text stringlengths 80 6.25k | text_len int64 32 3.12k | src stringclasses 7 values |
|---|---|---|
positieve ademtest werden gerandomiseerd tussen eradicatie of placebo Ook hier werd een significante reductie van het risico op een ulcus na zes maanden vastgesteld In een korte (een maand) en kleine (## patiënten) studie vond Pilotto dat pantoprazol gedurende vier <PERSOON> prevention of chronic NSAID induced upper gastrointestinal toxicity a Cochrane collaboration meta-analysis of randomized controlled trials <PERSOON> E, et al Prevention of NSAID-induced gastroduodenal ulcers (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software <PERSOON> of acute NSAID-related gastroduodenal damage a meta- analysis of controlled clinical trials Dig Dis Sci ###;##(#) ###-## Sievert W, <PERSOON> AI, <PERSOON> JR, Peacock T Low-dose antacids and nonsteroidal anti-inflammatory drug-induced <PERSOON> S, <PERSOON> DY, White RH, <PERSOON> JA, et al Misoprostol compared with sucralfate in the prevention of nonsteroidal anti-inflammatory drug-induced gastric ulcer A randomized, controlled trial <PERSOON-##> FE, <PERSOON> DY, Senior JR, et al Misoprostol reduces serious gastrointestinal complications in patients with rheumatoid arthritis receiving nonsteroidal anti-inflammatory drugs A randomized, double-blind, placebocontrolled trial <PERSOON-##> FK, Sung JJ, <PERSOON-##> JC, <PERSOON-##> WK, et al vs nabumetone to prevent recurrent upper gastrointestinal haemorrhage in users of non-steroidal anti-inflammatory <PERSOON-##> AJ, Weaver AL, Bocanegra TS, Ball J, et al Comparison of the upper gastrointestinal safety of Arthrotec ## and nabumetone in osteoarthritis patients at high risk for developing nonsteroidal anti-inflammatory <PERSOON> DY, Agrawal NM, Campbell <PERSOON-##> NL, et al Ulcer prevention in long-term users of nonsteroidal anti-inflammatory drugs results of a double-blind, randomized, multicenter, active- and placebocontrolled study of misoprostol vs lansoprazole Arch Intern Med ###;###(#) ###-## Hawkey CJ, Karrasch JA, Szczepanski L, et al Omeprazole compared to misoprostol for ulcers associated with nonsteroidal anti-inflammatory drugs <PERSOON-##> I, <PERSOON-##> JM, Rensburg CJ van, et al A comparison of omeprazole with ranitidine for ulcers associated with nonsteroidal anti-inflammatory drugs Acid Suppression Trial Ranitidine versus Omeprazole for NSAID-associated Ulcer Treatment (ASTRONAUT) <PERSOON-##> J Med ## Jensen D, <PERSOON-##> S, et al (abstract) A randomised study of omeprazole compared to misoprostol for prevention of recurrent ulcers and ulcer hemorrhage in high risk patients ingesting aspirin or NSAIDâs <PERSOON-##> of pantoprazole in the prevention of ## <PERSOON-##> FK, Sung JJ, <PERSOON-##> SC, et al Randomised trial of eradication of Helicobacter pylori before non-steroidal antiinflammatory drug therapy to prevent peptic ulcers.
| 619 | nvmdl |
recurrent upper gastrointestinal haemorrhage in users of non-steroidal anti-inflammatory <PERSOON> AJ, Weaver AL, Bocanegra TS, Ball J, et al Comparison of the upper gastrointestinal safety of Arthrotec ## and nabumetone in osteoarthritis patients at high risk for developing nonsteroidal anti-inflammatory <PERSOON> DY, Agrawal NM, Campbell <PERSOON> NL, et al Ulcer prevention in long-term users of nonsteroidal anti-inflammatory drugs results of a double-blind, randomized, multicenter, active- and placebocontrolled study of misoprostol vs lansoprazole Arch Intern Med ###;###(#) ###-## Hawkey CJ, Karrasch JA, Szczepanski L, et al Omeprazole compared to misoprostol for ulcers associated with nonsteroidal anti-inflammatory drugs <PERSOON> I, <PERSOON> JM, Rensburg CJ van, et al A comparison of omeprazole with ranitidine for ulcers associated with nonsteroidal anti-inflammatory drugs Acid Suppression Trial Ranitidine versus Omeprazole for NSAID-associated Ulcer Treatment (ASTRONAUT) <PERSOON> J Med ## Jensen D, <PERSOON> S, et al (abstract) A randomised study of omeprazole compared to misoprostol for prevention of recurrent ulcers and ulcer hemorrhage in high risk patients ingesting aspirin or NSAIDâs <PERSOON> of pantoprazole in the prevention of ## <PERSOON> FK, Sung JJ, <PERSOON-##> SC, et al Randomised trial of eradication of Helicobacter pylori before non-steroidal antiinflammatory drug therapy to prevent peptic ulcers ##<DATUM> <PERSOON> FK, <PERSOON-##> JC, <PERSOON-##> VK, et al Celecoxib versus diclofenac and omeprazole in reducing the risk of recurrent ulcer bleeding in patients with arthritis <PERSOON-##> CJ van, <PERSOON-##> A, et al Randomised controlled trial of Helicobacter pylori eradication in patients on non-steroidal anti-inflammatory drugs HELP (<PERSOON-##> FK, <PERSOON-##> SC, Suen BY, <PERSOON-##> VK, et al Preventing recurrent upper gastrointestinal bleeding in patients with Helicobacter pylori infection who are taking low-dose aspirin or naproxen <PERSOON-##> WK, <PERSOON-##> T, et al Eradication of Helicobacter pylori and risk of peptic ## <PERSOON-##> M, <PERSOON-##> B, et al Pantoprazole versus one-week Helicobacter pylori eradication therapy for the prevention of acute NSAID-related gastroduodenal damage in elderly ## Pounder RE Helicobacter pylori and NSAIDs-the end of the debate? Lancet ###;##<DATUM> # Er is veel literatuur betreffende de effectiviteit van individuele middelen ter preventie van maagschade, maar geen onderzoek naar de effectiviteit of doelmatigheid van strategieën (met weging van risicofactoren) hiervoor Daarom heeft de werkgroep getracht om op grond van de in het voorgaande beschreven deelvragen een strategie te formuleren Ook is kennis genomen.
| 590 | nvmdl |
##<DATUM> <PERSOON> FK, <PERSOON> JC, <PERSOON> VK, et al Celecoxib versus diclofenac and omeprazole in reducing the risk of recurrent ulcer bleeding in patients with arthritis <PERSOON> CJ van, <PERSOON> A, et al Randomised controlled trial of Helicobacter pylori eradication in patients on non-steroidal anti-inflammatory drugs HELP (<PERSOON> FK, <PERSOON> SC, Suen BY, <PERSOON> VK, et al Preventing recurrent upper gastrointestinal bleeding in patients with Helicobacter pylori infection who are taking low-dose aspirin or naproxen <PERSOON> WK, <PERSOON-##> T, et al Eradication of Helicobacter pylori and risk of peptic ## <PERSOON-##> M, <PERSOON-##> B, et al Pantoprazole versus one-week Helicobacter pylori eradication therapy for the prevention of acute NSAID-related gastroduodenal damage in elderly ## Pounder RE Helicobacter pylori and NSAIDs-the end of the debate? Lancet ###;##<DATUM> # Er is veel literatuur betreffende de effectiviteit van individuele middelen ter preventie van maagschade, maar geen onderzoek naar de effectiviteit of doelmatigheid van strategieën (met weging van risicofactoren) hiervoor Daarom heeft de werkgroep getracht om op grond van de in het voorgaande beschreven deelvragen een strategie te formuleren Ook is kennis genomen In hoofdstuk # is nagegaan welke risicofactoren moeten worden overwogen bij het voorschrijven van een NSAID Daarbij is vastgesteld dat het aannemelijk is dat de grootte van het risico voor de maag toeneemt naarmate er meer risicofactoren simultaan aanwezig zijn en de leeftijd hoger is In de conceptrichtlijn werd om praktische redenen voorgesteld om preventieve maatregelen te nemen indien één risicofactor aanwezig is In reacties hierop werd gesteld dat praktisch werkzame artsen in staat zijn om op grond van meerdere risicofactoren de mate van verhoging van het risico op maag- of duodenum ulceratie te beoordelen Omdat een strikte indeling van risicofactoren naar zwaarte niet mogelijk is op grond van de in hoofdstuk # beschreven relatieve risicoâs, worden in de aanbeveling twee klassen van risicofactoren onderscheiden Dit doet recht aan de inschatting, dat bijvoorbeeld een eerder doorgemaakt ulcus en leeftijd boven <LEEFTIJD> jaar belangrijker zijn dan diabetes mellitus of hartfalen Indien een NSAID wordt voorgeschreven dient de arts na te gaan of er sprake is van Maatregelen ter preventie van maagschade worden aanbevolen indien er sprake is van Maatregelen ter preventie dienen te worden overwogen indien sprake is van De genoemde risicofactoren werken cumulatief, dus het risico stijgt als er meerdere Wanneer een NSAID wordt gestart en de risicofactoren zijn nagegaan, ontstaat een complex keuzemoment Naast de risicofactoren moet de arts immers ook doseringsgemak en daarmee De werkgroep heeft in haar discussies getracht de belangrijkste van deze factoren mee te wegen, waarbij opnieuw moet worden opgemerkt dat voor complexe keuzemomenten als.
| 544 | nvmdl |
moeten worden overwogen bij het voorschrijven van een NSAID Daarbij is vastgesteld dat het aannemelijk is dat de grootte van het risico voor de maag toeneemt naarmate er meer risicofactoren simultaan aanwezig zijn en de leeftijd hoger is In de conceptrichtlijn werd om praktische redenen voorgesteld om preventieve maatregelen te nemen indien één risicofactor aanwezig is In reacties hierop werd gesteld dat praktisch werkzame artsen in staat zijn om op grond van meerdere risicofactoren de mate van verhoging van het risico op maag- of duodenum ulceratie te beoordelen Omdat een strikte indeling van risicofactoren naar zwaarte niet mogelijk is op grond van de in hoofdstuk # beschreven relatieve risicoâs, worden in de aanbeveling twee klassen van risicofactoren onderscheiden Dit doet recht aan de inschatting, dat bijvoorbeeld een eerder doorgemaakt ulcus en leeftijd boven <LEEFTIJD> jaar belangrijker zijn dan diabetes mellitus of hartfalen Indien een NSAID wordt voorgeschreven dient de arts na te gaan of er sprake is van Maatregelen ter preventie van maagschade worden aanbevolen indien er sprake is van Maatregelen ter preventie dienen te worden overwogen indien sprake is van De genoemde risicofactoren werken cumulatief, dus het risico stijgt als er meerdere Wanneer een NSAID wordt gestart en de risicofactoren zijn nagegaan, ontstaat een complex keuzemoment Naast de risicofactoren moet de arts immers ook doseringsgemak en daarmee De werkgroep heeft in haar discussies getracht de belangrijkste van deze factoren mee te wegen, waarbij opnieuw moet worden opgemerkt dat voor complexe keuzemomenten als De aanbevelingen van de werkgroep, die als praktisch leidraad kunnen dienen voor voorschrijvende artsen, is samengevat in figuur # De afzonderlijke elementen staan in de blokken eronder vermeld gebruik van COX-#-selectieve middelen gepaard gaat met een weer toenemend risico op maagulceratie De thans aanmerkelijk hogere kosten van COX-#-selectieve middelen (inleiding, tabel #a) rechtvaardigen dan ook alleen toepassing bij patiënten met een verhoogd risico Voor patiënten die (voor kortere of langere duur) een NSAID nodig hebben en bij wie geen sprake is van een verhoogd risico voor de maag, verdienen op grond van ruime klinische ervaring en de lage kostprijs (###) conventionele NSAIDâs in de laagst Beleid indien er een verhoogd risico op maagulceratie bestaat Een verhoogd risico heeft consequenties voor het voorschrijfbeleid In dit geval zijn de volgende Als er geen verhoogd risico op maagschade is, verdienen die NSAIDâs de voorkeur waarmee ruime klinische ervaring is opgedaan en die het laagst geprijsd zijn Dit zijn ten tijde van het verschijnen van deze richtlijn de conventionele NSAIDâs, waarbij aannemelijk is dat ibuprofen de maag het minst onveilig zijn # Het ligt voor de hand om bij elke patiënt met noodzakelijk Hoewel een COX-#-selectief NSAID bij alle patiënten een aantrekkelijke keuze lijkt te zijn, is de werkgroep van mening dat terughoudendheid nog gepast is, omdat de beschikbare gegevens studies van relatief beperkte duur betreffen Waar de druk tot presteren toe kan leiden illustreert de CLASS-studie en de kritiek daarop # Er zijn suggesties gedaan, dat langerdurend.
| 562 | nvmdl |
de werkgroep, die als praktisch leidraad kunnen dienen voor voorschrijvende artsen, is samengevat in figuur # De afzonderlijke elementen staan in de blokken eronder vermeld gebruik van COX-#-selectieve middelen gepaard gaat met een weer toenemend risico op maagulceratie De thans aanmerkelijk hogere kosten van COX-#-selectieve middelen (inleiding, tabel #a) rechtvaardigen dan ook alleen toepassing bij patiënten met een verhoogd risico Voor patiënten die (voor kortere of langere duur) een NSAID nodig hebben en bij wie geen sprake is van een verhoogd risico voor de maag, verdienen op grond van ruime klinische ervaring en de lage kostprijs (###) conventionele NSAIDâs in de laagst Beleid indien er een verhoogd risico op maagulceratie bestaat Een verhoogd risico heeft consequenties voor het voorschrijfbeleid In dit geval zijn de volgende Als er geen verhoogd risico op maagschade is, verdienen die NSAIDâs de voorkeur waarmee ruime klinische ervaring is opgedaan en die het laagst geprijsd zijn Dit zijn ten tijde van het verschijnen van deze richtlijn de conventionele NSAIDâs, waarbij aannemelijk is dat ibuprofen de maag het minst onveilig zijn # Het ligt voor de hand om bij elke patiënt met noodzakelijk Hoewel een COX-#-selectief NSAID bij alle patiënten een aantrekkelijke keuze lijkt te zijn, is de werkgroep van mening dat terughoudendheid nog gepast is, omdat de beschikbare gegevens studies van relatief beperkte duur betreffen Waar de druk tot presteren toe kan leiden illustreert de CLASS-studie en de kritiek daarop # Er zijn suggesties gedaan, dat langerdurend - misoprostol, waarbij de een combinatiepreparaat om praktische redenen de voorkeur heeft; - protonpompremmer, zonder voorkeur voor een bepaald middel uit deze groep; Een selectieve COX-#-remmer Een kleinere kans op klinisch relevante maagulcera is vooral voor rofecoxib bewezen Voor celecoxib is dit aannemelijk, wat betreft meloxicam en nabumetone is er onvoldoende bewijs voor âmaagveiligheidâ op grond van harde klinische eindpunten âOnvoldoende bewijsâ betekent in dit geval, dat er geen onderzoek van voldoende Tussen deze mogelijkheden kan niet alleen op grond van het aspect maagveiligheid een keuze worden gemaakt Juist omdat NSAIDâs doorgaans aan oudere patiënten of mensen met relevante comorbiditeit worden voorgeschreven, spelen comedicatie en de overigens in deze richtlijn onbesproken cardiovasculaire en/of renale bijwerkingen van NSAIDâs een rol Het soort risicofactor bepaalt ten dele de te volgen strategie Bij een doorgemaakt ulcuslijden met een nog onbehandelde H pylori-infectie of als de patiënt met acetylsalicylzuur of coumarines Er zijn onvoldoende argumenten om bij alle patiënten aan wie een NSAID wordt voorgeschreven preventief onderzoek naar een H pylori-infectie te verrichten Bij patiënten met een doorgemaakt ulcuslijden, bij wie nooit onderzoek naar H pylori is verricht en die geen H pylori-eradicatietherapie hebben gebruikt, is dit naar het oordeel van de werkgroep wel zinvol In dat geval dient een âtest and treatâ beleid te worden gevolgd conform de actuele standaarden van zorg Een aangetoonde H pylori-infectie dient bij voorkeur te worden behandeld alvorens NSAIDtherapie wordt gestart Met nadruk wordt erop gewezen, dat er een verhoogd risico op maagcomplicaties blijft.
| 595 | nvmdl |
om praktische redenen de voorkeur heeft; - protonpompremmer, zonder voorkeur voor een bepaald middel uit deze groep; Een selectieve COX-#-remmer Een kleinere kans op klinisch relevante maagulcera is vooral voor rofecoxib bewezen Voor celecoxib is dit aannemelijk, wat betreft meloxicam en nabumetone is er onvoldoende bewijs voor âmaagveiligheidâ op grond van harde klinische eindpunten âOnvoldoende bewijsâ betekent in dit geval, dat er geen onderzoek van voldoende Tussen deze mogelijkheden kan niet alleen op grond van het aspect maagveiligheid een keuze worden gemaakt Juist omdat NSAIDâs doorgaans aan oudere patiënten of mensen met relevante comorbiditeit worden voorgeschreven, spelen comedicatie en de overigens in deze richtlijn onbesproken cardiovasculaire en/of renale bijwerkingen van NSAIDâs een rol Het soort risicofactor bepaalt ten dele de te volgen strategie Bij een doorgemaakt ulcuslijden met een nog onbehandelde H pylori-infectie of als de patiënt met acetylsalicylzuur of coumarines Er zijn onvoldoende argumenten om bij alle patiënten aan wie een NSAID wordt voorgeschreven preventief onderzoek naar een H pylori-infectie te verrichten Bij patiënten met een doorgemaakt ulcuslijden, bij wie nooit onderzoek naar H pylori is verricht en die geen H pylori-eradicatietherapie hebben gebruikt, is dit naar het oordeel van de werkgroep wel zinvol In dat geval dient een âtest and treatâ beleid te worden gevolgd conform de actuele standaarden van zorg Een aangetoonde H pylori-infectie dient bij voorkeur te worden behandeld alvorens NSAIDtherapie wordt gestart Met nadruk wordt erop gewezen, dat er een verhoogd risico op maagcomplicaties blijft bestaat voor gebruik van acetylsalicylzuur als cardioprotectivum en een NSAID nodig is, een NSAIDâs) een lichte voorkeur heeft Als alternatief kan een conventioneel NSAID met een protonpompremmer worden overwogen Dat heeft als voordeel dat ook de kans op maagulceratie door acetylsalicylzuur wordt verkleind Er moet dan geen NSAID worden gekozen waarvan een ongunstige interactie met acetylsalicylzuur is aangetoond, zoals ibuprofen Indien een patiënt anticoagulantia gebruikt zal een niet-selectief NSAID met trombocytenaggregatieremmende werking niet alleen het risico op maagulceratie met bloeding, maar ook het risico op andere bloedingen verhogen Dit is een argument om ook in deze groep voor een COX-#-selectief middel te kiezen (Van nabumetone, meloxicam, celecoxib en rofecoxib is aangetoond dat ze geen relevante trombocytenaggregatieremming geven ) Maar ook in dit geval is als alternatief de combinatie van een conventioneel NSAID met een protonpompremmer Op grond van de VIGOR-studie is twijfel gerezen over de cardiovasculaire veiligheid van rofecoxib ## Recent onderzoek heeft deze twijfel niet geheel weggenomen ##,## De risicoâs zijn echter niet zo overtuigend, dat bij bestaande coronaire hartziekte â een risicofactor voor het optreden van maagschade (hoofdstuk #) â een bijzondere strategie moet worden aanbevolen ⢠Bij een doorgemaakt ulcuslijden wordt aanbevolen na te gaan of er een H pyloriinfectie bestaat en deze bij voorkeur vóór aanvang van de NSAID-therapie te behandelen ⢠Bij een doorgemaakt ulcus moet het risico op een NSAID-ulcus ook na succesvolle eradicatie van H pylori als verhoogd worden beschouwd.
| 582 | nvmdl |
voor gebruik van acetylsalicylzuur als cardioprotectivum en een NSAID nodig is, een NSAIDâs) een lichte voorkeur heeft Als alternatief kan een conventioneel NSAID met een protonpompremmer worden overwogen Dat heeft als voordeel dat ook de kans op maagulceratie door acetylsalicylzuur wordt verkleind Er moet dan geen NSAID worden gekozen waarvan een ongunstige interactie met acetylsalicylzuur is aangetoond, zoals ibuprofen Indien een patiënt anticoagulantia gebruikt zal een niet-selectief NSAID met trombocytenaggregatieremmende werking niet alleen het risico op maagulceratie met bloeding, maar ook het risico op andere bloedingen verhogen Dit is een argument om ook in deze groep voor een COX-#-selectief middel te kiezen (Van nabumetone, meloxicam, celecoxib en rofecoxib is aangetoond dat ze geen relevante trombocytenaggregatieremming geven ) Maar ook in dit geval is als alternatief de combinatie van een conventioneel NSAID met een protonpompremmer Op grond van de VIGOR-studie is twijfel gerezen over de cardiovasculaire veiligheid van rofecoxib ## Recent onderzoek heeft deze twijfel niet geheel weggenomen ##,## De risicoâs zijn echter niet zo overtuigend, dat bij bestaande coronaire hartziekte â een risicofactor voor het optreden van maagschade (hoofdstuk #) â een bijzondere strategie moet worden aanbevolen ⢠Bij een doorgemaakt ulcuslijden wordt aanbevolen na te gaan of er een H pyloriinfectie bestaat en deze bij voorkeur vóór aanvang van de NSAID-therapie te behandelen ⢠Bij een doorgemaakt ulcus moet het risico op een NSAID-ulcus ook na succesvolle eradicatie van H pylori als verhoogd worden beschouwd Acetylsalicylzuur kan maagulceratie veroorzaken, er zijn farmacologische interacties tussen alle betrokken middelen, NSAIDâs met trombocytenaggregatieremmende eigenschappen zouden cardioprotectief kunnen werken en ten slotte zijn er bedenkingen geuit met betrekking tot de cardiovasculaire veiligheid van rofecoxib Bij patiënten die naast een NSAID acetylsalicylzuur gebruiken bleek in de CLASS-studie geen duidelijk voordeel van COX-#-selectieve middelen aantoonbaar # In een systematische review van gerandomiseerde onderzoeken met celecoxib bleek echter dat bij acetylsalicylzuurgebruikers het risico op endoscopische ulcera wel wordt gereduceerd # In een studie naar de invloed van enkele NSAIDâs op de effectiviteit van acetylsalicylzuur beïnvloedden ibuprofen en indometacine de trombocytenaggregatieremmende werking van acetylsalicylzuur ongunstig, in tegenstelling tot diclofenac en rofecoxib Deze observaties bij enkele NSAIDâs en de Samenvattend kunnen bij patiënten met een verhoogd risico op maagulceratie alle genoemde methoden ter verkleining van de kans op maagulceratie worden toegepast De verschillen in effectiviteit tussen de strategieën zijn klinisch niet relevant Het staat een arts vrij om hier in overleg met een patiënt de meest passende strategie te kiezen Naast de inschatting van de grootte van het risico zullen interacties, doseringsgemak en kosten de keuze bepalen Zoals besproken in hoofdstuk # hebben H#-receptorantagonisten niet de voorkeur, omdat de meerdaagse dosering als preventief middel de therapietrouw niet ten goede zal komen Wat betreft de combinatie met corticosteroïden werd in hoofdstuk # al opgemerkt, dat de aanvullende antiinflammatoire werking van NSAIDâs dan wellicht minder nodig is, en voor het analgetische Indien NSAIDâs worden voorgeschreven aan een patiënt met een verhoogd risico op.
| 578 | nvmdl |
interacties tussen alle betrokken middelen, NSAIDâs met trombocytenaggregatieremmende eigenschappen zouden cardioprotectief kunnen werken en ten slotte zijn er bedenkingen geuit met betrekking tot de cardiovasculaire veiligheid van rofecoxib Bij patiënten die naast een NSAID acetylsalicylzuur gebruiken bleek in de CLASS-studie geen duidelijk voordeel van COX-#-selectieve middelen aantoonbaar # In een systematische review van gerandomiseerde onderzoeken met celecoxib bleek echter dat bij acetylsalicylzuurgebruikers het risico op endoscopische ulcera wel wordt gereduceerd # In een studie naar de invloed van enkele NSAIDâs op de effectiviteit van acetylsalicylzuur beïnvloedden ibuprofen en indometacine de trombocytenaggregatieremmende werking van acetylsalicylzuur ongunstig, in tegenstelling tot diclofenac en rofecoxib Deze observaties bij enkele NSAIDâs en de Samenvattend kunnen bij patiënten met een verhoogd risico op maagulceratie alle genoemde methoden ter verkleining van de kans op maagulceratie worden toegepast De verschillen in effectiviteit tussen de strategieën zijn klinisch niet relevant Het staat een arts vrij om hier in overleg met een patiënt de meest passende strategie te kiezen Naast de inschatting van de grootte van het risico zullen interacties, doseringsgemak en kosten de keuze bepalen Zoals besproken in hoofdstuk # hebben H#-receptorantagonisten niet de voorkeur, omdat de meerdaagse dosering als preventief middel de therapietrouw niet ten goede zal komen Wat betreft de combinatie met corticosteroïden werd in hoofdstuk # al opgemerkt, dat de aanvullende antiinflammatoire werking van NSAIDâs dan wellicht minder nodig is, en voor het analgetische Indien NSAIDâs worden voorgeschreven aan een patiënt met een verhoogd risico op met misoprostol (###-###mcg/dag), hetzij een conventioneel NSAID met een De keuze tussen de thans beschikbare alternatieven wordt onder meer bepaald door doseringsgemak en kosten In combinatie met corticosteroïden kan worden overwogen voor het analgetische effect te volstaan met paracetamol Met de veelheid aan NSAIDâs en de inmiddels ook royale mogelijkheden ter preventie van maagcomplicaties is het in de praktijk gangbaar om bij onvoldoende effect of het optreden van â veelal subjectieve â bijwerkingen te wisselen van medicatie Dergelijke wisselingen worden door de werkgroep als een bruikbare strategie beschouwd om in samenwerking met een patiënt tot een optimale (werkzame en veilige) therapie te komen <PERSOON> GS, Carson JL, <PERSOON> M, et al Variability in risk of gastrointestinal complications with individual non-steroidal anti-inflammatory drugs results of a collaborative meta- analysis <PERSOON> AW, Dieppe PA Are selective COX # inhibitors superior to traditional non steroidal anti-inflammatory <PERSOON> JL, <PERSOON> A, et al Gastrointestinal toxicity with celecoxib <PERSOON> LA, <PERSOON> MD Efficacy, tolerability, and upper gastrointestinal safety of celecoxib for treatment of osteoarthritis and rheumatoid arthritis systematic review of randomised controlled trials <PERSOON> B, et al Cyclooxygenase inhibitors and Al Balla S, Al Momen AK, Al Arfaj H, Al <PERSOON> AMA Interaction between nabumetone-a new non-steroidal the antiplatelet effects of aspirin <PERSOON-##> J Med ###;### ###-##.
| 586 | nvmdl |
De keuze tussen de thans beschikbare alternatieven wordt onder meer bepaald door doseringsgemak en kosten In combinatie met corticosteroïden kan worden overwogen voor het analgetische effect te volstaan met paracetamol Met de veelheid aan NSAIDâs en de inmiddels ook royale mogelijkheden ter preventie van maagcomplicaties is het in de praktijk gangbaar om bij onvoldoende effect of het optreden van â veelal subjectieve â bijwerkingen te wisselen van medicatie Dergelijke wisselingen worden door de werkgroep als een bruikbare strategie beschouwd om in samenwerking met een patiënt tot een optimale (werkzame en veilige) therapie te komen <PERSOON> GS, Carson JL, <PERSOON> M, et al Variability in risk of gastrointestinal complications with individual non-steroidal anti-inflammatory drugs results of a collaborative meta- analysis <PERSOON> AW, Dieppe PA Are selective COX # inhibitors superior to traditional non steroidal anti-inflammatory <PERSOON> JL, <PERSOON> A, et al Gastrointestinal toxicity with celecoxib <PERSOON> LA, <PERSOON> MD Efficacy, tolerability, and upper gastrointestinal safety of celecoxib for treatment of osteoarthritis and rheumatoid arthritis systematic review of randomised controlled trials <PERSOON> B, et al Cyclooxygenase inhibitors and Al Balla S, Al Momen AK, Al Arfaj H, Al <PERSOON> AMA Interaction between nabumetone-a new non-steroidal the antiplatelet effects of aspirin <PERSOON-##> effect of nabumetone versus naproxen on platelet aggregation in patients with rheumatoid arthritis <PERSOON-##> function is inhibited by non-selective Non Steroidal Anti-Inflammatory Drugs but not by COX-# selective inhibitors in patients with rheumatoid arthritis In de voorgaande hoofdstukken is de nadruk gelegd op de preventie van ernstige complicaties door gebruik van NSAIDâs Hiervoor is gekozen, omdat levensbedreigende en tot ziekenhuisopname leidende bijwerkingen strikte afwegingen vereisen In de praktijk komen ernstige bijwerkingen minder vaak voor dan door de patiënt ervaren klachten in de bovenbuik Zulke klachten worden aangeduid met de slechtgedefinieerde Vanwege de grote frequentie van deze bijwerkingen meent de werkgroep dat deze richtlijn niet volledig zou zijn zonder enkele aanvullende opmerkingen hierover Het onderstaande is gebaseerd op de interpretatie door de werkgroep van de separate opmerkingen hierover in de voor de voorgaande hoofdstukken bestudeerde literatuur, en derhalve te classificeren als âexpert opinionâ Er is geen systematisch literatuuronderzoek gedaan om tot een betere Leese <PERSOON-##> RC, <PERSOON-##> PC, <PERSOON-##> SS, Geis GS Effects of celecoxib, a novel cyclooxygenase-# inhibitor, on platelet function in healthy adults a randomized, controlled trial <PERSOON-##> met misselijkheid en zuurbranden (âacid related dyspepsiaâ) # Dyspepsie met ulcusachtige klachten, dus maagpijn zonder ulcus (ânon-ulcer dyspepsiaâ) # Dyspepsie met krampen, waarbij eerder aan colondysfunctie wordt gedacht ##.
| 557 | nvmdl |
<PERSOON> effect of nabumetone versus naproxen on platelet aggregation in patients with rheumatoid arthritis <PERSOON> function is inhibited by non-selective Non Steroidal Anti-Inflammatory Drugs but not by COX-# selective inhibitors in patients with rheumatoid arthritis In de voorgaande hoofdstukken is de nadruk gelegd op de preventie van ernstige complicaties door gebruik van NSAIDâs Hiervoor is gekozen, omdat levensbedreigende en tot ziekenhuisopname leidende bijwerkingen strikte afwegingen vereisen In de praktijk komen ernstige bijwerkingen minder vaak voor dan door de patiënt ervaren klachten in de bovenbuik Zulke klachten worden aangeduid met de slechtgedefinieerde Vanwege de grote frequentie van deze bijwerkingen meent de werkgroep dat deze richtlijn niet volledig zou zijn zonder enkele aanvullende opmerkingen hierover Het onderstaande is gebaseerd op de interpretatie door de werkgroep van de separate opmerkingen hierover in de voor de voorgaande hoofdstukken bestudeerde literatuur, en derhalve te classificeren als âexpert opinionâ Er is geen systematisch literatuuronderzoek gedaan om tot een betere Leese <PERSOON> RC, <PERSOON> PC, <PERSOON> SS, Geis GS Effects of celecoxib, a novel cyclooxygenase-# inhibitor, on platelet function in healthy adults a randomized, controlled trial <PERSOON> met misselijkheid en zuurbranden (âacid related dyspepsiaâ) # Dyspepsie met ulcusachtige klachten, dus maagpijn zonder ulcus (ânon-ulcer dyspepsiaâ) # Dyspepsie met krampen, waarbij eerder aan colondysfunctie wordt gedacht ## Comparative inhibitory activity of rofecoxib, meloxicam, diclofenac, ibuprofen, and naproxen on COX-# versus COX-# in healthy volunteers <PERSOON> B, et al Comparison of upper gastrointestinal ## <PERSOON> WA, <PERSOON> PG, <PERSOON-##>-# selective non-steroidal anti-inflammatory drugs and risk of serious coronary heart disease Lancet ###;###(###) ###<DATUM> De eerste twee vormen zijn gerelateerd aan NSAID-gebruik (âNSAID related dyspepsiaâ) en rechtvaardigen wijziging van de medicatie of toevoegingen De onder punt # genoemde vorm heeft weinig verband met NSAIDâs In het navolgende zal de term âdyspeptische klachtenâ worden gebruikt als algemene aanduiding van de hiervoor genoemde klachten Een indruk over de frequentie van deze bijwerkingen wordt verkregen door de gegevens in tabel # Vergelijking van diverse studies is niet goed mogelijk, vanwege verschillen in duur, ## <PERSOON> WA, <PERSOON-##> JR, <PERSOON-##>-steroidal anti-inflammatory drugs and risk of serious coronary heart disease an observational cohort study Lancet ###;###(###) ###-## Hebben dyspeptische klachten voorspellende waarde met betrekking tot het optreden van ernstige maagcomplicaties, zoals ulcera, perforatie en dergelijke? Klachten van de bovenste tractus digestivus komen frequent voor bij patiënten met chronische ziekten, zowel bij NSAID-gebruikers als bij degenen die deze middelen niet gebruiken # Als regel worden in onderzoeken waarin NSAIDâs met placebo, paracetamol of andere NSAIDâs worden vergeleken weinig verschillen gevonden wat betreft dyspeptische klachten en is er ook.
| 615 | nvmdl |
activity of rofecoxib, meloxicam, diclofenac, ibuprofen, and naproxen on COX-# versus COX-# in healthy volunteers <PERSOON> B, et al Comparison of upper gastrointestinal ## <PERSOON> WA, <PERSOON> PG, <PERSOON>-# selective non-steroidal anti-inflammatory drugs and risk of serious coronary heart disease Lancet ###;###(###) ###<DATUM> De eerste twee vormen zijn gerelateerd aan NSAID-gebruik (âNSAID related dyspepsiaâ) en rechtvaardigen wijziging van de medicatie of toevoegingen De onder punt # genoemde vorm heeft weinig verband met NSAIDâs In het navolgende zal de term âdyspeptische klachtenâ worden gebruikt als algemene aanduiding van de hiervoor genoemde klachten Een indruk over de frequentie van deze bijwerkingen wordt verkregen door de gegevens in tabel # Vergelijking van diverse studies is niet goed mogelijk, vanwege verschillen in duur, ## <PERSOON> WA, <PERSOON> JR, <PERSOON>-steroidal anti-inflammatory drugs and risk of serious coronary heart disease an observational cohort study Lancet ###;###(###) ###-## Hebben dyspeptische klachten voorspellende waarde met betrekking tot het optreden van ernstige maagcomplicaties, zoals ulcera, perforatie en dergelijke? Klachten van de bovenste tractus digestivus komen frequent voor bij patiënten met chronische ziekten, zowel bij NSAID-gebruikers als bij degenen die deze middelen niet gebruiken # Als regel worden in onderzoeken waarin NSAIDâs met placebo, paracetamol of andere NSAIDâs worden vergeleken weinig verschillen gevonden wat betreft dyspeptische klachten en is er ook # In dit opzicht is er een gering verschil subjectieve bijwerkingen ligt weliswaar statistisch significant lager (hoofdstuk #), maar de kleine verschillen zijn klinisch niet van groot belang In oudere studies worden zelfs hogere percentages ulcera vastgesteld in groepen zonder klachten dan in groepen met klachten, een effect dat mogelijk wordt versterkt door gebruik van een lage dosis van een H#-receptorantagonist Dyspeptische klachten die optreden tijdens het gebruik van een NSAID hebben geen voorspellende waarde voor het optreden van ernstiger maagbijwerkingen zoals ulceratie Hoewel klachten dus geen goed leidraad vormen bij de keuze van een NSAID, zou men kunnen redeneren dat een lagere frequentie van subjectieve bijwerkingen de keuze voor een bepaald NSAID mede moet bepalen De werkgroep is evenwel van mening dat de verschillen tussen NSAIDâs gering zijn en vanwege het ontbreken van een relatie met latere ulceratie klinisch weinig relevant Daarom wordt niet aanbevolen om de initiële keuze van een NSAID te bepalen aan de hand van de mate waarin dyspeptische klachten kunnen optreden Het is aangetoond dat toevoegen van een protonpompremmer subjectieve klachten vermindert, terwijl deze middelen tevens de kans op een ulcus verkleinen # Toevoegen van een H#-receptorantagonist kan de klachten verminderen, maar op grond van één publicatie moet rekening worden gehouden met de kans op maskering van een Toevoeging van misoprostol is niet zinvol bij dyspepsie c q subjectieve klachten, omdat het frequenter subjectieve bijwerkingen veroorzaakt dan alleen een NSAID Als tijdens NSAID-gebruik dyspeptische klachten optreden en het NSAID niet kan.
