text
stringlengths
80
6.25k
text_len
int64
32
3.12k
src
stringclasses
7 values
werden wel minder klachten aangegeven bij respectievelijk liggen op de linkerzij dan op de rechter zij,## en bij zitten met steun in de rug of met het bedeinde omhoog (## cm) dan bij liggen ## Ook onderzoek bij refluxpatiënten en gezonden met pH-meting en zuurklaringstest laten wisselende resultaten zien in één onderzoek werd geen effect van houding gezien;## in een ander onderzoek werd een ongunstig effect gezien van slapen op de rechterzij (pH-meting en zuurklaringstijd) ## Roken Er werd één onderzoek gevonden naar het effect van roken op de klachten refluxpatiënten die meer dan ## sigaretten per dag rookten, hadden statistisch significant meer episoden met Overgewicht Drie onderzoeken laten wisselend resultaat zien in één onderzoek bij obesitaspatiënten met refluxklachten had gewichtsverlies geen effect op de klachten;## in twee onderzoeken was er wel effect Het eerste onderzoek betreft een vergelijkend onderzoek bij refluxpatiënten ## Het tweede is een dubbelblind gerandomiseerd onderzoek bij gezonde Kanttekening bij dit laatste onderzoek is dat alleen effect gezien werd bij patiënten met een Er is onvoldoende bewijs van een effect op refluxklachten van koffie, alcohol, vetrijke maaltijden, frisdranken, zure dranken en pepermunt Mogelijk hebben het verhogen van het bedeinde en het slapen op de linkerzij Mogelijk heeft stoppen met roken een gunstig effect op refluxklachten Pehl#, Penagini#, Pehl#, Nebel#, Pehl#, Vitale#, Wright#, Murhy#, Price##, Vooralsnog is er onvoldoende bewijs voor een gunstig effect op refluxklachten van vermindering van overmatig lichaamsgewicht Anders dan bij medicamenteuze adviezen zijn er aan niet-medicamenteuze adviezen geen de patiënt handvatten geven zelf wat aan de klachten te doen Uit focusgroepverslagen en een vragenlijstonderzoek naar verwachtingen bij patiënten blijkt dat patiënten ook niet-medicamenteuze adviezen op prijs stellen (zie hoofdstuk #) Daarnaast blijkt uit de praktijk dat patiënten aangeven baat te hebben bij niet-medicamenteuze adviezen Dit lijkt meer het geval te zijn voor adviezen betreffende de houding (met name indien de klachten voornamelijk ’s nachts optreden) dan voor het vermijden van bepaalde voedingsmiddelen, stoppen met roken en afvallen Hoewel er wetenschappelijk gezien onvoldoende bewijs is voor de effectiviteit van nietmedicamenteuze adviezen bij refluxpatiënten, lijkt het gerechtvaardigd bij refluxpatiënten houdingsadviezen te geven, met name indien de klachten voornamelijk ’s nachts ## <PERSOON> WC A comparison of high and low fat meals on postprandial esophageal acid ## Katz LC, <PERSOON> DO Body position affects recumbent postprandial reflux <PERSOON> SC, Kikendall JW, Maydonovitch C, <PERSOON> LF Effect of smoking on gastroesophageal reflux measured by ## <PERSOON> S, <PERSOON> reflux in obese patients is not reduced by weight reduction De arts dient de ervaren voedingsintoleranties (koffie, alcohol, vetrijke maaltijden, uien, frisdranken, zure dranken en pepermunt) te respecteren en kan de patiënt eventueel ## <PERSOON> AR, Holmes GKT Weight loss has an independent beneficial effects on symptoms of gastro-oesophageal reflux in patients who are overweight.
599
nvmdl
handvatten geven zelf wat aan de klachten te doen Uit focusgroepverslagen en een vragenlijstonderzoek naar verwachtingen bij patiënten blijkt dat patiënten ook niet-medicamenteuze adviezen op prijs stellen (zie hoofdstuk #) Daarnaast blijkt uit de praktijk dat patiënten aangeven baat te hebben bij niet-medicamenteuze adviezen Dit lijkt meer het geval te zijn voor adviezen betreffende de houding (met name indien de klachten voornamelijk ’s nachts optreden) dan voor het vermijden van bepaalde voedingsmiddelen, stoppen met roken en afvallen Hoewel er wetenschappelijk gezien onvoldoende bewijs is voor de effectiviteit van nietmedicamenteuze adviezen bij refluxpatiënten, lijkt het gerechtvaardigd bij refluxpatiënten houdingsadviezen te geven, met name indien de klachten voornamelijk ’s nachts ## <PERSOON> WC A comparison of high and low fat meals on postprandial esophageal acid ## Katz LC, <PERSOON> DO Body position affects recumbent postprandial reflux <PERSOON> SC, Kikendall JW, Maydonovitch C, <PERSOON> LF Effect of smoking on gastroesophageal reflux measured by ## <PERSOON> S, <PERSOON> reflux in obese patients is not reduced by weight reduction De arts dient de ervaren voedingsintoleranties (koffie, alcohol, vetrijke maaltijden, uien, frisdranken, zure dranken en pepermunt) te respecteren en kan de patiënt eventueel ## <PERSOON> AR, Holmes GKT Weight loss has an independent beneficial effects on symptoms of gastro-oesophageal reflux in patients who are overweight ###-## ## <PERSOON> LMH, Tytgat GNJ Twenty-four-hour pH measurements in morbid obesity effects of massive over- weight, weight loss and gastric distension <PERSOON> effect of raw onion on acid reflux and reflux symptoms <PERSOON-##> effect of decaffeination of coffee on gastro-oesophageal reflux in patients <PERSOON-##> PA Effect of increasing the fat content but not tje energy load of a meal on gastro- <PERSOON-##> effects of white and red wine on lower esophageal sphincter pressure Nebel OT, Castell DO Inhibition of the lower oesophageal sphincter by fat – a mechanism for fatty food intolerance <PERSOON-##> A Effect of low and high fat meals on lower <PERSOON-##> SA, <PERSOON-##> ME, <PERSOON-##> effect of alcohol on nocturnal gastroesophageal <PERSOON-##> adverse effect of chocolate on lower esophageal sphincter pressure Dig Dis Murhy DW, Castell DO Chocolate and heartburn evidence of increased esophageal acid exposure after chocolate oesophageal reflux and lower oesophageal sphincter motor function Gut ###;#<DATUM> # esophageal sphincter motility and gastroesophageal reflux in healthy subjects <PERSOON-##> KW, Castell DO.
542
nvmdl
## <PERSOON> LMH, Tytgat GNJ Twenty-four-hour pH measurements in morbid obesity effects of massive over- weight, weight loss and gastric distension <PERSOON> effect of raw onion on acid reflux and reflux symptoms <PERSOON> effect of decaffeination of coffee on gastro-oesophageal reflux in patients <PERSOON> PA Effect of increasing the fat content but not tje energy load of a meal on gastro- <PERSOON> effects of white and red wine on lower esophageal sphincter pressure Nebel OT, Castell DO Inhibition of the lower oesophageal sphincter by fat – a mechanism for fatty food intolerance <PERSOON> A Effect of low and high fat meals on lower <PERSOON> SA, <PERSOON> ME, <PERSOON> effect of alcohol on nocturnal gastroesophageal <PERSOON-##> adverse effect of chocolate on lower esophageal sphincter pressure Dig Dis Murhy DW, Castell DO Chocolate and heartburn evidence of increased esophageal acid exposure after chocolate oesophageal reflux and lower oesophageal sphincter motor function Gut ###;#<DATUM> # esophageal sphincter motility and gastroesophageal reflux in healthy subjects <PERSOON-##> KW, Castell DO Gastroenterology ###;#<DATUM> ### ## Salmon PR, Fedail SS, Wurzner RF, Read AE Effect of coffee on human lower oesophageal function <PERSOON-##> action of a carminative on the lower esophageal sphincter Gastroenterol ###;## <DATUM> <PERSOON-##> JT, Fromkes JJ, Mekjian HS, Caldwell JH Inhibitory effect of coffee on lower esophageal ## <PERSOON-##> JI Relative stimulatory effects of commonly ingested beverages on gastric acid ## <PERSOON-##> U, et al Effekt der kopferhöhten Bettlage in ## <PERSOON-##> effect of posture on gastroesophageal reflux event frequency on ## <PERSOON-##> JR Effects of posture on gastro-oesophageal reflux Digestion ###;<DATUM> # laagcalorisch dieet met wekelijkse bijeenkomsten gedurende zes weken; na overgangsperiode over op hypocalorisch plus advies over dieet en fysieke inspanning, medische begeleiding; controle de tijd dat pH ( # was, idem rechtop, gewichtsverlies (## kg) leek reflux en groter % van de tijd een lage dan bij geen oesofagitis, geen verschil bij houding liggend met één of twee kussens, intra-oesophagus-pH en afgeleiden, metingen in twee liggingen bed-up versus en bedup beter dan lig; % van de tijd dat lig (## patiënten, ## metingen), lig versus pH laag is bed-up beter dan lig en dan zit;.
551
nvmdl
###-### ## Salmon PR, Fedail SS, Wurzner RF, Read AE Effect of coffee on human lower oesophageal function <PERSOON> action of a carminative on the lower esophageal sphincter Gastroenterol ###;## <DATUM> <PERSOON> JT, Fromkes JJ, Mekjian HS, Caldwell JH Inhibitory effect of coffee on lower esophageal ## <PERSOON> JI Relative stimulatory effects of commonly ingested beverages on gastric acid ## <PERSOON> U, et al Effekt der kopferhöhten Bettlage in ## <PERSOON> effect of posture on gastroesophageal reflux event frequency on ## <PERSOON> JR Effects of posture on gastro-oesophageal reflux Digestion ###;<DATUM> # laagcalorisch dieet met wekelijkse bijeenkomsten gedurende zes weken; na overgangsperiode over op hypocalorisch plus advies over dieet en fysieke inspanning, medische begeleiding; controle de tijd dat pH ( # was, idem rechtop, gewichtsverlies (## kg) leek reflux en groter % van de tijd een lage dan bij geen oesofagitis, geen verschil bij houding liggend met één of twee kussens, intra-oesophagus-pH en afgeleiden, metingen in twee liggingen bed-up versus en bedup beter dan lig; % van de tijd dat lig (## patiënten, ## metingen), lig versus pH laag is bed-up beter dan lig en dan zit; van het bedeinde; groep # tevens cisapride antacida in beide geen verschil Vraag ## Wat is de volgende beleidstap in geval van onvoldoende respons op Is in het beleid van de patiënt met chronisch recidiverende maagklachten besloten tot een proefbehandeling met protonpompremmers (PPI), dan zullen vooral de patiënten met een zuurgebonden achtergrond van klachten daarop vermindering van klachten krijgen Dat zijn naast de patiënten met overwegend refluxsymptomen, ook degenen met een peptisch ulcus Ervaart de patiënt na twee weken behandeling met PPI geen vermindering van klachten, dan is voortzetting weinig zinvol en moet een andere beleidsoptie worden gekozen Er zijn geen studies bekend waarin specifiek in de patiëntengroep bij wie een initiële behandeling met PPI geen effect had, H pylori-’test and treat’ is vergeleken met directe endoscopie Wel zijn de beide strategieën vergeleken in de ‘algemene’ patiëntengroep met maagklachten, onder andere in een groot onderzoek in Denemarken # Daarbij bleek dat de H pylori-’test and treat’-benadering ten minste even effectief was als directe endoscopie in termen van symptoomreductie en verbetering van kwaliteit van leven Echter, patiënten die directe endoscopie Er zijn geen onderzoeksgegevens voorhanden op grond waarvan een keuze voor het vervolgbeleid na een niet-succesvolle proefbehandeling met een Indien de patiënt niet reageert op twee weken behandeling met adequate zuurremming, is een zuurgebonden achtergrond van de klachten (refluxziekte) praktisch uitgesloten Indien er toch ulcuslijden zou zijn, zou ten minste enige symptoomverlichting op een standaarddosering met PPI mogen worden verwacht Hoewel een H pylori-’test and treat’-beleid na een negatieve.
605
nvmdl
geen verschil Vraag ## Wat is de volgende beleidstap in geval van onvoldoende respons op Is in het beleid van de patiënt met chronisch recidiverende maagklachten besloten tot een proefbehandeling met protonpompremmers (PPI), dan zullen vooral de patiënten met een zuurgebonden achtergrond van klachten daarop vermindering van klachten krijgen Dat zijn naast de patiënten met overwegend refluxsymptomen, ook degenen met een peptisch ulcus Ervaart de patiënt na twee weken behandeling met PPI geen vermindering van klachten, dan is voortzetting weinig zinvol en moet een andere beleidsoptie worden gekozen Er zijn geen studies bekend waarin specifiek in de patiëntengroep bij wie een initiële behandeling met PPI geen effect had, H pylori-’test and treat’ is vergeleken met directe endoscopie Wel zijn de beide strategieën vergeleken in de ‘algemene’ patiëntengroep met maagklachten, onder andere in een groot onderzoek in Denemarken # Daarbij bleek dat de H pylori-’test and treat’-benadering ten minste even effectief was als directe endoscopie in termen van symptoomreductie en verbetering van kwaliteit van leven Echter, patiënten die directe endoscopie Er zijn geen onderzoeksgegevens voorhanden op grond waarvan een keuze voor het vervolgbeleid na een niet-succesvolle proefbehandeling met een Indien de patiënt niet reageert op twee weken behandeling met adequate zuurremming, is een zuurgebonden achtergrond van de klachten (refluxziekte) praktisch uitgesloten Indien er toch ulcuslijden zou zijn, zou ten minste enige symptoomverlichting op een standaarddosering met PPI mogen worden verwacht Hoewel een H pylori-’test and treat’-beleid na een negatieve erg klein dat het in dat geval ook tot symptoomreductie leidt Met een negatief resultaat van PPI-proefbehandeling daalt de kans op reflux- en ulcusziekte en stijgt de kans op een functionele achtergrond van de klachten Bovendien neemt in deze fase de behoefte aan diagnostische zekerheid toe, zowel bij de arts als de patiënt Vooral op oudere leeftijd moet altijd rekening gehouden worden met de (kleine) kans op een onderliggende maligniteit Hoewel beide opties na een negatieve PPI-proefbehandeling dus gerechtvaardigd zijn, bestaat er op grond van bovenstaande een relatieve voorkeur voor endoscopie, met name bij oudere patiënten Bij (een deel van de) jongere patiënten kan endoscopie worden voorkomen Indien de patiënt niet reageert op een proefbehandeling met protonpompremmers, kan zowel een endoscopie als een H pylori-test worden overwogen Met name bij oudere patiënten en bij een sterke behoefte aan diagnostische zekerheid heeft endoscopie een <PERSOON> OB Helicobacter pylori test-and-eradicate versus Vraag ## Wat is het beleid bij een endoscopisch vastgestelde aandoening (a) Vraag ##a Wat is het beleid bij een endoscopisch vastgesteld ulcus pepticum? Het adagium ‘geen maagzuur, geen ulcus’ gaat nog steeds op Toch heeft de ontdekking van de H pylori-infectie als pathogenetische factor een revolutie teweeggebracht in de behandeling van het peptisch ulcus, dat nu als een infectieziekte wordt gezien Het is echter nog onduidelijk hoe deze infectie het ontstaan van een ulcus beïnvloedt, terwijl bij de meeste geïnfecteerde.
580
nvmdl
ook tot symptoomreductie leidt Met een negatief resultaat van PPI-proefbehandeling daalt de kans op reflux- en ulcusziekte en stijgt de kans op een functionele achtergrond van de klachten Bovendien neemt in deze fase de behoefte aan diagnostische zekerheid toe, zowel bij de arts als de patiënt Vooral op oudere leeftijd moet altijd rekening gehouden worden met de (kleine) kans op een onderliggende maligniteit Hoewel beide opties na een negatieve PPI-proefbehandeling dus gerechtvaardigd zijn, bestaat er op grond van bovenstaande een relatieve voorkeur voor endoscopie, met name bij oudere patiënten Bij (een deel van de) jongere patiënten kan endoscopie worden voorkomen Indien de patiënt niet reageert op een proefbehandeling met protonpompremmers, kan zowel een endoscopie als een H pylori-test worden overwogen Met name bij oudere patiënten en bij een sterke behoefte aan diagnostische zekerheid heeft endoscopie een <PERSOON> OB Helicobacter pylori test-and-eradicate versus Vraag ## Wat is het beleid bij een endoscopisch vastgestelde aandoening (a) Vraag ##a Wat is het beleid bij een endoscopisch vastgesteld ulcus pepticum? Het adagium ‘geen maagzuur, geen ulcus’ gaat nog steeds op Toch heeft de ontdekking van de H pylori-infectie als pathogenetische factor een revolutie teweeggebracht in de behandeling van het peptisch ulcus, dat nu als een infectieziekte wordt gezien Het is echter nog onduidelijk hoe deze infectie het ontstaan van een ulcus beïnvloedt, terwijl bij de meeste geïnfecteerde een ulcus ventriculi H pylori in het maagslijmvlies bij zich Na effectieve behandeling van de infectie zal het ulcus bij vrijwel geen van deze patiënten terugkeren, terwijl vroeger na therapie met maagzuurremming bij ## tot ##% van de patiënten binnen een jaar een recidief optrad Indien tegenwoordig toch een recidief optreedt, is er meestal een persisterende H pyloriinfectie De prevalentie van het ulcus pepticum is inmiddels sterk afgenomen en daalt nog steeds Met de grootschalige eradicatie van de bacterie neemt het aandeel H pylori-negatieve ulcera toe, zodat de genoemde infectiepercentages in de toekomst zullen moeten worden bijgesteld De meeste H pylori-negatieve ulcera worden waarschijnlijk door het gebruik van Alle beschikbare studies laten zien dat eradicatie bij het H pylori-positieve ulcus duodeni en ventriculi de beste strategie is voor zowel de acute behandeling als het voorkómen van recidieven; bij de behandeling van het H pylori-negatieve ulcus is therapie met een protonpompremmer het effectiefst <DATUM> Bij de behandeling van patiënten met een acuut ulcus duodeni of een H pylori-positief ulcus ventriculi is eradicatie van H pylori het effectiefst Het therapeutische beleid bij een endoscopisch vastgesteld ulcus bestaat uit • ulcus duodeni en H pylori-positief ulcus ventriculi eradicatie van H pylori; bij het ulcus ventriculi gevolgd door drie weken nabehandeling met een protonpompremmer; Voor de behandeling van patiënten met een H pylori-negatief ulcus ventriculi of duodeni is zuurremming met een protonpompremmer het effectiefst Zes weken na aanvang van de behandeling van een aangetoond ulcus ventriculi dient.
566
nvmdl
Na effectieve behandeling van de infectie zal het ulcus bij vrijwel geen van deze patiënten terugkeren, terwijl vroeger na therapie met maagzuurremming bij ## tot ##% van de patiënten binnen een jaar een recidief optrad Indien tegenwoordig toch een recidief optreedt, is er meestal een persisterende H pyloriinfectie De prevalentie van het ulcus pepticum is inmiddels sterk afgenomen en daalt nog steeds Met de grootschalige eradicatie van de bacterie neemt het aandeel H pylori-negatieve ulcera toe, zodat de genoemde infectiepercentages in de toekomst zullen moeten worden bijgesteld De meeste H pylori-negatieve ulcera worden waarschijnlijk door het gebruik van Alle beschikbare studies laten zien dat eradicatie bij het H pylori-positieve ulcus duodeni en ventriculi de beste strategie is voor zowel de acute behandeling als het voorkómen van recidieven; bij de behandeling van het H pylori-negatieve ulcus is therapie met een protonpompremmer het effectiefst <DATUM> Bij de behandeling van patiënten met een acuut ulcus duodeni of een H pylori-positief ulcus ventriculi is eradicatie van H pylori het effectiefst Het therapeutische beleid bij een endoscopisch vastgesteld ulcus bestaat uit • ulcus duodeni en H pylori-positief ulcus ventriculi eradicatie van H pylori; bij het ulcus ventriculi gevolgd door drie weken nabehandeling met een protonpompremmer; Voor de behandeling van patiënten met een H pylori-negatief ulcus ventriculi of duodeni is zuurremming met een protonpompremmer het effectiefst Zes weken na aanvang van de behandeling van een aangetoond ulcus ventriculi dient Er is geen verschil in het bereikte resultaat tussen de verschillende beschikbare preparaten Behandeling gedurende vier weken met een standaarddosis protonpompremmer resulteert in genezingspercentages boven ##% Het is onduidelijk hoe groot de recidiefkans na het <PERSOON> G, <PERSOON> term treatment of gastric ulcer a meta <PERSOON> H <PERSOON>-analysis of RCTs comparing lansoprazole with ranitidine or famotidine in <PERSOON> and H#-receptor antagonists in the acute analytical evaluation of blind trials Dig Dis Sci ###;#<DATUM> ## the treatment of acute duodenal ulcer <PERSOON> bij endoscopisch onderzoek een ulcus duodeni wordt vastgesteld, wordt het testen op de aanwezigheid van H pylori niet zinvol geacht gezien het hoge infectiepercentage <PERSOON>, de sensitiviteit van de meeste tests is niet hoger dan ##% Testen is wel zinvol als de prevalentie van H pylori-infectie bij het ulcus duodeni in de toekomst onder ##% daalt of bij NSAIDgebruik Bij patiënten met een ulcus ventriculi wordt testen wel zinvol geacht, omdat bij ##% Kweken en bepaling van de antibiotische resistentie van H pylori in endoscopisch verkregen maagbiopten wordt alleen geadviseerd indien de initiële therapie faalt en in de praktijk vaak pas verricht indien ook een tweede kuur geen effect heeft gehad Na behandeling van een ongecompliceerd ulcus met eradicatietherapie is geen verdere behandeling nodig.
543
nvmdl
in het bereikte resultaat tussen de verschillende beschikbare preparaten Behandeling gedurende vier weken met een standaarddosis protonpompremmer resulteert in genezingspercentages boven ##% Het is onduidelijk hoe groot de recidiefkans na het <PERSOON> G, <PERSOON> term treatment of gastric ulcer a meta <PERSOON> H <PERSOON>-analysis of RCTs comparing lansoprazole with ranitidine or famotidine in <PERSOON> and H#-receptor antagonists in the acute analytical evaluation of blind trials Dig Dis Sci ###;#<DATUM> ## the treatment of acute duodenal ulcer <PERSOON> bij endoscopisch onderzoek een ulcus duodeni wordt vastgesteld, wordt het testen op de aanwezigheid van H pylori niet zinvol geacht gezien het hoge infectiepercentage <PERSOON>, de sensitiviteit van de meeste tests is niet hoger dan ##% Testen is wel zinvol als de prevalentie van H pylori-infectie bij het ulcus duodeni in de toekomst onder ##% daalt of bij NSAIDgebruik Bij patiënten met een ulcus ventriculi wordt testen wel zinvol geacht, omdat bij ##% Kweken en bepaling van de antibiotische resistentie van H pylori in endoscopisch verkregen maagbiopten wordt alleen geadviseerd indien de initiële therapie faalt en in de praktijk vaak pas verricht indien ook een tweede kuur geen effect heeft gehad Na behandeling van een ongecompliceerd ulcus met eradicatietherapie is geen verdere behandeling nodig ulcus duodeni, evenals controle op effectiviteit van de eradicatie, doorgaans niet uitgevoerd Dit wordt pas gedaan wanneer de klachten persisteren of recidiveren Een eventuele resistentiebepaling kan dan ook plaatsvinden Indien het ulcus gecompliceerd is geweest, bijvoorbeeld met een bloeding of perforatie, dient altijd controle op de effectiviteit van de eradicatie plaats te vinden, mogelijk door een controle-endoscopie Na behandeling van het ulcus ventriculi is altijd endoscopische controle (na ongeveer zes weken) noodzakelijk, wederom met biopten, om een eventuele eerder gemiste maligniteit alsnog uit te sluiten treatment of duodenal ulcer, gastric ulcer and reflux esofagitis a meta analysis <PERSOON> RH Ulcer disease and Helicobacter pylori infection etiology and treatment In <PERSOON> AK, Feagan BG (eds) Evidence based gastroenterology <PERSOON-##> DL Omeprazole and ranitidine in duodenal ulcer healing analysis of comparative clinical trials <PERSOON-##> WK Peptic ulcer disease Lancet ###;### ###-## Resultaten bij acuut ulcus of refluxoesofagitis van H#-receptorantagonisten versus protonpompremmers UV = ulcus ventriculi; UD = ulcus duodeni; H#RA = H#-receptorantagonisten; PPI = protonpompremmers; NSAID = nietsteroïde antiïnflammatoir geneesmiddel ) = beter, )) = veel beter; ‘=’ = geen statistisch significant verschil; ( = slechter; (( = veel slechter genezing Bij de meeste patiënten met oesofagitis is een protonpompremmer in standaarddosering effectief; een minderheid geneest alleen met een hogere dosis #.
572
nvmdl
eradicatie, doorgaans niet uitgevoerd Dit wordt pas gedaan wanneer de klachten persisteren of recidiveren Een eventuele resistentiebepaling kan dan ook plaatsvinden Indien het ulcus gecompliceerd is geweest, bijvoorbeeld met een bloeding of perforatie, dient altijd controle op de effectiviteit van de eradicatie plaats te vinden, mogelijk door een controle-endoscopie Na behandeling van het ulcus ventriculi is altijd endoscopische controle (na ongeveer zes weken) noodzakelijk, wederom met biopten, om een eventuele eerder gemiste maligniteit alsnog uit te sluiten treatment of duodenal ulcer, gastric ulcer and reflux esofagitis a meta analysis <PERSOON> RH Ulcer disease and Helicobacter pylori infection etiology and treatment In <PERSOON> AK, Feagan BG (eds) Evidence based gastroenterology <PERSOON> DL Omeprazole and ranitidine in duodenal ulcer healing analysis of comparative clinical trials <PERSOON> WK Peptic ulcer disease Lancet ###;### ###-## Resultaten bij acuut ulcus of refluxoesofagitis van H#-receptorantagonisten versus protonpompremmers UV = ulcus ventriculi; UD = ulcus duodeni; H#RA = H#-receptorantagonisten; PPI = protonpompremmers; NSAID = nietsteroïde antiïnflammatoir geneesmiddel ) = beter, )) = veel beter; ‘=’ = geen statistisch significant verschil; ( = slechter; (( = veel slechter genezing Bij de meeste patiënten met oesofagitis is een protonpompremmer in standaarddosering effectief; een minderheid geneest alleen met een hogere dosis # Endoscopie heeft met name nog een plaats bij Na acht weken behandeling geneest het merendeel van de patiënten met een standaardbehandeling met protonpompremmers Bij een minderheid van de patiënten, namelijk die met een oesofagitis graad III-IV (≈ C-D), is deze behandeling niet adequaat De duur van de behandeling hangt af van de ernst van de oesofagitis bij een oppervlakkige ontsteking volstaat twee weken, bij ernstige behandeling is drie maanden behandeling geïndiceerd Patiënten met endoscopisch vastgestelde oesofagitis graad I-II (≈ A-B) worden behandeld met een protonpompremmer in een standaarddosering gedurende acht weken Indien hiermee onvoldoende symptoombestrijding wordt bereikt, volgt behandeling met een Patiënten met een endoscopisch vastgestelde oesofagitis graad III-IV (≈ C-D) worden behandeld met een protonpompremmer in een standaarddosering gedurende minstens acht weken Indien daarmee onvoldoende symptoombestrijding wordt bereikt, volgt behandeling met een dubbele dosering van de protonpompremmer Na ## weken volgt altijd endoscopische controle Bij deze patiënten is er tevens een indicatie voor het geven Na acht weken behandeling met een protonpompremmer geneest ##-##% van de patiënten graad I (≈ A) ##% lager en bewerkstelligen bij graad III-IV (≈ C-D) bij ##% van de patiënten Vraag ##b Wat is het beleid bij endoscopisch vastgestelde oesofagitis? Een oesofagitis, gedefinieerd als endoscopisch zichtbare onderbrekingen van de oesofageale mucosa, wordt gezien bij minder dan de helft van de patiënten met hinderlijke refluxklachten Endoscopie maakt het mogelijk de ernst van de oesofagitis vast te stellen Dit kan klinisch relevant zijn omdat patiënten met ernstige vormen van oesofagitis (Savary-Miller-classificatie graad III-IV of <PERSOON> Angeles-classificatie graad C-D) een hoger risico hebben op het ontwikkelen.
639
nvmdl
merendeel van de patiënten met een standaardbehandeling met protonpompremmers Bij een minderheid van de patiënten, namelijk die met een oesofagitis graad III-IV (≈ C-D), is deze behandeling niet adequaat De duur van de behandeling hangt af van de ernst van de oesofagitis bij een oppervlakkige ontsteking volstaat twee weken, bij ernstige behandeling is drie maanden behandeling geïndiceerd Patiënten met endoscopisch vastgestelde oesofagitis graad I-II (≈ A-B) worden behandeld met een protonpompremmer in een standaarddosering gedurende acht weken Indien hiermee onvoldoende symptoombestrijding wordt bereikt, volgt behandeling met een Patiënten met een endoscopisch vastgestelde oesofagitis graad III-IV (≈ C-D) worden behandeld met een protonpompremmer in een standaarddosering gedurende minstens acht weken Indien daarmee onvoldoende symptoombestrijding wordt bereikt, volgt behandeling met een dubbele dosering van de protonpompremmer Na ## weken volgt altijd endoscopische controle Bij deze patiënten is er tevens een indicatie voor het geven Na acht weken behandeling met een protonpompremmer geneest ##-##% van de patiënten graad I (≈ A) ##% lager en bewerkstelligen bij graad III-IV (≈ C-D) bij ##% van de patiënten Vraag ##b Wat is het beleid bij endoscopisch vastgestelde oesofagitis? Een oesofagitis, gedefinieerd als endoscopisch zichtbare onderbrekingen van de oesofageale mucosa, wordt gezien bij minder dan de helft van de patiënten met hinderlijke refluxklachten Endoscopie maakt het mogelijk de ernst van de oesofagitis vast te stellen Dit kan klinisch relevant zijn omdat patiënten met ernstige vormen van oesofagitis (Savary-Miller-classificatie graad III-IV of <PERSOON> Angeles-classificatie graad C-D) een hoger risico hebben op het ontwikkelen graad van ernst, sneller en bij meer patiënten dan met een H#-receptorantagonist Genezingspercentages zijn afhankelijk van de ernst van de initiële <PERSOON> CJ de, Wilkinson JM, Hunt RH Speed of healing and symptom relief in grade II to IV gastroesophageal <PERSOON> Z, <PERSOON> DA Diagnostic evaluation in gastroesophageal reflux disease Gastroenterol Clin North Am Ofman JJ Decision making in gastroesophageal reflux disease What are the critical issues? Gastroenterol Clin Ten aanzien van psychische factoren is er in de meeste studies een samenhang met functionele dyspepsie <DATUM> Dit verband wordt echter niet in elke studie bevestigd # Voor alcoholgebruik is geen samenhang met functionele maagklachten gevonden #,# Roken lijkt een risicofactor voor het ontstaan van functionele maagklachten op basis van één goed uitgevoerde studie; daar werd een odds ratio van #,## (##%-BI #,<DATUM> ##) berekend # In een andere studie waren er minder rokers onder patiënten met functionele dyspepsie dan onder die met organische dyspepsie;# in twee methodologische zwakkere studies werd dit Het voedingspatroon van patiënten met functionele maagklachten wijkt op enkele aspecten af van gezonden Met name valt op dat patiënten met functionele maagklachten minder vaak drie maaltijden gebruiken; ook vermijdt een belangrijk deel van de patiënten sommige etenswaren # Snelheid van genezing van oesofagitis bij verschillende medicijnen genezing PPI ) H#RA ) sucralfaat ) placebo Motiliteitsstoornissen zijn aanwezig bij ##% van de patiënten met functionele Van functionele maagklachten wordt gesproken bij pijn of ongemak in de bovenbuik,.
634
nvmdl
graad van ernst, sneller en bij meer patiënten dan met een H#-receptorantagonist Genezingspercentages zijn afhankelijk van de ernst van de initiële <PERSOON> CJ de, Wilkinson JM, Hunt RH Speed of healing and symptom relief in grade II to IV gastroesophageal <PERSOON> Z, <PERSOON> DA Diagnostic evaluation in gastroesophageal reflux disease Gastroenterol Clin North Am Ofman JJ Decision making in gastroesophageal reflux disease What are the critical issues? Gastroenterol Clin Ten aanzien van psychische factoren is er in de meeste studies een samenhang met functionele dyspepsie <DATUM> Dit verband wordt echter niet in elke studie bevestigd # Voor alcoholgebruik is geen samenhang met functionele maagklachten gevonden #,# Roken lijkt een risicofactor voor het ontstaan van functionele maagklachten op basis van één goed uitgevoerde studie; daar werd een odds ratio van #,## (##%-BI #,<DATUM> ##) berekend # In een andere studie waren er minder rokers onder patiënten met functionele dyspepsie dan onder die met organische dyspepsie;# in twee methodologische zwakkere studies werd dit Het voedingspatroon van patiënten met functionele maagklachten wijkt op enkele aspecten af van gezonden Met name valt op dat patiënten met functionele maagklachten minder vaak drie maaltijden gebruiken; ook vermijdt een belangrijk deel van de patiënten sommige etenswaren # Snelheid van genezing van oesofagitis bij verschillende medicijnen genezing PPI ) H#RA ) sucralfaat ) placebo Motiliteitsstoornissen zijn aanwezig bij ##% van de patiënten met functionele Van functionele maagklachten wordt gesproken bij pijn of ongemak in de bovenbuik, maar waarvoor na aanvullende (endoscopische) diagnostiek geen organische oorzaak is gevonden # Het ontbreken van afwijkingen betekent dat de diagnose ‘functionele maagklachten’ dus per exclusionem moet worden gesteld Er is een belangrijke overlap van de patiënten met dyspepsie voldoet tevens aan de criteria voor deze aandoening # In deze richtlijn beperken wij ons tot uitspraken over patiënten met maagklachten Psychische factoren zijn vaak aantoonbaar, maar een etiologisch verband is Voor alcoholgebruik wordt geen samenhang gevonden met functionele Vraag ##a Welke factoren liggen ten grondslag aan functionele maagklachten? Ten aanzien van roken zijn de resultaten niet eenduidig; ten opzichte van gezonde controlepersonen lijkt er wel een risico te bestaan Endoscopie sluit alleen erosieve refluxziekte, peptisch ulcuslijden en maligniteiten uit Psychische factoren worden evenals NSAID-gebruik, roken, alcohol en voedingsmiddelen als oorzaak van functionele maagklachten met endoscopie niet onderzocht Voor het verdere beleid, vooral de te verwachten therapierespons, is het bestaan van deze aandoeningen van belang Er is geen causaal verband tussen voeding en functionele maagklachten, Motiliteitsstoornissen zijn bij ##% van de patiënten met functionele maagklachten aanwezig, maar door het ontbreken van prospectieve studies is een etiologisch verband niet aantoonbaar <DATUM> Quigley EMM ##-h pH monitoring for gastroesophageal reflux disease already standard but not yet gold? Am J ## <PERSOON> AR Gastroesophageal reflux disease diagnosis and management Am Fam Physician ###;#<DATUM> #, prevalentie prognostische factoren (onder andere Hp, familie, alcohol, roken koffie en cola) geen verschil tussen FD en controlepersonen aantal zelfgerapporteerde ‘life events’.
618
nvmdl
oorzaak is gevonden # Het ontbreken van afwijkingen betekent dat de diagnose ‘functionele maagklachten’ dus per exclusionem moet worden gesteld Er is een belangrijke overlap van de patiënten met dyspepsie voldoet tevens aan de criteria voor deze aandoening # In deze richtlijn beperken wij ons tot uitspraken over patiënten met maagklachten Psychische factoren zijn vaak aantoonbaar, maar een etiologisch verband is Voor alcoholgebruik wordt geen samenhang gevonden met functionele Vraag ##a Welke factoren liggen ten grondslag aan functionele maagklachten? Ten aanzien van roken zijn de resultaten niet eenduidig; ten opzichte van gezonde controlepersonen lijkt er wel een risico te bestaan Endoscopie sluit alleen erosieve refluxziekte, peptisch ulcuslijden en maligniteiten uit Psychische factoren worden evenals NSAID-gebruik, roken, alcohol en voedingsmiddelen als oorzaak van functionele maagklachten met endoscopie niet onderzocht Voor het verdere beleid, vooral de te verwachten therapierespons, is het bestaan van deze aandoeningen van belang Er is geen causaal verband tussen voeding en functionele maagklachten, Motiliteitsstoornissen zijn bij ##% van de patiënten met functionele maagklachten aanwezig, maar door het ontbreken van prospectieve studies is een etiologisch verband niet aantoonbaar <DATUM> Quigley EMM ##-h pH monitoring for gastroesophageal reflux disease already standard but not yet gold? Am J ## <PERSOON> AR Gastroesophageal reflux disease diagnosis and management Am Fam Physician ###;#<DATUM> #, prevalentie prognostische factoren (onder andere Hp, familie, alcohol, roken koffie en cola) geen verschil tussen FD en controlepersonen aantal zelfgerapporteerde ‘life events’ vaker bij patiënten met FD dan bij patiënten met UD FD lagere energie-inname dan controlepersonen; minder vet, koolhydraten, dyspepsie, ### gezonde controlepersonen, ## prikkelbaredarmsyndroom, ## somatisatie ## McDougall NI, Johnston BT, Collins JSA, McFarland RJ, Love AHG Three- to <DATUM> year prospective study of prognostic <PERSOON> P, <PERSOON> MJ Food and nutrient intakes and eating patterns in functional and organic dyspepsia <PERSOON> B Non-ulcer dyspepsia and peptic ulcer the distribution in a population and functional dyspepsia and peptic ulcer disease in Greece A comparative prospective study <PERSOON> Med Interne (<PERSOON>) with functional dyspepsia and among dyspepsia subgroups <PERSOON> of various factors in patients with Talley NJ, Weaver AL, Zinsmeister AR Smoking, alcohol, and nonsteroidal anti-inflammatory drugs in outpatients in nonulcer dyspepsia and the irritable bowel syndrome Gastoenterology ###;#<DATUM> ## Talley NJ, Piper DW Major life stress and dyspepsia of inknown cause a case control study Gut ###;<DATUM> ## Talley NJ, Phillips SF, <PERSOON> CK, Zinsmeister AR, Melton LJ Relation among personality and symptom <PERSOON> analysis of factors distinguishing patients with functional dyspepsia from patients with duodenal ulcer Significance of somatization <PERSOON-##> A.
581
nvmdl
dan bij patiënten met UD FD lagere energie-inname dan controlepersonen; minder vet, koolhydraten, dyspepsie, ### gezonde controlepersonen, ## prikkelbaredarmsyndroom, ## somatisatie ## McDougall NI, Johnston BT, Collins JSA, McFarland RJ, Love AHG Three- to <DATUM> year prospective study of prognostic <PERSOON> P, <PERSOON> MJ Food and nutrient intakes and eating patterns in functional and organic dyspepsia <PERSOON> B Non-ulcer dyspepsia and peptic ulcer the distribution in a population and functional dyspepsia and peptic ulcer disease in Greece A comparative prospective study <PERSOON> Med Interne (<PERSOON>) with functional dyspepsia and among dyspepsia subgroups <PERSOON> of various factors in patients with Talley NJ, Weaver AL, Zinsmeister AR Smoking, alcohol, and nonsteroidal anti-inflammatory drugs in outpatients in nonulcer dyspepsia and the irritable bowel syndrome Gastoenterology ###;#<DATUM> ## Talley NJ, Piper DW Major life stress and dyspepsia of inknown cause a case control study Gut ###;<DATUM> ## Talley NJ, Phillips SF, <PERSOON> CK, Zinsmeister AR, Melton LJ Relation among personality and symptom <PERSOON> analysis of factors distinguishing patients with functional dyspepsia from patients with duodenal ulcer Significance of somatization <PERSOON> NJ de, <PERSOON-##> AC, Numans ME, <PERSOON-##> AW Disturbed solid-phase gastric emptying in vertraagde lediging bij ##-##% van patiënten met FD; lediging is #,# maal trager tweede en derde lijn; ## studies, ### patiënten met FD In het verdere beleid bij functionele dyspepsie dient de arts rekening te houden met psychische factoren, met rookgedrag en met een veranderd eetpatroon van de patiënt Op grond van afwezigheid van oesofagitis bij endoscopie mag pathologische reflux als oorzaak van de maagklachten niet worden uitgesloten ##,## Ook het ontbreken van voor reflux typische klachten (zuurbranden, zure oprispingen) sluiten pathologische reflux als oorzaak van klachten Factoren die (mogelijk) ten grondslag liggen aan functionele maagklachten Vraag ##b Wat is de prognose van functionele maagklachten? Functionele maagklachten worden vaak medicamenteus behandeld # Het effect van medicamenteuze behandeling bij deze groep is echter dubieus # De noodzaak en het belang van medicamenteuze interventie dienen dus tegen het natuurlijk beloop te worden afgewogen <PERSOON-##> HO Non-ulcer dyspepsia in the long-term perspective <PERSOON-##> AG, Loffeld RJ Functional dyspepsia has a good prognosis irrespective of H pylori status Long-term follow-up of symptoms after anti H pylori treatment Onderzoek naar de prognose van functionele maagklachten kent een variëteit aan uitkomsten die vergelijking lastig maakt De meeste studies laten echter een ongunstig beeld zien, variërend.
