevering
geschikt is om het hek te verwijderen.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 10
3 Monitoring effecten van het beheer
3.1 Beheer binnen leefgebied
3.1.1 Populatieontwikkeling
In de AWD vinden sinds 1990 tellingen plaats van de damherten. Dit gebeurt volgens de landelijk vastgestelde
methode, ontwikkeld in overleg met Alterra. Omdat de gehanteerde telmethode in al die jaren dezelfde is geweest,
geeft de trend een betrouwbaar beeld van de ontwikkeling van de populatie. De populatie groeide tot en met 2016
met gemiddeld 20% per jaar en er was nog geen zicht op stabilisatie. Dit jaar is de eerste telling na een volledig
beheerseizoen (van november tot en met maart). De groei is tot staan gebracht en de populatieomvang is ruim
16% teruggebracht.
Op dit moment leven er in de AWD minimaal 8253 damherten. Meer dan driekwart van de populatie bestaat uit
hinden en kalveren. Dit kan worden verklaard doordat met een toenemende competitie vooral de overlevingskans
van mannelijke dieren afneemt. Dit wordt nog versterkt doordat mannelijke dieren het leefgebied verlaten en in de
bufferzones of buiten het leefgebied geschoten worden (zie ook paragraaf 2.3).
Het ree is inmiddels vrijwel verdwenen uit de AWD. Er zijn er slechts 4 geteld in 2017, terwijl er midden jaren negen-
tig ca. 250 dieren aanwezig waren.
men damhert mn ee
4500
4000
3500
3000
2500
2000
1500
1000
500
0 ï 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
O5 YS LOLLY TEL OSS OENE LOR
S2SSSSSESERSEREEESRRERRREER
Populatieontwikkeling damhert en ree (1996-2017)
3.1.2 Flora en fauna
In 2015 hebben diverse landelijke kennisinstellingen de effecten van de damherten op de biodiversiteit onder-
zocht (Floron, De Vlinderstichting, EIS (Europian Invertebrate Survey) Nederland, Zoogdiervereniging en Unie van
Bosgroepen). Daarbij is vooral een vergelijking gemaakt tussen de AWD en het naastgelegen (en vergelijkbare)
Nationaal Park Zuid Kennemerland waar een veel kleinere populatie damherten leeft. De onderzoeken tonen aan
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 11
dat de hoge graasdruk van damherten in de AWD negatieve effecten heeft op de biodiversiteit van het gebied. Zie
het damhertendossier www.waternet.nl\awd voor alle onderzoeksgegevens die tot nu toe verzameld zijn.
Samengevat komt het erop neer dat:
* Ereen negatieve invloed is op vooral bloemplanten, daarbij gaat het niet alleen om zeldzame planten, maar ook
om algemene soorten die cruciaal zijn als waard- of nectarplant voor insecten;
“De struik- en jonge boomlaag in duinbossen zwaar lijdt onder de vraat van damherten;
“De Europese Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen onder druk staan. Dit uit zich met name in de
‘duingraslanden’ en in de ‘duinbossen’. Dit zijn de Natura 2000 habitattypen H2180 ‘Grijze duinen’ en
habitattype H2180 ‘Duinbossen’. Voor allebei geldt in het gebied een opgave voor uitbreiding (oppervlakte) en
verbetering (kwaliteit). Vooral de kwaliteit van deze typen staat onder druk;
* De effectiviteit van met Europese subsidie genomen herstelmaatregelen door de damherten dreigt teniet
worden gedaan.
Met het voorgenomen beheer blijft het aantal damherten de komende jaren nog hoog. Pas eind 2020/begin 2021
jaar zal de streefstand (800 damherten) bereikt kunnen zijn. Herstel zal naar verwachting tijd kosten en niet me-
teen aantoonbaar zijn. De monitoring bestaat uit de volgende elementen:
* Reguliere monitoring in het kader van (nationale) Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en het Natura 2000
beheerplan Kennemerland Zuid wordt voortgezet.
*_In 2020 wordt het onderzoek uit 2015 herhaald. Daarvoor zijn monitoringsprogramma’s uitgezet in
samenwerking met de landelijke kennisinstellingen.
“Waternet blijft zelf onderzoeken uitvoeren naar de effecten van damherten; rapporten zijn te vinden in het
damhertendossier.
*_Monitoring/onderzoek is in gang gezet naar dagvlinders, vogels (o.a. nachtegalen), bosbeheer gericht op
herstel. Ook worden planteninventarisaties nader geanalyseerd.
3.2 Beheer buiten leefgebied
3.21 Verkeersveiligheid en overlast
Uit de evaluatiegegevens van de tot nu toe uitgevoerde maatregelen blijkt dat de damhertkerende rasters, in com-
binatie met het nulstandbeleid buiten het leefgebied, hebben geleid tot een verbetering van de verkeersveiligheid
in de directe omgeving van de AWD. Het aantal aanrijdingen in de hele regio is echter nog wel substantieel. Het
grootste aantal aanrijdingen vindt plaats rondom het Nationaal Park Zuid-Kennemerland.
