Datasets:

file name
stringlengths
12
12
text
stringlengths
1
33k
wc
listlengths
0
5.17k
ppn
stringlengths
9
12
language
stringlengths
2
2
language_confidence
float64
0.12
1
publisher
stringlengths
2
88
place
stringlengths
3
27
date
stringlengths
4
4
title
stringlengths
1
975
aut
stringlengths
2
54
00000162.xml
.
[ 1 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000115.xml
EEN RECEPTIE BIJ DEN LEGERKOMMANDANT. 81 21 „ ik begin te wanhopen of ik hier ooit een betrekking zal vinden. Mijn streven is nu, mij te bekwamen voor het examen van onderwijzeres. Daarom wijd ik tegenwoordig al mijn ledigen lijd aan de studie, en.... vervolgde zij met een zucht, „aan ledigen tijd ontbreekt het mij niet.” „Gelukkig dat gij hij de familie Neerbosch een tweede tehuis hebt gevonden.” „Een tehuis? riep Ernestine uit, terwijl bij de gedachte daaraan haar de tranen uit de oogen sprongen. „Men behandelt u toch lief, is ’t niet?” „O! mijnheer Van Berkenstein! het kleinste hutje in den afgelegensten kampong zou ik als een „tehuis” verkiezen boven de gastvrijheid, die ik in het grootste huis van het Koningsplein geniet, — een gastvrijheid die op den duur ondraaglijk wordt.” „Mevrouw Neerbosch,” ging zij voort, „ziet in mij een coquette en verbeeldt zich dat haar man mij het hof maakt. Elk woord door mij gesproken heeft in hare ooren een andere beteekenis, elke gewone handeling in hare oogen een geheime bedoeling. Zwijg ik, clan steekt er ook wat achter. Houd ik mij uitsluitend bezig met mijn schrijfwerk, dan word üv verdacht van ongeoorloofde briefwisseling; telkens komt mevrouw dan onder het een of ander voorwendsel in mijne kamer en waren hare oogen wantrouwend rond. Het is een onophoudelijke pijniging, zoo voor mij als voor haarzelve.” „En voor mijnheer Neerbosch dan!” „Dat weet ik niet. Ongetwijfeld zal hij er vroeger wel onder geleden hebben, maar thans schijnt hij zich de dwaasheden zijner vrouw niet meer aan te trekken. Hij heeft zich niets te verwijten en gaat stil zijn gang. Ik heb al dikwijls gewenseht dat hij zich in ’t geheel niet meer met mij bemoeide, dan zou mevrouw minder ongelukkig en ook liever jegens mij zijn. Want ik geloof niet, dat zij iets tegen mij heeft. Gedurig beproeft ze vrien delijk te zijn en mij het een of ander genoegen te verschaffen — zooals bij voorbeeld heden, toen zij mijnheer vroeg mij herwaarts te brengen; maar spoedig berouwt het haar en speelt er in haar opgewonden verbeelding een tragedie, waarvan zij de heldin is en den rol vervult van de bedrogene.” Onwillekeurig gaf Ernestine haar hart geheel lucht; en eerst nadat zij alles verteld had, bedacht zij dat het onderwerp haar geleider wellicht onverschillig was en zij beter gedaan had te zwijgen. Nu schaamde zij zich en vroeg verschooning. „Zoodat het salaris er niet op aankomt?” zeide Van Berkenstein-plotseling. Toen het meisje hem met bevreemding aanzag, liet hij er op volgen: „Dan zal het mij misschien gelukken u een betrekking te bezorgen.” Geheel vervuld met de gedachte die hem bezighield, bracht hij de jonge dame naar de zaal terug.
[ 0.4799999893, 0.6012499928, 0.5133333206, 0.3866666555, 0.5112500191, 0.6449999809, 0.2099999934, 0.5, 0.4250000119, 0.6420000196, 0.7749999762, 0.5299999714, 0.7149999738, 1, 0.7024999857, 0.6549999714, 0.8700000048, 0.7110000253, 0.5466666818, 0.6428571343, 0.5299999714, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000159.xml
JJATAVTASCHE VOLKSFEESTEN. 113 29 optochten worden gehouden met zinnebeeldige voorstellingen die de bewondering der Euro peanen opwekken.” „Neen, in den inhoud vind ik niets. Maar hier heb ik een hoofdstuk over gods dienstige en volksfeesten; daar zal het Tjap-gomee-feest wel bij zijn. — Ivoe-an-jin, de schutsgodin der vrouwen, Tsa-sjin, Tsji-sa, Imji, het nieuwjaarsfeest, het lantaarnfeest ” „Dat kan ’t wel zijn,” merkte Leeghancker gapende op, „want er worden honderden lantaarns medegevoerd. ’ ’ „Tsjing-ming of het feest der dooden,” las Van Berkenstein verder. „Hioen-tien- sjang-ti, Hoa-to beroemd geneesheer, Jo-wang, het oogstfeest — ik vind geen Trap-gomee. Het lentefeest, waarbij een buffel van gebakken klei met vergulde hoorns in optocht wordt rondgedragen door een veertigtal mannen. Achter den buffel loopt een kind, dat het heest telkens met een roede slaat om het vooruit te drijven. Landlieden met landbouwgereed schappen in de hand, gemaskerden enz. volgen ” „Ja, ja! dat zal het wel zijn,” viel Leeghancker in. „Nonna Antjie heeft mij het feest van het vorige jaar beschreven en dat komt nogal overeen met hetgeen gij daar leest, ’t Is waar, van een buffel sprak ze niet, maar wel van een wild zwijn dat aan den voel van een boom stond, en van een kindje dat op het uiteinde van een tak geplaatst en met pijl en boog gewapend, op het zwijn aanlegt. Ja! nu er ook van een kind in het boek wordt gesproken, zal het wel hetzelfde feest zijn! — Boom en wildzwijn waren levensgroot nagemaakt, doch het kind was levend, ofschoon men moest gelooven dat het ook nagemaakt was, omdat het uren lang onbeweeglijk in dezelfde positie bleef staan. Van Hal vertelde echter, dat er een ijzeren stang door den tak liep en zóó onder de kleeren van het kind door was geleid, dat het zich niet verroeren kon. Dit was ook het geheim van een andere vertooning. Verbeeld u een aanlal koelies die een rots torschen; op die rots staat een groot hert met een prachtig gewei, en daarnaast een Chinees — levensgroot — met een langen stok in de hand. Aan de punt van dien stok heeft een zwaan met uitgestrekte vleugels zijn snavel geslagen, en op den rug van dien quasi vliegenden zwaan staat weer een kindje; — haast ongelooflijk! — Voor den huur van een mooi kindje van een armen Chinees, zegt nonna Antjie, wordt wel vijftig tot honderd gulden betaald, want het kan doorgaans de vermoeienis niet doorstaan en gaat dood aan de gevolgen. — Zij vertelde ook van een bloemstengel van ruim dertig voet hoogte, met een levend kindje in den kelk. Dat vond zij de mooiste voorstelling; want daar was nog een reuzenslang bij met zilveren schubben, die zijn grooten muil boven den kelk opengesperd hield en op het punt stond het arme schaap te verzwelgen. Nu begreep zij heel goed, dat die nagemaakte slang hel kind geen kwaad zou doen, maar hel werkelijk gevaar bestond in de fijnheid van den stengel
[ 0.5191666484, 0.5861538649, 0.7133333087, 0.2199999988, 0.6955555677, 0.5500000119, 0.7300000191, 0.8899999857, 0.7384615541, 0.6178571582, 0.8833333254, 0.7749999762, 0.5972727537, 0.7666666508, 0.7624999881, 0.5649999976, 0.7789999843, 0.7383333445, 0.3549999893, 0.5366666913...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000213.xml
AM AT EV SEDIA. 153 39 Toen de laatste halm gesneden was, werd een vijfde van den oogst als snijloon onder de werklieden verdeeld en ging ieder met zijn aandeel in vroolijke stemming huiswaarts. Oppervlakkig kwam mij het snijloon buitensporig hoog voor. Het was toch geen kleinigheid, een vijfde van de opbrengst van zijn eigen land, dat men in den loop van eenige maanden geploegd, besproeid, beplant en van onkruid gezuiverd heeft, te moeten afstaan alleen voor het oogsten. Bij nader inzien heb ik echter begrepen dat die betaling slechts schijnbaar hoog is. Wat is het geval? Hij, wiens padie het eerst rijp is, noodigt zijne ken nissen uit om te komen snijden en betaalt dien arbeid met een vijfde. Daarentegen wordt hij een paar dagen later door een ander verzocht, op diens rijstveld te komen snijden, en ontvangt dan zelf een vijfde. En daar ieder op zijn beurt hetzelfde doet, beteekent die be taling eigenlijk niets; want men ontvangt even zooveel vijfden als men er geeft. 5 Juni. De kampong heeft zijn gewone kalmte teruggekregen. Op een schrikbarende wijze werd deze gisteren verstoord. Ik heb nu den storm van bruischende hartstochten, die soms in het gemoed van den inlander ontstaat, van nabij gezien; en ofschoon mijn leven een oogenblik gevaar heeft geloopen, ben ik er ten slotte heelhuids afgekomen. Daags na den rijstoogst kwam Amat’s vader hij Selima, en vroeg de hand van Sedia voor zijn zoon. Selima deelde hem mede, dat hij niet vrij meer was daarover ie beschikken sedert hij Ardie, wiens aanbod hij aanvankelijk had aangenomen, toegestaan had over drie maanden zijn aanvraag te herhalen. Amat’s vader gaf als zijne meening te kennen dat dit uitstel gelijkstond met een weigering, en trachtte Selima te overreden dit aan Ardie onbe wimpeld te zeggen. Daartoe was Selima echter niet te bewegen. Het onderhoud duurde lang, zonder eenig resultaat te geven. Later is het gebleken dat Ardie, die nacht en dag om Selima’s woning dwaalde, in den waan gekomen was dat Sedia’s verloving met Amat toen beslist was geworden. Een paar dagen bleef Ardie onzichtbaar. Kwam een kampongbewoner in de nabijheid zijner woning, dan joeg het krijschend geschreeuw van den Lampongschen aap — kwaad aardiger dan ooit — hem met den uitroep van „sejtan” (duivel) ijlings terug. Het schijnt dat Ardie booze plannen in het schild voerde en slechts de gelegenheid afwachtte om die ten uitvoer te brengen. Althans gisteravond even na zonsondergang ontwaarde Amat, van Meester Cornelis terugkeerende, in de nabijheid van een begraafplaats, iemand die achter een boom neergehurkt zat en zich blijkbaar trachtte te verbergen. Daar hem dit verdacht voorkwam, rolde hij bijwijze van voorzorgsmaatregel zijn sarong om het lijf, zoodat deze hem in het loopen niet kon hinderen — als het noodig mocht worden om zijn heil in de vlucht te zoeken.
[ 0.3950000107, 0.5299999714, 0.8700000048, 0.5283333063, 0.4066666663, 0.4050000012, 0.6274999976, 0.7099999785, 0.5685714483, 0.7950000167, 0.5724999905, 0.6949999928, 0.5699999928, 0.75, 0.5799999833, 0.6499999762, 0.9166666865, 0.5899999738, 0.6399999857, 0.5787500143, 0.57...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000234.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000047.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000120.xml
84 HET MILITAIRE KAMPEMENT. De kompagnie marcheerde langs den breeden met hoornen beplanten weg, die midden door het kampement liep, naar het gebouw door haar bewoond, en rukte toen in. Rechts en links van den weg stonden, met groote tusschenruimten, een aantal ge lijkvormige gehouwen, voorzien van breede vóór- en smalle achtergalerijen. Tusschen die gebouwen was het terrein met gras begroeid en door levende pagger’s (heggen) afgescheiden, die in halve kringen om de plaatsen liepen waar zich putten bevonden. Hier en daar zag men bloemperken en een enkelen papaja-boom. Over het geheel was de aanleg regelmatig en werd liet terrein met zorg onderhouden. Eenige inlandsche vrouwen en kinderen hielden zich bij de putten op, terwijl Javaan- sche soldaten gekleed in boezeroenen en korte pantalons, met watertonnen aan draagstokken op de schouders rustende, van de putten naar de kazernen heen en weer liepen. „Hier komen we aan mijn bataljon,” sprak de majoor. „Of gij nu een of tien kazernen ziet, is hetzelfde; zij zijn volgens één model en elk gebouw voor één kompagnie ingericht. Voordat wij er een binnengaan, stel ik u voor eerst eens in de keuken te gaan kijken.” De tegenwoordigheid van een hoofdofficier in het kampement op dit uur scheen iels ongewoons te zijn; want toen hij de galerij van een kazerne doorging, ijlden eenige half- geldeede soldaten naar binnen en bleven andere bedremmeld staan met de hand aan het ontbloote hoofd, terwijl men binnenskamers de onderofficieren op gedempten toon stilte hoorde kommandeeren. Majoor Van Galen hield zich echter alsof hij niemand opmerkte, en ging al pratende door tot aan de keuken, een van voren open gebouw, dat zijwaarts van den weg nabij de officierswoningen stond. De kok, een soldaat in een grijslinnen pak, staakte zijn arbeid, om de bezoekers op militaire wijs te ontvangen. Die arbeid bestond in een groot aantal heldergepoetste blikken keteltjes, die netjes in rijen gerangschikt stonden, te vullen met soep die hij in een grooten ketel had bereid. Een bijkok sneed het vleesch in gelijke porties, die in de omgekeerde deksels een plaats vonden. Hoewel het inwendige der keuken niet prijkte met blinkende vormen en gereed schappen, zag het er toch zeer zindelijk uit. De korporaal-planton, die daarvoor aansprakelijk was, kreeg althans geen enkele aanmerking, toen de majoor zijn oogen rond had laten gaan. „Laat ons eens proeven, bankeur! wat gij hebt klaar gemaakt,” zeide hij. Een lepel soep werd nu opgeschept op een wit bord, dat bestemd was om den officier der week het eten te laten keuren. Op uitnoodiging van den majoor proefde Van Berkenstein de krachtige gebonden spijs, die met den naam van soep werd bestempeld en even vloeibaar genoeg was om voor
[ 0.5450000167, 0.6566666961, 0.5644444227, 0.6710000038, 0.3849999905, 0.7155555487, 0.5699999928, 0.3680000007, 0.453333348, 0.8600000143, 1, 0.8199999928, 0.6322222352, 0.7925000191, 0.8866666555, 0.7300000191, 0.8100000024, 0.7533333302, 0.8488888741, 0.6560000181, 0.847500...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000060.xml
36 DE EERSTE DAG TE BATAVIA. De Chineezen beneden aan de trap gekomen en mevrouw Neerbosch ziende, groetten half eerbiedig, balf familiaar lachend, en vroegen of mevrouw ook iets wilde koopen. Mevrouw verzekerde dat zij vandaag hoegenaamd niets noodig had, maar keek toch tamelijk nieuwsgierig naar de pakken die de koelie reeds van zijn bruine, glimmende schouders had laten neerglijden op de kiezelsteen en. De Chineezen schenen het zeer natuurlijk te vinden dat mevrouw begon met hen af te wijzen; zij lieten zich daardoor volstrekt niet afschrikken, lachten haar nog vriende lijker toe, en verzekerden op hun beurt dat zij minder kwamen om wat te verknopen dan om mevrouw eens iets nieuws te laten zien. Wat voor nieuws? O! heele nieuwe stoffen, bijzonder mooie. En fluks bracht Chinees n°. 2 een groote doos in de galerij, terwijl Chinees n°. 1 mevrouw aan den praat hield. Beiden haalden nu hunne koopwaren te voorschijn, die stelselmatig door hen met warmte aanbevolen en door mevrouw afgekeurd werden. Die eene stof — als Ernestine die even wilde ophouden om er het licht goed op te laten vallen — nu, dat ging nogal. Wat of die moest kosten ? Een gulden de el. Een gulden! die leclijke kee’s konden hun rommel gerust weer inpakken; ze be hoefden vooreerst niet weer te komen! Een gulden de el! Was dat een overvragen! Chinees n°. 1 wilde sterven als hij overvroeg, en Chinees n°. 2 begon inmiddels het stuk langzaam weer op te doeken. „Hebt gij wat noodig?” vroeg mevrouw aan Ernestine. „Eigenlijk wel,” zeide deze; „ik zou gaarne van die stof een kleed...” „O! dan moet ge niet bieden; anders laat hij zich niet genoeg afdingen.” Ernestine onthield zich nu van verdere bemoeiing met den handel, en nam het luchtig nationaal kostuum der Chineezen eens op, dat slechts uit een paar wijde kleeding- stukken bestond, een korten wijden broek van donkerblauwe zijde en een graslinnen baadje. Daarop raapte zij hel rateltje van den vloer op en zag dat het den vorm van een houten hamertje had. Het dikke gedeelte was hol en aan beide zijden bespannen met een fijn blaasje. Een balletje met een stuk snaar was er zoodanig aan bevestigd, dat door den steel tusschen de vingers rond te draaien, het balletje een roffel sloeg. Met dat klepperend geluid kondigde de Chinees-marskramer reeds op een afstand zijn komst aan de koopzieke dames die zich in het achterhuis ophielden. Werd hij niettegenstaande zijn geroffel niet door een bediende aangeroepen, dan nam hij de vrijheid — mits er geen honden waren, want
[ 0.5099999905, 0.5799999833, 0.5133333206, 0.1400000006, 0.6700000167, 0.2975000143, 0.5550000072, 0.6433333158, 0.6800000072, 0.7566666603, 1, 0.6949999928, 0.8014285564, 0.6800000072, 0.5114285946, 0.573333323, 0.8485714197, 0.6899999976, 0.7074999809, 0.8090000153, 0.910000...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000188.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000210.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000247.xml
CONCERT OP HET WATER. 181 46 „Miss Alice heeft mij medegedeeld dat de redder van het leven mijner dochter hier is aangekomen. Wat verheugt het mij u weer te zien! De kinderen spreken dagelijks over u. Ik vlei mij dat wij nu wat langer zullen zamen zijn. — Garcon! riep hij. — Wij moeten onze tweede ontmoeting met een glas champagne vieren.” Er was iets opgeschroefds in dat vertoon van hartelijkheid; toch nam ik zijne vriend schapsbetuigingen schijnbaar als goede munt aan. Na iets genuttigd te hebben, stond miss Alice van tafel op en wenschte ons goeden nacht. Voorgevende vermoeid te zijn van den marsch, volgde ik een half uur later haar voorbeeld, en onttrok mij niet zonder moeite aan de dringende uitnoodigingen om nog wat te blijven van „mijn vriend”, die het eene glas na het andere uitdronk en bijzonder spraakzaam werd. Het was mij niet gelukt een kamer in de nabijheid van n°. 22 te krijgen; wel die daar boven. De kalmte door miss Alice aan tafel aan den dag gelegd, had mijn vermoeden dat zij aan eene zielsziekte leed niet bevestigd. Uit een enkelen blik dien zij op mij wierp, las ik erkentelijkheid voor mijn tegenwoordigheid. Zou haar werkelijk eenig gevaar bedreigen? Maar welk gevaar dan? Opzettelijk liep ik met zwaren tred de kamer op en neer, sprak luid met den bediende dien ik een paar malen ontbood, en zong zelfs, om miss Alice te laten merken dat ik boven haar logeerde. Mij slechts ten halve ontkleedende, nam ik een boek, met plan een gedeelte van den nacht wakker te blijven. „Plannen maken van dien aard gaat gemakkelijk; maar die uit te voeren na tien uren in het gebergte gewandeld te hebben, bleek boven mijne krachten te gaan. Ik viel althans op de rustbank in slaap, en sliep zoo vast, dat ik niets bemerkte van het huilen van den wind die van lieverlede tot een storm was aangegroeid, die hoornen ontwortelde en in de ravijnen slingerde, en het hechte houten gebouw waarin ik mij bevond, deed schudden. Al wat ik mij herinnerde, was dat ik droomde op een hoog uitstekend punt in het gebergte te staan, en het schelle, doordringende geschreeuw te hooren van herders die elkaar op uren afstands toeriepen. Toen ik eindelijk ontwaakte, onderscheidde ik een erbar melijk gejammer in mijne onmiddellijke nabijheid. „Opspringen en de kamer uitvliegen was het werk van een oogenblik. Ik holde de trappen der derde verdieping af en klopte aan de deur van n°. 22. Aan het onvoegzame daarvan dacht ik niet; bij mij stond het vast dat die jammerkreten door miss Alice werden geslaakt. Ofschoon het hotel in rep en roer kwam, heerschte in den omtrek van haar kamer nog de grootste stilte. Een lichtstraal drong door het sleutelgat; in gebukte houding daar door kijkende, zag ik een brandende kaars op tafel en het vensterraam open staan; van de bewoonster echter geen spoor. Zonder acht te slaan op de logeergasten, die in nachtkostuum of in dekens gewikkeld
[ 0.7242857218, 0.275000006, 0.603333354, 0.5500000119, 0.6000000238, 0.3799999952, 0.5939999819, 0.6700000167, 0.75, 0.5400000215, 0.8181818128, 0.5500000119, 0.8399999738, 0.7616666555, 0.3566666543, 0.8066666722, 0.6819999814, 0.8033333421, 0.9128571153, 0.875, 0.2949999869,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000088.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000205.xml
AMAÏ EN SI-IIIA. 147 waarop Amat — leunende tegen een boom of pagger in de nabijheid van Sedia s woning zijn hart lucht geeft. Het schijnt dat het haar nooit verveelt er naar te luisteren, ja zelfs dat zij meer overtuigd wordt van de vurige helde haars aanbidders naarmate hij langei volhoudt te blazen. En hèm verveelt of vermoeit het niet, om uren achtereen denzelfden dreun te herhalen. Wat mij in het algemeen opvalt in den omgang met inlanders, is de omzichtigheid die zij in acht nemen bij het geven van antwoord. Welke vraag ik ook doe, zelden zal ik een bepaald antwoord ontvangen. Bijvoorbeeld. Eens zag ik op den grooten weg een Maleiei bezig met bet tuig los te maken van een sappie (trekos) die door ouderdom of uitputting was bezweken, en dood voor het zwaar beladen karretje lag dat hij zoolang had \ ooi (ge trokken. Om iets te zeggen, vroeg ik op deelnemenden toon: „Is de sappie dood?” Nu bestond daaromtrent geen de minste twijfel, noch bij mij, noch bij den eigenaar. Van flauwten of gevallen van schijndood is er bij beesten nooit sprake, zoover ik weet. Het verlies van den sappie, die ’s mans voornaamste kostwinning uitmaakte, was bovendien gewichtig genoeg om zich behoorlijk van zijn dood te overtuigen vóór dat hij hem afspande. Toch luidde zijn antwoord - „Barangkali mati (misschien is hij wel dood)!’ Nog iets eigenaardigs merkte ik op bij den inlander, den tegenzin namelijk om zijn eigen naam te noemen. Vraag ik een onbekende: „Hoe is uw naam?” Bijna altijd zal hij beproeven om niet rechtstreeks daarop te antwoorden. Herhaal ik de vraag op bevelenden toon, dan ziet hij eerst nog eens rond of geen der aanwezigen voor hem zal antwoorden. Zegt een kennis „dat is Ali”, dan doet het hem blijkbaar genoegen; maar is hij verplicht zelf te antwoorden, dan zegt hij eindelijk: „Men noemt mij Ali.” 21 Mei. Langs den zoom van den naastbij gelegen kampong loopt een beekje, dat gevoed wordt door het water van een bron een paar palen hooger gelegen. In den westmoesson doet het regenwater de beek zoo zwellen, dat het water met kracht door de diep ingesneden bedding stroomt en verderop zich bruisend in de Tjiliwong werpt. Nu de regens voorgoed hebben opgehouden, is de beek weer helder en kan men desnoods de bamboe, die den inlander tot brug dient, ontberen om den overkant te bereiken. Het is opmerkelijk dat de kampongbewoner met het gemak van een koordedanser
[ 0.2649999857, 0.4250000119, 0.6087499857, 0.3666666746, 0.4966666698, 0.5074999928, 1, 0.5649999976, 0.6840000153, 0.7099999785, 0.5899999738, 0.5699999928, 0.6916666627, 0.4950000048, 0.5299999714, 0.6677777767, 0.7366666794, 0.7400000095, 0.3199999928, 0.9150000215, 0.38249...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000139.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000129.xml
HET MILITAIRE KAMPEMENT. 91 kon de werkzame vrouw haar arbeid verrichten, zonder door haar toilet gehinderd te wor den, terwijl de luie of vermoeide op een matje uitgestrekt er zich behaaglijk in gevoelde. En wat voerde men alzoo uit? Het was zoo gemakkelijk niet, dit in één oogopslag op te merken. Er werd nogal gekookt en gebakken, want de rook steeg op verscheiden plaatsen omhoog, zocht een uitweg door de groote opening die de ontbrekende voorgevel deed ontstaan, of ontsnapte door het dak, ’twelk tot dat einde gebroken was. De benevelde lucht was bovendien vervuld met allerlei geuren, die de reukorganen minder aangenaam prikkelden. Peté, in de wandeling stinkboontjes genaamd, katjang-olie, doerian, en sterkriekende bloemen rook men boven alles uit. Er werd ook veel met water gemorst, gewasschen en geploeterd, terwijl hier en daar, waar een tali kon aangeslagen worden, goed hing te droogen. Men reinigde kookgereedschap, kleederen, zijn kinderen, zich zelve en elkander. Er werd niet minder geklopt, gepoetst, genaaid, gegeten, gedronken, handel gedreven, en — het meest van alles — gepraat en geschreeuwd. Zij die hel ledergoed van manlief wilden poetsen, voorzagen zich van een balletje was bij een vrouw die in was handelde, en deze kocht weer rijst of vruchten van haar. Een andere, wier pisang in de olie stond te sissen, kocht weer garen om knoopen aan het mouwvest of aan den pantalon van haar echtvriend te zetten. Kinderen met dikke buiken en vuile monden, waaraan de stroopachtige suiker van het gesnoepte gebak nog kleefde, zaten in groepen om een kwee-kwee-maakster; anderen die elkaar of hunne moeders plaagden en om centen maalden, werden gesust, uit gescholden of geranseld. Vrouwen, die elkaar het hoofd zuiverden, het lange haar uitkamden en met versche klapperolie insmeerden om het goed te doen glimmen. Moeders, die hare zuigelingen op de onschuldigste wijs de borst gaven; anderen die hare kinderen even boven de goot hielden. Leelijke honden die op den afval aasden. Vertoornde vrouwen met schit terende oogen, die kijfden, twistten, elkander belasterden, en zeker handgemeen zouden worden, als de vrees voor den korporaal van het planton, die voor de loods op en neer liep, haar niet terughield. Vadsige vrouwen, die met loshangende haren en halfgesloten oogen een seroetoe rookten, zich in hare geheele lengte op de mat uitstrekten, of wier kinderen over haar lijf kropen en over hare beenen tuimelden. Eindelijk een enkele oude man, een vader of grootvader, die zich verbeeldde of den schijn aannam van te helpen, en die met het groffe werk belast werd van een toekang-warong, zooals het openkappen van kelapa’s, het vlechten van bladeren, enz. „Die gansche bende is officieel hij het batallon ingeschreven,” lichtte de majoor toe, nadat hij zijn gast eenige minuten had gegund om dat tooneel te bewonderen. „Er mag geen vrouw in het kampement zijn, die aan niemand of aan iedereen toebehoort. Het
[ 0.5266666412, 0.5633333325, 0.6269999743, 0.8999999762, 0.4799999893, 0.7400000095, 0.8237500191, 0.7139999866, 0.6100000143, 0.646666646, 0.7572727203, 0.7916666865, 0.7850000262, 0.7124999762, 0.7833333611, 0.7855555415, 0.8999999762, 0.8700000048, 0.7475000024, 0.6557142735,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000034.xml
16 VAN BOORD NAAR WAL. „Bij dat gebouwtje met dien lantaarn daarboven, aan het rechter havenhoofd, ligt nu een prauw majang, en het vaartuig dat aan dien kant uitgaat, is een vijf-kojangs prauw tot het prauwenveer behoorende. Kojang is een inhoudsmaat voor schepen, mijnheer Van Berkenstein,” „Zoo! mijnheer Krip.” „Ja, mijnheer Van Berkenstein! ik zal u dat eens uitleggen. Men heeft een-, twee-, vijf-, tien-kojangs prauwen naar gelang der grootte, en ze dienen om de schepen op de reede te lossen en te laden. Daar ze weinig diepgang en kiel noch zwaard hebben, kunnen ze niet bij den wind zeilen en gaan altijd ’s ochtends met den landwind uit en komen nadenmiddag met den zeewind weêr binnen.” „Het heeft hier wel wat van het waterland, dat men met de boot van Botterdam naar Moerdijk doorstoomt,” meent Leeghancker, die nog eens van een paar dames afscheid genomen heeft en bij Van Berkenstein komt staan. „Het eenige onderscheid is, dat hier de dijken van steen zijn.” „U zult aanstonds nog wel meer zien dat aan Holland doet denken,” antwoordde Krip. Te Batavia vindt u nog sluizen en bruggen en huizen, even als in Amsterdam. — Nu zijn wij er bijna. Dat is de aanlegplaats, daar links. Het gebouw rechts met de sein vlaggen is „de uitldjk,” en daarnaast „de tijdbal” die nu horizontaal staat en dus van de reede niet te zien is; precies om twaalf uur wordt zij door aan een touw te trekken ver tikaal geplaatst en is dan in de verte zichtbaar. Meer achterwaarts ziet u nog een vlag; dat is de zoogenaamde marine-werf, eigenlijk niets dan pakhuizen. — De Heeren nemen zeker een wagen om naar liet marine-hótel te rijden?” Hoewel Van Berkenstein van plan was dit te doen, gunde hij zijn vervelenden gids niet het genoegen van juist geraden te hebben en antwoordde kortaf „neen.” „Dat is toch te verkiezen, omdat gij dan uwe valiezen bij u kunt houden. De trein gaat niet voorbij het hotel en stopt eerst aan de sluisbrug. Daarentegen loopt de tram er wel langs, maar dan zit gij verlegen met uw goed, en moet u dat met koelies nasturen.” „We gaan toch met den tram, mijnheer Krip.” „O zoo! Weet u wat, dan zal ik wel voor uw goed zorgen en maken dat het nog vóór u aan het hotel is. Marine-hótel, is niet?” „Ja, marine-hótel,” zuchtte Van Berkenstein niet in staat zooveel beleefdheid met onheuschheid te beantwoorden. „Oeff! we zijn eindelijk van dien lastigen vent ontslagen,” zei hij, Leeghancker aanziende, toen mijnheer Krip rechtsomkeerd maakte en zijn gezelschap opzocht. De Tjiliwong was inmiddels aan de aanlegplaats gekomen en werd dadelijk bestormd
[ 0.9900000095, 0.7133333087, 0.273999989, 0.137500003, 0.6949999928, 0.6299999952, 0.5866666436, 0.3655555546, 1, 0.7825000286, 0.7662500143, 0.6930000186, 0.7233333588, 0.6733333468, 0.6571428776, 0.6690909266, 0.5525000095, 0.5500000119, 0.7266666889, 0.6579999924, 0.6328571...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000112.xml
78 EEN RECEPTIE BET DEN LEGERK OMMAND ANT. met verzilverde staven aan het hooge plafond bevestigd, straalde een helder licht, nog ver sterkt door dat van een aantal vergulde gascandelabres, die op de kolommen waren aange bracht. De verwarmde lucht vond een uitweg door honderden kleine openingen in het plafond die zich aan het oog als louter versieringen voordeden; terwijl uit de openstaande raam- deuren onophoudelijk frissche lucht van buiten werd aangevoerd. Het eentonige van den wit marmeren vloer werd afgebroken door een groote ster van zwart marmer in het midden en door dubbele streepen langs de wanden. Sierlijke beelden van terra-kotta, twee kolossale spiegels op vergulde trumeau-tafeltjes steunende, rustbanken en stoelen, benevens groote Cbineesche bloemvazen waarachter het korps stafmuzikanten bedekt was opgesteld, maakten het voornaamste meubilair uit. Hedenavond werd er uitsluitend dansmuziek gespeeld, en misschien dankte de receptie daaraan hare bijzondere levendigheid. Want niet alleen officieren met hunne dames, maar ook menige zwarte rok bewoog zich tusschen de schaar van schoone en minder schoone dames, van deftige matronen met hooggepluimde kapsels, en eenvoudige meisjes enkel met een bloem of een lint getooid. Nadat Van Berkenstein zijn kompliment gemaakt had, werd hij al spoedig aange klampt door den majoor Van Galen, die hem zeide: „Kom mede naar mijne vrouw, die u beknorren wil omdat gij haar van ochtend niet even kwaarnt zien. Daarna zullen wij onze zaken afhandclen.” Het kostte Van Berkenstein niet veel moeite den vrede te herstellen met het lieve, elegante vrouwtje, die dadelijk bereid was zijn arm aan te nemen om een wan deling door de zaal te maken. Op haar vraag of hij niet liever danste, antwoordde Van Berkenstein: „Dat liet ik in Holland al aan de jongelui over. Des te eerder hier, waar de warmte zoo groot is.” „Ik vind ’t niets warm.” „Dat de dames in haar luchtig toilet geen hinder van de warmte hebben, kan ik begrijpen; doch hoe de heeren officieren in hunne gesloten tuniques liet uithouden, gaat mijn begrip te boven.’ „Die heb ik nog nooit hooren klagen. Van Galen zelfs danst nu en dan nog mede. — Wie groet gij daar?” „Een reisgenoote, die ik hier niet dacht te ontmoeten.” „Een knap meisje. Men kan wel zien dat zij pas in het land is, want zij kleurt dadelijk. — En wat zegt gij van de zaal?” „Prachtig!”