563
nvmdl
<PERSOON> NJ de, <PERSOON> AC, Numans ME, <PERSOON> AW Disturbed solid-phase gastric emptying in vertraagde lediging bij ##-##% van patiënten met FD; lediging is #,# maal trager tweede en derde lijn; ## studies, ### patiënten met FD In het verdere beleid bij functionele dyspepsie dient de arts rekening te houden met psychische factoren, met rookgedrag en met een veranderd eetpatroon van de patiënt Op grond van afwezigheid van oesofagitis bij endoscopie mag pathologische reflux als oorzaak van de maagklachten niet worden uitgesloten ##,## Ook het ontbreken van voor reflux typische klachten (zuurbranden, zure oprispingen) sluiten pathologische reflux als oorzaak van klachten Factoren die (mogelijk) ten grondslag liggen aan functionele maagklachten Vraag ##b Wat is de prognose van functionele maagklachten? Functionele maagklachten worden vaak medicamenteus behandeld # Het effect van medicamenteuze behandeling bij deze groep is echter dubieus # De noodzaak en het belang van medicamenteuze interventie dienen dus tegen het natuurlijk beloop te worden afgewogen <PERSOON> HO Non-ulcer dyspepsia in the long-term perspective <PERSOON> AG, Loffeld RJ Functional dyspepsia has a good prognosis irrespective of H pylori status Long-term follow-up of symptoms after anti H pylori treatment Onderzoek naar de prognose van functionele maagklachten kent een variëteit aan uitkomsten die vergelijking lastig maakt De meeste studies laten echter een ongunstig beeld zien, variërend ongunstig ##-##% van de patiënten houdt intermitterend of continu Medicamenteuze therapie van functionele maagklachten is over het algemeen teleurstellend wat betreft de effectiviteit ten opzichte van placebo (zie vraag ##c) De keuze voor een eventuele medicamenteuze behandeling dient afgewogen te worden tegen het natuurlijke beloop van Vraag ##c Wat is de klinische effectiviteit van farmacotherapie bij patiënten In het beleid bij patiënten met functionele maagklachten dient men rekening te houden met het persisterende en recidiverende <INSTELLING> van de klacht De patiënt dient hierover geïnformeerd te worden teneinde verkeerde verwachting ten aanzien van therapie te Vraag ##c# Wat is de klinische effectiviteit van zuurremming en prokinetica <PERSOON> JR Placebo in functional dyspepsia symptomatic, gastroin- De systematische, kwalitatieve review betreffende patiënten met maagklachten bij wie bij endoscopie geen afwijkingen te zien waren, laat zien dat zuurremmers enigszins effectief zijn bij functionele maagklachten # H#-receptorantagonisten waren effectiever dan protonpompremmers Dit heeft waarschijnlijk te maken met de methodologie de studies betreffende H#receptorantagonisten waren van minder goede kwaliteit dan de enige en kwalitatief goede en testinal motor, and gastric sensorial responses <PERSOON> DW Prognosis of chronic unexplained dyspepsia Gastroenterology omvangrijke studie (n = <DATUM> betreffende protonpompremmers Vooralsnog is er geen bewijs dat protonpompremmers effectiever dan H#-receptorantagonisten zijn bij functionele maagklachten Waarschijnlijk zijn zuurremmers bij functionele maagklachten vooral effectief Verder bleek uit de review dat prokinetica de effectiefste therapie bij functionele maagklachten zijn.
570
nvmdl
continu Medicamenteuze therapie van functionele maagklachten is over het algemeen teleurstellend wat betreft de effectiviteit ten opzichte van placebo (zie vraag ##c) De keuze voor een eventuele medicamenteuze behandeling dient afgewogen te worden tegen het natuurlijke beloop van Vraag ##c Wat is de klinische effectiviteit van farmacotherapie bij patiënten In het beleid bij patiënten met functionele maagklachten dient men rekening te houden met het persisterende en recidiverende <INSTELLING> van de klacht De patiënt dient hierover geïnformeerd te worden teneinde verkeerde verwachting ten aanzien van therapie te Vraag ##c# Wat is de klinische effectiviteit van zuurremming en prokinetica <PERSOON> JR Placebo in functional dyspepsia symptomatic, gastroin- De systematische, kwalitatieve review betreffende patiënten met maagklachten bij wie bij endoscopie geen afwijkingen te zien waren, laat zien dat zuurremmers enigszins effectief zijn bij functionele maagklachten # H#-receptorantagonisten waren effectiever dan protonpompremmers Dit heeft waarschijnlijk te maken met de methodologie de studies betreffende H#receptorantagonisten waren van minder goede kwaliteit dan de enige en kwalitatief goede en testinal motor, and gastric sensorial responses <PERSOON> DW Prognosis of chronic unexplained dyspepsia Gastroenterology omvangrijke studie (n = <DATUM> betreffende protonpompremmers Vooralsnog is er geen bewijs dat protonpompremmers effectiever dan H#-receptorantagonisten zijn bij functionele maagklachten Waarschijnlijk zijn zuurremmers bij functionele maagklachten vooral effectief Verder bleek uit de review dat prokinetica de effectiefste therapie bij functionele maagklachten zijn de geïncludeerde studies hadden methodologische tekortkomingen en waren klein van omvang Op één studie na betroffen alle studies cisapride Er was één placebogecontroleerde studie (overigens van matige kwaliteit) naar de effectiviteit van domperidon (n = ##; domperidon ## mg # dd versus placebo gedurende vier weken) Deze liet een statistisch significante verbetering van de klachten zien Bismutbevattende preparaten waren marginaal effectief Van antacida, sucralfaat en misoprostol werd de effectiviteit niet aangetoond Ze zijn echter alleen onderzocht in kleine patiëntengroepen Een andere meta-analyse beschrijft ## studies met <DATUM> patiënten waarin cisapride werd onderzocht versus placebo # De samengestelde odds ratio voor cisapride bedroeg #,## (##%-BI #,#<DATUM> ##) Er waren statistisch significante heterogeniteit en systematische bias; studiekwaliteit, al of niet gebruik van ‘run-in’-periode met placebo, land van publicatie, type tijdschrift en taal effectiever dan placebo bij functionele dyspepsie Onderlinge vergelijking functionele maagklachten Een klein deel van deze patiëntgroep lijdt aan niet-erosieve refluxziekte; bij hen zijn protonpompremmers effectiever gebleken dan H#-receptorantagonisten De toepassing van prokinetica is sinds het uitvoeren van de genoemde studies aanzienlijk ingeperkt door ernstige bijwerkingen die bij cisapride zijn geconstateerd Er zijn nagenoeg geen studies die de effectiviteit van domperidon onderbouwen Gezien de beperkte therapeutische opties bij deze patiëntengroep kan in individuele gevallen een proefbehandeling met dit Het effect van medicamenteuze therapie bij functionele maagklachten bestaat voornamelijk uit een placebo-effect Gelet op de effectiviteit en de kosten dient medicamenteuze therapie bij functionele maagklachten beperkt te zijn tot H#-receptorantagonisten.
585
nvmdl
de geïncludeerde studies hadden methodologische tekortkomingen en waren klein van omvang Op één studie na betroffen alle studies cisapride Er was één placebogecontroleerde studie (overigens van matige kwaliteit) naar de effectiviteit van domperidon (n = ##; domperidon ## mg # dd versus placebo gedurende vier weken) Deze liet een statistisch significante verbetering van de klachten zien Bismutbevattende preparaten waren marginaal effectief Van antacida, sucralfaat en misoprostol werd de effectiviteit niet aangetoond Ze zijn echter alleen onderzocht in kleine patiëntengroepen Een andere meta-analyse beschrijft ## studies met <DATUM> patiënten waarin cisapride werd onderzocht versus placebo # De samengestelde odds ratio voor cisapride bedroeg #,## (##%-BI #,#<DATUM> ##) Er waren statistisch significante heterogeniteit en systematische bias; studiekwaliteit, al of niet gebruik van ‘run-in’-periode met placebo, land van publicatie, type tijdschrift en taal effectiever dan placebo bij functionele dyspepsie Onderlinge vergelijking functionele maagklachten Een klein deel van deze patiëntgroep lijdt aan niet-erosieve refluxziekte; bij hen zijn protonpompremmers effectiever gebleken dan H#-receptorantagonisten De toepassing van prokinetica is sinds het uitvoeren van de genoemde studies aanzienlijk ingeperkt door ernstige bijwerkingen die bij cisapride zijn geconstateerd Er zijn nagenoeg geen studies die de effectiviteit van domperidon onderbouwen Gezien de beperkte therapeutische opties bij deze patiëntengroep kan in individuele gevallen een proefbehandeling met dit Het effect van medicamenteuze therapie bij functionele maagklachten bestaat voornamelijk uit een placebo-effect Gelet op de effectiviteit en de kosten dient medicamenteuze therapie bij functionele maagklachten beperkt te zijn tot H#-receptorantagonisten <PERSOON> interventions for non-ulcer dyspepsia <PERSOON> in the treatment of functional dyspepsia in patients with delayed gastric emptying (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software Cisapride is effectief bij functionele dyspepsie De effectiviteit van het Antacida en mucosaprotectiva zijn niet effectief bij functionele dyspepsie <PERSOON> D Use of cisapride in patients with non-ulcer dyspepsia a meta-analysis of De auteurs van de review registreren een placeborespons bij functionele dyspepsie van ##% De in de review besproken patiëntenpopulatie overlapt niet geheel met de in deze richtlijn benoemde groep patiënten met functionele dyspepsie Deze bevat immers naast patiënten bij wie endoscopie geen afwijkingen toonde, ook patiënten bij wie een proefbehandeling met protonpompremmers geen effect sorteerde De verwachting is dus dat de effectiviteit van zuurremmers nog minder is dan in de door de werkgroep benoemde patiëntengroep met Vraag ##c# Wat is de klinische effectiviteit van eradicatie van Helicobacter Vraag ##c# Wat is de klinische effectiviteit van psychofarmaca (antidepressiva, Op basis van negen studies met <DATUM> patiënten werd in een systematische Cochrane-review een relatieve risicoreductie van #% (##%-BI #-##) gevonden van eradicatietherapie versus placebo bij patiënten met H pylori-positieve functionele maagklachten # De ‘number needed to treat’ om één patiënt met functionele maagklachten te genezen was ## (##%-BI ##-##) De.
622
nvmdl
<PERSOON> interventions for non-ulcer dyspepsia <PERSOON> in the treatment of functional dyspepsia in patients with delayed gastric emptying (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software Cisapride is effectief bij functionele dyspepsie De effectiviteit van het Antacida en mucosaprotectiva zijn niet effectief bij functionele dyspepsie <PERSOON> D Use of cisapride in patients with non-ulcer dyspepsia a meta-analysis of De auteurs van de review registreren een placeborespons bij functionele dyspepsie van ##% De in de review besproken patiëntenpopulatie overlapt niet geheel met de in deze richtlijn benoemde groep patiënten met functionele dyspepsie Deze bevat immers naast patiënten bij wie endoscopie geen afwijkingen toonde, ook patiënten bij wie een proefbehandeling met protonpompremmers geen effect sorteerde De verwachting is dus dat de effectiviteit van zuurremmers nog minder is dan in de door de werkgroep benoemde patiëntengroep met Vraag ##c# Wat is de klinische effectiviteit van eradicatie van Helicobacter Vraag ##c# Wat is de klinische effectiviteit van psychofarmaca (antidepressiva, Op basis van negen studies met <DATUM> patiënten werd in een systematische Cochrane-review een relatieve risicoreductie van #% (##%-BI #-##) gevonden van eradicatietherapie versus placebo bij patiënten met H pylori-positieve functionele maagklachten # De ‘number needed to treat’ om één patiënt met functionele maagklachten te genezen was ## (##%-BI ##-##) De Er waren geen aanwijzingen voor publicatiebias De werking van antidepressiva bij functionele maagklachten is in drie studies onderzocht; in twee daarvan werd vergeleken met placebo <DATUM> De kwaliteit van de drie studies laat te wensen over de studieopzet is aanvechtbaar, de effectmeting vond op korte termijn plaats en de patiëntenselecties zijn onduidelijk Bij patiënten met functionele maagklachten die geïnfecteerd zijn met H pylori, is de kans op genezing door eradicatietherapie kleiner dan ##% De effectiviteit van psychotrope medicatie is door slechte kwaliteit van De kans op infectie met H pylori bij patiënten met functionele dyspepsie is in <LOCATIE> ongeveer ##% #,# Eradicatietherapie is daarmee mogelijk effectief voor ongeveer #% van de Een studie suggereert dat persoonlijkheidskenmerken (laag niveau van neuroticisme, weinig Het gebruik van antidepressiva bij functionele maagklachten is te overwegen indien er tevens sprake is van een stemmingsstoornis Er dient rekening te worden Bij patiënten met chronische klachten van functionele dyspepsie is te overwegen te voeren Hierbij dient de patiënt uitgelegd te worden dat de kans op symptoomverlichting door deze behandeling klein is <PERSOON> M, et al Eradication of Helicobacter pylori for non-ulcer Schlemper RJ, Werf SDJ van der, <PERSOON> dyspepsia in a Dutch working <PERSOON> digest the evidence linking Helicobacter pylori and dyspepsia Lancet ###;### ### General practitioner clinical trials A psychotropic agent in dyspepsia Practitioner ###;#<DATUM> #.
595
nvmdl
geen aanwijzingen voor publicatiebias De werking van antidepressiva bij functionele maagklachten is in drie studies onderzocht; in twee daarvan werd vergeleken met placebo <DATUM> De kwaliteit van de drie studies laat te wensen over de studieopzet is aanvechtbaar, de effectmeting vond op korte termijn plaats en de patiëntenselecties zijn onduidelijk Bij patiënten met functionele maagklachten die geïnfecteerd zijn met H pylori, is de kans op genezing door eradicatietherapie kleiner dan ##% De effectiviteit van psychotrope medicatie is door slechte kwaliteit van De kans op infectie met H pylori bij patiënten met functionele dyspepsie is in <LOCATIE> ongeveer ##% #,# Eradicatietherapie is daarmee mogelijk effectief voor ongeveer #% van de Een studie suggereert dat persoonlijkheidskenmerken (laag niveau van neuroticisme, weinig Het gebruik van antidepressiva bij functionele maagklachten is te overwegen indien er tevens sprake is van een stemmingsstoornis Er dient rekening te worden Bij patiënten met chronische klachten van functionele dyspepsie is te overwegen te voeren Hierbij dient de patiënt uitgelegd te worden dat de kans op symptoomverlichting door deze behandeling klein is <PERSOON> M, et al Eradication of Helicobacter pylori for non-ulcer Schlemper RJ, Werf SDJ van der, <PERSOON> dyspepsia in a Dutch working <PERSOON> digest the evidence linking Helicobacter pylori and dyspepsia Lancet ###;### ### General practitioner clinical trials A psychotropic agent in dyspepsia Practitioner ###;#<DATUM> # Effect of amitriptyline on symptoms, sleep, and visceral <PERSOON> UF A new pharmacologic treatment of functional gastrointestinal disorder A double-blind placebo- <PERSOON> UF Personality traits predict treatment outcome with an antidepressant in patients with functional controlled study with mianserin <PERSOON> ###;<DATUM> ## dyspepsia (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software population and Helicobacter pylori <PERSOON> effect of medazepam in relieving symptoms of functional gastrointestinal distress <PERSOON> F, et al <PERSOON> effects of levosulpiride on gastric and gall- bladder emptying in functional dyspepsia <PERSOON> G, et al Levosulpiride in functional dyspepsia a multicentric, double-blind, controlled trial <PERSOON-##> CW, <PERSOON-##> HJ, <PERSOON-##> CD, Ryu HS, Choe JG, Hyun JH Effects of levosulpiride in patients with functional dyspepsia accompanied by delayed gastric emptying <PERSOON-##> Med ###;## ##-## mianserine opklimmend tot ### mg CGI <DATUM> VAS; DISS; primaire VAS = visueel analoge schaal; TCA = tricyclisch antidpressivum; MSD = mean standardized difference; CGI = Clinical Global Improvement scale; DISS = Disability Scale <PERSOON-##> of functional gastrointestinal disorders Vraag ##a.
582
nvmdl
amitriptyline on symptoms, sleep, and visceral <PERSOON> UF A new pharmacologic treatment of functional gastrointestinal disorder A double-blind placebo- <PERSOON> UF Personality traits predict treatment outcome with an antidepressant in patients with functional controlled study with mianserin <PERSOON> ###;<DATUM> ## dyspepsia (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software population and Helicobacter pylori <PERSOON> effect of medazepam in relieving symptoms of functional gastrointestinal distress <PERSOON> F, et al <PERSOON> effects of levosulpiride on gastric and gall- bladder emptying in functional dyspepsia <PERSOON> G, et al Levosulpiride in functional dyspepsia a multicentric, double-blind, controlled trial <PERSOON> CW, <PERSOON> HJ, <PERSOON> CD, Ryu HS, Choe JG, Hyun JH Effects of levosulpiride in patients with functional dyspepsia accompanied by delayed gastric emptying <PERSOON-##> Med ###;## ##-## mianserine opklimmend tot ### mg CGI <DATUM> VAS; DISS; primaire VAS = visueel analoge schaal; TCA = tricyclisch antidpressivum; MSD = mean standardized difference; CGI = Clinical Global Improvement scale; DISS = Disability Scale <PERSOON-##> of functional gastrointestinal disorders Vraag ##a In het verleden werden vaak op melk gebaseerde diëten aangevuld met niet-irriterende voedingsmiddelen voorgeschreven Recenter zijn de adviezen betreffende vezelrijke voeding Een systematische review naar het effect van voeding op ulcusziekte laat zien dat het, bij ulcusziekte in het verleden vaak aanbevolen, melkrijk dieet niet effectief is # Ook voor vezelrijke voeding is er onvoldoende grond (kleine studies, onvoldoende kwaliteit en niet gecorrigeerd interventies bij ulcusziekte (zoals stoppen met roken, onthouden van alcohol, andere dieetmaatregelen) ontbreken Er is onvoldoende wetenschappelijk bewijs voor het effect van overige <PERSOON-##> and duodenal ulcer Digest Liver Dis ###;#<DATUM> ## Vraag ##b# Wat is de effectiviteit van niet-medicamenteuze interventies bij Eén studie gebruikte acht sessies van ## minuten waarin relaxatietherapie en situationele therapie werden toegepast; een tweede studie maakte gebruik van individuele cognitieve therapie in tien sessies van drie kwartier; de derde studie paste psychodynamisch-interpersonele therapie toe in zeven sessies, van ## minuten tot drie uur De therapieduur was meestal ## weken; het resultaat was in alle studies statistisch significant beter dan de – variabele – controle maagklachten De plaats en effectiviteit van deze specifieke vorm van interventie bij functionele maagklachten moeten nog nader worden bepaald Er is geen goed uitgevoerd onderzoek gevonden naar het vermijden van bepaalde voedingsmiddelen en staken met roken als interventie bij functionele maagklachten Er is geen wetenschappelijk onderbouwing voor het geven van niet-medicamenteuze adviezen (met name over voeding en stoppen met roken) bij.
576
nvmdl
werden vaak op melk gebaseerde diëten aangevuld met niet-irriterende voedingsmiddelen voorgeschreven Recenter zijn de adviezen betreffende vezelrijke voeding Een systematische review naar het effect van voeding op ulcusziekte laat zien dat het, bij ulcusziekte in het verleden vaak aanbevolen, melkrijk dieet niet effectief is # Ook voor vezelrijke voeding is er onvoldoende grond (kleine studies, onvoldoende kwaliteit en niet gecorrigeerd interventies bij ulcusziekte (zoals stoppen met roken, onthouden van alcohol, andere dieetmaatregelen) ontbreken Er is onvoldoende wetenschappelijk bewijs voor het effect van overige <PERSOON> and duodenal ulcer Digest Liver Dis ###;#<DATUM> ## Vraag ##b# Wat is de effectiviteit van niet-medicamenteuze interventies bij Eén studie gebruikte acht sessies van ## minuten waarin relaxatietherapie en situationele therapie werden toegepast; een tweede studie maakte gebruik van individuele cognitieve therapie in tien sessies van drie kwartier; de derde studie paste psychodynamisch-interpersonele therapie toe in zeven sessies, van ## minuten tot drie uur De therapieduur was meestal ## weken; het resultaat was in alle studies statistisch significant beter dan de – variabele – controle maagklachten De plaats en effectiviteit van deze specifieke vorm van interventie bij functionele maagklachten moeten nog nader worden bepaald Er is geen goed uitgevoerd onderzoek gevonden naar het vermijden van bepaalde voedingsmiddelen en staken met roken als interventie bij functionele maagklachten Er is geen wetenschappelijk onderbouwing voor het geven van niet-medicamenteuze adviezen (met name over voeding en stoppen met roken) bij hoge kosten verbonden, zijn er geen bijwerkingen en kunnen ze de patiënt handvatten geven zélf wat aan de klachten te doen In focusgroepverslagen en een vragenlijstonderzoek naar verwachtingen bij patiënten stelden patiënten niet-medicamenteuze adviezen op prijs (zie Psychologische interventies zijn voorlopig niet zonder meer naast medicamenteuze interventies toepasbaar Dit heeft vooral te maken met de verlangde intensiteit en specifieke deskundigheid voor dergelijke interventies Verder moet er helderheid komen ten aanzien van de subgroep die ontvankelijk is voor deze vorm van therapie Vooralsnog is psychotherapie niet geïndiceerd bij patiënten met maagklachten die geen Evenals bij niet-nader-onderzochte maagklachten, kan de arts bij functionele maagklachten overwegen aan te sluiten bij de persoonlijke voedingsintoleranties en leefstijlfactoren van de patiënt <PERSOON> B, <PERSOON> interventions for non-ulcer dyspepsia (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software Vraag ##b# Wat is de effectiviteit van psychologische interventies bij functionele In een Cochrane-review over de uitkomsten van psychologische interventie bij functionele maagklachten, waren drie studies geïncludeerd van de vijf die zijn gepubliceerd # De overige twee studies hadden te grote methodologische tekortkomingen De geïncludeerde studies verschilden zodanig van interventietype en uitkomstmeting dat pooling niet mogelijk was Vraag ## Welke aanbevelingen kunnen er worden gedaan om de implementatie In het onderzoeksrapport ‘Effectieve implementatie theorieën en strategieën’ zijn op basis factoren voor de implementatie van standaarden en richtlijnen weergegeven # In dit onderzoeksrapport en in een eerder verschenen rapport worden overzichtsartikelen met betrekking.
586
nvmdl
en kunnen ze de patiënt handvatten geven zélf wat aan de klachten te doen In focusgroepverslagen en een vragenlijstonderzoek naar verwachtingen bij patiënten stelden patiënten niet-medicamenteuze adviezen op prijs (zie Psychologische interventies zijn voorlopig niet zonder meer naast medicamenteuze interventies toepasbaar Dit heeft vooral te maken met de verlangde intensiteit en specifieke deskundigheid voor dergelijke interventies Verder moet er helderheid komen ten aanzien van de subgroep die ontvankelijk is voor deze vorm van therapie Vooralsnog is psychotherapie niet geïndiceerd bij patiënten met maagklachten die geen Evenals bij niet-nader-onderzochte maagklachten, kan de arts bij functionele maagklachten overwegen aan te sluiten bij de persoonlijke voedingsintoleranties en leefstijlfactoren van de patiënt <PERSOON> B, <PERSOON> interventions for non-ulcer dyspepsia (Cochrane Review) In <PERSOON> Cochrane Library, Issue #, ### Oxford Update Software Vraag ##b# Wat is de effectiviteit van psychologische interventies bij functionele In een Cochrane-review over de uitkomsten van psychologische interventie bij functionele maagklachten, waren drie studies geïncludeerd van de vijf die zijn gepubliceerd # De overige twee studies hadden te grote methodologische tekortkomingen De geïncludeerde studies verschilden zodanig van interventietype en uitkomstmeting dat pooling niet mogelijk was Vraag ## Welke aanbevelingen kunnen er worden gedaan om de implementatie In het onderzoeksrapport ‘Effectieve implementatie theorieën en strategieën’ zijn op basis factoren voor de implementatie van standaarden en richtlijnen weergegeven # In dit onderzoeksrapport en in een eerder verschenen rapport worden overzichtsartikelen met betrekking #,# In dit onderzoek waren richtlijnen, die gemaakt waren door erkende deskundigen en die recht deden aan de gangbare praktijk en tevens ‘interactief’ verspreid werden, relatief succesvol Uiteraard beïnvloeden ook de vorm en de inhoud de acceptatie van de richtlijn en – na acceptatie – het succes van de implementatie <DATUM> Ideale richtlijnen zijn valide, betrouwbaar, reproduceerbaar, multidisciplinair, toepasbaar, flexibel, duidelijk, eenduidig en goed gedocumenteerd Verder is bevorderlijk voor de kwaliteit van een richtlijn dat een testtraject voor implementatie wordt uitgezet, dat de uitvoering ervan evalueert en op basis daarvan aanpasbaar is Van belang is tevens dat in de richtlijn, waar relevant, behalve aan het zorgverlenersperspectief ook aandacht wordt geschonken aan het patiëntperspectief en aan het maatschappelijk perspectief (bijvoorbeeld kosten en organisatie van zorg) Ten slotte is van belang dat de richtlijn na implementatie ook daadwerkelijk geëvalueerd wordt, en indien nodig aangepast aan nieuwe inzichten Alleen zo kan sprake zijn van er een ‘levende’ richtlijn met een dynamisch profiel De belangrijkste conclusies ten aanzien van de effectiviteit van implementatiestrategieën van richtlijnen zijn <DATUM> • Het is onmogelijk om één optimale interventie (enkelvoudig of samengesteld) aan te bevelen voor het bevorderen van implementatie van vernieuwing of verandering (richtlijn) • Er bestaat geen één-op-één-relatie tussen de theorieën betreffende de implementatie en • Voor optimale implementatie van de richtlijn moet aandacht worden besteed aan factoren die compliantie met de richtlijn kunnen bevorderen of belemmeren (per doelgroep en/of <PERSOON> implementatie theorieën en strategieën <LOCATIE>.
606
nvmdl
In dit onderzoek waren richtlijnen, die gemaakt waren door erkende deskundigen en die recht deden aan de gangbare praktijk en tevens ‘interactief’ verspreid werden, relatief succesvol Uiteraard beïnvloeden ook de vorm en de inhoud de acceptatie van de richtlijn en – na acceptatie – het succes van de implementatie <DATUM> Ideale richtlijnen zijn valide, betrouwbaar, reproduceerbaar, multidisciplinair, toepasbaar, flexibel, duidelijk, eenduidig en goed gedocumenteerd Verder is bevorderlijk voor de kwaliteit van een richtlijn dat een testtraject voor implementatie wordt uitgezet, dat de uitvoering ervan evalueert en op basis daarvan aanpasbaar is Van belang is tevens dat in de richtlijn, waar relevant, behalve aan het zorgverlenersperspectief ook aandacht wordt geschonken aan het patiëntperspectief en aan het maatschappelijk perspectief (bijvoorbeeld kosten en organisatie van zorg) Ten slotte is van belang dat de richtlijn na implementatie ook daadwerkelijk geëvalueerd wordt, en indien nodig aangepast aan nieuwe inzichten Alleen zo kan sprake zijn van er een ‘levende’ richtlijn met een dynamisch profiel De belangrijkste conclusies ten aanzien van de effectiviteit van implementatiestrategieën van richtlijnen zijn <DATUM> • Het is onmogelijk om één optimale interventie (enkelvoudig of samengesteld) aan te bevelen voor het bevorderen van implementatie van vernieuwing of verandering (richtlijn) • Er bestaat geen één-op-één-relatie tussen de theorieën betreffende de implementatie en • Voor optimale implementatie van de richtlijn moet aandacht worden besteed aan factoren die compliantie met de richtlijn kunnen bevorderen of belemmeren (per doelgroep en/of <PERSOON> implementatie theorieën en strategieën <LOCATIE> NHS centre for reviews and dissemination Getting evidence into practice <PERSOON> guidelines potential benefits, limitations, and <PERSOON> in general practice the new Tower of <PERSOON>? <PERSOON> J Why does primary care need more implementation research? <PERSOON> J, <PERSOON> of clinical guidelines that influence use of <PERSOON> JM, <PERSOON> AD, Thomson MA Closing the gap between research and practice an overview of systematic reviews of interventions to promote the implementation of research findings <PERSOON-##> Cochrane Effective Practice and Organization of <PERSOON-##> and combined strategies for implementing changes in primary care a literature review <PERSOON-##> guidelines and innovations in general practice which inter- Er zijn maar weinig implementatiestudies uitgevoerd die specifiek gericht zijn op richtlijnen voor maagklachten Via een gecombineerde zoekstrategie werden ## artikelen gevonden, waarvan zes aan de gestelde criteria voldeden <DATUM> Deze werden aangevuld met de – als abstract of nog niet gepubliceerde – resultaten van een studie naar optimale implementatie van maagklachtenrichtlijn door huisartsen# en die van een observationeel onderzoek naar het opvolgen.
538
nvmdl
centre for reviews and dissemination Getting evidence into practice <PERSOON> guidelines potential benefits, limitations, and <PERSOON> in general practice the new Tower of <PERSOON>? <PERSOON> J Why does primary care need more implementation research? <PERSOON> J, <PERSOON> of clinical guidelines that influence use of <PERSOON> JM, <PERSOON> AD, Thomson MA Closing the gap between research and practice an overview of systematic reviews of interventions to promote the implementation of research findings <PERSOON> Cochrane Effective Practice and Organization of <PERSOON-##> and combined strategies for implementing changes in primary care a literature review <PERSOON-##> guidelines and innovations in general practice which inter- Er zijn maar weinig implementatiestudies uitgevoerd die specifiek gericht zijn op richtlijnen voor maagklachten Via een gecombineerde zoekstrategie werden ## artikelen gevonden, waarvan zes aan de gestelde criteria voldeden <DATUM> Deze werden aangevuld met de – als abstract of nog niet gepubliceerde – resultaten van een studie naar optimale implementatie van maagklachtenrichtlijn door huisartsen# en die van een observationeel onderzoek naar het opvolgen Het inzetten van een verpleegkundige met een gerichte toerusting (‘nurse facilitator’) bij het implementeren van richtlijnen leidde in een gerandomiseerde studie in het Verenigd Koninkrijk tot betere opvolging van een maagklachtenrichtlijn dan zonder de ondersteuner # In een observationele studie bleek dat maagklachtenrichtlijnen die werden ontwikkeld en verspreid door een lokaal team van onpartijdige clinici, het voorschrijfpatroon van huisartsen in de betreffende regio gunstig beïnvloedden # Er zijn aanwijzingen dat als de potentiële gebruikers van de richtlijn (artsen) direct bij het maken van de richtlijn betrokken worden (bijvoorbeeld door focusgroepdiscussies), zij deze waarschijnlijk beter zullen opvolgen # In een retrospectieve cohortstudie in Canada naar de gevolgen van strikte invoering van een overheidsprotocol op het gebied van maagklachten, dat als doel had de kosten van het proton- pompremmergebruik te reduceren, nam het vooraf-gebruik van H#-receptorantagonisten bij protonpompremmergebruikers iets toe, namelijk #% in drie jaar Dit protocol hield in dat protonpompremmers pas voorgeschreven mochten worden als eerst een kuur met H#-receptorantagonisten was geprobeerd # Ook elders in Canada werd kostenreductie beoogd door middel van de introductie van een door de overheid opgesteld protocol Het protocol hield onder andere in dat protonpompremmers alleen voor vergoeding in aanmerking kwamen na een schriftelijk verzoek met inhoudelijke informatie over de patiënt De gemeten reductie in kosten van maagmiddelen (##%) kwam bijna geheel door een substantieel kleiner aantal voorschriften voor proton# Introductie van een door Engelse huisartsen en specialisten opgestelde maagklachtenrichtlijn leidde bij evaluatie in een gerandomiseerde klinische trial niet tot grote veranderingen in.
510
nvmdl
met een gerichte toerusting (‘nurse facilitator’) bij het implementeren van richtlijnen leidde in een gerandomiseerde studie in het Verenigd Koninkrijk tot betere opvolging van een maagklachtenrichtlijn dan zonder de ondersteuner # In een observationele studie bleek dat maagklachtenrichtlijnen die werden ontwikkeld en verspreid door een lokaal team van onpartijdige clinici, het voorschrijfpatroon van huisartsen in de betreffende regio gunstig beïnvloedden # Er zijn aanwijzingen dat als de potentiële gebruikers van de richtlijn (artsen) direct bij het maken van de richtlijn betrokken worden (bijvoorbeeld door focusgroepdiscussies), zij deze waarschijnlijk beter zullen opvolgen # In een retrospectieve cohortstudie in Canada naar de gevolgen van strikte invoering van een overheidsprotocol op het gebied van maagklachten, dat als doel had de kosten van het proton- pompremmergebruik te reduceren, nam het vooraf-gebruik van H#-receptorantagonisten bij protonpompremmergebruikers iets toe, namelijk #% in drie jaar Dit protocol hield in dat protonpompremmers pas voorgeschreven mochten worden als eerst een kuur met H#-receptorantagonisten was geprobeerd # Ook elders in Canada werd kostenreductie beoogd door middel van de introductie van een door de overheid opgesteld protocol Het protocol hield onder andere in dat protonpompremmers alleen voor vergoeding in aanmerking kwamen na een schriftelijk verzoek met inhoudelijke informatie over de patiënt De gemeten reductie in kosten van maagmiddelen (##%) kwam bijna geheel door een substantieel kleiner aantal voorschriften voor proton# Introductie van een door Engelse huisartsen en specialisten opgestelde maagklachtenrichtlijn leidde bij evaluatie in een gerandomiseerde klinische trial niet tot grote veranderingen in een maagklachtenrichtlijn na invoering met nascholing vergeleken met die na invoering met een vergoeding per correct behandelde patiënt Na correctie voor verstorende variabelen bleek de adherentie met de richtlijn het grootst onder de huisartsen die nascholing hadden In een observationele studie naar het opvolgen van de NHG-Standaard ‘Maagklachten’ door ### huisartsen werden kernbeslissingen uit die richtlijn geëvalueerd Daarbij bleek dat protonpompremmerprescriptie (##% van de consulten) in ##% van de gevallen niet, endoscopie (in ##% van de consulten) in ##% niet en H pylori-eradicatie (#% van de consulten) in ##% niet De compliantie met richtlijnen op het gebied van maagklachten onder Compliantie kan worden vergroot door de introductie van de richtlijn Richtlijnen gebaseerd op een restrictief vergoedingssysteem lijken het Vraag ## Wat zijn de knelpunten tussen eerste en tweede echelon bij de zorg <PERSOON> L, <PERSOON> THS, Harris F, et al A novel approach for implementing evidence-based guidelines in the community; the appropriate choices in Dyspepsia project <PERSOON> A, <PERSOON> treatment guidelines in general practice; an observational study Hungin APS, <PERSOON> GP, <PERSOON> for dyspepsia management in general practice using Er zijn in het land op diverse plaatsen transmurale projecten uitgevoerd rond richtlijnen voor voor de behandeling van maagklachten Uit mondelinge en schriftelijke evaluaties van die projecten komen knelpunten naar voren en factoren die optimale implementatie mogelijk belemmeren Op basis hiervan heeft de werkgroep een aantal knelpunten opgesteld die optimale.
579
nvmdl
met een vergoeding per correct behandelde patiënt Na correctie voor verstorende variabelen bleek de adherentie met de richtlijn het grootst onder de huisartsen die nascholing hadden In een observationele studie naar het opvolgen van de NHG-Standaard ‘Maagklachten’ door ### huisartsen werden kernbeslissingen uit die richtlijn geëvalueerd Daarbij bleek dat protonpompremmerprescriptie (##% van de consulten) in ##% van de gevallen niet, endoscopie (in ##% van de consulten) in ##% niet en H pylori-eradicatie (#% van de consulten) in ##% niet De compliantie met richtlijnen op het gebied van maagklachten onder Compliantie kan worden vergroot door de introductie van de richtlijn Richtlijnen gebaseerd op een restrictief vergoedingssysteem lijken het Vraag ## Wat zijn de knelpunten tussen eerste en tweede echelon bij de zorg <PERSOON> L, <PERSOON> THS, Harris F, et al A novel approach for implementing evidence-based guidelines in the community; the appropriate choices in Dyspepsia project <PERSOON> A, <PERSOON> treatment guidelines in general practice; an observational study Hungin APS, <PERSOON> GP, <PERSOON> for dyspepsia management in general practice using Er zijn in het land op diverse plaatsen transmurale projecten uitgevoerd rond richtlijnen voor voor de behandeling van maagklachten Uit mondelinge en schriftelijke evaluaties van die projecten komen knelpunten naar voren en factoren die optimale implementatie mogelijk belemmeren Op basis hiervan heeft de werkgroep een aantal knelpunten opgesteld die optimale Op basis van de uitkomsten van discussie in de werkgroep zijn tevens mogelijke oplossingen voor de knelpunten toegevoegd <PERSOON> pump inhibitors; compliance with a mandated step-up <PERSOON> CJ Cost analysis of a provincial drug program to guide the treatment of upper <PERSOON> with implementing guidelines a randomised controlled trial of consensus <PERSOON-##> incentive versus education for imple- Knelpunt # Onvoldoende beschikbaarheid van diagnostische faciliteiten voor huisartsen, bijvoorbeeld H pylori-diagnostiek en direct toegankelijke (‘open access’) endoscopie Oplossing De werkgroep is van mening dat voor optimale uitvoering van deze richtlijn de mentation of a Dyspepsia guideline a randomised trial in primary care Gastroenterol ###;###(Suppl #A) ### <PERSOON-##> Dyspepsia in general practice medical care and its determinants Voorlopige resultaten <LOCATIE> WOK Resultaten van studies naar implementatie van richtlijnen voor maagklachten ### ### inwoners introductie restrictief voorvan Newfound schrijven van protonpompland Knelpunt # Te lange wachttijden voor diagnostische faciliteiten, bijvoorbeeld open access Oplossing De werkgroep is van mening dat wachttijden voor endoscopie beperkt moeten blijven tot maximaal twee weken Verkorting van – te lange – wachttijden zou bereikt kunnen worden door enerzijds de infrastructuur en de organisatie te verbeteren (aanvraagformulier, capaciteit) en anderzijds te streven naar optimalisering van de indicatiestelling door aanvragende huisartsen (nascholing, terugrapportage) Knelpunt #.
573
nvmdl
discussie in de werkgroep zijn tevens mogelijke oplossingen voor de knelpunten toegevoegd <PERSOON> pump inhibitors; compliance with a mandated step-up <PERSOON> CJ Cost analysis of a provincial drug program to guide the treatment of upper <PERSOON> with implementing guidelines a randomised controlled trial of consensus <PERSOON> incentive versus education for imple- Knelpunt # Onvoldoende beschikbaarheid van diagnostische faciliteiten voor huisartsen, bijvoorbeeld H pylori-diagnostiek en direct toegankelijke (‘open access’) endoscopie Oplossing De werkgroep is van mening dat voor optimale uitvoering van deze richtlijn de mentation of a Dyspepsia guideline a randomised trial in primary care Gastroenterol ###;###(Suppl #A) ### <PERSOON> Dyspepsia in general practice medical care and its determinants Voorlopige resultaten <LOCATIE> WOK Resultaten van studies naar implementatie van richtlijnen voor maagklachten ### ### inwoners introductie restrictief voorvan Newfound schrijven van protonpompland Knelpunt # Te lange wachttijden voor diagnostische faciliteiten, bijvoorbeeld open access Oplossing De werkgroep is van mening dat wachttijden voor endoscopie beperkt moeten blijven tot maximaal twee weken Verkorting van – te lange – wachttijden zou bereikt kunnen worden door enerzijds de infrastructuur en de organisatie te verbeteren (aanvraagformulier, capaciteit) en anderzijds te streven naar optimalisering van de indicatiestelling door aanvragende huisartsen (nascholing, terugrapportage) Knelpunt # Oplossing De werkgroep is van mening dat bij de H pylori-diagnostiek de huisarts gebruik moet kunnen maken van de in deze richtlijn genoemde mogelijkheden en adviseert op korte bijvoorbeeld ten aanzien van het te volgen medicamenteus beleid en het controlebeleid na Oplossing De werkgroep hanteert hierbij het uitgangspunt dat degene die de endoscopie aanvraagt, en niet degene die het uitvoert, verantwoordelijk is voor het vervolgbeleid Dat wil zeggen dat, tenzij daar regionaal andere transmurale afspraken over zijn gemaakt tussen de beroepsgroepen, de aanvragend huisarts verantwoordelijk is voor het medicamenteus vervolgbeleid De uitvoerend specialist kan daarin adviserend optreden Echter, omdat dit advies niet altijd strookt met de inzichten van de huisarts, dient dit advies niet met de patiënt te worden besproken en alleen te worden opgenomen in het verslag van de endoscopie Dat impliceert ook dat de huisarts primair verantwoordelijk is voor de voorlichting aan de patiënt ten aanzien van de noodzaak tot een controle-endoscopie na het vaststellen van een ulcus ventriculi en van de eventuele noodzaak tot controle in geval van een Barrett-oesophagus Het is gewenst Knelpunt # Bestaande regionale transmurale werkafspraken of contracten (bijvoorbeeld met farmaceutische industrie of zorgverzekeraar) die optimale uitvoering van de CBO-NHGrichtlijn in de weg staan, of het niet onderschrijven van deze richtlijn door regionaal werkzame zorgverleners Oplossing De werkgroep is van mening dat door participatie van alle betrokken beroepsverenigingen en het systematisch inventariseren en afwegen van de literatuur een zo hoog.
538
nvmdl
De werkgroep is van mening dat bij de H pylori-diagnostiek de huisarts gebruik moet kunnen maken van de in deze richtlijn genoemde mogelijkheden en adviseert op korte bijvoorbeeld ten aanzien van het te volgen medicamenteus beleid en het controlebeleid na Oplossing De werkgroep hanteert hierbij het uitgangspunt dat degene die de endoscopie aanvraagt, en niet degene die het uitvoert, verantwoordelijk is voor het vervolgbeleid Dat wil zeggen dat, tenzij daar regionaal andere transmurale afspraken over zijn gemaakt tussen de beroepsgroepen, de aanvragend huisarts verantwoordelijk is voor het medicamenteus vervolgbeleid De uitvoerend specialist kan daarin adviserend optreden Echter, omdat dit advies niet altijd strookt met de inzichten van de huisarts, dient dit advies niet met de patiënt te worden besproken en alleen te worden opgenomen in het verslag van de endoscopie Dat impliceert ook dat de huisarts primair verantwoordelijk is voor de voorlichting aan de patiënt ten aanzien van de noodzaak tot een controle-endoscopie na het vaststellen van een ulcus ventriculi en van de eventuele noodzaak tot controle in geval van een Barrett-oesophagus Het is gewenst Knelpunt # Bestaande regionale transmurale werkafspraken of contracten (bijvoorbeeld met farmaceutische industrie of zorgverzekeraar) die optimale uitvoering van de CBO-NHGrichtlijn in de weg staan, of het niet onderschrijven van deze richtlijn door regionaal werkzame zorgverleners Oplossing De werkgroep is van mening dat door participatie van alle betrokken beroepsverenigingen en het systematisch inventariseren en afwegen van de literatuur een zo hoog Uitgangspunt bij het opstellen was landelijke acceptatie en implementatie Daarbij bestaat op details ruimte voor regionale aanpassing, maar niet voor een totaal andere invulling door individuele hulpverleners Met de opstellers van langs andere kanalen tot stand gekomen richtlijnen op het gebied van maagklachten (bijvoorbeeld transmurale werkprojecten, farmacotherapeutische transmurale overleggen (FTTO’s), zorgverzekeraars) dienen afspraken te worden gemaakt om hinderlijke discrepanties op te heffen tussen deze richtlijnen en de landelijke • regelmatige evaluatie van de voortgang in implementatie en navolging van de richtlijn, • het regelmatig (bijvoorbeeld jaarlijks) evalueren van de actualiteit van de richtlijn en, indien nodig, aanpassen daarvan aan de hand van nieuwe inzichten; • formuleren van resterende onderzoeksthema’s en vragen die voor verdere onderbouwing van de richtlijn noodzakelijk zijn en doorspelen daarvan aan de verschillende Proeftuin project maagklachten Evaluatie werkafspraken prescriptie bij maagklachten <LOCATIE> proeftuinproject/ Transmurale afspraken met betrekking tot diagnostiek en behandeling van Helicobacter pylori <LOCATIE> WDH en <PERSOON> afspraken voor behandeling van <PERSOON> project maagklachten <PERSOON> # Druk van de patiënt met maagklachten bij het voorschrijven van medicatie, die uitvoering van de farmacotherapeutische aanbevelingen uit de richtlijn bemoeilijkt Oplossing De werkgroep is van mening dat de patiënt dient te worden overtuigd van de waarde van de wetenschappelijke onderbouwing van de in de richtlijn opgenomen farmacotherapeutische adviezen, te bereiken met voorlichting door individuele hulpverleners, door de patiënten-, huisartsen- en internistenorganisaties, zorgverzekeraars en overheid Daarbij kunnen voorlichtingsmateriaal rond het consult, voorlichters en overheidsgeïnduceerde.