| 602 | nvmdl |
dit opzicht is er een gering verschil subjectieve bijwerkingen ligt weliswaar statistisch significant lager (hoofdstuk #), maar de kleine verschillen zijn klinisch niet van groot belang In oudere studies worden zelfs hogere percentages ulcera vastgesteld in groepen zonder klachten dan in groepen met klachten, een effect dat mogelijk wordt versterkt door gebruik van een lage dosis van een H#-receptorantagonist Dyspeptische klachten die optreden tijdens het gebruik van een NSAID hebben geen voorspellende waarde voor het optreden van ernstiger maagbijwerkingen zoals ulceratie Hoewel klachten dus geen goed leidraad vormen bij de keuze van een NSAID, zou men kunnen redeneren dat een lagere frequentie van subjectieve bijwerkingen de keuze voor een bepaald NSAID mede moet bepalen De werkgroep is evenwel van mening dat de verschillen tussen NSAIDâs gering zijn en vanwege het ontbreken van een relatie met latere ulceratie klinisch weinig relevant Daarom wordt niet aanbevolen om de initiële keuze van een NSAID te bepalen aan de hand van de mate waarin dyspeptische klachten kunnen optreden Het is aangetoond dat toevoegen van een protonpompremmer subjectieve klachten vermindert, terwijl deze middelen tevens de kans op een ulcus verkleinen # Toevoegen van een H#-receptorantagonist kan de klachten verminderen, maar op grond van één publicatie moet rekening worden gehouden met de kans op maskering van een Toevoeging van misoprostol is niet zinvol bij dyspepsie c q subjectieve klachten, omdat het frequenter subjectieve bijwerkingen veroorzaakt dan alleen een NSAID Als tijdens NSAID-gebruik dyspeptische klachten optreden en het NSAID niet kan overwegen, hetzij een protonpompremmer of een H#-receptorantagonist in dubbele Hoe moet worden gehandeld als een ulcus wordt vastgesteld tijdens NSAID-gebruik? Er is geen reden anders te handelen dan bij maag- of duodenale ulcera door andere oorzaken ⢠Het ulcus dient te worden behandeld conform de daarvoor geldende richtlijnen of ⢠Als staken van een NSAID niet acceptabel is kan deze worden gecontinueerd tijdens Hoe moet worden gehandeld bij het optreden van dyspeptische klachten? Er is geen onderzoek gevonden dat verschillende strategieën bij het optreden van dyspeptische Bij het optreden van dyspeptische klachten tijdens NSAID-gebruik moet worden overwogen de NSAID te staken Als dit niet kan, gelden de volgende overwegingen ⢠Gebruik een andere toedieningsvorm; voedsel in de maag en inname met ruim vloeistof zou de absorptie van NSAIDâs vertragen en vrijkomend zuur bufferen Toediening in de vorm van granulaat of suppositorium komt ook in aanmerking ⢠Kies een ander NSAID; daarbij moet worden opgemerkt dat er geen sterke argumenten zijn om een COX-#-selectief middel voor te schrijven bij dyspeptische klachten, omdat deze middelen maar weinig minder subjectieve klachten veroorzaken dan niet-selectieve Tabel # Frequentie van dyspepsie en staken wegens bijwerkingen in de studies (hoofdstuk #) waarin de effectiviteit van verschillende NSAIDâs is vergeleken RCT = randomised controlled trial; RA = reumatoïde artritis; OA = osteoartritis (artrose); LWK = lumbale wervelkolom; * De definitie van bovenbuikklachten verschilt per studie, alsmede de wijze van presenteren In veel studies worden per symptoom percentages getoond, waarbij één patiënt meerdere symptomen kan hebben aangegeven.
| 580 | nvmdl |
De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) manier, echter uitsluitend na voorafgaande toestemming van de uitgever Toestemming voor gebruik van tekst(gedeelten) kunt u schriftelijk of per e-mail en uitsluitend bij de uitgever aanvragen De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde is de wetenschappelijke beroepsvereniging voor chirurgen en artsen in opleiding tot chirurg, zij behartigt de belangen van haar leden en draagt bij aan een positief imago van de heelkunde en de Het Kennisinstituut van Medisch Specialisten adviseert de wetenschappelijke verenigingen op het gebied van kwaliteitsbeleid, de ontwikkeling van richtlijnen, indicatoren en visitatiemethodiek Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs # Bijlage # Tabel Exclusie na het lezen van het volledige artikel ## Bijlage # Evidence tabellen âKlasse I obesitas en diabetes mellitus type #â ## In ### verscheen de multidisciplinaire richtlijn Morbide obesitas op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) Na het verschijnen van nieuwe wetenschappelijke literatuur komen een aantal onderdelen van de richtlijn in aanmerking voor herziening Wat betreft de laparoscopische gastric sleeve resectie, staat in de richtlijn dat deze alleen in onderzoek verband zou kunnen worden toegepast Ondertussen is de laparoscopische gastric sleeve resectie na de gastric bypass de meest toegepaste bariatrische techniek en worden op congressen voordrachten gehouden met )<LEEFTIJD> jaar follow-up Het is daarom wenselijk een nieuw literatuur onderzoek te doen om de plaats van de laparoscopische gastric sleeve resectie in de behandeling van morbide obesitas opnieuw te evalueren De bariatrische chirurgie wordt tegenwoordig metabole chirurgie genoemd om het zeer gunstige effect van deze chirurgie op diabetes mellitus type # (DM#) te benadrukken Internationale benadrukken dat ook bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# een bariatrische ingreep overwogen zou moeten worden In verscheidene landen, zoals Australië en de Verenigde Staten, is de richtlijn voor bariatrische chirurgie verruimd voor deze patiënten De toegenomen internationale acceptatie is de reden om te bekijken of de Nederlandse richtlijn op De laparoscopische gastric sleeve resectie kan worden overwogen als primaire zelfstandige ingreep bij patiënten die in aanmerking komen voor bariatrische chirurgie Patiënten met diabetes mellitus type # en een BMI van ## tot ## kg/m# zouden in aanmerking moeten komen voor bariatrische chirurgie binnen een prospectieve klinische trial, wanneer conventionele therapie niet tot het gewenste effect leidt Drs.
| 571 | nvmdl |
de multidisciplinaire richtlijn Morbide obesitas op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) Na het verschijnen van nieuwe wetenschappelijke literatuur komen een aantal onderdelen van de richtlijn in aanmerking voor herziening Wat betreft de laparoscopische gastric sleeve resectie, staat in de richtlijn dat deze alleen in onderzoek verband zou kunnen worden toegepast Ondertussen is de laparoscopische gastric sleeve resectie na de gastric bypass de meest toegepaste bariatrische techniek en worden op congressen voordrachten gehouden met )<LEEFTIJD> jaar follow-up Het is daarom wenselijk een nieuw literatuur onderzoek te doen om de plaats van de laparoscopische gastric sleeve resectie in de behandeling van morbide obesitas opnieuw te evalueren De bariatrische chirurgie wordt tegenwoordig metabole chirurgie genoemd om het zeer gunstige effect van deze chirurgie op diabetes mellitus type # (DM#) te benadrukken Internationale benadrukken dat ook bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# een bariatrische ingreep overwogen zou moeten worden In verscheidene landen, zoals Australië en de Verenigde Staten, is de richtlijn voor bariatrische chirurgie verruimd voor deze patiënten De toegenomen internationale acceptatie is de reden om te bekijken of de Nederlandse richtlijn op De laparoscopische gastric sleeve resectie kan worden overwogen als primaire zelfstandige ingreep bij patiënten die in aanmerking komen voor bariatrische chirurgie Patiënten met diabetes mellitus type # en een BMI van ## tot ## kg/m# zouden in aanmerking moeten komen voor bariatrische chirurgie binnen een prospectieve klinische trial, wanneer conventionele therapie niet tot het gewenste effect leidt <PERSOON>, Medisch <INSTELLING> <LOCATIE> <PERSOON>, <INSTELLING>, <LOCATIE> - <PERSOON>, Nederlandse Obesitas Vereniging, <LOCATIE> - <PERSOON>, MSc, Kennisinstituut van Medisch Specialisten Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) Aan de ontwikkeling van deze richtlijn werkten diverse specialismen die van belang zijn bij de behandeling van patiënten met morbide obesitas Het addendum op de richtlijn is opgesteld door een werkgroep bestaande uit leden van de NVvH, NVA, NIV, NVMDL, Nederlandse Obesitas Vereniging en de NVD De NVvH en NVA hebben hiervoor gezamenlijk SKMS-gelden gereserveerd en het Kennisinstituut van Medisch Specialisten Na het verschijnen van nieuwe wetenschappelijke literatuur komen een aantal onderdelen van de richtlijn in aanmerking voor herziening Wat betreft de laparoscopische gastric sleeve resectie (sleeve gastrectomie) staat in de richtlijn dat deze alleen in onderzoekverband zou kunnen worden toegepast Ondertussen is de sleeve gastrectomie na de gastric bypass de meest toegepaste bariatrische techniek en worden op congressen voordrachten gehouden met )<LEEFTIJD> jaar follow-up Het is daarom wenselijk een nieuw literatuur onderzoek te doen om de plaats van de sleeve gastrectomie in de behandeling van morbide obesitas opnieuw te evalueren Parallel aan dit addendum verschijnt een addendum anesthesiologie bij bariatrische chirurgie Dit addendum over de anesthesiologische aspecten van bariatrische chirurgie is geschreven nadat de Nederlands Vereniging van Heelkunde (NVvH) in samenwerking met een aantal andere wetenschappelijke verenigingen de richtlijn Morbide Obesitas heeft uitgebracht Omdat het.
| 563 | nvmdl |
<PERSOON>, <INSTELLING>, <LOCATIE> - <PERSOON>, Nederlandse Obesitas Vereniging, <LOCATIE> - <PERSOON>, MSc, Kennisinstituut van Medisch Specialisten Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) Aan de ontwikkeling van deze richtlijn werkten diverse specialismen die van belang zijn bij de behandeling van patiënten met morbide obesitas Het addendum op de richtlijn is opgesteld door een werkgroep bestaande uit leden van de NVvH, NVA, NIV, NVMDL, Nederlandse Obesitas Vereniging en de NVD De NVvH en NVA hebben hiervoor gezamenlijk SKMS-gelden gereserveerd en het Kennisinstituut van Medisch Specialisten Na het verschijnen van nieuwe wetenschappelijke literatuur komen een aantal onderdelen van de richtlijn in aanmerking voor herziening Wat betreft de laparoscopische gastric sleeve resectie (sleeve gastrectomie) staat in de richtlijn dat deze alleen in onderzoekverband zou kunnen worden toegepast Ondertussen is de sleeve gastrectomie na de gastric bypass de meest toegepaste bariatrische techniek en worden op congressen voordrachten gehouden met )<LEEFTIJD> jaar follow-up Het is daarom wenselijk een nieuw literatuur onderzoek te doen om de plaats van de sleeve gastrectomie in de behandeling van morbide obesitas opnieuw te evalueren Parallel aan dit addendum verschijnt een addendum anesthesiologie bij bariatrische chirurgie Dit addendum over de anesthesiologische aspecten van bariatrische chirurgie is geschreven nadat de Nederlands Vereniging van Heelkunde (NVvH) in samenwerking met een aantal andere wetenschappelijke verenigingen de richtlijn Morbide Obesitas heeft uitgebracht Omdat het multidisciplinaire benadering, kan hierin de anesthesie niet ontbreken Dit addendum is daarom bedoeld als aanvullend hoofdstuk bij de richtlijn âMorbide Obesitasâ, zoals deze door de NVvH is Onderzocht wordt of recente internationale veranderingen in de indicatie stelling voor een sleeve gastrectomie en bariatrische chirurgie bij patiënten met een DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# een reden zijn om de huidige richtlijn aan te passen Wat betreft de sleeve gastrectomie wordt gekeken naar het gewichtsverlies op de langere termijn ()<LEEFTIJD> jaar), het effect wordt vergeleken met de gastric bypass en de aanpasbare Tevens wordt gekeken naar het voorkomen van complicaties (vroege, binnen ## dagen na de ingreep, en late tot drie jaar) in vergelijking met de eerder genoemde ingrepen Wat betreft de bariatrische chirurgie bij patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m#, wordt gekeken naar het effect op de DM# en de veiligheid van de chirurgie, vergeleken met een niet Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen volgens het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen # # van de adviescommissie <PERSOON> Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) ((WEBLINK)), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is en op ârichtlijnen voor richtlijnâ voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in ### een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg.
| 578 | nvmdl |
ontbreken Dit addendum is daarom bedoeld als aanvullend hoofdstuk bij de richtlijn âMorbide Obesitasâ, zoals deze door de NVvH is Onderzocht wordt of recente internationale veranderingen in de indicatie stelling voor een sleeve gastrectomie en bariatrische chirurgie bij patiënten met een DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# een reden zijn om de huidige richtlijn aan te passen Wat betreft de sleeve gastrectomie wordt gekeken naar het gewichtsverlies op de langere termijn ()<LEEFTIJD> jaar), het effect wordt vergeleken met de gastric bypass en de aanpasbare Tevens wordt gekeken naar het voorkomen van complicaties (vroege, binnen ## dagen na de ingreep, en late tot drie jaar) in vergelijking met de eerder genoemde ingrepen Wat betreft de bariatrische chirurgie bij patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m#, wordt gekeken naar het effect op de DM# en de veiligheid van de chirurgie, vergeleken met een niet Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen volgens het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen # # van de adviescommissie <PERSOON> Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) ((WEBLINK)), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is en op ârichtlijnen voor richtlijnâ voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in ### een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg werkgroep werkte gedurende zes maanden aan de totstandkoming van de richtlijn ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen door middel van reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek en belangen door kennisvalorisatie Een overzicht hiervan kunt u opvragen bij het secretariaat van het Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door middel van een afgevaardigde van Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang als cruciaal, belangrijk en onbelangrijk Tevens definieerde de werkgroep, voor zover mogelijk, wat zij voor een bepaalde uitkomstmaat een klinisch relevant verschil vond, dat wil zeggen wanneer de verbetering in uitkomst een verbetering voor de patiënt is Voor de afzonderlijke uitgangsvragen is aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar literatuur verantwoording) Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria De geselecteerde artikelen werden.
| 580 | nvmdl |
werkgroep werkte gedurende zes maanden aan de totstandkoming van de richtlijn ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen door middel van reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek en belangen door kennisvalorisatie Een overzicht hiervan kunt u opvragen bij het secretariaat van het Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door middel van een afgevaardigde van Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept uitgangsvragen opgesteld Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang als cruciaal, belangrijk en onbelangrijk Tevens definieerde de werkgroep, voor zover mogelijk, wat zij voor een bepaalde uitkomstmaat een klinisch relevant verschil vond, dat wil zeggen wanneer de verbetering in uitkomst een verbetering voor de patiënt is Voor de afzonderlijke uitgangsvragen is aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar literatuur verantwoording) Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria De geselecteerde artikelen werden De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het Individuele studies werden systematisch beoordeeld op basis van op voorhand opgestelde kunnen inschatten Deze beoordelingen kunt u vinden in de kolom âBeoordeling kwaliteit studieâ weergegeven in evidencetabellen De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE methode GRADE Voor vragen over de waarde van diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose is het wetenschappelijke bewijs samengevat in een of meerdere conclusies, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven Bij interventievragen verwijst de conclusie niet naar een of meer artikelen, maar wordt deze getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence) Hierbij maakten de werkgroepleden de balans op van elke interventie Bij het opmaken van de balans werden de Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische zaken Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.
| 548 | nvmdl |
De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in het Individuele studies werden systematisch beoordeeld op basis van op voorhand opgestelde kunnen inschatten Deze beoordelingen kunt u vinden in de kolom âBeoordeling kwaliteit studieâ weergegeven in evidencetabellen De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE methode GRADE Voor vragen over de waarde van diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose is het wetenschappelijke bewijs samengevat in een of meerdere conclusies, waarbij het niveau van het meest relevante bewijs is weergegeven Bij interventievragen verwijst de conclusie niet naar een of meer artikelen, maar wordt deze getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence) Hierbij maakten de werkgroepleden de balans op van elke interventie Bij het opmaken van de balans werden de Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische zaken Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen De richtlijn is/wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen (en ziekenhuizen) Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de NVvH (WEBLINK) en via Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar bevatten op âevidenceâ gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op âalgemeen bewijs voor optimale zorg voor de gemiddelde patiëntâ, kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zo nodig in individuele gevallen afwijken van de richtlijn Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit âindien relevantâ in overleg met de patiënt te gebeuren Afwijkingen van de richtlijn dienen De NVvH is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over <PERSOON> quality of evidence and strength of recommendations BMJ <PERSOON>, ##, ### (###), ### De laparoscopische sleeve resectie (LSG) van de maag werd nog niet beschouwd als een standaard ingreep voor morbide obesitas in de eerste versie van de richtlijn Morbide Obesitas Wereldwijd wordt deze techniek wel veelvuldig uitgevoerd (Buchwald et al , ###).
| 560 | nvmdl |
is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen De richtlijn is/wordt digitaal verspreid onder alle relevante beroepsgroepen (en ziekenhuizen) Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de NVvH (WEBLINK) en via Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar bevatten op âevidenceâ gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op âalgemeen bewijs voor optimale zorg voor de gemiddelde patiëntâ, kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zo nodig in individuele gevallen afwijken van de richtlijn Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit âindien relevantâ in overleg met de patiënt te gebeuren Afwijkingen van de richtlijn dienen De NVvH is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over <PERSOON> quality of evidence and strength of recommendations BMJ <PERSOON>, ##, ### (###), ### De laparoscopische sleeve resectie (LSG) van de maag werd nog niet beschouwd als een standaard ingreep voor morbide obesitas in de eerste versie van de richtlijn Morbide Obesitas Wereldwijd wordt deze techniek wel veelvuldig uitgevoerd (Buchwald et al , ###) resultaten wordt steeds vaker gepubliceerd waardoor onder andere de Amerikaanse en Duitse bariatrische verenigingen de LSG als een standaard ingreep beschouwen (ASMBS, ###; Runkel et al , ###) De toename in het verrichten van de ingreep en in het beschikbaar komen van de resultaten, alsook de acceptatie in andere landen, waren de redenen de Nederlandse richtlijn op Wat is de positie van de laparoscopische sleeve resectie in de behandeling van morbide obesitas als zijnde een primaire zelfstandige verrichting binnen de bariatrische chirurgie? Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht - wat zijn (on)gunstige effecten op lange termijn (â¥<LEEFTIJD> jaar) van de laparoscopische sleeve resectie in de behandeling van morbide obesitas vergeleken met andere chirurgische opties - wat is de beschikbare evidence betreffende de complicaties van de laparoscopische sleeve resectie ten opzichte van andere chirurgische opties binnen de bariatrische chirurgie? patiënten met BMI van â¥## kg/m#, of met BMI van ## tot ## kg/m# in combinatie - gewichtsverlies (absoluut, reductie BMI, Excess Weight Loss (EWL)); - resolutie metabole afwijkingen (diabetes mellitus type # (DM#), hypertensie, - korte termijn ((## dagen) lekkage, bloedingen, infecties en mortaliteit; De werkgroep definieerde niet a priori de genoemde uitkomstmaten, maar hanteerde de in de studies gebruikte definities De werkgroep classificeerde de uitkomstmaat gewichtverlies voor de besluitvorming als kritieke uitkomstmaat en de overige als belangrijke uitkomstmaat In de databases Medline (OVID), Embase and Cochrane is met relevante zoektermen gezocht naar studies vanaf ### over de gastric sleeve resectie met een follow-up van â¥## maanden.
| 614 | nvmdl |
resultaten wordt steeds vaker gepubliceerd waardoor onder andere de Amerikaanse en Duitse bariatrische verenigingen de LSG als een standaard ingreep beschouwen (ASMBS, ###; Runkel et al , ###) De toename in het verrichten van de ingreep en in het beschikbaar komen van de resultaten, alsook de acceptatie in andere landen, waren de redenen de Nederlandse richtlijn op Wat is de positie van de laparoscopische sleeve resectie in de behandeling van morbide obesitas als zijnde een primaire zelfstandige verrichting binnen de bariatrische chirurgie? Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is er een systematische literatuuranalyse verricht - wat zijn (on)gunstige effecten op lange termijn (â¥<LEEFTIJD> jaar) van de laparoscopische sleeve resectie in de behandeling van morbide obesitas vergeleken met andere chirurgische opties - wat is de beschikbare evidence betreffende de complicaties van de laparoscopische sleeve resectie ten opzichte van andere chirurgische opties binnen de bariatrische chirurgie? patiënten met BMI van â¥## kg/m#, of met BMI van ## tot ## kg/m# in combinatie - gewichtsverlies (absoluut, reductie BMI, Excess Weight Loss (EWL)); - resolutie metabole afwijkingen (diabetes mellitus type # (DM#), hypertensie, - korte termijn ((## dagen) lekkage, bloedingen, infecties en mortaliteit; De werkgroep definieerde niet a priori de genoemde uitkomstmaten, maar hanteerde de in de studies gebruikte definities De werkgroep classificeerde de uitkomstmaat gewichtverlies voor de besluitvorming als kritieke uitkomstmaat en de overige als belangrijke uitkomstmaat In de databases Medline (OVID), Embase and Cochrane is met relevante zoektermen gezocht naar studies vanaf ### over de gastric sleeve resectie met een follow-up van â¥## maanden zoekverantwoording is weergegeven in bijlage De literatuurzoekactie leverde ### treffers op Studies werden geselecteerd op grond van de bovenstaande PICO en dienden bovendien een follow-up van â¥## maanden te hebben Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie ## systematische reviews voorgeselecteerd Na raadpleging van de volledige tekst, werden vervolgens alle ## studies geëxcludeerd, veelal omdat de studie niet aansloot op de PICO of vanwege een te korte follow-up (zie exclusietabel in de bijlage) Aan de hand van deze full-text reviews werden vier in de review beschreven individuele studies geselecteerd Deze werden eveneens full-text bestudeerd en alle vier opgenomen in de literatuuranalyse In totaal zijn drie RCTs (Kehagias et al , ###; Himpens et al , ###; Helmiö et al , ###) en een prospectieve cohortstudie (Mohos et al , ###) geselecteerd die voldoen aan de inclusiecriteria Kehagias vergelijkt de LSG met een gastric bypass volgens Roux en -<PERSOON>) binnen een Griekse populatie (n=##) met een BMI van â¤## kg/m# Patiënten, gelijk verdeeld over de groepen, werden drie jaar prospectief gevolgd In een prospectief cohortonderzoek door Mohos werden LSG en RYGB vergeleken bij patiënten met een BMI van )## kg/m# of een BMI van ## tot ## kg/m# in combinatie met ernstige comorbiditeit (n=##) De gemiddelde follow-up duur was ##,# De studie door Helmiö betrof een vergelijking tussen de LSG (n=###) en RYGB (n=###) waarbij ##-dagen mortaliteit en morbiditeit werden gerapporteerd Hoewel deze studie geen follow-up.
| 682 | nvmdl |
is weergegeven in bijlage De literatuurzoekactie leverde ### treffers op Studies werden geselecteerd op grond van de bovenstaande PICO en dienden bovendien een follow-up van â¥## maanden te hebben Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie ## systematische reviews voorgeselecteerd Na raadpleging van de volledige tekst, werden vervolgens alle ## studies geëxcludeerd, veelal omdat de studie niet aansloot op de PICO of vanwege een te korte follow-up (zie exclusietabel in de bijlage) Aan de hand van deze full-text reviews werden vier in de review beschreven individuele studies geselecteerd Deze werden eveneens full-text bestudeerd en alle vier opgenomen in de literatuuranalyse In totaal zijn drie RCTs (Kehagias et al , ###; Himpens et al , ###; Helmiö et al , ###) en een prospectieve cohortstudie (Mohos et al , ###) geselecteerd die voldoen aan de inclusiecriteria Kehagias vergelijkt de LSG met een gastric bypass volgens Roux en -<PERSOON>) binnen een Griekse populatie (n=##) met een BMI van â¤## kg/m# Patiënten, gelijk verdeeld over de groepen, werden drie jaar prospectief gevolgd In een prospectief cohortonderzoek door Mohos werden LSG en RYGB vergeleken bij patiënten met een BMI van )## kg/m# of een BMI van ## tot ## kg/m# in combinatie met ernstige comorbiditeit (n=##) De gemiddelde follow-up duur was ##,# De studie door Helmiö betrof een vergelijking tussen de LSG (n=###) en RYGB (n=###) waarbij ##-dagen mortaliteit en morbiditeit werden gerapporteerd Hoewel deze studie geen follow-up geïncludeerd De patiëntgroepen bestonden uit Finse volwassenen (leeftijd van ## tot <LEEFTIJD> jaar) met een BMI van â¥## kg/m#, of met een BMI van ## tot ## kg/m# in combinatie met ernstige comorbiditeit, bij wie een conventionele therapie niet tot het gewenste resultaat had geleid De studie van Himpens betrof een vergelijking tussen LSG (n=##) en een laparoscopisch geplaatste aanpasbare maagband (LAGB) (n=##) Inclusie criteria werden niet gerapporteerd De Er is sprake van aanzienlijke heterogeniteit tussen de studies op het gebied van patiëntpopulatie en interventies wat het niet mogelijk maakt om een meta-analyse uit te voeren Daarom worden Kehagias vindt geen significant verschil tussen LSG en RYGB op het gebied van gewichtsreductie Bij beide interventies nam de BMI gemiddeld significant af, maar er was geen sprake van een significant verschil in gewichtverlies tussen de interventiegroepen (P=# ##) Het percentage EWL na drie jaar was eveneens gelijk in beide groepen (p=# ##), met ##,#% in de LSG-groep en ##,#% In de cohortstudie door Mohos werd net als in de studie van Kehagias geen significant verschil gevonden tussen LSG en RYGB in zowel BMI-reductie (p=# ###) als absoluut gewichtsverlies (p=# ###) Het percentage EWL was echter groter in de RYGB-groep (##%) dan in de LSG-groep De studie van Himpens beschrijft een significant verschil op het gebied van gewichtsreductie in het voordeel van LSG De mediaan van de BMI-reductie was groter in de LSG-groep (<DATUM> significant verschil gevonden in het percentage EWL Het mediane percentage EWL na drie jaar was ##% (# tot ###.
| 707 | nvmdl |
volwassenen (leeftijd van ## tot <LEEFTIJD> jaar) met een BMI van â¥## kg/m#, of met een BMI van ## tot ## kg/m# in combinatie met ernstige comorbiditeit, bij wie een conventionele therapie niet tot het gewenste resultaat had geleid De studie van Himpens betrof een vergelijking tussen LSG (n=##) en een laparoscopisch geplaatste aanpasbare maagband (LAGB) (n=##) Inclusie criteria werden niet gerapporteerd De Er is sprake van aanzienlijke heterogeniteit tussen de studies op het gebied van patiëntpopulatie en interventies wat het niet mogelijk maakt om een meta-analyse uit te voeren Daarom worden Kehagias vindt geen significant verschil tussen LSG en RYGB op het gebied van gewichtsreductie Bij beide interventies nam de BMI gemiddeld significant af, maar er was geen sprake van een significant verschil in gewichtverlies tussen de interventiegroepen (P=# ##) Het percentage EWL na drie jaar was eveneens gelijk in beide groepen (p=# ##), met ##,#% in de LSG-groep en ##,#% In de cohortstudie door Mohos werd net als in de studie van Kehagias geen significant verschil gevonden tussen LSG en RYGB in zowel BMI-reductie (p=# ###) als absoluut gewichtsverlies (p=# ###) Het percentage EWL was echter groter in de RYGB-groep (##%) dan in de LSG-groep De studie van Himpens beschrijft een significant verschil op het gebied van gewichtsreductie in het voordeel van LSG De mediaan van de BMI-reductie was groter in de LSG-groep (<DATUM> significant verschil gevonden in het percentage EWL Het mediane percentage EWL na drie jaar was ##% (# tot #<DATUM> tot +##<DATUM> na <PERSOON> rapporteert geen significant verschil in de resolutie van hypertensie; namelijk een verbetering bij ##% (<DATUM> patiënten) van de patiënten in de LSG-groep en ##% (<DATUM> patiënten) van de patiënten in de RYGB groep De resolutie van DM# was met ##% gelijk in beide groepen (<DATUM> In de cohortstudie van Mohos trad een resolutie van DM# op bij ##% (#/##) van de LSGpatiënten en ##% (<DATUM> van de RYGB-patiënten Met betrekking tot hypertensie was de Himpens beschrijft een resolutie van GERD bij ##% (<DATUM> van de patiënten in de LSG-groep en #<DATUM> (<DATUM> van de patiënten in de LAGB-groep Gegevens met betrekking tot statistische In de studie van Mohos verdween OSAS bij #% (#/##) van de LSG-patiënten en bij ##% (<DATUM> van Helmiö concludeert op basis van een ##-dagen analyse dat LSG tot een lager aantal niet-ernstige korte termijn complicaties leidt dan RYGB (p=# ###) Niet-ernstige korte termijn complicaties werd geen verschil gevonden tussen het aantal ernstige complicaties (p=# ###) Bij # LSGpatiënten (#,#%) en ## (#,#%) RYGB-patiënten traden ernstige complicaties op De ##-dagen Ook binnen de studie van Kehagias werd in geen van beide groepen mortaliteit gerapporteerd Bij één patiënt in de LSG-groep trad een lekkage op Overige korte termijn en lange termijn complicaties bleken gelijk tussen de groepen Korte termijn complicaties traden op bij ##% van Himpens vond kleine verschillen in het aantal postoperatieve complicaties na een LSG of LAGB.
| 733 | nvmdl |
tot +##<DATUM> na <PERSOON> rapporteert geen significant verschil in de resolutie van hypertensie; namelijk een verbetering bij ##% (<DATUM> patiënten) van de patiënten in de LSG-groep en ##% (<DATUM> patiënten) van de patiënten in de RYGB groep De resolutie van DM# was met ##% gelijk in beide groepen (<DATUM> In de cohortstudie van Mohos trad een resolutie van DM# op bij ##% (#/##) van de LSGpatiënten en ##% (<DATUM> van de RYGB-patiënten Met betrekking tot hypertensie was de Himpens beschrijft een resolutie van GERD bij ##% (<DATUM> van de patiënten in de LSG-groep en #<DATUM> (<DATUM> van de patiënten in de LAGB-groep Gegevens met betrekking tot statistische In de studie van Mohos verdween OSAS bij #% (#/##) van de LSG-patiënten en bij ##% (<DATUM> van Helmiö concludeert op basis van een ##-dagen analyse dat LSG tot een lager aantal niet-ernstige korte termijn complicaties leidt dan RYGB (p=# ###) Niet-ernstige korte termijn complicaties werd geen verschil gevonden tussen het aantal ernstige complicaties (p=# ###) Bij # LSGpatiënten (#,#%) en ## (#,#%) RYGB-patiënten traden ernstige complicaties op De ##-dagen Ook binnen de studie van Kehagias werd in geen van beide groepen mortaliteit gerapporteerd Bij één patiënt in de LSG-groep trad een lekkage op Overige korte termijn en lange termijn complicaties bleken gelijk tussen de groepen Korte termijn complicaties traden op bij ##% van Himpens vond kleine verschillen in het aantal postoperatieve complicaties na een LSG of LAGB heroperatie noodzakelijk was Hiervan was geen sprake in de LAGB-groep <PERSOON> termijn complicaties waarbij heroperatie was vereist trad bij zeven patiënten in de LAGB-groep op, terwijl hiervan in de LSG-groep geen sprake was In beide groepen bleek de operatie bij twee patiënten niet tot de gewenste gewichtsreductie te hebben geleid Himpens beschreef eveneens het aantal nieuw optreden gevallen van gastroesophageal reflux disease na het uitvoeren van bariatrische chirurgie GERD trad binnen één jaar na de operatie op bij ##,#% (#/##) van De bewijskracht voor de uitkomstmaat gewichtsverlies, resolutie metabole afwijkingen en resolutie slaap apnoe syndroom (OSAS) in de vergelijking tussen LSG en RYGB, is zeer laag omdat het aantal events laag is (imprecisie) Daarnaast betreft de studie van Mohos een cohort studie waarbij het interventiecohort niet uit dezelfde populatie afkomstig is als het controlecohort en wat betreft leeftijd en pre-operatieve BMI verschillen bij baseline Daarnaast verschilde de resolutie slaap apnoe syndroom (OSAS) in de vergelijking tussen LSG en LAGB, is zeer laag omdat er sprake was van zeer ernstige studie beperkingen en het aantal events laag is (imprecisie) De studie van Himpens gaf geen beschrijving van de randomisatiemethode en bevatte geen beschrijving van het blinderen van de toewijzing Daarnaast werd de loss to follow-up niet De bewijskracht voor de uitkomstmaat complicaties in de vergelijking tussen LSG en RYGB is matig, omdat er sprake is van inconsistentie Het lage aantal geïncludeerde patiënten in de studies leidt tot imprecisie, wat wellicht het uitblijven van mortaliteit binnen de studies.
| 680 | nvmdl |
was geen sprake in de LAGB-groep <PERSOON> termijn complicaties waarbij heroperatie was vereist trad bij zeven patiënten in de LAGB-groep op, terwijl hiervan in de LSG-groep geen sprake was In beide groepen bleek de operatie bij twee patiënten niet tot de gewenste gewichtsreductie te hebben geleid Himpens beschreef eveneens het aantal nieuw optreden gevallen van gastroesophageal reflux disease na het uitvoeren van bariatrische chirurgie GERD trad binnen één jaar na de operatie op bij ##,#% (#/##) van De bewijskracht voor de uitkomstmaat gewichtsverlies, resolutie metabole afwijkingen en resolutie slaap apnoe syndroom (OSAS) in de vergelijking tussen LSG en RYGB, is zeer laag omdat het aantal events laag is (imprecisie) Daarnaast betreft de studie van Mohos een cohort studie waarbij het interventiecohort niet uit dezelfde populatie afkomstig is als het controlecohort en wat betreft leeftijd en pre-operatieve BMI verschillen bij baseline Daarnaast verschilde de resolutie slaap apnoe syndroom (OSAS) in de vergelijking tussen LSG en LAGB, is zeer laag omdat er sprake was van zeer ernstige studie beperkingen en het aantal events laag is (imprecisie) De studie van Himpens gaf geen beschrijving van de randomisatiemethode en bevatte geen beschrijving van het blinderen van de toewijzing Daarnaast werd de loss to follow-up niet De bewijskracht voor de uitkomstmaat complicaties in de vergelijking tussen LSG en RYGB is matig, omdat er sprake is van inconsistentie Het lage aantal geïncludeerde patiënten in de studies leidt tot imprecisie, wat wellicht het uitblijven van mortaliteit binnen de studies op het gebied van gewichtverlies en resolutie van metabole afwijkingen (hypertensie, DM# en GERD) zijn vergelijkbaar met die van een gastric op het gebied van gewichtverlies zijn gunstiger dan die van een op het gebied van resolutie van GERD zijn vergelijkbaar met die van een op het gebied van OSAS zijn vergelijkbaar met die van een gastric bypass LSG leidt tot een lager aantal niet-ernstige korte termijn complicaties dan RYGB Het aantal ernstige korte termijn complicaties is vergelijkbaar bij Het aantal lange termijn complicaties is vergelijkbaar bij LSG en RYGB Er is geen verschil in mortaliteit na LSG of <PERSOON> termijn complicaties waarbij een heroperatie noodzakelijk is treden De hierboven beschreven conclusies zijn gebaseerd op vergelijkende studies of systematische reviews Vergelijkende studies met lange termijn resultaten (vijf tot negen jaar) van de LSG zijn niet gevonden Deze lange termijn resultaten zijn veelal in niet-vergelijkende studies beschreven (ASMBS, ###; Braghetto et al , ###) Uit deze studies blijkt eveneens dat LSG op lange termijn wat betreft gewichtsverlies en reductie van metabole afwijkingen vergelijkbaar effectief is als de RYGB Braghetto concludeert evenwel dat het optreden van GERD na een LSG operaties en een (beperkte) gewichtstoename vanaf vijf jaar na operatie als nadelen van LSG operaties gelden Een voordeel van het uitvoeren van een laparoscopische sleeve resectie van de maag als conversiemogelijkheid naar een andere bariatrische procedure (ASMBS, ###; Braghetto et al , ###) Dit voordeel kan worden meegenomen bij de indicatiestelling, aangezien elke bariatrische.
| 577 | nvmdl |
en resolutie van metabole afwijkingen (hypertensie, DM# en GERD) zijn vergelijkbaar met die van een gastric op het gebied van gewichtverlies zijn gunstiger dan die van een op het gebied van resolutie van GERD zijn vergelijkbaar met die van een op het gebied van OSAS zijn vergelijkbaar met die van een gastric bypass LSG leidt tot een lager aantal niet-ernstige korte termijn complicaties dan RYGB Het aantal ernstige korte termijn complicaties is vergelijkbaar bij Het aantal lange termijn complicaties is vergelijkbaar bij LSG en RYGB Er is geen verschil in mortaliteit na LSG of <PERSOON> termijn complicaties waarbij een heroperatie noodzakelijk is treden De hierboven beschreven conclusies zijn gebaseerd op vergelijkende studies of systematische reviews Vergelijkende studies met lange termijn resultaten (vijf tot negen jaar) van de LSG zijn niet gevonden Deze lange termijn resultaten zijn veelal in niet-vergelijkende studies beschreven (ASMBS, ###; Braghetto et al , ###) Uit deze studies blijkt eveneens dat LSG op lange termijn wat betreft gewichtsverlies en reductie van metabole afwijkingen vergelijkbaar effectief is als de RYGB Braghetto concludeert evenwel dat het optreden van GERD na een LSG operaties en een (beperkte) gewichtstoename vanaf vijf jaar na operatie als nadelen van LSG operaties gelden Een voordeel van het uitvoeren van een laparoscopische sleeve resectie van de maag als conversiemogelijkheid naar een andere bariatrische procedure (ASMBS, ###; Braghetto et al , ###) Dit voordeel kan worden meegenomen bij de indicatiestelling, aangezien elke bariatrische gezien moet worden als een chronische ziekte Braghetto beschrijft bovendien dat na een LSG als eerste ingreep lang niet altijd een conversie plaatsvindt Dit zou ertoe kunnen leiden dat de LSG vaker als primaire ingreep ingezet wordt om in het verloop alsnog te kunnen bepalen of een Momenteel geldt de gastric bypass als gouden standaard Er zijn echter overwegingen om niet voor deze gouden standaard kiezen, bijvoorbeeld bij hoog risico of super obese patiënten De LSG en de adjustable gastric band zijn mogelijke alternatieven Een aantal studies, vooral uit Australië, rapporteren goede lange termijn resultaten van de adjustable gastric band Deze gunstige resultaten lijken nauw samen te hangen met de hoge kwaliteit van het vervolgtraject na een adjustable gastric band De werkgroep is van mening dat op het gebied van het vervolgtraject na een bariatrische ingreep in <LOCATIE> nog flinke progressie kan worden geboekt, te meer daar dergelijke vervolgtrajecten belangrijk zijn bij elke bariatrische procedure Steeds meer studies beschrijven echter falende lange termijn resultaten van de LAGB (Spivak et al , ###; Naef et al , ###) Daarmee lijkt de LSG een gunstiger profiel als alternatief te hebben; acceptabele morbiditeit, hogere effectiviteit en behoud van verschillende Een nadeel van een LSG is dat patiënten met name in de eerste periode na de operatie relatief veel en lang aanhoudende voedingsgerelateerde klachten ondervinden De restrictie wordt over het algemeen als zeer ingrijpend ervaren Belangrijk hierbij is om de voedingstoestand in de gaten te houden gezien het risico op ondervoeding.