[ 0.5899999738, 0.4166666567, 0.5099999905, 0.2599999905, 0.2433333397, 0.301666677, 0.6933333278, 0.8075000048, 0.7633333206, 0.3945454657, 0.7766666412, 0.276666671, 0.8000000119, 0.55400002, 0.8171428442, 0.6600000262, 0.7787500024, 0.8266666532, 0.8066666722, 0.6850000024, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000081.xml
GESCHIEDKUNDIGE HERINNERINGEN. 53 loon, alsof hij het zich nog herinnerde als den dag van gisteren. Toen vond men hier de buitentuinen van de aanzienlijkste bewoners van Batavia, tuin aan tuin, de een nog prach tiger dan de andere. Slaven-bedienden hielden over dag de tuinen in order en ’s nachts de dieven op een afstand, terwijl de eigenaars er zich van Zaterdag-avond tot Maandag-morgen kwamen verpoozen. Van al dat moois is geen spoor meer over; alleen hier en daar staan nog een paar steenen palen overeind, waarin de ijzeren hekken hingen die tot sluiting dienden. De weg dien wij nu berijden is dezelfde als die toenmaals naar Jakatra liep; hij wordt ook nog „de weg van Jakatra” genoemd. „Is dat deze weg?” vroeg Van Berkenstein met belangstelling. „Dezelfde, mijnheer! Voor ruim twee en een halve eeuw, toen de Hollandsehe koop lieden het te Bantam niet meer konden uithouden, vroegen en verkregen zij van den vorst van Jakatra vergunning om hier een handelskantoor op te richten. Dat kantoor was aan het strand gelegen en bestond uit één enkel huis, dat langzamerhand versterkt en uitgebreid werd, en eindelijk, in weerwil van of juist door de pogingen der inboorlingen om de blanken weg te krijgen, tot een groote, versterkte stad aangroeide.” „U moet weten,” vervolgde Krib toen hij bemerkte dat Van Berkenstein naar hem luisterde, „dal die vorst van Jakatra het in den aanvang heel aangenaam vond door den handel met de Hollanders veel geld te verdienen; maar spoedig werd dat anders, toen hij van den sulthan van Bantam, van wien hij meer of min afhankelijk was, last kreeg de Hollanders op de een of andere manier te verjagen. Hij besloot toen op Oostersche wijze, d. i. door list en verraad, zich van onze „loge" meester te maken. De toenmalige gouver- neur-generaal Jan Pieterszoon Koen was evenwel te slim om zich te laten misleiden door mooie praatjes en vriendelijke uitnoodigingen, en deed elke poging mislukken die de vorst in het werk stelde om hem op te lichten of onder een of ander voorwendsel in de loge te komen en die te overrompelen. Op een goeden dag nu maakte de ongeduldige sulthan van Bantam een inval in Jakatra, verjoeg den regeerenden vorst, en wendde toen zijne wapenen tegen de Hollanders.” „Neem mij niet kwalijk dat ik u in de rede val,” zeide Van Berkenstein, „maar ik zie hier de graven vlak bij den weg en zou wel eens willen uitstappen.” „Heel goed; brentie koetsier!” riep Krip, sprong den wagen uit en ging voort met zijne geschiedkundige herinneringen uit te kramen, terwijl hij Van Berkenstein, die eenige grafheuvels van nabij bekeek, op den voet volgde. „De sulthan van Bantam, zeg ik, en eenige andere inlandsche vorsten uit de nabuur schap trokken daarop met hunne legers naar de loge en wierpen daartegen batterijen op. Het begon er toen benauwd uit te zien, want de Engelschen bedreigden ons van de zeezijde. 14
[ 0.4280000031, 0.5814285874, 0.349999994, 0.6840000153, 0.5600000024, 0.5166666508, 0.6866666675, 0.9325000048, 0.5266666412, 0.8100000024, 0.3933333457, 0.5799999833, 0.8633333445, 0.6000000238, 0.7788888812, 0.7674999833, 0.6200000048, 0.8899999857, 0.9175000191, 0.8450000286,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000015.xml
BATAVIA. VOLGORDE DER PLATEN. 1. Aanlegplaats aan den zoogenaamden Kleinen Boom. 2. De oude kasteelpoort van de stadszijde gezien. 3. Tramrijtuig van binnen gezien. 4. Koelies (lastdragers), koffers dragende. 5. Het Marine-hotel. 6. Het paleis van Z. E. den Gouverneur-Generaal te Rijswijk. 7. Een Chineesche klontong (rondventer). 8. Ruïne van de woning van Pieter Erberveld op den weg van Jacatr 9. De oude stadskerk op den weg van Jacatra. 10. De stads buitenkerk van binnen gezien. 11. Een toko (winkel) in de oude stad Batavia. 1 % Woning van Z. E. den Luit.-Generaal kommandant van het leger. 13. Het stadhuis met het postkantoor. 14. Chineesche kamp nabij pintoe ketjil. 15. Eene gardoe (inlandsch wachthuis). A 16. Dansoe (als Europeanen gekleedde Inlandsche potsenmakers).
[ 0.5174999833, 0.5500000119, 0.3866666555, 0.6842857003, 0.7099999785, 0.6633333564, 0.7233333588, 0.4433333278, 0.7258333564, 0.7985714078, 0.7220000029, 0.3700000048, 0.7599999905, 0.7049999833, 0.5966666937, 0.5400000215, 1, 0.7419999838, 0.7799999714, 1, 0.6336363554, 0....
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000011.xml
BATAVIA DOOB W. A. VAX REES. Teekening’en door ,lhr. J. C. o§§< LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF. 1881 .
[ 0.4428571463, 0.4199999869, 0.4149999917, 0.7900000215, 0.5166666508, 0.5360000134, 0.5558333397, 0.6324999928, 0.3160000145, 0.4149999917, 0.4950000048, 0.3350000083, 0.5442857146, 1, 0.7749999762, 0.6750000119, 0.6477777958, 0.4950000048, 0.9300000072 ]
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000107.xml
- - : raKwa?
[ 0.5199999809, 0.3700000048, 0.2399999946, 0.3583333194 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000161.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000171.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000114.xml
80 EEN RECEPTIE RIJ DEN LEGERKOMMANRANT. „Ik heb al een paar malen gedanst, maar zonder animo. De warmte hindert mij.” „Laten we dan in de galerij gaan, waar de temperatuur beter is. De zaal moge luchtig zijn, nu er zich zooveel mcnschen in bevinden laat de koelte altijd nog wat te wenschen over. — Ik had mij niet durven vleien u hier te zullen vinden. Uwe huisgenooten zijn zeker ook medegekomen ?” „Mijnheer Neerbosch heeft mij hier gebracht, zeer tegen mijn zin, doch er was niets aan te doen. Mevrouw is tehuis gebleven, ten minste..,..” „Ten minste?” herhaalde Van Berkenstein vragend, toen Ernestine ophield. „Zij heelt gezegd tehuis te willen blijven; of zij het zal kunnen volhouden, is nog de vraag.” „Dus verwacht gij haar nog?” „Dat niet. Hier binnenkomen zal ze wel niet; maar het zou mij niet verwonderen als zij om de generaalswoning heen dwaalt.” „Met welk doel?” „Om haar man te bespieden.” „Zij is dan wel erg jaloersch?” O i” „Welnu, wij kunnen den omtrek eens opnemen en zien of uw vermoeden bevestigd wordt. De sterren komen zoo prachtig te voorschijn en de lucht is zoo welriekend na al dien regen, dat een wandeling door het park veel genot belooft.” Zwijgend liet Ernestine zich naar buiten leiden. De plaats vermijdende waar de rijtuigen der gasten stonden, ging men eenige honderden schreden den weg langs, tot aan een breede brug over de Tjiliwong, waaronder het troebele water bruischend voortstroomde. „Dit is de Hertogsbrug,” merkte Ernestine op om iets te zeggen; „de brug die langs de Willemskerk naar het Koningsplein voert.” „Hoe komt die brug aan dien naam?” „Mijnheer Neerbosch heeft mij verteld dat de weg hier vroeger dood liep, en de gouverneur-generaal Rochussen de hoffelijkheid had ten gerieve van den toenmaligen leger- kommandanl deze brug over de rivier te laten slaan, opdat de rijtuigen en wandelaars hier langs konden gaan.” Het gesprek wilde niet vlotten. Wederom verliepen er een paar minuten gedurende welke Ernestine zwijgend over de leuning der brug in den stroom staarde, en Van Ber kenstein naar het groote koepeldak van de Willemskerk keek. alsof hem dat bijzonder aantrok. Eindelijk verbrak hij de stilte. „ De advertenties in de couranten hebben u tot mijn leedwezen nog geen betrekking bezorgd. Zal ik ze nog eens herhalen?”
[ 0.7400000095, 0.3566666543, 0.4149999917, 0.5266666412, 0.4566666782, 0.5224999785, 0.6933333278, 0.6066666842, 0.3700000048, 0.5766666532, 0.6374999881, 0.7279999852, 0.7275000215, 0.9474999905, 0.9649999738, 0.7433333397, 0.5400000215, 0.6000000238, 0.7742857337, 0.7540000081...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000140.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000254.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000092.xml
ZEVENDE HOOFDSTUK. D e zonnestralen hadden juist kracht genoeg gekregen om de nevels op te lossen die gedurende den nacht over de drassige rijstvelden hingen, toen een heer in een luchtig morgenkostuum en met een lichten kurken helmhoed op het hoofd, langzaam den Gang Kemajoran doorwandelde. Uit de onderzoekende blikken die hij rechts en links in de woningen langs den weg wierp, en uit de bijzondere aandacht die hij aan de schijnbaar meest onbeduidende zaken schonk, was het vrij duidelijk dat hij voor hel eerst deze afge legen wijk bezocht en bovendien met een bepaald doel kwam. Nu eens stond hij stil om een morgengroet te wisselen met of een vraag te doen aen eenigen bewoner van den Gang, die in een luchtig jasje zijn erf ronddrentelde; dan weder sloeg hij een zijpad in, dat kron kelend door den kampong naar liet rijstveld liep. Daar liet hij dan de oogen weiden over het groene rijstgewas, waarvan de welige halmen zich rechtstandig uit den natten bodem verhieven en de gezwollen aren nog getooid waren met de als diamanten glinsterende drop pels van den laatsten nachtelijken regen. Bijna aan het einde van den Gang Kemajoran stond een tamelijk groote warong, voorzien van een bamboebank van de eenvoudigste soort. Op die bank zaten een paar koelies te eten; eigenlijk waren zij aan het dessert bezig, dat bestond uit stukken teboe (suikerriet), die zij met een mesje schilden en in kleine brokken sneden, om ze gemakkelijk te kunnen kauwen of uitzuigen. Op een paar schreden afstands loerde een gladakhond op de gelegen heid, om de overgebleven korrels van weggeworpen stukken pisangblad af te likken. Kwam hij wat dichter bij de kraam, dan werd hij door een „husj” of een bedreiging met den stok van de dikke toekang-warong teruggedreven. Evenzoo ging het met honderden vliegen, die op een klomp donkere suiker aasden en telkens met een kipas (waaier) verjaagd werden. Een blank meisje van omstreeks zes jaar, gehuld in een wit verfrommeld nachthemdje en overigens ongedekt en blootsvoets, stond met begeerige blikken naar dat suikerrietkauwen
[ 0.4885714352, 0.5440000296, 0.25, 0.7799999714, 0.5966666937, 0.6349999905, 0.8299999833, 0.8583333492, 0.7316666842, 0.6037499905, 0.6750000119, 1, 0.5916666389, 0.7549999952, 0.3849999905, 0.7816666961, 0.8500000238, 0.6411111355, 0.5199999809, 0.6499999762, 0.5600000024, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000259.xml
DE MILITAIRE SCHOOL. 191 „Werd de bestemming van het leger altijd in het oog gehouden, er zouden geen onbillijkheden plaats hebben en geen grieven bestaan. Te dikwijls echter vergeet de regee- ring wat men schuldig is aan hen die zich aan den militairen dienst wijden; te dikwijls daalt zij af van haar standpunt om door een kwalijk begrepen zuinigheid de schatkist te stijven. Dreigt er nergens gevaar en springt de noodzakelijkheid van een leger te onderhouden niet in het oog, dan is men aanstonds geneigd het als een lastpost te beschouwen. Het geld aan het leger besteed gebruikt men liever aan spoor- en waterwegen, aan het droogmaken van plassen en meren, tot aanmoediging van kunsten en wetenschappen, tot uitbreiding van cultures. Van lieverlede geraakt men op een zuiver kruideniers-standpunt, en dat is de hoofdgrief van het leger." „Dat begrijp ik; het laat zich heel goed verklaren.” „Ja! maar hier, in een kolonie, waar men nooit zeker is van de rust en elk oogen- blik den sterken arm van het leger noodig heeft, wordt dezelfde schrielheid betracht, een schrielheid waarop alle pogingen der chels om het leger te verbeteren, afstuiten. Het leger is niet groot genoeg — tusschen 28 en 29,000 man — en vooral de kaders zijn te klein; daarin zit het kwaad. Als het u genoeg interesseert, zal ik u dit duidelijk maken.” „Stellig! ik wil er gaarne meer van hooren.” „Neem eens aan dat er — om ronde getallen te gebruiken — twintig bataljons elk van duizend man noodig geacht worden om de verschillende posten onzer uitgebreide kolonie te bezetten en een beschikbaar gedeelte over te hebben tot het maken van expedities. Goed! gij organiseert een leger met twintig bataljons infanterie, om van de andere wapens niet te spreken, en neemt niet in aanmerking dat een zesde, een vijfde gedeelte, soms nog meer, tijdelijk geen dienst doet wegens ziekte, convalescentie, verlof of verplaatsing. In ge wone tijden komt dit er minder op aan; men schippert wat en laat de gezonden den dienst der ontbrekenden overnemen. Doch onverwachts komen er verontrustende berichten van Sumatra en van Borneo; op eerstgenoemd eiland, worden de onmiskenbare teekenen waargenomen van ontevredenheid: priesters die den heiligen krijg tegen de blanken prediken, de bevolking die zich wapent, vrouwen en kinderen die de kampongs verlaten om tijdig een schuilplaats in de wildernis te zoeken; op het andere eiland is eensklaps een opstand uitgebroken, het garnizoen overvallen en ingesloten. — IJlings vertrekt een bataljon naar Sumatra om het uitbarsten van den krijg te voorkomen; terwijl naar Borneo twee bataljons worden ge zonden om het garnizoen te ontzetten en den opstand te dempen. „Wat gebeurt er nu? „Veertien dagen later komt de tijding, dat er aan boord der volgepropte schepen onderweg een epidemie is uitgebroken, waarvan een aantal manschappen het slachtoffer
[ 0.3449999988, 0.3744444549, 0.7014285922, 0.8733333349, 0.5619999766, 0.7149999738, 0.5410000086, 0.5333333611, 0.9466666579, 0.6259999871, 0.8833333254, 0.7549999952, 0.7833333611, 0.7033333182, 0.7877777815, 0.8399999738, 0.8883333206, 0.8974999785, 0.8407142758, 0.6833333373...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000084.xml
56 GESC HIEDKUNDIGE HERINNERINGEN. „Vooral op het punt van stelen of verkoopen van specerijen en andere handelswaren waren de kooplieden niet gemakkelijk; want niet alleen de dief werd opgehangen, maar ook hij die gestolen voorwerpen kocht. — Als gij er niet tegen hebt, mijnheer Van Berkenstein! gaan wij een eindweegs te voet om de buitenkerk eens in te loopen. Veel is er wel niet te zien, maar daar ik er in getrouwd ben, weet u... „O zoo! zijt gij hier getrouwd!’ meende Van Berkenstein op belangstellenden toon te moeten uitroepen. „Ja! mijn vrouwtje zag er allerliefst uit in haar bruidstoilet; ieder was er over uit. Eerst drie weken te voren had ik haar hand gevraagd. Dat was op een bal bij den chef der handel-maatschappij, een prachtig bal, waarop ik als commissaris fungeerde. Toen ik bij den laatsten dans het jawoord kreeg en om drie uren dronken van vreugde tehuis kwam, dacht Groenhof — met wien ik samenwoonde en dien ik natuurlijk wakker maakte — dat ik te veel champagne had gedronken ” „Op uiterlijk schoon kan die kerk niet roemen.” „Neen! dat is zoo. Ook van binnen is er niet veel bijzonders te zien. Het eenige merkwaardige is, dat zij bijna twee eeuwen oud is en fraai snijwerk bevat. — Groenhof wilde mij niet aanhooren, toen ik hem alles ging vertellen, en zeide dat ik mijn roes eerst moest uitslapen. En toen hij mij om halfzes ’s morgens al met den rok aan in de galerij zag op- en neerwandelen, meende hij dat ik gek geworden was. Niet voordat hij mij een uur later in pontificaal zag uitgaan, begreep hij dat het ernst was.” „Zijn wij hier al aan de eigenlijke stad?” „De stad begint hier, mijnheer Van Berkenstein! Voor een kleine tweehonderd jaar was Batavia zoo in bloei, dat men haar „de Koningin van het Oosten” noemde. Zij overtrof in schoonheid de meeste groote steden van Holland. Stel u voor, een volkrijke stad met groote poorten, breede belommerde straten en grachten met stroomend water, die door een groote rivier gevoed werden en waarover een aantal steenen bruggen gebouwd waren voor de gemeenschap en het verkeer van duizenden inwoners van alle natiën; een stad aan zee gelegen, met een reede vol schepen, aan de landzijde versterkt, van binnen met sierlijke woningen en ruime pakhuizen, met een groot kasteel, een paleis voor den opperlandvoogd, met kerken en marktplaatsen; een stad, op eenige graden van de linie, gekoesterd door de tropische zon, doch afgekoeld door land- en zeewinden die geregeld elkander ’s avonds en ’s morgens afwisselen; een stad omringd van honderd villa’s met tuinen, rijk aan bloemen en vruchten en met de meeste zorg door slaven onderhouden, tuinen waarin men na zes dagen arbeid den Zondag in een aangenaam dolce far niente doorbracht. „Dat was een goed leven in dien tijd, mijnheer! Na vijf uren ’s avonds leefde ieder
[ 0.9150000215, 0.6324999928, 0.4190908968, 0.5092856884, 0.4457142949, 0.5849999785, 0.7433333397, 0.5224999785, 0.5500000119, 0.7866666913, 0.3050000072, 0.7811111212, 0.6833333373, 0.7639999986, 0.8100000024, 0.7450000048, 0.7541666627, 0.675999999, 1, 0.7699999809, 0.819999...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000182.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000126.xml
90 HET MILITAIRE KAMPEMENT. leverancier ontving, om dagelijks rationsgewijze door den fourier te worden uitgegeven. „Nu nog een enkelen blik in een onderofficierskamer.” „Hier logeeren twee inlandsche sergeanten. Aan de ledikanten is dadelijk te zien dat deze heeren ook gehuwd zijn. Kijk maar! vijf, zes kussens van allerlei vorm op één bed, daar houden ze van. Veel kussens getuigt van zeker welvaren. „Ziet ge dat paar kleine nette schoenen? dat spreekt ook in het voordeel van den eigenaar. De Javaansche soldaat ontvangt van het gouvernement geen schoeisel en gaat blootsvoets; den onderofficier is het echter veroorloofd schoenen te dragen. Vaak koopt deze nu voor eigen rekening schoenen en leert daarbij wat Hollandsch. De schoenen hinderen hem wel in het gaan, en laat hij in het veld uit — dat doen veel Europeesche soldaten trouwens ook — en het Hollandsch dat hij spreekt en schrijft, beteekent niet veel, maar het pleit toch voor zijn ambitie. — Bij een inlandsche kompagnie heeft men een dubbel kader onderofficieren, de helft Europeanen.” „Waar zitten toch de vrouwen en kinderen?” vroeg Van Berkenstein. „Overal zie ik er de sporen van, maar behalve njonja Arens ontwaar ik er geen enkele.” „Ik zal ze u aanstonds toonen,” antwoordde de majoor. „Bij andere kompagniën breng ik u maar niet; de Europeanen slapen op kribben, nagenoeg op dezelfde wijs als in Holland.” Eeu aantal kazernen werden voorbijgegaan. Overal stonden de soldaten in de galerijen aangetreden. De officieren der week hielden inspectie over eenig kleedingstuk, of theorie over eenigen tak van dienst. Bij de eene kompagnie, die bijv. ’s morgens had schijfge- schoten, werden de geweren nagezien; bij de andere het ledergoed. Hier oefende men zich in het aanleggen, daar in den velddienst. Uit een enkel gebouw waar de muziek repetitie hield, klonken de tonen van koperen instrumenten; kortom, overal heerschte bedrijvigheid zonder drukte. „Hier zijn wij nu aan het dameskwartier,” sprak de majoor voor een loods stand houdende, die van voren open en met een pannendak overdekt was. „Vroeger moesten de vrouwen en kinderen op de uren van appèl zich ergens ópschieten; ze verborgen zich dan achter de keukens, bij de putten of achter een heg. Tegenwoordig is hun een plaats aan gewezen waar zij zich kunnen ophouden als de toegang tot de kazerne verboden is. Daar! geef uwe oogen nu den kost!” Het was waarlijk een vreemd tooneel dat het inwendige dier loods opleverde. Meer dan tweehonderd vrouwen met hare kinderen krioelden er door elkander. Het had veel van een Zigeuner troep op bivak. De kinderen naakt, de moeders ongekleed. Een sarong tot onder de oksels opgetrokken en met een wrong op de borst vastgehecht, zoodat hals, armen en beenen tot aan de knieën ontbloot waren. Verder niets meer. In dat luchtige kostuum
[ 0.5699999928, 0.7599999905, 0.4777777791, 0.5450000167, 0.5545454621, 0.7112500072, 0.7649999857, 0.6844444275, 0.8071428537, 1, 0.9633333087, 0.8285714388, 1, 0.6800000072, 0.7354545593, 0.453333348, 0.7099999785, 0.7366666794, 0.7642857432, 0.7825000286, 0.4799999893, 0.7...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000211.xml
AMAT EN SEDIA. 151 „Wees bedaard, Selima? Begeef u op staanden voet naar Ardie's woning; zeg hem dat gij verplicht zijt het huwelijk drie maanden uit te stellen. Ga dan naar uwe vrouw en zeg haar, dat gij Ardie niet tot schoonzoon wilt hebben. Als zij zich hoos maakt, deelt gij haar mede dat Sedia den kampong heeft verlaten. Angst zal haar toorn bedaren. Berust zij in hetgeen gij verlangt, dan komt gij weder tot mij. Wellicht breng ik u op het spoor om het meisje terug te vinden.” Een half uur later kwam Selima het adres van Sedia vragen, en ’s avonds na zons ondergang trad de vluchtelinge de ouderlijke woning weer binnen. 27 Mei. Er was iets vroolijks in de lucht; menschen en dieren voelden zich opgewekt. De hanen kraaiden en de kippen tokkelden lustiger dan anders, en de paarden trappelden en sprongen van loutere dartelheid in de kadagon s rond. Vroeger dan gewoonlijk en met meerder zorg gekleed verlieten de kampongbewoners hunne woningen, en begaven zich naar de sawah’s. De volgeladen rijsthalmen bukten onder den last der rijpe korrels en vroegen als het ware om geplukt te worden. Nu, heden zou dit plaats hebben. Ieder was gewapend met een ani-ani (mesje) en babbelend en lachend werden de handen aan het werk geslagen. Geen honderd aren vielen te gelijk door een enkelen sikkelslag — dat zou te veel inspanning zijn en te spoedig gaan — maar zoo be daard en langzaam mogelijk werd halm voor halm met de rechterhand afgesneden en aan de linker overgegeven. Geraakte die hand vol, dan werden de halmen tot een bosje gebonden en ter zijde gelegd op een galangan (dijkje om elke sawah). Dat Sedia van de partij was, sprak van zelf; alle jonge meisjes werkten mede, en ontbraken niet gaarne op het rijstveld. Maar dat ook Amat zich bij het oogstend kampongs- volk had gevoegd, was eerder iets ongewoons te noemen, daar immers zijn werkzaamheden hem te Meester Cornelis riepen. De jongeling zorgde dat hij in de nabijheid van Sedia kwam te staan, ten einde onder het snijden eenige woorden met haar te kunnen wisselen. Zoolang beiden op gelijke hoogte bleven met de overige lieden, namen zij deel aan het algemeen gesprek. Daar zij zich echter niet beijverden om met hen gelijk te blijven, geraakten ze al spoedig een weinig ten achteren. „De Javanen hebben toch wel aardige gebruiken,” zeide Amat, toen hij alleen door Sedia kon verstaan worden. „Ik houd niet van de Javanen,” antwoordde deze gemelijk. „Eh!” riep Amat zacht, „alle Javanen gelijken niet op Ardie.”