557
nvmdl
De diagnose oesofaguscarcinoom wordt bij ongeveer <DATUM> # ### personen per jaar in <LOCATIE> gesteld Er zijn twee vormen van oesofaguscarcinoom, het plaveiselcelcarcinoom en het adenocarcinoom In de Westerse wereld, en dus ook in <LOCATIE>, stijgt de incidentie van het adenocarcinoom Dit heeft te maken met het feit dat ook de voorloperafwijking van het adenocarcinoom van de oesofagus, Barrett-oesofagus, eveneens toeneemt Naar schatting heeft Deze richtlijn beschrijft wat in het algemeen de beste zorg is voor patiënten met een Barrett-oesofagus is gebaseerd op een inventarisatie van de belangrijkste knelpunten (zie bijlage #) uit de praktijk Deze knelpunten zijn de basis geweest voor uitgangsvragen (zie bijlage #) die op basis van evidence uit Deze uitgangsvragen uit de richtlijn zijn dus evidence-based uitgewerkt en vervolgens in aparte begeleiding van patiënten met Barrett-oesofagus, zoals MDL-artsen, pathologen, chirurgen, medisch oncologen, huisartsen, verpleegkundig specialisten, nurse practioners, endoscopieverpleegkundigen, In de hierna genoemde bijlagen kan meer informatie vinden over Literatuursearches en evidence tabellen zijn indien van toepassing weergegeven bij de Vooral blanke mannen, ouder dan <LEEFTIJD> jaar, met langer dan <LEEFTIJD> jaar bestaande klachten van (ernstige) gastro-oesofageale reflux kunnen op basis van de beschikbare literatuur in aanmerking komen voor Aan de basis van een Nederlandse richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus ligt de vraag hoe deze groep patiënten zich presenteren in de zorg Worden patiënten met Barrettoesofagus opgespoord naar aanleiding van klachten of naar aanleiding van meer algemene risico’s? De werkgroep, heeft overwegende de beschikbare literatuur, gemeend zich in haar advies grotendeels te kunnen baseren op de recent gepubliceerde “Technical Review on the Management of Barrett’s Esophagus” van de American Gastroenterological Association ## Op sommige plaatsen zijn Nederlandse epidemiologische gegevens echter zinvol om hierbij te betrekken Het verschil in de structuur van de gezondheidszorg tussen <LOCATIE> en de VS leidt tot een iets andere uitwerking van de adviezen De inzichten die zijn weergegeven in deze paragraaf van de Richtlijn Barrett-oesofagus sluiten aan bij de gereviseerde NHG-Standaard Maagklachten ### en de daarbij behorende Landelijke Transmurale Afspraken die zijn geautoriseerd door het NHG en de Nederlandse Vereniging voor Systematische evaluatie van de literatuur over de epidemiologie van Barrett-oesofagus laat zien dat de meeste studies ziekenhuis- of endoscopie gebaseerde populaties betreffen Relatief weinig onderzoek heeft plaats gevonden in random populaties of in de eerste lijn Het is niet duidelijk wanneer een Barrett-oesofagus zich ontwikkelt, maar meestal wordt de diagnose gesteld vanaf het zesde decennium van het leven ### ## Hoewel het gebruik van endoscopie (en daarmee de kans op het vinden van een Barrett-oesofagus) hoger is bij oudere patiënten, suggereren de meeste studies een toename van de incidentie met de leeftijd Datzelfde geldt voor de waarschijnlijkheid dat iemand met gastro-oesofageale reflux symptomen een Barrett-oesofagus heeft ## Het is niet duidelijk of dat komt doordat een ernstige beschadiging van het slokdarmslijmvlies vaker optreedt bij oudere patiënten of door het jarenlang aanwezig zijn of aanhouden van schade door reflux In longitudinale.
587
nvmdl
baseren op de recent gepubliceerde “Technical Review on the Management of Barrett’s Esophagus” van de American Gastroenterological Association ## Op sommige plaatsen zijn Nederlandse epidemiologische gegevens echter zinvol om hierbij te betrekken Het verschil in de structuur van de gezondheidszorg tussen <LOCATIE> en de VS leidt tot een iets andere uitwerking van de adviezen De inzichten die zijn weergegeven in deze paragraaf van de Richtlijn Barrett-oesofagus sluiten aan bij de gereviseerde NHG-Standaard Maagklachten ### en de daarbij behorende Landelijke Transmurale Afspraken die zijn geautoriseerd door het NHG en de Nederlandse Vereniging voor Systematische evaluatie van de literatuur over de epidemiologie van Barrett-oesofagus laat zien dat de meeste studies ziekenhuis- of endoscopie gebaseerde populaties betreffen Relatief weinig onderzoek heeft plaats gevonden in random populaties of in de eerste lijn Het is niet duidelijk wanneer een Barrett-oesofagus zich ontwikkelt, maar meestal wordt de diagnose gesteld vanaf het zesde decennium van het leven ### ## Hoewel het gebruik van endoscopie (en daarmee de kans op het vinden van een Barrett-oesofagus) hoger is bij oudere patiënten, suggereren de meeste studies een toename van de incidentie met de leeftijd Datzelfde geldt voor de waarschijnlijkheid dat iemand met gastro-oesofageale reflux symptomen een Barrett-oesofagus heeft ## Het is niet duidelijk of dat komt doordat een ernstige beschadiging van het slokdarmslijmvlies vaker optreedt bij oudere patiënten of door het jarenlang aanwezig zijn of aanhouden van schade door reflux In longitudinale onder behandelde patiënten, wat ondersteuning biedt voor beide hypotheses ## Mannen lopen meer risico op een Barrett-oesofagus en dat geldt ook voor het risico op een adenocarcinoom van de oesofagus In patiënt-controle en cohortstudies, is het risico op een Barrett-oesofagus onder mannen met refluxsymptomen <DATUM> - ## keer hoger dan dat onder vrouwen ## ## ## ## Een meta-analyse van cohortstudies liet een man vrouw verdeling van ongeveer <DATUM> # zien in het voorkomen van Barrettoesofagus ## Het is niet duidelijk of het vaker voorkomen bij mannen het resultaat is van verschillen tussen mannen en vrouwen in hormonale effecten op de slokdarm, vetverdeling, of andere nog onbekende factoren ## De meeste cohortstudies laten zien dat de meerderheid van de patiënten met een Barrett-oesofagus blank is ## Aangezien de meeste studies gebaseerd zijn op ziekenhuispopulaties, kan het gebruik van ziekenhuisvoorzieningen etnisch zijn bepaald Verschillende studies hebben geprobeerd te kwantificeren wat het aandeel maagzuur-gerelateerde klachten is onder verschillende etnische groepen met Barrett-oesofagus Abrams et al vonden dat onder patiënten bij wie endoscopie werd uitgevoerd, blanke Amerikanen # keer zoveel kans op Barrett-oesofagus hadden als “Hispanics” of zwarte Afro-Amerikanen # Ook een cohortstudie onder personen die een colonoscopie ondergingen en werden uitgenodigd om ook een gastroscopie te ondergaan liet zien dat blanken vaker een Barrett-oesofagus hadden dan zwarte Afro-Amerikanen ### In een populatie gebaseerde studie, vonden Corley et al dat de incidentie van Barrett-oesofagus onder blanken meer dan # keer hoger was dan onder zwarten ## Daarentegen konden Eloubeidi et al.
598
nvmdl
op een Barrett-oesofagus en dat geldt ook voor het risico op een adenocarcinoom van de oesofagus In patiënt-controle en cohortstudies, is het risico op een Barrett-oesofagus onder mannen met refluxsymptomen <DATUM> - ## keer hoger dan dat onder vrouwen ## ## ## ## Een meta-analyse van cohortstudies liet een man vrouw verdeling van ongeveer <DATUM> # zien in het voorkomen van Barrettoesofagus ## Het is niet duidelijk of het vaker voorkomen bij mannen het resultaat is van verschillen tussen mannen en vrouwen in hormonale effecten op de slokdarm, vetverdeling, of andere nog onbekende factoren ## De meeste cohortstudies laten zien dat de meerderheid van de patiënten met een Barrett-oesofagus blank is ## Aangezien de meeste studies gebaseerd zijn op ziekenhuispopulaties, kan het gebruik van ziekenhuisvoorzieningen etnisch zijn bepaald Verschillende studies hebben geprobeerd te kwantificeren wat het aandeel maagzuur-gerelateerde klachten is onder verschillende etnische groepen met Barrett-oesofagus Abrams et al vonden dat onder patiënten bij wie endoscopie werd uitgevoerd, blanke Amerikanen # keer zoveel kans op Barrett-oesofagus hadden als “Hispanics” of zwarte Afro-Amerikanen # Ook een cohortstudie onder personen die een colonoscopie ondergingen en werden uitgenodigd om ook een gastroscopie te ondergaan liet zien dat blanken vaker een Barrett-oesofagus hadden dan zwarte Afro-Amerikanen ### In een populatie gebaseerde studie, vonden Corley et al dat de incidentie van Barrett-oesofagus onder blanken meer dan # keer hoger was dan onder zwarten ## Daarentegen konden Eloubeidi et al De aanzienlijke verschillen in de prevalentie van Barrett-oesofagus tussen blanke en zwarte populaties zijn waarschijnlijk niet het gevolg van verschillen in de onderliggende prevalentie van gastrooesofageale reflux, omdat de verdeling van symptomen van brandend maagzuur tussen die twee groepen vergelijkbaar lijkt te zijn ### Een beperkt aantal studies suggereren dat zowel gastrooesofageale reflux als Barrett-oesofagus veel minder gebruikelijk zijn onder Aziatische patiënten dan Gastro-oesofageale reflux is sterk geassocieerd met Barrett-oesofagus Patiënt-controle studies suggereren dat patiënten met zuurbranden # tot ## keer vaker Barrett-oesofagus hebben dan controlepersonen zonder klachten van zuurbranden Bovendien lijkt er een dosis-respons relatie te zijn Onder patiënten met meer frequente of chronische gastro-oesofageale reflux symptomen is het waarschijnlijker dat een Barrett-oesofagus wordt vastgesteld ## <DATUM> ### Een andere studie suggereert echter dat de relatie tussen de ernst van gastro-oesofageale relux symptomen en Barrett-oesofagus niet zo sterk is ## In een studie waarin oesofageale blootstelling aan zuur bij gastro-oesofageale refluxziekte (GORZ) werd vergeleken tussen groepen met en zonder Barrett-oesofagus werd gevonden dat patiënten met een Barrett-oesofagus gemiddeld meer zuur blootstelling hadden en dat de omvang van Barrett-epitheel gecorreleerd leek te zijn met de duur van blootstelling aan zuur ### Verhoogde gallige reflux, zoals vastgesteld met een systeem dat blootstelling aan bilirubine in de slokdarm kan meten, is ook gedocumenteerd onder patiënten met Barrett-oesofagus ##<DATUM> De rol van reflux anders dan met zuur in de ontwikkeling van Barrett-oesofagus blijft echter controversieel Daarnaast is een hernia diafragmatica ook geassocieerd met de aanwezigheid van Barrett-oesofagus.
610
nvmdl
van Barrett-oesofagus tussen blanke en zwarte populaties zijn waarschijnlijk niet het gevolg van verschillen in de onderliggende prevalentie van gastrooesofageale reflux, omdat de verdeling van symptomen van brandend maagzuur tussen die twee groepen vergelijkbaar lijkt te zijn ### Een beperkt aantal studies suggereren dat zowel gastrooesofageale reflux als Barrett-oesofagus veel minder gebruikelijk zijn onder Aziatische patiënten dan Gastro-oesofageale reflux is sterk geassocieerd met Barrett-oesofagus Patiënt-controle studies suggereren dat patiënten met zuurbranden # tot ## keer vaker Barrett-oesofagus hebben dan controlepersonen zonder klachten van zuurbranden Bovendien lijkt er een dosis-respons relatie te zijn Onder patiënten met meer frequente of chronische gastro-oesofageale reflux symptomen is het waarschijnlijker dat een Barrett-oesofagus wordt vastgesteld ## <DATUM> ### Een andere studie suggereert echter dat de relatie tussen de ernst van gastro-oesofageale relux symptomen en Barrett-oesofagus niet zo sterk is ## In een studie waarin oesofageale blootstelling aan zuur bij gastro-oesofageale refluxziekte (GORZ) werd vergeleken tussen groepen met en zonder Barrett-oesofagus werd gevonden dat patiënten met een Barrett-oesofagus gemiddeld meer zuur blootstelling hadden en dat de omvang van Barrett-epitheel gecorreleerd leek te zijn met de duur van blootstelling aan zuur ### Verhoogde gallige reflux, zoals vastgesteld met een systeem dat blootstelling aan bilirubine in de slokdarm kan meten, is ook gedocumenteerd onder patiënten met Barrett-oesofagus ##<DATUM> De rol van reflux anders dan met zuur in de ontwikkeling van Barrett-oesofagus blijft echter controversieel Daarnaast is een hernia diafragmatica ook geassocieerd met de aanwezigheid van Barrett-oesofagus risicofactoren voor Barrett-oesofagus Patiënten met een Barrett-oesofagus hebben gemiddeld een hogere body mass index (BMI), zowel in vergelijking met patiënten met GORZ zonder Barrettoesofagus en in vergelijking met de algemene bevolking ## ## #<DATUM> Interessant is dat de verdeling van lichaamsvet de sleutel hiervoor kan zijn Patiënten met meer intra-abdominaal vet zoals gemeten met behulp van radiologische onderzoekstechnieken of patiënten met een verhoogde taille heup verhouding hebben een hoger risico op een Barrett-oesofagus ## ## ## Bij de laatste studie bleek niet BMI maar juist de omtrek van de taille de onafhankelijke voorspeller voor Barrett-oesofagus ## Of het verhoogde risico van intra-abdominale obesitas op een Barrett-oesofagus te wijten is aan mechanische of hormonale factoren of een gevolg is van nog onbekende factoren is niet bekend Alcohol en roken zijn lang niet zo sterk geassocieerd met een Barrett-oesofagus zoals dat bij het plaveiselcelcarcinoom van de oesofagus wel is ##<DATUM> ### Studies over de associatie van deze gewoonten met een Barrett-oesofagus hebben inconsistente resultaten opgeleverd In een populatie studie lieten Ronkainen et al zien dat rokers of gebruikers van alcohol ongeveer # keer zoveel kans hadden op een Barrett-oesofagus ### Recente gegevens suggereren dat de consumptie van wijn daadwerkelijk kan beschermen tegen Barrett-oesofagus <DATUM> Inname van veel plantaardige voedingsmiddelen en fruit lijken het risico op een Barrett-oesofagus te verminderen, hoewel het Risicofactoren voor een Barrett-oesofagus zijn gevorderde leeftijd ()##jr), mannelijk geslacht, blank ras, symptomen van gastro-oesofageale reflux, hiatus hernia, verhoogde body mass index en een.
615
nvmdl
Barrett-oesofagus hebben gemiddeld een hogere body mass index (BMI), zowel in vergelijking met patiënten met GORZ zonder Barrettoesofagus en in vergelijking met de algemene bevolking ## ## #<DATUM> Interessant is dat de verdeling van lichaamsvet de sleutel hiervoor kan zijn Patiënten met meer intra-abdominaal vet zoals gemeten met behulp van radiologische onderzoekstechnieken of patiënten met een verhoogde taille heup verhouding hebben een hoger risico op een Barrett-oesofagus ## ## ## Bij de laatste studie bleek niet BMI maar juist de omtrek van de taille de onafhankelijke voorspeller voor Barrett-oesofagus ## Of het verhoogde risico van intra-abdominale obesitas op een Barrett-oesofagus te wijten is aan mechanische of hormonale factoren of een gevolg is van nog onbekende factoren is niet bekend Alcohol en roken zijn lang niet zo sterk geassocieerd met een Barrett-oesofagus zoals dat bij het plaveiselcelcarcinoom van de oesofagus wel is ##<DATUM> ### Studies over de associatie van deze gewoonten met een Barrett-oesofagus hebben inconsistente resultaten opgeleverd In een populatie studie lieten Ronkainen et al zien dat rokers of gebruikers van alcohol ongeveer # keer zoveel kans hadden op een Barrett-oesofagus ### Recente gegevens suggereren dat de consumptie van wijn daadwerkelijk kan beschermen tegen Barrett-oesofagus <DATUM> Inname van veel plantaardige voedingsmiddelen en fruit lijken het risico op een Barrett-oesofagus te verminderen, hoewel het Risicofactoren voor een Barrett-oesofagus zijn gevorderde leeftijd ()##jr), mannelijk geslacht, blank ras, symptomen van gastro-oesofageale reflux, hiatus hernia, verhoogde body mass index en een Het onderzoek op het gebied van het ontstaan van Barrett-oesofagus is epidemiologisch van aard Er is geen op Nederlandse populaties gebaseerd onderzoek op dit gebied beschikbaar Wie komen in aanmerking voor screening op een Barrett-oesofagus? Het aanvragen van aanvullende diagnostiek, m n een gastroscopie, vanuit de eerste lijn, gericht op het stellen van de diagnose Barrett-oesofagus, is alleen in individuele gevallen gerechtvaardigd bij blanke mannen ouder dan <LEEFTIJD> jaar met langdurige ()<LEEFTIJD> jaar) en ernstige (dagelijkse) refluxklachten Ondanks de aanzienlijke hoeveelheid gepubliceerde gegevens over risicofactoren voor Barrettoesofagus is het niet eenvoudig om een uniforme richtlijn voor screening op basis van die risicofactoren vast te stellen Ondanks het gebrek aan studies waaruit klinische voordelen door endoscopische screening op Barrett-oesofagus blijkt, is het vinden van Barrett-oesofagus bij gastroscopie, bijv op verzoek van de huisarts, in de praktijk een reden opnieuw een gastroscopie te adviseren ### Ook het adagium om in ieder geval één keer een gastroscopie te verrichten (“once in a lifetime endoscopy”) bij chronische refluxklachten is populair Professionele organisaties zijn verdeeld over de vraag of dit soort endoscopische screening voor Barrett-oesofagus zinvol is ## ## ## De meeste aanbevelingen met betrekking tot screening van Barrett-oesofagus zijn gericht op patiënten met de sterkste risicofactor voor Barrett-oesofagus lijkt te zijn Bovendien zou chronische ontsteking van de slokdarm bij GORZ kunnen bijdragen aan de oesofageale carcinogenese Verschillende cohort en patiënt-controle studies suggereren dat endoscopische screening op Barrett-oesofagus, met endoscopische follow-up bij aanwezigheid van Barrett-oesofagus, gunstige effecten kan hebben ### ##.
620
nvmdl
van het ontstaan van Barrett-oesofagus is epidemiologisch van aard Er is geen op Nederlandse populaties gebaseerd onderzoek op dit gebied beschikbaar Wie komen in aanmerking voor screening op een Barrett-oesofagus? Het aanvragen van aanvullende diagnostiek, m n een gastroscopie, vanuit de eerste lijn, gericht op het stellen van de diagnose Barrett-oesofagus, is alleen in individuele gevallen gerechtvaardigd bij blanke mannen ouder dan <LEEFTIJD> jaar met langdurige ()<LEEFTIJD> jaar) en ernstige (dagelijkse) refluxklachten Ondanks de aanzienlijke hoeveelheid gepubliceerde gegevens over risicofactoren voor Barrettoesofagus is het niet eenvoudig om een uniforme richtlijn voor screening op basis van die risicofactoren vast te stellen Ondanks het gebrek aan studies waaruit klinische voordelen door endoscopische screening op Barrett-oesofagus blijkt, is het vinden van Barrett-oesofagus bij gastroscopie, bijv op verzoek van de huisarts, in de praktijk een reden opnieuw een gastroscopie te adviseren ### Ook het adagium om in ieder geval één keer een gastroscopie te verrichten (“once in a lifetime endoscopy”) bij chronische refluxklachten is populair Professionele organisaties zijn verdeeld over de vraag of dit soort endoscopische screening voor Barrett-oesofagus zinvol is ## ## ## De meeste aanbevelingen met betrekking tot screening van Barrett-oesofagus zijn gericht op patiënten met de sterkste risicofactor voor Barrett-oesofagus lijkt te zijn Bovendien zou chronische ontsteking van de slokdarm bij GORZ kunnen bijdragen aan de oesofageale carcinogenese Verschillende cohort en patiënt-controle studies suggereren dat endoscopische screening op Barrett-oesofagus, met endoscopische follow-up bij aanwezigheid van Barrett-oesofagus, gunstige effecten kan hebben ### ## lymfekliermetastasen en dus een betere levensverwachting dan patiënten die zich presenteren met symptomen van de ziekte, zoals dysfagie en gewichtsverlies Kosteneffectiviteit analyses hebben gesuggereerd dat endoscopische screening zinvol kan zijn als aan bepaalde vooraf gedefinieerde Hoewel deze gegevens rationeel overtuigend lijken, verminderen verscheidene conceptuele en logistieke problemen het nut van endoscopische screening Eerst en vooral heeft ongeveer ##% van de patiënten met een adenocarcinoom van de oesofagus helemaal geen voorgeschiedenis van chronische gastro-oesofageale reflux symptomen ### Gastro-oesofageale reflux symptomen als uitgangspunt voor endoscopische screening om een Barrett-oesofagus op te sporen vermindert onmiddellijk de effectiviteit van een screeningsprogramma doordat bijna de helft van de patiënten daardoor dus niet wordt opgespoord in een vroeg presymptomatisch stadium Ten tweede is zelfs onder patiënten met gastro-oesofageale reflux symptomen het risico op een adenocarcinoom in absolute termen zeer laag Studies tonen aan dat tot ##% van de volwassen Amerikaanse bevolking gastro-oesofageale reflux symptomen op een maandelijkse basis heeft en ##% op een wekelijkse basis ### De incidentie van adenocarcinoom van de oesofagus is ook in <LOCATIE> sterk toegenomen in de afgelopen # decennia ###, betreft dit toch slechts een minimale fractie van het totaalaantal personen met GORZ Zelfs bij patiënten met een Barrett-oesofagus tonen cohortstudies aan dat meer dan ##% nooit een adenocarcinoom van de oesofagus ontwikkelt ### Daarom zal de overgrote meerderheid van de personen die endoscopisch worden gescreend op Barrett-oesofagus op basis van de aanwezigheid van gastro-oesofageale reflux symptomen niet profiteren van de procedure.
601
nvmdl
een betere levensverwachting dan patiënten die zich presenteren met symptomen van de ziekte, zoals dysfagie en gewichtsverlies Kosteneffectiviteit analyses hebben gesuggereerd dat endoscopische screening zinvol kan zijn als aan bepaalde vooraf gedefinieerde Hoewel deze gegevens rationeel overtuigend lijken, verminderen verscheidene conceptuele en logistieke problemen het nut van endoscopische screening Eerst en vooral heeft ongeveer ##% van de patiënten met een adenocarcinoom van de oesofagus helemaal geen voorgeschiedenis van chronische gastro-oesofageale reflux symptomen ### Gastro-oesofageale reflux symptomen als uitgangspunt voor endoscopische screening om een Barrett-oesofagus op te sporen vermindert onmiddellijk de effectiviteit van een screeningsprogramma doordat bijna de helft van de patiënten daardoor dus niet wordt opgespoord in een vroeg presymptomatisch stadium Ten tweede is zelfs onder patiënten met gastro-oesofageale reflux symptomen het risico op een adenocarcinoom in absolute termen zeer laag Studies tonen aan dat tot ##% van de volwassen Amerikaanse bevolking gastro-oesofageale reflux symptomen op een maandelijkse basis heeft en ##% op een wekelijkse basis ### De incidentie van adenocarcinoom van de oesofagus is ook in <LOCATIE> sterk toegenomen in de afgelopen # decennia ###, betreft dit toch slechts een minimale fractie van het totaalaantal personen met GORZ Zelfs bij patiënten met een Barrett-oesofagus tonen cohortstudies aan dat meer dan ##% nooit een adenocarcinoom van de oesofagus ontwikkelt ### Daarom zal de overgrote meerderheid van de personen die endoscopisch worden gescreend op Barrett-oesofagus op basis van de aanwezigheid van gastro-oesofageale reflux symptomen niet profiteren van de procedure screening die de doeltreffendheid verminderen Deze betreffen o a problemen bij de endoscopische herkenning van belangrijke laesies ##, de willekeurige aard van het nemen van biopten, o a door overgang ## en de interobserver variatie onder pathologen bij de histologische interpretatie van de biopten ### Tot slot is endoscopisch onderzoek duur, vooral als ook nog pathologische diagnostiek van biopten wordt nagestreefd Er is overigens ook geen direct bewijs dat het nut van endoscopische surveillance voor Barrett-oesofagus ondersteunt Analyse van observationele studies suggereert dat de werkelijkheid ongunstiger is dan in studies wordt voorgesteld #<DATUM> Hoewel sommige studies suggereren dat screening op Barrett-oesofagus, bijv bij chronische reflux symptomen, kosteneffectief is, zijn er veel praktische bezwaren om een dergelijk programma te Besluiten over wanneer en bij wie endoscopische screening aan te bevelen is moeten worden geïndividualiseerd Het is de taak van de behandelaar om ervoor te zorgen dat patiënten die ervoor kiezen om endoscopische surveillance voor Barrett-oesofagus te ondergaan ook begrijpen dat niet alleen de vermeende voordelen van de procedure, maar ook aanzienlijke tekortkomingen en mogelijke negatieve effecten hierbij van belang zijn Het gaat dan om de kosten en risico's van de endoscopie en van de invasieve procedures die kunnen worden aanbevolen voor de behandeling van laesies gevonden door endoscopie, maar ook om de potentieel negatieve impact op de kwaliteit van leven beschikbaarheid van verbeterde endoscopische behandelingen van Barrett-oesofagus zal de keuze om in <LOCATIE> over te gaan tot screening op Barrett-oesofagus mogelijk gemakelijker maken, echter voorwaarden zijn dat deze methodes kosteneffectief en patient-vriendelijk zijn.
582
nvmdl
problemen bij de endoscopische herkenning van belangrijke laesies ##, de willekeurige aard van het nemen van biopten, o a door overgang ## en de interobserver variatie onder pathologen bij de histologische interpretatie van de biopten ### Tot slot is endoscopisch onderzoek duur, vooral als ook nog pathologische diagnostiek van biopten wordt nagestreefd Er is overigens ook geen direct bewijs dat het nut van endoscopische surveillance voor Barrett-oesofagus ondersteunt Analyse van observationele studies suggereert dat de werkelijkheid ongunstiger is dan in studies wordt voorgesteld #<DATUM> Hoewel sommige studies suggereren dat screening op Barrett-oesofagus, bijv bij chronische reflux symptomen, kosteneffectief is, zijn er veel praktische bezwaren om een dergelijk programma te Besluiten over wanneer en bij wie endoscopische screening aan te bevelen is moeten worden geïndividualiseerd Het is de taak van de behandelaar om ervoor te zorgen dat patiënten die ervoor kiezen om endoscopische surveillance voor Barrett-oesofagus te ondergaan ook begrijpen dat niet alleen de vermeende voordelen van de procedure, maar ook aanzienlijke tekortkomingen en mogelijke negatieve effecten hierbij van belang zijn Het gaat dan om de kosten en risico's van de endoscopie en van de invasieve procedures die kunnen worden aanbevolen voor de behandeling van laesies gevonden door endoscopie, maar ook om de potentieel negatieve impact op de kwaliteit van leven beschikbaarheid van verbeterde endoscopische behandelingen van Barrett-oesofagus zal de keuze om in <LOCATIE> over te gaan tot screening op Barrett-oesofagus mogelijk gemakelijker maken, echter voorwaarden zijn dat deze methodes kosteneffectief en patient-vriendelijk zijn De diagnose Barrett-oesofagus wordt gesteld d m v endoscopisch onderzoek waarbij biopten die Uitgangspunt voor de diagnose Barrett-oesofagus is de aanwezigheid van cilindrisch-ogend epitheel in de distale slokdarm bij endoscopisch onderzoek Voor het stellen van de diagnose dient dus endoscopisch onderzoek te worden verricht Hierbij moeten uit het Barrett-segment biopten worden genomen voor histologisch onderzoek Het probleem dat hierbij speelt is tweeledig - Het is soms moeilijk voor de endoscopist om de anatomische grens vast te stellen tussen maag en slokdarm omdat die niet altijd gemakkelijk aan te geven is en omdat die verschillend wordt gedefinieerd Er kan daarom onzekerheid bestaan over de precieze herkomst van de biopten, zeker - Een patholoog kan aan het microscopisch beeld van een biopt niet onderscheiden of dit afkomstig is uit de distale slokdarm (en dus metaplastisch epitheel betreft) of afkomstig is uit de proximale maag Voor de praktijk is om die redenen een aantal afspraken gemaakt die de diagnostiek van Barrett In de jaren tachtig werd de diagnose Barrett-oesofagus gesteld wanneer er sprake was van een Barrett-segment van # cm Hierdoor werd de endoscopische onzekerheid ten aanzien van de exacte lokalisatie van de gastro-oesofageale overgang voorkomen Ook werd de voorwaarde toegevoegd dat het gebiopteerde cilindrisch-ogend epitheel bij histologisch onderzoek intestinale metaplasie moest overgang of hernia diafragmatica ten onrechte als metaplastisch werden aangezien Echter bij een Barrett-segment van (# cm bleek soms ook intestinale metaplasie aantoonbaar en werd maligne esophagus”) gevonden Hiermee verloor het “#-cm lengte criterium” waarde voor de definitie De.
569
nvmdl
gesteld d m v endoscopisch onderzoek waarbij biopten die Uitgangspunt voor de diagnose Barrett-oesofagus is de aanwezigheid van cilindrisch-ogend epitheel in de distale slokdarm bij endoscopisch onderzoek Voor het stellen van de diagnose dient dus endoscopisch onderzoek te worden verricht Hierbij moeten uit het Barrett-segment biopten worden genomen voor histologisch onderzoek Het probleem dat hierbij speelt is tweeledig - Het is soms moeilijk voor de endoscopist om de anatomische grens vast te stellen tussen maag en slokdarm omdat die niet altijd gemakkelijk aan te geven is en omdat die verschillend wordt gedefinieerd Er kan daarom onzekerheid bestaan over de precieze herkomst van de biopten, zeker - Een patholoog kan aan het microscopisch beeld van een biopt niet onderscheiden of dit afkomstig is uit de distale slokdarm (en dus metaplastisch epitheel betreft) of afkomstig is uit de proximale maag Voor de praktijk is om die redenen een aantal afspraken gemaakt die de diagnostiek van Barrett In de jaren tachtig werd de diagnose Barrett-oesofagus gesteld wanneer er sprake was van een Barrett-segment van # cm Hierdoor werd de endoscopische onzekerheid ten aanzien van de exacte lokalisatie van de gastro-oesofageale overgang voorkomen Ook werd de voorwaarde toegevoegd dat het gebiopteerde cilindrisch-ogend epitheel bij histologisch onderzoek intestinale metaplasie moest overgang of hernia diafragmatica ten onrechte als metaplastisch werden aangezien Echter bij een Barrett-segment van (# cm bleek soms ook intestinale metaplasie aantoonbaar en werd maligne esophagus”) gevonden Hiermee verloor het “#-cm lengte criterium” waarde voor de definitie De normale gastro-oesofageale overgang, zonder endoscopisch herkenbaar Barrett-segment, tot in wel een derde van de gevallen intestinale metaplasie werd gevonden #<DATUM> ### Daarbij speelt ook nog het probleem van “sampling error”, nl het missen van intestinale metaplasie door onvoldoende biopten en/of de discontinue of focale aanwezigheid van intestinale metaplasie in het Barrett-segment Sinds de eerste publicatie over Barrett-oesofagus is er discussie over de histologische classificatie In ### rapporteerden Paull et al dat bij patiënten met een Barrett-oesofagus drie typen slijmvlies gevonden konden worden, nl een junctional of cardia type met mucus-secernerende cellen, een fundus type met pariëtale en hoofdcellen, en een intestinaal type, ook “specialized columnar type” genoemd met goblet- of slijmbekercellen ### In de tachtiger jaren kwam vast te staan dat een Barrettoesofagus een risicofactor was op het krijgen van een adenocarcinoom van de oesofagus en aanwezigheid van intestinale metaplasie was het epitheeltype dat hiermee was geassocieerd [Reid ###, Haggitt###] Dit leidde ertoe dat de aanwezigheid van intestinale metaplasie ter plaatse van de gastro-oesofageale overgang, met aanwezigheid van slijmbekercellen, een vereiste werd alvorens de Voor de patholoog geldt dat in principe het slijmvlies van een Barrett-oesofagus fundus type, cardia type en/of intestinaal type slijmvlies kan bevatten Het intestinaal type slijmvlies wordt gekenmerkt door slijmbekercellen Fundus type en cardia type Barrett-oesofagus kan niet van normaal cardia- en fundusslijmvlies van de maag worden onderscheiden Het is daarom gewenst dat de patholoog goed geïnformeerd wordt over de plaats waar de biopten zijn genomen.
590
nvmdl
normale gastro-oesofageale overgang, zonder endoscopisch herkenbaar Barrett-segment, tot in wel een derde van de gevallen intestinale metaplasie werd gevonden #<DATUM> ### Daarbij speelt ook nog het probleem van “sampling error”, nl het missen van intestinale metaplasie door onvoldoende biopten en/of de discontinue of focale aanwezigheid van intestinale metaplasie in het Barrett-segment Sinds de eerste publicatie over Barrett-oesofagus is er discussie over de histologische classificatie In ### rapporteerden Paull et al dat bij patiënten met een Barrett-oesofagus drie typen slijmvlies gevonden konden worden, nl een junctional of cardia type met mucus-secernerende cellen, een fundus type met pariëtale en hoofdcellen, en een intestinaal type, ook “specialized columnar type” genoemd met goblet- of slijmbekercellen ### In de tachtiger jaren kwam vast te staan dat een Barrettoesofagus een risicofactor was op het krijgen van een adenocarcinoom van de oesofagus en aanwezigheid van intestinale metaplasie was het epitheeltype dat hiermee was geassocieerd [Reid ###, Haggitt###] Dit leidde ertoe dat de aanwezigheid van intestinale metaplasie ter plaatse van de gastro-oesofageale overgang, met aanwezigheid van slijmbekercellen, een vereiste werd alvorens de Voor de patholoog geldt dat in principe het slijmvlies van een Barrett-oesofagus fundus type, cardia type en/of intestinaal type slijmvlies kan bevatten Het intestinaal type slijmvlies wordt gekenmerkt door slijmbekercellen Fundus type en cardia type Barrett-oesofagus kan niet van normaal cardia- en fundusslijmvlies van de maag worden onderscheiden Het is daarom gewenst dat de patholoog goed geïnformeerd wordt over de plaats waar de biopten zijn genomen metaplasie in de literatuur is geassocieerd met een verhoogd risico op adenocarcinoom, is het niet uitgesloten dat ook het cardia type slijmvlies een risico heeft op ontwikkeling van een adenocarcinoom van de oesofagus ## <TELEFOONNUMMER># #<DATUM> ### Over de omvang van dit risico bestaan onvoldoende gegevens in de literatuur in tegenstelling tot het risico bij aanwezigheid van intestinale metaplasie In navolging van de aanbevelingen van de American Gastroenterological Association is er sprake van een Barrett-oesofagus als in biopten die de endoscopist instuurt als zijnde afkomstig van een Barrettoesofagus, door de patholoog intestinaal type slijmvlies wordt herkend, gekenmerkt door de Intestinale metaplasie is een specifieke en relatief sensitieve marker voor Barrett-oesofagus in endoscopische biopten van de distale slokdarm; in een normale gastro-oesofageale overgang wordt echter in <DATUM> van de biopten ook intestinale metaplasie gevonden Surveillance van een Barrett-oesofagus dient te worden verricht met hoge resolutie (“high definition chromo-endoscopie, optische filters, autofluorescentie endoscopie of confocale laser endomicroscopie Voor de beoordeling van de mucosa staan verschillende endoscopische technieken ter beschikking Moderne video-endoscopen hebben processoren waarmee hoge resolutie beelden worden verkregen en waarmee in combinatie het HD-monitors, de mucosa zeer gedetailleerd kan worden afgebeeld Hoge resolutie endoscopen zijn zeer sensitief in het opsporen van vroege neoplastische Door het gebruik van optische filters, NBI®/FICE®/I-scan®, kunnen door variatie van het lichtspectrum verstoringen van het mucosapatroon en irregulaire vaatpatronen beter worden gedetecteerd ### Het gebruik van deze techniek, in vergelijking met standaard wit licht endoscopie (WLE), geeft in verschillende studies wisselende resultaten voor de detectie van dysplasie.
609
nvmdl
is geassocieerd met een verhoogd risico op adenocarcinoom, is het niet uitgesloten dat ook het cardia type slijmvlies een risico heeft op ontwikkeling van een adenocarcinoom van de oesofagus ## <TELEFOONNUMMER># #<DATUM> ### Over de omvang van dit risico bestaan onvoldoende gegevens in de literatuur in tegenstelling tot het risico bij aanwezigheid van intestinale metaplasie In navolging van de aanbevelingen van de American Gastroenterological Association is er sprake van een Barrett-oesofagus als in biopten die de endoscopist instuurt als zijnde afkomstig van een Barrettoesofagus, door de patholoog intestinaal type slijmvlies wordt herkend, gekenmerkt door de Intestinale metaplasie is een specifieke en relatief sensitieve marker voor Barrett-oesofagus in endoscopische biopten van de distale slokdarm; in een normale gastro-oesofageale overgang wordt echter in <DATUM> van de biopten ook intestinale metaplasie gevonden Surveillance van een Barrett-oesofagus dient te worden verricht met hoge resolutie (“high definition chromo-endoscopie, optische filters, autofluorescentie endoscopie of confocale laser endomicroscopie Voor de beoordeling van de mucosa staan verschillende endoscopische technieken ter beschikking Moderne video-endoscopen hebben processoren waarmee hoge resolutie beelden worden verkregen en waarmee in combinatie het HD-monitors, de mucosa zeer gedetailleerd kan worden afgebeeld Hoge resolutie endoscopen zijn zeer sensitief in het opsporen van vroege neoplastische Door het gebruik van optische filters, NBI®/FICE®/I-scan®, kunnen door variatie van het lichtspectrum verstoringen van het mucosapatroon en irregulaire vaatpatronen beter worden gedetecteerd ### Het gebruik van deze techniek, in vergelijking met standaard wit licht endoscopie (WLE), geeft in verschillende studies wisselende resultaten voor de detectie van dysplasie endoscopie onderzoek bij ## patiënten werd met NBI (Narrow Band Imaging) vaker dysplasie ontdekt (##% van de patiënten) dan met WLE (##%); p(# ###) Met NBI werd in ##% van de gevallen een hogere dysplasiegraad ontdekt dan met WLE en random biopten Omgekeerd waren er geen patiënten bij wie WLE en random biopten een hogere dysplasie graad detecteerde dan gerichte NBIbiopten; p( # ###) ### Opgemerkt dient te worden dat in deze studie de NBI-endoscopieën door meer ervaren endoscopisten werden gedaan Daarnaast gebruikten deze wel degelijk de combinatie van WLE en NBI om gerichte biopten af te nemen Of NBI dus verantwoordelijk is voor de meeropbrengst is niet duidelijk In een multicenter, cross-over studie bij ### patiënten werd er geen significant verschil gevonden in de detectie van dysplasie tussen NBI en WLE, nl ##% vs ##%; p=# <DATUM> Chromo-endoscopie zou het voordeel hebben dat na sprayen van de mucosa met een kleurstof (indigo karmijn, methyleenblauw of azijnzuur) wandonregelmatigheden beter te detecteren zijn Uitkomsten van studies die de rol van deze technieken onderzochten zijn niet conclusief In een prospectief, gerandomiseerde cross-over studie werd kleuring met methyleenblauw vergeleken met standaard #-kwadrant biopteren bij ## patiënten Dysplasie werd met beide methoden even vaak ontdekt Bij de methyleenblauw kleuring groep waren hiervoor minder biopten noodzakelijk ### In een studie met vergelijkbare opzet werd met behulp van standaard biopten vaker dysplasie ontdekt in vergelijking met methyleenblauw kleuring ###.
620
nvmdl
endoscopie onderzoek bij ## patiënten werd met NBI (Narrow Band Imaging) vaker dysplasie ontdekt (##% van de patiënten) dan met WLE (##%); p(# ###) Met NBI werd in ##% van de gevallen een hogere dysplasiegraad ontdekt dan met WLE en random biopten Omgekeerd waren er geen patiënten bij wie WLE en random biopten een hogere dysplasie graad detecteerde dan gerichte NBIbiopten; p( # ###) ### Opgemerkt dient te worden dat in deze studie de NBI-endoscopieën door meer ervaren endoscopisten werden gedaan Daarnaast gebruikten deze wel degelijk de combinatie van WLE en NBI om gerichte biopten af te nemen Of NBI dus verantwoordelijk is voor de meeropbrengst is niet duidelijk In een multicenter, cross-over studie bij ### patiënten werd er geen significant verschil gevonden in de detectie van dysplasie tussen NBI en WLE, nl ##% vs ##%; p=# <DATUM> Chromo-endoscopie zou het voordeel hebben dat na sprayen van de mucosa met een kleurstof (indigo karmijn, methyleenblauw of azijnzuur) wandonregelmatigheden beter te detecteren zijn Uitkomsten van studies die de rol van deze technieken onderzochten zijn niet conclusief In een prospectief, gerandomiseerde cross-over studie werd kleuring met methyleenblauw vergeleken met standaard #-kwadrant biopteren bij ## patiënten Dysplasie werd met beide methoden even vaak ontdekt Bij de methyleenblauw kleuring groep waren hiervoor minder biopten noodzakelijk ### In een studie met vergelijkbare opzet werd met behulp van standaard biopten vaker dysplasie ontdekt in vergelijking met methyleenblauw kleuring ### patiënten scoorde methyleenblauw kleuring gelijkwaardig met de # kwadrant biopten techniek voor de detectie van dysplasie ### Gebruik van chromo-endoscopie bij de diagnostiek van Barrett oesofagus is arbeidsintensief, technisch lastig, moeilijk te standaardiseren en heeft een hoge inter-observer variabiliteit Ook voor NBI gelden deze argumenten grotendeels Beide methoden worden dan ook niet als een standaard techniek beschouwd bij de analyse van Barrett-oesofagus Naar de rol van vele nieuwe technieken (o a autofluorescentie afbeelding (AFI), confocale laser endomicroscopie (CLE), diffuse reflectie en licht verstrooiing spectroscopie, optische coherentie tomografie) bij diagnostiek van mucosale afwijkingen wordt onderzoek gedaan Tot nu toe hebben deze geavanceerde technieken nog geen evident voordeel aangetoond voor de diagnostiek van is aangetoond dat dysplastische veranderingen in Barrett-oesofagus met een hoge sensitiviteit kunnen Het routinematig gebruik van chromo-endoscopie, optische filters, autofluorescentie endoscopie of confocale laser endomicroscopie heeft geen aantoonbare meerwaarde voor de detectie van dysplasie Verslaglegging van een surveillance endoscopie omvat een beschrijving van het Barrett-segment in antegrade én retrograde positie, de lengte van het Barrett-segment en hernia diafragmatica volgens <PERSOON> C&M-criteria, de aan-/afwezigheid van erosieve oesofagitis, de aan-/afwezigheid van zichtbare afwijkingen (indien aanwezig dient de lokalisatie en het macroscopisch aspect beschreven te Omschrijving van het Barrett-segment kan op een aantal praktische problemen stuiten Bepaling van de afstand tussen het cilindrisch epitheel en de gastro-oesofageale overgang (gedefinieerd als het proximale einde van de maagplooien) is soms lastig De positie van de overgang is afhankelijk van de ademhaling, activiteit van de darmmotoriek en lucht insufflatie [ ### In de Aziatische literatuur wordt de.
