Source
stringclasses
9 values
Original ID
stringlengths
1
9
Acceptability
int64
0
1
Original annotation
stringclasses
5 values
Sentence
stringlengths
4
152
Material added
int64
0
1
SoD-Noun2
5.484b
1
null
Wat heeft hij er voor een?
0
SoD-Noun2
5.486a
1
null
Wie het eerst klaar is, is de winnaar.
0
SoD-Noun2
5.486b
1
null
Wat je me nu vertelt, wist ik niet.
0
SoD-Noun2
5.487b
1
null
Een aardige jongen, dat is Piet niet.
0
SoD-Noun2
5.487b'
1
null
Aardige jongens, dat zijn Jan en Piet niet.
0
SoD-Noun2
5.488b
1
null
Één dezer dagen zal het gebeuren.
1
SoD-Noun2
5.488c
1
null
Ik zal het in dier voege doen.
1
SoD-Noun2
5.488d
1
null
Met dien verstande dat we morgen weggaan.
1
SoD-Noun2
5.490a
1
null
Marie zei dat zij ziek was.
0
SoD-Noun2
5.490a
0
*
Marie zei dat die ziek was.
0
SoD-Noun2
5.490a
0
*
Marie zei dat het meisje ziek was.
0
SoD-Noun2
5.490b
1
null
Jan vertelde Marie dat zij ontslagen zou worden.
0
SoD-Noun2
5.490b
0
*
Jan vertelde Marie dat het meisje ontslagen zou worden.
0
SoD-Noun2
5.491a
1
null
Heb je Marie nog gesproken?
0
SoD-Noun2
5.491b'
1
null
Nee, ik heb 'r niet meer gezien.
0
SoD-Noun2
5.492a
1
null
Jan ontmoette Els en hij vertelde haar dat Peter ziek is.
1
SoD-Noun2
5.492a
0
*
Jan ontmoette Els en die vertelde haar dat Peter ziek is.
1
SoD-Noun2
5.492b
1
null
Jan ontmoette Els en ze vertelde hem dat Peter ziek is.
1
SoD-Noun2
5.492b
1
null
Jan ontmoette Els en die vertelde hem dat Peter ziek is.
1
SoD-Noun2
5.493a
1
null
Ik zat in de klas.
0
SoD-Noun2
5.493b
1
null
Plotseling kwam de leraar binnen en die zei dat we weg mochten.
1
SoD-Noun2
5.493b'
1
null
De leraar was nog steeds kwaad en hij zei dat we straf kregen.
1
SoD-Noun2
5.494a
1
null
Jan ontmoette haar en ze vertelde hem dat het boek nog te koop was.
1
SoD-Noun2
5.494b
1
null
Plotseling kwam hij binnen en hij zei dat er brand was in het bos.
1
SoD-Noun2
5.495b
1
null
Jan ontmoette Els gisteren en ze vertelde hem dat Peter verliefd was.
1
SoD-Noun2
5.496b
0
*
Plotseling zag ik de auto van Peter en die zei dat er een ongeluk gebeurd was.
1
SoD-Noun2
5.498a
1
null
Marie, die ken ik niet.
0
SoD-Noun2
5.498a
0
*?
Marie, haar ken ik niet.
0
SoD-Noun2
5.499a
1
null
Jan, die is aardig.
0
SoD-Noun2
5.499a
0
*
Jan, dat is aardig.
0
SoD-Noun2
5.499a'
0
*
Jan, die is een aardige jongen.
0
SoD-Noun2
5.499b
1
null
Jan en Piet, die zijn aardig.
0
SoD-Noun2
5.499b
0
*
Jan en Piet, dat zijn aardig.
0
SoD-Noun2
5.499b'
1
null
Jan en Piet, dat zijn aardige jongens.
0
SoD-Noun2
5.499b'
0
*
Jan en Piet, die zijn aardige jongens.
0
SoD-Noun2
5.500a
1
null
Dat is een aardige jongen.
0
SoD-Noun2
5.500a
0
*
Die is een aardige jongen.
0
SoD-Noun2
5.500b
1
null
Dat zijn aardige jongens.
0
SoD-Noun2
5.501a
0
*
Jan, die vind ik een aardige jongen.
0
SoD-Noun2
5.501a'
1
null
Dat vind ik een aardige jongen.
0
SoD-Noun2
5.501a'
0
*
Die vind ik een aardige jongen.
0
SoD-Noun2
5.501b
0
*
Jan en Piet, die vind ik aardige jongens.
0
SoD-Noun2
5.501b'
1
null
Dat vind ik aardige jongens.
0
SoD-Noun2
5.501b'
0
*
Die vind ik aardige jongens.
0
SoD-Noun2
5.502a
0
*
Een aardige jongen, die is Jan.
0
SoD-Noun2
5.502a'
1
null
Een aardige jongen, dat vind ik Jan niet.
0
SoD-Noun2
5.502b
1
null
Aardige jongens, dat zijn Jan en Peter.