[ 0.6700000167, 0.3050000072, 0.5799999833, 0.6700000167, 0.5199999809, 0.7912499905, 0.6999999881, 0.7149999738, 0.5, 0.2399999946, 0.8675000072, 0.4850000143, 0.5799999833, 0.6600000262, 0.667142868, 0.8033333421, 0.7933333516, 0.896666646, 0.8133333325, 0.6111111045, 0.71499...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000155.xml
[ 0.3700000048 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000019.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000030.xml
12 YAV BOORD WAAR WAL. Het raderbootje was intusschen de havenmonding uit en de branding over gestoomd, en zou binnen weinige minuten langs de Prins van Oranje liggen. Alle passagiers bevonden zich thans op het dek, ook bijna het geheele vaste personeel der boot, druk in de weer met het naar boven brengen der goederen die men dadelijk medenam voor de eerste be hoeften aan wal. Mannen, vrouwen en kinderen stonden in groepen bij elkander, de oogen gericht naar liet vaartuig dat met volle kracht naderde. De meesten, vooral zij die voor het eerst de reis deden, verkeerden in een staat van zenuwaclitige spanning. Straks toch zou men den bodem betreden van liet land waar ieder zijn hoop op gevestigd had, waai de een het brood dat hij in zijn moederland niet vond hoopte te verdienen, de ander roem en eer dacht te verwerven, waar deze een aanstaanden levensgezel tegemoet ging, gene weder hereenigd werd met den echtgenoot van wien zij zoolang gescheiden was. Voor Van Berkenstein, die geen reden had om hizonder te verlangen voet aan wal te zetten en dus zijn gewone kalmte bleef behouden, was er een ruim veld om opmer kingen te maken. Daar stond een jonge weduwe, een zuigeling op den arm, een kind aan de hand en vier anderen tegen haar aan. Groote tranen biggelden over de vermagerde wangen, en zichtbaar was zij in droevige gedachten verzonken. Als passagier der tweede klasse rei zende, was mevrouw Wallis gedurende den overtocht bijna niet opgemerkt geworden; toch kende Van Berkenstein hare geschiedenis. Die geschiedenis was o! zoo eenvoudig; niets romantisch en toch treurig. Acht jaar geleden was zij ook hier aangekomen, als de vrouw van een jong, maar veel belovend officier. Toen lachte alles haar toe; hij had haar immers lief en zij aanbad hem. Al moesten zij zich ook in den beginne wat behelpen, zij zou den niet minder gelukkig zijn; honger en koude werd er in Indië niet geleden 1 Nu, zij leerden zich ook behelpen, vooral toen het gezin jaar op jaar toenam, en het militair departement zorg droeg voor een jaarlijksche garnizoensverandering. Van Batavia werd men naar Amboina, van Amboina naar Soerahaija en zoo telkens naar een ander, door gaans ver verwijderd oord geplaatst, Nog meer dan elders, werken in Indië verhuizingen noodlottig op het fmantiëel welzijn van ambtenaren en officieren. Geen wonder dus, dat het aantal koffers en kisten bij elke volgende verhuizing in omgekeerde verhouding kwam tot het aantal kinderen dat mede verhuisde. De moeder hield het hoofd nogtans moedig omhoog; zij klaagde niet. Hare kinderen kon ze immers altijd rijst genoeg geven. Maai den vader drukte de zorg voor de steeds klimmende behoeften; hèm bezorgd te zien, was haar eenige kwelling, een kwelling die steeds toenam. Want door die gedurige overplaat singen had hij, zelfs met inachtneming van de meeste zuinigheid, niet kunnen verhoeden dat er schulden kwamen. Toen werd hij naar het oorlogsveld gezonden. Weldra verkon-
[ 0.7250000238, 0.2199999988, 0.3659999967, 0.25, 0.6825000048, 0.5466666818, 0.697272718, 0.3199999928, 0.5460000038, 0.474999994, 0.8466666937, 0.6000000238, 0.4300000072, 0.9399999976, 0.7287499905, 0.3849999905, 0.6355555654, 0.8199999928, 0.6833333373, 0.5666666627, 0.5914...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000221.xml
UIT HET LEYEV VAN NONNA ANTJIE. 159 Toen Van Berkenstein naar Batavia terugkeerde en in het commensalenhuis van mevrouw Wallis aankwam waar hij zijne kamers had aangehouden, vond hij er zijn reis genoot Leeghancker niet meer. Mevrouw Wallis, daarover ondervraagd, deelde mede dat zij tot haar leedwezen was verplicht geweest dien heer te verzoeken haar hotel te ver laten. — Wat had haar daartoe aanleiding gegeven? — Mijnheer Leeghancker ontving ’s avonds bezoeken, die den goeden naam van haar huis in gevaar brachten. Het was wel mogelijk dat die bezoeken van onschulcligen aard waren, zij mocht die echter niet toelaten. Zij verheugde zich in een steeds toenemend aantal commensalen (nog slechts twee kamers waren onbezet, en zij dacht er over nog eenige vertrekken te laten bijbouwen) en moest zelfs den schijn vermijden van handelingen toe te laten die de overige huisgenooten aanstoot konden geven. Mijnheer Leeghancker had bepaald geweigerd aan haar verlangen te voldoen, was boos geworden en heengegaan. — Waarheen? — Zeker wist mevrouw Wallis dit niet, maar zij had vernomen dat hij een huisje op Passar Baroe bewoonde. „Wat kan Leeghancker bewogen hebben,” dacht Van Berkenstein, „een goed logement te verwisselen voor een bedompte woning te midden van Chineezen en kleurlingen?” Dat die ongeoorloofde bezoeken waarvan mevrouw Wallis sprak op een vrouw doelden, leed geen twijfel. Maar wie was zij, die zooveel invloed op zijn jeugdigen vriend had dat hij om harentwil de betamelijkheid, die hij in Den Haag steeds had in acht ge nomen, geheel uit het oog verloor? Van Berkenstein moest er het zijne van hebben; en toen hij zich door een bad had verfrischt, was zijn eerste gang naar Passar Baroe. Na eenig zoeken en vragen, kwam hij aan een houten woning, waarvan de enge voorgalerij door nederhangende kré’s (gordijnen van dunne reepen bamboe vervaardigd) geheel gesloten was. Geen bediende ziende tot wien hij zich kon wenden, lichtte Van Berkenstein de middelste kré zoover op als noodig was om hem door te laten. Binnentredende zag hij een vuilen, halfnaakten Maleier die met zijn toonen speelde op den grond zitten. „Mijnheer Leeghanker?” vroeg hij. „Tan! (verkorting van tra-tau, alleen verstaanbaar door den toon waarop hel wordt uitgesproken) „ik weet het niet,” antwoordde de bediende met een onnoozel gezicht. Zonder zich langer op te houden met dien man te ondervragen, stapte Van Ber kenstein het huis in, en ging door een smalle gang die de twee zijkamers scheidde, naai de achtergalerij, waar hij veronderstelde dat Leeghancker zich wel zou ophouden. Inderdaad vond hij hem ook daar, maar hoe? In nachtkostuum, kabaai en nachtbroek — het was hallzes in den namiddag — lui en gemakkelijk als een inlander uitgestrekt op een bamboezen rustbank, die overdekt was met een mat en voorzien van een aantal langwerpige kapokkussens, om zijn rug, zijn
[ 0.6200000048, 0.4633333385, 0.3580000103, 0.4300000072, 0.1400000006, 0.5571428537, 0.7433333397, 0.6050000191, 0.3866666555, 0.6690909266, 0.3899999857, 0.791428566, 0.7681818008, 0.9649999738, 0.375, 0.6233333349, 0.6233333349, 0.5133333206, 0.6071428657, 0.5149999857, 0.73...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000010.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000241.xml
45 ACHTTIENDE HOOFDSTUK. Z witserland! wat heb ik gedweept met dat land! Er was een tijd dat ik het heimwee zou gekregen hebben als ik mij niet minstens eens per jaar derwaarts had kunnen begeven; van ongeduld kon ik nauwelijks den zomer afwachten. Mijn gelukkigste uren dank ik aan de omzwervingen in het weinig bewoond hooggebergte van Zwitserland, liefst alleen, zonder reisgenooten, slechts vergezeld van een gids. Dagen lang zwierf ik soms op goed geluk door de Alpen, als mijn geleider zijn bestek was kwijtgeraakt — niet door zijn onkunde, maar omdat ik mij niet stoorde aan zijn raad om een bepaalde richting te volgen, of omdat een geweldige bergstorting elk spoor van het vroeger bestaand pad had uitgewischt. Het is moeielijk een denkbeeld te geven van de ontzaglijke grootheid — zoo geheel afwijkende van hetgeen wij gewoon zijn te aanschouwen — der voorwerpen die in het gebergte uwe aandacht trekken. Eens bijv. kwam ik in een vallei die over een lengte van vier uren gaans gevuld was met groote brokken kalksteen, afkomstig van een bergkam waarvan één tand was losgeraakt en naar beneden gekomen. Wendde men den blik omhoog, dan kon men ternauwernood de plaats zien waar die tand had gezeten. De kam stond onwrikbaar met de tanden dreigend naar boven; zij zou misschien nog duizend jaren vaststaan voordat er een andere tand afbrak en daardoor weer een bergstorting veroorzaakte die een ander ravijn vulde, een bergstroom verlegde of een dorp begroef. Het gebeurde wel dat ik vastliep. Van alle kanten zag ik mij dan eensklaps inge sloten door steile rotswanden; ik kon zelfs den weg niet terugvinden waarlangs ik gekomen was. Voor menschen die gelooven aan berggeesten en aan hun kracht om rotsen als kamer schutten te verzetten, was dat een schoone gelegenheid om angstig te worden. De gids, zelden geheel vrij van bijgeloof, trachtte zich goed te houden, maar sloeg kruis op kruis als hij het ongemerkt kon doen. Na lang zoeken, werd er eindelijk een sleuf of de droge bedding van een bergstroomtje gevonden, waarlangs men naar boven klauterend uit het
[ 0.7549999952, 0.5860000253, 0.4029999971, 0.5400000215, 0.6536363363, 0.6999999881, 0.676666677, 0.6850000024, 0.6962500215, 0.8033333421, 1, 0.8140000105, 0.25, 0.5766666532, 1, 0.8824999928, 0.9433333278, 0.8100000024, 0.8199999928, 0.7742857337, 0.8466666937, 0.777499973...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000278.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000256.xml
188 CONCERT OT HET WATER. dit bezwaarlijk kon geschieden, óf omdat zij dan haar gelaat niet bedekt kon houden. Hoe het zij, ze liet de riemen los, trok haar lichaam zoo ver mogelijk terug en stak het hoofd in de kussens. Dadelijk vatte ik de riemen aan en begon nu van mij af te roeien, voorzeker een vermoeiende arbeid, doch die mij goed deed en den vertraagden bloedsomloop door het lang durig bad herstelde. Na verloop van een kwartier zag ik licht, en bij het naderen van den oever over peinsde ik wat mij te doen stond. Van gemeenschappelijk overleg kon geen sprake zijn; geen woord spreken kwam mij het betamelijkst voor. Te gelijk met mijne onbekende redster aan te leggen, en nog wel in het geïmprovi seerde kostuum van drenkeling, dat ging in geen geval niet. De toestand der jonge dame midden in het meer was reeds pijnlijk genoeg; nabij den oever liep haar goede naam groot gevaar. De gedachte daaraan deed mij, op vijftig vademen van ’t land gekomen, eensklaps besluiten over boord te springen. Te water ontdeed ik mij van de sjaal en wierp die op den voorsteven. Mijne ontstelde redster riep ik toe, voorzichtigheidshalve een eind terug te roeien, en zwom daarop naar wal, waar ik Giuseppo liet ontbieden. De bloedkoralen haarnaald had ik nog tusschen de lippen geklemd toen Giuseppo mij een paar ldeedingstukken bracht.” doen Van Berkenstein ophield met vertellen, zag mevrouw Keremans hem met een vragenden blik aan. Blijkbaar was de geschiedenis hiermede niet uit. Daar Van Berkenstein echter in gedachten scheen verzonken en het stilzwijgen bleef bewaren, vroeg zij: „En nu verder?” „Verder? — O ja, mijn verhaal is nog niet uit, Veertien dagen besteedde ik aan nutte- looze pogingen om de dame in kwestie terug te vinden ten einde haar mijn erkentelijkheid te betuigen. Het was echter een onbegonnen werk, een vraagstuk zonder één gegeven, onoplosbaar, omdat ik hare gelaatstrekken niet aanschouwd had. Het toeval kwam mij echter te hulp. „Op den trein van Camerlata naar Milaan kwam ik in een coupé te zitten tegenover twee dames, moeder en dochter, die in het Italiaansch met elkaar spraken. De stem der jongste kwam mij bekend voor. Ik had die gehoord op een oogenblik dat mijne zintuigen met verdubbelde kracht werkten. Daarop evenwel niet vertrouwende, knoopte ik een gesprek aan met de moeder, in de hoop dat mijn stem door de dochter zou herkend worden. Zij gaf daarvan echter geen teeken. Toen haalde ik de bloedkoralen speld te voorschijn en zeide, dat ik die te Cadenabbia had gevonden. „Dat is uw speld, Julietta!” riep de moeder uit, „die gij op het meer dacht ver loren te hebben.”
[ 0.8933333158, 0.5485714078, 0.2549999952, 0.4699999988, 0.6666666865, 0.6899999976, 0.7027272582, 0.8066666722, 0.6554545164, 0.7549999952, 0.9340000153, 0.3000000119, 0.5699999928, 0.7149999738, 0.4633333385, 0.9075000286, 0.698333323, 0.7766666412, 0.6657142639, 0.4900000095,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000180.xml
130 OP OEN DOODENAKKER. alleen bij begrafenissen zijden hoeden gebruikt, en nooit een nieuwen koopt. Zoo gaat het ook met de rokken van lui die niet uitgaan, al zijn ze ook nog zoo rijk. Ik zag er — bijv. dien van den ouden Tornton — die niet rosachtig, maar letterlijk rood van ouderdom was geworden.” Daar dit Van Berkenstein weinig scheen te interesseeren, wilde Krip juist de ge schiedenis gaan vertellen van iemand aan wiens graf men was genaderd, toen hij uitriep: „Zie eens, een dame! Dat is een ongewone verschijning op deze plaats.” Een jonge Europeesche vrouw vertoonde zich aan den ingang van het kerkhof, en liet zich door den heer De Ficquelmont de richting aanwijzen waarin de pas gesloten graf kelder van Neerbosch zich bevond. Met een hoofdbeweging bedankende, ging zij daarop verder, alleen gevolgd door een vrouwelijke Inlandsche bediende. Een dicht boschje onttrok de heeren aan het gezicht, zonder hun te beletten waar te nemen, dat de dame bij het graf gekomen een bloemenkrans neerlegde, en op de knieën viel om een gebed te doen en den vrijen loop aan hare tranen te geven. Toen zij daarna opstond en het pad insloeg dat haar naar de plaats bracht waar de heeren stonden, ging Van Berkenstein haar te gemoet, en drukte haar zwijgend de hand. Hij had Ernestine herkend. Hare tegenwoordigheid op het kerkhof verwonderde hem niet. „Hij was altijd zoo lief voor mij,” snikte zij. Na eenige oogenblikken vervolgde zij: „Hoe hartelijk ontving hij mij bij mijne aankomst! Een vader kon niet meer voor zijne dochter doen. — Ik ben hem zooveel verschuldigd en nu zal ik nimmer meer de ge legenheid hebben mijne erkentelijkheid te betoonen. — Eergisteren vroeg hij nog met zooveel belangstelling of ik tevreden was, en thans is hij voor altijd van ons weggerukt. „Ja,” zeide mijnheer Krip, „dat gaat hier met stoom. Vandaag nog springlevend, en morgen al begraven.” „ Hij hield zooveel van bloemen,” snikte Ernestine. „Ik zou zoo gaarne zijn graf er mede beplanten.” „Dan kunt gij niet beter doen dan u tot De Ficquelmont te wenden. Hij belast zich daarmede en zorgt voor alle versieringen, ook in marmer; hij heeft veel smaak.” „Dank u,” antwoordde Ernestine, groette, ging nog eenmaal terug naar het graf van Neerbosch, en verwijderde zich toen om te zorgen dat de door den overledene meest geliefde bloemen daar geplant werden. „Zij is waarlijk een buitengewoon lief en hartelijk meisje,” merkte Krip op. „Mijn broer heeft het wel getroffen. Hij moet er zijn vrouw maar van maken.”
[ 0.6333333254, 0.4099999964, 0.1700000018, 0.3458333313, 0.7466666698, 0.5333333611, 0.6676923037, 0.6916666627, 0.5400000215, 0.6499999762, 1, 0.6679999828, 0.8866666555, 0.7114285827, 0.6416666508, 0.5433333516, 1, 0.7633333206, 0.6999999881, 0.9666666389, 0.7850000262, 0....
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000091.xml
GESCHIEDKUNDIGE HERINNERINGEN. 61 16 het zijn dat zijne vrouw nog op hem wachtte, ofschoon hij haar gezegd had niet op hem te rekenen. Hij nam werktuiglijk een sigaar uit den koker, hem door zijn vriend de toko houder aangeboden. „Hoe vindt gij die manilla?” vroeg deze, toen de heeren afscheid namen. „Niet kwaad.” „Zal ik maar een kistje in den wagen laten brengen; vijftig gulden, spotprijs!” „Dat is goed,” zei Krip. Daarop keek de tokohouder Van Berkenstein vragend aan, doch durfde niet verder gaan. Van Berkenstein begreep dien blik wel, maar hield zich of hij dien niet opmerkte. Op het punt echter van in te stappen, wendde hij zich om en gaf zijn wensch te kennen om ook een kist sigaren mede te nemen. In een oogwenk had de mandor twee kisten aan de voeten der heeren in den wagen geplaatst. „Hij heeft zich ons bezoek toch laten betalen,” merkte Van Berkenstein lachend op, toen de wagen huiswaarts reed. „Tokohouder of winkelier, de koopman komt voor den dag.” „Die mijnheer Van Steinenberg of hoe heet hij, komt hier om de een of andere zaak op touw te zetten, daar ben ik zeker van,” sprak de tokohouder bij zich zelven. „Aan hem zal nog wel wat te verdienen vallen.” De stijve boekhouder van de firma Tieleman en G°. op zijn kantoor teruggekeerd, schreef aanstonds in een notaboekje: Van Berkenstein; met den eersten mail naar Den Haag schrijven voor informaties. „Die oude boekhouder,” zei Krip, „dient zeker al dertig jaar bij dezelfde firma en is er de ziel van. Met een inkomen van duizend of twaalfhonderd gulden ’s maancls, rijdt hij met een oude bendy — altijd dezelfde rammelkast — naar en van de stad, woont in een klein bamboehuisje, maakt nooit eenige vertering en blijft toch arm.” „En wat is daarvan de reden?” „Och, hij leeft met een inlandsche vrouw, een goede dikke schommel, moeder van twee rechte staken van jongens; een vrouw die aan het spel verslaafd is en juist al de goede eigenschappen mist die den boekhouder sieren. Hij zorgt er voor, dat de kas van de firma Tieleman en C°. altijd vol, en zij, dat die van den boekhouder altijd leeg is.
[ 0.4933333397, 0.4314285815, 0.8349999785, 0.6700000167, 0.4300000072, 0.3325000107, 0.3333333433, 0.5, 0.4199999869, 0.4133333266, 0.4050000012, 0.7533333302, 0.8625000119, 0.6237499714, 0.7633333206, 0.8675000072, 0.7066666484, 0.8833333254, 0.7425000072, 0.6150000095, 0.860...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000089.xml
GESCHIEDKUNDIGE HERINNERINGEN. 59 men zich lot den Chinees-kleinhandelaar wenden — maar een pikol suiker, een trommel beschuit, of een kistje sigaren wel. Een llescli wijn te vragen zou een beleediging zijn den tokohouder aangedaan, terwijl de bestelling van een kist wijn — ongeveer gelijk staande met een anker — dadelijk aangenomen en aan den mandor, een inlandsch bediende, opgedragen werd. Zoo was het ook niet kwetsend zich een blikje sardientjes, een paar sporen, een dozijn lampekousjes of andere kleinigheden aan te schaffen; men moest het maar weten. Terwijl mijnheer de tokohouder en Krip pratende de toko doorwandelden en Van Berkenstein onderwijl zijne oogen liet rondgaan, kwam men aan een vertrek dat voor bureau ingericht was, doch tevens tot ontbijtkamer diende. Althans om een tafel, waarop zonder eenige symetrie eenige schoteltjes en schaaltjes uitgepakt stonden, zat een zestal heeren, die zich onledig hielden met den inbond, bestaande in rijst, geroosterde kip, broodjes met vleesch enz., te verorberen en daarbij een glas bier of wijn en water te drinken. Die heeren, welke deels tot het toko-personeel behoorden en deels op de kantoren in de huurt werkzaam waren, gebruikten voor de gezelligheid hier hun luncheon gezamenlijk. Zonder hun maal af te breken, groetten zij de nieuw aangekomenen beleefd en noodigden hen uit om aan te zitten, althans een verfrisschenden dronk te nemen. Van Berkenstein bracht het gesprek op den handel; doch dit berouwde hem spoedig, daar hij niets dan klachten hoorde. „Zaken werden er bijna niet meer gedaan,” zeide er een. „Men kon het kantoor wel sluiten,” meende een ander, die hoogst ontevreden een tweede portie rijst op zijn hord schepte. Een oudachtig heer, die er uitzag als een kasboek — met een bleek gelaat vol recht lijnige groeven, en het lichaam gestoken in een ouderwetsch wit pak welks plooien onderling niet minder evenwijdig liepen dan de roode streepen van de boeken waarin hij dagelijks zat te werken — liet een onverstaanbaar gebrom hooren, terwijl hij met zijn hand en schouder een beweging maakte alsof hij een bladzijde omsloeg. „De firma Tieleman en C°. heeft zich anders niet te beklagen,” merkte Krip op. Hetzelfde gebrom duidde toch ontevredenheid aan met den gang van zaken. „Zoolang mijnheer boekhouder van de firma is,” vervolgde Krip, „blij! ik gelooven dat de zaken goed gaan.” Op dit compliment zag de oude heer even van zijn hord op en wierp op den spreker een blik, clie aan twee linialen deed denken welke uit zijne oogen schoten. „De artikelen waarin een tokohouder doet, blijven toch als dagelijksche behoeften altijd gevraagd,” zeide Van Berkenstein.
