sentence1
large_stringlengths
3
297
sentence2
large_stringlengths
3
315
similarity_score
float32
0
5
lang
large_stringclasses
10 values
Een groep mensen is aan het dansen.
Vrouwen dansen buiten.
3
nl
Een man speelt gitaar.
Een jongen praat met een reuzenhond.
0
nl
Een vrouw verwisselt groenten.
Een vrouw voegt ingrediënten toe aan een koekenpan.
1.6
nl
Een vrouw giet een mengsel in een kom en mengt het.
Een vrouw bereidt een ei voor in een koekenpan.
1.25
nl
Een man snijdt stukken boter in een mengkom.
In de standmixer worden stukjes boter toegevoegd.
3.6
nl
Een man legt knoflook op wat sneetjes brood.
Een man besprenkelt verschillende gespleten en beboterde broden.
2
nl
De pandabeer lag op de boomstammen.
Er ligt een panda.
3.6
nl
Vijf mannen springen in een zwembad.
Een groep zwemmers valt in een zwembad.
2.8
nl
Een jachtluipaard loopt achter zijn prooi aan.
Een jachtluipaard jaagt op een prooi over een veld.
4.4
nl
Een kat speelt op de vloer.
Een man is knoflook aan het snijden.
0
nl
Een jongen speelt viool op het podium.
Iemand mengt een pot.
0
nl
Een hond blaft naar een stuk speelgoed.
Het hondje blafte naar het elektronische speelgoed.
3.75
nl
Een man is aan het fietsen.
Een jongen rijdt op een fiets.
2.5
nl
Een vrouw is gember aan het snijden.
Iemand houdt twee baby-vrachtwagens vast.
0
nl
Een man sleept een dood hert mee.
Een man springt in het water van een klif.
0.8
nl
Een man maakt een slang klaar om te koken.
De man laat gesneden komkommers in het water vallen.
1
nl
Een vrouw strooit mosterd op een broodje.
Een kitten speelt met de vinger van een vrouw.
0
nl
Iemand raakte het kitten aan een touwtje aan.
Iemand is papier aan het snijden.
0.25
nl
Vlees wordt in een koekenpan gedaan.
Een vrouw stopt een baby in een vuilnisbak.
0.4
nl
Een babyolifant eet een klein boompje.
Een klein meisje dat met een scooter rijdt.
0
nl
Een vrouw en een man dansen in de regen.
Een man en een vrouw dansen in de regen.
5
nl
Iemand is aan het tekenen.
Iemand is aan het dansen.
0.3
nl
Een man speelt gitaar.
Een vrouw speelt gitaar.
2.75
nl
Twee mannen vechten in een ring.
Twee mannen vuistgevechten in een ring.
5
nl
Een persoon veegt boter op een dienblad.
Iemand botert een dienblad.
4.25
nl
Twee mannen spelen voetbal.
Twee mannen zijn aan het voetballen.
3.4
nl
De man speelt gitaar.
Het meisje speelt gitaar.
1.6
nl
Een man is een aardappel aan het schillen.
Een man is een aardappel aan het snijden.
2.6
nl
Een vrouw steekt een aardappel met een vork.
Een vrouw prikt een aardappel met een vork.
5
nl
Een kind wordt wakker.
Een meisje wordt wakker.
3.2
nl
Een jongen speelt een toetsenbord.
Een kleine jongen speelt een keyboard.
4.8
nl
Een vrouw speelt fluit.
Een vrouw speelt fluit.
5
nl
Een vrouw speelt op een elektrische gitaar.
Een man speelt op een akoestische gitaar.
2.4
nl
Een man speelt fluit.
Een man speelt gitaar.
2
nl
Een groep mensen veegt water uit een huis.
Mensen vegen water uit een huis.
5
nl
Een man bespeelt een gitaar.
Een man speelt gitaar.
5
nl
Een man en een vrouw kussen elkaar.
Een man en een vrouw knuffelen en kussen elkaar.
3.4
nl
Een vrouw beklimt een klif.
Een vrouw beklimt een rotswand.
4.5
nl
Een ijsbeer rent naar een groep walrussen.
Een ijsbeer zit achter een groep walrussen aan.
4.2
nl
Een vrouw snijdt wat vis.
Een vrouw snijdt tofu.
2.2
nl
Iemand speelt piano.
Iemand speelt gitaar.
2.4
nl
Een man giet een roni in een pan.
Een man goot ric-a-roni in een pan.
3.8
nl
Een man breekt houten planken met zijn hand.
Een man breekt tegels met zijn handen.
2.5
nl
Een meisje speelt gitaar.
Een meisje speelt piano.
2
nl
Een man is aan het bidden.
Een man is aan het dansen.
0.75
nl
Een man speelt piano.
Een man speelt viool.
2
nl
Een vrouw is een ui aan het snijden.
Een vrouw snijdt citroenen.
2.2
nl
Een man rijdt op een paard bij een beekje.
Een man rijdt op een paard.