Inde gemeente Zandvoort veroorzaakt een grote groep herten, die regelmatig de AWD verlaten, overlast.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 12
mmm Noord Holland EN Zuid Holland
60
50
30
30
20
10
0
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Aanrijdingen in Noord- en Zuid-Holland over de periode 2010-2017 (tot en met 31 maart)
3.2.2 Landbouwschade
De damhertkerende rasters in combinatie met het nulstandbeleid buiten het leefgebied hebben ook tot een
vermindering van de gemelde landbouwschade geleid. Uit de schadecijfers van het Faunafonds blijkt dat agrari-
sche bedrijven sinds 2011 geen noemenswaardige (bedrijfsmatige) schade hebben gemeld. In Noord-Holland
is na een piek in 2012 de schade sterk gedaald. In 2015, 2016 en 2017 is er in beide provincies geen landbouw-
schade gemeld.
mmm Noord Holland EN Zuid Holland
140.000
OO
OO
|
|
Oe
5 | OO
0
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Landbouwschade in Noord- en Zuid-Holland over de periode 2010 - 2017
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 13
3.3 Reacties uit de omgeving
Waternet monitort de berichtgeving op sociale media. Op de Facebook pagina van Waternet zelf (facebook.com/
amsterdamsewaterleidingduinen en facebook.com/waternet) zijn regelmatig vragen of opmerkingen geplaatst
over het beheer van de damherten. Er zijn een paar initiatieven van tegenstanders van actief beheer op Face-
book/social media gesignaleerd om discussie te voeren over de uitvoering van het beheer. Er is één protestactie
georganiseerd door Animal Rights, de Faunabescherming en PiepVandaag op zondag 15 januari jl. tegen het af-
schot van damherten in de AWD. De actie vond plaats buiten het duin in Zandvoort, er waren 3 sprekers en ca. 100
aanwezigen.
Na de uitspraken van de rechter en de Raad van State hebben de landelijke en regionale media aandacht besteed
aan de damherten in de AWD op televisie, radio en in dagbladen. Bij de start van het actief beheer in november zijn
enkele journalisten mee geweest, evenals bij de laatste telling.
Bezoekers in het duin stellen vragen over het actief beheer aan de boswachters en bij het bezoekerscentrum. Er
zijn ook regelmatig vragen over de verkoop van vlees en geweien.
De groepen herten die regelmatig in Zandvoort lopen halen regelmatig het nieuws. Ze veroorzaken overlast in het
dorp. Een (kleine) groep mensen is ook bezorgd en wil voorkomen dat deze groepen herten wordt afgeschoten. In
april 2017 is een burgerinitiatief is ingediend bij de gemeente Zandvoort waarin gevraagd wordt 600 meter extra
hek te plaatsen. De gemeente gaat dit idee verder onderzoeken en heeft daarover contact met Waternet. Over het
beheer langs de randen van Zandvoort houdt Waternet contact met de gemeente Zandvoort en vraagt de gemeen-
te de communicatie hierover met haar bewoners te onderhouden. Waternet stemt het beheer in de gebieden nabij
de bebouwde kom van Zandvoort ook af met de beheerders van het NPZK (PWN, NM, SBB). Gezamenlijk wordt de
vinger aan de pols gehouden en vindt overleg plaats over de beste aanpak.
Het beheer buiten het leefgebied wordt al langere tijd uitgevoerd en heeft niet tot overmatige aandacht in de
media of social media geleid.
Beheer damherten Amsterdamse Waterleidingduinen | 14
|
Onderzoeksrapport
| 14
|
train
|
x Gemeente Amsterdam R
Gemeenteraad
x% Gemeenteblad
% Motie
Jaar 2015
Afdeling 1
Nummer 1323
Publicatiedatum 4 december 2015
Ingekomen onder w
Ingekomen op woensdag 25 november 2015
Behandeld op woensdag 25 november 2015
Status Aangenomen
Onderwerp
Motie van het lid Duijndam inzake de Hoofdlijnen Kunst en Cultuur 2017-2020
(de kunstliefhebber aan het woord).
Aan de gemeenteraad
Ondergetekende heeft de eer voor te stellen:
De raad,
Gehoord de discussie over de Hoofdlijnen Kunst en Cultuur 2017-2020
(Gemeenteblad afd. 1, nr. 1269).
Constaterende dat:
— het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) in het kader van het Kunstenplan
2017-2020 een budget van 30 miljoen euro gaat verdelen over de diverse
soorten subsidieaanvragen van kunstinstellingen.
Overwegende dat:
— er al wel veel specialistische kennis uit de kunstensector in de adviserende
commissies van het AFK zit;
— het kunstpubliek nog niet vertegenwoordigd is in deze commissies;
— het daarom een goede aanvulling op de specialistische kennis zou zijn als ook
consumenten van kunst vertegenwoordigd zijn in de adviescommissies en
kunnen meebeslissen over de toekenning van de kunstsubsidies van het AFK.
Verzoekt het college van burgemeester en wethouders:
minimaal twee Amsterdammers als zelfstandig kunstliefhebber te (laten) benoemen in
de adviescommissies van het AFK.
Het lid van de gemeenteraad
P.J.M. Duijndam
1
|
Motie
| 1
|
discard
|
Subsets and Splits
No community queries yet
The top public SQL queries from the community will appear here once available.