[ 0.4113333225, 0.3249999881, 0.7900000215, 0.7599999905, 0.7124999762, 0.2666666806, 0.4699999988, 0.5668181777, 0.6800000072, 1, 0.5849999785, 0.8733333349, 0.6940000057, 0.5728571415, 0.8799999952, 0.6442857385, 0.5811111331, 0.7049999833, 0.9100000262, 0.6816666722, 0.66857...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000106.xml
74 EEN RECEPTIE BIJ DEN LEGERKOMMANDANT. en bij de vrienden en kennissen rondgaan, om wat geld bijéén te brengen. Als gij van uw kant hetzelfde zoudt willen doen, dan kunnen we morgen de zaak verder bespreken. Ik zou wel zeggen, van avond; maar dan moet ik met mijne vrouw naar de receptie van den leger- kommandant.” „Goed! dan vind ik u daar.” „Kent gij den generaal?” „Ik ontmoette hem onlangs, en heb zijn beleefde uitnoodiging om hem eens op te zoeken, niet afgewezen.” „Opperbest! tot van avond dan. — En wanneer komt gij nu het militair kampement eens met een bezoek vereeren?” vroeg de majoor. „Of hebt gij al genoeg van de soldaterij,” liet hij lachend volgen, „nu ge bij een gedeelte van het morgenrapport geassisteerd hebt, en een blik sloegt in het leven van een Sidin en een Kariman?” „Integendeel, ik blijf mij zeer aanbevelen om onder uw geleide kennis met de sol datenwereld te maken. Bepaal slechts dag en uur.” „Nu dan, overmorgen tegen negen uren. Schikt u dat?” „Ik zal present zijn, majoor!” antwoordde Van Berkenstein, opstaande en de militaire positie aannemende. „Bravo! ik maak u mijn kompliment. Gij hebt zoo even goed opgelet. — Nu gaan we er dadelijk op uit, om voor het gezin te zorgen van mijn braven vriend Wallis.” Van Berkenstein reed naar het Marine-hotel terug en bestelde een beteren wagen. Daarna droeg hij Wongso op, om het huisje van mevrouw Wallis in kampong Kemajoran te laten herstellen en alles aan te koopen wat er van het onmisbare huisraad mocht ont breken. Hij stelde hem vijftig gulden ter hand, met toezegging van een goede helooning als hij de commissie behoorlijk volbracht. — Wij hebben reeds gezien hoe Wongso zich van zijne taak kweet. Na zich een weinig verfrischt te hebben, stapte Van Berkenstein in den wagen en beval den koetsier hem naar de woning van den heer Tornton te brengen. Zooals te verwachten was, vond hij de heeren — vader en zoon — niet te huis; daarom schreef hij zijn naam op het leitje dat de bediende hem voorhield en liet hij zich bij de dames aan dienen. Minder uit sympathie voor mevrouw De Graaf, dan in het belang van Ernestine Van Rosendal had Van Berkenstein een veertien dagen geleden al een beleefdheidsbezoek ten huize van de Tornton’s gebracht. In het belang van mejuffrouw Van Rosendal. Want dat er van haar kwaad zou gesproken zijn, begreep Van Berkenstein zeer goed, en zooveel het in zijn vermogen was wilde hij, zonder mevrouw De Graaf te kwetsen, den ongunstigen
[ 0.5950000286, 0.6100000143, 0.6474999785, 0.5099999905, 0.2866666615, 0.6725000143, 0.5550000072, 0.5899999738, 0.8000000119, 0.7225000262, 1, 0.6366666555, 0.7244444489, 0.9200000167, 0.8366666436, 0.6899999976, 0.6016666889, 1, 0.7850000262, 0.4833333194, 0.8100000024, 0....
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000225.xml
UIT HET LEVEN VAN NONNA ANTJIE. 163 „De geheime politie schijnt goed georganiseerd te zijn,’ zeide Van Berkenstein lachend, den binnentredende de hand toereikend; „ik maak u mijn compliment. „Dat compliment verdien ik niet,” antwoordde Krip. „In de buurt zijnde, reed ik hier even aan om te vragen of er ook iets van uw terugkomst bekend was, en zoo vernam ik dat gij van middag waart teruggekeerd. — Het landleven schijnt u geen kwaad gedaan te hebben.” „Integendeel; maar vóór alles bedank ik u zeer voor uwe hulp om mij in kampong Kolot bij den braven Aliman onder dak te brengen. Ik heb het uitstekend goed gehad, zeker ten gevolge van uwe aanbeveling.’ „Om u de waarheid te zeggen,” zeide Krip, „dacht ik dat gij het geen acht dagen in den kampong zoudt hebben uitgehouden. Ik hield het verlangen om u af te zonderen voor een gril die gauw voorbij zou gaan, en gij bleeft langer dan twee maanden weg. „Mijn verblijf in den kampong zal mij steeds een aangename herinnering schenken; ik heb er mij geen oogenblik verveeld. — En welk nieuws te Batavia?" „In de eerste plaats heeft uw plotseling verdwijnen de nieuwsgierigheid zeer opge wekt. Men sprak over niets anders.” „Zeer gevoelig.” „Met mijne verklaring dat gij naar de binnenlanden waart vertrokken, was men maar ten halve tevreden; doch zooals hel gaat, na verloop van eenige dagen werd er niet meer over gesproken.” „Hoe maakt het mevrouw Krip?” „Naar omstandigheden wel; dank u, wij zijn in afwachting van de groote gebeurtenis.” „En verder geen nieuws?” „O ja! er zijn een paar treffende sterfgevallen, ik geloof niet dat gij de lui gekend hebt; en dan zijn er een tal van benoemingen ophanden en daarmede gepaard gaande ver plaatsingen. Men zegt dat in Madioen ” „Gij weet dat die zaken mij tamelijk koud laten, ten minste als er geen bepaalde kennissen bij betrokken zijn.” „Dan schijnt de regeering het ernstig te meenen met de invoering van het indivi dueel landbezit.” „Zoo!” antwoordde Van Berkenstein op den meest onverschilligen toon. „Verder — laat eens zien — verder heeft mevrouw Neerbosch haar inboedel ver kocht — een prachtige vendutie — en is daarna naar Holland vertrokken. Zij heeft Ernestine Van Bosendal aangeboden haar als gezelschapsdame te vergezellen, onder voorwaarde dat zij over twee jaren weer haar overtocht naar hier zou betalen, daar het verblijf in Holland haar toch wel niet zou bevallen; maar Ernestine heeft bedankt.”
[ 0.3633333445, 0.6666666865, 0.3459999859, 0.4399999976, 0.6460000277, 0.6842857003, 0.6399999857, 0.8866666555, 0.7014285922, 0.8014285564, 0.5642856956, 0.6150000095, 0.5346153975, 0.6750000119, 0.7466666698, 0.8640000224, 0.4699999988, 0.7672727108, 0.8262500167, 0.9533333182...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000250.xml
184 CONCERT or HET WATER. „Neen, bepaald gezegd niet. Maar toen gij ons vroegl: van welk land wij het liefst hooren spreken, antwoordde Ernestine: Van Italië.” Van Berkenstein hield zoolang en met zooveel ernst, de oogen onbeweeglijk op Ernestine gevestigd, dat het meisje er min of meer verlegen onder werd. Juist wilde mevrouw Keremans over een ander onderwerp gaan spreken omdat de stilte hinderlijk begon te worden, toen Van Berkenstein nog eens uitriep: „Italië! gij wilt iets hooren van Italië? Welnu, ik zal u een zonderling avontuur verhalen, waarvan totnutoe nimmer één woord over mijne lippen kwam.” Die inleiding en de toon waarop het gezegd werd, was zoo ongewoon en veelbe lovend, dat de beide dames in gespannen verwachting en zonder meer te spreken zich tot toeluisteren zetten. Het scheen evenwel dat de verhaler tijd noodig had om zijne gedachten te verzamelen; er verliepen althans nog eenige minuten voor dat hij met zijn vertelsel begon. „ Het was heet geweest dien dag, zoo heet dat ieder die niet verplicht was uit te gaan, rustig in zijn huis bleef. „Nauwelijks verdween de zon achter het gebergte dat Cadenabbia in den rug dekt, toen een zacht briesje de oppervlakte van het azuurblauwe water rimpelde en eenige ver ademing bracht in de totnutoe bijna verstikkende atmosfeer. Van alle kasteelen, villa’s en dorpjes aan den oever van het Como-meer gelegen, staken sloepen en booten af, sommige zoo rank en vlug, dat zij van verre op watervogels geleken. Elk vaartuigje voerde een vlag, die de natie aanduidde waartoe de eigenaar behoorde. Veel bootjes waren zoo klein, dat er slechts plaats in was voor één persoon. Weldra geleek het meer een uitgestrekt plein, dat tot wandelplaats diende. Niet zonder moeite de loomheid afschuddende die zich van mij had meester gemaakt, verliet ik het balkon om de algemeene beweging te volgen. Met zijn onveranderlijken lach op het gelaat stond Guiseppo gereed om achter mij in de sloep te stappen; doch niet in een stemming om zijn vroolijk gesnap aan te hooren, wees ik zijn gezelschap af en gleed, na eenige forsche slagen met de hagelwitte riemen, pijlsnel over het meer. Dien avond verzamelde de Comosche beau-moude zich bij het kasteel Cerbelona, eenig door zijn schoone ligging, door zijn park zoo rijk aan tropische gewassen, natuurlijke en kunstgrotten. Om een korps muzikanten dat een concert te water gaf, verzamelde zich het elegante en minder elegante publiek, om te zien en te luisteren, om bezoeken af te leggen en afspraken te maken. „Vreemdeling onder al die vreemden, gaf ik, op eenigen afstand van het centrum, een tijd lang vrij spel aan de gewaarwordingen die de Italiaansche muziek, het eigenaardige
[ 0.7733333111, 0.637142837, 0.3849999905, 0.7333333492, 0.4983333349, 0.6549999714, 0.5885714293, 0.7400000095, 0.6499999762, 0.6675000191, 0.8575000167, 0.5299999714, 0.7400000095, 0.5885714293, 0.7566666603, 0.6999999881, 0.8575000167, 0.6600000262, 0.8166666627, 0.7233333588,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000005.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000178.xml
128 OP OEN DOODENAKKER. Ja, die gelijkvormige met groen en bloemen gelooide bedden, die marmeren steenen, die monumenten van ijzer en brons welke zich hier en daar boven de treurheesters ver hieven, alles wat in den eersten blik door het oog werd opgevangen, getuigden er voor. Doch evengoed kon men het een tuin of park noemen, zoo smaakvol was de aanleg, zoo rijk aan afwisseling en groepeering van opgaand geboomte, vreemde heesters en welriekende bloemen. Was de overgang van de donkere lanen en laatstelijk de duisternis die onder het dak van het voorportaal heerschte, zoo in het voordeel van het kerkhof, of werd toevallig het wolkendek iets doorzichtbaarder en stroomde er meer zonlicht door? Hoe het zij, de aanblik op dien doodenakker had waarlijk niets droevigs. Hier deelden de vogels niet in den angst voor een naderend gevaar; want lustig vlogen ze rond, zochten voedsel voor hun piepende jongen en brachten het naar de nestjes die nooit gestoord werden. In een halfgedolven graf stonden een paar ïnlandsche arbeiders, wier hoofden alleen zichtbaar waren, vroolijk te praten; buiten den kerkhofmuur vielen telkens geweerschoten van soldaten die op het schietterrein werden geoefend; kletterend sloegen de kogels tegen de schijven, en opwekkend weergalmden de hoornsignalen door den omtrek. Langzaam wandelde Van Berkenstein het kerkhof rond. Op zijne reizen had hij nooit nagelaten van eenige stad die hij bezichtigde, ook de laatste rustplaats der inge zetenen te bezoeken. Behalve de vermaardheid van sommigen, trokken de kerkhoven hem in het algemeen aan. Daar zocht en vond hij vaak de hoofdtrekken van het volkskarakter, de overeenkomstige begrippen over leven en dood van verschillende volken; hij vergeleek de uitingen van droefheid, berusting en vereering, en vond die zoo gelijk bij menschen van de meest uitéénloopende begrippen over godsdiensten. Voor hem was een wandeling over een kerkhof wat een ander door het bijwonen van een godsdienstoefening zocht te bereiken, een uur van stille afzondering, van ernstige overdenking, van herinnering aan de broosheid van het leven. Voor hem was die wandeling een terugblik op de reeds afgelegde levensbaan. Dan traden van zelven de schimmen te voorschijn van allen die hij had liefgehad en heen gegaan waren, de beelden zijner ouders, van een broeder, van menigen vriend. Hier, op Batavia’s kerkhof, trof hem in zoo verre niets vreemds. Zij die daar rustten, waren voor het grootste deel landgenooten; en de wijze waarop zij in hunne laatste rustplaats waren neergelegd, verschilde niet van den aangenomen regel in het moederland. Ofschoon dit kerkhof niets geleek op een Hollandsche begraafplaats, kon men er niettemin zeker van zijn dat de laatste gedachte van eiken bewoner van dit vreedzaam oord was gewijd geweest aan den dierbaren geboortegrond, de laatste verzuchting: ach! dat ik daar maar kon sterven! Bij eiken stervende had, op het oogenblik van heengaan, de liefde tot liet vaderland het sterkst gesproken.
[ 0.6499999762, 0.4900000095, 0.3433333337, 0.4824999869, 0.8633333445, 0.7266666889, 0.6592307687, 0.5166666508, 0.7779999971, 0.9100000262, 0.7585714459, 0.6937500238, 0.8371428847, 0.7233333588, 0.6662499905, 0.6262500286, 0.926666677, 0.7710000277, 0.1466666609, 0.7179999948,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000207.xml
AM AT EN SEDIA. 149 25 Mei. Seclia treuzelde met het overtellen en samenvoegen van het waschgoed. Ik hoorde haar een paar malen zuchten. Zeker deerde haar iets, want geen lachje speelde om hare lippen. Mijn medelijden met het bedroefde kind was opgewekt, en toen zij eindelijk wilde weggaan, vroeg ik wat haar deerde. Het antwoord was een nieuwe zucht. „Heeft Sedia de tjenella’s (muilen) niet kunnen verkoopen?” Dat was het niet. „Sedia heeft verdriet; haar hart is ziek.” Maagdelijke schaamte belette haar dit te bekennen; doch eindelijk kreeg ik het ver haal van haar leed. Ardie, die gruwelijke man met zijn Lampongschen aap, wilde haar huwen en had haar ouders driehonderd gulden als bruidschat aangeboden, behalve honderdtachtig gulden voor de tsedekah (het bruiloftsfeest). Hoe ingenomen ook met Ardie’s vaardigheid in het uitdenken en vervaardigen van speelgoed, had Selima niettemin het aanbod van de hand gewezen, omdat Ardie een Javaan was. Daarentegen had Ma Seimoen, belust op den bruid schat, haar echtgenoot weten te bepraten om — als Ardie op zijn verzoek terugkwam — vijfhonderd gulden te eischen. Voor die som kon zij een gouden buikband, diamanten oor bellen en wat niet al meer koopen. Altijd nog onwillig, liet Selima zich nochtans overhalen dien ongehoorden eisch te doen, omdat hij vertrouwde dat Ardie zooveel geld niet bezat. Heden was Ardie andermaal bij Selima geweest en had geen zwarigheid gemaakt om vijfhonderd gulden te geven; van avond zou hij het geld brengen, waarna Sedia hem de sirih moest aanbieden. De sirih? Ja, de sirih, dat was zoo het gebruik, om aan te toonen dat de verloving had plaats gehad. „Welnu!” riep ik, „bied Ardie geen sirih aan, dan komt er van zeil niets van het huwelijk.” Verbaasd zag Sedia mij aan, en zeide: „Dat kan niet, toewan! mijne ouders hebben het voorstel van Ardie immers aangenomen!” Ik had iets zeer dwaas gezegd, dat begreep ik wel. Het denkbeeld van een weige ring komt nooit bij een inlandsch meisje op. Zij behoort aan hare ouders, zoolang deze haar niet hebben uitgehuwelijkt. Besluiten de ouders hare dochter te laten trouwen, dan vraagt men niet of het haar bevalt. Zij heeft in die zaak geen stem. Norina deelde mij later mede dat de jonge vrouw — als zij tegen haar zin getrouwd is — den dag na de voltrek king van het huwelijk scheiding kan vragen, maar vóór dien tijd blindelings moet gehoorzamen. 38
[ 0.3600000143, 0.2800000012, 0.3050000072, 0.6233333349, 0.6000000238, 0.1899999976, 0.6075000167, 0.6083333492, 0.6166666746, 0.9533333182, 0.7266666889, 0.6320000291, 0.4449999928, 0.6445454359, 0.6233333349, 0.7766666412, 0.6439999938, 0.5699999928, 0.6866666675, 0.6575000286...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000111.xml
EEN RECEPTIE BIJ REN LEGERKOMMANRANT. 77 20 „U zegt jonge weduwe; had gedacht mijnheer Van Berkenstein wil misschien trouwen met juffrouw Van Rosendal.” Van Berkenstein zag vreemd op. Meende men soms dat zijne pogingen om de weduwe te helpen, niet vrij van eigenbelang waren? Glimlachend antwoordde hij: „Aan trouwen heb ik nooit gedacht, mevrouw! noch met een weduwe, noch met een der jonge dames van boord.” „Zij toch een lieve meisje, die nonna Van Bosendal.” „Een heel lief meisje,” verzekerde Van Berkenstein. „die ik een goeden echtge noot toewensch.” Aan de table d’höte in het Marine-hótel vertelde Van Berkenstein aan zijn reisge noot, hoe hij zijn dag besteed had. Kapitein Stam, die iets van het verhaal had opgevangen, nam een stuk geld van twee en een hal ven gulden uit zijn zak en legde het met een slag voor het couvert van Van Berkenstein, met luider stemme zeggende: „Voor een arme weduwe heb ik altijd nog wat over." Dit trok natuurlijk de aandacht. Men vroeg wat er aan de hand was, en dank aan de populariteit van Van Berkenstein tastten de kapiteins Lat, Plank, Balk, en zelfs een paar nieuw aangekomen koopvaardijmannen, in hun zakken en gaven één, twee of drie guldens, elke gift gepaard doende gaan met een woord, als: „Daar weten de reeders niets van.” „Als ik naar de grondvergadering ga, heb ik er toch niets aan." „Ziezoo! nu ga ik te voet naar de komedie.” „Wordt mijn vrouw weduwe, dan zal ze ook wel geholpen worden.” Hoewel het geenszins in het plan van Van Berkenstein lag, om op die wijze geld in te zamelen, meende hij het toch niet te kunnen weigeren, vooral nu men geen naam vroeg. In den avond van dienzelfden dag kon men een aantal rijtuigen op den hoek van het Waterlooplein den weg zien inslaan, die over de Hertogsbrug naar het Koningsplein leidt. De woning van den militairen kommandant, gelegen aan het begin eener laan met welriekende Kananganboomen beplant, links latende liggen, volgden die rijtuigen den weg die onder hel loof van hooge Kanaries met een bocht langs een dicht boschje liep, en hielden stil voor het huis van den kommandeerenden generaal. Waren de personen er uitgestegen, dan gingen de leege voertuigen stapvoets naar de daarvoor bestemde plaats, op zijde van het park. Omstreeks negen uren was er een even talrijk als aanzienlijk gezelschap vereenigd ten huize van zijn Excellentie den generaal kommandant van het leger. De groote zaal leverde een verrassend schoonen aanblik. Van de kristallen gaskronen,
[ 0.4600000083, 0.6537500024, 0.2366666645, 0.4233333468, 0.5475000143, 1, 0.1949999928, 0.3799999952, 0.4449999928, 0.5460000038, 0.6142857075, 0.5233333111, 0.5785714388, 0.6075000167, 0.7633333206, 0.6509090662, 0.7966666818, 0.7900000215, 0.678571403, 0.9933333397, 0.646250...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000144.xml
102 I)E ASSISTENT-RESIDENT VAN POLITIE. „Kirdja paksa (of krakal) is letterlijk „gedwongen arbeid”. Om pleinen, binnenwegen, slooten en grachten behoorlijk te onderhouden, heeft men dagelijks veel handen noodig; daarvoor gebruikt men de menschen die wegens kleine delicten tot lichte straffen zijn ver oordeeld. Met hen eenvoudig op te sluiten zouden zij voorzeker meer gediend zijn, want een gevangenis waarin men dag en nacht kan slapen heeft niets afschrikwekkends voor den Inlander; doch met hen aan de publieke wegen te laten arbeiden is de regeering ge diend. Hoewel onze straffen in de oogen der Inlanders niet onteerencl zijn, hebben zij toch weinig sympathie voor kirdja paksa; vooral Chineezen en Arabieren zijn er bang voor, de eersten omdat zij hun tijd beter kunnen besteden, de laatsten omdat zij zich schamen. Als ze aan den weg moeten werken, zullen zij ook nooit nalaten zich eerst van hun tulband te ontdoen.” „Tot hoever strekt uwe bevoegdheid zich uit?” „De straffen die de assistent-resident van politie kan opleggen, bepalen zich tot een maand gevangenis, drie maanden dwangarbeid aan de openbare werken met den kost zonder loon, en hoogstens tien gulden boete. Vroeger kon hij tot twintig rottanslagen en drie dagen blokarrest geven, maar dit is afgeschaft. Belangrijke diefstallen en moorden breng ik voor den landraad of omgaanden rechter.” „Nog één vraag, mijnheer Krip! Welke menschen waren het, die de zitting bij woonden op gindsche banken?” „Dat zijn de distriktshoofden. De afdeeling Batavia is in distrikten verdeeld, waarvan elk zijn hoofd heeft, dat verantwoordelijk is voor de goede orde en alles moet opmerken wat er in strijd met de voorschriften voorvalt. Voor het Europeesch gedeelte der bevolking zijn er bovendien nog in eenige distrikten schouten, zoowat gelijkstaande met commissarissen van politie. De Inlandsche distriktshoofden en onderhoofden dragen den titel van kommandanl en adjudant en bemoeien zich alleen met zaken van Inlanders, de schouten met die van Europeanen en verder met alle politiezaken. De Djaksa is de Inlandsche officier van justitie. Men onderscheidt de hoofden soms van elkaar door bij hun titel een woord te voegen dat hun werkkring aanduidt. Zoo heet bijv. de Djaksa die de politierol voorleest „Djaksa-rol.” en een andere die belast is met het innen van verpondingsgelden en vervolgen van achter stallige belastingschuldigen „Djaksa-verponding.” „Ik zag er één met een hooghartig uiterlijk,” merkte Van Berkenstein op. „die mijn aandacht trok; een mager man met een Willemsorde en expeditiekruis op de borst. Wie is dat?” „ O! dat is Bara-Oedin, een flinke kerel. Gij moet weten dat — misschien wel gedurende een eeuw — de betrekkingen van kommandant, djaksa, enz. vervuld worden
[ 0.5666666627, 0.3100000024, 0.5344444513, 0.2566666603, 0.7162500024, 0.7728571296, 0.8740000129, 0.6399999857, 0.6285714507, 0.4449999928, 0.67900002, 0.6769999862, 0.6737499833, 0.5049999952, 0.8162500262, 0.6716666818, 0.5157142878, 0.5849999785, 0.6600000262, 0.7110000253, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000240.xml
176 CONCERT OP HET PLEIN. „Of clat een troep wilde zwijnen u den weg verspert, of een koningstijger onge vraagd in den wagen springt,” vulde Yan Berkenstein aan. „Minder prettige avonturen," antwoordde mevrouw Keremans, „die trouwens zeer zeldzaam zijn en alleen op afgelegen wegen nog voorkomen. Neen! ik bedoel avonturen van minder gevaarlijken aard, die u toch afleiding bezorgen en soms aangename herin neringen nalaten. Ik ben er zeker van, mijnheer Van Berkenstein! dat gij meer dan eens ontmoetingen op reis hadt die een hoofdstuk in een roman konden uitmaken.” „Als men genegen is de romantische zijde van het leven te zoeken, is het niet eens noodig op reis te gaan,” luidde het antwoord. „!k wil evenwel niet ontkennen dat mij op reis meermalen avonturen zijn bejegend, die ik tehuis niet zou ondervonden hebben, en waarin een goed schrijver misschien stof genoeg zou vinden om er een boeiend hoofdstuk van te maken.” „Misschien zult gij mij wel kinderachtig vinden, mijnheer Van Berkenstein! maar ik hoor nog even gaarne vertellen als toen ik een klein meisje was. Wij zitten hier nu zoo gezellig en ongestoord, dat ik mij niets prettiger kan denken dan een reisverhaal aan te hooren.” Van Berkenstein glimlachte en verklaarde zich bereid iets van zijne reizen te vertellen. „Van welk land hoort gij 't liefst spreken?” vroeg hij. „Van Zwitserland,” riep mevrouw Keremans. „Van Italië,” zei Ernestine bijna gelijktijdig. „Moet het onderwerp van vroolijken of ernstigen aard zijn?” „Dat laten we geheel aan u over. Wat gij ook voordraagt, gij zult aandachtige toehoorders aan ons hebben. — Laat ik u eerst nog een kopje thee inschenken.” Van Berkenstein tuurde eenige oogenblikken naar buiten om zijn geheugen te raad plegen, en begon daarna op natuurlijke wijze te spreken.