| 563 | nvmdl |
Braghetto beschrijft bovendien dat na een LSG als eerste ingreep lang niet altijd een conversie plaatsvindt Dit zou ertoe kunnen leiden dat de LSG vaker als primaire ingreep ingezet wordt om in het verloop alsnog te kunnen bepalen of een Momenteel geldt de gastric bypass als gouden standaard Er zijn echter overwegingen om niet voor deze gouden standaard kiezen, bijvoorbeeld bij hoog risico of super obese patiënten De LSG en de adjustable gastric band zijn mogelijke alternatieven Een aantal studies, vooral uit Australië, rapporteren goede lange termijn resultaten van de adjustable gastric band Deze gunstige resultaten lijken nauw samen te hangen met de hoge kwaliteit van het vervolgtraject na een adjustable gastric band De werkgroep is van mening dat op het gebied van het vervolgtraject na een bariatrische ingreep in <LOCATIE> nog flinke progressie kan worden geboekt, te meer daar dergelijke vervolgtrajecten belangrijk zijn bij elke bariatrische procedure Steeds meer studies beschrijven echter falende lange termijn resultaten van de LAGB (Spivak et al , ###; Naef et al , ###) Daarmee lijkt de LSG een gunstiger profiel als alternatief te hebben; acceptabele morbiditeit, hogere effectiviteit en behoud van verschillende Een nadeel van een LSG is dat patiënten met name in de eerste periode na de operatie relatief veel en lang aanhoudende voedingsgerelateerde klachten ondervinden De restrictie wordt over het algemeen als zeer ingrijpend ervaren Belangrijk hierbij is om de voedingstoestand in de gaten te houden gezien het risico op ondervoeding hebben echter minder kans op dumping aangezien de pylorus nog intact is Het voedingsadvies na een LSG staat al in de richtlijn (###) beschreven De keuze van de operatie wordt vaak mede, dan wel grotendeels, bepaald door de mening van de chirurg De LSG lijkt voor een patiënt eenvoudiger, zowel qua operatierisicoâs als met betrekking tot postoperatieve comorbiditeit en problemen met malabsorptie van medicatie Ook de conversiemogelijkheid kan voor patiënten een reden zijn de LSG als primaire behandeling te kiezen Dit kan echter voor sommige patiënten worden ervaren als niet-definitieve behandeling, waardoor zij de voorkeur geven aan een gastric bypass Een overweging om af te zien van LSG vanuit patiëntenperspectief is de kans op het ontstaan of verergeren van GERD Met strikte selectiecriteria is een beperkte set vergelijkende studies over de LSG gevonden De beschreven resultaten inclusief hierboven genoemde overwegingen laten bij de afweging van effectiviteit en veiligheid een vergelijkbaar profiel zien als de gastric bypass en mogelijk gunstiger dan de gastric banding Bovendien is de LSG wereldwijd de tweede meest toegepaste operatie (Buchwald, ###) en wordt door vele experts als primaire ingreep voor bariatrische patiënten beschouwd De LSG lijkt daarmee een goed alternatief indien niet gekozen wordt voor de gastric bypass als gouden standaard Er zal rekening gehouden moeten worden met een striktere dieetaanpassing in de eerste periode en met de mogelijkheid van het optreden van Er zijn nog geen vergelijkende studies die behandelingsfalen, metabole bijwerkingen en deficiënties op de langere termijn geëvalueerd hebben.
| 556 | nvmdl |
aangezien de pylorus nog intact is Het voedingsadvies na een LSG staat al in de richtlijn (###) beschreven De keuze van de operatie wordt vaak mede, dan wel grotendeels, bepaald door de mening van de chirurg De LSG lijkt voor een patiënt eenvoudiger, zowel qua operatierisicoâs als met betrekking tot postoperatieve comorbiditeit en problemen met malabsorptie van medicatie Ook de conversiemogelijkheid kan voor patiënten een reden zijn de LSG als primaire behandeling te kiezen Dit kan echter voor sommige patiënten worden ervaren als niet-definitieve behandeling, waardoor zij de voorkeur geven aan een gastric bypass Een overweging om af te zien van LSG vanuit patiëntenperspectief is de kans op het ontstaan of verergeren van GERD Met strikte selectiecriteria is een beperkte set vergelijkende studies over de LSG gevonden De beschreven resultaten inclusief hierboven genoemde overwegingen laten bij de afweging van effectiviteit en veiligheid een vergelijkbaar profiel zien als de gastric bypass en mogelijk gunstiger dan de gastric banding Bovendien is de LSG wereldwijd de tweede meest toegepaste operatie (Buchwald, ###) en wordt door vele experts als primaire ingreep voor bariatrische patiënten beschouwd De LSG lijkt daarmee een goed alternatief indien niet gekozen wordt voor de gastric bypass als gouden standaard Er zal rekening gehouden moeten worden met een striktere dieetaanpassing in de eerste periode en met de mogelijkheid van het optreden van Er zijn nog geen vergelijkende studies die behandelingsfalen, metabole bijwerkingen en deficiënties op de langere termijn geëvalueerd hebben eventuele reductie van co-morbiditeiten is er meer behoefte aan resultaten over meer dan drie jaar na de interventie uit studies met grotere patiënten aantallen Toekomstige studies zouden Binnen de bariatrische chirurgie ontbreekt een goed algoritme voor indicatiestelling voor verschillende procedures Specifiek voor de LSG werd al wel de indicatie beschreven bij super obese patiënten Meer richting kan worden gegeven als bovenstaande lange termijn resultaten bekend zijn en patiëntkarakteristieken zoals eetpatroon worden onderzocht ASMBS Clinical Issues Committee (###) Updated position statement on sleeve gastrectomy as a bariatric procedure ASMBS Clinical Issues Committee (###) Updated position statement on sleeve gastrectomy as a bariatric procedure <PERSOON>, J C (###) Is laparoscopic sleeve gastrectomy an acceptable primary bariatric procedure in obese patients? Early and #-year postoperative results <PERSOON> surgery worldwide ### <PERSOON> a randomized prospective multicenter study comparing laparoscopic sleeve gastrectomy and gastric bypass in the treatment of <PERSOON>, G B (###) A prospective randomized study between laparoscopic gastric banding and laparoscopic isolated sleeve gastrectomy results after # and # years Obes Surg , ##, ###-### Kehagias, I.
| 524 | nvmdl |
meer behoefte aan resultaten over meer dan drie jaar na de interventie uit studies met grotere patiënten aantallen Toekomstige studies zouden Binnen de bariatrische chirurgie ontbreekt een goed algoritme voor indicatiestelling voor verschillende procedures Specifiek voor de LSG werd al wel de indicatie beschreven bij super obese patiënten Meer richting kan worden gegeven als bovenstaande lange termijn resultaten bekend zijn en patiëntkarakteristieken zoals eetpatroon worden onderzocht ASMBS Clinical Issues Committee (###) Updated position statement on sleeve gastrectomy as a bariatric procedure ASMBS Clinical Issues Committee (###) Updated position statement on sleeve gastrectomy as a bariatric procedure <PERSOON>, J C (###) Is laparoscopic sleeve gastrectomy an acceptable primary bariatric procedure in obese patients? Early and #-year postoperative results <PERSOON> surgery worldwide ### <PERSOON> a randomized prospective multicenter study comparing laparoscopic sleeve gastrectomy and gastric bypass in the treatment of <PERSOON>, G B (###) A prospective randomized study between laparoscopic gastric banding and laparoscopic isolated sleeve gastrectomy results after # and # years <PERSOON> clinical trial of laparoscopic Roux-en-Y gastric bypass versus laparoscopic sleeve gastrectomy for the management of patients with BMI ( ## kg/m# <PERSOON> of life parameters, weight change and improvement of comorbidities after laparoscopic Roux Y gastric bypass and laparoscopic gastric sleeve resection--comparative study <PERSOON> survival and complications after laparoscopic gastric banding for morbid obesityâlessons learned from a ##-year experience <PERSOON> guidelines for surgery for obesity <PERSOON>, S (###) Long-term outcomes of laparoscopic adjustable gastric banding and laparoscopic Roux-en-Y gastric bypass in the United States Surg Endosc , ## (#), ###-## Het hoge remissie percentage van Diabetes Mellitus type # (DM#) na bariatrische chirurgie bij obesitas, geeft aanleiding tot de vraag of bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een Body Mass Index (BMI) van minder van ## kg/m# is te rechtvaardigen Internationale.
| 423 | nvmdl |
<PERSOON> clinical trial of laparoscopic Roux-en-Y gastric bypass versus laparoscopic sleeve gastrectomy for the management of patients with BMI ( ## kg/m# <PERSOON> of life parameters, weight change and improvement of comorbidities after laparoscopic Roux Y gastric bypass and laparoscopic gastric sleeve resection--comparative study <PERSOON> survival and complications after laparoscopic gastric banding for morbid obesityâlessons learned from a ##-year experience <PERSOON> guidelines for surgery for obesity <PERSOON>, S (###) Long-term outcomes of laparoscopic adjustable gastric banding and laparoscopic Roux-en-Y gastric bypass in the United States Surg Endosc , ## (#), ###-## Het hoge remissie percentage van Diabetes Mellitus type # (DM#) na bariatrische chirurgie bij obesitas, geeft aanleiding tot de vraag of bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een Body Mass Index (BMI) van minder van ## kg/m# is te rechtvaardigen Internationale worden In tegenstelling tot in <LOCATIE> zijn in verscheidene landen zoals Australië en de Verenigde Staten de indicatie voor bariatrische chirurgie verruimd om ook patiënten met DM# met een BMI van ## tot ## kg/m# (klasse I obesitas) te opereren Deze nieuwe indicatie voor bariatrische of metabole chirurgie bij DM# patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m# en de toegenomen internationale acceptatie hiervan zijn redenen om te bekijken of de Nederlandse richtlijn op dit punt dient te worden herzien en de indicatie voor bariatrische chirurgie dient te Wat is de positie van bariatrische chirurgie in de behandeling van patiënten met diabetes - wat zijn (on)gunstige effecten van bariatrische chirurgie ten opzichte van conventionele therapie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m#? - korte termijn complicaties ((## dagen) lekkage en bloedingen, infecties, - lange termijn complicaties percentage treatment failure, metabole De werkgroep achtte de uitkomstmaat remissie en verbeterde regulatie van DM# voor de besluitvorming een kritieke uitkomstmaat; de overige bovenstaande uitkomstmaten werden ten aanzien van de besluitvorming als belangrijk bestempeld De werkgroep definieerde de uitkomstmaat remissie en verbeterde regulatie van DM# niet a priori, maar hanteerde de in de naar studies vanaf ### over de bariatrische chirurgie bij DM#-patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m# De zoekverantwoording is weergegeven in de bijlage De literatuurzoekactie leverde ### treffers op Studies werden geselecteerd op grond van de bovenstaande PICO Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie ## studies voorgeselecteerd Na raadpleging van de.
| 531 | nvmdl |
landen zoals Australië en de Verenigde Staten de indicatie voor bariatrische chirurgie verruimd om ook patiënten met DM# met een BMI van ## tot ## kg/m# (klasse I obesitas) te opereren Deze nieuwe indicatie voor bariatrische of metabole chirurgie bij DM# patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m# en de toegenomen internationale acceptatie hiervan zijn redenen om te bekijken of de Nederlandse richtlijn op dit punt dient te worden herzien en de indicatie voor bariatrische chirurgie dient te Wat is de positie van bariatrische chirurgie in de behandeling van patiënten met diabetes - wat zijn (on)gunstige effecten van bariatrische chirurgie ten opzichte van conventionele therapie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m#? - korte termijn complicaties ((## dagen) lekkage en bloedingen, infecties, - lange termijn complicaties percentage treatment failure, metabole De werkgroep achtte de uitkomstmaat remissie en verbeterde regulatie van DM# voor de besluitvorming een kritieke uitkomstmaat; de overige bovenstaande uitkomstmaten werden ten aanzien van de besluitvorming als belangrijk bestempeld De werkgroep definieerde de uitkomstmaat remissie en verbeterde regulatie van DM# niet a priori, maar hanteerde de in de naar studies vanaf ### over de bariatrische chirurgie bij DM#-patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m# De zoekverantwoording is weergegeven in de bijlage De literatuurzoekactie leverde ### treffers op Studies werden geselecteerd op grond van de bovenstaande PICO Op basis van titel en abstract werden in eerste instantie ## studies voorgeselecteerd Na raadpleging van de definitief geselecteerd De evidencetabellen hiervan kunt u in bijlage vinden In totaal zijn slechts twee cohort studies gevonden die voldoen aan de inclusiecriteria en waarmee de uitgangsvraag kan worden beantwoord Er kan dan ook worden geconcludeerd dat er zeer weinig vergelijkende interventie studies zijn verschenen, waarbij specifiek de effectiviteit van bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# is vergeleken met conventionele therapie De geïncludeerde studies betreffen een prospectieve nietgerandomiseerde matched case-control studie (Abbatini et al , ###) en een retrospectieve casecontrol studie (Serrot et al , ###) De studies door Abbatini (n=##) en Serrot (n=##) bevatten beide uitsluitend DM#-patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m# In de studie van Abbatini bestond de interventie groep uit negen patiënten die een laparoscopische sleeve resectie van de maag ondergingen De controlegroep bestond uit negen patiënten die een conventionele therapie kregen Deze therapie werd echter niet nader gespecificeerd De interventiegroep in de studie van Serrot bestond uit ## patiënten die een Gastric Bypass volgens Roux en -Y ondergingen (RYGB) In de studie van Serrot werden deze patiënten gematched met een historische controlegroep uit de database van de Universiteit van Minnesota Deze groep (n=##) bestond uit patiënten bij wie tussen ### en ### DM# was vastgesteld en die een routine behandeling hadden gekregen Deze behandeling bestond uit advies op het gebied van dieet, beweging en gewichtsbeheersing Beide studies Er is sprake van aanzienlijke heterogeniteit tussen de studies op het gebied van.
| 640 | nvmdl |
evidencetabellen hiervan kunt u in bijlage vinden In totaal zijn slechts twee cohort studies gevonden die voldoen aan de inclusiecriteria en waarmee de uitgangsvraag kan worden beantwoord Er kan dan ook worden geconcludeerd dat er zeer weinig vergelijkende interventie studies zijn verschenen, waarbij specifiek de effectiviteit van bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# is vergeleken met conventionele therapie De geïncludeerde studies betreffen een prospectieve nietgerandomiseerde matched case-control studie (Abbatini et al , ###) en een retrospectieve casecontrol studie (Serrot et al , ###) De studies door Abbatini (n=##) en Serrot (n=##) bevatten beide uitsluitend DM#-patiënten met een BMI van ## tot ## kg/m# In de studie van Abbatini bestond de interventie groep uit negen patiënten die een laparoscopische sleeve resectie van de maag ondergingen De controlegroep bestond uit negen patiënten die een conventionele therapie kregen Deze therapie werd echter niet nader gespecificeerd De interventiegroep in de studie van Serrot bestond uit ## patiënten die een Gastric Bypass volgens Roux en -Y ondergingen (RYGB) In de studie van Serrot werden deze patiënten gematched met een historische controlegroep uit de database van de Universiteit van Minnesota Deze groep (n=##) bestond uit patiënten bij wie tussen ### en ### DM# was vastgesteld en die een routine behandeling hadden gekregen Deze behandeling bestond uit advies op het gebied van dieet, beweging en gewichtsbeheersing Beide studies Er is sprake van aanzienlijke heterogeniteit tussen de studies op het gebied van voeren Daarom worden de uitkomstenmaten apart per studie besproken Abbatini rapporteert een remissie van DM# bij ##% (<DATUM> in de interventiegroep versus #% (#/#) in de groep met een conventionele therapie Remissie van DM# werd hierbij gedefinieerd als nuchtere glucose concentraties lager dan # mmol/l met daarbij HbA#c-waarden lager dan #,#% zonder het gebruik van orale antidiabetica of insuline In de studie van Serrot hadden na een jaar ## van de ## patiënten in de interventiegroep remissie van DM# bereikt Serrot rapporteert een daling in HbA#c in de RYGB groep van <DATUM> ± # #% naar <DATUM> ± <DATUM> versus geen daling in de conventionele therapiegroep na één jaar Gewichtsverlies, gerapporteerd als absoluut gewichtsverlies, reductie van BMI of EWL, werd niet beschreven in de studie van Abbatini Uit de resultaten is evenwel op te maken dat de gemiddelde BMI in de interventiegroep afneemt van #<DATUM> kg/m# preoperatief naar <DATUM> kg/m# postoperatief na één jaar In de controlegroep was de gemiddelde BMI aan begin en conventionele therapiegroep De BMI nam na RYGB significant af van #<DATUM> # # kg/m# naar #<DATUM> kg/m#) Het absolute gewicht nam in de RYGB-groep significant af van #<DATUM> g naar Remissie van hypercholesterolemie wordt in geen van de hierboven beschreven studies Abbatini beschrijft dat alle patiënten na ## maanden follow-up afhankelijk blijven van Resultaten met betrekking tot de uitkomstmaat veiligheid werden niet door Abbatini beschreven.
| 640 | nvmdl |
Daarom worden de uitkomstenmaten apart per studie besproken Abbatini rapporteert een remissie van DM# bij ##% (<DATUM> in de interventiegroep versus #% (#/#) in de groep met een conventionele therapie Remissie van DM# werd hierbij gedefinieerd als nuchtere glucose concentraties lager dan # mmol/l met daarbij HbA#c-waarden lager dan #,#% zonder het gebruik van orale antidiabetica of insuline In de studie van Serrot hadden na een jaar ## van de ## patiënten in de interventiegroep remissie van DM# bereikt Serrot rapporteert een daling in HbA#c in de RYGB groep van <DATUM> ± # #% naar <DATUM> ± <DATUM> versus geen daling in de conventionele therapiegroep na één jaar Gewichtsverlies, gerapporteerd als absoluut gewichtsverlies, reductie van BMI of EWL, werd niet beschreven in de studie van Abbatini Uit de resultaten is evenwel op te maken dat de gemiddelde BMI in de interventiegroep afneemt van #<DATUM> kg/m# preoperatief naar <DATUM> kg/m# postoperatief na één jaar In de controlegroep was de gemiddelde BMI aan begin en conventionele therapiegroep De BMI nam na RYGB significant af van #<DATUM> # # kg/m# naar #<DATUM> kg/m#) Het absolute gewicht nam in de RYGB-groep significant af van #<DATUM> g naar Remissie van hypercholesterolemie wordt in geen van de hierboven beschreven studies Abbatini beschrijft dat alle patiënten na ## maanden follow-up afhankelijk blijven van Resultaten met betrekking tot de uitkomstmaat veiligheid werden niet door Abbatini beschreven #%) in de RYGBgroep binnen één jaar na de operatie complicaties optraden Het ging hierbij om twee patiënten met een littekenbreuk waarbij operatief ingrijpen noodzakelijk was en twee patiënten met ulcera op de anastomose welke medicamenteus werden behandeld In beide groepen was geen sprake van mortaliteit Bij ##% van de patiënten in de RYGB-groep was een heropname De bewijskracht voor alle hierboven beschreven uitkomstmaten is zeer laag aangezien het nietgerandomiseerde onderzoeken betreft (met zeer ernstige beperkingen in onderzoeksopzet) en het aantal events laag is (imprecisie) Daarnaast was bij beide studies sprake van significante verschillen ten aanzien van leeftijd en geslacht tussen de interventie- en controlegroep Bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# leidt bariatrische chirurgie tot een hoger percentage remissie en tot verbeterde regulatie chirurgie tot een groter gewichtsverlies vergeleken met conventionele chirurgie niet tot een afname van het aantal patiënten met hypertensie In de literatuur zijn geen uitkomsten beschreven voor de metabole afwijking hypercholesterolemie na bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# vergeleken met conventionele beschreven in de literatuur na bariatrische chirurgie bij patiënten met Op basis van de beschikbare evidence is het niet duidelijk of de aanvankelijke goede resultaten, inclusief remissie en verbeterde regulatie van DM#, op langere termijn behouden blijven bij patiënten met milde obesitas Er zijn enkel RCTâs beschikbaar waarbij bariatrische chirurgie wordt vergeleken met conventionele therapie bij patiënten met een BMI )## kg/m# in combinatie met DM# (Dixon et al , ###; Schauer et al , ###).
| 638 | nvmdl |
operatie complicaties optraden Het ging hierbij om twee patiënten met een littekenbreuk waarbij operatief ingrijpen noodzakelijk was en twee patiënten met ulcera op de anastomose welke medicamenteus werden behandeld In beide groepen was geen sprake van mortaliteit Bij ##% van de patiënten in de RYGB-groep was een heropname De bewijskracht voor alle hierboven beschreven uitkomstmaten is zeer laag aangezien het nietgerandomiseerde onderzoeken betreft (met zeer ernstige beperkingen in onderzoeksopzet) en het aantal events laag is (imprecisie) Daarnaast was bij beide studies sprake van significante verschillen ten aanzien van leeftijd en geslacht tussen de interventie- en controlegroep Bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# leidt bariatrische chirurgie tot een hoger percentage remissie en tot verbeterde regulatie chirurgie tot een groter gewichtsverlies vergeleken met conventionele chirurgie niet tot een afname van het aantal patiënten met hypertensie In de literatuur zijn geen uitkomsten beschreven voor de metabole afwijking hypercholesterolemie na bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# vergeleken met conventionele beschreven in de literatuur na bariatrische chirurgie bij patiënten met Op basis van de beschikbare evidence is het niet duidelijk of de aanvankelijke goede resultaten, inclusief remissie en verbeterde regulatie van DM#, op langere termijn behouden blijven bij patiënten met milde obesitas Er zijn enkel RCTâs beschikbaar waarbij bariatrische chirurgie wordt vergeleken met conventionele therapie bij patiënten met een BMI )## kg/m# in combinatie met DM# (Dixon et al , ###; Schauer et al , ###) deze artikelen de uitkomsten voor uitsluitend de categorie BMI van ## tot ## kg/m# te halen Een studie door <PERSOON> kan echter als richtinggevend worden beschouwd (<PERSOON> et al , ###) <PERSOON> vergeleek de maagband met goed gedefinieerde en zeer uitgebreide conventionele therapie binnen een populatie met een BMI van ## tot ## kg/m# (n=##) over een periode van ## maanden De studiepopulatie betrof echter niet expliciet diabetespatiënten De âexcess weight lossâ (percentage EWL) na twee jaar was ##,#% in de interventiegroep, tegenover ##,#% in de groepen met een conventionele therapie Het initiële gewichtsverlies was respectievelijk ##,#% tegenover #,#% (p(# ###) Er was eveneens significant verschil in de afname van het metabole syndroom ten gunste van de maagbandoperatie (#/## nog met aanwezig metabool syndroom Scopinaro et al , (###) vergeleken in een subanalyse ## patiënten met obesitas (BMI van ## tot ## kg/m#) die een biliopancreatische diversie ondergingen met een conventionele therapiegroep van obese diabeten De follow-up was twee jaar en het gemiddelde gewichtsverlies bedroeg ##,# kg in de interventiegroep terwijl de conservatieve groep niets in gewicht verloor Remissie van diabetes trad op in ##% van de interventiegroep terwijl de HbA#c beneden de # kwam in alle groepen Bloeddruk, triglyceriden en cholesterol verbeterden maar alleen dankzij intensivering van de medicatie De resultaten lijken gunstiger voor de interventiegroep, maar er werd echter geen statistiek op de resultaten toegepast De literatuur levert data uit veelal niet-vergelijkend onderzoek bij duizenden patiënten met DM#.
| 661 | nvmdl |
uitsluitend de categorie BMI van ## tot ## kg/m# te halen Een studie door <PERSOON> kan echter als richtinggevend worden beschouwd (<PERSOON> et al , ###) <PERSOON> vergeleek de maagband met goed gedefinieerde en zeer uitgebreide conventionele therapie binnen een populatie met een BMI van ## tot ## kg/m# (n=##) over een periode van ## maanden De studiepopulatie betrof echter niet expliciet diabetespatiënten De âexcess weight lossâ (percentage EWL) na twee jaar was ##,#% in de interventiegroep, tegenover ##,#% in de groepen met een conventionele therapie Het initiële gewichtsverlies was respectievelijk ##,#% tegenover #,#% (p(# ###) Er was eveneens significant verschil in de afname van het metabole syndroom ten gunste van de maagbandoperatie (#/## nog met aanwezig metabool syndroom Scopinaro et al , (###) vergeleken in een subanalyse ## patiënten met obesitas (BMI van ## tot ## kg/m#) die een biliopancreatische diversie ondergingen met een conventionele therapiegroep van obese diabeten De follow-up was twee jaar en het gemiddelde gewichtsverlies bedroeg ##,# kg in de interventiegroep terwijl de conservatieve groep niets in gewicht verloor Remissie van diabetes trad op in ##% van de interventiegroep terwijl de HbA#c beneden de # kwam in alle groepen Bloeddruk, triglyceriden en cholesterol verbeterden maar alleen dankzij intensivering van de medicatie De resultaten lijken gunstiger voor de interventiegroep, maar er werd echter geen statistiek op de resultaten toegepast De literatuur levert data uit veelal niet-vergelijkend onderzoek bij duizenden patiënten met DM# voor wat betreft remissie van DM#, gedefinieerd als Hba#c (# of #,#% zonder gebruik van medicatie, zie onder andere de systematische review en meta-analyse van Buchwald (Buchwald et al , ###) Huidige en historische RCTs met intensieve versus minder intensieve conventionele behandelstrategieën bij DM#, zijn niet in staat geweest dergelijke resultaten te evenaren voor wat betreft reductie van diabetesmedicatie en gewicht Belangrijker nog is dat de reductie in mortaliteit, die met bariatrische chirurgie bij obesitas in het algemeen is aangetoond, ook ziekte cohortstudie van <PERSOON> et al , (###) onder ### bariatrische patiënten maar liefst ##% lager dan in de voor leeftijd, geslacht en BMI gematchte controlegroep Buchwald toonde voorts aan dat er voor bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# een acceptabel lage overall mortaliteit van #,##% in de eerste ## dagen postoperatief Ten aanzien van lange termijn complicaties van bariatrische chirurgie, zijn er bij patiënten met DM# enkele specifieke aandachtspunten Regelmatig zijn er patiënten met aanhoudende diarreeklachten passend bij het gebruik van metformine Bij langdurig metforminegebruik is extra aandacht voor adequate vitamine B##-suppletie geboden Het is van belang attent te zijn op postprandiale hypoglycemische periodes als gevolg van late dumping Ook vroege Koolhydraatbeperking en eventuele inzet van acarbose behoren tot de mogelijke maatregelen Het toenemende inzicht in de snel in werking tredende mechanismen verantwoordelijk voor een betere glucosehuishouding bij patiënten met DM#, zoals toename in de hierbij betrokken darmhormonen GLP-# en peptide YY en afname in ghrelin, maakt het plausibel dat de gunstige effecten van bariatrische chirurgie ook gelden voor patiënten met een BMI (## kg/m#.
| 682 | nvmdl |
of #,#% zonder gebruik van medicatie, zie onder andere de systematische review en meta-analyse van Buchwald (Buchwald et al , ###) Huidige en historische RCTs met intensieve versus minder intensieve conventionele behandelstrategieën bij DM#, zijn niet in staat geweest dergelijke resultaten te evenaren voor wat betreft reductie van diabetesmedicatie en gewicht Belangrijker nog is dat de reductie in mortaliteit, die met bariatrische chirurgie bij obesitas in het algemeen is aangetoond, ook ziekte cohortstudie van <PERSOON> et al , (###) onder ### bariatrische patiënten maar liefst ##% lager dan in de voor leeftijd, geslacht en BMI gematchte controlegroep Buchwald toonde voorts aan dat er voor bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# een acceptabel lage overall mortaliteit van #,##% in de eerste ## dagen postoperatief Ten aanzien van lange termijn complicaties van bariatrische chirurgie, zijn er bij patiënten met DM# enkele specifieke aandachtspunten Regelmatig zijn er patiënten met aanhoudende diarreeklachten passend bij het gebruik van metformine Bij langdurig metforminegebruik is extra aandacht voor adequate vitamine B##-suppletie geboden Het is van belang attent te zijn op postprandiale hypoglycemische periodes als gevolg van late dumping Ook vroege Koolhydraatbeperking en eventuele inzet van acarbose behoren tot de mogelijke maatregelen Het toenemende inzicht in de snel in werking tredende mechanismen verantwoordelijk voor een betere glucosehuishouding bij patiënten met DM#, zoals toename in de hierbij betrokken darmhormonen GLP-# en peptide YY en afname in ghrelin, maakt het plausibel dat de gunstige effecten van bariatrische chirurgie ook gelden voor patiënten met een BMI (## kg/m# toevoegen van insulinetherapie vaak in een toename in gewicht Bij patiënten met slecht gereguleerde DM# en obesitas is juist een intensivering van de behandeling wenselijk die gewichtsreductie kan bewerkstelligen Dit overwegende wordt in <LOCATIE>, gezien de indicatiestelling van het gebruik van GLP-# agonisten alleen bij moeilijk instelbare diabetes met een BMI â¥## kg/m#, het medicinale arsenaal nog niet volledig uitgeput gebruikt Net als voor de nieuwe medicamenteuze therapieën bij DM#, aangrijpend op de kennis over de rol van de darmhormonen, incretinen, geldt ook voor de bariatrische chirurgie dat er behoefte is aan onderzoek over de duurzaamheid in verbetering van glucoseregulatie, totaal cardiovasculair risicoprofiel en terugdringing van obesitas De IDF heeft op basis van beschikbare kennis de bariatrische chirurgie reeds als een geschikte behandeling voor obese patiënten in het algoritme ingesloten als de aanbevolen doelen van glucose instelling met de beschikbare therapieën niet gehaald worden en dan vooral in patiënten met co-morbiditeiten zoals hypertensie en Op basis van de schaarse beste evidence lijkt bariatrische/metabole chirurgie relatief veilig en effectief De werkgroep stelt voor patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# in aanmerking te laten komen voor bariatrische chirurgie binnen een prospectieve klinische trial wanneer conventionele therapie niet tot het gewenste effect leidt Ook patiënten met een niet hypertrigliceridemie en/of een systolische tensie van )### mmHg en klasse I obesitas, zouden in aanmerking moeten komen voor bariatrische/metabole chirurgie in onderzoeksverband Patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# zouden in aanmerking moeten.
| 622 | nvmdl |
toevoegen van insulinetherapie vaak in een toename in gewicht Bij patiënten met slecht gereguleerde DM# en obesitas is juist een intensivering van de behandeling wenselijk die gewichtsreductie kan bewerkstelligen Dit overwegende wordt in <LOCATIE>, gezien de indicatiestelling van het gebruik van GLP-# agonisten alleen bij moeilijk instelbare diabetes met een BMI â¥## kg/m#, het medicinale arsenaal nog niet volledig uitgeput gebruikt Net als voor de nieuwe medicamenteuze therapieën bij DM#, aangrijpend op de kennis over de rol van de darmhormonen, incretinen, geldt ook voor de bariatrische chirurgie dat er behoefte is aan onderzoek over de duurzaamheid in verbetering van glucoseregulatie, totaal cardiovasculair risicoprofiel en terugdringing van obesitas De IDF heeft op basis van beschikbare kennis de bariatrische chirurgie reeds als een geschikte behandeling voor obese patiënten in het algoritme ingesloten als de aanbevolen doelen van glucose instelling met de beschikbare therapieën niet gehaald worden en dan vooral in patiënten met co-morbiditeiten zoals hypertensie en Op basis van de schaarse beste evidence lijkt bariatrische/metabole chirurgie relatief veilig en effectief De werkgroep stelt voor patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# in aanmerking te laten komen voor bariatrische chirurgie binnen een prospectieve klinische trial wanneer conventionele therapie niet tot het gewenste effect leidt Ook patiënten met een niet hypertrigliceridemie en/of een systolische tensie van )### mmHg en klasse I obesitas, zouden in aanmerking moeten komen voor bariatrische/metabole chirurgie in onderzoeksverband Patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# zouden in aanmerking moeten conventionele therapie niet tot het gewenste effect leidt Er kan worden geconcludeerd dat er geen gerandomiseerde interventie studies en zeer weinig vergelijkende prospectieve cohort onderzoeken zijn verschenen, waarbij specifiek de effectiviteit van bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# zijn vergeleken <PERSOON> # diabetes in obese patients with body mass index of ##-## kg/m# sleeve gastrectomy versus medical treatment <PERSOON>, S C (###) Long-term mortality after gastric bypass surgery <PERSOON> and type # diabetes after bariatric surgery systematic review and meta-analysis <PERSOON>, S , <PERSOON> gastric banding and conventional therapy for type # diabetes a randomized controlled trial <PERSOON>, K G.
| 469 | nvmdl |
niet tot het gewenste effect leidt Er kan worden geconcludeerd dat er geen gerandomiseerde interventie studies en zeer weinig vergelijkende prospectieve cohort onderzoeken zijn verschenen, waarbij specifiek de effectiviteit van bariatrische chirurgie bij patiënten met DM# en een BMI van ## tot ## kg/m# zijn vergeleken <PERSOON> # diabetes in obese patients with body mass index of ##-## kg/m# sleeve gastrectomy versus medical treatment <PERSOON>, S C (###) Long-term mortality after gastric bypass surgery <PERSOON> and type # diabetes after bariatric surgery systematic review and meta-analysis <PERSOON>, S , <PERSOON> gastric banding and conventional therapy for type # diabetes a randomized controlled trial <PERSOON> on Epidemiology and Prevention Bariatric surgery an IDF statement for obese Type # diabetes <PERSOON>, J B , <PERSOON>, J , <PERSOON> of mild to moderate obesity with laparoscopic adjustable gastric banding or an intensive medical program a randomized trial <PERSOON-##> patients with type # diabetes submitted to banded gastric bypass greater incidence of dumping syndrome <PERSOON-##> surgery versus intensive medical therapy in obese patients with diabetes <PERSOON-##> effects of biliopancreatic diversion on type # diabetes mellitus in patients with mild obesity (BMI ##-## kg/m#) and simple <PERSOON-##>, S.
| 305 | nvmdl |
(###) International Diabetes Federation Taskforce on Epidemiology and Prevention Bariatric surgery an IDF statement for obese Type # diabetes <PERSOON>, J B , <PERSOON>, J , <PERSOON> of mild to moderate obesity with laparoscopic adjustable gastric banding or an intensive medical program a randomized trial <PERSOON> patients with type # diabetes submitted to banded gastric bypass greater incidence of dumping syndrome <PERSOON> surgery versus intensive medical therapy in obese patients with diabetes <PERSOON> effects of biliopancreatic diversion on type # diabetes mellitus in patients with mild obesity (BMI ##-## kg/m#) and simple <PERSOON> effectiveness of bariatric surgery and nonsurgical therapy in adults with type # diabetes mellitus and body mass index Zoektermen met als onderwerp Laparoscopische sleeve resectie van de maag Database Medline (OVID), Embase (elsevier), Cochrane (Wiley) ### â [januari, ###] Zoektermen met als onderwerp Klasse I obesitas en diabetes mellitus type # Literature as Topic"/ or cochrane ab or cochrane jw or embase ab or medline ab or ## (exp clinical trial/ or randomized controlled trial/ or exp clinical trials as topic/ or MeSH descriptor [Diabetes Mellitus, Type #] explode all trees Database Medline (OVID), Embase (elsevier), Cochrane (Wiley) ### â [januari, ###] Bijlage # Tabel Exclusie na het lezen van het volledige artikel Geen primair vergelijkend onderzoek of systematische review van literatuur Geen vergelijkend onderzoek tussen bariatrische chirurgie en conventionele therapie Bijlage # Evidence tabellen âLaparoscopische sleeve resectie van de maagâ # Randomisation generation of allocation sequences have to be unpredictable, for example computer generated random-numbers or drawing lots or envelopes Examples of inadequate procedures are generation of allocation sequences by alternation, according to case record number, date of birth or date of admission # Allocation concealment refers to the protection (blinding) of the randomisation process Concealment of allocation sequences is adequate if patients and enrolling investigators cannot foresee assignment, for example central randomisation (performed at a site remote from trial location) or sequentially numbered, sealed, opaque envelopes.
| 456 | nvmdl |
Comparative effectiveness of bariatric surgery and nonsurgical therapy in adults with type # diabetes mellitus and body mass index Zoektermen met als onderwerp Laparoscopische sleeve resectie van de maag Database Medline (OVID), Embase (elsevier), Cochrane (Wiley) ### â [januari, ###] Zoektermen met als onderwerp Klasse I obesitas en diabetes mellitus type # Literature as Topic"/ or cochrane ab or cochrane jw or embase ab or medline ab or ## (exp clinical trial/ or randomized controlled trial/ or exp clinical trials as topic/ or MeSH descriptor [Diabetes Mellitus, Type #] explode all trees Database Medline (OVID), Embase (elsevier), Cochrane (Wiley) ### â [januari, ###] Bijlage # Tabel Exclusie na het lezen van het volledige artikel Geen primair vergelijkend onderzoek of systematische review van literatuur Geen vergelijkend onderzoek tussen bariatrische chirurgie en conventionele therapie Bijlage # Evidence tabellen âLaparoscopische sleeve resectie van de maagâ # Randomisation generation of allocation sequences have to be unpredictable, for example computer generated random-numbers or drawing lots or envelopes Examples of inadequate procedures are generation of allocation sequences by alternation, according to case record number, date of birth or date of admission # Allocation concealment refers to the protection (blinding) of the randomisation process Concealment of allocation sequences is adequate if patients and enrolling investigators cannot foresee assignment, for example central randomisation (performed at a site remote from trial location) or sequentially numbered, sealed, opaque envelopes # Blinding neither the patient nor the care provider (attending physician) knows which patient is getting the special treatment Blinding is sometimes impossible, for example when comparing surgical with non-surgical treatments <PERSOON> outcome assessor records the study results Blinding of those assessing outcomes prevents that the knowledge of patient assignement influences the proces of outcome assessment (detection or information bias) If a study has hard (objective) outcome measures, like death, blinding of outcome assessment is not necessary If a study has âsoftâ (subjective) outcome measures, like the assessment of an X-ray, blinding of outcome assessment is necessary # Results of all predefined outcome measures should be reported; if the protocol is available, then outcomes in the protocol and published report can be compared; if not, then outcomes listed in the methods section of an article can be compared with # If the percentage of patients lost to follow-up is large, or differs between treatment groups, or the reasons for loss to follow-up differ between treatment groups, bias is likely If the number of patients lost to follow-up, or the reasons why, are not # Participants included in the analysis are exactly those who were randomized into the trial If the numbers randomized into each intervention group are not clearly reported, the risk of bias is unclear; an ITT analysis implies that (a) participants are kept in.
