text
stringlengths
80
6.25k
text_len
int64
32
3.12k
src
stringclasses
7 values
ligt een factor # tot # lager dan bij volwassenen (<PERSOON> ###, BCSH ###, Bij pasgeborenen en kinderen tot en met de leeftijd van drie maanden kan Een uit twee onafhankelijke monsters bepaalde ABO/RhD-bloedgroep van een pasgeborene heeft in verband met bovenstaande een voorlopig <INSTELLING> totdat de ABO-bloedgroep definitief is, maar mag wel worden gebruikt voor selectie van ABO/RhD-identieke Bij navelstrengbloed is het van belang om in verband met de Whartonse gelei, dat een pseudo-agglutinatie kan veroorzaken, een vals positief resultaat uit te sluiten transfusie van ABO incompatibele eenheden, is een nauwkeurige documentatie van de procedures rond het bepalen van de ABO bloedgroep en een strikte naleving van deze procedures essentieel Hierbij dient het aantal handmatige administratieve handelingen tot Opmerking Indien klinische omstandigheden een bloedafname bij het kind voor het verrichten van een tweede ABO/RhD-bepaling in de weg staan zoals bv prematuriteit, bloedgroepbepaling achterwege blijven Het kind mag dan alleen met Oerytrocytenconcentraat getransfundeerd worden Bij pasgeborenen en kinderen tot en met drie maanden na de geboorte kan voor de ABO bloedgroep bepaling volstaan worden met bepaling van de antigenen A en B Bij navelstrengbloed dient in verband met de Whartonse gelei een vals positief De registratie van de ABO bloedgroep bij pasgeborenen en kinderen tot en met drie maanden na de geboorte dient een voorlopig <INSTELLING> te hebben, tot dat de ABO Deze voorlopige ABO bloedgroep kan gebruikt worden voor identiek transfunderen Het rhesusbloedgroepsysteem - en met name het Rhesus D-antigeen (RhD) - is na het <PERSOON> ###) bloedgroep is (<PERSOON> ###), antistoffen tegen RhD hemolytische zijn voor de hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene Voor de transfusiepraktijk is het daarom van belang te voorkomen dat RhD-negatieve patiënten (ontvangers) als RhDpositief gezien worden Het aantal RhD-antigenen op de erytrocytenmembraan kan van persoon tot persoon sterk verschillen (<PERSOON> ###) De meest bekende kwantitatieve RhD-antigeen afwijking is het „zwakke‟ RhD-antigeen Patiënten met een verzwakt (laag aantal) maar volledig intact RhDantigeen zijn RhD-positief en niet in staat om alloantistoffen tegen het RhD-antigeen te produceren Naast kwantitatieve variaties zijn er ook een flink aantal kwalitatieve varianten van het RhD-antigeen beschreven Patiënten met een RhD-variant (onvolledig RhDantigeen) kunnen zelf wel alloanti-RhD-antistoffen vormen tegen de epitopen van het RhDantigeen die ze zelf niet bezitten (<PERSOON> ###) De meest frequent voorkomende RhD-variant is RhD-klasse VI met een incidentie van <DATUM> ### tot <DATUM> ### (Kaukasische populatie) Dit is ook de enige RhD-variant waarbij eens beschreven is dat een gevormde alloantistof tegen het onbrekende deel van de RhD de hemolytische ziekte van de pasgeborene heeft veroorzaakt De meeste van de overige RhD-varianten zijn veel zeldzamer ((# ## ###) in de Tijdens de zwangerschap kan immunisatie optreden doordat foetale erytrocyten in de circulatie van de moeder terechtkomen De zo ontstane IgG-antistoffen kunnen vervolgens de placentabarrière passeren en afbraak van foetale erytrocyten veroorzaken Dit kan in ernstige gevallen leiden tot hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene (<PERSOON> ###).
619
nvog
bloedgroep is (<PERSOON> ###), antistoffen tegen RhD hemolytische zijn voor de hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene Voor de transfusiepraktijk is het daarom van belang te voorkomen dat RhD-negatieve patiënten (ontvangers) als RhDpositief gezien worden Het aantal RhD-antigenen op de erytrocytenmembraan kan van persoon tot persoon sterk verschillen (<PERSOON> ###) De meest bekende kwantitatieve RhD-antigeen afwijking is het „zwakke‟ RhD-antigeen Patiënten met een verzwakt (laag aantal) maar volledig intact RhDantigeen zijn RhD-positief en niet in staat om alloantistoffen tegen het RhD-antigeen te produceren Naast kwantitatieve variaties zijn er ook een flink aantal kwalitatieve varianten van het RhD-antigeen beschreven Patiënten met een RhD-variant (onvolledig RhDantigeen) kunnen zelf wel alloanti-RhD-antistoffen vormen tegen de epitopen van het RhDantigeen die ze zelf niet bezitten (<PERSOON> ###) De meest frequent voorkomende RhD-variant is RhD-klasse VI met een incidentie van <DATUM> ### tot <DATUM> ### (Kaukasische populatie) Dit is ook de enige RhD-variant waarbij eens beschreven is dat een gevormde alloantistof tegen het onbrekende deel van de RhD de hemolytische ziekte van de pasgeborene heeft veroorzaakt De meeste van de overige RhD-varianten zijn veel zeldzamer ((# ## ###) in de Tijdens de zwangerschap kan immunisatie optreden doordat foetale erytrocyten in de circulatie van de moeder terechtkomen De zo ontstane IgG-antistoffen kunnen vervolgens de placentabarrière passeren en afbraak van foetale erytrocyten veroorzaken Dit kan in ernstige gevallen leiden tot hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene (<PERSOON> ###) Bij het vaststellen van de RhD-bloedgroep van de pasgeborene worden daarom zowel zwakke RhD-antigenen als RhD-varianten gedetecteerd en daarmee wijkt afbraak van foetale erytrocyten veroorzaken Dit kan in ernstige gevallen Opsporen van zeer zwakke RhD-antigenen bij ontvangers van bloed is klinisch niet van belang indien een ontvanger in een uitzonderlijk geval ten onrechte als RhD- negatief wordt getypeerd zal RhD-negatief bloed worden toegediend, hetgeen voor de patiënt geen nadelige gevolgen heeft Ook het opsporen van zeer zwakke RhD-antigenen bij zwangere vrouwen is klinisch niet belangrijk In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger ten onrechte Opsporen van zeer zwakke RhD-antigenen met behulp van de antiglobulinetest bij ontvangers van bloed is sterk af te raden Indien er namelijk gesensibiliseerde (met IgG gecoate) erytrocyten aanwezig zijn (positieve directe antiglobulinetest (DAT)) kan ten onrechte worden geconcludeerd dat de ontvanger RhD-positief is Een ontvanger met een RhD-variant antigeen die als D-positief is bepaald, loopt bij transfusie met een RhD-positief erytrocytenconcentraat het risico antistoffen tegen de bij zichzelf ontbrekende onderdelen van het RhD-antigeen te vormen De kans hierop (en een bijkomende kans op hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene) is met name aanwezig bij ontvangers met een RhDVI-variant Gezien de frequentie waarin de RhD-VI-variant voorkomt is het van belang hiermee bij de keuze van de reagentia rekening te houden Voor de overige RhD-varianten De gevoelige RhD-bepaling in de antiglobulinetest veroorzaakt vals positieve uitslagen bij Gezien de frequentie waarmee administratieve fouten een rol spelen bij bloedtransfusies is een nauwkeurige documentatie van de procedures rond het bepalen van de RhD.
615
nvog
pasgeborene worden daarom zowel zwakke RhD-antigenen als RhD-varianten gedetecteerd en daarmee wijkt afbraak van foetale erytrocyten veroorzaken Dit kan in ernstige gevallen Opsporen van zeer zwakke RhD-antigenen bij ontvangers van bloed is klinisch niet van belang indien een ontvanger in een uitzonderlijk geval ten onrechte als RhD- negatief wordt getypeerd zal RhD-negatief bloed worden toegediend, hetgeen voor de patiënt geen nadelige gevolgen heeft Ook het opsporen van zeer zwakke RhD-antigenen bij zwangere vrouwen is klinisch niet belangrijk In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger ten onrechte Opsporen van zeer zwakke RhD-antigenen met behulp van de antiglobulinetest bij ontvangers van bloed is sterk af te raden Indien er namelijk gesensibiliseerde (met IgG gecoate) erytrocyten aanwezig zijn (positieve directe antiglobulinetest (DAT)) kan ten onrechte worden geconcludeerd dat de ontvanger RhD-positief is Een ontvanger met een RhD-variant antigeen die als D-positief is bepaald, loopt bij transfusie met een RhD-positief erytrocytenconcentraat het risico antistoffen tegen de bij zichzelf ontbrekende onderdelen van het RhD-antigeen te vormen De kans hierop (en een bijkomende kans op hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene) is met name aanwezig bij ontvangers met een RhDVI-variant Gezien de frequentie waarin de RhD-VI-variant voorkomt is het van belang hiermee bij de keuze van de reagentia rekening te houden Voor de overige RhD-varianten De gevoelige RhD-bepaling in de antiglobulinetest veroorzaakt vals positieve uitslagen bij Gezien de frequentie waarmee administratieve fouten een rol spelen bij bloedtransfusies is een nauwkeurige documentatie van de procedures rond het bepalen van de RhD Hierbij dient het aantal handmatige administratieve handelingen tot een minimum te worden beperkt In verband met de kans op vorming van anti-RhD en toekomstige hemolytische transfusiereacties dient voorkomen te worden dat patiënten die RhD-negatief zijn ten Voor de RhD-bloedgroepbepaling dient in het ziekenhuis een onderscheid gemaakt te worden in twee groepen, te weten ontvangers van bloed en pasgeborenen (in Voor de bepaling van de RhD-bloedgroep bij ontvangers van bloed kan volstaan worden met het gebruik van één anti-RhD-reagens mits RhD-VI-variant als RhDnegatief wordt aangetoond In verband met de toediening van anti-RhD-immunoglobuline aan de moeder dient Indien de pasgeborene ontvanger is van een bloedproduct kan worden volstaan met Voor de RhD-bepaling bij ontvangers van bloed wordt bij negatieve reacties met antiRhD-reagens afgeraden om de test uit te breiden met een antiglobulinefase Bij de ABO bloedgroeptypering kunnen twee typen discrepanties worden onderscheiden (#) de ABO bloedgroep komt niet overeen met een eerder bij dezelfde patiënt vastgestelde bloedgroep (Stainsby ###, Schulman ###), of (#) er zijn discrepanties in de uitkomsten van de bloedgroepbepaling zelf (de resultaten van de antigeenbepaling op de erytrocyten komen niet overeen met de in het serum aangetroffen ABO antistoffen) (<PERSOON> ###) De belangrijkste oorzaken voor het optreden van ABO bloedgroepdiscrepanties in de eerstgenoemde groep zijn administratieve fouten Fouten bij de identificatie van de patiënt of het bloedmonster treden in respectievelijk #,## en #,##% van alle bloedafnames op (Dzik ###, IGZ ###, Ibojie ###, <LOCATIE> ###) Daarnaast kunnen er onder andere fouten.
606
nvog
het aantal handmatige administratieve handelingen tot een minimum te worden beperkt In verband met de kans op vorming van anti-RhD en toekomstige hemolytische transfusiereacties dient voorkomen te worden dat patiënten die RhD-negatief zijn ten Voor de RhD-bloedgroepbepaling dient in het ziekenhuis een onderscheid gemaakt te worden in twee groepen, te weten ontvangers van bloed en pasgeborenen (in Voor de bepaling van de RhD-bloedgroep bij ontvangers van bloed kan volstaan worden met het gebruik van één anti-RhD-reagens mits RhD-VI-variant als RhDnegatief wordt aangetoond In verband met de toediening van anti-RhD-immunoglobuline aan de moeder dient Indien de pasgeborene ontvanger is van een bloedproduct kan worden volstaan met Voor de RhD-bepaling bij ontvangers van bloed wordt bij negatieve reacties met antiRhD-reagens afgeraden om de test uit te breiden met een antiglobulinefase Bij de ABO bloedgroeptypering kunnen twee typen discrepanties worden onderscheiden (#) de ABO bloedgroep komt niet overeen met een eerder bij dezelfde patiënt vastgestelde bloedgroep (Stainsby ###, Schulman ###), of (#) er zijn discrepanties in de uitkomsten van de bloedgroepbepaling zelf (de resultaten van de antigeenbepaling op de erytrocyten komen niet overeen met de in het serum aangetroffen ABO antistoffen) (<PERSOON> ###) De belangrijkste oorzaken voor het optreden van ABO bloedgroepdiscrepanties in de eerstgenoemde groep zijn administratieve fouten Fouten bij de identificatie van de patiënt of het bloedmonster treden in respectievelijk #,## en #,##% van alle bloedafnames op (Dzik ###, IGZ ###, Ibojie ###, <LOCATIE> ###) Daarnaast kunnen er onder andere fouten selecteren of uitgeven van het bloedproduct en het toedienen aan de (juiste) patiënt (Schulman ###, Baele ###, <LOCATIE> ###, Sazama ###) Een bijzondere risicogroep vormen hierbij patiënten die een allogene beenmergtransplantatie hebben ondergaan De handelwijze in geval van ABO discrepanties wordt bepaald door het moment waarop de fout wordt ontdekt Uit de gegevens van de TRIP-database over de periode ### t/m ### blijkt dat van de gemelde transfusiereacties (###) er circa #% het gevolg zijn van een Door de kleine aantallen incidenten in <LOCATIE>, en daardoor weinig statistische bewijskracht, is er tevens naar de resultaten van het Britse SHOT-programma gekeken (Love ###) De data van het SHOT-programma verschillen sterk met de Nederlandse data, mede door een andere definitie van wat wordt verstaan onder “incorrect blood component transfusion” (IBCT) Uit de cumulatieve SHOT-rapportage over acht jaar zijn globale risicoschattingen op te maken Het percentage IBCT is circa ##% van alle meldingen Van deze IBCT is circa ##% een ABO incompatibele transfusie Uit de cijfers van SHOT kan berekend worden dat het risico op een IBCT circa # ## ### getransfundeerde eenheden is en het risico op een ABO incompatibele transfusie circa # ### ### (Stainsby ###, ###) Transfusie met ABO incompatibel bloed is meestal het gevolg van Daarnaast kunnen er onder andere fouten optreden bij het bewerken van bloedmonsters, het aflezen of invoeren van resultaten, het selecteren of uitgeven van het bloedproduct en het toedienen aan de (juiste) patiënt Van de ### bij TRIP gemelde transfusiereacties in de periode ###-###.
682
nvog
toedienen aan de (juiste) patiënt (Schulman ###, Baele ###, <LOCATIE> ###, Sazama ###) Een bijzondere risicogroep vormen hierbij patiënten die een allogene beenmergtransplantatie hebben ondergaan De handelwijze in geval van ABO discrepanties wordt bepaald door het moment waarop de fout wordt ontdekt Uit de gegevens van de TRIP-database over de periode ### t/m ### blijkt dat van de gemelde transfusiereacties (###) er circa #% het gevolg zijn van een Door de kleine aantallen incidenten in <LOCATIE>, en daardoor weinig statistische bewijskracht, is er tevens naar de resultaten van het Britse SHOT-programma gekeken (Love ###) De data van het SHOT-programma verschillen sterk met de Nederlandse data, mede door een andere definitie van wat wordt verstaan onder “incorrect blood component transfusion” (IBCT) Uit de cumulatieve SHOT-rapportage over acht jaar zijn globale risicoschattingen op te maken Het percentage IBCT is circa ##% van alle meldingen Van deze IBCT is circa ##% een ABO incompatibele transfusie Uit de cijfers van SHOT kan berekend worden dat het risico op een IBCT circa # ## ### getransfundeerde eenheden is en het risico op een ABO incompatibele transfusie circa # ### ### (Stainsby ###, ###) Transfusie met ABO incompatibel bloed is meestal het gevolg van Daarnaast kunnen er onder andere fouten optreden bij het bewerken van bloedmonsters, het aflezen of invoeren van resultaten, het selecteren of uitgeven van het bloedproduct en het toedienen aan de (juiste) patiënt Van de ### bij TRIP gemelde transfusiereacties in de periode ###-### Dzik ###, IGZ ###, Ibojie ###, <LOCATIE> ### Een bijzondere aandachtsgroep voor transfusie met een ABO incompatibel bloedproduct is de groep patiënten die een allogene beenmerg-transplantatie heeft ondergaan waardoor de oorspronkelijke bloedgroep is Schulman ###, Baele ###, <LOCATIE> ###, Sazama ### Fouten bij de identificatie van de patiënt of het bloedmonster treden in Love ###, Dzik ###, IGZ rapport ###, <LOCATIE> ###, Ibojie ### De data van het Britse SHOT-programma verschillen sterk met de Nederlandse TRIP-data, onder andere door een andere definitie van wat wordt verstaan onder “incorrect blood component transfusion (IBCT)” Uit de cumulatieve SHOT-rapportage over acht jaar zijn globale risicoschattingen op te maken het risico op een IBCT is circa # ## ###/getransfundeerde eenheden en het risico op een ABOincompatibele transfusie is circa # ### ### Door de ABO bloedgroep pas als definitief te beschouwen wanneer deze uit twee onafhankelijk van elkaar afgenomen monsters is vastgesteld, zonder dat daarbij discrepanties zijn geconstateerd, kan de kans op een foute ABO bloedgroepbepaling tot een minimum worden teruggebracht procedures rond het bepalen van de bloedgroep en een strikte naleving van deze Bij discrepanties dient te worden onderzocht of er sprake is van een monsterverwisseling of een patiëntenverwisseling Afhankelijk van deze analyse zal vervolgonderzoek conform het in de instelling geldende protocol plaats dienen te vinden Bij ABO-discrepanties dient te worden onderzocht of er sprake is van een monsterverwisseling of een patiëntenverwisseling Afhankelijk van deze analyse zal vervolgonderzoek conform het in de instelling geldende protocol plaats dienen te vinden.
697
nvog
###, Ibojie ###, <LOCATIE> ### Een bijzondere aandachtsgroep voor transfusie met een ABO incompatibel bloedproduct is de groep patiënten die een allogene beenmerg-transplantatie heeft ondergaan waardoor de oorspronkelijke bloedgroep is Schulman ###, Baele ###, <LOCATIE> ###, Sazama ### Fouten bij de identificatie van de patiënt of het bloedmonster treden in Love ###, Dzik ###, IGZ rapport ###, <LOCATIE> ###, Ibojie ### De data van het Britse SHOT-programma verschillen sterk met de Nederlandse TRIP-data, onder andere door een andere definitie van wat wordt verstaan onder “incorrect blood component transfusion (IBCT)” Uit de cumulatieve SHOT-rapportage over acht jaar zijn globale risicoschattingen op te maken het risico op een IBCT is circa # ## ###/getransfundeerde eenheden en het risico op een ABOincompatibele transfusie is circa # ### ### Door de ABO bloedgroep pas als definitief te beschouwen wanneer deze uit twee onafhankelijk van elkaar afgenomen monsters is vastgesteld, zonder dat daarbij discrepanties zijn geconstateerd, kan de kans op een foute ABO bloedgroepbepaling tot een minimum worden teruggebracht procedures rond het bepalen van de bloedgroep en een strikte naleving van deze Bij discrepanties dient te worden onderzocht of er sprake is van een monsterverwisseling of een patiëntenverwisseling Afhankelijk van deze analyse zal vervolgonderzoek conform het in de instelling geldende protocol plaats dienen te vinden Bij ABO-discrepanties dient te worden onderzocht of er sprake is van een monsterverwisseling of een patiëntenverwisseling Afhankelijk van deze analyse zal vervolgonderzoek conform het in de instelling geldende protocol plaats dienen te vinden van deze procedures essentieel Hierbij dient het aantal handmatige administratieve Voorafgaand aan elke bloedtransfusie dient het serum/plasma van de ontvanger met behulp van geselecteerde testerytrocyten te worden onderzocht op de aanwezigheid van irregulaire erytrocytenantistoffen met behulp van een panel testerytrocyten, dat voldoet aan vastgestelde eisen Voor dit antistofonderzoek zijn verschillende technieken beschikbaar, elk met een specifieke gevoeligheid voor bepaalde categorieën antistoffen Van oudsher wordt in <LOCATIE> gewerkt met de indirecte antiglobulinetest (IAT) in buisjes met runder(bovine)albumine In de literatuur zijn de meeste technieken vergeleken met de IAT in albumine of in „low ionic strength solution‟ (LISS) en <PERSOON> kunnen zwakker reageren met testerytrocyten die een antigeen heterozygoot tot expressie brengen dan met testerytrocyten met een homozygote expressie van het antigeen Om klinisch belangrijke antistoffen te kunnen detecteren moeten de testerytrocyten daarom homozygoot zijn voor de volgende klinisch relevante antigenen C, c, D, E, e, k, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M, S, s (<PERSOON>-antigeen moet tenminste heterozygoot aanwezig zijn (AABB ###, BCSH ###) De Antistoffen kunnen zwakker reageren met testerytrocyten die een antigeen heterozygoot tot expressie brengen dan met testerytrocyten met een homozygote expressie Om klinisch belangrijke antistoffen te kunnen detecteren moeten de testerytrocyten daarom homozygoot zijn voor de volgende antigenen C, c, D, E, e, k, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb , M, S, s De antistofscreening moet worden uitgevoerd met een techniek die wat betreft het.
630
nvog
essentieel Hierbij dient het aantal handmatige administratieve Voorafgaand aan elke bloedtransfusie dient het serum/plasma van de ontvanger met behulp van geselecteerde testerytrocyten te worden onderzocht op de aanwezigheid van irregulaire erytrocytenantistoffen met behulp van een panel testerytrocyten, dat voldoet aan vastgestelde eisen Voor dit antistofonderzoek zijn verschillende technieken beschikbaar, elk met een specifieke gevoeligheid voor bepaalde categorieën antistoffen Van oudsher wordt in <LOCATIE> gewerkt met de indirecte antiglobulinetest (IAT) in buisjes met runder(bovine)albumine In de literatuur zijn de meeste technieken vergeleken met de IAT in albumine of in „low ionic strength solution‟ (LISS) en <PERSOON> kunnen zwakker reageren met testerytrocyten die een antigeen heterozygoot tot expressie brengen dan met testerytrocyten met een homozygote expressie van het antigeen Om klinisch belangrijke antistoffen te kunnen detecteren moeten de testerytrocyten daarom homozygoot zijn voor de volgende klinisch relevante antigenen C, c, D, E, e, k, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M, S, s (<PERSOON>-antigeen moet tenminste heterozygoot aanwezig zijn (AABB ###, BCSH ###) De Antistoffen kunnen zwakker reageren met testerytrocyten die een antigeen heterozygoot tot expressie brengen dan met testerytrocyten met een homozygote expressie Om klinisch belangrijke antistoffen te kunnen detecteren moeten de testerytrocyten daarom homozygoot zijn voor de volgende antigenen C, c, D, E, e, k, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb , M, S, s De antistofscreening moet worden uitgevoerd met een techniek die wat betreft het De volgende antigenen dienen op minimaal een van de testerytrocytensuspensies homozygoot aanwezig te zijn C, c, D, E, e, k#, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M, S, s uitsluiten van anti-k (anti-Cellano) met homozygote testerytrocyten, wijziging t o v versie Antistofvorming vindt doorgaans binnen drie maanden na transfusie of zwangerschap plaats Een secundaire immunisatie kan echter al snel plaatsvinden (Shulman ###) Op grond van gegevens van de literatuur en rekeninghoudend met de toegenomen gevoeligheid van de testsystemen bestaat er algemene consensus dat de periode tussen antistofscreening en transfusie maximaal ## uur mag zijn, omdat antistoffen dan al aantoonbaar kunnen zijn Heeft een patiënt in de afgelopen drie maanden geen zwangerschap of transfusie doorgemaakt, dan is de antistofscreening (in principe) geldig tot de volgende bloedtransfusie, mits de anamnese absoluut betrouwbaar is Als voor de patiënt een kruisproef wordt uitgevoerd in de IAT, worden voor de geldigheid van de kruisproef dezelfde termijnen gehanteerd (<PERSOON> ###, <PERSOON> ###, Redman ###, Shulman ###) Antistofvorming vindt doorgaans binnen drie maanden na transfusie of zwangerschap plaats, maar in geval van een secundaire immunisatie, <PERSOON> ### De maximale tijd tussen antistofscreening en bloedtransfusie mag maximaal ## uur Na transfusie of zwangerschap is een antistofscreening en kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tot drie maanden daarna maximaal ## uur na afname van het Indien men absoluut zeker is dat er in de afgelopen drie maanden geen sprake is Bij compatibiliteitsonderzoek volgens de Type & Screen-strategie wordt de ABO compatibiliteit tussen donor en patiënt getest.
613
nvog
de testerytrocytensuspensies homozygoot aanwezig te zijn C, c, D, E, e, k#, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M, S, s uitsluiten van anti-k (anti-Cellano) met homozygote testerytrocyten, wijziging t o v versie Antistofvorming vindt doorgaans binnen drie maanden na transfusie of zwangerschap plaats Een secundaire immunisatie kan echter al snel plaatsvinden (Shulman ###) Op grond van gegevens van de literatuur en rekeninghoudend met de toegenomen gevoeligheid van de testsystemen bestaat er algemene consensus dat de periode tussen antistofscreening en transfusie maximaal ## uur mag zijn, omdat antistoffen dan al aantoonbaar kunnen zijn Heeft een patiënt in de afgelopen drie maanden geen zwangerschap of transfusie doorgemaakt, dan is de antistofscreening (in principe) geldig tot de volgende bloedtransfusie, mits de anamnese absoluut betrouwbaar is Als voor de patiënt een kruisproef wordt uitgevoerd in de IAT, worden voor de geldigheid van de kruisproef dezelfde termijnen gehanteerd (<PERSOON> ###, <PERSOON> ###, Redman ###, Shulman ###) Antistofvorming vindt doorgaans binnen drie maanden na transfusie of zwangerschap plaats, maar in geval van een secundaire immunisatie, <PERSOON> ### De maximale tijd tussen antistofscreening en bloedtransfusie mag maximaal ## uur Na transfusie of zwangerschap is een antistofscreening en kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tot drie maanden daarna maximaal ## uur na afname van het Indien men absoluut zeker is dat er in de afgelopen drie maanden geen sprake is Bij compatibiliteitsonderzoek volgens de Type & Screen-strategie wordt de ABO compatibiliteit tussen donor en patiënt getest Wordt volgens de Type & Screen-strategie gehandeld, dan moet worden voldaan aan de De ABO bloedgroep en het RhD-antigeen, zowel van de patiënt als van de donor(en) Screening op irregulaire erytrocytenantistoffen bij de patiënt met behulp van een driecel panel testerytrocyten moet negatief zijn Controle van de compatibiliteit van de ABO bloedgroep van de patiënt en de donor Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat de kans op het missen van een antistof bij gebruik van T&S in plaats van een indirecte antiglobulinetest (IAT) kruisproef ongeveer # ### per monster of # ## ### per kruisproef is (Garratty ###) Het risico op een ernstige hemolytische transfusiereactie is # ### ### kruisproeven (Shulman ###) De verantwoordelijke antistoffen zoals anti-Jka, -C, -c, -Wra en –Kpa waren niet aantoonbaar met de screening, waardoor de kans op een AHTR ten gevolge van antistoffen tegen laag frequente antigenen wordt geschat op # ### ### kruisproeven (Shulman ###) Omdat het voorkomen van de laagfrequente antigenen raciaal en geografisch kan verschillen, is onderzoek uitgevoerd onder de Nederlandse bevolking in de periode voor en na de invoering van T&S In deze studie van <PERSOON> van ### patiënten met ### erytrocytentransfusies was de kans op een incompatibele transfusie ten gevolge van antistoffen tegen laagfrequente antigenen <DATUM> ### en er werden geen transfusiesreacties ten gevolge van antistoffen Omdat ABO incompatibiliteit een directe acute hemolytische transfusiereactie teweeg kan brengen met fatale gevolgen (Issit ###) is de ABO compatibiliteit tussen donor en patiënt van essentieel belang.
651
nvog
& Screen-strategie gehandeld, dan moet worden voldaan aan de De ABO bloedgroep en het RhD-antigeen, zowel van de patiënt als van de donor(en) Screening op irregulaire erytrocytenantistoffen bij de patiënt met behulp van een driecel panel testerytrocyten moet negatief zijn Controle van de compatibiliteit van de ABO bloedgroep van de patiënt en de donor Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat de kans op het missen van een antistof bij gebruik van T&S in plaats van een indirecte antiglobulinetest (IAT) kruisproef ongeveer # ### per monster of # ## ### per kruisproef is (Garratty ###) Het risico op een ernstige hemolytische transfusiereactie is # ### ### kruisproeven (Shulman ###) De verantwoordelijke antistoffen zoals anti-Jka, -C, -c, -Wra en –Kpa waren niet aantoonbaar met de screening, waardoor de kans op een AHTR ten gevolge van antistoffen tegen laag frequente antigenen wordt geschat op # ### ### kruisproeven (Shulman ###) Omdat het voorkomen van de laagfrequente antigenen raciaal en geografisch kan verschillen, is onderzoek uitgevoerd onder de Nederlandse bevolking in de periode voor en na de invoering van T&S In deze studie van <PERSOON> van ### patiënten met ### erytrocytentransfusies was de kans op een incompatibele transfusie ten gevolge van antistoffen tegen laagfrequente antigenen <DATUM> ### en er werden geen transfusiesreacties ten gevolge van antistoffen Omdat ABO incompatibiliteit een directe acute hemolytische transfusiereactie teweeg kan brengen met fatale gevolgen (Issit ###) is de ABO compatibiliteit tussen donor en patiënt van essentieel belang donor en patiënt, waaronder begrepen de uitgifte van compatibele bloedproducten (IGZ ###) De bloedbank is verantwoordelijk voor de inhoud van het product, conform label Uit Amerikaanse onderzoek blijkt dat de kans op het missen van een antistof bij gebruik van T&S in plaats van een indirecte antiglobulinetest (IAT) kruisproef ongeveer # ### per monster of <DATUM> ### per kruisproef is Bij nader onderzoek van de effecten van #,# miljoen transfusies met negatieve T&S en korte kruisproef, waren er vijf meldingen van een acute niet aantoonbaar met de screening, waardoor de kans op een AHTR ten gevolge van antistoffen tegen laag frequente antigenen wordt geschat op In een Nederlandse studie van ### patiënten met ### erytrocytentransfusies was de kans op een incompatibele transfusie ten gevolge van antistoffen tegen laagfrequente antigenen <DATUM> ### en er werden geen transfusiesreacties ten gevolge van antistoffen tegen laagfrequente ABO compatibiliteit tussen donor en patiënt getest en dient de antistofscreening geldig en negatief te zijn Internationaal wordt de ABO bloedgroepcompatibiliteit tussen donor en patiënt bij een compatibiliteitsonderzoek volgens de Type & Screen-strategie gecontroleerd met één van de Een korte kruisproef in zout tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma De computer (ABO controle van zowel de ontvanger als donor op basis van geregistreerde data) Een ABO controle van zowel de ontvanger als donor met testreagentia (AABB ###) Van bovengenoemde methoden zijn voordelen en nadelen beschreven, waardoor een Het uitsluitend controleren van de ABO compatibiliteit met behulp van de computer (elektronische kruisproef) zonder controlebepalingen van de bloedgroep vooraf is onvoldoende.
648
nvog
compatibele bloedproducten (IGZ ###) De bloedbank is verantwoordelijk voor de inhoud van het product, conform label Uit Amerikaanse onderzoek blijkt dat de kans op het missen van een antistof bij gebruik van T&S in plaats van een indirecte antiglobulinetest (IAT) kruisproef ongeveer # ### per monster of <DATUM> ### per kruisproef is Bij nader onderzoek van de effecten van #,# miljoen transfusies met negatieve T&S en korte kruisproef, waren er vijf meldingen van een acute niet aantoonbaar met de screening, waardoor de kans op een AHTR ten gevolge van antistoffen tegen laag frequente antigenen wordt geschat op In een Nederlandse studie van ### patiënten met ### erytrocytentransfusies was de kans op een incompatibele transfusie ten gevolge van antistoffen tegen laagfrequente antigenen <DATUM> ### en er werden geen transfusiesreacties ten gevolge van antistoffen tegen laagfrequente ABO compatibiliteit tussen donor en patiënt getest en dient de antistofscreening geldig en negatief te zijn Internationaal wordt de ABO bloedgroepcompatibiliteit tussen donor en patiënt bij een compatibiliteitsonderzoek volgens de Type & Screen-strategie gecontroleerd met één van de Een korte kruisproef in zout tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma De computer (ABO controle van zowel de ontvanger als donor op basis van geregistreerde data) Een ABO controle van zowel de ontvanger als donor met testreagentia (AABB ###) Van bovengenoemde methoden zijn voordelen en nadelen beschreven, waardoor een Het uitsluitend controleren van de ABO compatibiliteit met behulp van de computer (elektronische kruisproef) zonder controlebepalingen van de bloedgroep vooraf is onvoldoende Wordt volgens de Type & Screen (T&S)-strategie gehandeld, dan moet worden de ABO bloedgroep en het RhD-antigeen, zowel van de patiënt als van de donor(en) screening op irregulaire erytrocytenantistoffen bij de patiënt met behulp van een driecel panel testerytrocyten; controle van de compatibiliteit van de ABO bloedgroep van de patiënt en de donor De werkgroep beveelt aan om bij het compatibiliteitsonderzoek volgens de Type & monster (maximaal ## uur oud) van de patiënt te testen door een korte kruisproef in zout tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma de computer Hiervoor wordt gebruik gemaakt van ISBT-###-streepjescodes op de donoreenheden en een ABO bloedgroepcontrole met testreagentia op de erytrocyten van de patiënt Vooraf dient de ABO bloedgroep van de donoreenheid in het bloedtransfusielaboratorium van het ziekenhuis één keer met testreagentia te zijn gecontroleerd Deze controle dient te worden gedocumenteerd in de computer Het uitsluitend controleren van de ABO compatibiliteit met behulp van de computer ABO controle met testreagentia van ontvanger en donor bij iedere uitgifte van Patiënten die niet in aanmerking komen voor de Type & Screen-strategie en voor wie een Een aantal patiëntencategorieën, hieronder besproken, komt niet in aanmerking voor de Type & Screen-strategie en hierbij is het uitvoeren van een kruisproef in de indirecte Bij het ongeboren kind en neonaten tot en met drie maanden kunnen passief verkregen antistoffen, afkomstig van de moeder, tegen een laagfrequent antigeen aanwezig zijn die niet worden gedetecteerd met de testerytrocyten Deze antistoffen worden wel aangetoond in.
599
nvog
volgens de Type & Screen (T&S)-strategie gehandeld, dan moet worden de ABO bloedgroep en het RhD-antigeen, zowel van de patiënt als van de donor(en) screening op irregulaire erytrocytenantistoffen bij de patiënt met behulp van een driecel panel testerytrocyten; controle van de compatibiliteit van de ABO bloedgroep van de patiënt en de donor De werkgroep beveelt aan om bij het compatibiliteitsonderzoek volgens de Type & monster (maximaal ## uur oud) van de patiënt te testen door een korte kruisproef in zout tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma de computer Hiervoor wordt gebruik gemaakt van ISBT-###-streepjescodes op de donoreenheden en een ABO bloedgroepcontrole met testreagentia op de erytrocyten van de patiënt Vooraf dient de ABO bloedgroep van de donoreenheid in het bloedtransfusielaboratorium van het ziekenhuis één keer met testreagentia te zijn gecontroleerd Deze controle dient te worden gedocumenteerd in de computer Het uitsluitend controleren van de ABO compatibiliteit met behulp van de computer ABO controle met testreagentia van ontvanger en donor bij iedere uitgifte van Patiënten die niet in aanmerking komen voor de Type & Screen-strategie en voor wie een Een aantal patiëntencategorieën, hieronder besproken, komt niet in aanmerking voor de Type & Screen-strategie en hierbij is het uitvoeren van een kruisproef in de indirecte Bij het ongeboren kind en neonaten tot en met drie maanden kunnen passief verkregen antistoffen, afkomstig van de moeder, tegen een laagfrequent antigeen aanwezig zijn die niet worden gedetecteerd met de testerytrocyten Deze antistoffen worden wel aangetoond in serum/plasma van de moeder Na de eerste transfusie is er ook plasma van de donor in de circulatie van het kind Het donorplasma kan ook antistoffen bevatten tegen een laagfrequent antigeen Dit betekent dat bij volgende erytrocytentransfusies de kruisproef verricht moet worden met zowel het serum/plasma van de moeder als dat van het kind Antistoffen tegen laagfrequente antigenen komen vooral voor bij patiënten die al IgGantistoffen in de circulatie hebben Ook voor deze groep patiënten geldt dus dat deze antistoffen opgespoord moeten worden in een kruisproef in de IAT tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma van de patiënt (BCSH ###) Voor patiënten met klinisch onbelangrijke alloantistoffen en met autoantistoffen is een kruisproef in de indirecte antiglobuline test niet strikt noodzakelijk Wel kan een kruisproef gebruikt worden om compatibele donorerytrocyten te selecteren (zie tabel <DATUM> #) In de praktijk is het meestal niet mogelijk bij patiënten met autoantistoffen een negatieve kruisproef in IAT te vinden (<PERSOON>, die in de drie maanden voorafgaande aan bloedtransfusie, een transplantatie van een gevasculariseerd orgaan (hier vallen bijvoorbeeld niet onder huid, cornea en bot) hebben ondergaan, kunnen anti-A- of anti-B-antistoffen afkomstig van circulerende donor- lymfocyten in de circulatie hebben, die uitsluitend bij het uitvoeren van kruisproeven in de Een dergelijke situatie, waarbij anti-A- of anti-B-antistoffen optreden, kan langer blijven bestaan en na langere tijd opnieuw optreden bij patiënten die een ABO incompatibele beenmerg-/stamceltransplantatie hebben ondergaan Voor deze patiënten zal dus altijd een kruisproef in de IAT moeten worden verricht.
591
nvog
de eerste transfusie is er ook plasma van de donor in de circulatie van het kind Het donorplasma kan ook antistoffen bevatten tegen een laagfrequent antigeen Dit betekent dat bij volgende erytrocytentransfusies de kruisproef verricht moet worden met zowel het serum/plasma van de moeder als dat van het kind Antistoffen tegen laagfrequente antigenen komen vooral voor bij patiënten die al IgGantistoffen in de circulatie hebben Ook voor deze groep patiënten geldt dus dat deze antistoffen opgespoord moeten worden in een kruisproef in de IAT tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma van de patiënt (BCSH ###) Voor patiënten met klinisch onbelangrijke alloantistoffen en met autoantistoffen is een kruisproef in de indirecte antiglobuline test niet strikt noodzakelijk Wel kan een kruisproef gebruikt worden om compatibele donorerytrocyten te selecteren (zie tabel <DATUM> #) In de praktijk is het meestal niet mogelijk bij patiënten met autoantistoffen een negatieve kruisproef in IAT te vinden (<PERSOON>, die in de drie maanden voorafgaande aan bloedtransfusie, een transplantatie van een gevasculariseerd orgaan (hier vallen bijvoorbeeld niet onder huid, cornea en bot) hebben ondergaan, kunnen anti-A- of anti-B-antistoffen afkomstig van circulerende donor- lymfocyten in de circulatie hebben, die uitsluitend bij het uitvoeren van kruisproeven in de Een dergelijke situatie, waarbij anti-A- of anti-B-antistoffen optreden, kan langer blijven bestaan en na langere tijd opnieuw optreden bij patiënten die een ABO incompatibele beenmerg-/stamceltransplantatie hebben ondergaan Voor deze patiënten zal dus altijd een kruisproef in de IAT moeten worden verricht verricht, dient deze minimaal de gevoeligheid te hebben van een IAT in runder(bovine)albumine (BCSH ###) Voor neonaten is het noodzakelijk dat de compatibiliteit van een erytrocyteneenheid gecontroleerd wordt met een kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tussen de erytrocyten van de donor en serum/plasma van de moeder en na transfusie ook met het serum/plasma van het kind Opmerking Indien klinische omstandigheden een bloedafname bij het kind voor het verrichten van kruisproeven in de weg staan zoals bv prematuriteit, dysmaturiteit of een laag geboortegewicht, kan de vereiste kruisproef met het serum van het kind achterwege blijven Voor patiënten bekend met klinisch belangrijke alloantistoffen is het noodzakelijk dat de compatibiliteit van een erytrocyteneenheid gecontroleerd wordt met een kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma van de patiënt Voor patiënten met klinisch onbelangrijke alloantistoffen en met autoantistoffen is een kruisproef in de indirecte antiglobuline test niet strikt noodzakelijk Wel kan een kruisproef gebruikt worden om compatibele donorerytrocyten te selecteren In de praktijk is het meestal niet mogelijk bij patiënten met autoantistoffen een negatieve kruisproef in de indirecte Voor patiënten die een transplantatie van gevasculariseerde organen hebben ondergaan is het noodzakelijk dat in de daarop volgende periode van drie maanden de compatibiliteit van een erytrocyteneenheid wordt gecontroleerd met een kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma van de patiënt hebben ondergaan kan een situatie, waarbij antistoffen tegen A en/of B.
