sentence1
stringlengths
0
100k
sentence2
stringlengths
0
100k
score
float64
0
5
Man zittend op een bankje drinken uit een mok omringd door tapijten.
A man is sitting on one of two red benches and staring into a kiosk.
2.2
Een man eet popcorn tijdens het kijken naar tekenfilms op een avond laat.
A man and a girl are watching cartoons at home
2.8
Drie mannen zitten op een bank.
two men sit on a bench.
3.2
De weg is lang.
There is nothing on the side of the road.
0.8
Een kleine blonde jongen glijdt met zijn hoofd over een blauwe speeltuin naar een andere blonde jeugd.
A young boy with his hair standing up, is sliding down a blue slide
2
De vier vrouwen oefenen voor een aankomende wedstrijd.
The women are in a play
1.2
een jonge man met een wit t-shirt en groene en zwarte korte broek die op een boomstronk staat.
A man wearing a white shirt and red and black shorts is running on the sidewalk.
1.8
man op trappen
A man sits on steps.
4
Een hond onder de trap
A dog is resting on the stairs.
2.2
Er is een jong meisje.
There is a young boy with the woman.
1
Twee vrouwen geven een demonstratie op een Renaissance-beurs.
Two people are doing a demonstration at a renaissance fair.
4.2
Een vrouw schildert een afbeelding van een groot gebouw dat op de achtergrond te zien is.
A person paints a picture of a large building which can be seen in the background.
4.2
Een man zit op een bank televisie te kijken.
A guy is sitting on the couch watching TV
5
Een vrouw poseert voor een kerstkaart.
A girl is taking a photo.
1.2
Twee kinderen spelen een spelletje tafelvoetbal.
The kids are playing a game with each other.
3.4
De man staat in een verlaten veld.
The man is outside in the field.
4
Een kleine jongen drinkt uit een pakje sap.
A boy is drinking from a juice packet.
4.8
Een man heeft zijn ski's klaar voor het veld om bevroren te worden
A man on a boat getting ready to pull in his net to see what he caught.
0.4
De fietser doet gevaarlijke stunts.
A biker is doing stunts.
4.4
Een muzikant smeert jam op zijn witte gitaar tijdens een concert.
Trombonist playing the her instrument in a band for a parade.
0.4
Een man werkt op zijn boerderij.
An old guy is working on his farm and a cow kicks him.
2.8
Een paar jonge jongens in t-shirts verstoppen zich in het bos met één die verbijsterd kijkt.
Two smiling little girls playing in a fountain with other people.
0
Een groep mensen voetballen op een voetbalveld voor een menigte.
A group of men playing soccer in a stadium full of people.
3
Een man geniet van het kijken naar drie Aziatische kinderen die dansen.
A man is watching three asian kids dance.
4.6
Een meisje praat met haar vader op een mobiel.
a girl is talking on her phone.
4.4
Eén persoon hanteert een paraplu.
One person is holding an umbrella.
4.4
Een vrouw loopt langs de kant van een snelweg.
A man is standing on one feet on a bridge.
0.4
Een groep tieners die springen en plezier hebben.
A group of kids having a good time.
3.6
Een man die op een zonnige dag op het vliegveld een taxi oproept.
A man is outside on a July day.
1.4
Een man speelt zijn gitaar in Joe's Cafe.
The man is playing the drums for his mom.
1.2
Een jonge jongen heeft een rode hengel.
A young boy stands over a bridge with a fishing pole.
3
Een speler stuitert een bal.
A player catching a ball.
1.6
Er ligt iemand op een deken.
The person is making a blanket.
1.4
Mannen die deelnemen aan een wedstrijd.
Two women compete in a contest.
2.4
De puppy is buiten.
A man in printed board shorts is doing a yoga pose on the beach.
0
De man heeft een oranje shirt.
The woman has a orange shirt.
3.4
De twee kinderen kijken naar de producten die in de metrowinkel worden verkocht.
The kids are stealing from a store.
0.8
De babyjongen wil zijn moeder.
A baby boy is happy to see his mother.
2.8
Een jong meisje in een roze jas speelt een bordspel.
A boy in a jacket playing.
1.6
Een glimlachend Kaukasisch mannetje dat een blauw en zwart gestreept overhemd draagt ​​het ongeveer om een ​​foto te nemen.
A man in a white shirt and black pants is smiling.
1.6
Een persoon beklimt een rotswand.
A person and a horse are above a fence.
0.2
Een jongen staat heel dicht bij een meisje.
A girl is close to a boy whose face is not shown.
3.2
Twee mannen spelen samen een spelletje Scrabble.
The two women are playing a game.
2.2
Zes kinderen maken een kamer schoon.
Two male children cleaning up leaves in a parking lot.
1.6
Het meisje is zeer bekwaam en oefent veel.
The man is very skilled.
2
Veel bewakers staan ​​voor de startlijn van een race.
Two men in business dress are standing by the side of a road.
0.4
Er is een kok die voedsel aan het bereiden is.
A cook is making food.
5
Twee mannen helpen een jongen.
Two men are with a young child.
3.6
Een man op een boerenmarkt.
A man is at a farmers market.