[ 0.7533333302, 0.6071428657, 0.4300000072, 0.6066666842, 0.4166666567, 0.4099999964, 0.7549999952, 0.7966666818, 0.6639999747, 0.8500000238, 0.6157143116, 0.5, 0.9399999976, 0.7966666818, 0.6855555773, 0.6700000167, 0.9700000286, 0.8023076653, 0.8700000048, 0.7066666484, 0.689...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000148.xml
106 DE ASSISTENT-RESIDEHT YAN POLITIE. kedjineman of bewaker. Die kedjineman's ontvangen hunne orders van den schout, die hier ook woont — in dat huis — en doen behoorlijk hun dienst; want van ontvluchtingen hoort men zelden. Het is trouwens niet gemakkelijk voor gevangenen die wegloopen, om hun negorij te bereiken, daar zij meestal van de buitenbezittingen komen en niet over zee weg kunnen zonder door de politie ontdekt te worden.” „Het aantal gevangenen is niet groot,” merkte Van Berkenstein op. „Gemiddeld zijn hier achthonderd tot duizend dwangarbeiders.” „Waar zitten die dan?” „Overal; vijftig of zestig in het groot militair hospitaal en even zóóveel in den geweermakerswinkel om het grove werk te doen, zóóveel bij den gouverneur-generaal en resident om hel erf schoon en den tuin in orde te houden, kortom van ’s morgens tot ’s namiddags verspreid over alle gouvernements-etablissementen van Batavia. Alleen ’s avonds en ’s nachts zijn alle gevangenen hier bijéén.” „Wat waren dan wel hunne misdaden? Stellig niet van veel beteekenis, als ze zoo weinig bewaking vereischen.” „Nogal kapitale, veelal diefstal met inbraak, moord ’ „En gij laat moordenaars op uwe erven rondloopen! ?’ „Met de grootste gerustheid. In den regel gedragen zij zich ordentelijk en veroor zaken hunne bewakers weinig last. Al die veroordeelden zijn hoogst schadelooze wezens; hun moreel is geknakt, zij voelen te veel hun verlaten toestand, ver van hun land, onder vreemden bij wien zij geen steun vinden. Overeenkomstig het karakter van de meeste Oosterlingen onderwerpen zij zich aan het noodlot. En wat hunne misdaden betreft, omdat zij zich eens gewroken hebben over een beleediging of verongelijking, door in drift iemand een krissteek te geven, zijn zij nog geen moordenaars van beroep!” „En zij die een ijzeren ring om den hals dragen?” „Dat zijn de veroordeelden tot dwangarbeid „in de ketting”, de eigenlijke ketting- gangers. Als onze rechters eens zeer streng willen zijn, passen zij die straf toe. De inlander hecht er evenwel die bijzondere waarde niet aan, omdat hij voor het overige op dezelfde Avijs behandeld wordt als zijn lotgenoot zonder ring. — Voor het gouvernement is het een geluk dat de. gevangenissen nooit leeg zijn, want ik weet niet hoe men het in sommige gevallen stellen zou zonder dwangarbeiders. Bijvoorbeeld, een militaire troep op expeditie kan er niet zonder. De dwangarbeiders vergezellen de soldaten in liet vuur, terwijl de vrije koelies doorgaans hunne vrachten wegwerpen en zich verbergen zoodra de kogels beginnen te fluiten. Talrijk zijn de voorbeelden van moed, volharding, toewijding en trouw van ket- tinggangers op expeditie; en het is volstrekt geen zeldzaamheid dat zij voor hun gedrag
[ 0.8100000024, 0.4900000095, 0.5199999809, 0.3133333325, 0.4837499857, 0.601000011, 0.4050000012, 0.6837499738, 0.8799999952, 0.7799999714, 0.6244444251, 0.4860000014, 0.6933333278, 0.5400000215, 0.6533333063, 0.5914285779, 0.8266666532, 0.8000000119, 0.7566666603, 0.5139999986,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000025.xml
EEN KOUDE DECEMBERDAG. 7 niet voordat hij eerst zijne sigaar behoorlijk aangestoken had aan het waskaarsje, dat op een oud-Chineesch blakertje de ronde had gemaakt. „Eens rondkijken, droge rijst leeren eten, Maleisch babbelen met zwartoogige nonna’s, tamarinde zien groeien, kortom zoowat hetzelfde wat ik overal elders uitvoer als ik op reis ben.” „En gij wilt overmorgen al weggaan?” „Ja; er is geen enkele reden om mijn vertrek uit te stellen. Over acht dagen vind ik te Napels de Hollandsclie boot, die voor een paar dagen van Nieuwediep is vertrok ken; en mocht ik daar geen plaats meer vinden, dan zal de Fransche mailboot mij wel opnemen.” „Zeg eens, Van Berkenstein! heeft de Minister van Koloniën je soms met een ge heime zending belast? Kom er dan maar voor uit; we zullen het niet verder vertellen.” „De Minister weet van mijn plan evenveel als gij voor een kwartier uurs.” „Van Berkenstein gaat zeker woeste gronden koopen, om zich naar hartelust aan het jachtgenot te kunnen wijden. Ik recommandeer mij voor een mooi tijgervel.” „Of hij stapt te Atjeh af, om nog eerst een paar kogels te wisselen met Polima of Panglima, of hoe dat halsstarrige hoofd ook heet. Zonder bepaald plan zult ge toch niet naar de Oost gaan,” zeide weer een ander, toen Van Berkenstein op al die vragen ontkennend het hoofd schudde. „Toch is het zoo,” antwoordde hij; „op het oogenblik heb ik geen ander doel dan waarmede ik gewoonlijk op reis ga; afleiding zoeken, opmerken, gevolgtrekkingen maken. Ik begin met naar Batavia te gaan; waar ik later te recht kom, weet ik zelf nog niet. Ver leden jaar ging ik van huis met plan de Pyreneën te doorkruisen, en twee maanden later dronk ik koffi hij den vorst van Montenegro. ’ Vau al de aanwezigen scheen niemand zoo getroffen door het nieuws van Van Berkenstein’s reisplan, dan Leeghancker. Voor hem toch was Van Berkenstein de zon, waarom hij als een trouwe satelliet op een eerbiedigen afstand zich bewoog. Dat er tus- schen hen, bij het groote verschil van leeftijd, karakter en vorming, geen vriendschap be stond, sprak wel van zelf; doch Van Berkenstein hield rekening met het goede hart van den jongen man, behandelde hem altijd vriendelijk, en duldde zijn gezelschap niet alleen, maar voorkwam ook dikwijls dat men een loopje met hem nam; kortom Van Berkenstein was in zeker opzicht zijn beschermer. En nu vernam Leeghancker zoo onverwacht dat deze wegging, en voor hoe lang? misschien wel voor een jaar, misschien voor altijd. „Hoe is liet?” sprak Stoll hem toe, „waarover zit je te denken? Wil je soms ook naar Batavia?”
[ 0.5299999714, 0.6299999952, 0.5124999881, 0.3899999857, 0.6850000024, 0.7099999785, 0.5633333325, 0.4939999878, 0.5320000052, 0.5366666913, 0.6700000167, 0.6236363649, 0.6999999881, 0.7466666698, 0.7166666389, 0.8172727227, 1, 0.3249999881, 0.6666666865, 0.6430768967, 0.70444...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000059.xml
DE EERSTE DAG TE BATATIA. 35 „Jawel, onder anderen mevrouw De Valk, mevrouw De Graaf... „Mevrouw De Graaf van Cheribon?” „Ik meen ja; haar man heeft een suikercontract. Zij was de dame bij wie ik mij gedurende de reis aansloot.” „Dat is Mietje De Graaf; ik wil haar vandaag nog opzoeken. Waar logeert ze?” „Dat zou ik u niet kunnen zeggen.” „Hé! weet gij dat niet, dat is vreemd! en gij behoordet tot haar gezelschap?” „Onze verhouding was in den laatsten tijd niet... intiem,” zeide Ernestine; en om het gesprek op iets anders te brengen, begon zij de diamanten knoopjes van mevrouws morgenkleed een wel verdienden lof toe te zwaaien. Hoewel dat de eigenares streelde, dacht deze toch bij zich zelve: „Er is zeker wat voorgevallen aan boord, ik wil er het mijne van hebben. Mietje De Graaf logeert stellig bij de Tornton’s.” Terwijl mijnheer Neerbosch een dagblad inzag, werd er nog over allerlei zaken gesproken. „Uw naam staat reeds in de courant,” zei mijnheer, de lijst der aangekomen pas sagiers doorloopencle. „Wie zijn de heeren Van Berkenstein en Leeghancker? Die namen heb ik in Indië nog nooit gehoord.” „Die heeren komen hier voor hun genoegen,” antwoordde Ernestine. Het ontging mevrouw niet, dat haar logée een oogenblik kleurde. „Voor hun genoegen!” riep mijnheer uit, „dan zullen ze ook niet lang blijven. De verveling zal hen spoedig wegjagen. Die hier niets uitvoert, houdt het geen maand uit.’ „Mijnheer Van Berkenstein wil land en volk bestudeeren. Hij heeft in Europa al veel gereisd, en zegt dat hij zich schaamt als volksvertegenwoordiger onze koloniën niet te kennen.” „Dat mag ik hooren. Ik zou zelfs bij de wet willen voorgeschreven hebben dat, zoolang Indië zelve geen vertegenwoordigers naar de Tweede Kamer zendt, ieder lid dier Kamer verplicht was eenigen tijd hier door te brengen. — Maar ik verpraat mijn tijd, ik moet mij gaan kleeden. ’ Een kwartier later kwam de wagen voor, die mijnheer Neerbosch naar zijn kantoor in de stad bracht. Het klepperend geluid van een rateltje deed zich nu voor hét huis hooren. „Èh! tjina klontong!” zeide de oude meid, die de ontbijttafel opruimde. Spoedig daarop naderden een paar Chineezen, van welke de voorste niet ophield met ratelen en de tweede gevolgd werd door een lialfgekleeden Maleier, die aan een elas tieken draagstok van bamboelatten vervaardigd (pikolan) twee stapels met doozen had hangen.
[ 0.2099999934, 0.4983333349, 0.226666674, 0.7200000286, 0.4512499869, 0.400000006, 0.7542856932, 0.4839999974, 0.5600000024, 0.7857142687, 0.5550000072, 0.6019999981, 0.6714285612, 0.6299999952, 0.7900000215, 0.7174999714, 0.9750000238, 0.8019999862, 0.7699999809, 0.6460000277, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000251.xml
CONCERT OP HET WATER. 185 tooneel en de heerlijke natuur bij mij opwekten; weldra begon evenwel de drukte en de beweging mij te hinderen, en trok ik mij van lieverlede uit het gewoel terug. „Er waren meer menschen die de eenzaamheid zochten, juist niet om het concert te ontvluchten, maar om beter van het fantastisch geheel te genieten. Er lagen gekoppelde bootjes op goed geluk rond te drijven, wier eigenaars naast of bij elkaar waren gekomen, om onder den steeds dichteren sluier van den nacht gezelliger te kunnen keuvelen. „Inmiddels was het nacht geworden. Naar gelang ik mij met zachte roeislagen meer en meer verwijderde, stierven langzamerhand de tonen der muziek weg. Eindelijk hoorde ik niets meer. „Toen ik mij alleen bevond en in het azure, duizend voet diepe water tuurde, schenen alle waternimfen mij toe te wenken; en zonder weerstand te bieden aan de ver leiding om een bad te nemen, ontkleedde ik mij fluks en dartelde eenige oogenblikken later met wellust in het verfrisschende water. „Wellicht zal ik een kwartier uurs drijvend en zwemmend in het meer doorgebracht hebben, toen ik mijn bootje opzoekende, ontwaarde dat het uit het gezicht was geraakt. Ik richtte mij hoog op, maar tevergeefs; de duisternis belette mij iets le zien. Met een paar forsche slagen zwom ik recht voor mij uit, toen in tegenovergestelde richting, maar mijn notedop vond ik niet. Voor het eerst kreeg ik een gewaarwording die op angst geleek; het ontbrak mij wel niet aan kracht om langer te zwemmen, en ook op mijn longen kon ik nog wat vertrouwen; maar welke richting moest ik uit? was er stroom en hoe liep die? waar lag de naastbijzijnde oever? „Kon ik de muziek nog maar hooren, ik zwom derwaarts; doch geen enkele toon trilde meer over den waterspiegel, alles was stil. Wat ik nu en dan nog opving, bepaalde zich tot het harmonisch getjingel der vee-klokjes duizenden voeten boven mij, en tot een judelenden schreeuw van een verliefden Zwitser, die zijn meisje op uren afstands „goeden nacht” toeriep; een „goeden nacht” door een helder klinkende vrouwenstem judelend beantwoord. „Goeden nacht! zou dat de laatste menschelijke stem zijn die tot mij doordrong; zou ik nimmer het zonlicht meer aanschouwen, brak de eeuwige nacht voor mij aan? — Er begonnen zwaarmoedige gedachten door mijn hoofd te gaan. „Reeds eenige minuten zwom ik op goed geluk in dezelfde richting voort, De naaste oever moest wel een half uur verwijderd zijn; dien te bereiken, daarop rekende ik evenmin dan om mijn bootje terug te vinden. De eenige kans om het „goeden nacht voor eeuwig” niet op mij toegepast te zien, bestond in de ontmoeting van een ander vaartuig. „Waarom liet ik mij niet, zooals gewoonlijk, door Giuseppo vergezellen! Ik zag weer den lach waarmede hij mij bij het weggaan groette; in mijn verbeelding ging die lach van 47
[ 0.612857163, 0.3400000036, 0.4033333361, 0.6266666651, 0.9466666579, 0.637142837, 0.3350000083, 1, 0.6999999881, 0.6366666555, 0.4966666698, 0.7266666889, 0.6822222471, 0.4916666746, 0.4939999878, 0.7642857432, 0.8000000119, 0.7599999905, 0.7450000048, 0.6850000024, 0.6487500...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000101.xml
BEZOEK IK KAMPONG KEMAJORAN. 69 den sulthan van Atjeh eigenhandig had gedood, doch op zijn beurt door een van sulthans dienaren was gekrist. Misschien was die blanda, voor wiens rekening thans gewerkt werd. een broeder, misschien wel een intieme vriend van de njonja; en het zou niemand verwon deren als hij voor zijn oud liefje een steenen huis aan den grooten weg liet bouwen. Ook in het gezin van mevrouw Wallis heerschte er een ongewone opgeruimdheid. Met tranen van vreugde in de oogen zag de moeder hij het middagmaal de dartele vroo- lijkheid harer kinderen aan. Dampende rijst, geroosterde kippen, gebakken terong, gezouten eieren, sajor-sajoran (groenten in water gekookt), satei (gekruide stukjes vleesch aan stokjes), het was ook waarlijk een ongekende weelde! De kleinen klaagden niet meer, de koorts scheen geweken; zij babbelden steeds door, lachten en gaven kreten van blijdschap bij elke verrassing die Wongso of Sarima hen bereidden. Want, met allen ernst en eerbied moeder en kinderen bedienende, brachten deze telkens een nieuwen schotel aan. In plaats toch van pisangbladen, gebruikte men thans schotels en borden, die met zekere orde op de niet meer kreupele tafel werden geplaatst. En gebeurde het meermalen dat de weduwe met bevreemding naar Wongso opzag, als deze het een of ander opzette waarvan zij zelve onkundig was gebleven, dan gelukte het haar nooit den blik van den deftigen bediende te ontmoeten. Toch scheen Wongso veel genoegen te smaken met de volvoering van de taak hem door zijn meester opgedragen; men las dit op zijn tevreden gelaat. Op zijn manier speelde hij den grooten heer, ook in den vorm van onderdanigen dienaar; hij genoot van de wel daden die hij, uit naam zijns meesters, der njonja bewees. Het zou hem wel niet beletten, dien meester later een paar gulden meer in rekening te brengen dan hij werkelijk had uitgegeven, doch de voldoening van dit profijt zou stellig niet zoo groot zijn als die hij thans smaakte. Toen de vruchten gediend waren en de tafel afgenomen was, verwijderde Wongso zich — om op zijn beurt te gaan eten? neen! nog niet. Hij had op den grooten weg herhaaldelijk pioe! pioe! hooren schreeuwen, het bekende geroep van den toekang kembang (bloemen-verkooper), en nu kwam hij terug met de handen vol bloemen, die hij hoffelijk mevrouw en glimlachend de kinderen aanbood. O! Wat was liet nu vroolijk en goed in kampong Kemajoran! De zon bleef den ganschen dag schijnen; de duifjes koerden heden zoo liefelijk en zacht, en de Indische nachte galen kwaakten zoo lustig in de nabijgelegen slokkan (sloot); en de héo van het kampongs- hoofd zong zoo aardig de leelijke woorden die hem geleerd waren; en het tierige paardje van den buurman in de kadogan (open stal) hinnikte zoo behaaglijk, en het dartele veulen dal er om heen huppelde beantwoordde dat gehinnik zoo grappig. En in den hoogen boom 18
[ 0.5199999809, 0.625, 0.437142849, 0.5889999866, 0.6650000215, 0.5766666532, 0.5371428728, 0.4199999869, 0.4059999883, 0.7672727108, 0.7966666818, 0.7785714269, 0.8799999952, 0.4950000048, 0.7900000215, 0.5600000024, 0.5749999881, 0.8333333135, 0.4133333266, 0.5812500119, 0.54...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000186.xml
134 0I> I) EN DO ODENAKKER. Nadat de pastoor dat getob een wijle had aangezien, ging hij naar den soldaat en vatte hem stevig onder den arm, zeggende: „Kom! ik zal oe moar naar huis brengen.” De soldaat zag hem verwonderd aan, en vroeg: „Wie ben jij, met je lange zwarte jas?” Toen begon hij weer te vloeken en weigerde de hulp van den hemeldragonder. „Goa noe moar mee,” zeide de pastoor; „moar ge mot niet blasphemeeren.” Het scheen dat de soldaat nog meer lust kreeg te vloeken; want nu volgde de eene vloek op den anderen. „Als ge nou nóg is blasphemeert,” sprak de pastoor ernstig, „dan za'k oe eenen kinkel geven dat ge op den grond sloat. „Hó!” zei de dronkenman, de breede hand die tegen hem werd opgeheven, aan ziende. „Je bent een rare kerel! Ik geloof dat je t zou doen ook. „Wis en zeker zal ik ’t doen! Goa noe moar mee; maar blasphemeer niet meer, dat zeg ik oe!” De soldaat durfde niet meer te vloeken, liet zich gewillig leiden, en kwam aan den arm van heeroom zonder eenig misbaar in de kazerne, waar zijne kameraden verder voor hem zorg droegen. „In het fantaiseeren, zeg ik, was pastoor Van der Grinten zeer sterk. Om een zwarl- galligen zieke op te vroolijken kon hij jokken „alsof het gedrukt was . Het waren trouwens onschuldige leugentjes, waardoor niemand benadeeld werd. „Zoo vertelde hij eens, toen het gesprek liep over de binnenlanden en de gevaren waaraan men daar blootstond met het oog op het wild gedierte, dat er toch op Java streken waren waar men werkelijk veel last had van de tijgers. Hij had eens op een land goed gelogeerd, waar het bepaald onveilig was. Het wemelde daar zoo van tijgers, dat deze met troepen door het bosch trokken. Kwam men zoo’n troep tegen, dan klom ieder maar ten snelste in een boom; want of men van zijn vuurwapens gebruik maakte, hielp zoo goed als niets. — Waarom niet? — wel! omdat voor één tijger dien men doodschoot, er minstens twee terugkwamen. Het verstandigste was dus, den troep ongedeerd voorbij te laten trekken. „Op zekeren avond, toen er verscheidene gasten waren, werd afgesproken den vol genden dag gezamenlijk een waterval te bezoeken, die op een afstand van ongeveer tien palen in het gebergte gelegen was. „Voor zonsopgang werd ik uit een vasten slaap gewekt door mijn jongen. Vreezende te laat te komen, schoot ik half ontwaakt mijn soutane aan en liep naar de voorgalerij, waai- de paarden al klaar stonden. Zonder op te letten, sprong ik op het eersle paard het
[ 0.5433333516, 0.5133333206, 0.3199999928, 0.3799999952, 0.3600000143, 0.5559999943, 0.8640000224, 0.5550000072, 0.5542857051, 1, 0.6060000062, 0.8100000024, 0.7039999962, 0.8466666937, 0.5070000291, 0.7074999809, 0.5233333111, 0.4399999976, 0.8566666842, 0.4357142746, 0.28499...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000258.xml
NEGENTIENDE HOOFDSTUK. „9 ■ e militaire dienst is u lief, kapitein?’' vroeg Van Berkenstein, in een open wagen -M —" met kapitein Keremans den weg naar Meester Cornelis oprijdende. „Gelukkig kan ik zeggen dat hij mij zeer lief is.” „ Gelukkig ?’ ’ „Ja! Ik zou te beklagen zijn als het anders gesteld was.” „Het is toch geen zeldzaamheid dat de menschen zich beklagen over het vak dat zij gekozen hebben; ik zou haast zeggen dat dit zelfs vrij algemeen het geval is.” „Voorzeker gebeurt het dikwijls, dat men liefst de schaduwzijde aantoont van de betrekking die men bekleedt; maar dit houd ik meer voor een kwade gewoonte of een manie. Ook de militairen pruttelen veel, bijna altijd; wat meer zegt, als er niet geprutteld wordt, is het eerder een bewijs dat er geen leven meer in is, dan wel dat er geen reden tot ontevredenheid bestaat.” „Dus dwepen met uw vak doet gij ook niet; gij hebt ook grieven?” „Ik heb mijn stand boven alles lief, mijnheer Van Berkenstein! en als ik niet gezegd kan worden er mede te dwepen, ligt de schuld daarvan in mijn leeftijd die zich daartoe niet meer eigent. „Men kan zijn land op verschillende wijze trouw en eerlijk dienen,” vervolgde Keremans, „maar nooit heter dan als soldaat. In vredestijd brengt de militair zijn aandeel — al valt het niet in het oog — aan het groote werk der beschaving; hij toch verzekert de rust en orde in de maatschappij, waardoor handel, nijverheid en kunst zich vrij kunnen ontwikkelen. In oorlogstijd vormt hij de kern waarom de natie zich schaart tot handhaving harer onafhankelijkheid, of — zooals hier in Indië — is hij het krachtige, bezielde werktuig dat den bloei en rijkdom van zijn land bevordert ook aan gene zijde des oceaans. Maar ” „Maar?”
[ 0.6127272844, 0.47299999, 0.2700000107, 1, 0.25, 0.674444437, 0.7533333302, 0.8100000024, 0.3899999857, 0.6779999733, 0.6345454454, 0.5860000253, 0.7533333302, 0.8508333564, 1, 0.9033333063, 0.8299999833, 0.7239999771, 0.1150000021, 0.625, 0.823333323, 0.9075000286, 0.832...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000157.xml
BATAVIASCHE VOLKSFEESTEN. 111 „Verleden, toen wij s avonds in de stad waren, hoorden wij de groote trom. Rijd er maar heen, zei hij, met je kranige caricle; we zullen elkaar we! presenteer en; hel eenige waarvoor je moet zorgen, is je in den aanvang goed te houden. Nu ik rijd een erf op, zóó klein, dat het paard nauwelijks kan draaien; misschien was daar nog nooit een rijtuig opgereden. V an Hal stapt deftig de galerij binnen, gaat tusschen de verbaasde gasten recht naar den gastheer en diens wederhelft, buigt diep en presenteert mij. Daarop richt hij zich tot de bruid en den bruidegom en maakt weer een buiging; en toen begint hij een praatje met een bejaarde nonna, aan wie bij mij ook voorstelt. Kortom, hij doet alsof hij daar tehuis was. „Tien minuten later fluistert hij mij in het oor; ik heb ’t al gemerkt, we zijn hier lakoe (welkom); vraag maar een nonna ten dans, maar begin met een oudje. Een half uur later was Van Hal de ziel van het feest; hij dronk toosten, riep de figuren van de quadrille in het Maleisch al met de noodige woordspelingen, en maakte door zijne grappen ieder aan het lachen, vooral toen Doosje er later bijkwam.” „Wie is dat nu weer, Doosje!?” „Doosje! kent ge dien niet? De vroolijkste vent van Batavia, controleur op wacht geld, die eigenlijk beroerd behandeld is omdat hij een geheim bezit ” „Een geheim?” „Ja, een geheim middel om de koffie machinaal te doen plukken.” „Wat! machinaal?” „Ja, machinaal, zonder hulp van de bevolking, dus met besparing van duizenden handen, een enorm voordeel voor het gouvernement, Maar de resident, onder wiens orders hij stond, was jaloersch van Doosje en heeft zijn voorstel om er een proef mede te nemen afgewezen. Een schriftelijk adres van Doosje aan het gouvernement werd door hem in de doos gedaan. — Gij lacht er om, maar ik heb het uit zijn eigen mond; bovendien, Van Hal weet er alles van en bevestigt het. — Nu, Doosje heeft een bijzonderen slag om de dames los te maken; hij windt ze om zijn vingers om zoo te zeggen. Dien avond toen het op de hondenbruiloft zoo geanimeerd werd, vroeg hij het woord; en toen iedereen zich stil hield en naderbijkwam om niets van de aardigheid te verliezen, inviteerde hij, notabene uit mijn naam, het gansche gezelschap, om den volgenden dag kimlo te komen eten bij Lim-tjoe in het Chineesche kamp. Ik wist niet eens wat kimlo was en keek even vreemd op als hel gezelschap, voor hetwelk zulk een uitnoodiging en bloc geen alledaagsche gebeurtenis was.” „En toen gingt gij Lim-tjoe bij kimlo eten?” „Omgekeerd, kimlo bij Lim-tjoe. Wat hebben wij een pret gemaakt! Doosje was uitgelaten. Maar de kimlo vond ik niets lekker.” „Zoo! wat is dat eigenlijk?”