563
nvog
verricht, dient deze minimaal de gevoeligheid te hebben van een IAT in runder(bovine)albumine (BCSH ###) Voor neonaten is het noodzakelijk dat de compatibiliteit van een erytrocyteneenheid gecontroleerd wordt met een kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tussen de erytrocyten van de donor en serum/plasma van de moeder en na transfusie ook met het serum/plasma van het kind Opmerking Indien klinische omstandigheden een bloedafname bij het kind voor het verrichten van kruisproeven in de weg staan zoals bv prematuriteit, dysmaturiteit of een laag geboortegewicht, kan de vereiste kruisproef met het serum van het kind achterwege blijven Voor patiënten bekend met klinisch belangrijke alloantistoffen is het noodzakelijk dat de compatibiliteit van een erytrocyteneenheid gecontroleerd wordt met een kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma van de patiënt Voor patiënten met klinisch onbelangrijke alloantistoffen en met autoantistoffen is een kruisproef in de indirecte antiglobuline test niet strikt noodzakelijk Wel kan een kruisproef gebruikt worden om compatibele donorerytrocyten te selecteren In de praktijk is het meestal niet mogelijk bij patiënten met autoantistoffen een negatieve kruisproef in de indirecte Voor patiënten die een transplantatie van gevasculariseerde organen hebben ondergaan is het noodzakelijk dat in de daarop volgende periode van drie maanden de compatibiliteit van een erytrocyteneenheid wordt gecontroleerd met een kruisproef in de indirecte antiglobulinetest tussen de erytrocyten van de donor en het serum/plasma van de patiënt hebben ondergaan kan een situatie, waarbij antistoffen tegen A en/of <PERSOON> bij aanwezigheid van antistoffen tegen laagfrequent voorkomende antigenen hebben bij een pasgeborene meer invloed dan bij een volwassene In dit perspectief is een kruisproef met het serum/plasma van de moeder en indien de pasgeborene eerder is getransfundeerd tevens met het serum/plasma van het kind noodzakelijk (zie bovenstaande pasgeborenen tot en met de leeftijd van drie maanden (kruisproef uitvoeren met in ieder geval serum/plasma van de moeder en na transfusie van de pasgeborene ook patiënten bekend met klinisch belangrijke irregulaire alloantistoffen (zie tabel <DATUM> ; ontvangers van transplantaten van gevasculariseerde organen (hieronder vallen bijvoorbeeld niet de huid, cornea en bot) gedurende drie maanden na transplantatie Wanneer de antistofscreening of de kruisproef positief is bevonden, moet de oorzaak hiervan worden opgespoord Een bloedtransfusie met een eenheid erytrocyten die positief is voor het antigeen waartegen de antistoffen zijn gericht, kan een (uitgestelde) hemolytische Patiënten met klinisch belangrijke erytrocytenalloantistoffen dienen derhalve uitsluitend erytrocyten toegediend te krijgen die negatief zijn voor het betreffende bloedgroepantigeen, zie <DATUM> # Daarom moeten, indien sprake is van irregulaire erytrocytenantistoffen, de antistoffen worden geïdentificeerd Om een alloantistofmet zekerheid te kunnen identificeren moet het onderzoek aan de volgende eisen voldoen De antistofidentificatie wordt primair uitgevoerd met de techniek waarmee de antistoffen zijn aangetoond Aanvullende technieken kunnen bij de identificatie De antistofidentificatie moet uitgevoerd worden volgens de Fisher exact methode (pwaarde (# ##) of voldoen aan de volgende stelregel minimaal # antigeen positieve cellen die reageren en minimaal twee negatieve cellen die niet reageren per aange-.
558
nvog
antigenen hebben bij een pasgeborene meer invloed dan bij een volwassene In dit perspectief is een kruisproef met het serum/plasma van de moeder en indien de pasgeborene eerder is getransfundeerd tevens met het serum/plasma van het kind noodzakelijk (zie bovenstaande pasgeborenen tot en met de leeftijd van drie maanden (kruisproef uitvoeren met in ieder geval serum/plasma van de moeder en na transfusie van de pasgeborene ook patiënten bekend met klinisch belangrijke irregulaire alloantistoffen (zie tabel <DATUM> ; ontvangers van transplantaten van gevasculariseerde organen (hieronder vallen bijvoorbeeld niet de huid, cornea en bot) gedurende drie maanden na transplantatie Wanneer de antistofscreening of de kruisproef positief is bevonden, moet de oorzaak hiervan worden opgespoord Een bloedtransfusie met een eenheid erytrocyten die positief is voor het antigeen waartegen de antistoffen zijn gericht, kan een (uitgestelde) hemolytische Patiënten met klinisch belangrijke erytrocytenalloantistoffen dienen derhalve uitsluitend erytrocyten toegediend te krijgen die negatief zijn voor het betreffende bloedgroepantigeen, zie <DATUM> # Daarom moeten, indien sprake is van irregulaire erytrocytenantistoffen, de antistoffen worden geïdentificeerd Om een alloantistofmet zekerheid te kunnen identificeren moet het onderzoek aan de volgende eisen voldoen De antistofidentificatie wordt primair uitgevoerd met de techniek waarmee de antistoffen zijn aangetoond Aanvullende technieken kunnen bij de identificatie De antistofidentificatie moet uitgevoerd worden volgens de Fisher exact methode (pwaarde (# ##) of voldoen aan de volgende stelregel minimaal # antigeen positieve cellen die reageren en minimaal twee negatieve cellen die niet reageren per aange- van tenminste # cellen waaraan eisen zijn gesteld Indien er sprake is van irregulaire erytrocytenantistoffen moeten bovendien de erytrocyten van de patiënt worden gecontroleerd op het ontbreken van het antigeen Onderliggende antistoffen moeten in ieder geval één keer en bij voorkeur, twee keer worden uitgesloten met erytrocyten die negatief zijn voor het betreffende antigeen waar de antistoffen tegen gericht zijn; antistoffen tegen de C-, c-, D-, E-, e-, k-#, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M-, S-, s-antigenen moeten met homozygote testerytrocyten worden uitgesloten en antistoffen tegen het K-antigeen mogen met heterozygote testerytrocyten worden uitgesloten Wanneer een anti-D-antistof aanwezig is, mag de uitgesloten Een anti-E mag ook heterozygoot worden uitgesloten bij de aanwezigheid van een anti-c en een anti-C mag heterozygoot worden uitgesloten bij Patiënten met irregulaire antistoffen hebben bewezen een goede immuunrespons te hebben daarom moet men bij elke nieuwe transfusie bedacht zijn op de aanwezigheid van onderliggende antistoffen en dienen deze antistoffen met testerytrocyten te worden uitgesloten met een maximale geldigheid van ## uur (<PERSOON> ###, <PERSOON> Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen kan het identificatie onderzoek zeer gecompliceerd zijn De kans op aanwezigheid van alloantistoffen of alloantistofvorming is bij patiënten met autoantistoffen relatief aanzienlijk (tot boven ##%) (Ahrens ###, Engelfriet ###) Daarom is het voor deze groep belangrijk dat (zo mogelijk) de aanwezigheid van ###, Engelfriet ###) Als dit onderzoek door tijdsdruk niet mogelijk is verdient het de voorkeur de patiënt te transfunderen met donorerytrocyten die compatibel zijn voor het Rhesusfenotype, het K antigeenen de antigenen van het Kiddsysteem Bij voorkeur is dan.
617
nvog
er sprake is van irregulaire erytrocytenantistoffen moeten bovendien de erytrocyten van de patiënt worden gecontroleerd op het ontbreken van het antigeen Onderliggende antistoffen moeten in ieder geval één keer en bij voorkeur, twee keer worden uitgesloten met erytrocyten die negatief zijn voor het betreffende antigeen waar de antistoffen tegen gericht zijn; antistoffen tegen de C-, c-, D-, E-, e-, k-#, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M-, S-, s-antigenen moeten met homozygote testerytrocyten worden uitgesloten en antistoffen tegen het K-antigeen mogen met heterozygote testerytrocyten worden uitgesloten Wanneer een anti-D-antistof aanwezig is, mag de uitgesloten Een anti-E mag ook heterozygoot worden uitgesloten bij de aanwezigheid van een anti-c en een anti-C mag heterozygoot worden uitgesloten bij Patiënten met irregulaire antistoffen hebben bewezen een goede immuunrespons te hebben daarom moet men bij elke nieuwe transfusie bedacht zijn op de aanwezigheid van onderliggende antistoffen en dienen deze antistoffen met testerytrocyten te worden uitgesloten met een maximale geldigheid van ## uur (<PERSOON> ###, <PERSOON> Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen kan het identificatie onderzoek zeer gecompliceerd zijn De kans op aanwezigheid van alloantistoffen of alloantistofvorming is bij patiënten met autoantistoffen relatief aanzienlijk (tot boven ##%) (Ahrens ###, Engelfriet ###) Daarom is het voor deze groep belangrijk dat (zo mogelijk) de aanwezigheid van ###, Engelfriet ###) Als dit onderzoek door tijdsdruk niet mogelijk is verdient het de voorkeur de patiënt te transfunderen met donorerytrocyten die compatibel zijn voor het Rhesusfenotype, het K antigeenen de antigenen van het Kiddsysteem Bij voorkeur is dan Ook bij patiënten met alloantistoffen is de kans op additionele alloantistofvorming ##-##%, Omdat antistoffen tegen erytrocyten in de loop der tijd in concentratie kunnen afnemen en dan niet langer aantoonbaar zijn, is het van belang de gegevens betreffende klinisch belangrijke erytrocytenantistoffen goed te registeren (<PERSOON> ###, Sazama ###) Deze registratie betreft zowel de archivering in het laboratoriumsysteem, het medisch dossier van de patiënt als een transfusiekaartje dat aan de patiënt verstrekt wordt De mogelijkheid tot opslag van deze gegevens in een landelijke database die voor de transfusielaboratoria ## uur per dag online is te raadplegen, is vanaf mei ### met de start <LOCATIE> gerealiseerd (Beunis ###, TRIX ###) Uit patiëntveiligheids- en kwaliteitsoverwegingen vormt het streven naar een snelle landelijke dekking van deelnemende laboratoria aan TRIX de norm In TRIX zijn de patiëntengegevens betreffende irregulaire Ieder deelnemend laboratorium is gerechtigd TRIX te raadplegen en patiënten in TRIX aan te melden Laboratoria die voldoen aan de gestelde eisen zijn gerechtigd irregulaire antistofgegevens in TRIX in te voeren mits voldaan wordt aan de gestelde TRIX criteria Bij antistofonderzoek is het belangrijk dat de specificiteit van de antistof eenduidig wordt vastgesteld en dat de aanwezigheid van andere antistoffen eenduidig wordt uitgesloten Bij patiënten die bekend zijn met irregulaire erytrocytenantistoffen moet men voor elke nieuwe transfusie bedacht zijn op het vóórkomen van onderliggende antistoffen en dienen deze antistoffen met testerytrocyten te worden uitgesloten, met een maximale geldigheid van ## uur Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen dient voor transfusie.
628
nvog
patiënten met alloantistoffen is de kans op additionele alloantistofvorming ##-##%, Omdat antistoffen tegen erytrocyten in de loop der tijd in concentratie kunnen afnemen en dan niet langer aantoonbaar zijn, is het van belang de gegevens betreffende klinisch belangrijke erytrocytenantistoffen goed te registeren (<PERSOON> ###, Sazama ###) Deze registratie betreft zowel de archivering in het laboratoriumsysteem, het medisch dossier van de patiënt als een transfusiekaartje dat aan de patiënt verstrekt wordt De mogelijkheid tot opslag van deze gegevens in een landelijke database die voor de transfusielaboratoria ## uur per dag online is te raadplegen, is vanaf mei ### met de start <LOCATIE> gerealiseerd (Beunis ###, TRIX ###) Uit patiëntveiligheids- en kwaliteitsoverwegingen vormt het streven naar een snelle landelijke dekking van deelnemende laboratoria aan TRIX de norm In TRIX zijn de patiëntengegevens betreffende irregulaire Ieder deelnemend laboratorium is gerechtigd TRIX te raadplegen en patiënten in TRIX aan te melden Laboratoria die voldoen aan de gestelde eisen zijn gerechtigd irregulaire antistofgegevens in TRIX in te voeren mits voldaan wordt aan de gestelde TRIX criteria Bij antistofonderzoek is het belangrijk dat de specificiteit van de antistof eenduidig wordt vastgesteld en dat de aanwezigheid van andere antistoffen eenduidig wordt uitgesloten Bij patiënten die bekend zijn met irregulaire erytrocytenantistoffen moet men voor elke nieuwe transfusie bedacht zijn op het vóórkomen van onderliggende antistoffen en dienen deze antistoffen met testerytrocyten te worden uitgesloten, met een maximale geldigheid van ## uur Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen dient voor transfusie Antistoffen tegen erytrocyten kunnen in de loop der tijd in concentratie De antigenen van het Rhesus-, Kell- Kidd en Ss-systeem zijn bij patiënten met warme autoantistoffen, indien de persoon de laatste drie maanden niet is getransfundeerd, doorgaans serologisch met monoklonale reagentia vast te stellen Voor alle andere gevallen (antigenen in het Duffy- systeem en typering van personen die de laatste drie maanden zijn Bij complexe antistof identificatie, bijvoorbeeld door een combinatie van meerdere antistoffen, of antistoffen tegen hoogfrequente antigenen, is het gebruik van verschillende panels testerytrocyten noodzakelijk In dit soort situaties is het wenselijk een gespecialiseerd Om een alloantistof met zekerheid te kunnen identificeren moet het onderzoek aan de antistofidentificatie dient primair uitgevoerd te worden met de techniek waarin de om een antistof te kunnen identificeren dient de antistofidentificatie uitgevoerd te worden volgens de Fisher exact methode (p( # ##) of moet het patiëntenserum/plasma met tenminste twee antigeenpositieve testerytrocyten reageren en minimaal twee negatieve cellen die niet reageren per aangetoonde antistof; indien er sprake is van irregulaire erytrocytenantistoffen dienen de erytrocyten van de patiënt te worden gecontroleerd op het ontbreken van het antigeen waartegen de onderliggende antistoffen dienen tenminste één keer en bij voorkeur twee keer te worden uitgesloten Het gaat hierbij om antistoffen tegen de C-, c-, D-, E-, e-, k-#, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M-, S-, s-antigenen met homozygote testerytrocyten en antistoffen tegen het K-antigeen met heterozygote testerytrocyten Wanneer een anti-RhDantistof aanwezig is, mag de eventuele aanwezigheid van anti-C- en anti-Eantistoffen met heterozygote testerytrocyten worden uitgesloten Bij de aanwezigheid.
609
nvog
der tijd in concentratie De antigenen van het Rhesus-, Kell- Kidd en Ss-systeem zijn bij patiënten met warme autoantistoffen, indien de persoon de laatste drie maanden niet is getransfundeerd, doorgaans serologisch met monoklonale reagentia vast te stellen Voor alle andere gevallen (antigenen in het Duffy- systeem en typering van personen die de laatste drie maanden zijn Bij complexe antistof identificatie, bijvoorbeeld door een combinatie van meerdere antistoffen, of antistoffen tegen hoogfrequente antigenen, is het gebruik van verschillende panels testerytrocyten noodzakelijk In dit soort situaties is het wenselijk een gespecialiseerd Om een alloantistof met zekerheid te kunnen identificeren moet het onderzoek aan de antistofidentificatie dient primair uitgevoerd te worden met de techniek waarin de om een antistof te kunnen identificeren dient de antistofidentificatie uitgevoerd te worden volgens de Fisher exact methode (p( # ##) of moet het patiëntenserum/plasma met tenminste twee antigeenpositieve testerytrocyten reageren en minimaal twee negatieve cellen die niet reageren per aangetoonde antistof; indien er sprake is van irregulaire erytrocytenantistoffen dienen de erytrocyten van de patiënt te worden gecontroleerd op het ontbreken van het antigeen waartegen de onderliggende antistoffen dienen tenminste één keer en bij voorkeur twee keer te worden uitgesloten Het gaat hierbij om antistoffen tegen de C-, c-, D-, E-, e-, k-#, Fyª, Fyb, Jkª, Jkb, M-, S-, s-antigenen met homozygote testerytrocyten en antistoffen tegen het K-antigeen met heterozygote testerytrocyten Wanneer een anti-RhDantistof aanwezig is, mag de eventuele aanwezigheid van anti-C- en anti-Eantistoffen met heterozygote testerytrocyten worden uitgesloten Bij de aanwezigheid testerytrocyten worden uitgesloten, evenzo bij de aanwezigheid van een anti-e de Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen dient voor transfusie de te worden uitgesloten en dienen preventief erytrocyten gekozen te worden die compatibel zijn voor antigenen in het Rhesussysteem en K Als dit uitsluitonderzoek niet (volledig) mogelijk is kan overwogen worden tevens preventief erytrocyten te kiezen die compatibel zijn voor Kidd, Duffy, S en s De geldigheidsduur van het resultaat van het antistofidentificatieonderzoek in de eerste drie maanden na transfusie of zwangerschap is maximaal ## uur na afname De aanwezigheid van klinisch belangrijke irregulaire erytrocytenantistoffen dient goed geregistreerd te worden De werkgroep is van mening dat dit dient te geschieden in een rapportage van dit bloedtransfusielaboratorium aan de behandelend arts voor op een transfusiekaart die aan de patiënt wordt verstrekt met een voor leken Bij complexe antistofidentificatie, bijvoorbeeld door een combinatie van meerdere antistoffen, of antistoffen tegen hoogfrequente antigenen, acht de werkgroep het gebruik van verschillende panels testerytrocyten noodzakelijk In dit soort situaties acht de werkgroep het wenselijk een gespecialiseerd laboratorium te consulteren Bij recente transfusies mogelijk onbetrouwbare uitslag, tenzij de eenheden negatief waren <DATUM> # Het gebruik van serum of plasma bij antistofscreening en kruisproeven Bij screening op de aanwezigheid van erytrocytenantistoffen moeten klinisch belangrijke antistoffen (IgG-antistoffen en bij ##°C reactieve IgM-antistoffen) worden aangetoond, terwijl aspecifiek positieve reacties moeten worden vermeden Sommige zwakke antistoffen gericht tegen bijvoorbeeld antigenen in het Kidd-systeem zijn alleen aantoonbaar omdat ze complement binden (<PERSOON> ###) Dit betekent dat er indien minder gevoelige technieken.
596
nvog
aanwezigheid van een anti-e de Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen dient voor transfusie de te worden uitgesloten en dienen preventief erytrocyten gekozen te worden die compatibel zijn voor antigenen in het Rhesussysteem en K Als dit uitsluitonderzoek niet (volledig) mogelijk is kan overwogen worden tevens preventief erytrocyten te kiezen die compatibel zijn voor Kidd, Duffy, S en s De geldigheidsduur van het resultaat van het antistofidentificatieonderzoek in de eerste drie maanden na transfusie of zwangerschap is maximaal ## uur na afname De aanwezigheid van klinisch belangrijke irregulaire erytrocytenantistoffen dient goed geregistreerd te worden De werkgroep is van mening dat dit dient te geschieden in een rapportage van dit bloedtransfusielaboratorium aan de behandelend arts voor op een transfusiekaart die aan de patiënt wordt verstrekt met een voor leken Bij complexe antistofidentificatie, bijvoorbeeld door een combinatie van meerdere antistoffen, of antistoffen tegen hoogfrequente antigenen, acht de werkgroep het gebruik van verschillende panels testerytrocyten noodzakelijk In dit soort situaties acht de werkgroep het wenselijk een gespecialiseerd laboratorium te consulteren Bij recente transfusies mogelijk onbetrouwbare uitslag, tenzij de eenheden negatief waren <DATUM> # Het gebruik van serum of plasma bij antistofscreening en kruisproeven Bij screening op de aanwezigheid van erytrocytenantistoffen moeten klinisch belangrijke antistoffen (IgG-antistoffen en bij ##°C reactieve IgM-antistoffen) worden aangetoond, terwijl aspecifiek positieve reacties moeten worden vermeden Sommige zwakke antistoffen gericht tegen bijvoorbeeld antigenen in het Kidd-systeem zijn alleen aantoonbaar omdat ze complement binden (<PERSOON> ###) Dit betekent dat er indien minder gevoelige technieken zijn om deze antistoffen aan te kunnen tonen Complementbindende alloantistoffen, met name Kidd, zijn klinisch zeer belangrijk omdat ze een intravasculaire hemolytische reactie <PERSOON> heeft aangetoond dat de „polyethyleen glycol‟ (PEG)-antiglobulinetest en kolomen „solid phase‟-methoden gevoelig genoeg zijn voor het aantonen van zwakke <PERSOON> ###) De bovine albumine-IAT en de zout-IAT zijn niet gevoelig genoeg om zwakke Kidd-antistoffen aan te tonen, indien geen gebruik gemaakt wordt van het vermogen van deze antistoffen complement te activeren (<PERSOON> ###, Vucelic ###, AABB ###) De gevoeligheid van de verschillende technieken kan als volgt beschreven klinisch zeer belangrijk omdat ze een hemolytische reactie kunnen veroorzaken De methode en techniek om de aanwezigheid van erytrocytenantistoffen aan te tonen moet een voldoende hoge sensitiviteit hebben om Kiddantistoffen aan te tonen phase‟-methoden zijn gevoelig genoeg voor het aantonen van zwakke LISS-„solid phase‟-methoden worden door de werkgroep aanbevolen bij het aantonen van zwakke Kidd-antistoffen aangezien deze het meest gevoelig zijn voor het Bij antistofstofscreening en kruisproeven dient bij zout-IAT en bovine albumine-IAT en bij PEG-IAT kan serum, heparine- of EDTA-plasma gebruikt te worden In dit hoofdstuk wordt gesteld dat het bloedtransfusielaboratorium verantwoordelijk is voor mag het bloedtransfusielaboratorium er niet van uitgaan dat het etiket op het moet de ABO bloedgroep van de patiënt uit twee éénduidig geïdentificeerde moet rekening worden gehouden met bekende klinisch belangrijke erytrocyten Om aan deze eisen te voldoen registreert ieder bloedtransfusielaboratorium nauwgezet of van de betreffende patiënt de ABO/RhD bloedgroep is bepaald (en eenduidig vastgesteld),.
600
nvog
deze antistoffen aan te kunnen tonen Complementbindende alloantistoffen, met name Kidd, zijn klinisch zeer belangrijk omdat ze een intravasculaire hemolytische reactie <PERSOON> heeft aangetoond dat de „polyethyleen glycol‟ (PEG)-antiglobulinetest en kolomen „solid phase‟-methoden gevoelig genoeg zijn voor het aantonen van zwakke <PERSOON> ###) De bovine albumine-IAT en de zout-IAT zijn niet gevoelig genoeg om zwakke Kidd-antistoffen aan te tonen, indien geen gebruik gemaakt wordt van het vermogen van deze antistoffen complement te activeren (<PERSOON> ###, Vucelic ###, AABB ###) De gevoeligheid van de verschillende technieken kan als volgt beschreven klinisch zeer belangrijk omdat ze een hemolytische reactie kunnen veroorzaken De methode en techniek om de aanwezigheid van erytrocytenantistoffen aan te tonen moet een voldoende hoge sensitiviteit hebben om Kiddantistoffen aan te tonen phase‟-methoden zijn gevoelig genoeg voor het aantonen van zwakke LISS-„solid phase‟-methoden worden door de werkgroep aanbevolen bij het aantonen van zwakke Kidd-antistoffen aangezien deze het meest gevoelig zijn voor het Bij antistofstofscreening en kruisproeven dient bij zout-IAT en bovine albumine-IAT en bij PEG-IAT kan serum, heparine- of EDTA-plasma gebruikt te worden In dit hoofdstuk wordt gesteld dat het bloedtransfusielaboratorium verantwoordelijk is voor mag het bloedtransfusielaboratorium er niet van uitgaan dat het etiket op het moet de ABO bloedgroep van de patiënt uit twee éénduidig geïdentificeerde moet rekening worden gehouden met bekende klinisch belangrijke erytrocyten Om aan deze eisen te voldoen registreert ieder bloedtransfusielaboratorium nauwgezet of van de betreffende patiënt de ABO/RhD bloedgroep is bepaald (en eenduidig vastgesteld), het eigen laboratorium of elders (dat wil zeggen vragen naar een transfusiekaartje) zijn aangetoond Voorafgaand aan elke transfusieperiode dient het eigen ziekenhuis-gerelateerde bestand en tevens de (online) landelijke database TRIX geraadpleegd te worden De TRIX- database is met name belangrijk in verband met de toenemende patiëntenmobiliteit, waardoor het ziekenhuisarchief alleen niet aan de gestelde eisen kan voldoen In de praktijk zijn vier situaties te onderscheiden waarin gegevens van derden van belang De ABO/RhD bloedgroep van patiënt is in een andere instelling bepaald Patiënt staat bij een andere instelling geregistreerd met irregulaire erytrocyten alloantistoffen Transfusie bij pasgeborene die in een andere instelling (intra-uterien) is De werkgroep is van mening dat voor het uitgeven van compatibele bloedproducten ieder bloedtransfusielaboratorium nauwgezet dient te registreren of van de betreffende patiënt de ABO/RhD bloedgroep is bepaald (en eenduidig is vastgesteld), welke bloedtransfusies deze heeft ontvangen en welke irregulaire antistoffen eventueel in het eigen laboratorium of elders (dat wil zeggen vragen naar een transfusiekaartje) zijn aangetoond Voorafgaand aan elke transfusie dient dit ziekenhuis-gerelateerde bestand en de (online) landelijke database TRIX geraadpleegd te worden voor verificatie Een door derden bepaalde ABO/RhD bloedgroep mag in spoedeisende situaties als een eenmalig onafhankelijk bepaalde bloedgroep worden beschouwd wanneer het Er moet in het ziekenhuis een procedure zijn om het resultaat van door derden bepaalde irregulaire erytrocytenantistoffen als zodanig met bronvermelding vast te Bij een intra-uteriene transfusie en/of (wissel)transfusie bij een pasgeborene dient het bloedtransfusielaboratorium zonodig na te gaan of van de moeder (recente) De meeste hemolytische transfusiereacties met dodelijke afloop berusten op.
603
nvog
een transfusiekaartje) zijn aangetoond Voorafgaand aan elke transfusieperiode dient het eigen ziekenhuis-gerelateerde bestand en tevens de (online) landelijke database TRIX geraadpleegd te worden De TRIX- database is met name belangrijk in verband met de toenemende patiëntenmobiliteit, waardoor het ziekenhuisarchief alleen niet aan de gestelde eisen kan voldoen In de praktijk zijn vier situaties te onderscheiden waarin gegevens van derden van belang De ABO/RhD bloedgroep van patiënt is in een andere instelling bepaald Patiënt staat bij een andere instelling geregistreerd met irregulaire erytrocyten alloantistoffen Transfusie bij pasgeborene die in een andere instelling (intra-uterien) is De werkgroep is van mening dat voor het uitgeven van compatibele bloedproducten ieder bloedtransfusielaboratorium nauwgezet dient te registreren of van de betreffende patiënt de ABO/RhD bloedgroep is bepaald (en eenduidig is vastgesteld), welke bloedtransfusies deze heeft ontvangen en welke irregulaire antistoffen eventueel in het eigen laboratorium of elders (dat wil zeggen vragen naar een transfusiekaartje) zijn aangetoond Voorafgaand aan elke transfusie dient dit ziekenhuis-gerelateerde bestand en de (online) landelijke database TRIX geraadpleegd te worden voor verificatie Een door derden bepaalde ABO/RhD bloedgroep mag in spoedeisende situaties als een eenmalig onafhankelijk bepaalde bloedgroep worden beschouwd wanneer het Er moet in het ziekenhuis een procedure zijn om het resultaat van door derden bepaalde irregulaire erytrocytenantistoffen als zodanig met bronvermelding vast te Bij een intra-uteriene transfusie en/of (wissel)transfusie bij een pasgeborene dient het bloedtransfusielaboratorium zonodig na te gaan of van de moeder (recente) De meeste hemolytische transfusiereacties met dodelijke afloop berusten op bloedgroep worden toegediend (McClelland ###, Sazama ###) Een deel van de fouten (#-##%) wordt gemaakt bij het selecteren van bloedproducten uit de voorraad en bij de overdracht van deze producten van het bloedtransfusielaboratorium aan de afdeling Uit nadere analyse van de “incorrect blood component transfusion”-meldingen van SHOT blijkt dat in circa ##% van de gevallen er sprake is van meer dan één fout en dat circa ##% van de fouten worden gemaakt buiten het laboratorium (in casu bij de verpleegafdeling) De oorzaak van de meeste hemolytische transfusiereacties met dodelijke Zes tot twintig procent van de fouten wordt gemaakt bij het selecteren van bloedproducten uit de voorraad en bij de overdracht van deze producten Door het uitgeven van compatibel verklaarde bloedproducten aan de afdeling vindt overdracht van de verantwoordelijkheid plaats van het bloedtransfusielaboratorium aan de afdeling De procedure tot en met toediening van bloedproducten dient binnen wettelijke kaders volgens een sluitend administratief systeem vastgelegd en geregistreerd te worden Voorbeelden van een dergelijke controleprocedure voor uitgifte van bloedproducten van het bloedtransfusielaboratorium naar de afdeling zijn beschreven in onderstaande tabel <DATUM> Tabel <DATUM> Voorbeeld van een controleprocedure voor uitgifte van bloedproducten van bloedtransfusielaboratorium naar de afdeling ter voorkoming van administratieve op het compatibiliteitsformulier en/of met het label aan het bloedproduct, bij voorkeur elektronisch door het vergelijken van de streepjescodes De bloedtransfusielaboratoriummedewerker vergelijkt het bloedproductnummer op de eenheid met het nummer op het compatibiliteitsformulier en/of het label, bij voorkeur elektronisch door het vergelijken van streepjescodes visuele inspectie op kleur, stolsels en lekkage.
574
nvog
Een deel van de fouten (#-##%) wordt gemaakt bij het selecteren van bloedproducten uit de voorraad en bij de overdracht van deze producten van het bloedtransfusielaboratorium aan de afdeling Uit nadere analyse van de “incorrect blood component transfusion”-meldingen van SHOT blijkt dat in circa ##% van de gevallen er sprake is van meer dan één fout en dat circa ##% van de fouten worden gemaakt buiten het laboratorium (in casu bij de verpleegafdeling) De oorzaak van de meeste hemolytische transfusiereacties met dodelijke Zes tot twintig procent van de fouten wordt gemaakt bij het selecteren van bloedproducten uit de voorraad en bij de overdracht van deze producten Door het uitgeven van compatibel verklaarde bloedproducten aan de afdeling vindt overdracht van de verantwoordelijkheid plaats van het bloedtransfusielaboratorium aan de afdeling De procedure tot en met toediening van bloedproducten dient binnen wettelijke kaders volgens een sluitend administratief systeem vastgelegd en geregistreerd te worden Voorbeelden van een dergelijke controleprocedure voor uitgifte van bloedproducten van het bloedtransfusielaboratorium naar de afdeling zijn beschreven in onderstaande tabel <DATUM> Tabel <DATUM> Voorbeeld van een controleprocedure voor uitgifte van bloedproducten van bloedtransfusielaboratorium naar de afdeling ter voorkoming van administratieve op het compatibiliteitsformulier en/of met het label aan het bloedproduct, bij voorkeur elektronisch door het vergelijken van de streepjescodes De bloedtransfusielaboratoriummedewerker vergelijkt het bloedproductnummer op de eenheid met het nummer op het compatibiliteitsformulier en/of het label, bij voorkeur elektronisch door het vergelijken van streepjescodes visuele inspectie op kleur, stolsels en lekkage Ter voorkoming van fouten heeft het de voorkeur dat één eenheid bloedproduct per patiënt per keer uitgegeven wordt door het bloedtransfusielaboratorium aan een afdeling, in plaats van meedere eenheden tegelijk Uitzonderingen hierop vormen afdelingen waar een gevalideerde en bewaakte bloedkoelkast aanwezig is Elk bloedproduct wordt daarbij verge- zeld van een begeleidingsformulier Ook ten aanzien van de toediening is het van belang dat er een sluitende, bij voorkeur met behulp van een elektronisch transfusiebewakingssysteem, registratie is waaruit blijkt welk bloedproduct aan welke patiënt op welk tijdstip daadwerkelijk is toegediend Conform Europese wetgeving wordt deze registratie minimaal <LEEFTIJD> jaar De procedure voor de overdracht van bloedproducten van het bloedtransfusielaboratorium naar de afdeling dient schriftelijk vastgelegd te zijn In deze procedure dienen controles te worden beschreven en uitgevoerd om mogelijke administratieve verwisselingen te voorkomen Een voorbeeld van een Door het bloedtransfusielaboratorium wordt zo mogelijk een eenheid bloedproduct per patiënt per keer uitgegeven aan een afdeling Uitzonderingen vormen afdelingen Er dient een sluitende, bij voorkeur met behulp van een elektronisch transfusiebewakingssysteem, registratie plaats te vinden waaruit blijkt welk bloedproduct aan welke patiënt op welk tijdstip daadwerkelijk is toegediend Deze administratie <DATUM> # Selectie van ABO/ RhD compatibele eenheden (standaard notatie RhD) Bij een ABO/RhD identieke bloedtransfusie heeft het donorbloed dezelfde ABO/RhD bloedgroep als de ontvanger Bij een ABO/RhD compatibele bloedtransfusie dragen de donorerytrocyten geen A- of B-antigenen waartegen de ontvanger antistoffen heeft en dient het RhD-antigeen afwezig te zijn wanneer de ontvanger RhD-negatief is Bij een RhDpositieve ontvanger kan zowel RhD-positief als RhD-negatief donorbloed getransfundeerd.
568
nvog
dat één eenheid bloedproduct per patiënt per keer uitgegeven wordt door het bloedtransfusielaboratorium aan een afdeling, in plaats van meedere eenheden tegelijk Uitzonderingen hierop vormen afdelingen waar een gevalideerde en bewaakte bloedkoelkast aanwezig is Elk bloedproduct wordt daarbij verge- zeld van een begeleidingsformulier Ook ten aanzien van de toediening is het van belang dat er een sluitende, bij voorkeur met behulp van een elektronisch transfusiebewakingssysteem, registratie is waaruit blijkt welk bloedproduct aan welke patiënt op welk tijdstip daadwerkelijk is toegediend Conform Europese wetgeving wordt deze registratie minimaal <LEEFTIJD> jaar De procedure voor de overdracht van bloedproducten van het bloedtransfusielaboratorium naar de afdeling dient schriftelijk vastgelegd te zijn In deze procedure dienen controles te worden beschreven en uitgevoerd om mogelijke administratieve verwisselingen te voorkomen Een voorbeeld van een Door het bloedtransfusielaboratorium wordt zo mogelijk een eenheid bloedproduct per patiënt per keer uitgegeven aan een afdeling Uitzonderingen vormen afdelingen Er dient een sluitende, bij voorkeur met behulp van een elektronisch transfusiebewakingssysteem, registratie plaats te vinden waaruit blijkt welk bloedproduct aan welke patiënt op welk tijdstip daadwerkelijk is toegediend Deze administratie <DATUM> # Selectie van ABO/ RhD compatibele eenheden (standaard notatie RhD) Bij een ABO/RhD identieke bloedtransfusie heeft het donorbloed dezelfde ABO/RhD bloedgroep als de ontvanger Bij een ABO/RhD compatibele bloedtransfusie dragen de donorerytrocyten geen A- of B-antigenen waartegen de ontvanger antistoffen heeft en dient het RhD-antigeen afwezig te zijn wanneer de ontvanger RhD-negatief is Bij een RhDpositieve ontvanger kan zowel RhD-positief als RhD-negatief donorbloed getransfundeerd alle ontvangers Wanneer de bloedgroep van de patiënt nog niet bekend is, zal daarom uit Van de ontvangers is circa #,#% bloedgroep O RhD-negatief De praktijkervaring van Sanquin Bloedvoorziening laat echter zien dat een veel hoger percentage bloedgroep O RhD-negatieve eenheden wordt verbruikt, ##,#% in ### (Sanquin ###) Het gebruik van O RhD-negatief eenheden is dus hoger dan men op grond van statistiek zou mogen verwachten Hierdoor wordt de donorpopulatie met deze specifieke bloedgroep (##,#%) extra belast en dreigt een tekort aan erytrocytenconcentraten van deze bloedgroep te ontstaan Een maximale inspanning van ziekenhuizen om ABO/RhD identiek te transfunderen kan deze spanning tussen donorbeschikbaarheid en bloedgroep specifieke Tabel <DATUM> # Voorkeurkeuze bij selectie ABO-Rhesus-D-compatibele eenheden In de volgende paragrafen worden specifieke patiëntengroepen besproken, waarvoor bij de selectie van ABO/RhD compatibele eenheden erytrocytenconcentraat nog aanvullende dreigt een tekort aan erytrocytenconcentraten van deze bloedgroep te ontstaan transfunderen kan de spanning tussen donorbeschikbaarheid en bloedgroep specifieke vraag naar erytrocytenconcentraten verminderen Het risico op anti-RhD vorming bij patiënten die RhD incompatibele transfusies hebben ontvangen, blijkt ##-##% te bedragen (Frohn ###, Yazer ###, GonzalesPorrez ###) Bij mannelijke RhD negatieve patiënten is de kans op de aanwezigheid van antiRhD-antistoffen kleiner dan bij vrouwelijke RhD negatieve patiënten, die door Bij RhD negatieve mannen is het klinisch belang van de ontwikkeling van anti-RhDantistoffen kleiner dan bij RhD negatieve vrouwen ( <LEEFTIJD> jaar Bij RhD negatieve vrouwen in de vruchtbare leeftijd kan de aanwezigheid van anti-D-antistoffen naast het veroorzaken van complicaties bij de foetus tijdens de zwangerschap ook.
613
nvog
Wanneer de bloedgroep van de patiënt nog niet bekend is, zal daarom uit Van de ontvangers is circa #,#% bloedgroep O RhD-negatief De praktijkervaring van Sanquin Bloedvoorziening laat echter zien dat een veel hoger percentage bloedgroep O RhD-negatieve eenheden wordt verbruikt, ##,#% in ### (Sanquin ###) Het gebruik van O RhD-negatief eenheden is dus hoger dan men op grond van statistiek zou mogen verwachten Hierdoor wordt de donorpopulatie met deze specifieke bloedgroep (##,#%) extra belast en dreigt een tekort aan erytrocytenconcentraten van deze bloedgroep te ontstaan Een maximale inspanning van ziekenhuizen om ABO/RhD identiek te transfunderen kan deze spanning tussen donorbeschikbaarheid en bloedgroep specifieke Tabel <DATUM> # Voorkeurkeuze bij selectie ABO-Rhesus-D-compatibele eenheden In de volgende paragrafen worden specifieke patiëntengroepen besproken, waarvoor bij de selectie van ABO/RhD compatibele eenheden erytrocytenconcentraat nog aanvullende dreigt een tekort aan erytrocytenconcentraten van deze bloedgroep te ontstaan transfunderen kan de spanning tussen donorbeschikbaarheid en bloedgroep specifieke vraag naar erytrocytenconcentraten verminderen Het risico op anti-RhD vorming bij patiënten die RhD incompatibele transfusies hebben ontvangen, blijkt ##-##% te bedragen (Frohn ###, Yazer ###, GonzalesPorrez ###) Bij mannelijke RhD negatieve patiënten is de kans op de aanwezigheid van antiRhD-antistoffen kleiner dan bij vrouwelijke RhD negatieve patiënten, die door Bij RhD negatieve mannen is het klinisch belang van de ontwikkeling van anti-RhDantistoffen kleiner dan bij RhD negatieve vrouwen ( <LEEFTIJD> jaar Bij RhD negatieve vrouwen in de vruchtbare leeftijd kan de aanwezigheid van anti-D-antistoffen naast het veroorzaken van complicaties bij de foetus tijdens de zwangerschap ook Voor de selectie van RhD identieke eenheden wordt bij vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar aanbevolen om zolang de RhD bloedgroep niet definitief bepaald is negatieve eenheden te selecteren Voor mannen met een negatieve antistofscreening kan worden overwogen bij een eenmalig RhD bepaling RhD identieke eenheden te selecteren In noodgevallen kan ook bij vrouwen ouder dan <LEEFTIJD> jaar en mannen waarvan geen RhD bloedgroep bekend is overwogen worden om RhD positieve eenheden te selecteren (Gonzales ###) Patiënten dienen bij voorkeur getransfundeerd te worden met ABO en RhD identieke Het is noodzakelijk dat in de ziekenhuizen logistieke maatregelen worden getroffen om het onnodig gebruik van bloedgroep O RhD negatieve erytrocyten te verminderen Voor de selectie van RhD identieke eenheden wordt bij vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar aanbevolen om zolang de RhD bloedgroep niet definitief bepaald is negatieve eenheden te selecteren Voor mannen met een negatieve antistofscreening kan worden overwogen bij een eenmalig RhD bepaling RhD identieke eenheden te selecteren In noodgevallen kan ook bij vrouwen ouder dan <LEEFTIJD> jaar en mannen waarvan geen RhD bloedgroep bekend is overwogen worden om RhD positieve <DATUM> # Selectie bloedproducten voor patiënten met irregulaire erytrocytenantistoffen waarvan in de literatuur beschreven is dat ze hemolytische transfusiereacties kunnen veroorzaken (Issit ###) Voor patiënten die bekend zijn met klinisch belangrijke alloerytrocytenantistoffen, wordt uitsluitend bloed geselecteerd waarbij het betreffende antigeen ontbreekt Naast het gebruik van getypeerde erytrocyten wordt ook een kruisproef in de IAT uitgevoerd.
597
nvog
Voor de selectie van RhD identieke eenheden wordt bij vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar aanbevolen om zolang de RhD bloedgroep niet definitief bepaald is negatieve eenheden te selecteren Voor mannen met een negatieve antistofscreening kan worden overwogen bij een eenmalig RhD bepaling RhD identieke eenheden te selecteren In noodgevallen kan ook bij vrouwen ouder dan <LEEFTIJD> jaar en mannen waarvan geen RhD bloedgroep bekend is overwogen worden om RhD positieve eenheden te selecteren (Gonzales ###) Patiënten dienen bij voorkeur getransfundeerd te worden met ABO en RhD identieke Het is noodzakelijk dat in de ziekenhuizen logistieke maatregelen worden getroffen om het onnodig gebruik van bloedgroep O RhD negatieve erytrocyten te verminderen Voor de selectie van RhD identieke eenheden wordt bij vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar aanbevolen om zolang de RhD bloedgroep niet definitief bepaald is negatieve eenheden te selecteren Voor mannen met een negatieve antistofscreening kan worden overwogen bij een eenmalig RhD bepaling RhD identieke eenheden te selecteren In noodgevallen kan ook bij vrouwen ouder dan <LEEFTIJD> jaar en mannen waarvan geen RhD bloedgroep bekend is overwogen worden om RhD positieve <DATUM> # Selectie bloedproducten voor patiënten met irregulaire erytrocytenantistoffen waarvan in de literatuur beschreven is dat ze hemolytische transfusiereacties kunnen veroorzaken (Issit ###) Voor patiënten die bekend zijn met klinisch belangrijke alloerytrocytenantistoffen, wordt uitsluitend bloed geselecteerd waarbij het betreffende antigeen ontbreekt Naast het gebruik van getypeerde erytrocyten wordt ook een kruisproef in de IAT uitgevoerd bestaat ten gevolge van antistoffen gericht tegen bijzondere (private) antigenen die niet routinematig op testerytrocyten aanwezig zijn Indien met het transfunderen niet gewacht kan worden op het resultaat van de antistofidentificatie of de selectie van getypeerde eenheden, wordt het risico voor transfusiereacties door de behandelend arts en hemolyse en zelden intravasculaire hemolyse met uitzondering van complementbindende antistoffen tegen bijvoorbeeld Vel, Tja en <PERSOON> ###) Voor patiënten met klinisch onbelangrijke erytrocytenantistoffen kan voor de selectie volstaan worden met een kruisproef (BSCH ###), uitgevoerd in de IAT waarbij deze negatief dient te zijn In tabel <DATUM> is aangegeven voor welke antistoffen getypeerde erytrocyten geselecteerd moeten worden, wanneer een kruisproef in IAT altijd noodzakelijk is en wanneer een kruisproef in IAT als In Kaukasische patiënten worden antistoffen tegen K, E en c na anti-RhD het makkelijkst gevormd Het verdient daarom aanbeveling aan ontvangers met klinisch belangrijke verdere antistofvorming te voorkomen Rhesusfenotype en K matchen bij geïmmuniseerde patiënten vermindert additionele antistofvorming met ##%, toevoegen van Fya, Jkb en S * LFA = Laag frequent antigeen, **HFA= Hoog frequent antigeen Patiënten die eerder een klinisch belangrijke antistof gevormd hebben, zullen in de regel sneller een tweede antistof vormen tegen een lichaamsvreemd antigeen In een Nederlandse patiëntenpopulatie van bijna ### patiënten met verschillende aandoeningen Voor patiënten die bekend zijn met klinisch belangrijke alloantistoffen tegen erytrocyten, dient uitsluitend bloed geselecteerd te worden waarbij het betreffende antigeen ontbreekt Naast het gebruik van getypeerde erytrocyten dient ook een.