| 598 | nvmdl |
(attending physician) knows which patient is getting the special treatment Blinding is sometimes impossible, for example when comparing surgical with non-surgical treatments <PERSOON> outcome assessor records the study results Blinding of those assessing outcomes prevents that the knowledge of patient assignement influences the proces of outcome assessment (detection or information bias) If a study has hard (objective) outcome measures, like death, blinding of outcome assessment is not necessary If a study has âsoftâ (subjective) outcome measures, like the assessment of an X-ray, blinding of outcome assessment is necessary # Results of all predefined outcome measures should be reported; if the protocol is available, then outcomes in the protocol and published report can be compared; if not, then outcomes listed in the methods section of an article can be compared with # If the percentage of patients lost to follow-up is large, or differs between treatment groups, or the reasons for loss to follow-up differ between treatment groups, bias is likely If the number of patients lost to follow-up, or the reasons why, are not # Participants included in the analysis are exactly those who were randomized into the trial If the numbers randomized into each intervention group are not clearly reported, the risk of bias is unclear; an ITT analysis implies that (a) participants are kept in Failure to develop and apply appropriate eligibility criteria a) case-control study under- or over-matching in case-control studies; b) cohort study selection of exposed and unexposed from different populations Bias is likely if the percentage of patients lost to follow-up is large; or differs between treatment groups; or the reasons for loss to follow-up differ between treatment groups; or length of follow-up differs between treatment groups or is too short <PERSOON> risk of bias is unclear if the number of patients lost to follow-up; or the reasons why, are not reported Flawed measurement, or differences in measurement of outcome in treatment and control group; bias may also result from a lack of blinding of those assessing outcomes (detection or information bias) If a study has hard (objective) outcome measures, like death, blinding of outcome assessment is not necessary If a study has âsoftâ (subjective) outcome measures, like the assessment of an X-ray, blinding of This table is also suitable for diagnostic studies (screening studies) that compare the effectiveness of two or more tests This only applies if the test is included as part of a test-and-treat strategy â otherwise the evidence table for studies of diagnostic test accuracy should be used Prognostic balance between treatment groups is usually guaranteed in randomized studies, but non-randomized (observational) studies require matching of patients between treatment groups (casecontrol studies) or multivariate adjustment for prognostic factors (confounders) (cohort studies); the evidence table should contain sufficient details on these procedures Bijlage # Evidence tabellen âKlasse I obesitas en diabetes mellitus type #â # Bias is likely if.
| 602 | nvmdl |
Bij de herziening van de Richtlijn behandeling chronische hepatitis-B-virusinfectie is een beknopt document opgesteld met daarin enkel de nieuwe inzichten met relevantie voor de klinische praktijk We hebben ervoor gekozen om in deze brochure zowel de nieuwe inzichten in ### als de complete tekst van de richtlijn uit ### bijeen te brengen Wel zijn de herziene teksten en aanbevelingen uit de richtlijn van ###, die daarmede dus niet meer gelden, ter onderscheid in een lichtgrijze letter afgedrukt werd in ### door de Nederlandse Vereniging van Maag-DarmLeverartsen opgesteld om een praktische leidraad te bieden bij de indicatiestelling en behandeling van patiënten met chronische hepatitis-B-virusinfectie (HBV-infectie) Hier zullen enkel de nieuwe inzichten met relevantie voor de klinische praktijk worden besproken De belangrijkste wijzigingen in deze herziening van de richtlijn betreffen de keuze van initiële behandeling, de registratie aanpassen van de antivirale behandeling in het geval van antivirale In mei ### heeft de European Medicines Agency (EMEA) de beoordeling van lamivudine aangepast; lamivudine is niet langer aanbevolen voor de behandeling van chronische hepatitis B als er andere antivirale middelen met een lager risico op antivirale resistentie toegepast kunnen worden Omdat ook bij adefovir en telbivudine het risico op antivirale resistentie hoog is,#,# zijn ook deze middelen niet langer middelen van eerste keuze voor de behandeling van chronische HBV-infectie Bij de initiële behandeling van chronische hepatitis-B-virusinfectie gaat de voorkeur daarom uit naar Bij de initiële behandeling van chronische hepatitis-B-virusinfectie gaat de voorkeur uit naar peginterferon, entecavir of tenofovir Lamivudine, adefovir en telbivudine zijn niet langer middelen van eerste keus omdat het risico op <PERSOON> na het verschijnen van de richtlijn in ### werd uitbreiding van de registratie van tenofovir voor de behandeling van chronische tenofovirdisoproxil in een dosis van ### mg eenmaal per dag, het middel wordt reeds sinds ### toegepast bij de behandeling hiv In een tweetal gerandomiseerde studies werd de effectiviteit van tenofovir vergeleken met die van adefovir voor de behandeling van wat betreft daling van het HBV DNA, normalisatie van ALAT en HBsAg verlies Bij HBeAg positieve patiënten resulteert één jaar bij ##% van de patiënten # Na drie jaar continue behandeling met tenofovir is het percentage patiënten met niet-aantoonbaar HBVDNA ##% en is HBeAg-verlies opgetreden bij ##% van de patiënten # ALAT normalisatie treedt op bij ##% van de met tenofovir behandelde patiënten na een behandelduur van één jaar, hetgeen toeneemt tot ##% na drie jaar #,# Ook het percentage patiënten met HBsAg-verlies neemt toe met de duur van de behandeling, tot #% na drie jaar patiënten die zijn behandeld met tenofovir gedurende één jaar, treedt normalisatie van ALAT op bij ##% van de patiënten en is HBV-DNA beneden ## IU/ml (### kopieën/ml) bij ##% # Na drie jaar behandeling zijn deze percentages respectievelijk ##% en ##% # Bij patiënten met onvoldoende daling van het HBV-DNA onder behandeling met lamivudine of adefovir (HBV-DNA )# # x ### IU/ml [)# # x ### kopieën/ml] na tenminste # maanden) resulteert behandeling met tenofovir in serum HBV-DNA beneden ## IU/ml.
| 660 | nvmdl |
zijn niet langer middelen van eerste keus omdat het risico op <PERSOON> na het verschijnen van de richtlijn in ### werd uitbreiding van de registratie van tenofovir voor de behandeling van chronische tenofovirdisoproxil in een dosis van ### mg eenmaal per dag, het middel wordt reeds sinds ### toegepast bij de behandeling hiv In een tweetal gerandomiseerde studies werd de effectiviteit van tenofovir vergeleken met die van adefovir voor de behandeling van wat betreft daling van het HBV DNA, normalisatie van ALAT en HBsAg verlies Bij HBeAg positieve patiënten resulteert één jaar bij ##% van de patiënten # Na drie jaar continue behandeling met tenofovir is het percentage patiënten met niet-aantoonbaar HBVDNA ##% en is HBeAg-verlies opgetreden bij ##% van de patiënten # ALAT normalisatie treedt op bij ##% van de met tenofovir behandelde patiënten na een behandelduur van één jaar, hetgeen toeneemt tot ##% na drie jaar #,# Ook het percentage patiënten met HBsAg-verlies neemt toe met de duur van de behandeling, tot #% na drie jaar patiënten die zijn behandeld met tenofovir gedurende één jaar, treedt normalisatie van ALAT op bij ##% van de patiënten en is HBV-DNA beneden ## IU/ml (### kopieën/ml) bij ##% # Na drie jaar behandeling zijn deze percentages respectievelijk ##% en ##% # Bij patiënten met onvoldoende daling van het HBV-DNA onder behandeling met lamivudine of adefovir (HBV-DNA )# # x ### IU/ml [)# # x ### kopieën/ml] na tenminste # maanden) resulteert behandeling met tenofovir in serum HBV-DNA beneden ## IU/ml # Lamivudineresistentie heeft geen invloed op de effectiviteit van tenofovir, de aanwezigheid van adefovir resistentie halveerde de kans op HBVDNA beneden ## IU/ml (### kopieën/ml) na deze behandelduur zonder aanwijzingen voor tenofovir resistentie # Tot op heden is er Het interval van toediening van tenofovir dient te worden verlengd dit een tablet om de ## uur Bij een creatinineklaring (## ml/min adviseert de EMEA om zo mogelijk een ander antiviraal middel toe te passen Indien er geen gelijkwaardig alternatief is voor behandeling een tablet om de ## tot ## uur geadviseerd en bij hemodialyse een Van tenofovir wordt een specifieke renale bijwerking beschreven, namelijk proximale tubulopathie, met verlies van o a fosfaat, verschillende eiwitten, aminozuren en glucose Bij hiv-patiënten die tenofovir gebruiken wordt bij ##-##% milde tot matig ernstige proximale renale tubulopathie gevonden #,# Het Fanconi syndroom is een uiting van deze tubulopathie De aandoening kan gepaard gaan fosfaatverlies kan in ernstige gevallen osteomalacie optreden Stijging van het serum creatinine en hypofosfatemie treden vaak pas laat in het beloop op Sensitievere markers zijn bijvoorbeeld normoglycemische glucosurie, hyperalbuminurie, hyperβ#-microglobulinurie en de renale fosfaatdrempel (TmP-GFR) #,# Bij patiënten met hepatitis B is het ontstaan van proximale tubulopathie tijdens gebruik van tenofovir nog niet goed onderzocht Indien behandeling met tenofovir wordt overwogen bij patiënten worden gemaakt van de indicatie voor behandeling, mogelijke risicoâs van de behandeling en alternatieve behandelopties Voor entecavir en peginterferon zijn gegevens op langere termijn werd antivirale resistentie aangetoond bij <DATUM> van de patiënten ##.
| 673 | nvmdl |
op de effectiviteit van tenofovir, de aanwezigheid van adefovir resistentie halveerde de kans op HBVDNA beneden ## IU/ml (### kopieën/ml) na deze behandelduur zonder aanwijzingen voor tenofovir resistentie # Tot op heden is er Het interval van toediening van tenofovir dient te worden verlengd dit een tablet om de ## uur Bij een creatinineklaring (## ml/min adviseert de EMEA om zo mogelijk een ander antiviraal middel toe te passen Indien er geen gelijkwaardig alternatief is voor behandeling een tablet om de ## tot ## uur geadviseerd en bij hemodialyse een Van tenofovir wordt een specifieke renale bijwerking beschreven, namelijk proximale tubulopathie, met verlies van o a fosfaat, verschillende eiwitten, aminozuren en glucose Bij hiv-patiënten die tenofovir gebruiken wordt bij ##-##% milde tot matig ernstige proximale renale tubulopathie gevonden #,# Het Fanconi syndroom is een uiting van deze tubulopathie De aandoening kan gepaard gaan fosfaatverlies kan in ernstige gevallen osteomalacie optreden Stijging van het serum creatinine en hypofosfatemie treden vaak pas laat in het beloop op Sensitievere markers zijn bijvoorbeeld normoglycemische glucosurie, hyperalbuminurie, hyperβ#-microglobulinurie en de renale fosfaatdrempel (TmP-GFR) #,# Bij patiënten met hepatitis B is het ontstaan van proximale tubulopathie tijdens gebruik van tenofovir nog niet goed onderzocht Indien behandeling met tenofovir wordt overwogen bij patiënten worden gemaakt van de indicatie voor behandeling, mogelijke risicoâs van de behandeling en alternatieve behandelopties Voor entecavir en peginterferon zijn gegevens op langere termijn werd antivirale resistentie aangetoond bij <DATUM> van de patiënten ## is ##% van de patiënten met initiële respons (HBeAg negatief # patiënten HBsAg negatief ## Een kortere behandelduur met peginterferon van zes maanden bleek minder effectief dan de gebruikelijk behandelduur van ## maanden ## Dit gold ook voor een lagere dosering van ##µg per week in vergelijking met de gebruikelijk dosis Voor behandeling met peginterferon zijn nieuwe gegevens beschikbaar op het gebied van predictie van respons voorafgaand aan de behandeling en het vroeg identificeren van patiënten zonder ontwikkeld dat gebruikt kan worden om de kans op respons op peginterferon voorafgaand aan de behandeling te bereken (zie ook met peginterferon zijn patiënten met HBV genotype A en een hoog ALAT ()# maal de bovengrens van normaal) of een HBV DNA (# # x ### IU/ml ((# # x ### kopieën/ml) Dit geldt ook voor patiënten met genotype B en C met zowel een hoog ALAT als een HBV DNA Kwantitatieve bepaling van het HBsAg is zinvol om reeds vroeg tijdens behandeling patiënten te identificeren met een zeer lage kans op respons op peginterferon Bij HBeAg-negatieve patiënten met na ## weken behandeling geen daling van het HBsAg en minder dan #log## daling van het HBV DNA is de kans op respons op peginterferon nihil en dient het staken van de behandeling te kans op respons op peginterferon, maar er zijn nog geen specifieke uitstekend verdragen Bij een klein percentage van de patiënten zijn echter ernstige bijwerkingen beschreven Zo zijn bij behandeling met tenofovir en adefovir in zeldzame gevallen van het syndroom van.
| 614 | nvmdl |
initiële respons (HBeAg negatief # patiënten HBsAg negatief ## Een kortere behandelduur met peginterferon van zes maanden bleek minder effectief dan de gebruikelijk behandelduur van ## maanden ## Dit gold ook voor een lagere dosering van ##µg per week in vergelijking met de gebruikelijk dosis Voor behandeling met peginterferon zijn nieuwe gegevens beschikbaar op het gebied van predictie van respons voorafgaand aan de behandeling en het vroeg identificeren van patiënten zonder ontwikkeld dat gebruikt kan worden om de kans op respons op peginterferon voorafgaand aan de behandeling te bereken (zie ook met peginterferon zijn patiënten met HBV genotype A en een hoog ALAT ()# maal de bovengrens van normaal) of een HBV DNA (# # x ### IU/ml ((# # x ### kopieën/ml) Dit geldt ook voor patiënten met genotype B en C met zowel een hoog ALAT als een HBV DNA Kwantitatieve bepaling van het HBsAg is zinvol om reeds vroeg tijdens behandeling patiënten te identificeren met een zeer lage kans op respons op peginterferon Bij HBeAg-negatieve patiënten met na ## weken behandeling geen daling van het HBsAg en minder dan #log## daling van het HBV DNA is de kans op respons op peginterferon nihil en dient het staken van de behandeling te kans op respons op peginterferon, maar er zijn nog geen specifieke uitstekend verdragen Bij een klein percentage van de patiënten zijn echter ernstige bijwerkingen beschreven Zo zijn bij behandeling met tenofovir en adefovir in zeldzame gevallen van het syndroom van tijdens behandeling met tenofovir (zie ook boven) Eerder werd reeds analogen bij hiv, ook bij patiënten met gedecompenseerde levercirrose is het optreden van lactaatacidose nu beschreven tijdens behandeling met entecavir ## Het is daarom aanbevolen het lactaat te vervolgen bij patiënten met gedecompenseerde cirrose die behandeld worden met nucleos(t)ide analogen De huidige aanbevelingen voor vervolg van Gezien de lage kans op antivirale resistentie tijdens behandeling met entecavir en tenofovir kan de frequentie van kwantitatieve HBV DNA bepaling na één jaar behandeling verlaagd worden van eenmaal per Tevens # weken na het starten van de behandeling Indien serum creatinine verhoogd is, is bepaling van de ##-uurs creatinineklaring aanbevolen Bepaling van HBsAg en anti-HBs is tijdens behandeling alleen aanbevolen na HBeAg-seroconversie of bij herhaaldelijk niet aantoo nbaar HBV-DNA Tabel # Aanbevelingen voor te verrichten laboratoriumdiagnostiek tijdens behandeling met peginterferon (PEG-IFN) of nucleos(t)ideanalogen drie maanden naar eenmaal per <DATUM> maanden Tijdens behandeling met entecavir (bij patiënten zonder lamivudine resistentie) en tenofovir met een langere behandelduur ##,## Er zijn geen aanwijzingen voor een verhoogd risico op antivirale resistentie bij patiënten met een langzamere daling van het HBV DNA tijdens behandeling met deze van het HBV DNA is dan ook niet geïndiceerd bij patiënten met Mogelijk kan behandeling met nucleos(t)ide analogen # maanden na HBeAg seroconversie worden gestaakt Bij een groot deel van de patiënten bleek HBeAg seroconversie echter niet te worden behouden na het staken van behandeling met nucleos(t)ide analogen ## Wellicht is het daarom beter behandeling met nucleos(t)ide analogen Het is aanbevolen om elke drie maanden een kwantitatieve.
| 605 | nvmdl |
Eerder werd reeds analogen bij hiv, ook bij patiënten met gedecompenseerde levercirrose is het optreden van lactaatacidose nu beschreven tijdens behandeling met entecavir ## Het is daarom aanbevolen het lactaat te vervolgen bij patiënten met gedecompenseerde cirrose die behandeld worden met nucleos(t)ide analogen De huidige aanbevelingen voor vervolg van Gezien de lage kans op antivirale resistentie tijdens behandeling met entecavir en tenofovir kan de frequentie van kwantitatieve HBV DNA bepaling na één jaar behandeling verlaagd worden van eenmaal per Tevens # weken na het starten van de behandeling Indien serum creatinine verhoogd is, is bepaling van de ##-uurs creatinineklaring aanbevolen Bepaling van HBsAg en anti-HBs is tijdens behandeling alleen aanbevolen na HBeAg-seroconversie of bij herhaaldelijk niet aantoo nbaar HBV-DNA Tabel # Aanbevelingen voor te verrichten laboratoriumdiagnostiek tijdens behandeling met peginterferon (PEG-IFN) of nucleos(t)ideanalogen drie maanden naar eenmaal per <DATUM> maanden Tijdens behandeling met entecavir (bij patiënten zonder lamivudine resistentie) en tenofovir met een langere behandelduur ##,## Er zijn geen aanwijzingen voor een verhoogd risico op antivirale resistentie bij patiënten met een langzamere daling van het HBV DNA tijdens behandeling met deze van het HBV DNA is dan ook niet geïndiceerd bij patiënten met Mogelijk kan behandeling met nucleos(t)ide analogen # maanden na HBeAg seroconversie worden gestaakt Bij een groot deel van de patiënten bleek HBeAg seroconversie echter niet te worden behouden na het staken van behandeling met nucleos(t)ide analogen ## Wellicht is het daarom beter behandeling met nucleos(t)ide analogen Het is aanbevolen om elke drie maanden een kwantitatieve jaar behandeling met entecavir en tenofovir Daarna volstaat Er is geen indicatie voor het aanpassen van de antivirale maar dalend HBV DNA tijdens behandeling met entecavir of tenofovir Voor entecavir geldt dit alleen bij patiënten Ook de aanbevelingen op het gebied van antivirale resistentie zijn herzien Gezien het hoge risico op antivirale resistentie tijdens behandeling met lamivudine, adefovir en telbivudine is het bij patiënten met ernstige fibrose of cirrose (Metavir score <DATUM> of gelijkwaardig) aanbevolen om de behandeling om te zetten naar entecavir of tenofovir, ook als er geen aanwijzingen zijn voor antivirale resistentie Dit omdat ook op na langere tijd nog antivirale resistentie kan optreden en deze patiënten een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van gedecompenseerde leverziekte bij een acute opvlamming van de hepatitis door antivirale resistentie Ook bij alle van behandeling met lamivudine, adefovir en telbivudine worden De aanbevelingen in het geval van aangetoonde antivirale resistentie zijn te vinden in tabel # Bij patiënten met lamivudineresistentie is aangetoond dat het toevoegen van adefovir aan lamivudine beter is dan het omzetten naar adefovir,## dit is echter niet bewezen voor entecavir en tenofovir bij resistentie tegen lamivudine of adefovir #, ##,## Het toevoegen van entecavir of tenofovir als tweede antiviraal middel in het geval van antivirale resistentie wordt daarom niet aanbevolen Aangezien er nog geen mutaties in het HBV polymerase zijn aangetoond die zijn geassocieerd met tenofovirresistentie is het Tabel # Aanbevelingen voor keuze van antivirale behandeling bij antivirale resistentie Gecontroleerde studies die de gegeven behandelopties steunen zijn niet altijd beschikbaar.
| 583 | nvmdl |
en tenofovir Daarna volstaat Er is geen indicatie voor het aanpassen van de antivirale maar dalend HBV DNA tijdens behandeling met entecavir of tenofovir Voor entecavir geldt dit alleen bij patiënten Ook de aanbevelingen op het gebied van antivirale resistentie zijn herzien Gezien het hoge risico op antivirale resistentie tijdens behandeling met lamivudine, adefovir en telbivudine is het bij patiënten met ernstige fibrose of cirrose (Metavir score <DATUM> of gelijkwaardig) aanbevolen om de behandeling om te zetten naar entecavir of tenofovir, ook als er geen aanwijzingen zijn voor antivirale resistentie Dit omdat ook op na langere tijd nog antivirale resistentie kan optreden en deze patiënten een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van gedecompenseerde leverziekte bij een acute opvlamming van de hepatitis door antivirale resistentie Ook bij alle van behandeling met lamivudine, adefovir en telbivudine worden De aanbevelingen in het geval van aangetoonde antivirale resistentie zijn te vinden in tabel # Bij patiënten met lamivudineresistentie is aangetoond dat het toevoegen van adefovir aan lamivudine beter is dan het omzetten naar adefovir,## dit is echter niet bewezen voor entecavir en tenofovir bij resistentie tegen lamivudine of adefovir #, ##,## Het toevoegen van entecavir of tenofovir als tweede antiviraal middel in het geval van antivirale resistentie wordt daarom niet aanbevolen Aangezien er nog geen mutaties in het HBV polymerase zijn aangetoond die zijn geassocieerd met tenofovirresistentie is het Tabel # Aanbevelingen voor keuze van antivirale behandeling bij antivirale resistentie Gecontroleerde studies die de gegeven behandelopties steunen zijn niet altijd beschikbaar Het is aanbevolen om bij patiënten met ernstige fibrose of cirrose behandeling met lamivudine, adefovir en telbivudine om te zetten naar entecavir of tenofovir gezien het geen aanwijzingen zijn voor antivirale resistentie Bij alle Indien er een zwangerschapswens bestaat bij vrouwen met chronische hepatitis B dient er een afweging gemaakt te worden tussen de mogelijke voor- en nadelen van uitstel van antivirale behandeling, uitstel van de zwangerschap tot na het voltooien een vastgestelde Gezien de uitgebreide ervaring met tenofovir bij hiv kan tenofovir (zwangerschapsclassificatie B) net als lamivudine (zwangerschapsclassificatie C) worden overwogen vanaf een amenorroeduur van ## weken bij zwangeren met een zeer hoog HBV DNA ()# # x ### IU/ ml) om het risico op transmissie naar het kind te verkleinen ##,## Het is aanbevolen de antivirale behandeling te continueren na de bevalling indien er reeds bij het starten van de behandeling een reguliere behandelindicatie was voor de moeder In andere gevallen kan de behandeling # maanden post-partum worden gestaakt, waarbij vervolg van ontstekingsactiviteit is aanbevolen In een kleine behandelserie werd toename van een ontstekingsactiviteit gezien bij meer dan de helft van patiënten die kortdurend lamivudine gebruikten tijdens de zwangerschap, het risico hierop leek hoger bij patiënten met een hoger ALAT bij aanvang van de behandeling ## Indien de na de bevalling heeft behandeling met tenofovir de voorkeur boven lamivudine gezien het risico op antivirale resistentie Indien een vrouw zwanger wordt tijdens antivirale behandeling moet er een.
| 555 | nvmdl |
Het is aanbevolen om bij patiënten met ernstige fibrose of cirrose behandeling met lamivudine, adefovir en telbivudine om te zetten naar entecavir of tenofovir gezien het geen aanwijzingen zijn voor antivirale resistentie Bij alle Indien er een zwangerschapswens bestaat bij vrouwen met chronische hepatitis B dient er een afweging gemaakt te worden tussen de mogelijke voor- en nadelen van uitstel van antivirale behandeling, uitstel van de zwangerschap tot na het voltooien een vastgestelde Gezien de uitgebreide ervaring met tenofovir bij hiv kan tenofovir (zwangerschapsclassificatie B) net als lamivudine (zwangerschapsclassificatie C) worden overwogen vanaf een amenorroeduur van ## weken bij zwangeren met een zeer hoog HBV DNA ()# # x ### IU/ ml) om het risico op transmissie naar het kind te verkleinen ##,## Het is aanbevolen de antivirale behandeling te continueren na de bevalling indien er reeds bij het starten van de behandeling een reguliere behandelindicatie was voor de moeder In andere gevallen kan de behandeling # maanden post-partum worden gestaakt, waarbij vervolg van ontstekingsactiviteit is aanbevolen In een kleine behandelserie werd toename van een ontstekingsactiviteit gezien bij meer dan de helft van patiënten die kortdurend lamivudine gebruikten tijdens de zwangerschap, het risico hierop leek hoger bij patiënten met een hoger ALAT bij aanvang van de behandeling ## Indien de na de bevalling heeft behandeling met tenofovir de voorkeur boven lamivudine gezien het risico op antivirale resistentie Indien een vrouw zwanger wordt tijdens antivirale behandeling moet er een #,#% van de bijna ### geregistreerde zwangeren die behandeld werden met lamivudine Voor tenofovir was dit #,#% onder ### geregistreerde zwangeren ## De percentages komen overeen met die van een controlegroep van zwangeren zonder gebruik van dergelijke medicatie Er kunnen geen aanbevelingen worden gedaan over het geven van borstvoeding tijdens het gebruik van lamivudine of tenofovir aangezien data hierover ontbreekt Wel is bekend dat beide Op dit moment kunnen er geen harde aanbevelingen worden gedaan injectie (ICSI) bij HBV dragers Gepaste semenopslag is mogelijk en een vereiste bij mannelijke HBV dragers De gegevens betreffende HBV en IVF of ICSI zijn grotendeels beperkt tot in-vitro data ## Op basis van deze gegevens lijkt IVF veilig bij zowel vrouwelijke als injectie (ICSI) met toepassing van routine wasprocedures van het semen veilig bij mannelijke HBV dragers In het geval van ICSI bij vrouwelijke HBV dragers is er mogelijk wel integratie van HBV in het genoom van de vrucht, echter na accidentele blootstelling van embryoâs aan HBV werd geen HBV DNA aangetoond na de geboorte <PERSOON> S, <PERSOON> Y, <PERSOON> N, Niu J, <PERSOON> MJ, Papatheodoridis G, <PERSOON> NA, <PERSOON> NV #-Year GLOBE trial results telbivudine Is superior to lamivudine in patients with <PERSOON> K, <PERSOON> F Long-term efficacy and safety of adefovir dipivoxil for the treatment of hepatitis B e.
| 556 | nvmdl |
tenofovir was dit #,#% onder ### geregistreerde zwangeren ## De percentages komen overeen met die van een controlegroep van zwangeren zonder gebruik van dergelijke medicatie Er kunnen geen aanbevelingen worden gedaan over het geven van borstvoeding tijdens het gebruik van lamivudine of tenofovir aangezien data hierover ontbreekt Wel is bekend dat beide Op dit moment kunnen er geen harde aanbevelingen worden gedaan injectie (ICSI) bij HBV dragers Gepaste semenopslag is mogelijk en een vereiste bij mannelijke HBV dragers De gegevens betreffende HBV en IVF of ICSI zijn grotendeels beperkt tot in-vitro data ## Op basis van deze gegevens lijkt IVF veilig bij zowel vrouwelijke als injectie (ICSI) met toepassing van routine wasprocedures van het semen veilig bij mannelijke HBV dragers In het geval van ICSI bij vrouwelijke HBV dragers is er mogelijk wel integratie van HBV in het genoom van de vrucht, echter na accidentele blootstelling van embryoâs aan HBV werd geen HBV DNA aangetoond na de geboorte <PERSOON> S, <PERSOON> Y, <PERSOON> N, Niu J, <PERSOON> MJ, Papatheodoridis G, <PERSOON> NA, <PERSOON> NV #-Year GLOBE trial results telbivudine Is superior to lamivudine in patients with <PERSOON> K, <PERSOON> F Long-term efficacy and safety of adefovir dipivoxil for the treatment of hepatitis B e <PERSOON> E, <PERSOON-##>-year efficacy and safety of tenofovir disoproxil fumarate treatment for chronic hepatitis <PERSOON-##> G, <PERSOON-##> MK, Sorbel J, <PERSOON-##> E, <PERSOON-##> disoproxil fumarate versus adefovir dipivoxil for chronic hepatitis <PERSOON-##> G, <PERSOON-##> SS, Flisiak Three-Year Efficacy and Safety of Tenofovir Disoproxil Fumarate Treatment for <PERSOON-##> S, <PERSOON-##> DH, Mondou E, <PERSOON-##> J Long term (# year) efficacy and safety of tenofovir disoproxil fumarate (TDF) treatment in HBeAg-positive patients (HBeAg+) with chronic hepatitis B (study <PERSOON-##> D, <PERSOON-##> JG, Moller B, <PERSOON-##> T Long-term efficacy of tenofovir monotherapy for hepatitis B virus-monoinfected patients after failure of nucleoside/nucleotide analogues <PERSOON-##> H.
| 465 | nvmdl |
<PERSOON> E, <PERSOON>-year efficacy and safety of tenofovir disoproxil fumarate treatment for chronic hepatitis <PERSOON> G, <PERSOON> MK, Sorbel J, <PERSOON> E, <PERSOON> disoproxil fumarate versus adefovir dipivoxil for chronic hepatitis <PERSOON> G, <PERSOON> SS, Flisiak Three-Year Efficacy and Safety of Tenofovir Disoproxil Fumarate Treatment for <PERSOON> S, <PERSOON-##> DH, Mondou E, <PERSOON-##> J Long term (# year) efficacy and safety of tenofovir disoproxil fumarate (TDF) treatment in HBeAg-positive patients (HBeAg+) with chronic hepatitis B (study <PERSOON-##> D, <PERSOON-##> JG, Moller B, <PERSOON-##> T Long-term efficacy of tenofovir monotherapy for hepatitis B virus-monoinfected patients after failure of nucleoside/nucleotide analogues <PERSOON-##> F, <PERSOON-##> tubular abnormalities in the absence of impaired glomerular function in HIV patients treated with tenofovir <PERSOON-##> TT, <PERSOON-##> CL, Kew Yoon S, <PERSOON-##> treatment for up to # years in patients with ## <PERSOON-##> HJ, Cakaloglu Y, <PERSOON-##> HL Sustained HBeAg and HBsAg loss after long-term follow-up of HBeAg positive patients treated with peginterferon alpha#b Gastroenterology ###;##<DATUM> ### ## Liaw YF, Xie Q, <PERSOON-##> PI, Wat C, <PERSOON-##> J horter duration and lower dose of peginterferon alfa-#a therapy results in inferior HBeAg seroconversion rates compared with the duration and dose of ## weeks and ### µg NEPTUNE study <PERSOON-##> HL Factors that predict response of patients with hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis B to peginterferonalfa <PERSOON-##> M, <PERSOON-##> US, Flisiak.
| 409 | nvmdl |
# <PERSOON> F, <PERSOON> tubular abnormalities in the absence of impaired glomerular function in HIV patients treated with tenofovir <PERSOON> TT, <PERSOON> CL, Kew Yoon S, <PERSOON> treatment for up to # years in patients with ## <PERSOON> HJ, Cakaloglu Y, <PERSOON> HL Sustained HBeAg and HBsAg loss after long-term follow-up of HBeAg positive patients treated with peginterferon alpha#b Gastroenterology ###;##<DATUM> ### ## Liaw YF, Xie Q, <PERSOON> PI, Wat C, <PERSOON> J horter duration and lower dose of peginterferon alfa-#a therapy results in inferior HBeAg seroconversion rates compared with the duration and dose of ## weeks and ### µg NEPTUNE study <PERSOON-##> HL Factors that predict response of patients with hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis B to peginterferonalfa <PERSOON-##> M, <PERSOON-##> US, Flisiak Early on-treatment prediction of response to peginterferon alfa-#a for HBeAg-negative chronic hepatitis B using HBsAg and <PERSOON-##> on-treatment HBsAg and HBV DNA levels identify HBeAg-negative patients not responding to ## or ## week of ## <PERSOON-##> HL Prediction of sustained response to peginterferon alfa-#b for hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis B using on-treatment ## <PERSOON-##> YK, Yeon JE, <PERSOON-##> JH, <PERSOON-##> ES, <PERSOON-##> JH, Park JJ, <PERSOON-##> YT, Byun KS Fanconiâs Syndrome Associated with Prolonged Adefovir Dipivoxil Therapy in a <PERSOON-##> ## <PERSOON-##> syndrome and renal failure induced by tenofovir a first case report <PERSOON-##> lactic acidosis during treatment of chronic hepatitis B with entecavir in patients with impaired liver ## <PERSOON-##> G, <PERSOON-##> HL Nucleos(t)ide analogues only induce temporary hepatitis B e antigen seroconversion in most patients with chronic hepatitis B.
| 449 | nvmdl |
Early on-treatment prediction of response to peginterferon alfa-#a for HBeAg-negative chronic hepatitis B using HBsAg and <PERSOON> on-treatment HBsAg and HBV DNA levels identify HBeAg-negative patients not responding to ## or ## week of ## <PERSOON> HL Prediction of sustained response to peginterferon alfa-#b for hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis B using on-treatment ## <PERSOON> YK, Yeon JE, <PERSOON> JH, <PERSOON> ES, <PERSOON> JH, Park JJ, <PERSOON> YT, Byun KS Fanconiâs Syndrome Associated with Prolonged Adefovir Dipivoxil Therapy in a <PERSOON> ## <PERSOON> syndrome and renal failure induced by tenofovir a first case report <PERSOON-##> lactic acidosis during treatment of chronic hepatitis B with entecavir in patients with impaired liver ## <PERSOON-##> G, <PERSOON-##> HL Nucleos(t)ide analogues only induce temporary hepatitis B e antigen seroconversion in most patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> M Low resistance to adefovir combined with lamivudine a #-year study of ### lamivudine-resistant hepatitis B patients ## <PERSOON-##> HL Antiviral effect of entecavir in chronic hepatitis B influence of prior ## <PERSOON-##> HL Entecavir shows limited efficacy in HBeAg-positive hepatitis B patients with a partial virologic response to adefovir therapy <PERSOON-##> ## <PERSOON-##> WM, Cui YT, <PERSOON-##> L, <PERSOON-##> ZQ, <PERSOON-##> in late pregnancy to prevent perinatal transmission of hepatitis B virus infection a multicentre, randomized, double-blind, placebo-controlled study <PERSOON-##> in <PERSOON-##> HL Exacerbation of chronic hepatitis B infection ## <PERSOON-##> GH, Derhaag JG, Dunselman GA To do or not to do IVF and ICSI in chronic hepatitis B virus carriers Hum Reprod ###;## ###<DATUM> door de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen opgesteld om een praktische leidraad te bieden bij de indicatiestelling en behandeling van patiënten met chronische hepatitis-B-virusinfectie (HBV-infectie).
| 469 | nvmdl |
## <PERSOON> M Low resistance to adefovir combined with lamivudine a #-year study of ### lamivudine-resistant hepatitis B patients ## <PERSOON> HL Antiviral effect of entecavir in chronic hepatitis B influence of prior ## <PERSOON> HL Entecavir shows limited efficacy in HBeAg-positive hepatitis B patients with a partial virologic response to adefovir therapy <PERSOON> ## <PERSOON> WM, Cui YT, <PERSOON> L, <PERSOON> ZQ, <PERSOON> in late pregnancy to prevent perinatal transmission of hepatitis B virus infection a multicentre, randomized, double-blind, placebo-controlled study <PERSOON> in <PERSOON-##> HL Exacerbation of chronic hepatitis B infection ## <PERSOON-##> GH, Derhaag JG, Dunselman GA To do or not to do IVF and ICSI in chronic hepatitis B virus carriers Hum Reprod ###;## ###<DATUM> door de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen opgesteld om een praktische leidraad te bieden bij de indicatiestelling en behandeling van patiënten met chronische hepatitis-B-virusinfectie (HBV-infectie) Bij de initiële evaluatie van een patiënt met een chronische HBVinfectie dient biochemisch onderzoek, virologisch onderzoek en een abdominale echografie te worden verricht Bij patiënten zonder cirrose is antivirale behandeling geïndiceerd bij een serum-HBV-DNA van â¥#,# x ### kopieën/ml (â¥#,# x ### IU/ml) indien daarnaast a) het ALAT gedurende ten minste drie maanden hoger is dan tweemaal de grenswaarde van normaal en/of b) bij aanwezigheid van portoportale septa of interface hepatitis in het leverbiopt Bij patiënten met cirrose is antivirale behandeling geïndiceerd indien het HBVDNA â¥#,# x ### kopieën/ml (â¥#,# x ### IU/ml) is In het geval van Patiënten die momenteel geen kandidaat zijn voor antivirale behandeling dienen te worden gevolgd in verband met het risico op (re) activatie Voor zowel HBeAg-positieve als HBeAg-negatieve patiënten met hoog HBV-DNA (â¥#,# x ### kopieën/ml of â¥#,# x ### IU/ml) eenmaal per drie tot zes maanden Voor patiënten met HBV-DNA van vervolgcontroles eenmaal per drie tot zes maanden voor HBeAg- positieve personen, en eenmaal per zes tot ## maanden voor HBeAgnegatieve personen overwogen bij patiënten zonder contra-indicaties, gezien de hogere kans op blijvende respons na het staken van de behandeling in als -negatieve personen Voor patiënten bij wie langdurige antivirale behandeling is te verwachten, heeft lamivudine niet de voorkeur gezien de hoge kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie Van de momenteel beschikbare nucleos(t)ideanalogen heeft entecavir de laagste kans op antivirale resistentie (in vergelijking met lamivudine, adefovir en telbivudine) Entecavir en telbivudine lijken de.