[ 0.6100000143, 0.5507692099, 0.3933333457, 0.7239999771, 0.3075000048, 0.4966666698, 0.3400000036, 0.4850000143, 0.5799999833, 0.7400000095, 0.8299999833, 0.7133333087, 0.7300000191, 0.8866666555, 0.9150000215, 0.7250000238, 0.6679999828, 0.8025000095, 0.625, 0.6974999905, 0.5...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000055.xml
DE EERSTE DAG TE BATAYIA. 33 „Ik ben verrukt over den bloemenschat dien ik hier vind. „Dat verheugt me. Het bloemenkweeken is de eenige liefhebberij die mij vergund is. Eén uur in den ochtend geef ik daaraan; de rest van den dag moet ik voor de zaken in de heete stad doorbrengen.” „En tehuis komende dan?” „Tehuis komende, ben ik te vermoeid; voor ik wat verkwikt ben, valt de avond in. Gij weet dat de zon hier onverbiddelijk om zes uren ondergaat.” „Hoe jammer, zulk een heerlijke woning te hebben en er zoo weinig van te genieten! ’' „Genieten? daaraan wordt hier niet gedacht, lieve Ernestine! Genot in den zin dien gij bedoelt, kent men hier niet en daartoe eigent het klimaat zich ook niet. Ons eenig genot is werken, geld verdienen, om er eenmaal van te kunnen genieten bij terugkomst in het moederland — dikwijls als men er niet meer voor geschikt is. Uit te rusten na een werk- zamen dag verdient den naam van genot niet; op een gemakkelijken stoel te hangen en niets te doen in afwachting van het uur om te gaan slapen, is althans een zeer mager genot. In Nederland is dat geheel anders. Daar geniet men van een mooien dag, als het een week achtereen slecht weer is geweest; hier is het altijd mooi weer en wordt het daarom niet meer opgemerkt. Daar geeft een wandeling nieuwe veerkracht aan lichaam en o'eest terwijl hier een avondwandeling zelfs gelijk staat met een zweetbad. Maar laat ons naar binnen gaan; mijn vrouw zal ons met het ontbijt wachten. Mevrouw Neerbosch was een lange, magere, dertigjarige vrouw. Hoewel een dochter van blanke ouders, had zij het eerste levenslicht op Java aanschouwd, waar haar vader indertijd de betrekking van resident vervulde. Een onafgebroken verblijf in Indië had niet alleen op de vorming van haar karakter, maar zelfs op de kleur harer huid invloed uitge oefend; de matte tint harer bleeke wangen toch wekte bij menigeen liet vermoeden op dat er een enkele droppel Javaansch bloed door hare aderen stroomde. Toen zij ongeveer achttien jaar oud was, ging zij algemeen voor schoon door; en het was op dien aanvalligen leeftijd dat zij, te Batavia logeerende, het hart veroverde van den jeugdigen Neerbosch, toenmaals boekhouder van een aanzienlijk handelshuis. Ware het huwelijk, dat spoedig daarop werd gesloten, gezegend geweest, de minder goede karaktertrekken zouden bij „de moeder” wellicht nimmer tot volkomen ontwikkeling zijn gekomen; doch nu alle hoop ver vlogen was na een twaalfjarigen kinderloozen echt, hadden van lieverlede het egoisme en de jaloezie bij mevrouw Neerbosch de overhand gekregen. Het was zelfs opvallend dat die gebreken zich jaar op jaar duidelijker afteekenden op haar gelaat, dat nog wel de sporen van vroegere schoonheid droeg, maar al het aantrekkelijke reeds had verloren. In de plooien
[ 0.3100000024, 0.5366666913, 0.2533333302, 1, 0.4650000036, 0.474999994, 0.8199999928, 0.4066666663, 0.6614285707, 0.4600000083, 0.926666677, 0.4283333421, 0.4524999857, 0.6600000262, 0.4875000119, 0.7400000095, 0.8849999905, 0.6862499714, 0.7833333611, 0.8566666842, 0.7678571...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000068.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000022.xml
4 EEN KOUDE DECEMBERDAG. „Of het daar niet vriest!” „Al vriest het daar, dan hindert de kou er toch minder, en zit men ’smidclernachts nog op den boulevard voor een café. Ga je mee, Yan Berkenstein? „Naar Parijs? dank je.” „Prefereer je Nice? mij ook wel.” „Naar Nice? nog minder.” „Eigenlijk moest ik T je ook niet vragen. Waar zijl ge niet geweest?” „Ik zou er kunnen bijvoegen,” zei een ander die Stoll genoemd werd, „wat zijt ge niet geweest. Yan Berkenstein is een „homme blasé. „Neen! daarvoor is hij nog te opgewekt. Een aardigheid is altijd goed aan hem besteed. Beproef het maar eens.” „’t Is nog te vroeg en te koud om nu al aardig te kunnen zijn. Maar in ernst, heeft niemand lust om de ellende van den winter te ontloopen? Ik hen bereid naar Algiers, naar Egypte te gaan, als ik maar niet alleen behoef te reizen.” „Naar Algiers of Egypte! Waarom niet naar de Oost? Daar zal de kou je althans niet hinderen.” „Ik zou er in staat toe zijn, als ik wist hoe ik den dag zou klein krijgen; ik heb altijd gehoord, dat men buiten betrekking er zich doodelijk verveelt. En dan dat ongedierte, neen, voor de Oost pas ik.” „Bah! gij, een man van liefhebberijen en studie! Ga er kapellen vangen, bestudeer den invloed der Europeesche beschaving op den inboorling, en schrijf er een boek over in drie deelen.” „Jaag op tijgers en olifanten, en dejeuneer met apensoep.” „Voer er een nieuwen cultuur in, van den wijnstok bijv., en zet een zaak op van Java-bourgogne, in het groot natuurlijk, op zijn Amerikaansch. Kom dan over eenige jaren terug met honderd millioen, en laat een glazen dak over het Lange Voorhout bouwen met de noodige calorifères, dan kunnen wij arme Hagenaars, ook gedurende de vorst nog llaneei en. Terwijl Stoll zijn best deed om reisgezelschap aan te werven en het gesprek, hoewel telkens afgebroken door nieuw aangekomenen, nog eenigen tijd over hetzelfde onderwerp liep, had Van Berkenstein het stilzwijgen bewaard en, blijkbaar met zijne gedachten elders, zich bepaald tot te turen naar de dwarrelende rookwolkjes van zijne sigaar. Zonder iets te zeo'oen stond hij toen op, verliet de zaal en daarna het gebouw. Hij had het Plein slechts over te steken om zijne woning te bereiken, en ofschoon hij zelden op dit uur van den dag te huis kwam, vond hij het vuur in den haard der voorkamer lustig branden. Den bediende, die zijne bevelen afwachtte, met een wenk verwijderd hebbende, wierp
[ 0.6200000048, 0.2899999917, 0.3680000007, 0.4816666543, 0.6399999857, 0.6700000167, 0.8000000119, 0.9649999738, 0.7250000238, 0.7599999905, 0.7099999785, 0.6433333158, 0.7919999957, 1, 0.7628571391, 1, 0.7400000095, 0.8399999738, 0.8824999928, 0.7671428323, 0.8199999928, 0....
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000272.xml
202 DE MILITAIRE SCHOOL. houding was de beste aanbeveling om door de wereld te komen. Hij die uiterlijk in handel en wandel zich als een waar christen gedroeg en den mond vol had van bijbelspreuken, die in elke omstandigheid zijne driften wist te beheerschen, ging het doorgaans wèl en werd vroeg of laat een groot man. „Dat zij, die in dienst der Kompagnie naar Indië gingen, hunne vrome manieren niet in het moederland achterlieten, laat zich wel begrijpen. Er bood zich integendeel, bij al die Heidenen en Mohamedanen met wien men handeldreef, een nieuwe gelegenheid aan om blijken van christelijken ijver te geven. Kon men toch, zonder de belangen der Kompagnie te benadeelen, iets aan het bekeeringswerk doen, zijn goede naam zou er slechts bij winnen, en de kans om tot de hoogste betrekkingen op te klimmen veel grooter worden. Slaven en slavinnen op openbare verkoopingen aangekocht, schonk men soms bij zijn leven, anders bij testamentaire beschikking, de vrijheid, op voorwaarde dat zij zich den heiligen doop zouden laten welgevallen. Men hield hen dan tot het laatste oogenblik in dienst, en gebruikte hen ten slotte nog om den weg naar het paradijs te banen; dat was vroom en tevens goed overlegd. „Om nu aan te nemen dat voor tweehonderd jaren alle vrome menschen braaf waren, zou even verkeerd zijn als te denken dat al die vroomheid huichelarij was. Evenals in onzen tijd zullen er veel schijnvromen en ook oprechtgeloovigen geweest zijn. Het doet er weinig toe tot welke categorie Cornelis Chasteleijn behoorde, die in het begin der vorige eeuw als lid van den Raad van Indië hij het Bataviasche publiek hoog in aanzien stond. Het zij ons genoeg te weten, dat hij in zijne laatste levensjaren een plan vormde en tot rijpheid bracht om zich onsterfelijk te maken. Toen hij dacht niet lang meer te zullen leven, ontbood hij een notaris en dicteerde hem zijn testament. „Dit had plaats op den 15 den Maart van het jaar onzes Heeren 1714. „In dat testament kwam o. a. voor, dat de landen Mampang, Depok en Karang Anjer, gelegen bewesten de Tjiliwong, onder den naam van Depok vermaakt werden aan zijne slaven, slavinnen en slaventelgen, die het christendom reeds omhelsd hadden of zouden omhelzen, en bij deze gelegenheid hunne vrijheid bekwamen of al vroeger geëmancipeerd waren. Die landen moesten ten eeuwigen dage in het gemeen bezit blijven van bedoelde erven of van hunne nakomelingen, en mochten nooit verpand, vervreemd ol verkocht worden, opdat er een christenbevolking van Inlanders zou ontstaan, die, in het bezit van aardsche goederen, zich krachtig kon ontwikkelen en uitbreiden. „Dit is de eenvoudige geschiedenis van liet ontstaan der christen-gemeente te Depok.”
[ 0.3199999928, 0.3799999952, 0.4666666687, 0.5757142901, 0.571428597, 0.6933333278, 0.5350000262, 0.3639999926, 0.7272727489, 0.8050000072, 0.75, 0.8550000191, 0.7366666794, 1, 0.7416666746, 0.4766666591, 0.6233333349, 0.6600000262, 0.6399999857, 0.7516666651, 0.625, 0.87000...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000270.xml
200 T)E MILITAIRE SCHOOL. een Inlandsche tamboer en een hoornblazer, om de signalen te geven voor de lessen, appèls en eeturen, en vijf en dertig Inlandsche bedienden voor het grove werk. Dat personeel logeert in gindsche gebouwen, afgescheiden van de élèves. Onder toezicht van den adjudant-onder- officier zorgen de bedienden voor het schoonhouden der wapens, van het ledergoed, der kamers, van het schoeisel, enz. en bedienen zij tevens de tafel. „Dit vertrek,” vervolgde de directeur, een andere kamer binnengaande, „dient tot uit- spanningszaal. Des Woensdags en Zaterdags van vier tot zeven uren 'savonds en des Zondags den ganscben dag kunnen de élèves zich amuseercn met verschillende spelen, die uit het kantine- fonds worden verstrekt. Die piano is gehuurd door eenige muzikale jongelui. Zij die ver langen des Zondags uit te gaan, krijgen daarvoor permissie van ’s morgens halfzeven tot ’s avonds negen uren, namelijk wanneer zij niet gestraft zijn. — Willen de beeren mij nu naar buiten volgen, dan kunnen zij het exercitieveld in oogenschouw nemen. „Hier is een veldwerk opgericht, bewapend met de verschillende geschutsoorten bij het leger in gebruik; de élèves ontvangen er praktisch onderricht in de behandeling der vuurmonden. Artillerie-kennis behoort tot de onmisbare vereischten van den infanterie-officier; want op alle posten vindt men geschut, maar nergens artillerie-offieieren. Evenzoo is het met de administratie gelegen; daarom behoort tot het programma van het oftïciers-examen ook kennis der militaire administratie.” „Wordt het offïciers-examen door u afgenomen?” „Neen! daarvoor is een afzonderlijke commissie, die schriftelijk en mondeling examineert.” „En moeten zij die voldaan hebben, nog lang wachten op hunne benoeming tot tweeden luitenant?” „Door het groote gebrek aan tweede luitenants volgt de benoeming dadelijk. — Ah! daar hoor ik den tamboer voor het eten slaan! ’t Is twaalf uren, nu wacht mevrouw ons ook.” Dit zeggende, richtte de directeur zijn schreden naar huis. Van Berkenstein zag kapitein Keremans vragend aan. „Ik geloof dat mijnheer Van Berkenstein complimenten wil maken,” zei kapitein Keremans lachend. „Dat hoop ik niet,” antwoordde de directeur. „Mijn tafel is te eenvoudig om u lieden statieus uit te noodigen; maar als gij voor lief wilt nemen wat mevrouw opschaft, dan zult gij mij veel genoegen doen. — Uw neef heb ik laten vragen bij ons te komen eten,” voegde hij den geestelijke toe, die voor die beleefdheid zeer gevoelig scheen. — „Het ontbrak er nog aan, Keremans ! dat de enkele maal dal wij u te zien krijgen, gij niet eens zoudt blijven twaalfuren !” Toen de rijst met een aantal toespijzen rondgediend en de eerste honger gestild was, werd het gesprek levendiger. De geestelijke, die evenveel belangstelling getoond had
[ 0.5366666913, 0.3166666627, 0.4844444394, 0.5, 0.4466666579, 0.7480000257, 0.6000000238, 0.6650000215, 0.6933333278, 0.6566666961, 0.7400000095, 0.6800000072, 0.5400000215, 0.6050000191, 0.6880000234, 0.3075000048, 1, 0.675714314, 0.5083333254, 0.9850000143, 0.9012500048, 1...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000271.xml
DE MILITAIRE SCHOOL. 201 in de Militaire School als in de samenstelling van een hem nog onbekend gerecht, die eerst zijne oogen en daarna zijn mond volop den kost had gegeven, bleek een aangenaam mensch in den omgang te zijn. Nadat hij in het gesprek een paar malen het woord Depok genoemd had, vroeg Van Berkenstein ol‘dat Depok de naam was van een kampong ol landgoed in de buurt. .,Van geen van beiden, luidde het antwoord, „ol van beiden. Depok was eertijds een landgoed en behoort thans aan een gemeente van Inlandsche christenen o l gechi is l ende Inlanders. Het ligt juist niet in de buurt, doch evenmin ver af, namelijk aan de gienzen van de residentie Batavia.’ „Hebt gij nog nooit van Depok hooren spreken? vroeg Keremans. „Dan ïaad ik u aan, de gelegenheid niet te laten voorbijgaan om mijnheer uit te hooren.’ Ik zou mijnheer Van Berkenstein eerder aanraden,” sprak de geestelijke, „zeil eens te Depok te komen, dan verschaft hij mij het genoegen ik vlei mij er althans mede — mijnheer als mijn gast van de plaats te laten zien wat er te zien valt. „Zeer gaarne.” „De Buitenzorgsche spoortrein loopt langs Depok; er is een station. „Dat is goed en wel,” riep de directeur, „maar gij kunt ons allen verplichten met iets van Depok mede te deelen. De oorsprong bijv. van die christen-gemeente is mij zelf onbekend. — Mevrouw wenkt mij toe, dat ik u rustig vruchten moet laten eten; ik kan u de mangis bijzonder aanbevelen. „Dank! maar ik zie daar pisang staan, en om de waarheid te zeggen eet ik van het dessert niet anders dan pisang met kaas. Vruchten vind ik alleen s nachts te gebruiken. „’s Nachts! slaapt gij clan niet?” „Ja wel, maar ik word een paar uren na middernacht geregeld wakker, en eet dan met smaak de vruchten die iederen avond op mijn nachttafel worden gereed gezet. „En slaapt gij daarna weer in?” „Dan slaap ik dadelijk weer in. — Gij vraagt naar den oorsprong van de christen gemeente te Depok? Ik wil u die gaarne vertellen. „Onze voorouders waren veel - betere durf ik niet zeggen — maar veel ijveriger christenen dan wij. Het was hun niet genoeg de voorschriften der kerk met de meeste nauw gezetheid op te volgen, door in de week tehuis bijbellezingen te houden en des Zondags tweemaal de openbare godsdienstoefeningen bij te wonen, zooals toenmaals de mode was, — maai de bemiddelden gaven bovendien het bewijs dat zij werkelijk vroom waren en den hemel verdienden, door na hun overlijden een zekere som gelds te besteden voor de oprichting van de eene of andere stichting. Vandaar dat geen land als het onze zoo rijk is aan lief dadige inrichtingen in den vorm van wees- en gasthuizen, hofjes, beurzen, enz. Een vrome
[ 0.4449999928, 0.4466666579, 0.6142857075, 0.6366666555, 0.6000000238, 0.7149999738, 0.6811110973, 0.4183333218, 0.2733333409, 0.3449999988, 0.6899999976, 0.7269230485, 0.5533333421, 0.9766666889, 0.6533333063, 0.3866666555, 0.8399999738, 0.7425000072, 0.6899999976, 0.7160000205...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000069.xml
EEN NACHTELI.TR ATONTUUR. 43 aanvankelijk over de reis, waarvan men alleen het aangename herdacht, en over de mede passagiers waarin men belang stelde. „Eenigen heb ik hier teruggezien,” zeicle Van Berkenstein, „maar de meesten zijn. reeds naar elders vertrokken; sommigen naar Samarang en Soerabaya, anderen naar Sumatra. Doch wat mij leed doet, is dat in weerwil van al de moeite die ik mij gegeven heb, het mij niet is gelukt op het spoor te komen van mevrouw Wallis.” „Wie is mevrouw Wallis?” vroeg mevrouw Krip. „De jonge officiersweduwe met zes kinderen, die als passagier 2 de klasse reisde en gij daarom waarschijnlijk niet hebt opgemerkt.” „Ja, ja!” zei Krip, „ik weet wel wie gij meent. Gij hebt haar nog een wagen bezorgd. En hebt gij al aan het postkantoor en bij de politie naar haar geïnformeerd ?” „Daar is zij niet bekend,” antwoordde Van Berkenstein. „Haar lot is zóó treurig, en de lijdzaamheid waarmede zij het draagt in spijt van de zware zorgen die haar drukken, zóó groot, dat zij de belangstelling verdient van ieder die geen hart van steen bezit.” „Haar adres is wel uit te vinden,” merkte de huisheer op. „Gij zegt dat zij een officiersweduwe is; in dat geval heeft zij een pensioen, en om dat te ontvangen moet zij zich aangemeld hebben. Over een paar dagen zal ik u kunnen zeggen, waar zij zich ophoudt.” „Gij zult mij daarmede bijzonder verplichten. Ik verwijt mij, dat ik het haar zelve niet heb gevraagd.” „Hoe maakt het de familie De Valk?” vroeg mevrouw Krip aan Leeghancker? „Ziet gij die nog dagelijks aan tafel?” „Neen, mevrouw! Tot mijn leedwezen logeeren de De Valks ook al bij goede ken nissen die boven Meester Cornelis wonen, ik kan niet zeggen, dat het hotelleven er vroolijker op wordt. Mijnheer De Valk sprak ik echter gisteren. Hij was zenuwachtig van verlangen om iets van zijne benoeming tot resident te vernemen. Er zijn drie plaatsen vacant, zegt hij; en omdat het zoolang duurt, denkt hij dat er tegen hem geïntrigeerd wordt en hij weer als assistent-resident moet invallen.” „Hij behoeft zich niet ongerust te maken,” liet mijnheer Krip Senior zich ontvallen. „De Valk staat nog niet hoog genoeg om vijanden te hebben, die hem in zijn carrière zouden trachten te benadeelen; bovendien is hij een goed ambtenaar.” „Als mijn zwager zoo spreekt,” zei mevrouw lachend, „dan is de voordracht ook al opgemaakt, en kunt gij mevrouw De Valk voorloopig feliciteeren. Die heeren van de Secretarie zijn goed op de hoogte.” „Mag ik dan vragen,” zei Leeghancker onnadenkend, „waar De Valk resident wordt? Dan kan ik het mevrouw meededen.”
[ 0.4833333194, 0.6418181658, 0.4955555499, 0.6850000024, 0.6508333087, 0.5450000167, 0.7549999952, 0.6119999886, 0.8799999952, 0.8333333135, 0.9350000024, 0.7366666794, 0.8888888955, 0.5533333421, 1, 0.7124999762, 0.7400000095, 0.9250000119, 0.4569999874, 0.9516666532, 0.89333...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000153.xml
RATAYIASCHE VOLKSFEESTEN. 109 28 begrepen ol‘ verkeerd beoordeeld — volgens eigen beweren, doch naar het zeggen van anderen een onbruikbaar man, die meer van pretmaken dan van werken hield. Die kennis wist meestal wat nieuws te vertellen, was sterk in het maken van plannen, en eindigde met Leeghancker over te halen de tilbury te laten voorkomen en met hem hier of daar heen te rijden. De verhouding tusschen Leeghancker en Van Berkenstein bleef dezelfde, al liepen hunne wegen ook uiteen. Soms gingen er twee, drie dagen voorbij, zonder dat de lieeren elkander zagen. Van Berkenstein hield er bijv. van om ’s morgens vroeg al te paard te rijden, terwijl Leeghancker liever tegen half zes in den namiddag liet opzadelen. Dan viel het volstrekt niet in zijn smaak om al die gangen van Van Berkenstein mede te maken, zoodat deze hem niet eens meer waarschuwde als hij de eene of andere inrichting sin ff " o o o bezoeken. Ook de kennissen waar de een zijne avonden sleet, bevielen den ander niel. Slechts een enkele maal werd een reisgenoot gezamenlijk opgezocht, doch in den regel ging elk zijns weegs. Waar Leeghancker den avond doorbracht, wist Van Berkenstein niet; hij vroeg er niet naar, omdat het hem tamelijk onverschillig was of hij in de Harmonie biljart of in de Concordia quadrille speelde. Op zekeren dag zeide Van Berkenstein aan het ontbijt: „De dames klagen dat ze u nooit meer zien.” „Welke dames?” „Mevrouw Krip onder anderen.” „Ja, erkende Leeghancker, „ik ben daar in lang niet geweest; maar ’t is ook moeielijk tijd te vinden om visites te maken.” „Zoo! hernam Van Berkenstein: „hebt gij het tegenwoordig zoo druk?” „Lr is althans altijd wat. Twee- of driemaal per week opera, en dan zijn er gedurig feesten in de stad.” „Welke feesten zijn dat?” „Reeds verscheidene dagen was het receptie bij den majoor-Chinees, bij gelegenheid van het huwelijk zijner dochter.” „Is die juffer een kennis van u?” „Dat niet, maar het is toch wel aardig zoo n receptie bij te wonen. Bruid en brui degom zitten mooi aangekleed in de achterste kamer van het huis, dat geheel voor de gasten openstaat. De etiquette brengt mede, dat men hen niet aanspreekt, zelfs niet groet. Het grappigste van alles is, dat bruid en bruidegom elkander niet eens mogen aanzien, maar, zelven onbeweeglijk en met neergeslagen oogen, zich of hun toilet in stilte laten bewonderen. Van die pijnbank worden ze van tijd tot tijd verlost door de bruidsdames en bruidegoms-
[ 0.3036363721, 0.4884615242, 0.4300000072, 0.2899999917, 0.4925000072, 0.6433333158, 0.5912500024, 0.6859999895, 1, 0.4757142961, 0.7779999971, 0.71875, 0.7225000262, 0.8500000238, 0.4333333373, 0.8383333087, 0.5899999738, 0.7185714245, 0.9066666961, 0.7072727084, 0.9775000215...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000204.xml
. •■■■■■ ■ ' . '
[ 0.5500000119, 0.4350000024, 0.6600000262, 0.3300000131, 0.5500000119, 0.2700000107 ]
683505866
vi
0.714696
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000077.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000244.xml
*
[ 0.2399999946 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000238.xml
174 CONCERT OP HET PLEIN. Yan Berkenstein bleef dus alleen over. „Als gij gaat werken, Keremans! dan heb ik wel lust om niet tehuis te geven,” zeide mevrouw vragenderwijs. „Wij blijven dan onder ons, dat vind ik wel zoo aangenaam.” Niemand had hier iets tegen. De noodige orders werden gegeven om de gaslichten vóór uit te draaien. Mevrouw Keremans ging met een vergenoegd gezicht de thee zetten en zond het eerste kopje naar haar echtgenoot, terwijl Ernestine zwijgend maar zichtbaar tevreden haar handwerk opnam. Yan Berkenstein scheen verdiept in de beschouwing van een rozenperk in het tuintje vóór hem, dat halt in het duister en half in fantastisch gaslicht was gehuld. „Er gaat toch niets boven een gezellig tehuis,” merkte mevrouw Keremans op. „Hier in Tnclië is dat nog meer waard dan elders. Op reis zelfs vind ik de avonduren het aangenaamst, als men namelijk na een vermoeienden dag een goede haven is binnengeloopen.” „Het reizen op Java moet toch heerlijk zijn,” riep Ernestine uit. Van Berkenstein wendde het hoofd naar de spreekster. Het was voor ’t eerst dien avond, dat hij Ernestine’s stemgeluid hoorde. „Ja!” antwoordde mevrouw Keremans, „wat zal ik u zeggen! De eerste uren, ol juister het eerste uur van den dag is verrukkelijk. In een gemakkelijken open reiskales te zitten, met een vierspan in snelle vaart over schoone breede wegen, berg-op berg-af te rijden en de verschillende panorama’s te bewonderen die de natuur u gratis aanbiedt, dat is een waar genot. De koele morgenlucht verkwikt u, de bergwind wekt u op; gij voelt u vol levenslust. Maar spoedig beginnen stof en warmte te hinderen. Om wat schaduw boven uw hoofd te krijgen, offert ge gaarne iets van het vrije uitzicht op. Later op den dag kost het u al moeite om het hoofd rechts of links te wenden als uw aandacht wordt getrokken op een waterval, een rotsmassa of bergkom van grilligen vorm, op een diep ingesneden ravijn of een rookenden krater. Zonder dat gij lust tot slapen hebt, voelt gij uwe oogleden zwaar worden. Aan de posthuizen waar van paarden wordt verwisseld, vindt gij het stikkend, en uwe vraag aan den koetsier, hoe dikwijls er nog verspand moet worden vóór de plaats uwer bestemming, geeft al duidelijk te kennen dat gij naar het einde van den rit verlangt. Onverschillig, hangerig, oververzadigd van natuurschoon, stapt gij uit den wagen waarin gij ’s morgens met zooveel geestdrift plaats naamt, Het kost u inspanning de onvermijdelijke beleefdheidsphrases uit te spreken bij de voorstelling aan uw gastheer, doorgaans een regent, een resident, een militaire kommandant, of wie hij ook zijn moge. Eerst na een bad zijt ge in staat het maal eer aan te doen dat u wordt aangeboden; en niet voor het avonduur daar is, lust het u te erkennen dat het land prachtig is, doch
[ 0.5166666508, 0.495714277, 0.2899999917, 0.5199999809, 0.5249999762, 0.5099999905, 0.5863636136, 0.6620000005, 0.7533333302, 0.5966666937, 0.5580000281, 0.4824999869, 0.75, 0.5199999809, 0.708571434, 0.8122222424, 0.6733333468, 0.5466666818, 0.7649999857, 0.4333333373, 0.3625...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000164.xml
TWAALFDE HOOFDSTUK D aags na de receptie bij den legerkommandant had Van Berkenstein een bezoek gebracht bij den referendaris Krip. Sprekende over gewone zaken die aan de order waren, merkte hij met genoegen op dat de gemoedstemming van den weduwnaar veel minder gedrukt was. Dat kwam hem te stade. Hij bracht het gesprek op Krip’s kinderen die naar zijne meening, hoe goed ook over dag bij de officiersweduwe bezorgd, toch van lieverlede van het ouderlijke huis zouden vervreemden. „In uwe plaats had ik reeds lang een gouvernante gezocht, die tevens geschiktheid bezit om de leiding van het huishouden op zich te nemen. Er zijn zooveel meisjes van goeden huize die een betrekking zoeken, dat gij maar te kiezen hebt.’ Mijnheer Krip schudde het hoofd. „Ónmogelijk!” zeide hij eindelijk. „ Waarom onmogelijk ?’ ’ „Omdat het denkbeeld om daar, tegenover mij, een vrouw te zien zitten op de plaats waar mijn Bertha altijd zat, om die vrouw hetzelfde te zien verrichten, haar dezelfde vragen over de kinderen en het huishouden te hooren doen, mij tegen de horst stuit.” „Ik kan mij dit levendig voorstellen,” antwoordde Van Berkenstein, „zoo iets moet u in den beginne hard vallen, en ik begrijp dat gij, alleen zijnde, nimmer daartoe zoudt komen. Maar gij zijt niet alleen, mijnheer Krip! Uwe vrouw liet u twee kinderen na, waarvoor gij thans moet zorgen. Hebt gij u wel eens afgevraagd of het belang uwer kin deren niet een opoffering eischte, of zij niet beter verpleegd zouden worden onder uwe oogen? Zijn zij al niet lang genoeg in handen van een vreemde geweest, en wordt hel niet tijd dat zij voorgoed in de ouderlijke woning terugkomen?” Mijnheer Krip sloeg de neergeslagen oogen op, en tuurde voor zich, blijkbaar naden kende over hetgeen hem gezegd werd.