562
nvog
niet routinematig op testerytrocyten aanwezig zijn Indien met het transfunderen niet gewacht kan worden op het resultaat van de antistofidentificatie of de selectie van getypeerde eenheden, wordt het risico voor transfusiereacties door de behandelend arts en hemolyse en zelden intravasculaire hemolyse met uitzondering van complementbindende antistoffen tegen bijvoorbeeld Vel, Tja en <PERSOON> ###) Voor patiënten met klinisch onbelangrijke erytrocytenantistoffen kan voor de selectie volstaan worden met een kruisproef (BSCH ###), uitgevoerd in de IAT waarbij deze negatief dient te zijn In tabel <DATUM> is aangegeven voor welke antistoffen getypeerde erytrocyten geselecteerd moeten worden, wanneer een kruisproef in IAT altijd noodzakelijk is en wanneer een kruisproef in IAT als In Kaukasische patiënten worden antistoffen tegen K, E en c na anti-RhD het makkelijkst gevormd Het verdient daarom aanbeveling aan ontvangers met klinisch belangrijke verdere antistofvorming te voorkomen Rhesusfenotype en K matchen bij geïmmuniseerde patiënten vermindert additionele antistofvorming met ##%, toevoegen van Fya, Jkb en S * LFA = Laag frequent antigeen, **HFA= Hoog frequent antigeen Patiënten die eerder een klinisch belangrijke antistof gevormd hebben, zullen in de regel sneller een tweede antistof vormen tegen een lichaamsvreemd antigeen In een Nederlandse patiëntenpopulatie van bijna ### patiënten met verschillende aandoeningen Voor patiënten die bekend zijn met klinisch belangrijke alloantistoffen tegen erytrocyten, dient uitsluitend bloed geselecteerd te worden waarbij het betreffende antigeen ontbreekt Naast het gebruik van getypeerde erytrocyten dient ook een De behandelend arts moet bij patiënten, die bekend zijn met erytrocytenantistoffen, het risico van transfusiereacties ten gevolge van niet-geselecteerde eenheden afwegen tegen het risico van wachten met bloedtransfusie tot dat compatibele Patiënten die eerder een klinisch belangrijke antistof gevormd hebben, zullen in de regel sneller een tweede antistof vormen tegen een lichaamsvreemd antigeen Om antistoffen tegen bijzondere (private) antigenen uit te sluiten dient bij het compatibiliteitsonderzoek altijd een volledige kruisproef (inclusief indirecte antiglobulinefase) uitgevoerd te worden Het verdient aanbeveling aan ontvangers met klinisch belangrijke allo-antistoffen Naast de hierboven besproken patiënten met klinisch belangrijke alloantistoffen, waar met behulp van tabel <DATUM> # compatibele eenheden voor moeten worden geselecteerd, zijn er nog bijzondere categorieën patiënten, waar aanvullende eisen voor worden gesteld <DATUM> # Selectie cEK-compatibele erytrocyten voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd Het gebruik van cEK-compatibel bloed voor meisjes en vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar heeft betrekking op het voorkomen van antistofvorming en daarmee hemolytische ziekte van de pasgeborene Naast RhD-antistoffen kunnen ook andere irregulaire antistoffen hiervoor verantwoordelijk voor de hemolytische ziekte van de pasgeborene, zijn anti-K en anti-c, en in mindere mate anti-<PERSOON> populatie is ##% negatief en #% positief voor het K-antigeen Het overgrote deel van het Nederlandse donorbestand is getypeerd voor het rhesusfenotype Een Commissie Zwangerschapsimmunisatie van de Gezondheidsraad concludeert in haar rapport van ### dat het aanbeveling verdient bij bloedtransfusie aan meisjes en vrouwen tot <LEEFTIJD> jaar erytrocyten te geven die compatibel zijn met betrekking tot de antigenen c, E en <PERSOON> ###) Hoe de aanbeveling wordt geïmplementeerd wordt overgelaten.
593
nvog
niet-geselecteerde eenheden afwegen tegen het risico van wachten met bloedtransfusie tot dat compatibele Patiënten die eerder een klinisch belangrijke antistof gevormd hebben, zullen in de regel sneller een tweede antistof vormen tegen een lichaamsvreemd antigeen Om antistoffen tegen bijzondere (private) antigenen uit te sluiten dient bij het compatibiliteitsonderzoek altijd een volledige kruisproef (inclusief indirecte antiglobulinefase) uitgevoerd te worden Het verdient aanbeveling aan ontvangers met klinisch belangrijke allo-antistoffen Naast de hierboven besproken patiënten met klinisch belangrijke alloantistoffen, waar met behulp van tabel <DATUM> # compatibele eenheden voor moeten worden geselecteerd, zijn er nog bijzondere categorieën patiënten, waar aanvullende eisen voor worden gesteld <DATUM> # Selectie cEK-compatibele erytrocyten voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd Het gebruik van cEK-compatibel bloed voor meisjes en vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar heeft betrekking op het voorkomen van antistofvorming en daarmee hemolytische ziekte van de pasgeborene Naast RhD-antistoffen kunnen ook andere irregulaire antistoffen hiervoor verantwoordelijk voor de hemolytische ziekte van de pasgeborene, zijn anti-K en anti-c, en in mindere mate anti-<PERSOON> populatie is ##% negatief en #% positief voor het K-antigeen Het overgrote deel van het Nederlandse donorbestand is getypeerd voor het rhesusfenotype Een Commissie Zwangerschapsimmunisatie van de Gezondheidsraad concludeert in haar rapport van ### dat het aanbeveling verdient bij bloedtransfusie aan meisjes en vrouwen tot <LEEFTIJD> jaar erytrocyten te geven die compatibel zijn met betrekking tot de antigenen c, E en <PERSOON> ###) Hoe de aanbeveling wordt geïmplementeerd wordt overgelaten In de Kaukasische populatie is ##% negatief en #% positief voor het Kantigeen Om het aantal gevallen van hemolytische ziekte bij pasgeborenen ten gevolge van anti-K anti-c en anti-E zo veel mogelijk te reduceren, dienen alle vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar getransfundeerd te worden met K-, c- en E-compatibele eenheden Het is niet noodzakelijk deze vrouwen eerst te typeren voor het K-antigeen Indien de typering van het K-antigeen <DATUM> # Selectie van erytrocyten voor patiënten met hemoglobinopathie (zie ook Bij patiënten met hemoglobinopathie (sikkelcelanemie of thalassemie) die regelmatig transfusie behoeven, komt een hoge graad van alloimmunisatie voor bij toediening van ongeselecteerd bloed De studie van Ness et al laat een getal zien van ##% bij kinderen tot ##% bij volwassenen met sikkelcelanemie (Ness ###) Olujohungbe et al spreekt over ##% alloimmunisatie bij patiënten met sikkelcelanemie in het Verenigd Koninkrijk (Olujohungbe ###), voornamelijk veroorzaakt door raciale verschillen tussen donor en ontvanger Waarschijnlijk speelt in deze studies een rol dat een groep patiënten van voornamelijk negroïde afkomst wordt getransfundeerd met bloed van blanke donoren, waarbij bloedgroepen met andere frequenties voorkomen Dit is ook in <LOCATIE> het geval Spanos beschrijft eenzelfde fenomeen bij patiënten met thalassemie (Spanos ###) Daarom dienen transfusie-afhankelijke patiënten met hemoglobinopathie zo vroeg mogelijk getypeerd te waarbij de zeer zeldzame S- en s-negatieve patiënten ook uitgetypeerd moeten worden voor Er zijn geen gecontroleerde studies, welke het effect van matchen op het voorkomen van allo-antistoffen onderzoekt Een drietal observationele studies ondersteunt het matchen op.
610
nvog
In de Kaukasische populatie is ##% negatief en #% positief voor het Kantigeen Om het aantal gevallen van hemolytische ziekte bij pasgeborenen ten gevolge van anti-K anti-c en anti-E zo veel mogelijk te reduceren, dienen alle vrouwen jonger dan <LEEFTIJD> jaar getransfundeerd te worden met K-, c- en E-compatibele eenheden Het is niet noodzakelijk deze vrouwen eerst te typeren voor het K-antigeen Indien de typering van het K-antigeen <DATUM> # Selectie van erytrocyten voor patiënten met hemoglobinopathie (zie ook Bij patiënten met hemoglobinopathie (sikkelcelanemie of thalassemie) die regelmatig transfusie behoeven, komt een hoge graad van alloimmunisatie voor bij toediening van ongeselecteerd bloed De studie van Ness et al laat een getal zien van ##% bij kinderen tot ##% bij volwassenen met sikkelcelanemie (Ness ###) Olujohungbe et al spreekt over ##% alloimmunisatie bij patiënten met sikkelcelanemie in het Verenigd Koninkrijk (Olujohungbe ###), voornamelijk veroorzaakt door raciale verschillen tussen donor en ontvanger Waarschijnlijk speelt in deze studies een rol dat een groep patiënten van voornamelijk negroïde afkomst wordt getransfundeerd met bloed van blanke donoren, waarbij bloedgroepen met andere frequenties voorkomen Dit is ook in <LOCATIE> het geval Spanos beschrijft eenzelfde fenomeen bij patiënten met thalassemie (Spanos ###) Daarom dienen transfusie-afhankelijke patiënten met hemoglobinopathie zo vroeg mogelijk getypeerd te waarbij de zeer zeldzame S- en s-negatieve patiënten ook uitgetypeerd moeten worden voor Er zijn geen gecontroleerde studies, welke het effect van matchen op het voorkomen van allo-antistoffen onderzoekt Een drietal observationele studies ondersteunt het matchen op In het geval dat de patiënten al zijn getransfundeerd is typering van Rhesus-, Kell-, Duffy-, Kidd- en Ss-antigenen op DNA-niveau mogelijk (BCSH ###, Armeen ###; Ribeiro ###, Door selectie van rhesusfenotype compatibel en K-negatief bloed neemt de immunisatie graad bij deze patiënten af (BCSH ###, Armeen ###) Tevens blijkt uit recent onderzoek dat ook de bloedgroepen Fya, Jkb, S en s een belangrijke factor vormen (in volgorde van belang) Door het selecteren van respectievelijk Fya-, Jkb-, S- en s-negatieve erytrocyten voor patiënten die zelf negatief zijn voor deze antigenen (in volgorde van belang) kan de immunisatiegraad aanzienlijk verlaagd worden (<PERSOON> ###) Omdat bij patiënten met sikkelcelanemie de frequentie van Jkb neg (##%) groter is dan Jka neg (#%) is met name Jkb compatibel transfunderen voor deze patiënten belangrijk om immunisatie te voorkomen Daarbij kan uitgebreidere selectie van bloed negatief voor deze antigenen tot vergaande reductie van alloimmunisatie leiden (<PERSOON> ###, Castro ###, Tahhan ###) mogelijk getypeerd te worden voor de bloedgroepen van het Rhesus, Kell, Duffy, Kidd en MNS systeem, waarbij de zeer zeldzame S- en s-negatieve Een drietal observationele studies ondersteunt het matchen op het In het geval dat de patienten al zijn getransfundeerd is typering van Rhesus, Kell, Duffy, Kidd en Ss antigenen op DNA niveau mogelijk Door selectie Ribeiro ###, BCSH ###, Armeen ###, Castilho ###, Rozman erytrocyten voor patiënten die zelf negatief zijn voor deze antigenen (in volgorde van belang) kan de immunisatiegraad aanzienlijk verlaagd.
674
nvog
geval dat de patiënten al zijn getransfundeerd is typering van Rhesus-, Kell-, Duffy-, Kidd- en Ss-antigenen op DNA-niveau mogelijk (BCSH ###, Armeen ###; Ribeiro ###, Door selectie van rhesusfenotype compatibel en K-negatief bloed neemt de immunisatie graad bij deze patiënten af (BCSH ###, Armeen ###) Tevens blijkt uit recent onderzoek dat ook de bloedgroepen Fya, Jkb, S en s een belangrijke factor vormen (in volgorde van belang) Door het selecteren van respectievelijk Fya-, Jkb-, S- en s-negatieve erytrocyten voor patiënten die zelf negatief zijn voor deze antigenen (in volgorde van belang) kan de immunisatiegraad aanzienlijk verlaagd worden (<PERSOON> ###) Omdat bij patiënten met sikkelcelanemie de frequentie van Jkb neg (##%) groter is dan Jka neg (#%) is met name Jkb compatibel transfunderen voor deze patiënten belangrijk om immunisatie te voorkomen Daarbij kan uitgebreidere selectie van bloed negatief voor deze antigenen tot vergaande reductie van alloimmunisatie leiden (<PERSOON> ###, Castro ###, Tahhan ###) mogelijk getypeerd te worden voor de bloedgroepen van het Rhesus, Kell, Duffy, Kidd en MNS systeem, waarbij de zeer zeldzame S- en s-negatieve Een drietal observationele studies ondersteunt het matchen op het In het geval dat de patienten al zijn getransfundeerd is typering van Rhesus, Kell, Duffy, Kidd en Ss antigenen op DNA niveau mogelijk Door selectie Ribeiro ###, BCSH ###, Armeen ###, Castilho ###, Rozman erytrocyten voor patiënten die zelf negatief zijn voor deze antigenen (in volgorde van belang) kan de immunisatiegraad aanzienlijk verlaagd dan Jka neg (#%) Jkb compatibel transfunderen is daardoor voor deze patiënten met name belangrijk om immunisatie te voorkomen Daarbij kan uitgebreidere selectie van bloed negatief voor deze antigenen tot De selectiekeuze van de compatibele eenheden wordt mede bepaald door de uitgevoerde antigeenbepalingen en de beschikbaarheid van getypeerde eenheden bij de bloedbank getypeerd te worden voor de bloedgroepen van het Rhesus, Kell, Duffy, Kidd en MNS systeem, waarbij de zeer zeldzame S- en s-negatieve patiënten ook worden Het verdient aanbeveling om indien mogelijk tevens respectievelijk Jk b-, <PERSOON> s-negatieve erytrocyten te selecteren voor patienten die zelf negatief zijn voor <DATUM> # Selectie van erytrocyten voor patiënten met auto-immuun hemolytische nemie Bij patiënten met AIHA ten gevolge van klinisch belangrijke autoantistoffen is de kans op de incidentie van alloimmunisatie bij patiënten met AIHA Aangezien de kans op alloantistofvorming relatief aanzienlijk is bij patiënten met AIHA ten gevolge van klinisch belangrijke autoantistoffen is het voor deze groep belangrijk (zo mogelijk) de vorming van alloantistoffen te voorkomen door te transfunderen met donor erytrocyten die Rhesusfenotype- en K-compatibel zijn Bij voorkeur is matchen voor Kidd-, aanwezigheid van alloantistoffen niet kan worden uitgesloten De antigenen van het Rhesus, Kidd en Ss zijn, indien de patiënt de laatste drie maanden niet getransfundeerd is, serologisch met monoklonale reagentia vast te stellen Voor alle andere gevallen (antigenen in het Duffy-systeem en typering van personen die de laatste drie maanden zijn Ter voorkoming van alloantistofvorming dient indien mogelijk rhesusfenotype- en Kcompatibel bloed geselecteerd te worden voor patiënten met AIHA # #.
656
nvog
patiënten met name belangrijk om immunisatie te voorkomen Daarbij kan uitgebreidere selectie van bloed negatief voor deze antigenen tot De selectiekeuze van de compatibele eenheden wordt mede bepaald door de uitgevoerde antigeenbepalingen en de beschikbaarheid van getypeerde eenheden bij de bloedbank getypeerd te worden voor de bloedgroepen van het Rhesus, Kell, Duffy, Kidd en MNS systeem, waarbij de zeer zeldzame S- en s-negatieve patiënten ook worden Het verdient aanbeveling om indien mogelijk tevens respectievelijk Jk b-, <PERSOON> s-negatieve erytrocyten te selecteren voor patienten die zelf negatief zijn voor <DATUM> # Selectie van erytrocyten voor patiënten met auto-immuun hemolytische nemie Bij patiënten met AIHA ten gevolge van klinisch belangrijke autoantistoffen is de kans op de incidentie van alloimmunisatie bij patiënten met AIHA Aangezien de kans op alloantistofvorming relatief aanzienlijk is bij patiënten met AIHA ten gevolge van klinisch belangrijke autoantistoffen is het voor deze groep belangrijk (zo mogelijk) de vorming van alloantistoffen te voorkomen door te transfunderen met donor erytrocyten die Rhesusfenotype- en K-compatibel zijn Bij voorkeur is matchen voor Kidd-, aanwezigheid van alloantistoffen niet kan worden uitgesloten De antigenen van het Rhesus, Kidd en Ss zijn, indien de patiënt de laatste drie maanden niet getransfundeerd is, serologisch met monoklonale reagentia vast te stellen Voor alle andere gevallen (antigenen in het Duffy-systeem en typering van personen die de laatste drie maanden zijn Ter voorkoming van alloantistofvorming dient indien mogelijk rhesusfenotype- en Kcompatibel bloed geselecteerd te worden voor patiënten met AIHA <DATUM> De beschikbare literatuur is niet eenduidig, maar een analyse op basis van deze literatuur varieert het immunisatie risico bij patiënten met het myelodysplastisch syndroom (MDS) tussen ## en ##%, gemiddeld ##%, en is vergelijkbaar met SCD en thalassemie (<PERSOON> ###) Het verdient daarom aanbeveling voor deze patiënten rhesusfenotypeen K-compatibel bloed te selecteren (<PERSOON> ###, <PERSOON> Het immunisatie risico bij patiënten met MDS varieert tussen ## en ##% In twee Nederlandse studies van patiënten met myeloproliferatieve neoplasmata (MPN), was het immunisatierisico gemiddeld ##% Er zijn geen nieuwe studies met grotere Gezien het immunisatie risico bij patiënten met MDS verdient het de voorkeur deze <DATUM> # Selectie van erytrocyten bij operatieve ingrepen met temperatuursverlaging bij Klinisch belangrijke koude antistoffen bij patiënten, die temperatuursverlaging (hypothermie) ondergaan wegens bijvoorbeeld cardiochirurgie, kunnen transfusiereacties veroorzaken voor bij sterke koude antistoffen en/of diepe (~##°C) onderkoeling Sterke koude antistoffen kunnen problemen geven bij de standaard compatibiliteitstesten en diepe onderkoeling Voor preoperatieve screening op koude antistoffen bij kamertemperatuur van alle patiënten, die aan een milde hypothermie (~ ##°C) worden blootgesteld, is geen bewijs in de literatuur Klinisch belangrijke koude antistoffen bij patiënten, die sterke temperatuursverlaging (hypothermie) ondergaan bijvoorbeeld tijdens cardiochirurgie, kunnen transfusiereacties veroorzaken van alle patiënten, die aan een milde hypothermie worden blootgesteld, is De in de literatuur beschreven transfusiereacties kwamen alleen voor in het geval van de aanwezigheid van sterke koude antistoffen en/of bij operaties met diepe onderkoeling Het bepalen van het amplitudo van de klinisch belangrijke koude antistof na overleg met de.
618
nvog
maar een analyse op basis van deze literatuur varieert het immunisatie risico bij patiënten met het myelodysplastisch syndroom (MDS) tussen ## en ##%, gemiddeld ##%, en is vergelijkbaar met SCD en thalassemie (<PERSOON> ###) Het verdient daarom aanbeveling voor deze patiënten rhesusfenotypeen K-compatibel bloed te selecteren (<PERSOON> ###, <PERSOON> Het immunisatie risico bij patiënten met MDS varieert tussen ## en ##% In twee Nederlandse studies van patiënten met myeloproliferatieve neoplasmata (MPN), was het immunisatierisico gemiddeld ##% Er zijn geen nieuwe studies met grotere Gezien het immunisatie risico bij patiënten met MDS verdient het de voorkeur deze <DATUM> # Selectie van erytrocyten bij operatieve ingrepen met temperatuursverlaging bij Klinisch belangrijke koude antistoffen bij patiënten, die temperatuursverlaging (hypothermie) ondergaan wegens bijvoorbeeld cardiochirurgie, kunnen transfusiereacties veroorzaken voor bij sterke koude antistoffen en/of diepe (~##°C) onderkoeling Sterke koude antistoffen kunnen problemen geven bij de standaard compatibiliteitstesten en diepe onderkoeling Voor preoperatieve screening op koude antistoffen bij kamertemperatuur van alle patiënten, die aan een milde hypothermie (~ ##°C) worden blootgesteld, is geen bewijs in de literatuur Klinisch belangrijke koude antistoffen bij patiënten, die sterke temperatuursverlaging (hypothermie) ondergaan bijvoorbeeld tijdens cardiochirurgie, kunnen transfusiereacties veroorzaken van alle patiënten, die aan een milde hypothermie worden blootgesteld, is De in de literatuur beschreven transfusiereacties kwamen alleen voor in het geval van de aanwezigheid van sterke koude antistoffen en/of bij operaties met diepe onderkoeling Het bepalen van het amplitudo van de klinisch belangrijke koude antistof na overleg met de hypothermie (~ ##°C) preoperatief bij kamertemperatuur te screenen op koude antistoffen Major ABO incompatibele trombocyten hebben een ##-##% lagere posttransfusie opbrengst dan major ABO compatibele trombocyten (<PERSOON> ###) Na meerdere ABO incompatibele transfusies kan bij de ontvanger de anti-A en/of anti-B titer stijgen en bij een IgG en/of IgM titer van ) ### is de opbrengst en overleving van A#, B en A#B incompatibele trombocyten vaak onvoldoende Dit is in # gerandomiseerde onderzoeken (<PERSOON> ###) aangetoond en in # grote observationele studies (TRAP ###, Julmy ###) bevestigd Ogasawara et al vonden bij #% van de donoren een zeer hoge expressie van het A#-antigeen (Ogasawara ###) Bij Kaukasische donoren is dit niet bekend Transfusiereacties en intravasale trombocyten afbraak kunnen optreden bij zeer hoge anti-A en/of anti-B titer en bij aanwezigheid van hemolysinen bij de ontvanger Dit kan leiden tot transfusiefalen (<PERSOON> ###) Alleen A# trombocyten worden afgebroken, terwijl A# trombocyten zich gedragen als bloedgroep O Bij HLA-getypeerde transfusies is ABO/RhD-compatibiliteit niet altijd mogelijk, de anti-A en/of anti-B-titer dient dan regelmatig (met name bij slechte opbrengst) gecontroleerd te worden Bepalend voor de uiteindelijke opbrengst van de trombocyten zijn zowel de Major ABO incompatibele trombocyten resulteren in een ##-##% lagere Na meerdere ABO incompatibele transfusies kan bij de ontvanger de antiA en/of anti-B titer stijgen en bij een IgG en/of IgM titer groter dan ### is de opbrengst en overleving van A#, B en A#B incompatibele trombocyten.
667
nvog
kamertemperatuur te screenen op koude antistoffen Major ABO incompatibele trombocyten hebben een ##-##% lagere posttransfusie opbrengst dan major ABO compatibele trombocyten (<PERSOON> ###) Na meerdere ABO incompatibele transfusies kan bij de ontvanger de anti-A en/of anti-B titer stijgen en bij een IgG en/of IgM titer van ) ### is de opbrengst en overleving van A#, B en A#B incompatibele trombocyten vaak onvoldoende Dit is in # gerandomiseerde onderzoeken (<PERSOON> ###) aangetoond en in # grote observationele studies (TRAP ###, Julmy ###) bevestigd Ogasawara et al vonden bij #% van de donoren een zeer hoge expressie van het A#-antigeen (Ogasawara ###) Bij Kaukasische donoren is dit niet bekend Transfusiereacties en intravasale trombocyten afbraak kunnen optreden bij zeer hoge anti-A en/of anti-B titer en bij aanwezigheid van hemolysinen bij de ontvanger Dit kan leiden tot transfusiefalen (<PERSOON> ###) Alleen A# trombocyten worden afgebroken, terwijl A# trombocyten zich gedragen als bloedgroep O Bij HLA-getypeerde transfusies is ABO/RhD-compatibiliteit niet altijd mogelijk, de anti-A en/of anti-B-titer dient dan regelmatig (met name bij slechte opbrengst) gecontroleerd te worden Bepalend voor de uiteindelijke opbrengst van de trombocyten zijn zowel de Major ABO incompatibele trombocyten resulteren in een ##-##% lagere Na meerdere ABO incompatibele transfusies kan bij de ontvanger de antiA en/of anti-B titer stijgen en bij een IgG en/of IgM titer groter dan ### is de opbrengst en overleving van A#, B en A#B incompatibele trombocyten Bij het uitblijven van de te verwachten stijging van het trombocytengetal bij stabiele patiënten Bij een ABO incompatibele trombocytentransfusie is het van belang alert te zijn op individuele variaties in de mate waarop ABO incompatibele trombocyten worden afgebroken Opmerking Trombocyten hyperconcentraten zijn ook beschikbaar bij bloedgroepincompatibiliteiten Bij transfusie van trombocyten in plasma wordt geadviseerd waar mogelijk ABOidentiek te transfunderen (zie tabel <DATUM> #), dit is met name van belang voor neonaten neonaat wordt toegediend, moet de titer anti-A of anti-B kleiner zijn dan ### (zie ook Na minor ABO incompatibele trombocytentransfusie kan een positieve directe antiglobulinetest (DAT) het gevolg zijn van transfusie van incompatibel plasma Dit gaat meestal gepaard met geringe hemolyse, hoewel naar schatting in circa # op ### patiënten minor incompatibele trombocytentransfusies ernstige, zelfs letale hemolyse en nierfalen veroorzaken (Mair ###, Larsson ###, Lozano ###, Harris ###) De hoeveelheid incompatibel plasma kan tot ##% worden gereduceerd door het gebruik van trombocytenbewaarvloeistoffen of ##% van het plasma kan worden verwijderd door hyperconcentratie Bij hoge titer anti-A en/of anti-B kan zelfs dit onvoldoende zijn (Valbonesi ###) Voor patiënten die meerdere transfusies tegelijk ontvangen of voor kinderen, voor wie het transfusievolume ≥ ## mL/kg lichaams gewicht van de ontvanger is, wordt geadviseerd incompatibel plasma te vermijden Indien dit niet mogelijk is dient het plasma een relatief lage titer antistoffen te bevatten In <LOCATIE> is op praktische en theoretische gronden gekozen een titer kleiner dan ### als laag te benoemen De anti-A, anti-B titerbepaling is moeilijk te standaardiseren (Harris ###, Aubuchon ###).
671
nvog
verwachten stijging van het trombocytengetal bij stabiele patiënten Bij een ABO incompatibele trombocytentransfusie is het van belang alert te zijn op individuele variaties in de mate waarop ABO incompatibele trombocyten worden afgebroken Opmerking Trombocyten hyperconcentraten zijn ook beschikbaar bij bloedgroepincompatibiliteiten Bij transfusie van trombocyten in plasma wordt geadviseerd waar mogelijk ABOidentiek te transfunderen (zie tabel <DATUM> #), dit is met name van belang voor neonaten neonaat wordt toegediend, moet de titer anti-A of anti-B kleiner zijn dan ### (zie ook Na minor ABO incompatibele trombocytentransfusie kan een positieve directe antiglobulinetest (DAT) het gevolg zijn van transfusie van incompatibel plasma Dit gaat meestal gepaard met geringe hemolyse, hoewel naar schatting in circa # op ### patiënten minor incompatibele trombocytentransfusies ernstige, zelfs letale hemolyse en nierfalen veroorzaken (Mair ###, Larsson ###, Lozano ###, Harris ###) De hoeveelheid incompatibel plasma kan tot ##% worden gereduceerd door het gebruik van trombocytenbewaarvloeistoffen of ##% van het plasma kan worden verwijderd door hyperconcentratie Bij hoge titer anti-A en/of anti-B kan zelfs dit onvoldoende zijn (Valbonesi ###) Voor patiënten die meerdere transfusies tegelijk ontvangen of voor kinderen, voor wie het transfusievolume ≥ ## mL/kg lichaams gewicht van de ontvanger is, wordt geadviseerd incompatibel plasma te vermijden Indien dit niet mogelijk is dient het plasma een relatief lage titer antistoffen te bevatten In <LOCATIE> is op praktische en theoretische gronden gekozen een titer kleiner dan ### als laag te benoemen De anti-A, anti-B titerbepaling is moeilijk te standaardiseren (Harris ###, Aubuchon ###) richtlijnen voor de hoeveelheid incompatibel plasma die met trombocyten mag worden toegediend Een survey onder ### Amerikaanse transfusiediensten gaf aan dat ##% een ABO-minor incompatibel beleid heeft Dit beleid kan zeer wisselen, variërend van waarschuwen van de behandelaar tot volume reductie van trombocyten (<PERSOON> worden alle trombocytenproducten gescreend en indien de antistof titer ) ### is (betreft circa ##% van de producten) wordt alleen ABO identiek getransfundeerd (NBS ###) Zie In grote series is de opbrengst van O trombocyten (in plasma) aan A/B ontvangers licht verlaagd vergeleken met ABO identieke trombocyten, mogelijk als gevolg van oplosbare Minor incompatibele trombocytentransfusies kunnen een positieve antiglobulinetest (DAT) bij de ontvanger veroorzaken; Dit gaat meestal gepaard met geringe hemolyse maar in circa # op ### patiënten kunnen minor Het transfunderen van incompatibel plasma kan grotendeels worden ondervangen door het gebruik van trombocytenbewaarvloeistoffen of door het verwijderen van plasma Er zijn aanwijzingen dat dit bij zeer hoge titer Aanbevolen wordt om trombocyten van donoren met hoge (of onbekende) anti-A en/of B titers bij voorkeur ABO identiek te transfunderen Er dient een ziekenhuisbeleid te zijn dat beschrijft hoe te handelen in het geval er Een titer anti-A, anti-B kleiner dan ### in het trombocytenproduct in geval van minorABO incompatibele transfusies is aanbevolen voor transfusies aan patiënten die meerdere transfusies tegelijk ontvangen of voor kinderen/neonaten, voor wie het niet voorradig zijn, kan een reductie van de anti-A, anti-B antistoffen worden bereikt.
628
nvog
de hoeveelheid incompatibel plasma die met trombocyten mag worden toegediend Een survey onder ### Amerikaanse transfusiediensten gaf aan dat ##% een ABO-minor incompatibel beleid heeft Dit beleid kan zeer wisselen, variërend van waarschuwen van de behandelaar tot volume reductie van trombocyten (<PERSOON> worden alle trombocytenproducten gescreend en indien de antistof titer ) ### is (betreft circa ##% van de producten) wordt alleen ABO identiek getransfundeerd (NBS ###) Zie In grote series is de opbrengst van O trombocyten (in plasma) aan A/B ontvangers licht verlaagd vergeleken met ABO identieke trombocyten, mogelijk als gevolg van oplosbare Minor incompatibele trombocytentransfusies kunnen een positieve antiglobulinetest (DAT) bij de ontvanger veroorzaken; Dit gaat meestal gepaard met geringe hemolyse maar in circa # op ### patiënten kunnen minor Het transfunderen van incompatibel plasma kan grotendeels worden ondervangen door het gebruik van trombocytenbewaarvloeistoffen of door het verwijderen van plasma Er zijn aanwijzingen dat dit bij zeer hoge titer Aanbevolen wordt om trombocyten van donoren met hoge (of onbekende) anti-A en/of B titers bij voorkeur ABO identiek te transfunderen Er dient een ziekenhuisbeleid te zijn dat beschrijft hoe te handelen in het geval er Een titer anti-A, anti-B kleiner dan ### in het trombocytenproduct in geval van minorABO incompatibele transfusies is aanbevolen voor transfusies aan patiënten die meerdere transfusies tegelijk ontvangen of voor kinderen/neonaten, voor wie het niet voorradig zijn, kan een reductie van de anti-A, anti-B antistoffen worden bereikt Alhoewel trombocyten geen RhD-antigenen tot expressie brengen, is RhD immunisatie mogelijk door erytrocyten die als contaminatie in trombocytenproducten aanwezig zijn De minimale hoeveelheid erytrocyten om primaire RhD immunisatie te veroorzaken zou #,## mL bedragen (Mollison ###, Cid ###) Trombocyten bereid uit buffy coat kunnen #,#-#,# mL erytrocyten bevatten, trombocytaferese producten bevatten over het algemeen minder rode bloedcellen (Zeiler ###) Is de trombocyten suspensie rose van kleur dan bevat deze meer dan #,# mL erytrocyten De kans op RhD immunisatie bij patiënten die immuungesupprimeerd zijn is tussen de # en ##% (Goldfinger ###, Lozano ###, Atoyebi ###) Dit is een onderschatting aangezien antistoffen lang na transfusie aantoonbaar worden, gemiddeld na ### dagen (#<DATUM> dagen) Irregulaire erytrocyten-antistoffen anders dan RhD als gevolg van trombocytentransfusies zijn zeldzaam maar als casuïstiek beschreven RhD-negatieve vrouwelijke patiënten (<LEEFTIJD> jaar dienen uitsluitend RhD-negatieve trombocytenconcentraten te ontvangen en als transfusie met RhD-positief trombocytenconcentraat niet is te vermijden, dan dient eventuele immunisatie te worden voorkomen door het toedienen van een ampul anti-RhD immunoglobuline met ### internationale eenheden (IE) Er zijn aanwijzingen dat de minimale hoeveelheid erytrocyten om primaire Bij #-## % van immuungesupprimeerde patiënten worden anti-RhD antilichamen gevonden De werkelijke immunisatiefrequentie is waarschijnlijk hoger omdat anti-RhD-antilichamen pas lang na transfusie aantoonbaar worden Aanbevolen wordt om trombocytentransfusies bij voorkeur RhD compatibel te transfunderen Aan vrouwelijke RhD-negatieve patiënten jonger dan <LEEFTIJD> jaar dienen uitsluitend RhDnegatieve trombocytenconcentraten te worden toegediend Wanneer hier niet aan kan worden voldaan, moet tevens een ampul anti-RhD-immunoglobuline met ### internationale Plasma wordt bloedgroep ABO compatibel gegeven, aangezien plasma antistoffen tegen bloedgroepantigenen A en B kan bevatten.
658
nvog
als contaminatie in trombocytenproducten aanwezig zijn De minimale hoeveelheid erytrocyten om primaire RhD immunisatie te veroorzaken zou #,## mL bedragen (Mollison ###, Cid ###) Trombocyten bereid uit buffy coat kunnen #,#-#,# mL erytrocyten bevatten, trombocytaferese producten bevatten over het algemeen minder rode bloedcellen (Zeiler ###) Is de trombocyten suspensie rose van kleur dan bevat deze meer dan #,# mL erytrocyten De kans op RhD immunisatie bij patiënten die immuungesupprimeerd zijn is tussen de # en ##% (Goldfinger ###, Lozano ###, Atoyebi ###) Dit is een onderschatting aangezien antistoffen lang na transfusie aantoonbaar worden, gemiddeld na ### dagen (#<DATUM> dagen) Irregulaire erytrocyten-antistoffen anders dan RhD als gevolg van trombocytentransfusies zijn zeldzaam maar als casuïstiek beschreven RhD-negatieve vrouwelijke patiënten (<LEEFTIJD> jaar dienen uitsluitend RhD-negatieve trombocytenconcentraten te ontvangen en als transfusie met RhD-positief trombocytenconcentraat niet is te vermijden, dan dient eventuele immunisatie te worden voorkomen door het toedienen van een ampul anti-RhD immunoglobuline met ### internationale eenheden (IE) Er zijn aanwijzingen dat de minimale hoeveelheid erytrocyten om primaire Bij #-## % van immuungesupprimeerde patiënten worden anti-RhD antilichamen gevonden De werkelijke immunisatiefrequentie is waarschijnlijk hoger omdat anti-RhD-antilichamen pas lang na transfusie aantoonbaar worden Aanbevolen wordt om trombocytentransfusies bij voorkeur RhD compatibel te transfunderen Aan vrouwelijke RhD-negatieve patiënten jonger dan <LEEFTIJD> jaar dienen uitsluitend RhDnegatieve trombocytenconcentraten te worden toegediend Wanneer hier niet aan kan worden voldaan, moet tevens een ampul anti-RhD-immunoglobuline met ### internationale Plasma wordt bloedgroep ABO compatibel gegeven, aangezien plasma antistoffen tegen bloedgroepantigenen A en B kan bevatten dat transfusie van ABO incompatibel plasma na orgaantransplantatie gepaard ging met meer multi-orgaanschade en dat in een chirurgische populatie toediening van ABO compatibel maar niet ABO-identiek plasma gepaard ging met een hogere mortaliteit dan toediening van ABO-identiek plasma (<PERSOON> ###) Dit zou mogelijk De ABO-bloedgroep van de ontvanger dient uit tenminste twee afzonderlijk afgenomen monsters te worden bepaald en vastgesteld (zie paragraaf <DATUM> # en <DATUM> #) Is de ABObloedgroep onbekend of slechts éénmaal bekend, dan dient AB-plasma gegeven te worden Aangezien het afereseplasma in <LOCATIE> bereid is met een methode waarbij het resterend erytrocytenaantal minder is dan <DATUM> eenheid hoeft geen rekening te worden gehouden met de RhD-bloedgroep Alle donoren zijn getest op irregulaire antistoffen en zijn negatief of Een tweetal studies suggereert dat transfusie van niet identiek ABO Europese wetgeving verplicht dat de RhD-bloedgroep op het etiket van het plasmaproduct De werkgroep acht het van belang dat er vóór uitgifte van een eenheid plasma een visuele inspectie op kleur (in verband met bijmenging erytrocyten), stolsels en lekkage van de zak Plasma dient ABO-bloedgroep compatibel te worden gegeven (zie tabel <DATUM> Selectie Het verdient aanbeveling om nader te onderzoeken of plasma transfusies ABO identiek dienen te zijn Voor plasmatransfusie is het niet nodig om rekening te Voor uitgifte wordt de eenheid plasma gecontroleerd op kleur, stolsels en lekkage <PERSOON>, S ,.
619
nvog
dat transfusie van ABO incompatibel plasma na orgaantransplantatie gepaard ging met meer multi-orgaanschade en dat in een chirurgische populatie toediening van ABO compatibel maar niet ABO-identiek plasma gepaard ging met een hogere mortaliteit dan toediening van ABO-identiek plasma (<PERSOON> ###) Dit zou mogelijk De ABO-bloedgroep van de ontvanger dient uit tenminste twee afzonderlijk afgenomen monsters te worden bepaald en vastgesteld (zie paragraaf <DATUM> # en <DATUM> #) Is de ABObloedgroep onbekend of slechts éénmaal bekend, dan dient AB-plasma gegeven te worden Aangezien het afereseplasma in <LOCATIE> bereid is met een methode waarbij het resterend erytrocytenaantal minder is dan <DATUM> eenheid hoeft geen rekening te worden gehouden met de RhD-bloedgroep Alle donoren zijn getest op irregulaire antistoffen en zijn negatief of Een tweetal studies suggereert dat transfusie van niet identiek ABO Europese wetgeving verplicht dat de RhD-bloedgroep op het etiket van het plasmaproduct De werkgroep acht het van belang dat er vóór uitgifte van een eenheid plasma een visuele inspectie op kleur (in verband met bijmenging erytrocyten), stolsels en lekkage van de zak Plasma dient ABO-bloedgroep compatibel te worden gegeven (zie tabel <DATUM> Selectie Het verdient aanbeveling om nader te onderzoeken of plasma transfusies ABO identiek dienen te zijn Voor plasmatransfusie is het niet nodig om rekening te Voor uitgifte wordt de eenheid plasma gecontroleerd op kleur, stolsels en lekkage <PERSOON>, S , A report of ### transfusion errors in <PERSOON> errors in New York State an <PERSOON> H, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) <PERSOON> performance of patient sample Stainsby D, <PERSOON> DBL, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) initiative analysis of the first two annual reports <PERSOON> network in France organisation and analysis of immediate transfusion incident reports from ### to ### Transfusion, ##, ###–### Guide to the preparation, use and quality assurance of blood components , ##e editie, ###, Issitt PD, Anstee DJ Applied Blood Group Serology #th edition ### <PERSOON> of ### transfusion-associated deaths ### through ### <PERSOON> Ltd ,### Guidelines for compatibility procedures in blood transfusion laboratories, <PERSOON-##> HG, Anstee DJ Mollison‟s Blood Transfusion in Clinical Medicine ##th edition, ###, Standards for Blood Banks and transfusion services, ##e editie, <PERSOON-##> FF.
518
nvog
of ### transfusion errors in <PERSOON> errors in New York State an <PERSOON> H, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) <PERSOON> performance of patient sample Stainsby D, <PERSOON> DBL, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) initiative analysis of the first two annual reports <PERSOON> network in France organisation and analysis of immediate transfusion incident reports from ### to ### Transfusion, ##, ###–### Guide to the preparation, use and quality assurance of blood components , ##e editie, ###, Issitt PD, Anstee DJ Applied Blood Group Serology #th edition ### <PERSOON> of ### transfusion-associated deaths ### through ### <PERSOON> Ltd ,### Guidelines for compatibility procedures in blood transfusion laboratories, <PERSOON> HG, Anstee DJ Mollison‟s Blood Transfusion in Clinical Medicine ##th edition, ###, Standards for Blood Banks and transfusion services, ##e editie, <PERSOON> evaluation of a transfusion policy of D+ red blood cells into <PERSOON-##> in clinical Medicine ##th edition <PERSOON-##> P, et al A review of the clinical effectiveness of routine antenatal anti-D prophylaxis for rhesus-negative women who are <PERSOON-##> G, et al Hemovigilance network in France organization and analysis of immediate transfusion incident reports from ### to ### <PERSOON-##> H, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) summary of annual report ###-### <PERSOON-##> M, et al Bedside transfusion errors A prospective survey by the Belgium SANGUIS group <PERSOON-##> PL Resolving ABO typing discrepancies and other typing problems In Rudmann SV (ed) Textbook of blood banking and transfusion medicine #nd edition Philadelphia Saunders Company, ###, Section #, part ## Saunders Company, ###, Section # part ## <PERSOON-##> SJ Comparing near misses with actual mistransfusion events a more Inspectierapport „Sanguis sanus sanat‟ Uitgave Inspectie voor de <PERSOON-##> LM Pretransfusion compatibility testing for red.