0
SoD-Noun2
5.502b
0
*
Aardige jongens, die zijn Jan en Peter.
0
SoD-Noun2
5.502b'
1
null
Aardige jongens, dat vind ik Jan en Peter niet.
0
SoD-Noun2
5.503a
1
null
Aardig, dat is Jan.
0
SoD-Noun2
5.503a
0
*
Aardig, die is Jan.
0
SoD-Noun2
5.503b
1
null
Aardig, dat zijn Jan en Peter.
0
SoD-Noun2
5.503b
0
*
Aardig, die zijn Jan en Peter.
0
SoD-Verb1
2.379b
0
*
Er werd zijn studenten betrokken bij de workshop.
0
SoD-Verb1
2.379b
0
*
Er werd hun betrokken bij de workshop.
0
SoD-Verb1
2.385
0
*
Hij wist dat Jan tegen inbraak het huis beveiligde.
1
SoD-Verb1
2.390c
0
*
Hij vertelde dat Peter op deze feiten de nieuwe theorie baseerde.
1
SoD-Verb1
2.393b
0
*
Jan trouwt morgen samen met Marie.
0
SoD-Verb1
2.402a
0
*
Dit komt erop aan dat we snel een beslissing nemen.
0
SoD-Verb1
2.402b
0
*
Jan heeft dat ernaar gemaakt dat hij ontslagen is.
0
SoD-Verb1
2.402b'
0
*
Jan heeft dat gemunt op zijn broertje.
0
SoD-Verb1
2.404c
0
??
Dat boek kost duur.
0
SoD-Verb1
2.408a
0
*
Drie uur wordt geduurd.
0
SoD-Verb1
2.408b
0
*
Zestig kilo wordt door Jan gewogen.
0
SoD-Verb1
2.408b
0
*
Zestig kilo wordt gewogen.
0
SoD-Verb1
2.408c
0
*
Vijftig euro wordt gekost.
0
SoD-Verb1
2.409b
0
*
Ik vind dat Jan weegt zwaar.
1
SoD-Verb1
2.409c
0
*
Ik vind dat dat boek kost duur.
1
SoD-Verb1
2.411b
0
*
We verblijven erg mooi.
0
SoD-Verb1
2.411c
0
*
Marie verblijft al jaren erg mooi.
0
SoD-Verb1
2.415a
0
*
Jan is bezorgd op de regering over luchtverontreiniging.
0
SoD-Verb1
2.415b
0
*
Jan is verliefd op Marie over haar ogen.
0
SoD-Verb1
2.430b
0
*
De mensen hunkeren.
0
SoD-Verb1
2.430b
0
*
De mensen smachten.
0
SoD-Verb1
2.432a
0
*
Jan walgt dat Marie altijd in haar neus peutert.
0
SoD-Verb1
2.434a
0
*
Dat zijn treurders om grote verliezen.
1
SoD-Verb1
2.434b
0
*
Dat zijn smachters naar vrede.
1
SoD-Verb1
2.437b
0
*
Jan wil verlangen naar vrede.
0
SoD-Verb1
2.437b'
0
*
Jan verlangt opzettelijk naar vrede.
0
SoD-Verb1
2.441a'
0
*
Jan hoogacht Peter.
0
SoD-Verb1
2.441b'
0
*
Jan acht Peter min.
0
SoD-Verb1
2.444a
0
??
Hij is een hater van vrouwen.
1
SoD-Verb1
2.444b
0
??
Hij is een bewonderaar.
1
SoD-Verb1
2.444c
0
*
Hij is een waardeerder van sport.
1
SoD-Verb1
2.444c
0
*
Hij is een sportwaardeerder.
1
SoD-Verb1
2.445a
0
*
Peter laat Jan zijn leraar haten.
0
SoD-Verb1
2.445b
0
*
Els laat Jan dat televisieprogramma waarderen.
0
SoD-Verb1
2.446a'
0
*
Jan haat zijn leraar met opzet.
0
SoD-Verb1
2.446a'
0
*
Jan haat zijn leraar opzettelijk.
0
SoD-Verb1
2.446b'
0
*
Jan waardeert dat televisieprogramma met opzet.
0
SoD-Verb1
2.448a
0
*
Peter heeft geschrokken.
0
SoD-Verb1
2.448c
0
*
Er werd geschrokken door de man.
0
SoD-Verb1
2.448c
0
*
Er werd geschrokken.
0
SoD-Verb1
2.448d
0
*
Hij is een schrikker.
1
SoD-Verb1
2.449b
0
*
Zijn boze vriend kalmeerde door Jan.
0
SoD-Verb1
2.449c
0
*
Peter schrok door Jan.
0
SoD-Verb1
2.450a
0
*
Jan montert helemaal op Marie.
0
SoD-Verb1
2.450c
0
*
Jan kikkert helemaal op van Peter.
0
SoD-Verb1
2.451a
0
*
Peter wil schrikken.
0
SoD-Verb1
2.451c
0
*
Schrik!
0