4.8
vier mensen lopen naar een toren
Two men walk toward a dome-shaped building.
2
Een klein meisje en een jongen lezen boeken.
An older child is playing with a doll while gazing out the window.
0.2
Het kind wil graag zwemmen.
The children want to swim.
3.8
Twee skimensen doen aan langlaufen.
People skiing cross country.
3.6
Een hond die een kak op straat neemt.
A man making balloon animals for two children on a street corner.
0.4
Mannen vechten na een basketbalspel.
The men are playing a game of basketball.
2.2
Een kind praat in de klas.
A girl is going to class.
1.8
De vrouwen proberen iets aan het individu te verkopen.
The men are trying to make some money.
1.2
Mensen wachten op het vuurwerk.
Three people are waiting for the rain to stop.
1.2
Een hond treft voorbereidingen om drie schapen met hoorns te hoeden.
A dog and sheep run together.
2.2
Mensen zitten rond slecht verlichte tafels terwijl ze glimlachen en lachen.
People are sitting on benches.
2
Een hond jaagt op koeien.
A white dog is chasing cows.
4
Een voetballer probeert een speler in het andere team aan te pakken.
A football player attempts a tackle.
4.6
Drie mannen drogen om een ​​Subaru uit een greppel langs een bergweg te trekken.
Two men are waiting for a ride on the side of a dirt road.
1.4
Een vrouw heeft haar armen niet omhoog omdat ze vanaf haar nek verlamd is
A woman is sitting on the steps because she tripped and hurt her ankle.
0.8
Mensen verzamelden zich in een kamer.
People gathered together in a room.
5
De vrouw in overall schildert een foto voor haar muur.
A woman is painting her wall white.
2.6
Het toevoegen van aspirine aan het water kan de plant doden.
Men are trying to remove oil from a body of water.
0
Vijf kinderen staan ​​voor een tent.
People are out sitting in front of a garden.
0.6
Vrouw in een kastanjebruin shirt bezig met gesprek met een ander vrouwtje in een bruine blazer.
A girl in a blue dress and another girl in a purple dress, both smiling.
1.2
Honkbalspelers die een spel spelen in het park.
A basketball player, playing in the home coming game.
1.6
Ze bereiden zich voor op een optreden op school.
Two medical professionals in green look on at something.
0
De vrouw draagt ​​geel.
The woman is wearing red.
2.8
Sommige glimlachende kinderen staan ​​voor een oceaanzonsondergang.
People walking in the dark.
0.6
Een man doet een stunt op zijn fiets.
A man is doing a wheelie on his motorcycle.
3.2
Tien mensen rijden op ATV's.
4 people are riding bikes
1.6
Twee vissers proberen op een bewolkte dag hun grote visnet aan de kant van de weg te ontwarren.
Several men pull a fishing net up on to the beach.
3
Een gele gevestigde persoon doet wegwerkzaamheden.
A person is doing very well on their skateboard.
0.2
De vrouw had bruin haar.
The woman has gray hair.
2.4
Zwart-wit beeld van een golf die neerstort in de oceaan.
a small black dog in the ocean with some rocks in the background
0.6
Een dame en haar dochter kijken door een microscoop.
A girl and a lady both looking through a microscope.
4.6
Twee arbeiders zitten naast pijpen die lunch eten
The construction workers are sitting down to eat lunch.
3.8
Een jongen doet een skateboardtruc op de trappen in de binnenstad.
a boy is running on the sidewalk
0.6
Een groep mensen die in de woestijn wonen
A group of people in the middle of the desert.
4
Twee kinderen zwemmen.
Six kids are going swimming.
2.8
Drie mensen laten een hond uit.
Three people are walking a dog.
4.8
Er zijn mensen op straat.
People are out on the street.
5
mensen krijgen hun vuile kleren schoongemaakt
People are getting their clothes cleaned.
5
Twee vrouwen zijn verloren en roepen om hulp.
Two Asian men are gathering materials for their business and their child had to come with them.
0.2
Een man gooit een cent in een fontein.
A little boy is throwing a man in water.
0.6
De kinderen houden muziekinstrumenten vast.
A group of children are singing and playing instruments
3.4
Twee meisjes spelen dokter in hun huis.
The two girls are walking with their father.
0.8
Een menigte mannen met papieren nummers op hun shirts rennen in een race.
Several men running down a grass field wearing numbers on the front of their shirts.
3.6
Een groep mensen draagt ​​politie-uniformen die een arrestatie leiden.
A group of police officers are wearing protection.
2.8
De vruchten moeten met citroensap worden gegeten om oxidatie in je maag te voorkomen.
three dogs growling On one another
0
Een arts schrijft medicijnen aan een patiënt voor.
A doctor prescribes a medicine.
4.4
Een vrouw is in de badkamer.
The woman is in a bathroom.
4.6
Toeschouwers die foto's maken van een rallyauto.
A crowd of people watching cars race down the track.
2.8
De man en vrouw rusten op een bank.
A man and woman are asleep on the couch.
4
de man is van plan om een ​​bruiloft te maken
the woman is going to a wedding.
1.4
De jongen in de groene trui speelt keeper in het voetbalteam.
The team in blue is playing a game against the team in white
1