502
nvog
<PERSOON> evaluation of a transfusion policy of D+ red blood cells into <PERSOON> in clinical Medicine ##th edition <PERSOON> P, et al A review of the clinical effectiveness of routine antenatal anti-D prophylaxis for rhesus-negative women who are <PERSOON> G, et al Hemovigilance network in France organization and analysis of immediate transfusion incident reports from ### to ### <PERSOON> H, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) summary of annual report ###-### <PERSOON> M, et al Bedside transfusion errors A prospective survey by the Belgium SANGUIS group <PERSOON> PL Resolving ABO typing discrepancies and other typing problems In Rudmann SV (ed) Textbook of blood banking and transfusion medicine #nd edition Philadelphia Saunders Company, ###, Section #, part ## Saunders Company, ###, Section # part ## <PERSOON> SJ Comparing near misses with actual mistransfusion events a more Inspectierapport „Sanguis sanus sanat‟ Uitgave Inspectie voor de <PERSOON> LM Pretransfusion compatibility testing for red Serious hazards of transfusion a decade of hemovigilance in the UK Transfus Med Rev ###;<DATUM> ## Stainsby D, <PERSOON-##> adverse events in bloodtransfusion Transfusion (SHOT) scheme Transfusions ABO incompatible Transfus Clin Biol <PERSOON-##> AJ de, <PERSOON-##> MA Evaluation of the polyethylene glycol antiglobulin test for Standards for Blood Banks and transfusion services, ##e editie, <PERSOON-##> of the performance of four microtube column agglutination systems in the detection of red cell <PERSOON-##>-M A prospective study of the incidence of red cell alloimmunisation following transfusion <PERSOON-##> e a “Additonal red blood cell alloantibodies after blood transfusions in a Shulman IA, <PERSOON-##> should antibody screening tests be done for Garratty G How concerned should we be about missing antibodies to low incidence <PERSOON-##> JA, <PERSOON-##> MA, Kelton JG A prospective study to determine the safety of omitting the antiglobulin crossmatch from pretransfusion testing <PERSOON-##> sanus sanat‟ Uitgave Inspectie voor de <PERSOON-##> importance of antibodies against lowincidence RBC antigens in complete and abbreviated cross-matching Transfusion Shulman IA, <PERSOON-##> JC, Okamoto M, Kent DR, et al Experience with the routine use of an abbreviated crossmatch <PERSOON-##> ###;## ###.
547
nvog
in the UK Transfus Med Rev ###;<DATUM> ## Stainsby D, <PERSOON> adverse events in bloodtransfusion Transfusion (SHOT) scheme Transfusions ABO incompatible Transfus Clin Biol <PERSOON> AJ de, <PERSOON> MA Evaluation of the polyethylene glycol antiglobulin test for Standards for Blood Banks and transfusion services, ##e editie, <PERSOON> of the performance of four microtube column agglutination systems in the detection of red cell <PERSOON>-M A prospective study of the incidence of red cell alloimmunisation following transfusion <PERSOON> e a “Additonal red blood cell alloantibodies after blood transfusions in a Shulman IA, <PERSOON> should antibody screening tests be done for Garratty G How concerned should we be about missing antibodies to low incidence <PERSOON> JA, <PERSOON> MA, Kelton JG A prospective study to determine the safety of omitting the antiglobulin crossmatch from pretransfusion testing <PERSOON-##> sanus sanat‟ Uitgave Inspectie voor de <PERSOON-##> importance of antibodies against lowincidence RBC antigens in complete and abbreviated cross-matching Transfusion Shulman IA, <PERSOON-##> JC, Okamoto M, Kent DR, et al Experience with the routine use of an abbreviated crossmatch <PERSOON-##> risk of an overt hemolytic transfusion reaction following the use of an immediate spin crossmatch <PERSOON-##> DB, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) initiative analysis of the first two annual reports BMJ ### Jul Engelfriet C P et al <PERSOON-##> detection of alloantibodies against Red cells in Patients with warmtype autoimmune haemolytic anaemia Vox Sanguinis ###;#<DATUM> ### <PERSOON-##> E et al Do patients with autoantibodies or clinically insignificant alloantibodies require Engelfriet C P et al <PERSOON-##> detection of alloantibodies against red cells in warm type Auto <PERSOON-##> AM Incidence of red cell antibodies after multiple blood problemen Van RITA met CLAUS naar TRIX Nederlands Tijdschrift voor <PERSOON-##> of autologous ABO, RHD, RHCE, KEL, JK, and FY blood group genotypes by analysis of peripheral blood samples of patients who have <PERSOON-##> of ### transfusion associated deaths ###-### <PERSOON-##> AM van RBC antibody persistence <PERSOON-##> A Red blood cell alloantibodies after transfusion factors influencing incidence and specificity Transfusion ###;#<DATUM> # Leger <PERSOON-##> of methods for detecting alloantibodies underlying warm <PERSOON-##> A.
540
nvog
<PERSOON> risk of an overt hemolytic transfusion reaction following the use of an immediate spin crossmatch <PERSOON> DB, et al Serious hazards of transfusion (SHOT) initiative analysis of the first two annual reports BMJ ### Jul Engelfriet C P et al <PERSOON> detection of alloantibodies against Red cells in Patients with warmtype autoimmune haemolytic anaemia Vox Sanguinis ###;#<DATUM> ### <PERSOON> E et al Do patients with autoantibodies or clinically insignificant alloantibodies require Engelfriet C P et al <PERSOON> detection of alloantibodies against red cells in warm type Auto <PERSOON> AM Incidence of red cell antibodies after multiple blood problemen Van RITA met CLAUS naar TRIX Nederlands Tijdschrift voor <PERSOON> of autologous ABO, RHD, RHCE, KEL, JK, and FY blood group genotypes by analysis of peripheral blood samples of patients who have <PERSOON> of ### transfusion associated deaths ###-### <PERSOON> AM van RBC antibody persistence <PERSOON> A Red blood cell alloantibodies after transfusion factors influencing incidence and specificity Transfusion ###;#<DATUM> # Leger <PERSOON> of methods for detecting alloantibodies underlying warm <PERSOON-##> A alloantibodies to red blood cells due to blood transfusion <PERSOON-##> IM, Eggington JA, <PERSOON-##> GA, Duguid JK Red cell antibody screening and identification a comparison of two column technology methods <PERSOON-##> JM Erythrocyte antibody screening in solid phase A comparion of two solid phase microplate assays with the Indirect Antiglobulin Test in Polyethylene Glycol for the detection of irregular Erytrocyte Antibody Vox Sang ###;#<DATUM> Nance SJ, Garratty G A new Potentiator of <PERSOON-##> hemolytic transfusion reaction due to anti-Jk(a) <PERSOON-##> in bloodtransfusion in Britain Survey of hospital <PERSOON-##> DBL, et al Serious Hazards of Bloodtransfusion (SHOT) initiative analyses of the first two annual reports <PERSOON-##> evaluation of a transfusion policy of D+ red blood cells into <PERSOON-##> L, <PERSOON-##> of anti-<PERSOON-##> MH, Triulzi DJ Detection of anti-D in D- recipients transfused with D+ red blood cells <PERSOON-##> H, <PERSOON-##> to red blood cell antigens after universal <PERSOON-##> LM, <PERSOON-##> red blood cell alloantibodies after blood transfusions in a nonhematologic alloimmunized patient cohort.
531
nvog
red blood cells due to blood transfusion <PERSOON> IM, Eggington JA, <PERSOON> GA, Duguid JK Red cell antibody screening and identification a comparison of two column technology methods <PERSOON> JM Erythrocyte antibody screening in solid phase A comparion of two solid phase microplate assays with the Indirect Antiglobulin Test in Polyethylene Glycol for the detection of irregular Erytrocyte Antibody Vox Sang ###;#<DATUM> Nance SJ, Garratty G A new Potentiator of <PERSOON> hemolytic transfusion reaction due to anti-Jk(a) <PERSOON> in bloodtransfusion in Britain Survey of hospital <PERSOON> DBL, et al Serious Hazards of Bloodtransfusion (SHOT) initiative analyses of the first two annual reports <PERSOON> evaluation of a transfusion policy of D+ red blood cells into <PERSOON> L, <PERSOON> of anti-<PERSOON-##> MH, Triulzi DJ Detection of anti-D in D- recipients transfused with D+ red blood cells <PERSOON-##> H, <PERSOON-##> to red blood cell antigens after universal <PERSOON-##> LM, <PERSOON-##> red blood cell alloantibodies after blood transfusions in a nonhematologic alloimmunized patient cohort <PERSOON-##> RR, <PERSOON-##> response after additional red blood cell antigen challenge in immunized hematooncology patients <PERSOON-##> MAM, et al Preventie van immunisatie door c, E en K achtergronden en gefaseerde implementatie <PERSOON-##> RC Controversies in transfusion medicine Testing for Du con Detection and prevention of pregnancy immunisation <PERSOON-##> OPZI study Academic thesis <PERSOON-##> bloedgroepantagonisme een geregeld probleem [proefschrift] BCSH Blood Transfusion Task Force Guidelines for compatibility procedures in blood <PERSOON-##> J, Jr , <PERSOON-##> FL, <PERSOON-##> ST, et al DNA-based typing of blood groups for the management of multiply-transfused sickle cell disease patients <PERSOON-##> J, Jr , <PERSOON-##> group genotyping facilitates <PERSOON-##> SG, Houston-<PERSOON-##> P, <PERSOON-##> the effect of transfusing only phenotype-matched RBCs to patients with sickle cell disease theoretical and practical Ness PM To match or not to match the question for chronically transfused patients with NGC guideline neonatal and child transfusion <PERSOON-##> G Red cell antibodies in patients with homozygous sickle cell disease a comparison of patients in Jamaica and the Pearlman ES, Ballas SK.
527
nvog
<PERSOON> RR, <PERSOON> response after additional red blood cell antigen challenge in immunized hematooncology patients <PERSOON> MAM, et al Preventie van immunisatie door c, E en K achtergronden en gefaseerde implementatie <PERSOON> RC Controversies in transfusion medicine Testing for Du con Detection and prevention of pregnancy immunisation <PERSOON> OPZI study Academic thesis <PERSOON> bloedgroepantagonisme een geregeld probleem [proefschrift] BCSH Blood Transfusion Task Force Guidelines for compatibility procedures in blood <PERSOON> J, Jr , <PERSOON> FL, <PERSOON> ST, et al DNA-based typing of blood groups for the management of multiply-transfused sickle cell disease patients <PERSOON-##> J, Jr , <PERSOON-##> group genotyping facilitates <PERSOON-##> SG, Houston-<PERSOON-##> P, <PERSOON-##> the effect of transfusing only phenotype-matched RBCs to patients with sickle cell disease theoretical and practical Ness PM To match or not to match the question for chronically transfused patients with NGC guideline neonatal and child transfusion <PERSOON-##> G Red cell antibodies in patients with homozygous sickle cell disease a comparison of patients in Jamaica and the Pearlman ES, Ballas SK Ribeiro KR, Guarnieri MH, da <PERSOON-##> FF, Pellegrino J, Jr , Castilho L DNA array analysis for red blood cell antigens facilitates the transfusion support with antigen-matched blood in patients with sickle cell disease <PERSOON-##> of autologous ABO, RhD, RhCE, Kell, Jk and Fy blood group genotypes by analysis of peripheral blood samples of patients who have <PERSOON-##> MO, Goldberg HI, Hodson A, <PERSOON-##> M, et al Effect of transfusion therapy on arteriographic abnormalities and on recurrence of stroke in sickle cell disease <PERSOON-##> LMG, <PERSOON-##> RBC alloantibodies after blood transfusions in a nonhematological alloimmunized patient cohort is it time to take <PERSOON-##> A Red cell alloantibodies in patients Tahhan HR, Holbrook CT, Braddy LR, Brewer LD, <PERSOON-##> JD Antigen-matched donor blood in the transfusion management of patients with sickle cell disease Transfusion ###;## ### <PERSOON-##> AS, Kevy SV, <PERSOON-##> DG Transfusion Management of sickle cell disease <PERSOON-##> SC Olatunji PO Blood transfusion in sickle cell disease Vox Vishinski EP, Earles A, <PERSOON-##> in sickle cell anemia and transfusion of racially unmatched blood <PERSOON> new England Journal of Engelfriet et al the detection of alloantibodies against red cells in warm type AIHA Vox.
558
nvog
Costa FF, Pellegrino J, Jr , Castilho L DNA array analysis for red blood cell antigens facilitates the transfusion support with antigen-matched blood in patients with sickle cell disease <PERSOON> of autologous ABO, RhD, RhCE, Kell, Jk and Fy blood group genotypes by analysis of peripheral blood samples of patients who have <PERSOON> MO, Goldberg HI, Hodson A, <PERSOON> M, et al Effect of transfusion therapy on arteriographic abnormalities and on recurrence of stroke in sickle cell disease <PERSOON> LMG, <PERSOON> RBC alloantibodies after blood transfusions in a nonhematological alloimmunized patient cohort is it time to take <PERSOON> A Red cell alloantibodies in patients Tahhan HR, Holbrook CT, Braddy LR, Brewer LD, <PERSOON> JD Antigen-matched donor blood in the transfusion management of patients with sickle cell disease Transfusion ###;## ### <PERSOON> AS, Kevy SV, <PERSOON> DG Transfusion Management of sickle cell disease <PERSOON-##> SC Olatunji PO Blood transfusion in sickle cell disease Vox Vishinski EP, Earles A, <PERSOON-##> in sickle cell anemia and transfusion of racially unmatched blood <PERSOON-##> new England Journal of Engelfriet et al the detection of alloantibodies against red cells in warm type AIHA Vox Immunohematologic study in ### patients with myelodysplastic syndromes ##-year analysis Sangre (Barc Novaretti MC, Sopelete CR, Velloso ER, <PERSOON-##> AM Alloimmunization after blood transfusion in patients with <PERSOON-##> S Red cell antibodies in frequently transfused patients with myelodysplastic syndrome <PERSOON-##> H Red blood cell alloimmunization after blood transfusion Thesis, Leiden <PERSOON-##> JW Jr, <PERSOON-##> agglutinins complicating repair of aortic dissection using cardiopulmonary bypass and hypothermic circulatory arrest case report and review Judd WJ How I manage cold agglutinins Transfusion ###;#<DATUM> ### Duguesnoy RJ, <PERSOON-##> AJ, Tomasulo PA, <PERSOON-##> RH ABO compatibility and platelet <PERSOON-##> EJ, Schiffer CA ABO compatibility can influence the results of platelet transfusion <PERSOON-##> clinical implications of platelet transfusions associated with ABO or <PERSOON-##> on the expression of ABH antigens on <PERSOON-##> expression of bloodgroup A antigens on trombocytes from A# individuals Transfusion ### ##, ### <PERSOON-##> FH, Eernisse JG ABH antibodies causing platelet transfusion <PERSOON-##> role of ABO matching in.
542
nvog
patients with myelodysplastic syndromes ##-year analysis Sangre (Barc Novaretti MC, Sopelete CR, Velloso ER, <PERSOON> AM Alloimmunization after blood transfusion in patients with <PERSOON> S Red cell antibodies in frequently transfused patients with myelodysplastic syndrome <PERSOON> H Red blood cell alloimmunization after blood transfusion Thesis, Leiden <PERSOON> JW Jr, <PERSOON> agglutinins complicating repair of aortic dissection using cardiopulmonary bypass and hypothermic circulatory arrest case report and review Judd WJ How I manage cold agglutinins Transfusion ###;#<DATUM> ### Duguesnoy RJ, <PERSOON> AJ, Tomasulo PA, <PERSOON> RH ABO compatibility and platelet <PERSOON> EJ, Schiffer CA ABO compatibility can influence the results of platelet transfusion <PERSOON> clinical implications of platelet transfusions associated with ABO or <PERSOON-##> on the expression of ABH antigens on <PERSOON-##> expression of bloodgroup A antigens on trombocytes from A# individuals Transfusion ### ##, ### <PERSOON-##> FH, Eernisse JG ABH antibodies causing platelet transfusion <PERSOON-##> role of ABO matching in Transfusion efficacy of ABO major-mismatched platelets (PLTs) in children is inerior to that of ABO-identical <PERSOON-##> LJ, for BEST, Reducing the variation in <PERSOON-##> MK, Downes KA, Shulman IA Transfusion of platelets containing ABO incompatible plasma a survey of ### American laboratories <PERSOON-##> CB, Hillyer CD Non-fatal intravascular hemolysis in a pediatric patient after after transfusion of a platelet unit with high titer anti-<PERSOON-##> LG, Welsh VJ, Ladd DJ Acute intravascular hemolysis secondary to out-of group Valbonesi M, De <PERSOON-##> intravascular hemolysis in two patients transfused with dry platelet units obtained from the same ABO incompatible donor <PERSOON-##> ###; ## ##<DATUM> of sensitising immunosuppressed patients <PERSOON-##> S Rh-Incompatible platelet transfusion therapy in cancer <PERSOON-##> and controversies in platelet transfusion trigger for indication, <PERSOON-##> T Is it necessary to administer anti-Rh-D to prevent <PERSOON-##> of anti-D alloimmunization after transfusion of platelets from D+ donors <PERSOON-##> MH Rh-incompatible platelet transfusions risks and consequences of sensitizing immunosuppressed patients <PERSOON-##> clinical implications of platelet transfusions associated with ABO-D.
515
nvog
of ABO major-mismatched platelets (PLTs) in children is inerior to that of ABO-identical <PERSOON> LJ, for BEST, Reducing the variation in <PERSOON> MK, Downes KA, Shulman IA Transfusion of platelets containing ABO incompatible plasma a survey of ### American laboratories <PERSOON> CB, Hillyer CD Non-fatal intravascular hemolysis in a pediatric patient after after transfusion of a platelet unit with high titer anti-<PERSOON> LG, Welsh VJ, Ladd DJ Acute intravascular hemolysis secondary to out-of group Valbonesi M, De <PERSOON> intravascular hemolysis in two patients transfused with dry platelet units obtained from the same ABO incompatible donor <PERSOON> ###; ## ##<DATUM> of sensitising immunosuppressed patients <PERSOON> S Rh-Incompatible platelet transfusion therapy in cancer <PERSOON> and controversies in platelet transfusion trigger for indication, <PERSOON> T Is it necessary to administer anti-Rh-D to prevent <PERSOON-##> of anti-D alloimmunization after transfusion of platelets from D+ donors <PERSOON-##> MH Rh-incompatible platelet transfusions risks and consequences of sensitizing immunosuppressed patients <PERSOON-##> clinical implications of platelet transfusions associated with <PERSOON-##> in Clinical Medicine Blackwell Zeiler Th A dose of ### IU intravenous anti-D gammaglobulin is effective for the prevention od Rh-D immunization after Rh-D incompatible single donor platelet transfusion <PERSOON-##> R, et al Posttransfusion mortality among recipients of ABO-compatible but non-identical plasma <PERSOON-##> H, PF v d Meer Collection of white blood cell-reduced plasma by apheresis In deze richtlijn wordt de behandeling van anemie, en in het bijzonder het erytrocytentransfusiebeleid in twee hoofdstukken behandeld, Hoofdstuk # chronische anemie en Met chronisch anemie wordt in deze richtlijn bedoeld anemie die niet het gevolg is van acuut bloedverlies Dat betekent dat met acute anemie bedoeld wordt anemie door acuut bloedverlies Een ijzergebreksanemie door chronisch bloedverlies wordt dus beschouwd als een chronische anemie Acute anemieën, die niet het gevolg zijn van een bloeding, vallen buiten deze definities Enigszins arbitrair worden IC-patiënten met een acute anemie, die niet het gevolg is van een bloeding, in Hoofdstuk # bij acute anemie behandeld en bijvoorbeeld patiënten met een acute anemie, tengevolge van een auto-immuun hemolytische anemie Na een korte inleiding over de pathofysiologie van anemie worden eerst algemene richtlijnen voor de behandeling van chronische anemie gegeven (<DATUM> Daarna worden anemiëen, die het gevolg zijn van aanmaakstoornissen van erytrocyten behandeld (<DATUM> Het gebruik van apart besproken (<DATUM> Vervolgens worden anemieën ten gevolge van afbraakstoornissen (<DATUM> behandeld.
539
nvog
Transfusion in Clinical Medicine Blackwell Zeiler Th A dose of ### IU intravenous anti-D gammaglobulin is effective for the prevention od Rh-D immunization after Rh-D incompatible single donor platelet transfusion <PERSOON> R, et al Posttransfusion mortality among recipients of ABO-compatible but non-identical plasma <PERSOON> H, PF v d Meer Collection of white blood cell-reduced plasma by apheresis In deze richtlijn wordt de behandeling van anemie, en in het bijzonder het erytrocytentransfusiebeleid in twee hoofdstukken behandeld, Hoofdstuk # chronische anemie en Met chronisch anemie wordt in deze richtlijn bedoeld anemie die niet het gevolg is van acuut bloedverlies Dat betekent dat met acute anemie bedoeld wordt anemie door acuut bloedverlies Een ijzergebreksanemie door chronisch bloedverlies wordt dus beschouwd als een chronische anemie Acute anemieën, die niet het gevolg zijn van een bloeding, vallen buiten deze definities Enigszins arbitrair worden IC-patiënten met een acute anemie, die niet het gevolg is van een bloeding, in Hoofdstuk # bij acute anemie behandeld en bijvoorbeeld patiënten met een acute anemie, tengevolge van een auto-immuun hemolytische anemie Na een korte inleiding over de pathofysiologie van anemie worden eerst algemene richtlijnen voor de behandeling van chronische anemie gegeven (<DATUM> Daarna worden anemiëen, die het gevolg zijn van aanmaakstoornissen van erytrocyten behandeld (<DATUM> Het gebruik van apart besproken (<DATUM> Vervolgens worden anemieën ten gevolge van afbraakstoornissen (<DATUM> behandeld De belangrijkste indicatie voor het toedienen van erytrocytenconcentraten (RBC‟s) is het herstellen of handhaven van een adequate zuurstofvoorziening, die is afgestemd op de Het zuurstofaanbod wordt bepaald door het hartminuutvolume, het hemoglobinegehalte (Hb) In rust bedraagt het zuurstofgebruik ### mL/min Dit betekent bij een aanbod van # ### mL /min, een zuurstofextractieratio van ##% Het zuurstofgebruik kan stijgen door toename van de extractie tot boven ##% en het zuurstofaanbod kan toenemen door verhoging van het Hb en/of verhoging van het hartminuutvolume Een laag Hb kan gecompenseerd worden door toename van de zuurstofextractie en/of verhoging van het hartminuutvolume Verhoging van het hartminuutvolume treedt op door toename van het slagvolume en/of de hartfrequentie Het slagvolume kan toenemen door toename van de contractiliteit van het hart en door afname van de perifere weerstand en vermindering van de bloedviscositeit („afterload‟-reductie) In het algemeen zal bij een Hb ( #,<DATUM> # mmol/L het hartminuutvolume stijgen, soms echter pas bij een Hb ( #,<DATUM> # mmol/<PERSOON> stijgt het hartminuutvolume door verhoging van de contractiliteit en „afterload‟-reductie, bij een gestoorde ventrikelfunctie De cardiale toestand en in mindere mate een doorgemaakte „transient ischemic attack‟ mate van gebruik van reserves in zuurstofaanbod en compensatiemechanismen <DATUM> Algemene richtlijnen voor het geven van erytrocytentransfusies bij chronische Zolang de gebruikelijke reserve en compensatiemechanismen voldoende zijn om in de zuurstofbehoefte van de weefsels te voorzien, hoeft het Hb niet te worden verhoogd Wanneer echter het zuurstofaanbod dreigt achter te blijven bij de vraag, dient overgegaan te worden.
603
nvog
indicatie voor het toedienen van erytrocytenconcentraten (RBC‟s) is het herstellen of handhaven van een adequate zuurstofvoorziening, die is afgestemd op de Het zuurstofaanbod wordt bepaald door het hartminuutvolume, het hemoglobinegehalte (Hb) In rust bedraagt het zuurstofgebruik ### mL/min Dit betekent bij een aanbod van # ### mL /min, een zuurstofextractieratio van ##% Het zuurstofgebruik kan stijgen door toename van de extractie tot boven ##% en het zuurstofaanbod kan toenemen door verhoging van het Hb en/of verhoging van het hartminuutvolume Een laag Hb kan gecompenseerd worden door toename van de zuurstofextractie en/of verhoging van het hartminuutvolume Verhoging van het hartminuutvolume treedt op door toename van het slagvolume en/of de hartfrequentie Het slagvolume kan toenemen door toename van de contractiliteit van het hart en door afname van de perifere weerstand en vermindering van de bloedviscositeit („afterload‟-reductie) In het algemeen zal bij een Hb ( #,<DATUM> # mmol/L het hartminuutvolume stijgen, soms echter pas bij een Hb ( #,<DATUM> # mmol/<PERSOON> stijgt het hartminuutvolume door verhoging van de contractiliteit en „afterload‟-reductie, bij een gestoorde ventrikelfunctie De cardiale toestand en in mindere mate een doorgemaakte „transient ischemic attack‟ mate van gebruik van reserves in zuurstofaanbod en compensatiemechanismen <DATUM> Algemene richtlijnen voor het geven van erytrocytentransfusies bij chronische Zolang de gebruikelijke reserve en compensatiemechanismen voldoende zijn om in de zuurstofbehoefte van de weefsels te voorzien, hoeft het Hb niet te worden verhoogd Wanneer echter het zuurstofaanbod dreigt achter te blijven bij de vraag, dient overgegaan te worden gebaseerd op klachten van de patiënt, die duiden op een tekort aan zuurstoftransporterend vermogen en een aantal klinische parameters zoals de leeftijd van de patiënt, de snelheid waarmee anemie is ontstaan, de oorzaak van anemie, cardiale en/of pulmonale problematiek met als gevolg verminderde zuurstofreserve en compensatiemogelijkheden Ook het Uit onderzoek is gebleken dat een laag Hb vaak goed verdragen wordt Bij ## gezonde proefpersonen in rust werd bij een acute isovolemische hemodilutie tot een Hb van # mmol/L een adequate zuurstofvoorziening gehandhaafd (Weiskopf ###) Bij ### volwassen Jehovah‟s Getuigen met een Hb ( # mmol/L, nam pas beneden Hb # mmol/L de sterfte ten Recent zijn een aantal studies verschenen waaruit blijkt dat pre-operatieve anemie een De enige indicatie voor een therapeutische erytrocytentransfusie bij een chronische Profylactische erytrocytentransfusies kunnen geïndiceerd zijn voor een asymptomatische chronische anemie bij een patiënt zonder cardiopulmonale beperkingen en Profylactische erytrocytentransfusies kunnen geïndiceerd zijn bij beperkte cardiopulmonale compensatiemogelijkheden c q risicofactoren conform tabel <DATUM> de <DATUM> #regel, in Hoofdstuk # risicofactoren zijn, kunnen de volgende Hb-triggers worden gehanteerd voor profylactische erytrocytentransfusies bij chronische anemie Voor de aanbevelingen #, # en # geldt mits geen betere alternatieve behandeling mogelijk *symptomen van anemie tachycardie, dyspneu, hartkloppingen, angina pectoris, duizeligheid, syncope, de novo ST depressie of elevatie op het ECG en nieuwe ritmestoornis op het ECG IJzergebrek komt ook in de Westerse wereld voor; circa ##% van vrouwen en ouderen heeft ijzertekort (Looker ###) IJzergebrek op de kinderleeftijd komt in <LOCATIE> vooral voor bij.
635
nvog
patiënt, die duiden op een tekort aan zuurstoftransporterend vermogen en een aantal klinische parameters zoals de leeftijd van de patiënt, de snelheid waarmee anemie is ontstaan, de oorzaak van anemie, cardiale en/of pulmonale problematiek met als gevolg verminderde zuurstofreserve en compensatiemogelijkheden Ook het Uit onderzoek is gebleken dat een laag Hb vaak goed verdragen wordt Bij ## gezonde proefpersonen in rust werd bij een acute isovolemische hemodilutie tot een Hb van # mmol/L een adequate zuurstofvoorziening gehandhaafd (Weiskopf ###) Bij ### volwassen Jehovah‟s Getuigen met een Hb ( # mmol/L, nam pas beneden Hb # mmol/L de sterfte ten Recent zijn een aantal studies verschenen waaruit blijkt dat pre-operatieve anemie een De enige indicatie voor een therapeutische erytrocytentransfusie bij een chronische Profylactische erytrocytentransfusies kunnen geïndiceerd zijn voor een asymptomatische chronische anemie bij een patiënt zonder cardiopulmonale beperkingen en Profylactische erytrocytentransfusies kunnen geïndiceerd zijn bij beperkte cardiopulmonale compensatiemogelijkheden c q risicofactoren conform tabel <DATUM> de <DATUM> #regel, in Hoofdstuk # risicofactoren zijn, kunnen de volgende Hb-triggers worden gehanteerd voor profylactische erytrocytentransfusies bij chronische anemie Voor de aanbevelingen #, # en # geldt mits geen betere alternatieve behandeling mogelijk *symptomen van anemie tachycardie, dyspneu, hartkloppingen, angina pectoris, duizeligheid, syncope, de novo ST depressie of elevatie op het ECG en nieuwe ritmestoornis op het ECG IJzergebrek komt ook in de Westerse wereld voor; circa ##% van vrouwen en ouderen heeft ijzertekort (Looker ###) IJzergebrek op de kinderleeftijd komt in <LOCATIE> vooral voor bij pubers met een eenzijdig eetpatroon met onvolwaardige voeding In een prospectieve studie bij ### oudere orthopedische patiënten werd preoperatief bij ##% een ijzergebreksanemie (Hb ( #,# mmol/L) aangetoond Na vier weken ijzersubstitutie was het Hb significant met gemiddeld #,# mmol/L verbeterd De patiënten zonder anemie werden gerandomiseerd tussen vier weken ijzermedicatie (pre- en postoperatief) en geen medicatie De groep behandeld met ijzer (<PERSOON>) had in de eerste postoperatieve week een significant hoger () #,# mmol/L) Hb vergeleken met de groep die geen <PERSOON> kreeg, zonder dat een significant verschil in transfusiebehoefte bij de operatie zichtbaar was (Andrews ###) Een vergelijkbare gerandomiseerde studie in asymptomatische patiënten met colorectale kanker liet eveneens een hoger uitgangs-Hb zien in de groep met ijzersuppletie, maar hier werd eveneens een significante vermindering van het aantal getransfundeerde eenheden gezien (gemiddeld van # naar #) (Liddler ###) Munoz toonde aan dat intraveneuze toediening van ijzer aan patiënten, die preoperatief een anemie hadden, het Hb-gehalte # # g/L (<DATUM> mmol/L) liet stijgen (Munoz ###) Een andere studie onderzocht het effect van # weken postoperatief toedienen van oraal ijzer na totale knie artroplastiek; er was geen duidelijk verschil in hoogte en herstel van Hb na operatie (Mundy ###) In een recent onderzoek werd geen relatie gevonden Wel bleek het preoperatieve Hb-gehalte voorspellend voor de peri- en/of postoperatieve tranfusiebehoefte te zijn (Fotland ###) Vitamine-B## deficiëntie door malabsorptie bij pernicieuze anemie, gastritis of na Overigens kan ook bij myelodysplasie en auto-immuun hemolytische anemie het bloedbeeld.
659
nvog
onvolwaardige voeding In een prospectieve studie bij ### oudere orthopedische patiënten werd preoperatief bij ##% een ijzergebreksanemie (Hb ( #,# mmol/L) aangetoond Na vier weken ijzersubstitutie was het Hb significant met gemiddeld #,# mmol/L verbeterd De patiënten zonder anemie werden gerandomiseerd tussen vier weken ijzermedicatie (pre- en postoperatief) en geen medicatie De groep behandeld met ijzer (<PERSOON>) had in de eerste postoperatieve week een significant hoger () #,# mmol/L) Hb vergeleken met de groep die geen <PERSOON> kreeg, zonder dat een significant verschil in transfusiebehoefte bij de operatie zichtbaar was (Andrews ###) Een vergelijkbare gerandomiseerde studie in asymptomatische patiënten met colorectale kanker liet eveneens een hoger uitgangs-Hb zien in de groep met ijzersuppletie, maar hier werd eveneens een significante vermindering van het aantal getransfundeerde eenheden gezien (gemiddeld van # naar #) (Liddler ###) Munoz toonde aan dat intraveneuze toediening van ijzer aan patiënten, die preoperatief een anemie hadden, het Hb-gehalte # # g/L (<DATUM> mmol/L) liet stijgen (Munoz ###) Een andere studie onderzocht het effect van # weken postoperatief toedienen van oraal ijzer na totale knie artroplastiek; er was geen duidelijk verschil in hoogte en herstel van Hb na operatie (Mundy ###) In een recent onderzoek werd geen relatie gevonden Wel bleek het preoperatieve Hb-gehalte voorspellend voor de peri- en/of postoperatieve tranfusiebehoefte te zijn (Fotland ###) Vitamine-B## deficiëntie door malabsorptie bij pernicieuze anemie, gastritis of na Overigens kan ook bij myelodysplasie en auto-immuun hemolytische anemie het bloedbeeld Bij vermoeden op deze megaloblastaire anemieën bestaat de behandeling uit toediening van vitamine-B## en foliumzuur, nadat tevoren bloed is afgenomen voor diagnostiek Slechts in extreem ernstige gevallen kan een transfusieindicatie ontstaan, zoals ernstig hartfalen of ernstige cardiale ischemie Toediening van vitamine-B## bij dergelijke ernstige anemieën zal geen snelle correctie waarborgen, waarmee een transfusie geïndiceerd kan zijn In alle andere gevallen dient transfusie te worden vermeden Slechts bij een extreem laag Hb-gehalte zijn anemieën door nutriëntendeficiëntie(s) indicatie voor bloedtransfusie Het preoperatieve Hb-gehalte is van invloed op de perioperatieve transfusiebehoefte Preoperatieve screening en substitutie van ijzergebreksanemie kan het postoperatieve Hb verbeteren Fotland ###, Munoz ###, Liddler ###, Andrews ### Anemieën door nutriëntendeficiënties zijn geen indicatie voor transfusie, tenzij de ernst van de anemie de absolute transfusieindicatie bereikt (Hb ( # mmol/L) of Bij patiënten, die een electieve, grote operatieve ingreep ondergaan, is het aanbevelenswaardig een eventuele ijzergebreksanemie minimaal vier weken voor de Met name in de hemato-oncologie kunnen aplasie-inducerende behandelingen in korte tijd een anemie veroorzaken, waardoor sommige hematologen eerder (dat wil zeggen bij een hoger Hb) erytrocytentransfusies geven Bovendien hebben deze patiënten vaak een diepe trombopenie zodat voor een goede hemostase mogelijk een hoger Hb gewenst is Een restrictief erytrocytentransfusiebeleid (Hb trigger <DATUM> mmol/L, afhankelijk van leeftijd en symptomen) vergeleken met een liberalere trigger (Hb # # mmol/L) bleek niet tot meer Anemie bij niet-hematologische maligniteiten is meestal het gevolg van een chronische ziekte en niet van de verdringing van de hematopoëse door beenmergmetastasen Chemotherapie, radiotherapie, hemolyse (microangiopathie), coagulopathie en bloedingen.
672
nvog
de behandeling uit toediening van vitamine-B## en foliumzuur, nadat tevoren bloed is afgenomen voor diagnostiek Slechts in extreem ernstige gevallen kan een transfusieindicatie ontstaan, zoals ernstig hartfalen of ernstige cardiale ischemie Toediening van vitamine-B## bij dergelijke ernstige anemieën zal geen snelle correctie waarborgen, waarmee een transfusie geïndiceerd kan zijn In alle andere gevallen dient transfusie te worden vermeden Slechts bij een extreem laag Hb-gehalte zijn anemieën door nutriëntendeficiëntie(s) indicatie voor bloedtransfusie Het preoperatieve Hb-gehalte is van invloed op de perioperatieve transfusiebehoefte Preoperatieve screening en substitutie van ijzergebreksanemie kan het postoperatieve Hb verbeteren Fotland ###, Munoz ###, Liddler ###, Andrews ### Anemieën door nutriëntendeficiënties zijn geen indicatie voor transfusie, tenzij de ernst van de anemie de absolute transfusieindicatie bereikt (Hb ( # mmol/L) of Bij patiënten, die een electieve, grote operatieve ingreep ondergaan, is het aanbevelenswaardig een eventuele ijzergebreksanemie minimaal vier weken voor de Met name in de hemato-oncologie kunnen aplasie-inducerende behandelingen in korte tijd een anemie veroorzaken, waardoor sommige hematologen eerder (dat wil zeggen bij een hoger Hb) erytrocytentransfusies geven Bovendien hebben deze patiënten vaak een diepe trombopenie zodat voor een goede hemostase mogelijk een hoger Hb gewenst is Een restrictief erytrocytentransfusiebeleid (Hb trigger <DATUM> mmol/L, afhankelijk van leeftijd en symptomen) vergeleken met een liberalere trigger (Hb # # mmol/L) bleek niet tot meer Anemie bij niet-hematologische maligniteiten is meestal het gevolg van een chronische ziekte en niet van de verdringing van de hematopoëse door beenmergmetastasen Chemotherapie, radiotherapie, hemolyse (microangiopathie), coagulopathie en bloedingen Tevens bestaat er bij solide tumoren een (relatief) tekort aan erytropoëtine (Miller ###) Niet alle patiënten met solide tumoren ontwikkelen anemie Bij de eerstelijns chemotherapie ontvangen gemiddeld ##% (##%-relatieve odds-ratio (BI) #-##) van de volwassen patiënten transfusies terwijl ##-##% ooit bloedtransfusies ontvangt (Skillings ###/###) Tijdens platinabevattende chemotherapie komt anemie frequenter voor (Wood ###, Skillings ###) Er zijn geen gerandomiseerde studies over de relatie tussen de hoogte van Ht en het effect van chemotherapie en/of radiotherapie op de ziekte Patiënten met kanker ontvangen vaak transfusies bij een Hb ( # mmol/L, vooral als zij verder een actief leven leiden, maar deze grens is niet gebaseerd op onderzoek Een apart punt van discussie is of allogene transfusies de immuniteit van de patiënt tegen tumoren kunnen remmen en daardoor, na in principe curatieve chirurgische behandeling, Gerandomiseerd onderzoek naar de relatie tussen anemie en eventueel verminderde effectiviteit van chemo-/radiotherapie is wenselijk Ongeveer ##% van de patiënten met multipel myeloom (MM) en circa ##% van de patiënten met een non-Hodgkin lymfoom ontwikkelt een anemie tijdens de behandeling Patiënten met chronisch lymfatische leukemie (CLL) kunnen een anemie ontwikkelen door erytropoëse of door chemotherapie Patiënten met een immuun-gemediëerde hemolyse worden daarvoor behandeld volgens de protocollen die zijn ontwikkeld voor patiënten met idiopathische AIHA (zie paragraaf <DATUM> #) Indien anemie het gevolg is van beenmergverdringing zal deze verbeteren bij respons op therapie Er zijn voor deze aandoening geen Patiënten met een immuun-gemediëerde hemolyse bij CLL dienen te worden.
666
nvog
Tevens bestaat er bij solide tumoren een (relatief) tekort aan erytropoëtine (Miller ###) Niet alle patiënten met solide tumoren ontwikkelen anemie Bij de eerstelijns chemotherapie ontvangen gemiddeld ##% (##%-relatieve odds-ratio (BI) #-##) van de volwassen patiënten transfusies terwijl ##-##% ooit bloedtransfusies ontvangt (Skillings ###/###) Tijdens platinabevattende chemotherapie komt anemie frequenter voor (Wood ###, Skillings ###) Er zijn geen gerandomiseerde studies over de relatie tussen de hoogte van Ht en het effect van chemotherapie en/of radiotherapie op de ziekte Patiënten met kanker ontvangen vaak transfusies bij een Hb ( # mmol/L, vooral als zij verder een actief leven leiden, maar deze grens is niet gebaseerd op onderzoek Een apart punt van discussie is of allogene transfusies de immuniteit van de patiënt tegen tumoren kunnen remmen en daardoor, na in principe curatieve chirurgische behandeling, Gerandomiseerd onderzoek naar de relatie tussen anemie en eventueel verminderde effectiviteit van chemo-/radiotherapie is wenselijk Ongeveer ##% van de patiënten met multipel myeloom (MM) en circa ##% van de patiënten met een non-Hodgkin lymfoom ontwikkelt een anemie tijdens de behandeling Patiënten met chronisch lymfatische leukemie (CLL) kunnen een anemie ontwikkelen door erytropoëse of door chemotherapie Patiënten met een immuun-gemediëerde hemolyse worden daarvoor behandeld volgens de protocollen die zijn ontwikkeld voor patiënten met idiopathische AIHA (zie paragraaf <DATUM> #) Indien anemie het gevolg is van beenmergverdringing zal deze verbeteren bij respons op therapie Er zijn voor deze aandoening geen Patiënten met een immuun-gemediëerde hemolyse bij CLL dienen te worden Patiënten met lymfoproliferatieve ziekten ontvangen minder transfusies dan patiënten met myeloïde aandoeningen Ook zijn er gegevens die wijzen op een verminderde immuunrespons op allo-antigenen (al of niet als gevolg van de aard van de behandeling) (<PERSOON> ###, <PERSOON> ###) Derhalve is de kans op het ontstaan van irregulaire erytrocytenantistoffen bij patiënten met lymphoproliferatieve aandoeningen klein Patiënten met acute myeloïde leukemie ontvangen in de regel multipele erytrocyten- en trombocytentransfusies; bij chronische myeloïde leukemie zijn transfusies nodig bij transplantatie of in de (pre)terminale stadia van de ziekte Patiënten met myelofibrose, die vaak splenomegalie hebben, hebben minder baat bij erytrocytentransfusies De grootste chronische transfusiebehoefte bestaat bij de myelodysplasieën Er zijn geen onderzoeken naar optimale transfusietriggers bij deze aandoeningen Overigens zijn ook voor acute myeloïde leukemie geen bewijzen voor een specifiek transfusiebeleid van rode bloedcellen (Milligan Patiënten met myelodysplasie zijn meestal ouder (gemiddeld <LEEFTIJD> jaar) op het moment dat de nodig, vaak zonder andere behandeloptie Afhankelijk van de vorm van myelodysplastisch Zie NFN-richtlijn Anemie bij chronische nierinsufficiëntie ### met een update in ### Bij chronische anemie is er een stijging van het #,#-DPG in de erytrocyten, met een rechtsverschuiving in de O#-dissociatiecurve Het is daardoor in het algemeen niet nodig om te transfunderen boven een Hb-gehalte van # # mmol/L, uitgezonderd wanneer er tekenen Bij HIV-infectie zijn er verschillende begrepen en onbegrepen oorzaken van anemie, zoals Deze hangen samen met verhoogde spiegels van TNF-alfa en IL-# en een inadequate erytropoëtinerespons op anemie, met name in het geavanceerde stadium van de infectie.