630
nvmdl
kwadrant biopten techniek voor de detectie van dysplasie ### Gebruik van chromo-endoscopie bij de diagnostiek van Barrett oesofagus is arbeidsintensief, technisch lastig, moeilijk te standaardiseren en heeft een hoge inter-observer variabiliteit Ook voor NBI gelden deze argumenten grotendeels Beide methoden worden dan ook niet als een standaard techniek beschouwd bij de analyse van Barrett-oesofagus Naar de rol van vele nieuwe technieken (o a autofluorescentie afbeelding (AFI), confocale laser endomicroscopie (CLE), diffuse reflectie en licht verstrooiing spectroscopie, optische coherentie tomografie) bij diagnostiek van mucosale afwijkingen wordt onderzoek gedaan Tot nu toe hebben deze geavanceerde technieken nog geen evident voordeel aangetoond voor de diagnostiek van is aangetoond dat dysplastische veranderingen in Barrett-oesofagus met een hoge sensitiviteit kunnen Het routinematig gebruik van chromo-endoscopie, optische filters, autofluorescentie endoscopie of confocale laser endomicroscopie heeft geen aantoonbare meerwaarde voor de detectie van dysplasie Verslaglegging van een surveillance endoscopie omvat een beschrijving van het Barrett-segment in antegrade én retrograde positie, de lengte van het Barrett-segment en hernia diafragmatica volgens <PERSOON> C&M-criteria, de aan-/afwezigheid van erosieve oesofagitis, de aan-/afwezigheid van zichtbare afwijkingen (indien aanwezig dient de lokalisatie en het macroscopisch aspect beschreven te Omschrijving van het Barrett-segment kan op een aantal praktische problemen stuiten Bepaling van de afstand tussen het cilindrisch epitheel en de gastro-oesofageale overgang (gedefinieerd als het proximale einde van de maagplooien) is soms lastig De positie van de overgang is afhankelijk van de ademhaling, activiteit van de darmmotoriek en lucht insufflatie [ ### In de Aziatische literatuur wordt de De palissade vaten, venen gelegen in de lamina propria, kunnen soms moeilijk herkenbaar en onregelmatig begrensd zijn Het is overigens conceptueel onduidelijk waarom dit gebied als distale Beoordeling van de lengte van het Barrett-segment (afstand tussen de gastro-oesofageale overgang en distale einde van het normale cilindrische oesofagus-epitheel) is met name bij de zogenaamde waarde voor een juiste beoordeling van een Barrett-oesofagus was in deze studie slechts ##%, de Met <PERSOON> C & M-classificatie lijkt een beter reproduceerbaar systeem te zijn ontwikkeld voor de beschrijving van de lengte van Barrett-epitheel ### Hierbij wordt met C in cm’s de afstand tussen de oesofagus-maagovergang en het volledig circulaire plaveiselcelepitheel aangegeven Met M wordt de lengte van de maximale uitbreiding (de afstand oesofagus-maagovergang tot meest proximale uitloper Beoordeling van een Barrett-oesofagus dient op een systematische wijze te geschieden Gestart wordt met goede reiniging van de slokdarm (verwijdering van speeksel, mucus en maaginhoud) Spoelen met water en acetylcysteïne #% kan hierbij nuttig zijn Na bepaling van de oesofagus-maagovergang en de C&M-classificatie, vindt uitgebreide inspectie van het epitheel plaats met speciale aandacht voor subtiele mucosale onregelmatigheden Detectie van de dikwijls subtiele oppervlakkige, neoplastische laesies vraagt zorgvuldige inspectie waarbij maximale insufflatie en desufflatie worden afgewisseld ## Van de mucosale onregelmatigheden moeten de locatie, afstand tot tandenrij en positie, en grootte en macroscopisch aspect van de laesie volgens de <PERSOON> classificatie ### worden beschreven Aangezien de meeste neoplastische afwijkingen zich bevinden distaal in de slokdarm tussen de ##- en #-uur.
602
nvmdl
vaten, venen gelegen in de lamina propria, kunnen soms moeilijk herkenbaar en onregelmatig begrensd zijn Het is overigens conceptueel onduidelijk waarom dit gebied als distale Beoordeling van de lengte van het Barrett-segment (afstand tussen de gastro-oesofageale overgang en distale einde van het normale cilindrische oesofagus-epitheel) is met name bij de zogenaamde waarde voor een juiste beoordeling van een Barrett-oesofagus was in deze studie slechts ##%, de Met <PERSOON> C & M-classificatie lijkt een beter reproduceerbaar systeem te zijn ontwikkeld voor de beschrijving van de lengte van Barrett-epitheel ### Hierbij wordt met C in cm’s de afstand tussen de oesofagus-maagovergang en het volledig circulaire plaveiselcelepitheel aangegeven Met M wordt de lengte van de maximale uitbreiding (de afstand oesofagus-maagovergang tot meest proximale uitloper Beoordeling van een Barrett-oesofagus dient op een systematische wijze te geschieden Gestart wordt met goede reiniging van de slokdarm (verwijdering van speeksel, mucus en maaginhoud) Spoelen met water en acetylcysteïne #% kan hierbij nuttig zijn Na bepaling van de oesofagus-maagovergang en de C&M-classificatie, vindt uitgebreide inspectie van het epitheel plaats met speciale aandacht voor subtiele mucosale onregelmatigheden Detectie van de dikwijls subtiele oppervlakkige, neoplastische laesies vraagt zorgvuldige inspectie waarbij maximale insufflatie en desufflatie worden afgewisseld ## Van de mucosale onregelmatigheden moeten de locatie, afstand tot tandenrij en positie, en grootte en macroscopisch aspect van de laesie volgens de <PERSOON> classificatie ### worden beschreven Aangezien de meeste neoplastische afwijkingen zich bevinden distaal in de slokdarm tussen de ##- en #-uur Het is belangrijk om de oesofagusmaagovergang, zeker in aanwezigheid van een hernia diafragmatica, ook in retroflexie goed te inspecteren, aangezien laesies hier gemist kunnen worden wanneer uitsluitend antegraad wordt Verslaglegging van een surveillance endoscopie dient systematisch te worden verricht Bij een surveillance endoscopie van een Barrett-oesofagus worden gerichte biopten afgenomen van alle zichtbare mucosale afwijkingen en apart voor pathologisch onderzoek ingestuurd Daarnaast worden random #-kwadrantsbiopten afgenomen van iedere # cm van het Barrett-segment, startend net boven de bovenrand van de maagplooien en per nivo afzonderlijk ingestuurd voor beoordeling Bij endoscopisch verdenking op een kort Barrett-segment (C≤#M≤#) dienen alleen biopten afgenomen te worden als er endoscopisch verdachte afwijkingen zijn en dient men een dergelijk Barrett-segment Het aanvraagformulier voor de patholoog dient tenminste de volgende gegevens te bevatten - lengte van het Barrett-segment volgens <PERSOON> C&M criteria; - aan-/afwezigheid van zichtbare afwijkingen en de lokalisatie van de afgenomen biopten In aanwezigheid van een graad A of B erosieve oesofagitis worden biopten afgenomen conform bovenstaande aanbevelingen Indien er sprake is van een graad C of D oesofagitis worden biopten beperkt tot eventuele evident neoplastische afwijkingen en wordt de procedure # weken na start van intensieve zuurremmende therapie met een protonpomp inhibitor (PPI) herhaald De kans op het vinden van vroege, behandelbare slokdarmafwijkingen in Barrett-oesofagus is maximaal wanneer een strikt biopsieprotocol wordt gehanteerd Het algemeen geaccepteerde biopsieprotocol is als volgt Allereerst worden van alle zichtbare laesies apart biopten genomen (“target biopten”) Vervolgens worden, beginnend net boven de bovenrand van de maagplooien tot.
600
nvmdl
oesofagusmaagovergang, zeker in aanwezigheid van een hernia diafragmatica, ook in retroflexie goed te inspecteren, aangezien laesies hier gemist kunnen worden wanneer uitsluitend antegraad wordt Verslaglegging van een surveillance endoscopie dient systematisch te worden verricht Bij een surveillance endoscopie van een Barrett-oesofagus worden gerichte biopten afgenomen van alle zichtbare mucosale afwijkingen en apart voor pathologisch onderzoek ingestuurd Daarnaast worden random #-kwadrantsbiopten afgenomen van iedere # cm van het Barrett-segment, startend net boven de bovenrand van de maagplooien en per nivo afzonderlijk ingestuurd voor beoordeling Bij endoscopisch verdenking op een kort Barrett-segment (C≤#M≤#) dienen alleen biopten afgenomen te worden als er endoscopisch verdachte afwijkingen zijn en dient men een dergelijk Barrett-segment Het aanvraagformulier voor de patholoog dient tenminste de volgende gegevens te bevatten - lengte van het Barrett-segment volgens <PERSOON> C&M criteria; - aan-/afwezigheid van zichtbare afwijkingen en de lokalisatie van de afgenomen biopten In aanwezigheid van een graad A of B erosieve oesofagitis worden biopten afgenomen conform bovenstaande aanbevelingen Indien er sprake is van een graad C of D oesofagitis worden biopten beperkt tot eventuele evident neoplastische afwijkingen en wordt de procedure # weken na start van intensieve zuurremmende therapie met een protonpomp inhibitor (PPI) herhaald De kans op het vinden van vroege, behandelbare slokdarmafwijkingen in Barrett-oesofagus is maximaal wanneer een strikt biopsieprotocol wordt gehanteerd Het algemeen geaccepteerde biopsieprotocol is als volgt Allereerst worden van alle zichtbare laesies apart biopten genomen (“target biopten”) Vervolgens worden, beginnend net boven de bovenrand van de maagplooien tot kwadrantsbiopten genomen voor weefselonderzoek, bijv bij een #-cm lang Barrett-segment dienen dus op # niveaus random biopten te worden afgenomen ### ## Met behulp van dit protocol is het voor ervaren endoscopisten in ##-##% mogelijk aanwezig HGD of vroeg-carcinoom te detecteren Bij het strikt volgen van dit biopsieprotocol en na het gericht biopteren van zichtbare afwijkingen werd bij analyse van oesofagusresectie preparaten nog tot in circa #% een invasief carcinoom gevonden ### Er is geen strikt bewijs voor het gebruik van dit zogenaamde “Seattle biopsieprotocol” Wel is duidelijk dat zelfs met de nieuwste endoscopietechnieken het achterwege laten van de random biopten leidt tot Helaas wordt dit biopsieprotocol bij Barrett-surveillance veelal niet strikt gevolgd <PERSOON> et al vonden in een Nederlands retrospectief onderzoek dat bij ##% van de patiënten met een Barrettoesofaguslengte (# cm biopten uit Barrett-oesofagus volgens het Seattle protocol waren afgenomen maar dat voor een Barrett-oesofaguslengte van ##-## cm slechts in ##% van de gevallen dit protocol was gevolgd ## Bij analyse van een Amerikaanse pathologie database waarbij endoscopiegegevens van Barrett-oesofaguslengte werden gecorreleerd, bleek dat gemiddeld bij ##% van de patiënten het geadviseerde protocol werd gevolgd # Bij patiënten bij wie het biopsieprotocol niet werd gevolgd werd Het systematisch biopteren van een Barrett-oesofagus, waarbij apart biopten worden genomen van mucosale onregelmatigheden in combinatie met systematische random biopten, verhoogt de kans op Bij endoscopische beoordeling van de distale slokdarm dient alleen een evident cilindrisch-ogend epitheel in de distale slokdarm te worden gebiopteerd.
604
nvmdl
weefselonderzoek, bijv bij een #-cm lang Barrett-segment dienen dus op # niveaus random biopten te worden afgenomen ### ## Met behulp van dit protocol is het voor ervaren endoscopisten in ##-##% mogelijk aanwezig HGD of vroeg-carcinoom te detecteren Bij het strikt volgen van dit biopsieprotocol en na het gericht biopteren van zichtbare afwijkingen werd bij analyse van oesofagusresectie preparaten nog tot in circa #% een invasief carcinoom gevonden ### Er is geen strikt bewijs voor het gebruik van dit zogenaamde “Seattle biopsieprotocol” Wel is duidelijk dat zelfs met de nieuwste endoscopietechnieken het achterwege laten van de random biopten leidt tot Helaas wordt dit biopsieprotocol bij Barrett-surveillance veelal niet strikt gevolgd <PERSOON> et al vonden in een Nederlands retrospectief onderzoek dat bij ##% van de patiënten met een Barrettoesofaguslengte (# cm biopten uit Barrett-oesofagus volgens het Seattle protocol waren afgenomen maar dat voor een Barrett-oesofaguslengte van ##-## cm slechts in ##% van de gevallen dit protocol was gevolgd ## Bij analyse van een Amerikaanse pathologie database waarbij endoscopiegegevens van Barrett-oesofaguslengte werden gecorreleerd, bleek dat gemiddeld bij ##% van de patiënten het geadviseerde protocol werd gevolgd # Bij patiënten bij wie het biopsieprotocol niet werd gevolgd werd Het systematisch biopteren van een Barrett-oesofagus, waarbij apart biopten worden genomen van mucosale onregelmatigheden in combinatie met systematische random biopten, verhoogt de kans op Bij endoscopische beoordeling van de distale slokdarm dient alleen een evident cilindrisch-ogend epitheel in de distale slokdarm te worden gebiopteerd biopten uit een normale gastro-oesofageale overgang De beoordeling van de lengte van het Barrettsegment is met name voor korte Barrett-segmenten (C(#) weinig betrouwbaar ### Het risico op maligne progressie in een Barrett-oesofagus is mede afhankelijk van de lengte van het Barrettsegment Deze richtlijn adviseert om bij een Barrett-oesofagus (# cm geen endoscopische surveillance te verrichten (zie hoofdstuk # Surveillance van Barrett-oesofagus) Om deze reden adviseert de richtlijncommissie dan ook om bij de endoscopische verdenking op een kort Barrettsegment (C≤#M≤#) alleen biopten af te nemen in de aanwezigheid van endoscopisch verdachte afwijkingen en een dergelijk Barrett-segment niet routinematig random te biopteren Hoe dient de histologische bewerking en beoordeling van biopten en endoscopische resectie Indien in een biopt uit Barrett-oesofagus dysplasie, nl ‘indefinite’ voor dysplasie, laaggradige dysplasie (LGD) of hooggradige dysplasie (HGD), wordt vastgesteld dient het gereviseerd te worden door een gastroenterologische (GE) patholoog met ervaring op dit gebied De conclusie van het pathologisch verslag dient de volgende elementen te bevatten Aan- en afwezigheid van dysplasie, graad van dysplasie Aan- en afwezigheid van carcinoom (Infiltratiediepte kan niet worden bepaald op een biopt)  Aan- en afwezigheid van dysplasie, graad van dysplasie  Aan- en afwezigheid van carcinoom, bepalen van infiltratiediepte van carcinoom (m# - m# en  Radicaliteit en marge t o v de bodem (verticale marge, VM)  Radicaliteit ter plaatse van de laterale rand indien mogelijk  Differentiatiegraad van het carcinoom, m n of sprake is van een weinig gedifferentieerd of De diagnose Barrett-oesofagus dient histologisch bevestigd te worden door beoordeling van de.
640
nvmdl
beoordeling van de lengte van het Barrettsegment is met name voor korte Barrett-segmenten (C(#) weinig betrouwbaar ### Het risico op maligne progressie in een Barrett-oesofagus is mede afhankelijk van de lengte van het Barrettsegment Deze richtlijn adviseert om bij een Barrett-oesofagus (# cm geen endoscopische surveillance te verrichten (zie hoofdstuk # Surveillance van Barrett-oesofagus) Om deze reden adviseert de richtlijncommissie dan ook om bij de endoscopische verdenking op een kort Barrettsegment (C≤#M≤#) alleen biopten af te nemen in de aanwezigheid van endoscopisch verdachte afwijkingen en een dergelijk Barrett-segment niet routinematig random te biopteren Hoe dient de histologische bewerking en beoordeling van biopten en endoscopische resectie Indien in een biopt uit Barrett-oesofagus dysplasie, nl ‘indefinite’ voor dysplasie, laaggradige dysplasie (LGD) of hooggradige dysplasie (HGD), wordt vastgesteld dient het gereviseerd te worden door een gastroenterologische (GE) patholoog met ervaring op dit gebied De conclusie van het pathologisch verslag dient de volgende elementen te bevatten Aan- en afwezigheid van dysplasie, graad van dysplasie Aan- en afwezigheid van carcinoom (Infiltratiediepte kan niet worden bepaald op een biopt)  Aan- en afwezigheid van dysplasie, graad van dysplasie  Aan- en afwezigheid van carcinoom, bepalen van infiltratiediepte van carcinoom (m# - m# en  Radicaliteit en marge t o v de bodem (verticale marge, VM)  Radicaliteit ter plaatse van de laterale rand indien mogelijk  Differentiatiegraad van het carcinoom, m n of sprake is van een weinig gedifferentieerd of De diagnose Barrett-oesofagus dient histologisch bevestigd te worden door beoordeling van de Indien er verdenking is op een neoplastische afwijking in een Barrett-oesofagus kan er gericht worden Indien er meerdere biopten van verschillende locaties zijn afgenomen, dienen deze in een afzonderlijke en gemarkeerde container te worden ingesloten, zodat herkomst van biopten en de afwijkingen daarin te reconstrueren zijn in verband met de follow-up Er worden op # niveaus coupes gesneden en gekleurd met hematoxyline en eosine (H&E) voor beoordeling door de patholoog De beoordeling van een biopt heeft een hogere inter-observervariatie dan een endoscopische resectie ### Een biopt is in tegenstelling tot een endoscopische resectie niet geschikt voor bepaling van de Het preparaat zoals dat wordt verkregen door een endoscopische resectie wordt direct na verwijdering opgespeld door de MDL-arts op kurk of paraffine en op zijn kop (slijmvlies in de formaline) in een afgesloten container met formaline ingestuurd Bij het opspelden is het belangrijk om te voorkomen dat het weefsel overstrekt wordt, wat tot mechanische artefacten kan leiden die de beoordeling bemoeilijken Het materiaal wordt overnacht gefixeerd Bij macroscopische bewerking van het resectiepreparaat worden de afmetingen (lengte x breedte x hoogte) van het preparaat en het aspect van het oppervlak beschreven waarbij fotograferen behulpzaam kan zijn Indien het preparaat uit meerdere delen bestaat, worden de delen afzonderlijk beschreven en gefotografeerd De bodem van het preparaat wordt gemarkeerd met inkt en de meest bedreigde resectierand wordt bepaald De lamelleer richting betreft in principe de korte kant van het preparaat Indien op deze manier het.
596
nvmdl
Indien er verdenking is op een neoplastische afwijking in een Barrett-oesofagus kan er gericht worden Indien er meerdere biopten van verschillende locaties zijn afgenomen, dienen deze in een afzonderlijke en gemarkeerde container te worden ingesloten, zodat herkomst van biopten en de afwijkingen daarin te reconstrueren zijn in verband met de follow-up Er worden op # niveaus coupes gesneden en gekleurd met hematoxyline en eosine (H&E) voor beoordeling door de patholoog De beoordeling van een biopt heeft een hogere inter-observervariatie dan een endoscopische resectie ### Een biopt is in tegenstelling tot een endoscopische resectie niet geschikt voor bepaling van de Het preparaat zoals dat wordt verkregen door een endoscopische resectie wordt direct na verwijdering opgespeld door de MDL-arts op kurk of paraffine en op zijn kop (slijmvlies in de formaline) in een afgesloten container met formaline ingestuurd Bij het opspelden is het belangrijk om te voorkomen dat het weefsel overstrekt wordt, wat tot mechanische artefacten kan leiden die de beoordeling bemoeilijken Het materiaal wordt overnacht gefixeerd Bij macroscopische bewerking van het resectiepreparaat worden de afmetingen (lengte x breedte x hoogte) van het preparaat en het aspect van het oppervlak beschreven waarbij fotograferen behulpzaam kan zijn Indien het preparaat uit meerdere delen bestaat, worden de delen afzonderlijk beschreven en gefotografeerd De bodem van het preparaat wordt gemarkeerd met inkt en de meest bedreigde resectierand wordt bepaald De lamelleer richting betreft in principe de korte kant van het preparaat Indien op deze manier het andere richting te nemen De lamelleer richting wordt vastgelegd op de foto en het preparaat wordt in lamellen van <DATUM> mm dik en totaal ingesloten in twee, maximaal # lamellen per cassette De uiteinden (#e en laatste lamel; “kapjes”) worden elk afzonderlijk ingesloten De coupes worden gekleurd met Het type epitheel waarmee het oppervlakte wordt bedekt (maagtype slijmvlies, plaveiselcelepitheel, intestinale metaplasie) wordt beschreven en in het geval van een resectiepreparaat ook de bodem van het preparaat (lamina propria/ muscularis mucosa/ submucosa) Het preparaat wordt beoordeeld op de aanwezigheid van dysplasie of maligniteit (overeenkomstig de gereviseerde <PERSOON> classificatie) ### ‘Indefinite’ voor dysplasie (niet mogelijk om te zeggen of er dysplasie aanwezig is) Indien in een resectiepreparaat een (intramucosaal) adenocarcinoom gediagnosticeerd wordt, dienen met name de differentiatiegraad van de tumor, de subclassificatie waaruit het T-stadium kan worden herleid, de aan- of afwezigheid van vasoinvasieve groei en de status van de resectievlakken beoordeeld te worden De differentiatiegraad wordt onderverdeeld in goed, matig of slecht De subclassificatie van het T-stadium blijkt uit de bepaling van de exacte invasiediepte Indien de tumor beperkt blijft tot de mucosa betreft het een T#a afwijking (intramucosaal adenocarcinoom) Voor de nadere onderverdeling van een intramucosaal adenocarcinoom worden er internationaal twee verschillende systemen gebruikt Het eerste systeem is gebaseerd op de aanbevelingen van de American Joint Committee on Cancer (AJCC) over de onderverdeling van de mucosa volgens <PERSOON> ### Hierbij wordt naast hooggradige dysplasie/ carcinoom in situ (m#) onderscheid gemaakt.
579
nvmdl
De lamelleer richting wordt vastgelegd op de foto en het preparaat wordt in lamellen van <DATUM> mm dik en totaal ingesloten in twee, maximaal # lamellen per cassette De uiteinden (#e en laatste lamel; “kapjes”) worden elk afzonderlijk ingesloten De coupes worden gekleurd met Het type epitheel waarmee het oppervlakte wordt bedekt (maagtype slijmvlies, plaveiselcelepitheel, intestinale metaplasie) wordt beschreven en in het geval van een resectiepreparaat ook de bodem van het preparaat (lamina propria/ muscularis mucosa/ submucosa) Het preparaat wordt beoordeeld op de aanwezigheid van dysplasie of maligniteit (overeenkomstig de gereviseerde <PERSOON> classificatie) ### ‘Indefinite’ voor dysplasie (niet mogelijk om te zeggen of er dysplasie aanwezig is) Indien in een resectiepreparaat een (intramucosaal) adenocarcinoom gediagnosticeerd wordt, dienen met name de differentiatiegraad van de tumor, de subclassificatie waaruit het T-stadium kan worden herleid, de aan- of afwezigheid van vasoinvasieve groei en de status van de resectievlakken beoordeeld te worden De differentiatiegraad wordt onderverdeeld in goed, matig of slecht De subclassificatie van het T-stadium blijkt uit de bepaling van de exacte invasiediepte Indien de tumor beperkt blijft tot de mucosa betreft het een T#a afwijking (intramucosaal adenocarcinoom) Voor de nadere onderverdeling van een intramucosaal adenocarcinoom worden er internationaal twee verschillende systemen gebruikt Het eerste systeem is gebaseerd op de aanbevelingen van de American Joint Committee on Cancer (AJCC) over de onderverdeling van de mucosa volgens <PERSOON> ### Hierbij wordt naast hooggradige dysplasie/ carcinoom in situ (m#) onderscheid gemaakt invasie in de muscularis mucosa (m#) In dit systeem wordt geen nader onderscheid gemaakt tussen invasie in de gedupliceerde dan wel de originele muscularis mucosa In het systeem van Vieth en <PERSOON> wordt onderscheid gemaakt tussen een intramucosaal adenocarcinoom beperkt tot de lamina propria (m#), invasie in de gedupliceerde muscularis mucosa (m#), invasie in de ruimte tussen de gedupliceerde en originele muscularis mucosa (m#) en invasie in de originele muscularis mucosa (m#) In dit systeem wordt meer specifiek onderscheid in invasiediepte gemaakt en de mogelijke invloed van de gedupliceerde muscularis mucosa benadrukt Het systeem van AJCC wordt nationaal en internationaal het meest verspreid gebruikt In sommige delen van de wereld wordt in de verslaglegging de invasiediepte volgens beide systemen benoemd ### Om de invasiediepte en de prognose nader te kunnen correleren wordt geadviseerd om ongeacht het gebruikte systeem ook altijd expliciet de laag van de diepste invasie van de mucosa te benoemen Indien de tumor infiltreert in en beperkt blijft tot de submucosa betreft het een T#b afwijking en wordt afhankelijk van de exacte infiltratiediepte volgens beide systemen geclassificeerd als sm<DATUM> (sm# tot ### m in de submucosa, sm# tot ### m in de submucosa en sm# invasie ≥### m) De invasiediepte in de submucosa wordt gemeten vanaf de onderzijde van de originele (buitenste) muscularis mucosa en wordt weergegeven in mm De aan- of afwezigheid van vasoinvasieve groei wordt benoemd De radicaliteit van zowel de laterale als het diepe/ basale resectievlak wordt bepaald.
609
nvmdl
wordt geen nader onderscheid gemaakt tussen invasie in de gedupliceerde dan wel de originele muscularis mucosa In het systeem van Vieth en <PERSOON> wordt onderscheid gemaakt tussen een intramucosaal adenocarcinoom beperkt tot de lamina propria (m#), invasie in de gedupliceerde muscularis mucosa (m#), invasie in de ruimte tussen de gedupliceerde en originele muscularis mucosa (m#) en invasie in de originele muscularis mucosa (m#) In dit systeem wordt meer specifiek onderscheid in invasiediepte gemaakt en de mogelijke invloed van de gedupliceerde muscularis mucosa benadrukt Het systeem van AJCC wordt nationaal en internationaal het meest verspreid gebruikt In sommige delen van de wereld wordt in de verslaglegging de invasiediepte volgens beide systemen benoemd ### Om de invasiediepte en de prognose nader te kunnen correleren wordt geadviseerd om ongeacht het gebruikte systeem ook altijd expliciet de laag van de diepste invasie van de mucosa te benoemen Indien de tumor infiltreert in en beperkt blijft tot de submucosa betreft het een T#b afwijking en wordt afhankelijk van de exacte infiltratiediepte volgens beide systemen geclassificeerd als sm<DATUM> (sm# tot ### m in de submucosa, sm# tot ### m in de submucosa en sm# invasie ≥### m) De invasiediepte in de submucosa wordt gemeten vanaf de onderzijde van de originele (buitenste) muscularis mucosa en wordt weergegeven in mm De aan- of afwezigheid van vasoinvasieve groei wordt benoemd De radicaliteit van zowel de laterale als het diepe/ basale resectievlak wordt bepaald niet meer mogelijk is de ware status van de laterale marge (Lm) te bepalen De afstand tot het diepe/basale resectievlak (verticale marge, Vm) wordt gemeten in mm en indien er tumorcellen aanwezig zijn in het diepe/ basale resectievlak wordt dit apart benoemd Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de aanvullende waarde van experimentele biomarkers bij het markers heeft immunohistochemisch onderzoek naar nucleaire expressie van p## de grootste praktische en klinische toepasbaarheid Indien de immuunhistochemische test positief is (afwijkend aankleurings patroon) kan het de interobserver variabiliteit van de diagnose dysplasie verbeteren ### Hierbij dient men zich ervan bewust te zijn dat een positieve p##-aankleuring naast nucleaire overexpressie ook uit een compleet afwezig nucleair aankleuringspatroon kan bestaan De inter-observer variabiliteit voor het stellen van de diagnose LGD is groot Meerdere studies hebben laten zien dat indien de diagnose dysplasie in een Barrett-oesofagus wordt bevestigd door een tweede GE-patholoog of een expertpanel met ervaring op dit gebied de voorspelling van de progressie van de dysplasie verbetert en dat deze verbetering toeneemt indien het aantal pathologen die de diagnose dysplasie bevestigt groter is <TELEFOONNUMMER># ## In een studie waarbij alle biopten met LGD in Barrettoesofagus uit meerdere ziekenhuizen centraal werden gereviseerd door een patholoog met ervaring op dit gebied werd meer dan ##% hiervan gereviseerd naar niet dysplastisch Barrett-oesofagus ## Bij patiënten bij wie de diagnose LGD naar niet dysplastisch werd bijgesteld werd een progressie naar maligniteit gezien van #,##% per jaar Dit in vergelijking tot een progressie van ##,#% per jaar bij.
597
nvmdl
te bepalen De afstand tot het diepe/basale resectievlak (verticale marge, Vm) wordt gemeten in mm en indien er tumorcellen aanwezig zijn in het diepe/ basale resectievlak wordt dit apart benoemd Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de aanvullende waarde van experimentele biomarkers bij het markers heeft immunohistochemisch onderzoek naar nucleaire expressie van p## de grootste praktische en klinische toepasbaarheid Indien de immuunhistochemische test positief is (afwijkend aankleurings patroon) kan het de interobserver variabiliteit van de diagnose dysplasie verbeteren ### Hierbij dient men zich ervan bewust te zijn dat een positieve p##-aankleuring naast nucleaire overexpressie ook uit een compleet afwezig nucleair aankleuringspatroon kan bestaan De inter-observer variabiliteit voor het stellen van de diagnose LGD is groot Meerdere studies hebben laten zien dat indien de diagnose dysplasie in een Barrett-oesofagus wordt bevestigd door een tweede GE-patholoog of een expertpanel met ervaring op dit gebied de voorspelling van de progressie van de dysplasie verbetert en dat deze verbetering toeneemt indien het aantal pathologen die de diagnose dysplasie bevestigt groter is <TELEFOONNUMMER># ## In een studie waarbij alle biopten met LGD in Barrettoesofagus uit meerdere ziekenhuizen centraal werden gereviseerd door een patholoog met ervaring op dit gebied werd meer dan ##% hiervan gereviseerd naar niet dysplastisch Barrett-oesofagus ## Bij patiënten bij wie de diagnose LGD naar niet dysplastisch werd bijgesteld werd een progressie naar maligniteit gezien van #,##% per jaar Dit in vergelijking tot een progressie van ##,#% per jaar bij De bevestiging van de diagnose dysplasie in Barrett-oesofagus door een tweede patholoog met ervaring op dit gebied (consensus diagnose) als een goede biomarker voor de bepaling van het risico op het ontstaan van maligniteit werd bevestigd in een Britse studie ### In een vergelijkbare studie vanuit de VS maakte revisie door een expertpatholoog geen verschil; in deze studie was de waarde voor de diagnose LGD laag (#,##) ### Methodologisch is er veel kritiek mogelijk op deze studie Daarom wordt aangeraden om de diagnose dysplasie en ‘indefinite’ voor dysplasie te laten reviseren door een patholoog met ervaring op dit gebied In <LOCATIE> geldt dat de meeste MDL-artsen bij een diagnose ‘indefinite’ voor dysplasie een Indien in een biopt uit Barrett-oesofagus de diagnose dysplasie wordt gesteld is er een dermate hoge variabiliteit in de histologische beoordeling dat revisie door een GE-patholoog met ervaring op dit gebied geïndiceerd alvorens keuzes worden gemaakt ten aanzien van de surveillancetermijn of Aanvullend p## immunohistochemisch onderzoek kan de diagnostische reproduceerbaarheid van de Voor keuzes ten aanzien van surveillance van patiënten met een Barrett-oesofagus dient het Om tot een rationele aanbeveling te komen ten aanzien van surveillance van Barrett-oesofagus is inzicht betreffende het kankerrisico bij deze premaligne aandoening belangrijk Oudere studies geven een incidentie van <DATUM> per jaar voor een adenocarcinoom van de oesofagus bij patiënten met Barrett-oesofagus ### <DATUM> Door verschillende confounders waaronder inclusie van prevalente adenocarcinomen, maar ook door selectie- en publicatiebias lijkt dit een overschatting van het kankerrisico ###.
595
nvmdl
diagnose dysplasie in Barrett-oesofagus door een tweede patholoog met ervaring op dit gebied (consensus diagnose) als een goede biomarker voor de bepaling van het risico op het ontstaan van maligniteit werd bevestigd in een Britse studie ### In een vergelijkbare studie vanuit de VS maakte revisie door een expertpatholoog geen verschil; in deze studie was de waarde voor de diagnose LGD laag (#,##) ### Methodologisch is er veel kritiek mogelijk op deze studie Daarom wordt aangeraden om de diagnose dysplasie en ‘indefinite’ voor dysplasie te laten reviseren door een patholoog met ervaring op dit gebied In <LOCATIE> geldt dat de meeste MDL-artsen bij een diagnose ‘indefinite’ voor dysplasie een Indien in een biopt uit Barrett-oesofagus de diagnose dysplasie wordt gesteld is er een dermate hoge variabiliteit in de histologische beoordeling dat revisie door een GE-patholoog met ervaring op dit gebied geïndiceerd alvorens keuzes worden gemaakt ten aanzien van de surveillancetermijn of Aanvullend p## immunohistochemisch onderzoek kan de diagnostische reproduceerbaarheid van de Voor keuzes ten aanzien van surveillance van patiënten met een Barrett-oesofagus dient het Om tot een rationele aanbeveling te komen ten aanzien van surveillance van Barrett-oesofagus is inzicht betreffende het kankerrisico bij deze premaligne aandoening belangrijk Oudere studies geven een incidentie van <DATUM> per jaar voor een adenocarcinoom van de oesofagus bij patiënten met Barrett-oesofagus ### <DATUM> Door verschillende confounders waaronder inclusie van prevalente adenocarcinomen, maar ook door selectie- en publicatiebias lijkt dit een overschatting van het kankerrisico ### afhankelijk van de methodologie van de studie, patiëntenpopulatie, lengte van het Barrett-segment, geslacht, leeftijd en geografische verschillen ### Hoewel in enkele recente studies ook een hogere incidentie werd gevonden ###, kunnen de meest recente publicaties de eerder gerapporteerde relatief In een recent systemisch review, waarin ## studies aan de vooraf gestelde inclusiecriteria voldeden, werd bij een totaal van ruim ## ### patiënten gedurende een follow-up van bijna ## ### patiëntjaren ruim ### maal een adenocarcinoom van de oesofagus vastgesteld Na exclusie van prevalente carcinomen, gedefinieerd als laesies gediagnosticeerd binnen een jaar na inclusie, werd de incidentie van het adenocarcinoom bij patiënten met Barrett-oesofagus berekend op # # % per jaar ### Andere meta-analyses en # studies die zijn verschenen na bovengenoemd review zijn min of meer In een meta-analyse van <PERSOON> et al naar het kankerrisico bij Barrett-oesofagus werden ## in de Engelse taal gepubliceerde studies geïdentificeerd met ## ### patiënten en een follow-up van ruim ## ### patiëntjaren ### Gedurende follow-up ontwikkelden ### patiënten een adenocarcinoom van de slokdarm De berekende kankerincidentie bij Barrett-oesofagus was hiermee <DATUM> patiëntjaren (##%CI <DATUM> In vergelijking met studies uit het Verenigd Koninkrijk, USA en Australië lieten Europese studies een iets lagere incidentie zien, nl <DATUM> vs <DATUM> patiëntjaren In ## studies werd ook de incidentie voor hooggradige dysplasie [HGD] beschreven In een cohort van <DATUM> patiënten werd tijdens een follow-up van <LEEFTIJD> jaar bij ### patiënten een adenocarcinoom vastgesteld en bij ## HGD in de Barrett-oesofagus.
666
nvmdl
van het Barrett-segment, geslacht, leeftijd en geografische verschillen ### Hoewel in enkele recente studies ook een hogere incidentie werd gevonden ###, kunnen de meest recente publicaties de eerder gerapporteerde relatief In een recent systemisch review, waarin ## studies aan de vooraf gestelde inclusiecriteria voldeden, werd bij een totaal van ruim ## ### patiënten gedurende een follow-up van bijna ## ### patiëntjaren ruim ### maal een adenocarcinoom van de oesofagus vastgesteld Na exclusie van prevalente carcinomen, gedefinieerd als laesies gediagnosticeerd binnen een jaar na inclusie, werd de incidentie van het adenocarcinoom bij patiënten met Barrett-oesofagus berekend op # # % per jaar ### Andere meta-analyses en # studies die zijn verschenen na bovengenoemd review zijn min of meer In een meta-analyse van <PERSOON> et al naar het kankerrisico bij Barrett-oesofagus werden ## in de Engelse taal gepubliceerde studies geïdentificeerd met ## ### patiënten en een follow-up van ruim ## ### patiëntjaren ### Gedurende follow-up ontwikkelden ### patiënten een adenocarcinoom van de slokdarm De berekende kankerincidentie bij Barrett-oesofagus was hiermee <DATUM> patiëntjaren (##%CI <DATUM> In vergelijking met studies uit het Verenigd Koninkrijk, USA en Australië lieten Europese studies een iets lagere incidentie zien, nl <DATUM> vs <DATUM> patiëntjaren In ## studies werd ook de incidentie voor hooggradige dysplasie [HGD] beschreven In een cohort van <DATUM> patiënten werd tijdens een follow-up van <LEEFTIJD> jaar bij ### patiënten een adenocarcinoom vastgesteld en bij ## HGD in de Barrett-oesofagus <DATUM> patiëntjaren (##% CI <DATUM> Europese studies uit deze meta-analyse toonden ook nu een lagere incidentie voor HGD/adenocarcinoom, nl <DATUM> patiëntjaren in vergelijking met Engelse en Amerikaanse studies Hvid-Jensen et al onderzochten in een Deens landelijk cohort de incidentie van adenocarcinoom en HGD in Barrett-oesofagus Hierin werden ## ### patiënten gemiddeld <DATUM> jaar vervolgd In totaal werd bij ### patiënten tijdens de studie een adenocarcinoom vastgesteld Na exclusie van prevalente adenocarcinoom gevallen (ontdekt (<LEEFTIJD> jaar na studie inclusie) bedroeg de incidentie # ##% (CI # ## ##), een aanzienlijk lager getal dan de eerder gerapporteerde incidentie van # #% ### Het overall gestandaardiseerde relatieve risico (SIR) op de ontwikkeling van adenocarcinoom was <DATUM> (CI <DATUM> #) De jaarlijkse incidentie voor HGD en adenocarcinoom was <DATUM-##> (CI <DATUM-##> per ### patiëntjaren met een SIR van <DATUM-##> (CI <DATUM-##> #) In afwezigheid van laaggradige dysplasie (LGD) was de incidentie voor adenocarcinoom in de oesofagus # # (CI # <DATUM-##> #) per ### patiëntjaren en bij aanwezigheid van LGD <DATUM> (CI # #-<DATUM-##> Het relatieve risico hierbij was <DATUM-##> (CI <DATUM-##> De methodologie van deze studie is op een aantal punten bekritiseerd De studie is volledig gebaseerd op histologische data zonder corresponderende endoscopische gegevens Mogelijk werden ook patiënten met alleen intestinale metaplasie van de cardia geïncludeerd Verder werden patiënten, die.
724
nvmdl
CI <DATUM> Europese studies uit deze meta-analyse toonden ook nu een lagere incidentie voor HGD/adenocarcinoom, nl <DATUM> patiëntjaren in vergelijking met Engelse en Amerikaanse studies Hvid-Jensen et al onderzochten in een Deens landelijk cohort de incidentie van adenocarcinoom en HGD in Barrett-oesofagus Hierin werden ## ### patiënten gemiddeld <DATUM> jaar vervolgd In totaal werd bij ### patiënten tijdens de studie een adenocarcinoom vastgesteld Na exclusie van prevalente adenocarcinoom gevallen (ontdekt (<LEEFTIJD> jaar na studie inclusie) bedroeg de incidentie # ##% (CI # ## ##), een aanzienlijk lager getal dan de eerder gerapporteerde incidentie van # #% ### Het overall gestandaardiseerde relatieve risico (SIR) op de ontwikkeling van adenocarcinoom was <DATUM> (CI <DATUM> #) De jaarlijkse incidentie voor HGD en adenocarcinoom was <DATUM> (CI <DATUM> per ### patiëntjaren met een SIR van <DATUM> (CI <DATUM> #) In afwezigheid van laaggradige dysplasie (LGD) was de incidentie voor adenocarcinoom in de oesofagus # # (CI # <DATUM-##> #) per ### patiëntjaren en bij aanwezigheid van LGD <DATUM> (CI # #-<DATUM> Het relatieve risico hierbij was <DATUM-##> (CI <DATUM-##> De methodologie van deze studie is op een aantal punten bekritiseerd De studie is volledig gebaseerd op histologische data zonder corresponderende endoscopische gegevens Mogelijk werden ook patiënten met alleen intestinale metaplasie van de cardia geïncludeerd Verder werden patiënten, die adenocarcinoom in Barrett-oesofagus werd gesteld, geëxcludeerd, terwijl patiënten die voorafgaand de studie waren opgenomen Hierdoor selecteerde men dus een laag-risico Barrett-populatie voor de studie Verder werden alle patiënten die ten tijde van het sluiten van de studie niet met HGD of adenocarcinoom waren gediagnosticeerd beschouwd als geen HGD of adenocarcinoom hebbend De studie geeft echter geen enkele informatie of en wanneer deze patiënten daadwerkelijk endoscopisch werden vervolgd en onderschat hiermee logischerwijs de echte aanwezigheid van HGD en adenocarcinoom ten tijde van beëindigen van de studie Feitelijk betekent dit dat slechts Alle bovengenoemde studies in ogenschouw nemend ligt de jaarlijkse kans op ontwikkeling van adenocarcinoom in een Barrett-oesofagus waarschijnlijk tussen # #-# #% Daarnaast is de kans op progressie naar HGD # #-# #% per jaar Het cumulatief risico op ontwikkeling van een maligniteit in een Barrett-oesofagus is per definitie aanzienlijk hoger Theoretisch kan bij een follow-up van bijvoorbeeld meer dan <LEEFTIJD> jaar bij individuele patiënten het cumulatief risico op ontwikkeling van HGD en/of adenocarcinoom oplopen tot boven de ##% In overstemming hiermee is de vaststelling dat het risico op ontwikkeling van dysplasie en/of carcinoom afhankelijk is van de follow-up duur en de leeftijd Een belangrijk klinisch dilemma blijft het feit dat de meeste patiënten met een Barrett-oesofagus overlijden aan de gevolgen van een andere aandoening Het mortaliteitsrisico bij patiënten met Barrett-oesofagus is vergelijkbaar met of iets hoger dan dat van de algemene bevolking ## Hoewel het risico om te overlijden aan slokdarmcarcinoom verhoogd is blijkt uit epidemiologisch onderzoek dat slechts #.
