Source
stringclasses
9 values
Original ID
stringlengths
1
9
Acceptability
int64
0
1
Original annotation
stringclasses
5 values
Sentence
stringlengths
4
152
Material added
int64
0
1
SoD-Adp
1.406b
1
null
Jan belaadde de wagen met hooi.
0
SoD-Adp
1.407a
1
null
Jan bedekte de tafel met een kleed.
0
SoD-Adp
1.407b
1
null
Jan overtrok de stoel met katoen.
0
SoD-Adp
1.407c
1
null
De vijand omsingelde de stad met kanonnen.
0
SoD-Adp
1.408a
1
null
Jan vulde de tank met water.
0
SoD-Adp
1.408b
1
null
Jan stopte water in de tank.
0
SoD-Adp
1.409a
1
null
Jan speelt altijd met veel lawaai.
0
SoD-Adp
1.409b'
1
null
Het breekijzer waar Jan de kist mee opende is kapot.
1
SoD-Adp
1.409c
1
null
Jan speelde met zijn vriendje.
0
SoD-Adp
1.409c'
1
null
Het vriendje waar Jan mee speelde is ziek.
1
SoD-Adp
1.409d
1
null
Jan laadt de wagen met hooi.
0
SoD-Adp
1.409d'
1
null
Het hooi waar Jan de wagen mee laadt is nat.
1
SoD-Adp
1.410a
0
*
Jan bijt bij Marie.
0
SoD-Adp
1.410a
1
null
Jan bijt bij Marie in de nek.
0
SoD-Adp
1.410b
1
null
Jan bijt in Maries nek.
0
SoD-Adp
1.410c
1
null
Jan bijt Marie in de nek.
0
SoD-Adp
1.411a
1
null
Het boek van Jan is af.
1
SoD-Adp
1.411b
1
null
Het dansen van de kinderen is leuk.
1
SoD-Adp
1.411c
1
null
Het opeten van de taart is gelukt.
1
SoD-Adp
1.411d
1
null
Het eten van de pinda's door de kinderen is gelukt.
1
SoD-Adp
1.412a
1
null
Hij rilt van de kou.
0
SoD-Adp
1.413a
1
null
Jan zoekt naar een mooi boek.
0
SoD-Adp
1.413c
1
null
Wij zijn trots op zijn kinderen.
1
SoD-Adp
1.414a
1
null
Marie is even intelligent als hij.
0
SoD-Adp
1.414a'
1
null
Marie is intelligenter dan hij.
0
SoD-Adp
1.414b'
1
null
Ik vind Marie intelligenter dan hem.
0
SoD-Adp
1.415a
1
null
Ik beschouw hem als intelligent.
0
SoD-Adp
1.415b
1
null
Als student woonde hij in Amsterdam.
0
SoD-Adp
1.416a
1
null
Alle studenten zijn aanwezig behalve hij.
0
SoD-Adp
1.416b
1
null
Ik heb alle studenten gezien behalve hem.
0
SoD-Adp
1.416b
0
*
Ik heb alle studenten gezien behalve hij.
0
SoD-Adp
1.417a
1
null
Alle studenten zijn aanwezig uitgezonderd hij.
0
SoD-Adp
1.417a
0
*
Alle studenten zijn aanwezig uitgezonderd hem.
0
SoD-Adp
1.417a'
1
null
Alle studenten zijn aanwezig met uitzondering van hem.
0
SoD-Adp
1.417a'
0
*
Alle studenten zijn aanwezig met uitzondering van hij.
0
SoD-Adp
1.417b
1
null
Ik heb alle studenten gezien uitgezonderd hem.
0
SoD-Adp
1.417b'
1
null
Ik heb alle studenten gezien met uitzondering van hem.
0
SoD-Adp
1.417b'
0
*
Ik heb alle studenten gezien met uitzondering van hij.
0
SoD-Adp
1.418a
1
null
Ze verkopen hier van die lekkere broodjes.
0
SoD-Adp
1.418b
1
null
Er worden hier van die lekkere broodjes verkocht.
0
SoD-Adp
1.419a
1
null
Ze hebben daar van die lekkere limonade.
0
SoD-Adp
1.419b
1
null
Ze hebben daar van dat lekkere bier.
0
SoD-Adp
2.1a
1
null
Jan werkt op het kantoor.
0
SoD-Adp
2.1a'
1
null
Jan werkt op kantoor.
0
SoD-Adp
2.1b
1
null
Jan zit op dit moment op het kantoor.
0
SoD-Adp
2.1b'
1
null
Jan zit op dit moment op kantoor.