664
nvog
ontvangen minder transfusies dan patiënten met myeloïde aandoeningen Ook zijn er gegevens die wijzen op een verminderde immuunrespons op allo-antigenen (al of niet als gevolg van de aard van de behandeling) (<PERSOON> ###, <PERSOON> ###) Derhalve is de kans op het ontstaan van irregulaire erytrocytenantistoffen bij patiënten met lymphoproliferatieve aandoeningen klein Patiënten met acute myeloïde leukemie ontvangen in de regel multipele erytrocyten- en trombocytentransfusies; bij chronische myeloïde leukemie zijn transfusies nodig bij transplantatie of in de (pre)terminale stadia van de ziekte Patiënten met myelofibrose, die vaak splenomegalie hebben, hebben minder baat bij erytrocytentransfusies De grootste chronische transfusiebehoefte bestaat bij de myelodysplasieën Er zijn geen onderzoeken naar optimale transfusietriggers bij deze aandoeningen Overigens zijn ook voor acute myeloïde leukemie geen bewijzen voor een specifiek transfusiebeleid van rode bloedcellen (Milligan Patiënten met myelodysplasie zijn meestal ouder (gemiddeld <LEEFTIJD> jaar) op het moment dat de nodig, vaak zonder andere behandeloptie Afhankelijk van de vorm van myelodysplastisch Zie NFN-richtlijn Anemie bij chronische nierinsufficiëntie ### met een update in ### Bij chronische anemie is er een stijging van het #,#-DPG in de erytrocyten, met een rechtsverschuiving in de O#-dissociatiecurve Het is daardoor in het algemeen niet nodig om te transfunderen boven een Hb-gehalte van # # mmol/L, uitgezonderd wanneer er tekenen Bij HIV-infectie zijn er verschillende begrepen en onbegrepen oorzaken van anemie, zoals Deze hangen samen met verhoogde spiegels van TNF-alfa en IL-# en een inadequate erytropoëtinerespons op anemie, met name in het geavanceerde stadium van de infectie Ondanks T-celdeficiëntie bij HIV-infectie zijn er nooit meldingen geweest van TA-GVHD Bestraling van bloedproducten is voor HIV patiënten daarom ook niet geïndiceerd Bij IBD kan anemie ontstaan door „anemie bij chronische ziekte‟, bloedverlies en malabsorptie De Hb-concentratie kan weliswaar tot ( # mmol/L dalen, maar omdat het vaak jonge mensen betreft die bij een laag Hb geen vitale klachten hebben, worden transfusies in het algemeen niet gegeven Bij ) ##% van de patiënten verbetert het Hb door ijzertoediening Uit oudere observationele studies zijn er aanwijzingen dat bloedtransfusies, toegediend bij darmoperaties wegens de ziekte van Crohn, een gunstig immunomodulerend effect hebben en het interval tot een volgende exacerbatie verlengen In een meta-analyse van # van de # historische studies werden hiervoor echter onvoldoende argumenten gevonden (<PERSOON> Bij chronische ziekten is er door een rechtsverschuiving van de zuurstofdissociatiecurve een lagere transfusiedrempel Bij HIV-geïnfecteerde patiënten is, ondanks het toedienen van onbestraalde bloedproducten, nog nooit een TA-GvHD gerapporteerd Bij IBD kan door adequate ijzersuppletie het Hb verbeteren bij ) ##% van Bij anemie van chronische ziekten is er zelden een transfusieindicatie bij een Hb) Bij inflammatory bowel disease (IBD)-patiënten met anemie dient er onderzoek naar ijzertekort verricht te worden en indien aanwezig adequate ijzersuppletie gegeven te De werkgroep is van mening dat een HIV-infectie geen indicatie is voor bestraling Er is weinig tot geen gecontroleerd onderzoek dat essentiële vragen over transfusiebeleid in de zwangerschap op een adequate wijze beantwoordt De aanwezige richtlijnen baseren.
614
nvog
HIV-infectie zijn er nooit meldingen geweest van TA-GVHD Bestraling van bloedproducten is voor HIV patiënten daarom ook niet geïndiceerd Bij IBD kan anemie ontstaan door „anemie bij chronische ziekte‟, bloedverlies en malabsorptie De Hb-concentratie kan weliswaar tot ( # mmol/L dalen, maar omdat het vaak jonge mensen betreft die bij een laag Hb geen vitale klachten hebben, worden transfusies in het algemeen niet gegeven Bij ) ##% van de patiënten verbetert het Hb door ijzertoediening Uit oudere observationele studies zijn er aanwijzingen dat bloedtransfusies, toegediend bij darmoperaties wegens de ziekte van Crohn, een gunstig immunomodulerend effect hebben en het interval tot een volgende exacerbatie verlengen In een meta-analyse van # van de # historische studies werden hiervoor echter onvoldoende argumenten gevonden (<PERSOON> Bij chronische ziekten is er door een rechtsverschuiving van de zuurstofdissociatiecurve een lagere transfusiedrempel Bij HIV-geïnfecteerde patiënten is, ondanks het toedienen van onbestraalde bloedproducten, nog nooit een TA-GvHD gerapporteerd Bij IBD kan door adequate ijzersuppletie het Hb verbeteren bij ) ##% van Bij anemie van chronische ziekten is er zelden een transfusieindicatie bij een Hb) Bij inflammatory bowel disease (IBD)-patiënten met anemie dient er onderzoek naar ijzertekort verricht te worden en indien aanwezig adequate ijzersuppletie gegeven te De werkgroep is van mening dat een HIV-infectie geen indicatie is voor bestraling Er is weinig tot geen gecontroleerd onderzoek dat essentiële vragen over transfusiebeleid in de zwangerschap op een adequate wijze beantwoordt De aanwezige richtlijnen baseren ###) Binnen de gynaecologie worden transfusies vooral perioperatief mét of zonder een oncologische achtergrond gegeven, waarbij de indicaties identiek zijn aan die bij de algemene chirurgie Ook de chronische anemie op basis van menstruatiestoornissen onderscheidt zich niet van andere situaties van chronische ijzergebreksanemie (zie paragraaf Bij ijzersuppletie in de zwangerschap wordt gestreefd naar een ferritinegehalte van ) ## g/<PERSOON> behandeling van anemie met erytropoëtine tijdens de zwangerschap bestaat nog weinig ervaring Hetzelfde geldt voor de behandeling van postpartum ontstane anemie (Dodd ###) Voor de diagnostiek van anemie in de zwangerschap wordt verwezen naar de gelijknamige Circa ##-##% van de Nederlandse zwangeren is van allochtone afkomst en heeft een verhoogde incidentie van Hb-pathie (zie voor transfusieproblematiek in de zwangerschap bij Tijdens de zwangerschap dient transmissie van bepaalde virussen via donorbloed (met name Parvo-B##) te worden voorkomen ter preventie van foetale morbiditeit en sterfte Er zijn geen gegevens betreffende overdracht van Parvo-B## via bloedtransfusies aan gravidae Wel is bekend dat Parvo-B## infectie tijdens het eerste trimester bij circa ##% Gezondheidsraad adviseerde in ### aan seronegatieve gravidae in het eerste en tweede trimester Parvo-B## veilige transfusies toe te dienen (Gezondheidsraad rapport ###) Voor Vrouwen vóór en in de reproductieve levensfase dienen cEK compatibele ery‟s te krijgen om de vorming van antistoffen, die de hemolytische ziekte van de pasgeborene kunnen veroorzaken, te voorkomen (zie ook Hoofdstuk <DATUM> #, selectie cEK compatibele erytrocyten Parvo-B## infectie tijdens het eerste trimester van de zwangerschap veroorzaakt bij circa ##% intra-uteriene vruchtdood als gevolg van hydrops.
614
nvog
een oncologische achtergrond gegeven, waarbij de indicaties identiek zijn aan die bij de algemene chirurgie Ook de chronische anemie op basis van menstruatiestoornissen onderscheidt zich niet van andere situaties van chronische ijzergebreksanemie (zie paragraaf Bij ijzersuppletie in de zwangerschap wordt gestreefd naar een ferritinegehalte van ) ## g/<PERSOON> behandeling van anemie met erytropoëtine tijdens de zwangerschap bestaat nog weinig ervaring Hetzelfde geldt voor de behandeling van postpartum ontstane anemie (Dodd ###) Voor de diagnostiek van anemie in de zwangerschap wordt verwezen naar de gelijknamige Circa ##-##% van de Nederlandse zwangeren is van allochtone afkomst en heeft een verhoogde incidentie van Hb-pathie (zie voor transfusieproblematiek in de zwangerschap bij Tijdens de zwangerschap dient transmissie van bepaalde virussen via donorbloed (met name Parvo-B##) te worden voorkomen ter preventie van foetale morbiditeit en sterfte Er zijn geen gegevens betreffende overdracht van Parvo-B## via bloedtransfusies aan gravidae Wel is bekend dat Parvo-B## infectie tijdens het eerste trimester bij circa ##% Gezondheidsraad adviseerde in ### aan seronegatieve gravidae in het eerste en tweede trimester Parvo-B## veilige transfusies toe te dienen (Gezondheidsraad rapport ###) Voor Vrouwen vóór en in de reproductieve levensfase dienen cEK compatibele ery‟s te krijgen om de vorming van antistoffen, die de hemolytische ziekte van de pasgeborene kunnen veroorzaken, te voorkomen (zie ook Hoofdstuk <DATUM> #, selectie cEK compatibele erytrocyten Parvo-B## infectie tijdens het eerste trimester van de zwangerschap veroorzaakt bij circa ##% intra-uteriene vruchtdood als gevolg van hydrops Bij ijzersuppletie in de zwangerschap dient men te streven naar een Er zijn veel overeenkomsten in de richtlijnen voor transfusie bij zwangeren, maar er bestaat slechts weinig wetenschappelijke onderbouwing waaruit men kan concluderen dat het voorzorgsprincipe leidend is De noodzaak voor een transfusie tijdens de zwangerschap dient per patiënt afhankelijk van onderliggend lijden en de toestand van het kind te worden overwogen Bij ijzergebreksanemie in de zwangerschap kan ijzersuppletie worden overwogen Bij seronegatieve zwangere vrouwen worden Parvo-B## veilige transfusies aanbevolen (zie Hoofdstuk <DATUM> #) Transfusiereacties kunnen optreden door antistoffen van de ontvanger tegen cellen van de Met name in beenmerg is een grote hoeveelheid () ### mL, circa ##% van het beenmergvolume) erytrocyten aanwezig Er zijn verschillende opties om transfusiereacties door hemolyse te voorkomen/reduceren (Klumpp ###) Ieder <INSTELLING> heeft een eigen empirisch verkregen handelwijze (Lapierre ###) Bij volwassenen wordt veelal alleen het erytrocytenvolume van het beenmerg-/stamcelproduct gereduceerd tot ( ## mL indien de patiënt een IgG en/of IgM-titer groter dan ## heeft in combinatie met langzame toediening en met goede hydratie van de patiënt De toedieningsnelheid moet aangepast worden aan de anti-A en/of anti–B titer van de patiënt (hoe hoger des te langzamer toedienen) Bij kinderen is verdere reductie van het erytrocytenvolume tot ( ## mL aanbevolen (Rowley ###) De hoogte van IgG/IgM-titer tussen de centra is niet gestandaardiseerd Bij major ABO-incompabiliteit kunnen de iso-agglutininen van de ontvanger tot na dag ### bestaan (Herschko ###), de titer kan de eerste drie weken na transplantatie nog stijgen (Sniecinski ###, Ochelford ###).
651
nvog
streven naar een Er zijn veel overeenkomsten in de richtlijnen voor transfusie bij zwangeren, maar er bestaat slechts weinig wetenschappelijke onderbouwing waaruit men kan concluderen dat het voorzorgsprincipe leidend is De noodzaak voor een transfusie tijdens de zwangerschap dient per patiënt afhankelijk van onderliggend lijden en de toestand van het kind te worden overwogen Bij ijzergebreksanemie in de zwangerschap kan ijzersuppletie worden overwogen Bij seronegatieve zwangere vrouwen worden Parvo-B## veilige transfusies aanbevolen (zie Hoofdstuk <DATUM> #) Transfusiereacties kunnen optreden door antistoffen van de ontvanger tegen cellen van de Met name in beenmerg is een grote hoeveelheid () ### mL, circa ##% van het beenmergvolume) erytrocyten aanwezig Er zijn verschillende opties om transfusiereacties door hemolyse te voorkomen/reduceren (Klumpp ###) Ieder <INSTELLING> heeft een eigen empirisch verkregen handelwijze (Lapierre ###) Bij volwassenen wordt veelal alleen het erytrocytenvolume van het beenmerg-/stamcelproduct gereduceerd tot ( ## mL indien de patiënt een IgG en/of IgM-titer groter dan ## heeft in combinatie met langzame toediening en met goede hydratie van de patiënt De toedieningsnelheid moet aangepast worden aan de anti-A en/of anti–B titer van de patiënt (hoe hoger des te langzamer toedienen) Bij kinderen is verdere reductie van het erytrocytenvolume tot ( ## mL aanbevolen (Rowley ###) De hoogte van IgG/IgM-titer tussen de centra is niet gestandaardiseerd Bij major ABO-incompabiliteit kunnen de iso-agglutininen van de ontvanger tot na dag ### bestaan (Herschko ###), de titer kan de eerste drie weken na transplantatie nog stijgen (Sniecinski ###, Ochelford ###) „pure red cell aplasia‟ (<PERSOON> ###, Bij minor ABO-incompatibiliteit bevelen sommige centra aan het plasma te verwijderen indien de donor een IgG- en/of IgM-titer ≥ ### heeft De consensus van Societe Francaise de Greffe de Moelle beveelt zelfs wassen van het transplantaat aan bij titer ) ## Een goede middenweg is plasmareductie bij titer )## (Rowley ###, Lapierre ###) Anti-A/anti-B-antistoffen van de donor kunnen ook worden gestimuleerd door (weefsel)expressie van bloedgroep A en/of B bij de patiënt Bij prospectieve follow-up ontstaat gedurende de eerste # weken na beenmergtransplantatie (BMT)/perifeer bloed stamceltransplantatie (PBSC) bij circa ##% van de ontvangers een positieve DAT (Lapierre transplantatie blust de antistofproductie meestal na enkele weken uit Met name na nietmyelo-ablatieve conditionering en PBSC, is tussen dag # tot ## na transplantatie levensbedreigende hemolyse beschreven, waarbij in <DATUM> dagen het gehele circulerende RBCvolume van de ontvanger wordt afgebroken (<PERSOON> ###), evenals compatibele donortransfusies als „innocent Deze kunnen afkomstig zijn van donor of ontvanger en gericht zijn tegen stamceldonor, ontvanger of bloeddonor Multipele specificiteiten als D, c, Cw, e, E, Jka, <PERSOON> zijn gevonden (<PERSOON> ###) In een gerandomiseerde studie trad vorming van irregulaire antistoffen frequenter op na PBSC (#/##) dan na BMT (#/##) (Lapierre ###).
647
nvog
cell aplasia‟ (<PERSOON> ###, Bij minor ABO-incompatibiliteit bevelen sommige centra aan het plasma te verwijderen indien de donor een IgG- en/of IgM-titer ≥ ### heeft De consensus van Societe Francaise de Greffe de Moelle beveelt zelfs wassen van het transplantaat aan bij titer ) ## Een goede middenweg is plasmareductie bij titer )## (Rowley ###, Lapierre ###) Anti-A/anti-B-antistoffen van de donor kunnen ook worden gestimuleerd door (weefsel)expressie van bloedgroep A en/of B bij de patiënt Bij prospectieve follow-up ontstaat gedurende de eerste # weken na beenmergtransplantatie (BMT)/perifeer bloed stamceltransplantatie (PBSC) bij circa ##% van de ontvangers een positieve DAT (Lapierre transplantatie blust de antistofproductie meestal na enkele weken uit Met name na nietmyelo-ablatieve conditionering en PBSC, is tussen dag # tot ## na transplantatie levensbedreigende hemolyse beschreven, waarbij in <DATUM> dagen het gehele circulerende RBCvolume van de ontvanger wordt afgebroken (<PERSOON> ###), evenals compatibele donortransfusies als „innocent Deze kunnen afkomstig zijn van donor of ontvanger en gericht zijn tegen stamceldonor, ontvanger of bloeddonor Multipele specificiteiten als D, c, Cw, e, E, Jka, <PERSOON> zijn gevonden (<PERSOON> ###) In een gerandomiseerde studie trad vorming van irregulaire antistoffen frequenter op na PBSC (#/##) dan na BMT (#/##) (Lapierre ###) Deze kunnen tot ) <LEEFTIJD> jaar na transplantatie ontstaan, samenhangend met immuundeficiëntie, CMV-infectie, ongerelateerde donoren en GVHD De frequentie is circa #% (Sanz ###) In van de patiënten fataal is (<PERSOON> ###, <PERSOON> ###) Ieder <INSTELLING> heeft een eigen empirisch verkregen handelwijze ten veelal gereduceerd tot ( ## mL indien de patiënt een IgG en/of IgM-titer van ) ## heeft in combinatie met langzame toediening en met goede hydratie van de patiënt Bij kinderen wordt het RBC-volume tot ( ## mL Bij minor ABO-incompatibiliteit bevelen sommige centra aan het plasma uit Greffe de Moelle beveelt zelfs wassen van het transplantaat aan bij titer ) ## Een goede middenweg is plasmareductie bij titer ) ## <PERSOON> ###; donor/haplo-identieke donor, en indien donor en ontvanger beiden CMV seronegatief zijn, worden door sommige centra tevens CMV seronegatieve vanaf conditionering voor transplantatie te worden bestraald ter preventie De werkgroepleden zijn mening dat het belangrijk is om over zo compleet mogelijke pretransplantatiegegevens te beschikken, ook van een niet-verwante donor in verband met Ter preventie van antistof-gemedieerde hemolyse van erytrocyten wordt in geval van minor en major bloedgroepantagonisme geadviseerd om tot minimaal <LEEFTIJD> jaar na transplantatie met In Frankrijk worden nationale protocollen gehanteerd en geëvalueerd voor het transfusiebeleid na transplantatie Het zou wenselijk zijn dit ook in <LOCATIE> te realiseren.
601
nvog
na transplantatie ontstaan, samenhangend met immuundeficiëntie, CMV-infectie, ongerelateerde donoren en GVHD De frequentie is circa #% (Sanz ###) In van de patiënten fataal is (<PERSOON> ###, <PERSOON> ###) Ieder <INSTELLING> heeft een eigen empirisch verkregen handelwijze ten veelal gereduceerd tot ( ## mL indien de patiënt een IgG en/of IgM-titer van ) ## heeft in combinatie met langzame toediening en met goede hydratie van de patiënt Bij kinderen wordt het RBC-volume tot ( ## mL Bij minor ABO-incompatibiliteit bevelen sommige centra aan het plasma uit Greffe de Moelle beveelt zelfs wassen van het transplantaat aan bij titer ) ## Een goede middenweg is plasmareductie bij titer ) ## <PERSOON> ###; donor/haplo-identieke donor, en indien donor en ontvanger beiden CMV seronegatief zijn, worden door sommige centra tevens CMV seronegatieve vanaf conditionering voor transplantatie te worden bestraald ter preventie De werkgroepleden zijn mening dat het belangrijk is om over zo compleet mogelijke pretransplantatiegegevens te beschikken, ook van een niet-verwante donor in verband met Ter preventie van antistof-gemedieerde hemolyse van erytrocyten wordt in geval van minor en major bloedgroepantagonisme geadviseerd om tot minimaal <LEEFTIJD> jaar na transplantatie met In Frankrijk worden nationale protocollen gehanteerd en geëvalueerd voor het transfusiebeleid na transplantatie Het zou wenselijk zijn dit ook in <LOCATIE> te realiseren ## te worden gestreefd naar ( ## mL erytrocyten in het transplantaat De toedieningsnelheid moet aangepast worden aan de titer Bij kinderen is ( ## mL Bij minor ABO-incompatibiliteit wordt plasmareductie van het transplantaat aanbevolen bij titer ) ## Stamceltransplantatiecentra dienen richtlijnen te hebben voor het beleid bij ABOincompatibiliteit tussen donor en ontvanger Landelijke afstemming van deze onder aanbeveling # genoemde richtlijnen is soortnaam voor geneesmiddelen die de aanmaak van erytrocyten stimuleren <LOCATIE>het belangrijkste ESA is erytropoëtine (EPO) Er zijn een aantal soorten EPO epoëtine alfa, epoëtine beta en darbepoëtine alfa, dat een langere halfwaardetijd heeft dan epoëtine alfa en beta In dit hoofdstuk zullen wij ESA gebruiken als de betreffende literatuur Erytropoëse Stimulerende Agentia of ESA gebruikt en EPO als er over erytropoëtine, epoëtine, <DATUM> # Gebruik ESA‟s bij patiënten met anemie bij kanker Bij solide tumoren en bij niet-myeloïde hematologische maligniteiten bestaat een (relatief) tekort aan erytropoëtine (Miller ###), alhoewel er geen verband werd gevonden tussen de Het effect van EPO op de transfusiebehoefte (en de Hb-concentratie) bij patiënten die in verband met solide tumoren chemotherapie kregen, is in gerandomiseerde studies onderzocht Het percentage patiënten dat getransfundeerd werd, was in de EPO-groepen van ESA‟s voor de uitkomst bloedtransfusiebehoefte bij patiënten met anemie en kanker (zowel solide tumoren als hematologische maligniteiten) onderzocht (Bohlius ###, ### en ###) In ## gerandomiseerde onderzoeken met <DATUM> patiënten werd gevonden dat ESA‟ s de noodzaak van bloedtransfusies significant reduceerden vergeleken met de controle-.
614
nvog
worden gestreefd naar ( ## mL erytrocyten in het transplantaat De toedieningsnelheid moet aangepast worden aan de titer Bij kinderen is ( ## mL Bij minor ABO-incompatibiliteit wordt plasmareductie van het transplantaat aanbevolen bij titer ) ## Stamceltransplantatiecentra dienen richtlijnen te hebben voor het beleid bij ABOincompatibiliteit tussen donor en ontvanger Landelijke afstemming van deze onder aanbeveling # genoemde richtlijnen is soortnaam voor geneesmiddelen die de aanmaak van erytrocyten stimuleren <LOCATIE>het belangrijkste ESA is erytropoëtine (EPO) Er zijn een aantal soorten EPO epoëtine alfa, epoëtine beta en darbepoëtine alfa, dat een langere halfwaardetijd heeft dan epoëtine alfa en beta In dit hoofdstuk zullen wij ESA gebruiken als de betreffende literatuur Erytropoëse Stimulerende Agentia of ESA gebruikt en EPO als er over erytropoëtine, epoëtine, <DATUM> # Gebruik ESA‟s bij patiënten met anemie bij kanker Bij solide tumoren en bij niet-myeloïde hematologische maligniteiten bestaat een (relatief) tekort aan erytropoëtine (Miller ###), alhoewel er geen verband werd gevonden tussen de Het effect van EPO op de transfusiebehoefte (en de Hb-concentratie) bij patiënten die in verband met solide tumoren chemotherapie kregen, is in gerandomiseerde studies onderzocht Het percentage patiënten dat getransfundeerd werd, was in de EPO-groepen van ESA‟s voor de uitkomst bloedtransfusiebehoefte bij patiënten met anemie en kanker (zowel solide tumoren als hematologische maligniteiten) onderzocht (Bohlius ###, ### en ###) In ## gerandomiseerde onderzoeken met <DATUM> patiënten werd gevonden dat ESA‟ s de noodzaak van bloedtransfusies significant reduceerden vergeleken met de controle- ###) De kwaliteit van leven, die werd onderzocht in een aantal studies, was statistisch significant beter bij behandeling met <PERSOON> verscheen een review betreffende de studies naar het effect van recombinant erytropoëtine bij kinderen behandeld met chemotherapie wegens kanker In deze review werd geconcludeerd dat EPO leidt tot een stijging van het Hb-gehalte, de behoefte aan allogeen bloed vermindert en geen invloed heeft op de kwaliteit van leven of de overleving Op grond van deze resultaten wordt overigens algemeen gebruik van EPO niet aangeraden Gebruik van EPO reduceert dus statistisch significant het percentage patiënten dat transfusie ondergaat, maar de afname aan toegediende erytrocyten concentraten (EC) is relatief gering In de gebruikte doseringen en duur van toediening bespaarde EPO # eenheid EC of minder In ### heeft een werkgroep van de American Society for Haematology (ASH) en de American Society of Clinical Oncology (ASCO) richtlijnen voor de praktijk uitgegeven die zijn gebaseerd op ## gerandomiseerde studies, waarvan er zes dubbelblind waren Het advies is om bij een Hb ( #,# mmol/L EPO te overwegen in een zo laag mogelijke dosering (Rizzo ###, ###) De richtlijn van de 'European Organisation for Research and Treatment of Cancer' (EORTC) richt zich op het gebruik van ESA‟s bij patiënten met kanker die worden behandeld met chemotherapie en/of radiotherapie (Bokemeyer ###) De richtlijn is gebaseerd op ## onderzoeken In ## onderzoeken bij chemotherapie, waarvan vier gerandomiseerd en dubbelblind, wordt lagere bloedtransfusiebehoefte gerapporteerd (tot ##% vergeleken met controlepersonen) In ##.
647
nvog
leven, die werd onderzocht in een aantal studies, was statistisch significant beter bij behandeling met <PERSOON> verscheen een review betreffende de studies naar het effect van recombinant erytropoëtine bij kinderen behandeld met chemotherapie wegens kanker In deze review werd geconcludeerd dat EPO leidt tot een stijging van het Hb-gehalte, de behoefte aan allogeen bloed vermindert en geen invloed heeft op de kwaliteit van leven of de overleving Op grond van deze resultaten wordt overigens algemeen gebruik van EPO niet aangeraden Gebruik van EPO reduceert dus statistisch significant het percentage patiënten dat transfusie ondergaat, maar de afname aan toegediende erytrocyten concentraten (EC) is relatief gering In de gebruikte doseringen en duur van toediening bespaarde EPO # eenheid EC of minder In ### heeft een werkgroep van de American Society for Haematology (ASH) en de American Society of Clinical Oncology (ASCO) richtlijnen voor de praktijk uitgegeven die zijn gebaseerd op ## gerandomiseerde studies, waarvan er zes dubbelblind waren Het advies is om bij een Hb ( #,# mmol/L EPO te overwegen in een zo laag mogelijke dosering (Rizzo ###, ###) De richtlijn van de 'European Organisation for Research and Treatment of Cancer' (EORTC) richt zich op het gebruik van ESA‟s bij patiënten met kanker die worden behandeld met chemotherapie en/of radiotherapie (Bokemeyer ###) De richtlijn is gebaseerd op ## onderzoeken In ## onderzoeken bij chemotherapie, waarvan vier gerandomiseerd en dubbelblind, wordt lagere bloedtransfusiebehoefte gerapporteerd (tot ##% vergeleken met controlepersonen) In ## onderzocht In deze drie is een niet in grootte aangeduide verbetering van het gevonden Er is in zes onderzoeken, waarin dit is gerapporteerd, geen verschil in sterfte gevonden Bij patiënten met radiotherapie is geen gerandomiseerd dubbelblind onderzoek gedaan naar de transfusiebehoefte en kwaliteit van leven Voor definitieve uitspraken over kwaliteit van leven, bloedbesparing en kosteneffectiviteitanalyse door epoëtine is gerandomiseerd onderzoek gewenst, waarbij in beide armen van de onderzoeksgroep naar een zelfde Hb wordt gestreefd De erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) reduceren de noodzaak van anemie bij solide tumoren en hematologische maligniteiten significant vergeleken met de controlebehandeling bestaande uit placebo of geen Uit observationeel en gerandomiseerd onderzoek blijkt dat toedienen van significant hoger Hb, reductie van het aantal patiënten dat een transfusie nodig heeft en afname van het toegediend erytrocytenvolume bij patiënten geassocieerde anemie Het aantal transfusies dat wordt bespaard is echter (ESA‟s) te overwegen voor patiënten met kanker die worden behandeld Erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) dienen alleen gebruikt te worden voor de behandeling van patiënten met een chemotherapie geïnduceerde anemie bij kanker met het doel bloedtransfusies te besparen (zie ook aanbeveling # bij <DATUM> #) De behandelend arts dient de potentiële gevaren (trombose, verminderde overlevingsduur) en voordelen (minder transfusies) van ESA‟s en de potentiële gevaren Gebruik van EPO bij patiënten met kanker voor andere indicaties dan de behandeling van een door chemotherapie geïnduceerde anemie wordt afgeraden <DATUM> # De effecten van ESA‟s op mortaliteit en overleving van patiënten met kanker.
609
nvog
In deze drie is een niet in grootte aangeduide verbetering van het gevonden Er is in zes onderzoeken, waarin dit is gerapporteerd, geen verschil in sterfte gevonden Bij patiënten met radiotherapie is geen gerandomiseerd dubbelblind onderzoek gedaan naar de transfusiebehoefte en kwaliteit van leven Voor definitieve uitspraken over kwaliteit van leven, bloedbesparing en kosteneffectiviteitanalyse door epoëtine is gerandomiseerd onderzoek gewenst, waarbij in beide armen van de onderzoeksgroep naar een zelfde Hb wordt gestreefd De erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) reduceren de noodzaak van anemie bij solide tumoren en hematologische maligniteiten significant vergeleken met de controlebehandeling bestaande uit placebo of geen Uit observationeel en gerandomiseerd onderzoek blijkt dat toedienen van significant hoger Hb, reductie van het aantal patiënten dat een transfusie nodig heeft en afname van het toegediend erytrocytenvolume bij patiënten geassocieerde anemie Het aantal transfusies dat wordt bespaard is echter (ESA‟s) te overwegen voor patiënten met kanker die worden behandeld Erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) dienen alleen gebruikt te worden voor de behandeling van patiënten met een chemotherapie geïnduceerde anemie bij kanker met het doel bloedtransfusies te besparen (zie ook aanbeveling # bij <DATUM> #) De behandelend arts dient de potentiële gevaren (trombose, verminderde overlevingsduur) en voordelen (minder transfusies) van ESA‟s en de potentiële gevaren Gebruik van EPO bij patiënten met kanker voor andere indicaties dan de behandeling van een door chemotherapie geïnduceerde anemie wordt afgeraden <DATUM> # De effecten van ESA‟s op mortaliteit en overleving van patiënten met kanker geïnduceerde anemie de behoefte aan transfusies vermindert en ook het aantal toe te dienen eenheden reduceert Het is echter ook aangetoond dat EPO het risico op tromboembolische complicaties verhoogt (Bohlius ###) Het is onduidelijk of en hoe EPO de respons van kanker op therapie beïnvloedt en wat de gevolgen zijn op de lange termijn Er werd gezocht naar systematische reviews van RCT‟s naar het effect op sterfte en lange In een Cochrane-review uit ### bleek EPO de transfusiebehoefte te verlagen (Relatief In een zeer recente meta-analyse, gebaseerd op data van individuele patiënten, bleek dat de sterfte zowel tijdens de actieve studieperiode verhoogd was (Hazard Ratio = HR # ##; CI <DATUM> # ##), als op de lange termijn (HR <DATUM> CI # ##, <DATUM> Voor met chemotherapie behandelde patiënten bleek dit effect minder sterk HR-sterfte in studieperiode <DATUM> CI # ##,# ## en HR lange termijn overleving <DATUM> CI # ##,<DATUM> De test voor interactie tussen EPO en chemotherapie op de overleving was echter niet significant (p=# ##), duidend op een vergelijkbaar effect als bij de totale groep patiënten (Bohlius, ###), waarbij opgemerkt dient te worden dat chemotherapie in geïnduceerde anemie een andere genese heeft en als zodanig niet direct vergeleken kan worden met de totale groep kankerpatiënten met anemie, EPO-gebruik bij kankerpatiënten verhoogt de sterfte met ongeveer ##% (#%-##%) en verslechtert ook de overleving na # maanden Voor met chemotherapie behandelde kankerpatiënten met anemie bleek het risico op sterfte (slechts) ##% hoger te zijn met ook een verminderde lange.
654
nvog
ook het aantal toe te dienen eenheden reduceert Het is echter ook aangetoond dat EPO het risico op tromboembolische complicaties verhoogt (Bohlius ###) Het is onduidelijk of en hoe EPO de respons van kanker op therapie beïnvloedt en wat de gevolgen zijn op de lange termijn Er werd gezocht naar systematische reviews van RCT‟s naar het effect op sterfte en lange In een Cochrane-review uit ### bleek EPO de transfusiebehoefte te verlagen (Relatief In een zeer recente meta-analyse, gebaseerd op data van individuele patiënten, bleek dat de sterfte zowel tijdens de actieve studieperiode verhoogd was (Hazard Ratio = HR # ##; CI <DATUM> # ##), als op de lange termijn (HR <DATUM> CI # ##, <DATUM> Voor met chemotherapie behandelde patiënten bleek dit effect minder sterk HR-sterfte in studieperiode <DATUM> CI # ##,# ## en HR lange termijn overleving <DATUM> CI # ##,<DATUM> De test voor interactie tussen EPO en chemotherapie op de overleving was echter niet significant (p=# ##), duidend op een vergelijkbaar effect als bij de totale groep patiënten (Bohlius, ###), waarbij opgemerkt dient te worden dat chemotherapie in geïnduceerde anemie een andere genese heeft en als zodanig niet direct vergeleken kan worden met de totale groep kankerpatiënten met anemie, EPO-gebruik bij kankerpatiënten verhoogt de sterfte met ongeveer ##% (#%-##%) en verslechtert ook de overleving na # maanden Voor met chemotherapie behandelde kankerpatiënten met anemie bleek het risico op sterfte (slechts) ##% hoger te zijn met ook een verminderde lange volwassen patiënten met solide tumoren en een chemotherapie geassocieerde anemie (zie <DATUM> # en <DATUM> #) en de verhoging van de mortaliteit ook bij patiënten met kanker zonder chemotherapie is aangetoond (deze paragraaf <DATUM> #) bestaat er volgens de werkgroep alleen een indicatie voor EPO-gebruik bij patiënten met solide tumoren en chemotherapie De therapeutische indicatie voor EPO dient strikt gevolgd te worden Dit wil zeggen dat behandeling met EPO alleen geïndiceerd is bij volwassen patiënten met chemotherapie geïnduceerde anemie met een niet-myeloïde maligniteit Hierbij dient het De behandeling met EPO dient gestaakt te worden bij een Hb ) #,# mmol/L <DATUM> # Het gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) bij myeloïde Het effect van ESA‟s is bij myeloïde aandoeningen beperkt nagegaan wegens het mogelijke risico op stimulatie van de groei van maligne cellen Ook is er casuïstiek over complicaties De meeste ervaring met ESA‟s is inmiddels opgedaan bij myelodysplasieën In ## fase-I-of II-studies werden in totaal ### patiënten behandeld met ## tot ### U/kg/wk (<PERSOON> ###) Bij ##,#% van de patiënten, met name met refractaire anemie of met refractaire anemie met ringsideroblasten, werd verbetering van het Hb vastgesteld Slechts #% van de patiënten, die voorheen transfusies nodig hadden, werden transfusieonafhankelijk Hellstrom-Lindberg (###) bevestigt dat slechts een klein gedeelte van de totale groep patiënten met MDS die behandeld zijn met EPO een gunstig.
668
nvog
met solide tumoren en een chemotherapie geassocieerde anemie (zie <DATUM> # en <DATUM> #) en de verhoging van de mortaliteit ook bij patiënten met kanker zonder chemotherapie is aangetoond (deze paragraaf <DATUM> #) bestaat er volgens de werkgroep alleen een indicatie voor EPO-gebruik bij patiënten met solide tumoren en chemotherapie De therapeutische indicatie voor EPO dient strikt gevolgd te worden Dit wil zeggen dat behandeling met EPO alleen geïndiceerd is bij volwassen patiënten met chemotherapie geïnduceerde anemie met een niet-myeloïde maligniteit Hierbij dient het De behandeling met EPO dient gestaakt te worden bij een Hb ) #,# mmol/L <DATUM> # Het gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) bij myeloïde Het effect van ESA‟s is bij myeloïde aandoeningen beperkt nagegaan wegens het mogelijke risico op stimulatie van de groei van maligne cellen Ook is er casuïstiek over complicaties De meeste ervaring met ESA‟s is inmiddels opgedaan bij myelodysplasieën In ## fase-I-of II-studies werden in totaal ### patiënten behandeld met ## tot ### U/kg/wk (<PERSOON> ###) Bij ##,#% van de patiënten, met name met refractaire anemie of met refractaire anemie met ringsideroblasten, werd verbetering van het Hb vastgesteld Slechts #% van de patiënten, die voorheen transfusies nodig hadden, werden transfusieonafhankelijk Hellstrom-Lindberg (###) bevestigt dat slechts een klein gedeelte van de totale groep patiënten met MDS die behandeld zijn met EPO een gunstig Er is slechts één gerandomiseerde placebogecontroleerde studie bij ## patiënten uitgevoerd (Italian MDS Study Group ###) In deze studie bleek dat bij (##% van de) patiënten met niet-transfusieafhankelijke myelodysplasie (met name refractaire anemie en refractaire anemie met ringsideroblasten) het Hb door ESA‟s verbeterde; het percentage getransfundeerde patiënten was in beide groepen gelijk Samenvattend kan worden gesteld dat toediening van een ESA bij deze aandoening slechts bij een minderheid van de patiënten leidt tot stijging van de Hb-concentratie en daling van de transfusiebehoefte (Rizzo ###) Met behulp van de endogene epoëtine spiegel en de transfusiehistorie kunnen echter wél patiënten geselecteerd worden die een hogere kans hebben op een goede repons op Het behandelen van alle myelodysplasiepatiënten met een erytropoëse stimulerende agentia (ESA) heeft slechts een gering (( ##%) effect op de <PERSOON> ### Voor oudere patiënten met myelodysplasie zijn er geen curatieve behandelopties Het identificeren van patiënten met een potentieel gunstige respons op ESA‟s, al of niet in EPO wordt niet aanbevolen bij de behandeling van patiënten met myelodysplasie Onderzoek naar de identificatie van responders op EPO is gewenst om EPO eventueel een plaats bij de behandeling van myelodysplasiepatiënten te geven <DATUM> # Het gebruik van EPO bij anemie als gevolg van nierinsufficiëntie <DATUM> # Gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) bij anemie bij.
602
nvog
is slechts één gerandomiseerde placebogecontroleerde studie bij ## patiënten uitgevoerd (Italian MDS Study Group ###) In deze studie bleek dat bij (##% van de) patiënten met niet-transfusieafhankelijke myelodysplasie (met name refractaire anemie en refractaire anemie met ringsideroblasten) het Hb door ESA‟s verbeterde; het percentage getransfundeerde patiënten was in beide groepen gelijk Samenvattend kan worden gesteld dat toediening van een ESA bij deze aandoening slechts bij een minderheid van de patiënten leidt tot stijging van de Hb-concentratie en daling van de transfusiebehoefte (Rizzo ###) Met behulp van de endogene epoëtine spiegel en de transfusiehistorie kunnen echter wél patiënten geselecteerd worden die een hogere kans hebben op een goede repons op Het behandelen van alle myelodysplasiepatiënten met een erytropoëse stimulerende agentia (ESA) heeft slechts een gering (( ##%) effect op de <PERSOON> ### Voor oudere patiënten met myelodysplasie zijn er geen curatieve behandelopties Het identificeren van patiënten met een potentieel gunstige respons op ESA‟s, al of niet in EPO wordt niet aanbevolen bij de behandeling van patiënten met myelodysplasie Onderzoek naar de identificatie van responders op EPO is gewenst om EPO eventueel een plaats bij de behandeling van myelodysplasiepatiënten te geven <DATUM> # Het gebruik van EPO bij anemie als gevolg van nierinsufficiëntie <DATUM> # Gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) bij anemie bij kwaliteit van leven significant verbeteren bij toename van het Hb als gevolg van behandeling van patiënten met reumatoïde artritis met <PERSOON> ###) Ook zijn er aanwijzingen dat ESA‟s een gunstig effect hebben op activiteit van de ziekte (<PERSOON> ###/###) Hier zijn geen relevante nieuwe referenties gevonden Bij behandeling van HIV-patiënten met een ESA vermindert de transfusiebehoefte met ##% „Responders‟ hebben erytropoëtinespiegels ( ### mg/<PERSOON> geeft bij onvoldoende op ijzer responderende patiënten met Inflammatory Bowel Disease (IBD) een significante Hb-toename en een verbetering van de kwaliteit van leven met minder moeheid (<PERSOON>, Use of agents stimulating erytropoësis in digestive diseases World ###) In een gerandomiseerde studie (<PERSOON> + epoëtine versus <PERSOON> + placebo) bij ## patiënten was na ## weken het Hb bij ##% van de IBDpatiënten in de EPO-groep gestegen terwijl slechts ##% van de placebopatiënten met IBD Erytropoëse stimulerende agentia (ESA) verbeteren zowel het Hb als de kwaliteit van leven bij patiënten met reumatoïde artritis (en anemie) en op ijzer responderende patiënten met inflammatory bowel disease (IBD) geeft een significante Hb-toename en een verbetering van de kwaliteit van <PERSOON> ###, <PERSOON> ### Bij anemie bij chronische ziekten zoals reumatoïde artritis, HIV en IBD is er een relatief tekort aan erytropoëtine en remming van de erytropoëse door pro-inflammatoire cytokinen, zoals TNF-alfa en interferon Beide factoren worden gecorrigeerd met ESA‟s De Hb-stijging door ESA‟s veroorzaakt is veel groter dan met transfusies wordt nagestreefd, EPO levert bij.