649
nvmdl
de studie waren opgenomen Hierdoor selecteerde men dus een laag-risico Barrett-populatie voor de studie Verder werden alle patiënten die ten tijde van het sluiten van de studie niet met HGD of adenocarcinoom waren gediagnosticeerd beschouwd als geen HGD of adenocarcinoom hebbend De studie geeft echter geen enkele informatie of en wanneer deze patiënten daadwerkelijk endoscopisch werden vervolgd en onderschat hiermee logischerwijs de echte aanwezigheid van HGD en adenocarcinoom ten tijde van beëindigen van de studie Feitelijk betekent dit dat slechts Alle bovengenoemde studies in ogenschouw nemend ligt de jaarlijkse kans op ontwikkeling van adenocarcinoom in een Barrett-oesofagus waarschijnlijk tussen # #-# #% Daarnaast is de kans op progressie naar HGD # #-# #% per jaar Het cumulatief risico op ontwikkeling van een maligniteit in een Barrett-oesofagus is per definitie aanzienlijk hoger Theoretisch kan bij een follow-up van bijvoorbeeld meer dan <LEEFTIJD> jaar bij individuele patiënten het cumulatief risico op ontwikkeling van HGD en/of adenocarcinoom oplopen tot boven de ##% In overstemming hiermee is de vaststelling dat het risico op ontwikkeling van dysplasie en/of carcinoom afhankelijk is van de follow-up duur en de leeftijd Een belangrijk klinisch dilemma blijft het feit dat de meeste patiënten met een Barrett-oesofagus overlijden aan de gevolgen van een andere aandoening Het mortaliteitsrisico bij patiënten met Barrett-oesofagus is vergelijkbaar met of iets hoger dan dat van de algemene bevolking ## Hoewel het risico om te overlijden aan slokdarmcarcinoom verhoogd is blijkt uit epidemiologisch onderzoek dat slechts # In de meta-analyse van <PERSOON> et al werden ## studies beschreven met sterfte gerelateerd aan het adenocarcinoom van de oesofagus Gegevens van # ### patiënten, die gemiddeld <LEEFTIJD> jaar werden vervolgd, werden geanalyseerd In totaal overleden ## patiënten als gevolg van een oesofagus carcinoom, terwijl <DATUM> overleden aan een niet gespecificeerde oorzaak De sterfte incidentie van het adenocarcinoom in Barrett-oesofagus was <DATUM> patiëntjaren (##%CI <DATUM> ###, De doodsoorzaak tijdens follow-up werd gespecificeerd in ## studies (<DATUM> patiënten, ## ### patiëntjaren follow-up) In totaal stierven ### personen waarvan ## (#%) aan een adenocarcinoom van de slokdarm en ### (##%) aan een andere oorzaak Met een berekend sterfterisico van #<DATUM> patiëntjaren (##%CI <DATUM> #) is het risico om te overlijden aan een andere oorzaak dan het adenocarcinoom ##x hoger Cardiovasculaire ziekten waren verantwoordelijk voor ##% van de sterfte in deze populatie, longaandoeningen ##% en De kans op ontwikkeling van adenocarcinoom in een Barrett-oesofagus ligt tussen de # #-# #% per De kans op progressie naar HGD in een Barrett-oesofagus ligt tussen de # #-# #% per jaar Het risico op progressie naar HGD of adenocarcinoom is cumulatief over de tijd waardoor een patiënt met een Barrett-oesofagus en een hoge levensverwachting een significante kans ()##%) heeft het op ontstaan hiervan De meeste patiënten met een Barrett-oesofagus overlijden echter aan een andere oorzaak dan het adenocarcinoom, vooral aan cardiovasculaire en pulmonale aandoeningen Surveillance van patiënten met een Barrett-oesofagus wordt afgeraden bij afwezigheid van dysplasie.
658
nvmdl
<PERSOON> et al werden ## studies beschreven met sterfte gerelateerd aan het adenocarcinoom van de oesofagus Gegevens van # ### patiënten, die gemiddeld <LEEFTIJD> jaar werden vervolgd, werden geanalyseerd In totaal overleden ## patiënten als gevolg van een oesofagus carcinoom, terwijl <DATUM> overleden aan een niet gespecificeerde oorzaak De sterfte incidentie van het adenocarcinoom in Barrett-oesofagus was <DATUM> patiëntjaren (##%CI <DATUM> ###, De doodsoorzaak tijdens follow-up werd gespecificeerd in ## studies (<DATUM> patiënten, ## ### patiëntjaren follow-up) In totaal stierven ### personen waarvan ## (#%) aan een adenocarcinoom van de slokdarm en ### (##%) aan een andere oorzaak Met een berekend sterfterisico van #<DATUM> patiëntjaren (##%CI <DATUM> #) is het risico om te overlijden aan een andere oorzaak dan het adenocarcinoom ##x hoger Cardiovasculaire ziekten waren verantwoordelijk voor ##% van de sterfte in deze populatie, longaandoeningen ##% en De kans op ontwikkeling van adenocarcinoom in een Barrett-oesofagus ligt tussen de # #-# #% per De kans op progressie naar HGD in een Barrett-oesofagus ligt tussen de # #-# #% per jaar Het risico op progressie naar HGD of adenocarcinoom is cumulatief over de tijd waardoor een patiënt met een Barrett-oesofagus en een hoge levensverwachting een significante kans ()##%) heeft het op ontstaan hiervan De meeste patiënten met een Barrett-oesofagus overlijden echter aan een andere oorzaak dan het adenocarcinoom, vooral aan cardiovasculaire en pulmonale aandoeningen Surveillance van patiënten met een Barrett-oesofagus wordt afgeraden bij afwezigheid van dysplasie Surveillance van patiënten met Barrett-oesofagus wordt alleen geadviseerd wanneer het vinden van afwijkingen in de Barrett-oesofagus klinische consequentie zal hebben, m a w het moet aannemelijk zijn dat indien bij toekomstige controles een asymptomatische maligniteit wordt ontdekt het niet behandelen van deze afwijking de levensverwachting van de patiënt negatief zal worden beïnvloed Endoscopische surveillance bij patiënten met een Barrett-oesofagus wordt aanbevolen op grond van de aanname dat de sterfte aan adenocarcinoom van de oesofagus zal afnemen doordat een oesofaguscarcinoom in een vroeger en dus beter behandelbaar stadium wordt ontdekt, leidend tot overlevingswinst ## ## ## ## Desondanks leidt een adenocarcinoom van de oesofagus dat in een vroeg stadium wordt ontdekt niet altijd tot overlevingswinst ### Daarnaast ontbreken prospectieve en methodologisch goed opgezette studies van voldoende omvang die aantonen dat endoscopische surveillance van patiënten met Barrett-oesofagus kosteneffectief is ### Een aantal studies toonden een betere overleving van patiënten met Barrett-oesofagus waarbij tijdens surveillance endoscopie HGD of vroeg-carcinoom van de oesofagus werd vastgesteld in vergelijking met patiënten die zich primair presenteerden met passage symptomen bij een adenocarcinoom in Barrett-oesofagus van Sandick et al vonden bij ## patiënten met een bij endoscopie ontdekt HGD of adenocarcinoom van de oesofagus een <LEEFTIJD>-jaars overleving van #<DATUM> vs een overleving van #<DATUM> (p=# ###) in een controle groep van ## patiënten met een Barrett-carcinoom die geen surveillance ondergingen In de surveillance groep was er bij # van de ## patiënten sprake van maximaal HGD en bij # een intramucosaal carcinoom.
679
nvmdl
van patiënten met Barrett-oesofagus wordt alleen geadviseerd wanneer het vinden van afwijkingen in de Barrett-oesofagus klinische consequentie zal hebben, m a w het moet aannemelijk zijn dat indien bij toekomstige controles een asymptomatische maligniteit wordt ontdekt het niet behandelen van deze afwijking de levensverwachting van de patiënt negatief zal worden beïnvloed Endoscopische surveillance bij patiënten met een Barrett-oesofagus wordt aanbevolen op grond van de aanname dat de sterfte aan adenocarcinoom van de oesofagus zal afnemen doordat een oesofaguscarcinoom in een vroeger en dus beter behandelbaar stadium wordt ontdekt, leidend tot overlevingswinst ## ## ## ## Desondanks leidt een adenocarcinoom van de oesofagus dat in een vroeg stadium wordt ontdekt niet altijd tot overlevingswinst ### Daarnaast ontbreken prospectieve en methodologisch goed opgezette studies van voldoende omvang die aantonen dat endoscopische surveillance van patiënten met Barrett-oesofagus kosteneffectief is ### Een aantal studies toonden een betere overleving van patiënten met Barrett-oesofagus waarbij tijdens surveillance endoscopie HGD of vroeg-carcinoom van de oesofagus werd vastgesteld in vergelijking met patiënten die zich primair presenteerden met passage symptomen bij een adenocarcinoom in Barrett-oesofagus van Sandick et al vonden bij ## patiënten met een bij endoscopie ontdekt HGD of adenocarcinoom van de oesofagus een <LEEFTIJD>-jaars overleving van #<DATUM> vs een overleving van #<DATUM> (p=# ###) in een controle groep van ## patiënten met een Barrett-carcinoom die geen surveillance ondergingen In de surveillance groep was er bij # van de ## patiënten sprake van maximaal HGD en bij # een intramucosaal carcinoom gunstiger in vergelijking met dat van de controlegroep Ook na exclusie van de HGD-patiënten bleef het verschil in overleving overigens significant ### Garside et al bespreken in een review alle in de literatuur beschreven Markov modellen die de kosteneffectiviteit van Barrett surveillance onderzochten Uitgangspunt hierbij was een model waarbij blanke mannen met een Barrett slokdarm van ##-<LEEFTIJD> jaar tot hun ##e jaar of gedurende <LEEFTIJD> jaar <LEEFTIJD>-jaarlijks surveillance endoscopieën ondergingen in het Verenigd Koninkrijk in ### Wanneer sprake was van LGD, dan volgde endoscopische controle na <LEEFTIJD> jaar en bij HGD controle na # maanden Hoewel voor de waarde van de in te voeren parameters goede wetenschappelijke data ontbreken en de uitkomsten van het Markov model hierdoor variabel zijn, concluderen de auteurs dat kosteneffectiviteit van surveillance nagenoeg uitgesloten is (kosten minimaal ) £## ### per gewonnen QALY) ## Om de vraag te kunnen beantwoorden of surveillance van Barrett-oesofagus kosteneffectief is en tot overlevingswinst zal lijden door vermindering van sterfte aan oesofaguscarcinoom is idealiter een prospectief gerandomiseerd onderzoek nodig Wanneer wordt uitgegaan van een hoge carcinoom incidentie van <DATUM> zou een studiepopulatie van ongeveer # ### patiënten minimaal gedurende <LEEFTIJD> jaar moeten worden vervolgd ### Een dergelijke Hoewel data ontbreken van gerandomiseerd gecontroleerde studies naar de kosteneffectiviteit en het mogelijke overlevingsvoordeel van endoscopische surveillance van Barrett-oesofagus adviseren veel beroepsverenigingen toch surveillance van Barrett-oesofagus aan Dit advies wordt mede ingegeven door de slechte prognose van het oesofaguscarcinoom met een gemiddelde <LEEFTIJD>-jaaroverleving van ###%.
625
nvmdl
vergelijking met dat van de controlegroep Ook na exclusie van de HGD-patiënten bleef het verschil in overleving overigens significant ### Garside et al bespreken in een review alle in de literatuur beschreven Markov modellen die de kosteneffectiviteit van Barrett surveillance onderzochten Uitgangspunt hierbij was een model waarbij blanke mannen met een Barrett slokdarm van ##-<LEEFTIJD> jaar tot hun ##e jaar of gedurende <LEEFTIJD> jaar <LEEFTIJD>-jaarlijks surveillance endoscopieën ondergingen in het Verenigd Koninkrijk in ### Wanneer sprake was van LGD, dan volgde endoscopische controle na <LEEFTIJD> jaar en bij HGD controle na # maanden Hoewel voor de waarde van de in te voeren parameters goede wetenschappelijke data ontbreken en de uitkomsten van het Markov model hierdoor variabel zijn, concluderen de auteurs dat kosteneffectiviteit van surveillance nagenoeg uitgesloten is (kosten minimaal ) £## ### per gewonnen QALY) ## Om de vraag te kunnen beantwoorden of surveillance van Barrett-oesofagus kosteneffectief is en tot overlevingswinst zal lijden door vermindering van sterfte aan oesofaguscarcinoom is idealiter een prospectief gerandomiseerd onderzoek nodig Wanneer wordt uitgegaan van een hoge carcinoom incidentie van <DATUM> zou een studiepopulatie van ongeveer # ### patiënten minimaal gedurende <LEEFTIJD> jaar moeten worden vervolgd ### Een dergelijke Hoewel data ontbreken van gerandomiseerd gecontroleerde studies naar de kosteneffectiviteit en het mogelijke overlevingsvoordeel van endoscopische surveillance van Barrett-oesofagus adviseren veel beroepsverenigingen toch surveillance van Barrett-oesofagus aan Dit advies wordt mede ingegeven door de slechte prognose van het oesofaguscarcinoom met een gemiddelde <LEEFTIJD>-jaaroverleving van ###% De beperkte literatuurgegevens die suggereren dat endoscopische surveillance van Barrett-oesofagus leidt tot overlevingswinst door het ontdekken van vroege, beter behandelbare stadia van HGD en Studies met betrekking tot surveillance van Barrett-oesofagus zijn gevoelig voor een aantal bias, zoals lead- en length-time bias, waardoor het gunstige effect van surveillance kan worden overschat De diagnose en de implicaties hiervan worden besproken met de patiënt Als argument voor surveillance kan aan de patient de mogelijkheid van het ontdekken van oppervlakkige (pre- of vroeg) maligne afwijkingen in de oesofagus worden genoemd, die een grotere kans op een in opzet curatieve behandeling hebben Hierbij dient de nuancering te worden gemaakt dat goed wetenschappelijk onderzoek ontbreekt om deze aanname te onderbouwen en dat de kans om daadwerkelijk te overlijden aan de gevolgen van een adenocarcinoom van de slokdarm bij deze aandoening klein is Nadelen van surveillance zijn verder de fysieke en psychische belasting van geregelde endoscopieën Daarnaast bestaat er een geringe kans op het ontstaan van een zgn interval carcinoom, een carcinoom dat ontstaat in de periode tussen twee surveillance endoscopieën Bij patiënten met een Barrett-oesofagus en significante comorbiditeit en/of hoge leeftijd is - gezien de beperkte levensverwachting - de detectie van een asymptomatische maligniteit in de toekomst mogelijk geen relevant eindpunt Om bij deze patiënten surveillance te rechtvaardigen moet het aannemelijk zijn dat indien bij toekomstige controles een asymptomatische maligniteit wordt ontdekt deze zonder behandeling tot sterfte, ernstige ziekte of invasieve behandeling leidt Om deze reden is naar de.
587
nvmdl
dat endoscopische surveillance van Barrett-oesofagus leidt tot overlevingswinst door het ontdekken van vroege, beter behandelbare stadia van HGD en Studies met betrekking tot surveillance van Barrett-oesofagus zijn gevoelig voor een aantal bias, zoals lead- en length-time bias, waardoor het gunstige effect van surveillance kan worden overschat De diagnose en de implicaties hiervan worden besproken met de patiënt Als argument voor surveillance kan aan de patient de mogelijkheid van het ontdekken van oppervlakkige (pre- of vroeg) maligne afwijkingen in de oesofagus worden genoemd, die een grotere kans op een in opzet curatieve behandeling hebben Hierbij dient de nuancering te worden gemaakt dat goed wetenschappelijk onderzoek ontbreekt om deze aanname te onderbouwen en dat de kans om daadwerkelijk te overlijden aan de gevolgen van een adenocarcinoom van de slokdarm bij deze aandoening klein is Nadelen van surveillance zijn verder de fysieke en psychische belasting van geregelde endoscopieën Daarnaast bestaat er een geringe kans op het ontstaan van een zgn interval carcinoom, een carcinoom dat ontstaat in de periode tussen twee surveillance endoscopieën Bij patiënten met een Barrett-oesofagus en significante comorbiditeit en/of hoge leeftijd is - gezien de beperkte levensverwachting - de detectie van een asymptomatische maligniteit in de toekomst mogelijk geen relevant eindpunt Om bij deze patiënten surveillance te rechtvaardigen moet het aannemelijk zijn dat indien bij toekomstige controles een asymptomatische maligniteit wordt ontdekt deze zonder behandeling tot sterfte, ernstige ziekte of invasieve behandeling leidt Om deze reden is naar de zonder dysplasie in de biopten en aanwezigheid van significante comorbiditeit met een gemiddelde - Bij de medicamenteuze behandeling van patiënten met een Barrett-oesofagus genieten protonpomp remmers de voorkeur Hierbij wordt gestreefd naar het normaliseren van de reflux Hoewel een goede wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt, valt het naar mening van de werkgroep op theoretische gronden te overwegen om ook in de afwezigheid van reflux symptomen Er is geen plaats voor ##-uurs pH-metrie en/of impedentiemeting om de optimale PPI-dosering bij Gebruik van aspirine, NSAIDS, of statines met als primair doel de kans op maligne degeneratie in Anti-reflux chirurgie met als primaire doel de kans op maligne degeneratie in een Barrett-oesofagus Patiënten met een Barrett-oesofagus hebben dikwijls klachten en/of endoscopische tekenen van gastro-oesofageale refluxziekte (GORZ) GORZ is een bekende risicofactor voor de ontwikkeling van adenocarcinoom van de oesofagus Het is onduidelijk waardoor de verhoogde kans op carcinoom wordt veroorzaakt ofwel door inductie van de Barrett-metaplasie, door bevordering van de carcinogenese in de Barrett-oesofagus of door beide Het is inmiddels gebruikelijk om patiënten met Barrett-epitheel, net als GORZ-patiënten, te behandelen met een protonpomp remmer (PPI) ## #<DATUM> Onduidelijk is echter of langdurig PPI-gebruik kan leiden tot regressie van intestinale metaplasie en of dat de kans op dysplasie cq carcinogenese in Barrett-epitheel wordt verminderd #<DATUM> <PERSOON> et al vonden een kleine, doch significante regressie van de Barrett-oesofagus lengte onder invloed van PPI-therapie Bij gebruik van H#-receptorantagonisten werd geen regressie gevonden ### Ander onderzoek liet geen regressie zien van de Barrett-lengte tijdens langdurig PPI gebruik ##.
586
nvmdl
significante comorbiditeit met een gemiddelde - Bij de medicamenteuze behandeling van patiënten met een Barrett-oesofagus genieten protonpomp remmers de voorkeur Hierbij wordt gestreefd naar het normaliseren van de reflux Hoewel een goede wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt, valt het naar mening van de werkgroep op theoretische gronden te overwegen om ook in de afwezigheid van reflux symptomen Er is geen plaats voor ##-uurs pH-metrie en/of impedentiemeting om de optimale PPI-dosering bij Gebruik van aspirine, NSAIDS, of statines met als primair doel de kans op maligne degeneratie in Anti-reflux chirurgie met als primaire doel de kans op maligne degeneratie in een Barrett-oesofagus Patiënten met een Barrett-oesofagus hebben dikwijls klachten en/of endoscopische tekenen van gastro-oesofageale refluxziekte (GORZ) GORZ is een bekende risicofactor voor de ontwikkeling van adenocarcinoom van de oesofagus Het is onduidelijk waardoor de verhoogde kans op carcinoom wordt veroorzaakt ofwel door inductie van de Barrett-metaplasie, door bevordering van de carcinogenese in de Barrett-oesofagus of door beide Het is inmiddels gebruikelijk om patiënten met Barrett-epitheel, net als GORZ-patiënten, te behandelen met een protonpomp remmer (PPI) ## #<DATUM> Onduidelijk is echter of langdurig PPI-gebruik kan leiden tot regressie van intestinale metaplasie en of dat de kans op dysplasie cq carcinogenese in Barrett-epitheel wordt verminderd #<DATUM> <PERSOON> et al vonden een kleine, doch significante regressie van de Barrett-oesofagus lengte onder invloed van PPI-therapie Bij gebruik van H#-receptorantagonisten werd geen regressie gevonden ### Ander onderzoek liet geen regressie zien van de Barrett-lengte tijdens langdurig PPI gebruik ## die onderhoudsbehandeling met PPI gebruikten in vergelijking met patiënten die geen PPIs gebruikten Hoewel PPIs een aanzienlijke vermindering van de maagzuurproductie geven en klachten dikwijls geheel verdwijnen, leidt PPI-behandeling bij Barrett-patiënten vaak niet tot volledige normalisatie van de zuurexpositie in de slokdarm Studies hebben aangetoond dat de afwezigheid van refluxsymptomen bij Barrett-patiënten een slechte voorspeller is voor de feitelijke blootstelling van het In vitro studies hebben aangetoond dat zuurexpositie van oesofagusepitheel de carcinogenese bevordert door hyperproliferatie en remming van apoptose [Souza ###] Onder invloed van zuurremming namen celproliferatie markers af en differentiatie markers toe in oesofagusbiopten van patiënten met adequate zuurremming Bij controles met onvoldoende zuurremming werden deze Een aantal studies lieten zien dat bij gebruik van aspirine en NSAID’s (COX-# remmers) een reductie in carcinoomontwikkeling ontstond ## <DATUM> ### Een meta-analyse, gepubliceerd in ###, toonde voor significante daling van het carcinoomrisico # Ander observationeel onderzoek bevestigde het gunstig Het beschermend effect van aspirine en/of NSAID’s lijkt ook bij kortdurend gebruik op te treden; verder lijkt er voor aspirine een dosis-afhankelijkheid te bestaan Vanwege de hogere kosten en het mogelijke cardiovaculaire risico van specifieke COX-# remmers is het toekomstig gebruik op grote schaal als chemopreventief middel twijfelachtig Meer voor de hand liggend is het toekomstig gebruik van aspirine als chemopreventie De resultaten van een groot prospectief gerandomiseerd <PERSOON> onderzoek (Aspect studie), waarbij het effect op dysplasia ontwikkeling wordt bestudeerd in relatie tot.
594
nvmdl
onderhoudsbehandeling met PPI gebruikten in vergelijking met patiënten die geen PPIs gebruikten Hoewel PPIs een aanzienlijke vermindering van de maagzuurproductie geven en klachten dikwijls geheel verdwijnen, leidt PPI-behandeling bij Barrett-patiënten vaak niet tot volledige normalisatie van de zuurexpositie in de slokdarm Studies hebben aangetoond dat de afwezigheid van refluxsymptomen bij Barrett-patiënten een slechte voorspeller is voor de feitelijke blootstelling van het In vitro studies hebben aangetoond dat zuurexpositie van oesofagusepitheel de carcinogenese bevordert door hyperproliferatie en remming van apoptose [Souza ###] Onder invloed van zuurremming namen celproliferatie markers af en differentiatie markers toe in oesofagusbiopten van patiënten met adequate zuurremming Bij controles met onvoldoende zuurremming werden deze Een aantal studies lieten zien dat bij gebruik van aspirine en NSAID’s (COX-# remmers) een reductie in carcinoomontwikkeling ontstond ## <DATUM> ### Een meta-analyse, gepubliceerd in ###, toonde voor significante daling van het carcinoomrisico # Ander observationeel onderzoek bevestigde het gunstig Het beschermend effect van aspirine en/of NSAID’s lijkt ook bij kortdurend gebruik op te treden; verder lijkt er voor aspirine een dosis-afhankelijkheid te bestaan Vanwege de hogere kosten en het mogelijke cardiovaculaire risico van specifieke COX-# remmers is het toekomstig gebruik op grote schaal als chemopreventief middel twijfelachtig Meer voor de hand liggend is het toekomstig gebruik van aspirine als chemopreventie De resultaten van een groot prospectief gerandomiseerd <PERSOON> onderzoek (Aspect studie), waarbij het effect op dysplasia ontwikkeling wordt bestudeerd in relatie tot In een recente case-control studie (cohort van ### patiënten) bleek bij multivariate regressieanalyse dat gebruik van aspirine geassocieerd was met een verminderde kans op het aanwezig zijn van Barrett-oesofagus (OR # ## (##%CI # ##-# ##) ### Het effect bleek dosis-afhankelijk, alleen bij een dosering ≥ ### mg aspirine per dag werd een beschermend effect gevonden De combinatie van NSAID/aspirine en statine lijkt een additief beschermend effect te hebben op de ontwikkeling van dysplasia of maligniteit bij Barrett-patiënten In Nederlands onderzoek werd in een groep van ### Barrett-patiënten het vóórkomen van HGD en adenocarcinoom in de oesofagus gerapporteerd De mediane follow-up duur was #,<LEEFTIJD> jaar Een totaal aantal van ### patiënten (##%) gebruikte een statine en/of NSAIDs, waarvan ### (##%) gedurende een mediaan van <LEEFTIJD> jaar NSAID’s, ### (##%) een statine en ### (##%) zowel een NSAID als een statine In de laatste groep (NSAID en statine) bedroeg de HR # ## (p= # ###) m b t het ontstaan van dysplasia of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus, bij gebruik van alleen een NSAID was de HR # ## (p= # ###) en voor statine alleen was de HR # ## (p=# ###) [<PERSOON> ###b] Deze bevindingen zijn een bevestiging van eerder Hoewel regressie van Barrett-oesofagus is beschreven na anti-reflux chirurgie, werd in een systematisch overzicht met ## studies geen verschil in kanker incidentie gevonden tussen geopereerde en medicamenteus behandelde patiënten (<DATUM> vs <DATUM> per ### patiëntjaren, p= NS) ## ## Een meta-analyse uit ### toonde evenmin een beschermend effect van anti-refluxchirurgie op de.
704
nvmdl
aspirine geassocieerd was met een verminderde kans op het aanwezig zijn van Barrett-oesofagus (OR # ## (##%CI # ##-# ##) ### Het effect bleek dosis-afhankelijk, alleen bij een dosering ≥ ### mg aspirine per dag werd een beschermend effect gevonden De combinatie van NSAID/aspirine en statine lijkt een additief beschermend effect te hebben op de ontwikkeling van dysplasia of maligniteit bij Barrett-patiënten In Nederlands onderzoek werd in een groep van ### Barrett-patiënten het vóórkomen van HGD en adenocarcinoom in de oesofagus gerapporteerd De mediane follow-up duur was #,<LEEFTIJD> jaar Een totaal aantal van ### patiënten (##%) gebruikte een statine en/of NSAIDs, waarvan ### (##%) gedurende een mediaan van <LEEFTIJD> jaar NSAID’s, ### (##%) een statine en ### (##%) zowel een NSAID als een statine In de laatste groep (NSAID en statine) bedroeg de HR # ## (p= # ###) m b t het ontstaan van dysplasia of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus, bij gebruik van alleen een NSAID was de HR # ## (p= # ###) en voor statine alleen was de HR # ## (p=# ###) [<PERSOON> ###b] Deze bevindingen zijn een bevestiging van eerder Hoewel regressie van Barrett-oesofagus is beschreven na anti-reflux chirurgie, werd in een systematisch overzicht met ## studies geen verschil in kanker incidentie gevonden tussen geopereerde en medicamenteus behandelde patiënten (<DATUM> vs <DATUM> per ### patiëntjaren, p= NS) ## ## Een meta-analyse uit ### toonde evenmin een beschermend effect van anti-refluxchirurgie op de Behandeling met een PPI leidt veelal niet tot volledige normalisatie van de gastro-oesofageale reflux bij patiënten met Barrett-oesofagus en de afwezigheid van refluxsymptomen is een slechte maat voor de feitelijke blootstelling van het Barrett-segment aan gastro-oesofageale reflux Er is indirect bewijs dat zuurremmende therapie de kans op maligne degeneratie in een Barrettoesofagus vermindert Er is indirect bewijs dat gebruik van aspirine, NSAID en statines de kans op maligne degeneratie in Er is onvoldoende bewijs dat antireflux chirurgie de kans op maligne degeneratie in een Barrett Is LGD een risicofactor voor maligne progressie bij de diagnose Barrett-oesofagus en hoe dient Indien in een biopt uit Barrett-oesofagus LGD wordt vastgesteld dient het gereviseerd te worden door een gastroenterologische (GE) patholoog met ervaring op dit gebied Patiënten met een bevestigde diagnose LGD hebben een zodanig verhoogde kans op progressie naar HGD of adenocarcinoom dat voor hen specifieke surveillance richtlijnen gelden (zie ook Hoofdstuk #) De diagnose LGD wordt na herbeoordeling door expertpathologen vaak gewijzigd in nietdysplastische veranderingen en dergelijke patiënten hebben géén verhoogde kans op maligne progressie ten opzichte van patiënten die primair als niet-dysplastisch zijn gediagnosticeerd In een prospectieve Nederlandse multicenter studie werd de interobserver variatie onderzocht bij het scoren van de dysplasiegraad in biopten uit Barrett-oesofagus door pathologen met verschillend ervaringsniveau in deze beoordeling Van de ### onderzochte patiënten werden er ### uitgesloten van analyse wegens het ontbreken van intestinale metaplasie De interobserver variatie was =# ##) De Kappa was echter # ## voor de beoordeling van geen dysplasie versus indefinite/LGD.
691
nvmdl
tot volledige normalisatie van de gastro-oesofageale reflux bij patiënten met Barrett-oesofagus en de afwezigheid van refluxsymptomen is een slechte maat voor de feitelijke blootstelling van het Barrett-segment aan gastro-oesofageale reflux Er is indirect bewijs dat zuurremmende therapie de kans op maligne degeneratie in een Barrettoesofagus vermindert Er is indirect bewijs dat gebruik van aspirine, NSAID en statines de kans op maligne degeneratie in Er is onvoldoende bewijs dat antireflux chirurgie de kans op maligne degeneratie in een Barrett Is LGD een risicofactor voor maligne progressie bij de diagnose Barrett-oesofagus en hoe dient Indien in een biopt uit Barrett-oesofagus LGD wordt vastgesteld dient het gereviseerd te worden door een gastroenterologische (GE) patholoog met ervaring op dit gebied Patiënten met een bevestigde diagnose LGD hebben een zodanig verhoogde kans op progressie naar HGD of adenocarcinoom dat voor hen specifieke surveillance richtlijnen gelden (zie ook Hoofdstuk #) De diagnose LGD wordt na herbeoordeling door expertpathologen vaak gewijzigd in nietdysplastische veranderingen en dergelijke patiënten hebben géén verhoogde kans op maligne progressie ten opzichte van patiënten die primair als niet-dysplastisch zijn gediagnosticeerd In een prospectieve Nederlandse multicenter studie werd de interobserver variatie onderzocht bij het scoren van de dysplasiegraad in biopten uit Barrett-oesofagus door pathologen met verschillend ervaringsniveau in deze beoordeling Van de ### onderzochte patiënten werden er ### uitgesloten van analyse wegens het ontbreken van intestinale metaplasie De interobserver variatie was =# ##) De Kappa was echter # ## voor de beoordeling van geen dysplasie versus indefinite/LGD De interobserver variatie was overigens in deze studie ook Recent verschenen twee Nederlands studies waarin het risico op ontwikkeling van HGD/vroegcarcinoom werd onderzocht in aanwezigheid van LGD in Barrett-oesofagus <PERSOON> et al vonden bij aanwezigheid van LGD (bevestigd door # expertpathologen) een cumulatief risico op progressie naar HGD of adenocarcinoom van ##% in ### maanden follow-up vs <DATUM> in ### maanden follow-up bij patiënten bij wie de diagnose LGD werd bijgesteld naar niet-dysplastisch Barrett-oesofagus De incidentie naar ontwikkeling van HGD/carcinoom was <DATUM> per jaar in aanwezigheid van LGD Indien initieel geen LGD werd aangetoond dan was de kans op progressie naar HGD/carcinoom # ##% per jaar ## Overigens werd de initiële diagnose LGD in ##% van de gevallen na revisie door de <PERSOON> et al beschreven een cohort van ### Barrett patiënten met een follow-up van bijna <DATUM> patiëntjaren Bij ### patiënten was er sprake van LGD bij de start van de studie Tijdens follow-up ontwikkelden ## patiënten HGD en ## patiënten een adenocarcinoom van de oesofagus Indien bij aanvang sprake was van LGD was de jaarlijkse cumulatieve incidentie voor de ontwikkeling van afwezigheid van LGD was de progressie # #% (##%CI # #-# #) naar HGD en # #% (##%CI # #-# #) Een aantal studies hebben geen verschil gerapporteerd in de kans op ontwikkeling van een adenocarcinoom in Barrett-oesofagus bij patiënten met en zonder LGD #<DATUM> #<DATUM> terwijl andere studies weer een hoger risico vaststelden #<DATUM> Wani et al.
641
nvmdl
overigens in deze studie ook Recent verschenen twee Nederlands studies waarin het risico op ontwikkeling van HGD/vroegcarcinoom werd onderzocht in aanwezigheid van LGD in Barrett-oesofagus <PERSOON> et al vonden bij aanwezigheid van LGD (bevestigd door # expertpathologen) een cumulatief risico op progressie naar HGD of adenocarcinoom van ##% in ### maanden follow-up vs <DATUM> in ### maanden follow-up bij patiënten bij wie de diagnose LGD werd bijgesteld naar niet-dysplastisch Barrett-oesofagus De incidentie naar ontwikkeling van HGD/carcinoom was <DATUM> per jaar in aanwezigheid van LGD Indien initieel geen LGD werd aangetoond dan was de kans op progressie naar HGD/carcinoom # ##% per jaar ## Overigens werd de initiële diagnose LGD in ##% van de gevallen na revisie door de <PERSOON> et al beschreven een cohort van ### Barrett patiënten met een follow-up van bijna <DATUM> patiëntjaren Bij ### patiënten was er sprake van LGD bij de start van de studie Tijdens follow-up ontwikkelden ## patiënten HGD en ## patiënten een adenocarcinoom van de oesofagus Indien bij aanvang sprake was van LGD was de jaarlijkse cumulatieve incidentie voor de ontwikkeling van afwezigheid van LGD was de progressie # #% (##%CI # #-# #) naar HGD en # #% (##%CI # #-# #) Een aantal studies hebben geen verschil gerapporteerd in de kans op ontwikkeling van een adenocarcinoom in Barrett-oesofagus bij patiënten met en zonder LGD #<DATUM> #<DATUM> terwijl andere studies weer een hoger risico vaststelden #<DATUM> Wani et al gecombineerde incidentie voor HGD en/of vroeg-carcinoom in Barrett-oesofagus van <DATUM> per jaar, waarmee zij concludeerden dat het risico vergelijkbaar was met dat van patiënten met nietdysplastisch Barrett-oesofagus ### De methodologie van deze studie is echter bekritiseerd, o a omdat de berekening van het follow-up interval niet zeker is en het niet uitgesloten is dat patiënten met LGD behandeld werden met radiofrequente ablatie (RFA) Daarnaast werden patiënten bij wie de histologische diagnose indefinite for dysplasia werd gesteld gecombineerd met patiënten met LGD, waardoor een potentiële bias kan worden geïntroduceerd in de beoordeling van het risico op progressie van LGD Tenslotte was de consensus tussen de expertpathologen ten aanzien van de diagnose LGD bijzonder laag (kappa #,##) bij de beoordeling van preparaten van ## patiënten bij wie in ##% van de gevallen sprake was van een gradering van de preparaten naar HGD of (vroeg)carcinoom in Barrett-oesofagus De histologische diagnose LGD in Barrett-oesofagus heeft een hoge interobserver variatie Nederlandse patiënten bij wi de diagnose LGD na revisie door een expertpatholoog wordt bevestigd, hebben een sterk verhoogde kans op progressie naar HGD/adenocarcinoom in Barrett-oesofagus (###% per jaar) Wanneer de diagnose LGD wordt aangepast naar reactieve veranderingen, dan is het Revisie van biopten met een mogelijke diagnose LGD door een panel van expertpathologen leidt in ##% van de patiënten tot een aanpassing van de diagnose naar niet-dysplastisch Barrett-epitheel Zijn er - naast de diagnose LGD - andere factoren die het risico op maligne progressie van een.
656
nvmdl
incidentie voor HGD en/of vroeg-carcinoom in Barrett-oesofagus van <DATUM> per jaar, waarmee zij concludeerden dat het risico vergelijkbaar was met dat van patiënten met nietdysplastisch Barrett-oesofagus ### De methodologie van deze studie is echter bekritiseerd, o a omdat de berekening van het follow-up interval niet zeker is en het niet uitgesloten is dat patiënten met LGD behandeld werden met radiofrequente ablatie (RFA) Daarnaast werden patiënten bij wie de histologische diagnose indefinite for dysplasia werd gesteld gecombineerd met patiënten met LGD, waardoor een potentiële bias kan worden geïntroduceerd in de beoordeling van het risico op progressie van LGD Tenslotte was de consensus tussen de expertpathologen ten aanzien van de diagnose LGD bijzonder laag (kappa #,##) bij de beoordeling van preparaten van ## patiënten bij wie in ##% van de gevallen sprake was van een gradering van de preparaten naar HGD of (vroeg)carcinoom in Barrett-oesofagus De histologische diagnose LGD in Barrett-oesofagus heeft een hoge interobserver variatie Nederlandse patiënten bij wi de diagnose LGD na revisie door een expertpatholoog wordt bevestigd, hebben een sterk verhoogde kans op progressie naar HGD/adenocarcinoom in Barrett-oesofagus (###% per jaar) Wanneer de diagnose LGD wordt aangepast naar reactieve veranderingen, dan is het Revisie van biopten met een mogelijke diagnose LGD door een panel van expertpathologen leidt in ##% van de patiënten tot een aanpassing van de diagnose naar niet-dysplastisch Barrett-epitheel Zijn er - naast de diagnose LGD - andere factoren die het risico op maligne progressie van een De lengte van een Barrett-oesofagus dient een rol te spelen in de keuze voor surveillance intervallen (zie ook Uitgangsvraag “Wat zijn voor de Nederlandse situatie de te adviseren intervallen voor Het risico op adenocarcinoom lijkt toe te nemen met de lengte van de Barrett-oesofagus In een metanalyse uit ### (## studies geïncludeerd met ### patiënten en ### patiëntjaren), waarbij de incidentie van adenocarcinoom in een niet-dysplastische Barrett-oesofagus werd onderzocht, werd voor de hele groep een jaarlijkse incidentie van adenocarcinoom van #,##% gevonden De kanker incidentie bedroeg #,##% bij patiënten met een Barrett-oesofagus lengte van (# cm ## Met de zoekvraag “Is er een grens lengte van een Barrett-oesofagus - zonder LGD - aan te geven die verlenging van het surveillance interval naar <LEEFTIJD> jaar kan rechtvaardigen gemeten naar neoplastische progressie?” werd in ### gezocht naar literatuur (Bijlage ##) Enkele studies lieten zien dat een langere Barrett-oesofagus een onafhankelijke predictor was voor progressie naar HGD of adenocarcinoom <PERSOON> et al vonden in een prospectieve, multicenter studie in een multivariate analyse, waarin werd gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht, een relatief risico van <DATUM> (##%CI # #<DATUM> per cm toename van de Barrett-oesofagus [<PERSOON> ###] Ook <PERSOON> et al lieten zien dat een segmentlengte van )# cm een onafhankelijke predictor is voor progressie naar dysplasie in Barrettoesofagus (OR <DATUM> ##%CI <DATUM> # ##) ### Een aantal observationele studies vergeleken de neoplastische progressie als functie van de segmentlengte <PERSOON> et al.
660
nvmdl
een rol te spelen in de keuze voor surveillance intervallen (zie ook Uitgangsvraag “Wat zijn voor de Nederlandse situatie de te adviseren intervallen voor Het risico op adenocarcinoom lijkt toe te nemen met de lengte van de Barrett-oesofagus In een metanalyse uit ### (## studies geïncludeerd met ### patiënten en ### patiëntjaren), waarbij de incidentie van adenocarcinoom in een niet-dysplastische Barrett-oesofagus werd onderzocht, werd voor de hele groep een jaarlijkse incidentie van adenocarcinoom van #,##% gevonden De kanker incidentie bedroeg #,##% bij patiënten met een Barrett-oesofagus lengte van (# cm ## Met de zoekvraag “Is er een grens lengte van een Barrett-oesofagus - zonder LGD - aan te geven die verlenging van het surveillance interval naar <LEEFTIJD> jaar kan rechtvaardigen gemeten naar neoplastische progressie?” werd in ### gezocht naar literatuur (Bijlage ##) Enkele studies lieten zien dat een langere Barrett-oesofagus een onafhankelijke predictor was voor progressie naar HGD of adenocarcinoom <PERSOON> et al vonden in een prospectieve, multicenter studie in een multivariate analyse, waarin werd gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht, een relatief risico van <DATUM> (##%CI # #<DATUM> per cm toename van de Barrett-oesofagus [<PERSOON> ###] Ook <PERSOON> et al lieten zien dat een segmentlengte van )# cm een onafhankelijke predictor is voor progressie naar dysplasie in Barrettoesofagus (OR <DATUM> ##%CI <DATUM> # ##) ### Een aantal observationele studies vergeleken de neoplastische progressie als functie van de segmentlengte <PERSOON> et al (SSBE; gedefinieerd als (# cm) ten opzichte van patiënten met een Barrett-oesofagus ≥# cm ### Deze risico reductie was statistisch niet-significant maar patiënten met neoplastische progressie hadden een significant langere Barrett-oesofagus dan patiënten zonder neoplastische progressie (p(# ###) Sinds het review van <PERSOON> et al werden nog # vergelijkbare observationele studies gepubliceerd Gatenby et al bestudeerden retrospectief ### patiënten met een Barrett-oesofagus waarbij de segmentlengte gedocumenteerd werd ## Bij de ### patiënten met tenminste <LEEFTIJD> jaar follow-up was de jaarlijkse incidentie van adenocarcinoom van de oesofagus # ##% (##%CI # #<DATUM> Als functie van (##%CI # #<DATUM> p=# ###) Een multivariate analyse toonde dat segmentlengte een onafhankelijke predictor was voor neoplastische progressie (p=# ###) In een tweede retrospectieve studie bestudeerden Alcedo et al ### patiënten met een Barrett-oesofagus, waarvan ### met een short segment Barrett-oesofagus (SSBE) zonder dysplasie # Het jaarlijkse risico op neoplasie was # ##% in de SSBE-groep versus # ##% in de groep met een Barrett-oesofagus ≥# cm Deze resultaten hielden echter geen rekening met de aan- of afwezigheid van dysplasie Een multivariate analyse werd evenmin uitgevoerd Manabe et al bestudeerden retrospectief ### patiënten met een SSBE ### Na een gemiddelde follow-up van <DATUM> jaar had geen enkele patiënt pogressie naar neoplasie Tenslotte bestudeerden Wani et al bij <DATUM> patiënten met een Barrett-oesofagus zonder prevalente dysplasie, d w z een diagnose van dysplasie binnen het jaar na de initiële diagnose van Barrett-oesofagus, de.