[ 0.4987500012, 0.3766666651, 0.25, 0.4824999869, 1, 0.6349999905, 0.7437499762, 0.2433333397, 0.4499999881, 0.6873333454, 0.7933333516, 0.8333333135, 0.6927272677, 0.7599999905, 0.771666646, 0.7012500167, 0.6866666675, 0.8666666746, 0.7941666842, 0.7760000229, 0.6411111355, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000209.xml
Abaci;
[ 0.2366666645 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000028.xml
10 VAN BOORD NAAR WAL. want hij kent tien weg genoeg te Batavia. U moet weten, mijnheer! dat als de mailboot in het gezicht is, er van het havenkantoor dadelijk een bode te paard naar het postkan toor rent. Als ik zeg een bode te paard, dan bedoel ik een maleijer op een klein mager Pitje — zooals men in Holland zou zeggen. Die man heeft een groote zweep in de hand waarmede hij klapt — ik heb ’m misschien wel honderdmaal zien voorbij jakkeren, anders zag mijn vrouw hem toch, en die riep mij dan toe „Krip, daar is weer een mailboot in ’t omzichtik zat dan te werken, omdat het Zondag was of wegens ongesteldheid te huis moest blijven, weet u. Nu, die bode rijdt dan ook wel bij den een of ander aan, die ge vraagd heeft om gewaarschuwd te worden — daarvoor verdient hij een halve gulden, soms wel een gulden — hij roept den eersten jongen dien hij ziet, toe: de Arnalia, of de Prins van Oranje is in ’t zicht! en dan gaat ’t weer: Klets, klets, met zijn groote zweep, en jakkert hij verder. Mijn broêr heeft zich zeker laten waarschuwen. Ik zou wel eens willen weten of hij aan boord van de Tjiliwong is.” Van Berkenstein reikte zwijgend den kijker, die hij in de hand hield, den altijd spraakzamen commies Krip over, en keerde zich toen tot eenige dames die in zijne nabij heid stonden. Mijnheer Krip had zich op reis leeren kennen als iemand die bizonder veel hield van te praten over al wat hij tijdens zijn langdurig verblijf in Indië al zoo gezien, gehoord en ondervonden had. Het was nooit noodig het woord tot hem te richten, daar hij uit eigene beweging steeds klaar was om te pas of te onpas inlichtingen te geven. Wist Van Berkenstein, door een teruggetrokken houding, doorgaans zijn al 1e gemeenzamen omgang te vermijden, Leeghancker gelukte het minder goed den lastigen reisgenoot op een afstand te houden. Wel toonde hij nu en dan vrij duidelijk dat hij niet nieuwsgierig was en liever verschoond bleef van ’s mans geschiedenissen, doch mijnheer Krip scheen dat van hem niet te willen begrijpen en klampte zich des te vaster aan zijn onwilligen toehoorder. Wat zijn tegenwoordigheid dragelijk maakte, was de liefheid van mevrouw Krip, die hij voor een paar jaar huwde omdat ze jong en schoon was, en die hem genomen had om den afhan- kelijken staat van gouvernante te verwisselen met dien van de echtgenoot van den overigens goecligen mijnheer Krip. Van de dames waarbij mevrouw Krip zich bevond, droeg de oudste de duidelijke kcnteekenen barer afkomst uit indische ouders, misschien voor de helft wel van het ma- leische ras: donkere oogen, dikke lippen, zwart haar, kleine neus bijna weggedrongen door twee volle met een lichten sepia-tint gekleurde wangen; bij afwisseling loom of zeer levendig in hare bewegingen, bij afwisseling innemend door zachtheid en afstootend door grofheid. Voor Van Berkenstein had mevrouw De Valk althans iets raadselachtigs gehad, en een
[ 0.4199999869, 0.3566666543, 0.4580000043, 0.200000003, 0.6575000286, 0.25, 0.5400000215, 0.5899999738, 0.4675000012, 0.5833333135, 0.7583333254, 0.7699999809, 0.5637500286, 0.200000003, 0.7574999928, 0.8349999785, 0.628888905, 0.8433333039, 0.7900000215, 0.8450000286, 0.76875...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000200.xml
144 UIT HET KAMPOVGSLEYEN. den smaak van de kinderen; ook in dien van den ouden Selima, die Ardie’s toestemming heeft gekregen om het eenvoudige mechaniek na te maken. Thans is Ardie hem meermalen behulpzaam in het maken van speelgoed. Zit hij bij Selima te praten, dan dwalen zijn gluipende oogen telkens naar de plaats waar Sedia zich ophoudt. Dat gluren blijft niet onopgemerkt en schijnt het meisje te hinderen; want zij weet zich altijd zoo te wenden, dat zij den leelijken Ardie den rug toekeert. Gisteren heeft Selima, den pagger herstellende waarop Ma Seimoen de wasch te drogen hangt, een langdurig onderhoud met zijn vrouw gehad, waarvan Sedia tot haar leedwezen niets kon verstaan omdat er fluisterend werd gesproken. Dit heeft haar angstig gemaakt, — zij weet zelve niet waarom; maar het drukkende gevoel dat zij ondervond, een soort van beklemming in het ademhalen, heeft zij nooit te voren gekend. Zij snakte naar lucht. Het kostte haar moeite op de baleh-baleh te blijven zitten, en met den arbeid wilde het niet meer vlotten. Ach! als haar eens een ongeluk boven het hoofd hing! Het gezang van de boerong-koekoer (tortelduif) boven haar hoofd klonk heden zoo neerslachtig! Wat had Ardie toch altijd te praten met vader? Zij wenschte dat hij nooit een voet op het erf had gezet; want als er eenig kwaad dreigde, zou Ardie het aanbrengen — dat leed geen twijfel. Amat voelde immers denzelfden tegenzin. Wat had hij haar onlangs ook verteld? — O ja! dat Ardie met pontianak (een spook) omging, en ’s nachts in de gedaante van een witte kat op de kerkhoven wandelde — welk een afschuwelijke man! — en dat hij naar goedvinden de weweh’s (spoken) kon oproepen of ze verdrijven door mejnan (wierook) te branden! Zij nam zich stellig voor, haar vader te waarschuwen voor Ardie, opdat verdere omgang met hem werd vermeden.
[ 0.5966666937, 0.5299999714, 0.6233333349, 0.457857132, 0.6266666651, 0.7179999948, 0.4366666675, 0.7749999762, 0.8566666842, 0.6633333564, 0.8650000095, 0.8899999857, 0.7599999905, 0.8866666555, 0.7879999876, 0.7342857122, 1, 0.7014285922, 0.6445454359, 0.824000001, 0.6175000...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000189.xml
OP DEN ROODENAKKER. 135 beste, wilde de teugels vatten, maar vond die niet. En wat zag ik toen tot mijn verbazing ? ! Gij raadt het nooit! — Daar was ik gaan zitten op den rug van een koningstijger een kolossaler! hoor! — die uit nieuwsgierigheid eens kwam kijken naar die ongewone drukte Gij kunt begrijpen ol ik er gauw weer afsprong ! Krip, die minstens verwachtte dat zijn toehoorder over die laatste anekdote zou glimlachen, zag hem in het gelaat, doch schrikte geweldig. Met wijdgeopende oogen strak voor zich op den grond turende, en niet zooals hij dacht — naar het standbeeld van pastoor Van der Grinten gericht, stond Van Berkenstein daar, bleek als een doode, onbeweeglijk, als een toonbeeld van ontzetting. Had hij niet geluisterd naar al hetgeen Krip van den pastoor vertelde? Blijkbaar niet. Doch welk schrikbeeld vertoonde zich aan zijne oogen, wat hield hem bezig, waarom sprak hij niet? „Wat deert u?” vroeg hij ontsteld. Van Berkenstein verroerde zich niet. Krip zag naar de plaats waar zijn makker het oog onafgebroken op gevestigd hield, doch ontwaarde niets bijzonders. Daar lag een gewone marmeren grafzerk met een opschrift in een vreemde taal. Dat kon Van Berkenstein toch niet boeien! Nu begon Krip werkelijk bezorgd te worden. Met belangstelling vroeg hij: „Zijl gij niet wel?” Doch ook hierop volgde geen antwoord. Toen vatte hij zijn arm en zeide: „Willen wij huiswaarts gaan, mijnheer Van Berkenstein? Het wordt mijn tijd. De wijze waarop deze hem nu aanzag, was zoo vreemd dat Krip er angstig van werd. Toch waagde hij het de vraag te herhalen. „Goed!” luidde nu het antwoord. „Ga heen; laat mij alleen." De toon waarop dit gezegd werd, was zoo koud en bevelend, dat het Krip niet in de gedachte kwam een seconde langer te blijven. Schoorvoetend verwijderde hij zich. De houding van den altijd zoo minzamen Hagenaar was zoo ongewoon dat Krip er geheel van ontdaan was. Aan zijn wagen gekomen, bedacht hij zich een oogenblik, ontbood De Ficquelmont en droeg hem een commissie op. Daarna in het rijtuig stappende, riep hij den beheerder van het kerkhof toe: „Ongemerkt hoor! Als gij hem spreekt, betoon dan de meeste voorkomendheid.”
[ 0.4650000036, 0.3600000143, 0.3874999881, 0.6366666555, 0.7383333445, 0.5019999743, 0.5249999762, 0.5371428728, 0.6157143116, 0.6449999809, 0.6075000167, 0.7799999714, 0.8000000119, 0.9750000238, 0.5933333039, 0.6266666651, 0.9900000095, 0.7350000143, 0.7866666913, 0.6549999714...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000032.xml
14 VAN BOORD NAAR AVAL. in hare plannen was gekomen en de juffrouw te Batavia maar een betrekking moest zoeken. Daarom stond mejuffrouw Van Rosendal zoo neêrslachtig bij het vroolijk groepje. De armoede had haar hoofd niet gebogen; maar de vlek op haar goeden naam drong door tot aan haar hart, dat ze voelde zamenkrimpen bij de gedachte hoe moeilijk liet zou vallen een betrekking te krijgen, wanneer hare reisgenooten zich ongunstig uitlieten over haar gedrag aan boord. Er waren aanbevelingsbrieven naar een paar families te Batavia gezon den, maai wat konden die haten als de laster haar vervolgde ook na de ontscheping Er stonden nog meer jonge dames op dek, die zich nagenoeg met hetzelfde doel naar Indiê hadden begeven. Onderwijzeressen door de regeering aangesteld, gouvernantes met en zonder diploma, zelfstandige vrouwen met kennis uitgerust, die de toekomst flink in het aangezicht keken, doch wier harten thans sneller klopten nu de eerste stap op den moeilijken Aveg moest gedaan worden. Jeugdige mannen (met en zonder brillen) in de aca demiesteden volgeladen met theoretische kennis en hunkerende die in Indië in praktijk te brengen, sommigen vergezeld van nog jeugdige echtgenooten die, liever dan te wachten, de eerste moeilijke jaren te zamen wilden doorworstelen. Nauwelijks lag de Tjiliwong op zijde, of een half dozijn lieeren spoedden zich aan boord van de mailboot. Eenige wierpen zich in de geopende armen van hunne betrekkingen en wisselden de eerste onzamenhangende welkomstwoorden; een paar anderen liepen snel van den eenen passagier naar den anderen, ieder een kaart in de handen duwende van de hotels waarvan zij de commissionairs waren. Een heer van middelbaren leeftijd zag kalm om zich heen, als zocht hij een bekend gezicht. Dat niet vindende, richtte hij zich tot een geëmployeerde van de mailboot met de vraag: Avie mejuffrouw Ernestine Van Rosendal Avas. Mejuffrouw Ernestine, geheel verdiept in hare treurige overdenkingen, had de aan komst >an het stoombootje niet eons opgemerkt en ontstelde een weinig toen zij door een vreemdeling werd aangesproken, die haar, ook uit naam zijner vrouw, uitnoodigde voorloopig haar intrek ten zijnen huize te willen nemen. De Heer Neerbosch had te Utrecht veel vriendschap genoten hij Ernestine’s ouders. •Thans een voornaam koopman, hoofd der firma Neerbosch en C 0 ., had men hem voorbe reid op hare komst en zijne bescherming gevraagd. „Gij zult mij vergeven, zeide hij, dat ik in u het kleine meisje niet meer herken dat zoo gaarne naar mijne vertelsels luisterde; en toch herinnert gij mij dadelijk daaraan door de treffende gelijkenis op uwe moeder. „O! ik herinner mij u nu heel goed,” riep Ernestine met blijdschap uit, hem de hand rijkende; doch ik durfde niet hopen dat gij zoo vriendelijk zoudt zijn mij te komen afhalen.” „Laat ons geen tijd verliezen. Voor uw goed wordt zeker gezorgd.”
[ 0.5350000262, 0.2166666687, 0.2220000029, 0.1225000024, 0.675999999, 0.6399999857, 0.6000000238, 0.5757142901, 0.6600000262, 0.7757142782, 0.8500000238, 0.4799999893, 0.6212499738, 0.5450000167, 0.7599999905, 0.8399999738, 0.7266666889, 0.6919999719, 0.7699999809, 0.6514285803,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000131.xml
HET MILITAIRE KAMPEMENT. 93 24 betere dagen beleefde, wordt er hier weer aan herinnerd. Ieder die zich goed gedraagt en geen dienst heeft, kan hier ook tusschen tien en vier uren komen.” Het groote, luchtige gebouw met een ruime voorgalerij bevatte twee zalen, waarvan er een voor onderofficieren en een voor soldaten bestemd was. Daarbinnen vond men alles wat in een goede sociëteit wordt aangetroffen: een boekerij, biljarten, groote tafels met dagbladen, een aantal kleine tafeltjes geschikt voor schaak-, domino- en andere spelen, stoelen of banken, buffetten en bedienden. Op zijde der kantine bevond zich een kegelbaan en in het midden, tusschen de twee hoofdvertrekken, een inrichting om komedie te spelen. Bij het binnentreden, zagen de bezoekers een korporaal op de knieën liggen voor een jong, baardeloos soldaat, die de smeekend gevouwen handen van den knielende afweerde. Dadelijk sprong de korporaal op, maakte front naar de officieren — evenals de baardelooze soldaat — en bracht de hand aan den slaap van zijn hoofd bij wijze van groet. „Bezig aan ’t repeteeren?” vroeg de majoor, „komaan, ga maar door; we willen wel eens een voorproefje hebben van de aanstaande representatie.” Aanstonds knielde de korporaal weer en stak de soldaat zijne handen afwerend uit. „Neen, Therèse! riep de korporaal met diep bewogen stem, „van den eersten blik dien ik op u mocht werpen, toen gij in de kerk uw gebed tot het Opperwezen richttet, hadt gij mijn lot in handen. Een gloeiende liefde ontwaakte in mijn hart, en het was de kracht dier liefde... DE SOLDAAT. Stil toch in ’s Hemels naam! Spreek zachter, anders hoort mijn voogd u. de korporaal (met hartstocht). Antwoord mij dan met één woord, mag ik u beminnen, Therèse? de soldaat (fluisterend). Ja wel, maar laat het niet merken. DE KORPORAAL (de gr ofJ‘e hand van den soldaat met kussen bedekkende). Gij maakt mij den gelukkigsten aller stervelingen. (Daarna zich oprichtende, vervolgde hij:) Schoone Therèse, hoe bevallig staat u die vermomming.
[ 0.3833333254, 0.4344444573, 0.6340000033, 0.6800000072, 0.4399999976, 0.7599999905, 0.6380000114, 0.7766666412, 0.5099999905, 0.5699999928, 0.6850000024, 0.75, 0.5066666603, 0.8560000062, 0.976000011, 0.9366666675, 0.8349999785, 0.7624999881, 0.8625000119, 0.5149999857, 0.722...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000275.xml
SBB II N12<156470009010
[ 1, 0.9950000048, 0.8412500024 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000134.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000046.xml
26 PER TRAM NAAR HET HOTEL. om in de mode te komen. Daar behoefde waarachtig niet veel te gebeuren om de passage door het Suez-kanaal te stremmen. Als er bijvoorbeeld maar eens een algemeene oorlog kwam, dan was het uit met de grap; dan werd de passage gesloten en zou men blij zijn zijne lading om de Kaap tehuis te krijgen. Een enkele aardbeving was voldoende om dat mooie kanaal voorgoed te stoppen, want wie zou dan weer zijn goeie geld willen geven om een nieuw kanaal te maken, hè? — Kapitein Balk blufte er op, dat hij maar zeventig dagen reis had gehad zonder ooit een bijzeil te gebruiken; niet eens zeventig volle etmalen, want hij was tegen den middag uitgegaan, en 's morgens om 7 uren lag hij al op de reede van Batavia ten anker. (Hij vertelde dit dagelijks minstens tweemaal). Kapitein Plank zou het nog in minder tijd gedaan hebben, als hij bij de Kaap geen slecht weer had gekregen — een staartje van een typhon. En kapitein Lal voer duizendmaal liever zonder passagiers dan met — dat zeggende wierp hij een uittartenden blik om zich heen — men had er meer last dan plezier van. Geen der passagiers scheen echter lust te hebben de partij op te nemen voor de mailbooten. Men deed de tafel eer aan, vooral Leeghancker die zich de wijn goed liet smaken, doch standvastig de vruchten weigerde welke hem door Raksa werden aangeboden, en daarbij telkens den naam van ieder soort zacht maar duidelijk in het oor fluisterde. Met het gebruik van vruchten moest men in den beginne voorzichtig zijn, meende hij; aan waar schuwingen had het hem aan boord niet ontbroken. Hij zou die niet in den wind slaan en onthield er zich nu liever geheel van. Vruchten en vermoeienissen waren even gevaarlijk ; daarom sloeg hij na afloop van liet middagmaal liet aanbod van Van Berkenstein van de hand om een wandeling te maken, en bleef bij voorkeur een sigaar rooken in gezelschap van de familie De Valk. Zoo ging Van Berkenstein dan alleen het hotel uit, en eigenlijk was hem dat liever. Het was een prachtige avond. De maan stond hoog aan den hemel en wierp een helder licht over Insulindes hoofdstad. Niettegenstaande de landwind reeds zijn verkoelenden adem over de geblakerde aardkorst liet gaan, bewoog zich nochtans geen blad. Van de verschillende wegen die voor onzen wandelaar open lagen, toen hij het erf van het hotel achter zich had, liep die aan zijn linkerhand naar de stad; de tramwagen had hem daarlangs gevoerd. Daar de andere hem alle onbekend waren, ging hij recht uit, den Rijs wijkschen weg op. Op den hoek stond een groot gebouw met veel open raamdeuren en weini°‘ gaslichten. In de tamelijk smalle galerij, die bezijden de steenen trappen van den ingang een meter boven den grond van een ijzeren leuning was voorzien, zaten eenige heeren te praten; en hoewel behalve het geklots van biljartballen de gewone kenteekcnen
[ 0.5199999809, 0.4300000072, 0.3300000131, 0.3824999928, 0.3899999857, 0.8666666746, 0.9399999976, 0.6050000191, 0.6150000095, 0.6700000167, 1, 0.823333323, 0.6374999881, 0.7437499762, 0.7910000086, 0.8125, 0.6025000215, 0.7549999952, 0.7212499976, 0.7200000286, 0.8399999738, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000065.xml
DE EERSTE DAG TE BATAVIA. 41 11 En nu begon zij over een ander onderwerp te spreken, werd op eens zeer spraak zaam en ook weer vriendelijk tegen haar logee. Doch haar echtgenoot bleef even onvoldaan als Ernestine. De eerste wist niet wat te denken van de vreemde houding zijner vrouw, en de tweede begreep maar al te goed dat de laster haar ook hier vervolgde. Tegen acht uren kwamen eenige kennissen, aan wie Ernestine werd voorgesteld, door mijnheer als „zijn lieve logée”, door mevrouw als mejuffrouw Van Rosendal „die hier een betrekking kwam zoeken”; en toen tegen elf uren de bezoekers weggereden waren en de huisgenooten zich ter ruste begaven, was het eenige wat mijnheer Neerbosch van het „vele interessante der reis” uit zijn echtgenoote wist te krijgen, dat die jonge dame een „groote kokette” scheen te zijn.
[ 0.2549999952, 0.4716666639, 0.2199999988, 0.6949999928, 0.5799999833, 0.6949999928, 0.3000000119, 0.6949999928, 0.6349999905, 0.4079999924, 0.5866666436, 0.4850000143, 0.7033333182, 0.6880000234, 0.5677777529, 0.7350000143, 0.7212499976, 0.6474999785, 0.875, 0.6875, 0.8100000...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000038.xml
. f. , ■ ■ o
[ 0.5699999928, 0.1949999928, 1, 0.3100000024, 0.7200000286, 0.1199999973 ]
683505866
fr
0.709645
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000078.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000198.xml
142 UIT HET KAMP03VGSLEVEN'. nieuwsgierigheid en wekte zelfs den argwaan op. Men heeft zich verdiept in allerlei gissingen, en is geëindigd met te gewennen aan mijn gezicht. In de eerste dagen bemoeide ik mij met niemand en zag niet eens om mij heen. Aliman vertelt dat ik een geleerde ben, die zich alleen met diepzinnige studiën bezig houdt en daarvoor de eenzaamheid zoekt. Het schijnt dat men daarmede genoegen heeft genomen. Zelden gaat iemand het erf van mijn buurman voorbij, zonder een praatje met Sedia te maken. Het meisje trekt de aandacht der jongelieden, zelfs van nabijgelegen kampongs. Ik houd het er voor, dat menigeen hier langs wandelt met geen ander doel dan om Sedia te zien. Sedia ziet er uit als een ontluikende bloem; in het oog van den Inlander is zij misschien wel een schoonheid. Slaat zij de oogen van haar werk op om een groet of een vriendelijk woord van een voorbijganger te beantwoorden, dan blijft deze gewoonlijk staan als door een magnetische kracht aan den grond genageld. Hervat zij dadelijk den arbeid, ten teeken dat zij geen lust heeft een gesprek aan te knoopen, dan is de wandelaar weel bij machte zijn weg te vervolgen. Is Sedia van nature zedig of behaagziek? Verveelt haar die hulde, of ducht zij de bestraffing harer moeder, wie niets ontgaat van hetgeen er buiten voorvalt, als is zij binnenshuis bezig? Een trouwe bezoeker is Amat, de zoon van Ma Seimoen’s zuster. Bijna dagelijks komt hij zijne tante zien en vertelt haar de nieuwtjes van den dag. Nu eens heeft hij op den passar gehoord dat de rijstoogst op Java zeer middelmatig belooft te zijn en de prijzen nog zullen stijgen; dan geeft hij een relaas van een schrikkelijken moord die in kampong Troelie is gepleegd door een amokmaker. — Aan oom Selima, die in zijn jeugd zes jaren bij het leger heeft gediend, deelt hij de laatste berichten van het oorlogsterrein mede. Er is scherp gevochten en de Hollanders hebben weer gewonnen, dank aan de dapperheid der Inlandsche soldaten van het zevende bataljon, het korps waarbij oom Selima vroeger heeft gestaan. Zekere sergeant Katjong ging allen voor en drong het eerst in de benting der Atjehers. — Nicht Sedia verneemt van Amat, welke verlovingen er bij den aanstaanden rijstoogst vermoedelijk in den kampong zullen plaats hebben. Amat’s ouders zijn welgestelde lieden, die groote verwachtingen van hun zoon koesteren. Als de stokoude schrijver van den Inlandschen kommandant te Meester Cornelis komt te sterven, zal Amat — die nu reeds zijn werk verricht — tot djoeroe-toelis worden aangesteld; dat is hem reeds toegezegd. Eenmaal schrijver — meenen de ouders — klimt hij stellig op tot adjudant; want de jongen is ongelooflijk vlug met de pen! Nog nooit heeft Amat zijn nichtje een onvertogen woord gezegd, en zelfs geen toe spelingen gemaakt op plannen die misschien in zijn hoofd omgaan, doch nog niet tot rijpheid zijn gekomen. Dat hij haar liefheeft, begrijpt zij instinktmatig; waarom zou hij zich anders
[ 0.5966666937, 0.3833333254, 0.5533333421, 0.4174999893, 0.7093750238, 0.5500000119, 0.59799999, 0.5120000243, 0.8000000119, 0.5099999905, 0.6933333278, 1, 0.628000021, 0.8224999905, 0.7174999714, 0.9950000048, 0.7799999714, 0.5680000186, 0.5600000024, 0.5799999833, 0.67111110...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000108.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000242.xml
178 CONCERT OP HET WATER. labyrint werd verlost. De voldoening is dan groot, als een groene grasvlakte u op een afstand tegenlacht, als het geluid van klokjes en bellen de aanwezigheid van vee in de verte ver raadt, of als gij rook ziet opstijgen uit een verwijderde sennhut; want dan is het zeker dat gij den nacht niet onder den blooten hemel zult doorbrengen. De bewoner der eenzame hut weigert nooit de gevraagde gastvrijheid; wat hij heeft — een korst brood — staat tot uwen dienst. Eenmaal ’s weeks komt men hem uit het vaak duizenden voeten lager gelegen dorp een voorraad brood brengen; aan melk en kaas, dat hij zelf bereidt, is nooit gebrek, zoodat zijn dagelijksch menu gemaakt is voor den tijd dien hij in de sennhut doorbrengt. Tot hulp en gezelschap heeft de oude man — want bijna altijd trof ik er een grijsaard aan — een aankomenden jongen bij zich, een kleinzoon ol achterneef, die de beesten melkt terwijl hij kaas maakt. Begint het te sneeuwen en wordt het te guur voor het vee, dan sluit hij de hut en verhuist met zijne kudde naar een andere, die in een lager gelegen weideveld staat. Op die wijze wordt elke groene plek afgeweid, totdat eindelijk het jaargetijde zoover is gevorderd dat menschen en dieren de winterkwartieren moeten betrekken. Is het noodig het genot te beschrijven dat u in een sennhut wacht na een ver- moeienden dagmarsch soms van 12 tot 16 uren? Room met volle teugen; een groot hout vuur waarbij gij u behaaglijk uitstrekt; eenvoudige gesprekken met een onbedorven berg bewoner over zijn levenswijze, zijn wedervaren; gesprekken van geen hooge vlucht, maar die doorgaans heldere denkbeelden en opmerkingen aan den dag brengen. En dan die nacht rust op een vliering met het fijnste welriekendste hooi tot matras, met vijftig koeien onder uw leger, die bij elke beweging van den kop hare bellen laten klinken; liefelijke geluiden, die uw diepen slaap met de heerlijkste droomen opluisteren. Sliep ik gisteren op stroo, morgen ontwaakte ik in een hotel van den eersten rang. Dwaalde ik dagen alleen rond, anderen volgden waarop ik bij elke schrede reizigers ont moette en zonder het te zoeken kennis maakte. Zoo kwam ik eens toevallig in aanraking met een Engelsche familie, bestaande uit een bejaard heer, een jeugdige dame en twee aanvallige meisjes van tien en twaalf jaar. In een herberg te St.-Niclaus had ik aan dezelfde tafel gezeten, en was bijna gelijktijdig met dat gezelschap het Visperdal verder doorgewandeld naar Zermatt. Ik volgde het gezelschap op den voet. De meisjes plukten bloemen en hazelnooten langs den weg. Een hunner die zich te ver vooroverboog en grond verloor, gal een gil. Ik had het geluk haar kleedje te vatten op het oogenblik dat zij met den struik, waaraan ze zich vastklemde, in de peillooze diepte zou wegzinken. Natuurlijk gaf dit aanleiding lot kennismaking. Wij logeerden in het zelfde hotel en beklommen ’s anderendaags den Riffelberg en Gornergrat, om onze oogen te laten weiden over de onafzienbare sneeuw- en ijsvelden van de Monte Rosa en naburige bergen.