638
nvog
van behandeling van patiënten met reumatoïde artritis met <PERSOON> ###) Ook zijn er aanwijzingen dat ESA‟s een gunstig effect hebben op activiteit van de ziekte (<PERSOON> ###/###) Hier zijn geen relevante nieuwe referenties gevonden Bij behandeling van HIV-patiënten met een ESA vermindert de transfusiebehoefte met ##% „Responders‟ hebben erytropoëtinespiegels ( ### mg/<PERSOON> geeft bij onvoldoende op ijzer responderende patiënten met Inflammatory Bowel Disease (IBD) een significante Hb-toename en een verbetering van de kwaliteit van leven met minder moeheid (<PERSOON>, Use of agents stimulating erytropoësis in digestive diseases World ###) In een gerandomiseerde studie (<PERSOON> + epoëtine versus <PERSOON> + placebo) bij ## patiënten was na ## weken het Hb bij ##% van de IBDpatiënten in de EPO-groep gestegen terwijl slechts ##% van de placebopatiënten met IBD Erytropoëse stimulerende agentia (ESA) verbeteren zowel het Hb als de kwaliteit van leven bij patiënten met reumatoïde artritis (en anemie) en op ijzer responderende patiënten met inflammatory bowel disease (IBD) geeft een significante Hb-toename en een verbetering van de kwaliteit van <PERSOON> ###, <PERSOON> ### Bij anemie bij chronische ziekten zoals reumatoïde artritis, HIV en IBD is er een relatief tekort aan erytropoëtine en remming van de erytropoëse door pro-inflammatoire cytokinen, zoals TNF-alfa en interferon Beide factoren worden gecorrigeerd met ESA‟s De Hb-stijging door ESA‟s veroorzaakt is veel groter dan met transfusies wordt nagestreefd, EPO levert bij Bij HIV-infectie dient de endogene erytropoëtinespiegel betrokken te worden bij de beslissing tot behandeling met erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) Studies laten zien dat „responders‟ erytropoëtinespiegels hebben van ( ### mg/L Bij HIV-infectie met anemie dient de plaats van EPO in relatie tot een relatief lage <DATUM> # Gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) bij aplastische anemie Een aantal klinische studies hebben de effectiviteit van EPO bij aplastische anemie onderzocht Uit het meest recente artikel (Zeng ###) is gebleken dat toevoeging van groeifactoren (EPO plus G-CSF) aan immunosupressieve therapie niet tot verbetering van de uitkomst leidt vergeleken met immunosupressieve therapie alleen Bessho (###) vergeleek G-CSF + EPO met EPO alleen, maar includeerde niet een passende vergelijking met immunosuppressieve therapie terwijl deze tegenwoordig de huidige standaardbehandeling is voor aplastische anemie Shao (Shao ###) vergeleek immunosuppressieve therapie met G-SCF plus EPO De beperkingen van deze studie vergeleken met de studie van Zeng is dat die van Shao een kleinere omvang heeft en respons rate in plaats van de overleving werd gemeten De studies van Zeng en van Zhao hebben beide de beperking dat EPO plus G-SCF werd gegeven waardoor het effect van EPO afzonderlijk niet kan worden De werkgroep is van mening dat het gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA) als ondersteunende therapie bij ernstige aplastische anemie Het gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA) als ondersteunende therapie bij Sikkelcelziekte (SCZ), veroorzaakt door een puntmutatie in het β-globine gen, is een zeer heterogene ziekte met anemie en vasculopathie, gekenmerkt door toegenomen viscositeit,.
659
nvog
betrokken te worden bij de beslissing tot behandeling met erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) Studies laten zien dat „responders‟ erytropoëtinespiegels hebben van ( ### mg/L Bij HIV-infectie met anemie dient de plaats van EPO in relatie tot een relatief lage <DATUM> # Gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA‟s) bij aplastische anemie Een aantal klinische studies hebben de effectiviteit van EPO bij aplastische anemie onderzocht Uit het meest recente artikel (Zeng ###) is gebleken dat toevoeging van groeifactoren (EPO plus G-CSF) aan immunosupressieve therapie niet tot verbetering van de uitkomst leidt vergeleken met immunosupressieve therapie alleen Bessho (###) vergeleek G-CSF + EPO met EPO alleen, maar includeerde niet een passende vergelijking met immunosuppressieve therapie terwijl deze tegenwoordig de huidige standaardbehandeling is voor aplastische anemie Shao (Shao ###) vergeleek immunosuppressieve therapie met G-SCF plus EPO De beperkingen van deze studie vergeleken met de studie van Zeng is dat die van Shao een kleinere omvang heeft en respons rate in plaats van de overleving werd gemeten De studies van Zeng en van Zhao hebben beide de beperking dat EPO plus G-SCF werd gegeven waardoor het effect van EPO afzonderlijk niet kan worden De werkgroep is van mening dat het gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA) als ondersteunende therapie bij ernstige aplastische anemie Het gebruik van erytropoëse stimulerende agentia (ESA) als ondersteunende therapie bij Sikkelcelziekte (SCZ), veroorzaakt door een puntmutatie in het β-globine gen, is een zeer heterogene ziekte met anemie en vasculopathie, gekenmerkt door toegenomen viscositeit, stollingsactivatie, leukocytenactivatie, trombocytenactivatie en hemolyse De belangrijkste oorzaken van morbiditeit en mortaliteit bij SCZ zijn recidiverende vaso-occlusie, ernstige anemie, infecties, acute chest syndroom (ACS) en multi-orgaan falen ##% van de patiënten overlijdt tijdens een acute episode (Wanko ###, Manci ###) Transfusies bij SCZ worden overwogen met twee doelen #) het verbeteren van het zuurstoftransport en #) het verbeteren of voorkomen van orgaanschade door het verlagen van het aantal circulerende sikkelcellen Hoewel een groot deel van de patiënten met SCZ, hetzij incidenteel danwel chronisch wordt behandeld met transfusies, zijn er slechts # gerandomiseerde studies, die het effect van transfusies in bepaalde situaties (CVA preventie, zwangerschap en acute chest syndroom) bij SCZ-patiënten hebben onderzocht (<PERSOON> het beperkte aantal prospectieve studies naar de indicatie voor bloedtransfusie bij sikkelcelziekte zijn een deel van de aanbevelingen op basis van expert opinion (bewijsniveau #) geformuleerd Achtereenvolgens zullen de indicaties voor bloedtransfusie in acute situaties (<DATUM> , electieve indicaties (<DATUM> en het chronisch transfusiebeleid (<DATUM> worden besproken Afgesloten wordt met een aantal complicaties van transfusies bij SCZ (<DATUM> Patiënten met homozygote sikkelcelziekte hebben onder normale omstandigheden meestal op zichzelf Bloedtransfusies vanwege anemie zijn dan alleen geïndiceerd als er sprake is Een acute verergering van de anemie kan bij sikkelcelziekte, behalve door bloedverlies, ook ontstaan door acute aplastische crise, acute sequestratie in de lever en/of de milt of als.
606
nvog
De belangrijkste oorzaken van morbiditeit en mortaliteit bij SCZ zijn recidiverende vaso-occlusie, ernstige anemie, infecties, acute chest syndroom (ACS) en multi-orgaan falen ##% van de patiënten overlijdt tijdens een acute episode (Wanko ###, Manci ###) Transfusies bij SCZ worden overwogen met twee doelen #) het verbeteren van het zuurstoftransport en #) het verbeteren of voorkomen van orgaanschade door het verlagen van het aantal circulerende sikkelcellen Hoewel een groot deel van de patiënten met SCZ, hetzij incidenteel danwel chronisch wordt behandeld met transfusies, zijn er slechts # gerandomiseerde studies, die het effect van transfusies in bepaalde situaties (CVA preventie, zwangerschap en acute chest syndroom) bij SCZ-patiënten hebben onderzocht (<PERSOON> het beperkte aantal prospectieve studies naar de indicatie voor bloedtransfusie bij sikkelcelziekte zijn een deel van de aanbevelingen op basis van expert opinion (bewijsniveau #) geformuleerd Achtereenvolgens zullen de indicaties voor bloedtransfusie in acute situaties (<DATUM> , electieve indicaties (<DATUM> en het chronisch transfusiebeleid (<DATUM> worden besproken Afgesloten wordt met een aantal complicaties van transfusies bij SCZ (<DATUM> Patiënten met homozygote sikkelcelziekte hebben onder normale omstandigheden meestal op zichzelf Bloedtransfusies vanwege anemie zijn dan alleen geïndiceerd als er sprake is Een acute verergering van de anemie kan bij sikkelcelziekte, behalve door bloedverlies, ook ontstaan door acute aplastische crise, acute sequestratie in de lever en/of de milt of als Het parvovirus remt de hematopoëse wat bij patiënten met sikkelcelziekte als gevolg van de korte circulatietijd van erytrocyten leidt tot een bedreigende anemie met opvallende reticulopenie In een grote observationele studie bleken meer dan ##% van de kinderen met sikkelcelziekte en een Parvo B##-infectie een transfusie nodig te hebben (<PERSOON> lever en/of miltsequestratie ontstaat meestal op de jonge kinderleeftijd en is een potentieel fatale en vaak snel verlopende complicatie Het bloed wordt bij een dergelijk sequestratie onttrokken aan de circulatie wat resulteert in acute ernstige anemie, hypovolemie en snel progressieve splenomegalie Transfusies worden aanbevolen in symptomatische gevallen van acute sequestratie waarbij ermee rekening gehouden moet worden dat een deel van de erytrocyten na afloop van de sequestratie weer terug vloeien naar de circulatie en een snelle Hb-stijging met hyperviscositeit kunnen veroorzaken Infecties, van zowel virale, bacteriële als parasitaire aard (bijvoorbeeld malaria), kunnen een acute toename van de hemolyse (hemolytische crise) tot gevolg hebben Acute bloedtransfusie kan hierbij geïndiceerd zijn om decompensatio cordis te behandelen of te Acute bloedtransfusie is bij patiënten met sikkelcelziekte alleen geïndiceerd bij (dreigende) cardiale of respiratoire klachten Er is geen specifieke Hb-trigger voor het geven van een bloedtransfusie, maar patiënten dienen in elk geval niet boven een Hb boven #,# mmol/L In symptomatische gevallen van acute lever of miltsequestratie bij transfusie dient rekening te worden gehouden met het feit dat een deel van Acute aplastische crise, gedefinieerd als acute anemie bij een sikkelcelpatiënt zonder verhoogd aantal reticulocyten, is een indicatie voor observationele studie bleken meer dan ##% van de kinderen met.
590
nvog
met sikkelcelziekte als gevolg van de korte circulatietijd van erytrocyten leidt tot een bedreigende anemie met opvallende reticulopenie In een grote observationele studie bleken meer dan ##% van de kinderen met sikkelcelziekte en een Parvo B##-infectie een transfusie nodig te hebben (<PERSOON> lever en/of miltsequestratie ontstaat meestal op de jonge kinderleeftijd en is een potentieel fatale en vaak snel verlopende complicatie Het bloed wordt bij een dergelijk sequestratie onttrokken aan de circulatie wat resulteert in acute ernstige anemie, hypovolemie en snel progressieve splenomegalie Transfusies worden aanbevolen in symptomatische gevallen van acute sequestratie waarbij ermee rekening gehouden moet worden dat een deel van de erytrocyten na afloop van de sequestratie weer terug vloeien naar de circulatie en een snelle Hb-stijging met hyperviscositeit kunnen veroorzaken Infecties, van zowel virale, bacteriële als parasitaire aard (bijvoorbeeld malaria), kunnen een acute toename van de hemolyse (hemolytische crise) tot gevolg hebben Acute bloedtransfusie kan hierbij geïndiceerd zijn om decompensatio cordis te behandelen of te Acute bloedtransfusie is bij patiënten met sikkelcelziekte alleen geïndiceerd bij (dreigende) cardiale of respiratoire klachten Er is geen specifieke Hb-trigger voor het geven van een bloedtransfusie, maar patiënten dienen in elk geval niet boven een Hb boven #,# mmol/L In symptomatische gevallen van acute lever of miltsequestratie bij transfusie dient rekening te worden gehouden met het feit dat een deel van Acute aplastische crise, gedefinieerd als acute anemie bij een sikkelcelpatiënt zonder verhoogd aantal reticulocyten, is een indicatie voor observationele studie bleken meer dan ##% van de kinderen met Bij patiënten met sikkelcelziekte zijn bloedtransfusies geïndiceerd wanneer er cardiale of respiratoire symptomen ontstaan als gevolg van anemie Er is geen Bij het geven van bloedtransfusie aan patiënten met sikkelcelziekte dient men er op toe te zien dat het Hb (<DATUM> mmol/L blijft ten einde hyperviscositeit te voorkomen in combinatie met thoracale pijn, dyspneu of hypoxie, kan veroorzaakt worden door een infarct, een infectie of een combinatie van beide De pathogenese is complex waarbij ontsteking, hypoxie, vaso-occlusie, vetembolieën en hypoventilatie een rol spelen De rationale voor transfusie is verbetering van de oxygenatie Meerdere niet-gecontroleerde studies hebben een snelle klinische verbetering laten zien na transfusie (Mallouh ###, <PERSOON> ###) In een recente review werd aanbevolen om volwassen sikkelcelpatiënten met ACS bij een pO#(## mmHg en kinderen bij een pO#(## mmHg direct over te gaan op wisseltransfusies, waarbij gestreefd wordt naar een HbS% van kleiner dan ##% (Josphson ###) In een recentere retrospectieve studie naar de behandelingsresultaten van het ACS werd overigens geen verschil gevonden tussen een simpele transfusie en een geen studies konden worden gevonden die van voldoende kwaliteit waren om de vraag, of bloedtransfusies helpen bij de behandeling van acute chest syndroom, te kunnen Op grond van observationele studies wordt geadviseerd bij de behandeling van het acuut chest syndroom een bloedtransfusie te geven Ondanks het ontbreken van gerandomiseerde studies wordt bij ernstige geadviseerd wisseltransfusies te verrichten waarbij gestreefd wordt naar Geadviseerd wordt patiënten met sikkelcelziekte en een acuut chest syndroom te behandelen met een bloedtransfusie.
595
nvog
met sikkelcelziekte zijn bloedtransfusies geïndiceerd wanneer er cardiale of respiratoire symptomen ontstaan als gevolg van anemie Er is geen Bij het geven van bloedtransfusie aan patiënten met sikkelcelziekte dient men er op toe te zien dat het Hb (<DATUM> mmol/L blijft ten einde hyperviscositeit te voorkomen in combinatie met thoracale pijn, dyspneu of hypoxie, kan veroorzaakt worden door een infarct, een infectie of een combinatie van beide De pathogenese is complex waarbij ontsteking, hypoxie, vaso-occlusie, vetembolieën en hypoventilatie een rol spelen De rationale voor transfusie is verbetering van de oxygenatie Meerdere niet-gecontroleerde studies hebben een snelle klinische verbetering laten zien na transfusie (Mallouh ###, <PERSOON> ###) In een recente review werd aanbevolen om volwassen sikkelcelpatiënten met ACS bij een pO#(## mmHg en kinderen bij een pO#(## mmHg direct over te gaan op wisseltransfusies, waarbij gestreefd wordt naar een HbS% van kleiner dan ##% (Josphson ###) In een recentere retrospectieve studie naar de behandelingsresultaten van het ACS werd overigens geen verschil gevonden tussen een simpele transfusie en een geen studies konden worden gevonden die van voldoende kwaliteit waren om de vraag, of bloedtransfusies helpen bij de behandeling van acute chest syndroom, te kunnen Op grond van observationele studies wordt geadviseerd bij de behandeling van het acuut chest syndroom een bloedtransfusie te geven Ondanks het ontbreken van gerandomiseerde studies wordt bij ernstige geadviseerd wisseltransfusies te verrichten waarbij gestreefd wordt naar Geadviseerd wordt patiënten met sikkelcelziekte en een acuut chest syndroom te behandelen met een bloedtransfusie en pO#(## mmHg bij kinderen) wordt geadviseerd een wisseltransfusie te verrichten met Een cerebrovasculair accident (CVA) komt bij ##% van de patiënten met sikkelcelziekte voor met de hoogste incidentie bij kinderen met HbS tussen de leeftijd van # en <LEEFTIJD> jaar (Powars ###, Ohene Frempong ###) Acute bloedtransfusie na een acuut CVA lijkt het neurologisch functioneren op lange termijn niet te beïnvloeden (Ohene-Frempong ###) Op grond van theoretische overwegingen kan een bloedtransfusie bij een acuut CVA echter de perfusie en oxygenatie van hersenweefsel verbeteren en zo de kans op irreversibele ischemie en verdere uitbreiding van het ischemisch gebied voorkomen Een retrospectieve cohort studie naar de acute behandeling van kinderen met een acuut CVA liet zien dat een wisseltransfusie als initiële behandeling effectiever was in het voorkomen van een tweede CVA dan een gewone transfusie (Hulbert ###) Ondanks het ontbreken van vergelijkende studies tussen wel en geen bloedtransfusie zijn alle experts van mening dat een acuut CVA een absolute indicatie voor transfusie is (Charache ###, Ohene-Frempong ###) Op grond van de bovengenoemde studie van <PERSOON> et al is het advies een wisseltransfusie uit te voeren zodanig dat het HbS (##% is (Charache ###, Ohene-Frempong ###, Hulbert Bij een acuut CVA wordt geadviseerd direct een wisseltransfusie te Bij patiënten met sikkelcelziekte en een acuut CVA wordt geadviseerd een wisseltransfusie te verrichten waarbij gestreefd moet worden naar een HbS% van (##% Van multi-orgaanfalen bij sikkelcelziekte wordt gesproken wanneer er sprake is van ernstig orgaanfalen van minstens twee orgaansystemen in de setting van een vaso-occlusieve.
628
nvog
kinderen) wordt geadviseerd een wisseltransfusie te verrichten met Een cerebrovasculair accident (CVA) komt bij ##% van de patiënten met sikkelcelziekte voor met de hoogste incidentie bij kinderen met HbS tussen de leeftijd van # en <LEEFTIJD> jaar (Powars ###, Ohene Frempong ###) Acute bloedtransfusie na een acuut CVA lijkt het neurologisch functioneren op lange termijn niet te beïnvloeden (Ohene-Frempong ###) Op grond van theoretische overwegingen kan een bloedtransfusie bij een acuut CVA echter de perfusie en oxygenatie van hersenweefsel verbeteren en zo de kans op irreversibele ischemie en verdere uitbreiding van het ischemisch gebied voorkomen Een retrospectieve cohort studie naar de acute behandeling van kinderen met een acuut CVA liet zien dat een wisseltransfusie als initiële behandeling effectiever was in het voorkomen van een tweede CVA dan een gewone transfusie (Hulbert ###) Ondanks het ontbreken van vergelijkende studies tussen wel en geen bloedtransfusie zijn alle experts van mening dat een acuut CVA een absolute indicatie voor transfusie is (Charache ###, Ohene-Frempong ###) Op grond van de bovengenoemde studie van <PERSOON> et al is het advies een wisseltransfusie uit te voeren zodanig dat het HbS (##% is (Charache ###, Ohene-Frempong ###, Hulbert Bij een acuut CVA wordt geadviseerd direct een wisseltransfusie te Bij patiënten met sikkelcelziekte en een acuut CVA wordt geadviseerd een wisseltransfusie te verrichten waarbij gestreefd moet worden naar een HbS% van (##% Van multi-orgaanfalen bij sikkelcelziekte wordt gesproken wanneer er sprake is van ernstig orgaanfalen van minstens twee orgaansystemen in de setting van een vaso-occlusieve waarbij een agressief transfusiebeleid met # eenheden erytrocyten of meer geassocieerd was met een betere overleving en herstel van orgaanschade (Hassell ###) Gezien het grote aantal transfusies wordt om deze reden bij patiënten met multi-orgaanfalen geadviseerd een wisseltransfusie uit te voeren met een streef HbS van ( ##% een vaso-occlusieve crise, wordt geadviseerd een wisseltransfusie uit te Sikkelcelpatiënten met multi-orgaanfalen, gedefiniëerd als ernstig orgaanfalen van tenminste twee orgaansystemen in de setting van een vaso-occlusieve crise, dienen een wisseltransfusie te ondergaan Priapisme is gedefiniëerd als een onvrijwillige erectie zonder seksuele stimulatie die tenminste # uur aanhoudt Bij sikkelcelziekte komt priapisme frequent voor in het bijzonder in de pubertijd Aanhoudend priapisme is pijnlijk en kan leiden tot structurele erectiele stoornissen en moet als een medisch urgente complicatie worden beschouwd Er bestaat een langere discussie of acute bloedtransfusie door het verminderen van het HbS% een rol kan hebben bij de behandeling van acuut priapisme In ### is er een meta-analyse verschenen van alle klinische studies en case-reports over de behandeling van priapisme waarin geen verschil werd gevonden in de duur tot het verdwijnen van klachten (Merritt Er is geen indicatie voor een (wissel)transfusie bij de acute behandeling van priapisme Voor acute transfusie of wisseltransfusie bij een ongecompliceerde vaso-occlusieve crise bestaat geen indicatie In een observationele studie (Platt ###) werd juist een positieve correlatie gezien tussen de hoogte van het Hb en het optreden van vaso-occlusieve crise waarschijnlijk als gevolg van de toegenomen viscositeit Over de werkzaamheid van.
613
nvog
transfusiebeleid met # eenheden erytrocyten of meer geassocieerd was met een betere overleving en herstel van orgaanschade (Hassell ###) Gezien het grote aantal transfusies wordt om deze reden bij patiënten met multi-orgaanfalen geadviseerd een wisseltransfusie uit te voeren met een streef HbS van ( ##% een vaso-occlusieve crise, wordt geadviseerd een wisseltransfusie uit te Sikkelcelpatiënten met multi-orgaanfalen, gedefiniëerd als ernstig orgaanfalen van tenminste twee orgaansystemen in de setting van een vaso-occlusieve crise, dienen een wisseltransfusie te ondergaan Priapisme is gedefiniëerd als een onvrijwillige erectie zonder seksuele stimulatie die tenminste # uur aanhoudt Bij sikkelcelziekte komt priapisme frequent voor in het bijzonder in de pubertijd Aanhoudend priapisme is pijnlijk en kan leiden tot structurele erectiele stoornissen en moet als een medisch urgente complicatie worden beschouwd Er bestaat een langere discussie of acute bloedtransfusie door het verminderen van het HbS% een rol kan hebben bij de behandeling van acuut priapisme In ### is er een meta-analyse verschenen van alle klinische studies en case-reports over de behandeling van priapisme waarin geen verschil werd gevonden in de duur tot het verdwijnen van klachten (Merritt Er is geen indicatie voor een (wissel)transfusie bij de acute behandeling van priapisme Voor acute transfusie of wisseltransfusie bij een ongecompliceerde vaso-occlusieve crise bestaat geen indicatie In een observationele studie (Platt ###) werd juist een positieve correlatie gezien tussen de hoogte van het Hb en het optreden van vaso-occlusieve crise waarschijnlijk als gevolg van de toegenomen viscositeit Over de werkzaamheid van In verschillende reviews geven experts aan dat een acute pijnlijke crise geen indicatie is voor (wissel)transfusie Voor het transfunderen bij acute pijnlijke crises bestaan geen argumenten Er is geen indicatie voor het verrichten van een (wissel)transfusie bij de behandeling van een acute pijnlijke crise bij patiënten met sikkelcelziekte <DATUM> # Electieve indicaties voor bloedtransfusie bij patiënten met sikkelcelziekte Over de noodzaak om wisseltransfusies te geven voorafgaand aan een operatie (om het bij patiënten met sikkelcelziekte die voornamelijk galblaas-, KNO- en orthopedische chirurgie ondergingen, waarbij een agressief (streven naar HbS ( ##%) preoperatief transfusiebeleid werd vergeleken met een conservatief “on top of transfusie” (streven naar een Hb van #,# mmol/L) transfusiebeleid, liet zien dat in beide groepen de frequentie van postoperatieve complicaties en het „acute chest‟-syndroom gelijk was, maar dat in de groep met het (Vichinsky ###) In deze studie werd niet onderzocht of het geheel achterwege laten van profylactische transfusies ook gerechtvaardigd was Voor wat betreft HbSC (dubbelheterozygote sikkelcelziekte) zijn twee retrospectieve studies beschikbaar die beide een sterk gereduceerde incidentie van sikkelcel gerelateerde complicaties lieten zien bij patiënten die een preoperatieve bloedtransfusie kregen versus patiënten die dat niet kregen (Koshy ###, Neumayr ###) Van belang is aan te geven dat verschillende experts adviseren het Hb niet hoger dan #,# mmol/L te transfunderen om hyperviscositeit te studies naar verricht Vooral patiënten met HbSC sikkelcelziekte en een relatief hoog risico op postoperatieve complicaties (abdominale chirurgie), bleken veel baat te hebben bij een Er is geen prospectief vergelijkend onderzoek naar de waarde van.
612
nvog
experts aan dat een acute pijnlijke crise geen indicatie is voor (wissel)transfusie Voor het transfunderen bij acute pijnlijke crises bestaan geen argumenten Er is geen indicatie voor het verrichten van een (wissel)transfusie bij de behandeling van een acute pijnlijke crise bij patiënten met sikkelcelziekte <DATUM> # Electieve indicaties voor bloedtransfusie bij patiënten met sikkelcelziekte Over de noodzaak om wisseltransfusies te geven voorafgaand aan een operatie (om het bij patiënten met sikkelcelziekte die voornamelijk galblaas-, KNO- en orthopedische chirurgie ondergingen, waarbij een agressief (streven naar HbS ( ##%) preoperatief transfusiebeleid werd vergeleken met een conservatief “on top of transfusie” (streven naar een Hb van #,# mmol/L) transfusiebeleid, liet zien dat in beide groepen de frequentie van postoperatieve complicaties en het „acute chest‟-syndroom gelijk was, maar dat in de groep met het (Vichinsky ###) In deze studie werd niet onderzocht of het geheel achterwege laten van profylactische transfusies ook gerechtvaardigd was Voor wat betreft HbSC (dubbelheterozygote sikkelcelziekte) zijn twee retrospectieve studies beschikbaar die beide een sterk gereduceerde incidentie van sikkelcel gerelateerde complicaties lieten zien bij patiënten die een preoperatieve bloedtransfusie kregen versus patiënten die dat niet kregen (Koshy ###, Neumayr ###) Van belang is aan te geven dat verschillende experts adviseren het Hb niet hoger dan #,# mmol/L te transfunderen om hyperviscositeit te studies naar verricht Vooral patiënten met HbSC sikkelcelziekte en een relatief hoog risico op postoperatieve complicaties (abdominale chirurgie), bleken veel baat te hebben bij een Er is geen prospectief vergelijkend onderzoek naar de waarde van Voor patiënten met dubbel heterozygote sikkelcelziekte (HbSC) hebben twee grote retrospectieve studies een lagere incidentie van sikkelcel gerelateerde complicaties aangetoond bij patiënten die een electieve chirurgische ingreep ondergaan De auteurs adviseren bij deze patiënten groep het Hb niet hoger dan #,# mmol/L te laten worden Ondanks het ontbreken van prospectieve gerandomiseerde studies valt te overwegen bij sikkelcelpatiënten, die een operatie moeten ondergaan met een intermediair risico (abdominale chirurgie zoals cholecystectomie, sectio caesarea, appendectomie, preoperatief een bloedtransfusie toe te dienen tot een maximaal Hb van <DATUM> mmol/<PERSOON> geeft een verhoogd risico op maternale en foetale sterfte Een gerandomiseerd, prospectief onderzoek uit ### naar het effect van profylactisch transfunderen tijdens de zwangerschap bij sikkelcelziekte, liet zien dat de sterfte van zowel moeder als kind in de groep waar deze behandeling werd toegepast, gelijk was aan de groep waarin dit niet gebeurde Wel werd een significante reductie in pijnlijke crises Op grond van deze voordelen ten aanzien van sikkelcel-gerelateerde complicaties zoals vaso-occlusieve crise, wordt door experts geadviseerd profylactische bloedtransfusies alleen te overwegen bij een zwangerschap met een verhoogd risico op complicaties zoals een meerlingzwangerschap en zwangerschappen bij vrouwen met een voorgeschiedenis van Er is geen indicatie voor het profylactisch transfunderen van zwangeren Geadviseerd wordt profylactische bloedtransfusie te overwegen bij hoog Er is geen indicatie om patiënten met sikkelcelziekte profylactisch te transfunderen tijdens de zwangerschap Alleen bij sikkelcelpatiënten met een verhoogd risico op complicaties zoals vrouwen met meerlingzwangerschappen of een voorgeschiedenis van perinatale <DATUM> # #.
601
nvog
dubbel heterozygote sikkelcelziekte (HbSC) hebben twee grote retrospectieve studies een lagere incidentie van sikkelcel gerelateerde complicaties aangetoond bij patiënten die een electieve chirurgische ingreep ondergaan De auteurs adviseren bij deze patiënten groep het Hb niet hoger dan #,# mmol/L te laten worden Ondanks het ontbreken van prospectieve gerandomiseerde studies valt te overwegen bij sikkelcelpatiënten, die een operatie moeten ondergaan met een intermediair risico (abdominale chirurgie zoals cholecystectomie, sectio caesarea, appendectomie, preoperatief een bloedtransfusie toe te dienen tot een maximaal Hb van <DATUM> mmol/<PERSOON> geeft een verhoogd risico op maternale en foetale sterfte Een gerandomiseerd, prospectief onderzoek uit ### naar het effect van profylactisch transfunderen tijdens de zwangerschap bij sikkelcelziekte, liet zien dat de sterfte van zowel moeder als kind in de groep waar deze behandeling werd toegepast, gelijk was aan de groep waarin dit niet gebeurde Wel werd een significante reductie in pijnlijke crises Op grond van deze voordelen ten aanzien van sikkelcel-gerelateerde complicaties zoals vaso-occlusieve crise, wordt door experts geadviseerd profylactische bloedtransfusies alleen te overwegen bij een zwangerschap met een verhoogd risico op complicaties zoals een meerlingzwangerschap en zwangerschappen bij vrouwen met een voorgeschiedenis van Er is geen indicatie voor het profylactisch transfunderen van zwangeren Geadviseerd wordt profylactische bloedtransfusie te overwegen bij hoog Er is geen indicatie om patiënten met sikkelcelziekte profylactisch te transfunderen tijdens de zwangerschap Alleen bij sikkelcelpatiënten met een verhoogd risico op complicaties zoals vrouwen met meerlingzwangerschappen of een voorgeschiedenis van perinatale <DATUM> In een prospectief gerandomiseerd klinisch onderzoek bij kinderen met sikkelcelziekte met een verhoogd risico op een CVA (geïdentificeerd als een cerebrale bloedstroomsnelheid )### m/s door middel van transcraniale Doppler-echografie) werd vastgesteld dat patiënten die chronische bloedtransfusies kregen ##% minder CVA‟s ontwikkelden dan kinderen De duur van het chronische transfusieprogramma bij patiënten met sikkelcelziekte is aan discussie onderhevig In diverse onderzoeken komt een verhoogd risico op CVA‟s bij deze patiënten naar voren na het staken van de transfusies tot zelfs <LEEFTIJD> jaar na het initiële <PERSOON> ###) Dit suggereert dat een langdurig transfusieprogramma bij kinderen met sikkelcelziekte nodig is In de STOP-trial werd aangetoond dat het staken van chronisch transfusiebeleid ook na het normaliseren van de cerebrale bloedstroomsnelheid leidde tot meer CVA‟s dan bij de patiënten die de bloedtransfusies gecontinueerd kregen Voor volwassen patiënten is de preventieve werking van chronische bloedtransfusies na het doormaken van een CVA niet prospectief onderzocht Evenmin is duidelijk of het chronische transfusiebeleid tot voorbij de volwassen leeftijd moet worden gecontinueerd bij kinderen die een CVA hebben doorgemaakt In een kleine observationele studie bij kinderen met sikkelcelziekte met een CVA in de voorgeschiedenis konden het chronische transfusiebeleid bij het bereiken van de volwassen leeftijd probleemloos worden gestaakt (<PERSOON> ###) Een andere benadering die onderzocht is het transfusieprogramma in de loop van de tijd minder intensief maken nadat kinderen de volwassen leeftijd hebben bereikt en vier jaar geen recidief hebben gehad In een studie uit ### deden zich bij een streef-HbS van (##% bij.
578
nvog
kinderen met sikkelcelziekte met een verhoogd risico op een CVA (geïdentificeerd als een cerebrale bloedstroomsnelheid )### m/s door middel van transcraniale Doppler-echografie) werd vastgesteld dat patiënten die chronische bloedtransfusies kregen ##% minder CVA‟s ontwikkelden dan kinderen De duur van het chronische transfusieprogramma bij patiënten met sikkelcelziekte is aan discussie onderhevig In diverse onderzoeken komt een verhoogd risico op CVA‟s bij deze patiënten naar voren na het staken van de transfusies tot zelfs <LEEFTIJD> jaar na het initiële <PERSOON> ###) Dit suggereert dat een langdurig transfusieprogramma bij kinderen met sikkelcelziekte nodig is In de STOP-trial werd aangetoond dat het staken van chronisch transfusiebeleid ook na het normaliseren van de cerebrale bloedstroomsnelheid leidde tot meer CVA‟s dan bij de patiënten die de bloedtransfusies gecontinueerd kregen Voor volwassen patiënten is de preventieve werking van chronische bloedtransfusies na het doormaken van een CVA niet prospectief onderzocht Evenmin is duidelijk of het chronische transfusiebeleid tot voorbij de volwassen leeftijd moet worden gecontinueerd bij kinderen die een CVA hebben doorgemaakt In een kleine observationele studie bij kinderen met sikkelcelziekte met een CVA in de voorgeschiedenis konden het chronische transfusiebeleid bij het bereiken van de volwassen leeftijd probleemloos worden gestaakt (<PERSOON> ###) Een andere benadering die onderzocht is het transfusieprogramma in de loop van de tijd minder intensief maken nadat kinderen de volwassen leeftijd hebben bereikt en vier jaar geen recidief hebben gehad In een studie uit ### deden zich bij een streef-HbS van (##% bij “Stille infarcten” zijn gedefiniëerd als asymptomatische cerebrale infarcten die middels beeldvorming (MRI) worden aangetoond bij patiënten met sikkelcelziekte Er zijn aanwijzingen dat deze infarcten gerelateerd zijn aan verminderd neurocognitief functioneren (Armstrong ###) Op dit moment zijn er geen studies die het chronisch transfunderen van deze patiënten onderschijven Stille infarcten vormen daarom geen indicatie voor chronische Kinderen met een verhoogd risico op een CVA, gedefiniëerd als een cerebrale bloedstroomsnelheid van ) ### m/s met transcraniële Doppler, hebben een indicatie voor chronische bloedtransfusie met een streef HbS Chronisch transfusiebeleid ter preventie van een (recidief) CVA dient Onduidelijk is of bij patiënten met sikkelcelziekte en een verhoogd risico op CVA‟s het chronische transfusiebeleid na het bereiken van de volwassen leeftijd moet worden gecontinueerd Er zijn argumenten voor het afbouwen van de intensiteit van het HbS% tot ##% bij patiënten die gedurende lange tijd () <LEEFTIJD> jaar) stabiel zijn en in een observationele studie kon het chronisch transfusiebeleid bij het bereiken van de volwassen leeftijd zelfs Kinderen met sikkelcelziekte en een verhoogd risico op een CVA, gedefiniëerd als een verhoogde stroomsnelheid van de cerebrale bloedvaten van ) ### m/s vastgesteld met transcraniële Doppler, of een eerder doorgemaakt CVA hebben een indicatie voor langdurig transfusiebeleid met een streef HbS van (##% Chronisch transfusiebeleid moeten voor kinderen met een verhoogd risico op een CVA of doorgemaakt CVA in elk geval tot volwassen leeftijd worden gecontinueerd Na het bereiken van de volwassen leeftijd kan het staken dan wel verminderen van de intensiteit worden overwogen mits de patiënt ten minste <LEEFTIJD> jaar neurologisch.
611
nvog
infarcten die middels beeldvorming (MRI) worden aangetoond bij patiënten met sikkelcelziekte Er zijn aanwijzingen dat deze infarcten gerelateerd zijn aan verminderd neurocognitief functioneren (Armstrong ###) Op dit moment zijn er geen studies die het chronisch transfunderen van deze patiënten onderschijven Stille infarcten vormen daarom geen indicatie voor chronische Kinderen met een verhoogd risico op een CVA, gedefiniëerd als een cerebrale bloedstroomsnelheid van ) ### m/s met transcraniële Doppler, hebben een indicatie voor chronische bloedtransfusie met een streef HbS Chronisch transfusiebeleid ter preventie van een (recidief) CVA dient Onduidelijk is of bij patiënten met sikkelcelziekte en een verhoogd risico op CVA‟s het chronische transfusiebeleid na het bereiken van de volwassen leeftijd moet worden gecontinueerd Er zijn argumenten voor het afbouwen van de intensiteit van het HbS% tot ##% bij patiënten die gedurende lange tijd () <LEEFTIJD> jaar) stabiel zijn en in een observationele studie kon het chronisch transfusiebeleid bij het bereiken van de volwassen leeftijd zelfs Kinderen met sikkelcelziekte en een verhoogd risico op een CVA, gedefiniëerd als een verhoogde stroomsnelheid van de cerebrale bloedvaten van ) ### m/s vastgesteld met transcraniële Doppler, of een eerder doorgemaakt CVA hebben een indicatie voor langdurig transfusiebeleid met een streef HbS van (##% Chronisch transfusiebeleid moeten voor kinderen met een verhoogd risico op een CVA of doorgemaakt CVA in elk geval tot volwassen leeftijd worden gecontinueerd Na het bereiken van de volwassen leeftijd kan het staken dan wel verminderen van de intensiteit worden overwogen mits de patiënt ten minste <LEEFTIJD> jaar neurologisch De therapie van eerste keuze bij de preventie van een recidief ACS bij patiënten met sikkelcelziekte is hydroxyurea Voor patiënten met recidiverende episoden van ACS een HbS% van (##% wordt nagestreefd Een retrospectieve studie toonde een sterke reductie in de incidentie van ACS bij patiënten met sikkelcelziekte die chronische transfusietherapie kregen (Hankins ###) In een eerdere prospectieve studie naar de effecten van chronische bloedtransfusie op de incidentie van CVA‟s in een hoog risico populatie van kinderen met sikkelcelziekte werd tevens een sterke reductie in het aantal episoden met ACS gezien (Miller ###) Opgemerkt dient te worden dat deze laatste studie, hoewel prospectief van opzet, niet primair voor deze vraagstelling was ontworpen Bij patiënten met een recidiverend acute chest syndroom (ACS) onder hydroxyurea kan een chronisch transfusiebeleid met een streef HbS van de preventie van het ACS werd waargenomen in een vergelijkende studie naar het effect van chronische transfusie bij de preventie van In een retrospectieve analyse werd ook een sterke reductie in de incidentie van acute chest syndroom (ACS) waargenomen in groep kinderen met in de voorgeschiedenis een ernstig of frequent optredend Bij patiënten met sikkelcelziekte met recidief acute chest syndroom (ACS) ondanks behandeling met hydroxyurea kan een chronisch (wissel)transfusiebeleid met een streef Een gerandomiseerd onderzoek heeft aangetoond dat het aantal opnames voor de behandeling van een pijnlijke vaso-occlusieve crise bij patiënten met sikkelcelziekte significant verminderde bij het gebruik van hydroxyurea (Charache ###) Ten aanzien van het effect van chronische transfusie op de incidentie van pijnlijke vaso-occlusieve crisen zijn.
601
nvog
therapie van eerste keuze bij de preventie van een recidief ACS bij patiënten met sikkelcelziekte is hydroxyurea Voor patiënten met recidiverende episoden van ACS een HbS% van (##% wordt nagestreefd Een retrospectieve studie toonde een sterke reductie in de incidentie van ACS bij patiënten met sikkelcelziekte die chronische transfusietherapie kregen (Hankins ###) In een eerdere prospectieve studie naar de effecten van chronische bloedtransfusie op de incidentie van CVA‟s in een hoog risico populatie van kinderen met sikkelcelziekte werd tevens een sterke reductie in het aantal episoden met ACS gezien (Miller ###) Opgemerkt dient te worden dat deze laatste studie, hoewel prospectief van opzet, niet primair voor deze vraagstelling was ontworpen Bij patiënten met een recidiverend acute chest syndroom (ACS) onder hydroxyurea kan een chronisch transfusiebeleid met een streef HbS van de preventie van het ACS werd waargenomen in een vergelijkende studie naar het effect van chronische transfusie bij de preventie van In een retrospectieve analyse werd ook een sterke reductie in de incidentie van acute chest syndroom (ACS) waargenomen in groep kinderen met in de voorgeschiedenis een ernstig of frequent optredend Bij patiënten met sikkelcelziekte met recidief acute chest syndroom (ACS) ondanks behandeling met hydroxyurea kan een chronisch (wissel)transfusiebeleid met een streef Een gerandomiseerd onderzoek heeft aangetoond dat het aantal opnames voor de behandeling van een pijnlijke vaso-occlusieve crise bij patiënten met sikkelcelziekte significant verminderde bij het gebruik van hydroxyurea (Charache ###) Ten aanzien van het effect van chronische transfusie op de incidentie van pijnlijke vaso-occlusieve crisen zijn Wel is bij de analyse van een studie naar de effecten van chronische transfusie in de zwangerschap gebleken dat chronische bloedtransfusie gepaard ging met een significante daling van het aantal pijnlijke gerandomiseerde studie naar de effecten van chronische bloedtransfusie op de incidentie van CVA‟s werd bij nadere analyse tevens een daling in het aantal pijnlijke vaso-occlusieve crisen gezien die echter bij intention to treat analyse niet significant verschillend was (Miller ###) Tegen deze potentiële voordelen moet echter wel het nadeel van chronische bloedtransfusies afgewogen worden zoals alloimmunisatie, ijzerstapeling en het risico op Behandeling met hydroxyurea vermindert het aantal klinische opnames voor vaso-occlusieve crisen van patiënten met sikkelcelziekte en een hoge In onderzoeken naar het effect van een chronisch transfusiebeleid ter patiënten met sikkelcelziekte werd een reductie gezien in het aantal pijnlijke vaso-occlusieve crisen Op grond hiervan zou een chronisch transfusiebeleid overwogen kunnen worden bij de behandeling van sikkelcelpatiënten met ernstige en frequent recidiverende pijnlijk vaso-occlusieve crisen die Een chronisch transfusiebeleid ter preventie van frequent recidiverende vaso-occlusieve crisen zonder response op hydroxyurea kan bij patiënten met sikkelcelziekte overwogen worden Ondanks de bewezen effectiviteit dienen de nadelige consequenties van chronisch infectieziekten) voor deze indicatie meegewogen te worden bij de besluitvorming om tot IJzerstapeling treedt bij patiënten met sikkelcelziekte alleen op als gevolg van bloedtransfusies; er is geen sprake van een toegenomen ijzerresorptie zoals bij patiënten met SCZ-patiënten met een chronisch transfusiebeleid hebben een indicatie voor parvovirus remt de hematopoiëse wat bij patiënten met sikkelcelziekte als gevolg van de.