724
nvmdl
≥# cm ### Deze risico reductie was statistisch niet-significant maar patiënten met neoplastische progressie hadden een significant langere Barrett-oesofagus dan patiënten zonder neoplastische progressie (p(# ###) Sinds het review van <PERSOON> et al werden nog # vergelijkbare observationele studies gepubliceerd Gatenby et al bestudeerden retrospectief ### patiënten met een Barrett-oesofagus waarbij de segmentlengte gedocumenteerd werd ## Bij de ### patiënten met tenminste <LEEFTIJD> jaar follow-up was de jaarlijkse incidentie van adenocarcinoom van de oesofagus # ##% (##%CI # #<DATUM> Als functie van (##%CI # #<DATUM> p=# ###) Een multivariate analyse toonde dat segmentlengte een onafhankelijke predictor was voor neoplastische progressie (p=# ###) In een tweede retrospectieve studie bestudeerden Alcedo et al ### patiënten met een Barrett-oesofagus, waarvan ### met een short segment Barrett-oesofagus (SSBE) zonder dysplasie # Het jaarlijkse risico op neoplasie was # ##% in de SSBE-groep versus # ##% in de groep met een Barrett-oesofagus ≥# cm Deze resultaten hielden echter geen rekening met de aan- of afwezigheid van dysplasie Een multivariate analyse werd evenmin uitgevoerd Manabe et al bestudeerden retrospectief ### patiënten met een SSBE ### Na een gemiddelde follow-up van <DATUM> jaar had geen enkele patiënt pogressie naar neoplasie Tenslotte bestudeerden Wani et al bij <DATUM> patiënten met een Barrett-oesofagus zonder prevalente dysplasie, d w z een diagnose van dysplasie binnen het jaar na de initiële diagnose van Barrett-oesofagus, de Zij concludeerden dat vanaf een segmentlengte van # cm het verschil in incidentie van HGD en adenocarcinoom van de oesofagus statistisch significant werd Patiënten met een segmentlengte (# cm hadden een jaarlijkse In een Nederlands onderzoek bleek dat het op juiste wijze afnemen van biopten uit een Barrettoesofagus afhankelijk is van de lengte van het Barrett-segment ## Bij een Barrett lengte (# cm wordt in bijna ##% het protocol gevolgd, bij <DATUM> cm in ##% en bij een lengte van )## cm in ##% Een vergelijkbare observatie komt uit Amerika In een studie waarin <DATUM> surveillance endoscopiëen werden geïncludeerd, bleek dat bij een oplopende Barrett-lengte van <DATUM> cm, <DATUM> en )# cm de Odd’s (# ##-# ##) was # De kans op detectie van dysplasie bleek navenant te dalen (OR # ## (# ##-# ##)) Het risico op adenocarcinoom in een Barrett-oesofagus is voor mannen hoger dan voor vrouwen (<DATUM> vs <DATUM-##> per # ### patiëntjaren) ##<DATUM-##> Tot nu toe is het niet gebruikelijk het geslacht als risicofactor mee te wegen bij de indicatiestelling en intervallen voor surveillance van Barrett-oesofagus In de eerder beschreven studie van <PERSOON> et al bleek dat naast LGD in Barrett-oesofagus en de lengte van de Barrett-oesofagus ook het meer dan <LEEFTIJD> jaar bekend zijn met Barrett-oesofagus (RR <DATUM-##> CI <DATUM-##> en de aanwezigheid van oesofagitis (RR <DATUM> CI <DATUM-##> geassocieerd te zijn met een grotere kans op ontwikkeling van HGD of adenocarcinoom ###.
730
nvmdl
cm het verschil in incidentie van HGD en adenocarcinoom van de oesofagus statistisch significant werd Patiënten met een segmentlengte (# cm hadden een jaarlijkse In een Nederlands onderzoek bleek dat het op juiste wijze afnemen van biopten uit een Barrettoesofagus afhankelijk is van de lengte van het Barrett-segment ## Bij een Barrett lengte (# cm wordt in bijna ##% het protocol gevolgd, bij <DATUM> cm in ##% en bij een lengte van )## cm in ##% Een vergelijkbare observatie komt uit Amerika In een studie waarin <DATUM> surveillance endoscopiëen werden geïncludeerd, bleek dat bij een oplopende Barrett-lengte van <DATUM> cm, <DATUM> en )# cm de Odd’s (# ##-# ##) was # De kans op detectie van dysplasie bleek navenant te dalen (OR # ## (# ##-# ##)) Het risico op adenocarcinoom in een Barrett-oesofagus is voor mannen hoger dan voor vrouwen (<DATUM> vs <DATUM> per # ### patiëntjaren) ##<DATUM> Tot nu toe is het niet gebruikelijk het geslacht als risicofactor mee te wegen bij de indicatiestelling en intervallen voor surveillance van Barrett-oesofagus In de eerder beschreven studie van <PERSOON> et al bleek dat naast LGD in Barrett-oesofagus en de lengte van de Barrett-oesofagus ook het meer dan <LEEFTIJD> jaar bekend zijn met Barrett-oesofagus (RR <DATUM> CI <DATUM> en de aanwezigheid van oesofagitis (RR <DATUM> CI <DATUM-##> geassocieerd te zijn met een grotere kans op ontwikkeling van HGD of adenocarcinoom ### van de slokdarm meer kans op maligne ontaarding Een relatie tussen de ernst van de slokdarmontsteking en het risico op ontwikkeling van HGD of adenocarcinoom kon, waarschijnlijk door het beperkte aantal patiënten, niet worden aangetoond In een Deens onderzoek waarin data werden geanalyseerd over de periode ###-###, werd onderzocht hoe vaak adenocarcinoom van de oesofagus voorkwam bij patiënten bij wie sprake was van reflux oesophagitis Ontsteking werd vaker gevonden bij mannen en op latere leeftijd Bij <DATUM-##> patiënten (#<DATUM-##> patiëntjaren) waarbij eerder oesophagitis werd vastgesteld, bleken ## een adenocarcinoom te hebben Het verwachtte aantal was # ## en daarmee de SIR # ## (CI ##% <DATUM-##> # ##) Bij ## van de ## patiënten bleek ook sprake van Lengte van het Barrett-segment is een onafhankelijke predictor voor progressie naar HGD en Lengte van het Barrett-segment is geassocieerd met een lagere adherentie aan het surveillance aanwezigheid van LGD, de lengte van het Barrett-segment, )<LEEFTIJD> jaar bekend zijn met een Barrettoesofagus en de endoscopische aanwezigheid van oesofagitis Zijn er biomarkers die gebruikt kunnen worden ter bepaling van het surveillance interval bij patiënten Het routinematig gebruik van biomarkers ter opsporing van dysplasie of ter bepaling van het surveillance interval kan op dit moment niet worden aanbevolen Veel onderzoek is gedaan naar de vraag of biomarkers behulpzaam kunnen zijn bij de identificatie van risicogroepen voor de ontwikkeling van dysplasie of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus racemase, cycline D, proliferatie) zijn onderzocht op hun aanvullende waarde bij de vroege opsporing van dysplasie.
671
nvmdl
kans op maligne ontaarding Een relatie tussen de ernst van de slokdarmontsteking en het risico op ontwikkeling van HGD of adenocarcinoom kon, waarschijnlijk door het beperkte aantal patiënten, niet worden aangetoond In een Deens onderzoek waarin data werden geanalyseerd over de periode ###-###, werd onderzocht hoe vaak adenocarcinoom van de oesofagus voorkwam bij patiënten bij wie sprake was van reflux oesophagitis Ontsteking werd vaker gevonden bij mannen en op latere leeftijd Bij <DATUM> patiënten (#<DATUM> patiëntjaren) waarbij eerder oesophagitis werd vastgesteld, bleken ## een adenocarcinoom te hebben Het verwachtte aantal was # ## en daarmee de SIR # ## (CI ##% <DATUM> # ##) Bij ## van de ## patiënten bleek ook sprake van Lengte van het Barrett-segment is een onafhankelijke predictor voor progressie naar HGD en Lengte van het Barrett-segment is geassocieerd met een lagere adherentie aan het surveillance aanwezigheid van LGD, de lengte van het Barrett-segment, )<LEEFTIJD> jaar bekend zijn met een Barrettoesofagus en de endoscopische aanwezigheid van oesofagitis Zijn er biomarkers die gebruikt kunnen worden ter bepaling van het surveillance interval bij patiënten Het routinematig gebruik van biomarkers ter opsporing van dysplasie of ter bepaling van het surveillance interval kan op dit moment niet worden aanbevolen Veel onderzoek is gedaan naar de vraag of biomarkers behulpzaam kunnen zijn bij de identificatie van risicogroepen voor de ontwikkeling van dysplasie of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus racemase, cycline D, proliferatie) zijn onderzocht op hun aanvullende waarde bij de vroege opsporing van dysplasie niet routinematig worden aanbevolen bij de klinische diagnostiek van dysplasie in Barrett-oesofagus ## heterozygotie (LOH)) hebben verscheidene studies hoopvolle resultaten opgeleverd Rabinovitch et al vonden een cumulatieve <LEEFTIJD>-jaars incidentie op adenocarcinoom in Barrett-oesofagus van ##% (CI ###) bij afwijkende flow cytometrie (wijzend op aneuploidie of toegenomen tetraploidie) en #% (CI <DATUM> bij normale flow cytometrie Overall was de <LEEFTIJD>-jaars incidentie voor adenocarcinoom van de oesofagus voor alle vormen van dysplasie #% Bij HGD was de meerwaarde van flow cytometrie beperkt [Rabinovitch ###] De praktische toepasbaarheid van deze techniek was in deze studie gering, aangezien voor de bepalingen gebruik werd gemaakt van ingevroren biopten Wanneer gebruik wordt gemaakt van in situ hybridisatie dan lijkt flow cytometrie ook bruikbaar bij de diagnostiek naar vroege premaligne veranderingen in Barrett-oesofagus in standaard verkregen paraffine biopten Waarschijnlijk zijn verscheidene genetische veranderingen, in variabele volgorde, betrokken bij de carcinogenese in Barrett-oesofagus In een studie waarbij biopten uit Barrett-oesofagus in totaal drie biomarker afwijkingen hadden (aneuploidie/ tetraploidie, ##p LOH, and #p LOH) bleek de kans op adenocarcinoom binnen <LEEFTIJD> jaar ##% ## Wanneer geen afwijkingen aanwezig waren dan was de kans De beschikbare literatuur suggereert dat de beste biomarkers waarschijnlijk de flow cytometrische aneuploidie bepaling of identificatie van ##p LOH, door een combinatie van flow cytometrie, genoom amplificatie en genotypische analyse, zijn Hoewel het routinematig gebruik van biomarkers als risico stratificator voor dysplasie ontwikkeling niet kan worden geadviseerd, lijkt het waarschijnlijk dat een combinatie van biomarker panels samen met histologische bevindingen het in de toekomst mogelijk.
630
nvmdl
bij de klinische diagnostiek van dysplasie in Barrett-oesofagus ## heterozygotie (LOH)) hebben verscheidene studies hoopvolle resultaten opgeleverd Rabinovitch et al vonden een cumulatieve <LEEFTIJD>-jaars incidentie op adenocarcinoom in Barrett-oesofagus van ##% (CI ###) bij afwijkende flow cytometrie (wijzend op aneuploidie of toegenomen tetraploidie) en #% (CI <DATUM> bij normale flow cytometrie Overall was de <LEEFTIJD>-jaars incidentie voor adenocarcinoom van de oesofagus voor alle vormen van dysplasie #% Bij HGD was de meerwaarde van flow cytometrie beperkt [Rabinovitch ###] De praktische toepasbaarheid van deze techniek was in deze studie gering, aangezien voor de bepalingen gebruik werd gemaakt van ingevroren biopten Wanneer gebruik wordt gemaakt van in situ hybridisatie dan lijkt flow cytometrie ook bruikbaar bij de diagnostiek naar vroege premaligne veranderingen in Barrett-oesofagus in standaard verkregen paraffine biopten Waarschijnlijk zijn verscheidene genetische veranderingen, in variabele volgorde, betrokken bij de carcinogenese in Barrett-oesofagus In een studie waarbij biopten uit Barrett-oesofagus in totaal drie biomarker afwijkingen hadden (aneuploidie/ tetraploidie, ##p LOH, and #p LOH) bleek de kans op adenocarcinoom binnen <LEEFTIJD> jaar ##% ## Wanneer geen afwijkingen aanwezig waren dan was de kans De beschikbare literatuur suggereert dat de beste biomarkers waarschijnlijk de flow cytometrische aneuploidie bepaling of identificatie van ##p LOH, door een combinatie van flow cytometrie, genoom amplificatie en genotypische analyse, zijn Hoewel het routinematig gebruik van biomarkers als risico stratificator voor dysplasie ontwikkeling niet kan worden geadviseerd, lijkt het waarschijnlijk dat een combinatie van biomarker panels samen met histologische bevindingen het in de toekomst mogelijk Er is op dit moment geen biomarker beschikbaar die, al dan niet routinematig gebruikt, de ontwikkeling van dysplasie in Barrett-oesofagus beter kan voorspellen dan erkende risicofactoren, zoals een De verwachting is dat naar aanleiding van lopend biomarkeronderzoek de rol van biomarkers bij Barrett-oesofagus in de nabije toekomst kan veranderen Dit geldt zowel voor een meer objectieve diagnose van dysplasie in Barrett-oesofagus als ook voor een betere risicostratificatie t b v Wat zijn voor de Nederlandse situatie de te adviseren intervallen voor surveillance bij Barrettoesofagus zonder dysplasie? De werkgroep beveelt het volgende surveillance protocol aan bij patiënten met een Barrett-oesofagus  Bij een Barrett-oesofagus (# cm* zijn geen verdere endoscopische controles geïndiceerd Controle na <LEEFTIJD> jaar valt te overwegen bij de kleine subgroep van patiënten met een lange levensverwachting en/of positieve familieanamnese voor adenocarcinoom van de slokdarm  Bij een Barrett-oesofagus van <DATUM> cm* endoscopische controle scopie na <LEEFTIJD> jaar  Bij een Barrett-oesofagus <DATUM> cm* endoscopische controle scopie na <LEEFTIJD> jaar  Bij een Barrett-oesofagus )## cm* verwijzing naar een Barrett expertisecentrum Surveillance endoscopie dient bij voorkeur plaats te vinden bij patiënten bij wie de refluxklachten onder controle zijn met protonpompremmer therapie De internationale literatuur beveelt bij nietdysplastische Barrett-oesofagus een surveillance interval aan variërend van <DATUM> jaar <DATUM> In de Verenigde Staten wordt aanbevolen om bij de diagnose Barrett-oesofagus zonder dysplasie de endoscopie na één jaar te herhalen ter bevestiging van de diagnose Barrett-oesofagus ### In afwezigheid van dysplasie wordt vervolgens een <LEEFTIJD>-jaarlijkse surveillance endoscopie geadviseerd.
634
nvmdl
is op dit moment geen biomarker beschikbaar die, al dan niet routinematig gebruikt, de ontwikkeling van dysplasie in Barrett-oesofagus beter kan voorspellen dan erkende risicofactoren, zoals een De verwachting is dat naar aanleiding van lopend biomarkeronderzoek de rol van biomarkers bij Barrett-oesofagus in de nabije toekomst kan veranderen Dit geldt zowel voor een meer objectieve diagnose van dysplasie in Barrett-oesofagus als ook voor een betere risicostratificatie t b v Wat zijn voor de Nederlandse situatie de te adviseren intervallen voor surveillance bij Barrettoesofagus zonder dysplasie? De werkgroep beveelt het volgende surveillance protocol aan bij patiënten met een Barrett-oesofagus  Bij een Barrett-oesofagus (# cm* zijn geen verdere endoscopische controles geïndiceerd Controle na <LEEFTIJD> jaar valt te overwegen bij de kleine subgroep van patiënten met een lange levensverwachting en/of positieve familieanamnese voor adenocarcinoom van de slokdarm  Bij een Barrett-oesofagus van <DATUM> cm* endoscopische controle scopie na <LEEFTIJD> jaar  Bij een Barrett-oesofagus <DATUM> cm* endoscopische controle scopie na <LEEFTIJD> jaar  Bij een Barrett-oesofagus )## cm* verwijzing naar een Barrett expertisecentrum Surveillance endoscopie dient bij voorkeur plaats te vinden bij patiënten bij wie de refluxklachten onder controle zijn met protonpompremmer therapie De internationale literatuur beveelt bij nietdysplastische Barrett-oesofagus een surveillance interval aan variërend van <DATUM> jaar <DATUM> In de Verenigde Staten wordt aanbevolen om bij de diagnose Barrett-oesofagus zonder dysplasie de endoscopie na één jaar te herhalen ter bevestiging van de diagnose Barrett-oesofagus ### In afwezigheid van dysplasie wordt vervolgens een <LEEFTIJD>-jaarlijkse surveillance endoscopie geadviseerd De Engelse richtlijn uit ### adviseerde, op grond van een mathematisch model en de aanname van een kans op ontwikkeling van een adenocarcinoom in de oesofagus van #%/jaar, een surveillance interval van <LEEFTIJD> jaar ### In de meest recente richtlijn van de Britse vereniging voor gastroenterologie wordt voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen de lengte van het Barrett-segment en het surveillance interval ## Wanneer het Barrett-segment korter is dan # cm, dan wordt een surveillance interval van <DATUM> jaar voorgesteld Bij een segment van )# cm een interval van <DATUM> jaar De geldende adviezen voor het endoscopisch surveillance interval bij patiënten met niet dysplastisch Barrett-oesofagus, varierend van <DATUM> jaar, zijn niet gebaseerd op resultaten van goed prospectief Op grond van nieuwe epidemiologische gegevens zijn de lengte van het Barret-segment en de Bovenstaande adviezen t a v de surveillance van Barrett-oesofagus zijn niet gebaseerd op solide wetenschappelijke data, maar zijn in de loop der jaren van richtlijn op richtlijn gekopieerd en zo De werkgroep is van mening dat een aantal ontwikkelingen aanpassing van de surveillance intervallen #) Surveillance van Barrett-oesofagus met de huidige surveillance intervallen is niet kosten-effectief #) De lengte van het Barrett-segment is een belangrijke riscofactor voor progressie naar #) De lengte van het Barrett-segment is geassocieerd met een lagere adherentie aan het standaard Een toekomstig surveillance protocol dient daarom rekening te houden met bovenstaande vier punten Dit leidt tot een logischer surveillance protocol (.
607
nvmdl
De Engelse richtlijn uit ### adviseerde, op grond van een mathematisch model en de aanname van een kans op ontwikkeling van een adenocarcinoom in de oesofagus van #%/jaar, een surveillance interval van <LEEFTIJD> jaar ### In de meest recente richtlijn van de Britse vereniging voor gastroenterologie wordt voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen de lengte van het Barrett-segment en het surveillance interval ## Wanneer het Barrett-segment korter is dan # cm, dan wordt een surveillance interval van <DATUM> jaar voorgesteld Bij een segment van )# cm een interval van <DATUM> jaar De geldende adviezen voor het endoscopisch surveillance interval bij patiënten met niet dysplastisch Barrett-oesofagus, varierend van <DATUM> jaar, zijn niet gebaseerd op resultaten van goed prospectief Op grond van nieuwe epidemiologische gegevens zijn de lengte van het Barret-segment en de Bovenstaande adviezen t a v de surveillance van Barrett-oesofagus zijn niet gebaseerd op solide wetenschappelijke data, maar zijn in de loop der jaren van richtlijn op richtlijn gekopieerd en zo De werkgroep is van mening dat een aantal ontwikkelingen aanpassing van de surveillance intervallen #) Surveillance van Barrett-oesofagus met de huidige surveillance intervallen is niet kosten-effectief #) De lengte van het Barrett-segment is een belangrijke riscofactor voor progressie naar #) De lengte van het Barrett-segment is geassocieerd met een lagere adherentie aan het standaard Een toekomstig surveillance protocol dient daarom rekening te houden met bovenstaande vier punten Dit leidt tot een logischer surveillance protocol ( van )## cm een arbitrair gekozen lengte is Patiënten met een dergelijke Barrett-lengte vormen echter een kleine subgroep met een significant hoger risico op maligne progressie Daarnaast is er bij dergelijke zeer lange Barrett-segmenten ook vaak sprake van meer complexe en dikwijls moeilijker behandelbaar refluxlijden wat een onafhankelijke risicofactor is op maligne degeneratie Endoscopische surveillance bij deze patiënten is meer arbeidsintensief, waarbij goede inspectie specifieke expertise vraagt en adequaat biopteren op meerdere niveaus meer dan gemiddelde tijd vraagt tijdens de gastroscopie Studies tonen ook aan dat bij slechts een minderheid van de patiënten met een Barrettslokdarm )## cm het standaard biopsieprotocol wordt gevolgd Wat is het beleid bij een bevestigde diagnose laaggradige dysplasie (LGD) in een Barrett-oesofagus? - De commissie is van mening dat bij een bevestigde histologische diagnose LGD de patiënt dient te worden verwezen naar een Barrett expertisecentrum Dit vanwege de reële kans op prevalente hooggradige dysplasie (HGD) of adenocarcinoom en het aanzienlijke risico op maligne progressie Bij een bevestigde histologische diagnose LGD is stringente endoscopische surveillance geïndiceerd in centra met ervaring in de endoscopische detectie en behandeling van vroege De werkgroep pleit voor surveillance endoscopie na # maanden, en, bij gelijkblijvende histologie, jaarlijks daarna van een bevestigde diagnose LGD totdat er progressie optreedt naar HGD of carcinoom, of bij # achtereenvolgende endoscopieën geen dysplasie meer wordt aangetoond In dat geval kan teruggegaan worden naar het standaard surveillance interval voor patiënten zonder Indien de histologische diagnose laaggradige dysplasie in Barrett-oesofagus bij herhaling wordt.
576
nvmdl
met een dergelijke Barrett-lengte vormen echter een kleine subgroep met een significant hoger risico op maligne progressie Daarnaast is er bij dergelijke zeer lange Barrett-segmenten ook vaak sprake van meer complexe en dikwijls moeilijker behandelbaar refluxlijden wat een onafhankelijke risicofactor is op maligne degeneratie Endoscopische surveillance bij deze patiënten is meer arbeidsintensief, waarbij goede inspectie specifieke expertise vraagt en adequaat biopteren op meerdere niveaus meer dan gemiddelde tijd vraagt tijdens de gastroscopie Studies tonen ook aan dat bij slechts een minderheid van de patiënten met een Barrettslokdarm )## cm het standaard biopsieprotocol wordt gevolgd Wat is het beleid bij een bevestigde diagnose laaggradige dysplasie (LGD) in een Barrett-oesofagus? - De commissie is van mening dat bij een bevestigde histologische diagnose LGD de patiënt dient te worden verwezen naar een Barrett expertisecentrum Dit vanwege de reële kans op prevalente hooggradige dysplasie (HGD) of adenocarcinoom en het aanzienlijke risico op maligne progressie Bij een bevestigde histologische diagnose LGD is stringente endoscopische surveillance geïndiceerd in centra met ervaring in de endoscopische detectie en behandeling van vroege De werkgroep pleit voor surveillance endoscopie na # maanden, en, bij gelijkblijvende histologie, jaarlijks daarna van een bevestigde diagnose LGD totdat er progressie optreedt naar HGD of carcinoom, of bij # achtereenvolgende endoscopieën geen dysplasie meer wordt aangetoond In dat geval kan teruggegaan worden naar het standaard surveillance interval voor patiënten zonder Indien de histologische diagnose laaggradige dysplasie in Barrett-oesofagus bij herhaling wordt grote kans heeft op progressie naar HGD of adenocarcinoom In Nederlandse studies is dit Daarnaast is een bevestigde histologische diagnose LGD ook een risico op de aanwezigheid van HGD of adenocarcinoom elders in het Barrett-segment In een recente prospectieve studie ondergingen ### patiënten met een bevestigde diagnose LGD in Barrett-oesofagus hoge-resolutie endoscopie De procedures werden verricht door ervaren endoscopisten in negen Europese centra met een verwijsfunctie voor vroege neoplasie in Barrett-oesofagus In ## patiënten (##%) bleek er sprake van een prevalente diagnose HGD of adenocarcinoom ### Van belang bij de inspectie van een Barrett oesofagus met een bevestigde histologische diagnose LGD is de aanwezigheid van endoscopisch zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment Hoewel specifieke studies bij patiënten met LGD en een zichtbare afwijking in Barrett-oesofagus ontbreken, laten studies bij patiënten met HGD zien dat histologisch onderzoek van endoscopische resectiepreparaten in ##-##% van de gevallen resulteert in een hogere graad van neoplasie dan de oorspronkelijke diagnose in de biopten ### <DATUM> Daarnaast is de inter-observer variatie minder groot bij de beoordeling van resectiepreparaten dan bij de beoordeling van biopten ##<DATUM> Endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen in Barrett-oesofagus met LGD als biopsiediagnose kan dus leiden tot aanpassing van de uiteindelijke diagnose met belangrijke prognostische en therapeutische Indien de histologische diagnose LGD wordt bevestigd en er geen zichtbare afwijkingen in het Barrettsegment aanwezig zijn, wordt - conform de Amerikaanse en Britse richtlijnen - geadviseerd surveillance endoscopie na # maanden te herhalen Bij gelijkblijvende histologie kan de surveillance vervolgens jaarlijks geschieden In geval van twee achtereenvolgende endoscopieën zonder dysplasie.
582
nvmdl
is dit Daarnaast is een bevestigde histologische diagnose LGD ook een risico op de aanwezigheid van HGD of adenocarcinoom elders in het Barrett-segment In een recente prospectieve studie ondergingen ### patiënten met een bevestigde diagnose LGD in Barrett-oesofagus hoge-resolutie endoscopie De procedures werden verricht door ervaren endoscopisten in negen Europese centra met een verwijsfunctie voor vroege neoplasie in Barrett-oesofagus In ## patiënten (##%) bleek er sprake van een prevalente diagnose HGD of adenocarcinoom ### Van belang bij de inspectie van een Barrett oesofagus met een bevestigde histologische diagnose LGD is de aanwezigheid van endoscopisch zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment Hoewel specifieke studies bij patiënten met LGD en een zichtbare afwijking in Barrett-oesofagus ontbreken, laten studies bij patiënten met HGD zien dat histologisch onderzoek van endoscopische resectiepreparaten in ##-##% van de gevallen resulteert in een hogere graad van neoplasie dan de oorspronkelijke diagnose in de biopten ### <DATUM> Daarnaast is de inter-observer variatie minder groot bij de beoordeling van resectiepreparaten dan bij de beoordeling van biopten ##<DATUM> Endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen in Barrett-oesofagus met LGD als biopsiediagnose kan dus leiden tot aanpassing van de uiteindelijke diagnose met belangrijke prognostische en therapeutische Indien de histologische diagnose LGD wordt bevestigd en er geen zichtbare afwijkingen in het Barrettsegment aanwezig zijn, wordt - conform de Amerikaanse en Britse richtlijnen - geadviseerd surveillance endoscopie na # maanden te herhalen Bij gelijkblijvende histologie kan de surveillance vervolgens jaarlijks geschieden In geval van twee achtereenvolgende endoscopieën zonder dysplasie dysplastisch Barrett-epitheel De commissie is zich bewust van het feit dat de aanbeveling rondom de surveillance intervallen niet wetenschappelijk onderbouwd is, maar is gebaseerd op expert opinie De rol voor endoscopische ablatieve therapie voor patiënten met LGD in Barrett-oesofagus maar zonder zichtbare afwijkingen is op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd Zoals eerder vermeld is de inter-observer variatie tussen pathologen voor de diagnose LGD hoog, en varieert de gerapporteerde kans op progressie naar HGD en adenocarcinoom aanzienlijk tussen verschillende studies Dit bemoeilijkt het maken van een afweging tussen de kosten en de potentiële baten van Verschillende ablatieve therapieën zijn onderzocht in patiënten met LGD in Barrett-epitheel Zowel argon plasma coagulatie (APC), fotodynamische therapie (PDT) en radiofrequente ablatie (RFA) zijn bestudeerd ### ### Hierbij blijkt dat RFA het meest effectief is met de minste bijwerkingen In een prospectieve, gerandomiseerde, “sham” gecontroleerde studie bij ## met patiënten met LGD in Barrett-oesofagus werd in de RFA-behandelde groep na ## maanden follow-up een complete eradicatie van dysplasie gezien bij ##% van de patiënten, met complete eradicatie van het Barrettepitheel bij ##% van de patiënten ### Voor de “sham” behandelde groep was dat respectievelijk ##% en #% RFA-behandelde patiënten hadden vaker retrosternale pijn na de behandeling en stenosering werd gezien bij #% van de patiënten na RFA In een Europese gerandomiseerde studie, verricht in negen expertcentra, werd bij ### patiënten met een bevestigde diagnose LGD de rol van RFA-behandeling vergeleken met standaard surveillance endoscopie ###.
622
nvmdl
De commissie is zich bewust van het feit dat de aanbeveling rondom de surveillance intervallen niet wetenschappelijk onderbouwd is, maar is gebaseerd op expert opinie De rol voor endoscopische ablatieve therapie voor patiënten met LGD in Barrett-oesofagus maar zonder zichtbare afwijkingen is op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd Zoals eerder vermeld is de inter-observer variatie tussen pathologen voor de diagnose LGD hoog, en varieert de gerapporteerde kans op progressie naar HGD en adenocarcinoom aanzienlijk tussen verschillende studies Dit bemoeilijkt het maken van een afweging tussen de kosten en de potentiële baten van Verschillende ablatieve therapieën zijn onderzocht in patiënten met LGD in Barrett-epitheel Zowel argon plasma coagulatie (APC), fotodynamische therapie (PDT) en radiofrequente ablatie (RFA) zijn bestudeerd ### ### Hierbij blijkt dat RFA het meest effectief is met de minste bijwerkingen In een prospectieve, gerandomiseerde, “sham” gecontroleerde studie bij ## met patiënten met LGD in Barrett-oesofagus werd in de RFA-behandelde groep na ## maanden follow-up een complete eradicatie van dysplasie gezien bij ##% van de patiënten, met complete eradicatie van het Barrettepitheel bij ##% van de patiënten ### Voor de “sham” behandelde groep was dat respectievelijk ##% en #% RFA-behandelde patiënten hadden vaker retrosternale pijn na de behandeling en stenosering werd gezien bij #% van de patiënten na RFA In een Europese gerandomiseerde studie, verricht in negen expertcentra, werd bij ### patiënten met een bevestigde diagnose LGD de rol van RFA-behandeling vergeleken met standaard surveillance endoscopie ### voldeed voor inclusie Voorafgaand aan randomisatie werd een hoge-resolutie endoscopie verricht ter uitsluiting van zichtbare afwijkingen en HGD of carcinoom Achtenzestig patiënten werden gerandomiseerd naar RFA (ablatie) en ## patiënten naar surveillance (controle) Het primaire eindpunt van de studie was het percentage patiënten dat progressie vertoonde naar HGD en/of carcinoom gedurende <LEEFTIJD> jaar follow-up De studie werd voortijdig gestaakt vanwege de superioriteit van ablatie gedurende de studie kregen ## patiënten HGD of carcinoom (# in de ablatie groep vs ## in de controlegroep); # patiënt in de controle groep onderging hiervoor slokdarmchirurgie, ## patiënten werden endoscopisch behandeld of vervolgd Ablatie verlaagde daarmee het risico op HGD en/of carcinoom met ##%, corresponderend met een “number needed to treat” (NNT) van # # Het risico op het krijgen van een adenocarcinoom werd met <DATUM> verlaagd, corresponderend met een NNT van <DATUM> Complicaties werden gezien bij ##% van de RFA-behandelde patiënten, waarbij het optreden van stenosering in de oesofagus de meest voorkomende complicatie was (##%) In ##% van de controlepatiënten werd gedurende de looptijd van deze studie echter bij herhaling geen LGD meer geobserveerd Dit percentage is vergelijkbaar met het eerder genoemde percentage (##%) voor de “sham” behandelde groep uit de studie van Shaheen et al ### Studies naar factoren die kunnen voorspellen bij welke patiënten LGD bij herhaling zal optreden en bij welke patiënten LGD niet terugkeert ontbreken Het licht echter voor hand om aan te nemen dat het risico op progressie naar.
652
nvmdl
hoge-resolutie endoscopie verricht ter uitsluiting van zichtbare afwijkingen en HGD of carcinoom Achtenzestig patiënten werden gerandomiseerd naar RFA (ablatie) en ## patiënten naar surveillance (controle) Het primaire eindpunt van de studie was het percentage patiënten dat progressie vertoonde naar HGD en/of carcinoom gedurende <LEEFTIJD> jaar follow-up De studie werd voortijdig gestaakt vanwege de superioriteit van ablatie gedurende de studie kregen ## patiënten HGD of carcinoom (# in de ablatie groep vs ## in de controlegroep); # patiënt in de controle groep onderging hiervoor slokdarmchirurgie, ## patiënten werden endoscopisch behandeld of vervolgd Ablatie verlaagde daarmee het risico op HGD en/of carcinoom met ##%, corresponderend met een “number needed to treat” (NNT) van # # Het risico op het krijgen van een adenocarcinoom werd met <DATUM> verlaagd, corresponderend met een NNT van <DATUM> Complicaties werden gezien bij ##% van de RFA-behandelde patiënten, waarbij het optreden van stenosering in de oesofagus de meest voorkomende complicatie was (##%) In ##% van de controlepatiënten werd gedurende de looptijd van deze studie echter bij herhaling geen LGD meer geobserveerd Dit percentage is vergelijkbaar met het eerder genoemde percentage (##%) voor de “sham” behandelde groep uit de studie van Shaheen et al ### Studies naar factoren die kunnen voorspellen bij welke patiënten LGD bij herhaling zal optreden en bij welke patiënten LGD niet terugkeert ontbreken Het licht echter voor hand om aan te nemen dat het risico op progressie naar (focale) LGD dan bij patiënten met een bij herhaling vastgestelde diagnose LGD in het Barrettsegment Een bevestigde histologische diagnose LGD is geassocieerd met een risico van ##% op aanwezigheid Endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen in Barrett-oesofagus met LGD als diagnose in de biopten kan leiden tot aanpassing van de uiteindelijke diagnose met belangrijke prognostische en Een bevestigde histologische diagnose LGD is geassocieerd met een jaarlijks progressie risico naar Ablatieve therapie middels RFA leidt tot eradicatie van dysplasie en intestinale metaplasie bij ##-##% Bij patiënten met een Barrett oesofagus en een eenmalig bevestigde histologische diagnose LGD wordt de kans op progressie naar HGD en/of adenocarcinoom met ##% verlaagd door ablatie van het Bij patiënten met LGD in Barrett-oesofagus leidt ablatie met APC of PDT tot eradicatie van dysplasie, waarbij APC en PDT minder effectief lijken dan RFA en gepaard gaan met meer bijwerkingen Bij stringente endoscopische surveillance in centra met expertise in de diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus worden de meeste patiënten met progressie naar dysplasie/adenocarcinoom in een vroegtijdig stadium gediagnosticeerd zodat curatieve endoscopische therapie ten tijde van de Bij ongeveer ##% van de patiënten met een eenmalige bevestigde histologische diagnose LGD wordt bij verdere endoscopische controles geen dysplasie meer gevonden Bij een bevestigde histologische diagnose LGD neemt het risico op progressie naar HGD of adenocarcinoom toe als de diagnose LGD bij herhaling wordt bevestigd Hoe dient de endoscopische work-up van HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus te worden - De endoscopische work-up van HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus dient te worden verricht met hoge-resolutie endoscopie (HDTV-endoscoop, processor en beeldscherm) Het.
628
nvmdl
vastgestelde diagnose LGD in het Barrettsegment Een bevestigde histologische diagnose LGD is geassocieerd met een risico van ##% op aanwezigheid Endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen in Barrett-oesofagus met LGD als diagnose in de biopten kan leiden tot aanpassing van de uiteindelijke diagnose met belangrijke prognostische en Een bevestigde histologische diagnose LGD is geassocieerd met een jaarlijks progressie risico naar Ablatieve therapie middels RFA leidt tot eradicatie van dysplasie en intestinale metaplasie bij ##-##% Bij patiënten met een Barrett oesofagus en een eenmalig bevestigde histologische diagnose LGD wordt de kans op progressie naar HGD en/of adenocarcinoom met ##% verlaagd door ablatie van het Bij patiënten met LGD in Barrett-oesofagus leidt ablatie met APC of PDT tot eradicatie van dysplasie, waarbij APC en PDT minder effectief lijken dan RFA en gepaard gaan met meer bijwerkingen Bij stringente endoscopische surveillance in centra met expertise in de diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus worden de meeste patiënten met progressie naar dysplasie/adenocarcinoom in een vroegtijdig stadium gediagnosticeerd zodat curatieve endoscopische therapie ten tijde van de Bij ongeveer ##% van de patiënten met een eenmalige bevestigde histologische diagnose LGD wordt bij verdere endoscopische controles geen dysplasie meer gevonden Bij een bevestigde histologische diagnose LGD neemt het risico op progressie naar HGD of adenocarcinoom toe als de diagnose LGD bij herhaling wordt bevestigd Hoe dient de endoscopische work-up van HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus te worden - De endoscopische work-up van HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus dient te worden verricht met hoge-resolutie endoscopie (HDTV-endoscoop, processor en beeldscherm) Het separaat biopten afgenomen van alle zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment Daarnaast worden #-kwadrantsbiopten afgenomen van iedere # cm van het Barrett-segment, startend net Indien bij de work-up van een patient met Barrett-oesofagus HGD en/of vroegcarcinoom wordt gevonden, dient de histologische diagnose van HGD /vroegcarcinoom te worden bevestigd door Een adequate selectie van patiënten met HGD of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus voor een in opzet curatieve endoscopische therapie vereist een histologische beoordeling van het endoscopisch resectiepreparaat van alle zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment De endoscopische work-up van HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus dient te geschieden in een <INSTELLING> met specifieke expertise op dit gebied (zie paragraaf #) HGD en ook vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus zijn met endoscopisch standaardonderzoek vaak slecht zichtbaar Het merendeel (##%) van de patiënten verwezen voor endoscopische work-up van HGD of vroegcarcinoom in een Barrett-oesofagus heeft echter zichtbare subtiele afwijkingen bij onderzoek met hoge-resolutie endoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische vermogen om een groot aantal pixels weer te geven (### ### tot # ### ###) Gekoppeld aan ‘highdefinition’ televisiesystemen (### beeldlijnen) kunnen kwalitatief hoogwaardige beelden op een groot beeldscherm geprojecteerd worden Hoge-resolutie endoscopie lijkt ten opzichte van standaard videoendoscopie een hogere sensitiviteit te hebben voor de detectie van vroeg-neoplastische afwijkingen in Bij de beschrijving van zichtbare voor neoplasie verdachte afwijkingen in Barrett-epitheel wordt in het algemeen gebruik gemaakt van de zogenaamde <PERSOON>-classificatie ## Deze uit Japan afkomstige classificatie kent # typen waarvan type # de oppervlakkige laesies bevatten Type # is verder onderverdeeld in drie categorieën.
619
nvmdl
biopten afgenomen van alle zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment Daarnaast worden #-kwadrantsbiopten afgenomen van iedere # cm van het Barrett-segment, startend net Indien bij de work-up van een patient met Barrett-oesofagus HGD en/of vroegcarcinoom wordt gevonden, dient de histologische diagnose van HGD /vroegcarcinoom te worden bevestigd door Een adequate selectie van patiënten met HGD of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus voor een in opzet curatieve endoscopische therapie vereist een histologische beoordeling van het endoscopisch resectiepreparaat van alle zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment De endoscopische work-up van HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus dient te geschieden in een <INSTELLING> met specifieke expertise op dit gebied (zie paragraaf #) HGD en ook vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus zijn met endoscopisch standaardonderzoek vaak slecht zichtbaar Het merendeel (##%) van de patiënten verwezen voor endoscopische work-up van HGD of vroegcarcinoom in een Barrett-oesofagus heeft echter zichtbare subtiele afwijkingen bij onderzoek met hoge-resolutie endoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische vermogen om een groot aantal pixels weer te geven (### ### tot # ### ###) Gekoppeld aan ‘highdefinition’ televisiesystemen (### beeldlijnen) kunnen kwalitatief hoogwaardige beelden op een groot beeldscherm geprojecteerd worden Hoge-resolutie endoscopie lijkt ten opzichte van standaard videoendoscopie een hogere sensitiviteit te hebben voor de detectie van vroeg-neoplastische afwijkingen in Bij de beschrijving van zichtbare voor neoplasie verdachte afwijkingen in Barrett-epitheel wordt in het algemeen gebruik gemaakt van de zogenaamde <PERSOON>-classificatie ## Deze uit Japan afkomstige classificatie kent # typen waarvan type # de oppervlakkige laesies bevatten Type # is verder onderverdeeld in drie categorieën geülcereerd (# - III) Type # - II laesies zijn vervolgens onderverdeeld in licht verheven (IIa), vlak (IIb), en licht verzonken (IIc) Het macroscopische aspect van de laesie correleert met de kans op Chromo-endoscopie met methyleenblauw leidt in enkele onderzoeken tot een verbeterde detectie van dysplasie in Barrett-oesofagus, maar deze techniek is bewerkelijk en vereist expertise ## ## Een recente meta-analyse van # studies met in totaal ### patiënten toonde geen meerwaarde van het gebruik van methyleenblauw chromo-endoscopie ten opzichte van standaard endoscopie met #kwadrants biopten met betrekking tot de detectie van intestinale metaplasie en dysplasie ### Daarnaast lijkt het gebruik van methyleenblauw mogelijk genetische schade van het epitheel te Onderzoeken suggereren dat chromo-endoscopie met indigo-karmijnkleuring of azijnzuur en virtuele chromo-endoscopietechnieken zoals narrow band imaging (NBI®), virtual computed chromoscopy (FICE®) of I-scan®) de detectie van neoplasie kunnen verbeteren maar de meerwaarde ten opzichte van inspectie met hoge-resolutie endoscopie lijkt beperkt In een prospectieve gerandomiseerde cross-over trial met ## patiënten bleek dat indigo-karmijn chromo-endoscopie niet beter was dan hoge-resolutie endoscopie met wit licht voor de detectie van vroege afwijkingen in Barrett-oesofagus Ook de meerwaarde van NBI ten opzichte van hoge-resolutie endoscopie kon niet worden Recentere studies suggereren dat autofluorescentie-endoscopie de detectie van afwijkingen kan verbeteren Twee recente gerandomiseerde cross-over onderzoeken lieten echter zien dat de histologische opbrengst niet significant verschilde ten opzichte van standaard endoscopie met #kwadrants biopten ## ## Autofluorescentie-endoscopie kan wel de lokalisatie van HGD en.