| 588 | nvmdl |
evaluatie van een patiënt met een chronische HBVinfectie dient biochemisch onderzoek, virologisch onderzoek en een abdominale echografie te worden verricht Bij patiënten zonder cirrose is antivirale behandeling geïndiceerd bij een serum-HBV-DNA van â¥#,# x ### kopieën/ml (â¥#,# x ### IU/ml) indien daarnaast a) het ALAT gedurende ten minste drie maanden hoger is dan tweemaal de grenswaarde van normaal en/of b) bij aanwezigheid van portoportale septa of interface hepatitis in het leverbiopt Bij patiënten met cirrose is antivirale behandeling geïndiceerd indien het HBVDNA â¥#,# x ### kopieën/ml (â¥#,# x ### IU/ml) is In het geval van Patiënten die momenteel geen kandidaat zijn voor antivirale behandeling dienen te worden gevolgd in verband met het risico op (re) activatie Voor zowel HBeAg-positieve als HBeAg-negatieve patiënten met hoog HBV-DNA (â¥#,# x ### kopieën/ml of â¥#,# x ### IU/ml) eenmaal per drie tot zes maanden Voor patiënten met HBV-DNA van vervolgcontroles eenmaal per drie tot zes maanden voor HBeAg- positieve personen, en eenmaal per zes tot ## maanden voor HBeAgnegatieve personen overwogen bij patiënten zonder contra-indicaties, gezien de hogere kans op blijvende respons na het staken van de behandeling in als -negatieve personen Voor patiënten bij wie langdurige antivirale behandeling is te verwachten, heeft lamivudine niet de voorkeur gezien de hoge kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie Van de momenteel beschikbare nucleos(t)ideanalogen heeft entecavir de laagste kans op antivirale resistentie (in vergelijking met lamivudine, adefovir en telbivudine) Entecavir en telbivudine lijken de Behandeling met nucleos(t)ideanalogen dient bij HBeAg-positieve patiënten te worden gecontinueerd tot HBeAg-seroconversie gedurende ten minste zes maanden behouden is en serum-HBV-DNA lager is dan ### kopieën/ml (## IU/ ml) Bij HBeAg-negatieve patiënten is niet bekend wanneer behandeling met nucleos(t)ideanalogen kan worden gestaakt, wel is bekend dat de behandeling meestal langdurig moet worden gegeven met nucleos(t)ideanalogen een stijging van meer dan # log## kopieën/ er sprake is van antivirale resistentie dient de antivirale medicatie zo spoedig mogelijk te worden aangepast, waarbij het toevoegen van Met de beschikbaarheid van verschillende nieuwe antivirale middelen is behandeling voor meer patiënten mogelijk geworden en voor een langere duur Hiermee is echter ook de complexiteit van behandeling van een chronische HBV-infectie toegenomen Met de huidige behandelmogelijkheden is het voor vrijwel alle patiënten het induceren van een blijvende respons, of het onderhouden van Wereldwijd zijn meer dan twee miljard mensen in contact geweest zijn chronisch geïnfecteerd #,# Jaarlijks sterven meer dan ### ### mensen aan HBV-geassocieerde leverziekte, voornamelijk door cirrose of een hepatocellulair carcinoom (HCC) # In <LOCATIE> is een HBV-infectie relatief zeldzaam Naar schatting is in <LOCATIE> ongeveer #,#% van de bevolking chronische drager van het virus en Er zijn bevolkingsgroepen waarin HBV-infectie frequenter voorkomt, bijvoorbeeld bij immigranten, mannen die seks hebben met mannen en bij mensen met wisselende seksuele partners Ondanks de beschikbaarheid â meer dan <LEEFTIJD> jaar â van een veilig en effectief behandeling van chronische HBV-infectie is drastisch veranderd gedurende het laatste decennium, met het beschikbaar komen van In de internationale literatuur zijn de afgelopen jaren verscheidene.
| 677 | nvmdl |
worden gecontinueerd tot HBeAg-seroconversie gedurende ten minste zes maanden behouden is en serum-HBV-DNA lager is dan ### kopieën/ml (## IU/ ml) Bij HBeAg-negatieve patiënten is niet bekend wanneer behandeling met nucleos(t)ideanalogen kan worden gestaakt, wel is bekend dat de behandeling meestal langdurig moet worden gegeven met nucleos(t)ideanalogen een stijging van meer dan # log## kopieën/ er sprake is van antivirale resistentie dient de antivirale medicatie zo spoedig mogelijk te worden aangepast, waarbij het toevoegen van Met de beschikbaarheid van verschillende nieuwe antivirale middelen is behandeling voor meer patiënten mogelijk geworden en voor een langere duur Hiermee is echter ook de complexiteit van behandeling van een chronische HBV-infectie toegenomen Met de huidige behandelmogelijkheden is het voor vrijwel alle patiënten het induceren van een blijvende respons, of het onderhouden van Wereldwijd zijn meer dan twee miljard mensen in contact geweest zijn chronisch geïnfecteerd #,# Jaarlijks sterven meer dan ### ### mensen aan HBV-geassocieerde leverziekte, voornamelijk door cirrose of een hepatocellulair carcinoom (HCC) # In <LOCATIE> is een HBV-infectie relatief zeldzaam Naar schatting is in <LOCATIE> ongeveer #,#% van de bevolking chronische drager van het virus en Er zijn bevolkingsgroepen waarin HBV-infectie frequenter voorkomt, bijvoorbeeld bij immigranten, mannen die seks hebben met mannen en bij mensen met wisselende seksuele partners Ondanks de beschikbaarheid â meer dan <LEEFTIJD> jaar â van een veilig en effectief behandeling van chronische HBV-infectie is drastisch veranderd gedurende het laatste decennium, met het beschikbaar komen van In de internationale literatuur zijn de afgelopen jaren verscheidene #,#,# In <LOCATIE> bestaat momenteel echter geen standaard voor antivirale behandeling en vervolg van patiënten met een chronische hepatitis-B-virusinfectie Daarom is op initiatief van de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen een commissie bijeengeroepen die tot doel heeft een â binnen de beroepsgroep overeengekomen â aanbeveling voor de behandeling van volwassenen met chronische hepatitis-B-virusinfectie op te stellen en daarmee een praktische leidraad te bieden bij de behandeling van deze In deze richtlijn worden aanbevelingen gedaan voor de evaluatie het vervolg tijdens en na behandeling bij volwassenen met chronische HBV-infectie Deze richtlijn is niet geschreven voor patiënten met een co-infectie van hepatitis-C-virus (HCV), hepatitis-deltavirus (HDV) of humaan immunodeficiëntievirus (hiv) De aanbevelingen in deze richtlijn zijn tot stand gekomen met inachtneming van de gepubliceerde literatuur, recent gepresenteerde data op internationale bijeenkomsten en richtlijnen van de American Association for the Study of Liver Diseases (AASLD), de European Association for the of the Liver (APASL) #,#,# Bij elke aanbeveling wordt de mate van bewijskracht aangegeven volgens de indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies en niveau van conclusie van het resulteert bij minder dan #% van de patiënten in een chronische infectie # Infectie op jonge leeftijd is geassocieerd met een aanzienlijk hoger risico op een chronische infectie, tot wel ##% in het geval van perinatale transmissie # Chronische HBV-infectie wordt gedefinieerd als âseropositiviteit voor hepatitis-B-oppervlakteantigeen (HBsAg) gedurende een periode van meer dan zes maandenâ Patiënten met een chronische HBV-infectie kunnen zich presenteren in één van de vier fases van infectie ( figuur #).
| 639 | nvmdl |
momenteel echter geen standaard voor antivirale behandeling en vervolg van patiënten met een chronische hepatitis-B-virusinfectie Daarom is op initiatief van de Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen een commissie bijeengeroepen die tot doel heeft een â binnen de beroepsgroep overeengekomen â aanbeveling voor de behandeling van volwassenen met chronische hepatitis-B-virusinfectie op te stellen en daarmee een praktische leidraad te bieden bij de behandeling van deze In deze richtlijn worden aanbevelingen gedaan voor de evaluatie het vervolg tijdens en na behandeling bij volwassenen met chronische HBV-infectie Deze richtlijn is niet geschreven voor patiënten met een co-infectie van hepatitis-C-virus (HCV), hepatitis-deltavirus (HDV) of humaan immunodeficiëntievirus (hiv) De aanbevelingen in deze richtlijn zijn tot stand gekomen met inachtneming van de gepubliceerde literatuur, recent gepresenteerde data op internationale bijeenkomsten en richtlijnen van de American Association for the Study of Liver Diseases (AASLD), de European Association for the of the Liver (APASL) #,#,# Bij elke aanbeveling wordt de mate van bewijskracht aangegeven volgens de indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies en niveau van conclusie van het resulteert bij minder dan #% van de patiënten in een chronische infectie # Infectie op jonge leeftijd is geassocieerd met een aanzienlijk hoger risico op een chronische infectie, tot wel ##% in het geval van perinatale transmissie # Chronische HBV-infectie wordt gedefinieerd als âseropositiviteit voor hepatitis-B-oppervlakteantigeen (HBsAg) gedurende een periode van meer dan zes maandenâ Patiënten met een chronische HBV-infectie kunnen zich presenteren in één van de vier fases van infectie ( figuur #) is hoog ()#,# x ### kopieën/ml of )#,# x ### IU/ml) en het serum alanineaminotransferase (ALAT) is niet verhoogd De duur van de immuuntolerante fase ligt in het algemeen tussen de ## en <LEEFTIJD> jaar # In de immuunactieve fase treedt activiteit van de afweer tegen het virus op, waardoor de hoeveelheid virus in het bloed daalt en het ALAT stijgt Tijdens deze fase kan verlies van HBeAg optreden De derde fase, de inactieve fase, treedt op na het verlies van het HBeAg en de vorming van de betrokken antistof (anti-HBe) Deze fase wordt gekenmerkt door een lage HBV-DNA concentratie ((#,# x ### kopieën/ ml of (#,# x ### IU/ml) en een genormaliseerd ALAT Hoewel de virusreplicatie persisteert, wordt deze sterk onderdrukt door de afweer van de gastheer Bij een aantal patiënten treedt vervolgens reactivatie van ontstekingsactiviteit op en terugval naar hoge viremie Bij deze van HBeAg ontbreekt door mutaties in het HBV-genoom; deze patiënten ontwikkelen een actieve HBeAg-negatieve chronische hepatitis Reactivatie van een HBV infectie kan optreden in geval van immuunsuppressie Het is daarom aan te bevelen om voorafgaand aan de behandeling met chemotherapie of monoklonale antistoffen, altijd de hepatitis-B-status te bepalen Tabel #a Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onder Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A# (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek en cohortonderzoek) Onderzoek van niveau A# of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde.
| 642 | nvmdl |
x ### IU/ml) en het serum alanineaminotransferase (ALAT) is niet verhoogd De duur van de immuuntolerante fase ligt in het algemeen tussen de ## en <LEEFTIJD> jaar # In de immuunactieve fase treedt activiteit van de afweer tegen het virus op, waardoor de hoeveelheid virus in het bloed daalt en het ALAT stijgt Tijdens deze fase kan verlies van HBeAg optreden De derde fase, de inactieve fase, treedt op na het verlies van het HBeAg en de vorming van de betrokken antistof (anti-HBe) Deze fase wordt gekenmerkt door een lage HBV-DNA concentratie ((#,# x ### kopieën/ ml of (#,# x ### IU/ml) en een genormaliseerd ALAT Hoewel de virusreplicatie persisteert, wordt deze sterk onderdrukt door de afweer van de gastheer Bij een aantal patiënten treedt vervolgens reactivatie van ontstekingsactiviteit op en terugval naar hoge viremie Bij deze van HBeAg ontbreekt door mutaties in het HBV-genoom; deze patiënten ontwikkelen een actieve HBeAg-negatieve chronische hepatitis Reactivatie van een HBV infectie kan optreden in geval van immuunsuppressie Het is daarom aan te bevelen om voorafgaand aan de behandeling met chemotherapie of monoklonale antistoffen, altijd de hepatitis-B-status te bepalen Tabel #a Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onder Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A# (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek en cohortonderzoek) Onderzoek van niveau A# of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde Per jaar ontwikkelt gemiddeld #% van chronische HBV-geïnfecteerde patiënten cirrose, met een vijfjaars cumulatieve incidentie van ##% # Het beloop is echter zeer heterogeen, progressie is met name te verwachten bij persisterende hepatitis Factoren die daarnaast zijn geassocieerd met een verhoogd risico op het ontwikkelen HDV of hiv, herhaaldelijk episodes van acute exacerbatie en ernstige Gedecompenseerde leverziekte treedt jaarlijks op bij circa #% van de patiënten met cirrose # De vijfjaarsoverleving na het ontwikkelen van cirrose is ##%,## hetgeen afneemt tot ## à ##% in het geval van gedecompenseerde cirrose ##,## Aanwezigheid van cirrose predisponeert voor het ontwikkelen van van de patiënten met HCC heeft een onderliggende cirrose (###%) ## De jaarlijkse incidentie van HCC bij Europese patiënten met een chronische HBV infectie en gecompenseerde cirrose is ongeveer #,#% ## Bij Aziaten met cirrose is de incidentie van HCC hoger, het ontwikkelen van HCC bij patiënten met cirrose zijn een hogere leeftijd, mannelijk geslacht, persisterende leverontsteking, HBVDNA )#,# x ### kopieën/ml ()#,# x ### IU/ml), HBeAg-positiviteit, De initiële evaluatie van patiënten met een chronische HBV-infectie behoort een anamnese te bevatten met speciale aandacht voor risicofactoren voor infectie met bloed- en seksueel overdraagbare aandoeningen, alcoholgebruik, familiair voorkomen van HBV-infectie en hepatocellulair carcinoom Bij het lichamelijk onderzoek dient te worden gelet op tekenen van chronische leverziekte en cirrose (erythema palmare, spider naevi, gynaecomastie, flapping tremor en testisatrofie), tekenen van portale hypertensie (ascites, splenomegalie en veneuze collateralen in de buikwand) en tekenen van leverfalen (icterus en encefalopathie).
| 652 | nvmdl |
jaar ontwikkelt gemiddeld #% van chronische HBV-geïnfecteerde patiënten cirrose, met een vijfjaars cumulatieve incidentie van ##% # Het beloop is echter zeer heterogeen, progressie is met name te verwachten bij persisterende hepatitis Factoren die daarnaast zijn geassocieerd met een verhoogd risico op het ontwikkelen HDV of hiv, herhaaldelijk episodes van acute exacerbatie en ernstige Gedecompenseerde leverziekte treedt jaarlijks op bij circa #% van de patiënten met cirrose # De vijfjaarsoverleving na het ontwikkelen van cirrose is ##%,## hetgeen afneemt tot ## à ##% in het geval van gedecompenseerde cirrose ##,## Aanwezigheid van cirrose predisponeert voor het ontwikkelen van van de patiënten met HCC heeft een onderliggende cirrose (###%) ## De jaarlijkse incidentie van HCC bij Europese patiënten met een chronische HBV infectie en gecompenseerde cirrose is ongeveer #,#% ## Bij Aziaten met cirrose is de incidentie van HCC hoger, het ontwikkelen van HCC bij patiënten met cirrose zijn een hogere leeftijd, mannelijk geslacht, persisterende leverontsteking, HBVDNA )#,# x ### kopieën/ml ()#,# x ### IU/ml), HBeAg-positiviteit, De initiële evaluatie van patiënten met een chronische HBV-infectie behoort een anamnese te bevatten met speciale aandacht voor risicofactoren voor infectie met bloed- en seksueel overdraagbare aandoeningen, alcoholgebruik, familiair voorkomen van HBV-infectie en hepatocellulair carcinoom Bij het lichamelijk onderzoek dient te worden gelet op tekenen van chronische leverziekte en cirrose (erythema palmare, spider naevi, gynaecomastie, flapping tremor en testisatrofie), tekenen van portale hypertensie (ascites, splenomegalie en veneuze collateralen in de buikwand) en tekenen van leverfalen (icterus en encefalopathie) Met behulp van het virologisch onderzoek dient de replicatieve status te worden bepaald (kwantitatief HBV-DNA, HBeAg, anti-HBe), alsmede eventuele virale co-infecties bij patiënten met een verhoogd risico hiervoor (HCV, HDV, hiv) Bij de keuze van antivirale behandeling kan het HBV-genotype behulpzaam zijn Daarnaast dient afbeeldend onderzoek van de buik met abdominale echografie plaats te vinden, met speciale aandacht voor tekenen van cirrose (onregelmatig leveroppervlak, stompe leverrand en vernauwde levervenen), portale hypertensie (verlaagde portaflow, splenomegalie, collateralen en ascites) Een leverbiopsie is vaak geïndiceerd, maar hoeft niet zonder meer bij alle patiënten met een chronische HBV-infectie te worden verricht Een biopt dient vooral te worden overwogen bij patiënten die een indicatie voor antivirale behandeling hebben, om een uitgangswaarde van de ernst van necro-inflammatie en het stadium van leverfibrose te verkrijgen Bij patiënten bij wie onduidelijkheid bestaat over de indicatie voor behandeling is het leverbiopt mogelijk van nog grotere waarde Ook bij patiënten in de inactieve fase dient een leverbiopsie te worden overwogen indien er onduidelijkheid bestaat over de aanwezigheid van cirrose, gezien de grote kans op reeds aanwezige significante fibrose of cirrose in deze groep ## Indien cirrose aanwezig is, is het aan te bevelen dat de patiënt onder controle blijft in verband met het verhoogde risico op het ontwikkelen van HCC Vrijwel alle patiënten in de immuuntolerante fase hebben daarentegen geen of slechts minimale fibrose en progressie van fibrose is alleen te verwachten bij transitie naar de immuunactieve fase ## Het afnemen van een leverbiopsie kan daarom bij deze Screening voor HCC, door middel van zes- tot twaalfmaandelijks af.
| 649 | nvmdl |
status te worden bepaald (kwantitatief HBV-DNA, HBeAg, anti-HBe), alsmede eventuele virale co-infecties bij patiënten met een verhoogd risico hiervoor (HCV, HDV, hiv) Bij de keuze van antivirale behandeling kan het HBV-genotype behulpzaam zijn Daarnaast dient afbeeldend onderzoek van de buik met abdominale echografie plaats te vinden, met speciale aandacht voor tekenen van cirrose (onregelmatig leveroppervlak, stompe leverrand en vernauwde levervenen), portale hypertensie (verlaagde portaflow, splenomegalie, collateralen en ascites) Een leverbiopsie is vaak geïndiceerd, maar hoeft niet zonder meer bij alle patiënten met een chronische HBV-infectie te worden verricht Een biopt dient vooral te worden overwogen bij patiënten die een indicatie voor antivirale behandeling hebben, om een uitgangswaarde van de ernst van necro-inflammatie en het stadium van leverfibrose te verkrijgen Bij patiënten bij wie onduidelijkheid bestaat over de indicatie voor behandeling is het leverbiopt mogelijk van nog grotere waarde Ook bij patiënten in de inactieve fase dient een leverbiopsie te worden overwogen indien er onduidelijkheid bestaat over de aanwezigheid van cirrose, gezien de grote kans op reeds aanwezige significante fibrose of cirrose in deze groep ## Indien cirrose aanwezig is, is het aan te bevelen dat de patiënt onder controle blijft in verband met het verhoogde risico op het ontwikkelen van HCC Vrijwel alle patiënten in de immuuntolerante fase hebben daarentegen geen of slechts minimale fibrose en progressie van fibrose is alleen te verwachten bij transitie naar de immuunactieve fase ## Het afnemen van een leverbiopsie kan daarom bij deze Screening voor HCC, door middel van zes- tot twaalfmaandelijks af cirrose, in het bijzonder voor patiënten met een verhoogd risico op het ontwikkelen van HCC #,## Met HBV geïnfecteerde patiënten met een verhoogd risico op het ontwikkelen van HCC zijn Aziatische mannen van <LEEFTIJD> jaar en ouder, Aziatische vrouwen van <LEEFTIJD> jaar en ouder, patiënten met een familiaire belasting voor HCC, Afrikanen van <LEEFTIJD> jaar en ouder, patiënten met een hoog HBV-DNA of persisterende ontstekingsactiviteit ## Ook bij patiënten zonder cirrose, maar met een verhoogd risico op het ontwikkelen van HCC, dient HCC-screening te worden overwogen Screening voor HCC resulteert in opsporing van HCC in een vroeger stadium en is geassocieerd met verbeterde overleving ## Er is geen plaats voor routinematige bepaling van de α-foetoproteïneconcentratie, aangezien dit de effectiviteit van screening niet verhoogt en leidt tot toename van het percentage fout-positieve bevindingen ## Bij patiënten met cirrose dient naast HCC-screening ook het verrichten van een gastroscopie te worden overwogen om de aanwezigheid van oeso-fagusvarices vast te stellen, dan wel uit te sluiten Bij alle patiënten met een chronische HBV-infectie is het vaststellen vaker fulminant verloopt dan bij patiënten zonder een chronische leverziekte ##,## Ondanks het feit dat het absolute risico op een fulminante HAV-infectie zeer gering is, is HAV-vaccinatie bij patiënten Voorafgaand aan antivirale behandeling dient een anamnese te worden afgenomen en dient lichamelijk onderzoek te worden verricht Daarnaast dient aanvullende laboratoriumdiagnostiek en virusserologie inclusief een kwantitatieve serum-HBV-DNA-bepaling en abdominale echografie te worden verricht Een leverbiopsie dient te worden overwogen bij actieve hepatitis en bij patiënten die niet aan de.
| 609 | nvmdl |
in het bijzonder voor patiënten met een verhoogd risico op het ontwikkelen van HCC #,## Met HBV geïnfecteerde patiënten met een verhoogd risico op het ontwikkelen van HCC zijn Aziatische mannen van <LEEFTIJD> jaar en ouder, Aziatische vrouwen van <LEEFTIJD> jaar en ouder, patiënten met een familiaire belasting voor HCC, Afrikanen van <LEEFTIJD> jaar en ouder, patiënten met een hoog HBV-DNA of persisterende ontstekingsactiviteit ## Ook bij patiënten zonder cirrose, maar met een verhoogd risico op het ontwikkelen van HCC, dient HCC-screening te worden overwogen Screening voor HCC resulteert in opsporing van HCC in een vroeger stadium en is geassocieerd met verbeterde overleving ## Er is geen plaats voor routinematige bepaling van de α-foetoproteïneconcentratie, aangezien dit de effectiviteit van screening niet verhoogt en leidt tot toename van het percentage fout-positieve bevindingen ## Bij patiënten met cirrose dient naast HCC-screening ook het verrichten van een gastroscopie te worden overwogen om de aanwezigheid van oeso-fagusvarices vast te stellen, dan wel uit te sluiten Bij alle patiënten met een chronische HBV-infectie is het vaststellen vaker fulminant verloopt dan bij patiënten zonder een chronische leverziekte ##,## Ondanks het feit dat het absolute risico op een fulminante HAV-infectie zeer gering is, is HAV-vaccinatie bij patiënten Voorafgaand aan antivirale behandeling dient een anamnese te worden afgenomen en dient lichamelijk onderzoek te worden verricht Daarnaast dient aanvullende laboratoriumdiagnostiek en virusserologie inclusief een kwantitatieve serum-HBV-DNA-bepaling en abdominale echografie te worden verricht Een leverbiopsie dient te worden overwogen bij actieve hepatitis en bij patiënten die niet aan de verhoogde risico op fulminante hepatitis-A bij deze patiënten in vergelijking met personen zonder een onderliggende Een aanzienlijk deel van de patiënten met een chronische HBV-infectie behoeft geen antivirale therapie ## De aanwezigheid van een indicatie voor antivirale behandeling wordt bepaald door een aantal factoren (tabel #) Ten eerste dient er sprake te zijn van een actieve Antivirale behandeling bij afwezigheid van andere oorzaken van hepatitis Tabel # Beleid bij chronische hepatitis-B op basis van HBeAg-status, ALAT en HBV-DNA ten minste #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) Voor HBeAgnegatieve patiënten lijkt er tevens een verhoogd risico op activiteit en progressie van leverziekte te zijn bij HBV-DNA tussen #,# x ### en #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### â #,# x ### IU/ml) ## Daarnaast speelt de activiteit van de leverziekte, weergegeven door de ernst van necroinflammatie in het leverbiopt of door de hoogte van het serumALAT, een belangrijke rol bij de afweging antivirale therapie te starten Serum-ALAT van ten minste tweemaal de bovenlimiet van normaal gedurende een periode van drie tot zes maanden bij actieve virale replicatie wordt over het algemeen beschouwd als een indicatie om antivirale behandeling te starten Bij patiënten met HBVDNA boven #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) en persisterend milde ontsteking (ALAT tussen één- en tweemaal de bovengrens van porto-portale septa) of interface-hepatitis in het leverbiopt dient eveneens antivirale behandeling te worden overwogen Bij een verhoogd ALAT, maar een laag HBV-DNA is het minder waarschijnlijk dat de ontsteking door de HBV-infectie wordt veroorzaakt.
| 664 | nvmdl |
fulminante hepatitis-A bij deze patiënten in vergelijking met personen zonder een onderliggende Een aanzienlijk deel van de patiënten met een chronische HBV-infectie behoeft geen antivirale therapie ## De aanwezigheid van een indicatie voor antivirale behandeling wordt bepaald door een aantal factoren (tabel #) Ten eerste dient er sprake te zijn van een actieve Antivirale behandeling bij afwezigheid van andere oorzaken van hepatitis Tabel # Beleid bij chronische hepatitis-B op basis van HBeAg-status, ALAT en HBV-DNA ten minste #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) Voor HBeAgnegatieve patiënten lijkt er tevens een verhoogd risico op activiteit en progressie van leverziekte te zijn bij HBV-DNA tussen #,# x ### en #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### â #,# x ### IU/ml) ## Daarnaast speelt de activiteit van de leverziekte, weergegeven door de ernst van necroinflammatie in het leverbiopt of door de hoogte van het serumALAT, een belangrijke rol bij de afweging antivirale therapie te starten Serum-ALAT van ten minste tweemaal de bovenlimiet van normaal gedurende een periode van drie tot zes maanden bij actieve virale replicatie wordt over het algemeen beschouwd als een indicatie om antivirale behandeling te starten Bij patiënten met HBVDNA boven #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) en persisterend milde ontsteking (ALAT tussen één- en tweemaal de bovengrens van porto-portale septa) of interface-hepatitis in het leverbiopt dient eveneens antivirale behandeling te worden overwogen Bij een verhoogd ALAT, maar een laag HBV-DNA is het minder waarschijnlijk dat de ontsteking door de HBV-infectie wordt veroorzaakt geval meer duidelijkheid geven over de aard van de ontstekingsactiviteit Indien er geen andere aanwijsbare oorzaken zijn en het leverbiopt een actieve met hepatitis-B geassocieerde ontsteking toont, Indien er sprake is van gecompenseerde cirrose dient onafhankelijk van het ALAT behandeling te worden overwogen als het HBV-DNA #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) of hoger is gezien het hogere risico op progressie naar gedecompenseerde cirrose en HCC bij een HBV-DNA-concentratie boven dit niveau ## Patiënten met gedecompenseerde cirrose dienen altijd te worden behandeld in het geval de omdat onderdrukking van virusreplicatie bij deze patiënten kan leiden tot een significante verbetering van leverfunctie en overleving ##,## Meer dan ##% van de pasgeborenen van moeders met chronische actieve immunisatie ## Een speciale patiëntengroep bij wie behandeling kan worden overwogen betreft HBV-geïnfecteerde zwangere â¥#,# x ### IU/ml), gezien de significant lagere kans op het falen van passief-actieve immunisatie bij de pasgeborene indien de virusconcentratie ten tijde van de bevalling lager is ##,## Behandeling kan in dit geval worden gegeven vanaf een zwangerschapsduur van ## weken ##-## Momenteel is lamivudine het meest veilige medicijn in dit geval Eventueel kan er een omzetting plaatsvinden naar een ander nucleos(t)ideanalogon indien langdurige behandeling na de bevalling is geïndiceerd Bij zwangeren die reeds worden behandeld met nucleos(t)ideanalogen dient het risico van het staken van de behandeling, met als mogelijk gevolg het opvlammen van de leverziekte, te worden afgewogen tegen de risicoâs voor het kind Aanbevelingen hierover zijn niet mogelijk gezien het ontbreken van wetenschappelijke onderbouwing, overleg met een expertisecentrum is daarom.
| 684 | nvmdl |
duidelijkheid geven over de aard van de ontstekingsactiviteit Indien er geen andere aanwijsbare oorzaken zijn en het leverbiopt een actieve met hepatitis-B geassocieerde ontsteking toont, Indien er sprake is van gecompenseerde cirrose dient onafhankelijk van het ALAT behandeling te worden overwogen als het HBV-DNA #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) of hoger is gezien het hogere risico op progressie naar gedecompenseerde cirrose en HCC bij een HBV-DNA-concentratie boven dit niveau ## Patiënten met gedecompenseerde cirrose dienen altijd te worden behandeld in het geval de omdat onderdrukking van virusreplicatie bij deze patiënten kan leiden tot een significante verbetering van leverfunctie en overleving ##,## Meer dan ##% van de pasgeborenen van moeders met chronische actieve immunisatie ## Een speciale patiëntengroep bij wie behandeling kan worden overwogen betreft HBV-geïnfecteerde zwangere â¥#,# x ### IU/ml), gezien de significant lagere kans op het falen van passief-actieve immunisatie bij de pasgeborene indien de virusconcentratie ten tijde van de bevalling lager is ##,## Behandeling kan in dit geval worden gegeven vanaf een zwangerschapsduur van ## weken ##-## Momenteel is lamivudine het meest veilige medicijn in dit geval Eventueel kan er een omzetting plaatsvinden naar een ander nucleos(t)ideanalogon indien langdurige behandeling na de bevalling is geïndiceerd Bij zwangeren die reeds worden behandeld met nucleos(t)ideanalogen dient het risico van het staken van de behandeling, met als mogelijk gevolg het opvlammen van de leverziekte, te worden afgewogen tegen de risicoâs voor het kind Aanbevelingen hierover zijn niet mogelijk gezien het ontbreken van wetenschappelijke onderbouwing, overleg met een expertisecentrum is daarom kans op reactivatie van de HBV-infectie en overlijden hieraan significant vermindert #,## Bij patiënten die profylactische behandeling worden gecontinueerd tot de gebruikelijke eindpunten voor antivirale behandeling zijn bereikt # Ook bij patiënten met enkel antiHBc-positiviteit kunnen vervolg van HBV-DNA en ALAT en profylactische behandeling tijdens chemotherapie worden overwogen, omdat ook bij deze patiënten reactivatie kan optreden ## ALAT boven tweemaal de grenswaarde van normaal gedurende ten minste drie maanden en/of aanwezigheid van interface-hepatitis dan wel significante fibrose zijn kandidaten voor antivirale behandeling Bij patiënten met cirrose is antivirale behandeling aan te (#,# x ### IU/ml) of hoger, dit ongeacht de hoogte van In het geval van gedecompenseerde cirrose dient behandeling te worden overwogen indien HBV-DNA ### kopieën/ ## weken tot aan de bevalling kan worden overwogen bij met hepatitis-B geïnfecteerde zwangere vrouwen met een serumHBV-DNA van #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) of hoger om het risico op het falen van passieve en actieve Patiënten die momenteel geen indicatie hebben voor antivirale behandeling dienen te worden vervolgd gezien de mogelijkheid van een fluctuerend beloop van ziekteactiviteit en daarmee een mogelijke toekomstige indicatie voor antivirale behandeling (tabel #) Bij HBeAgpositieve patiënten met een hoog HBV-DNA (â¥#,# x ### kopieën/ml of â¥#,# x ### IU/ml) en normaal ALAT dient drie- tot zesmaandelijks controle van ALAT plaats te vinden, met meer frequente controle in geval het ALAT is verhoogd Bij HBeAg-negatieve patiënten met hoog ALAT is de aanbevolen frequentie van controle eveneens twee tot vier maal per jaar.
| 667 | nvmdl |
kans op reactivatie van de HBV-infectie en overlijden hieraan significant vermindert #,## Bij patiënten die profylactische behandeling worden gecontinueerd tot de gebruikelijke eindpunten voor antivirale behandeling zijn bereikt # Ook bij patiënten met enkel antiHBc-positiviteit kunnen vervolg van HBV-DNA en ALAT en profylactische behandeling tijdens chemotherapie worden overwogen, omdat ook bij deze patiënten reactivatie kan optreden ## ALAT boven tweemaal de grenswaarde van normaal gedurende ten minste drie maanden en/of aanwezigheid van interface-hepatitis dan wel significante fibrose zijn kandidaten voor antivirale behandeling Bij patiënten met cirrose is antivirale behandeling aan te (#,# x ### IU/ml) of hoger, dit ongeacht de hoogte van In het geval van gedecompenseerde cirrose dient behandeling te worden overwogen indien HBV-DNA ### kopieën/ ## weken tot aan de bevalling kan worden overwogen bij met hepatitis-B geïnfecteerde zwangere vrouwen met een serumHBV-DNA van #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) of hoger om het risico op het falen van passieve en actieve Patiënten die momenteel geen indicatie hebben voor antivirale behandeling dienen te worden vervolgd gezien de mogelijkheid van een fluctuerend beloop van ziekteactiviteit en daarmee een mogelijke toekomstige indicatie voor antivirale behandeling (tabel #) Bij HBeAgpositieve patiënten met een hoog HBV-DNA (â¥#,# x ### kopieën/ml of â¥#,# x ### IU/ml) en normaal ALAT dient drie- tot zesmaandelijks controle van ALAT plaats te vinden, met meer frequente controle in geval het ALAT is verhoogd Bij HBeAg-negatieve patiënten met hoog ALAT is de aanbevolen frequentie van controle eveneens twee tot vier maal per jaar Patiënten die momenteel geen kandidaat zijn voor antivirale behandeling dienen te worden vervolgd in verband met drie tot zes maanden Voor patiënten met laag HBV-DNA frequentie van vervolgcontroles eenmaal per drie tot zes Het ultieme doel van behandeling van een chronische HBV-infectie is het induceren van verlies van HBsAg en de vorming van de betrokken antistof (anti-HBs) Aangezien HBsAg-seroconversie zelden wordt bereikt, zijn andere eindpunten voor behandeling gekozen, die zijn geassocieerd met een gunstig effect op de lange termijn De belangrijkste eindpunten voor antivirale behandeling zijn HBeAgseroconversie (verlies van HBeAg met ontwikkeling van anti-HBe), daling van de virusconcentratie tot bij voorkeur beneden de detectiegrens van een polymerasekettingreactietest (PCR), biochemische respons (normalisatie van ALAT) en verbetering van de leverhistologie (afname van necro-inflammatie zonder toename van fibrose) Deze eindpunten duiden op het induceren van de inactieve fase bij patiënten met een voorheen actieve infectie Voor respons op antivirale behandeling dient onderscheid te worden gemaakt tussen blijvende respons (na het staken van de behandeling) en door de sprake van een actieve immuunrespons tegen het virus, dat zich uit in het optreden van HBeAg- of HBsAg-seroconversie Bij een door de therapie onderhouden respons is er sprake van een duurzame replicatieremming (laag HBV-DNA) onder behandeling, zonder actieve immuunrespons Blijvende res-pons wordt met name bereikt Interferon-alfa (IFN-α) is sinds de jaren â## toegepast voor de behandeling van chronische HBV-infectie Interferonen zijn natuurlijke cytokines met immuunmodulatoire, antiproliferatieve en antivirale activiteit ## IFN-α is sinds de registratie voor behandeling van.
| 637 | nvmdl |
voor antivirale behandeling dienen te worden vervolgd in verband met drie tot zes maanden Voor patiënten met laag HBV-DNA frequentie van vervolgcontroles eenmaal per drie tot zes Het ultieme doel van behandeling van een chronische HBV-infectie is het induceren van verlies van HBsAg en de vorming van de betrokken antistof (anti-HBs) Aangezien HBsAg-seroconversie zelden wordt bereikt, zijn andere eindpunten voor behandeling gekozen, die zijn geassocieerd met een gunstig effect op de lange termijn De belangrijkste eindpunten voor antivirale behandeling zijn HBeAgseroconversie (verlies van HBeAg met ontwikkeling van anti-HBe), daling van de virusconcentratie tot bij voorkeur beneden de detectiegrens van een polymerasekettingreactietest (PCR), biochemische respons (normalisatie van ALAT) en verbetering van de leverhistologie (afname van necro-inflammatie zonder toename van fibrose) Deze eindpunten duiden op het induceren van de inactieve fase bij patiënten met een voorheen actieve infectie Voor respons op antivirale behandeling dient onderscheid te worden gemaakt tussen blijvende respons (na het staken van de behandeling) en door de sprake van een actieve immuunrespons tegen het virus, dat zich uit in het optreden van HBeAg- of HBsAg-seroconversie Bij een door de therapie onderhouden respons is er sprake van een duurzame replicatieremming (laag HBV-DNA) onder behandeling, zonder actieve immuunrespons Blijvende res-pons wordt met name bereikt Interferon-alfa (IFN-α) is sinds de jaren â## toegepast voor de behandeling van chronische HBV-infectie Interferonen zijn natuurlijke cytokines met immuunmodulatoire, antiproliferatieve en antivirale activiteit ## IFN-α is sinds de registratie voor behandeling van Bij het merendeel van HBeAgpositieve patiënten die tijdens of kort na behandeling met IFN leidt uiteindelijk bij ##% van deze patiënten tot verlies van HBsAg ## Het risico op HCC en overlijden is significant lager voor patiënten met respons op IFN in vergelijking met degenen zonder respons ## IFN heeft de halfwaardetijd aanzienlijk verlengd, hetgeen heeft geresulteerd in een toedieningsinterval van eenmaal per week De afgelopen jaren is met name onderzoek gedaan naar peginterferon (PEG-IFN) voor de behandeling van chronische hepatitis-B Er zijn een dosering van ### μg per week (subcutaan) gedurende ## weken Bij HBeAg-positieve patiënten is behandeling met PEG-IFN minstens zo effectief als conventioneel IFN, met verlies van HBeAg bij ##% en seroconversie naar anti-HBe bij ## tot ##% van de patiënten ##-## Toevoeging van lamivudine resulteert niet in een hogere kans op blijvende respons in vergelijking met PEG-IFN-monotherapie PEGIFN-geïnduceerd verlies van HBeAg is blijvend bij ## tot ##% van drie tot #% van de behandelde patiënten binnen zes maanden na behandeling, hetgeen neerkomt op ## tot ##% van de patiënten met Het HBV-genotype beïnvloedt de kans op HBeAg-verlies bij PEGIFN-behandeling; patiënten met genotype A of B hebben een hogere kans op verlies van HBeAg dan patiënten met genotype C of <PERSOON> met genotype A hebben een significant hogere kans op zowel verlies van HBeAg als HBsAg dan patiënten met genotype Tot op heden is slechts één gerandomiseerd onderzoek met PEGIFN bij HBeAg-negatieve chronische HBV-infectie verricht ## Gecombineerde respons van HBV-DNA lager dan #,# x ### kopieën/ml en normalisatie van ALAT treedt op bij ##% van de patiënten.