572
nvog
is bij de analyse van een studie naar de effecten van chronische transfusie in de zwangerschap gebleken dat chronische bloedtransfusie gepaard ging met een significante daling van het aantal pijnlijke gerandomiseerde studie naar de effecten van chronische bloedtransfusie op de incidentie van CVA‟s werd bij nadere analyse tevens een daling in het aantal pijnlijke vaso-occlusieve crisen gezien die echter bij intention to treat analyse niet significant verschillend was (Miller ###) Tegen deze potentiële voordelen moet echter wel het nadeel van chronische bloedtransfusies afgewogen worden zoals alloimmunisatie, ijzerstapeling en het risico op Behandeling met hydroxyurea vermindert het aantal klinische opnames voor vaso-occlusieve crisen van patiënten met sikkelcelziekte en een hoge In onderzoeken naar het effect van een chronisch transfusiebeleid ter patiënten met sikkelcelziekte werd een reductie gezien in het aantal pijnlijke vaso-occlusieve crisen Op grond hiervan zou een chronisch transfusiebeleid overwogen kunnen worden bij de behandeling van sikkelcelpatiënten met ernstige en frequent recidiverende pijnlijk vaso-occlusieve crisen die Een chronisch transfusiebeleid ter preventie van frequent recidiverende vaso-occlusieve crisen zonder response op hydroxyurea kan bij patiënten met sikkelcelziekte overwogen worden Ondanks de bewezen effectiviteit dienen de nadelige consequenties van chronisch infectieziekten) voor deze indicatie meegewogen te worden bij de besluitvorming om tot IJzerstapeling treedt bij patiënten met sikkelcelziekte alleen op als gevolg van bloedtransfusies; er is geen sprake van een toegenomen ijzerresorptie zoals bij patiënten met SCZ-patiënten met een chronisch transfusiebeleid hebben een indicatie voor parvovirus remt de hematopoiëse wat bij patiënten met sikkelcelziekte als gevolg van de negatief bloed aanbevolen ter preventie van een aplastische crisis (zie ook hoofdstuk <DATUM> #) Beta-thalassemie is een autosomaal recessieve stoornis van de hemoglobine productie Er zijn tientallen mutaties en deleties beschreven van het β-globine gen, die resulteren in een volledige of gedeeltelijke deficiëntie van β-globine ketens met dientengevolge een excessieve hoeveelheid α-globine ketens Ten gevolge van de excessieve α-globine ketens ontstaat een ineffectieve erytropoëse met als gevolg een ernstige anemie en een compensatoire erytroide hyperplasie in het beenmerg (Olivieri ###) Dit beeld is het meest uitgesproken bij homozygote beta#-thalassemie waarbij al op zeer jonge leeftijd een transfusie indicatie ontstaat In het geval van een thalassemia intermedia is er een sterk verminderde beta-globine productie wat in een deel van de patiënten tot klinische verschijnselen en in sommige gevallen tot een transfusie indicatie leidt Bij patiënten met thalassemie intermedia zonder transfusie indicatie kan ijzerstapeling als gevolg van een De beslissing om met regelmatige bloedtransfusies te beginnen bij beta-thalassemie wordt genomen op basis van de ernst van de symptomen van anemie en beenmergexpansie Vroeg starten met transfusies lijkt de frequentie van allo-immunisatie te verminderen De UK- richtlijn adviseert voor het derde levensjaar te starten (UK Thalassaemia society ###) Chronische transfusietherapie, waarbij wordt gestreefd naar een Hb van #,<DATUM> # mmol/L, leidt tot een goede verbetering van het klinische beloop van homozygote beta-thalassemie, onderdrukking van de erytroide beenmergexpansie en minder ijzerstapeling dan bij een hypertransfusieschema met een streef Hb van #,<DATUM> # mmol/<PERSOON> chelatietherapie leidt tot een significant betere levensverwachting en minder secundaire.
585
nvog
crisis (zie ook hoofdstuk <DATUM> #) Beta-thalassemie is een autosomaal recessieve stoornis van de hemoglobine productie Er zijn tientallen mutaties en deleties beschreven van het β-globine gen, die resulteren in een volledige of gedeeltelijke deficiëntie van β-globine ketens met dientengevolge een excessieve hoeveelheid α-globine ketens Ten gevolge van de excessieve α-globine ketens ontstaat een ineffectieve erytropoëse met als gevolg een ernstige anemie en een compensatoire erytroide hyperplasie in het beenmerg (Olivieri ###) Dit beeld is het meest uitgesproken bij homozygote beta#-thalassemie waarbij al op zeer jonge leeftijd een transfusie indicatie ontstaat In het geval van een thalassemia intermedia is er een sterk verminderde beta-globine productie wat in een deel van de patiënten tot klinische verschijnselen en in sommige gevallen tot een transfusie indicatie leidt Bij patiënten met thalassemie intermedia zonder transfusie indicatie kan ijzerstapeling als gevolg van een De beslissing om met regelmatige bloedtransfusies te beginnen bij beta-thalassemie wordt genomen op basis van de ernst van de symptomen van anemie en beenmergexpansie Vroeg starten met transfusies lijkt de frequentie van allo-immunisatie te verminderen De UK- richtlijn adviseert voor het derde levensjaar te starten (UK Thalassaemia society ###) Chronische transfusietherapie, waarbij wordt gestreefd naar een Hb van #,<DATUM> # mmol/L, leidt tot een goede verbetering van het klinische beloop van homozygote beta-thalassemie, onderdrukking van de erytroide beenmergexpansie en minder ijzerstapeling dan bij een hypertransfusieschema met een streef Hb van #,<DATUM> # mmol/<PERSOON> chelatietherapie leidt tot een significant betere levensverwachting en minder secundaire (Brittenham ###) Patiënten met een gemiddeld serum ferritine concentratie (### ug/L hadden significant minder hartfalen dan patiënten met een gemiddeld hoger ferritine Curatie van patiënten met homozygote beta-thalassemie kan worden bereikt met behulp van allogene stamceltransplantatie die bij voorkeur op zo jong mogelijk leeftijd moet worden overlevingpercentages bereikt tussen ##-##% en een lange termijn overleving van #<DATUM> afhankelijk van de leeftijd en risicofactoren zoals leverfibrose en ijzerstapeling (Robberts Chronische bloedtransfusie bij patiënten met homozygote betathalassemie met een streef Hb van #,<DATUM> # mmol/L leidt tot een goede klinische verbetering en minder ijzerstapeling dan bij hypertransfusieNiveau # chronische transfusie indicatie leidt tot minder orgaancomplicaties en een beta-thalassemie leidt in ##-##% van de gevallen tot curatie en in #<DATUM> van de gevallen tot langdurige overleving Belangrijke risicofactoren voor complicaties zijn de leeftijd van de patiënt, de mate van ijzerstapeling en Robberts ###, Di Bartolomeo ###, Boulad ###, Lawson ### De klinische symptomen van anemie en beenmergexpansie vormen de basis voor de beslissing om met een chronisch transfusiebeleid te starten bij patiënten met Bij chronische transfusietherapie voor beta-thalassemie patiënten wordt een streefHb #,<DATUM> # mmol/L aanbevolen Een chronisch transfusiebeleid bij beta-thalassemiepatiënten dient te worden gecomplementeerd met adequate chelatietherapie met als target een gemiddeld ferritine van (### µg/L Dit voorkomt hartfalen en orgaanschade als gevolg van Paroxismale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) is een verworven hemolytische anemie die veroorzaakt wordt door een clonale expansie van een hematologische progenitor cel door een verworven mutatie in een X-linked gen Hemolyse treedt op omdat erytrocyten gevoeliger zijn voor complementactivatie door het ontbreken van Glycosyl.
643
nvog
Patiënten met een gemiddeld serum ferritine concentratie (### ug/L hadden significant minder hartfalen dan patiënten met een gemiddeld hoger ferritine Curatie van patiënten met homozygote beta-thalassemie kan worden bereikt met behulp van allogene stamceltransplantatie die bij voorkeur op zo jong mogelijk leeftijd moet worden overlevingpercentages bereikt tussen ##-##% en een lange termijn overleving van #<DATUM> afhankelijk van de leeftijd en risicofactoren zoals leverfibrose en ijzerstapeling (Robberts Chronische bloedtransfusie bij patiënten met homozygote betathalassemie met een streef Hb van #,<DATUM> # mmol/L leidt tot een goede klinische verbetering en minder ijzerstapeling dan bij hypertransfusieNiveau # chronische transfusie indicatie leidt tot minder orgaancomplicaties en een beta-thalassemie leidt in ##-##% van de gevallen tot curatie en in #<DATUM> van de gevallen tot langdurige overleving Belangrijke risicofactoren voor complicaties zijn de leeftijd van de patiënt, de mate van ijzerstapeling en Robberts ###, Di Bartolomeo ###, Boulad ###, Lawson ### De klinische symptomen van anemie en beenmergexpansie vormen de basis voor de beslissing om met een chronisch transfusiebeleid te starten bij patiënten met Bij chronische transfusietherapie voor beta-thalassemie patiënten wordt een streefHb #,<DATUM> # mmol/L aanbevolen Een chronisch transfusiebeleid bij beta-thalassemiepatiënten dient te worden gecomplementeerd met adequate chelatietherapie met als target een gemiddeld ferritine van (### µg/L Dit voorkomt hartfalen en orgaanschade als gevolg van Paroxismale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) is een verworven hemolytische anemie die veroorzaakt wordt door een clonale expansie van een hematologische progenitor cel door een verworven mutatie in een X-linked gen Hemolyse treedt op omdat erytrocyten gevoeliger zijn voor complementactivatie door het ontbreken van Glycosyl PNH is een chronische aandoening, waarbij de klinische verschijnselen per individu en gedurende het beloop van de ziekte verschillen Hierdoor wordt een onderscheid gemaakt in hemolytische PNH en trombotische PNH (beide ook wel klassieke PNH genoemd) en PNH De diagnose PNH is via flowcytometrie te stellen en typisch zijn zowel normale als PNH cellen detecteerbaar Naast flowcytometrie kan een kleine populatie PNH cellen ook worden De behandeling is afhankelijk van het type PNH In geval van een hypoplastische PNH met ernstige aplastische anemie is een allogene beenmergtransplantatie een potentieel middels antithymocyten globuline and cyclosporine Bij klassieke PNH staan hemolyse en trombose op de voorgrond Waar voorheen een allogene beenmergtransplantatie ook de enige effectieve therapie was voor deze patiënten, is sinds kort eculizumab een doorbraak gebleken in de behandeling van de hemolyse bij klassieke PNH (Hillmen ###, Hillmen Eculizumab is een gehumaniseerd monoclonaal tegen het complementeiwit C# dat complement activatie remt In de eerste pilot studie bij ## klassieke PNH patiënten bleek eculizumab in staat om de hemolyse en de noodzaak tot transfusie te reduceren de gemiddelde transfusiebehoefte daalde van #,# naar # eenheden per maand (Hillmen ###) ## patiënten met klassieke PNH liet een reductie zien van het aantal getransfundeerde eenheden van ## naar # in de eculizumab arm ##% van de patiënten behandeld met klassieke PNH-patiënten dat eculizumab de hemolyse verbeterde bij ##% van de patiënten, de noodzaak tot transfusie verminderde met ##% (van ##,# naar #,# eenheden per patiënt).
637
nvog
is een chronische aandoening, waarbij de klinische verschijnselen per individu en gedurende het beloop van de ziekte verschillen Hierdoor wordt een onderscheid gemaakt in hemolytische PNH en trombotische PNH (beide ook wel klassieke PNH genoemd) en PNH De diagnose PNH is via flowcytometrie te stellen en typisch zijn zowel normale als PNH cellen detecteerbaar Naast flowcytometrie kan een kleine populatie PNH cellen ook worden De behandeling is afhankelijk van het type PNH In geval van een hypoplastische PNH met ernstige aplastische anemie is een allogene beenmergtransplantatie een potentieel middels antithymocyten globuline and cyclosporine Bij klassieke PNH staan hemolyse en trombose op de voorgrond Waar voorheen een allogene beenmergtransplantatie ook de enige effectieve therapie was voor deze patiënten, is sinds kort eculizumab een doorbraak gebleken in de behandeling van de hemolyse bij klassieke PNH (Hillmen ###, Hillmen Eculizumab is een gehumaniseerd monoclonaal tegen het complementeiwit C# dat complement activatie remt In de eerste pilot studie bij ## klassieke PNH patiënten bleek eculizumab in staat om de hemolyse en de noodzaak tot transfusie te reduceren de gemiddelde transfusiebehoefte daalde van #,# naar # eenheden per maand (Hillmen ###) ## patiënten met klassieke PNH liet een reductie zien van het aantal getransfundeerde eenheden van ## naar # in de eculizumab arm ##% van de patiënten behandeld met klassieke PNH-patiënten dat eculizumab de hemolyse verbeterde bij ##% van de patiënten, de noodzaak tot transfusie verminderde met ##% (van ##,# naar #,# eenheden per patiënt) patiënten (Brodsky ###) Daarnaast lijkt het dat langdurig gebruik van eculizumab het risico op trombotische complicaties doet verminderen van #,# naar #,# events per ### patiëntjaren Er is geen contra-indicatie voor plasma(houdende bloed-producten) en geen indicatie voor gewassen erytrocyten (Brecher ###, Fitzgerald ###, Sirchia ###) Studies tonen aan dat bij patiënten met klassieke transfusieafhankelijke In een studie in ## klassieke paroxismale nachtelijke hemoglobinurie(PNH-)patiënten werd aangetoond dat eculizumab de hemolyse verbeterde Er zijn geen aanwijzingen voor een ongunstig effect van plasma (houdende bloedproducten) of voor een gunstig effect van gewassen erytrocyten Er is geen indicatie voor gewassen erytrocyten bij PNH Bij een patiënt met klassieke transfusieafhankelijke PNH dient behandeling met eculizumab ter vermindering van de transfusiebehoefte in overweging te worden (Auto-)Immuun Hemolytische Anemie (AIHA) is een etiologisch, pathogenetisch, serologisch en klinisch heterogene groep van verworven immuungemediëerde hemolytische anemieën met een substantiële sterfte () ##-##%), met name bij patiënten in de acute fase en bij therapieresistente gevallen (<PERSOON> is een zeldzame ziekte prevalentie van # ## ### (<PERSOON> genomen alleen categorie # een auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) genoemd mag worden, wordt deze term ook voor categorie # en # gehanteerd In dit hoofdstuk zullen wij AIHA gebruiken voor alle # de categorieën Binnen de diverse categorieën wordt vaak nog onderscheid gemaakt naar het mechanisme van de hemolyse Tenzij er referenties bij zijn genoemd (ook altijd van niveau # of #) zijn de aan het eind van.
637
nvog
dat langdurig gebruik van eculizumab het risico op trombotische complicaties doet verminderen van #,# naar #,# events per ### patiëntjaren Er is geen contra-indicatie voor plasma(houdende bloed-producten) en geen indicatie voor gewassen erytrocyten (Brecher ###, Fitzgerald ###, Sirchia ###) Studies tonen aan dat bij patiënten met klassieke transfusieafhankelijke In een studie in ## klassieke paroxismale nachtelijke hemoglobinurie(PNH-)patiënten werd aangetoond dat eculizumab de hemolyse verbeterde Er zijn geen aanwijzingen voor een ongunstig effect van plasma (houdende bloedproducten) of voor een gunstig effect van gewassen erytrocyten Er is geen indicatie voor gewassen erytrocyten bij PNH Bij een patiënt met klassieke transfusieafhankelijke PNH dient behandeling met eculizumab ter vermindering van de transfusiebehoefte in overweging te worden (Auto-)Immuun Hemolytische Anemie (AIHA) is een etiologisch, pathogenetisch, serologisch en klinisch heterogene groep van verworven immuungemediëerde hemolytische anemieën met een substantiële sterfte () ##-##%), met name bij patiënten in de acute fase en bij therapieresistente gevallen (<PERSOON> is een zeldzame ziekte prevalentie van # ## ### (<PERSOON> genomen alleen categorie # een auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) genoemd mag worden, wordt deze term ook voor categorie # en # gehanteerd In dit hoofdstuk zullen wij AIHA gebruiken voor alle # de categorieën Binnen de diverse categorieën wordt vaak nog onderscheid gemaakt naar het mechanisme van de hemolyse Tenzij er referenties bij zijn genoemd (ook altijd van niveau # of #) zijn de aan het eind van en/of # uit het standaardwerk van Petz and Garraty (Acquired immune hemolytic anemias, Church Livingstone, New York ###) en de volgende reviews <PERSOON> ### Er bestaan gedetailleerde voorschriften voor de laboratoriumtechnieken (zie onder andere Leger ###, Engelfriet ###), maar in deze richtlijn worden daarvan alleen de principes Warme type AIHA (WAIHA) circa ##% van de AIHA betreft het zogenaamde warme type ( WAIHA) (Packman ###) WAIHA wordt veroorzaakt door antilichamen die het sterkst bij ##°C reageren Meestal zijn dit IgG antilichamen al of niet in combinatie met complement en soms betreft het incomplete (IgM) warme antistoffen Zelden wordt WAIHA veroorzaakt door alleen IgA-auto-antistoffen of door warme IgMagglutininen of mengvormen van IgM (koude) en (warme) IgG antistoffen Deze (<PERSOON> Het koude type AIHA vertegenwoordigt circa ##% van de AIHA Er is dan sprake van reageren (<PERSOON> met bifasische hemolysinen waarbij IgG-antistoffen bij lagere temperaturen binden en vervolgens bij hogere temperaturen (##°C) complement activeren AIHA met bifasische hemolysinen vormt ongeveer #% van de AIHA (Engelfriet ###) AIHA kan geïsoleerd voorkomen of in combinatie met een ander lijden Bij een maligniteit De meest frequente associatie is met CLL, waarbij in ruim #% een (SLE), reumatoïde arthritis (RA), ziekte van Sjogren, immuuntrombocytopenie (ITP), pure red cell aplasia (PRCA), hypothyreoïdie, Morbus Addison of primaire biliaire.
633
nvog
van Petz and Garraty (Acquired immune hemolytic anemias, Church Livingstone, New York ###) en de volgende reviews <PERSOON> ### Er bestaan gedetailleerde voorschriften voor de laboratoriumtechnieken (zie onder andere Leger ###, Engelfriet ###), maar in deze richtlijn worden daarvan alleen de principes Warme type AIHA (WAIHA) circa ##% van de AIHA betreft het zogenaamde warme type ( WAIHA) (Packman ###) WAIHA wordt veroorzaakt door antilichamen die het sterkst bij ##°C reageren Meestal zijn dit IgG antilichamen al of niet in combinatie met complement en soms betreft het incomplete (IgM) warme antistoffen Zelden wordt WAIHA veroorzaakt door alleen IgA-auto-antistoffen of door warme IgMagglutininen of mengvormen van IgM (koude) en (warme) IgG antistoffen Deze (<PERSOON> Het koude type AIHA vertegenwoordigt circa ##% van de AIHA Er is dan sprake van reageren (<PERSOON> met bifasische hemolysinen waarbij IgG-antistoffen bij lagere temperaturen binden en vervolgens bij hogere temperaturen (##°C) complement activeren AIHA met bifasische hemolysinen vormt ongeveer #% van de AIHA (Engelfriet ###) AIHA kan geïsoleerd voorkomen of in combinatie met een ander lijden Bij een maligniteit De meest frequente associatie is met CLL, waarbij in ruim #% een (SLE), reumatoïde arthritis (RA), ziekte van Sjogren, immuuntrombocytopenie (ITP), pure red cell aplasia (PRCA), hypothyreoïdie, Morbus Addison of primaire biliaire het Human Immunodeficiency Virus (HIV)), bacteriële (onder andere syfilis, Het klinisch beloop van AIHA in strikte zin variëert van acuut en fataal tot chronisch en niet ernstig Bij klassieke WAIHA is prednison de therapie van eerste keus Uit recent onderzoek blijkt Rituximab ook effectief (Garvey ###), maar de plaats van dit nieuwe medicament in Meer dan ##% van de AIHA zijn medicament-geassocieerd Er zijn drie vormen Een type waarbij het medicament geen antigene determinant vormt, maar de immuunregulatie verstoort (bij onder andere alfamethyldopa, fludarabine, goud) Ook medicament-geassocieerde AIHA kunnen hyperacuut en letaal (met name het of van ontvanger-origine zijn De antistoffen kunnen daarbij van het warme, koude, bifasische of gemengde type zijn Een positieve Directe Antiglobuline Test (DAT) komt voor bij circa ##% van de ontvangers van allogene beenmerg/bloedstamceltransplantatie De incidentie van AIHA na transplantatie is <DATUM> #% Dit kan optreden binnen twee weken tot meer dan twee jaar na transplantatie (<PERSOON> voor het ontwikkelen van transplantatie-gerelateerde AIHA zijn Tcelverwijderde beenmerg/stamceltransplantaties, een ongerelateerde donor, chronische graft-versus-host-disease en transplantatie voor een niet-maligne ziekte (<PERSOON> ###) De AIHA kan acuut of sluipend beginnen, ongeveer ##% heeft een chronisch <INSTELLING> Er is consensus dat het vaststellen van het type auto-antistof of medicament-afhankelijke antistof relevant is voor het klinische beloop van en de behandelkeuze bij AIHA Er is in het algemeen geen relatie tussen de titer van antistoffen en de mate van hemolyse.
610
nvog
(onder andere syfilis, Het klinisch beloop van AIHA in strikte zin variëert van acuut en fataal tot chronisch en niet ernstig Bij klassieke WAIHA is prednison de therapie van eerste keus Uit recent onderzoek blijkt Rituximab ook effectief (Garvey ###), maar de plaats van dit nieuwe medicament in Meer dan ##% van de AIHA zijn medicament-geassocieerd Er zijn drie vormen Een type waarbij het medicament geen antigene determinant vormt, maar de immuunregulatie verstoort (bij onder andere alfamethyldopa, fludarabine, goud) Ook medicament-geassocieerde AIHA kunnen hyperacuut en letaal (met name het of van ontvanger-origine zijn De antistoffen kunnen daarbij van het warme, koude, bifasische of gemengde type zijn Een positieve Directe Antiglobuline Test (DAT) komt voor bij circa ##% van de ontvangers van allogene beenmerg/bloedstamceltransplantatie De incidentie van AIHA na transplantatie is <DATUM> #% Dit kan optreden binnen twee weken tot meer dan twee jaar na transplantatie (<PERSOON> voor het ontwikkelen van transplantatie-gerelateerde AIHA zijn Tcelverwijderde beenmerg/stamceltransplantaties, een ongerelateerde donor, chronische graft-versus-host-disease en transplantatie voor een niet-maligne ziekte (<PERSOON> ###) De AIHA kan acuut of sluipend beginnen, ongeveer ##% heeft een chronisch <INSTELLING> Er is consensus dat het vaststellen van het type auto-antistof of medicament-afhankelijke antistof relevant is voor het klinische beloop van en de behandelkeuze bij AIHA Er is in het algemeen geen relatie tussen de titer van antistoffen en de mate van hemolyse serologisch onderzoek nodig is, dat niet routinematig gedaan wordt ( zie Hoofdstuk # ),dient de aanvragende arts relevante klinische informatie (onder andere over hemolyse/hemoglobinurie, medicatie, recente transfusies, en eventuele andere aandoeningen zoals Chronische Lymfatische Leukemie (CLL) te geven (<PERSOON> de aanvragend arts als de verantwoordelijken in het laboratorium dienen zich te realiseren dat er bij vitale indicaties getransfundeerd moet worden ondanks compatibiliteitsproblemen en positieve kruisproeven (Salama ###, Petz ###, Jefferies ###, Garraty Het vermoeden van auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) dient bij de aanvraag met spoed geïndiceerd ter vaststelling van het type antistoffen, eventuele specificiteit Bij een nieuwe patiënt dient de specificiteit van de auto-antistoffen onderzocht te worden in verband met eventuele selectie van getypeerde compatibele donoren voor Bij het klassieke warme type auto-immuun hemolytische anemie (WAIHA) wordt Bij patiënten ouder dan zes jaar met het klassieke warme type auto-immuun hemolytische anemie (WAIHA), waarbij sprake is van relaps of resistentie tegen De koude typen auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) zijn resistent voor Splenectomie is ineffectief gebleken bij de koude typen auto-immuun hemolytische hapteen- en het immuuncomplextype verbeteren in het algemeen binnen een week Bij een (beginnende) auto-immuun hemolytische anemie (AIHA), met name indien er (nog) geen reticulocytenrespons is of bij aplastische crise, moet het Hb frequent (om De kritische Hb-grens (( # mmol/L) voor transfusie (zie paragraaf <DATUM> is ook bij autoimmuun hemolytische anemie (AIHA) van toepassing tenzij er sprake is van Serologische analyse mag een geïndiceerde transfusie nooit vertragen zijn Transfusies dragen bij aan diffuse intravasale stolling, nier- en orgaanfalen In.
622
nvog
zie Hoofdstuk # ),dient de aanvragende arts relevante klinische informatie (onder andere over hemolyse/hemoglobinurie, medicatie, recente transfusies, en eventuele andere aandoeningen zoals Chronische Lymfatische Leukemie (CLL) te geven (<PERSOON> de aanvragend arts als de verantwoordelijken in het laboratorium dienen zich te realiseren dat er bij vitale indicaties getransfundeerd moet worden ondanks compatibiliteitsproblemen en positieve kruisproeven (Salama ###, Petz ###, Jefferies ###, Garraty Het vermoeden van auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) dient bij de aanvraag met spoed geïndiceerd ter vaststelling van het type antistoffen, eventuele specificiteit Bij een nieuwe patiënt dient de specificiteit van de auto-antistoffen onderzocht te worden in verband met eventuele selectie van getypeerde compatibele donoren voor Bij het klassieke warme type auto-immuun hemolytische anemie (WAIHA) wordt Bij patiënten ouder dan zes jaar met het klassieke warme type auto-immuun hemolytische anemie (WAIHA), waarbij sprake is van relaps of resistentie tegen De koude typen auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) zijn resistent voor Splenectomie is ineffectief gebleken bij de koude typen auto-immuun hemolytische hapteen- en het immuuncomplextype verbeteren in het algemeen binnen een week Bij een (beginnende) auto-immuun hemolytische anemie (AIHA), met name indien er (nog) geen reticulocytenrespons is of bij aplastische crise, moet het Hb frequent (om De kritische Hb-grens (( # mmol/L) voor transfusie (zie paragraaf <DATUM> is ook bij autoimmuun hemolytische anemie (AIHA) van toepassing tenzij er sprake is van Serologische analyse mag een geïndiceerde transfusie nooit vertragen zijn Transfusies dragen bij aan diffuse intravasale stolling, nier- en orgaanfalen In In de acute fase dient de hoeveelheid getransfundeerd bloed zo klein mogelijk te zijn en nooit meer dan # eenheid (bij kinderen # mL/kg), onder constante bewaking Erytrocytentransfusies dienen uitsluitend gegeven te worden om anoxemie te Indien er geen cerebrale/cardiale anoxemische symptomen in rust zijn, kan de donorerytrocyten even kort als die van de patiënt (tenzij er specifieke auto-antistoffen agglutininesyndroom dient men terughoudend te zijn met correctie van matig ernstige chronische anemie door middel van transfusies Donorerytrocyten overleven korter kan plasmaferese en/of erytrocytaferese worden overwogen, al of niet in combinatie Bij ernstige koude auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) dienen EC‟s te worden gaand met intravasculaire hemolyse kan uitputting van de complement <INSTELLING> optreden Toediening van „vers ingevroren plasma‟ (FFP) kan dan hemolyse <DATUM> # Hemolytische ziekte van de foetus en de pasgeborene De laatste afbraakstoornis, die in dit hoofdstuk behandeld wordt, is de hemolytische ziekte van de pasgeborene Omdat zowel de preventie als de behandeling van deze ziekte niet alleen pasgeborenen, maar ook zwangere vrouwen en foetussen betreft behandelen we dit onderwerp niet bij paragraaf <DATUM> (Anemie bij neonaten), maar hier bij paragraaf <DATUM> Preventie en behandeling hemolytische ziekte van de foetus Wanneer bij een vrouw in de zwangerschap RhD-antistoffen of andere allo-antistoffen, die een hemolytische ziekte van de foetus/pasgeborene kunnen veroorzaken, zijn vastgesteld, dienen de specificiteit en immunoglobulineklasse te worden bepaald In geval van potentieel klinisch relevante antistoffen wordt de homo/heterozygote aanwezigheid van het betreffende antigeen bij de vader nagegaan In een groot onderzoek in <LOCATIE> naar de gevolgen van.
620
nvog
getransfundeerd bloed zo klein mogelijk te zijn en nooit meer dan # eenheid (bij kinderen # mL/kg), onder constante bewaking Erytrocytentransfusies dienen uitsluitend gegeven te worden om anoxemie te Indien er geen cerebrale/cardiale anoxemische symptomen in rust zijn, kan de donorerytrocyten even kort als die van de patiënt (tenzij er specifieke auto-antistoffen agglutininesyndroom dient men terughoudend te zijn met correctie van matig ernstige chronische anemie door middel van transfusies Donorerytrocyten overleven korter kan plasmaferese en/of erytrocytaferese worden overwogen, al of niet in combinatie Bij ernstige koude auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) dienen EC‟s te worden gaand met intravasculaire hemolyse kan uitputting van de complement <INSTELLING> optreden Toediening van „vers ingevroren plasma‟ (FFP) kan dan hemolyse <DATUM> # Hemolytische ziekte van de foetus en de pasgeborene De laatste afbraakstoornis, die in dit hoofdstuk behandeld wordt, is de hemolytische ziekte van de pasgeborene Omdat zowel de preventie als de behandeling van deze ziekte niet alleen pasgeborenen, maar ook zwangere vrouwen en foetussen betreft behandelen we dit onderwerp niet bij paragraaf <DATUM> (Anemie bij neonaten), maar hier bij paragraaf <DATUM> Preventie en behandeling hemolytische ziekte van de foetus Wanneer bij een vrouw in de zwangerschap RhD-antistoffen of andere allo-antistoffen, die een hemolytische ziekte van de foetus/pasgeborene kunnen veroorzaken, zijn vastgesteld, dienen de specificiteit en immunoglobulineklasse te worden bepaald In geval van potentieel klinisch relevante antistoffen wordt de homo/heterozygote aanwezigheid van het betreffende antigeen bij de vader nagegaan In een groot onderzoek in <LOCATIE> naar de gevolgen van anti-RhC en anti-K-antistoffen te leiden tot ernstige ziekte bij de foetus en pasgeborene, waarvoor intrauteriene transfusies (IUT) dan wel wisseltransfusies noodzakelijk waren Dit betrof slechts <DATUM> van alle gevonden irregulaire antistoffen (<PERSOON> ###) Is de vader homozygoot voor het betreffende antigeen, dan wordt indien mogelijk de biologische activiteit van de antistoffen getest met de „antibody dependent cellular cytotoxicity‟(ADCC)test (zie ook NVOG Richtlijn hemolytische ziekte van de pasgeborene, ###) Is de vader heterozygoot, dan is het vaak wenselijk de bloedgroepbepaling van de foetus te kennen Voor een toenemend aantal bloedgroepen is bepaling van de bloedgroep van de foetus mogelijk op moederlijk plasma en in ieder geval voor de klinisch relevante Rhesus en Kantigenen De klinische toestand van de foetus kan vervolgd worden met echo-doppler van de stroomsnelheid in de Arteria Cerebri Media als maat voor anemie, eventueel met een vruchtwaterpunctie om de mate van hemolyse in te schatten of eventueel een navelstrengpunctie om het foetale Hb te meten Ernstige hemolyse met hydrops is vaak () ##%) het gevolg van RhD-antistoffen Ter preventie van hydrops is vanaf de ##-##e week behandeling mogelijk met <DATUM> wekelijkse intra-uteriene transfusies (IUT) In grote cohortstudies blijkt deze behandeling effectief en meer dan ##% van de kinderen wordt levend geboren (<PERSOON> ###) Bloedgroepantagonisme, dat voor de ##e week tot ernstige anemie leidt, zoals mogelijk is bij K-antagonisme, heeft een slechtere prognose Behandeling met IUT is in <LOCATIE> in het <INSTELLING> (<INSTELLING>).
616
nvog
anti-RhC en anti-K-antistoffen te leiden tot ernstige ziekte bij de foetus en pasgeborene, waarvoor intrauteriene transfusies (IUT) dan wel wisseltransfusies noodzakelijk waren Dit betrof slechts <DATUM> van alle gevonden irregulaire antistoffen (<PERSOON> ###) Is de vader homozygoot voor het betreffende antigeen, dan wordt indien mogelijk de biologische activiteit van de antistoffen getest met de „antibody dependent cellular cytotoxicity‟(ADCC)test (zie ook NVOG Richtlijn hemolytische ziekte van de pasgeborene, ###) Is de vader heterozygoot, dan is het vaak wenselijk de bloedgroepbepaling van de foetus te kennen Voor een toenemend aantal bloedgroepen is bepaling van de bloedgroep van de foetus mogelijk op moederlijk plasma en in ieder geval voor de klinisch relevante Rhesus en Kantigenen De klinische toestand van de foetus kan vervolgd worden met echo-doppler van de stroomsnelheid in de Arteria Cerebri Media als maat voor anemie, eventueel met een vruchtwaterpunctie om de mate van hemolyse in te schatten of eventueel een navelstrengpunctie om het foetale Hb te meten Ernstige hemolyse met hydrops is vaak () ##%) het gevolg van RhD-antistoffen Ter preventie van hydrops is vanaf de ##-##e week behandeling mogelijk met <DATUM> wekelijkse intra-uteriene transfusies (IUT) In grote cohortstudies blijkt deze behandeling effectief en meer dan ##% van de kinderen wordt levend geboren (<PERSOON> ###) Bloedgroepantagonisme, dat voor de ##e week tot ernstige anemie leidt, zoals mogelijk is bij K-antagonisme, heeft een slechtere prognose Behandeling met IUT is in <LOCATIE> in het <INSTELLING> (<INSTELLING>) De moeder heeft, als gevolg van foetomaternale transfusie bij IUT, een verhoogde (##-##%) kans op de ontwikkeling van additionele irregulaire antistoffen (<PERSOON> ###) Het compatibiliteitsonderzoek is daarom bij deze vrouwen slechts ## uur geldig (<PERSOON> ###, Gezondheidsraad ###) IUT onderdrukt de aanmaak van erytrocyten bij de foetus Als gevolg hiervan heeft deze bij de geboorte voornamelijk erytrocyt-antigenen van en, indien dit volgens een protocol wordt gecontroleerd, kan ernstige Foetale anemie leidend tot hydrops kan in meer dan ##% van de gevallen effectief worden behandeld met intra-uteriene transfusies (IUT) indien de Gezondheidsraad rapport ###, <PERSOON> ###, <PERSOON> ### De moeder heeft na intra-uteriene transfusie (IUT) een risico van ##-##% Hydrops foetalis heeft vaak andere oorzaken dan bloedgroepantagonisme (onder andere De opsporing en controle van irregulaire antistoffen in de zwangerschap dienen Ernstig bloedgroepantagonisme leidend tot hydrops is een absolute indicatie voor intra-uteriene transfusies (IUT); ter beperking van complicaties dienen foetale transfusies in een <INSTELLING> met maximale ervaring te worden uitgevoerd Vrouwen die intra-uteriene transfusies ondergaan, hebben een sterk verhoogd risico op bloedgroepimmunisatie Het wordt aanbevolen de compatibiliteitstest na voorafgaande intra-uteriene transfusies (IUT) met een zo vers mogelijk (( ## uur <DATUM> Preventie en behandeling van hemolytische ziekte van de pasgeborene Fototherapie en wisseltransfusies worden wijd verspreid toegepast bij de behandeling van hemolytische ziekte van de pasgeborene Desondanks is het wetenschappelijk bewijs bij welke exacte bilirubinewaarde of –stijging deze interventies zouden moeten plaatsvinden Wisseltransfusies worden meestal toegepast voor de behandeling van hemolytische ziekte van de pasgeborene.
651
nvog
transfusie bij IUT, een verhoogde (##-##%) kans op de ontwikkeling van additionele irregulaire antistoffen (<PERSOON> ###) Het compatibiliteitsonderzoek is daarom bij deze vrouwen slechts ## uur geldig (<PERSOON> ###, Gezondheidsraad ###) IUT onderdrukt de aanmaak van erytrocyten bij de foetus Als gevolg hiervan heeft deze bij de geboorte voornamelijk erytrocyt-antigenen van en, indien dit volgens een protocol wordt gecontroleerd, kan ernstige Foetale anemie leidend tot hydrops kan in meer dan ##% van de gevallen effectief worden behandeld met intra-uteriene transfusies (IUT) indien de Gezondheidsraad rapport ###, <PERSOON> ###, <PERSOON> ### De moeder heeft na intra-uteriene transfusie (IUT) een risico van ##-##% Hydrops foetalis heeft vaak andere oorzaken dan bloedgroepantagonisme (onder andere De opsporing en controle van irregulaire antistoffen in de zwangerschap dienen Ernstig bloedgroepantagonisme leidend tot hydrops is een absolute indicatie voor intra-uteriene transfusies (IUT); ter beperking van complicaties dienen foetale transfusies in een <INSTELLING> met maximale ervaring te worden uitgevoerd Vrouwen die intra-uteriene transfusies ondergaan, hebben een sterk verhoogd risico op bloedgroepimmunisatie Het wordt aanbevolen de compatibiliteitstest na voorafgaande intra-uteriene transfusies (IUT) met een zo vers mogelijk (( ## uur <DATUM> Preventie en behandeling van hemolytische ziekte van de pasgeborene Fototherapie en wisseltransfusies worden wijd verspreid toegepast bij de behandeling van hemolytische ziekte van de pasgeborene Desondanks is het wetenschappelijk bewijs bij welke exacte bilirubinewaarde of –stijging deze interventies zouden moeten plaatsvinden Wisseltransfusies worden meestal toegepast voor de behandeling van hemolytische ziekte van de pasgeborene om zodoende kernicterus te voorkomen Kernicterus bij een à terme neonaat ontstaat meestal niet bij ( ### mol/L bilirubine, bij prematuren kan kernicterus reeds bij een lagere bilirubineconcentratie ontstaan Indien het bilirubine sneller stijgt dan ## mol/L/uur (ondanks adequate intensieve fototherapie) is er vaak een wisselindicatie Een # x bloedvolumewissel reduceert het bilirubinegehalte tot ##-##%, door equilibratie met de extravasculaire pool kan het bilirubinegehalte daarna echter weer snel stijgen Het wisselvolume is circa ###-### mL/kg Het wisselbloed bestaat in <LOCATIE> uit ( # dagen oude erytrocyten, bloedgroepcompatibel met de moeder, het kind en de plasmadonor (Zie ook hoofdstuk <DATUM> #) Er is slechts één min of meer gerandomiseerde studie die heparine en wisseltransfusie met citraatbloed treden grote metabole veranderingen op het natrium stijgt, osmolaliteit neemt toe, glucose stijgt en (geioniseerd) calcium daalt Tevens wordt circa ##% De sterfte als gevolg van wisseltransfusies is <DATUM> # ### geschat en hoger (#%) indien er geen ervaring bestaat en/of de kinderen erg ziek zijn (Ip ###, <PERSOON> ###) De risico‟s zijn hersenbloeding (hypernatriëmie, hyperosmolaliteit en coagulopathie) en ritmestoornissen (acidose, hyperkaliemie), met name bij prematuren Tijdens wisseltransfusie is permanente elektrocardiografische (ECG) bewaking noodzakelijk Voor aanvang van de wissel dienen Na, K, Ca, bilirubine, bloedgassen, Hb en trombocytengetal te worden gemeten (bij trombocyten ( ### x ###/L halverwege of na de wissel een transfusie toedienen, zodanig dat tijdens de wissel geen trombocytopenie ( ## x ###/L ontstaat) de wisseltransfusie wederom elektrolyten, bloedgassen, glucose en Ca, evenals Hb, trombocyten en bilirubine.
698
nvog
bij een à terme neonaat ontstaat meestal niet bij ( ### mol/L bilirubine, bij prematuren kan kernicterus reeds bij een lagere bilirubineconcentratie ontstaan Indien het bilirubine sneller stijgt dan ## mol/L/uur (ondanks adequate intensieve fototherapie) is er vaak een wisselindicatie Een # x bloedvolumewissel reduceert het bilirubinegehalte tot ##-##%, door equilibratie met de extravasculaire pool kan het bilirubinegehalte daarna echter weer snel stijgen Het wisselvolume is circa ###-### mL/kg Het wisselbloed bestaat in <LOCATIE> uit ( # dagen oude erytrocyten, bloedgroepcompatibel met de moeder, het kind en de plasmadonor (Zie ook hoofdstuk <DATUM> #) Er is slechts één min of meer gerandomiseerde studie die heparine en wisseltransfusie met citraatbloed treden grote metabole veranderingen op het natrium stijgt, osmolaliteit neemt toe, glucose stijgt en (geioniseerd) calcium daalt Tevens wordt circa ##% De sterfte als gevolg van wisseltransfusies is <DATUM> # ### geschat en hoger (#%) indien er geen ervaring bestaat en/of de kinderen erg ziek zijn (Ip ###, <PERSOON> ###) De risico‟s zijn hersenbloeding (hypernatriëmie, hyperosmolaliteit en coagulopathie) en ritmestoornissen (acidose, hyperkaliemie), met name bij prematuren Tijdens wisseltransfusie is permanente elektrocardiografische (ECG) bewaking noodzakelijk Voor aanvang van de wissel dienen Na, K, Ca, bilirubine, bloedgassen, Hb en trombocytengetal te worden gemeten (bij trombocyten ( ### x ###/L halverwege of na de wissel een transfusie toedienen, zodanig dat tijdens de wissel geen trombocytopenie ( ## x ###/L ontstaat) de wisseltransfusie wederom elektrolyten, bloedgassen, glucose en Ca, evenals Hb, trombocyten en bilirubine van Ca-gluconaat of laevulaat (nooit door dezelfde naald als het citraatbloed) voor de preventie van hypocalciemie is omstreden (Petaja ###, Maisels ###) Bloed voor wisseltransfusies voor prematuren ( ## weken of ( <DATUM> gram wordt bestraald (## Gy) Naast fototherapie en wisseltherapie wordt intraveneus toedienen van immuunglobulines (IVIG) toegepast De waarde van deze laatste interventie (IV-Ig) is echter onderwerp van discussies Daarom is de literatuur gebruik makend van systematische reviews onderzocht op het effect van IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene De kwaliteit van de reviews werd beoordeeld op de volgende items zoekstrategie, selectie van artikelen, Er werden twee goede systematische reviews gevonden, waaronder een Cochrane-review Gottstein et al deden een systematische review en meta-analyse van RCTs naar het effect van IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene (Gottstein ###) In vergelijking tot alleen fototherapie bleek IVIG het aantal benodigde wisseltransfusies sterk te reduceren, maar het aantal benodigde erytrocytentransfusies voor later optredende anemie bleek echter groter bij de met IVIG behandelde patiënten (Gottstein ###) Alcock et al kwamen in hun Cochrane-review tot vergelijkbare conclusies (Alcock ###) Zij benadrukten echter dat de conclusies zijn gebaseerd op slechts # trials met in totaal ### patiënten Bovendien voldeed slechts # trial aan de criteria voor hoge kwaliteit Ontbreken van verzegelde toewijzing van de behandeling was een belangrijke tekortkoming in de andere trials Geen van de trials gebruikte bovendien een placebo en ook blindering ontbrak De Cochrane reviewers.
