sentence1
large_stringlengths
3
297
sentence2
large_stringlengths
3
315
similarity_score
float32
0
5
lang
large_stringclasses
10 values
Een jongere die diep in gedachten verzonken is.
Een jongeman diep in gedachten.
4.6
nl
Een man is aan het bevallen.
Een man treedt vandaag op.
2.8
nl
Twee mannen in traditionele kleding staan buiten.
Drie vrouwen die zwarte vesten en grijze shirts dragen, praten buiten een gebouw.
2
nl
een man met een grijze hoed die uit een vissersboot vist.
Een man met een strooien hoed en een visvest in een beekje.
2.6
nl
Een klein meisje in een oranje gestreepte outfit is in de lucht terwijl ze op een bed stuitert.
Een hond in een rood shirt jaagt een eekhoorn door het glas.
0.2
nl
Iemand kijkt hoe mensen de heuvel af skiën.
De vrouw springt op grote afstand terwijl de mensen toekijken.
1.4
nl
De tuin heeft een hond.
De hond loopt achter een andere hond aan.
1.6
nl
Drie vrouwen koken.
Twee vrouwen die koken.
3.2
nl
De vrouw knielt naast een kat.
Een meisje staat naast een man.
0.2
nl
Drie kerels die een pro-actief potje basketbal spelen.
twee kerels die een potje honkbal spelen.
2.4
nl
De jongens verdienen hun volgende riem in karate.
Vijf meisjes en een jongen zitten in hun zwempak, allemaal in het midden van het springen in het zwembad.
0.2
nl
Een vrouw graaft in het zand.
Een man is begraven in het zand.
1.4
nl
Een vrouw rijdt in een golfkarretje.
Een man die op een karretje rijdt.
1.8
nl
Een persoon die de buitenlucht filmt.
Er is een paar buiten.
1.6
nl
Een mens die op een skateboard rijdt.
Een kind rijdt op een skateboard.
3.8
nl
Een vrouw in een geruite outfit kijkt door een zak met producten.
Dit is de foto van een vrouw in een bloemrijke jurk, met iets in een emmer.
1
nl
De tennisser sloeg de bal de ruimte in en brak de doodsster.
Een vrouwelijke tennisser springt de lucht in om de bal te raken.
1.2
nl
Een jongen beklimt een bosheuvel.
Een jongen beklimt een heuvel.
4
nl
Blonde jongen die op het dek springt.
Een jongen die van een natte opblaasbare glijbaan springt.
2
nl
Een man gebruikt een kettingzaag om een fallisch ijssculptuur te beeldhouwen.
Een man gebruikt een kettingzaag om een houten beeld te snijden.
2.6
nl
Een groep mannelijke bouwvakkers repareren spoorrails op een bewolkte dag
Een ploeg van arbeiders die op een spoorlijn werken.
3.8
nl
Het meisje heeft iets op haar hoofd.
De vrouw heeft iets bij zich.
2.6
nl
Mensen maken een structuur van kaarten.
Twee mensen zijn samen en één gebruikt een kledingstuk op een andere manier dan bedoeld.
0.2
nl
Er zijn vier mensen buiten.
Er staan vijf mensen buiten.
3
nl
Meisjes houden hun handen vast in blauwe kleren
De jongeren dragen een spijkerbroek met hun rode en groene overhemden.
1.8
nl
Een man laat zien hoe hij met klei moet werken terwijl minstens twee mensen observeren.
Tenminste één van de drie vrouwen praat met de anderen.
0.6
nl
Een hond heeft een trui aan.
Een man in een pakjas zit op een rode bank met een kat.
0.6
nl
Beeldhouwer die beton aanbrengt op een groot beeld van een menselijke figuur die zonder hoofd staat.
Een persoon staat voor een gebouw en houdt wat multiplex vast...
0.2
nl
Een jongen met donker haar zit in het water en kijkt omhoog.
De man is kort haar.
0.6
nl
Er staat een paal achter een persoon die met een kind aan het kiekabbelen is.