| 647 | nvmdl |
na behandeling met IFN leidt uiteindelijk bij ##% van deze patiënten tot verlies van HBsAg ## Het risico op HCC en overlijden is significant lager voor patiënten met respons op IFN in vergelijking met degenen zonder respons ## IFN heeft de halfwaardetijd aanzienlijk verlengd, hetgeen heeft geresulteerd in een toedieningsinterval van eenmaal per week De afgelopen jaren is met name onderzoek gedaan naar peginterferon (PEG-IFN) voor de behandeling van chronische hepatitis-B Er zijn een dosering van ### μg per week (subcutaan) gedurende ## weken Bij HBeAg-positieve patiënten is behandeling met PEG-IFN minstens zo effectief als conventioneel IFN, met verlies van HBeAg bij ##% en seroconversie naar anti-HBe bij ## tot ##% van de patiënten ##-## Toevoeging van lamivudine resulteert niet in een hogere kans op blijvende respons in vergelijking met PEG-IFN-monotherapie PEGIFN-geïnduceerd verlies van HBeAg is blijvend bij ## tot ##% van drie tot #% van de behandelde patiënten binnen zes maanden na behandeling, hetgeen neerkomt op ## tot ##% van de patiënten met Het HBV-genotype beïnvloedt de kans op HBeAg-verlies bij PEGIFN-behandeling; patiënten met genotype A of B hebben een hogere kans op verlies van HBeAg dan patiënten met genotype C of <PERSOON> met genotype A hebben een significant hogere kans op zowel verlies van HBeAg als HBsAg dan patiënten met genotype Tot op heden is slechts één gerandomiseerd onderzoek met PEGIFN bij HBeAg-negatieve chronische HBV-infectie verricht ## Gecombineerde respons van HBV-DNA lager dan #,# x ### kopieën/ml en normalisatie van ALAT treedt op bij ##% van de patiënten behandelvrije vervolgperiode van ## weken Ook bij HBeAg-negatieve patiënten resulteert het toevoegen van lamivudine niet in een De voornaamste nadelen van PEG-IFN-behandeling zijn de subcutane toediening en het frequent optreden van bijwerkingen (tabel #) Met name griepachtige verschijnselen, beenmergsuppressie en psychische bijwerkingen komen vaak voor,## maar leiden zelden tot het PEG-IFN wordt afgeraden voor patiënten met gevorderde cirrose (albumine (##g/l, bilirubine )## μmol/l of verlenging van de protrombinetijd met meer dan vier seconden) in verband met het risico op decompensatie door opvlamming van de ontstekingsactiviteit tijdens behandeling ##,## Andere belangrijke contra-indicaties voor behandeling met PEG-IFN zijn ernstige psychiatrische aandoeningen (depressie en suïcidaal gedrag), ernstige hartaandoeningen en autoimmuunhepatitis (of andere auto-immuun-ziekten) Het voornaamste voordeel van behandeling met PEG-IFN is dat, in tegenstelling tot de respons bij nucleos(t)ideanalogen, de door PEG-IFN geïnduceerde respons blijvend is bij meer dan ##% van de HBeAg-positieve patiënten,##, ## en bij circa ##% van de HBeAg-negatieve patiënten ## Het laatste decennium is grote vooruitgang geboekt in de behandeling van chronische HBV-infectie met nucleos(t)ideanalogen De werking van deze antivirale medicijnen berust op remming van het virale polymerase en daarmee de virusreplicatie Voordelen van nucleos(t)ideanalogen zijn de orale toediening, snelle daling van het HBV-DNA en het feit dat de geregistreerde preparaten nauwelijks nadeel is echter dat een groot deel van de behandelde patiënten langdurige therapie nodig heeft door het lage percentage blijvende respons na het stoppen van de behandeling Met de duur van de behandeling neemt ook de kans op het ontstaan van antivirale resistentie toe.
| 670 | nvmdl |
behandelvrije vervolgperiode van ## weken Ook bij HBeAg-negatieve patiënten resulteert het toevoegen van lamivudine niet in een De voornaamste nadelen van PEG-IFN-behandeling zijn de subcutane toediening en het frequent optreden van bijwerkingen (tabel #) Met name griepachtige verschijnselen, beenmergsuppressie en psychische bijwerkingen komen vaak voor,## maar leiden zelden tot het PEG-IFN wordt afgeraden voor patiënten met gevorderde cirrose (albumine (##g/l, bilirubine )## μmol/l of verlenging van de protrombinetijd met meer dan vier seconden) in verband met het risico op decompensatie door opvlamming van de ontstekingsactiviteit tijdens behandeling ##,## Andere belangrijke contra-indicaties voor behandeling met PEG-IFN zijn ernstige psychiatrische aandoeningen (depressie en suïcidaal gedrag), ernstige hartaandoeningen en autoimmuunhepatitis (of andere auto-immuun-ziekten) Het voornaamste voordeel van behandeling met PEG-IFN is dat, in tegenstelling tot de respons bij nucleos(t)ideanalogen, de door PEG-IFN geïnduceerde respons blijvend is bij meer dan ##% van de HBeAg-positieve patiënten,##, ## en bij circa ##% van de HBeAg-negatieve patiënten ## Het laatste decennium is grote vooruitgang geboekt in de behandeling van chronische HBV-infectie met nucleos(t)ideanalogen De werking van deze antivirale medicijnen berust op remming van het virale polymerase en daarmee de virusreplicatie Voordelen van nucleos(t)ideanalogen zijn de orale toediening, snelle daling van het HBV-DNA en het feit dat de geregistreerde preparaten nauwelijks nadeel is echter dat een groot deel van de behandelde patiënten langdurige therapie nodig heeft door het lage percentage blijvende respons na het stoppen van de behandeling Met de duur van de behandeling neemt ook de kans op het ontstaan van antivirale resistentie toe stammen onder selectieve druk van het antivirale middel Sterke en Lamivudine was het eerste nucleosideanalogon dat werd geregistreerd voor de behandeling van chronische HBV-infectie in ### Lamivudine wordt in een dagelijkse dosis van ### mg goed verdragen en heeft een excellent veiligheidsprofiel Bij HBeAg-positieve patiënten resulteert behandeling met lamivudine gedurende één jaar in HBeAg-seroconversie met HBV-DNA onder #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) bij ## tot ##% van de patiënten ##-## Bij een langere behandelduur neemt de kans op ##% na vier jaar behandeling ##,##,## <PERSOON>-DNA onder #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) wordt gezien bij ##% van de IU/ml) bij ## tot ##% van de patiënten na een jaar lamivudinebehandeling Van deze patiënten heeft ## tot ##% tevens een biochemische respons ##,##,## Bij een HBeAg-negatieve HBV-infectie neemt af, van ##% na twee jaar en ##% na drie jaar tot ##% na vier jaar behandeling, voornamelijk door het optreden van antivirale resistentie ##,##,## Bij patiënten met een ernstige leverfibrose of cirrose is een afname van progressie van leverziekte en een lagere incidentie Het belangrijkste nadeel van lamivudine is de hoge kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie Het merendeel van patiënten met virale doorbraak heeft mutaties in het tyrosine-methionine-aspartaat-aspartaat-motief (YMDD) van het polymerase gen ## De meest frequente mutatie betreft een substitutie van methionine voor valine Lamivudineresistentie treedt op bij ##% van de patiënten na één jaar, hetgeen toeneemt tot ##% na vijf jaar behandeling.
| 711 | nvmdl |
druk van het antivirale middel Sterke en Lamivudine was het eerste nucleosideanalogon dat werd geregistreerd voor de behandeling van chronische HBV-infectie in ### Lamivudine wordt in een dagelijkse dosis van ### mg goed verdragen en heeft een excellent veiligheidsprofiel Bij HBeAg-positieve patiënten resulteert behandeling met lamivudine gedurende één jaar in HBeAg-seroconversie met HBV-DNA onder #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) bij ## tot ##% van de patiënten ##-## Bij een langere behandelduur neemt de kans op ##% na vier jaar behandeling ##,##,## <PERSOON>-DNA onder #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### IU/ml) wordt gezien bij ##% van de IU/ml) bij ## tot ##% van de patiënten na een jaar lamivudinebehandeling Van deze patiënten heeft ## tot ##% tevens een biochemische respons ##,##,## Bij een HBeAg-negatieve HBV-infectie neemt af, van ##% na twee jaar en ##% na drie jaar tot ##% na vier jaar behandeling, voornamelijk door het optreden van antivirale resistentie ##,##,## Bij patiënten met een ernstige leverfibrose of cirrose is een afname van progressie van leverziekte en een lagere incidentie Het belangrijkste nadeel van lamivudine is de hoge kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie Het merendeel van patiënten met virale doorbraak heeft mutaties in het tyrosine-methionine-aspartaat-aspartaat-motief (YMDD) van het polymerase gen ## De meest frequente mutatie betreft een substitutie van methionine voor valine Lamivudineresistentie treedt op bij ##% van de patiënten na één jaar, hetgeen toeneemt tot ##% na vijf jaar behandeling ## Een ander belangrijk nadeel van lamivudine is de hoge kans op terugval na het stoppen van de behandeling De helft van de patiënten met een HBeAg-seroconversie heeft twee tot drie jaar na het stoppen van de lamivudinebehandeling wederom hoog HBV-DNA, aantoonbaar HBeAg en een verhoogd ALAT ##,## Adefovir is een nucleotideanalogon met werkzaamheid tegen wildtype en lamivudineresistent HBV Het is sinds ### in <LOCATIE> in een dosering van ## mg per dag Deze dosering wordt goed verdragen, maar met hogere doseringen bestaat er een verhoogd risico gedurende één jaar in HBeAg-seroconversie bij ##%, serum-HBVDNA onder #,# x ### kopieën/ml (### IU/ml) bij ##% en normalisatie van ALAT bij ##% van de behandelde patiënten ## Het percentage HBeAg-seroconversie neemt toe met een langere duur van behandeling tot ##% na twee jaar en ##% na drie jaar behandeling, evenals het percentage patiënten met HBV-DNA onder #,# x ### kopieën/ml (### IU/ml), hetgeen toeneemt tot ##% na twee jaar en ##% na drie Bij ##% van HBeAg-negatieve patiënten resulteert behandeling gedurende één jaar met adefovir in een serum-HBV-DNA onder #,# x behandelduur gezien bij ##% van de patiënten ## Na vijf jaar behandeling zijn deze percentages toegenomen tot ##% voor HBV-DNA van ALAT ##,## Bij ## tot ##% van de met adefovir behandelde patiënten is na vijf jaar behandeling het histologisch beeld verbeterd ten opzichte van de start van de therapie ## Meer recente onderzoeken laten echter minder gunstige resultaten zien, ##% van de patiënten die werden behandeld met adefovir had na zes maanden behandeling nog een serum-HBV-DNA boven #,# x ### kopieën/ml (#,# x ###.
| 786 | nvmdl |
terugval na het stoppen van de behandeling De helft van de patiënten met een HBeAg-seroconversie heeft twee tot drie jaar na het stoppen van de lamivudinebehandeling wederom hoog HBV-DNA, aantoonbaar HBeAg en een verhoogd ALAT ##,## Adefovir is een nucleotideanalogon met werkzaamheid tegen wildtype en lamivudineresistent HBV Het is sinds ### in <LOCATIE> in een dosering van ## mg per dag Deze dosering wordt goed verdragen, maar met hogere doseringen bestaat er een verhoogd risico gedurende één jaar in HBeAg-seroconversie bij ##%, serum-HBVDNA onder #,# x ### kopieën/ml (### IU/ml) bij ##% en normalisatie van ALAT bij ##% van de behandelde patiënten ## Het percentage HBeAg-seroconversie neemt toe met een langere duur van behandeling tot ##% na twee jaar en ##% na drie jaar behandeling, evenals het percentage patiënten met HBV-DNA onder #,# x ### kopieën/ml (### IU/ml), hetgeen toeneemt tot ##% na twee jaar en ##% na drie Bij ##% van HBeAg-negatieve patiënten resulteert behandeling gedurende één jaar met adefovir in een serum-HBV-DNA onder #,# x behandelduur gezien bij ##% van de patiënten ## Na vijf jaar behandeling zijn deze percentages toegenomen tot ##% voor HBV-DNA van ALAT ##,## Bij ## tot ##% van de met adefovir behandelde patiënten is na vijf jaar behandeling het histologisch beeld verbeterd ten opzichte van de start van de therapie ## Meer recente onderzoeken laten echter minder gunstige resultaten zien, ##% van de patiënten die werden behandeld met adefovir had na zes maanden behandeling nog een serum-HBV-DNA boven #,# x ### kopieën/ml (#,# x ### ## SerumHBV-DNA is lager dan ### kopieën/ml (## IU/ml) bij ##% van de de behandeling in vergelijking met lamivudine De belangrijkste mutaties in het polymerasegen die zijn geassocieerd met resistentie tegen adefovir, zijn een substitutie van asparagine voor threonine op positie ### en een substitutie van alanine voor valine of threonine op positie ### ##,## De gerapporteerde percentages van adefovirresistentie zijn #% na één jaar, ##% na twee jaar en ##% na vijf jaar behandeling ##,## Bij patiënten met lamivudineresistentie die met adefovirmonotherapie zijn behandeld, werd na één jaar behandeling adefovirresistentie gezien bij zes tot ##% en na twee jaar bij ## tot Entecavir is een guanineanalogon, dat sinds ### in <LOCATIE> beschikbaar is voor de behandeling van een chronische HBV-infectie Bij nucleosidenaïeve patiënten wordt entecavir gegeven in een dosis van #,# mg per dag, in het geval van lamivudineresistentie moet een dubbele dosering van # mg worden toegepast Er zijn drie grote onderzoeken verricht waarin entecavir is vergeleken met lamivudine ##,##,## behandeling met entecavir in een sterkere virusdaling dan behandeling met lamivudine ##,## op bij ##% van de patiënten Serum-HBV-DNA is lager dan ### (#,# x### IU/ml) bij ##% van de patiënten ## Het cumulatieve percentage patiënten met niet-aantoonbaar HBV-DNA toont een progressieve stijging tot ##% na drie jaar behandeling met entecavir ## ALAT-normalisatie treedt op bij ##% van de met entecavir behandelde patiënten na een behandelduur vanéén jaar, hetgeen toeneemt tot ##% na drie jaar entecavir ## Ook het percentage patiënten met HBeAg-seroconversie neemt toe met de duur van de behandeling,.
| 778 | nvmdl |
SerumHBV-DNA is lager dan ### kopieën/ml (## IU/ml) bij ##% van de de behandeling in vergelijking met lamivudine De belangrijkste mutaties in het polymerasegen die zijn geassocieerd met resistentie tegen adefovir, zijn een substitutie van asparagine voor threonine op positie ### en een substitutie van alanine voor valine of threonine op positie ### ##,## De gerapporteerde percentages van adefovirresistentie zijn #% na één jaar, ##% na twee jaar en ##% na vijf jaar behandeling ##,## Bij patiënten met lamivudineresistentie die met adefovirmonotherapie zijn behandeld, werd na één jaar behandeling adefovirresistentie gezien bij zes tot ##% en na twee jaar bij ## tot Entecavir is een guanineanalogon, dat sinds ### in <LOCATIE> beschikbaar is voor de behandeling van een chronische HBV-infectie Bij nucleosidenaïeve patiënten wordt entecavir gegeven in een dosis van #,# mg per dag, in het geval van lamivudineresistentie moet een dubbele dosering van # mg worden toegepast Er zijn drie grote onderzoeken verricht waarin entecavir is vergeleken met lamivudine ##,##,## behandeling met entecavir in een sterkere virusdaling dan behandeling met lamivudine ##,## op bij ##% van de patiënten Serum-HBV-DNA is lager dan ### (#,# x### IU/ml) bij ##% van de patiënten ## Het cumulatieve percentage patiënten met niet-aantoonbaar HBV-DNA toont een progressieve stijging tot ##% na drie jaar behandeling met entecavir ## ALAT-normalisatie treedt op bij ##% van de met entecavir behandelde patiënten na een behandelduur vanéén jaar, hetgeen toeneemt tot ##% na drie jaar entecavir ## Ook het percentage patiënten met HBeAg-seroconversie neemt toe met de duur van de behandeling, ##% ## Een vermindering van minimaal twee punten in de Knodell necroinflammatiescore werd gezien bij ##% van de patiënten na Bij lamivudineresistente chronische HBV-infectie resulteert behandeling met entecavir in een dosering van # mg per dag in een HBVDNA beneden ### kopieën/ml (## IU/ml) bij ##% van de patiënten Entecavirresistentie wordt nauwelijks gezien bij patiënten die niet eerder zijn behandeld met lamivudine en hiertegen dus geen resistentie hebben ontwikkeld Het percentage antivirale resistentie in deze groep is minder dan #% na vier jaar behandeling met enteca- vir ##-## Bij lamivudineresistente patiënten wordt een snelle stijging gezien in de incidentie van entecavirresistentie Er is dan sprake van van deze patiënten resistent tegen entecavir, dat toeneemt tot ##% na twee jaar, ##% na drie jaar en ## % na vier jaar behandeling ##,##,## groep als lamivudine Telbivudine wordt oraal gegeven in een dosering van ### mg per dag Telbivudine is sinds ### in <LOCATIE> geregistreerd voor de behandeling van chronische hepatitis-B Bij behandeling met telbivudine in een sterkere virale suppressie dan Na één jaar behandeling met telbivudine treedt HBeAg-seroconversie op bij ##% van de patiënten, dat toeneemt tot ##% na twee jaar IU/ ml) bij ##% van de patiënten na één jaar en ##% na twee jaar behandeling Van de patiënten die na twee jaar stoppen met telbivudinebehandeling nadat ze HBeAg-seroconversie hebben doorgemaakt, heeft ##% nog HBeAg-seroconversie na een gemiddelde periode van ## weken, hetgeen vergelijkbaar is met lamivudinebehandeling ##.
| 726 | nvmdl |
##% ## Een vermindering van minimaal twee punten in de Knodell necroinflammatiescore werd gezien bij ##% van de patiënten na Bij lamivudineresistente chronische HBV-infectie resulteert behandeling met entecavir in een dosering van # mg per dag in een HBVDNA beneden ### kopieën/ml (## IU/ml) bij ##% van de patiënten Entecavirresistentie wordt nauwelijks gezien bij patiënten die niet eerder zijn behandeld met lamivudine en hiertegen dus geen resistentie hebben ontwikkeld Het percentage antivirale resistentie in deze groep is minder dan #% na vier jaar behandeling met enteca- vir ##-## Bij lamivudineresistente patiënten wordt een snelle stijging gezien in de incidentie van entecavirresistentie Er is dan sprake van van deze patiënten resistent tegen entecavir, dat toeneemt tot ##% na twee jaar, ##% na drie jaar en ## % na vier jaar behandeling ##,##,## groep als lamivudine Telbivudine wordt oraal gegeven in een dosering van ### mg per dag Telbivudine is sinds ### in <LOCATIE> geregistreerd voor de behandeling van chronische hepatitis-B Bij behandeling met telbivudine in een sterkere virale suppressie dan Na één jaar behandeling met telbivudine treedt HBeAg-seroconversie op bij ##% van de patiënten, dat toeneemt tot ##% na twee jaar IU/ ml) bij ##% van de patiënten na één jaar en ##% na twee jaar behandeling Van de patiënten die na twee jaar stoppen met telbivudinebehandeling nadat ze HBeAg-seroconversie hebben doorgemaakt, heeft ##% nog HBeAg-seroconversie na een gemiddelde periode van ## weken, hetgeen vergelijkbaar is met lamivudinebehandeling ## patiënten na één jaar en ##% na twee jaar Normalisatie van ALAT ml) treedt op bij ##% van de HBeAg-negatieve patiënten na één jaar Omdat telbivudine en lamivudine tot dezelfde groep antivirale middelen behoren, bestaat er kruis-resistentie tussen deze middelen Telbivudine-resistentie treedt op bij <DATUM> van de patiënten na één jaar behandeling, dat toeneemt tot #-##% na twee jaar ##,## De kans op resistentie blijkt in sterke mate af te hangen van de mate van virale suppressie na ## weken behandeling Na twee jaar is de kans op resistentie #% voor HBeAg-postieve en #% voor HBeAg-negatieve ## weken treedt op bij ##% van de HBeAg-positieve en ##% van de Bij het maken van een keuze voor initiële behandeling van patiënten rol (tabel #) Het belangrijkste voordeel van behandeling met PEGIFN is de hogere kans op blijvende respons met een beperkte behandelduur Nadelig zijn de subcutane toediening en het frequent optreden van bijwerkingen Het belangrijkste voordeel van behandeling toediening, nadelen van deze middelen zijn de lange behandelduur en de daarmee samenhangende kans op resistentie De kosten van een jaar behandeling met nucleos(t)ideanalogen zijn lager dan die van een jaar behandeling met PEG-IFN, bij langdurige behandeling zullen deze de kosten van één jaar PEG-IFN-behandeling echter overstijgen Voor patiënten zonder contra-indicaties voor behandeling met PEG-IFN dient dit altijd te worden overwogen als initiële therapie gezien de hogere kans op blijvende respons na het staken #) ## Op lange termijn is er sprake van een overgang naar de inactieve fase bij circa ##-##% van de HBeAg-positieve en ##% van de.
| 691 | nvmdl |
ALAT ml) treedt op bij ##% van de HBeAg-negatieve patiënten na één jaar Omdat telbivudine en lamivudine tot dezelfde groep antivirale middelen behoren, bestaat er kruis-resistentie tussen deze middelen Telbivudine-resistentie treedt op bij <DATUM> van de patiënten na één jaar behandeling, dat toeneemt tot #-##% na twee jaar ##,## De kans op resistentie blijkt in sterke mate af te hangen van de mate van virale suppressie na ## weken behandeling Na twee jaar is de kans op resistentie #% voor HBeAg-postieve en #% voor HBeAg-negatieve ## weken treedt op bij ##% van de HBeAg-positieve en ##% van de Bij het maken van een keuze voor initiële behandeling van patiënten rol (tabel #) Het belangrijkste voordeel van behandeling met PEGIFN is de hogere kans op blijvende respons met een beperkte behandelduur Nadelig zijn de subcutane toediening en het frequent optreden van bijwerkingen Het belangrijkste voordeel van behandeling toediening, nadelen van deze middelen zijn de lange behandelduur en de daarmee samenhangende kans op resistentie De kosten van een jaar behandeling met nucleos(t)ideanalogen zijn lager dan die van een jaar behandeling met PEG-IFN, bij langdurige behandeling zullen deze de kosten van één jaar PEG-IFN-behandeling echter overstijgen Voor patiënten zonder contra-indicaties voor behandeling met PEG-IFN dient dit altijd te worden overwogen als initiële therapie gezien de hogere kans op blijvende respons na het staken #) ## Op lange termijn is er sprake van een overgang naar de inactieve fase bij circa ##-##% van de HBeAg-positieve en ##% van de Dit betekent dat de bereikte respons blijvend is bij circa ##% van de Na het staken van behandeling met nucleos(t)ideanalogen treedt terugval op bij ten minste ##% van HBeAg-positieve patiënten Tabel # Keuze van initiële behandeling op basis van patiënteigenschappen Bovengenoemde patiënteigenschappen kunnen helpen bij het maken van een keuze tussen de beschikbare antivirale middelen, maar geven geen strikte aanbevelingen Patiënten met een hogere kans op respons op PEG-IFN-behandeling zijn diegenen die zijn geïnfecteerd met genotype A of B, met HBV-DNA (### kopieën/ml in een gemengde groep van HBeAg-positieve en HBeAg-negatieve patiënten NB niet bekend Tabel # Respons na één jaar behandeling en antivirale resistentie na <DATUM> jaar behandeling feron is geregistreerd voor een behandelduur van één jaar bij zowel HBeAg-positieve als HBeAg-negatieve patiënten Resultaten bij een kortere behandelduur van ## tot ## weken bij HBeAg-positieve patiënten lijken overeen te komen met die van een behandelduur van één jaar;##-## de optimale duur van PEG-IFN-behandeling is niet vastgesteld Omdat het daarnaast nog niet mogelijk is respons op PEGIFN-behandeling al (vroeg) tijdens de behandeling te voorspellen, wordt PEG-IFN bij alle patiënten gegeven voor een periode van één Voor patiënten met een contra-indicatie voor behandeling met (PEG-) IFN, patiënten die niet hebben gerespondeerd op PEG-IFN of patiënten die behandeling met PEG-IFN niet tolereren, kan een keuze worden gemaakt uit de beschikbare nucleos(t)ideanalogen Dit betreft voornamelijk patiënten met een auto-immuunziekte, pre-existente psychiatrische aandoeningen of gevorderde cirrose, dat wil zeggen cirrose met daarbij tekenen van verminderde synthesefunctie van de lever of complicaties van portale hypertensie.
| 673 | nvmdl |
de bereikte respons blijvend is bij circa ##% van de Na het staken van behandeling met nucleos(t)ideanalogen treedt terugval op bij ten minste ##% van HBeAg-positieve patiënten Tabel # Keuze van initiële behandeling op basis van patiënteigenschappen Bovengenoemde patiënteigenschappen kunnen helpen bij het maken van een keuze tussen de beschikbare antivirale middelen, maar geven geen strikte aanbevelingen Patiënten met een hogere kans op respons op PEG-IFN-behandeling zijn diegenen die zijn geïnfecteerd met genotype A of B, met HBV-DNA (### kopieën/ml in een gemengde groep van HBeAg-positieve en HBeAg-negatieve patiënten NB niet bekend Tabel # Respons na één jaar behandeling en antivirale resistentie na <DATUM> jaar behandeling feron is geregistreerd voor een behandelduur van één jaar bij zowel HBeAg-positieve als HBeAg-negatieve patiënten Resultaten bij een kortere behandelduur van ## tot ## weken bij HBeAg-positieve patiënten lijken overeen te komen met die van een behandelduur van één jaar;##-## de optimale duur van PEG-IFN-behandeling is niet vastgesteld Omdat het daarnaast nog niet mogelijk is respons op PEGIFN-behandeling al (vroeg) tijdens de behandeling te voorspellen, wordt PEG-IFN bij alle patiënten gegeven voor een periode van één Voor patiënten met een contra-indicatie voor behandeling met (PEG-) IFN, patiënten die niet hebben gerespondeerd op PEG-IFN of patiënten die behandeling met PEG-IFN niet tolereren, kan een keuze worden gemaakt uit de beschikbare nucleos(t)ideanalogen Dit betreft voornamelijk patiënten met een auto-immuunziekte, pre-existente psychiatrische aandoeningen of gevorderde cirrose, dat wil zeggen cirrose met daarbij tekenen van verminderde synthesefunctie van de lever of complicaties van portale hypertensie van een nucleos(t)ideanalogon is met name de mate van virale suppressie en de kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie van belang (tabel #) Gezien de hoge kans op resistentie is lamivudine als monotherapie niet aanbevolen als initiële behandeling bij patiënten die langdurig behandeling behoeven Lamivudine kan gezien de uitgebreide ervaring bij zowel HBV als hiv wel worden overwogen bij bijvoorbeeld zwangere vrouwen met een zeer hoge virusconcentratie Van de huidige beschikbare antivirale middelen heeft entecavir het meest gunstige resistentieprofiel in vergelijking met lamivudine, adefovir en telbivudine (tabel #) ## Entecavir en telbivudine lijken de grootste antivirale potentie te hebben ##,##,## Over het bijwerkingenprofiel op lange termijn is echter van entecavir en telbivudine het minst bekend Als een patiënt reeds een lamivudineresistentie heeft hogere kans op resistentie; een combinatie van lamivudine en adefovir heeft dan de voorkeur De positie van telbivudine bij de behandeling van een chronische HBV-infectie is momenteel nog niet duidelijk De plaats van initiële behandeling met een combinatie van nucleos(t)ideanalogen is nog niet duidelijk Een combinatie van middelen zonder kruisresistentie zou antivirale resistentie mogelijk kunnen voorkomen, maar wetenschappelijk bewijs hiervoor ontbreekt patiënten ten minste te worden gecontinueerd tot HBeAg-seroconversie is opgetreden en behouden gedurende ten minste zes maanden tijdens behandeling, waarbij ook het serum-HBV-DNA lager is is niet bekend wanneer de behandeling kan worden gestaakt; wellicht is dit het geval wanneer HBsAg-seroconversie is opgetreden en HBV-DNA lager is dan ### kopieën/ml (## IU/ml) Indien behandeling met nucleos(t)ideanalogen bij HBeAg-negatieve patiënten.
| 641 | nvmdl |
van een nucleos(t)ideanalogon is met name de mate van virale suppressie en de kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie van belang (tabel #) Gezien de hoge kans op resistentie is lamivudine als monotherapie niet aanbevolen als initiële behandeling bij patiënten die langdurig behandeling behoeven Lamivudine kan gezien de uitgebreide ervaring bij zowel HBV als hiv wel worden overwogen bij bijvoorbeeld zwangere vrouwen met een zeer hoge virusconcentratie Van de huidige beschikbare antivirale middelen heeft entecavir het meest gunstige resistentieprofiel in vergelijking met lamivudine, adefovir en telbivudine (tabel #) ## Entecavir en telbivudine lijken de grootste antivirale potentie te hebben ##,##,## Over het bijwerkingenprofiel op lange termijn is echter van entecavir en telbivudine het minst bekend Als een patiënt reeds een lamivudineresistentie heeft hogere kans op resistentie; een combinatie van lamivudine en adefovir heeft dan de voorkeur De positie van telbivudine bij de behandeling van een chronische HBV-infectie is momenteel nog niet duidelijk De plaats van initiële behandeling met een combinatie van nucleos(t)ideanalogen is nog niet duidelijk Een combinatie van middelen zonder kruisresistentie zou antivirale resistentie mogelijk kunnen voorkomen, maar wetenschappelijk bewijs hiervoor ontbreekt patiënten ten minste te worden gecontinueerd tot HBeAg-seroconversie is opgetreden en behouden gedurende ten minste zes maanden tijdens behandeling, waarbij ook het serum-HBV-DNA lager is is niet bekend wanneer de behandeling kan worden gestaakt; wellicht is dit het geval wanneer HBsAg-seroconversie is opgetreden en HBV-DNA lager is dan ### kopieën/ml (## IU/ml) Indien behandeling met nucleos(t)ideanalogen bij HBeAg-negatieve patiënten blijvende respons na het staken van de behandeling in vergelijking Voor patiënten bij wie langdurige antivirale behandeling is te verwachten, heeft lamivudine niet de voorkeur gezien de hoge kans op Van de momenteel beschikbare nucleos(t)ideanalogen heeft entecavir de laagste kans op resistentie (in vergelijking met lamivudine, De aanbevolen behandelduur voor PEG-IFN is één jaar, bij zowel patiënten te worden gecontinueerd tot HBeAg-seroconversie (verlies van HBeAg en ontwikkelen van anti-HBe) gedurende ten minste zes maanden is behouden en het serum-HBV-DNA lager Bij HBeAg-negatieve patiënten is niet bekend wanneer behandeling met nucleos(t)ideanalogen kan worden gestaakt; wel is bekend te worden vervolgd; additionele controle twee weken na het starten bijwerkingen als veranderingen in de gemoedstoestand, neutropenie en trombocytopenie vereisen maandelijkse controle en bepaling van de bloedcelfracties Zo nodig dient aanpassing van de PEGIFN-dosering plaats te vinden of de behandeling dient te worden De dosering van PEG-IFN dient te worden verminderd in het geval het aantal neutrofiele granulocyten lager is dan #,## x ###/l of bij trombocyten beneden ## x ###/l De dosering van PEG-IFN kan worden verminderd in stappen van ##% van de oorspronkelijk dosering totdat de celfracties voldoende zijn gestegen Voortijdig stoppen van de behandeling met PEG-IFN is geïndiceerd bij neutrofiele granulocyten (#,## x ###/l of trombocyten (## x ###/l Dosisreductie of voortijdig beëindigen van de behandeling kan tevens zijn geïndiceerd in het geval van ernstige bijwerkingen op bijvoorbeeld neuropsychologisch gebied of bij ernstige griepachtige verschijnselen Tabel # geeft de aanbevolen laboratoriumdiagnostiek tijdens behandeling met PEG-IFN of nucleos(t)ide-analogen weer De aanbevolen.
| 627 | nvmdl |
van de behandeling in vergelijking Voor patiënten bij wie langdurige antivirale behandeling is te verwachten, heeft lamivudine niet de voorkeur gezien de hoge kans op Van de momenteel beschikbare nucleos(t)ideanalogen heeft entecavir de laagste kans op resistentie (in vergelijking met lamivudine, De aanbevolen behandelduur voor PEG-IFN is één jaar, bij zowel patiënten te worden gecontinueerd tot HBeAg-seroconversie (verlies van HBeAg en ontwikkelen van anti-HBe) gedurende ten minste zes maanden is behouden en het serum-HBV-DNA lager Bij HBeAg-negatieve patiënten is niet bekend wanneer behandeling met nucleos(t)ideanalogen kan worden gestaakt; wel is bekend te worden vervolgd; additionele controle twee weken na het starten bijwerkingen als veranderingen in de gemoedstoestand, neutropenie en trombocytopenie vereisen maandelijkse controle en bepaling van de bloedcelfracties Zo nodig dient aanpassing van de PEGIFN-dosering plaats te vinden of de behandeling dient te worden De dosering van PEG-IFN dient te worden verminderd in het geval het aantal neutrofiele granulocyten lager is dan #,## x ###/l of bij trombocyten beneden ## x ###/l De dosering van PEG-IFN kan worden verminderd in stappen van ##% van de oorspronkelijk dosering totdat de celfracties voldoende zijn gestegen Voortijdig stoppen van de behandeling met PEG-IFN is geïndiceerd bij neutrofiele granulocyten (#,## x ###/l of trombocyten (## x ###/l Dosisreductie of voortijdig beëindigen van de behandeling kan tevens zijn geïndiceerd in het geval van ernstige bijwerkingen op bijvoorbeeld neuropsychologisch gebied of bij ernstige griepachtige verschijnselen Tabel # geeft de aanbevolen laboratoriumdiagnostiek tijdens behandeling met PEG-IFN of nucleos(t)ide-analogen weer De aanbevolen Het vervolgen van ALAT geeft informatie over het beloop van de mate van kwantitatieve serum-HBV-DNA-bepaling en HBV-serologie te worden verricht om het effect van antivirale therapie te kunnen evalueren De aanbevolen vervolgfrequentie tijdens behandeling met eventuele antivirale resistentie tijdig te detecteren Verder is controle van de nierfunctie geïndiceerd, indien deze sterk is verminderd (creatinineklaring (## ml/min) dient de dosering dan wel de frequentie van toediening van nucleos(t)ideanalogen te worden aangepast (tabel #) Hoewel behandeling met nucleos(t)ideanalogen in het algemeen uitstekend wordt verdragen, kunnen in uitzonderlijke gevallen ernstige bijwerkingen als lactaatacidose optreden ## Bepaling van HBsAg en anti-HBs is tijdens behandeling alleen aanbevolen na HBeAg-seroconversie of bij herhaaldelijk HBV-DNA (### kopieën/ml of (## IU/ml Tabel # Aanbevelingen voor minimaal te verrichten laboratoriumdiagnostiek tijdens behandeling met peginterferon (PEG-IFN) of Tabel # Aanbevelingen voor dosisreductie tijdens behandeling met nucleos(t)ideanalogen in het geval van verminderde nierfunctie Er zijn geen doseringsaanbevelingen beschikbaar voor adefovir behandeling bij patiënten met een creatinineklaring (## ml/min sprake wanneer het serum-HBV-DNA# na zes maanden behandeling minder dan een factor ### is gedaald (#log## kopieën/ml of Dit kan worden veroorzaakt door antivirale resistentie, maar ook door therapieontrouw of verstoorde opname of metabole af braak van het medicijn ## Bij nucleoside-analogen met een hoog risico op anti-virale resistentie blijkt de kans op resistentie gering te zijn indien de HBV-DNA-concentratie lager is dan ### kopieën/ml na ## weken behandeling Toevoeging van adefovir of omzetting naar entecavir is daarom aan te bevelen indien de virusconcentratie na ## (## IU/ml).
| 654 | nvmdl |
informatie over het beloop van de mate van kwantitatieve serum-HBV-DNA-bepaling en HBV-serologie te worden verricht om het effect van antivirale therapie te kunnen evalueren De aanbevolen vervolgfrequentie tijdens behandeling met eventuele antivirale resistentie tijdig te detecteren Verder is controle van de nierfunctie geïndiceerd, indien deze sterk is verminderd (creatinineklaring (## ml/min) dient de dosering dan wel de frequentie van toediening van nucleos(t)ideanalogen te worden aangepast (tabel #) Hoewel behandeling met nucleos(t)ideanalogen in het algemeen uitstekend wordt verdragen, kunnen in uitzonderlijke gevallen ernstige bijwerkingen als lactaatacidose optreden ## Bepaling van HBsAg en anti-HBs is tijdens behandeling alleen aanbevolen na HBeAg-seroconversie of bij herhaaldelijk HBV-DNA (### kopieën/ml of (## IU/ml Tabel # Aanbevelingen voor minimaal te verrichten laboratoriumdiagnostiek tijdens behandeling met peginterferon (PEG-IFN) of Tabel # Aanbevelingen voor dosisreductie tijdens behandeling met nucleos(t)ideanalogen in het geval van verminderde nierfunctie Er zijn geen doseringsaanbevelingen beschikbaar voor adefovir behandeling bij patiënten met een creatinineklaring (## ml/min sprake wanneer het serum-HBV-DNA# na zes maanden behandeling minder dan een factor ### is gedaald (#log## kopieën/ml of Dit kan worden veroorzaakt door antivirale resistentie, maar ook door therapieontrouw of verstoorde opname of metabole af braak van het medicijn ## Bij nucleoside-analogen met een hoog risico op anti-virale resistentie blijkt de kans op resistentie gering te zijn indien de HBV-DNA-concentratie lager is dan ### kopieën/ml na ## weken behandeling Toevoeging van adefovir of omzetting naar entecavir is daarom aan te bevelen indien de virusconcentratie na ## (## IU/ml) kans op antivirale resistentie gering in het eerste jaar, maar gezien de toenemende kans op resistentie bij langdurige behandeling dient het toevoegen van telbivudine of entecavir, of omzetten naar entecavir overwogen te worden indien de HBV-DNA-concentratie na ## Verder moet men bedacht zijn op de selectie van een resistente virusstam indien een stijging van het serum-HBV-DNA optreedt sprake te zijn van serum-HBV-DNA dat ten minste ## maal hoger is Indien een dergelijke stijging wordt waargenomen bij een therapietrouwe patiënt is mutatieanalyse van het HBV-polymerasegen geïndiceerd Een stijging van de HBV-DNA-concentratie is meestal het eerste teken van antivirale resistentie en wordt pas later gevolgd door toename van ontstekingsactiviteit (ALAT-stijging) of het ontstaan van symptomen ## In het geval van antivirale resistentie is het aanbevolen direct de behandeling te wijzigen aangezien interventie op het moment van virale doorbraak effectiever is dan op het moment van toegenomen ontstekingsactiviteit ## Het toevoegen van een tweede middel lijkt de voorkeur te genieten boven een omzetting naar een ander nucleos(t)ideanalogon aangezien dit de kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie tegen het tweede middel significant vermindert ## Het toevoegen van een tweede replicatieremmer leidt echter niet tot betere virale suppressie of een verbetering van uitkomstmaten in vergelijking met monotherapie met een ander middel ## In geval van lamivudineresistentie heeft toevoegen van adefovir aan de lamivudinebehandeling de voorkeur boven een om- zetting naar monotherapie met entecavir gezien de lagere kans op het opnieuw ontwikkelen van antivirale resistentie Indien toch wordt besloten om behandeling met entecavir te starten, dient de behandeling met lamivudine te worden gestaakt In het geval van.