635
nvmdl
geülcereerd (# - III) Type # - II laesies zijn vervolgens onderverdeeld in licht verheven (IIa), vlak (IIb), en licht verzonken (IIc) Het macroscopische aspect van de laesie correleert met de kans op Chromo-endoscopie met methyleenblauw leidt in enkele onderzoeken tot een verbeterde detectie van dysplasie in Barrett-oesofagus, maar deze techniek is bewerkelijk en vereist expertise ## ## Een recente meta-analyse van # studies met in totaal ### patiënten toonde geen meerwaarde van het gebruik van methyleenblauw chromo-endoscopie ten opzichte van standaard endoscopie met #kwadrants biopten met betrekking tot de detectie van intestinale metaplasie en dysplasie ### Daarnaast lijkt het gebruik van methyleenblauw mogelijk genetische schade van het epitheel te Onderzoeken suggereren dat chromo-endoscopie met indigo-karmijnkleuring of azijnzuur en virtuele chromo-endoscopietechnieken zoals narrow band imaging (NBI®), virtual computed chromoscopy (FICE®) of I-scan®) de detectie van neoplasie kunnen verbeteren maar de meerwaarde ten opzichte van inspectie met hoge-resolutie endoscopie lijkt beperkt In een prospectieve gerandomiseerde cross-over trial met ## patiënten bleek dat indigo-karmijn chromo-endoscopie niet beter was dan hoge-resolutie endoscopie met wit licht voor de detectie van vroege afwijkingen in Barrett-oesofagus Ook de meerwaarde van NBI ten opzichte van hoge-resolutie endoscopie kon niet worden Recentere studies suggereren dat autofluorescentie-endoscopie de detectie van afwijkingen kan verbeteren Twee recente gerandomiseerde cross-over onderzoeken lieten echter zien dat de histologische opbrengst niet significant verschilde ten opzichte van standaard endoscopie met #kwadrants biopten ## ## Autofluorescentie-endoscopie kan wel de lokalisatie van HGD en Een recente studie liet echter zien dat de klinische relevantie van met autofluorescentie endoscopie ontdekte afwijkingen beperkt is ## omdat deze afwijkingen nagenoeg altijd zichtbaar zijn met standaard hoge-resolutie endoscopie of worden gediagnosticeerd met random biopten Dergelijke vlakke, “onzichtbare” autofluorescentie afwijkingen vereisen geen endoscopische resectie en kunnen met ablatie therapie effectief worden behandeld Ervaringen met confocale laser endomicroscopie (CLE) suggereren een hoge diagnostische accuratesse voor de detectie van HGD in Barrett-oesofagus #<DATUM> ## CLE is echter een karakteriseringstechniek en niet een detectietechniek Daar komt bij dat het niet altijd lukt om het verdachte gebied goed met CLE in beeld te brengen ### Hoewel CLE kan helpen bij de karakterisering van gebieden die met andere beeldvormende technieken verdacht zijn voor dysplasie, is het niet duidelijk of dit ook werkelijk de klinische behandeling beïnvloedt Hoewel het grootste deel van de patiënten met HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus bij endoscopische inspectie zichtbare afwijkingen heeft, leveren random biopten (vier-kwadrants biopten elke # cm) eveneens een significante bijdrage aan de histologische opbrengst van de endoscopische work-up, nl ##-##% ## ## Bij de histologische evaluatie van HGD en vroegcarcinoom in endoscopische biopten van de slokdarm is er echter sprake van een significante interobserver variatie Medebeoordeling door een patholoog met ervaring op dit gebied reduceert dit en dit is gerelateerd aan een betere inschatting van de prognose van de patiënt ##<DATUM> ### <PERSOON> van endoscopische resectie als procedure om de afwijking te stadiëren.
608
nvmdl
relevantie van met autofluorescentie endoscopie ontdekte afwijkingen beperkt is ## omdat deze afwijkingen nagenoeg altijd zichtbaar zijn met standaard hoge-resolutie endoscopie of worden gediagnosticeerd met random biopten Dergelijke vlakke, “onzichtbare” autofluorescentie afwijkingen vereisen geen endoscopische resectie en kunnen met ablatie therapie effectief worden behandeld Ervaringen met confocale laser endomicroscopie (CLE) suggereren een hoge diagnostische accuratesse voor de detectie van HGD in Barrett-oesofagus #<DATUM> ## CLE is echter een karakteriseringstechniek en niet een detectietechniek Daar komt bij dat het niet altijd lukt om het verdachte gebied goed met CLE in beeld te brengen ### Hoewel CLE kan helpen bij de karakterisering van gebieden die met andere beeldvormende technieken verdacht zijn voor dysplasie, is het niet duidelijk of dit ook werkelijk de klinische behandeling beïnvloedt Hoewel het grootste deel van de patiënten met HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus bij endoscopische inspectie zichtbare afwijkingen heeft, leveren random biopten (vier-kwadrants biopten elke # cm) eveneens een significante bijdrage aan de histologische opbrengst van de endoscopische work-up, nl ##-##% ## ## Bij de histologische evaluatie van HGD en vroegcarcinoom in endoscopische biopten van de slokdarm is er echter sprake van een significante interobserver variatie Medebeoordeling door een patholoog met ervaring op dit gebied reduceert dit en dit is gerelateerd aan een betere inschatting van de prognose van de patiënt ##<DATUM> ### <PERSOON> van endoscopische resectie als procedure om de afwijking te stadiëren diagnose ### <DATUM> In een studie bij ## patiënten met HGD of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus bleek er evenwel een perfecte overeenstemming te zijn in de beoordeling van de T-status van het vroegcarcinoom tussen de endoscopische resectiepreparaten en de histologische beoordeling van het chirurgische resectiepreparaat van de daarop volgende slokdarmresectie ### Daarnaast is de interobserver variatie minder groot bij de beoordeling van resectiepreparaten dan bij de beoordeling van biopten ##<DATUM> Tenslotte kan een betrouwbare histologische beoordeling van de diepte van infiltratie alleen op endoscopische of chirurgische resectiepreparaten worden gemaakt en zijn biopten <PERSOON> van endoscopische ultrasonografie (EUS) en de computed tomography (CT) scan Hoewel EUS, al dan niet gecombineerd met Fine-Needle Aspiration (FNA), van waarde kan zijn voor het detecteren van locale lymfkliermetastasen is de betrouwbaarheid van deze techniek voor het bepalen van diepte-invasie bij het vroegcarcinoom van de oesofagus beperkt, met een accuratesse van slechts ##-##% #<DATUM> ##<DATUM> EUS lijkt dan ook een zeer beperkte rol te hebben bij de beoordeling van de endoscopische resectabiliteit van vroege laesies in Barrett-oesofagus, en de bijdrage van EUS voorafgaand aan endoscopische resectie is gering ### De accuratesse van een CT-scan bij patiënten met een vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus is nog lager dan van EUS ### Voor de detectie van vroege afwijkingen in een Barrett-slokdarm is hoge-resolutie endoscopie de De meerwaarde van geavanceerde imaging technieken voor de detectie van vroege Barrett-neoplasie Er zijn aanwijzingen dat het nemen van random biopten (vier-kwadrants biopten elke # cm) de histologische opbrengst bij patiënten met HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus verhoogt met ongeveer ##% ten opzichte van het nemen van gerichte biopten alleen.
626
nvmdl
evenwel een perfecte overeenstemming te zijn in de beoordeling van de T-status van het vroegcarcinoom tussen de endoscopische resectiepreparaten en de histologische beoordeling van het chirurgische resectiepreparaat van de daarop volgende slokdarmresectie ### Daarnaast is de interobserver variatie minder groot bij de beoordeling van resectiepreparaten dan bij de beoordeling van biopten ##<DATUM> Tenslotte kan een betrouwbare histologische beoordeling van de diepte van infiltratie alleen op endoscopische of chirurgische resectiepreparaten worden gemaakt en zijn biopten <PERSOON> van endoscopische ultrasonografie (EUS) en de computed tomography (CT) scan Hoewel EUS, al dan niet gecombineerd met Fine-Needle Aspiration (FNA), van waarde kan zijn voor het detecteren van locale lymfkliermetastasen is de betrouwbaarheid van deze techniek voor het bepalen van diepte-invasie bij het vroegcarcinoom van de oesofagus beperkt, met een accuratesse van slechts ##-##% #<DATUM> ##<DATUM> EUS lijkt dan ook een zeer beperkte rol te hebben bij de beoordeling van de endoscopische resectabiliteit van vroege laesies in Barrett-oesofagus, en de bijdrage van EUS voorafgaand aan endoscopische resectie is gering ### De accuratesse van een CT-scan bij patiënten met een vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus is nog lager dan van EUS ### Voor de detectie van vroege afwijkingen in een Barrett-slokdarm is hoge-resolutie endoscopie de De meerwaarde van geavanceerde imaging technieken voor de detectie van vroege Barrett-neoplasie Er zijn aanwijzingen dat het nemen van random biopten (vier-kwadrants biopten elke # cm) de histologische opbrengst bij patiënten met HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus verhoogt met ongeveer ##% ten opzichte van het nemen van gerichte biopten alleen Er zijn aanwijzingen dat de histologische evaluatie van HGD en vroegcarcinoom in biopten van Barrett-oesofagus minder betrouwbaar is en een hogere interobserver variatie heeft dan de evaluatie Differentiatie tussen mucosale and submucosale adenocarcinomen in Barrett-oesofagus is op basis In de work-up van patiënten met HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus is er geen indicatie voor Hoe dient surveillance van patiënten met HGD in Barrett-oesofagus te worden verricht? Een histologisch bevestigde diagnose van HGD in Barrett-oesofagus is een indicatie voor In geselecteerde patiënten met HGD is endoscopische surveillance van de Barrett-oesofagus een alternatief voor endoscopische behandeling, bijvoorbeeld indien er sprake is van ernstige comorbiditeit met een korte levensverwachting en de endoscopische therapie als belastend en gecompliceerd wordt ingeschat Er dient dan echter aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan - Endoscopische surveillance vindt plaats in een <INSTELLING> met specifieke expertise op het gebied - De endoscopische controles dienen te worden verricht met hoge-resolutie endoscopie (HDendoscoop, processor en beeldscherm) Het routinematig gebruik van chromo-endoscopie, optische filters, autofluorescentie endoscopie, of confocale endomicroscopie heeft geen - Er worden separaat biopten afgenomen van alle zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment Daarnaast worden random #-kwadrantsbiopten afgenomen voor iedere # cm van de lengte van de Barrett-oesofagus, startend net boven de bovenrand van de maagplooien (als voorbeeld dienen bij een # cm lang Barrett-segment dus op # niveaus random biopten te worden afgenomen) - Indien sprake is van zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment dienen deze door middel van endoscopische resectie te worden verwijderd voor optimale histologische beoordeling en.
604
nvmdl
Er zijn aanwijzingen dat de histologische evaluatie van HGD en vroegcarcinoom in biopten van Barrett-oesofagus minder betrouwbaar is en een hogere interobserver variatie heeft dan de evaluatie Differentiatie tussen mucosale and submucosale adenocarcinomen in Barrett-oesofagus is op basis In de work-up van patiënten met HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus is er geen indicatie voor Hoe dient surveillance van patiënten met HGD in Barrett-oesofagus te worden verricht? Een histologisch bevestigde diagnose van HGD in Barrett-oesofagus is een indicatie voor In geselecteerde patiënten met HGD is endoscopische surveillance van de Barrett-oesofagus een alternatief voor endoscopische behandeling, bijvoorbeeld indien er sprake is van ernstige comorbiditeit met een korte levensverwachting en de endoscopische therapie als belastend en gecompliceerd wordt ingeschat Er dient dan echter aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan - Endoscopische surveillance vindt plaats in een <INSTELLING> met specifieke expertise op het gebied - De endoscopische controles dienen te worden verricht met hoge-resolutie endoscopie (HDendoscoop, processor en beeldscherm) Het routinematig gebruik van chromo-endoscopie, optische filters, autofluorescentie endoscopie, of confocale endomicroscopie heeft geen - Er worden separaat biopten afgenomen van alle zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment Daarnaast worden random #-kwadrantsbiopten afgenomen voor iedere # cm van de lengte van de Barrett-oesofagus, startend net boven de bovenrand van de maagplooien (als voorbeeld dienen bij een # cm lang Barrett-segment dus op # niveaus random biopten te worden afgenomen) - Indien sprake is van zichtbare afwijkingen in het Barrett-segment dienen deze door middel van endoscopische resectie te worden verwijderd voor optimale histologische beoordeling en - Surveillance dient in eerste jaar elke drie maanden te worden verricht, in het tweede jaar elke zes - Indien er tijdens de endoscopische surveillance nieuwe zichtbare afwijkingen worden gezien, dienen deze opnieuw door middel van endoscopische resectie te worden verwijderd voor optimale Ten aanzien van surveillance als strategie voor patiënten met HGD in Barrett-oesofagus zijn drie overwegingen van belang De eerste vraag is hoe betrouwbaar de histopathologische diagnose HGD is Hiervoor wordt verwezen naar paragrafen <DATUM> # en <DATUM> # De tweede vraag is hoe groot de kans is dat er bij patiënten met de diagnose HGD zich al een occult carcinoom elders in het Barrett-epitheel bevindt Ten derde is de kans op progressie van patiënten met HGD naar invasief carcinoom van Hoe groot is de kans op een synchroon occult carcinoom bij een diagnose HGD in Barrett-oesofagus? Het percentage occulte carcinomen bij een diagnose HGD wisselt in series tussen ##% en ##% Het betreft hier studies waarbij de preoperatieve diagnose HGD is gerelateerd aan de histologische bevindingen in het chirurgisch resectiepreparaat De preoperatieve endoscopische work-up in deze series is echter meestal onduidelijk en was meestal niet gericht op de detectie van een synchroon carcinoom; de aanwezigheid van HGD was in de meeste series al een voldoende indicatie voor een oesofagusresectie waardoor het preoperatief onderscheid tussen HGD en een invasief carcinoom weinig klinische implicaties had In veel van deze studies werden patiënten geïncludeerd die endoscopisch afwijkingen hadden die verdacht waren voor een invasief carcinoom (ulcera, noduli, etc ).
581
nvmdl
in eerste jaar elke drie maanden te worden verricht, in het tweede jaar elke zes - Indien er tijdens de endoscopische surveillance nieuwe zichtbare afwijkingen worden gezien, dienen deze opnieuw door middel van endoscopische resectie te worden verwijderd voor optimale Ten aanzien van surveillance als strategie voor patiënten met HGD in Barrett-oesofagus zijn drie overwegingen van belang De eerste vraag is hoe betrouwbaar de histopathologische diagnose HGD is Hiervoor wordt verwezen naar paragrafen <DATUM> # en <DATUM> # De tweede vraag is hoe groot de kans is dat er bij patiënten met de diagnose HGD zich al een occult carcinoom elders in het Barrett-epitheel bevindt Ten derde is de kans op progressie van patiënten met HGD naar invasief carcinoom van Hoe groot is de kans op een synchroon occult carcinoom bij een diagnose HGD in Barrett-oesofagus? Het percentage occulte carcinomen bij een diagnose HGD wisselt in series tussen ##% en ##% Het betreft hier studies waarbij de preoperatieve diagnose HGD is gerelateerd aan de histologische bevindingen in het chirurgisch resectiepreparaat De preoperatieve endoscopische work-up in deze series is echter meestal onduidelijk en was meestal niet gericht op de detectie van een synchroon carcinoom; de aanwezigheid van HGD was in de meeste series al een voldoende indicatie voor een oesofagusresectie waardoor het preoperatief onderscheid tussen HGD en een invasief carcinoom weinig klinische implicaties had In veel van deze studies werden patiënten geïncludeerd die endoscopisch afwijkingen hadden die verdacht waren voor een invasief carcinoom (ulcera, noduli, etc ) zichtbare afwijkingen in de Barrett-oesofagus de kans op het aantreffen van een invasief carcinoom in het oesofagusresectie preparaat slechts #% was ### Daarnaast werden de endoscopieën in de meeste studies niet uitgevoerd met hoge-resolutie endoscopen waardoor significante afwijkingen kunnen zijn gemist Tenslotte was de preoperatieve diagnose van HGD in deze series gebaseerd op biopten en niet op histologische beoordeling van endoscopische resectiepreparaten Recente studies laten zien dat het merendeel (##%) van de patiënten met HGD in een Barrettoesofagus endoscopisch zichtbare afwijkingen heeft als zij worden onderzocht met hoge-resolutie endoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische diagnostiek en behandeling van vroege afwijkingen in Barrett-oesofagus Na endoscopische work-up door middel van hoge resolutieendoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus en na endoscopisch resectie van alle zichtbare afwijkingen lijkt de kans op een occult carcinoom in Barrett-oesofagus dan ook zeer klein ##<DATUM> Hoe groot is de kans op een adenocarcinoom tijdens endoscopische follow-up van HGD in Barrettoesofagus? Slechts een beperkt aantal onderzoeken met relatief kleine patiëntenaantallen is beschikbaar Het percentage adenocarcinomen tijdens follow-up varieert tussen ##% en ##% ##<DATUM> ### ## In deze studies ondergingen patiënten met HGD in Barrett-oesofagus die onder surveillance waren in principe een slokdarmresectie indien tijdens follow-up de diagnose adenocarcinoom werd gesteld Dergelijke carcinomen gaan nagenoeg altijd met endoscopisch zichtbare afwijkingen gepaard en relatief veel carcinomen werden in het eerste jaar gedetecteerd #<DATUM> ## Een recente meta-analyse suggereerde een jaarlijkse incidentie van adenocarcinoom van ca.
590
nvmdl
afwijkingen in de Barrett-oesofagus de kans op het aantreffen van een invasief carcinoom in het oesofagusresectie preparaat slechts #% was ### Daarnaast werden de endoscopieën in de meeste studies niet uitgevoerd met hoge-resolutie endoscopen waardoor significante afwijkingen kunnen zijn gemist Tenslotte was de preoperatieve diagnose van HGD in deze series gebaseerd op biopten en niet op histologische beoordeling van endoscopische resectiepreparaten Recente studies laten zien dat het merendeel (##%) van de patiënten met HGD in een Barrettoesofagus endoscopisch zichtbare afwijkingen heeft als zij worden onderzocht met hoge-resolutie endoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische diagnostiek en behandeling van vroege afwijkingen in Barrett-oesofagus Na endoscopische work-up door middel van hoge resolutieendoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus en na endoscopisch resectie van alle zichtbare afwijkingen lijkt de kans op een occult carcinoom in Barrett-oesofagus dan ook zeer klein ##<DATUM> Hoe groot is de kans op een adenocarcinoom tijdens endoscopische follow-up van HGD in Barrettoesofagus? Slechts een beperkt aantal onderzoeken met relatief kleine patiëntenaantallen is beschikbaar Het percentage adenocarcinomen tijdens follow-up varieert tussen ##% en ##% ##<DATUM> ### ## In deze studies ondergingen patiënten met HGD in Barrett-oesofagus die onder surveillance waren in principe een slokdarmresectie indien tijdens follow-up de diagnose adenocarcinoom werd gesteld Dergelijke carcinomen gaan nagenoeg altijd met endoscopisch zichtbare afwijkingen gepaard en relatief veel carcinomen werden in het eerste jaar gedetecteerd #<DATUM> ## Een recente meta-analyse suggereerde een jaarlijkse incidentie van adenocarcinoom van ca HGD in Barrett-epitheel ### De studies in deze meta-analyse variëren echter sterk in kwaliteit en het gerapporteerde percentage is aanzienlijk lager dan progressie percentages van prospectieve gerandomiseerde studies In de gerandomiseerde surveillance vs ablatie studie van Shaheen et al trad progressie naar adenocarcinoom op bij ##% van de HGD-patiënten in de surveillance arm binnen ## maanden follow-up ### In de recent gepubliceerde gerandomiseerde surveillance vs ablatie studie van Phoa et al trad progressie naar adenocarcinoom op bij <DATUM> van de patiënten in de surveillance arm terwijl de baseline diagnose in deze studie LGD was (en niet HGD zoals in de in de studie van Na endoscopische work-up met hoge-resolutie endoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus en na endoscopisch resectie van alle zichtbare afwijkingen lijkt de kans op een occult carcinoom elders in het Barrettsegment klein Indien patiënten met HGD in Barrett-oesofagus endoscopisch worden vervolgd, wordt bij ongeveer ###% een carcinoom gedetecteerd binnen een periode van <DATUM> jaar - Bij patiënten met HGD in Barrett-oesofagus en patiënten met een mucosaal gelokaliseerd adenocarcinoom heeft de endoscopische behandeling hiervan de voorkeur boven chirurgie of Bij patiënten met prognostisch ongunstige factoren in de histologische beoordeling van het endoscopische resectiepreparaat, zoals (diepe) submucosale ingroei, een tumor-positief verticaal resectievlak en (lymf)angioinvasie is chirurgische resectie met lymfklierdissectie alsnog Na endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen dient gestreefd te worden naar volledige eradicatie van het resterende Barrett-segment, waarbij RFA de voorkeur heeft.
604
nvmdl
HGD in Barrett-epitheel ### De studies in deze meta-analyse variëren echter sterk in kwaliteit en het gerapporteerde percentage is aanzienlijk lager dan progressie percentages van prospectieve gerandomiseerde studies In de gerandomiseerde surveillance vs ablatie studie van Shaheen et al trad progressie naar adenocarcinoom op bij ##% van de HGD-patiënten in de surveillance arm binnen ## maanden follow-up ### In de recent gepubliceerde gerandomiseerde surveillance vs ablatie studie van Phoa et al trad progressie naar adenocarcinoom op bij <DATUM> van de patiënten in de surveillance arm terwijl de baseline diagnose in deze studie LGD was (en niet HGD zoals in de in de studie van Na endoscopische work-up met hoge-resolutie endoscopie door een endoscopist met ervaring in de endoscopische diagnostiek en behandeling van Barrett-oesofagus en na endoscopisch resectie van alle zichtbare afwijkingen lijkt de kans op een occult carcinoom elders in het Barrettsegment klein Indien patiënten met HGD in Barrett-oesofagus endoscopisch worden vervolgd, wordt bij ongeveer ###% een carcinoom gedetecteerd binnen een periode van <DATUM> jaar - Bij patiënten met HGD in Barrett-oesofagus en patiënten met een mucosaal gelokaliseerd adenocarcinoom heeft de endoscopische behandeling hiervan de voorkeur boven chirurgie of Bij patiënten met prognostisch ongunstige factoren in de histologische beoordeling van het endoscopische resectiepreparaat, zoals (diepe) submucosale ingroei, een tumor-positief verticaal resectievlak en (lymf)angioinvasie is chirurgische resectie met lymfklierdissectie alsnog Na endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen dient gestreefd te worden naar volledige eradicatie van het resterende Barrett-segment, waarbij RFA de voorkeur heeft beschouwd worden als de hoeksteen van endoscopische therapie voor Barrett-oesofagus gerelateerde vroege neoplasieën Naast het hier boven beschreven belang van endoscopische resectie als stadiërende procedure, tonen veel series de waarde van ER bij de behandeling van Barrett-oesofagus en Barrett-oesofagus geassocieerde neoplasie #<DATUM> #<DATUM> ##<DATUM> ##<DATUM> ### remissie van de neoplasie in )##% van de patiënten indien er wordt voldaan aan de volgende “laag ─ HGD of een goed/matig gedifferentieerd adenocarcinoom dat beperkt is tot de mucosa, Afwijkingen )# cm kunnen effectief worden verwijderd met piecemeal resectie maar deze procedure is technisch meer complex en lijkt gepaard te gaan met een grotere kans op complicaties (bloedingen, perforaties en stenosering) In ervaren handen zijn ernstige complicaties echter zeldzaam, nl (# #<DATUM> In een recente gerandomiseerde studie werd ER met de cap-techniek vergeleken met ER met multiband mucosectomie ### De twee technieken waren vergelijkbaar wat betreft veiligheid en effectiviteit, maar voor piecemeal ER bleek multiband mucosectomie sneller en goedkoper te zijn Behandeling van Barrett-oesofagus met HGD in afwezigheid van endoscopisch zichtbare afwijkingen en behandeling van resterend Barrett-epitheel met of zonder dysplasie na resectie van zichtbare Het merendeel van patiënten verwezen voor de endoscopische work-up van HGD of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus heeft zichtbare subtiele afwijkingen als zij worden onderzocht met hoge-resolutie Barrett-oesofagus Er zijn echter ook patiënten met HGD zonder endoscopisch zichtbare afwijkingen Deze patiënten hebben een sterk verhoogde kans op het ontwikkelen van invasief adenocarcinoom, waarbij de kans oploopt tot ##-##% in <LEEFTIJD> jaar (zie paragraaf <DATUM> #).
627
nvmdl
hoeksteen van endoscopische therapie voor Barrett-oesofagus gerelateerde vroege neoplasieën Naast het hier boven beschreven belang van endoscopische resectie als stadiërende procedure, tonen veel series de waarde van ER bij de behandeling van Barrett-oesofagus en Barrett-oesofagus geassocieerde neoplasie #<DATUM> #<DATUM> ##<DATUM> ##<DATUM> ### remissie van de neoplasie in )##% van de patiënten indien er wordt voldaan aan de volgende “laag ─ HGD of een goed/matig gedifferentieerd adenocarcinoom dat beperkt is tot de mucosa, Afwijkingen )# cm kunnen effectief worden verwijderd met piecemeal resectie maar deze procedure is technisch meer complex en lijkt gepaard te gaan met een grotere kans op complicaties (bloedingen, perforaties en stenosering) In ervaren handen zijn ernstige complicaties echter zeldzaam, nl (# #<DATUM> In een recente gerandomiseerde studie werd ER met de cap-techniek vergeleken met ER met multiband mucosectomie ### De twee technieken waren vergelijkbaar wat betreft veiligheid en effectiviteit, maar voor piecemeal ER bleek multiband mucosectomie sneller en goedkoper te zijn Behandeling van Barrett-oesofagus met HGD in afwezigheid van endoscopisch zichtbare afwijkingen en behandeling van resterend Barrett-epitheel met of zonder dysplasie na resectie van zichtbare Het merendeel van patiënten verwezen voor de endoscopische work-up van HGD of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus heeft zichtbare subtiele afwijkingen als zij worden onderzocht met hoge-resolutie Barrett-oesofagus Er zijn echter ook patiënten met HGD zonder endoscopisch zichtbare afwijkingen Deze patiënten hebben een sterk verhoogde kans op het ontwikkelen van invasief adenocarcinoom, waarbij de kans oploopt tot ##-##% in <LEEFTIJD> jaar (zie paragraaf <DATUM> #) afwijkingen ontstaan (metachrone afwijkingen) De frequentie van dergelijke afwijkingen varieert tussen ##% en ##% met een gemiddelde follow-up van <LEEFTIJD> jaar [<PERSOON> ###, <PERSOON> ###, <LOCATIE> ###, Pech ###] Patiënten met de eerdergenoemde “laag risico” afwijkingen hebben een relatief lage ablatietherapie gepaard gaat met een hogere recidiefkans Complete verwijdering van het Barrettsegment (door stapsgewijze radicale endoscopische resectie (SRER) of de combinatie van endoscopische resectie en ablatietherapie) gaat gepaard met een duidelijk lagere recidiefkans ((#%) Verwijdering van al het Barrett-epitheel bij patiënten met HGD zonder endoscopisch zichtbare afwijkingen, of bij patiënten na endoscopische resectie van een neoplastische afwijking is mogelijk met aanvullende resectie of ablatie Stapsgewijze radicale endoscopische resectie is technisch een complexe behandeling Deze benadering gaat gepaard met stenosering van de slokdarm in )##% van de gevallen en wordt eigenlijk alleen toegepast als de Barrett-oesofagus korter is dan #cm ##<DATUM> ### Twee gerandomiseerde studies hebben laten zien dat endoscopische ablatietherapie van HGD in Barrett-oesofagus het risico op progressie naar adenocarcinoom significant verlaagt ### ### De eerste studie betrof een gerandomiseerde vergelijking van photodynamische therapie (PDT) met Photofrin en endoscopische follow-up, de tweede studie betrof een gerandomiseerde vergelijking van RFA en (##% ernstige complicaties), een minderheid van de patiënten had complete conversie naar plaveiselepitheel en HGD persisteerde in ##% van de patiënten waardoor ##% in een later stadium Verschillende prospectieve studies (waaronder # gerandomiseerde studies) hebben laten zien dat HGD en vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus effectief kan worden behandeld met RFA; het.
667
nvmdl
afwijkingen ontstaan (metachrone afwijkingen) De frequentie van dergelijke afwijkingen varieert tussen ##% en ##% met een gemiddelde follow-up van <LEEFTIJD> jaar [<PERSOON> ###, <PERSOON> ###, <LOCATIE> ###, Pech ###] Patiënten met de eerdergenoemde “laag risico” afwijkingen hebben een relatief lage ablatietherapie gepaard gaat met een hogere recidiefkans Complete verwijdering van het Barrettsegment (door stapsgewijze radicale endoscopische resectie (SRER) of de combinatie van endoscopische resectie en ablatietherapie) gaat gepaard met een duidelijk lagere recidiefkans ((#%) Verwijdering van al het Barrett-epitheel bij patiënten met HGD zonder endoscopisch zichtbare afwijkingen, of bij patiënten na endoscopische resectie van een neoplastische afwijking is mogelijk met aanvullende resectie of ablatie Stapsgewijze radicale endoscopische resectie is technisch een complexe behandeling Deze benadering gaat gepaard met stenosering van de slokdarm in )##% van de gevallen en wordt eigenlijk alleen toegepast als de Barrett-oesofagus korter is dan #cm ##<DATUM> ### Twee gerandomiseerde studies hebben laten zien dat endoscopische ablatietherapie van HGD in Barrett-oesofagus het risico op progressie naar adenocarcinoom significant verlaagt ### ### De eerste studie betrof een gerandomiseerde vergelijking van photodynamische therapie (PDT) met Photofrin en endoscopische follow-up, de tweede studie betrof een gerandomiseerde vergelijking van RFA en (##% ernstige complicaties), een minderheid van de patiënten had complete conversie naar plaveiselepitheel en HGD persisteerde in ##% van de patiënten waardoor ##% in een later stadium Verschillende prospectieve studies (waaronder # gerandomiseerde studies) hebben laten zien dat HGD en vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus effectief kan worden behandeld met RFA; het meerderheid van de patiënten bereikt #<DATUM> ### In een prospectieve, sham-gecontroleerde studie werden ## patiënten gerandomiseerde naar RFA (## patiënten) of sham behandeling (## patiënten) ### Na gemiddeld #,# endoscopieën werd complete remissie voor dysplasia bereikt bij ##% van de RFA-behandelde patiënten tegen ##% in de shambehandelde groep Eradicatie van al het Barrett-epitheel werd bereikt bij respectievelijk ##% en #% Vier patiënten in de sham-groep hadden progressie naar een invasief adenocarcinoom, tegen # in de RFA heeft geen significante invloed op de diameter en motiliteitsfunctie van de slokdarm ## ## De frequentie van onder plaveiselepitheel gelegen resterend Barrettepitheel (“buried Barrett’s”) is laag en het neosquameuze epitheel dat regenereert na RFA is vrij van oncogenetische afwijkingen die voorafgaand aan de RFA aanwezig waren in het Barrett-epitheel #<DATUM> Follow-up studies suggereren dat de volledige conversie van Barrett-epitheel naar plaveiselepitheel persisteert op de lange termijn ()##% bij <LEEFTIJD> jaars follow-up) #<DATUM> ### Grootschalige follow-up studies zijn echter schaars Een gerandomiseerde vergelijking van stapsgewijze radicale endoscopische resectie (SRER) en de combinatie van endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen gevolgd door RFA van het resterende Barrett-epitheel laat zien dat beide technieken succesvol zijn in het volledige verwijderen van het gehele Barrett-segment ()##%) De combinatie van endoscopische resectie en RFA is echter geassocieerd met minder complicaties en vereist minder procedures doordat SRER in de meerderheid van de patiënten met stenosering van de slokdarm gepaard gaat ### PDT en RFA zijn de best bestudeerde ablatietechnieken voor Barrett-oesofagus De huidige.
692
nvmdl
In een prospectieve, sham-gecontroleerde studie werden ## patiënten gerandomiseerde naar RFA (## patiënten) of sham behandeling (## patiënten) ### Na gemiddeld #,# endoscopieën werd complete remissie voor dysplasia bereikt bij ##% van de RFA-behandelde patiënten tegen ##% in de shambehandelde groep Eradicatie van al het Barrett-epitheel werd bereikt bij respectievelijk ##% en #% Vier patiënten in de sham-groep hadden progressie naar een invasief adenocarcinoom, tegen # in de RFA heeft geen significante invloed op de diameter en motiliteitsfunctie van de slokdarm ## ## De frequentie van onder plaveiselepitheel gelegen resterend Barrettepitheel (“buried Barrett’s”) is laag en het neosquameuze epitheel dat regenereert na RFA is vrij van oncogenetische afwijkingen die voorafgaand aan de RFA aanwezig waren in het Barrett-epitheel #<DATUM> Follow-up studies suggereren dat de volledige conversie van Barrett-epitheel naar plaveiselepitheel persisteert op de lange termijn ()##% bij <LEEFTIJD> jaars follow-up) #<DATUM> ### Grootschalige follow-up studies zijn echter schaars Een gerandomiseerde vergelijking van stapsgewijze radicale endoscopische resectie (SRER) en de combinatie van endoscopische resectie van zichtbare afwijkingen gevolgd door RFA van het resterende Barrett-epitheel laat zien dat beide technieken succesvol zijn in het volledige verwijderen van het gehele Barrett-segment ()##%) De combinatie van endoscopische resectie en RFA is echter geassocieerd met minder complicaties en vereist minder procedures doordat SRER in de meerderheid van de patiënten met stenosering van de slokdarm gepaard gaat ### PDT en RFA zijn de best bestudeerde ablatietechnieken voor Barrett-oesofagus De huidige Andere endoscopische technieken (laser, MPEC, argon plasma coagulatie, #-ALA-PDT, cryoablatie) zijn beschreven in kleinschalige studies, veelal zonder controlegroep, met soms hoge succespercentages maar soms ook met significante complicaties Deze technieken lijken meer endoscopist-afhankelijk dan RFA en PDT omdat zij niet resulteren in een uniforme ablatiediepte Deze technieken zijn waarschijnlijk beter geschikt voor ablatie van kleine resterende eilandjes Barrett-epitheel dan voor behandeling van grotere oppervlaktes Barrett-epitheel ### ## #<DATUM> ### Voor bepaling van de kans op lymfkliermetastasen in een vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus moet onderscheid gemaakt worden tussen carcinomen die zich beperken tot de mucosa (T#A), en Bij een mucosaal carcinoom in een Barrett-oesofagus is er bij #% van de patiënten sprake van lokale lymfkliermetastasen ### #<DATUM> <TELEFOONNUMMER><DATUM> Gerapporteerde series zijn echter beperkt in aantal en Voor patiënten met een vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus met infiltratie in de submucosa ligt het percentage lymfkliermetastasen veel hoger, in de meeste series )##% ### #<DATUM> Op dit moment is het nog onzeker of bij carcinomen die slechts heel oppervlakkig in de submucosa ingroeien ((###μm, T#sm#) en die geen andere risicofactoren hebben voor lymfkliermetastasering, zoals lymfangioinvasie of slechte differentiatiegraad, ook volstaan kan worden met endoscopische therapie Chirurgische series laten relatief hoge incidenties van lymfkliermetastasen zien, terwijl endoscopische series suggereren dat in geselecteerde patiënten (bijvoorbeeld met significante comorbiditeit) endoscopische resectie als enige behandeling overwogen kan worden ##<DATUM> In een recente serie van ## patiënten met geen slechte tumor-differentiatie, afwezigheid van (lymf)angioinvasie) ontwikkelde zich bij slechts # Implicaties van histologische beoordeling van endoscopische resectiepreparaten voor het te voeren.
677
nvmdl
#-ALA-PDT, cryoablatie) zijn beschreven in kleinschalige studies, veelal zonder controlegroep, met soms hoge succespercentages maar soms ook met significante complicaties Deze technieken lijken meer endoscopist-afhankelijk dan RFA en PDT omdat zij niet resulteren in een uniforme ablatiediepte Deze technieken zijn waarschijnlijk beter geschikt voor ablatie van kleine resterende eilandjes Barrett-epitheel dan voor behandeling van grotere oppervlaktes Barrett-epitheel ### ## #<DATUM> ### Voor bepaling van de kans op lymfkliermetastasen in een vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus moet onderscheid gemaakt worden tussen carcinomen die zich beperken tot de mucosa (T#A), en Bij een mucosaal carcinoom in een Barrett-oesofagus is er bij #% van de patiënten sprake van lokale lymfkliermetastasen ### #<DATUM> <TELEFOONNUMMER><DATUM> Gerapporteerde series zijn echter beperkt in aantal en Voor patiënten met een vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus met infiltratie in de submucosa ligt het percentage lymfkliermetastasen veel hoger, in de meeste series )##% ### #<DATUM> Op dit moment is het nog onzeker of bij carcinomen die slechts heel oppervlakkig in de submucosa ingroeien ((###μm, T#sm#) en die geen andere risicofactoren hebben voor lymfkliermetastasering, zoals lymfangioinvasie of slechte differentiatiegraad, ook volstaan kan worden met endoscopische therapie Chirurgische series laten relatief hoge incidenties van lymfkliermetastasen zien, terwijl endoscopische series suggereren dat in geselecteerde patiënten (bijvoorbeeld met significante comorbiditeit) endoscopische resectie als enige behandeling overwogen kan worden ##<DATUM> In een recente serie van ## patiënten met geen slechte tumor-differentiatie, afwezigheid van (lymf)angioinvasie) ontwikkelde zich bij slechts # Implicaties van histologische beoordeling van endoscopische resectiepreparaten voor het te voeren het diepe resectievlak, bestaat in principe geen plaats voor verdere endoscopische behandeling of Als het diepe resectievlak wel vrij is van tumor, is de aan- of afwezigheid van submucosale infiltratie de bepalende factor voor verdere behandeling Bij evidente submucosale groei wordt – ongeacht de radicaliteit van de resectie – bij voorkeur alsnog een chirurgische resectie verricht, gezien de kans op lokale lymfkliermetastasen Slechts bij afwezigheid van infiltratie in de bodem van het Infiltratie in lymfvaten (lymfangioinvasie) en differentiatiegraad van de tumor zijn voorspellende factoren voor de aanwezigheid van lokale lymfklieren in het chirurgische resectiepreparaat In mucosale tumoren zullen deze zelden worden aangetroffen Slechts bij patiënten met infiltratie in de muscularis mucosae of de oppervlakkige submucosa kunnen deze factoren een rol spelen Er zijn geen vergelijkende onderzoeken waarbij het interval van de endoscopische controle is en ## maanden Ten aanzien van de gebruikte endoscopische techniek gelden dezelfde richtlijnen als Mogelijk moet hier wel onderscheid worden gemaakt tussen patiënten bij wie enkel de dysplastische afwijking met endoscopische resectie werd verwijderd en het resterende Barrett-epitheel in situ werd gelaten, en patiënten die een volledige endoscopische verwijdering van al het intestinale epitheel hebben ondergaan Bij de eerste groep is stringente controle geïndiceerd, gegeven het hoge Het nut van endoscopische follow-up na eradicatie van het gehele Barrett-segment (na radicale endoscopische resectie of RFA) is minder duidelijk, mede gezien het feit dat na succesvolle RFA )##% van de patiënten na <LEEFTIJD> jaar nog steeds vrij is van intestinale metaplasie #<DATUM> Toekomstige.
626
nvmdl
het diepe resectievlak, bestaat in principe geen plaats voor verdere endoscopische behandeling of Als het diepe resectievlak wel vrij is van tumor, is de aan- of afwezigheid van submucosale infiltratie de bepalende factor voor verdere behandeling Bij evidente submucosale groei wordt – ongeacht de radicaliteit van de resectie – bij voorkeur alsnog een chirurgische resectie verricht, gezien de kans op lokale lymfkliermetastasen Slechts bij afwezigheid van infiltratie in de bodem van het Infiltratie in lymfvaten (lymfangioinvasie) en differentiatiegraad van de tumor zijn voorspellende factoren voor de aanwezigheid van lokale lymfklieren in het chirurgische resectiepreparaat In mucosale tumoren zullen deze zelden worden aangetroffen Slechts bij patiënten met infiltratie in de muscularis mucosae of de oppervlakkige submucosa kunnen deze factoren een rol spelen Er zijn geen vergelijkende onderzoeken waarbij het interval van de endoscopische controle is en ## maanden Ten aanzien van de gebruikte endoscopische techniek gelden dezelfde richtlijnen als Mogelijk moet hier wel onderscheid worden gemaakt tussen patiënten bij wie enkel de dysplastische afwijking met endoscopische resectie werd verwijderd en het resterende Barrett-epitheel in situ werd gelaten, en patiënten die een volledige endoscopische verwijdering van al het intestinale epitheel hebben ondergaan Bij de eerste groep is stringente controle geïndiceerd, gegeven het hoge Het nut van endoscopische follow-up na eradicatie van het gehele Barrett-segment (na radicale endoscopische resectie of RFA) is minder duidelijk, mede gezien het feit dat na succesvolle RFA )##% van de patiënten na <LEEFTIJD> jaar nog steeds vrij is van intestinale metaplasie #<DATUM> Toekomstige kan worden of zelfs helemaal achterwege kan blijven Het is niet bekend of er bij patiënten na endoscopische therapie van Barrett-vroegcarcinoom plaats is voor follow-up met behulp van EUS om eventuele lymfkliermetastasen in een vroeg en mogelijk nog Endoscopische resectie van HGD/vroegcarcinoom in een Barrett-oesofagus resulteert in een complete remissie van neoplasie in )##% van de patiënten, mits er geen sprake is van een slechte De kans op lymfkliermetastasen bij mucosale vroegcarcinomen in Barrett-oesofagus is circa #%, bij diepe submucosale ingroei neemt dit percentage toe tot )##% Niveau # B ### #<DATUM> ### <TELEFOONNUMMER> ##<DATUM> ### Na endoscopisch resectie van HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus is – indien het resterende Barrett-epitheel onbehandeld in situ blijft - de kans op het ontstaan van nieuwe neoplastische Complete verwijdering van het resterend Barrett-epitheel volgend op een endoscopische resectie van een laesie met HGD/vroegcarcinoom gaat gepaard met een lage recidiefkans ((#%) Endoscopische ablatietherapie leidt bij patiënten met HGD in Barrett-slokdarm tot een significante reductie van het risico op progressie naar kanker RFA is een effectieve behandeling voor HGD in Barrett-oesofagus die leidt tot eradicatie van dysplasie bij meer dan ##% van de patiënten en van al het Barrett-epitheel bij meer dan ##% van de patiënten, Volledige conversie van Barrett-epitheel naar plaveiselepitheel volgend op behandeling met RFA lijkt bij )##% van de patiënten ook op lange termijn (<LEEFTIJD> jaar) te persisteren Bij patiënten met HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus bij wie endoscopische therapie als complex wordt ingeschat, is chirurgische behandeling een te overwegen alternatief Voorwaarde.