0
SoD-Adp
2.2a
1
null
Jan werkt op het nieuwe kantoor.
0
SoD-Adp
2.2a'
0
*
Jan werkt op nieuwe kantoor.
0
SoD-Adp
2.2b
1
null
Jan zit op dit moment op het nieuwe kantoor.
0
SoD-Adp
2.2b'
0
*
Jan zit op dit moment op nieuwe kantoor.
0
SoD-Adp
2.3a
1
null
Zij brengt hem in verwarring.
0
SoD-Adp
2.3a
1
null
Zij brengt hem in totale verwarring.
0
SoD-Adp
2.3b
1
null
Zij bracht hem in verlegenheid.
0
SoD-Adp
2.3b
1
null
Zij bracht hem in grote verlegenheid.
0
SoD-Adp
2.4a
1
null
Jan woont buiten de stad.
0
SoD-Adp
2.4c
0
*
Jan is binnen de vreugde.
0
SoD-Adp
2.4c
0
*
Jan is buiten de vreugde.
0
SoD-Adp
2.5a
1
null
Jan ligt in bed.
0
SoD-Adp
2.5c
1
null
Deze tram rijdt richting het centrum.
0
SoD-Adp
2.5a'
1
null
Jan is op school.
0
SoD-Adp
2.5b'
1
null
Jan komt vroeg terug van school.
0
SoD-Adp
2.5d
1
null
Jan komt na school even langs.
0
SoD-Adp
2.6b'
1
null
Jan zit al jaren op dit kantoor.
0
SoD-Adp
2.7a
0
*
Jan zit op universiteit.
0
SoD-Adp
2.7b
1
null
Jan zit op de universiteit.
0
SoD-Adp
2.7b
1
null
Jan zit hier op de universiteit.
0
SoD-Adp
2.8a
1
null
Jan zit op schoot.
0
SoD-Adp
2.8a
0
*
Jan zit op de schoot.
0
SoD-Adp
2.8b
1
null
Jan ligt al in bed.
0
SoD-Adp
2.8c
1
null
De sleutels liggen op tafel.
0
SoD-Adp
2.8c
1
null
De sleutels liggen op de tafel.
0
SoD-Adp
2.9b
1
null
Marie zit op school.
0
SoD-Adp
2.9c
1
null
Het boek ligt op tafel.
0
SoD-Adp
2.9d
1
null
Jan zit op zijn schoot.
0
SoD-Adp
2.9e
1
null
Jan ligt in het ziekenhuis.
0
SoD-Adp
2.9f
1
null
Marie zit in de gevangenis.
0
SoD-Adp
2.9h
1
null
Jan reist met de dageraad.
1
SoD-Adp
2.9j
1
null
Jan reist in de herfst.
1
SoD-Adp
2.10a
1
null
Jan reist per trein.
1
SoD-Adp
2.10a
0
*
Jan reist per de trein.
1
SoD-Adp
2.10a
1
null
Jan reist per bus.
1
SoD-Adp
2.10a
0
*
Jan reist per de bus.
1
SoD-Adp
2.10a
1
null
Jan reist per auto.
1
SoD-Adp
2.10a
0
*
Jan reist per de auto.
1
SoD-Adp
2.10b
1
null
Jan bekijkt het per minuut.
1
SoD-Adp
2.10b
0
*
Jan bekijkt het per de minuut.
1
SoD-Adp
2.10b
1
null
Jan bekijkt het per uur.
1
SoD-Adp
2.10b
1
null
Jan bekijkt het per dag.
1
SoD-Adp
2.12a
1
null
Jan reed van Utrecht naar Groningen.
0
SoD-Adp
2.12b
1
null
Marie liep van de kast naar de deur.
0
SoD-Adp
2.13a
1
null
Hij pakt het van boven de kast.
1
SoD-Adp
2.13a
1
null
Hij pakt het van boven de kast vandaan.
1
SoD-Adp
2.13a
1
null
Hij pakt het van onder de kast.
1
SoD-Adp
2.13a
1
null
Hij pakt het van onder de kast vandaan.
1
SoD-Adp
2.13b
1
null
Hij loopt van voor het huis.
1
SoD-Adp
2.13b
1
null
Hij loopt van voor het huis vandaan.
1
SoD-Adp
2.13b
1
null
Hij loopt van achter het huis.
1
SoD-Adp
2.13b
1
null
Hij loopt van achter het huis vandaan.
1
SoD-Adp
2.13c
1
null
Hij komt van naast het huis.
1
SoD-Adp
2.13d
1
null
Hij komt van links van het huis.
1