Er is een kind met een bal
0.2
nl
Een vrouw staat op het punt om te schilderen.
Een jongen staat op het punt een foto te maken.
1
nl
een man die in de staalfabriek werkt
Een man die in een gieterij werkt.
3.4
nl
De jonge vrouw flirt met de jongen.
Het meisje is jong en vrolijk.
1.4
nl
de mannen staan op het punt te scoren in een waterpolotoernooi...
De twee mannen staan op het punt om mee te doen aan een wedstrijd.
2
nl
Een man eet popcorn terwijl hij op een avond laat naar tekenfilms kijkt.
Een man en een meisje kijken thuis naar tekenfilms...
2.8
nl
Drie mannen zitten op een bankje.
twee mannen zitten op een bankje.
3.2
nl
De weg is lang.
Er is niets aan de kant van de weg.
0.8
nl
een jongeman met een wit t-shirt en een groen en zwart broekje op een stompje.
Een man met een wit shirt en een rood en zwart broekje loopt op de stoep.
1.8
nl
Een hond onder de trap
Een hond rust uit op de trap.
2.2
nl
Twee vrouwen geven een demonstratie op een Renaissance Fair.
Twee mensen doen een demonstratie op een renaissance kermis.
4.2
nl
Een of andere kerel die op de bank zit en televisie kijkt.
Een man zit op de bank te kijken naar TV...
5
nl
Een vrouw poseert voor een kerstkaart.
Een meisje maakt een foto.
1.2
nl
Een man werkt op zijn boerderij.
Een oude man werkt op zijn boerderij en een koe schopt hem.
2.8
nl
Een meisje praat met haar vader op een mobiele telefoon.
een meisje praat op haar telefoon.
4.4
nl
Eén persoon hanteert een paraplu.
Eén persoon houdt een paraplu vast.
4.4
nl
Een groep tieners die springen en zich vermaken.
Een groep kinderen die een leuke tijd hebben.
3.6
nl
Een man speelt zijn gitaar in Joe's Café.
De man speelt de trommels voor zijn moeder.
1.2
nl
Iemand zit op een deken.
De persoon maakt een deken.
1.4
nl
De man heeft een oranje hemd.
De vrouw heeft een oranje hemd.
3.4
nl
De twee kinderen kijken naar de producten die in de metrowinkel worden verkocht.
De kinderen stelen uit een winkel.
0.8
nl
Het jongetje wil zijn moeder.
Een babyjongen is blij om zijn moeder te zien.
2.8
nl
Een jongen is heel dicht bij een meisje.
Een meisje is dicht bij een jongen wiens gezicht niet te zien is.
3.2
nl
Zes kinderen maken een kamer schoon.
Twee mannelijke kinderen die bladeren opruimen op een parkeerplaats.
1.6
nl
Er is een kok die eten bereidt.
Een kok maakt eten.
5
nl
Twee mannen helpen een jongen.
Twee mannen zijn met een jong kind.
3.6
nl
Twee skiërs doen aan langlaufen.
Mensen skiën langlaufen.
3.6
nl
Een hond die op straat poept.
Een man die ballondieren maakt voor twee kinderen op een straathoek.
0.4
nl
Een kind praat in de klas.
Een meisje gaat naar de les.
1.8
nl
De vrouwen proberen iets te verkopen aan het individu.
De mannen proberen wat geld te verdienen.
1.2
nl
De mensen wachten tot het vuurwerk begint.
Drie mensen wachten tot de regen stopt.
1.2
nl
Een hond bereidt zich voor op het hoeden van drie schapen met hoorns.
Een hond en schapen lopen samen.
2.2
nl
Mensen verzamelden zich in een kamer.
Mensen verzamelden zich in een kamer.
5
nl
De vrouw in de overalls schildert een schilderij voor haar muur.
Een vrouw schildert haar muur wit.
2.6
nl
Het toevoegen van aspirine aan het water kan de plant doden.
Mannen proberen olie uit een waterlichaam te verwijderen.
0
nl
De vrouw draagt geel.
De vrouw draagt rood.