| 626 | nvmdl |
maar gezien de toenemende kans op resistentie bij langdurige behandeling dient het toevoegen van telbivudine of entecavir, of omzetten naar entecavir overwogen te worden indien de HBV-DNA-concentratie na ## Verder moet men bedacht zijn op de selectie van een resistente virusstam indien een stijging van het serum-HBV-DNA optreedt sprake te zijn van serum-HBV-DNA dat ten minste ## maal hoger is Indien een dergelijke stijging wordt waargenomen bij een therapietrouwe patiënt is mutatieanalyse van het HBV-polymerasegen geïndiceerd Een stijging van de HBV-DNA-concentratie is meestal het eerste teken van antivirale resistentie en wordt pas later gevolgd door toename van ontstekingsactiviteit (ALAT-stijging) of het ontstaan van symptomen ## In het geval van antivirale resistentie is het aanbevolen direct de behandeling te wijzigen aangezien interventie op het moment van virale doorbraak effectiever is dan op het moment van toegenomen ontstekingsactiviteit ## Het toevoegen van een tweede middel lijkt de voorkeur te genieten boven een omzetting naar een ander nucleos(t)ideanalogon aangezien dit de kans op het ontwikkelen van antivirale resistentie tegen het tweede middel significant vermindert ## Het toevoegen van een tweede replicatieremmer leidt echter niet tot betere virale suppressie of een verbetering van uitkomstmaten in vergelijking met monotherapie met een ander middel ## In geval van lamivudineresistentie heeft toevoegen van adefovir aan de lamivudinebehandeling de voorkeur boven een om- zetting naar monotherapie met entecavir gezien de lagere kans op het opnieuw ontwikkelen van antivirale resistentie Indien toch wordt besloten om behandeling met entecavir te starten, dient de behandeling met lamivudine te worden gestaakt In het geval van Bij resistentie tegen andere of multipele nucleos(t)ideanalogen is overleg met een expertisecentrum op het gebied van In het geval het serum-HBV-DNA na ## weken behandeling met telbivudine hoger is dan ### kopieën/ml (## IU/ml) is het aanbevolen de antivirale behandeling aan te passen gezien de hoge In het geval het serum-HBV-DNA na ## maanden behandeling met adefovir hoger is dan ### kopieën/ml dient aanpassing van antivirale behandeling overwogen te worden gezien het risico op antivirale resistentie Gecontroleerde studies die de gegeven behandelopties steunen zijn niet altijd beschikbaar Tussen haakjes zijn additionele behandelopties weergegeven, die niet de eerste keuze hebben In het geval er tijdens behandeling met nucleos(t)ideanalogen een stijging van meer dan #log## kopieën/ml (IU/ml) van het serumHBV-DNA wordt waargenomen is bevestiging van de waarneming hoge kans dat een dergelijke stijging bij therapietrouwe patiënten In het geval van antivirale resistentie dient de antivirale medicatie voorkeur te hebben boven een omzetting naar een ander middel Bij met PEG-IFN behandelde patiënten dienen drie tot zes maanden na het beëindigen van de behandeling bepalingen van het HBVDNA en HBV-serologie te worden herhaald om te beoordelen of de behandeling in een blijvende respons heeft geresulteerd Hetzelfde is gestaakt, hoewel meer frequente controle kort na het stoppen ook kan worden overwogen gezien de hogere kans op terugval na het Indien bij HBeAg-negatieve patiënten gedurende een periode van ten minste één jaar het HBV-DNA persisterend beneden #,# x ###.
| 582 | nvmdl |
Bij resistentie tegen andere of multipele nucleos(t)ideanalogen is overleg met een expertisecentrum op het gebied van In het geval het serum-HBV-DNA na ## weken behandeling met telbivudine hoger is dan ### kopieën/ml (## IU/ml) is het aanbevolen de antivirale behandeling aan te passen gezien de hoge In het geval het serum-HBV-DNA na ## maanden behandeling met adefovir hoger is dan ### kopieën/ml dient aanpassing van antivirale behandeling overwogen te worden gezien het risico op antivirale resistentie Gecontroleerde studies die de gegeven behandelopties steunen zijn niet altijd beschikbaar Tussen haakjes zijn additionele behandelopties weergegeven, die niet de eerste keuze hebben In het geval er tijdens behandeling met nucleos(t)ideanalogen een stijging van meer dan #log## kopieën/ml (IU/ml) van het serumHBV-DNA wordt waargenomen is bevestiging van de waarneming hoge kans dat een dergelijke stijging bij therapietrouwe patiënten In het geval van antivirale resistentie dient de antivirale medicatie voorkeur te hebben boven een omzetting naar een ander middel Bij met PEG-IFN behandelde patiënten dienen drie tot zes maanden na het beëindigen van de behandeling bepalingen van het HBVDNA en HBV-serologie te worden herhaald om te beoordelen of de behandeling in een blijvende respons heeft geresulteerd Hetzelfde is gestaakt, hoewel meer frequente controle kort na het stoppen ook kan worden overwogen gezien de hogere kans op terugval na het Indien bij HBeAg-negatieve patiënten gedurende een periode van ten minste één jaar het HBV-DNA persisterend beneden #,# x ### volstaat jaarlijkse controle van ALAT gedurende drie jaar De controles zouden dan ook in de eerste lijn kunnen worden verricht, ook âVirushepatitis en andere leveraandoeningenâ deze vervolgfrequentie Indien ALAT wederom stijgt, dient opnieuw specialistische evaluatie plaats te vinden Bij patiënten die HBsAg verliezen en bij wie anti-HBs aantoonbaar is met een titer van meer dan ## IU/l is vervolgcontrole alleen geïndiceerd in het geval van immuunsuppressie Dit stroomdiagram toont het aanbevolen beleid bij patiënten met chronische hepatitis B af hankelijk van <PERSOON> programme for control of hepatitis B infection Vaccine ###;##(Suppl #) S#<DATUM> <PERSOON> WM Hepatitis B virus infection <PERSOON> J Med ###;###(##) ###-## De <PERSOON> D, <PERSOON> N, et al EASL International Consensus Conference on Hepatitis B ##-## September, ### <PERSOON> G, et al Asian-Pacific consensus statement on the management of chronic hepatitis B a ### update <PERSOON> SN, <PERSOON> AS Treatment of hepatitis B who, when, and how? <PERSOON> MH Natural history of hepatitis B virus infection in children <PERSOON-##> A, et al Natural history and prognostic factors for chronic hepatitis type <PERSOON-##> history of liver fibrosis progression in patients with chronic hepatitis C.
| 590 | nvmdl |
lijn kunnen worden verricht, ook âVirushepatitis en andere leveraandoeningenâ deze vervolgfrequentie Indien ALAT wederom stijgt, dient opnieuw specialistische evaluatie plaats te vinden Bij patiënten die HBsAg verliezen en bij wie anti-HBs aantoonbaar is met een titer van meer dan ## IU/l is vervolgcontrole alleen geïndiceerd in het geval van immuunsuppressie Dit stroomdiagram toont het aanbevolen beleid bij patiënten met chronische hepatitis B af hankelijk van <PERSOON> programme for control of hepatitis B infection Vaccine ###;##(Suppl #) S#<DATUM> <PERSOON> WM Hepatitis B virus infection <PERSOON> J Med ###;###(##) ###-## De <PERSOON> D, <PERSOON> N, et al EASL International Consensus Conference on Hepatitis B ##-## September, ### <PERSOON> G, et al Asian-Pacific consensus statement on the management of chronic hepatitis B a ### update <PERSOON> SN, <PERSOON> AS Treatment of hepatitis B who, when, and how? <PERSOON> MH Natural history of hepatitis B virus infection in children <PERSOON-##> A, et al Natural history and prognostic factors for chronic hepatitis type <PERSOON-##> history of liver fibrosis progression in patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> JF, <PERSOON-##> V, <PERSOON-##> P, et al Slow progression rate of fibrosis in hepatitis C virus patients with persistently normal alanine transaminase activity Iloeje UH, <PERSOON-##> HI, <PERSOON-##> J, Jen CL, You SL, <PERSOON-##> CJ Predicting cirrhosis risk based on the level of <PERSOON-##> J, et al Survival and prognostic factors in ### patients with compensated cirrhosis type B a multicenter study <PERSOON-##> Investigators of the European Concerted Action on Viral Hepatitis (EUROHEP) <PERSOON-##> P, et al Occurrence of hepatocellular carcinoma and decompensation in western European patients with cir- rhosis type <PERSOON-##> on <PERSOON-##> and Cirrhosis Hepatology Jongh FE de, <PERSOON-##> HL, <PERSOON-##> RA de, <PERSOON-##> and prognostic indicators in hepatitis B surface antigen-positive cirrhosis of the liver <PERSOON-##> I, <PERSOON-##> carcinoma in cirrhosis incidence and <PERSOON-##> HI, Lu SN, Liaw YF, You SL, Sun CA, <PERSOON-##> LY, et al Hepatitis B e antigen and the risk of he- Iloeje UH, <PERSOON-##> HI, <PERSOON-##> J, Jen CL, Kuo E, You SL, et al Viral load is a strong predictor of hepatocel- lular carcinoma risk in people chronically infected with hepatitis B virus and with normal serum.
| 615 | nvmdl |
<PERSOON> JF, <PERSOON> V, <PERSOON> P, et al Slow progression rate of fibrosis in hepatitis C virus patients with persistently normal alanine transaminase activity Iloeje UH, <PERSOON> HI, <PERSOON> J, Jen CL, You SL, <PERSOON> CJ Predicting cirrhosis risk based on the level of <PERSOON> J, et al Survival and prognostic factors in ### patients with compensated cirrhosis type B a multicenter study <PERSOON> Investigators of the European Concerted Action on Viral Hepatitis (EUROHEP) <PERSOON> P, et al Occurrence of hepatocellular carcinoma and decompensation in western European patients with cir- rhosis type <PERSOON-##> on <PERSOON-##> and Cirrhosis Hepatology Jongh FE de, <PERSOON-##> HL, <PERSOON-##> RA de, <PERSOON-##> and prognostic indicators in hepatitis B surface antigen-positive cirrhosis of the liver <PERSOON-##> I, <PERSOON-##> carcinoma in cirrhosis incidence and <PERSOON> HI, Lu SN, Liaw YF, You SL, Sun CA, <PERSOON> LY, et al Hepatitis B e antigen and the risk of he- Iloeje UH, <PERSOON> HI, <PERSOON> J, Jen CL, Kuo E, You SL, et al Viral load is a strong predictor of hepatocel- lular carcinoma risk in people chronically infected with hepatitis B virus and with normal serum Risk of hepatocellular carcinoma across a biological gradient of serum hepatitis B virus DNA level <PERSOON-##> T, et al Epidemiology of chronic hepatitis B infection in France risk factors for significant fibrosis-results of a nationwide survey <PERSOON-##> N, <PERSOON-##> KW, Lu L, et al Natural history and disease progression in Chinese chronic hepatitis B patients in immune-tolerant phase Hepatology ###;##(#) ### Trevisani F, De <PERSOON-##> M, et al Semiannual and annual surveillance of cirrhotic patients for hepatocellular carcinoma effects on cancer stage and <PERSOON-##> J, <PERSOON-##> of hepatocellular carcinoma <PERSOON-##> BH, <PERSOON-##> ZY Randomized controlled trial of screening for hepatocellular carcinoma <PERSOON-##> CM, Liaw YF Increased incidence of fulminant hepatic failure in previously unrecognized HBsAg carriers with acute hepatitis independent of etiology <PERSOON-##> EB Review article hepatitis vaccination in patients with chronic liver disease Aliment Pharmacol Ther ###;##(#) ###-## McMahon BJ Epidemiology and natural history of hepatitis <PERSOON-##> SJ Significance of hepatitis B viremia levels determined by a quantitative polymerase chain reaction.
| 574 | nvmdl |
a biological gradient of serum hepatitis B virus DNA level <PERSOON> T, et al Epidemiology of chronic hepatitis B infection in France risk factors for significant fibrosis-results of a nationwide survey <PERSOON> N, <PERSOON> KW, Lu L, et al Natural history and disease progression in Chinese chronic hepatitis B patients in immune-tolerant phase Hepatology ###;##(#) ### Trevisani F, De <PERSOON> M, et al Semiannual and annual surveillance of cirrhotic patients for hepatocellular carcinoma effects on cancer stage and <PERSOON> J, <PERSOON> of hepatocellular carcinoma <PERSOON> BH, <PERSOON> ZY Randomized controlled trial of screening for hepatocellular carcinoma <PERSOON> CM, Liaw YF Increased incidence of fulminant hepatic failure in previously unrecognized HBsAg carriers with acute hepatitis independent of etiology <PERSOON-##> EB Review article hepatitis vaccination in patients with chronic liver disease Aliment Pharmacol Ther ###;##(#) ###-## McMahon BJ Epidemiology and natural history of hepatitis <PERSOON-##> SJ Significance of hepatitis B viremia levels determined by a quantitative polymerase chain reaction <PERSOON-##> J, et al Determinants of early mortality in patients with decompensated chronic hepatitis B treated with antiviral therapy <PERSOON-##> M, et al Lamivudine treatment for decompensated cirrhosis resulting from chronic hepatitis <PERSOON-##> PM, Mazel JA, <PERSOON-##> LJ, et al Ten-year neonatal hepatitis B vaccination program, <PERSOON-##> Netherlands, ###-### protective efficacy and long-term <PERSOON-##> AB van, Niesters HG, <PERSOON-##> RA de, <PERSOON-##> HL Lamivudine treatment during pregnancy to prevent perinatal transmission of hepatitis B virus infection <PERSOON-##> WM, Cui YT, <PERSOON-##> ZQ, <PERSOON-##> S, et al Efficacy and safety of lamivudine in late pregnancy for the prevention of mother-child transmission of hepatitis B a multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled study <PERSOON-##> EB, Dieterich DT, <PERSOON-##> SH, Jacobson IM, <PERSOON-##> ER, et al A treatment algorithm for the management of chronic hepatitis B virus infection in the United States an update Clin Gastroenterol Hepatol ###;#(#) ###-## Kohrt HE, Ouyang DL, Keeffe EB Systematic review lamivudine prophylaxis for chemotherapyinduced reactivation of chronic hepatitis B virus infection <PERSOON-##>-alpha-#a.
| 555 | nvmdl |
## <PERSOON> J, et al Determinants of early mortality in patients with decompensated chronic hepatitis B treated with antiviral therapy <PERSOON> M, et al Lamivudine treatment for decompensated cirrhosis resulting from chronic hepatitis <PERSOON> PM, Mazel JA, <PERSOON> LJ, et al Ten-year neonatal hepatitis B vaccination program, <PERSOON> Netherlands, ###-### protective efficacy and long-term <PERSOON> AB van, Niesters HG, <PERSOON> RA de, <PERSOON> HL Lamivudine treatment during pregnancy to prevent perinatal transmission of hepatitis B virus infection <PERSOON> WM, Cui YT, <PERSOON-##> ZQ, <PERSOON-##> S, et al Efficacy and safety of lamivudine in late pregnancy for the prevention of mother-child transmission of hepatitis B a multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled study <PERSOON-##> EB, Dieterich DT, <PERSOON> SH, Jacobson IM, <PERSOON-##> ER, et al A treatment algorithm for the management of chronic hepatitis B virus infection in the United States an update Clin Gastroenterol Hepatol ###;#(#) ###-## Kohrt HE, Ouyang DL, Keeffe EB Systematic review lamivudine prophylaxis for chemotherapyinduced reactivation of chronic hepatitis B virus infection <PERSOON-##>-alpha-#a <PERSOON-##> BE, Niesters HG, <PERSOON-##> SD, <PERSOON> RA de, et al Long-term follow-up of alpha-interferon treatment of patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> G, et al Peginterferon Alfa-#a, lamivudine, and the combination for HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> J Med Cooksley WG, Piratvisuth T, <PERSOON-##> YC, Tanwandee T, et al Peginterferon alpha#a (## kDa) an advance in the treatment of hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> US, Cakaloglu Y, et al Pegylated interferon alfa-#b alone or in combination with lamivudine for HBeAg-positive chronic hepatitis B a <PERSOON-##> NW, <PERSOON-##> VW, Liew CT, Chim AM, et al A randomized, controlled trial of combination therapy for chronic hepatitis B comparing pegylated interferon-alpha#b and lamivudine with lamivudine alone <PERSOON-##> HL, <PERSOON-##> ML, Sung JJ Long-term follow-up of peginterferon and lamivudine combination treatment in HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> G, et al Durability of response and occurrence of late response to peginterferon alpha-#a (##KD) one year post-treatment in patients with HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> #) S## ##.
| 576 | nvmdl |
<PERSOON> BE, Niesters HG, <PERSOON> SD, <PERSOON> RA de, et al Long-term follow-up of alpha-interferon treatment of patients with chronic hepatitis <PERSOON> G, et al Peginterferon Alfa-#a, lamivudine, and the combination for HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON> J Med Cooksley WG, Piratvisuth T, <PERSOON> YC, Tanwandee T, et al Peginterferon alpha#a (## kDa) an advance in the treatment of hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis <PERSOON> US, Cakaloglu Y, et al Pegylated interferon alfa-#b alone or in combination with lamivudine for HBeAg-positive chronic hepatitis B a <PERSOON> NW, <PERSOON> VW, Liew CT, Chim AM, et al A randomized, controlled trial of combination therapy for chronic hepatitis B comparing pegylated interferon-alpha#b and lamivudine with lamivudine alone <PERSOON-##> HL, <PERSOON-##> ML, Sung JJ Long-term follow-up of peginterferon and lamivudine combination treatment in HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> G, et al Durability of response and occurrence of late response to peginterferon alpha-#a (##KD) one year post-treatment in patients with HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> B and younger patient age associated with better response to low-dose therapy a trial with pegylated/nonpegylated interferon-alpha-#b for hepatitis B e antigen-positive patients with chronic hepatitis B in <PERSOON-##> BE, <PERSOON> RA de, <PERSOON-##> HL Treatment with peginterferon alpha-#b for HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> loss is associated with <PERSOON-##> S, <PERSOON-##> R, et al Peginterferon alfa-#a alone, lamivudine alone, and the two in combination in patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> US, et al <PERSOON-##> safety of pegylated interferon alpha-#b in the treatment of chronic hepatitis B predictive factors for dose reduction and treatment discontinuation <PERSOON-##> HL, <PERSOON-##> SW Seizures associated with low-dose alpha-interferon ## <PERSOON-##> hepatic decompensation associated with interferon alfa European concerted action on viral hepatitis (Eurohep) BMJ ###;###(###) #<DATUM> Pugh RN, Murray-<PERSOON-##> of the oesophagus for <PERSOON-##> T, et al <PERSOON-##> majority of patients di Bisceglie A, <PERSOON-##> CL, Gane E, <PERSOON-##> YC, Thongsawat S, <PERSOON-##> Y, et al Telbivudine GLOBE trial Maximal early HBV suppression is predictive of optimal two-year efficacy in nucleoside-treated.
| 576 | nvmdl |
therapy a trial with pegylated/nonpegylated interferon-alpha-#b for hepatitis B e antigen-positive patients with chronic hepatitis B in <PERSOON> BE, <PERSOON> RA de, <PERSOON> HL Treatment with peginterferon alpha-#b for HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON> loss is associated with <PERSOON> S, <PERSOON> R, et al Peginterferon alfa-#a alone, lamivudine alone, and the two in combination in patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON> US, et al <PERSOON> safety of pegylated interferon alpha-#b in the treatment of chronic hepatitis B predictive factors for dose reduction and treatment discontinuation <PERSOON> HL, <PERSOON-##> SW Seizures associated with low-dose alpha-interferon ## <PERSOON-##> hepatic decompensation associated with interferon alfa European concerted action on viral hepatitis (Eurohep) BMJ ###;###(###) #<DATUM> Pugh RN, Murray-<PERSOON-##> of the oesophagus for <PERSOON-##> T, et al <PERSOON> majority of patients di Bisceglie A, <PERSOON-##> CL, Gane E, <PERSOON-##> YC, Thongsawat S, <PERSOON-##> Y, et al Telbivudine GLOBE trial Maximal early HBV suppression is predictive of optimal two-year efficacy in nucleoside-treated Lamivudine as initial treatment for chronic hepatitis B in the <PERSOON-##> J Med ###;###(##) ###-## <PERSOON-##> TT, Guan R, Tai DI, et al A one-year trial of lamivudine for chronic hepatitis <PERSOON-##> KY, et al Effects of extended lamivudine therapy in Asian patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> G, <PERSOON-##> B, et al Lamivudine and alpha interferon combination treatment of patients with chronic hepatitis B infection a randomised trial Schiff ER, <PERSOON-##> IS, Perrillo RP, Husa P, et al Lamivudine and ## weeks of lamivudine/ interferon combination therapy for hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> NW, <PERSOON-##> TT, Guan R, <PERSOON-##> KY, et al Extended lamivudine treatment in patients with chronic hepatitis B enhances hepatitis B e antigen seroconversion rates results after <PERSOON-##> TT, <PERSOON-##> SG, <PERSOON-##> CM, et al Four years of lamivudine treatment in ## <PERSOON-##> YC, et al A comparison of entecavir and lamivudine for HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> J Med ##<DATUM> ###(##) ###-##.
| 581 | nvmdl |
for chronic hepatitis B in the <PERSOON> J Med ###;###(##) ###-## <PERSOON> TT, Guan R, Tai DI, et al A one-year trial of lamivudine for chronic hepatitis <PERSOON> KY, et al Effects of extended lamivudine therapy in Asian patients with chronic hepatitis <PERSOON> G, <PERSOON> B, et al Lamivudine and alpha interferon combination treatment of patients with chronic hepatitis B infection a randomised trial Schiff ER, <PERSOON> IS, Perrillo RP, Husa P, et al Lamivudine and ## weeks of lamivudine/ interferon combination therapy for hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis <PERSOON> NW, <PERSOON> TT, Guan R, <PERSOON> KY, et al Extended lamivudine treatment in patients with chronic hepatitis B enhances hepatitis B e antigen seroconversion rates results after <PERSOON-##> TT, <PERSOON-##> SG, <PERSOON-##> CM, et al Four years of lamivudine treatment in ## <PERSOON-##> YC, et al A comparison of entecavir and lamivudine for HBeAg-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> J Med ##<DATUM> ###(##) ##<DATUM> Efficacy of long-term lamivudine monotherapy in patients with hepatitis B e antigen-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> G Long-term followup of patients with anti-HBe/HBV DNA-positive chronic hepatitis B treated for ## months with <PERSOON-##> M, <PERSOON-##> F, et al Two years of lamivudine therapy in anti-HBe-positive patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> ## <PERSOON-##> ML, Olivero A, et al Four years of treatment with lamivudine clinical and virological evaluations in HBe antigen-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> WC, Farrell G, <PERSOON-##> CZ, <PERSOON-##> H, et al Lamivudine for patients with chronic hepatitis B and advanced liver disease <PERSOON-##> KP, Bain VG, Kneteman NM, Tyrrell DL Mutation in HBV RNA-dependent DNA polymerase confers resistance to lamivudine in vivo Hepatology ###;##(#) #<DATUM> <PERSOON-##> AS, <PERSOON-##> N, Yao GB, Cui ZY, Schiff ER, et al Long-term safety of lamivudine treatment ## Song <PERSOON-##> DJ, <PERSOON-##> HC, <PERSOON-##> YH, <PERSOON-##> YS Hepatitis B e antigen seroconversion after lamivudine therapy is not durable in patients with chronic hepatitis B in Korea Hepatology ###; ## Nunen AB van, <PERSOON-##> H, et al.
| 593 | nvmdl |
patients with hepatitis B e antigen-negative chronic hepatitis <PERSOON> G Long-term followup of patients with anti-HBe/HBV DNA-positive chronic hepatitis B treated for ## months with <PERSOON> M, <PERSOON> F, et al Two years of lamivudine therapy in anti-HBe-positive patients with chronic hepatitis <PERSOON> ## <PERSOON> ML, Olivero A, et al Four years of treatment with lamivudine clinical and virological evaluations in HBe antigen-negative chronic hepatitis <PERSOON> WC, Farrell G, <PERSOON> CZ, <PERSOON> H, et al Lamivudine for patients with chronic hepatitis B and advanced liver disease <PERSOON> KP, Bain VG, Kneteman NM, Tyrrell DL Mutation in HBV RNA-dependent DNA polymerase confers resistance to lamivudine in vivo Hepatology ###;##(#) #<DATUM> <PERSOON-##> AS, <PERSOON-##> N, Yao GB, Cui ZY, Schiff ER, et al Long-term safety of lamivudine treatment ## Song <PERSOON-##> DJ, <PERSOON> HC, <PERSOON-##> YH, <PERSOON> YS Hepatitis B e antigen seroconversion after lamivudine therapy is not durable in patients with chronic hepatitis B in Korea Hepatology ###; ## Nunen AB van, <PERSOON-##> H, et al seroconversion following antiviral therapy for chronic hepatitis B relation to type of therapy and pretreatment serum hepatitis B virus DNA and alanine aminotransferase <PERSOON-##> ML, et al Adefovir dipivoxil for the treatment of hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis <PERSOON-##> S Long term efficacy and safety of adefovir dipivoxil (ADV) ##mg in HBeAg+ chronic hepatitis B patients increasing serologic, virologic <PERSOON-##> M, et al Adefovir dipivoxil for the treatment of hepatitis B e antigen-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> M, et al Long-term adefovir dipivoxil treatment induces regression of liver fibrosis in patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> after # years of therapy <PERSOON-##> M, et al Long-term therapy with adefovir dipivoxil for HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> K, et al Virologic response and resistance to adefovir in patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> ###;##(#) <PERSOON-##> SW, <PERSOON-##> KM, <PERSOON> HC, et al.
| 517 | nvmdl |
seroconversion following antiviral therapy for chronic hepatitis B relation to type of therapy and pretreatment serum hepatitis B virus DNA and alanine aminotransferase <PERSOON> ML, et al Adefovir dipivoxil for the treatment of hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis <PERSOON> S Long term efficacy and safety of adefovir dipivoxil (ADV) ##mg in HBeAg+ chronic hepatitis B patients increasing serologic, virologic <PERSOON> M, et al Adefovir dipivoxil for the treatment of hepatitis B e antigen-negative chronic hepatitis <PERSOON> M, et al Long-term adefovir dipivoxil treatment induces regression of liver fibrosis in patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON> after # years of therapy <PERSOON> M, et al Long-term therapy with adefovir dipivoxil for HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON> K, et al Virologic response and resistance to adefovir in patients with chronic hepatitis <PERSOON> ###;##(#) <PERSOON> SW, <PERSOON-##> KM, <PERSOON-##> HC, et al patients with lamivudine-resistant chronic hepatitis B after ## weeks of adefovir dipivoxil monotherapy <PERSOON-##> V, <PERSOON-##> P, et al Molecular modelling of hepatitis B virus polymerase and adefovir resistance identifies three clusters of mutations <PERSOON-##> CH, <PERSOON-##> JH, <PERSOON-##> CM, <PERSOON-##> TH, <PERSOON-##> JC, et al Virological response and incidence of adefovir resistance in lamivudine-resistant patients treated with adefovir dipivoxil Antivir Ther Yeon JE, Yoo W, <PERSOON-##> YJ, <PERSOON-##> SK, <PERSOON-##> JH, et al Resistance to adefovir dipivoxil in lamivudine resistant chronic hepatitis B patients treated with adefovir dipivoxil Gut ###;##(##) ## <PERSOON-##> J, <PERSOON-##> YF, Cianciara J, et al Entecavir for treatment <PERSOON-##> CL, Shouval D, <PERSOON-##> Z, et al Entecavir versus lamivudine for patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> R, et al Entecavir maintained virological suppression through # years of treatment in antiviral-naïve HBeAg(+) patients (<PERSOON-##> G, <PERSOON-##> CL, Cheinquer H, et al Continued virologic and biochemical improvement through ## weeks of entecavir treatment in HBeAg(-) chronic hepatitis <PERSOON-##> RJ, <PERSOON-##> at three.
| 535 | nvmdl |
lamivudine-resistant chronic hepatitis B after ## weeks of adefovir dipivoxil monotherapy <PERSOON> V, <PERSOON> P, et al Molecular modelling of hepatitis B virus polymerase and adefovir resistance identifies three clusters of mutations <PERSOON> CH, <PERSOON> JH, <PERSOON> CM, <PERSOON> TH, <PERSOON> JC, et al Virological response and incidence of adefovir resistance in lamivudine-resistant patients treated with adefovir dipivoxil Antivir Ther Yeon JE, Yoo W, <PERSOON> YJ, <PERSOON> SK, <PERSOON> JH, et al Resistance to adefovir dipivoxil in lamivudine resistant chronic hepatitis B patients treated with adefovir dipivoxil Gut ###;##(##) ## <PERSOON-##> J, <PERSOON-##> YF, Cianciara J, et al Entecavir for treatment <PERSOON-##> CL, Shouval D, <PERSOON-##> Z, et al Entecavir versus lamivudine for patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> R, et al Entecavir maintained virological suppression through # years of treatment in antiviral-naïve HBeAg(+) patients (<PERSOON-##> G, <PERSOON-##> CL, Cheinquer H, et al Continued virologic and biochemical improvement through ## weeks of entecavir treatment in HBeAg(-) chronic hepatitis <PERSOON-##> RJ, <PERSOON-##> at three while resistance emergence increases over time in lamivudine refractory patients Hepatology Colonno RJ, <PERSOON-##> K, <PERSOON> CF, et al Entecavir resistance is rare in nucleoside naive patients with hepatitis <PERSOON-##> RJ, <PERSOON-##> CJ, Eggers B, <PERSOON> D, et al Four year assessment of ETV resistance in nucleoside-naive and lamivudine refractory patients <PERSOON-##> DJ, <PERSOON-##> RE, Baldick CJ, Levine SM, Pokornowski KA, Walsh AW, et al Two-year assessment of entecavir resistance in Lamivudine-refractory hepatitis B virus patients reveals different clinical outcomes depending on the resistance substitutions present Antimicrob Agents Chemother <PERSOON-##> CL, Gane E, Hsu CW, Thongsawat S, <PERSOON> Y, <PERSOON> Y, et al Two-year results from the GLOBE trial in patients with hepatitis B greater clinical and antiviral efficacy for telbivudine (LdT) vs lamivudine Hepatology ###;##(Suppl #) ###A ## <PERSOON-##> YF, Hsu CW, Thongsawat S, <PERSOON> Y, et al Telbivudine (LDT) vs lamivudine for chronic hepatitis B first-year results from the international phase III Globe trial <PERSOON-##> SG, Heathcote EJ, Kuan YY, et al Sustained off-treatment HBeAg response in telbivudine and lamivudine treated HBeAg-positive patients from the <PERSOON-##> S, et al Durability of serologic response after lamivudine treatment of chronic hepatitis <PERSOON-##> ###;##(#) ###-## ##.
| 638 | nvmdl |
Colonno RJ, <PERSOON> K, <PERSOON> CF, et al Entecavir resistance is rare in nucleoside naive patients with hepatitis <PERSOON> RJ, <PERSOON> CJ, Eggers B, <PERSOON> D, et al Four year assessment of ETV resistance in nucleoside-naive and lamivudine refractory patients <PERSOON> DJ, <PERSOON> RE, Baldick CJ, Levine SM, Pokornowski KA, Walsh AW, et al Two-year assessment of entecavir resistance in Lamivudine-refractory hepatitis B virus patients reveals different clinical outcomes depending on the resistance substitutions present Antimicrob Agents Chemother <PERSOON> CL, Gane E, Hsu CW, Thongsawat S, <PERSOON> Y, <PERSOON> Y, et al Two-year results from the GLOBE trial in patients with hepatitis B greater clinical and antiviral efficacy for telbivudine (LdT) vs lamivudine Hepatology ###;##(Suppl #) ###A ## <PERSOON-##> YF, Hsu CW, Thongsawat S, <PERSOON> Y, et al Telbivudine (LDT) vs lamivudine for chronic hepatitis B first-year results from the international phase III Globe trial <PERSOON-##> SG, Heathcote EJ, Kuan YY, et al Sustained off-treatment HBeAg response in telbivudine and lamivudine treated HBeAg-positive patients from the <PERSOON-##> S, et al Durability of serologic response after lamivudine treatment of chronic hepatitis <PERSOON-##> first detailed analysis of predictors of response in HBeAg-negative chronic hepatitis B data from a multicenter, randomized, partially double-blind study of peginterferon-alfa-#a (#-KD) (Pegasys(r)) alone or in combination with lamivudine vs lamivudine alone <PERSOON-##> WC, Thongsawat S, et al Effects of genotype and other baseline factors on response to peginterferon alfa-#a (## kDa) (Pegasys(r)) in HBeAg-positive chronic hepatitis B results from a large, randomised study <PERSOON-##> SJ, Papatheodoridis GV Adefovir dipivoxil in the treatment of chronic hepatitis B virus infection <PERSOON-##> DA A syndrome of lipoatrophy, lactic acidaemia and liver dysfunction associated with HIV nucleoside analogue therapy contribution to protease inhibitor-related ## <PERSOON-##> EB, Liang TJ, Mutimer D, et al Management of antiviral resistance in patients with chronic hepatitis <PERSOON-##> rapidly suppresses hepatitis B in HBeAg-negative patients developing genotypic resistance to lamivudine ## <PERSOON-##> MR, et al Adefovir and lamivudine combination therapy is superior to adefovir monotherapy for lamivudine-resistant patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON-##> #) ###A-#A ##.
| 554 | nvmdl |
first detailed analysis of predictors of response in HBeAg-negative chronic hepatitis B data from a multicenter, randomized, partially double-blind study of peginterferon-alfa-#a (#-KD) (Pegasys(r)) alone or in combination with lamivudine vs lamivudine alone <PERSOON> WC, Thongsawat S, et al Effects of genotype and other baseline factors on response to peginterferon alfa-#a (## kDa) (Pegasys(r)) in HBeAg-positive chronic hepatitis B results from a large, randomised study <PERSOON> SJ, Papatheodoridis GV Adefovir dipivoxil in the treatment of chronic hepatitis B virus infection <PERSOON> DA A syndrome of lipoatrophy, lactic acidaemia and liver dysfunction associated with HIV nucleoside analogue therapy contribution to protease inhibitor-related ## <PERSOON> EB, Liang TJ, Mutimer D, et al Management of antiviral resistance in patients with chronic hepatitis <PERSOON> rapidly suppresses hepatitis B in HBeAg-negative patients developing genotypic resistance to lamivudine ## <PERSOON> MR, et al Adefovir and lamivudine combination therapy is superior to adefovir monotherapy for lamivudine-resistant patients with HBeAg-negative chronic hepatitis <PERSOON> #) ###A-#A ## Effect of alpha-interferon treatment in patients with hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis B A meta-analysis <PERSOON> A, et al Randomized, controlled trial of recombinant human alpha-interferon in patients with chronic hepatitis <PERSOON> NV, Craxi A, et al Interferon alfa for chronic hepatitis B infection increased efficacy of prolonged treatment <PERSOON-##> JE, Di Bisceglie AM, Hoofnagle JH Long-term remission of chronic hepatitis B after alpha-interferon therapy <PERSOON-##> Med ###;###(#) ###-## ### Perrillo RP, Schiff ER, <PERSOON-##> GL, Bodenheimer HC Jr , <PERSOON-##> J, et al A randomized, controlled trial of interferon alfa-#b alone and after prednisone withdrawal for the treatment of chronic hepatitis <PERSOON-##> viral hepatitis C efficacy, side effects, and complications <PERSOON-##> A A survey of adverse events in ##,### patients with chronic viral hepatitis treated with alfa interferon <PERSOON-##> effects of therapy of hepatitis C and their management Hepatology ###;#<DATUM> Krogsgaard K.
| 496 | nvmdl |
with hepatitis B e antigen-positive chronic hepatitis B A meta-analysis <PERSOON> A, et al Randomized, controlled trial of recombinant human alpha-interferon in patients with chronic hepatitis <PERSOON> NV, Craxi A, et al Interferon alfa for chronic hepatitis B infection increased efficacy of prolonged treatment <PERSOON> JE, Di Bisceglie AM, Hoofnagle JH Long-term remission of chronic hepatitis B after alpha-interferon therapy <PERSOON> Med ###;###(#) ###-## ### Perrillo RP, Schiff ER, <PERSOON> GL, Bodenheimer HC Jr , <PERSOON> J, et al A randomized, controlled trial of interferon alfa-#b alone and after prednisone withdrawal for the treatment of chronic hepatitis <PERSOON> viral hepatitis C efficacy, side effects, and complications <PERSOON> A A survey of adverse events in ##,### patients with chronic viral hepatitis treated with alfa interferon <PERSOON> effects of therapy of hepatitis C and their management <PERSOON-##> Long-Term Follow-up <PERSOON-##> on <PERSOON-##> P, et al A randomized controlled trial of lymphoblastoid interferon-alpha in patients with chronic hepatitis B lacking <PERSOON-##> alfa-#b treatment of HBeAg negative/serum HBV DNA positive chronic active hepatitis type <PERSOON-##> A, <PERSOON-##> MF, Rumi MG, Lunghi G, et al A randomized, controlled trial of a ##-month course of interferon alfa #b in patients with chronic hepatitis B who had hepatitis B virus DNA without hepatitis B e antigen in serum Hepatology ###;##(#) ##<DATUM> ### <PERSOON-##> AS, Heathcote EJ, Hoofnagle JH Management of hepatitis B ###-summary of a workshop ### <PERSOON-##> L, <PERSOON-##> R, et al Anti-HBe-positive chronic hepatitis B with HBV-DNA in the serum response to a #-month course of lymphoblastoid ### <PERSOON-##> PC, <PERSOON-##> LS, et al A controlled trial of interferon with or without prednisone priming for chronic hepatitis <PERSOON-##> EK, Hadziyannis SJ Interferon alpha treatment and retreatment of hepatitis B e antigennegative chronic hepatitis <PERSOON-##> ###;###(#) #<DATUM> ### <PERSOON-##> C, et al.