[ 0.6600000262, 0.6742857099, 0.3050000072, 0.7566666603, 0.5983333588, 0.5412499905, 0.7774999738, 0.7975000143, 0.7149999738, 0.5550000072, 0.875, 0.6666666865, 0.5233333111, 0.6200000048, 0.7599999905, 0.6583333611, 0.7979999781, 0.7400000095, 0.5849999785, 0.9233333468, 0.8...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000048.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000133.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000127.xml
null
[]
683505866
null
null
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000009.xml
\yvwv DOOR VAN REES SIJTIIOFE LEIDEN
[ 0.2560000122, 0.6100000143, 0.2633333206, 0.5024999976, 0.4055555463, 0.3666666746 ]
683505866
en
0.169462
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000199.xml
UIT HET KAMPONGSLEVEV. 143 zoo dikwijls vertoon en ? Dat hij hare genegenheid zoekt te winnen, hlijkt uit de Aele oplet tendheden die hij haar bewijst. Wat komt hij altijd netjes voor den dag! Hoeeeel zoig wijdt hij aan zijn hoofddoek, waaraan nooit een scheve plooi is te zien! 17 Mei. Aan de zuidzijde van den kampong, nabij de badplaats der karbouwen, staat op een afgelegen plek onder dicht geboomte de woning van een man, die zich Ardie noemt. Hoewel vlug en krachtig van uiterlijk, verraden de diepe rimpels op zijn gelaat en eenige grijze haren, die onder den hoofddoek te voorschijn komen, minstens een \eeitig- jarigen leeftijd. Een paar sluwe beweeglijke oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, verhoogen den onaangenamen indruk dien zijn persoonlijkheid geeft. Waarmede Ardie den kost verdient, weet eigenlijk niemand. Al verloopen ei dagen zonder dat men een walm rook boven zijn huis ziet opstijgen, dat hij gebrek lijdt zal niemand gelooven; integendeel, ieder houdt het er voor dat Ardie er warm inzit. Ja\aan van geboorte, zonder vrouw of kind, dikwijls weken lang afwezig en afstootend van aard, zou men zich in het geheel niet met hem bemoeien, als hij de aandacht niet trok dooi zijn zonderling gedrag en door zijn Lampongschen aap. Zonderling was het, dat hij zich onthield van allen arbeid op de rijstvelden, dat hij zelfs geen voet sawah bezat; zonderling dat hij uit eigen beweging nooit één woord sprak. De Lampongsche aap, even gevreesd door zijn valschen aard als bewonderd door zijn verstand, was Ardie’s trouwe metgezel en het eenige punt van aanraking met de kampongbewoners. Onder meer kunsten, die voor zijn verstand pleitten, had Ardie’s aap geleerd om op kommando kalapa-vruchten te plukken. Oud en jong vermaakte zich daarmede. Wilde iemand een paar kokosnoten geplukt hebben zonder zich de moeite te geven in den soms tachtig voet hoogen boom te klimmen, dan riep hij Ardie met zijn Lampongschen aap te hulp. Deze bond een lang touw om het lijf van den aap, hield het uiteinde in de hand, en gaf dan eenvoudig een wenk om naar boven te klimmen. In een oogenblik zal het heest onder de kroon, vatte de eerste de beste vrucht aan, en keek omlaag. Was de noot niet rijp, dan trok Ardie aan het touw, waarop de aap den voorpoot naar een tweede vrucht uitstak. Volgde er geen ruk, dan plukte hij de noot en wierp haar naar beneden. Daar was iets duivelachtigs in die verstandhouding tusschen Ardie en zijn aap, maar men vond het toch aardig. In den laatslen tijd blijft Ardie meer tehuis dan vroeger. Hij heeft met Selima kennis gemaakt en hem een kinderwagentje getoond, dat bij elke rondwenteling der raderen een hamertje in beweging brengt. Het geklap van dat hamertje bij het rijden vall bijzondei in
[ 0.5866666436, 0.5033333302, 0.4185714424, 0.5166666508, 0.4199999869, 0.6262500286, 0.4128571451, 0.1650000066, 0.01999999955, 0.3933333457, 0.4499999881, 0.6775000095, 0.6790909171, 0.6600000262, 0.5950000286, 0.5885714293, 0.8583333492, 0.5166666508, 0.6949999928, 0.377499997...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000094.xml
64 BEZOEK IN KAMPONG KEMAJORAN. „Het is hier wat koortsig, zoo dicht bij de sawah. Ik kan daar wel tegen, maar mijne kinderen minder goed.” Van Berkenstein kwam Anna te hulp om den stoel onder een boom voor het huisje te zetten, en bood dien mevrouw Wallis aan. „Zie dat gij er nog een leeg maakt, Anna!” zei deze. „Drie kleinen liggen met de koorts te bed.” „Drie kinderen ziek!” „Och ja, mijnheer! met kinderen heeft men altijd eenige zorgen.” Zij trachtte dit op een tuchtigen toon te zeggen, maar het klonk zoo pijnlijk dat Van Berkenstein er koud van werd. „En hebt gij geen dokter geraadpleegd?” In stede van te antwoorden, hield de weduwe een oogenblik de hand voor de oogen om een traan te verbergen die ze niet had kunnen bedwingen. „Ik hoop,” zeide ze eindelijk, „dat de koorts nu wel zal ophouden.” „Mama! Karei eet al van de rijst. Hij heeft zoo’n honger, zegt hij. Mogen we maar beginnen?” „Zeker, kind! begin maar,” antwoordde de moeder met gebogen hoofd. „Hoe vaart mijnheer Leeghancker?” vroeg zij toen. Het scheen dat Van Berkenstein die vraag niet hoorde; hij bleef althans het antwoord schuldig en stond eenige oogenblikken met de hand op den rug van den stoel in gedachten verdiept. Daarna het hoofd oprichtende, zeide hij : „Dezer dagen heb ik kennis gemaakt met den majoor Van Galen, die voor ’t eerst van mij vernam dat gij in Indië waart teruggekomen en met de meeste belangstelling naar u informeerde.” „Mijnheer Van Galen was een vriend van Wallis. Zij waren samen op expeditie te Atjeh.” „Ja! De majoor beweert dat hij zijn leven aan uw echtgenoot heeft te danken, die hem — door den vijand omsingeld — met een handvol soldaten onverschrokken zich op een drom Atjehers werpende, van een wissen dood redde. — Majoor Van Galen is onlangs gehuwd met de eenige dochter van een theecontractant, die dezer dagen gestorven is en door zijn dood den majoor tot een zeer bemiddeld man heeft gemaakt. Behalve hem zijn er nog een aantal officieren, vroegere krijgsmakkers van mijnheer Wallis, die.... zeer begaan zijn met den toestand van zijn gezin. Nu is men op het denkbeeld gekomen u, mevrouw! een voorstel te doen — en men heeft mij vereerd met de commissie u dat over te brengen — namelijk, indien gij daarin lust zoudt hebben, u aan het hoofd te stellen
[ 0.4399999976, 0.5799999833, 0.2300000042, 0.4057142735, 0.5770000219, 0.8949999809, 0.5699999928, 0.5, 0.3600000143, 0.8122222424, 0.7666666508, 0.7099999785, 0.3866666555, 0.4950000048, 0.6266666651, 0.5899999738, 0.7166666389, 1, 0.2366666645, 0.6000000238, 0.8399999738, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000267.xml
BE MILITAIRE SCHOOL. 197 berust men wel. Voor een handvol guldens per maand meer. missen de ambtenaren ook de kameraadschap ; en een verstandig officier lacht om al die eerbewijzen van inlandsche hoofden waarmede de civiele ambtenaren wórden overladen. Een tweede luitenant met de Willemsorde op de borst acht zich veel meer waard, gevoelt zich gelukkiger dan een con troleur met een zilveren band om de muts en tien dessa-hoofden in zijn gevolg. „Zijn positie zoo op te vatten is zeker verstandig; dat is de ware filosofie. Doch gij moet niet vergeten, dat de voorbereidende studie van den ambtenaar hem ook ïeclit geeft op hoogere bezoldiging.” „Dat verlies ik niet uit het oog. Antwoord mij op één vraag: gelooft gij dat een jongmensch die vier jaren te Breda voor den officiersrang studeert, minder goed uitgerust met theoretische kennis hier aan wal stapt, dan een ander die twee jaren te Delft ot Leiden doorbrengt om zich voor ambtenaar te bekwamen?’ „’t Is waar, daaraan heb ik niet gedacht. Maar.” vervolgde Van Berkenstein. een wending aan het gesprek gevende, „hoe bevalt u uwe betrekking bij het Militair Departe ment? Het schijnt er druk te zijn, als gij ten minste ’s avonds nog moet werken.” „Werk is er altijd genoeg. In vele opzichten is het niet kwaad, eens dicht bij het uurwerk te zitten dat het leger in beweging houdt; er valt veel te leeren. Maar lang hoop ik er niet bij te blijven.” „Ook grieven?” „Neen! maar altijd op het bureau te zitten, valt niet in mijn smaak. Men vergeet spoedig de praktijk.” „Zoodat de inrichting van het Militair Departement niets te wenschen overlaat? „Dat zeg ik niet. Integendeel, er ontbreekt veel aan, maar dat is niet te verhelpen. Het blijft bijvoorbeeld altijd verkeerd, dat een kapitein van het Militair Departement de rap porten van hoofdofficieren ter beoordeeling worden gegeven; ’t is echter onvermijdelijk, omdat de chef niet alles zelf kan afdoen en de organisatie niet toelaat hoofdofficieren daarvoor te gebruiken. Wat ik zeer verkeerd acht. is het feit dat het hoofdwapen geen chef heeft,” „Wat bedoelt gij?” „Wel! ieder wapen heeft een chef, die onder het oog van den legerkommandant zijn korps bestuurt. Artillerie, kavalerie, genie, administratie, alles heelt zijn kommandant, directeur of inspecteur; alleen de infanterie niet. De twee of drie generaals die het leger rijk is, zijn dikwijls geen infanterie-officieren; toch wordt er een belast met de inlanterie- zaken, en dat is een grief. Want hij moge een uitstekend genist of artillerist zijn, van de infanterie kent hij de behoefte niet; infanterie-officieren kan hij niet beoordeelen, zoodat hij dit moet overlaten aan de officieren die bij het Departement zijn geplaatst. — Dat is nu het gymnasium Willem III.”
[ 0.1949999928, 0.5577777624, 0.6299999952, 0.4866666794, 0.3883333206, 0.7066666484, 0.6324999928, 0.4774999917, 0.6833333373, 0.5514285564, 0.7400000095, 0.5866666436, 0.6019999981, 0.925999999, 0.7033333182, 1, 0.8199999928, 0.8133333325, 0.9800000191, 0.6999999881, 1, 0.3...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000076.xml
50 EEN NACHTELIJK AYONTUUR. „Hier is geld,'’ zeide Leeghancker, zijn portemonnaie uit den zak halende. „Dit geef ik u, als gij mij heen laat gaan.” En hij liet een goudstuk zien. De wacht begreep nu, dat een blanke die goud in den zak droeg, niet in den kampong was gekomen om te stelen. Het aanbod van een tienguldenstuk overtuigde haar nog meer; en reeds maakten een paar man zich gereed om den nek van den arrestant van den tjanggah te bevrijden, toen een derde hen terughield en, het goudstuk aannemende, aan Leeghancker zeide: „Lagi satoe ringit.” Deze bleef met open mond staan, want hij verstond hem niet. „Ringit, ringit!” herhaalde de Maleier, met het oog op de portemonnaie. Leeghancker opende die nog eens. Toen wees de inlander met zijn bruinen vinger naar een paar groote zilverstukken die hij zag blinken, steeds zeggende: „ringit, ini ringit.” Wilde die gauwdief liever zilvergeld? — Ook goed! En nu gaf Leeghancker al de ringit s en roepia’s die in zijn beurs waren, om tot tien gulden te komen. Het goudstuk kreeg hij echter niet terug; daarentegen opende men de doornige armen van den gaffel en liet hem gaan. Met verlies van een parapluie en den inhoud zijner portemonnaie kwam Leeghancker een kwartier later in het hotel terug. Hij stelpte het bloed dat uit een paar wondjes aan den hals vloeide met een pleister, ontdeed zich, van koude bibberend, van zijne natte klee- deren, en ging eindelijk te bed, in zijn hart alle Bataviasche nonna’s naar de maan, en zich zelven weer in Den Haag terugwenschende.
[ 0.4050000012, 0.3933333457, 0.5989999771, 0.397777766, 0.7620000243, 0.6899999976, 0.708571434, 0.8059999943, 0.5400000215, 0.5550000072, 0.8475000262, 0.6966666579, 0.6600000262, 1, 0.7400000095, 0.6924999952, 0.7174999714, 0.9200000167, 1, 0.6800000072, 0.7966666818, 0.82...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000170.xml
122 EEN CONCERTAVOND IN DEN DIERENTUIN. „Voor wie dan?" „Wel, voor Ernestine, dat spreekt van zelf." „En doet u dat geen genoegen? Het is althans een bewijs dat uw gouvernante de sympathie opwekt; dat moet u, dunkt mij, vleien. Ik hoop dat uw egoïsme niet zoo ver gaat om te wenschen dat mejuffrouw Van Rosendal nimmer een goede partij zou doen. Een meisje als Ernestine valt in den smaak van jong en oud, en weet zij al aan de verleiding van een luitenant weerstand te bieden, te eenigerlijd zal zij misschien zwichten als iemand haar een schitterende positie aanbiedt." „Spreekt gij ook al zoo?” riep Krip driftig uit. „Heb ik dat meisje dan in mijn huis genomen om haar uit te huwen ? „Neen, gij hebt haar de opvoeding uwer kinderen toevertrouwd. Maar dit belet niet dat er zich vroeg of laat een ernstige candidaat voor haar hand kan opdoen.” „Is er misschien al een? Weet gij er iets van?” vroeg Krip verbleekcnd. „Volstrekt niet; maar ik houd het voor zeker dat er spoedig een zal komen.” Krip Senior prevelde eenige onverstaanbare woorden en liep sneller voort. „Gij hebt mij nog niet gezegd,” vervolgde Van Berkenstein op argeloozen toon, „hoe mijn protogée u bevalt." „Heb ik nog niet? Hoe is het mogelijk! — Maar zij is een model, mijn waarde heer! De huishouding gaat geregelder dan ooit, de kinderen hebben haar liel, en ik „En gij?” „En ik ben zeer tevreden,” zei Krip, zijn geestdrift nog bijtijds beteugelend. Met moeite bedwong Van Berkenstein een glimlach. „Nieuwe bezems vegen schoon,” liet hij er op volgen. „Ik zou op dien grooten ijver nog zoo vast niet vertrouwen.” „Ik wel,” antwoordde Krip met vuur. „Van den eersten dag waarop zij in mijne woning kwam, heeft zij hare taak met kalmte en overleg opgeval en die tot heden onbe rispelijk, onverbeterlijk vervuld. Bovendien is zij haar gezelschap waard; want bracht ik vroeger de avonduren alleen met lezen door, dan kan ik u zeggen dat er tegenwoordig menige avond voorbijgaat zonder één blik in een boek te slaan.’ „Men heeft haar wel eens van behaagzucht beschuldigd. Mevrouw De Graaf althans noemde haar rondweg een coquette.” „Mevrouw De Graaf is een zottin,” riep Krip driftig. „Ernestine bezit hoegenaamd geen coquetterie; ’t is alles natuurlijk wat zij zegt of doet.” „Een volleerde coquette vertoont zich gewoonlijk niet anders.” „Maar ik weet niet wat dat beteekent!” riep Krip buiten zich zelf. „Eerst prijst
[ 0.6866666675, 0.6200000048, 0.4074999988, 0.1700000018, 0.4099999964, 0.520909071, 0.3039999902, 0.7566666603, 0.7659999728, 0.6919999719, 0.5074999928, 0.5080000162, 0.8299999833, 0.7285714149, 0.3899999857, 0.5983333588, 0.6833333373, 0.625, 0.2599999905, 1, 0.7875000238, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000231.xml
CONCERT OP HET PLEIN. 169 „Ik geloof werkelijk, dat de ontwikkeling voor kunstgevoel in het algemeen, een der zekerste middelen is om den inlander te beschaven.’ De mylord der Tornton’s reed voorbij. De jonge Tornton mende zelf het span schoone Sidnysche paarden. „Is de comfort meer algemeen geworden onder de Europeesche bevolking,” zeide Krip, „de weelde vroeger in sommige zaken, bijv. in equipages, tentoongespreid, bestaat niet meer. Toen ik als jongmensch te Batavia kwam, zag men minstens drie, vier rijtui gen met vierspannen bij de muziek. Een lid van den Raad van Indië en een generaal konden moeielijk met tweespannen voor den dag komen. De eerbied voor hooge ambtenaren hield gelijken tred met den voet waarop deze leefden. Een lid van den Raad van Indië groette men ook zonder hem te kennen; men groette de equipage eigenlijk, en al liep uw bendypaard ook veel sneller dan het vierspan, gij zoudt het niet in het hoofd krijgen, den grooten mijnheer voorbij te rijden. Men wreekte zich dan wel met elkander te herinneren dat mijnheer als soldaat in de Oost was gekomen en het geluk hem gediend had, dat hij zich bij zekere gelegenheid rijk had gestolen, of door een andere liefelijkheid.” Onder dergelijk gekout was het slotnummer afgespeeld; de stafmuzikanten rukten in, en binnen weinige minuten werd het Waterloo-plein ontruimd door de concertbezoekers. Inmiddels had de overgang van dag en nacht bijna ongemerkt plaats gehad en waren de gaspitten ontstoken. Ook Van Berkenstein bleef eten. en na talel gingen de heeren in de achtergalerij een sigaar rooken. Het gesprek liep over het onderwijs. „Toen ik pas in Indië kwam,” zeide Krip, „bemoeide de regeering zich niet met het onderwijs. Het gevolg daarvan was, dat ieder die zijne kinderen liefhad en ze wat wilde laten leeren, verplicht was hen naar Holland te zenden. Te Batavia bestonden een paar particuliere scholen, die alleen toegankelijk waren voor kinderen van rijke of goedbezoldigde ouders. Het schoolgeld was enorm hoog, en bovendien diende men rijtuig te houden om de jongelui naar en van school te rijden. Maar die zijne kinderen liefhad, hield hen gaarne bij zich en vertrouwde hunne opvoeding liever niet aan vreemden toe. Tusschen die twee kwaden moest men kiezen, en het belang der kinderen behaalde doorgaans de overwinning. Die treurige toestand, een bron van zooveel zorg en leed, leidde menigeen een verkeerden weg op. Men trouwde niet en verwekte kinderen bij inlandsche vrouwen; men maakte zich zelf diets dat zulke niet erkende kinderen geen opvoeding noodig hadden en eigenlijk nog gelukkiger waren als men hen slechts in den wilde liet opgroeien. Hoe ging het dan? — Het duurde niet lang of de stem der natuur liet zich bij de meesten gelden; zij 43
[ 0.7371428609, 0.3700000048, 0.646666646, 0.5033333302, 0.7533333302, 0.7966666818, 0.5316666961, 0.6800000072, 0.7766666412, 0.5600000024, 0.5858333111, 0.4199999869, 0.7209091187, 0.275000006, 0.8266666532, 0.8111110926, 0.7766666412, 0.6233333349, 0.7987499833, 0.6974999905, ...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000184.xml
132 OP DEN ROODENAKKER. voor zijn vak, met een innemend, ridderlijk voorkomen, een edel karakter en open har!, een kameraad in den waren zin des woords, genoot hij de sympathie van oud en jong. in den krijg onderscheidde hij zich in die mate, dat het ridderkruis hem naar ieders meening niet ontgaan kon. Toen evenwel na eenigen tijd de belooningen in de courant kwamen, vond men er den naam van onzen luitenant niet bij. Hij trok zich die miskenning zoo aan. dat hij ziek werd, wegkwijnde en stierf. Wat eigenlijk de reden geweest is dat men hem passeerde, heb ik nooit te weten kunnen komen. Men vertelde, dat hij te velde geweigerd had de hand te leenen in een zaak die hem niet volkomen eerlijk toescheen, en dat hij zich daardoor de ongenade van den chef op den hals haalde. „Van sympathie gesproken; men moge veel aan te merken hebben op de Indische maatschappij — en ik wil niet ontkennen dat hier meer parvenu’s dan geboren aristocraten zijn — zeker is het, dat in ons vaderland niet zooveel individu’s op den voorgrond treden, die zoo algemeen de sympathie verwerven dan hier in de kolonie liet geval is. Op het kerkhof valt dit zeer in liet oog; want overal ziet ge gedenkteekenen opgericht voor mannen die uitgeblonken hebben door een edel karakter. Gij zult misschien zeggen: hier geldt ook de regel dat men van de dooden niets dan goeds zegt. Maar dat moet ik bepaald tegen spreken. Iemand die bij zijn leven niet geacht werd, brengt men geen hulde na zijn dood. ’t Is waar, hier evenals in Nederland verrijst soms op hel graf van een rijk geworden kleermaker een prachtige gedenkzuil; maar dat is het werk van de familie. Doch in het algemeen heeft niemand lust zich in te laten met geveinsde vereering van een doode, voor wien men tijdens zijn leven geen achting had. Zij, die zich verdienstelijk maakten jegens de maatschappij of het vaderland, al viel hunne persoonlijkheid overigens niet in den smaak; zij die ijver aan kunde paarden, al gelukte het hun niet altijd schatten te verzamelen, zulke lieden worden hier geëerd, en voor hen heeft men een eereplaats over op het kerkhof. „Dat ijzeren monument vóór u, vervaardigd in de fabriek van Nering Bögel te Deventer — naar mijn gevoelen het schoonste van het kerkhof — werd indertijd opgericht ter nagedachtenis van een braaf mensch. Generaal Périé was een degelijk officier geweest, die als jongmensch in de school van den grooten Napoleon het oorlogvoeren leerde, die zich later in den Java-oorlog onderscheidde, en daarna opklom tot den generaalsrang. Maar het was niet daarom, dat men na zijn dood een monument voor hem oprichtte. Dit dankte hij aan zijn humaan karakter, waardoor hij de algemeene achting en liefde verwierf. Zacht en vaderlijk jegens een iegelijk, en als het noodig was toch streng in het belang der krijgs tucht, werd hij door officieren en soldaten op de handen gedragen. Steeds vriendelijk en wel willend, altijd bereid van zijn invloed gebruik te maken om het goede te bevorderen, genoot hij ook hij de burgerij de grootste populariteit, Ieder kende en prees den generaal Périé;
[ 0.676666677, 0.2800000012, 0.2399999946, 0.3149999976, 0.3725000024, 0.3524999917, 0.5874999762, 0.7966666818, 0.6399999857, 0.8044444323, 0.7310000062, 0.7670000196, 0.9766666889, 0.7699999809, 0.8537499905, 0.5049999952, 0.5600000024, 0.7120000124, 0.9033333063, 0.8650000095,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan
00000061.xml
DE EERSTE DAG TE BATAVIA. 37 10 daarvoor had hij eerbied — het erf op te gaan en de vrouw des huizes op te zoeken. Hij wist bij ondervinding dat zijn vracht koopwaren een aantrekkingskracht bezat, waaraan zelden een dame weerstand kon bieden. Na lang loven en bieden had mevrouw Neerbosch het noodige aantal ellen van dat eene stuk gekocht dat haar logée ook zoo toelachte. Het was haar gelukt er de helft op af te dingen, zooclat Ernestine erkende dat men in Holland niet goedkooper te recht kon komen. Juist wilde zij mevrouw voor de moeile bedanken, toen deze het goed aan de oude ma ter hand stelde met last om het op te bergen, zeggende: „’t Is goed dat gij u stil hebt gehouden. Ik heb nu een prachtig mooie japon voor een spotprijs. Er was niet genoeg meer over voor u.” Op de teleurstelling van het meisje geen acht slaande, vervolgde zij: „Ik ga nu gauw naar de dispens om uit te geven, en dan een paar visites maken. Gij hebt zeker genoeg te doen met uitpakken en brieven schrijven. Om twaalf uren ben ik terug. ’ Doch om twaalf uren was mevrouw Neerbosch niet terug. Op zijn zachtst uitgedrukt kon die manier van een logée te behandelen niet anders dan onbeleefd genoemd worden. Ernestine vond het althans weinig kiesch, dat mevrouw zich goedkoop een kleed aanschafte door haar gast er van te berooven, en alles behalve vriendelijk haar den eersten dag alleen te laten. Toen Redja dus kwam zeggen dat het tweede ontbijt gereed was, er bijvoegende dat mevrouw waarschijnlijk bij een kennis zou blijven rijst-eten, wist Ernestine niet wat zij daarvan moest denken. Misschien waren dat Oostersche manieren, maar aangenaam vond zij die niet. Zij wachtte nog een wijle, in de hoop dat haar gastvrouw tehuis zou komen; doch toen deze niet verscheen, gaf zij toe aan het herhaald verzoek van Redja om aan tafel te komen. Daar zat zij nu alleen aan een grooten clisch, voorzien met een aantal schotels waarvan de eene haar even onbekend was als de andere. Redja schepte drooggekookte rijst met een houten spaan uit een soort van korfje (bakoel) op het bord der nonna, en bood haar daarna de schotels met toespijzen een voor een aan, telkenmale den naam van het gerecht noemende. Deze liad vroeger zooveel goeds van de Indische rijsttafel gehoord, dat het haar onder andere omstandigheden verheugd zou hebben er mede kennis te maken. Maar nu zij er alleen vóór zat, welden onwillekeurig treurige gedachten bij haar op, en was zij niet in staal een korrel rijst te nuttigen. Hoe eenzaam en verlaten voelde zij zich thans! De voetstappen der bedienden waren zelfs niet hoorbaar. In de warme atmosfeer waarin zij zich bevond, was iets kils en drukkends. De nonna had waarlijk meer behoefte tot schreien dan tot eten. Welke waarde had die overvloed voor iemand die alléén op de wereld stond!
[ 0.3899999857, 0.3916666806, 0.2733333409, 0.7300000191, 0.3524999917, 0.375, 0.349999994, 0.5437499881, 0.5699999928, 0.4566666782, 0.645714283, 1, 0.6866666675, 0.8700000048, 0.4199999869, 0.5550000072, 0.8125, 0.5400000215, 0.8899999857, 0.6140000224, 0.7133333087, 0.625,...
683505866
nl
1
Sijthoff
Leiden
1881
Batavia
Rees, Willem Adriaan