Source
stringclasses
9 values
Original ID
stringlengths
1
9
Acceptability
int64
0
1
Original annotation
stringclasses
5 values
Sentence
stringlengths
4
152
Material added
int64
0
1
SoD-Noun2
5.384d
1
null
Ik waarschuwde de meisjes voor elkaar.
0
SoD-Noun2
5.385a
1
null
Jan vergist zich.
0
SoD-Noun2
5.385b
1
null
Jan schaamt zich.
0
SoD-Noun2
5.385b
0
*
Jan schaamt Marie.
0
SoD-Noun2
5.386a
1
null
Marie bekeek zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.386a
0
*
Marie bekeek zich.
0
SoD-Noun2
5.386a
0
*
Marie bekeek haar.
0
SoD-Noun2
5.386b
1
null
Jan gaf zichzelf graag cadeautjes.
0
SoD-Noun2
5.387b
1
null
Jan houdt de honden bij zich.
0
SoD-Noun2
5.387b
0
*
Jan houdt de honden bij zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.388a
1
null
De hond legde de botten naast elkaar.
0
SoD-Noun2
5.388a
0
*
De hond legde de botten naast zich.
0
SoD-Noun2
5.388b
1
null
De hond legde het bot naast zich.
0
SoD-Noun2
5.388b
0
*
De hond legde het bot naast 'm.
0
SoD-Noun2
5.388b
0
*
De hond legde het bot naast zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.388c
1
null
Ik legde het bot naast 'm.
0
SoD-Noun2
5.388c
0
*
Ik legde het bot naast zich.
0
SoD-Noun2
5.388c
0
*
Ik legde het bot naast zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.388c'
1
null
De hond zag dat ik het bot naast 'm legde.
0
SoD-Noun2
5.388c'
0
*
De hond zag dat ik het bot naast zich legde.
0
SoD-Noun2
5.388c'
0
*
De hond zag dat ik het bot naast zichzelf legde.
0
SoD-Noun2
5.390a
1
null
Kees acht Jan verliefd op zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.390a
0
*
Kees acht Jan verliefd op zich.
0
SoD-Noun2
5.390a'
1
null
Kees acht Jan verliefd op hem.
0
SoD-Noun2
5.390b
1
null
Kees vindt Jan een probleem voor zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.390b
0
*
Kees vindt Jan een probleem voor zich.
0
SoD-Noun2
5.392
1
null
Kees zag Peter op zichzelf schieten.
0
SoD-Noun2
5.392
1
null
Kees zag Peter op zich schieten.
0
SoD-Noun2
5.392
1
null
Kees zag Peter op 'm schieten.
0
SoD-Noun2
5.393a
0
*
Kees hoorde mij zich roepen.
0
SoD-Noun2
5.393a
1
null
Kees hoorde hem roepen.
0
SoD-Noun2
5.393a
1
null
Kees hoorde zich roepen.
0
SoD-Noun2
5.393b
1
null
Kees liet mij hem een klap geven.
0
SoD-Noun2
5.393b
0
*
Kees liet mij zich een klap geven.
0
SoD-Noun2
5.393b
1
null
Kees liet hem een klap geven.
0
SoD-Noun2
5.393b
1
null
Kees liet zich een klap geven.
0
SoD-Noun2
5.395a
1
null
Zij wierpen zich voor de trein.
0
SoD-Noun2
5.395a
1
null
Zij wierpen elkaar voor de trein.
0
SoD-Noun2
5.395b
1
null
Kees acht zich verliefd op Jan.
0
SoD-Noun2
5.395c
1
null
Zij vindt zich een bekwaam taalkundige.
0
SoD-Noun2
5.395c
1
null
Zij vindt zichzelf een bekwaam taalkundige.
0
SoD-Noun2
5.395d
1
null
Zij zagen zich nog niet vertrekken.
0
SoD-Noun2
5.395d
1
null
Zij zagen elkaar nog niet vertrekken.
0
SoD-Noun2
5.396a
1
null
Hij schreeuwt zich schor.
0
SoD-Noun2
5.396a
0
*
Hij schreeuwt zichzelf schor.
0
SoD-Noun2
5.396b
1
null
Hij drinkt zich zat.
0
SoD-Noun2
5.396b
0
*
Hij drinkt zichzelf zat.
0
SoD-Noun2
5.396b
1
null
Hij drinkt zich een delirium.
0
SoD-Noun2
5.396b
0
*
Hij drinkt zichzelf een delirium.
0
SoD-Noun2
5.397
0
*
Jan gaf zich een boek.