673
nvog
door dezelfde naald als het citraatbloed) voor de preventie van hypocalciemie is omstreden (Petaja ###, Maisels ###) Bloed voor wisseltransfusies voor prematuren ( ## weken of ( <DATUM> gram wordt bestraald (## Gy) Naast fototherapie en wisseltherapie wordt intraveneus toedienen van immuunglobulines (IVIG) toegepast De waarde van deze laatste interventie (IV-Ig) is echter onderwerp van discussies Daarom is de literatuur gebruik makend van systematische reviews onderzocht op het effect van IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene De kwaliteit van de reviews werd beoordeeld op de volgende items zoekstrategie, selectie van artikelen, Er werden twee goede systematische reviews gevonden, waaronder een Cochrane-review Gottstein et al deden een systematische review en meta-analyse van RCTs naar het effect van IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene (Gottstein ###) In vergelijking tot alleen fototherapie bleek IVIG het aantal benodigde wisseltransfusies sterk te reduceren, maar het aantal benodigde erytrocytentransfusies voor later optredende anemie bleek echter groter bij de met IVIG behandelde patiënten (Gottstein ###) Alcock et al kwamen in hun Cochrane-review tot vergelijkbare conclusies (Alcock ###) Zij benadrukten echter dat de conclusies zijn gebaseerd op slechts # trials met in totaal ### patiënten Bovendien voldeed slechts # trial aan de criteria voor hoge kwaliteit Ontbreken van verzegelde toewijzing van de behandeling was een belangrijke tekortkoming in de andere trials Geen van de trials gebruikte bovendien een placebo en ook blindering ontbrak De Cochrane reviewers behandeling, ook vanwege het ontbreken van informatie over de lange termijn veiligheid, In een recente dubbelblinde placebo-gecontroleerde gerandomiseerde studie naar de effectiviteit van IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene werd geen verschil gevonden tussen de IVIG en de placebo groep (<PERSOON>-Wintjens, Pediatrics ###, in press) pasgeborene te voorkómen Het is niet goed onderzocht bij welke bilirubine Indien het bilirubine ondanks adequate fototherapie sneller stijgt dan ## Bij wisseltransfusies, met name bij prematuren, dient de grootst mogelijke die relevant zijn voor het ontstaan van hersenbloedingen en ritmestoornissen Bij hemolytische ziekte van de pasgeborene bleek toediening van het aantal benodigde wisseltransfusies sterk te reduceren Het aantal Er is onvoldoende bewijs voor de waarde van toediening van intraveneus immuunglobuline IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene Evidence tabel interventies bij hemolytische ziekte bij de pasgeborene Intensieve fototherapie en zo nodig wisseltransfusie(s) dienen overwogen worden te worden bij een pasgeborene met hyperbilirubinemie door hemolytische ziekte van de Indien het bilirubine ondanks adequate fototherapie sneller stijgt dan ## mol/L/uur is Bij wisseltransfusie is permanente ECG-bewaking en periodieke controle nodig van van hemolytische ziekte van de pasgeborene wordt niet aanbevolen Het normale Hb bij à terme geboren neonaten is ## mmol/L (SD #,#), waarvan ##-##% HbF De switch naar adult Hb begint in de ##e week na de conceptie Bij premature neonaten is het normale Hb bij geboorte lager en dit daalt op lineaire wijze naarmate de zwangerschapsduur korter is (Jopling ###, Nicolaides ###) Na de geboorte daalt het Hb daling van de epoëtinespiegel (door toename van de arteriële pO#);.
625
nvog
termijn veiligheid, In een recente dubbelblinde placebo-gecontroleerde gerandomiseerde studie naar de effectiviteit van IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene werd geen verschil gevonden tussen de IVIG en de placebo groep (<PERSOON>-Wintjens, Pediatrics ###, in press) pasgeborene te voorkómen Het is niet goed onderzocht bij welke bilirubine Indien het bilirubine ondanks adequate fototherapie sneller stijgt dan ## Bij wisseltransfusies, met name bij prematuren, dient de grootst mogelijke die relevant zijn voor het ontstaan van hersenbloedingen en ritmestoornissen Bij hemolytische ziekte van de pasgeborene bleek toediening van het aantal benodigde wisseltransfusies sterk te reduceren Het aantal Er is onvoldoende bewijs voor de waarde van toediening van intraveneus immuunglobuline IVIG bij hemolytische ziekte van de pasgeborene Evidence tabel interventies bij hemolytische ziekte bij de pasgeborene Intensieve fototherapie en zo nodig wisseltransfusie(s) dienen overwogen worden te worden bij een pasgeborene met hyperbilirubinemie door hemolytische ziekte van de Indien het bilirubine ondanks adequate fototherapie sneller stijgt dan ## mol/L/uur is Bij wisseltransfusie is permanente ECG-bewaking en periodieke controle nodig van van hemolytische ziekte van de pasgeborene wordt niet aanbevolen Het normale Hb bij à terme geboren neonaten is ## mmol/L (SD #,#), waarvan ##-##% HbF De switch naar adult Hb begint in de ##e week na de conceptie Bij premature neonaten is het normale Hb bij geboorte lager en dit daalt op lineaire wijze naarmate de zwangerschapsduur korter is (Jopling ###, Nicolaides ###) Na de geboorte daalt het Hb daling van de epoëtinespiegel (door toename van de arteriële pO#); #,#) na circa # weken Transfusies zijn hiervoor vrijwel nooit geïndiceerd, evenmin is routinematige toediening van ijzer effectief (<PERSOON> ###) Bij prematuren ( <DATUM> gram kan na <DATUM> weken het Hb dalen van ## naar # mmol/L, mede door diagnostische bloedafnamen Zodra volledige enterale voeding mogelijk is, is enterale Intramusculair ijzer heeft geen voordelen boven oraal ijzer (Heese ###) De meeste transfusies worden gegeven aan „very low birth weights‟ (VLBW) kinderen na een zwangerschapsduur ## tot ## weken; dit betreft <DATUM> #% van de geboorten, dat wil zeggen in <LOCATIE> # ###-# ### per jaar Er is er veel onderzoek naar epoëtinetoediening bij prematuren verricht (Aher ###, Ohlsson ###) Meestal was de reductie van de hoeveelheid toegediende allogene erytrocyten de primaire uitkomstmaat Twee Cochrane meta-analyses laten zien dat het klinisch belang van zowel vroege als late toediening van epoëtine zeer beperkt is (Aher ###, Ohlsson ###, Aher ###) Met name bij late epoëtinetoediening is er een gemiddelde reductie van het transfusievolume van # mL/kg ((# neonaten-eenheid EC) (Aher ###) Beide Cochrane reviews concluderen dan ook dat er onvoldoende bewijs is om epoëtinetoediening bij neonatale anemie te adviseren (Aher ###, Ohlsson ###, Aher ###) In bijzondere gevallen, zoals bij Jehova‟s Getuigen, kan Er zijn twee belangrijke strategieën om anemie bij de (premature) neonaat te verminderen <PERSOON> # Uit diverse meta-analyses is gebleken dat laat afnavelen (van minimaal ## seconden.
678
nvog
#,#) na circa # weken Transfusies zijn hiervoor vrijwel nooit geïndiceerd, evenmin is routinematige toediening van ijzer effectief (<PERSOON> ###) Bij prematuren ( <DATUM> gram kan na <DATUM> weken het Hb dalen van ## naar # mmol/L, mede door diagnostische bloedafnamen Zodra volledige enterale voeding mogelijk is, is enterale Intramusculair ijzer heeft geen voordelen boven oraal ijzer (Heese ###) De meeste transfusies worden gegeven aan „very low birth weights‟ (VLBW) kinderen na een zwangerschapsduur ## tot ## weken; dit betreft <DATUM> #% van de geboorten, dat wil zeggen in <LOCATIE> # ###-# ### per jaar Er is er veel onderzoek naar epoëtinetoediening bij prematuren verricht (Aher ###, Ohlsson ###) Meestal was de reductie van de hoeveelheid toegediende allogene erytrocyten de primaire uitkomstmaat Twee Cochrane meta-analyses laten zien dat het klinisch belang van zowel vroege als late toediening van epoëtine zeer beperkt is (Aher ###, Ohlsson ###, Aher ###) Met name bij late epoëtinetoediening is er een gemiddelde reductie van het transfusievolume van # mL/kg ((# neonaten-eenheid EC) (Aher ###) Beide Cochrane reviews concluderen dan ook dat er onvoldoende bewijs is om epoëtinetoediening bij neonatale anemie te adviseren (Aher ###, Ohlsson ###, Aher ###) In bijzondere gevallen, zoals bij Jehova‟s Getuigen, kan Er zijn twee belangrijke strategieën om anemie bij de (premature) neonaat te verminderen <PERSOON> # Uit diverse meta-analyses is gebleken dat laat afnavelen (van minimaal ## seconden bij premature (Rabe ###, ###) als bij à terme neonaten (Hutton ###) Behalve reductie van anemie en bloedtransfusiebehoefte, leidt laat afnavelen ook tot afname van intracraniële of hyperbilirubinemie waarvoor behandeling noodzakelijk is (<PERSOON> ###, <PERSOON> bij prematuren ten gevolge van bloedafnames varieert van #,# tot #,# mL/kg/dag (Alagappan ###, Obladen ###, Nexo ###, Kakaiya ###) Micro-methoden voor laboratorium bloedanalyse zijn van belang om bloedverlies via bloedafnames te verminderen (<PERSOON> van bloedverlies leidt tot Producten voor neonaten hebben speciale houdbaarheidsvoorschriften en bestralingsindicaties In deze paragraaf wordt kort toegelicht waarom dat zo is Alhoewel de cellulaire immuunresponse normaal ontwikkeld is en allogene cellen worden afgestoten, hebben sommige zieke prematuren toch een risico voor TA-GVHD, met name na intra-uteriene transfusies (Parkman ###) Daarom moeten in bepaalde situaties prematuren Het compensatiemechanisme voor volumedepletie is bij prematuren verminderd Na circa ##% volumedepletie is er geen toename van het hartminuutvolume, maar neemt de perifere weerstand toe ter handhaving van de bloeddruk Dit resulteert in slechte weefseloxygenatie, De prematuur is ook gevoelig voor relatief grote hoeveelheden kalium (<LOCATIE> ###) De hemoglobine (Hb) grenswaarde (trigger) waarop men besluit tot bloedtransfusie varieert internationaal en ook tussen neonatale intensive care afdelingen (NICUs) in <LOCATIE> Er zijn weinig RCTs verricht naar de optimale transfusie grenzen bij neonaten, en deze studies zijn vaak moeilijk met elkaar te vergelijken gezien de verschillende methodologische benaderingen (<PERSOON> ###) De kenmerken en resultaten van deze onderzoeken zijn te vinden in de evidence tabel.
703
nvog
Behalve reductie van anemie en bloedtransfusiebehoefte, leidt laat afnavelen ook tot afname van intracraniële of hyperbilirubinemie waarvoor behandeling noodzakelijk is (<PERSOON> ###, <PERSOON> bij prematuren ten gevolge van bloedafnames varieert van #,# tot #,# mL/kg/dag (Alagappan ###, Obladen ###, Nexo ###, Kakaiya ###) Micro-methoden voor laboratorium bloedanalyse zijn van belang om bloedverlies via bloedafnames te verminderen (<PERSOON> van bloedverlies leidt tot Producten voor neonaten hebben speciale houdbaarheidsvoorschriften en bestralingsindicaties In deze paragraaf wordt kort toegelicht waarom dat zo is Alhoewel de cellulaire immuunresponse normaal ontwikkeld is en allogene cellen worden afgestoten, hebben sommige zieke prematuren toch een risico voor TA-GVHD, met name na intra-uteriene transfusies (Parkman ###) Daarom moeten in bepaalde situaties prematuren Het compensatiemechanisme voor volumedepletie is bij prematuren verminderd Na circa ##% volumedepletie is er geen toename van het hartminuutvolume, maar neemt de perifere weerstand toe ter handhaving van de bloeddruk Dit resulteert in slechte weefseloxygenatie, De prematuur is ook gevoelig voor relatief grote hoeveelheden kalium (<LOCATIE> ###) De hemoglobine (Hb) grenswaarde (trigger) waarop men besluit tot bloedtransfusie varieert internationaal en ook tussen neonatale intensive care afdelingen (NICUs) in <LOCATIE> Er zijn weinig RCTs verricht naar de optimale transfusie grenzen bij neonaten, en deze studies zijn vaak moeilijk met elkaar te vergelijken gezien de verschillende methodologische benaderingen (<PERSOON> ###) De kenmerken en resultaten van deze onderzoeken zijn te vinden in de evidence tabel (<PERSOON> ###) is omlaag gegradeerd, aangezien er zeer selectief lijkt te zijn gerapporteerd Uiteindelijk werd er alleen een effect gevonden van een liberaal transfusiebeleid bij een ###) (de zogenaamde PINT-study; Premature Infants in Need of Transfusion) werd geen verschil gevonden tussen een algoritme met een lage Hb-trigger versus een hoge Hb-trigger op diverse klinisch relevante uitkomstmaten In de groep met een lage Hb-trigger hadden minder kinderen een of meer bloedtransfusies nodig dan in de groep met een hoge Hbtrigger, respectievelijk ##% versus ##%, p = # ##) Hoewel er geen significant verschil werd gevonden tussen beide groepen ten aanzien van de lange-termijn psychomotorische ontwikkeling, bleek bij een post-hoc analyse de mentale ontwikkeling in de groep met een Tabel <DATUM> # Evidence tabel triggers voor erytrocytentransfusie bij neonaten *Aspecten van kwaliteit S sequence generation; A allocation concealment; B blinding of participants, personnel and outcome assessors I incomplete outcome data; R selective outcome reporting Gezien de schaarste aan goede studies zijn betrouwbare aanbevelingen ten aanzien van optimale transfusietriggers bij neonaten niet mogelijk Verder onderzoek (met follow-up) naar een restrictiever transfusiebeleid bij premature neonaten is noodzakelijk Handhaven van Hb = # mmol/L bij beademing, waarbij een Ht ) # ## L/L moet Handhaven van Hb ) # mmol/L bij stabiele pasgeborenen met cardiopulmonale Handhaven Hb ) # mmol/L bij stabiele prematuren ( # weken, met name in de eerste vier levensweken kunnen anemie en weefselhypoxie tot apneu leiden Handhaven Hb ) #,# mmol/L bij stabiele prematuren ) # weken (Strauss ###, # #.
650
nvog
gegradeerd, aangezien er zeer selectief lijkt te zijn gerapporteerd Uiteindelijk werd er alleen een effect gevonden van een liberaal transfusiebeleid bij een ###) (de zogenaamde PINT-study; Premature Infants in Need of Transfusion) werd geen verschil gevonden tussen een algoritme met een lage Hb-trigger versus een hoge Hb-trigger op diverse klinisch relevante uitkomstmaten In de groep met een lage Hb-trigger hadden minder kinderen een of meer bloedtransfusies nodig dan in de groep met een hoge Hbtrigger, respectievelijk ##% versus ##%, p = # ##) Hoewel er geen significant verschil werd gevonden tussen beide groepen ten aanzien van de lange-termijn psychomotorische ontwikkeling, bleek bij een post-hoc analyse de mentale ontwikkeling in de groep met een Tabel <DATUM> # Evidence tabel triggers voor erytrocytentransfusie bij neonaten *Aspecten van kwaliteit S sequence generation; A allocation concealment; B blinding of participants, personnel and outcome assessors I incomplete outcome data; R selective outcome reporting Gezien de schaarste aan goede studies zijn betrouwbare aanbevelingen ten aanzien van optimale transfusietriggers bij neonaten niet mogelijk Verder onderzoek (met follow-up) naar een restrictiever transfusiebeleid bij premature neonaten is noodzakelijk Handhaven van Hb = # mmol/L bij beademing, waarbij een Ht ) # ## L/L moet Handhaven van Hb ) # mmol/L bij stabiele pasgeborenen met cardiopulmonale Handhaven Hb ) # mmol/L bij stabiele prematuren ( # weken, met name in de eerste vier levensweken kunnen anemie en weefselhypoxie tot apneu leiden Handhaven Hb ) #,# mmol/L bij stabiele prematuren ) # weken (Strauss ###, <DATUM> Voor correctie van anemie worden in <LOCATIE> verschillende doseringen gehanteerd, variërend van ##-## mL/kg Khodabux et al vonden geen verschil in effectiviteit tussen ## erytrocytenproduct in bewaarvloeistof zelfs aan het einde van de bewaarduur (## dagen) geen probleem, ondanks de hoge kaliumconcentratie () ## mmol/L) Ter reductie van het aantal donor-exposities kan een erytrocytenconcentraat van een donor in een aantal deelporties (meestal # van ##) worden gesplitst in pedipacks (<PERSOON> ###) Een prematuur ontvangt gemiddeld twee (spreiding #-##) pedipacks Voor verdere details ten aanzien compatibiliteitsonderzoek voor bloedtransfusies, zie Tijdens de eerste opvang van een pasgeborene met een zeer ernstige anemie op basis van acute verbloeding kan men middels een partiële wisseltransfusie met ongekruiste <PERSOON> erytrocyten direct post-partum het Hb te verhogen zonder volume belasting te veroorzaken (Gaarne deze referentie nog toevoegen <PERSOON> of severe neonatal anemia due to fetomaternal Met name prematuren ( # ### gram ontvangen vrijwel altijd meerdere niet aanbevolen, maar zou mogelijk het transfusievolume voor late anemie Laat afnavelen leidt zowel bij prematuren als bij à terme neonaten tot een reductie van anemie en bloedtransfusies, zonder verder nadelige Beperking van iatrogene bloedverlies door bloedafnames leidt bij prematuren tot een reductie van anemie en bloedtransfusies Het is onduidelijk of een restrictiever transfusiebeleid bij premature Afnavelen van premature en a terme neonaten dient pas plaats te vinden na minimaal ## seconden tot maximaal <DATUM> minuten na de geboorte.
626
nvog
Voor correctie van anemie worden in <LOCATIE> verschillende doseringen gehanteerd, variërend van ##-## mL/kg Khodabux et al vonden geen verschil in effectiviteit tussen ## erytrocytenproduct in bewaarvloeistof zelfs aan het einde van de bewaarduur (## dagen) geen probleem, ondanks de hoge kaliumconcentratie () ## mmol/L) Ter reductie van het aantal donor-exposities kan een erytrocytenconcentraat van een donor in een aantal deelporties (meestal # van ##) worden gesplitst in pedipacks (<PERSOON> ###) Een prematuur ontvangt gemiddeld twee (spreiding #-##) pedipacks Voor verdere details ten aanzien compatibiliteitsonderzoek voor bloedtransfusies, zie Tijdens de eerste opvang van een pasgeborene met een zeer ernstige anemie op basis van acute verbloeding kan men middels een partiële wisseltransfusie met ongekruiste <PERSOON> erytrocyten direct post-partum het Hb te verhogen zonder volume belasting te veroorzaken (Gaarne deze referentie nog toevoegen <PERSOON> of severe neonatal anemia due to fetomaternal Met name prematuren ( # ### gram ontvangen vrijwel altijd meerdere niet aanbevolen, maar zou mogelijk het transfusievolume voor late anemie Laat afnavelen leidt zowel bij prematuren als bij à terme neonaten tot een reductie van anemie en bloedtransfusies, zonder verder nadelige Beperking van iatrogene bloedverlies door bloedafnames leidt bij prematuren tot een reductie van anemie en bloedtransfusies Het is onduidelijk of een restrictiever transfusiebeleid bij premature Afnavelen van premature en a terme neonaten dient pas plaats te vinden na minimaal ## seconden tot maximaal <DATUM> minuten na de geboorte Bij beademde (premature) neonaten met respiratoire insufficiëntie wordt handhaving Bij stabiele pasgeborenen met cardiopulmonale afwijkingen en zuurstofgebruik wordt Voor neonaten ( # weken geldt een transfusietrigger van # mmol/L; voor neonaten ) # weken is de transfusietrigger ) #,# mmol/L, tenzij er klinische symptomen van anoxemie zijn in welk geval reeds eerder getransfundeerd wordt Verder onderzoek (met follow-up) naar een restrictiever transfusiebeleid bij prematuren is noodzakelijk Bij premature neonaten dient ter correctie van anemie bij voorkeur van pedipacks van een donor (## mL/kg in # uur) gebruik te worden gemaakt, waarbij geen nadere beperking aan de bewaarduur of aan de aanwezigheid van bewaarvloeistof hoeft te worden gesteld, mits de transfusiesnelheid niet hoger dan is dan # mL/kg/uur dienen erytrocyten ( # dagen oud te worden geselecteerd; extra controle Ongeveer <DATUM> van alle erytrocytentransfusies wordt gegeven aan kinderen, hier gedefiniëerd als patiënten jonger dan ##-<LEEFTIJD> jaar (Cobain ###, Stainsby ###) Bij ##% van de kinderen die een transfusie krijgt blijft het aantal transfusies beperkt tot één (Slonim ###) Bij minder dan #% van deze patiënten treedt een „complicatie‟ ten gevolge van een transfusie op (Slonim ###) Recent verscheen een <PERSOON> rapport betreffende ernstige bijwerkingen van bloedtransfusie, specifiek bij kinderen (Stainsby ###) De incidentie van ernstige bijwerkingen wordt in dit rapport geschat op <DATUM> ### transfusies voor kinderen van #-<LEEFTIJD> jaar en dubbel zo groot voor kinderen (<LEEFTIJD> jaar Voorbeelden van ernstige bijwerkingen zijn (in afnemende frequentie) onjuist bloedproduct toegediend, acute of.
649
nvog
neonaten met respiratoire insufficiëntie wordt handhaving Bij stabiele pasgeborenen met cardiopulmonale afwijkingen en zuurstofgebruik wordt Voor neonaten ( # weken geldt een transfusietrigger van # mmol/L; voor neonaten ) # weken is de transfusietrigger ) #,# mmol/L, tenzij er klinische symptomen van anoxemie zijn in welk geval reeds eerder getransfundeerd wordt Verder onderzoek (met follow-up) naar een restrictiever transfusiebeleid bij prematuren is noodzakelijk Bij premature neonaten dient ter correctie van anemie bij voorkeur van pedipacks van een donor (## mL/kg in # uur) gebruik te worden gemaakt, waarbij geen nadere beperking aan de bewaarduur of aan de aanwezigheid van bewaarvloeistof hoeft te worden gesteld, mits de transfusiesnelheid niet hoger dan is dan # mL/kg/uur dienen erytrocyten ( # dagen oud te worden geselecteerd; extra controle Ongeveer <DATUM> van alle erytrocytentransfusies wordt gegeven aan kinderen, hier gedefiniëerd als patiënten jonger dan ##-<LEEFTIJD> jaar (Cobain ###, Stainsby ###) Bij ##% van de kinderen die een transfusie krijgt blijft het aantal transfusies beperkt tot één (Slonim ###) Bij minder dan #% van deze patiënten treedt een „complicatie‟ ten gevolge van een transfusie op (Slonim ###) Recent verscheen een <PERSOON> rapport betreffende ernstige bijwerkingen van bloedtransfusie, specifiek bij kinderen (Stainsby ###) De incidentie van ernstige bijwerkingen wordt in dit rapport geschat op <DATUM> ### transfusies voor kinderen van #-<LEEFTIJD> jaar en dubbel zo groot voor kinderen (<LEEFTIJD> jaar Voorbeelden van ernstige bijwerkingen zijn (in afnemende frequentie) onjuist bloedproduct toegediend, acute of Kinderen ouder dan vier maanden krijgen vooral erytrocytentransfusies op de IC, rondom operaties, vanwege bloedverlies bij trauma, in verband met (behandeling voor) kanker, sikkelcelziekte, thalassemie of een primaire beenmergaandoening die gepaard gaat met (onder andere) onvoldoende rode cel productie Erytrocytentransfusies voor neonaten worden behandeld in paragraaf <DATUM> erytrocytentransfusies in acute situaties in hoofdstuk # Er zijn nauwelijks of geen studies die verschillende erytrocytentransfusietriggers voor kinderen ouder dan vier maanden met elkaar hebben vergeleken Derhalve berusten richtlijnen voor deze categorie kinderen grotendeels op empirie of zijn afgeleid van studies bij volwassenen De beste en meest recente buitenlandse richtlijn betreffende erytrocytentransfusies voor neonaten en oudere kinderen komt uit het Verenigd Koninkrijk (Gibson ###) Meestal worden erytrocytentransfusies gegeven bij Hb-waarden tussen de # # en # # mmol/L; de indicatie wordt mede bepaald door de symptomatologie (<PERSOON> ###, Gibson De normaalwaarden voor Hb liggen lager bij kinderen Er is vooralsnog geen bewijs dat de bovengrenzen voor het Hb die bij volwassenen met nierinsufficiëntie worden aangehouden Viele MK, Weiskopf RB What can we learn about the need for transfusion from patients who refuse blood? <PERSOON> experience with Jehova‟s Witness Transfusion ###;#<DATUM> ### Weiskopf RB, Viele MK, Feiner J, <PERSOON> M, et al Human cardiovascular and metabolic response to acute, severe isovolemic anemia JAMA Andrews CM, Lane DW, <PERSOON> JG Iron-preload for major joint replacement Transfus Med Fotland SS Transfus Aspher Sci ##<DATUM> (ePub ahead of print ).
660
nvog
vooral erytrocytentransfusies op de IC, rondom operaties, vanwege bloedverlies bij trauma, in verband met (behandeling voor) kanker, sikkelcelziekte, thalassemie of een primaire beenmergaandoening die gepaard gaat met (onder andere) onvoldoende rode cel productie Erytrocytentransfusies voor neonaten worden behandeld in paragraaf <DATUM> erytrocytentransfusies in acute situaties in hoofdstuk # Er zijn nauwelijks of geen studies die verschillende erytrocytentransfusietriggers voor kinderen ouder dan vier maanden met elkaar hebben vergeleken Derhalve berusten richtlijnen voor deze categorie kinderen grotendeels op empirie of zijn afgeleid van studies bij volwassenen De beste en meest recente buitenlandse richtlijn betreffende erytrocytentransfusies voor neonaten en oudere kinderen komt uit het Verenigd Koninkrijk (Gibson ###) Meestal worden erytrocytentransfusies gegeven bij Hb-waarden tussen de # # en # # mmol/L; de indicatie wordt mede bepaald door de symptomatologie (<PERSOON> ###, Gibson De normaalwaarden voor Hb liggen lager bij kinderen Er is vooralsnog geen bewijs dat de bovengrenzen voor het Hb die bij volwassenen met nierinsufficiëntie worden aangehouden Viele MK, Weiskopf RB What can we learn about the need for transfusion from patients who refuse blood? <PERSOON> experience with Jehova‟s Witness Transfusion ###;#<DATUM> ### Weiskopf RB, Viele MK, Feiner J, <PERSOON> M, et al Human cardiovascular and metabolic response to acute, severe isovolemic anemia JAMA Andrews CM, Lane DW, <PERSOON> JG Iron-preload for major joint replacement Transfus Med Fotland SS Transfus Aspher Sci ##<DATUM> (ePub ahead of print ) Prevalence of iron deficiency <PERSOON> MD, Spivak JL Decreased erythropoietin response in patients with anemia of cancer <PERSOON> frequency of red cell transfusions for anemia in patients receiving chemotherapy <PERSOON> frequency of red cell transfusion for anemia in patients receiving chemotherapy A retrospective cohort study <PERSOON> AM Incidence of red blood cell antibodies after multiple <PERSOON> AM van Alloimmunization after blood transfusions in patients Consensus development panel morbidity and mortality of renal dialysis an NIH consensus <PERSOON-##> BG Improvements in quality of life following treatment with rHuEPO in anemic <PERSOON-##> quality of life of hemodialysis recipients treated with recombinant human erythropoietin <PERSOON> Cooperative multicenter EPO Trial JAMA NKF-DOQI clinical practice guidelines for the treatment of anemia of chronic renal failure <PERSOON-##> of safety database for long term epoetin-beta treatment <PERSOON-##> analysis covering ### patients In <PERSOON-##> G (eds) Pathogenic and therapeutic aspects of chronic renal failure <PERSOON-##>, ### p ###-## <PERSOON-##> red cell aplasia and recombinant erythropoietin <PERSOON-##> J Med.
564
nvog
<PERSOON> MD, Spivak JL Decreased erythropoietin response in patients with anemia of cancer <PERSOON> frequency of red cell transfusions for anemia in patients receiving chemotherapy <PERSOON> frequency of red cell transfusion for anemia in patients receiving chemotherapy A retrospective cohort study <PERSOON> AM Incidence of red blood cell antibodies after multiple <PERSOON> AM van Alloimmunization after blood transfusions in patients Consensus development panel morbidity and mortality of renal dialysis an NIH consensus <PERSOON> BG Improvements in quality of life following treatment with rHuEPO in anemic <PERSOON> quality of life of hemodialysis recipients treated with recombinant human erythropoietin <PERSOON> Cooperative multicenter EPO Trial JAMA NKF-DOQI clinical practice guidelines for the treatment of anemia of chronic renal failure <PERSOON> of safety database for long term epoetin-beta treatment <PERSOON-##> analysis covering ### patients In <PERSOON-##> G (eds) Pathogenic and therapeutic aspects of chronic renal failure <PERSOON-##>, ### p ###-## <PERSOON-##> red cell aplasia and recombinant erythropoietin <PERSOON-##> J Med Viral activation transfusion study group Leukocyte-reduced red blood cell transfusionsin patients with anemia <PERSOON-##> CF, et al Intravenous iron and erythropoietin for anemia associated with Crohn‟s disease Double blind placebo-controlled trial <PERSOON-##> JG, Sutherland LR Perioperative blood transfusion does not prevent recurrence in Crohn‟s disease A pooled analysis <PERSOON-##> en parvovirus Den Haag Gezondheidsraad, ### Database of Systematic Reviews ###, Issue # <PERSOON-##> for women with postpartum iron deficiency <PERSOON-##> WE IJzergebrek bij premenopauzale vrouwen en criterium voor ijzersuppletie Guidelines on the clinical use of leucocyte-depleted blood components British Committee for Standards in Haematology, Blood Transfusion Task Force Transfus Med ###;# ##-## Hofmeyr GJ, Mohlala BK Hypovolaemic shock <PERSOON-##> WCJ, DJ van <LOCATIE> DJ, Schipperus <PERSOON-##> of a restrictive red-cell transfusion policy for patients treated with intensive chemotherapy for acute <PERSOON-##> ES, DeChristopher PJ, <PERSOON-##> GC, et al Practice parameter for the use of red blood cell transfusions developed by the Red Blood Cell Administration Practice Guideline Development Task Force of the College of <PERSOON-##> of human parvovirus <PERSOON-##> GJ Treatments for iron-deficiency anaemia in pregnancy RHL incompatible plasma may exacerbate regimen-related toxicity Transfusion ###;##.
549
nvog
cell transfusionsin patients with anemia <PERSOON> CF, et al Intravenous iron and erythropoietin for anemia associated with Crohn‟s disease Double blind placebo-controlled trial <PERSOON> JG, Sutherland LR Perioperative blood transfusion does not prevent recurrence in Crohn‟s disease A pooled analysis <PERSOON> en parvovirus Den Haag Gezondheidsraad, ### Database of Systematic Reviews ###, Issue # <PERSOON> for women with postpartum iron deficiency <PERSOON> WE IJzergebrek bij premenopauzale vrouwen en criterium voor ijzersuppletie Guidelines on the clinical use of leucocyte-depleted blood components British Committee for Standards in Haematology, Blood Transfusion Task Force Transfus Med ###;# ##-## Hofmeyr GJ, Mohlala BK Hypovolaemic shock <PERSOON> WCJ, DJ van <LOCATIE> DJ, Schipperus <PERSOON> of a restrictive red-cell transfusion policy for patients treated with intensive chemotherapy for acute <PERSOON> ES, DeChristopher PJ, <PERSOON> GC, et al Practice parameter for the use of red blood cell transfusions developed by the Red Blood Cell Administration Practice Guideline Development Task Force of the College of <PERSOON-##> of human parvovirus <PERSOON-##> GJ Treatments for iron-deficiency anaemia in pregnancy RHL incompatible plasma may exacerbate regimen-related toxicity Transfusion ###;## Bolan CD, Childs RW, Proctor JL, Barrett AJ, Leitman SF Massive immune hemolysis after allogeneic peripheral blood stem cell transplantation with minor ABO incompatibility <PERSOON-##> K, et al Rapid engraftment after ABO-incompatible peripheral blood progenitor cell transplantation complicated by severe <PERSOON-##> JF ABO incompatible marrow transplant Transfusion <PERSOON-##> FE, <PERSOON-##> JM, et al Late onset haemolysis and red cell autoimmunisation after allogeneic bone marrow transplant <PERSOON-##> JL Autoimmune hemolytic anemia following T cell-depleted allogeneic bone marrow transplantation Bone Marrow Transplant Fitzgerald JM, Conn JS, Proctor SJ Severe hemolysis complicating the rapid engraftment of a minor ABO mismatched peripheral blood stem cell allogenic transplant [<PERSOON-##> EM, Lyddane NR, et al Hemolysis of transfused group O red blood cells in minor ABO-incompatible unrelated-donor bone marrow transplants in patients receiving cyclosporine without posttransplant methotrexate <PERSOON-##> PJ De novo mismatched related donor bone marrow transplant Bone Marrow Transplant ###;<DATUM> # Greeno EW, <PERSOON-##> EH, Ilstrup SJ, Weisdorf DJ Exchange transfusion the hard way massive hemolysis following transplantation of bone marrow with minor ABO incompatibility <PERSOON-##> second century of ABO.
539
nvog
Bolan CD, Childs RW, Proctor JL, Barrett AJ, Leitman SF Massive immune hemolysis after allogeneic peripheral blood stem cell transplantation with minor ABO incompatibility <PERSOON> K, et al Rapid engraftment after ABO-incompatible peripheral blood progenitor cell transplantation complicated by severe <PERSOON> JF ABO incompatible marrow transplant Transfusion <PERSOON> FE, <PERSOON> JM, et al Late onset haemolysis and red cell autoimmunisation after allogeneic bone marrow transplant <PERSOON> JL Autoimmune hemolytic anemia following T cell-depleted allogeneic bone marrow transplantation Bone Marrow Transplant Fitzgerald JM, Conn JS, Proctor SJ Severe hemolysis complicating the rapid engraftment of a minor ABO mismatched peripheral blood stem cell allogenic transplant [<PERSOON> EM, Lyddane NR, et al Hemolysis of transfused group O red blood cells in minor ABO-incompatible unrelated-donor bone marrow transplants in patients receiving cyclosporine without posttransplant methotrexate <PERSOON> PJ De novo mismatched related donor bone marrow transplant Bone Marrow Transplant ###;<DATUM> # Greeno EW, <PERSOON> EH, Ilstrup SJ, Weisdorf DJ Exchange transfusion the hard way massive hemolysis following transplantation of bone marrow with minor ABO incompatibility <PERSOON> second century of <PERSOON-##> RP, <PERSOON-##> J ABH antigens and bone marrow transplantation <PERSOON-##> hemolytic anemia in patients with SCID after T cell-depleted BM and PBSC transplantation <PERSOON-##> K, <PERSOON-##>-derived red blood cell antibodies in immune hemolysis after bone marrow transplantation <PERSOON-##> K, <PERSOON-##> I, et al Donor derived red blood cell antibodies and immune hemolysis after allogeneic bone marrow <PERSOON-##> K, <PERSOON-##> I, et al Donor-derived Klumpp TR Complications of peripheral blood stem cell transplantation <PERSOON-##> Z, et al Antithymocyte globulin for treatment of pure red cell aplasia after major ABO-incompatible transplantation <PERSOON-##> peripheral blood hematopoietic stem cell transplantation guidelines for red blood cell immuno-hematological assessment and transfusion practice Societe Francaise de Greffe de <PERSOON-##> of the hematopoietic stem cell source on early immunohematologic reconstitution after allogeneic <PERSOON-##> MJ, et al Massive delayed hemolysis following peripheral blood stem cell transplantation with minor ABO.
470
nvog
RP, <PERSOON> J ABH antigens and bone marrow transplantation <PERSOON> hemolytic anemia in patients with SCID after T cell-depleted BM and PBSC transplantation <PERSOON> K, <PERSOON>-derived red blood cell antibodies in immune hemolysis after bone marrow transplantation <PERSOON> K, <PERSOON> I, et al Donor derived red blood cell antibodies and immune hemolysis after allogeneic bone marrow <PERSOON> K, <PERSOON> I, et al Donor-derived Klumpp TR Complications of peripheral blood stem cell transplantation <PERSOON> Z, et al Antithymocyte globulin for treatment of pure red cell aplasia after major ABO-incompatible transplantation <PERSOON> peripheral blood hematopoietic stem cell transplantation guidelines for red blood cell immuno-hematological assessment and transfusion practice Societe Francaise de Greffe de <PERSOON-##> of the hematopoietic stem cell source on early immunohematologic reconstitution after allogeneic <PERSOON-##> MJ, et al Massive delayed hemolysis following peripheral blood stem cell transplantation with minor ABO Erythropoietin in the treatment for delayed immune hemolysis in a major ABO incompatible transplant <PERSOON-##> JG, Singer R, <PERSOON-##> autoimmune pancytopenia following bone marrow transplantation for aplastic anemia <PERSOON-##> G ABO-bidirectional incompatibility in PBSCT A case of <PERSOON-##> donor type isoagglutination production after allogeneic peripheral progenitor transplantation Beitr Infusionsther Transfusionsmed Ockelford PA, Hill RS, <PERSOON-##> HA, Woodfield DG, Matthews JR Serological complications of a major ABO incompatible bone marrow transplantation in a Polynesian with <PERSOON-##> F, et al Early and fatal hemolysis after so-called minor ABO-incompatible stem cell allotransplantation <PERSOON-##> of ABO-incompatible bone marrow and peripheral blood stem cell components <PERSOON-##> massive immune hemolysis mediated by minor ABO-incompatibility after allo peripheral blood stem cell <PERSOON-##> B-lymphocyte-induced severe hemolytic disease after allogeneic peripheral blood stem cell transplantation <PERSOON-##> JH Severe delayed <PERSOON-##> J, <PERSOON-##> S, et al Consensus conference on the treatment of aplastic anemia <PERSOON-##> ###;#<DATUM> ##.
449
nvog
major ABO incompatible transplant <PERSOON> JG, Singer R, <PERSOON> autoimmune pancytopenia following bone marrow transplantation for aplastic anemia <PERSOON> G ABO-bidirectional incompatibility in PBSCT A case of <PERSOON> donor type isoagglutination production after allogeneic peripheral progenitor transplantation Beitr Infusionsther Transfusionsmed Ockelford PA, Hill RS, <PERSOON> HA, Woodfield DG, Matthews JR Serological complications of a major ABO incompatible bone marrow transplantation in a Polynesian with <PERSOON> F, et al Early and fatal hemolysis after so-called minor ABO-incompatible stem cell allotransplantation <PERSOON> of ABO-incompatible bone marrow and peripheral blood stem cell components <PERSOON> massive immune hemolysis mediated by minor ABO-incompatibility after allo peripheral blood stem cell <PERSOON> B-lymphocyte-induced severe hemolytic disease after allogeneic peripheral blood stem cell transplantation <PERSOON-##> JH Severe delayed <PERSOON-##> J, <PERSOON-##> S, et al Consensus conference on the treatment of aplastic anemia <PERSOON-##> for patients with malignant disease Cochrane Database Syst Rev ###; # Bohlius J, <PERSOON-##> J, et al Erythropoietin or darbepoietin for patients with cancer <PERSOON-##> A, et al EORTC guidelines for the use of erythropoietic proteins in anaemic patients with cancer ### update <PERSOON-##> B, <PERSOON-##> alfa improves quality of life in patients <PERSOON-##> of epoetin alfa on hematologic parameters and quality of life in cancer patients <PERSOON-##> alfa corrects anemia and improves quality of life in patients with hematologic malignancies receiving non-platinum chemotherapy <PERSOON-##>, and Recommendations use of erythropoiesisstimulating agents (ESA epoetin alfa, epoetin beta, and darbepoetin) for the management of anemia in children with cancer <PERSOON-##> U, et al Recombinant human erythropoietin in the treatment of chemotherapy-induced anemia and prevention of transfusion requirement associated with solid tumors a randomized, controlled study <PERSOON-##>.
418
nvog
###; # Bohlius J, <PERSOON> J, et al Erythropoietin or darbepoietin for patients with cancer <PERSOON> A, et al EORTC guidelines for the use of erythropoietic proteins in anaemic patients with cancer ### update <PERSOON> B, <PERSOON> alfa improves quality of life in patients <PERSOON> of epoetin alfa on hematologic parameters and quality of life in cancer patients <PERSOON> alfa corrects anemia and improves quality of life in patients with hematologic malignancies receiving non-platinum chemotherapy <PERSOON>, and Recommendations use of erythropoiesisstimulating agents (ESA epoetin alfa, epoetin beta, and darbepoetin) for the management of anemia in children with cancer <PERSOON> U, et al Recombinant human erythropoietin in the treatment of chemotherapy-induced anemia and prevention of transfusion requirement associated with solid tumors a randomized, controlled study <PERSOON> the significance of changes in <PERSOON-##> CL, Cella D, et al Use of epoetin in patients with cancer evidence-based clinical practice guidelines of the American Society of Clinical Oncology and the American Society of Hematology Blood ###;### ###-## Bohlius J, <PERSOON> J et al Erythropoietin or darbepoetin for patients with cancer <PERSOON-##> J et al Recombinant human erythropoiesis-stimulating agents and mortality in patients with cancer a metaanalysis of randomised trials <PERSOON-##> JA, Gilliland DG, Prchal JT, Bennett JM, Larholt K, <PERSOON-##> RA, Dugan MH Effect of recombinant human erythopoietin combined with granulocyte/macrophage colonystimulating factor in the treatment of patients with myelodysplastic syndromes <PERSOON-##> S, et al Is recombinant human erythropoietin treatment in myelodysplasia syndromes worthwhile? Leuk <PERSOON-##> NL, et al Subcutaneous erythropoietin for treatment of refractory anemia in hematologic disorders Results of a phase <PERSOON-##> C, <PERSOON-##> of response to recombinant human erythropoietin <PERSOON-##> D, et al High dosis of.
421
nvog