4
nl
Een man speelt gitaar.
Een man speelt gitaar en zingt.
3.2
nl
Een man is een boom aan het oppakken.
Een man draagt een boom.
3.8
nl
Iemand is een aardappel aan het schillen.
De man is een aardappel aan het schillen.
3.75
nl
Iemand speelt piano.
Iemand is een aardappel aan het snijden.
0.5
nl
Een man is aan het spugen.
Een man praat.
0.8
nl
Een man speelt een muzikaal keyboard.
Een man speelt op een klavierpiano.
5
nl
Een man is aan het dansen.
Een man denkt.
1.2
nl
Een man speelt een trompet.
Een man speelt trompet.
5
nl
Een vrouw rijdt op een paard.
Een man rijdt op een paard.
2.8
nl
Er speelt een band op het podium.
Een vrouw danst op een podium.
1.2
nl
Een vrouw speelt gitaar en zingt.
Een vrouw speelt gitaar.
3.2
nl
De man is aan het eten.
Een man eet voedsel.
4.6
nl
Een kleine jongen slaat een golfbal.
Het jongetje zwaaide naar de golfbal.
4
nl
Een man doet zijn zonnebril af.
Een jongen doet zijn zonnebril af.
3.8
nl
Iemand leest een e-mail.
Een man leest zijn e-mail.
3.4
nl
Iemand is uien aan het snijden.
Iemand is een ui aan het snijden.
4.6
nl
Er komt een meisje aan met een auto.
Een meisje springt bovenop een auto.
2.6
nl
Een man is aan het drummen.
Een man speelt op zijn gitaar.
1.8
nl
Iemand is een ui aan het snijden.
Iemand draagt een vis.
0.75
nl
Een vrouw snijdt wat geschilde aardappelen in dikke repen.
Een vrouw snijdt een geschilde aardappel in schijfjes.
4
nl
Een klein meisje dat met een scooter rijdt.
Een meisje rijdt op een scooter.
2.75
nl
Een kat maakt zichzelf schoon.
Een kat likt zichzelf.
3.8
nl
Een man schopt een voetbal.
Een man doet trucjes met een voetbal.
2.6
nl
Een vrouw opent een raam.
Een vrouw kijkt uit een raam.
2
nl
Drie mannen doen dezelfde dans op straat.
Drie hemdloze mannen dansen op straat.
3.8
nl
De man speelt gitaar.
De man is een aardappel aan het schillen.
0.583
nl
Een man is aan het dansen.
Een vrouw is aan het sporten.
0.4
nl
Een vrouw is aan het sporten.
Een man is aan het dansen.
0.25
nl
Een jongen speelt viool op het podium.
Een jongen bespeelt een instrument.
2.8
nl
De vrouw meet de andere vrouw.
De dame heeft de enkel van de andere vrouw gemeten.
3.2
nl
Een man is aan het oefenen.
Een man schiet met een geweer.
0.5
nl
Een hond speelt met een stuk speelgoed.
Een hond eet een pop op.
2.25
nl
Een man speelt piano.
Een kerel is een aardappel aan het schillen.
0
nl
Een man is aan het bowlen.
Er loopt een poesje.
0
nl
Een vrouw danst bij een vuur.
Een vrouw snijdt een tomaat.
0.308
nl
Een man maakt een bed op.
Een man spreekt tot een publiek.
0.75
nl
Iemand rijdt op een motor.
Iemand is een ui aan het hakken.
0.4
nl
Een man giet rijst in een pot.
Een man doet rijst in een bowlingpot.
4.2
nl
Iemand snijdt wat knoflook.
Iemand snijdt met een mes een teentje knoflook in blokjes.
3.75
nl
Een vrouw is gember aan het snijden.
Een vrouw is aardappelen aan het snijden.
1.6
nl
Mannen spelen voetbal.
Twee teams spelen voetbal.
3
nl
Iemand is een courgette aan het schrobben.
Een vrouw schrobt een courgette met een groenteborstel.
4
nl
Een panda beer kauwt op een stokje.
Een baby panda speelt met een stok.
3
nl
De mensen zijn tassen aan het optillen.
Verschillende mensen dragen grote tassen.
3.75
nl
Er is een man aan de telefoon.
Een man loopt op de maan over een winkel.
0.4
nl
Een vrouw is haar haar aan het vlechten.
Een man rijdt op een motor.
0
nl
De man gooit messen naar een boom.
Een man gooit messen in een dichtbijgelegen doelwit buiten.
3
nl
De vrouw is tofu aan het snijden.
De vrouw doet lippenstift op.
0.4
nl
Een vrouw is papier aan het vouwen.
Een vrouw brengt oogschaduw aan.
0.4
nl
Iemand is een stuk papier aan het vouwen.
Iemand snijdt een klein stukje gember.
0.25
nl
Een man is aan het gewichtheffen.
Een man is bezig met het hakken van een aubergine.
0.25
nl
Een man speelt een cello.
Een man tilt snel kleine gewichten op.
0.4
nl