2.8
nl
Een man doet een stunt op zijn fiets.
Een man doet een wheelie op zijn motor.
3.2
nl
Tien mensen die op ATV's rijden.
4 personen rijden op de fiets
1.6
nl
Een geelgekleurd persoon is bezig met wegwerkzaamheden.
Iemand doet het heel goed op zijn skateboard.
0.2
nl
Twee werkers zitten naast pijpen te lunchen
De bouwvakkers gaan zitten om te lunchen.
3.8
nl
Een groep mensen die in de woestijn leven
Een groep mensen midden in de woestijn.
4
nl
Twee kinderen zijn aan het zwemmen.
Zes kinderen gaan zwemmen.
2.8
nl
mensen die hun vuile kleren laten schoonmaken
Mensen krijgen hun kleren schoongemaakt.
5
nl
De kinderen houden muziekinstrumenten vast.
Een groep kinderen zingt en bespeelt instrumenten
3.4
nl
Een groep mensen draagt politie-uniformen die een arrestatie uitvoeren.
Een groep politieagenten draagt bescherming.
2.8
nl
de man is van plan om een bruiloft te filmen
de vrouw gaat naar een bruiloft.
1.4
nl
De kinderfiets is nat geworden.
Ze is de fiets aan het opbergen.
1.2
nl
Een soldaat laat een hond uit.
Een man laat een hond uit.
3.2
nl
Een hemdloze vrouw bedient een grasmaaier.
Een meisje maait het gras met een grasmaaier.
3
nl
De twee officieren rijden
Twee officieren zijn te paard.
2.2
nl
De dame ziet er verdrietig uit omdat niemand haar spullen koopt.
De dame verkoopt dingen.
2
nl
Een kudde vogels zweefde over het zandstrand.
Vogels vliegen op een strand.
3.8
nl
mensen lopen naar huis
Mensen die wachten.
1.6
nl
Een man lacht met een vrouw
Een man en een vrouw die lachen.
4.8
nl
Hij staat op het punt om tegen de boot aan te lopen
De man maakt zijn boot schoon om hem op het water te zetten.
1.2
nl
2 Koeien staan in een veld.
Twee schapen staan in een veld.
2.4
nl
Een nat kind geniet van de zomer.
Een vrouw geniet van het zomerweer.
1.8
nl
Het meisje heeft een rijbewijs
Een man heeft een rijbewijs.
2.6
nl
Mensen op motorfietsen met een race-uitrusting rijden rond een racecircuit
Mensen op motorfietsen rijden rond een racebaan
3.8
nl
Een man staat op de grond met een penseel...
Een man met een kruk die op de grond ligt.
1.2
nl
De kinderen zijn in de bioscoop om een film te kijken.
het is fotodag voor de jongens
0.2
nl
Twee vrouwen lopen over de stoep naar de winkel.
Twee vrouwen lopen 's middags over de stoep.
3.8
nl
Een man heeft zijn zoon op zijn rug
Een man bracht zijn tijd door met zijn zoon.
2.4
nl
Een groep mensen met een donkere huid loopt langs prikkeldraad.
Twee vrouwen zijn aan het roddelen door een hek.
0.4
nl
Zombies paraderen rond het eten van hersenen.
De zombies eten samen vlees.
3.4
nl
Een groep mensen zit op een strand op handdoeken te kijken naar de Blue Angels.
Een groep mensen zit op een strand naar de Blue Angels te kijken.
4.2
nl
Drie mensen komen samen voor koffie.
Twee mensen maken koffie.
2.4
nl
Een jong meisje met vuil op haar gezicht en een rode kinderfiets staat op de achtergrond.
De oude vrouw in korte broek en een wit t-shirt staat op een pad te kijken naar spelende kinderen.
0.8
nl
Een rij scooters staat in het midden van een straat te parkeren.
Een rij motoren staat midden in een straat geparkeerd.
4.4
nl
Een man die een kat vasthoudt.
Een man die een hond vasthoudt.
3
nl
De katten rennen door het gras.
Sommige honden rennen door het park.
2
nl