628
nvmdl
of zelfs helemaal achterwege kan blijven Het is niet bekend of er bij patiënten na endoscopische therapie van Barrett-vroegcarcinoom plaats is voor follow-up met behulp van EUS om eventuele lymfkliermetastasen in een vroeg en mogelijk nog Endoscopische resectie van HGD/vroegcarcinoom in een Barrett-oesofagus resulteert in een complete remissie van neoplasie in )##% van de patiënten, mits er geen sprake is van een slechte De kans op lymfkliermetastasen bij mucosale vroegcarcinomen in Barrett-oesofagus is circa #%, bij diepe submucosale ingroei neemt dit percentage toe tot )##% Niveau # B ### #<DATUM> ### <TELEFOONNUMMER> ##<DATUM> ### Na endoscopisch resectie van HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus is – indien het resterende Barrett-epitheel onbehandeld in situ blijft - de kans op het ontstaan van nieuwe neoplastische Complete verwijdering van het resterend Barrett-epitheel volgend op een endoscopische resectie van een laesie met HGD/vroegcarcinoom gaat gepaard met een lage recidiefkans ((#%) Endoscopische ablatietherapie leidt bij patiënten met HGD in Barrett-slokdarm tot een significante reductie van het risico op progressie naar kanker RFA is een effectieve behandeling voor HGD in Barrett-oesofagus die leidt tot eradicatie van dysplasie bij meer dan ##% van de patiënten en van al het Barrett-epitheel bij meer dan ##% van de patiënten, Volledige conversie van Barrett-epitheel naar plaveiselepitheel volgend op behandeling met RFA lijkt bij )##% van de patiënten ook op lange termijn (<LEEFTIJD> jaar) te persisteren Bij patiënten met HGD/vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus bij wie endoscopische therapie als complex wordt ingeschat, is chirurgische behandeling een te overwegen alternatief Voorwaarde Gedurende vele jaren is oesofagectomie de standaardbehandeling geweest voor patiënten met een vroegcarcinoom en zelfs voor patiënten met HGD in Barrett-oesofagus ### Meerdere studies laten zien dat de mortaliteit van een oesofagus-cardiaresectie omgekeerd evenredig is aan het aantal oesofagectomieën dat per jaar in een <INSTELLING> plaatsvindt <DATUM> ## ## ## ### In deze series was de mortaliteit geassocieerd met een oesofagectomie <DATUM> #% voor laag-volume centra, tegen # #<DATUM> voor centra met een hoog jaarlijks volume In de veel aangehaalde studie uit ### over de Nederlandse situatie bleek de mortaliteit voor centra die jaarlijks # tot ## slokdarmresecties uitvoerden <DATUM> te zijn, voor centra met ##-## resecties per jaar was dit <DATUM> en voor centra met meer dan ## resecties was dit <DATUM> ### Er zijn (kleinere) series die suggereren dat de mortaliteit geassocieerd met een oesofagectomie bij jongere, overigens gezonde patiënten met dysplasie in Barrett-oesofagus veel lager is, met veelal een peri-operatieve mortaliteit van #% ### Slechts enkele van deze series includeerden ## of meer patiënten ##<DATUM> <TELEFOONNUMMER> # De peri-operatieve mortaliteit in deze series was Directe prospectieve vergelijkingen tussen endoscopische therapie en chirurgische resectie bij patiënten met HGD/vroegcarcinoom in een Barrett oesofagus zijn niet beschikbaar, en zullen waarschijnlijk ook niet in de toekomst worden uitgevoerd In een case-controle studie waarbij endoscopische therapie in één <INSTELLING> werd vergeleken met chirurgische resectie in een ander hoogvolume <INSTELLING> werden geen verschillen in mortaliteit gezien, maar traden ernstige complicaties.
667
nvmdl
Gedurende vele jaren is oesofagectomie de standaardbehandeling geweest voor patiënten met een vroegcarcinoom en zelfs voor patiënten met HGD in Barrett-oesofagus ### Meerdere studies laten zien dat de mortaliteit van een oesofagus-cardiaresectie omgekeerd evenredig is aan het aantal oesofagectomieën dat per jaar in een <INSTELLING> plaatsvindt <DATUM> ## ## ## ### In deze series was de mortaliteit geassocieerd met een oesofagectomie <DATUM> #% voor laag-volume centra, tegen # #<DATUM> voor centra met een hoog jaarlijks volume In de veel aangehaalde studie uit ### over de Nederlandse situatie bleek de mortaliteit voor centra die jaarlijks # tot ## slokdarmresecties uitvoerden <DATUM> te zijn, voor centra met ##-## resecties per jaar was dit <DATUM> en voor centra met meer dan ## resecties was dit <DATUM> ### Er zijn (kleinere) series die suggereren dat de mortaliteit geassocieerd met een oesofagectomie bij jongere, overigens gezonde patiënten met dysplasie in Barrett-oesofagus veel lager is, met veelal een peri-operatieve mortaliteit van #% ### Slechts enkele van deze series includeerden ## of meer patiënten ##<DATUM> <TELEFOONNUMMER> # De peri-operatieve mortaliteit in deze series was Directe prospectieve vergelijkingen tussen endoscopische therapie en chirurgische resectie bij patiënten met HGD/vroegcarcinoom in een Barrett oesofagus zijn niet beschikbaar, en zullen waarschijnlijk ook niet in de toekomst worden uitgevoerd In een case-controle studie waarbij endoscopische therapie in één <INSTELLING> werd vergeleken met chirurgische resectie in een ander hoogvolume <INSTELLING> werden geen verschillen in mortaliteit gezien, maar traden ernstige complicaties komen voor chirurgische therapie Ook bij patiënten met diepe submucosale ingroei en/of positieve diepe resectieranden van het endoscopisch resectiepreparaat dient chirurgische resectie te worden echter de voorkeur, gegeven de uitstekende effectiviteit, het minimaal invasieve <INSTELLING>, het behoud van de integriteit van de slokdarm en het lagere percentage ernstige complicaties vergeleken met chirurgische resectie Gezien het hierboven beschrevene kan oesofagectomie op individuele basis overwogen worden als alternatief voor endoscopische therapie bij jonge en overigens gezonde Er zijn aanwijzingen dat chirurgische en endoscopische therapie voor HGD/vroegcarcinoom in Barrettoesofagus beide gepaard gaan met een hoge effectiviteit en een lage mortaliteit Ernstige complicaties Dient de zorg voor patiënten met dysplasie en vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus te worden - De werkgroep is van mening dat endoscopische surveillance van patiënten met een Barrettoesofagus )## cm in lengte en de surveillance en behandeling van patiënten met LGD, HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus dient te geschieden in een Barrett expertisecentrum Een  Jaarlijks worden tenminste ## nieuwe patiënten met dysplasie of vroegcarcinoom in Barrettoesofagus endoscopisch behandeld  Binnen een <INSTELLING> wordt de endoscopische en histologische zorg verricht door één endoscopist en <DATUM> pathologen die zich specifiek met de zorg van deze patiënten bezig houden en waarbij er sprake is van aantoonbare training en nascholing op dit gebied  <INSTELLING> heeft de beschikking over hoge-resolutie endoscopie (HDTV-endoscoop,  Patiënten met Barrett-gerelateerde neoplasie worden besproken in een multidisciplinair overleg met MDL-artsen, chirurgen, oncologen en pathologen  <INSTELLING> heeft faciliteiten om eventuele complicaties van endoscopische behandeling.
641
nvmdl
therapie Ook bij patiënten met diepe submucosale ingroei en/of positieve diepe resectieranden van het endoscopisch resectiepreparaat dient chirurgische resectie te worden echter de voorkeur, gegeven de uitstekende effectiviteit, het minimaal invasieve <INSTELLING>, het behoud van de integriteit van de slokdarm en het lagere percentage ernstige complicaties vergeleken met chirurgische resectie Gezien het hierboven beschrevene kan oesofagectomie op individuele basis overwogen worden als alternatief voor endoscopische therapie bij jonge en overigens gezonde Er zijn aanwijzingen dat chirurgische en endoscopische therapie voor HGD/vroegcarcinoom in Barrettoesofagus beide gepaard gaan met een hoge effectiviteit en een lage mortaliteit Ernstige complicaties Dient de zorg voor patiënten met dysplasie en vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus te worden - De werkgroep is van mening dat endoscopische surveillance van patiënten met een Barrettoesofagus )## cm in lengte en de surveillance en behandeling van patiënten met LGD, HGD en/of vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus dient te geschieden in een Barrett expertisecentrum Een  Jaarlijks worden tenminste ## nieuwe patiënten met dysplasie of vroegcarcinoom in Barrettoesofagus endoscopisch behandeld  Binnen een <INSTELLING> wordt de endoscopische en histologische zorg verricht door één endoscopist en <DATUM> pathologen die zich specifiek met de zorg van deze patiënten bezig houden en waarbij er sprake is van aantoonbare training en nascholing op dit gebied  <INSTELLING> heeft de beschikking over hoge-resolutie endoscopie (HDTV-endoscoop,  Patiënten met Barrett-gerelateerde neoplasie worden besproken in een multidisciplinair overleg met MDL-artsen, chirurgen, oncologen en pathologen  <INSTELLING> heeft faciliteiten om eventuele complicaties van endoscopische behandeling de behandeling van bloedingen en perforaties en dat er toegang is tot chirurgische expertise  Alle patiënten met Barrett-oesofagus worden prospectief in een database geregistreerd De werkgroep realiseert zich dat de hoogte van de genoemde volumenorm arbitrair is en dat vergelijkende studies ontbreken Het aantal van ## nieuwe endoscopische behandelde patiënten per jaar is deels gebaseerd op een studie naar de leercurve effecten van het EMRtrainingsprogramma waaraan # van de huidige # Barrett-expert centra hebben deelgenomen Hierbij bleek het perforatierisico van de eerste ## EMR-procedures op #% te liggen### Gegeven deze studie en op basis van de in de werkgroep verenigde expert-opinion is geoordeeld dat, na het doorlopen van deze leercurve, een patiëntenstroom van ## nieuwe patiënten voldoende zou De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) heeft in de beoordeling van deze richtlijn aangegeven de centralisatie van zorg zoals beschreven te onderschrijven De NVvH staat echter op standpunt dat volumenormen – met het oog op bewijskracht, draagvlak en handhaafbaarheid – beter kunnen worden beschreven in een normeringsdocument dan in een De werkgroep pleit voor een landelijk Barrett adviesorgaan waarin MDL-artsen, pathologen en chirurgen met expertise en ervaring op het gebied van Barrett-gerelateerde afwijkingen participeren Dit panel moet worden ingeschakeld bij alle patiënten bij wie de diagnose dysplasie of vroegcarcinoom wordt gesteld Een dergelijk panel maakt het mogelijk de zorg van dysplasie en vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus in <LOCATIE> evenredig te verdelen Het maakt het tevens mogelijk bevindingen terug te koppelen naar verwijzende pathologen en MDL-artsen en maakt.
597
nvmdl
en dat er toegang is tot chirurgische expertise  Alle patiënten met Barrett-oesofagus worden prospectief in een database geregistreerd De werkgroep realiseert zich dat de hoogte van de genoemde volumenorm arbitrair is en dat vergelijkende studies ontbreken Het aantal van ## nieuwe endoscopische behandelde patiënten per jaar is deels gebaseerd op een studie naar de leercurve effecten van het EMRtrainingsprogramma waaraan # van de huidige # Barrett-expert centra hebben deelgenomen Hierbij bleek het perforatierisico van de eerste ## EMR-procedures op #% te liggen### Gegeven deze studie en op basis van de in de werkgroep verenigde expert-opinion is geoordeeld dat, na het doorlopen van deze leercurve, een patiëntenstroom van ## nieuwe patiënten voldoende zou De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH) heeft in de beoordeling van deze richtlijn aangegeven de centralisatie van zorg zoals beschreven te onderschrijven De NVvH staat echter op standpunt dat volumenormen – met het oog op bewijskracht, draagvlak en handhaafbaarheid – beter kunnen worden beschreven in een normeringsdocument dan in een De werkgroep pleit voor een landelijk Barrett adviesorgaan waarin MDL-artsen, pathologen en chirurgen met expertise en ervaring op het gebied van Barrett-gerelateerde afwijkingen participeren Dit panel moet worden ingeschakeld bij alle patiënten bij wie de diagnose dysplasie of vroegcarcinoom wordt gesteld Een dergelijk panel maakt het mogelijk de zorg van dysplasie en vroegcarcinoom in Barrett-oesofagus in <LOCATIE> evenredig te verdelen Het maakt het tevens mogelijk bevindingen terug te koppelen naar verwijzende pathologen en MDL-artsen en maakt (IKNL) De klinische validiteit van de door dit panel gegeven adviezen moet continue worden Er zijn verschillende redenen waarom gepleit kan worden voor het centraliseren van de  Effectieve behandeling vereist een adequate endoscopische work-up vóór de behandeling en intensieve endoscopische controles na de behandeling Behoudens ‘state of the art’ endoscopische apparatuur is ook expertise noodzakelijk voor herkenning van de vaak subtiele  De behandeling omvat verschillende endoscopische technieken (endoscopische resectie en ablatie) waarvoor, behalve specifieke apparatuur, ook endoscopische expertise is vereist  Beoordeling van biopten en endoscopische resectiepreparaten dient te geschieden door een panel  Onderzoeken suggereren dat multidisciplinaire adviesorganen waarin MDL-artsen, pathologen en chirurgen met specifieke interesse op dit gebied participeren, de kwaliteit van zorg kunnen Daarbij laat Nederlands onderzoek zien dat voor endoscopische resectie van vroegcarcinomen in Barrett-oesofagus een significante leercurve bestaat, zelfs als de endoscopist getraind wordt in het kader van een intensief en gestructureerd trainingsprogramma ### Veel van de aanbevelingen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op kleine onderzoeken afkomstig uit een beperkt aantal centra Het aantal onderzoeken met een significante follow-up is beperkt Prospectieve dataregistratie van in <LOCATIE> behandelde patiënten is daarom noodzakelijk Als kwaliteitsstandaard dienen Barrett expertisecentra de volgende gegevens te kunnen overleggen bij toekomstige visitaties aantal behandelde patiënten met Barrett-oesofagus, aantal patiënten met follow-up gegevens na # en <LEEFTIJD> jaar, aantal patiënten met aanvullende chirurgische behandeling na # en <LEEFTIJD> jaar follow-up en histologische uitkomst # en <LEEFTIJD> jaar na behandeling Een actuele lijst van de centra die als Barrett expertcentra kwalificeren is te vinden op (WEBLINK).
610
nvmdl
door dit panel gegeven adviezen moet continue worden Er zijn verschillende redenen waarom gepleit kan worden voor het centraliseren van de  Effectieve behandeling vereist een adequate endoscopische work-up vóór de behandeling en intensieve endoscopische controles na de behandeling Behoudens ‘state of the art’ endoscopische apparatuur is ook expertise noodzakelijk voor herkenning van de vaak subtiele  De behandeling omvat verschillende endoscopische technieken (endoscopische resectie en ablatie) waarvoor, behalve specifieke apparatuur, ook endoscopische expertise is vereist  Beoordeling van biopten en endoscopische resectiepreparaten dient te geschieden door een panel  Onderzoeken suggereren dat multidisciplinaire adviesorganen waarin MDL-artsen, pathologen en chirurgen met specifieke interesse op dit gebied participeren, de kwaliteit van zorg kunnen Daarbij laat Nederlands onderzoek zien dat voor endoscopische resectie van vroegcarcinomen in Barrett-oesofagus een significante leercurve bestaat, zelfs als de endoscopist getraind wordt in het kader van een intensief en gestructureerd trainingsprogramma ### Veel van de aanbevelingen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op kleine onderzoeken afkomstig uit een beperkt aantal centra Het aantal onderzoeken met een significante follow-up is beperkt Prospectieve dataregistratie van in <LOCATIE> behandelde patiënten is daarom noodzakelijk Als kwaliteitsstandaard dienen Barrett expertisecentra de volgende gegevens te kunnen overleggen bij toekomstige visitaties aantal behandelde patiënten met Barrett-oesofagus, aantal patiënten met follow-up gegevens na # en <LEEFTIJD> jaar, aantal patiënten met aanvullende chirurgische behandeling na # en <LEEFTIJD> jaar follow-up en histologische uitkomst # en <LEEFTIJD> jaar na behandeling Een actuele lijst van de centra die als Barrett expertcentra kwalificeren is te vinden op (WEBLINK) Hoewel een goede wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt, valt het naar de mening van de richtlijncommissie, behalve voor klachten van gastro-oesofageale reflux, op theoretische gronden te overwegen om ook bij afwezigheid van reflux symptomen proton-pomp inhibitors (PPIs) voor te Het bewijs om PPIs toe te passen bij patiënten met een Barrett-oesofagus om adenocarcinoom van de oesofagus te voorkomen is voornamelijk indirect Zowel ex vivo als in vitro modellen laten zien dat Enkele observationele studies hebben laten zien dat er een omgekeerd verband bestaat tussen het gebruik van PPIs en het ontstaan van dysplasie of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus ## ### ## ### Enkele prospectieve klinische trials toonden een daling van de proliferatie markers in biopten uit Barrett-metaplasie, wat potentieel een kanker beschermend effect zou kunnen betekenen ##<DATUM> Er zijn tot op heden geen prospectieve klinische trials verricht die een beschermend effect van PPIs op het ontstaan van dysplasie of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus aantonen Een behandeling met PPIs zou in theorie zelfs de mogelijkheid kunnen hebben om dysplasie in Barrett-oesofagus te induceren Het gebruik van PPIs geeft nl een toename van gastrine, een hormoon dat is geassocieerd met een toename van proliferatie in Barrett-epitheel Epidemiologische studies die dit effect hebben geprobeerd te onderzoeken hebben allemaal het probleem dat de indicatie, namelijk gastro-oesofageale refluxziekte, een belangrijke confounder is aangezien ook deze aandoening een belangrijke risicofactor is voor het ontstaan van een adenocarcinoom van de oesofagus In een grote database met indicaties voor endoscopie in huisartsenpraktijken in het Verenigd.
596
nvmdl
Hoewel een goede wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt, valt het naar de mening van de richtlijncommissie, behalve voor klachten van gastro-oesofageale reflux, op theoretische gronden te overwegen om ook bij afwezigheid van reflux symptomen proton-pomp inhibitors (PPIs) voor te Het bewijs om PPIs toe te passen bij patiënten met een Barrett-oesofagus om adenocarcinoom van de oesofagus te voorkomen is voornamelijk indirect Zowel ex vivo als in vitro modellen laten zien dat Enkele observationele studies hebben laten zien dat er een omgekeerd verband bestaat tussen het gebruik van PPIs en het ontstaan van dysplasie of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus ## ### ## ### Enkele prospectieve klinische trials toonden een daling van de proliferatie markers in biopten uit Barrett-metaplasie, wat potentieel een kanker beschermend effect zou kunnen betekenen ##<DATUM> Er zijn tot op heden geen prospectieve klinische trials verricht die een beschermend effect van PPIs op het ontstaan van dysplasie of adenocarcinoom in Barrett-oesofagus aantonen Een behandeling met PPIs zou in theorie zelfs de mogelijkheid kunnen hebben om dysplasie in Barrett-oesofagus te induceren Het gebruik van PPIs geeft nl een toename van gastrine, een hormoon dat is geassocieerd met een toename van proliferatie in Barrett-epitheel Epidemiologische studies die dit effect hebben geprobeerd te onderzoeken hebben allemaal het probleem dat de indicatie, namelijk gastro-oesofageale refluxziekte, een belangrijke confounder is aangezien ook deze aandoening een belangrijke risicofactor is voor het ontstaan van een adenocarcinoom van de oesofagus In een grote database met indicaties voor endoscopie in huisartsenpraktijken in het Verenigd op het ontstaan van een adenocarcinoom, terwijl patiënten met een ‘gastroduodenale indicatie’ geen verhoogd risico hadden ## Dit zou er op kunnen duiden dat de reden van een behandeling met PPIs mogelijk de oorzaak is van de hogere incidentie van adenocarcinoom en niet de medicatie zelf Er is indirect bewijs dat PPIs in asymptomatische patiënten met Barrettslokdarm het ontstaan van Is anti-reflux chirurgie effectiever dan medicamenteuze behandeling bij patiënten met Barrettoesofagus? De werkgroep is van mening dat er buiten de standaard indicaties voor anti-reflux chirurgie Zuurremmende medicatie, m n PPIs, kan symptomen van gastro-oesofageale reflux bij patiënten met Barrett-oesofagus verminderen maar de expositie van de oesofagus aan maaginhoud kan grotendeels blijven bestaan Aangezien het langdurig innemen van medicatie door patiënten soms als belastend wordt ervaren, kan in die gevallen een anti-reflux behandeling worden voorgesteld Enkele observationele studies hebben bij patiënten die anti-reflux chirurgie hadden ondergaan een afname laten zien van het ontstaan van dysplasie en adenocarcinoom in Barrett-oesofagus Deze studies hebben echter als bezwaar dat het aantal geïncludeerde patiënten over het algemeen klein was en er zijn redenen om aan te nemen dat er een bias was in het voordeel van de patiënten die Na meer dan <LEEFTIJD> jaar follow-up in een studie waarbij gerandomiseerd werd tussen anti-reflux chirurgie en medicamenteuze behandeling bij patiënten met gastro-oesofageale refluxklachten, werd bij # van de ### patiënten (#,#%) die medicamenteus werden behandeld een carcinoom gevonden versus # van de ## (#,#%) in de chirurgisch behandelde groep Dit was niet statistisch significant, mogelijk.
597
nvmdl
een adenocarcinoom, terwijl patiënten met een ‘gastroduodenale indicatie’ geen verhoogd risico hadden ## Dit zou er op kunnen duiden dat de reden van een behandeling met PPIs mogelijk de oorzaak is van de hogere incidentie van adenocarcinoom en niet de medicatie zelf Er is indirect bewijs dat PPIs in asymptomatische patiënten met Barrettslokdarm het ontstaan van Is anti-reflux chirurgie effectiever dan medicamenteuze behandeling bij patiënten met Barrettoesofagus? De werkgroep is van mening dat er buiten de standaard indicaties voor anti-reflux chirurgie Zuurremmende medicatie, m n PPIs, kan symptomen van gastro-oesofageale reflux bij patiënten met Barrett-oesofagus verminderen maar de expositie van de oesofagus aan maaginhoud kan grotendeels blijven bestaan Aangezien het langdurig innemen van medicatie door patiënten soms als belastend wordt ervaren, kan in die gevallen een anti-reflux behandeling worden voorgesteld Enkele observationele studies hebben bij patiënten die anti-reflux chirurgie hadden ondergaan een afname laten zien van het ontstaan van dysplasie en adenocarcinoom in Barrett-oesofagus Deze studies hebben echter als bezwaar dat het aantal geïncludeerde patiënten over het algemeen klein was en er zijn redenen om aan te nemen dat er een bias was in het voordeel van de patiënten die Na meer dan <LEEFTIJD> jaar follow-up in een studie waarbij gerandomiseerd werd tussen anti-reflux chirurgie en medicamenteuze behandeling bij patiënten met gastro-oesofageale refluxklachten, werd bij # van de ### patiënten (#,#%) die medicamenteus werden behandeld een carcinoom gevonden versus # van de ## (#,#%) in de chirurgisch behandelde groep Dit was niet statistisch significant, mogelijk Twee andere studies die gebruik maakten van grote patiënten databases ### ### en # meta-analyses ## #<DATUM> lieten ook geen significant voordeel zien van anti-reflux chirurgie boven medicamenteuze behandeling Het is niet aannemelijk dat anti-reflux chirurgie effectiever is dan medicamenteuze therapie bij patiënten met Barrett-oesofagus ter preventie van het ontstaan van dysplasie of adenocarcinoom and risk of gastric and oesophageal adenocarcinomas results from a cohort study and a Abrams JA, <PERSOON> CJ, et al Racial and ethnic disparities in the prevalence of Barrett’s esophagus among patients who undergo upper endoscopy Clin Abrams JA <PERSOON> RC, Lindberg GM, et al Adherence to biopsy guidelines for Barrett's esophagus surveillance in the community setting in the United States Clin Gastroenterol AGA Technical Review on the Management of Barrett’s Esophagus Gastroenterology Ajumobi A, <PERSOON> C, et al Surveillance in Barrett's esophagus an audit of practice <PERSOON> H, et al Alcohol consumption is associated with an increased risk of erosive esophagitis and Barrett’s epithelium in Japanese men <PERSOON> J, et al Trends in Barrett’s esophagus diagnosis in <PERSOON> CU, et al Barrett’s surveillance is worthwhile and detects curable cancers A prospective cohort study addressing cancer incidence, treatment <PERSOON> JJ Risk of lymph node metastasis associated with.
580
nvmdl
gebruik maakten van grote patiënten databases ### ### en # meta-analyses ## #<DATUM> lieten ook geen significant voordeel zien van anti-reflux chirurgie boven medicamenteuze behandeling Het is niet aannemelijk dat anti-reflux chirurgie effectiever is dan medicamenteuze therapie bij patiënten met Barrett-oesofagus ter preventie van het ontstaan van dysplasie of adenocarcinoom and risk of gastric and oesophageal adenocarcinomas results from a cohort study and a Abrams JA, <PERSOON> CJ, et al Racial and ethnic disparities in the prevalence of Barrett’s esophagus among patients who undergo upper endoscopy Clin Abrams JA <PERSOON> RC, Lindberg GM, et al Adherence to biopsy guidelines for Barrett's esophagus surveillance in the community setting in the United States Clin Gastroenterol AGA Technical Review on the Management of Barrett’s Esophagus Gastroenterology Ajumobi A, <PERSOON> C, et al Surveillance in Barrett's esophagus an audit of practice <PERSOON> H, et al Alcohol consumption is associated with an increased risk of erosive esophagitis and Barrett’s epithelium in Japanese men <PERSOON> J, et al Trends in Barrett’s esophagus diagnosis in <PERSOON> CU, et al Barrett’s surveillance is worthwhile and detects curable cancers A prospective cohort study addressing cancer incidence, treatment <PERSOON> JJ Risk of lymph node metastasis associated with study based on <PERSOON> FG, et al Safety and efficacy of multiband Altorki NK, <PERSOON> PC, Liss Y, et al Multifocal neoplasia and nodal metastases in <PERSOON-##> K, et al Which landmark results in a more consistent diagnosis of Barrett’s esophagus, the gastric folds or the palisade vessels? Gastrointest American Gastroenterological Association Medical Position statement on the <PERSOON-##> LA, Murray LJ, Murphy SJ, et al Mortality in Barrett's oesophagus results <PERSOON-##> RG, et al <PERSOON-##> association between alcohol and reflux esophagitis, Barrett’s esophagus, and esophageal adenocarcinoma Gastroenterology Attwood SE, <PERSOON-##> CJ, Caplin S, et al Argon beam plasma coagulation as therapy for high-grade dysplasia in Barrett’s esophagus <PERSOON-##> TG, et al Hiatal hernia and acid reflux frequency predict presence and length of Barrett’s esophagus Dig Dis Sci ###;#<DATUM> ## Ayers K, <PERSOON-##> pathology review and endoscopic mucosal resection alters the diagnosis of patients referred to undergo therapy for <PERSOON-##> GN Barrett’s oesophagus <PERSOON-##> statin and aspirin use in patients with Barrett's oesophagus is associated with a reduced incidence of oesophageal adenocarcinoma <PERSOON-##> JJ, McMahon BP, et al Stepwise radiofrequency ablation of Barrett's esophagus preserves esophageal inner diameter, compliance, and motility.
576
nvmdl
<PERSOON> FG, et al Safety and efficacy of multiband Altorki NK, <PERSOON> PC, Liss Y, et al Multifocal neoplasia and nodal metastases in <PERSOON> K, et al Which landmark results in a more consistent diagnosis of Barrett’s esophagus, the gastric folds or the palisade vessels? Gastrointest American Gastroenterological Association Medical Position statement on the <PERSOON> LA, Murray LJ, Murphy SJ, et al Mortality in Barrett's oesophagus results <PERSOON> RG, et al <PERSOON> association between alcohol and reflux esophagitis, Barrett’s esophagus, and esophageal adenocarcinoma Gastroenterology Attwood SE, <PERSOON> CJ, Caplin S, et al Argon beam plasma coagulation as therapy for high-grade dysplasia in Barrett’s esophagus <PERSOON> TG, et al Hiatal hernia and acid reflux frequency predict presence and length of Barrett’s esophagus Dig Dis Sci ###;#<DATUM> ## Ayers K, <PERSOON> pathology review and endoscopic mucosal resection alters the diagnosis of patients referred to undergo therapy for <PERSOON-##> GN Barrett’s oesophagus <PERSOON-##> statin and aspirin use in patients with Barrett's oesophagus is associated with a reduced incidence of oesophageal adenocarcinoma <PERSOON-##> JJ, McMahon BP, et al Stepwise radiofrequency ablation of Barrett's esophagus preserves esophageal inner diameter, compliance, and motility Impact of hospital volume on operative <PERSOON-##> HG, <PERSOON-##> F, et al Risk of Malignant Progression in Barrett’s Esophagus Patients Results from a <PERSOON-##> JD, Siewers AE, Finlayson EVA, et al Hospital volume and surgical mortality in the <PERSOON-##> J Med ###;##<DATUM> ## Boerwinkel DF, Holz JA, <PERSOON-##> MA, et al Effects of Autofluorescence Imaging on Detection and Treatment of Early Neoplasia in <PERSOON-##> of the French Society of Digestive Endoscopy monitoring of Barrett’s esophagus <PERSOON> Council of the French Society of Digestive Endoscopy Buttar NS, <PERSOON-##> KK, Sebo TJ, et al Extent of high-grade dysplasia in Barrett’s esophagus correlates with risk of adenocarcinoma <PERSOON-##> JH, et al Predictive factors of Barrett esophagus multivariate analysis of ### patients with gastroesophageal reflux disease <PERSOON-##> JE, et al Methylene blue staining of dysplastic and nondysplastic <PERSOON-##> W, et al Confocal Endomicroscopy for Barrett's Esophagus or Confocal Endomicroscopy for Barrett's Esophagus (CEBE) Trial a multicenter international randomized controlled trial (with video) <PERSOON-##> EY <PERSOON-##> CD, Seltman AK, et al <PERSOON> effect of antireflux surgery on esophageal carcinogenesis in patients with Barrett esophagus a systematic review <PERSOON-##> JM High-grade dysplasia in Barrett’s esophagus <PERSOON> case for.
615
nvmdl
on operative <PERSOON> HG, <PERSOON> F, et al Risk of Malignant Progression in Barrett’s Esophagus Patients Results from a <PERSOON> JD, Siewers AE, Finlayson EVA, et al Hospital volume and surgical mortality in the <PERSOON> J Med ###;##<DATUM> ## Boerwinkel DF, Holz JA, <PERSOON> MA, et al Effects of Autofluorescence Imaging on Detection and Treatment of Early Neoplasia in <PERSOON> of the French Society of Digestive Endoscopy monitoring of Barrett’s esophagus <PERSOON> Council of the French Society of Digestive Endoscopy Buttar NS, <PERSOON> KK, Sebo TJ, et al Extent of high-grade dysplasia in Barrett’s esophagus correlates with risk of adenocarcinoma <PERSOON> JH, et al Predictive factors of Barrett esophagus multivariate analysis of ### patients with gastroesophageal reflux disease <PERSOON-##> JE, et al Methylene blue staining of dysplastic and nondysplastic <PERSOON-##> W, et al Confocal Endomicroscopy for Barrett's Esophagus or Confocal Endomicroscopy for Barrett's Esophagus (CEBE) Trial a multicenter international randomized controlled trial (with video) <PERSOON-##> EY <PERSOON-##> CD, Seltman AK, et al <PERSOON> effect of antireflux surgery on esophageal carcinogenesis in patients with Barrett esophagus a systematic review <PERSOON-##> JM High-grade dysplasia in Barrett’s esophagus <PERSOON> case for Long-term endoscopic surveillance of patients with Barrett's esophagus Incidence of dysplasia and adenocarcinoma a prospective study <PERSOON-##> R, et al Endoscopic mucosal resection for high-grade dysplasia and intramucosal carcinoma in Barrett’s esophagus an Italian experience <PERSOON-##> MB, Wild CP, Forman D A systematic review and metaanalysis of the sex ratio for Barrett’s esophagus, erosive reflux disease, and nonerosive reflux disease <PERSOON-##> MB, Wild CP, Everett SM, et al Risk of mortality and cancer incidence in oesophagus patients with proton pump inhibitors up to ## years observations on regression Corley DA, <PERSOON-##> TR, Habel LA, et al Surveillance and survival in Barrett’s <PERSOON-##> a surgical antireflux procedure decrease and esophageal cancer a systematic review and meta-analysis Gastroenterology Corley DA, Kubo A, <PERSOON-##> TR, et al Abdominal obesity and body mass index as risk Corley DA, Kubo A, <PERSOON-##> TR, et al Race, ethnicity, sex and temporal differences in Barrett’s oesophagus diagnosis a large community-based study, ###–### <PERSOON-##> W, et al [Current surveillance policy for Barrett's oesophagus in the <PERSOON-##> JJ Novel imaging modalities in the detection of oesophageal neoplasia <PERSOON-##> FP, Elzer B, et al Quality of Barrett’s surveillance in <PERSOON> Netherlands.
618
nvmdl
Long-term endoscopic surveillance of patients with Barrett's esophagus Incidence of dysplasia and adenocarcinoma a prospective study <PERSOON> R, et al Endoscopic mucosal resection for high-grade dysplasia and intramucosal carcinoma in Barrett’s esophagus an Italian experience <PERSOON> MB, Wild CP, Forman D A systematic review and metaanalysis of the sex ratio for Barrett’s esophagus, erosive reflux disease, and nonerosive reflux disease <PERSOON> MB, Wild CP, Everett SM, et al Risk of mortality and cancer incidence in oesophagus patients with proton pump inhibitors up to ## years observations on regression Corley DA, <PERSOON> TR, Habel LA, et al Surveillance and survival in Barrett’s <PERSOON> a surgical antireflux procedure decrease and esophageal cancer a systematic review and meta-analysis Gastroenterology Corley DA, Kubo A, <PERSOON> TR, et al Abdominal obesity and body mass index as risk Corley DA, Kubo A, <PERSOON> TR, et al Race, ethnicity, sex and temporal differences in Barrett’s oesophagus diagnosis a large community-based study, ###–### <PERSOON> W, et al [Current surveillance policy for Barrett's oesophagus in the <PERSOON> JJ Novel imaging modalities in the detection of oesophageal neoplasia <PERSOON> FP, Elzer B, et al Quality of Barrett’s surveillance in <PERSOON> LM, et al Endoscopic tri-modal imaging for high-resolution endoscopy, autofluorescence imaging and narrow band imaging incorporated <PERSOON-##> R, et al Chromoendoscopy and narrow-band imaging <PERSOON-##> WL, Herrero LA, Wallace MB, et al Endoscopic tri-modal imaging is more effective than standard endoscopy in identifying early-stage neoplasia in Barrett's esophagus Da Rocha JR, Ribeiro U Jr, Sallum RA, et al Barrett’s esophagus (BE) and carcinoma in the esophageal stump (ES) after esophagectomy with gastric pull-up in achalasia patients a study based on ## years follow-up <PERSOON-##> ###;## ##<DATUM> <PERSOON-##> blue staining is it really useful in Barrett’s Dekken van <PERSOON-##> WC, Tilanus HW, et al Immunohistochemical evaluation of a panel of tumor cell markers during malignant progression in Barrett slokdarm <PERSOON-##> N et al <PERSOON-##> incidence of oesophageal DeVault KR, Castell DO Updated guidelines for the diagnosis and treatment of Dimick JB, Cattaneo SM, Lipsett PA, et al Hospital volume is related to clinical and economic outcomes of esophageal resection in <PERSOON-##> JB, Pronovost PJ, Cowan JA, et al Surgical volume and quality of care for esophageal resection do high-volume hospitals have fewer complications? <PERSOON-##> N, <PERSOON-##> et al Medical treatments for the maintenance.
593
nvmdl
<PERSOON> LM, et al Endoscopic tri-modal imaging for high-resolution endoscopy, autofluorescence imaging and narrow band imaging incorporated <PERSOON> R, et al Chromoendoscopy and narrow-band imaging <PERSOON> WL, Herrero LA, Wallace MB, et al Endoscopic tri-modal imaging is more effective than standard endoscopy in identifying early-stage neoplasia in Barrett's esophagus Da Rocha JR, Ribeiro U Jr, Sallum RA, et al Barrett’s esophagus (BE) and carcinoma in the esophageal stump (ES) after esophagectomy with gastric pull-up in achalasia patients a study based on ## years follow-up <PERSOON> ###;## ##<DATUM> <PERSOON> blue staining is it really useful in Barrett’s Dekken van <PERSOON> WC, Tilanus HW, et al Immunohistochemical evaluation of a panel of tumor cell markers during malignant progression in Barrett slokdarm <PERSOON> N et al <PERSOON> incidence of oesophageal DeVault KR, Castell DO Updated guidelines for the diagnosis and treatment of Dimick JB, Cattaneo SM, Lipsett PA, et al Hospital volume is related to clinical and economic outcomes of esophageal resection in <PERSOON> JB, Pronovost PJ, Cowan JA, et al Surgical volume and quality of care for esophageal resection do high-volume hospitals have fewer complications? <PERSOON-##> N, <PERSOON-##> et al Medical treatments for the maintenance <PERSOON-##> RD AMACR immunostaining is useful in detecting dysplastic epithelium in Barrett’s esophagus, ulcerative colitis, and Crohn’s disease <PERSOON-##> GS, Jensen DM, Cortina G, et al Randomized trial of argon plasma coagulation vs multipolar electrocoagulation for ablation of Barrett’s esophagus Gastrointest Endosc Edelstein ZR, Farrow DC, Bronner MP, et al Central adiposity and risk of Barrett’s Edelstein ZR, Bronner MP, Rosen SN, et al Risk factors for Barrett’s esophagus Eisen GM, Sandler RS, Murray S, et al <PERSOON> relationship between gastroesophageal reflux disease and its complications with Barrett’s esophagus [see comments Am J <LOCATIE> C, <PERSOON-##> L, et al Curative endoscopic resection of early <PERSOON-##> this patient have Barrett’s esophagus? <PERSOON> utility of predicting Barrett’s esophagus at the index endoscopy <PERSOON-##> ###;#<DATUM> esophagus among patients with gastroesophageal reflux disease a multivariable analysis in <PERSOON-##> S, et al Proton pump inhibitors are associated with a reduced incidence of dysplasia in Barrett's esophagus <PERSOON-##> J, et al Abdominal obesity and the risk of endoscopy in a Veterans Affairs database of ##,### patients with Barrett's esophagus Endoscopy Classification Review Group Update on the paris classification of superficial neoplastic lesions in the digestive tract Endoscopy ###;#<DATUM> # Falk GW, Catalano MF, Sivak MV Jr, et al.
615
nvmdl
<PERSOON> RD AMACR immunostaining is useful in detecting dysplastic epithelium in Barrett’s esophagus, ulcerative colitis, and Crohn’s disease <PERSOON> GS, Jensen DM, Cortina G, et al Randomized trial of argon plasma coagulation vs multipolar electrocoagulation for ablation of Barrett’s esophagus Gastrointest Endosc Edelstein ZR, Farrow DC, Bronner MP, et al Central adiposity and risk of Barrett’s Edelstein ZR, Bronner MP, Rosen SN, et al Risk factors for Barrett’s esophagus Eisen GM, Sandler RS, Murray S, et al <PERSOON> relationship between gastroesophageal reflux disease and its complications with Barrett’s esophagus [see comments Am J <LOCATIE> C, <PERSOON> L, et al Curative endoscopic resection of early <PERSOON> this patient have Barrett’s esophagus? <PERSOON> utility of predicting Barrett’s esophagus at the index endoscopy <PERSOON> ###;#<DATUM> esophagus among patients with gastroesophageal reflux disease a multivariable analysis in <PERSOON> S, et al Proton pump inhibitors are associated with a reduced incidence of dysplasia in Barrett's esophagus <PERSOON> J, et al Abdominal obesity and the risk of endoscopy in a Veterans Affairs database of ##,### patients with Barrett's esophagus Endoscopy Classification Review Group Update on the paris classification of superficial neoplastic lesions in the digestive tract Endoscopy ###;#<DATUM> # Falk GW, Catalano MF, Sivak MV Jr, et al patients with Barrett’s esophagus and highgrade dysplasia <PERSOON> JE, et al Barrett’s esophagus in women demographic features and progression to high-grade dysplasia and cancer Clin Gastroenterol Hepatol Feith M, <PERSOON-##> HJ, Siewert JR Pattern of lymphatic spread of Barrett’s cancer World J <PERSOON-##> HC, Luketich JD, Buenaventura PO, et al Outcomes of minimally invasive esophagectomy (MIE) for high-grade dysplasia of the esophagus <PERSOON-##> effects of acid on Barrett's esophagus <PERSOON-##> ex vivo proliferation and differentiation model <PERSOON-##> RC, <PERSOON-##> IT, Khoo D, et al Rigorous surveillance protocol increases detection of curable cancers associated with Barrett's esophagus Dig Dis Sci ###;#<DATUM> Fitzgerald RC, Di <PERSOON-##> K, et al British Society of Gastroenterology guidelines on the diagnosis and management of Barrett’s oesophagus Gut ###;#<DATUM> Fleischer DE, <PERSOON-##> VK, et al Endoscopic radiofrequency ablation for Barrett's esophagus #-year outcomes from a prospective multicenter trial Endoscopy Flejou JF Histological assessment of oesophageal columnar mucosa <PERSOON-##> NJ, Festen HPM, et al Landelijke Transmurale Afspraak <PERSOON-##> KD, Dolan K, et al Effect of surveillance of Barrett’s oesophagus on the clinical outcome of oesophageal cancer <PERSOON-##> C, et al.
620
nvmdl