0
SoD-Noun2
5.398a
1
null
Hij zette Peter een hoed op het hoofd.
0
SoD-Noun2
5.398a
1
null
Hij zette zich een hoed op het hoofd.
0
SoD-Noun2
5.398b
1
null
Hij zette een hoed op Peters hoofd.
0
SoD-Noun2
5.398b
1
null
Hij zette een hoed op zijn hoofd.
0
SoD-Noun2
5.399a
1
null
Hij schonk Peter een borrel in.
0
SoD-Noun2
5.399a
1
null
Hij schonk zich een borrel in.
0
SoD-Noun2
5.399b
1
null
Jan verschafte Peter een alibi.
0
SoD-Noun2
5.399b
1
null
Jan verschafte zich een alibi.
0
SoD-Noun2
5.400a
1
null
Zij bekeken een foto van zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.400a
0
*
Zij bekeken een foto van elkaar.
0
SoD-Noun2
5.400a
0
*
Zij bekeken een foto van ze.
0
SoD-Noun2
5.400b
1
null
Zij bekeken hun foto van zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.400b
0
*
Zij bekeken hun foto van elkaar.
0
SoD-Noun2
5.400b
0
*
Zij bekeken hun foto van zich.
0
SoD-Noun2
5.400b
0
*
Zij bekeken hun foto van ze.
0
SoD-Noun2
5.400c
1
null
Zij bekeken mijn foto van ze.
0
SoD-Noun2
5.400c
0
*
Zij bekeken mijn foto van elkaar.
0
SoD-Noun2
5.401b
1
null
Jan en Marie keken voor zich.
0
SoD-Noun2
5.401b
0
*
Jan en Marie keken voor elkaar.
0
SoD-Noun2
5.401b
1
null
Jan en Marie keken achter zich.
0
SoD-Noun2
5.401b
0
*
Jan en Marie keken achter ze.
0
SoD-Noun2
5.401b
0
*
Jan en Marie keken achter zichzelf.
0
SoD-Noun2
5.403b
1
null
Je gezondheid is het belangrijkste.
0
SoD-Noun2
5.403b
1
null
Jouw gezondheid is het belangrijkste.
0
SoD-Noun2
5.404a
1
null
Peter ziet de fiets van Jan.
0
SoD-Noun2
5.404b
1
null
Peter ziet de riem van Bruno.
0
SoD-Noun2
5.404c
1
null
Peter ziet het dak van het huis.
0
SoD-Noun2
5.404d
1
null
Peter ziet de motor van de auto.
0
SoD-Noun2
5.404a'
1
null
Peter ziet zijn fiets.
0
SoD-Noun2
5.404b'
1
null
Peter ziet zijn riem.
0
SoD-Noun2
5.405b'
0
*
Peter ziet de riem ervan.
0
SoD-Noun2
5.405c'
1
null
Peter ziet het dak ervan.
0
SoD-Noun2
5.405d'
1
null
Peter ziet de motor ervan.
0
SoD-Noun2
5.406a
1
null
Deze auto heeft problemen met zijn motor.
0
SoD-Noun2
5.406b
1
null
De auto staat in de garage. De motor moet nagekeken worden.
0
SoD-Noun2
5.407b
0
*?
Dit probleem is ingewikkeld. Zijn oplossing kost veel tijd.
0
SoD-Noun2
5.408a
1
null
Wiens boek is dit?
0
SoD-Noun2
5.408b
1
null
Wier boek is dit?
0
SoD-Noun2
5.409a
1
null
Op wiens initiatief wordt dit reisje georganiseerd?
0
SoD-Noun2
5.409a
1
null
Op wier initiatief wordt dit reisje georganiseerd?
0
SoD-Noun2
5.409b
1
null
Op het initiatief van wie wordt dit reisje georganiseerd?
0
SoD-Noun2
5.410a
1
null
Ik zie de man wiens vrouw ik gisteren heb ontmoet.
0
SoD-Noun2
5.410b
1
null
Ik zie de vrouw wier man ik gisteren heb ontmoet.
0
SoD-Noun2
5.411b
1
null
Dat is iemands recht.
0
SoD-Noun2
5.411c
1
null
Dat is niemands recht.
0
SoD-Noun2
5.411a'
1
null
Dat is het recht van iedereen.
0
SoD-Noun2
5.411b'
1
null
Dat is het recht van iemand.
0
SoD-Noun2
5.411c'
1
null
Dat is het recht van niemand.
0
SoD-Noun2
5.412b
1
null
Jan bewondert zijn broer.
0
SoD-Noun2
5.413b
1
null
Jan weet dat ik zijn broer bewonder.
0