| 534 | nvmdl |
Het maagcarcinoom is wereldwijd een van de meest voorkomende tumorsoorten Er zijn aanzienlijke geografische verschillen in incidentie, met bijvoorbeeld hoge incidenties in In <LOCATIE> neemt het jaarlijks aantal nieuwe gevallen van maagcarcinoom al een aantal Incidentie maagcarcinoom ### - ### (NKR, (WEBLINK), april ###) <PERSOON> ### treft de ziekte in <LOCATIE> jaarlijks ruim <DATUM> patiënten (incidentie #,## per ### ###), waarvan circa ##% mannen (#,## per ### ###) en ##% vrouwen (#,## per ### ###) Het aantal personen dat per jaar ten gevolge van maagcarcinoom overlijdt daalde van bijna <DATUM> Voor het maagcarcinoom bestond in <LOCATIE> tot ### nog geen landelijke evidence based richtlijn; aanleiding voor de toenmalige Landelijke Werkgroep Gastro-intestinale Tumoren van de Vereniging voor Integrale Kankercentra (VIKC, voorloper van IKNL) aanleiding een multidisciplinaire, âevidence-based' richtlijn (versie # #) te ontwikkelen voor het beleid bij het Voorafgaande aan de ontwikkeling van deze richtlijn werden uitgangsvragen geformuleerd Deze vragen volgden uit een knelpuntinventarisatie gehouden in het veld bij professionals en (vertegenwoordigers van) patiënten De meest relevante knelpunten werden uitgewerkt tot uitgangsvragen Dit betrof een beperkt aantal problemen in de dagelijkse praktijk rond het diagnostisch, therapeutisch en follow-up-beleid van patiënten met een maagcarcinoom De uitgangsvragen vormden de basis voor de verschillende hoofdstukken van de richtlijn De richtlijn beoogde daarmee dus niet volledig te zijn Voor meer informatie over de destijds geïnventariseerde December ### begon een eerste revisie van de richtlijn maagcarcinoom; deze bestond uit twee fasen De voorjaar ### geautoriseerde resultaten van de eerste fase zijn in deze versie <DATUM> verwerkt De geheel nieuwe stukken over diagnostische laparoscopie en FDG-PET(CT) zijn geïntegreerd in de module âStadiëring van het maagcarcinoomâ Het onderdeel adjuvante chemoradiatie van de module â(<PERSOON>)adjuvante behandelingenâ is geactualiseerd Het onderdeel systeemtherapie van de module âRecidief en metastasenâ is geactualiseerd; een geheel nieuw stuk over HIPEC is aan deze module toegevoegd Tenslotte is aan de module âVoedingâ een specifiek stuk over de toedieningswijze van Een belangrijke methodologische verandering is dat sinds enkele jaren - met uitzondering van stukken over diagnostische interventies (zoals in dit geval diagnostische laparoscopie, FDG-PET(CT) - gewerkt wordt met GRADE in plaats van EBRO GRADE is een internationaal ontwikkelde methode voor het beoordelen en graderen van wetenschappelijk bewijs Anders dan EBRO doet GRADE per uitkomstmaat - voor alle gevonden studies samen - een uitspraak over de kwaliteit van het bewijs De kwaliteit van het bewijs wordt onderverdeeld in vier niveaus (hoog, matig, laag, zeer laag) Hoge kwaliteit wil zeggen dat het geschatte effect zeer waarschijnlijk dicht bij het werkelijke effect ligt Naarmate de kwaliteit van bewijs lager is, is daar toenemende onzekerheid over Uitgangspunt bij de beoordeling met GRADE is dat RCTâs aanvankelijk worden ingedeeld in de categorie âhoogâ; observationele studies starten in de categorie âlaagâ Vervolgens zijn er vijf factoren die de kwaliteit van het bewijs kunnen verlagen en die apart voor iedere uitkomstmaat moeten worden bepaald Daarnaast zijn er drie factoren die de kwaliteit van het bewijs voor observationeel onderzoek kunnen verhogen.
| 672 | nvmdl |
in deze versie <DATUM> verwerkt De geheel nieuwe stukken over diagnostische laparoscopie en FDG-PET(CT) zijn geïntegreerd in de module âStadiëring van het maagcarcinoomâ Het onderdeel adjuvante chemoradiatie van de module â(<PERSOON>)adjuvante behandelingenâ is geactualiseerd Het onderdeel systeemtherapie van de module âRecidief en metastasenâ is geactualiseerd; een geheel nieuw stuk over HIPEC is aan deze module toegevoegd Tenslotte is aan de module âVoedingâ een specifiek stuk over de toedieningswijze van Een belangrijke methodologische verandering is dat sinds enkele jaren - met uitzondering van stukken over diagnostische interventies (zoals in dit geval diagnostische laparoscopie, FDG-PET(CT) - gewerkt wordt met GRADE in plaats van EBRO GRADE is een internationaal ontwikkelde methode voor het beoordelen en graderen van wetenschappelijk bewijs Anders dan EBRO doet GRADE per uitkomstmaat - voor alle gevonden studies samen - een uitspraak over de kwaliteit van het bewijs De kwaliteit van het bewijs wordt onderverdeeld in vier niveaus (hoog, matig, laag, zeer laag) Hoge kwaliteit wil zeggen dat het geschatte effect zeer waarschijnlijk dicht bij het werkelijke effect ligt Naarmate de kwaliteit van bewijs lager is, is daar toenemende onzekerheid over Uitgangspunt bij de beoordeling met GRADE is dat RCTâs aanvankelijk worden ingedeeld in de categorie âhoogâ; observationele studies starten in de categorie âlaagâ Vervolgens zijn er vijf factoren die de kwaliteit van het bewijs kunnen verlagen en die apart voor iedere uitkomstmaat moeten worden bepaald Daarnaast zijn er drie factoren die de kwaliteit van het bewijs voor observationeel onderzoek kunnen verhogen observationeel onderzoek in uitzonderlijke gevallen op hoge kwaliteit van bewijs Niet alleen qua formulering van conclusies (op basis van de vier niveaus), maar ook qua formulering van aanbevelingen verschilt GRADE van EBRO GRADE maakt een onderverdeling in sterke en zwakke (conditionele) aanbevelingen (<PERSOON> JS, et al Handboek evidence-based richtlijnontwikkeling - Een leidraad voor de praktijk Tweede herziene druk, Het bovenstaande verklaart waarom in sommige modules zowel âoudeâ formuleringen (op basis van EBRO) als - voor de nu gereviseerde stukken over therapeutische interventies - formuleringen op Naast bovenstaande inhoudelijke wijzigingen is ook de vorm op onderdelen ietwat aangepast De volgorde van de hoofdstukken (modules) is nu anders dan in versie # # en sommige modules zijn - om behandelingenâ) en preoperatief en postoperatief beleid (in module âVoedingâ) als onderscheiden Najaar ### startte de tweede fase van de eind ### ingezette revisie van de richtlijn De in deze fase gereviseerde - in februari ### geautoriseerde - onderdelen zijn in versie <DATUM> verwerkt Het onderdeel behandeling vroegcarcinoom (module âEarly gastric cancerâ) bevat niet alleen een update van de âoudeâ vergelijking tussen endoscopische mucosale resectie (EMR) en endoscopische submucosale dissectie (ESD), maar vergelijkt nu ook de effecten van beide varianten afzonderlijk met In de module âChirurgieâ is het onderdeel lymfadenectomie (inclusief de bijbehorende bijlage maagresectietechniek) geactualiseerd Daarnaast zijn twee geheel nieuwe onderdelen In de module âPathologieâ is een grotendeels op internationale aanbevelingen gebaseerd stuk over In de module âVoedingâ zijn de overwegingen m.
| 635 | nvmdl |
observationeel onderzoek in uitzonderlijke gevallen op hoge kwaliteit van bewijs Niet alleen qua formulering van conclusies (op basis van de vier niveaus), maar ook qua formulering van aanbevelingen verschilt GRADE van EBRO GRADE maakt een onderverdeling in sterke en zwakke (conditionele) aanbevelingen (<PERSOON> JS, et al Handboek evidence-based richtlijnontwikkeling - Een leidraad voor de praktijk Tweede herziene druk, Het bovenstaande verklaart waarom in sommige modules zowel âoudeâ formuleringen (op basis van EBRO) als - voor de nu gereviseerde stukken over therapeutische interventies - formuleringen op Naast bovenstaande inhoudelijke wijzigingen is ook de vorm op onderdelen ietwat aangepast De volgorde van de hoofdstukken (modules) is nu anders dan in versie # # en sommige modules zijn - om behandelingenâ) en preoperatief en postoperatief beleid (in module âVoedingâ) als onderscheiden Najaar ### startte de tweede fase van de eind ### ingezette revisie van de richtlijn De in deze fase gereviseerde - in februari ### geautoriseerde - onderdelen zijn in versie <DATUM> verwerkt Het onderdeel behandeling vroegcarcinoom (module âEarly gastric cancerâ) bevat niet alleen een update van de âoudeâ vergelijking tussen endoscopische mucosale resectie (EMR) en endoscopische submucosale dissectie (ESD), maar vergelijkt nu ook de effecten van beide varianten afzonderlijk met In de module âChirurgieâ is het onderdeel lymfadenectomie (inclusief de bijbehorende bijlage maagresectietechniek) geactualiseerd Daarnaast zijn twee geheel nieuwe onderdelen In de module âPathologieâ is een grotendeels op internationale aanbevelingen gebaseerd stuk over In de module âVoedingâ zijn de overwegingen m t het postoperatief (voedings)beleid geactualiseerd, met name gebaseerd op een update van het Handboek Voeding bij kanker Op basis daarvan zijn Deze richtlijn betreft nog altijd vooral patiënten met een adenocarcinoom in de maag (circa ##% van alle patiënten met een maagcarcinoom) In principe wordt voor cardiatumoren verwezen naar de richtlijn oesofaguscarcinoom, tenzij anders in de tekst is vermeld De erfelijke vormen worden kort toegelicht in de module screening en verder wordt verwezen naar de richtlijn Een richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van zorgprofessionals en zorggebruikers, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg, berustend op wetenschappelijk onderzoek aangevuld met expertise en ervaringen van zorgprofessionals en zorggebruikers Deze richtlijn beoogt een leidraad te geven voor het handelen in de dagelijkse praktijk en geeft daartoe aanbevelingen over diagnose, behandeling, begeleiding en follow-up van patiënten met een Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met een maagcarcinoom, zoals maag-darm-lever artsen, radiologen en nucleair-geneeskundigen, chirurgen, pathologen, radiotherapeuten, medisch oncologen, diëtisten, (gespecialiseerd) verpleegkundigen en huisartsen Tevens kan de richtlijn houvast bieden aan patiënten en hun naasten Deze richtlijn wordt gebruikt voor het maken van Zoekstrategie versie <DATUM> (###) Laparoscopische versus open maagresectie (zie bijlage ##) Uitgaande van de zoekvraag in het literatuuronderzoek naar de waarde van screening op maagcarcinoom valt allereerst op, dat er geen RCT's en zelden CT's bestaan, waarin ondubbelzinnig een antwoord kan worden gegeven op deze vraag Gezien de multifactoriële.
| 628 | nvmdl |
t het postoperatief (voedings)beleid geactualiseerd, met name gebaseerd op een update van het Handboek Voeding bij kanker Op basis daarvan zijn Deze richtlijn betreft nog altijd vooral patiënten met een adenocarcinoom in de maag (circa ##% van alle patiënten met een maagcarcinoom) In principe wordt voor cardiatumoren verwezen naar de richtlijn oesofaguscarcinoom, tenzij anders in de tekst is vermeld De erfelijke vormen worden kort toegelicht in de module screening en verder wordt verwezen naar de richtlijn Een richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van zorgprofessionals en zorggebruikers, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg, berustend op wetenschappelijk onderzoek aangevuld met expertise en ervaringen van zorgprofessionals en zorggebruikers Deze richtlijn beoogt een leidraad te geven voor het handelen in de dagelijkse praktijk en geeft daartoe aanbevelingen over diagnose, behandeling, begeleiding en follow-up van patiënten met een Deze richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met een maagcarcinoom, zoals maag-darm-lever artsen, radiologen en nucleair-geneeskundigen, chirurgen, pathologen, radiotherapeuten, medisch oncologen, diëtisten, (gespecialiseerd) verpleegkundigen en huisartsen Tevens kan de richtlijn houvast bieden aan patiënten en hun naasten Deze richtlijn wordt gebruikt voor het maken van Zoekstrategie versie <DATUM> (###) Laparoscopische versus open maagresectie (zie bijlage ##) Uitgaande van de zoekvraag in het literatuuronderzoek naar de waarde van screening op maagcarcinoom valt allereerst op, dat er geen RCT's en zelden CT's bestaan, waarin ondubbelzinnig een antwoord kan worden gegeven op deze vraag Gezien de multifactoriële De literatuur over dit onderwerp gaat vrijwel altijd over de intestinale vorm van maagcarcinoom Als er in de tekst sprake is van de diffuse Wat zijn algemeen aanvaarde risicofactoren voor het ontstaan van maagcarcinoom? ⢠Leeftijd en sexe gemiddelde leeftijd ) <LEEFTIJD> jaar, geen sexe verschillen voor maagcarcinoom ⢠<PERSOON> lijkt de incidentie van maagcarcinoom te verhogen #<DATUM> ⢠Alcohol verhoogt de incidentie van het maagcarcinoom #<DATUM> ⢠Voeding er bestaat een complexe relatie tussen het voedingspatroon en optreden van maagcarcinoom; een van de meest overtuigende bewijzen van een relatie is het epidemiologische gegeven, dat nakomelingen van Japanners die emigreerden naar de Verenigde Staten binnen twee generaties een sterk dalende incidentie hadden van maagcarcinoom en een stijgende incidentie van coloncarcinoom Een lager risico wordt vooral toegeschreven aan een hoge inname van plantaardige producten en fruit en een Wat zijn predisponerende condities voor het ontstaan van maagcarcinoom? Een eerdere maagresectie geeft een hoger risico op een zogenaamd stompcarcinoom In een meta-analyse van ## studies werd gevonden dat patiënten na een maagresectie een RR hadden van # ## (b h i # #<DATUM> op het ontwikkelen een stompcarcinoom ### Het risico op het ontwikkelen van een stompcarcinoom stijgt met het verstrijken van de tijd na operatie, en is verhoogd na een maagresectie in verband met een maagzweer ### Er zijn tegenstrijdige bevindingen over het risico op het ontwikkelen van een maagcarcinoom na een resectie in verband.
| 596 | nvmdl |
over dit onderwerp gaat vrijwel altijd over de intestinale vorm van maagcarcinoom Als er in de tekst sprake is van de diffuse Wat zijn algemeen aanvaarde risicofactoren voor het ontstaan van maagcarcinoom? ⢠Leeftijd en sexe gemiddelde leeftijd ) <LEEFTIJD> jaar, geen sexe verschillen voor maagcarcinoom ⢠<PERSOON> lijkt de incidentie van maagcarcinoom te verhogen #<DATUM> ⢠Alcohol verhoogt de incidentie van het maagcarcinoom #<DATUM> ⢠Voeding er bestaat een complexe relatie tussen het voedingspatroon en optreden van maagcarcinoom; een van de meest overtuigende bewijzen van een relatie is het epidemiologische gegeven, dat nakomelingen van Japanners die emigreerden naar de Verenigde Staten binnen twee generaties een sterk dalende incidentie hadden van maagcarcinoom en een stijgende incidentie van coloncarcinoom Een lager risico wordt vooral toegeschreven aan een hoge inname van plantaardige producten en fruit en een Wat zijn predisponerende condities voor het ontstaan van maagcarcinoom? Een eerdere maagresectie geeft een hoger risico op een zogenaamd stompcarcinoom In een meta-analyse van ## studies werd gevonden dat patiënten na een maagresectie een RR hadden van # ## (b h i # #<DATUM> op het ontwikkelen een stompcarcinoom ### Het risico op het ontwikkelen van een stompcarcinoom stijgt met het verstrijken van de tijd na operatie, en is verhoogd na een maagresectie in verband met een maagzweer ### Er zijn tegenstrijdige bevindingen over het risico op het ontwikkelen van een maagcarcinoom na een resectie in verband aangetoond in verschillende studies waarbij landelijke data over ontslagdiagnoses voor pernicieuze anemie worden gekoppeld aan landelijke kankerregistraties Voor Zweden werd gevonden dat ### en ### een ziekenhuisopname hadden gehad in verband met pernicieuze anemie (n=###) een gestandaardiseerde incidentie ratio hadden van <DATUM> (##% b h i <DATUM> voor het ontwikkelen van een maagcarcinoom distaal van de cardia in vergelijking met de algemene populatie ### In een soortgelijke analyse voor Denemarken werd bij een cohort van ### patiënten die tussen ### en ### een ziekenhuisopname hadden gehad voor pernicieuze De aanwezigheid van Hp in de maagmucosa geeft een <DATUM> oudig verhoogd risico op maagcarcinoom Hp infectie is zowel met diffuus als intestinaal carcinoom geassocieerd In de Westerse wereld speelt met name de CagA soort een rol Dat eradicatie van Hp infectie het risico op maagcarcinoom doet dalen is niet aangetoond, maar wel kan eradicatie er toe bijdragen dat metaplasie en dysplasie een halt wordt toegeroepen Het screenen op Hp infectie zou moeten gebeuren in een hoog-risico populatie, maar deze is nog niet goed gedefinieerd #<DATUM> <LOCATIE> behoort niet tot de landen met een hoog-risico populatie Bevolkingsonderzoek op Hp infectie is daarom niet aangewezen Wel lijkt het aangewezen een aangetoonde Hp infectie te Maagcarcinoom toont soms een clustering in families, hetgeen een indicatie is, dat erfelijkheid een risicofactor kan zijn Maagcarcinoom kan onderdeel uitmaken van het Lynch syndroom, waarbij er een Mismatch Repair Defect bestaat door mutaties in een van de MMR genen Zeldzamer nog is de.
| 596 | nvmdl |
ontslagdiagnoses voor pernicieuze anemie worden gekoppeld aan landelijke kankerregistraties Voor Zweden werd gevonden dat ### en ### een ziekenhuisopname hadden gehad in verband met pernicieuze anemie (n=###) een gestandaardiseerde incidentie ratio hadden van <DATUM> (##% b h i <DATUM> voor het ontwikkelen van een maagcarcinoom distaal van de cardia in vergelijking met de algemene populatie ### In een soortgelijke analyse voor Denemarken werd bij een cohort van ### patiënten die tussen ### en ### een ziekenhuisopname hadden gehad voor pernicieuze De aanwezigheid van Hp in de maagmucosa geeft een <DATUM> oudig verhoogd risico op maagcarcinoom Hp infectie is zowel met diffuus als intestinaal carcinoom geassocieerd In de Westerse wereld speelt met name de CagA soort een rol Dat eradicatie van Hp infectie het risico op maagcarcinoom doet dalen is niet aangetoond, maar wel kan eradicatie er toe bijdragen dat metaplasie en dysplasie een halt wordt toegeroepen Het screenen op Hp infectie zou moeten gebeuren in een hoog-risico populatie, maar deze is nog niet goed gedefinieerd #<DATUM> <LOCATIE> behoort niet tot de landen met een hoog-risico populatie Bevolkingsonderzoek op Hp infectie is daarom niet aangewezen Wel lijkt het aangewezen een aangetoonde Hp infectie te Maagcarcinoom toont soms een clustering in families, hetgeen een indicatie is, dat erfelijkheid een risicofactor kan zijn Maagcarcinoom kan onderdeel uitmaken van het Lynch syndroom, waarbij er een Mismatch Repair Defect bestaat door mutaties in een van de MMR genen Zeldzamer nog is de Zie hiervoor ook de module beleid bij (mogelijk) erfelijk maagcarcinoom Een eerdere maagresectie geeft een hoger risico op een zogenaamd Achloorhydrie leidend tot pernicieuze anemie is een risicofactor voor het ontwikkelen Het is niet aangetoond dat eradicatie van Helicobacter pylori infectie het risico op Wat is er bekend over en welke aanbevelingen kunnen worden gegeven voor screening op Er is geen reden voor screening van de bevolking op maagcarcinoom Voor screening van risicogroepen zoals patiënten met een maagresectie of achloorhydrie zijn Voor bevolkingsonderzoek is de spontaan teruglopende incidentie en mortaliteit een belangrijke reden om niet te gaan screenen Bovendien voldoet maagcarcinoom niet aan de criteria van <PERSOON> preventie kan bestaan uit het propageren van een gezonde leefwijze, bestaande o a uit niet-roken, matige alcohol consumptie en een voedingspatroon met een ruime inname van vezels, Er is geen bewijs voor het screenen van risicogroepen behalve voor de erfelijke vormen van maagcarcinoom, die grotendeels worden bepaald door een autosomaal dominante overerving Indien geïndiceerd zou screening bij deze groepen #x per jaar moeten plaatsvinden De werkgroep voor revisie van de richtlijn maagcarcinoom heeft zich niet beziggehouden met het onderwerp screening De werkgroep verwijst hiervoor naar de in ### verschenen nieuwe internationale richtlijnen voor erfelijke (diffuse) maagkanker <PERSOON> IP, Carneiro F, et al Hereditary diffuse gastric cancer updated clinical guidelines with an emphasis on germline Een hierop gebaseerde Nederlandse richtlijn Hereditair diffuus maagcarcinoom verschijnt in de loop van ###.
| 568 | nvmdl |
module beleid bij (mogelijk) erfelijk maagcarcinoom Een eerdere maagresectie geeft een hoger risico op een zogenaamd Achloorhydrie leidend tot pernicieuze anemie is een risicofactor voor het ontwikkelen Het is niet aangetoond dat eradicatie van Helicobacter pylori infectie het risico op Wat is er bekend over en welke aanbevelingen kunnen worden gegeven voor screening op Er is geen reden voor screening van de bevolking op maagcarcinoom Voor screening van risicogroepen zoals patiënten met een maagresectie of achloorhydrie zijn Voor bevolkingsonderzoek is de spontaan teruglopende incidentie en mortaliteit een belangrijke reden om niet te gaan screenen Bovendien voldoet maagcarcinoom niet aan de criteria van <PERSOON> preventie kan bestaan uit het propageren van een gezonde leefwijze, bestaande o a uit niet-roken, matige alcohol consumptie en een voedingspatroon met een ruime inname van vezels, Er is geen bewijs voor het screenen van risicogroepen behalve voor de erfelijke vormen van maagcarcinoom, die grotendeels worden bepaald door een autosomaal dominante overerving Indien geïndiceerd zou screening bij deze groepen #x per jaar moeten plaatsvinden De werkgroep voor revisie van de richtlijn maagcarcinoom heeft zich niet beziggehouden met het onderwerp screening De werkgroep verwijst hiervoor naar de in ### verschenen nieuwe internationale richtlijnen voor erfelijke (diffuse) maagkanker <PERSOON> IP, Carneiro F, et al Hereditary diffuse gastric cancer updated clinical guidelines with an emphasis on germline Een hierop gebaseerde Nederlandse richtlijn Hereditair diffuus maagcarcinoom verschijnt in de loop van ### maagcarcinoom uit ### Deze richtlijn maakte deel uit van het âblauwe boekjeâ met richtlijnen voor diagnostiek en preventie van verschillende erfelijke tumoren, een uitgave van de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren en de Vereniging Klinische Genetica <LOCATIE> (Werkgroep klinische Screening van de bevolking op maagcarcinoom is niet aangewezen (in Voor screening van personen met een maagresectie (BI en BII anastomose) of De stadiëring van het maagcarcinoom vindt plaats aan de hand van de TNM classificatie# ## Het accuraat kunnen vaststellen van het stadium is belangrijk voor het vaststellen van het behandelplan Tevens is het één van de sterkste voorspellers voor recidief en overleving Hierbij is het belangrijkste om een locoregionaal carcinoom (M# stadium) te onderscheiden van een carcinoom met afstandsmetastasen (M#-stadium) Bij aanwezigheid van metastasen op afstand kan geen curatief beleid worden gevolgd; zowel lever- als peritoneale metastasen zijn voorspellend voor een slechte prognose ## De meest gebruikte technieken om het maagcarcinoom te stadiëren zijn endosonografie (EUS), computertomografie (CT-scan) en via beeldvormende technieken die gebruik maken van magnetische resonantie (MRI) Daarnaast is er mogelijk een rol voor In deze module komen de volgende vragen aan de orde Bij de revisie van de richtlijn zijn twee geheel nieuwe submodules met bijbehorende uitgangsvragen Wat is de waarde van een diagnostische laparoscopie bij patiënten met een op basis van Wat zijn de diagnostische accuratesse en klinische impact van FDG-PET(/CT) vergeleken met (contrast-)CT voor de detectie van metastasen bij patiënten met maagcarcinoom (primair of Naar aanleiding van beantwoording van deze vragen zijn de eerdere passages over diagnostische.
| 578 | nvmdl |
het âblauwe boekjeâ met richtlijnen voor diagnostiek en preventie van verschillende erfelijke tumoren, een uitgave van de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren en de Vereniging Klinische Genetica <LOCATIE> (Werkgroep klinische Screening van de bevolking op maagcarcinoom is niet aangewezen (in Voor screening van personen met een maagresectie (BI en BII anastomose) of De stadiëring van het maagcarcinoom vindt plaats aan de hand van de TNM classificatie# ## Het accuraat kunnen vaststellen van het stadium is belangrijk voor het vaststellen van het behandelplan Tevens is het één van de sterkste voorspellers voor recidief en overleving Hierbij is het belangrijkste om een locoregionaal carcinoom (M# stadium) te onderscheiden van een carcinoom met afstandsmetastasen (M#-stadium) Bij aanwezigheid van metastasen op afstand kan geen curatief beleid worden gevolgd; zowel lever- als peritoneale metastasen zijn voorspellend voor een slechte prognose ## De meest gebruikte technieken om het maagcarcinoom te stadiëren zijn endosonografie (EUS), computertomografie (CT-scan) en via beeldvormende technieken die gebruik maken van magnetische resonantie (MRI) Daarnaast is er mogelijk een rol voor In deze module komen de volgende vragen aan de orde Bij de revisie van de richtlijn zijn twee geheel nieuwe submodules met bijbehorende uitgangsvragen Wat is de waarde van een diagnostische laparoscopie bij patiënten met een op basis van Wat zijn de diagnostische accuratesse en klinische impact van FDG-PET(/CT) vergeleken met (contrast-)CT voor de detectie van metastasen bij patiënten met maagcarcinoom (primair of Naar aanleiding van beantwoording van deze vragen zijn de eerdere passages over diagnostische De module begint - per afzonderlijke submodule - met een samenvatting van de literatuur en de daarvan afgeleide conclusies Daarna volgen de (aangepaste) âoudeâ overwegingen (m b t submodules <DATUM> t/m <DATUM> uit ###), aangevuld met die van ### aangepaste) âoudeâ aanbevelingen (m b t submodules <DATUM> t/m <DATUM> uit ###), aangevuld met die van In geval van het T-stadium is vooral de penetratie van de serosa van belang (T# en T# stadium) aangezien dit geassocieerd is met een slechte prognose ### Endosonografie (EUS) wordt gebruikt voor het bepalen van het T-stadium sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw en is nu de belangrijkste diagnostische techniek van keuze ### Met de komst van meer geavanceerde CTscan technieken, zoals âmultidetector row computed tomography (MDCT)â is de interesse voor het gebruik van CT-scan voor het bepalen van het T-stadium weer toegenomen Daarnaast hebben er ook technische vernieuwingen op het terrein van de Magnetische Resonantie Imaging (MRI) plaatsgevonden, zoals de ontwikkeling van breath-hold sequences' en het gebruik van intraveneuze contrastmiddelen, waardoor ook MRI gebruikt zou kunnen worden voor het bepalen van het Tstadium bij maagcarcinoom ### Twee systematische reviews van goede kwaliteit beschrijven resultaten voor het gebruik van verschillende diagnostische technieken om het T-stadium te bepalen #<DATUM> Beide reviews includeren studies met patiënten met een maagcarcinoom maar het is niet duidelijk of in deze studies ook patiënten met een cardiatumor zijn ingesloten De meest recente review includeerde in.
| 625 | nvmdl |
per afzonderlijke submodule - met een samenvatting van de literatuur en de daarvan afgeleide conclusies Daarna volgen de (aangepaste) âoudeâ overwegingen (m b t submodules <DATUM> t/m <DATUM> uit ###), aangevuld met die van ### aangepaste) âoudeâ aanbevelingen (m b t submodules <DATUM> t/m <DATUM> uit ###), aangevuld met die van In geval van het T-stadium is vooral de penetratie van de serosa van belang (T# en T# stadium) aangezien dit geassocieerd is met een slechte prognose ### Endosonografie (EUS) wordt gebruikt voor het bepalen van het T-stadium sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw en is nu de belangrijkste diagnostische techniek van keuze ### Met de komst van meer geavanceerde CTscan technieken, zoals âmultidetector row computed tomography (MDCT)â is de interesse voor het gebruik van CT-scan voor het bepalen van het T-stadium weer toegenomen Daarnaast hebben er ook technische vernieuwingen op het terrein van de Magnetische Resonantie Imaging (MRI) plaatsgevonden, zoals de ontwikkeling van breath-hold sequences' en het gebruik van intraveneuze contrastmiddelen, waardoor ook MRI gebruikt zou kunnen worden voor het bepalen van het Tstadium bij maagcarcinoom ### Twee systematische reviews van goede kwaliteit beschrijven resultaten voor het gebruik van verschillende diagnostische technieken om het T-stadium te bepalen #<DATUM> Beide reviews includeren studies met patiënten met een maagcarcinoom maar het is niet duidelijk of in deze studies ook patiënten met een cardiatumor zijn ingesloten De meest recente review includeerde in ## over endosonografie (EUS), # over multidetector row computed tomography (MDCT), # over magnetic resonance imaging (MRI) en # studie combineerde EUS met MDCT Alle geïncludeerde studies waren van matige methodologische kwaliteit met een range van ##-##% van de maximale score voor interne en externe validiteit De resultaten van deze studies werden niet gepoold in de review om reden van heterogeniteit van de studies (bijvoorbeeld wat betreft patiëntkenmerken, ervaring van de beoordelaars, studie protocollen)### Tabel # vat de resultaten van deze studies samen en presenteert de range van accuratesse, sensitiviteit en specificiteit voor penetratie van de serosa (<PERSOON> in accuratesse, sensitiviteit en specificiteit voor penetratie van de serosa De auteurs concluderen dat EUS, MDCT en MRI even accuraat zijn voor wat betreft het onderscheiden van T#/T# tumoren van T#/T# tumoren EUS blijft de eerste keuze vanwege het feit dat hiermee de meeste ervaring is opgedaan Er is op dit moment nog een gebrek aan grote studies met de nieuwste generatie MDCT en MRI scanners ### In geen van de MRI studies was bijvoorbeeld âparallel imaging' toegepast, een recent vernieuwing in de MR techniek met een aantal grote voordelen, zoals reductie van de benodigde scantijd MDCT en MRI bieden echter wel een voordeel ten opzichte van EUS namelijk dat ze, zowel het gebied in de directe nabijheid van de maag zichtbaar kunnen maken, als ook de rest van de buik Blijkbaar spelen ook observer-eigenschappen een belangrijke rol bij alle technieken, gezien de spreiding in sensitiviteit, specificiteit en accuratesse.
| 631 | nvmdl |
over multidetector row computed tomography (MDCT), # over magnetic resonance imaging (MRI) en # studie combineerde EUS met MDCT Alle geïncludeerde studies waren van matige methodologische kwaliteit met een range van ##-##% van de maximale score voor interne en externe validiteit De resultaten van deze studies werden niet gepoold in de review om reden van heterogeniteit van de studies (bijvoorbeeld wat betreft patiëntkenmerken, ervaring van de beoordelaars, studie protocollen)### Tabel # vat de resultaten van deze studies samen en presenteert de range van accuratesse, sensitiviteit en specificiteit voor penetratie van de serosa (<PERSOON> in accuratesse, sensitiviteit en specificiteit voor penetratie van de serosa De auteurs concluderen dat EUS, MDCT en MRI even accuraat zijn voor wat betreft het onderscheiden van T#/T# tumoren van T#/T# tumoren EUS blijft de eerste keuze vanwege het feit dat hiermee de meeste ervaring is opgedaan Er is op dit moment nog een gebrek aan grote studies met de nieuwste generatie MDCT en MRI scanners ### In geen van de MRI studies was bijvoorbeeld âparallel imaging' toegepast, een recent vernieuwing in de MR techniek met een aantal grote voordelen, zoals reductie van de benodigde scantijd MDCT en MRI bieden echter wel een voordeel ten opzichte van EUS namelijk dat ze, zowel het gebied in de directe nabijheid van de maag zichtbaar kunnen maken, als ook de rest van de buik Blijkbaar spelen ook observer-eigenschappen een belangrijke rol bij alle technieken, gezien de spreiding in sensitiviteit, specificiteit en accuratesse EUS lijkt dit, niet geheel onverwacht, het meest te spelen De systematische review van eerdere datum van <PERSOON> onderzocht de diagnostische kwaliteiten van EUS bij patiënten met een gastro-oesofaguscarcinoom ### Dertien artikelen over patiënten met maagcarcinoom, gepubliceerd tussen ### en ###, werden geïncludeerd Zij concluderen dat EUS geeft een indicatie van de balans tussen sensitiviteit en specificiteit Een test is informatiever als de Q dichterbij de # is) Studies in deze review zijn merendeels ook geïncludeerd in de review van <PERSOON> Het is aannemelijk dat endosonografie (EUS), multidetector row computed tomography (MDCT) en magnetic resonance imaging (MRI) voldoende sensitief en specifiek zijn om de eventuele De systematische review van <PERSOON> onderzocht eveneens de accuratesse van endosonografie (EUS) om het N- stadium te bepalen bij oesofagus- en maagcarcinomen <DATUM> Dertien van de ## geïncludeerde artikelen, gepubliceerd tussen ### en ###, hadden betrekking op patiënten met een # ##-# ##) (Q geeft een indicatie van de balans tussen sensitiviteit en specificiteit Een test is informatiever als de Q dichterbij de # is) De resultaten werden in deze studie niet apart gepresenteerd voor maag- en oesofaguscarcinoom, maar in de tekst werd vermeld dat er geen verschil was tussen beide typen Op grond van deze review lijkt EUS minder effectief in het bepalen Van recenter datum zijn er een prospectieve studie ### en twee retrospectieve studies <DATUM> alle van matige methodologische kwaliteit, die de diagnostische waarde van EUS vergeleken met histopathologie De accuratesse van de N-stadiëring varieerde van ##.
| 630 | nvmdl |
lijkt dit, niet geheel onverwacht, het meest te spelen De systematische review van eerdere datum van <PERSOON> onderzocht de diagnostische kwaliteiten van EUS bij patiënten met een gastro-oesofaguscarcinoom ### Dertien artikelen over patiënten met maagcarcinoom, gepubliceerd tussen ### en ###, werden geïncludeerd Zij concluderen dat EUS geeft een indicatie van de balans tussen sensitiviteit en specificiteit Een test is informatiever als de Q dichterbij de # is) Studies in deze review zijn merendeels ook geïncludeerd in de review van <PERSOON> Het is aannemelijk dat endosonografie (EUS), multidetector row computed tomography (MDCT) en magnetic resonance imaging (MRI) voldoende sensitief en specifiek zijn om de eventuele De systematische review van <PERSOON> onderzocht eveneens de accuratesse van endosonografie (EUS) om het N- stadium te bepalen bij oesofagus- en maagcarcinomen <DATUM> Dertien van de ## geïncludeerde artikelen, gepubliceerd tussen ### en ###, hadden betrekking op patiënten met een # ##-# ##) (Q geeft een indicatie van de balans tussen sensitiviteit en specificiteit Een test is informatiever als de Q dichterbij de # is) De resultaten werden in deze studie niet apart gepresenteerd voor maag- en oesofaguscarcinoom, maar in de tekst werd vermeld dat er geen verschil was tussen beide typen Op grond van deze review lijkt EUS minder effectief in het bepalen Van recenter datum zijn er een prospectieve studie ### en twee retrospectieve studies <DATUM> alle van matige methodologische kwaliteit, die de diagnostische waarde van EUS vergeleken met histopathologie De accuratesse van de N-stadiëring varieerde van #<DATUM> in deze studies De resultaten van de retrospectieve studie, die in opzet strtotaalikt geblindeerd was, waren het Het is inderdaad algemeen aanvaard dat EUS laag scoort bij het vaststellen van het N-stadium Dit heeft onder andere te maken met onmogelijkheid om reactieve van maligne lymfklieren te onderscheiden en ook door het onvermogen om micrometastasen aan te tonen Een vergelijkend onderzoek van matige methodologische kwaliteit concludeerde dat multidetector row computed tomography (MDCT) sensitiever (##% vs ##%) en specifieker (##% vs ##%) is dan single slice CT-scan om het N-stadium te bepalen ## <PERSOON> vergeleek MDCT met alleen # mm dikke transversale coupes met een âvolumetrische MDCT' (d w z met #,# mm dikke coupes aanvullende vond dat een volumetrische MDCT accurater was, vooral aangaande de T classificatie <DATUM> De Een prospectieve studie van goede methodologische kwaliteit, onder ### opeenvolgende patiënten met early gastric cancer, concludeerde dat MDCT een waardevol diagnostisch instrument is om het N-stadium te bepalen (overall accuratesse (N#-#) ##%, ##% CI ##-##%) ### Binnen deze studie werden de resultaten van drie verschillende coupediktes met elkaar vergeleken Hieruit bleek de de sensitiviteit (##% (##-##%)) en specificiteit (##% (##-##%)) van de dunste snede (<DATUM> mm) het beste, alhoewel het betrouwbaarheidinterval voor sensitiviteit groot was ### Het is aannemelijk dat EUS matig accuraat is voor het bepalen van het <PERSOON> <PATIENTNUMMER> Het is aannemelijk dat multidetector row computed tomography (MDCT), accuraat is voor de.
| 683 | nvmdl |
Subsets and Splits
No community queries yet
The top public SQL queries from the community will appear here once available.